<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN1977]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
de behandeling van:het wetsvoorstel Wijziging van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (geweld tegen derden) (23654).</item>
<item attribuut="Bestand"> 28 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Sociale zekerheid (Voorzieningen oorlogsslachtoffers)
Welzijn (Oorlogsslachtoffers)</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Oorlogsslachtoffers</item>
<item attribuut="Dossiernr">23654</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 14, Tweede Kamer, pag. 2622-2624</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">20-12-1994</item>
<item attribuut="Document-id">HAN1977</item>
<item attribuut="Omvang">3 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Tweede Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Burger-oorlogsslachtoffers</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Verkeer en Waterstaat</item>
<item attribuut="doccode">TK 37</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="37-2622">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Wet uitkeringen burger-
oorlogsslachtoffers 1940-1945
(geweld tegen derden) (23654).
De algemene beraadslaging wordt
geopend.

<blok pagina="37-2622">

 
<spreker pagina="37-2622" anker="837" partij="CDA" naam="Esselink">
 Voorzitter!
De aanleiding voor het onderhavige
wetsvoorstel is een aantal gevallen
van traumatische ervaringen, leidend
tot psychisch letsel wegens
derdengeweld. Het betrof daarbij
veelal toen jonge mensen die
werden geconfronteerd met geweld
tegen dierbaren, vaak hun vader of
moeder. De meeste gevallen deden
zich voor in het voormalige
Nederlands-Indie¨. Dit debat steekt
dus een beetje schril af tegen het
debat dat pal hiervoor plaatsvond,
maar dat terzijde.
Voor regering en parlement was
en is het signaleren ervan reden om
de Wet uitkeringen burger-
oorlogsgetroffenen 1940-1945, de
WUBO dus, te wijzigen. De WUBO
sluit dergelijke gevallen nu expliciet
uit van de kring van uitkeringsge-
rechtigden. De Pensioen- en
uitkeringsraad kon op deze gevallen
dan ook niet ingaan. Naar schatting
zijn circa 50 gevallen om deze reden
afgewezen. Dat wordt als onjuist en
onrechtvaardig ervaren, te meer
omdat voor vervolgingsslachtoffers
derdengeweld wel als uitkerings-
grond is aanvaard. Het is daarom
des te opmerkelijker dat in de nota
naar aanleiding van het eindverslag
terugwerkende kracht voor de
gevallen die aanleiding vormden
voor het wetsvoorstel categorisch
wordt afgewezen. Amendering van
het wetsvoorstel om terugwerkende
kracht in te voegen, ligt dan voor de
hand. Echter, bij het opstellen van
een amendement bleek dat de
WUBO op dit moment de mogelijk-
heid van het met terugwerkende
kracht verlenen van een uitkering in
artikel 40 al kent. Ten onrechte wordt
in de nota van die mogelijkheid,
waar de Kamer nadrukkelijk naar had
gevraagd, geen melding gemaakt.
Sterker nog, er wordt verklaard dat
het met terugwerkende kracht
verlenen van een uitkering praktisch
onuitvoerbaar is en daarom
ongewenst is. Achteraf bezien, is dat
niet juist en het wijkt af van de
aanleiding voor dit wetsvoorstel.
Zo’n nota naar aanleiding van het
eindverslag maakt deel uit van de
wetsgeschiedenis en belemmert dus
per saldo de Pensioen- en uitkerings-
raad in het verlenen van een
uitkering met terugwerkende kracht.
De CDA-fractie heeft buiten twijfel
willen stellen dat voor de gevallen
die de aanleiding vormden voor het
wetsvoorstel in elk geval een
uitkering met terugwerkende kracht
zal worden verleend, indien een
hernieuwde aanvraag wordt
ingediend. Daarom heb ik een
amendement ingediend.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="37-2623">

 
<spreker pagina="37-2623" anker="838" partij="PvdA" naam="Middel">
 Voorzitter! Ik
spreek niet alleen namens mijn eigen
fractie, maar ook namens de fractie
van D66. Wij steunen het wetsvoor-
stel, zoals het er ligt. Hetzelfde geldt
voor het amendement van de
CDA-fractie, zeker na de toelichting
van collega Esselink.
Toch wil ik nog twee punten, in
relatie tot dit wetsvoorstel, onder de
aandacht van de minister brengen.
Er wordt terecht geconstateerd dat
de wetswijziging, zoals die nu
voorligt, mede een gevolg is van de
uitvoering van de zogenaamde
Indische paragraaf, waar een aantal
jaren geleden met name door
Indische organisaties, naar aanlei-
ding van het bezoek van de
toenmalige Japanse premier Kaifu,
om is gevraagd. Mijn vraag – de
minister hoeft daar niet direct
antwoord op te geven, maar wel
graag op redelijk korte termijn – is
wat er nog meer ligt aan wensen en
verlangens in het kader van de
Indische paragraaf, waar de regering
op wellicht middellange termijn iets
mee kan, in die zin dat beleid op die
punten wordt ontwikkeld. Wij hebben
namelijk al een hele tijd niets meer
gehoord over de uitvoering van de
Indische paragraaf.
Het tweede punt – het is een
beetje wrang dat wij hierover
spreken, onmiddellijk na het debat
van zojuist – betreft het feit dat wij
nu vooral spreken over de slachtof-
fers van de Bersiap-periode, de
periode na de bevrijding van
Nederlands-Indie¨ in 1945. Deze
periode duurde tot 1949. Veel
Nederlanders, Nederlandse gezinnen,
zijn in die tijd gemarteld, zelfs
gedood. Zij hebben de meest
vreselijke dingen meegemaakt. Dat
geldt ook voor de groep Indo’s. Ik wil
de minister vragen om, zeker in het
kader van de herdenking van de
bevrijding van Nederlands-Indie¨ in
augustus van volgend jaar, aandacht
te besteden aan de groepen die toen
slachtoffer waren van de Bersiap-
periode en hun nabestaanden en die
periode niet te vergeten. Dat is
ontzettend belangrijk voor de
betrokkenen. Er is nog een vrij grote
groep mensen – ik doel dan op de
Indo’s – die eigenlijk alle ellende
hebben meegemaakt. Ze vielen als
Indo tussen wal en schip, want ze
behoorden niet tot de Europeanen,
maar ook niet bij de autochtone
bevolking. Ze hebben de Japanse
bezetting meegemaakt en daarna de
Bersiap-periode en vervolgens de
toestand in Nieuw-Guinea, waar ze
heen gegaan waren nadat de Bersiap
afgelopen was. Het is van belang dat
er juist in het kader van deze
wetgeving, aandacht is voor deze
groepen en hun nabestaanden, juist
van de zijde van de regering. Zij
hebben nu namelijk vaak het idee –
niet geheel ten onrechte – dat ze nog
steeds tussen wal en schip vallen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="37-2623">Mevrouw Van Heemskerck
Pillis-Duvekot (VVD): Voorzitter! Het
heeft enige tijd geduurd, maar
vandaag sluiten wij dit wetsvoorstel definitief af. En ik mag wel zeggen:
positief. De VVD steunt deze
wetswijziging en ook het amende-
ment van het CDA dat juist tot doel
heeft de wet met terugwerkende
kracht te doen ingaan voor de eerste
aanvragers en de groepen die het in
feite nodig hebben gemaakt dat deze
wetswijziging er kwam. Door
persoonlijke contacten, vooral van de
kant van de Vereniging kinderen uit
de Japanse bezetting en de
Bersiap-tijd, is mij gebleken dat de
Indische naoorlogse generatie door
deze wijziging een beetje meer recht
wordt gedaan en dat stemt tot
tevredenheid.
Toen ik van de week tegen een
van de organisaties zei dat het nu is afgerond, was het eerlijke antwoord:
mevrouw, er liggen nog zoveel
problemen. Zou ik de minister,
conform het verzoek van de heer
Middel, mogen vragen om nogmaals
contact op te nemen met het veld en
te kijken waar de speciale problemen
bij de uitvoering van de wetgeving
liggen en, nadat zij die heeft
gee¨valueerd, terug te komen naar de
Kamer en te zeggen dat alle
geruchten waardeloos zijn of dat er
nog een aantal problemen liggen,
vooral in de Indisch-Nederlandse
gemeenschap, waar wij nog eens
naar moeten kijken.</blok>
<blok pagina="37-2623">

 
<spreker pagina="37-2623" anker="839" soort="Minister" naam="Borst-Eilers">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik wil graag enkele
woorden wijden aan de voorgeschie-
denis van dit wetsvoorstel. Een paar
jaren geleden hebben enkele
Indische organisaties met mijn
ambtsvoorgangster gesproken en
een pakket aan wensen bij haar
neergelegd. Dat hield in dat er een
zogenoemde Indische paragraaf zou
moeten komen in de twee wetten die
de uitkeringen regelen, de WUV en
de WUBO. Mijn voorgangster heeft
verschillende malen persoonlijk met
de betrokkenen daarover gesproken.
Zij zijn toen samen tot de conclusie
gekomen dat er ten aanzien van de
toepassing van de WUV en de
WUBO geen sprake was van
achterstelling van Indische oorlogs-
getroffenen en dat het dus niet
noodzakelijk was om op dat punt een
Indische paragraaf aan de wetten toe
te voegen. Wel is toen de afspraak
gemaakt om de noodzaak van een
wetswijziging te onderzoeken, daar
waar het slachtoffers betrof van het
geweld tegen derden. Een pleidooi
van de organisaties richtte zich dan
met name op die categorie mensen
die in de naoorlogse periode, de
Bersiap-periode, in het voormalige
Nederlands-Indie¨ aanwezig waren bij
de executie of marteling van
familieleden of andere personen en
dus getuige waren van gruwelijk-
heden, begaan tegenover derden.
In de tijd bleek dat ook de
Pensioen- en uitkeringsraad, de PUR,
het als een gemis voelde dat in vaak
zeer navrante gevallen op dit punt er
geen mogelijkheid was om een
uitkering of een voorziening te
geven, omdat daar in de wet, de
WUBO, niet in was voorzien. Het
verheugt mij met de Kamer dat
vandaag met dit wetsvoorstel de
WUBO alsnog voor die categorie
personen wordt opengesteld. Ik wil
er zeker voor zorgdragen, dat over
deze wetswijziging een brede
voorlichting zal worden gegeven.
Door de PUR is al voorgesteld, die te
betrekken bij de voorlichtings-
campagne over de WUBO, die op dit
ogenblik in het hele land wordt
gehouden.
Dan wil ik nu graag iets zeggen
over het amendement van de
geachte afgevaardigde de heer
Esselink. Ik meen uit de redactie van
zijn amendement en uit de toelich-
ting die de heer Esselink zojuist heeft
gegeven, te mogen afleiden dat hij
begrip heeft voor mijn standpunt, dat
in de nota naar aanleiding van het
verslag is uiteengezet. Daarin werd
naar voren gebracht, dat er vooral
uitvoeringsproblemen waren bij het
verlenen van uitkeringen met
terugwerkende kracht aan ieder die
in het verleden ooit op welke
aanvrage ook een negatieve
beslissing heeft gekregen. Ik ben de
heer Esselink erkentelijk voor de
wijze waarop hij dat amendement nu
heeft geformuleerd. Daarmee wordt
dit probleem grotendeels ondervan-
gen. Nu gaat het immers om
personen van wie de Pensioen- en
uitkeringsraad wel een dossier heeft.
Het betreft ongeveer 50 mensen die
een aanvraag hebben gedaan. Deze
zou de PUR graag hebben gehono-
reerd als de wet daartoe de
mogelijkheid had geboden. Dat zou
nu met terugwerkende kracht
worden gerealiseerd, mits men een
jaar na het in werking treden van
deze wet de aanvraag indient.
Hoewel ik aanvankelijk meende,
hiervan af te moeten zien, heb ik mij
naar aanleiding van het nu voorlig-
gende amendement beraden. Hoewel
een aanzienlijk bedrag met de
uitkering is gemoeid, namelijk 2,5
mln., wil ik toch meedelen dat ik
geen onoverkomelijke bezwaren
tegen het amendement heb. Ik merk
dat dit amendement in de Kamer
breed wordt gesteund. Het komt mij
sympathiek voor. Het oordeel over
het amendement laat ik graag aan de
Kamer over. Ik ben echter zeker
bereid, te handelen overeenkomstig
de geest van het amendement.
Ten slotte wil ik de Kamer danken
voor de constructieve wijze waarop
zij heeft bijgedragen aan het tot
stand komen van een verbetering
van de onderhavige wet, de WUBO.
In feite is dat altijd het geval bij de
wetten voor de oorlogsgetroffenen.
Ik meen dat er door deze aanvulling
en door het amendement van de
heer Esselink een heel goed voorstel
ligt.
De heer Middel heeft mij
gevraagd, de Kamer op korte termijn
een overzicht te verstrekken. Dat zeg
ik graag toe. Het lijkt mij dat dit van
de heer Middel wel na het kerstreces
mag gebeuren. In dat overzicht
geven wij dan aan of er nu nog meer
problemen zijn in het kader van de
’’Indische paragraaf’’. Mevrouw Van
Heemskerck Pillis-Duvekot heeft
hetzelfde verzoek met andere
woorden gedaan. Beiden hebben
gevraagd om extra aandacht in
persoonlijke zin. Ook daartoe ben ik
graag bereid. Ik meen dat het heel
belangrijk is om in de maand
augustus bij de herdenkingen niet
alleen aandacht te schenken aan
hetgeen is gebeurd tussen 1940 en
1945, maar ook aan de Bersiap-
periode en aan bepaalde groepen,
vooral aan de Indo’s die ook na de
Bersiap-periode in Nieuw-Guinea
nog de nodige ellende hebben
meegemaakt. De heer Middel sprak
hierover.
Dan kom ik op de tweede vraag
van mevrouw Van Heemskerck
Pillis-Duvekot. Ik heb al met de
’’Indische organisaties’’ afgesproken
– bij de viering in Dronten heb ik dat
nog eens bevestigd – in januari of
februari gesprekken te voeren. In die
gesprekken zal ik mij graag laten
informeren over de problemen die
men nu nog bij de uitvoering van de
wet of anderszins ondervindt.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="37-2624">

 
<spreker pagina="37-2624" anker="840" partij="D66" naam="Van Waning">

Voorzitter! Ik wil graag nog even
benadrukken dat de heer Middel in
eerste termijn mede namens de
fractie van D66 heeft gesproken. Dat
geldt zowel voor de steun aan het
amendement, als voor de vragen. Ik
ben de minister zeer erkentelijk voor
haar antwoorden. Ik kan haar
verzekeren dat het Indisch platform,
dat wij gisteren hebben mogen
ontvangen, ook zeer erkentelijk is
voor de toezeggingen van de
minister.
De algemene beraadslaging wordt
gesloten. 

</spreker>
<spreker pagina="37-2624" anker="841" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, morgen
over het wetsvoorstel te stemmen.
Daartoe wordt besloten. 

</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="37-2624">

Aan de orde is de behandeling van:
- wetsvoorstel Wijziging van
hoofdstuk XII (Ministerie van
Verkeer en Waterstaat) van de
begroting van de uitgaven en de
ontvangsten voor het jaar 1994
(wijziging samenhangende met
de Najaarsnota) (24011).
De algemene beraadslaging wordt
geopend.

<blok pagina="37-2624">

 
<spreker pagina="37-2624" anker="842" partij="CDA" naam="Reitsma">
 Mijnheer de
voorzitter! Dit debat gaat over de
suppletore begroting van Verkeer en
Waterstaat en de aanpalende
onderdelen die betrekking hebben op
deze suppletore begroting. Wij
hevelen jaarlijks een behoorlijk
bedrag vanuit de begroting van
Verkeer en Waterstaat over naar het
Infrastructuurfonds. Mijn fractie heeft
geconstateerd dat er ook dit jaar
weer sprake is van een onder-
uitputting van 280 mln. in het
Infrastructuurfonds. De belangrijkste
oorzaak daarvan is gelegen in
vertraging in de investerings-
projecten in zowel het stads- en
streekvervoer, de Nederlandse
spoorwegen als de rijkswegen.
Daarnaast kunnen wij in de
schriftelijke antwoorden van de
minister lezen dat er enkele
kasverschuivingen doorgevoerd zijn,
waardoor de onderbestedingen op
het investeringsartikel eigenlijk nog
groter zijn dan het bedrag van 280
mln. Dit staat in schril contrast met
de politieke wenselijkheid om de
investeringen vanuit het Rijk fors te
verhogen teneinde de achterstand in
de investeringen in de fysieke
infrastructuur, internationaal gezien,</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


