<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN1984]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van de brief inzake de koers omtrent de ontwikkeling van het hoger onderwijs (23900-VIII, nr. 57)</item>
<item attribuut="Bestand"> 145 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Hoger onderwijs (Algemeen)</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Hbo
Wetenschappelijk onderwijs</item>
<item attribuut="Dossiernr">23900</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 14, Tweede Kamer, pag. 2635-2665</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">21-12-1994</item>
<item attribuut="Document-id">HAN1984</item>
<item attribuut="Omvang">31 pag.</item> 
<item attribuut="vergadering">38ste vergadering</item>
<item attribuut="dag">Woensdag</item>
<item attribuut="datum">21 december 1994</item>
<item attribuut="aanvang">Aanvang 10.15 uur</item>
<item attribuut="kamer">Tweede Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Collegegelden hoger onderwijs</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Leden</item>
<item attribuut="doccode">TK 38</item>
<item attribuut="voorzitter">Van Erp</item>
<item attribuut="voorzitter">Deetman</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="38-2635">

Tegenwoordig zijn 146 leden, te weten:
Adelmund, Aiking-van Wageningen,
Apostolou, Van Ardenne-van der
Hoeven, Augusteijn-Esser, Bakker, Ter
Beek, Beinema, Van den Berg,
Biesheuvel, Bijleveld-Schouten,
Blaauw, Blauw, Boers-Wijnberg,
Bolkestein, Van den Bos, Van Boxtel,
Brinkman, Bukman, M.M. van der
Burg, V.A.M. van der Burg, Van de
Camp, Cherribi, De Cloe, Cornielje,
Crone, Dankers, Dees, Deetman, Van
Dijke, Dijksma, Dijksman, Dittrich,
Van den Doel, Doelman-Pel,
Duivesteijn, Van Erp, Esselink,
Essers, Fermina, Gabor, Van Gelder,
Van Gijzel, Giskes, De Graaf,
Groenman, Van Heemskerck
Pillis-Duvekot, Van Heemst, Heerma,
Van der Heijden, Hendriks, Hessing,
Hillen, Hirsch Ballin, Hoekema, Van
der Hoeven, Hofstra, Van Hoof,
Hoogervorst, De Hoop Scheffer,
Houda, Huys, Janmaat, De Jong,
Jorritsma-van Oosten, Kalsbeek-
Jasperse, H.G.J. Kamp, M.M.H.
Kamp, Keur, Klein Molekamp,
Koekkoek, De Koning, De Korte,
Korthals, Lambrechts, Lansink,
Leerkes, Leers, Liemburg, Lilipaly,
Van der Linden, Marijnissen,
Mateman, Middel, Van Middelkoop,
Mulder-van Dam, Van Nieuwen-
hoven, Nijpels-Hezemans, Noorman-
den Uyl, Oedayraj Singh Varma,
Oudkerk, Van Oven, Van der Ploeg,
Poppe, Rabbae, Reitsma, Remkes,
Van Rey, Van ’t Riet, Rijpstra,
Roethof, Van Rooy, Rosenmo¨ller,
Rouvoet, Scheltema-de Nie,
Schimmel, Schutte, Schuurman,
Sipkes, Smits, Soutendijk-van
Appeldoorn, Stellingwerf, Sterk, Van
der Stoel, Swildens-Rozendaal,
Terpstra, Van Traa, Ter Veer, Te
Veldhuis, Verbugt, Verhagen, Verkerk,
Versnel-Schmitz, Verspaget,
Vliegenthart, Van der Vlies, Van Vliet,
H. Vos, M.B. Vos, O.P.G. Vos,
Vouˆte-Droste, Vreeman, B.M. de
Vries, J.M. de Vries, Wallage, Van
Walsem, Van Waning, Weisglas, Van
Wingerden, Wolffensperger, Woltjer,
Ybema, Van Zijl, Zijlstra, Zonneveld
en Van Zuijlen,
en de heren Dijkstal, vice-minister-
president, minister van Binnenlandse
Zaken, Van Mierlo, vice-minister-
president, minister van Buitenlandse
Zaken, mevrouw Sorgdrager,
minister van Justitie, de heren
Ritzen, minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen, Zalm,
minister van Financie¨n, Voorhoeve,
minister van Defensie, Wijers,
minister van Economische Zaken,
mevrouw Borst-Eilers, minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
de heer Kohnstamm, staatssecretaris
van Binnenlandse Zaken, mevrouw
Van de Vondervoort, staatssecretaris
van Binnenlandse Zaken, de heer
Nuis, staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen, en
mevrouw Terpstra, staatssecretaris
van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport.

<blok pagina="38-2635">

 
<spreker pagina="38-2635" anker="461" naam="De voorzitter">
 Ik deel aan de Kamer
mede, dat zijn ingekomen berichten van verhindering van de leden:
M.M. van der Burg en Buurmeijer,
wegens bezigheden elders, alleen
voor de ochtendvergadering;
Esselink, wegens bezigheden elders,
alleen voor de ochtend- en middag-
vergadering;
Duivesteijn, wegens bezigheden
elders, alleen voor de avond-
vergadering;
Van Dijke, wegens bezigheden
elders.
Deze berichten worden voor
kennisgeving aangenomen. 

</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="38-2635">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Algemene burgerlijke
pensioenwet en de Wet uitkering
wegens vrijwillig vervroegd
uittreden (Vut-wet) in verband
met de verhoging van de
pensioenopbouw bij afzien van
het recht op vut en wijziging van
het begrip bezoldiging (23763);
- het wetsvoorstel Vaststelling
en invoering van titel 15 (Het
luchtvaartuig) van Boek 8 van
het Burgerlijk Wetboek (23814).
Deze wetsvoorstellen worden zonder
beraadslaging en, na goedkeuring
van de onderdelen, zonder stemming
aangenomen. </onderwerp>
<onderwerp pagina="38-2635">

Aan de orde is de behandeling van:
- de brief inzake de koers
omtrent de ontwikkeling van het
hoger onderwijs (23900-VIII, nr.
57).
De beraadslaging wordt geopend. 
<spreker pagina="38-2635" anker="462" naam="De voorzitter">
 De maximum-
spreektijden zijn vastgesteld op vijf
minuten per fractie.</spreker>
<blok pagina="38-2635">

 
<spreker pagina="38-2635" anker="463" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Voorzitter! De chaos op het terrein
van het hoger onderwijs is compleet.
De Kamer kan niet passief blijven
toezien hoe op dit terrein brokken
geproduceerd worden door het
kabinet en de coalitiepartners. In die
zin heeft mijn fractie het verzoek van
het CDA gesteund om het debat over
deze kwestie vanmorgen te voeren.
De chaos is het gevolg van een
aantal merkwaardige ontwikkelingen.
Uitspraken van minister of politici
blijken achteraf geen uitspraken te
zijn. Afspraken tussen de minister en
onderwijsinstellingen blijken
hoogstens halve afspraken te zijn.
Toezeggingen en opdrachten van de
coalitiepartners aan de minister van
Onderwijs om met een bepaald
kader te onderhandelen blijken
achteraf toch niet de bedoeling te
zijn. Kortom, het is volledig te
begrijpen als de minister van
Onderwijs, met de staatssecretaris
van Onderwijs in zijn kielzog, het op
een gegeven moment niet meer
weet.
De minister is echter lenig genoeg
om afhankelijk van posities en
opdrachten teruggestuurd te willen
worden om het opnieuw te proberen.
Ik maak mij zorgen over zijn politieke
geloofwaardigheid. Deze minister zei
in juni jongstleden dat de bezuinigin-
gen eigenlijk hun grens hadden
bereikt. Daarna verklaarde hij zich
bereid, minister te worden om het
hoger onderwijs te redden. Dat
geloof ik ook van hem. Vervolgens
moest hij constateren dat het niet
mogelijk bleek te zijn. Hij leverde een
strijd met zijn collega van Financie¨n
om te bezien of de bezuinigingen
niet verlaagd konden worden. Hij
verloor deze strijd in het kabinet. Zijn
staatssecretaris riep vervolgens dat
het eigenlijk een onmogelijke taak
was om dat bedrag te halen, gelet op
de realiteit. Hij werd teruggefloten in
het kabinet en moest daarna
inbinden. Fracties van de coalitiepart-
ners gaven de minister toen de
opdracht om maar te gaan onder-
handelen met de instellingen in het
hoger onderwijs. Daarbij zou het niet
uitmaken of de doelstelling van 500
mln. gehaald werd, als de bereidheid
maar bestond om te bezuinigen. De
minister is keurig conform deze
opdracht naar de onderwijsinstellin-
gen toegegaan. Hij heeft een
intentieakkoord, dat later geen
intentieakkoord bleek te zijn,
gesloten met de instellingen. Wat
zien wij nu? Diezelfde coalitiepart-
ners laten de minister in de steek,
want het was helemaal niet de
bedoeling dat hij kwam met een
voorstel tot verhoging van het
collegegeld. De VVD vindt dat dit
nivellerend werkt. Dat raakt natuurlijk
de ouders met de hoge inkomens en
dat was niet de bedoeling. De PvdA
vindt het een te forse verhoging van
de collegegelden, terwijl zij ook de
optie van het verhogen van
collegegelden had genoemd. En D66
hield zich even stil. De fracties
hebben de collegegeldverhoging als
optie gehanteerd, maar zijn later
kennelijk teruggeschrokken van de
acties van de studenten. Zij hebben
ingebonden en vragen nu gezamen-
lijk aan de minister en zijn staatsse-
cretaris om toch terug te gaan naar
de onderwijsinstellingen. Als dit voor
een minister politiek gesproken geen
afbladderingsproces is, dan weet ik
het niet meer.
Ik ben blij dat de heer Wallage hier
aanwezig is, want zowel tijdens de
algemene beschouwingen als in het
boek ’’Regerenderwijs’’ over de
periode van de PvdA in het
kabinet-Lubbers III heeft hij stellig
gezegd dat hij, lessen trekkend uit de
ervaringen van ex-staatssecretaris
Elske ter Veld, voortaan zeer
vroegtijdig zou ingrijpen als blijkt dat
een bewindspersoon – in dit geval
van de PvdA, maar ik neem aan dat
dit voor alle andere bewindsperso-
nen in dit kabinet geldt – in
moeilijkheden zou raken. De heer
Wallage zou dan tijdig ingrijpen in
het voordeel van betrokkene, maar
ook van de politiek en de geloof-
waardigheid daarvan. Ik vraag de
heer Wallage, straks aan te geven of
hij niet zelf heeft meegewerkt aan
het afbladderingsproces en of de tijd
niet daar is om zijn uitspraak handen
en voeten te geven. Politiek
gesproken acht ik het niet meer
verantwoord om minister Ritzen alle
hoeken van de Kamer en de
maatschappij te laten zien. Dit lijkt
mij hoogst onverantwoord.
Voorzitter! Deze toestand is het
gevolg van een simpel feit. Er moest
een paarse coalitie komen en er is
natuurlijk geen sprake van paars
zonder VVD. De VVD wil graag 18
mld. bezuinigen en dat moet
natuurlijk gebeuren. Met een
pennestreek is 1,5 mld. voor hoger
onderwijs en de studiefinanciering
ingevuld, zonder dat men eigenlijk
acht sloeg op de realiteit. Maar de
werkelijkheid is harder dan het
regeerakkoord, zoals de heer Nuis
eens op televisie heeft gezegd. Zoals
de heer Bolkestein heeft gezegd, zou
dit solide kabinet van socialisten,
liberalen en democraten ons laten
zien hoe daadkrachtig en slagvaardig
het te werk zou gaan. Nu hebben wij het resultaat daarvan gezien: brokken
op het terrein van hoger onderwijs;
er is geen enkele lijn meer te
bespeuren. Wij zijn nu terug bij af en
minister Ritzen moet weer gaan
onderhandelen.
Zowel de minister van Onderwijs
als de coalitiepartners vraag ik het
volgende. GroenLinks heeft tijdens
de begrotingsbehandeling bij motie
gezegd dat het beter zou zijn als de
bezuinigingen het resultaat zijn van
een inhoudelijk overleg tussen de
minister en betrokkenen, niet vooraf,
maar als resultaat. De Kamer, en juist
ook de coalitiepartijen, heeft deze
motie afgewezen. Men vond dat het
weliswaar ging om een ’’softie
beleid’’ en een ’’softie benadering’’,
maar was ervan overtuigd dat dit
solide kabinet zou laten zien dat het
kon en dat er desnoods door muren
heen gewalst zou worden om die 500
mln. te halen. Nu wij zien dat dit niet
kan, is de vraag wat wijsheid is. Is de
krampachtigheid meester geworden
van de politieke wijsheid van de
staatsman of -vrouw? Het is een
verkeerde gang van zaken wanneer
wij toegeven aan een aantal
krampachtigheden die zijn ingegeven
door het regeerakkoord, maar geen
oog meer willen hebben voor de
werkelijkheid.
Minister Ritzen zou dus moeten
onderhandelen. Acht hij het nog te
doen, koste wat kost vast te houden
aan het bezuinigingsbedrag als
eindresultaat en denkt hij dat hij
medewerking krijgt van universitei-
ten, hogescholen en studenten? Ik
verneem hierop graag een duidelijk
antwoord, omdat wij vandaag naar
mijn mening tot duidelijke uitspraken
moeten komen. Als je de koffie-
bekers en de vergaderstoelen
opruimt, kun je nog wel enige winst
boeken, maar in de laatste jaren is al
40% efficiencywinst geboekt. Acht de
minister het nodig en mogelijk de
resterende 200 mln. te halen bij de
universiteiten?
Ik richt mijn laatste vraag tot de
PvdA, D66 en de VVD. Met welke
boodschap willen deze drie fracties
de minister het bos in sturen? Indien
de minister er niet in slaagt met de
instellingen een afspraak te maken,
vinden deze fracties dan dat de
maatregel inzake de collegegelden,
die ten koste gaat van de studenten,
aannemelijk is?</spreker>
<spreker pagina="38-2637" anker="464" naam="De voorzitter">
 Ik moet er toch op
aandringen, de afgesproken tijden te
hanteren. Anders worden de
onderlinge verhoudingen scheef.
(Rumoer op de publieke tribune)
De vergadering wordt enkele
ogenblikken geschorst.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2637">

 
<spreker pagina="38-2637" anker="465" partij="PvdA" naam="Van Gelder">

Voorzitter! Bezuinigen op onderwijs
is nooit leuk. Maar wie zich
verantwoordelijk voelt voor een
brede aanpak van de problemen in
ons land, kan niet aan dit soort
bezuinigingen voorbijgaan. Voor mijn
fractie is het daarbij van belang dat
het onderwijs voor jongeren tot 16
jaar volledig buiten schot is
gebleven.
Het kabinet heeft gekozen voor
vernieuwing van het hoger onder-
wijs. Zo’n vernieuwing belasten met
een bezuiniging van 500 mln. zou
onwijs zijn. De PvdA-fractie is bereid
gebleken naar argumenten te
luisteren. Zo was duidelijk dat het
vrijwel onmogelijk zou zijn, de
bezuiniging in 1998 binnen te halen.
Bovendien was duidelijk dat de
instellingen reeds problemen met
wachtgelden hebben. Een forse
verhoging daarvan door de beoogde
bezuinigingen zou de gewenste
vernieuwing te zwaar belasten. Ik
vind het daarom belangrijk dat
minister Ritzen een voorstel op tafel
heeft gelegd waarin hij tegemoet is
gekomen aan onze bezwaren en aan
de bezwaren van het hoger
onderwijs. Er komt ruimte om op een
verantwoorde wijze te werken aan de
gewenste stelselwijziging. Daarvoor
is een globaal raamwerk geboden in
de zin van de afspraak, dat de
gemiddelde verblijfsduur naar
beneden zal gaan. Dat is pure winst
voor wie de kwaliteit van het
onderwijs een goed hart toedraagt,
te meer omdat de minister ook een
bedrag, een potje van 500 mln., ter
beschikking stelt, zodat op korte
termijn kan worden gewerkt aan een
verbetering van de kwaliteit van het
onderwijs. En last but not least is de
minister bereid een wezenlijke
bijdrage te leveren aan het wegne-
men van de grote last die de
wachtgelden vormen. Voorwaar een
prestatie van het kabinet.
Aan alle voorstellen zit een
keerzijde. In dit geval is dat de
voorgestelde verhoging van de
collegegelden. Niettemin heeft het
mijn fractie hooglijk verbaasd dat de
universiteiten en hogescholen dit
aanbod van de minister niet echt
omarmd hebben. Eerst wel, toen niet
en nu doen de hogescholen het weer
wel.
De voorstellen die tegemoetkomen
aan de bezwaren van de instellingen
dreigen daarmee uit het zicht te
verdwijnen en daar heeft mijn fractie
buitengewoon veel problemen mee.
Mijn fractie was niet van plan in
het lopende onderhandelingsproces
te intervenie¨ren. Nu dit debat
plaatsvindt zullen wij ons niet
onthouden van een aantal kantteke-
ningen. Te weinig aandacht is
besteed aan mogelijkheden om het
hoger onderwijs doelmatiger te laten
werken. Twee punten spelen daarbij
een centrale rol. Het eerste is de
vraag of in het aanbod van opleidin-
gen in het wetenschappelijk
onderwijs en HBO niet tot een beter
samenspel en afstemming kan
worden gekomen. Het tweede is hoe
er tot een efficie¨ntere bestuurs-
structuur kan worden gekomen.
Daarbij gaat het er niet om, van
bovenaf op te leggen wat er moet
gebeuren. Het te bereiken
besparingsbedrag is daarmee ook
moeilijk aan te geven. Wel verwach-
ten wij van de instellingen dat zij
alles op alles zetten om de doelma-
tigheid te vergroten. Daarmee
kunnen zij aantonen dat het hun
ernst is om de kwaliteit van het
onderwijs te vergroten. Kortom, wil
de minister bevorderen dat de
instellingen een grotere inspanning
leveren op dit vlak? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2637" anker="466" partij="CDA" naam="Lansink">
 U bent uw
betoog begonnen met de minister te
prijzen voor de doorbraak die hij had
bereikt. Deze betekende in feite het
wegwerken van die 500 mln.
Vervolgens komt u met een aantal
suggesties, al of niet uitgewerkt, hoe
er wel bezuinigingen kunnen worden
bereikt. Hoe moet ik dat rijmen met
het eerste deel van uw betoog?
Daarnaast vraag ik u om iets meer te
zeggen over hoe het dan zou
moeten, zoals u in NRC Handelsblad
van gisteravond hebt gedaan. Dat
zou u hier ook moeten verwoorden. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2637" anker="467" partij="PvdA" naam="Van Gelder">

Voorzitter! Ook al is dit een kort
debat, ik was nog niet uitgesproken.
Op een deel van de vragen van de
heer Lansink zou ik sowieso nog zijn
teruggekomen. Ik vind het heel goed
te rijmen. Ik vind dat de instellingen
hoe dan ook, los van de
bezuinigingsbedragen, een bijdrage
moeten leveren aan de kwaliteit van
het onderwijs. Als er in de instellin-
gen sprake is van ondoelmatigheid –
en wij zijn ervan overtuigd dat daar
sprake van is – zien wij niet in dat wij
de instellingen daar niet op kunnen
aanspreken, los van de vraag of, hoe
en wanneer dat geld gaat opleveren.
De HBO-instellingen hebben er vorig
jaar in samenspraak met bijvoor-
beeld de werkgevers op toegezien
dat er zowel in het technisch
onderwijs als in het economisch en
administratief onderwijs tot een
effectievere aanpak wordt gekomen.
Wij zien niet in waarom men in het
WO niet tot zo’n soort aanpak kan
komen. Dat staat los van de vraag of
dat op korte termijn een groot
bedrag oplevert. Wij vinden dat wij
de instellingen moeten aanspreken
om alles uit de kast te halen om de
kwaliteit van het onderwijs centraal
te stellen en tot verbetering van de
doelmatigheid te komen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2637" anker="468" partij="CDA" naam="Lansink">
 Terugkijkend
op het onderwijsdebat bij de
begroting wil ik de vraag stellen welk
deel van die 500 mln. de instellingen
op welke termijn moeten opbrengen.
Daarover moet gewoon helderheid zijn: 100, 200, 300 of 400 mln. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2637" anker="469" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Ik heb
gezegd dat wij, wat er ook gebeurt,
een breder debat willen voeren over
het hoger onderwijs dan uitsluitend
over 500 mln. Ik heb net gezegd dat
het plaatje dat de heer Ritzen
namens het kabinet op tafel heeft
gelegd, wat ons betreft voldoet aan
het uitgangspunt dat er een
oplossing moet worden geboden aan
het grootste deel van de bezwaren
die het hoger onderwijs naar voren
heeft gebracht. Dat vinden wij
essentieel. Naarmate de instellingen
bereid zijn om tegemoet te komen
aan de inhoudelijke uitgangspunten
die in het regeerakkoord staan, moet
ook de bereidheid aanwezig zijn om
het hoger onderwijs sec niet
zwaarder te belasten. Dat neemt niet
weg dat wij vinden dat er in het
overleg dat hierover zal plaatsvinden,
meer thema’s aan de orde moeten
kunnen komen dan er in het akkoord
staan. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2637" anker="470" partij="CDA" naam="Lansink">
 Voorzitter! Ik
stel vast dat ik geen antwoord krijg
op de concrete vraag: welke omvang,
welk tijdstip. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2638" anker="471" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Ik heb
net gezegd dat ik op dit moment niet
bereid ben, aan te geven hoe dat er
exact uit moet zien. Wij moeten af
van de situatie dat wij in Den Haag
of in Zoetermeer bepalen wat er
precies in het hoger onderwijs moet
gebeuren, maar wij willen het hoger
onderwijs wel aanspreken op
inspanningen om de doelmatigheid
van het systeem te vergroten. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2638" anker="472" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Had u
maar gekozen voor deze lijn, dan
hadden wij deze ellende in eerste
instantie niet gehad. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2638" anker="473" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Dat
ontken ik te enenmale. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2638" anker="474" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 U zegt
dat wij de instellingen niets van
bovenaf moeten opleggen. Dat is een
les uit deze ervaring. Als de
beweging van de minister in de
richting van de instellingen niets
meer oplevert dan het tot nu toe
geboekte bedrag, wat is dan uw
positie? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2638" anker="475" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Het lijkt
mij verstandiger om deze vraag te
stellen, nadat ik heb gezegd wat de
opstelling van de PvdA-fractie is. Uw
eerste zin is een volstrekt irree¨le
voorstelling van zaken. In het kader
van het regeerakkoord hebben wij
een aantal afspraken gemaakt. Dat
ontkent u, daar hebt u het recht toe,
prima. Maar dat was aan de orde.
Het is ree¨el dat er dan bezwaren
komen uit de instellingen. Dat zijn
voor een deel de bekende bezwaren,
de Pavlov-reacties, maar voor een
deel ook ree¨le bezwaren. In het
akkoord zijn die problemen ree¨el
ingevuld. Als u dat wilt ontkennen,
staat u buiten de realiteit. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2638" anker="476" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Hebt
u hier tijdens de begrotings-
behandeling wel of niet gezegd dat
de minister wat u betreft de
mogelijkheid krijgt om te gaan
onderhandelen, maar dat het bedrag
van 500 mln. eigenlijk overeind blijft?
Hebt u dat wel of niet gezegd? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2638" anker="477" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Dat heb
ik in die zin niet gezegd, want ik heb
gezegd dat de ruimte in de tijd zou
moeten komen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2638" anker="478" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Daar
hebben wij het over. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2638" anker="479" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Ik heb
ook gezegd dat het van wijsheid zou
getuigen als het kabinet oog had
voor de wachtgeldproblemen waar
het hoger onderwijs nu al mee zit.
Als het hoger onderwijs voorbijgaat
aan die wezenlijke incidentele
bijdrage om de problemen van nu en
de toekomst op te lossen, dan weet
ik niet meer waar wij over aan het
praten zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2638" anker="480" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 U zegt
hiermee dus dat u tijdens de
begrotingsbehandeling tegen de
minister hebt gezegd dat hij maar
moet gaan praten, dat er geen
plafond is en dat, als de minister met
een bedrag komt, dat eigenlijk een
gegeven is. Ik blijf hier vaststellen –
u moet de Handelingen maar lezen –
dat u, samen met uw collega’s van
D66 en de VVD, hebt gezegd dat de
minister de ruimte van u krijgt om te
gaan onderhandelen, maar dat het
bedrag van 500 mln. gewoon
onveranderd blijft. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2638" anker="481" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 U hebt
gelijk als u wilt aanhalen of wij
willen afwijken van het regeerak-
koord. Dat doen wij in principe dus niet: wij houden vast aan een
besparing op het hoger onderwijs
van 500 mln. en de studie-
financiering van 1 mld., maar daar
komt iets bij en daar gaat het
vandaag om. Dat is de vraag of het
ree¨el is om dit binnen vier jaar
gerealiseerd te willen krijgen. Mijn
fractie heeft van begin af aan gezegd
dat wij daar vraagtekens bij plaatsen.
Wij hebben de minister gevraagd om
een ree¨el overleg te openen met de
instellingen en daarbij hebben wij
aan de orde gesteld dat de bezuini-
ging, gekoppeld aan de stelsel-
wijziging, naar beneden zou kunnen
als en naarmate de instellingen
bereid zijn om een inhoudelijke
bijdrage te leveren aan datgene wat
de uitdaging is van het regeerak-
koord. Wij hebben gezegd dat wij het
van wijsheid zouden vinden getuigen
als de minister bereid zou zijn om de
bestaande problemen rond het
wachtgeld teniet te doen. Als hij aan
die twee voorwaarden voldoet, is dat
voor mijn fractie een wezenlijke
verbetering. Dan houden wij het
regeerakkoord overeind, maar
desalniettemin is het voor het stelsel
beter mogelijk om de beoogde
inhoudelijke vernieuwing gestalte te
geven. Dat vind ik echt een
wezenlijke bijdrage van het kabinet
om enerzijds de uitgangspunten en
het raamwerk van het regeerakkoord
overeind te houden en anderzijds
toch oog te hebben voor een aantal
problemen die nu eenmaal gepaard
gaan met dit soort reorganisaties en
veranderingen.
Voorzitter! Mijn fractie verwacht
ook op het vlak van arbeidsvoor-
waarden en personeelsbeleid meer
inspanningen van vooral de
universiteiten. Nog teveel laten zij
mogelijkheden lopen om in het
personeelsbeleid de verantwoorde-
lijkheid voor goed onderwijs centraal
te stellen. Mijn fractie acht het
zonder meer verlichten van de
wachtgeldproblemen van de
instellingen daarom ook alleen te
rechtvaardigen als zij bereid zijn en
die bereidheid uitspreken om een
gerichter personeelsbeleid te voeren.
Deze aanvullende voorstellen zijn
mijns inziens nodig omdat het
plaatje dat op tafel ligt niet even-
wichtig genoeg is. Het kabinet – de
minister – heeft een forse handrei-
king aan de instellingen gedaan.
Tegelijkertijd slaat in het voorstel een
groot deel van de te bereiken
bezuinigingen neer bij studenten. Wij
vragen de minister de instellingen
nadrukkelijk uit te nodigen om
alternatieven voor de collegegeld-
verhoging aan te dragen. Juist
vanwege de genoemde onevenwich-
tigheid acht mijn fractie dit ree¨el. In
dat overleg dienen ook de voorstel-
len met betrekking tot de doelmatig-
heid en het personeelsbeleid
betrokken te worden. Misschien – ik zeg nadrukkelijk: misschien – bieden
deze voorstellen direct al mogelijkhe-
den om de collegegeldverhoging te
verminderen. In ieder geval zijn die
voorstellen nodig om tegenover de
studenten te kunnen rechtvaardigen
dat de instellingen nu echt werk
gaan maken van een beter onder-
wijs. Mijn fractie acht een
collegegeldverhoging daarom ook
alleen te rechtvaardigen als de
instellingen in een 1 op 1-relatie
beter onderwijs aanbieden. Afrondend: om een beter oordeel
te kunnen vellen over een meer
evenwichtig pakket is het verstandig
om een adempauze in te lassen.
Daarom zou de minister met de
instellingen nog overleg moeten
voeren over alternatieven en
aanscherpingen van de afspraken. De
studenten nodigen wij uit om een
bijdrage te leveren aan programma’s
tot verbetering van het onderwijs.
Eind januari zouden wij dan graag
een uitgewerkter akkoord tegemoet-
zien om een definitief oordeel te
kunnen vellen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2639" anker="482" partij="CDA" naam="Lansink">
 Het is aardig
dat ook staatssecretaris Netelenbos
hier is om de ploeg te versterken,
want ook haar zouden natuurlijk
aardig wat vragen kunnen worden
voorgelegd over de opstelling van de
Partij van de Arbeid bij de debatten
over de Wet op het hoger onderwijs
en wetenschappelijk onderzoek. Ik
kan op dat punt natuurlijk ook nog
veel verder terug gaan, maar ik wil
de heer Van Gelder een citaat
voorleggen uit NRC Handelsblad van
gisteren. Het staat allemaal tussen
aanhalingstekens en dat betekent dat
hij het gezegd moet hebben zoals het
er staat. Hij pleit voor normale
hie¨rarchische verhoudingen, net alsof die er nu niet zijn. Ik citeer: ’’De
colleges van bestuur moeten meer
macht krijgen. De universiteitsraad
moet worden vervangen door een
ondernemingsraad en met de
studenten moet overlegd worden
over het onderwijs. Dat kan veel
vergaderingen schelen.’’ Aldus de
heer Van Gelder, aldus NRC
Handelsblad. Is de Partij van de
Arbeid allemaal vergeten wat hier is
gedaan, beweerd en vastgelegd over
democratisering van het hoger
onderwijs, de radenstructuur en over
het Hoger onderwijs en onderzoek-
plan? Kunt u met deze stellingen
inderdaad binnen een jaar of twee
jaar de ombuigingen realiseren? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2639" anker="483" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Die
laatste vraag heb ik al twee keer
beantwoord. Ik heb al gezegd dat het
een onzinveronderstelling is. Ik ga er
niet van uit dat het mogelijk zal zijn
via wijzigingsvoorstellen op de
bestuursstructuur de ombuigingen
teniet te doen. Dat heb ik nu dus al
drie keer gezegd. Ik ga daar niet van
uit. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2639" anker="484" partij="CDA" naam="Lansink">
 U zei zonet
’’misschien wel’’! 

</spreker>
<spreker pagina="38-2639" anker="485" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Ik zei
’’misschien’’. Ik wil niets buitenslui-
ten. Het gaat erom dat wij nu meer
dan ooit overtuigd zijn dat wij, ook
op het gebied van hoger onderwijs,
met een aantal problemen zitten. Als
wij die problemen willen bespreken
en als wij de instellingen gerichter
willen aanspreken op hun bijdrage
om de kwaliteit van het onderwijs te
verbeteren en gedifferentieerde
programma’s te maken, dan weten
wij een ding en dat is dat wij de
autonomie van de instellingen verder
moeten vergroten. Wij moeten ons in
toenemende mate wat terughouden-
der opstellen. Dat veronderstelt ook
een andere bestuursstructuur. Als u
ons recht ontkent om in dat kader tot
de conclusie te komen dat het beter
is om de bestuursstructuur aan de
orde te stellen en een college van
bestuur aan de universiteiten te
krijgen dat rechtstreeks aanspreek-
baar is en als u ons recht ontkent om
aan te nemen dat het verstandig is
om personeelsproblemen en
arbeidsrechtelijke problemen los te
koppelen van discussies over
inhoudelijke zaken in het universi-
taire wereldje, zodat wij, bijvoor-
beeld, kunnen streven naar een wet
op de ondernemingsraden in het
hoger onderwijs, als u dat ontkent,
dan staat de tijd stil. Wat dat betreft
zijn wij inmiddels tot de conclusie
gekomen dat na alle discussies over
het basisonderwijs en het funderend
onderwijs in brede zin, het ook
noodzakelijk is om op een iets
andere manier naar het hoger
onderwijs te kijken. In dat kader past
ook een heel nadrukkelijke discussie
over de bestuursstructuur. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2639" anker="486" partij="CDA" naam="Lansink">
 Ook hier stel
ik een geweldige breuk vast met wat
er tot voor kort door de sociaal-
democraten gedaan is in deze
Kamer. Ook in dit geval hebben dus
de neo-liberalen in de fractie
gewonnen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2639" anker="487" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Ik hoop
dat de heer Lansink nog lange tijd
verbaasd kan zijn over wijzigingen in
de opvattingen van de PvdA, zolang
het maar geen fundamentele
wijzigingen zijn die echt de grondbe-
ginselen van mijn partij raken. Wij
staan voor goed hoger onderwijs. Op
het moment staan wij echter ook
voor de keuze om het funderend
onderwijs die kans te geven die het
nodig heeft. Dat is ook een beleids-
wijziging. Het is nog nooit voorgeko-
men dat in een onderwijsdebat het
funderend onderwijs buiten elke
discussie is gebleven. Dat vinden wij
ook een wezenlijke winst van de
manier waarop wij nu onderwijsbe-
leid voeren. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2639" anker="488" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Ik wil
de heer Van Gelder de volgende
vraag stellen. Ik heb inmiddels
begrepen dat als de nu te starten
bezuinigingsronde niet zoveel
oplevert, u kiest voor collegegeld-
verhoging. Dat is duidelijk. U zegt
ook dat er nog wel wat valt af te
romen binnen de universiteiten en
hogescholen. Dit verbaast mij des te
meer daar juist de problemen die wij
nu hebben, voortkomen uit het feit
dat veel studenten gebruik maken
van hogescholen en universiteiten. U
zult die mening met mij delen. Wij
willen dat allemaal graag, maar het
kost meer geld. Kunt u desondanks
blijven beweren dat de universiteiten
kunnen inkrimpen als het gaat om
het personeel en dat daardoor ook
de kwaliteit van het hoger onderwijs
alleen maar omhoog zal gaan? Dit is
een paradox en ik snap dit niet. Kunt
u dit toelichten? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2639" anker="489" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Ik heb
niet het idee dat ik het onduidelijk
heb uitgelegd. Ik zal het nog een keer
kort proberen. Minister Ritzen heeft
een soort akkoord gesloten. Het is in
ieder geval met de hogescholen een
akkoord, met de universiteiten nog
niet. Wij hebben op ons laten
inwerken wat er feitelijk aan de gang
is. Wij kiezen binnen het kader van
het gezond maken van de overheids-
uitgaven voor een aantasting van de
collectieve sector, maar wij willen het
funderend onderwijs ontzien. Dan
kom je dus terecht bij het hoger
onderwijs. Wij vinden het tegelijker-
tijd een goede stap die de minister
met zijn voorstel gemaakt heeft. Dan
komt de volgende vraag aan de orde.
Is het zo dat het hoger onderwijs
alles uit de kast haalt om intern tot
een zodanige organisatie te komen
dat de kwaliteit van het onderwijs, de
pedagogische opdracht van het
hoger onderwijs centraal staat? Mijn antwoord daarop is: nee. Wij gaan
nu niet tegen de hogescholen en de
universiteiten zeggen dat het 100
mln. moet opleveren en dat dit even
afgeboekt wordt op de collegeleden.
Wij wensen wel dat zij een
inspanningsverplichting op zich te
nemen om te bekijken hoe zij intern
tot veranderingen kunnen komen,
waardoor de onderwijsopdracht
centraal komt te staan. Als men mij
vraagt of een wijziging in de
bestuursstructuur leidt tot bezuinigin-
gen die af te boeken zijn op de
collegegelden, dan wil ik die vraag
thans nog open houden, omdat ik
die vraag in de komende maanden
graag beantwoord wil zien. Als het
antwoord daarop nee is, dan nog
vind ik dat de universiteiten alles op
alles moeten zetten om tot verschui-
ving in het personeelsbestand te
komen. Dat is in dat geval geen extra
bezuiniging, maar een methode om
het onderwijs op de universiteiten
centraal te stellen. Die taak moet er
nu meer dan ooit aan gegeven
worden. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2640" anker="490" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Dat is
ook de kern van mijn kritiek op het
betoog van de heer Van Gelder. Of
hij roept maar wat en zegt, dat de
minister moet gaan praten over
mogelijke herstructurering. Als het
geen cent oplevert, dan is het prima.
Of hij roept de minister op naar de
universiteiten toe te gaan om te
kijken of zij hun zaken efficie¨nter
kunnen ordenen. Dat komt dan de
kwaliteit van het onderwijs ten
goede. Als de heer Van Gelder niet
zomaar iets wil roepen, dan moet hij
weten waarover hij het heeft. Kan de
heer Van Gelder aangeven –
kennelijk weet hij het – in welke
hoeken van het hoger onderwijs de
minister te zamen met de universitei-
ten het geld moet lokaliseren? Op die
manier laat de heer Van Gelder zien,
dat hij kennis van zaken heeft en niet
zomaar iets roept. Wij als politici
krijgen vaak het verwijt, dat wij maar
iets roepen. De heer Van Gelder doet
gelukkig zijn best. Kan hij aangeven,
waar de minister dat geld dat nodig
is vandaan moet halen? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2640" anker="491" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Ik heb
enkele mogelijkheden aangedragen,
die een bijdrage kunnen leveren aan
het teniet doen van de verhoging
van de collegegelden. Ik ben op dit
moment niet in staat om dat
concreet te vertalen. In het plan zit
een bepaalde opmars, zowel wat de
stijging van het collegegeld betreft
als de wijziging in het stelsel. Wij
willen thans geen concrete opdracht
aan de universiteiten meegeven, die
de vernieuwing van het onderwijs
onderuithaalt. Ik elk gesprek, dat ik
heb gevoerd met een aantal mensen
uit het hoger onderwijs blijkt, dat de
bestuursstructuur wordt gezien als
een belemmering om op een meer
bedrijfseconomische basis een
organisatie te runnen. Ik vind het de
taak van ons en van de universiteiten
om daarover concrete afspraken te
maken. Net zoals in het HBO moet er
een toets aan de orde worden
gesteld. Zijn al die opleidingen wel
ree¨el? Is het ree¨el, dat die in tien
plaatsen in het land plaatsvinden? Ik
wil niet, dat dit hier of vanuit
Zoetermeer wordt bepaald. Waarom
zouden de universiteiten die een
wezenlijke opdracht krijgen en
tegelijkertijd een gigantische
hoeveelheid geld mee krijgen niet op
een aantal terreinen een wat forsere
inspanningsverplichting op zich
nemen? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2640" anker="492" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 De
heer Van Gelder doet dit niet, omdat
hij het gewoon niet durft. Hij heeft
lessen uit de gang van zaken
getrokken. Het had hem gesierd, als
hij deze opstelling van het begin af
aan had ingenomen. Ik doel dan op
de opstelling van niets opdringen en
constructief met elkaar bekijken of er
te bezuinigen valt. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2640" anker="493" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Ik
herinner de heer Rabbae aan wat ik
in het begin heb gezegd. Tijdens de
begrotingsbehandeling heeft de fractie van de PvdA gezegd: minister,
ga overleg aan met het veld, probeer
concrete voorstellen te doen. Dat is
door het kabinet gebeurd. Op basis
daarvan had ik een open overleg met
de instellingen verwacht. De
instellingen zeggen op een vrijdag-
middag ’’prima’’ en de daarop
volgende maandag ’’nee’’. Die gang
van zaken heeft bij ons de vraag
doen rijzen, of daarmee concrete
afspraken zijn te maken. Dat is de
reden waarom wij thans aan de
minister vragen om een helderder
beeld te krijgen van de inspanningen
die de instellingen op zich willen
nemen om het onderwijs te
verbeteren.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2640">

 
<spreker pagina="38-2640" anker="494" partij="GPV" naam="Schutte">
 Mijnheer de
voorzitter! Het begon allemaal zo daadkrachtig: 18 mld. bezuinigen in
vier jaar tijd. Ook het departement
van Onderwijs, Cultuur en Weten-
schappen als duurste van alle
departementen zou zijn aandeel
leveren. Vol trots werd eraan
toegevoegd, dat het kabinet erin
geslaagd was het basis- en voortge-
zet onderwijs te ontzien. Deze keer
was het hoger onderwijs aan de
beurt. En dan niet met een goedkope
beleidsarme wijze van bezuinigen,
hier en daar wat kappen, maar
fundamenteel. Een nieuw stelsel van
hoger onderwijs moest zorgen voor
goedkoper en beter onderwijs. De
regering had kennelijk het motto
overgenomen van de vroegere grootgrutter De Gruyter: e`n betere
waar, e`n tien procent. Helaas is die
grootgrutter eraan ten onder gegaan.
Ik wil niet speculeren over de
afloop in dit geval, maar wel moeten
wij constateren, dat er van het elan
van het eerste uur niet veel
overgebleven is. De minister en zijn
staatssecretaris hebben kans gezien
om beurtelings in aanvaring te komen met alle betrokkenen: de
universiteiten, de studenten, de
Kamer en soms kwamen ze met allen
tegelijk in botsing.
De rol van de verschillende
partijen daarbij was niet altijd
verheffend. Kwalificaties als
’’hapsnapbeleid’’ en ’’onbesuisd’’ zijn
wel onthullend voor de onderlinge
verhoudingen, maar brengen een
oplossing niet echt dichterbij. De
positie van de voorzitters van de
samenwerkende universiteiten en
van de HBO-raad blijkt toch minder
gewichtig te zijn dan uit de onderte-
kende en met veel ophef gepresen-
teerde intentieverklaring kon worden
afgeleid.
Een dieptepunt vormde de actie
van studenten, de vorige week in
Utrecht. Ik ga ervan uit dat veel
studenten dergelijke acties, die meer
met anarchie dan met protest te
maken hebben, met mij zullen
verwerpen. Als wij vandaag ook
spreken over de belangen van de
studenten, is dat ondanks dergelijke
acties van een deel van de studenten
en vanuit het besef dat goedwillende
studenten en hun ouders niet de
dupe mogen worden van ontoelaat-
baar gedrag van een deel van hen.
Het is nu niet het moment om na
te gaan hoe de situatie zo chaotisch
heeft kunnen worden als nu het
geval is. Wel moet gezegd worden,
dat de kern van het probleem zit in
het gemak waarmee in de afgelopen
zomermaanden is vastgelegd, dat het
hoger onderwijs 0,5 mld. kon
bezuinigen, terwijl op de studie-
financiering 1 mld. kon worden
bespaard. De toenmalige onderwijs-
specialisten van de paarse fracties
wisten, dat 0,5 mld. binnen vier jaar
redelijkerwijs niet mogelijk was.
Minister Ritzen wist als geen ander
hoe moeilijk het zou zijn, een
taakstelling van in totaal 1,5 mld. in
vier jaar te realiseren. Door zich
daaraan toch via een regeerakkoord
te commiteren, houden de coalitie-
fracties en de verschillende ministers
elkaar als het ware in een wurg-
greep.
Voorzitter! Ik kan er enig begrip
voor opbrengen, dat gegeven deze
situatie de minister en de coalitie-
fracties aanvankelijk enthousiast
waren over de schijnbaar bereikte
overeenstemming met de universitei-
ten en hogescholen. Het aantrekke-
lijke daarin is immers, dat ruimte
geboden wordt om op een verant-
woorde manier te komen tot een
reorganisatie van het hoger-
onderwijsbestel. Dat de effecten
daarvan daardoor ook tot ruim-
schoots na deze kabinetsperiode
worden doorgeschoven is onvermij-
delijk. Enige genoegdoening geeft
het ook, dat de minister nu kiest voor
een schoolspecifiek studie-
financieringsstelsel, een oude wens
van onder meer onze fractie, die tot
voor kort weinig steun ondervond bij
de minister.
Maar als de oplossing vervolgens
ook gezocht wordt in een forse
verhoging van het collegegeld, houdt
het begrip op. Natuurlijk heeft de
minister van Financie¨n formeel gelijk
als hij de collegegeldverhoging geen
lastenverhoging wil noemen, maar
het toepassen van het profijtbegin-
sel. Het maakt beleidsmatig een
groot verschil of een begroting
sluitend wordt gemaakt door ree¨le
bezuinigingen op de uitgaven of
door het extra belasten van burgers.
Dit kabinet gaat er prat op een
ongekend grote lastenverlichting te
willen realiseren. Als het echter
gewoonte gaat worden, moeilijke
bezuinigingen af te wentelen op
burgers, onder de naam van
profijtbeginsel, zal de glans er
spoedig van afgaan, vrees ik. Dat
moet toch ook minister Zalm niet
onverschillig laten.
Voor mij weegt hierbij zwaar dat
een dergelijke verhoging niet op
zichzelf staat, maar samenvalt met
andere maatregelen, welke vooral
gezinnen met opgroeiende kinderen
raken. Ik denk aan de onsociale
maatregelen inzake de kinderbijslag,
de recente verlagingen van de
basisbeurs en de voorgenomen
invoering van de prestatiebeurs. Ook
hier kan men zich met een formeel
verhaal van afmaken. Kinderbijslag
komt toe aan de ouders, studie-
financiering aan de studenten zelf.
Maar de werkelijkheid is gelukkig
vaak, dat ouders niet zo individualis-
tisch redeneren en zich wel degelijk
verantwoordelijk voelen voor de
studie van hun kinderen. Die
gezinnen worden door het beleid van
het kabinet onevenredig zwaar
getroffen, als zij niet behoren tot de
laagste-inkomensgroepen.
Voorzitter! Hoe nu verder? Ik denk
dat het verstandig is dat de minister
het overleg met het onderwijs
voortzet. Een adempauze kan
daarvoor nuttig zijn. Als de klem van
de tijdsdruk eraf is, zijn er zeker wel
mogelijkheden om ook op het hoger
onderwijs te bezuinigen. Inhoudelijke
argumenten zullen dan de doorslag
moeten geven. Een valse start – en
dat was het – wordt als het goed is
overgedaan. Dan kan de opgelopen
schade nog worden beperkt. Aan de
minister de uitdaging, daarvoor ook
zorg te dragen!
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2641">
<spreker pagina="38-2641" anker="495" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Mijnheer de voorzitter! Aan de
orde is vanmorgen de intentieverkla-
ring van de minister en de staatsse-
cretaris enerzijds en de voorzitters
van de HBO-raad en de VSNU
anderzijds. Om te beginnen wil ik de
bewindslieden complimenteren met
het feit dat zij een eind hebben
gemaakt aan de heersende patstel-
ling en de onderhandelingen weer
vlot hebben getrokken. Vooral in
verband met de bij ons hoog in het
vaandel staande stelselherziening,
waarvoor de gesprekken hoognodig
op gang moeten komen, komt alle
eer aan het kabinet toe. Dit geldt ook
voor wat betreft het naar achteren
schuiven van de opbrengsten van de
stelselherziening en het binnen
ree¨lere proporties brengen van die
opbrengsten, namelijk de beperking
tot 200 mln.
Maar wat staat er verder in die
intentieverklaring? Op de korte
termijn is de taakstelling verminderd,
rekening houdend met de wachtgeld-
problematiek, en er is 500 mln.
beschikbaar voor de studeerbaarheid
en de onderwijskwaliteit. De prijs
voor deze intentie is evenwel een
collegegeldverhoging van ƒ 1000. Dit
nu vinden wij onevenwichtig en
hiermee gaan wij dan ook niet op
voorhand akkoord. Dat wil overigens
niet zeggen dat enige verhoging van
de eigen bijdrage van de studenten
voor ons onbespreekbaar is, maar er
moet wel wat tegenover staan en het
moet passen in een evenwichtig
geheel, waarin een koppeling
aanwezig is tussen collegegelden,
studeerbaarheid, kwaliteit van het
onderwijs en een efficie¨nte besteding
van de middelen door de instellin-
gen. Deze mening hebben wij
overigens vanaf het begin gehad en
ook uitgedragen.
</spreker>
<spreker pagina="38-2641" anker="496" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Concluderend, voorzitter, merk
ik het volgende op. De mate waarin
aan de universiteiten en de
hogescholen wordt gevraagd bij te
dragen aan de bezuinigingen, is erg
bescheiden, zeker gezien in het licht
van de aanslagen op de studie-
financiering. Dit leidt tot een verzoek
aan de minister om in de komende
vijf weken weer te gaan praten met
de universiteiten en de hogescholen,
met als doel het vinden van
aanvullende bezuinigingen op de
begrotingen van die instellingen. Wij
hebben de indruk dat hier meer
mogelijk is. Dan kan ook gebruik
gemaakt worden van enkele
aanbevelingen uit het onderzoek van
de technische commissie, een
onderzoek dat wel gedaan is en dat
op dit moment een beetje onder de
tafel verdwenen is. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2641" anker="497" partij="CDA" naam="Lansink">
 Voorzitter!
Zou ik eens mogen vragen aan
mevrouw Jorritsma hoeveel zij
mogelijk acht? Immers, zij verwijst
nu naar het rapport van de techni-
sche werkgroep, maar dat is een zo
chaotisch rapport dat je daar van alles mee kunt doen: je kunt er 600
mln. uit halen, maar ook 130 mln.
Daar zit derhalve een enorm verschil
tussen.
U hebt het kennelijk goed bekeken, mevrouw Jorritsma: wat is volgens
D66 mogelijk?</spreker>
<spreker pagina="38-2641" anker="498" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Dan komen wij op iets dat al eerder gezegd is: het is niet aan ons
en ik ben er ook niet toe in staat, om
nu zomaar bedragen en tijdstippen te
noemen en als het ware het heel
moeilijke werk dat gedaan gaat
worden, hier eventjes in een
achternamiddag voor elkaar te
krijgen. Waar het ons om gaat, is dat
er in die intentieverklaring een
inspanningsverplichting komt, met
name vanuit de instellingen, waaruit
duidelijk blijkt welke insteek zij
hebben om tot grotere bezuinigingen
te komen bij hun eigen geldmidde-
len. Dat is dus iets anders dan dat er van hieruit wordt opgelegd: zoveel
moet hieruit komen en zoveel moet
daaruit komen. Het gaat hier om de
insteek, de uitgangspunten en de
houding van de instellingen. Het is
niet aan ons om daar onmiddellijk
vaste bedragen en tijdstippen bij te
zetten. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2642" anker="499" partij="CDA" naam="Lansink">
 Voorzitter! Ik
stel vast dat ik ook hier geen
antwoord krijg op een toch concrete
vraag. Die vraag mag en moet ik ook
stellen, omdat gisteren de kranten
openden met de opmerking dat de
paarse coalitie van oordeel was, dat
de voorgestelde collegegeld-
maatregelen niet door zouden
moeten gaan. Ik neem aan dat
daaraan overleg ten grondslag ligt,
dat men enigszins gepraat heeft met
elkaar en ongeveer weet met welke
boodschap men de minister
wegstuurt.
Ik vraag het ook daarom, mevrouw
Jorritsma, omdat u net zei dat u het
kabinet alle eer gaf voor het
geleverde werk. Dat is toch niet te
rijmen met deze los-vaste, meer
losse dan vaste, beschouwing over
wat nodig zou zijn?</spreker>
<spreker pagina="38-2642" anker="500" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Dat is heel goed te rijmen.
Kijk, wij hadden een aantal weken
geleden een volstrekte patstelling en
het is gelukt aan de minister en de
staatssecretaris om dat vlot te
trekken. Immers, als althans twee
van de drie partijen zeggen dat zij
helemaal niets willen, dan schiet het
ook niet op. De situatie is nu zo dat
er een intentieverklaring ligt, waarin
een aantal zaken worden afgeregeld.
Daar zitten ook best een aantal
goede zaken bij. Ik heb deze al
genoemd, zoals een wat ree¨lere
invulling van de opbrengsten van de
stelselherziening en een ree¨ler
tijdpad. Dat zijn allemaal heel goede
zaken. De mensen zijn weer on
speaking terms en dat is een
buitengewoon belangrijke zaak.
Vervolgens vragen wij aan de
minister – ik zal dat straks in mijn
betoog nog uitwerken – om te
proberen deze intentieverklaring in
de onderhandelingen evenwichtiger
te krijgen. Dat wil niet zeggen dat
daarmee dus de volledige verhoging
van het collegegeld van de baan
moet, maar dat er een evenwichtiger
geheel komt, waarbij de instellingen
een duidelijk grotere inspannings-
verplichting op zich nemen zodat de
ƒ 1000 verhoging van het collegegeld
wellicht omlaag kan. Dat is toch een
heel heldere zaak? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2642" anker="501" partij="CDA" naam="Lansink">
 Voorzitter!
Een laatste vraag. Welk deel van de
verhoging van het collegegeld kan
ongedaan worden gemaakt?</spreker>
<spreker pagina="38-2642" anker="502" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Ik meen dat ik nu al ettelijke
keren heb gezegd, dat het niet aan
ons is om op dit moment cijfers in te
vullen. Wij gaan ervan uit dat dit in
een goed en constructief overleg
tussen de verschillende partijen
gebeurt. Eind januari kunnen wij er
dan met de minister over praten. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2642" anker="503" partij="CDA" naam="Lansink">
 Ik stel dan
vast, dat al datgene wat u en
anderen gisteren en wellicht
daarvoor ook nog, naar buiten
hebben gebracht over de mogelijkhe-
den die er wel zijn, op drijfzand is
gebouwd.</spreker>
<spreker pagina="38-2642" anker="504" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Dat is uw conclusie en niet de
mijne. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2642" anker="505" partij="SP" naam="Poppe">
 Mijnheer de
voorzitter! Kan ik vaststellen dat ik
nu de tweede regeringspartij hoor
verklaren dat er bij het regeerak-
koord 1,5 mld. is bezuinigd zonder
dat men ook maar enig idee had hoe
dat zou kunnen zonder de kwaliteit
van het onderwijs aan te tasten en
dat de instellingen nu zelf, weliswaar
in alle vrijheid, die 1,5 mld. die de
regering oplegt, moeten invullen?</spreker>
<spreker pagina="38-2642" anker="506" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 U haalt nu een aantal dingen
door elkaar. Er kan heel duidelijk een
bezuiniging plaatsvinden terwijl toch
de kwaliteit van het onderwijs, ook
bij ons, hoog in het vaandel staat.
Wanneer je kunt zorgen voor een
doelmatiger gebruik van de
middelen, voor een efficie¨ntere
bestuursstructuur, voor meer
aandacht voor studeerbaarheid en
kwaliteit van het onderwijs, dan kan
dat toch tegelijkertijd een bezuiniging
opleveren? Wij zijn dan met die twee
verschillende dingen op een goede
manier bezig. Nu wordt er net
gedaan of het een het ander uitsluit
en dat is uitdrukkelijk niet het geval.
Er gaat een prikkel uit naar de
instellingen om ervoor te zorgen dat
de hoge kwaliteit van het onderwijs
zodanig wordt ingebouwd dat dit
gepaard gaat met een efficie¨nter en
doelmatiger gebruik van de
middelen. Volgens mij kan dat heel
goed samengaan. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2642" anker="507" partij="SP" naam="Poppe">
 Als u zo goed
weet dat die bezuiniging bereikt kan
worden met efficie¨nter werken en
beter onderwijs, waarom geeft u of
de minister dat dan niet concreet
aan?</spreker>
<spreker pagina="38-2642" anker="508" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Daar krijgen wij te maken met
de autonomie van de instellingen.
Wij zorgen ervoor dat de instellingen
er zelf over gaan praten en dat ze het
met de minister in een intentieverkla-
ring overeenkomen. Maar het is niet
aan ons om dat tot in de details in te
vullen. Daartoe zijn de instellingen
heel wel zelf in staat. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2642" anker="509" partij="SP" naam="Poppe">
 Nog een
opmerking. U heeft 1,5 mld. aan
bezuinigingen goedgekeurd. U moet
dan aangeven hoe dat kan en u moet
dat niet vragen van degene die de
bezuiniging krijgt opgelegd. U kunt
dat nu wel een prikkel noemen ter
verbetering van het onderwijs, maar
ik noem dat wel een bijzonder
negatieve prikkel!</spreker>
<spreker pagina="38-2642" anker="510" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Ik meen dat ik al ettelijke keren
heb gezegd, dat het heel goed
mogelijk is om met die bezuinigin-
gen en met een efficie¨nter gebruik
van de middelen juist een hogere
kwaliteit van het onderwijs te
bereiken.
Voorzitter! Ik was gebleven bij de
aanbevelingen van de technische
commissie. Ik noem u er een paar
die ook al een paar keer eerder in het
debat zijn genoemd, zoals een
effectievere bestuursstructuur,
vermindering van de overhead,
doorberekening van de facilitaire
kosten voor derde-
geldstroomonderzoek, betere
verdeling van de derde geldstroom,
betere doorstroming van de
studenten, tegengaan van versnippe-
ring van studierichtingen. Ook kan er
samen met de vakbonden worden
gekeken naar de arbeidsvoorwaarden
en het personeelsbeleid. Mijn fractie
verwacht van de instellingen een
minder vrijblijvende opstelling en
vooral ook een meer consistente
opstelling, want in de afgelopen
weken hebben wij een paar staaltjes
van een weinig consistente
opstelling gezien. Overigens
verwachten wij ook van de studenten
een constructieve deelname aan een
tripartiet overleg waarbij wij de
mogelijkheid dat er plannen komen
van de studenten zeker niet
uitsluiten.
Wij vertrouwen erop dat de
uitkomst van het overleg tussen
minister, studenten en instellingen
een evenwichtige intentieverklaring
oplevert. Daarbij wil ik nogmaals
zeggen dat wij enige verhoging van
de bijdrage van de studenten niet
uitsluiten. Ook zij kunnen een
bijdrage aan de bezuinigingen leven.
Dat moet echter wel parallel lopen
met een hogere studeerbaarheid en
een grotere kwaliteit. De slotconclusie is: wij ondersteu-
nen de voorliggende intentieverkla-
ring niet volledig, maar vragen een
bijstelling in de richting zoals zojuist
door mij weergegeven. Het moge
overigens duidelijk zijn dat wij dit
alles zien als een extra steun in de
rug van de minister en een prikkel in
de richting van de instellingen. Wij
waren er niet op uit om mee te
onderhandelen, maar dit premature
debat laat ons geen andere mogelijkheid. Samenvattend: wij
vragen de minister om eind januari
te komen met een rapportage over
de stand van zaken. Dan kan de
Kamer een definitief oordeel geven. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2643" anker="511" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Kan
mevrouw Jorritsma aangeven wat
straks, als de minister het resultaat
voorlegt, de maximale bijdrage van
de kant van de studenten moet zijn?</spreker>
<spreker pagina="38-2643" anker="512" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Nu gaan wij weer precies
dezelfde richting uit! Dat kan en wil
ik op dit moment niet invullen. Wij
verwachten een evenwichtiger
intentieverklaring met daarin een
duidelijke inspanningsverplichting
van de instellingen. Daarin kan een –
zij het lager dan ƒ 1000 – bijdrage
van de studenten in de vorm van
collegegelden een rol spelen. Maar
het is op dit moment niet aan ons
om aan te geven hoe de cijfers
precies moeten liggen. Ik wacht af
wat eruit komt. Dan kunnen wij ons
definitieve oordeel daarover geven. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2643" anker="513" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Het is
jammer dat mevrouw Jorritsma
eromheen draait. Het gaat hier om geld. Laten wij het plat zeggen: het
gaat om geld. Dat is wat ook
mevrouw Jorritsma bezighoudt. Zij
verwacht een prestatie van de kant
van de minister na onderhandelingen
met de instellingen. Het mag niet zo
zijn dat zij de minister straks weer in
de steek laat als hij terugkomt met het resultaat. Vandaar mijn vraag:
wat is volgens mevrouw Jorritsma in
geld uitgedrukt – zij mag zich tot 10
mln. vergissen – een evenwichtig
akkoord tussen de minister en de
hogescholen en universiteiten?</spreker>
<spreker pagina="38-2643" anker="514" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Maar, mijnheer Rabbae, u
vindt waarschijnlijk als geen ander
dat er geen sprake is van overleg als
reeds van tevoren, en dan nog van
buitenaf, het resultaat al wordt
vastgesteld. Het zou buitengewoon absurd zijn als ik zou zeggen: gaan
jullie nu maar met elkaar praten. Ik
heb een aantal malen mijn vertrou-
wen erin uitgesproken dat het een
constructief overleg wordt. Maar dat
houdt natuurlijk onmiddellijk op als
ik op dit moment het resultaat ga
vastleggen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2643" anker="515" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Maar,
voorzitter... 

</spreker>
<spreker pagina="38-2643" anker="516" naam="De voorzitter">
 Mijnheer Rabbae,
mevrouw Jorritsma heeft al twee
keer uw vraag beantwoord. Ik geef
nu het woord voor een interruptie
aan de heer Lansink. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2643" anker="517" partij="CDA" naam="Lansink">
 Voorzitter! Ik
heb een heel korte vraag. Mevrouw
Jorritsma zei zojuist dat dit debat
prematuur is.</spreker>
<spreker pagina="38-2643" anker="518" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Ja. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2643" anker="519" partij="CDA" naam="Lansink">
 Waarom?</spreker>
<spreker pagina="38-2643" anker="520" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Wij horen eigenlijk niet mee te
onderhandelen in deze situatie
tussen die drie partijen. Maar het
gebeurt nu wel. Er wordt ons
gevraagd een mening te geven. Als
men dat zo graag wil, dan doen wij
dat. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2643" anker="521" partij="CDA" naam="Lansink">
 Is het
normaal dat buiten de Kamer wel
mee wordt onderhandeld, ook door
woordvoerders uit de Kamer die
eerst een positief oordeel geven over
het bereikte akkoord en vervolgens
een terugtrekkende beweging
maken? Is dat normaal? Hier moet
toch verantwoording worden
afgelegd? Ik dacht dat D66 daar altijd
voor was geweest. Hier moet
verantwoording worden afgelegd op
elk moment waarop de Kamer dat
wil. Dus niks prematuur debat!</spreker>
<spreker pagina="38-2643" anker="522" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Wij zijn er ook mee akkoord
gegaan toen u dat wilde. Als op een
gegeven ogenblik mededelingen
worden gedaan of meningen worden
gegeven buiten deze Kamer, is dat
niet een kwestie van onderhandelen.
Het is dan een kwestie van antwoord
geven op vragen die ons gesteld
worden. Dat is een heel ander punt. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2643" anker="523" partij="CDA" naam="Lansink">
 Niks
prematuur debat, dus. Dat blijkt ook
wel, want u heeft zelf ideee¨n
aangedragen. Slechte ideee¨n, maar u
heeft ze aangedragen.</spreker>
<spreker pagina="38-2643" anker="524" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Ik sluit mijn betoog af,
voorzitter. Nogmaals, D66 vertrouwt
erop dat de drie partijen erin slagen
om er goed uit te komen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2643">

 
<spreker pagina="38-2643" anker="525" partij="SGP" naam="Van der Vlies">

Mijnheer de voorzitter! De onrust in
het hoger onderwijs is niet slechts
het gevolg van het begrijpelijk
gewraakte gejojo van minister Ritzen,
maar rechtstreeks het gevolg van het
hapsnapbeleid na een op het
hoofdstuk hoger onderwijs wat
nonchalant tot stand gekomen
regeerakkoord van de paarse coalitie.
Het solide sociaal-liberaal democrati-
sche denken heeft geleid tot een nu
al meer dan een halfjaar voortdu-
rende maatschappelijke onrust. Die
onrust en de maatschappelijke
kosten daarvan – denk maar aan de
spoorwegstremming – zou de coalitie
zich moeten aanrekenen. Door de
hele gang van zaken blijkt wel heel
duidelijk wat voor schuiver het was
om zonder meer en zonder overleg
vooraf 0,5 mld. taakstelling bij het
hoger onderwijs te leggen. En
warempel, nu schuift de regering het
hoger onderwijs juist eerst 500 mln. toe. Over schuivers gesproken:
glijden over de ruggen van de
studenten.
Een verhoging van het collegegeld
op deze wijze is voor de SGP-fractie
niet bespreekbaar. Ik kan mij
voorstellen dat er wordt nagedacht
over de betaalbaarheid van ons
onderwijsstelsel, de hoogte van de
collegegelden en de studie-
financiering, zeker, maar dat moet
dan wel op een fatsoenlijke en
inhoudelijk verantwoorde manier
gebeuren. De nu voorgestelde
verhoging slaat vooral neer in de
midden- en hogere inkomens. In feite
praten wij dan over inkomens vanaf
ruim een tot anderhalf maal modaal.
Daaronder wordt de verhoging
gecompenseerd. De midden-
inkomensgroepen worden niet alleen
door deze maatregel getroffen. Zij
vallen bij allerlei maatregelen net
buiten de compensatieregelingen.
Mijn fractie heeft daar al vaker op
gewezen.
De SGP-fractie begrijpt niet
waarom zo snel naar een zo
rigoureuze verhoging van het
collegegeld is gegrepen, alsof er
geen andere opties denkbaar zijn.
Het gaat in feite om 200 mln.
Bijvoorbeeld in de sfeer van de
OV-kaart voor studenten lijken
daarvoor nog wel mogelijkheden te
zijn. Invoering van een chipcard of
zoiets met een beperkt aantal
kilometers kan een eerlijk alternatief
zijn en moet tegen 1998 toch ook
technisch haalbaar zijn. Sommigen
hebben de plannen voor een
snelbusnet alweer uit de la gehaald.
Uiteindelijk kan ook de hele OV-kaart
nog worden afgeschaft. Het grootste
deel van de opbrengst van 900 mln.
moet dan natuurlijk worden omgezet
in verhoging van de basisbeurs. Hoe
denkt de regering over zulke
alternatieven?
De beoogde stelselwijziging in het
hoger onderwijs zou vooral een
verkorting van de gemiddelde
studieduur met een halfjaar tot
gevolg moeten hebben. Ook dit is
vooralsnog nattevingerwerk, want
inhoudelijke argumenten zijn nog
niet geleverd. Zijn er eigenlijk
argumenten aan te voeren waaruit
blijkt dat dit verantwoord en
haalbaar is? Is er trouwens al enige
garantie te geven voor verbetering
van de kwaliteit van het onderwijs?
Welke consequenties heeft verkorting
van de studieduur trouwens voor de
duur van de studiefinanciering en tot
welke besparingen leidt zij?
Op de dekking van het akkoord is
nogal wat kritiek te leveren. Het komt
in feite neer op uitstel van de echte
bezuinigingen en tijdelijke casu quo
incidentele dekking van het zo
ontstane tekort uit de wachtgeld-
reservering van minister Zalm. Vist
deze minister nu niet in dezelfde
’’trukenvijver’’ die hij als directeur
van het CPB indertijd zo hartgrondig
verfoeide? Zo’n truc is ook de
prestatiebeurs. Boekhoudkundig
gedurende vier tot zeven jaar
leningen verstrekken die niet op de
begroting drukken, akkoord, maar na
die tijd natuurlijk wel. Verhoging van
de collegegelden leidt voor een deel
van de studenten tot compensatie in
de aanvullende beurs, maar het
andere deel zal extra moeten of in
ieder geval kunnen lenen. Dat
verzwaart de rentedragende
studieschulden enorm. Het is
natuurlijk niet ree¨el om er geen
rekening mee te houden dat dit op
termijn ook tot enorme inkomsten-
dervingen voor de schatkist leidt. Dat
geldt niet alleen de latere aftrek van
de betaalde rente maar ook een
groter deel van de studieschulden
dat na vijftien jaar zal moeten
worden kwijtgescholden. Ik wil graag
eens de visie van minister Zalm
daarop horen.
Voorzitter! Intussen hebben de
paarse coalitiepartners een alterna-
tief compromis bedacht. De
hoger-onderwijsinstellingen moeten
weer aan tafel om te proberen zelf
een fors deel van de 200 mln. op te
brengen. Het restant zal dan uit een
verhoging van het collegegeld
worden gehaald, zo heb ik begrepen.
Dit lijkt een studentvriendelijke
oplossing, maar kan in werkelijkheid
straks een wassen neus blijken te
zijn. Als op dezelfde dag de
instellingen verklaren dat ze geen
mogelijkheden zien voor verdere
bezuinigingen, is dus op voorhand al
duidelijk hoe groot de verhoging van het collegegeld zal uitpakken:
ƒ 1000. Ik zou trouwens graag
duidelijk willen horen of de drie
coalitiepartners bereid zijn, de
eventuele verhoging van het
collegegeld in ieder geval te
compenseren in de aanvullende
beurs van studenten uit groepen met
lagere inkomens.
Wat de SGP-fractie vooral
tegenstaat, is dat er nu al meer dan
een halfjaar allerlei plannen over
bezuinigingen van 1 mld. in het
hoger onderwijs worden rondge-
strooid. Dat blijft maar onrust
veroorzaken. Laten de regering en de
coalitiepartijen toch eens nuchter
worden en de gehele zaak van tafel
halen en dan eens grondig de
discussie gaan voeren over hoe het
moet met het hoger onderwijs, de
collegegelden en de studie-
financiering, met uiteraard een
doelstelling in de achterzak. Ik heb
dat pleidooi al gehouden bij de
regeringsverklaring, bij de algemene
beschouwingen en ik doe het nog
maar een keer. Laten er dan concrete
maatregelen getroffen worden waar
een draagvlak voor is. Dan moet ook
duidelijk gemaakt worden hoe die
maatregelen moeten worden
gefinancierd. Nu buitelt iedereen en
alles maar over elkaar heen, ook de
coalitiegenoten en de regering. Die
speeltuin moet dicht. Er moet
geregeerd worden.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2644">

 
<spreker pagina="38-2644" anker="526" partij="RPF" naam="Rouvoet">
 Mijnheer de
voorzitter! Opnieuw spreken wij over
het hoger onderwijs en over de
mogelijkheden en onmogelijkheden
van nieuwe bezuinigingen. De
verwarring is groot. Het beleid inzake
de bezuinigingen op het hoger
onderwijs is zo rechtlijnig als de loop
van een dronkeman. Zelfs de
aanleiding tot dit debat, de
collegegeldverhoging, is deels al
weer achterhaald door de actualiteit.
Zo hadden wij eerst een gezamen-
lijke intentieverklaring, toen een
steeds minder gezamenlijke
verklaring en opeens helemaal geen
intentieverklaring meer. De verho-
ging is nu even van de baan om
waarschijnlijk eind januari weer ter
sprake te komen. De kiem van alle
ellende ligt natuurlijk in het
regeerakkoord. Bij de opstelling van
dat akkoord is op een tamelijk
willekeurige manier een bezuinigings-
taakstelling vastgesteld, waarbij de
opstellers zich niet hebben laten
ophouden door een grondige
analyse over de vraag of de
bezuinigingen wel haalbaar zijn.
Protesten van studenten hiertegen
vinden wij op zichzelf begrijpelijk.
Hoewel het ook duidelijk zal zijn dat
het blokkeren van spoorwegen
onaanvaardbaar wordt gevonden
door mijn fractie.
Mijnheer de voorzitter! Voor het
zwabberbeleid inzake de bezuinigin-
gen is niet alleen minister Ritzen
verantwoordelijk, ook het kabinet, de
VSNU, de HBO-raad en de paarse
fracties. Aanvankelijk bestempelde
PvdA-fractievoorzitter Wallage de
intentieverklaring als een doorbraak
en de verhoging van het collegegeld
als acceptabel. Nu is de verhoging
voor de drie fracties opeens buiten
proporties, onevenwichtig. Het
zwalkende beleid maakt ook duidelijk
dat de bezuinigingen op het hoger
onderwijs irree¨el en onredelijk zijn.
Ontwikkeling van de plannen heeft
tot nog toe een hoog ad hoc-
karakter. Wij hebben wel doordachte
plannen met betrekking tot het hoger
onderwijs nodig, waaruit visie
spreekt aangaande de toekomst van
het hoger onderwijs en de jongeren,
studerenden in het algemeen.
Bij alle financie¨le perikelen lijkt het
ons niet overbodig om het belang
van een goed hoger onderwijs te
benadrukken. Het is immers van het
grootste belang dat goede opleidin-
gen voorhanden zijn en blijven en
dat het onderzoek voortgaat. Daarbij
zijn toegankelijkheid en kwaliteit van
het onderwijs sleutelwoorden.
Echter, de vele efficiency-operaties,
de dreigende verhoging van het
collegegeld, boven de verhogingen
die de afgelopen jaren al hebben
plaatsgevonden en de regelmatige
kortingen op de studiebeurs brengen
ons tot de conclusie dat steeds
minder kan worden gesproken van
die toegankelijkheid en de kwaliteit
van het onderwijs, zeker nu deze
minister in het recente verleden zelf
al heeft aangegeven dat de
bezuinigingsgrens was bereikt. Het
mag duidelijk zijn dat de RPF-fractie
zich niet gebonden acht aan de
afgesproken bezuinigingen in het
regeerakkoord en al helemaal niet
aan een invulling daarvan door
middel van een forse verhoging van
het collegegeld. Als het slechts gaat
om de pecunia – tot nu toe heeft de
regering niet de indruk kunnen
wekken dat het daar niet primair om
gaat – vind ik dat motiveringen als
’’grotere studeerbaarheid’’ en
’’verbetering van de kwaliteit van het
onderwijs’’ niet gebruikt mogen
worden. Als dat werkelijk het doel is,
dan vormen bijvoorbeeld studie-
resultaten een rechtvaardiger
maatstaf voor herstructurering van
het hoger onderwijs dan de
financie¨le draagkracht van studenten
en hun ouders. De RPF-fractie is van
mening dat het meer in de rede ligt
om studenten te prikkelen sneller te
studeren en om bijvoorbeeld
voorafgaande aan of na het eerste
propaedeutisch jaar strenger te
selecteren. Ik neem aan dat over
deze zaken uitvoerig gesproken zal
worden bij de behandeling van de
uitwerking van de prestatiebeurs.
Daarnaast vraagt onze fractie,
zoals zij al eerder gedaan heeft, de
minister om bij de toekenning van
beurzen selectiever te werk te gaan.
Nu wordt de kaasschaaf ieder jaar
vlijtig gehanteerd, zonder dat er
onderscheid wordt gemaakt tussen
studenten die een beurs werkelijk
nodig hebben en studenten die met
minder overheidshulp zouden
kunnen rondkomen. Ik herinner de
minister aan ons herhaalde pleidooi
om het onderscheid tussen een
beurs voor thuiswonende en
uitwonende studenten te verkleinen,
bijvoorbeeld door de afstand tussen
huisadres en studieplaats als
criterium te hanteren. Was het
dogma van ouderonafhankelijkheid
destijds nog de basis voor het stelsel
van studiefinanciering, nu is het een
lege huls geworden. Naast een ree¨le
mogelijkheid tot bezuinigen kan op
deze manier tevens een herstel van
scheefgegroeide verantwoordelijkhe-
den plaatsvinden.
Mijnheer de voorzitter! Er komt
nieuw overleg. Mevrouw Jorritsma
heeft zojuist gezegd dat zij de
bewindslieden niet met een dictaat
het overleg in wil sturen. Daarbij
heeft zij gezegd dat zij niet mee
wenst te onderhandelen. Zij maakte
ook een onderscheid tussen mee
onderhandelen en het fatsoenlijk
antwoord geven op vragen. Toen
rees bij mij de vraag waarom zij de
vraag van de heer Rabbae zojuist
niet wenste te beantwoorden, maar
dat schoof onder het mee onderhan-
delen met de instellingen en het
kabinet.
Wij wensen de minister voor het
overleg creativiteit toe. Geen
kaasschaaf of, erger nog, de botte
bijl, maar maatwerk. Dat moet niet
worden toegesneden op de vraag
hoe wij het te bezuinigen bedrag
kunnen binnenhalen, maar op de
vraag welke toekomst de overheid
wil bieden aan jongeren en
studerenden, en hoe wij kunnen
voorkomen dat de studerende jeugd
van nu wordt opgezadeld met
torenhoge schulden. Dat is de vraag
waar het om draait en daar hebben
wij tot nu toe weinig of geen
antwoord op gehoord.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2645">

 
<spreker pagina="38-2645" anker="527" partij="SP" naam="Poppe">
 Mijnheer de
voorzitter! Heel veel studenten en
hun ouders maken zich momenteel
ontzettend veel zorgen over hun
toekomst en de toekomst van het
hoger onderwijs. Dit is niet ten
onrechte, want de minister geeft hen
daar alle reden toe. Ondanks de
brede wens om rust in het hoger
onderwijs te brengen, is de minister
voortdurend bezig om chaos te
veroorzaken en onrust aan te
wakkeren onder studenten, onder-
wijsgevenden en ouders.
Onlangs kwam de minister met
nieuwe plannen voor de aanval op
het hoger onderwijs. Toen die
plannen op hevig verzet stuitten van
studenten, scholieren en de
onderwijsinstellingen, veranderde de
minister weer van koers. Nu moest
er ineens ƒ 1000 bij het collegegeld
en zouden de instellingen vooralsnog
deels gespaard blijven. Om de lagere
inkomens niet op te zadelen met een
ontoelaatbare verhoging van de
studiekosten, moest vervolgens weer
een groot ’’geld-rondpomp-plan’’
gemaakt worden. Maar ook dat plan
van de minister haalt de eerste horde
niet, dus komt hij naar alle waar-
schijnlijkheid weer met iets anders
op de proppen, geholpen door de
regeringsfracties. Nieuwe bezuinigin-
gen op de arbeidsvoorwaarden in
het hoger onderwijs wellicht, of
andere ingrepen die de chaos in het
onderwijs zullen vergroten? Wie de
logica in het ministerie¨le beleid
ontdekt, zal volgens mij in aanmer-
king moeten komen voor de nodige
vrijstellingen van tentamens.
Naar de mening van de SP is de
minister het spoor volledig bijster.
Hij voert een hapsnapbeleid en
draagt op geen enkele wijze bij aan
een beter onderwijsbeleid. Zou
iemand zich in een dergelijke situatie
niet moeten afvragen of hij alsnog
moet doen wat hem al voor de
kabinetsformatie was toebedacht,
namelijk opstappen? Ik vraag de
minister hoe hij hierover denkt, nu
hij ook door de coalitie weer het bos
in is gestuurd.
Mijnheer de voorzitter! In de
jungle van de studiefinanciering weet
niemand meer de weg. Na de
invoering van de basisbeurs kwam
de beperking van de studieduur en
de verlaging van de basisbeurs. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2645" anker="528" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Wat
bedoelt de heer Poppe met
’’zwabberbeleid’’? Hetgeen ter zake
in het regeerakkoord staat en
vervolgens in de begroting is
aangekondigd, moet hij maar eens
op zich laten inwerken. De regerings-
partijen hebben gezegd dat zij de
bezuinigingen accepteren, maar dat
het op deze manier ontzettend
moeilijk is. Minister Ritzen krijgt een
opdracht en het kabinet geeft een
antwoord. Waarom is dat een
zwabberbeleid? Ik kan dat niet
volgen. Door de andere sprekers
werd dit ook naar voren gebracht,
dus ik had deze vraag wel elke keer
kunnen stellen. Nu het echter de
zoveelste keer is, wil ik graag van de
heer Poppe weten – hij praat de
anderen immers zo graag na – wat
hij in dit geval onder een zwabber-
beleid verstaat. Als je een beetje
afstand neemt en taalcursussen
volgt, zou een heel duidelijke lijn in
de aanpak te constateren zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2646" anker="529" partij="SP" naam="Poppe">
 Met zwabber-
beleid bedoelen wij dat er sinds de
invoering van de studiefinanciering talloze wijzigingen zijn geweest:
basisbeurs, tempobeurs, STOEB, de
invoering van de prestatiebeurs en
daarmee gepaard gaande bezuinigin-
gen. Bovendien deed de minister
kort na de formatie al heel wat
schoten voor de boeg die het
allemaal niet haalden. Steeds
opnieuw moet hij andere methoden
bedenken om te proberen de 1,5
mld. waarvoor hij getekend heeft,
binnen te halen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2646" anker="530" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Kan de
heer Poppe daar eens twee
voorbeelden van noemen? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2646" anker="531" partij="SP" naam="Poppe">
 Ik dacht dat de
partij van de heer Van Gelder nu
weer roept dat... 

</spreker>
<spreker pagina="38-2646" anker="532" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Ik heb
het over de positie van de minister;
de heer Poppe verwijt he`m een
zwabberbeleid. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2646" anker="533" partij="SP" naam="Poppe">
 De heer Van
Gelder kan toch niet zeggen dat de
minister sinds zijn jongste aantreden
in de Kamer of bij de instellingen
een concreet, uitgewerkt, doordacht
plan op tafel heeft gelegd waaruit
blijkt hoe de minister denkt die 1,5
mld. waarvoor hij heeft getekend, te
kunnen bezuinigen. Hij heeft allerlei
schoten voor de boeg gedaan en is
teruggefloten. Hij heeft contracten of
overeenkomsten ondertekend die
achteraf bleken toch geen contracten
of overeenkomsten te zijn. Hij is
teruggekomen met een nieuw plan
en dat wordt door de coalitie weer
afgewezen. Die combinatie minister/
coalitie noem ik zwabberbeleid. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2646" anker="534" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Het is
de heer Poppe blijkbaar ontgaan dat
wij spreken over een brief waarin
een heel concreet aanbod van het
kabinet staat. Dat is inmiddels
ondertekend door de hogescholen.
De universiteiten hebben er nog wel
enige moeite mee. Dat vind ik
inderdaad een beetje zwabberig. De
heer Poppe kan echter niet ontken-
nen, dat daarachter een heel
duidelijke lijn zit en dat wij over die
lijn praten. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2646" anker="535" partij="SP" naam="Poppe">
 Wat de heer
Van Gelder een beetje zwabberig
noemt, noem ik zwabberig. Zo zal
het zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2646" anker="536" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Ik noem
het zelfs niet een beetje zwabberig.
Wie zwabbert, is de grote boze
buitenwereld, die niet de gaten heeft
dat hier in gemeen overleg afspraken
zijn gemaakt waaraan het kabinet, en
de minister in het bijzonder, naar
mijn mening een meer dan te
verwachten invulling heeft gegeven. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2646" anker="537" partij="SP" naam="Poppe">
 Ik heb al aan de
minister gevraagd hoe hij denkt over
opstappen.
In de jungle van de studie-
financiering weet niemand meer de
weg. Na de invoering van de
basisbeurs kwamen de beperking
van de studieduur en de verlaging
van de basisbeurs. Vervolgens
kregen wij de tempobeurs. Die wordt
nu weer vervangen door de
prestatiebeurs, totdat er weer iets
anders wordt bedacht. Alleen al om
al die veranderingen enigszins te
kunnen doorgronden, lijkt de huidige
studieduur toch wel aan de krappe
kant. Dit hele financie¨le gedoe is in
ieder geval beslist niet bevorderlijk
voor het studeren als zodanig. Ook
onderwijsinstellingen moeten zich
vandaag de dag meer dan ooit met
zichzelf bezighouden, met onderwijs-
gebouwen, de wachtgelders en de
derde geldstroom. Het onderwijs zelf
lijdt daaronder. Initiatief is de inning
van het collegegeld door de
instelling. Dat werd door de student
eerder als beurs van de overheid
ontvangen. Dit noemen wij een
zinloos en verspillend rondpompen
van geld.
Dit soort chaotische operaties is
uiterst gevaarlijk. Enerzijds is het
gevaarlijk omdat het grote onduide-
lijkheid en onrust veroorzaakt in het
onderwijsklimaat en omdat het dit
onderwijsklimaat ook danig aantast
en anderzijds is het gevaarlijk omdat
dit gemodder steeds meer geesten
rijp maakt voor de gedachte dat de
overheid in feite niet capabel is het
hoger onderwijs op een fatsoenlijke
wijze te regelen. Daardoor komen wij
steeds dichter bij het punt dat de
fractie van de SP en een heleboel
mensen in dit land absoluut niet willen bereiken: het moment waarop
voorstellen worden gedaan, het
onderwijs uit handen te halen van de
niet capabele overheid en in handen
te stellen van de marktsector. Die
sector zou ons volgens de neo-
liberale kijk op de wereld ook op
zoveel andere terreinen moeten
redden. Wij zien dat deze ontwikke-
ling zich al in de gezondheidszorg en
in de volkshuisvesting doorzet. Nu
dreigt ook de privatisering van het
hoger onderwijs. Binnen en buiten
deze Kamer pleiten onder andere
prominente PvdA-profs daar al voor.
De SP wil juist met klem tegen de
privatisering van het hoger onderwijs
waarschuwen. Dan wordt onderwijs
immers pas echt een produkt dat zijn
prijs heeft, een prijs die velen van
degenen die nu nog kunnen
studeren, dan niet meer kunnen
betalen. Dan krijgen wij de echte
opgang van de tweedeling, ook in
het onderwijs, met karige kwaliteit en
mogelijkheden voor de meeste
studenten en luxe onderwijs voor
degenen die daarvoor het geld
hebben.
De SP is daar fel op tegen. Wij
zien er geen enkel heil in en daarom
blijven wij pleiten voor een
financiering van het hoger onderwijs
die de chaos niet vergroot, maar
verkleint en het systeem helder,
eerlijk en inzichtelijk maakt. Wij
blijven pleiten voor een systeem dat
de student recht geeft op een redelijk
inkomen in ruil voor redelijke
prestaties, dat de kwaliteit van het
onderwijs bevordert in plaats van
aantast en de vereiste middelen niet
via allerlei lapwerk binnenhaalt, maar
via de belastingheffing.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2646">

 
<spreker pagina="38-2646" anker="538" partij="AOV" naam="Nijpels-Hezemans">

Voorzitter! Bezuinigingen op het
hoger onderwijs veroorzaakten al
tijdens de formatie grote problemen.
Ook toen al hoorden wij de verwijten
dat er op een achternamiddag het
een en ander zou zijn ingevuld. De
toenmalige demissionaire minister
vond dat er eigenlijk niet meer
bezuinigd kon worden op het hoger
onderwijs. Hij was daarin niet de
enige. Toch aanvaardde hij op een
zeker moment het ministerschap,
waarvoor toen overigens weinigen in
de rij stonden, zo heb ik mij laten
vertellen. Zoals iedereen al ver-
moedde, is de bezuiniging in 1998
ook niet te verwezenlijken.
Het overleg met de betrokken
instellingen blijkt niet door iedereen
met dezelfde intentie te zijn
afgesloten. De studenten viel het
zogenaamde onderhandelings-
resultaat wel erg koud op hun dak.
Wij hebben weliswaar niet voor
iedere actie die de studenten hebben
gevoerd, even grote waardering,
maar wij hebben wel begrip voor het
feit dat zij op de een of andere
manier willen laten horen dat zij het
hier absoluut niet mee eens zijn.
Voorzitter! Een collegegeld-
verhoging van de omvang die hier
wordt voorgesteld, is volgens het
AOV niet de oplossing voor de
financie¨le problemen bij het hoger
en wetenschappelijk onderwijs. Wij
wijzen deze dan ook af. Wij vragen
ons af welke alternatieven er nog
meer aan de orde zijn geweest. Was
dit de gemakkelijkste weg? Wij
vinden dat geld nooit een belemme-
ring mag zijn om te studeren.
Is de minister bereid om bij
verdere onderhandelingen ook eens
mee te nemen of er wellicht een
volumebeleid kan worden gevoerd
op basis van capaciteit van de
aankomende student; selectie vooraf
in plaats van tijdens de studie door
middel van een prestatiebeurs. Ik
weet dat de heer Ritzen daar in het
verleden absoluut geen voorstander
van is geweest en onder andere om
die reden destijds ook Nijenrode de
nek om heeft gedraaid, maar
misschien kan het nu weer aan de
orde komen.
Voorzitter! Ook wij vinden dat
ouders van studenten van wie het
inkomen net boven de grens van
ƒ 68.000 zit, een forse lastenverzwa-
ring tegemoet kunnen zien. Nu de
minister van Financie¨n hier toch zit,
wil ik hem het volgende vragen.
Mocht de collegegeldverhoging
onverhoopt toch doorgaan, is het
dan mogelijk om studiekosten weer
aftrekbaar te maken?
Wij zijn bang dat veel ouders niet
meer in staat zijn, voldoende bij te
dragen aan de studiekosten van hun
kinderen. Een belastbaar inkomen
van plusminus ƒ 70.000 met twee of
drie studerende kinderen zal toch tot
problemen leiden. Wat zal het gevolg
zijn? Studenten moeten erbij gaan
werken, de studieduur zal verkort
worden en er wordt een prestatie-
beurs ingesteld. Ik denk dat er dan
niet zoveel meer te presteren valt
voor studenten en dat zij na een paar
jaar daar rondlopen tot de conclusie
komen, dat zij niet meer aan de eisen
kunnen voldoen. Ook dan is het
verspild geld en verloren moeite
geweest. Heeft de minister daar
rekening mee gehouden?
Onze zuiderburen, de Belgen, zijn
bepaald niet blij met deze voorgeno-
men collegegeldverhoging. Naar
mijn overtuiging gaan er toch al veel
te veel Nederlandse jongeren in
Belgie¨ studeren. Dat heeft niet alleen
te maken met het collegegeld, maar
ook met de aanzienlijk lagere huren
voor kamers die in Belgie¨ gehanteerd
worden. Misschien is hieraan ook
nog iets te doen in Nederland, maar
daar zullen wij de collega van VROM
bij moeten halen.
Ik hoop dat de minister uiteindelijk
toch met een beter resultaat uit de
bus zal komen dan nu het geval is. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2647" anker="539" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Voorzitter! De minister van Onder-
wijs heeft voor de collegegeld-
verhoging een compensatie bedacht
voor de zwakke groepen. Is mevrouw
Nijpels daartegen? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2647" anker="540" partij="VVD" naam="Nijpels-Hezemans">

Ik ben niet tegen de compensatie
voor inkomens tot ƒ 68.000 of het
geleidelijk afbouwen voor inkomens
vanaf ƒ 46.000. Het gaat mij om de
mensen die daar net buiten vallen.
Zoals een paar vorige sprekers al
meldden, worden zij op vele fronten
al behoorlijk zwaar belast. Zij vallen
net buiten de ziekenfondsgrens en
talloze andere dingen. Voor hen zou
er de mogelijkheid moeten zijn om
via de belasting enige compensatie
te krijgen, zoals dat vroeger ook was.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2647">

 
<spreker pagina="38-2647" anker="541" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">

Mijnheer de voorzitter! In het
regeerakkoord is overeengekomen
om op de post onderwijs 1,5 mld. te
bezuinigen, te weten 1 mld. op
studiefinanciering en 0,5 mld. op het
hoger onderwijs zelf door middel van
een stelselherziening die moet leiden
tot differentiatie in studieduur,
studieniveau en einddiploma, een
gemiddeld kortere verblijfsduur van
de studenten in het hoger onderwijs
en een hoger rendement. Tegen deze
plannen is het hoger onderwijs te
hoop gelopen, hetgeen geresulteerd
heeft in een weigering om met de
minister het overleg te starten.
Bij de begrotingsbehandeling
hebben de regeringsfracties er bij de
minister nadrukkelijk op aangedron-
gen om met de instellingen in
gesprek te komen onder handhaving
van de afgesproken taakstelling.
Vrijdag 9 december heeft de minister
een voorstel neergelegd, waarin de
taakstelling van 500 mln. nader is
ingevuld. Een bedrag van 200 mln.
wordt daarbij ingevuld door middel
van een collegegeldverhoging met
ƒ 1000. Direct na het bekend worden
van dit voorstel heeft de VVD-fractie
al aangegeven, grote moeite te
hebben met deze drastische
verhoging van de collegegelden. Een
zo sterke verhoging achten wij niet
gewenst. Afgezien van inkomens-
nivellerende effecten kan het niet de
bedoeling zijn dat instellingen hun
problemen afwentelen op studenten.
Bij een taakstelling van 1 mld. op de
studiefinanciering zijn aan die kant al
de nodige offers gevraagd. Ten slotte
ontbreekt het verband tussen een
verhoging van het collegegeld en de
kwaliteit van het daarvoor geboden
onderwijspakket. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2647" anker="542" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Voorzitter! Ik wil mevrouw De Vries
erop attenderen dat haar leider de
heer Bolkestein bij RTL4 heeft
gezegd, dat hij bereid was om een
deel van de 1,7 mld. aan meevallers
desnoods te gebruiken voor het
onderwijs, omdat hij het onderwijs
ziet als een structuurversterkend
element voor de economie. Als hij
het zo ziet, dan moet hij daar
eigenlijk ook voor zijn. Ik zeg het nu
niet helemaal conform het interview,
maar ik heb de tekst. Ik zie de heer
Bolkestein nu naar de microfoon
lopen. Wil hij deze uitspraak in de
Kamer handhaven of ontkennen? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2647" anker="543" partij="VVD" naam="Bolkestein">
 Voorzit-
ter! Toen ik met die vraag werd
geconfronteerd, had ik de afspraak
uit het regeerakkoord inzake
structuurversterkende maatregelen
voor de Nederlandse economie in
gedachten. Daar verwijst de heer
Rabbae ook naar. Er kan, wat ons
betreft, geen sprake van zijn dat de
zogenaamde groeimeevallers, die
dus voortvloeien uit de economische
groei, gebruikt zouden kunnen
worden om een ombuigingstaak-
stelling in te vullen. Daar kunnen wij
ons absoluut niet mee akkoord
verklaren. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2647" anker="544" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Mag
ik van de heer Bolkestein vernemen
dat hij afstand neemt van hij eigen
tekst? Hij zegt immers in antwoord
op een vraag van de journalist, dat
hij eigenlijk niets uitsluit. Hij heeft de
door mij al aangehaalde uitspraak
inderdaad gedaan. Ik wil die
uitspraak hier niet meer herhalen. Hij
neemt dus afstand van die tekst? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2648" anker="545" partij="VVD" naam="Bolkestein">
 Nee, dat
doe ik absoluut niet. Ik sluit niets uit,
omdat het in de politiek altijd
buitengewoon onverstandig is om
iets totaal uit te sluiten. Dat geldt ook
voor dit terrein. Maar ik herhaal dat
er, wat de VVD-fractie betreft, geen
sprake van kan zijn dat zogenaamde
groeimeevallers gebruikt worden om
ombuigingstaakstellingen op te
vangen. De tekst waar de heer
Rabbae naar verwijst, slaat op de
afspraak in het regeerakkoord met
betrekking tot economische
structuurversterkende maatregelen.
Zo moet men dat verstaan. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2648" anker="546" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Die
tekst heeft de heer Bolkestein dus
niet uitgesproken? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2648" anker="547" partij="VVD" naam="Bolkestein">
 Natuurlijk
heb ik die tekst uitgesproken, maar ik
zeg nu hoe de heer Rabbae die moet
verstaan. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2648" anker="548" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">

Voorzitter! Wat ons betreft, spitst het
debat van vandaag zich toe op deze
invulling van de taakstelling,
waarvoor wij alternatieven ontwik-
keld willen zien. Om te beginnen
betreuren wij het dat in het voorstel
van de minister geen enkele relatie
wordt gelegd tussen de financie¨le
invulling en de voorgenomen
stelselherziening. Reeds nu wordt
een eenmalige bijdrage voor
kwaliteitsverbetering en studeerbaar-
heid van 0,5 mld. toegezegd, nog
voordat de instellingen ook maar
enig inzicht in de stelselherziening
hebben gegeven. De niet bestede
wachtgelden worden zonder
duidelijke voorwaarden vooraf voor
230 mln. ingezet. Het is duidelijk dat
de verhoging van de collegegelden
met ƒ 1000 zonder dat daar een
herkenbare kwaliteit tegenover staat,
niet aan de orde kan zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2648" anker="549" partij="CDA" naam="Lansink">
 Voorzitter!
Als ik deze laatste zinnen beluister,
dan neemt de VVD eigenlijk ook
afstand van de intentieverklaring –
die nog alle eer kreeg – van D66.
Mevrouw De Vries begint over de
wachtgelden en over andere punten,
zoals studeerbaarheid. Hoe moet ik
nu de positie van de VVD bij dit
debat en ook de komende maanden
inschatten? Wij zijn immers nog lang
niet klaar met deze zaak. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2648" anker="550" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">
 Nee,
wij zullen elkaar nog vaak tegenko-
men. Dat is waar. De intentieverkla-
ring is een voorstel van de minister,
waarin hij komt met een nadere
invulling van de taakstelling, zoals in
het regeerakkoord afgesproken voor
het hoger onderwijs. In grote lijnen
kunnen wij ons vinden in het
voorstel van de minister. Wij
plaatsen daar in dit debat de
kanttekening bij dat voor de
wachtgelden een reservering wordt
ingezet en dat wij ten aanzien van de
eenmalige impuls van 0,5 mld. –
overigens een huzarenstukje van de
minister, waarvoor wij hem prijzen –
graag zouden zien dat ook een relatie
wordt gelegd tussen de inzet van de
minister en de inspanning van de
instellingen. Nu staat er op voorhand
dat het bedrag ter beschikking wordt
gesteld, maar wij weten nog steeds
niet wat de instellingen doen. Dat
doet geen afbreuk aan de intentiever-
klaring in het voorstel van de
minister. Wij maken daarbij echter
wel de aantekening dat wij graag
zouden zien dat de minister het, bij
zijn handreiking, voor ons zichtbaar
maakt wat wij daar aan de andere
kant voor terug krijgen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2648" anker="551" partij="CDA" naam="Lansink">
 Dan heb ik
een andere vraag. U hebt geweldige
moeite met de verhoging van de
collegegelden, ook om inkomens-
politieke redenen. Die zijn bekend en
daar zal ik u geen vragen over
stellen. Wel vraag ik welk deel
volgens u toch uit de collegegeld-
verhoging moet komen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2648" anker="552" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">
 U
hebt zich kennelijk voorgenomen om
deze vraag aan alle coalitiepartners
te stellen en ik was op deze
overhoring al enigszins voorbereid.
Het punt is dat wij moeite hebben
met de verhoging van het college-
geld. Dat is nu zo langzamerhand
wel duidelijk. Al eerder heb ik in
andere kaders gezegd dat wij de
minister alle mogelijke richtingen
zullen aangeven om te kijken naar
een andere invulling. Eind januari
praten wij verder en zullen wij ons
oordeel geven. Dat zult u echter in
de rest van mijn verhaal horen, want
daarin zal ik mijn richting aangeven.
Misschien kunt u dat geduld
opbrengen, want zo lang duurt dat
niet.
Een eventuele verhoging van
collegegelden, gekoppeld aan een
nieuw stelsel van hoger onderwijs,
dat in wezen pas na 1998 gestalte zal
krijgen en waarbij universiteiten en
hogescholen de vrijheid krijgen om
zelf, binnen een bandbreedte, het
collegegeld zelf vast te stellen, wijzen
wij op voorhand niet af. Het moet
toekomstige studenten dan echter
wel duidelijk zijn wat zij voor dat geld geboden krijgen: meer
contacturen, een betere begeleiding,
meer vakken etcetera. Daar waar het
kabinet de instellingen tegemoet is
gekomen met betrekking tot
wachtgelden en een eenmalige forse
bijdrage om de stelselherziening een
kwaliteitsimpuls te geven, is de
VVD-fractie van mening dat van de
instellingen verwacht mag worden
dat zij door een grotere doelmatig-
heid een bijdrage leveren. Thans nog
globale conclusies van de technische
werkgroep voor het hoger onderwijs
zouden in dat kader nader moeten
worden bekeken. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2648" anker="553" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Mevrouw De Vries wil graag werken
met een soort flexibele invoering van
collegegelden. Betekent dit dat een
instelling die het collegegeld niet wil
verhogen, het volle pond aan
bezuinigingen moet betalen, terwijl
een andere instelling, die het
collegegeld wel met ƒ 1000 wil
verhogen, met rust wordt gelaten? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2648" anker="554" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">
 Nee,
ik denk dat u mij verkeerd hebt
begrepen. Wij willen pas praten over
differentiatie in collegegelden – dat
betekent dat je niet bij elke instelling
of voor elke studierichting hetzelfde
betaalt – als wij weten hoe het
toekomstige hoger onderwijs, in
relatie met het nieuwe stelsel, eruit
ziet. Dan moet immers duidelijk zijn
waarom je voor de ene opleiding meer betaalt: omdat je sneller kunt
afstuderen of omdat je er meer voor
geleverd krijgt en dat soort zaken. Ik
heb ook aangegeven dat wij dan
binnen een bandbreedte moeten werken: het moet niet zo zijn dat het
het een of het ander is. Het is echter
mogelijk dat sommige instellingen
door een zeer efficie¨nte wijze van
werken kans zien om een goede
opleiding te bieden voor minder
collegegeld en dat andere opleidin-
gen iets meer vragen, maar daar ook
iets meer voor bieden. Ook een pak
koffie, zelfs van hetzelfde merk, kost
niet in elke winkel hetzelfde. De ene
zaak werkt sneller, zet het efficie¨nter
op de plank en pakt het al of niet in.
Het is maar net waar je behoefte aan
hebt. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2649" anker="555" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Ik
begrijp dat, maar betekent dit dat u
graag zou willen dat de minister per
instelling zaken gaat doen om te
bekijken wat de mogelijkheden per
instelling zijn en dat hij niet met
behulp van een soort kaasschaaf en
een globale helikoptervlucht over het
hoger onderwijs terugkomt met een
bedrag? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2649" anker="556" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">
 Wij
zouden er geen bezwaar tegen
hebben als elke universiteit, elke
studierichting en elke hogeschool
niet meer per generieke maatregel
over een kam worden geschoren –
het maakt niet uit of dat nu kan voor
1 januari of dat wij dit bekijken in het
kader van de totale stelselherziening
– en als wij de mogelijkheid bieden
om daar verschillen in aan te
brengen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2649" anker="557" partij="CDA" naam="Lansink">
 Ook
mevrouw De Vries verwees zojuist
naar de technische werkgroep. Dat is
een befaamde groep van ambtena-
ren van Financie¨n, Onderwijs en het
Instituut voor onderzoek van
overheidsuitgaven. Die groep heeft
een rapport uitgebracht over de
mogelijkheden, en die lopen uiteen
van 13 mln. aan de onderkant tot 97
mln. aan de bovenkant voor
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap-
pen. Met heel draconische maatrege-
len komt men zelfs tot 600 mln. Een
van de voorlieden van het Instituut
voor onderzoek van overheidsuitga-
ven heeft gezegd dat de bewindslie-
den de groep destijds hebben
opgezadeld met onmogelijke
randvoorwaarden. Dat even terzijde.
Tot welke mogelijkheden komt
mevrouw De Vries, na lezing van het
rapport? Waar vindt zij de ombuigin-
gen en tot welk bedrag? Ik mag die
vraag stellen omdat uw fractie
gisteren via de kranten heeft laten
weten dat u de nu voorgestelde
collegegeldverhoging afwijst. Ik vind
daarom dat dit debat ertoe moet
leiden dat u helderheid geeft over
uw positie. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2649" anker="558" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">
 Ik zal
u antwoord geven. Ik wil de
volgende zin uit mijn betoog voorlezen: ’’Alleen al op het gebied
van efficiency en overhead liggen
volgens de globale conclusies reeds
mogelijkheden tussen de 100 mln. en
de 200 mln.’’ De werkgroep heeft in
erg korte tijd en onder hoge druk het
een en ander moeten produceren.
Wij vragen de minister nu, en wij
geven een voorbeeld, om met
misschien een duidelijkere omschrij-
ving van het doel de werkgroep
grondiger werk te laten doen en te
bekijken in hoeverre de conclusies
van de werkgroep inderdaad
gegrond zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2649" anker="559" partij="CDA" naam="Lansink">
 Ik prijs
mevrouw De Vries omdat zij, in
tegenstelling tot de collega’s in de
coalitie, in ieder geval bedragen durft
te noemen en nog enigszins een
richting ook. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2649" anker="560" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">
 Ik
ben blij met uw complimenten. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2649" anker="561" partij="SGP" naam="Van der Vlies">
 In de
visie van de VVD worden de
collegegelden, ook als zij straks
verhoogd zijn, toch gecompenseerd
in de aanvullende beurs waar die
relevant is voor de lagere-
inkomensgroepen? Dat mag ik toch
aannemen? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2649" anker="562" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">
 Waar
ik ga praten over een bandbreedte of
een differentiatie in collegeleden na
de stelselherziening, zullen wij dat af
moeten wegen tegen het beeld dat
de studiefinanciering in die tijd geeft.
Wij praten dan over 1998. Ik geef
alleen aan dat collegegeldverhoging
op zich, onder een aantal voorwaar-
den, geen onbespreekbaar onder-
werp is voor ons. Natuurlijk heeft dat
een relatie met de studiefinanciering
en een aantal andere zaken.
Collegegeldverhoging zoals het nu
wordt voorgesteld, zonder dat er een
herkenbare kwaliteitsverbetering van
het hoger onderwijs op korte termijn
tegenover staat, is voor ons een heel
slechte zaak. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2649" anker="563" partij="SGP" naam="Van der Vlies">
 Ik
stelde mijn vraag omdat mevrouw
De Vries met de suggestie komt voor
een differentiatie van collegegelden,
in verband met de geleverde kwaliteit. Ruw gezegd: hoe hoger de
kwaliteit, hoe meer collegegeld
gevraagd mag worden. Als er geen
compensatie wordt geboden, zou dat
kunnen betekenen dat de toeganke-
lijkheid van die hogere kwaliteit voor
de lagere-inkomensgroepen ter
discussie komt te staan. U wilt toch
niet bepleiten dat een hoge
kwalitatieve instelling alleen voor
een soort elite zou gaan bestaan?
Dat mag ik van u toch niet verwach-
ten? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2649" anker="564" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">
 Dat
mag u van mij niet verwachten en
dat kunt u van mij ook niet verwach-
ten. Ik zal mij er ook niet toe laten
verleiden. Het punt is dat als wij
ertoe overgaan, dit een relatie heeft
met het stelsel van studie-
financiering, hoe je dat ook wilt
inrichten. Ik geef al aan dat het voor
ons alleen een punt van bespreking
is in de relatie met een nieuw stelsel
van hoger onderwijs, met differentia-
tie in studieduur en studieniveau.
Daarbij hoort ook een daaraan
gerelateerd stelsel van studie-
financiering. Wij kunnen hier
proberen om dit al voor 1998 in kaart
te brengen. Dat lijkt mij niet zinnig. Ik
heb alleen aangegeven dat het
praten over collegegeldverhoging
geen verboden onderwerp is, mits
die verhoging ergens aan gerelateerd
is. Misschien had ik voor uw
helderheid erbij moeten zeggen dat
dit dan ook gerelateerd moet zijn aan
het stelsel van studiefinanciering. Dat
vind ik eigenlijk vanzelfsprekend. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2649" anker="565" partij="SGP" naam="Van der Vlies">
 Mag
mijn conclusie zijn dat de instelling
die straks de beste kwaliteit levert en
de hoogste prijs zou mogen vragen,
wat betreft inkomenspositie voor een
ieder gelijkelijk toegankelijk zou
moeten zijn en dat op die voor-
waarde het stelsel van studie-
financiering behoort te worden
ingericht? Die vraag kunt u, denk ik,
met ’’ja’’ beantwoorden. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2649" anker="566" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">
 Nee.
Ten eerste heb ik al gezegd dat er
gesproken wordt over een band-
breedte. Verder is het gerelateerd
aan het dan geldende stelsel van
studiefinanciering. Dat hangt ermee
samen.
Voorzitter! Vervolgens willen wij
inzicht in de verdeling van de
budgetten tussen het hoger
beroepsonderwijs en wetenschappe-
lijk onderwijs, in de omvang van de
reserves en liquiditeitspositie van de
instelling en in de doorberekening
van kosten bij contractonderzoek.
Door nu reeds een aanvang te
maken met selectie, het beperken
van het aantal malen dat een student
hertentamen mag doen, het niet
plaatsen van studenten met
onvoldoende vooropleiding kan op
korte termijn de doelmatigheid
worden verhoogd. Binnen de huidige
regelgeving is daarvoor ruimte. De
VVD staat open voor suggesties die
leiden tot kwaliteitsverbetering van
het hoger onderwijs en een beter
rendement. De instellingen krijgen
daarvoor een eenmalige financie¨le
impuls en een forse bijdrage in de
wachtgelden. Van hen mag dan ook
de nodige inzet en creativiteit
worden gevraagd om de stelsel-
herziening binnen de afgesproken
taakstelling uit te werken. De
instellingen hebben door hun
handelwijze hun geloofwaardigheid
verloren. Het kabinet heeft zich
ingespannen om de nodige
handreikingen te bieden, de
instellingen wensen geen duidelijk
standpunt in te nemen. Wij steunen
de minister in zijn streven om met de
instellingen tot een akkoord te
komen. Dit debat heeft de fractie van
de VVD de gelegenheid gegeven nog
een aantal bespreekpunten mee te
geven. Wij rekenen erop, dat wij eind
januari nader worden ingelicht over
de definitieve invulling van de
taakstelling, waarna een kamerdebat
zal volgen, waarin wij ons definitieve
standpunt zullen bepalen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2650" anker="567" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Ik heb
de VVD leren kennen als een partij
van helderheid. Mevrouw De Vries
noemt drie fundamentele onderwer- pen die met elkaar samenhangen: de
herstructurering, de bezuinigingen en
de studiefinanciering. Tot nu toe zijn
wij altijd bezig geweest met het
achteraf repareren van opgelopen
schade. Wij zijn niet in staat geweest
om de zaak van tevoren goed op te
bouwen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2650" anker="568" naam="De voorzitter">
 Wilt u uw interruptie
beperken tot een vraag? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2650" anker="569" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Is het
niet beter als de minister de tijd
krijgt om alles af te wegen en te
beoordelen en dan terug te komen
met de herstructurering, de
studiefinanciering en de bezuinigin-
gen? Wij krijgen dan in een keer een
volledige oplossing. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2650" anker="570" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">
 Door
het beeld dat is ontstaan door de
initiatiefverklaring zijn wij vergeten
wat wij bij de behandeling van de
begroting hebben afgesproken. In
januari wordt op grond van de
Procesbrief met de instellingen
gesproken over het tijdpad ter zake
van de stelselherziening. De
instellingen wensten niet aan dat
proces te beginnen als zij geen nader
beeld hadden van de invulling van
het bedrag van 500 mln. De minister
heeft daaraan gewerkt. Op enkele
onderdelen zouden wij dat graag
anders zien. De heer Rabbae en ik
zijn beiden geı¨nteresseerd in het
stelsel van hoger onderwijs en willen
ons er beiden voor inzetten. Iedereen
is een beetje vergeten, dat het
proces nog moet beginnen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2650" anker="571" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Elke
keer willen wij een stukje van de
puzzel leggen. Het moet echter om
het totaal gaan. Als wij dat niet doen,
dan blijft het achteraf repareren van
opgelopen schade. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2650" anker="572" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">
 Ik ga
ervan uit, dat over de stelsel-
herziening een zeer brede discussie
zal worden gevoerd. De consequen-
ties voor onder andere de studie-
financiering zullen wij mee laten
wegen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2650">

 
<spreker pagina="38-2650" anker="573" partij="CDA" naam="Lansink">
 Mijnheer de
voorzitter! Terug naar af. Tekenen die
woorden de stand van zaken voor de
minister, instellingen, studenten en
voor paars, dat met de losse pols
een regeerakkoord schreef? Of leert
het hapsnapbeleid van deze
bewindslieden, dat zelfs het terug
naar af de werkelijkheid vertekent?
Terug naar af tot 1970, bestuurs-
structuur, elitaire universiteit? Terug
naar af naar niks, naar 300 mln., 500 mln.? Of wordt het toch: onzeker
vooruit, wanneer het kennelijk door
de minister zelf geparafeerde
dekkingsplan afloopt, maar pas in de
volgende eeuw?
Voorzitter! Vernieuwing van het
onderwijs is natuurlijk nodig, om de
kwaliteit te vergroten en de
kennisinfrastructuur in stand te
houden. Vernieuwing, ja dus; maar
doordacht en zorgvuldig, zonder
zigzagkoers! Ombuigingen? Ja, maar
niet in een omvang van een plus 0,5
mld. Dat bedrag gaat elke spankracht
te boven en elk verkiezingspro-
gramma te buiten. Verschuiving van
een groot deel van die o,5 mld. naar
de collegegelden betekent onterechte
afwenteling op studenten en ouders,
op een wijze die ook niet deugt en
met een onzekere opbrengst. Dat
geldt trouwens ook voor de
wachtgelden. Minister Ritzen weet
niet wat hij in de volgende eeuw
terugziet; dat het rijmt kan ik niet
helpen.
Over begrotingsdiscipline gesproken: hoe is dit met de nieuwe
begrotingsdiscipline te rijmen? Het
CDA aanvaardt bijstelling van de
studiefinanciering, maar met
garanties voor de toegankelijkheid,
volgens de lijn van ’’Student op
eigen benen’’. In het junidebat, na de
verkiezingen dus, was daarbij voor
de minister de grens bereikt, een
grens die hij twee maanden later
weer met gemak doorbrak. Over
geloofwaardigheid gesproken; ook
een kernvraag van dit debat!
Meteen na het regeerakkoord zijn
de ondoordachte beleidsvoornemens
rond de stelselwijziging al op de
tocht gezet. De bewindslieden kozen
in oktober 1994 met hun Procesbrief
voor een procedurele aanpak, uit
verlegenheid, maar ook om overleg
met instellingen en studenten ruimte
te geven. Die aanpak is doorkruist
door het zigzagbeleid. Instellingen en
studenten zijn tegen elkaar uitge-
speeld. Daardoor komt zelfs het
ontwikkelingsplan onder druk te
staan.
Haastige spoed is het mislukte
toverwoord voor het financie¨le
beleid, dat eigenlijk niet meer te
volgen is. De een noemt het
’’zigzagkoers’’, de andere ’’hapsnap-
beleid’’. Ik zet even op een rij! 

</spreker>
<spreker pagina="38-2650" anker="574" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Voordat
u dat doet kunt u mijn vraag
meenemen. U begint ook over dat
zigzagbeleid. Ik herinner mij dat uw
collega Van de Camp bij de
behandeling van de begroting van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap-
pen nogal blij verrast was, dat de
coalitie erin geslaagd was om van de
minister en de heer Nuis enige
ruimte te krijgen om de discussie op
een verantwoorde manier te voeren.
Die ruimte is behoorlijk fors
ingevuld. Ik denk niet dat de heer
Van de Camp wat uiteindelijk uit de
bus is gekomen voor ogen had; ik in
ieder geval niet. Ik vind het wat dat
betreft veel positiever.
Wat is uw oordeel over het geheel
waardoor u nu de opmerking kunt
rechtvaardigen dat de minister een
zigzagbeleid voert? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2650" anker="575" partij="CDA" naam="Lansink">
 Ik moest de
opsomming van de zigzagkoers nog
maken. Als hetgeen u echter zojuist
aan het adres van de heer Rabbae en
mij hebt gezegd correct is – u hebt
het gezegd, dus het zal correct zijn –
dan had u voor de motie van de
heren Rabbae en Stellingwerf
moeten stemmen. Dat was de
kapstok om een open overleg met de
instellingen te doen plaatsvinden. U
hebt dat niet gedaan. U hield wel
een mooi verhaal in de Kamer, maar
als puntje bij paaltje kwam, hield u
de hele taakstelling van 1,5 mld.
overeind. Dat doet u nu ook, zij het
dat u blij bent dat de minister in
staat is geweest om die tot de
volgende eeuw weg te schuiven. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2651" anker="576" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Ik
begrijp dat de fractie van het CDA er
moeite mee heeft, dat als partijen
afspraken maken in een regeerak-
koord zij zich daar in principe aan
houden. Ik kan mij indenken dat u
daar tegenwoordig moeite mee
heeft. Dat neemt niet weg, dat door
de instellingen bezwaren naar voren
zijn gebracht waarvan wij direct
gezegd hebben dat zij ree¨el waren.
Wij hebben die ook aan de minister
en de heer Nuis voorgelegd. Het
kabinet heeft dat zo verstaan, dat het
met een concreet voorstel is
gekomen. Dat zijn precies de thema’s
die ook door de heer Van de Camp
naar voren zijn gebracht. Mijn vraag
blijft dus waarom u als het kabinet
erin slaagt aan die bezwaren
tegemoet te komen de minister kunt
verwijten zigzagbeleid te voeren. Het
probleem waar wij nu over praten,
de mist, is niet veroorzaakt door de
minister en de heer Nuis, noch door
het hele kabinet, maar vooral door
de manier waarop de instellingen
zich hebben opgesteld. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2651" anker="577" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor dat de
heer Lansink de opsomming maakt
die hij heeft toegezegd. Ik wijs nog
even op de afspraken die wij hebben
gemaakt over de interrupties. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2651" anker="578" partij="CDA" naam="Lansink">
 Voorzitter! Ik
was nog niet eens aan de opsom-
ming toe, maar ik doe het nu. Ik kan
natuurlijk beginnen bij het regeerak- koord: ondoordacht en uit de losse
pols. Ik verwijs naar hetgeen
secretaris-generaal Meijerink heeft
gezegd.
Voorzitter! Ik begin maar met de
aarzelingen van minister Ritzen over
de haalbaarheid. Weliswaar betrof
het een deemoedige terugkeer in
verband met de toen nog harde lijn
van minister Zalm en VVD-leider
Bolkestein, maar hij aarzelde. Voor
de afwisseling waren er twijfels van
staatssecretaris Nuis bij de aanbie-
ding van de Procesbrief, maar
daarna was er weer een verdediging
van de ombuiging bij het debat over
de rijksbegroting, nu pas. Daar
tussendoor waren er nietszeggende
antwoorden op mondelinge vragen
over de technische werkgroep, die
toch niet voor niets is ingesteld,
maar die kennelijk een weinig
bruikbaar stuk uitbracht. Voorts was
er de aankondiging van een akkoord
met de VSNU en de HBO-raad, dat
enkele dagen later geen echt akkoord
bleek te zijn. Ik doel onder meer op
de ontbindende voorwaarde erin.
Voorzitter! Vervolgens ontstond er
verwarring in de coalitie en zelfs
binnen de fracties.Ik teken bij de VVD
uit de mond van de heer De Korte
andere opmerkingen op dan bij
mevrouw De Vries. Dat is op zichzelf
begrijpelijk, maar het is wel gebeurd.
En wat te denken van de tegenstel-
ling bij de PvdA tussen de heer Van der Ploeg en de heer Van Gelder: een
kwestie van nieuweling versus oude
rot, of is er meer aan de hand?
Voorzitter! Dan komen er, na de
vraag van mijn fractievoorzitter om
de brief, uitspraken van de heer
Bolkestein over hapsnapbeleid,
waarna de heer Bolkestein door zijn
lotgenoot Wallage tot een gedeelte-
lijke terugtocht wordt gedwongen.
Ten slotte is er, nog voor dit debat,
de afwijzing van de voorgestelde
verhoging van de collegegelden door
de paarse coalitie. Dat is gebeurd en
bij dit hele proces plaats ik de term
’’zigzagbeleid’’. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2651" anker="579" partij="PvdA" naam="Van Gelder">

Voorzitter! De heer Lansink houdt
zich al sinds jaar en dag bezig met
het hoger onderwijs en dat veronder-
stelt een iets groter abstractie-
vermogen dan hij nu ten toon
spreidt. Hij moet toch in staat zijn
om door die warwinkel van
opmerkingen enz. heen te kijken en
er een lijn in te zien? Die lijn sluit
precies aan bij het hoofdbezwaar van
zijn collega bij de begroting van
OCW. Het besluit van de coalitie
inzake de 500 mln. werd afgewezen,
maar er kwam ruimte voor overleg.
Als u niet wilt erkennen, mijnheer
Lansink, dat dit kabinet nu op dat
terrein een basis heeft gelegd voor
overleg – dat vervolgens door een
deel van de instellingen is afgeblazen
– dan snap ik het niet meer. Over al
die kranteberichten – dat heb ik al in
de discussie met de heer Van de
Camp gemerkt – kunnen wij uren
doorpraten, maar het is ook vaak
verstandig om als vertrekpunt te
nemen wat hier gezegd wordt. Ik
vraag u concreet of u niet een lijn
ziet in dat geheel, een lijn die een
paar maanden geleden nog de grote
instemming had van uw fractiege-
noot, de heer Van de Camp. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2651" anker="580" partij="CDA" naam="Lansink">
 Voorzitter! Ik
deel de instemming met de lijn van
overleg; daar hebben wij steeds voor
gepleit. Wij hebben ook voor de
motie-Rabbae gestemd die helder
uitsprak wat daarvoor de randvoor-
waarden zouden moeten zijn. Die
motie is uwerzijds afgewezen,
mijnheer Van Gelder, zij het om
verschillende redenen. Wij waren en
zijn blij – ik heb het ook in een
uitzending voor de NCRV gezegd –
dat de 500 mln. van tafel was, want
dat was onze inzet. Dit ging echter
gepaard met tegenvoorstellen die
ontzaglijk moeilijk lagen en liggen. U
hebt ook eerst gezegd dat u blij was
met de uitkomst, maar vervolgens is
de bal van de collegegelden gaan
rollen.
Waar het mij nu om gaat, is dat
een bewindsman eerst een handteke-
ning zet en vervolgens alweer
kenbaar maakt – het kan zijn dat het
Algemeen Dagblad van vanochtend
dit onjuist ziet – dat hij bereid is
tegenvoorstellen van de coalitie te
aanvaarden en dus bereid is weer
terug te gaan naar de instellingen en te zeggen: sorry, die handtekening
deugt niet, u zult toch 200 mln. of
300 mln. moeten opbrengen. Dat is
het zigzagbeleid en ik verwijs naar
allerlei andere figuren die zo
gesproken hebben, niet in de laatste
plaats de heer Bolkestein, maar die gebruikte andere woorden: hapsnap. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2651" anker="581" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Ik vind
het in ieder geval belangrijk,
voorzitter, dat de heer Lansink
toegeeft dat de inzet van de zijde van
de coalitiepartijen in de richting van het kabinet was: verschaf ruimte om
een open overleg mogelijk te maken,
dat die opdracht door het kabinet
verstaan is en dat het kabinet die
ruimte geboden heeft. Dat vervol-
gens de instellingen daar weer op
een aparte manier mee omgaan, is
vers twee. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2651" anker="582" naam="De voorzitter">
 Wilt u uw interruptie
beperken tot een vraag? Dit is een
constatering.</spreker>
<spreker pagina="38-2652" anker="583" partij="CDA" naam="Lansink">
 Voorzitter!
Om er nog een korte reactie op te
geven, merk ik op dat ik uiteraard de
zegening van het overleg tel, maar er
moet dan wel een visie achter zitten.
Zie maar eens het slotcommentaar in de Volkskrant van vanochtend: we
weten helemaal niet waar wij
aankomen. Er zit geen visie achter;
het ontwikkelingsplan komt pas in
juni uit, als dat al lukt. Dat is de
kritiek van onze fractie. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2652" anker="584" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 U heeft
ongetwijfeld het regeerakkoord
gelezen. Daar staat een verhaal in
over de opdracht die wij ons allen
verschaffen in de richting van het hoger onderwijs: het terugdringen
van de verblijfsduur in het hoger
onderwijs, omdat te veel jongeren
daar te lang op de verkeerde plek
zitten. Dat is een element. Een ander
punt betreft het beter aan laten
sluiten van het hoger onderwijs op
wat er in de samenleving aan de
gang is. Ik volsta met deze beide
punten te noemen. Dat wij jammer
genoeg die inhoudelijke discussie
nog amper hebben kunnen voeren,
kunt u ons toch niet verwijten? Waar
het om ging, was de vraag of er een
klimaat komt waarin die discussie
gevoerd kan worden. Wij hebben
vastgesteld dat er jammer genoeg
een patstelling was rondom de
financie¨n. De uitdaging om die
patstelling te doorbreken, heeft het
kabinet opgepakt en ik hoop
inderdaad dat wij er voor het
financie¨le kader uit zijn, zodat wij zo
snel mogelijk over de inhoudelijke
zaken kunnen praten. Dat zou ons
immers moeten binden. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2652" anker="585" partij="CDA" naam="Lansink">
 Wat de
inhoudelijke discussie betreft, ben ik
het zeker eens. Maar de uitkomst
weet ik nog niet. Maar ik wil u wel
zeggen, dat als u al te gemakkelijk in
een regeerakkoord schrijft dat de
gemiddelde studieduur omlaag moet
– er zijn zelfs ideee¨n geweest over
een beperking met een jaar – het
voor het HBO knap lastig zal worden
omdat er een praktijkjaar moet
worden ingebouwd. Hoe moet ik nu
trouwens de opvattingen van de
PvdA zien in het licht van hun
eerdere uitlatingen over verlenging
van de studieduur in de technische
wetenschappen; een verlenging om
Nederland meer weerbaar te maken?
Indien de PvdA dan toch in het totaal
een verlaging wil, dan moeten er
elders forse verlagingen worden
doorgevoerd. Dergelijke discussies
kunnen wij niet voeren omdat het
kabinet nog steeds geen inhoudelijke
visie op tafel heeft gelegd. Wat zich
wreekt is dat hier een financie¨le
taakstelling voorop wordt gesteld en
dat de rest moet volgen. Dit debat
gaat overigens over de geloofwaar-
digheid van het beleid en over de
verhoging van de collegegelden. Ik
wil de minister graag met alle
makkers in het CDA een goede raad
geven om dit aan te pakken, maar
dan moet hij ons wel even de tijd
geven. Wij kunnen die trouwens snel
geven. Maar ik vind dat wij dan ook
wat van de regering wat mogen
verwachten. Zij moet niet even
vanuit de losse pols iets opschrijven
en intussen net doen alsof er niets
aan de hand is. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2652" anker="586" partij="PvdA" naam="Van Gelder">

Voorzitter!... 

</spreker>
<spreker pagina="38-2652" anker="587" naam="De voorzitter">
 Mijnheer Van Gelder,
uw interruptie in de vorm van een
betoog lokt weer een nieuw betoog
uit en vervolgens weer een antwoord
in de vorm van een betoog. Wij
zullen daarmee stoppen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2652" anker="588" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Voorzitter! Ik wil de heer Van Gelder
een vraag stellen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2652" anker="589" naam="De voorzitter">
 Nee, niet aan de heer
Van Gelder. De heer Lansink vervolgt
nu zijn betoog. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2652" anker="590" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Maar,
voorzitter, wij zijn hier toch in deze
zaal om kleur te bekennen? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2652" anker="591" naam="De voorzitter">
 Zeker. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2652" anker="592" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 De
heer Van Gelder verwijt de heer
Lansink dat hij inconsistent is. Mag ik
hem dan vragen... 

</spreker>
<spreker pagina="38-2652" anker="593" naam="De voorzitter">
 De heer Lansink zal
daarop antwoord. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2652" anker="594" partij="CDA" naam="Lansink">
 Voorzitter! Ik
was blij dat ik even water kon
drinken en ik vond het debat in de
Kamer ook heel aardig. Maar ik
begrijp de tijdnood vanwege deze
bijzondere dag. Ik wil er wel op
wijzen dat men ons door de jaren
heen geen inconsistentie kan
verwijten, noch waar het de
studiefinanciering betreft, noch waar
het andere zaken betreft. Ik weet mij
nog goed de dag te herinneren dat
de heer Wallage, die hier gelukkig
ook is, tegen de Wet op de studie-
financiering moest stemmen omdat
die wet niet ver genoeg ging. Dat
was nog maar in 1986. Laten wij
elkaar op dat punt dan maar niet de
maat nemen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2652" anker="595" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Het
geheugen van de heer Lansink is iets
beperkt. Wij hebben inderdaad om
twee redenen tegen de Wet op de
studiefinanciering gestemd. De
eerste was omdat de inkomenspoli-
tiek incorrect uitwerkte en de tweede
was omdat wij voorspelden dat hij
onuitvoerbaar zou zijn. Helaas
hebben wij op beide punten gelijk
gekregen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2652" anker="596" partij="CDA" naam="Lansink">
 Voorzitter!
Dat laatste is niet het geval. In het
begin was die wet moeilijk uitvoer-
baar, maar het stemgedrag was op
heel andere zaken gebaseerd. Lees
de tekst nog maar eens goed na en
lees ook het debat na dat u met
minister Deetman over de wet hebt
gevoerd. Dan wil ik nog wel eens
zien wie geloofwaardiger en consistenter is: u of ik!
Voorzitter! Ik heb mijn zigzag-
punten neergezet. Wat heeft een
dergelijk beleid nu te maken met
consistentie, met bestuurskracht en
vooral met geloofwaardigheid? Vindt
minister Ritzen nu werkelijk dat hij
na alles wat er gebeurd is en na het
intentieakkoord dat hij de man is om
met de instellingen naar een
oplossing te zoeken? Het kan zijn,
maar laat hem dan zeggen hoe dat
kan. Hoe oordelen de bewindslieden
over de opvattingen, ook over de
meest recente, van de coalitie? Hoe
moeten zij omgaan met de Kamer als
geheel die niet voor niets om brieven
vraagt. Brieven waarin wij geen
antwoord vinden voor het waarom
van een zigzagkoers, de relatie tot de
studiefinanciering en de inkomens-
politieke aspecten. Verantwoording
afleggen aan de Kamer is ook een
zaak van normen en waarden.
Het pakket aan maatregelen roept
natuurlijk nieuwe vragen op over het
opschuiven van de aanslag van 435
mln. met maar liefst tien jaar. Een
ander punt is de gewijzigde
opvatting ten opzichte van het
regeerakkoord over de wachtgelden.
Vervolgens is er nog het rond-
pompen van collegegelden,
waarover ook de heer Rabbae sprak,
en de consistentie van het financie¨le
beleid als zodanig. Ik noem slechts
de namen van De Kam en Bomhoff.
Voorzitter! Helderheid en consistentie
moeten hoger scoren dan nivelleren
en rondpompen. Een uitspraak over
de voorgestelde maatregelen voor
het collegegeld is in elk geval nodig,
ook nu de coalitie na alle geharrewar
vindt, dat dit deel van het zoge-
naamde akkoord niet door de beugel
kan.
Voorzitter! Ik rond af. Terug naar af
of op naar later. Opportunistische
afbraak of pragmatische illusie-
politiek. Minister Ritzen heeft niet zo
gek veel recht van spreken, wanneer
hij een regeerakkoord ondertekent
waar hij eigenlijk niet achter staat en
waarmee hij wisselingen beleeft, ook
bij de coalitie, die hun weerga niet
kennen, wanneer hij alom verwarring
brengt en verdeeldheid zaait en
wanneer hij partijen in het veld tegen
elkaar uitspeelt.
Voorzitter! De kernvraag naar de
geloofwaardigheid van bewindslie-
den die verantwoordelijk zijn voor
het zigzag beleid moeten zij zichzelf
stellen, in alle nuchterheid. Ik stel nu slechts de vraag: hoe nu verder,
consistent of toch weer zigzag? Als
het consistent is, doen wij op een
aantal punten echt wel mee. Wij
doen echter niet mee aan heen en
weer gaan. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2653" anker="597" partij="PvdA" naam="Van Gelder">

Voorzitter! Wat beoogt de heer
Lansink met de financie¨le problemen
waar wij tegenaan lopen? Wij
hebben geprobeerd ruimte te
cree¨ren, overigens binnen de
uitgangspunten van het regeerak-
koord. De CDA-fractie, bij monde van
de heer Van de Camp, was het
daarmee eens. Nu hebben wij dus
ruimte gecree¨erd waarin incidentele
dekking zit voor een aantal terreinen,
passend binnen het lange-
termijnbeleid. En daar is de heer
Lansink nu ineens om budgettaire
redenen tegen? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2653" anker="598" partij="CDA" naam="Lansink">
 Neen,
voorzitter. Wij hebben het regeerak-
koord niet opgesteld. Wij hebben er
afstand van genomen, ook op dit
punt, bij de algemene beschouwin-
gen, bij de regeringsverklaring
etcetera. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2653" anker="599" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Er is
een hoop ellende in de wereld,
voorzitter. De concrete vraag,
waarvoor de heer Lansink niet kan weglopen, is: als hij het kabinet
verwijt dat het zoekt naar een
incidentele dekking, wat is dan het
budgettaire kader op grond waarvan
hij wel oordelen wil geven? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2653" anker="600" partij="CDA" naam="Lansink">
 Voorzitter!
Dat budgettaire kader is eerder aan
de orde geweest. Ik wijs op ons verkiezingsprogramma: 700 mln.
ombuigen. Dat is heel anders dan 1,5
mld. ombuigen. Bij het debat over
STOEB heb ik al gezegd dat wij
mogelijkheden zien om bij de
studiefinanciering inderdaad nog
verder te komen, met ombuigingen
van 500 mln. of zoiets. Dat moet
kunnen. Dat hangt echter ook af van
de rest. En dan de resterende 200 mln.: 100 mln. hoger onderwijs en
100 mln. elders. Dat is ongeveer ons
kader. Wij zullen overigens ook de
komende tijd wat de stelselwijziging
betreft en wat deze punten betreft de
zaken op tafel leggen. Maar nu is de
regering, nu zijn de coalitiepartijen
aan zet. Wij hebben het regeerak-
koord niet gemaakt. Wij hebben niet
het voorstel van ƒ 1000 gedaan. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2653" anker="601" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Wij
hebben een rond plaatje gemaakt.
Daarin wordt rekening gehouden met
de praktijkproblemen waarmee
instellingen zitten. Nu gaat u
verwijten dat het op de lange baan
wordt geschoven. Het zou juist in uw
belang zijn, daar u het hele
regeerakkoord waardeloos vindt, om
de kwaliteit van het hoger onderwijs
die u zo hoog in het vaandel heeft
staan te kunnen afdekken. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2653" anker="602" partij="CDA" naam="Lansink">
 Zeker, maar
wij hebben ook te maken met
bestuurlijke consistentie, met
financie¨le consistentie, met het
redelijk neerzetten van ombuigings-
bedragen. Als je iets zegt voor 1998,
moet je dat bij wijze van spreken ook
waarmaken. Daarom heb ik gevraagd: hoe is dit te rijmen met de
budgetdiscipline? Het kan best zijn
dat de heer Zalm daarop een prima
antwoord heeft. Dat kunnen wij dan
in ons nieuwe verkiezingsprogramma
ook nog gebruiken. Maar dat is een
heel ander verhaal. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2653" anker="603" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Die
antwoorden heeft de heer Zalm
vorige week al gegeven. U mag hem
nog een keer vragen of hij dezelfde
antwoorden wil geven. Maar in feite
geeft u nu zelf aan dat u er proble-
men mee heeft dat een coalitie die
oog heeft voor problemen in de
samenleving en die openstaat voor
overleg, daaraan consequenties
verbindt. Vervolgens mogen er, zo
stel ik vast, wat ons betreft geen
bezuinigingen plaatsvinden op het
funderend onderwijs. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2653" anker="604" naam="De voorzitter">
 Dat is een constate-
ring. Dan is nu voor een interruptie
het woord aan mevrouw De Vries. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2653" anker="605" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">
 Ik
wil tot slot een korte vraag stellen,
voorzitter. De heer Lansink had het
over nivellering. Hoe komt het dan
dat het CDA in juni voor STOEB
heeft gestemd, waarbij een flinke
verschuiving heeft plaatsgevonden
van de basisbeurs en de aanvullende
beurs. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2653" anker="606" partij="CDA" naam="Lansink">
 Voorzitter!
Er is een groot verschil tussen de
inrichting van de Wet op de
studiefinanciering, gelet op de
systematiek daarvan, en het zomaar
verhogen met ƒ 1000 van het
collegegeld. Dat is een heel andere
zaak. Mijn fractievoorzitter heeft het
kabinet gevraagd om in de brief
inzicht te geven in de doorwerking,
inkomenspolitiek, procentueel
etcetera. Dat is allemaal nog niet
gebeurd. Daarnaast zijn er nog geen
voorstellen inzake de prestatiebeurs
en al die dingen meer. Dat moet toch
in samenhang worden bekeken? En
toen wij die wet hier in juni
behandelden, was er nog geen
sprake van een paars akkoord. Dat
zat er wel aan te komen, maar het
was er nog niet. Toen zijn ook allerlei
andere gedachtenwisselingen over
ombuigingen op de studie-
financiering aan de orde geweest.
Ook toen heb ik sommigen om
duidelijkheid gevraagd. Die is niet
gekomen. Wij hebben een helder
financieel kader in ons verkiezings-
programma staan. En daar houden
wij ons aan. Dus als er zinnige
voorstellen komen op het gebied van
de studiefinanciering, zullen wij
bezien hoe dat kan en hoe dat ook
inkomenspolitiek verantwoord kan
worden gedaan. Maar het akkoord
dat er nu ligt en dat wij nu beoorde-
len, geeft daarop geen enkel zicht.
Dat heeft ook mevrouw De Vries
opgemerkt. Dat geldt zeker voor haar
fractievoorzitter. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2653" anker="607" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">
 Het
lijkt mij overigens handiger dat u
vooraf inzicht vraagt in financie¨le
gevolgen van bepaalde wetsvoorstel-
len, voordat u ervoor stemt. Dat is
beter dan dat u zegt dat u dat inzicht
naderhand heeft gevraagd. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2654" anker="608" partij="CDA" naam="Lansink">
 Dat wordt
altijd gevraagd. Kijk alle debatten
maar na. Mag ik u als woordvoerder
vragen om helemaal terug te gaan
tot 1982? Lees alles eens na wat over
financie¨le verantwoording is gezegd.
Als de Wet op de studiefinanciering
de kapstok is, merk ik op dat de
discussie daarover is begonnen in
1981. Dat mag ik haar toch wel
voorhouden. Ik kan ook niet helpen
dat ik hier al wat langer rondloop.
Mevrouw De Vries moet eens goed
nalezen wat haar fractievoorzitter
heeft gezegd over hapsnapbeleid.
Dat was ook niet niks.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2654">

 
<spreker pagina="38-2654" anker="609" partij="Centrum Democraten" bronpartij="CD" naam="Janmaat">
 Mijnheer de
voorzitter! Tengevolge van de
bezuinigingen die doorgevoerd
worden van rijkswege zijn de
onderwijswereld en de daarbij
betrokken bewindslieden weer in
opschudding geraakt. De regering
heeft zich een geweldige
bezuinigingstaakstelling opgelegd.
Uiteraard ontkomt een van de grote
ministeries wat betreft uitgaven daar
ook niet aan. De huidige minister,
eveneens de vorige, heeft weliswaar
bij het einde van zijn vorige
ambtsperiode gezegd dat verder
bezuinigen op onder meer het hoger
onderwijs niet goed doenlijk is in het
systeem en gaat vervolgens toch met
het regeerakkoord akkoord en tekent
daarmee voor een volgende termijn.
Voor de CD-fractie is dat geen reden
om vraagtekens te zetten bij de
motivatie van de minister of zijn
betrokkenheid bij het onderwijssys-
teem. Hij kan zeer goed gevonden
hebben, met overwegende argumen-
ten, dat het onderwijs nauwelijks
verder kan bezuinigen, maar hij
wordt geconfronteerd met andere
opvattingen in het kabinet, in het
bijzonder die van de minister van
Financie¨n, dat er bezuinigd moet
worden. In die opstelling vindt de
CD-fractie dat niet hoeft te worden
getwijfeld aan de oprechtheid van
minister Ritzen jegens het onderwijs-
systeem.
Hij blijft natuurlijk zitten met een
opdracht die buitengewoon moeilijk
te vervullen is. Dat blijkt ook. Zijn
staatssecretaris zag de bui ook al
hangen. Niet vanwege mogelijk
zigzagbeleid. Ik wil dat woord
eigenlijk liever niet gebruiken, niet
omdat ik bang ben voor interrupties
van de heer Van Gelder, maar omdat
het naar de mening van de CD-fractie
meer een beleid is geweest dat
richting de onderwijssector iedere
keer prikacties teweeg heeft gebracht
om na te gaan hoe het onderwijsveld
op de beleidsmaatregelen zou
reageren. Dan blijkt natuurlijk altijd hetzelfde: waar er moet worden
geknepen ofwel, in financie¨le termen,
bezuinigd, daar komt weerstand.
Desalniettemin is die bezuinigings-
taakstelling er voor dit ministerie.
Overigens kan mijn fractie zich in de
totale bezuinigingstaakstelling van de
regering niet vinden. Mijn fractie
heeft dat meerdere keren gezegd. Als
er moet worden bezuinigd, zeker in
de orde van honderden miljoenen of
miljarden guldens, legt de CD-fractie
dat eerder bij het vreemdelingen-
beleid, maar de totale Kamer wil
daar in het geheel niet aan. Mijn
fractie praat nu dus vanuit deze
beperkte taakstelling.
De minister heeft middels meer
geld de rimpelingen in de onderwijs-
wereld weer gladgestreken, in elk
geval heeft hij die weer naar de
onderhandelingstafel gekregen. Dat
is eigenlijk een compliment aan de
minister. De vraag in dezen aan de
minister van Financie¨n is waar hij dat
geld vandaan kan halen en hoe hij
dat kan goedkeuren en of dat druk
op andere onderdelen van zijn
financie¨le beleid legt.
Waar uiteindelijk de onderwijs-
wereld zal moeten gaan bezuinigen,
op welke termijn dan ook – dat lijkt
toch onontkoombaar – gaat het de
CD-fractie niet zozeer om de vraag of
het collegegeld moet worden
verhoogd. Mijn fractie heeft er grote
moeite mee dat studenten na hun
studie met zware financie¨le lasten
komen te zitten. Zo’n grote berg
schuld op je schouders als je een
gewone maatschappelijke carrie`re
hebt omdat je academische vorming
is mislukt, dan wel als je je studie
wel hebt voltooid, maakt het
avontuur van studeren eigenlijk
ondragelijk zwaar. Als het profijtbe-
ginsel hierin sterk zou worden
doorgetrokken, dan heeft dat tot
gevolg dat voor academici de
salarie¨ring of honorering sterk moet
worden opgetrokken. Dan is het dus
schuiven van de een naar de ander.
De CD vindt dat de financie¨le lasten
van de schouders van de studenten
moeten worden afgewenteld. De
minister moet natuurlijk ruimte
kunnen vinden in efficiency, mogelijk
niet zozeer van het academisch
apparaat. Het zal moeilijk zijn om
altijd tegen ambtenaren en weten-
schappelijk medewerkers te moeten
zeggen dat zij maar harder moeten
werken, omdat er dan een gemist
kan worden. Er kan echter zeker
gewerkt worden in de richting van
het vragen van betere prestaties van
studenten, zeker als zij op staatskos-
ten een studie volgen. Van studenten
mag een hoge inzet worden
gevraagd. Vooral moet gekeken
worden naar intellectuele kwaliteiten.
Daar is het hoger onderwijs voor. Het
benieuwt de CD wat de minister
daarmee gaat doen.
Mijnheer de voorzitter! Er is
gezegd dat de regering, en vooral
deze minister, geen visie heeft. Dat
weet de CD niet. Wij concluderen dat
hij tengevolge van de grote politieke
druk die op de regeringspartijen en
de oppositie rust, een eventuele visie
niet kwijt kan. De visie van de
minister loopt mogelijkerwijs stuk op
de besluitvorming en op de
acceptatiestructuur. Dan is het
verstandiger als hij zijn mening voor
zich houdt.
De vergadering wordt van 12.20 uur
tot 12.25 uur geschorst.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2654">

 
<spreker pagina="38-2654" anker="610" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik dank de geachte
afgevaardigden voor hetgeen zij naar
voren hebben gebracht over de
combinatie van twee zaken waaraan
het kabinet heeft gewerkt in de
afgelopen maanden. Dat waren er
overigens geen zes, maar vier, zeg ik
tegen de heer Van der Vlies;
sommigen hebben het idee dat het
kabinet er al heel lang zit en ik vind
dat dit beeld maar zo moet blijven en
dat het kabinet heel lang blijft zitten.
Het kabinet werkte aan het uitwerken
van een aantal ruwe schetsen in het
regeerakkoord, wat heeft geresul-
teerd in het pakket van 10 december
dat overigens onmiddellijk werd
gekoppeld aan een belangrijk ander
stuk, namelijk de gemeenschappe-
lijke intentieverklaring. De geachte
afgevaardigden hebben zich in het
bijzonder gericht op die verklaring,
maar die kan niet los worden gezien
van het pakket dat door het kabinet
tot stand is gebracht.
Voorzitter! Normaal wordt de
beantwoording eerst wat opge-
bouwd, maar ik begin nu eens met
een samenvatting van de hoofdlijnen
die door de Kamer naar voren zijn
gebracht. Daarop zal ik kort reageren
en vervolgens zal ik ze uitwerken.
Het is in mijn ogen in een aantal
opzichten verheugend om weer te
kunnen constateren dat de lijn die is
gekozen in het regeerakkoord ook
een aantal van de oppositiepartijen
aanspreekt. Dat is overigens ook de
lijn van het Hoger onderwijs en onderzoekplan 1990, 1992 en 1994:
het ligt in de rede om ingrijpende
stappen te maken met betrekking tot
het hoger onderwijs. Dat kan voor de
lange termijn alleen maar krachtig
zijn als het voldoet aan te stellen
eisen van meer variatie, meer
differentiatie en ook meer selectivi-
teit. Tegelijkertijd wordt daarbij
voorzien in vermindering van de
overheidsuitgaven voor het hoger
onderwijs via de lijn van de
gemiddelde cursusduur, dus niet de
cursusduur voor iedereen. Ik vind het
belangrijk, te constateren dat daar
zo’n brede instemming over bestaat.
Voorzitter! Ik beluister ook
waardering van de Kamer – dat mag
ook best af en toe – voor hetgeen het
kabinet op dit punt heeft bereikt. Ik kijk even naar het verre verleden: de
commissie-Posthumus in 1964 en de
ontwikkelingen in de twee-
fasenstructuur. Instellingen en
kabinet hebben lang tegenover
elkaar gestaan bij het realiseren van
wijzigingen die te maken hadden met
de lange termijn van het hoger
onderwijs. In de discussie bleek er
ook waardering te zijn voor het feit
dat het hoger onderwijs al vrij snel
gebonden kon worden aan het
meewerken aan en meedenken over
de stelselwijziging. Hoewel er
oorspronkelijk zelfs geen gesprek
mogelijk leek te zijn, is dit vrij snel
neergelegd in een gezamenlijke
intentieverklaring. Natuurlijk kom ik
nog terug op de aard daarvan en de
wijze waarop deze vorm heeft
gekregen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2655" anker="611" partij="CDA" naam="Lansink">
 Voorzitter! Ik
maak een kleine kanttekening bij de
openingswoorden van de minister. Ik
vind dat hij teveel naar zich toe haalt
als het gaat om het regeerakkoord.
Wij hebben afstand genomen van
het regeerakkoord en van de
passages over de stelselwijziging. Ik
heb aangegeven dat vernieuwing
zeker nodig is en dat wij daarover
ook willen meedenken, maar niet
langs de lijnen die aanvankelijk in
het regeerakkoord waren opgeno-
men, want die zijn al losgelaten. Laat
de minister eerst maar eens een
ontwikkelingsplan opstellen in
overleg met de instellingen en dan
zullen wij dat wel beoordelen. Ik heb
ook scherpe vraagtekens gezet bij
het punt van de gemiddeld kortere
duur van de studies, zeker in het
HBO, maar ook elders. Wij kunnen
daar helemaal nog geen uitspraak
over doen, want de minister moet
eerst een helder standpunt innemen.
Wij hebben overigens wel waarde-
ring voor het beraad dat met de
instellingen is gevoerd, maar die lijn
is volkomen doorkruist door hetgeen
er de laatste tijd is gebeurd. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2655" anker="612" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Daar kom ik straks op terug. Ik denk echter: tel je
zegeningen, dus dat doe ik ook met
de waardering die het CDA heeft
voor de eerste stappen die zijn gezet.
Natuurlijk heb ik goed waargeno-
men welke aandachtspunten de
Kamer naar voren heeft gebracht
voor de verder af te leggen weg. In
mijn ogen zijn er twee aandachts-
punten. In mijn eerste reactie op
hoofdlijnen wil ik deze graag
samenvatten. Vervolgens zal ik er
meer in detail op ingaan.
Het eerste aandachtspunt. De
meerderheid van de Kamer meent
dat er pas sprake kan zijn van een
definitief oordeel over het pakket van
het kabinet – dat ligt in eerste
instantie voor – nadat nadere
informatie is ontvangen ’’over de
alternatieven die anderen, instellin-
gen, studenten, hebben aan te
dragen inzake de twee zwaarwe-
gende elementen’’. Natuurlijk wegen
die elementen zwaar voor iedereen,
voor het kabinet, voor de samenle-
ving, voor de Kamer. Die elementen
zijn fasering en hoogte van de
collegegeldverhoging. Ik formuleer het heel precies: de Kamer wil nader
geı¨nformeerd worden over de
alternatieven die door anderen
worden aangedragen. Hier is het
kabinet niet aan zet. Anderen zijn
daarbij aan zet. Ik heb al eens eerder
gezegd dat het kabinet daarvoor vier
maanden de tijd heeft genomen. De
creativiteit van het kabinet is in heel
veel opzichten niet verdwenen. Het
kabinet is nog niet uitgedacht. Er is
natuurlijk alle creativiteit om te
beoordelen, om de gedachten van de
Kamer daarbij te betrekken. Maar het
wil wel anderen nu aan zet laten zijn,
juist vanuit het idee dat het kabinet
een rechte koers voert. Dat heeft het
ook de afgelopen maanden gedaan.
Ik kom daar dadelijk nog op terug.
Het tweede aandachtspunt dat
door de Kamer nadrukkelijk naar
voren is gebracht, is dat zij beter
geı¨nformeerd wil worden over de
condities waaronder collegegeld-
verhoging kan of moet plaatsvinden.
Zij doelt op condities die orde op
zaken stellen binnen de instellingen
en condities inzake de verbetering
van de kwaliteit van het onderwijs.
Die condities dienen dan te zamen
met instellingen en studenten te
worden uitgewerkt. Als ik de
opvatting van de meerderheid van
de Kamer goed verwoord, zegt zij
vervolgens dat daarvoor een
adempauze moet worden ingelast. Ik
begrijp dat niet wordt gedoeld op
een pauze in het ademen, maar op
een diepe ademhaling, om de
gelegenheid te nemen met alle
betrokkenen rond de tafel te zitten.
Voorzitter! Ik beschouw die
opvatting als werkbaar. In feite is het
ook een antwoord op de vraag die
de heren Lansink en Rabbae hebben
gesteld, namelijk of ik daarmee uit
de voeten kan. Het is mogelijk om nu
vijf weken de tijd te nemen om aan
instellingen te vragen welke
alternatieven zij hebben aan te
bieden en met instellingen te praten
over de condities waaronder
collegegeldverhogingen moeten of
kunnen plaatsvinden. Ook met
studenten kan worden gepraat. Ik ga
ervan uit dat studenten daarvoor
beschikbaar zijn en zich daarbij
betrokken voelen. Het uitgangspunt
is echter het pakket. En dat pakket
blijft het pakket totdat alternatieven
beschikbaar zijn en helder herken-
baar is, dat alternatieven als
verbeteringen van het pakket kunnen
worden verwerkt. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2655" anker="613" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">
 De
minister zegt dat er twee aandachts- punten zijn: de fasering en de hoogte
van het collegegeld. Daarbij is het
kabinet niet aan zet. De Kamer is
echter geen onderhandelingspartner.
De minister komt op grond van
allerlei zaken met een voorstel voor
de invulling van een taakstelling. De
Kamer geeft op een onderdeel van
de invulling van die taakstelling een
aantal bespreekpunten mee. Die ziet
zij graag anders en zij vraagt de
minister daar op bepaalde gronden
naar te kijken. In mijn ogen is het
dan niet mogelijk dat het kabinet niet
aan zet is, dat de minister zegt deze
bespreekpunten te zullen doorgeven
en dat de Kamer daarvan nog hoort.
Misschien heeft de minister het zo
niet bedoeld. Heb ik de minister
goed begrepen of niet? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2656" anker="614" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Voorzitter! Ik wil
hierover volstrekt duidelijk zijn. Het
kabinet heeft zijn werk afgerond. Dat
is voorgelegd aan de Kamer. De
Kamer heeft altijd de gelegenheid
dat werk te beoordelen. Uit de
opvattingen van de Kamer heb ik
echter begrepen, dat de Kamer vindt
dat anderen die in eerste instantie
wel de gemeenschappelijke
intentieverklaring hadden getekend,
daar vervolgens wat aarzelingen over
hadden en daarna de intentie hebben
overgenomen, en degenen die daar
nog steeds wat aarzelend tegenover
staan, nu ook aan zet zijn. Ik vind het
heel belangrijk om het beeld vast te
houden, dat het juist anderen zijn die
daarbij ook hun verantwoordelijkheid
moeten nemen. Ik zeg dat met zoveel
nadruk, omdat het kabinet op geen
enkele wijze afstand wenst te nemen
van de gemeenschappelijke
intentieverklaring. Dat was onze inzet
tegenover de verschillende partijen.
Wij zijn niet degenen die daaraan
vervolgens afbreuk doen. Bij de
uitwerking van de gemeenschappe-
lijke intentieverklaring zullen wij de
andere partijen natuurlijk vragen om
hun alternatieven naar voren te
brengen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2656" anker="615" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Voorzitter! Dat de minister kan leven
met een adempauze, kan ik mij
voorstellen, want hij moet toch
blijven ademen. Mijn vraag is of hij
het haalbaar vindt om nog meer
ruimte voor bezuinigingen bij de
instellingen te halen, gelet op het feit
dat de universiteiten en hogescholen
40% efficiencywinst hebben geboekt
in de afgelopen jaren. Dat zal hij nog
wel beter weten dan ik. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2656" anker="616" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Op die vraag kom ik
dadelijk. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2656" anker="617" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Ik kan
mij voorstellen dat de minister de
opdracht van de Kamer zo vertaalt.
Dat doet hij mijns inziens terecht. Het
kan niet zo zijn dat wij straks een
nietje door een bundel alternatieven
krijgen. Ik nodig de minister uit om
toe te zeggen dat hij bij dat overleg
betrokken is en straks een rappor-
tage geeft aan de Kamer, waarin hij
zijn eigen oordeel over het geheel
nadrukkelijk opneemt. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2656" anker="618" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, dat de
minister zijn betoog afmaakt. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2656" anker="619" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Het antwoord op
die vraag is ’’ja’’.
Met die hoofdlijnen zal ik een
aantal essentie¨le details belichten,
die ten grondslag liggen aan datgene
wat het kabinet in het pakket van 10
december naar voren heeft gebracht.
In de keuze van mijn beantwoording
denk ik recht te doen aan de vragen
die door de oppositie, door de heren
Poppe, Rabbae en Lansink, zijn
gesteld. Zij hebben gevraagd of ik
ermee uit de voeten kan of dat het
kabinet hiermee het bos in is
gestuurd. Ik acht dit niet het geval,
maar dat zal ik nader motiveren.
Om te beginnen de uitgangspun-
ten voor het pakket van 10 decem-
ber, die besloten lagen in het
regeerakkoord. De heer Van Gelder
heeft ook gezegd dat belangrijk was
in het regeerakkoord dat er heldere
keuzen werden gemaakt. Dat was
een positieve keuze, maar door
sommigen werden er nogal wat
bedreigingen bij gezien. Het
positieve was dat basisonderwijs,
voortgezet onderwijs en middelbaar
beroepsonderwijs werden gevrij-
waard van bezuinigingen binnen de
onderwijssector. Daarvoor werd het
beeld gegeven van volle steun in de
rug. Een ander positief punt was dat
de algemene lijn was gericht op
werkgelegenheidsbevordering.
De mogelijkheid van een
bedreiging was de ontwikkeling rond
het hoger onderwijs. Daarbij werd
ook weer een heldere keuze
gemaakt, namelijk om niet de
kaasschaaf te hanteren, maar ons te
richten op stelselwijziging met drie
ingredie¨nten, die ook door de
geachte afgevaardigden naar voren
zijn gebracht. Het moet niet gaan
over minder hoger onderwijs, maar
over krachtiger hoger onderwijs. Het
moet gaan om hoger onderwijs dat
goedkoper is voor de samenleving
en dat beter is afgestemd op de
vraag vanuit de arbeidsmarkt en op
de mogelijkheden en capaciteiten
van studenten. Het moet gaan om
hoger onderwijs dat voor iedereen
toegankelijk moet zijn, zodat niemand hoeft te zeggen: ik kon het
wel, maar er waren financie¨le
drempels waardoor ik niet in staat
was om aan het hoger onderwijs
deel te nemen. Deze drie elementen
zijn voor ons van het allergrootste
belang geweest.
Het moet krachtiger, want onze
samenleving en onze economie
vragen om steeds meer kennis-
intensiteit. Goedkoper voor de
samenleving, kan dat dan? Ja dat
kan. Steeds opnieuw blijkt dat,
anders bij basisonderwijs, voortgezet
onderwijs en middelbaar beroepson-
derwijs, het voordeel van het hoger
onderwijs in belangrijke mate
neerslaat bij degenen die hoger
onderwijs hebben genoten. Bij
basisonderwijs, voortgezet onderwijs
en middelbaar beroepsonderwijs is
dat anders, want daar zie je dat er
overwegende baten zijn voor
anderen dan degenen die dat
onderwijs hebben genoten.
Elke keer weer moeten wij
constateren dat wij gemiddeld per
student ƒ 20.000 per jaar uitgeven.
De gemiddelde belastingbetaler
betaalt dat voor iemand die daar
overwegend zelf de voordelen van
heeft. Natuurlijk houden wij hierbij
altijd de toegankelijkheid in het oog,
net als de drempels die kunnen
worden opgeworpen, als wij uit
zouden gaan van geprivatiseerd
hoger onderwijs. Ik heb de heer
Poppe al eerder geantwoord dat dit
mij niet aanstaat. Lenen zou als
effect kunnen hebben dat mensen
niet kunnen deelnemen of afzien van
deelname aan het hoger onderwijs,
gezien het inkomensniveau van hun
ouders of hun achtergrond. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2656" anker="620" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Voorzitter! Ik wil de minister een
vraag stellen over de kosten van het
onderwijs per student. Waarom zijn
wij met z’n allen wel bereid om geld
te stoppen in mensen die scholing
nodig hebben om op de arbeids-
markt een kans te krijgen, terwijl wij
er bij de studenten de nodige
vraagtekens bij zetten? Waarom
doen wij het voor de een wel en
voor de ander niet? Het gaat immers
in beide gevallen om het geven van
kansen op de arbeidsmarkt. Ik ben
het met de minister eens dat er een
bepaalde grens moet zijn. Kan hij dat
uitleggen? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2656" anker="621" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Voorzitter! Je kijkt
altijd naar de rol van de overheid
met het oog op het bereiken van
dingen die zonder die overheid niet
zouden kunnen. Ik denk dat dat altijd
het criterium is. Waar de overheid
niet nodig is, hoeft zij ook niet op te
treden. Wanneer iemand zonder dat
overheidsingrijpen niet op die
arbeidsmarkt komt, omdat er
blijkbaar drempels zijn om deel te
nemen aan het onderwijs of omdat
het onderwijs niet de baten oplevert
die tegenover de kosten staan, dan is
dat een reden voor de overheid om
op te treden. Bij het hoger onderwijs
is dat dus iets minder het geval dan
bij het basis- en het voortgezet
onderwijs. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2657" anker="622" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Wil de
minister zeggen dat studenten in de
regel de overheid veel minder nodig
hebben om te studeren dan
werklozen om aan scholing te
komen? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2657" anker="623" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Zeker. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2657" anker="624" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Maar
hangt de minister dan eigenlijk de
filosofie aan om maar desnoods alle
kosten op de studenten af te
wentelen? Zij kunnen het immers
zonder steun van de overheid. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2657" anker="625" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Voorzitter! Dat was
dus ook mijn eerste opmerking. Ik ben begonnen met te zeggen: niet
privatiseren, wel steeds zoeken naar
het evenwicht. In dat opzicht moet
dat evenwicht ook steeds herijkt
worden. In dat kader wil ik in deze
kabinetsperiode althans beginnen
met het goed grondvesten van die
gedachte aan goedkoper hoger
onderwijs. De uitwerking laat
natuurlijk op zich wachten. Dat is de
aard van onderwijs. Je begint op een
bepaald moment, maar de effecten
daarvan zullen pas op langere
termijn zichtbaar zijn, ook over
kabinetsperioden heen. Als er een
beleid is dat in dat opzicht behoefte
heeft aan continuı¨teit en aan
langere-termijnvisies, dan is het wel
het onderwijsbeleid. Ik meen dat ook
het beleid dat in de afgelopen jaren
gevoerd is en dat nu gevoerd wordt,
daaraan goed voldoet.
Er was inderdaad een buitenge-
woon lastige opgave in het
regeerakkoord, waarbij de financie¨le
randvoorwaarden in feite buitenge-
woon drukkend waren. Wij hebben
daarover gesproken tijdens de
behandeling van de begroting op 17
november jl. Er is gesproken over de
efficiencykortingen. In de Kamer is
toen door veel woordvoerders, ook
vanuit de regeringsfracties,
geconstateerd dat er op z’n minst
spanning bestaat. Aan instellingen
vraag je zeer ingrijpende stappen,
namelijk om op zo’n stelselwijziging
in te zetten. Dat betekent andere
onderwijsmethodes, dat betekent
betere begeleiding en dat betekent
meer aandacht, ook voor individuele
studenten. Als tegelijkertijd wordt
gezegd dat er binnen die instellingen
ook nog andere processen mogelijk
zijn, waarbij er als het ware middelen
worden vrijgespeeld, dan is dat een
lastige opgave.
Dat heeft overigens vervolgens
geleid tot dat pakket dat voorziet in een andere benadering: er moet
voluit worden ingezet op de
stelselwijziging, en dan ook met een
akkoord van de voorzitters van de
VSNU en de HBO-raad om in te
zetten op gemiddeld een verkorting
van de cursusduur in het hoger
onderwijs met een halfjaar. Dat
betekent dan zo’n 80.000 student-
jaren minder op den duur. Daar moet
overigens heel nadrukkelijk bij
worden aangetekend, dat het niet
gaat om het krijgen van minder
mensen in het hoger onderwijs.
Integendeel, onze samenleving heeft
er behoefte aan om op z’n minst dat
niveau van doorstroming vanuit het
voortgezet onderwijs of instroming
vanuit de arbeidsmarkt, te handha-
ven en misschien zelfs wel te
vergroten. Maar het hoeft niet te
betekenen dat voor al die studenten
de cursusduur dezelfde zal zijn. Het
gaat dus om differentiatie van de
cursusduur met gemiddeld een
beperking van die cursusduur.
Tegelijkertijd is er niet zozeer
sprake van ’’gedachten over’’ maar is
er sprake van garanties voor
verbetering van de kwaliteit van het
onderwijs. Die garanties zijn in dat
pakket van het kabinet op drie
punten gegeven.
Ten eerste, er zullen geen
bezuinigingen plaatsvinden
voorafgaand aan die stelselwijziging.
Die stelselwijziging zal immers
enorm veel vragen. Dat begint
vandaag en morgen, dat begint met
andere onderwijsmethodieken, dat
begint ook met een andere inzet van
middelen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2657" anker="626" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Voorzitter! Ik onderschrijf de
woorden van de minister over de
gewenste differentiatie van de
studieduur. Ik vind het merkwaardig
dat de minister automatisch op een
studieduur van vier of vierenhalf jaar
komt. Waar haalt hij die vierenhalf
jaar vandaan? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2657" anker="627" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Wij gaan uit van
differentiatie in cursusduren en een
gemiddelde verkorting met een
halfjaar. Wij stellen ons die doelstel-
ling en die moet nader worden
uitgewerkt. Daar bestaan natuurlijk
een aantal gedachten over, ook
gebaseerd op het studeren in een
aantal andere landen. Wat in feite
echter heel cruciaal is, is de norm
waarmee men zegt dat goedkoper op
den duur gemiddeld neerkomt op
een halfjaar korter op kosten van de
overheid. Laat er een misverstand weggenomen worden: de hoop en
de verwachting blijven bestaan dat
waar het investeren in opleidingen
altijd zo’n hoog privaat rendement
heeft – je kunt je geld nog altijd beter
stoppen in een opleiding dan in
welke bank dan ook – er ook sprake
zal zijn van eigen investeringen na
de cursusduur die in belangrijke
mate nog steeds met overheids-
middelen wordt gefinancierd. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2657" anker="628" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Ik
begrijp het. Hanteert u die vierenhalf
jaar als een uitgangspunt dat u blijft
opleggen aan de instellingen? Of is
het een streefgetal en moet per
instelling en per studie worden
bekeken of men in de buurt daarvan
kan komen? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2657" anker="629" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Het heeft een iets
sterkere betekenis dan een streefge- tal: het is juist een intentieverklaring.
Anders is het nogal makkelijk om de
argumenten aan te dragen waarom
het niet zou kunnen. In dat opzicht is
de intentieverklaring, ook ten
opzichte van de ontwikkelingen van
de verleden, in zekere zin een
doorbraak. Kijk maar eens naar de jaartallen: in 1964 het rapport-
Posthumus en de buiten het
onderwijs in Nederland breed
gedeelde overtuiging dat een
vierjarige cursusduur tot de
mogelijkheden behoorde; pas in
1978, veertien jaar later, volgde de
wetgeving daarover, waardoor dat
werd gerealiseerd, maar nu pas
wordt de verkorting van de
cursusduur in feite gerealiseerd. Dat
had te maken met het heel lang
beleid voeren over de instellingen
heen zonder dat de instellingen zich
daaraan gecommiteerd voelden.
Vandaar dat het heel belangrijk is dat
de stap is gezet van het commitment
van de instellingen. Een punt van de
garantie voor kwaliteitsverbetering
zit ’m in het wegnemen van
bezuinigingen in die opmaatfase,
zoals wij dat bij de begrotings-
behandeling noemden.</spreker>
<spreker pagina="38-2658" anker="630" partij="CDA" naam="Lansink">
 Als de
gemiddelde studieduurverlaging van
een halfjaar meer is dan een
streefgetal, dan vergt dat onderbou-
wing, een visie en het leggen van
een lijn naar hetgeen hier eerder is
beweerd, ook door deze minister. Als
het gaat om technische studies in het
hoger beroepsonderwijs, dan gaat
het over de inpassing van praktijkja-
ren en al die andere dingen. Dat
moet een keer helder verwoord
worden, want dan kun je erover
praten. Dat kan echter niet op deze
wijze; dat gaat echt niet. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2658" anker="631" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Wij hebben
daarvoor voor onszelf heel duidelijk
de verschillende opstappen gegeven.
Het stoort mij nogal als ik in de krant
lees dat er nu plotseling zoveel
gebeurt, terwijl dat niet was
aangekondigd. Wij praten hierover
sinds 1990. Het Hoger onderwijs en
onderzoekplan 1990 bevat hiervoor
de basis. Nu maken wij inderdaad de stap waarbij wij zeggen: dit is meer
dan een streefgetal en hier moeten
wij in principe op uitkomen.
Natuurlijk is er altijd de mogelijkheid
dat de overtuiging dat het niet kan of
dat er meer kan, neerslaat in de
uitwerking. Daarvoor hadden wij juist
de Procesbrief en daarvoor zijn wij
een heel plan aangegaan. Natuurlijk
kan dat niet in een paar dagen op
papier worden gezet. Het
ontwikkelingsplan dat de staatssecre-
taris in juni of juli 1995 zal uitbren-
gen, zal de verdere uitwerking
bevatten.
Een belangrijk punt waar ik tot nu
toe weinig over heb gehoord en dat
toch de aandacht vergt als een
belangrijk aspect van het pakket, is
dat er ook kwaliteitsverbetering
optreedt omdat er minder student-
jaren zijn en er tegelijkertijd per
studentjaar meer geld beschikbaar is.
De stelselwijziging gaat gepaard met
de financie¨le mogelijkheden om
meer te doen aan student-
begeleiding. Dat is helder zichtbaar
in alle cijfers en dat is belangrijk,
want als je over een verkorting praat,
moet je tegelijkertijd op het punt van
de begeleiding per student de
conclusie trekken uit de filosofie van
de verschuiving van de elite
universiteit naar de universiteit voor
velen. Dat is niet begeleiding in de
zin van bij het handje nemen, maar
in de zin van uitdagen. Men moet
dus bereid zijn om docenten meer in
te zetten bij het onderwijs. Het is dus
niet uitsluitend een boekhoudkundig
pakket, waarmee de middelen
vrijkomen.
Een derde aspect heeft wel bij veel personen reacties opgeroepen: de
studeerbaarheidspot, waarmee,
voorafgaande aan de stelselwijziging,
0,5 mld. beschikbaar wordt gesteld
om niet alleen de stelselwijziging
vorm te geven, maar ook om de
studeerbaarheid te verbeteren in
overeenstemming met de maatrege-
len in de studiefinanciering. Dat
waren dus allemaal aspecten
waarvan heel veel mensen gezegd
hebben dat dit stuk van het pakket
een prachtige roos was, maar dat
daarna de doornen kwamen. De
doorn die buitengewoon gestoken
heeft, is natuurlijk de collegegeld-
verhoging geweest. De collegegeld-
verhoging is een noodzakelijk
complement gebleken, noodzakelijk
om binnen de financie¨le randvoor-
waarden van het regeerakkoord te
blijven. Tegelijkertijd werd met deze
instap voor de samenleving
bevorderd dat het hoger onderwijs
goedkoper zou kunnen zijn. Voor het
kabinet was de toegankelijkheid een
essentie¨le randvoorwaarde van de
collegegeldverhoging.
De toegankelijkheid heeft vorm
gekregen door de collegegeld-
verhoging volledig te compenseren
in de aanvullende beurs. De cijfers
zijn daarover al genoemd. Tot een
inkomen van ƒ 64.500 is er sprake
van volledige compensatie en tot een
inkomen van ƒ 68.000 van gedeelte-
lijke compensatie. Het gaan dan om
belastbaar inkomen. Wanneer het
gaat over bruto-inkomens is het
traject tussen bruto- en belastbaar
inkomen wat afhankelijk van
bijvoorbeeld de vraag of iemand een
eigen huis heeft en daarbij een hoge
hypotheek heeft met een hoge
renteaftrek. In het algemeen mag je
echter uitgaan van een belastbaar
inkomen van ƒ 80.000 tot
ƒ 90.000. Dat noemen sommigen
toch nog middeninkomens. Dat
taalgebruik biedt wat ruimte, want
tussen de 35% en de 40% van de
inkomenstrekkers valt daar niet
onder. Dat zijn dus per definitie de
hogere inkomens. Ik besef voluit dat
het hier niet gaat om een vetpot.
Vervolgens is in mijn ogen te snel de
conclusie getrokken dat bij diegenen
waarvan de ouders een hoger
inkomen hebben, die ouders ook de
collegegeldverhoging zouden
moeten betalen. Dat gaat volstrekt
voorbij aan de filosofie die in de
afgelopen jaren sterk is ontwikkeld
en wel dat in het hoger onderwijs
ook studenten meer in zichzelf
moeten investeren. In dat opzicht is
er ook meer reden om een beroep te
doen op leningen. Niemand hoeft dit,
als het ware, te betalen, want
iedereen kan lenen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2658" anker="632" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">
 Ik
kan de filosofie van de minister
volgen en ik kan ook meegaan in de
uitspraak dat het hoger onderwijs
toegankelijk moet zijn. Daarbij
denken wij vooral aan mensen uit de
lagere-inkomensgroepen. U hanteert
ook het begrip middeninkomen. Wij
kunnen vechten over wat daartoe nu
precies behoort. Dat wil ik hier niet
doen. U geeft ook aan dat de
studenten in zichzelf kunnen
investeren en wel door te lenen.
Waarom trekken wij bij dat investe-
ren in de eigen toekomst een grens
op grond van het inkomen van de
ouders? U zegt dat kinderen van
ouders die ƒ 70.000 of ƒ 80.000 aan
inkomen hebben in zichzelf kunnen
investeren en dat kinderen van
ouders die daar qua inkomen onder
zitten dat niet kunnen. Ik zie daar
geen enkele logica in. Ik vind de
leenfaciliteit uitstekend. Ik ben daar
voor, want het is een grote verbete-
ring met de tijd van 30 jaar geleden.
Ik zie echter niet in dat kinderen van
ouders uit de lagere-
inkomensgroepen die qua intelligen-
tie de mogelijkheid hebben om naar
een hogere beroepsopleiding of een
universiteit te gaan, op grond van
het inkomen van hun ouders niet in
zichzelf zouden kunnen investeren.
De ene groep hoeft dus niet zoveel
bij te lenen en de andere groep wel. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2658" anker="633" naam="De voorzitter">
 Mag ik u verzoeken
uw interruptie kort te houden. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2658" anker="634" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Er zijn twee soorten
antwoorden. De eerste soort is een
politiek antwoord in de zin van de
vraag waar wij ons in het regeerak-
koord aan hebben gebonden. Het
regeerakkoord is daar heel helder
over. Ik citeer hier paragraaf 8, sub c,
derde volzin. Soms wordt mij wel
verweten dat ik het regeerakkoord
niet goed genoeg zou kennen, maar
dat is echt absoluut niet het geval. Ik citeer: ’’Een dergelijk stelsel dat is
gebaseerd op een lening moet wel
rekening houden met de risico’s voor
toegankelijkheid. Een beperking van
de studieschuld voor studerenden uit
gezinnen met lage inkomens ligt in
de rede’’. Dat is in zekere zin het
politieke antwoord. Daar ligt
natuurlijk een hele wereld achter. Er
is wel ree¨el sprake van risico’s en
toegankelijkheid als je voor kinderen
uit gezinnen met lage en midden-
inkomens geen grotere tegemoetko-
mingen biedt, in de zin van giften,
dan voor kinderen uit gezinnen met
hogere inkomens. Dat heeft te maken
met het feit dat daar al meer geleend
moet worden. Ons stelsel voorziet
niet in complete beurzen. Er blijft
nog altijd een leenbedrag in de orde
van grootte van ƒ 400 a` ƒ 500 per
maand over in verband met boeken,
collegegeld en levensonderhoud. In
het algemeen wordt er nu al meer
geleend door de groepen waarvan
de ouders een laag inkomen hebben.
Er is in dat opzicht al een grotere
drempel te overwinnen. Het
perspectief dat hoger onderwijs
biedt, is helderder zichtbaar voor
degenen wier ouders ook al hebben
gestudeerd, dan wel in milieus
verkeren waarin helder zichtbaar is
wat een hogere opleiding biedt. Wij
moeten vermijden, dat met deze
wijzigingen van het stelsel van hoger
onderwijs de toegankelijkheid wordt
belemmerd. Het grootste verwijt dat
ons zou kunnen treffen is, dat het
hoger onderwijs er uitsluitend is
voor een elite. Wij moeten daarvoor
op geen enkele wijze ruimte laten
bestaan. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2659" anker="635" partij="GPV" naam="Schutte">
 De minister
heeft gezegd dat er een duidelijk
verschil ligt tussen de benadering
van de ouders en die van de
studenten. Ik heb er ook iets van
gezegd in mijn bijdrage. Hier zit voor
mij een belangrijk pijnpunt. Formeel
is het waar wat de minister zegt.
Gelukkig is de praktijk vaak heel
anders. Veel ouders zien het mede
als hun taak om hun studerende
kinderen niet naar de bank van
lening te sturen. Zij nemen de kosten
voor hun rekening, ook als de
kinderen 18 jaar of ouder zijn.
Diezelfde ouders worden ook
geconfronteerd met een aantal
andere maatregelen van dit kabinet,
zoals die ter zake van de kinderbij-
slag. Die groep van middeninkomens
is een zeer belangrijke groep. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2659" anker="636" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Ik ben het daarmee
eens. Tegelijkertijd maak ik daarbij
de aantekening, dat je niet het meel
in de mond kunt houden en blazen.
Wij willen naar een verlaging van de
collectieve uitgaven. Wij zullen het
moeten zoeken op die plekken waar
het kan. De grens ter zake van de
middeninkomens en de hogere
inkomens is betrekkelijk arbitrair. Ik
ben ervan overtuigd, dat juist op de
grens de problemen het grootst zijn.
Daarnaar zal goed moeten worden
gekeken. Overigens zijn de grenzen
redelijk ruim getrokken. Wij hebben
de grens iets naar boven getrokken
om ervoor te zorgen dat het
schrijnende op het grensvlak wat
minder groot wordt. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2659" anker="637" partij="GPV" naam="Schutte">
 Dat neemt
niet weg, dat er gezinnen zijn – het
zijn vaak de wat grotere gezinnen –
die bijzonder het slachtoffer zijn van
de kinderbijslagwetgeving en nu hier
weer mee te maken krijgen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2659" anker="638" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Inderdaad.
Voorzitter! Ik wijs er nog op dat
sprake is van een samenhangend
pakket. De onderdelen zijn zeer
nauwkeurig op elkaar afgestemd. Als
er een steen uit het bouwwerk wordt
gehaald, stort het in elkaar.
Ik wil nog een enkele opmerking maken over de gehanteerde termen:
hapsnapbeleid, jojo-en, zigzag,
zwabberen en schoten voor de boeg.
Ik voel mij door geen van die termen
aangesproken. Vele reacties zijn
reacties op berichten in de krant. Nu
gaat OCW wel over het mediabeleid,
maar wij zijn niet verantwoordelijk
voor elke mening die in de krant
wordt geuit. Het kabinet is vier
maanden in stilte bezig geweest. Het
heeft de rechte koers voortgezet,
eerst vanuit het regeerakkoord,
vervolgens de begrotings-
behandeling en daarna hier. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2659" anker="639" partij="CDA" naam="Lansink">
 Het woord
zigzagbeleid is voor het eerst in deze
Kamer gebruikt, namelijk in de
toelichting op het verzoek van mijn
fractievoorzitter om een brief. De
minister kan wel zeggen dat wij op
kranten reageren, maar zo is het niet.
Ik heb op een rij gezet wat er
gebeurd is. Het lijkt mij beter dat de
minister op die punten ingaat en zegt
waar de spanning met het regeerak-
koord zit. Waarom wordt hier eerst
die 500 mln. verdedigd en wordt het
vervolgens helemaal omgebogen?
Dat is toch heen en weer gaan, om
een ander woord te gebruiken? Het
zou de minister sieren als hij dat
verdedigt in plaats van te zeggen,
dat op kranten wordt gereageerd.
Alsof kranten niet deugen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2659" anker="640" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Het regeerakkoord
bevatte grove penseelstreken. Ik
daag de heer Lansink uit om man en
paard te noemen. Wat is in zijn
opvatting de afwijking van dit pakket
ten opzichte van het regeerakkoord
of hetgeen bij de behandeling van de
begroting naar voren is gebracht?
Geleidelijkaan zijn wij die grove
penseelstreken minutieus gaan
intekenen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2659" anker="641" partij="CDA" naam="Lansink">
 Voorzitter!
Er zijn twee grote verschillen. In de
eerste plaats is in de intentieverkla-
ring de ombuiging van 500 mln. voor
een deel weggeschoven naar later.
Zij is in het regeerakkoord neerge-
schreven voor 1998 en loopt nu door
tot 2005 en zelfs 2008. Het wordt dus
een regeerakkoord voor twaalf jaar,
over het graf heen!
Het tweede verschil is dat een deel
wordt overgeheveld naar de
collegegelden. Dat zijn de twee
aanmerkelijke verschillen ten
opzichte van het begrotingsdebat.
Als de minister dat geen verschillen
vindt, vraag ik mij werkelijk af
waarmee wij bezig zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2659" anker="642" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Ik leg er nog eens
sterk de nadruk op dat er een
ontwikkelingsfase is geweest. Ik zou
bijna zeggen dat het mij verweten
had kunnen worden als dat niet het
geval was geweest. Er is een
ontwikkeling geweest van grove
penseelstreken naar verdere
inkleuring. In dat opzicht is vanaf het
begin helder geweest hoe de
inkleuring zou gaan plaatsvinden.
Perspectief, regeerakkoord, ander
stelsel van hoger onderwijs,
geleidelijkaan opgebouwd via de
begroting en daarbij is aangeven dat
niet per se zo moest worden
geopereerd. De heer Van de Camp
zal zich kunnen herinneren dat
daarbij rekening werd gehouden met
de mate waarin de instellingen
bereid waren tot maatregelen op
langere termijn. Daarmee hebben de
instellingen, althans de voorzitters
van de VSNU en de HBO-raad en
later de HBO-raad in totaliteit
ingestemd. Naar die mate zou er ook
sprake zijn van een discussie over de
bezuinigingen op de korte termijn.
Dat heeft vervolgens zijn neerslag
gevonden. Dan wordt het een
kwestie van inkleuring en het
geleidelijk zetten van stappen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2659" anker="643" partij="CDA" naam="Lansink">
 De
penseelstreken waren van het begin
af aan al verkeerd. Nu zijn zij nog
omgebogen ook! Ik kan werkelijk niet
inzien waarom de minister de termen
’’hapsnapbeleid’’ en ’’zigzagkoers’’
ver van zich werpt. Hij zal er wel zijn
reden toe hebben. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2660" anker="644" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Voorzitter! Ik heb medelijden met de
minister, om de opdracht die hij
heeft. Al dan niet gedwongen door
de coalitiepartners moet hij heen en
weer pendelen tussen instellingen en
studenten enerzijds en kabinet en
Kamer anderzijds. De minister heeft
echter op een gegeven moment
gezegd, dat hij blijft vasthouden aan
de intentieverklaring. Afspraken zijn
afspraken. Hij zei dat nadat gebleken
was dat de vertegenwoordigers van
de instellingen een andere positie
innamen. Maar nu moet hij, in
opdracht van de coalitiepartners,
toch terug naar de instellingen. Is dat
geen heen en weer lopen? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2660" anker="645" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Vindt u het goed
dat ik daarop dadelijk terugkom? Ik
zal die vraag echt meenemen, zoals
ik meen de vorige vraag inmiddels
beantwoord te hebben. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2660" anker="646" naam="De voorzitter">
 Laten wij proberen de
minister te laten uitspreken! 

</spreker>
<spreker pagina="38-2660" anker="647" partij="SP" naam="Poppe">
 Ik weet iets van
grove penseelstreken. Ik weet dat de
eerste vegen die je op een doek zet,
heel bepalend en belangrijk kunnen
zijn. Daar moet je heel goed bij
nadenken. Zijn deze penseelstreken,
gelet op de uitspraken van de
minister in de vorige periode, niet zo
ondoordacht neergezet, dat nadere
inkleuring tot een rotplaatje leidt? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2660" anker="648" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Bij de begrotings-
behandeling is al naar voren
gebracht, dat een regeerakkoord
nooit een compleet beeld kan geven
van wat er de vier jaren erna precies
gaat gebeuren. Dat zal altijd een
kwestie zijn van het aangeven van
prioriteiten. Op hoofdpunten wordt
de koers van de samenleving
uitgezet. In die zin heb ik mij volledig
kunnen aansluiten bij het regeerak-
koord.
De heer Rabbae vroeg gedeeltelijk
ook naar de ontwikkelingen in de
afgelopen week. Heel snel na het
kabinetsakkoord kwam er een
gemeenschappelijke intentieverkla-
ring. Dat was heel belangrijk voor
het kabinet en heeft een heel grote
rol gespeeld in de verdediging van
mijn eigen opvattingen tegenover
andere collega’s in het kabinet. Het
was voor mij ook buitengewoon
teleurstellend dat eigenlijk een dag
later, op de maandag na de vrijdag,
dus eigenlijk de volgende werkdag,
het leek alsof er afstand van werd
genomen. De term die daarbij werd
gebruikt, ’’onoverkomelijke bezwaren
tegen een collegegeldverhoging’’,
vond ik onverantwoord. Tegelijkertijd
wist iedereen dat de collegegeld-
verhoging een wezenlijk onderdeel
van het pakket was. Ook vond ik dat
er in de reactie veel te weinig
aandacht was voor de compensatie
van de collegegeldverhoging in de
aanvullende beurs.
Gelukkig heeft men daarover toch
eens goed nagedacht. Het standpunt
van de VSNU is voor mij weliswaar
nog niet al te helder, maar ik heb
begrepen dat het in elk geval niet
’’nee’’ luidt. De HBO-instellingen
hebben de handtekening van hun
voorzitter inmiddels omgezet in een
instemming met de gemeenschappe-
lijke intentieverklaring, met aanteke-
ningen. De positie van de instellin-
gen van wetenschappelijk onderwijs
is er nu een waarbij zij zelf met
alternatieven moeten komen. In een
van de media heb ik gisteravond
gezien, dat daartoe bereidheid
bestaat. Wat mij betreft, vindt dat
vanmiddag plaats, in het formele
overleg met VSNU en HBO-raad en
vooral in het informele overleg dat
daarop moet volgen. Ik zie de
bijeenkomst van vanmiddag meer als
de bepaling van de agenda voor de
komende vijf weken dan als iets wat
leidt tot definitieve conclusies op dit
moment. Morgen komt de
Studentenkamer bijeen. Ik weet dat
een gedeelte van de vertegenwoordi-
ging van de studenten zeker
aanwezig zal zijn. Ik verwacht dat ook
daar een gesprek kan plaatsvinden. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2660" anker="649" partij="CDA" naam="Lansink">
 De minister
sprak zojuist zijn teleurstelling uit
over de wisselende reacties van de
VSNU en de HBO-raad en tegen de
term ’’onoverkomelijke bezwaren
tegen de collegegeldverhoging’’. Ik
kan in zijn benadering komen. Wat is
dan echter de precieze, formele
betekenis van de woorden ’’voor
zover het hen regardeert’’ in de brief
over de intentieverklaring? Er staat
daar geschreven dat de voorzitter
van de VSNU en de voorzitter van de
HBO-raad de financie¨le uitgangspun-
ten, in het meerjarenschema,
aanvaardbaar achten voor zover het
hen regardeert. Heeft de minister
niet van tevoren gezien dat dit een
kapstok is om weg te lopen? ’’Een
kapstok om weg te lopen’’ is een beetje gek. Beter is misschien: om
hem aan op te hangen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2660" anker="650" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Aan een kapstok
hang je iets op en dat was niet de
bedoeling. Ik vind dat dit ook niet het
beeld moet zijn. Misschien waren het
krukken om mee weg te lopen.
Het antwoord op de vraag is heel
rechtstreeks. Er zijn verschillende
verantwoordelijkheden in het land,
die als zodanig goed moeten worden
beleefd. De verhoging van het
collegegeld wordt door het Rijk
vastgesteld. Wat mij betreft hoeft
men dat niet te verdedigen. Men
hoeft ook niet te verdedigen dat er
een regeerakkoord is dat een
bepaalde vorm heeft. Dat is echter
iets heel anders dan de opvatting
uitspreken dat iets onoverkomelijk is.
Ik behoef hier de terminologie ook
niet te dicteren, maar men moet
weten dat het Rijk bepaalde stappen
zet. Men moet vervolgens zien dat
die stappen nodig zijn binnen de
opvattingen van het kabinet, die
hopelijk gedeeld worden door de
Kamer. Die opvattingen houden in
dat in een bepaald opzicht moet
worden gekomen tot een ander
hoger onderwijs. Ik vind er niets mis
mee dat het hoger onderwijs zelf
zegt, dat het liever een andere koers
had gezien, maar dat is iets anders
dan de verklaring die op maandag
werd getekend, waarin de term
’’onoverkomelijke bezwaren’’ werd
genoteerd. Dat leidde tot het foute
beeld, hetgeen ons geweldig parten
heeft gespeeld. Want was dat niet
het geval geweest, dan ben ik ervan
overtuigd dat wij nu op een heel
andere wijze hier bij elkaar zaten. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2660" anker="651" partij="CDA" naam="Lansink">
 Moet de
minister nu achteraf vaststellen dat
er beter een andere tekst had kunnen staan: ieder met behoud van eigen
verantwoordelijkheid? Want de term
’’voor zover het hen regardeert’’
geeft duidelijk ruimte om weg te
lopen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2660" anker="652" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Voorzitter! Dat is
niet mijn conclusie. Mijn conclusie is
dat er op die maandag iets gebeurd
is, waarvan ik denk dat dit ook
binnen de instellingen reden geeft
om er nog eens over na te denken,
of dat wel de juiste wijze is waarop
men ermee moet omgaan.
Ik beschouw het als een gepas-
seerd station. Het is gebeurd – dat
moet je constateren – en heeft zijn
dynamiek tot stand gebracht. Die
dynamiek heeft vervolgens heel snel het kader gekregen van: dan moeten
de instellingen er ook zelf voor
boeten. Ik zou er graag de aandacht
voor vragen dat wij daar niet al te
snel op in moeten stappen, omdat
dit ook weer zou kunnen leiden tot
verlies van kwaliteit van het
onderwijs.
Wat mij betreft, voorzitter, zijn er
veel misverstanden over de relatieve
rijkdom of armoede van instellingen.
De overheidsuitgaven per student
zijn de afgelopen decennia gedaald.
Dan spreek ik vooral over de periode
1970 tot 1989, want de vorige
kabinetsperiode hebben wij
hoofdlijnenakkoorden gesloten met
HBO en VSNU, die hebben geleid tot
enige mitigering in dezen. Maar ook
in de afgelopen jaren was er nog
enige daling van de gemiddelde
uitgaven per student. Het is ook
duidelijk dat termen als ’’wildgroei’’
en ’’bureaucratie’’ ten onrechte het
beeld oproepen van onnodig hoge
uitgaven. Gelukkig zijn die termen
hier niet gebruikt.
Daarbij is het zeker niet zo dat de
instellingen niets hoeven in te
leveren. Er is een oude reeks in de
begroting voor 1994, van 69 mln., die
in de komende jaren moet worden
opgebracht. Dat zal niet makkelijk
zijn voor de instellingen. Daarenbo-
ven is er een nieuwe reeks,
uitgaande van 35 mln. en oplopende
naar 65 mln. Daar bovenop komt de
reeks vanuit de stelselwijziging, de
200 mln. Maar wij moeten niet
vergeten dat er daarnaast nog
uitverdieneffecten zijn in de
collegegelden, oplopend tot 200
mln., ook weer op de langere
termijn. Daarmee is het beeld van
’’de instellingen komen er mooi
vanaf’’ een onjuist beeld. Het is wel
zo dat het voor de korte termijn 134
mln. is, maar voor de langere termijn
gaat het in feite om 534 mln. aan
verminderingen van uitgaven voor
instellingen. Dat hebben wij
welbewust gedaan en dat vinden wij
ook nodig. Voor een belangrijk stuk,
namelijk voor 400 mln., zal het
bereikt moeten worden via de
gemiddelde verkorting van de
cursusduur. Maar het is nog altijd
een beeld waarbij je niet zo makkelijk kunt zeggen: daar kun je nog wat
bovenop doen.
Het kabinet heeft dan ook
gemeend dat verdere bezuinigingen
juist de student makkelijk zouden
kunnen raken in termen van de
kwaliteit van het onderwijs.
Overigens komen verdere bezuinigin-
gen bij de instellingen per gulden op
z’n minst 1,6 maal zo hard aan.
Immers, nu zijn er, in de opmaat,
wachtgelden ingezet voor het
wegnemen van de bezuinigingen,
terwijl, als er nieuwe bezuinigingen
worden getroffen, daar geen
wachtgelden voor zijn, hetgeen
betekent dat zij dan 1,6 maal zo
groot zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2661" anker="653" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Voorzitter! Als de minister ervan
uitgaat dat afspraken afspraken zijn –
ik heb begrepen dat de HBO-raad
gezegd heeft akkoord te gaan – en
als de minister ervan uitgaat dat
inderdaad niet meer gekomen kan
worden aan de kwaliteit van het
onderwijs, dan is de conclusie simpel: je kunt dan toch niet
teruggaan naar de instellingen om er
meer geld uit te halen? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2661" anker="654" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Voorzitter! Precies,
dan komen wij aan de volgende stap
in het betoog. Die volgende stap is
om in de periode van nu tot 1
februari na te gaan – in het bijzonder
geldt dit voor de universiteiten, maar
daarbij worden natuurlijk ook de
hogescholen betrokken – welke
alternatieven men daar ziet. Immers,
aan de ene kant heb ik mijn eigen
beeld weergegeven en tegelijkertijd
heb ik gisteravond nog eens gehoord
dat instellingen wel mogelijkheden
zien. Ik kan niet voorzien in welke
omvang dat zal zijn, maar ik
verwacht niet dat het over grote
bedragen zal gaan. Maar dan is het wel hom of kuit: dan moet men ook
aangeven dat men zo’n collegegeld-
verhoging ziet als behorende tot de
mogelijkheden. Wat mij betreft dient
het gesprek nu gericht te worden op deze twee elementen: fasering en
omvang, waarbij uitvoerig de
mogelijkheden dienen te worden
nagegaan om fasering en omvang te
beperken en waarbij het vervolgens
komt tot het uitwerken van condities.
Het uitwerken van de condities
waaronder de verhoging van
collegegeld zou moeten plaatsvin-
den, is een heel belangrijk element. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2661" anker="655" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 U was
toch klaar met de instellingen? U
was toch jubelend over de intentie-
verklaring, zowel tegenover uw
collega’s, vooral tegenover minister
Zalm die hier ook aanwezig is, als
tegenover de fracties? U had het
toch gered? Eigenlijk draait u nu een
verhaal af dat niet van u is maar van
de coalitiepartners. Zij sturen u nu
naar de instellingen. U begint nu al
creatief, zoals u altijd bent, in te
vullen wat de boodschap zou moeten
zijn terwijl het eigenlijk niet uw
verhaal is. U was klaar. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2661" anker="656" naam="De voorzitter">
 Ik zou de leden nu
dringend willen adviseren, gelet op
de tijd, de minister zijn betoog te
laten afmaken zonder interrupties. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2661" anker="657" soort="Minister" naam="Ritzen">
 De maatschappe-
lijke werkelijkheid is meestal niet zo
digitaal als de heer Rabbae voorstelt.
Natuurlijk zou dit pakket, dat voor
lag, onder andere omstandigheden
hebben moeten leiden tot een
verdere uitwerking en ook tot de
vragen die door de geachte
afgevaardigde zijn gesteld. Dat
zouden bijvoorbeeld voorwaarden
kunnen zijn voor de conditionering
maar natuurlijk ook vragen kunnen
betreffen rondom de fasering en de
hoogte. Wat mij betreft zijn de
instellingen en de studenten aan zet
voor de fasering en de hoogte.
Wanneer het de conditionering
betreft, trekken wij gezamenlijk op.
Natuurlijk voeg ik daaraan toe, ook in
antwoord op de interruptie van de
heer Van Gelder, dat wanneer
anderen aan zet zijn, het kabinet ook
zijn eigen oordeel moet geven. Het
kabinet zal daar een regie voor
voeren en het zal daarin actief zijn.
Maar voor een groot aantal punten
van de conditionering kunnen de
gedachten die in de Kamer naar
voren zijn gebracht, een rol spelen.
Wanneer het gaat om het aanbod
van opleidingen in HBO en WO,
moeten wij nader nagaan hoe het
samenspel en de afstemming op
elkaar kunnen worden bevorderd.
Conditionering bij de collegegeld-
verhoging is juist, mits er voldaan is
aan een aantal criteria van goed
personeelsbeleid en mits er ook
voldaan is aan het criterium van de
overhead, alsmede dat van de
verdere ontwikkeling van de
bestuursstructuur, waarop staatsse-
cretaris Nuis nog nader zal ingaan.
Ook het doorberekenen van de
kosten van de derde geldstroom is
een van de elementen die in de
conditionering een grote rol kunnen
spelen.
Voorzitter! Voordat ik tot een
conclusie komt wil ik nog een
antwoord geven op een vraag van
mevrouw Nijpels, die nu niet
aanwezig is, over Belgie¨ en over de
reacties van de Belgische collega.
We moeten toch duidelijk stellen dat
kamerprijzen of collegegelden niet
leiden tot de stroom studenten naar
Belgie¨. Daarvoor is slechts een
bepaalde factor verantwoordelijk en
dat is de numerus fixus, de numerus
clausus. Daarin zijn niet wij de
uitzondering maar Belgie¨. Elk land
binnen de EU heeft een numerus
clausus, numerus fixus. Het
probleem van Vlaanderen is relatief
beperkt in verhouding tot het
probleem van Wallonie¨. Er zijn zeer
veel Franse studenten die in
Wallonie¨ studeren. In verhouding zijn
er in Wallonie¨ drie keer zoveel
Franse studenten als er Nederlandse
in Vlaanderen zijn. Dit heeft dus te
maken met een Belgisch intern probleem: namelijk nog niet tot de
conclusie kunnen komen om ook een
numerus fixus in te stellen. Dat
wordt overigens ook met zorg door
Frankrijk en Nederland gadegeslagen
omdat dit leidt tot een aanbod van
artsen dat hoger is dan het aanbod
dat wij zelf belangrijk vinden voor
onze arbeidsmarkt. In mijn ogen ligt
er geen echt probleem. Wel is daar
het probleem aan de orde waarover
ook mevrouw De Vries vragen heeft
gesteld bij de behandeling van de
begroting van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen, namelijk om tot een
maximale afstemming te komen met
de buurlanden. Maar het eigen
beleid staat daarbij voorop.
Voorzitter! Ik sluit af. Het kabinet
heeft haar pakket gepresenteerd.
Daar staat het nog steeds voluit
achter. Maar nu geeft het de
gelegenheid aan anderen, instellin-
gen en studenten, om ook alternatie-
ven aan te dragen. Op grond
daarvan zullen wij nader afwegen of
dat pakket verbeterd kan worden en
of een aantal scherpe punten uit dat
pakket kunnen worden veranderd.
Natuurlijk zullen wij ook samen met
de instellingen en de studenten
nagaan hoe aan de conditioneringen
waaronder collegegeldverhogingen
plaatsvinden, vorm gegeven kan
worden.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2662">

 
<spreker pagina="38-2662" anker="658" soort="Staatssecretaris" naam="Nuis">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik wil een enkele
opmerking maken over doelmatig-
heid en bestuursstructuur in het licht
van de stelselontwikkeling. Op de
Procesbrief die wij enige tijd geleden
hebben verzonden, is door de
geadresseerden nog niet gereageerd.
De redenen voor die vertraging zijn
inmiddels bekend en hier ook
genoegzaam besproken. Voor zover
ik heb begrepen, was de reden niet
een gebrek aan waardering voor de
hoofdlijnen en de randvoorwaarden
die in de brief zijn aangegeven, zoals
een gedifferentieerd stelsel, meer
selectief, gemiddeld korter en
intensiever.
De vertraging heeft uiteraard wel
enig gevolg voor de te voeren
inhoudelijke discussie over een
toekomstig en beter op de maat-
schappelijke omgeving afgestemd
doelmatig stelsel, ook voor het hoger
onderwijs. Er zit wel enige rek in de
procedure, maar niet veel. Dat hoeft
ook niet, want er is nu wezenlijk
ruimte gemaakt, de ruimte die nodig
was. Hooguit zullen wij de discussie
wat minder uitvoerig kunnen voeren
dan oorspronkelijk onze bedoeling
was. Het is mogelijk dat het een wat
soberder uitvoering van de discussie
wordt. Maar de discussie zal worden
gevoerd en moet deze zomer ook
uitmonden in een ontwikkelingsplan.
Dat plan moet er komen. Dat kunnen
wij niet op de lange baan schuiven.
Een van de onderwerpen in de
Procesbrief was ook de kwestie van
de bestuursstructuur, met name van
de universiteiten. Dat was een
wezenlijk onderwerp. In de discussie
sindsdien – want de discussie is
natuurlijk al in zekere zin op gang
gekomen – is ingegaan op de
vergadercultuur en de bureaucratie.
Het wezenlijke punt was echter om
de slagkracht van de universiteiten
bij het invoeren van de beoogde
stelselherziening te vergroten. Dan
gaat het om kwesties als scheiding
van bevoegdheden voor bestuur en
beheer en tussen centrale en
decentrale niveaus binnen de
instellingen. Zo staat het ook in het
regeerakkoord en in de Procesbrief.
Er zitten natuurlijk randvoorwaar-
den aan het vergroten van die
slagkracht. De medezeggenschap van
studenten, waar het gaat om de
kwaliteit van het onderwijs, moet
zeker worden gehandhaafd en zo
mogelijk worden verruimd. De
medezeggenschap van het personeel
in het hoger onderwijs mag ook niet
achterblijven, wat in andere sectoren
gebruikelijk is. Bevoegdheden
moeten zo verdeeld worden dat een
doelmatige en rechtmatige besteding
van middelen gewaarborgd is. En de
overheid moet de instellingen daarop
ook kunnen blijven aanspreken. Dat
zijn de randvoorwaarden. Maar
binnen die randvoorwaarden zullen
de instellingen grotere vrijheids-
graden moeten krijgen om hun
organisatie zo in te richten dat kan
worden gesproken van een resolute
en slagvaardige aanpak van de
stelselherziening. Wij kunnen het
onderwerp niet losmaken van de
stelselherziening en het proces
daarvan, maar wij kunnen het
onderwerp wel zoveel mogelijk naar
voren trekken als een eerste
noodzakelijke stap. In het
ontwikkelingsplan zal dan ook
worden aangegeven dat wij bij
voorrang een wetswijziging moeten
voorbereiden waarin deze voorne-
mens concreet hun neerslag krijgen.
Voorzitter! Ik had nog iets willen
zeggen over het mediabeleid, maar
dat heeft de minister al gedaan. Het
komt erop neer dat wij er helaas
niets aan kunnen doen dat er soms
tegenstrijdige berichten in de pers
komen. Dat zouden wij ook niet
willen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2662">

 
<spreker pagina="38-2662" anker="659" soort="Minister" naam="Zalm">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik dank de geachte
afgevaardigden die van de gelegen-
heid gebruik hebben gemaakt om
ook mij nog een enkele vraag te
stellen respectievelijk mij aan de
tand te voelen.
De geachte afgevaardigde de heer Schutte heeft gevraagd: is de
collegegeldverhoging nu een ombuiging, ja of neen? Hij zei:
formeel heeft de minister van
Financie¨n gelijk. Daar ben ik hem
uiteraard erkentelijk voor. Toch denkt
hij dat het bij een collegegeld-
verhoging anders ligt dan bij een
bezuiniging op de voorzieningen van
het onderwijs. Je kunt er verschillend
tegen aankijken. Er is natuurlijk toch
een algemene voorkeur om, ook
vanuit economische optiek, bij het
bezuinigingsbeleid de bezuinigingen
zoveel mogelijk te concentreren op
inkomensoverdrachten en subsidies
en minder op de echte publieke
voorzieningen. In die zin zou je de
switch naar de collegegeldverhoging
kunnen beschouwen als iets dat
voordelen biedt. Daarnaast heeft de
minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen al gewezen op het
persoonlijke rendement dat mensen
uit een studie kunnen halen. Dat
rendement is ook een belangrijke
ratio om de verhoging van het
collegegeld acceptabel te vinden.
De geachte afgevaardigde de heer
Van der Vlies heeft gevraagd of er
met de reservering van wachtgelden
een truc wordt uitgehaald. Hij bracht
in herinnering dat de minister van
Financie¨n in zijn vorige functie te
kennen heeft gegeven dat hij niet
van trucs houdt. Met dat laatste doelt
de heer Van der Vlies er waarschijn-
lijk op dat in het verleden en ook in
de begroting voor 1994 het
begrotingsbeeld is geflatteerd door
zogenaamde incidentele dekking. Het
gaat dan om kasschuiven, de
versnelde inning van belasting, de
verkoop van ’’tafelzilver’’ en van
staatsdeelnemingen; zaken die per
definitie slechts een eenmalig effect
hebben. Dat is hier niet het geval.
Ik heb een keer tijdens het
vragenuurtje samen met staatssecre-
taris Nuis op deze plaats gestaan.
Toen bereikte mij vanuit de
CDA-fractie – ik meen van de heer
Koekkoek – de vraag of de minister
van Financie¨n had voorzien in de
gevolgen voor het wachtgeld van de
bezuinigingen in het hoger onder-
wijs. Ik heb geantwoord dat daarin
inderdaad was voorzien en heb
verwezen naar bladzijde 138 van de
Miljoenennota. Die wachtgeldreeks
was dus beschikbaar. Het is de reeks
die van 50 mln. oploopt naar 230
mln. Indien die 500 mln. volledig zou
zijn gekort op de budgetten van de
universiteiten, hadden zij tegelijker-
tijd een toevoeging gekregen vanuit
die wachtgeldreservering van 230
mln. Per saldo zou er dus 270 mln.
van het budget zijn afgegaan. Dat
bedrag gaat er nu ook van af, maar
dan 200 mln. via de collegegelden en
65 mln. via die andere reeks. Ik denk
dat het allemaal in orde is. Ik zie
geen problemen. Het geld was
gereserveerd en is beschikbaar
gesteld. Het was ook voor dit doel
gereserveerd, voor de begroting van
Onderwijs dus. Ik vind het natuurlijk
leuk om per ongeluk een bedrag
over te houden, dat is nooit weg.
Maar het is geen zonde om het geld
te bestemmen voor de begroting
waarvoor het was gereserveerd. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2663" anker="660" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Stemt
de minister er dus mee in dat de
wachtgeldreservering nu al wordt
ingezet? Dat is wel te waarderen,
zeker door de minister van Onder-
wijs, Cultuur en Wetenschappen.
Maar tegenover die reservering staan
op dit moment geen ontslagen. Later
zal dat wel het geval zijn. Het loopt
dus niet parallel. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2663" anker="661" soort="Minister" naam="Zalm">
 Dat is juist. Nu valt
die reservering vrij. In latere jaren zal
de minister van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschappen het zelf oplossen.
Je kunt natuurlijk niet twee keer
wachtgeldreserveringen uitdelen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2663" anker="662" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Er is
dus sprake van voorfinanciering van
ontslagen die later volgen? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2663" anker="663" soort="Minister" naam="Zalm">
 Dat is juist. Overigens
zijn dergelijke reserveringen ook
gedaan voor het ministerie van
Defensie en het ministerie van
Economische Zaken. Ook daar zal
een toevoeging uit de aanvullende
post kunnen plaatsvinden vanuit die
wachtgeldreservering. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2663" anker="664" partij="SGP" naam="Van der Vlies">

Voorzitter! Het geld is beschikbaar,
althans gereserveerd. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2663" anker="665" soort="Minister" naam="Zalm">
 Ja. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2663" anker="666" partij="SGP" naam="Van der Vlies">
 Maar
het is toch oneigenlijk gebruik als je
kijkt naar de titel waarop het is
gereserveerd, indien het geld nu
wordt gebruikt om een bezuiniging
die zou worden binnengehaald maar
pas later binnenkomt, financieel af te
dekken. Er zouden bezuinigingen zijn
in het hoger onderwijs. Dat heeft
personele consequenties en daarom
is er gereserveerd voor wachtgelden.
Nu gebeurt er vooreerst in die sfeer
niets en toch wordt het geld gebruikt
om het tekort ten aanzien van het te
bezuinigen bedrag financieel af te
dekken. Ik vind dat op z’n minst
oneigenlijk gebruik. Daarom heb ik
het woord ’’truc’’ gebruikt, overigens
tussen aanhalingstekens maar dat is
misschien niet bij de minister
overgekomen. Ik ken deze minister
van Financie¨n anders, namelijk als
strak in de zin van ’’dat geld is
daarvoor bestemd en daarvoor zal
het ook worden gebruikt’’. Ik vind dit
toch ten minste een noodverband. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2663" anker="667" soort="Minister" naam="Zalm">
 Dat de minister van
Onderwijs een andere oplossing kiest
die in aanvang minder gevolgen
heeft voor het wachtgeld, is plezierig
voor hem. Ik voel mij niet genegeerd
om de wachtgeldreservering die ik
ter zake heb gemaakt, aan hem ter
beschikking stellen. Dat betekent
overigens wel dat wanneer de
wachtgeldgevolgen in latere jaren
volledig opkomen, er niet meer
profijt is te trekken van eerder-
genoemde wachtgeldreservering
door het ministerie van Financie¨n.
Dan wordt het een probleem dat
binnen de begroting van Onderwijs
opgelost moet worden.
</spreker>
<spreker pagina="38-2663" anker="668" partij="CDA" naam="Lansink">
 Afgezien
van het feit dat de minister met deze
beschouwing het oneigenlijk gebruik
legitimeert, geeft hij ook toe dat de
minister van Onderwijs over een
aantal jaren in de grootst mogelijke
financie¨le problemen kan komen
wanneer blijkt dat de reservering
ontoereikend is. Dat hangt weer
samen met de manier waarop de
ombuigingen in het hoger onderwijs
zullen worden gerealiseerd. Dit is
toch een wissel op de toekomst, ook
voor de minister van Onderwijs?
Eigenlijk geldt dit ook voor u, want u
stemt ermee in. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2663" anker="669" soort="Minister" naam="Zalm">
 Voor mij als minister
van Financie¨n is het van belang dat
de taakstellingen die tot 1998 zijn
afgesproken binnengebracht worden
en dat er zodanige maatregelen
genomen worden dat het bedrag
waar het om gaat er structureel is.
Dat is het geval en dat zijn de twee
belangrijkste criteria waaraan ik een
invulling van ombuigingen toets. Dat
hangt ook samen met het andere
aspect dat de heer Van der Vlies
noemde, de prestatiebeurs. Daarbij
speelt de financie¨le prikkel een
belangrijke rol. Het lijkt mij goed om
het omzetten van een lening in een
beurs afhankelijk te stellen van het
studietempo. De heer Van der Vlies
heeft er gelijk in dat door die switch
aanvankelijk bespaard wordt, terwijl
die uitgaven later toch komen. Dat is
ook te zien aan het verloop van de
opbrengst van die maatregel. Daarbij
wordt uiteindelijk op een veel lager
bedrag uitgekomen. Tegelijkertijd is
te zien dat andere maatregelen in
hetzelfde pakket juist een oplopend
bedrag hebben. Dat betreft de
verkorting met een jaar van de duur
waarvoor studiefinanciering geldt, de
effecten van de stelselherziening op
de studiebeurzen en de korting op
het budget voor de vervoersfaciliteit
die vanaf 1998 mogelijk wordt. Het
een loopt wat op en het ander loopt
wat terug, maar het totaalbeeld is
kloppend. Wij hebben wat moeten
passen en meten, maar het totale
beeld is voor mij acceptabel. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2664" anker="670" partij="CDA" naam="Lansink">
 Op mijn
vraag wat de minister van Onderwijs
na 1998 moet doen, is niet ingegaan.
Daarnaast merk ik op dat terugbeta-
ling van prestatiebeurzen die
omgezet worden in een lening, niet
plaatsvindt als men zonder werk
komt te zitten. Dan ontstaat er ook
een gat. Hoe kijkt de minister van
Financie¨n aan tegen het wegschui-
ven van dit soort zaken tot na 1998
onder het motto ’’na ons de
zondvloed’’? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2664" anker="671" soort="Minister" naam="Zalm">
 Er komt straks een
wetsvoorstel over de prestatiebeurs,
inclusief de verkorting van de duur
van de studiefinanciering met een
jaar. Wat dat betreft wordt er niets
weggeschoven. Die wetgeving wordt
nu voorbereid en binnenkort aan de
Staten-Generaal voorgelegd. Het is
nu eenmaal zo dat de verkorting van
de duur waarop studiefinanciering
mogelijk is per definitie pas na vier
of vijf jaar geld op kan leveren. Dat
neemt niet weg dat die maatregelen
nu genomen worden en nu aan het
parlement in de vorm van een
wetsvoorstel zullen worden
voorgelegd. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2664" anker="672" partij="CDA" naam="Lansink">
 Maar bij het
debat over de regeringsverklaring
ging de discussie vooral over de
bezuiniging van 500 mln. Onder
anderen door de heer Bolkestein is
aan de orde gesteld dat de taakstel-
ling gold tot en met 1998. Ik meen
dat u het daarmee eens was. Dat
beeld verandert nu toch? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2664" anker="673" soort="Minister" naam="Zalm">
 Nee, kijkt u maar
naar de cijfermatige opstelling, naar
de taakstellingen. Overigens is daar
de overschrijding van de
OV-jaarkaart aan toegevoegd. Wat
dat betreft hebben wij grote
schoonmaak gemaakt. Als die
taakstellingen geconfronteerd
worden met de bedragen die uit de
opstelling voortvloeien, dan klopt het
zowel voor de periode 1995 tot 1998
als voor de periode na 1998 tot 2005.
Voorzitter! Dan kom ik bij de
fiscale gevolgen van de renteaftrek.
Hierbij gaat het niet om geweldig
grote bedragen. Het is natuurlijk ’’all
in the game’’ dat bezuinigingen
soms via de fiscale kant effecten
kunnen hebben. Dat noemen wij
endogeen. Daar hoeft men niet
buitengewoon zorgelijk over te doen.
De geachte afgevaardigde
mevrouw Nijpels heeft gevraagd of
de studiekosten aftrekbaar gemaakt
kunnen worden als de collegegeld-
verhoging doorgaat. Op zichzelf zijn
studiekosten aftrekbaar als de
student een belastbaar inkomen
heeft. Meestal heeft een student
echter geen belastbaar inkomen.
Misschien bedoelt mevrouw Nijpels
met haar vraag of het niet voor de
ouders aftrekbaar is. Dat is echter
niet de bedoeling. Wat wij verdienen
op de studiefinanciering annex
collegegeldverhoging laten wij niet
weglopen via de fiscaliteit. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2664" anker="674" partij="AOV" naam="Nijpels-Hezemans">

Dat begrijp ik wel, maar ik vroeg mij
af of er mogelijkheden zijn in het
geheel van de onderhandelingen en
afspraken die wellicht op termijn
worden gemaakt. Of is dit absoluut
onbespreekbaar? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2664" anker="675" soort="Minister" naam="Zalm">
 Voorzitter! Iemand
die werkt en daarnaast een studie
volgt aan een HBO-instelling of
universiteit, kan volgens de
bestaande regelingen gewoon zijn
collegegeld aftrekken. Het verhoogde
collegegeld kan dus ook verhoogd
worden afgetrokken. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2664" anker="676" partij="AOV" naam="Nijpels-Hezemans">

Het ging mij om de ouders. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2664" anker="677" soort="Minister" naam="Zalm">
 Het is niet de
bedoeling om maatregelen aan de
uitgavenkant volledig ongedaan te
maken aan de fiscale kant.
Voorzitter! De heer Lansink heeft
gevraagd hoe het zit met de
begrotingsdiscipline. Dat heb ik
zojuist uitgelegd. Het eerste criterium
is of de 1,5 mld. die is afgesproken
in de kabinetsperiode binnenkomt; er
komen bedragen binnen. Het tweede
criterium is of de dekking structureel
aanwezig is en dat is het geval, dus
er is geen enkel probleem met de
begrotingsdiscipline.
De beraadslaging wordt geschorst.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2664">

 
<spreker pagina="38-2664" anker="678" naam="De voorzitter">
 Gezien de duur van
het debat lijkt het mij verstandig,
eerst lunchpauze te houden. Ik zal
dan ook eerst inzicht geven in de
orde van deze dag. Na de lunch-
pauze vindt de normale regeling van
werkzaamheden plaats, waarna de
tweede termijn volgt van het debat
over de collegegelden in het hoger
onderwijs. Vervolgens vindt de
stemming plaats over de motie die
gisterenavond is ingediend met
betrekking tot de visumverstrekking
aan de heer Princen. Daarna zullen
vooralsnog twee heropeningen en
uiteindelijk de stemmingen plaatsvin-
den.
Ik stel voor, hedenmiddag nog te
beslissen over het voorstel van de
vaste commissie voor Volkshuisves-
ting en Ruimtelijke Ordening en de
vaste commissie voor het Milieube-
heer inzake een onderzoek naar de
financie¨le gevolgen van het
wetsvoorstel Balansverkorting
geldelijke steun volkshuisvesting.
Daartoe wordt besloten.
De vergadering wordt van 13.35 uur
tot 14.20 uur geschorst. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2664" anker="679" naam="De voorzitter">
 Ingekomen is een
beschikking van de voorzitters van
de Eerste en Tweede Kamer der
Staten-Generaal inzake aanwijzing
van het lid Augusteijn-Esser tot lid
en het lid Scheltema-de Nie tot
plaatsvervangend lid in de Raadge-
vende Interparlementaire Benelux-
raad.
Ik stel voor, deze beschikking voor
kennisgeving aan te nemen.
Daartoe wordt besloten. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2664" anker="680" naam="De voorzitter">
 Ingekomen is een
brief van collega Ter Beek. De inhoud van de brief luidt als volgt:
’’Geachte voorzitter, waarde collegae,
beste vrienden en vriendinnen,
Op 1 januari 1995 zal ik aan de slag
gaan als commissaris van de
koningin in de provincie Drenthe.
Dit betekent, dat ik met ingang van
dezelfde datum geen lid meer zal zijn
van deze Kamer. Heel lang is uw
Kamer mijn Kamer geweest; heel
lang, vanaf mei 1971 is het Binnen-
hof mijn werkplek geweest. Maar dat
Binnenhof was voor mij veel meer. Ik
heb hier gewerkt, maar ook gewoond
en geleefd. Ik ben van dit plekje
Nederland, het hart van de democra-
tie, gaan houden.
Hopelijk hebt u er begrip voor, dat
het mij op dit moment gewoon niet
lukt alle gevoelens die ik nu heb op
papier te krijgen. Ik neem afscheid
van het Binnenhof, maar ook van
een groot stuk van mijn bestaan, van
mijn leven.
Natuurlijk, ik ga naar ’’mijn’’
Drenthe en daar verheug ik mij op,
maar toch. Er zal nog wel een rustig
moment van reflectie aanbreken
waarop ik wel datgene kan uiten wat
nu in mijn binnenste zit. In ieder
geval was alles wat Flip Buurmeijer u
gisteren heeft geschreven, mij uit het
hart gegrepen. Ik wil alle bewoners
van dit huis oprecht bedanken voor
alle collegialiteit, medewerking en
vriendschap die ik in de afgelopen
jaren heb ondervonden.
Het ga u allen goed, ik zal u
missen.
Met hartelijke groet,
(w.g.) Relus ter Beek’’
(Applaus) 

</spreker>
<spreker pagina="38-2665" anker="681" naam="De voorzitter">
 Geachte collega! Uw mededeling is juist: op 11 mei 1971
werd u lid van de Kamer. Dat bent u
geweest aaneengesloten tot 6
november 1989. Op 17 mei 1994
hebben wij u weer in ons midden
zien terugkeren, maar in de
tussentijd was u niet uit ons midden
weg, u zat alleen aan de andere kant
van de tafel. Kortom, in feite bent u
vanaf 1971 onafgebroken in het
midden van de Kamer geweest en
daarmee, voor zover ik thans kan
overzien, het lid dat op het Binnen-
hof de oudste ervaring heeft. U gaat
ons nu verlaten.
U is lid geweest van de commissie
voor Buitenlandse Zaken. U heeft
daarvan, naar ik aanneem, eerst het
ondervoorzitterschap vervuld en toen
het voorzitterschap. U is lid geweest
van de commissie Kernenergie. Heb
ik het goed, dan bent u uw politieke
carrie`re in die commissie begonnen.
Wat dat aangaat, is het bijzonder dat
wij deze middag een afrondende
stemming over kernenergie hebben.
U is lid geweest van de vaste
commissies voor Ontwikkelingssa-
menwerking en voor Defensie. Wat
opvalt – en dat geldt ook voor de
commissie Kernenergie en de
activiteiten in dit kader; wie zich
sommige debatten in het verleden in
herinnering brengt, weet dat – is dat
u hoofdzakelijk werkzaam bent
geweest in de commissies die met
het buitenland van doen hebben en
dat heel lang.
Ik heb het gevoel dat om die reden
niet alleen de Kamer u zal missen,
maar ook het buitenland. Hoe het
ook zij, wij vinden het jammer dat u
weggaat, maar wij respecteren uw
besluit. In de Kamer heeft u uw
sporen verdiend. Het debat heeft u
nimmer geschuwd. Soms was u van
de interruptiemicrofoon niet weg te
slaan.
Het ga u goed in Drenthe! Wij zijn
ervan overtuigd dat wij u nog wel
eens in ons midden in de wandel-
gangen zullen terugzien. Dank voor
alle collegialiteit.
(Applaus) 

</spreker>
<spreker pagina="38-2665" anker="682" naam="De voorzitter">
 Van dit ontslag is
mededeling gedaan aan de voorzitter
van het Centraal stembureau en aan
de minister van Binnenlandse Zaken.
Ik stel voor, deze brief voor
kennisgeving aan te nemen.
Daartoe wordt besloten. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2665" anker="683" naam="De voorzitter">
 De overige ingeko-
men stukken staan op een lijst die op
de tafel van de griffier ter inzage ligt.
Op die lijst heb ik voorstellen gedaan
over de wijze van behandeling. Als
aan het einde van de vergadering
daartegen geen bezwaren zijn
ingekomen, neem ik aan, dat de
Kamer zich met de voorstellen heeft
verenigd.</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="38-2665">

Regeling van werkzaamheden 
<spreker pagina="38-2665" anker="684" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, toe te
voegen aan de agenda van 31 januari en 1 en 2 februari:
- het wetsvoorstel Regelen met
betrekking tot de vervaardiging, het
in de handel brengen en de in-, uit-
en doorvoer van bepaalde chemica-
lie¨n ter voorkoming van misbruik
(Wet voorkoming misbruik chemica-
lie¨n) (23779);
- het wetsvoorstel Wijziging van de
Wet assurantiebemiddelingsbedrijf
(23577).
Aangezien voor de stukken gedrukt
onder nummers 23908 (R1519), nr. 2,
23951, 23973 (R1526), 23975, 23976,
23979 (R1527), 23986 en 23991 de
termijnen zijn verstreken, stel ik voor,
dat wat deze Kamer betreft, de
daarbij ter stilzwijgende goedkeuring
overgelegde stukken zijn goedge-
keurd.
Ik stel voor, deze stukken voor
kennisgeving aan te nemen.
Aangezien voor de stukken 19326, nr.
97, 23977, 23994 en 23995 de
termijnen zijn verstreken, stel ik voor,
deze stukken voor kennisgeving aan
te nemen.
Ik stel voor, de stukken 19326, nrs.
94, 95 en 96 voor kennisgeving aan
te nemen.
Ik stel voor, een groot aantal stukken
van de lijst van werkzaamheden af te
voeren. De nummers zullen in de
Handelingen, na de ingekomen
stukken, worden vermeld.
Overeenkomstig de voorstellen van
de voorzitter wordt besloten. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2665" anker="685" naam="De voorzitter">
 Zoals ik voor de
schorsing heb aangekondigd, is nu
aan de orde de brief van de vaste
commissie voor Volkshuisvesting,
Ruimtelijke ordening en Milieubeheer
van heden inzake het voorstel tot een
verzoek aan de Algemene Rekenka-
mer tot het doen van een onderzoek
naar de financie¨le gevolgen van het
wetsvoorstel Balansverkorting
(23817). De brief van de commissie is
rondgedeeld.
Ik stel voor, overeenkomstig het
voorstel van de commissie te
besluiten.
Daartoe wordt besloten. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2665" anker="686" naam="De voorzitter">
 Het Presidium heeft
hedenochtend besloten, de Stuur-
groep automatisering en documenta-
tie, STAD genaamd, op te heffen en
deze te vervangen door een
Strategisch overleg informatie-
voorziening (STOI), bestaande uit
maximaal zeven leden. Aan de
fracties zal worden gevraagd om de
leden voor te dragen. Ik zal na het
reces de samenstelling bekendma-
ken.
Aan het einde van deze regeling
zal ik informatie verschaffen over de
orde van deze dag.
Het woord is aan de heer Van
Middelkoop. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2665" anker="687" partij="GPV" naam="Van Middelkoop">

Voorzitter! De vaste commissies voor
Defensie en voor Buitenlandse Zaken
hebben vanmiddag algemeen
overleg gevoerd over notitie 23591
over de betrokkenheid van het
parlement bij de uitzending van
militaire eenheden. Ik vraag u, naar
aanleiding van dat overleg vanmid-
dag een kort twee-minutendebat te
agenderen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2665" anker="688" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, conform

</spreker>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


