<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN1986]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Voortzetting van de behandeling van de brief inzake de koers omtrent de ontwikkeling van het hoger onderwijs (23900 VIII, nr. 57)</item>
<item attribuut="Bestand"> 53 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Hoger onderwijs (Algemeen)
Rijksbegrotingen (Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen)</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Wetenschappelijk onderwijs
Hbo
Rijksbegroting Onderwijs Cultuur en Wetenschappen</item>
<item attribuut="Dossiernr">23900 VIII</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 14, Tweede Kamer, pag. 2666-2674</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">21-12-1994</item>
<item attribuut="Document-id">HAN1986</item>
<item attribuut="Omvang">9 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Tweede Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Collegegelden hoger onderwijs</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Stemmingen</item>
<item attribuut="doccode">TK 38</item>
<item attribuut="voorzitter">Beinema</item>
<item attribuut="voorzitter">Deetman</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="38-2666">

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
- de brief inzake de koers
omtrent de ontwikkeling van het
hoger onderwijs (23900-VIII, nr.
57).
De beraadslaging wordt hervat. 
<spreker pagina="38-2666" anker="191" naam="De voorzitter">
 Iedereen weet dat de
spreektijd in tweede termijn een
derde van die in eerste termijn
bedraagt. De spreektijd in eerste
termijn was 5 minuten. Er kan niet
gecompenseerd worden via
interrupties, want dat is op voorhand
reeds ruimschoots gebeurd.</spreker>
<blok pagina="38-2666">

 
<spreker pagina="38-2666" anker="192" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Voorzitter! Ook na de eerste termijn
van dit debat is mijn fractie ervan
overtuigd dat het kabinet in dezen tot
nu toe geen goed beleid heeft
gevoerd. De minister wordt
daarnaast door de regeringsfracties
opnieuw het bos in gestuurd, terwijl
hij blij was dat hij er met een
intentieakkoord uit was. Kortom, de
zaak is weer aan het rollen. Mijn
fractie vindt het absoluut onaan-
vaardbaar als de resterende
bezuinigingen afgewenteld worden
op de studenten. Zij is van mening
dat het onderwijsveld sowieso de
rust moet krijgen om de resterende
zaken inhoudelijk goed met elkaar te
bespreken.
In dat verband wil ik graag mijn
op 15 december tijdens het debat
over de Najaarsnota ingediende
motie op stuk nr. 3 vanmiddag ter
stemming brengen. De inzet van die
motie is dat van de meevaller van
1,7 mld. een bedrag tot 200 mln.
wordt ingezet voor het Fonds
economische structuurversterking
ten behoeve van het hoger onder-
wijs. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2666" anker="193" naam="De voorzitter">
 De motie-Rabbae
(24000, nr. 3), ingediend op 15
december jl. bij de behandeling van
de Najaarsnota, wordt aan de
agenda toegevoegd. Over de motie
zal vanmiddag worden gestemd.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2666">

 
<spreker pagina="38-2666" anker="194" partij="PvdA" naam="Van Gelder">

Voorzitter! Ik dank de bewindsperso-
nen voor de gegeven antwoorden, in
het bijzonder de minister van
Financie¨n. Ik zal niet ontkennen dat
je als vertegenwoordiger van een
wat grotere partij, zeker als het een
regeringspartij is, enigszins
gehandicapt aan dit soort discussies
meedoet. In de eerste plaats heb je
het regeerakkoord waar je je, al dan
niet van harte, aan gecommiteerd
hebt. Daarmee is de speelruimte om
heel frank en vrij over allerlei leuke
dingen te praten, wat minder. In de
tweede plaats – en dat is een
duidelijke politieke keuze – is mijn
fractie van mening geweest, dat het
het verstandigst is om in het
onderwijs te kiezen voor het
vrijwaren van het funderend
onderwijs. Ik wil het nog eens herhalen: dit debat gaat niet alleen
over de vraag of het schandelijk is
dat het collegegeld met
ƒ 1000 omhoog gaat, maar dat heeft
ook te maken met een trits van
andere besluiten die in de loop van
de laatste maanden genomen zijn.
Voorzitter! Ik houd staande dat er
sprake is van een duidelijke lijn,
zowel in de opvatting van de
PvdA-fractie als in die van de
minister. Wij erkennen die althans.
Wat de inhoud betreft, heeft dat te
maken met de eerder aangekondigde
veranderingsmodellen voor het
hoger onderwijs, waarvoor in het
HOOP en dergelijke de voedingsbo-
dem is gelegd. Ook wijs ik op de
financie¨le aspecten. Ik hoef niet te
herhalen wat ik in eerste instantie
gezegd heb.
Wij vinden het waardevol dat er
nu een duidelijke afspraak is
gemaakt met de instellingen om tot
een verkorting van de verblijfsduur
te komen. Die verkorting kan
neerslaan in een verkorting van de
cursusduur dan wel door betere
begeleiding gestalte krijgen. De
minister heeft op basis van het
akkoord dat hij nu gesloten heeft, de
inspanningsverplichting op zich
genomen om te kijken of er samen
met de instellingen aan alternatieven
gewerkt kan worden dan wel of er op
een aantal terreinen aanscherpingen
van de afspraken aan de orde
moeten komen. Wat ons betreft,
moet duidelijk worden gemaakt dat
er van een wat meer evenwichtige
aanpak sprake is. Dat moet wel
gebeuren op basis van het akkoord
dat nu voorligt. Ik steun de minister
daarin en ik ga ervan uit dat de
komende periode gebruikt zal
worden om de door ons gevraagde
duidelijkheid te verschaffen. Dan
zullen wij eind februari een
eindoordeel geven.
Ik heb nog twee opmerkingen over
het collegegeld. In de eerste plaats is
het een probleem om het collegegeld
met ƒ 1000 te verhogen. Dat zal ik
niet ontkennen en als het mogelijk is
om in het kader van een alternatieve
aanpak tot een verlaging te komen,
heeft dat onze instemming. Wij
willen nu echter in ieder geval
aankondigen dat er alle reden is om
het vraagstuk van de collegegelden
straks in een nadrukkelijker verband
te zien met de ook aangekondigde
wijziging op het gebied van de
studiefinanciering. Als de minister
straks een oordeel aan de Kamer
voorlegt over wat hij op wat langere
termijn met de studiefinanciering van
plan is, lijkt het mij nodig dat het
vraagstuk van het collegegeld in dat
kader een ruimere plaats zal krijgen.
In de tweede plaats vind ik dat wij
af en toe de indruk wekken nogal
statisch te denken over vragen over
de hoogte van het collegegeld. Het
moet toch zo kunnen zijn dat men
met name in het hoger onderwijs de
zojuist genoemde discussie over
enerzijds de cursusduur en ander-
zijds een betere begeleiding van
studenten weet te vertalen in een
model waardoor het mogelijk wordt
dat de gemiddelde student korter
aan de universiteit verblijft? Het zou
wel eens kunnen zijn dat als je dat,
gecombineerd met het leningbedrag,
op je laat inwerken, studenten in de
toekomst beter af blijken te zijn door
de nu door ons gepleegde inspannin-
gen in de richting van het hoger
onderwijs dan wat nu heel concreet
vaak uit de plaatjes naar voren komt.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2667">
<spreker pagina="38-2667" anker="195" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Voorzitter! Ik spreek mijn dank
uit aan de minister voor de
beantwoording van onze vragen en
opmerkingen. Die dank strekt zich
uiteraard ook uit tot de staatssecreta-
ris van OCW en de minister van
Financie¨n. Wij vinden het een goede
zaak dat de minister op dit moment
van plan is om alternatieven van de
anderen te vragen, vooral van de
instellingen, maar ook van de
studenten. De minister gaat daar
verder mee aan het werk. Ik
benadruk echter dat wij het
belangrijk vinden dat de minister ook
in dit traject zelf actief blijft en zelf de
regie houdt.
De minister heeft in zijn beant-
woording een aantal aanbevelingen
genoemd die ik in eerste termijn al
had aangeduid en die afkomstig zijn
uit het rapport van de technische
commissie. Ook dat vind ik een
goede zaak, want daar zitten een
aantal dingen bij die zeker boven
tafel moeten blijven.
Een ander positief punt is dat de
minister grote waarde hecht aan de
conditionering bij de vaststelling van
de hoogte van de collegegelden. Die
koppeling willen wij heel graag en
heel duidelijk leggen. Daar maak ik
echter een kanttekening bij. Wij
vinden niet alleen de fasering belangrijk: wij vinden ook dat de
hoogte bij het overleg daarover een
rol moet spelen. Ik vertrouw erop dat
het plaatje dat wij eind januari zullen
zien, evenwichtiger is, maar wel
hetzelfde uitgangspunt heeft als wat
er nu voorligt.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2667">

 
<spreker pagina="38-2667" anker="196" partij="SGP" naam="Van der Vlies">

Mijnheer de voorzitter! Ik zeg de
bewindslieden dank voor hun
beantwoording. In eerste termijn heb
ik vanmorgen het algemene
gevoelen van de SGP-fractie over de
gang van zaken rondom het hoger
onderwijs al verwoord. Ik ga dat niet
herhalen. Natuurlijk moet er ook in
de visie van de SGP-fractie het een
en ander gebeuren in het hoger
onderwijs. Dat vergt overleg en dat
vraagt om doordenking en de
ontwikkeling van visie. Er moeten
uiteindelijk concrete maatregelen
komen en daar zullen bekostigings-
effecten uit ontstaan. Concrete
plannen moeten worden ontwikkeld.
De kwaliteit en de toegankelijkheid
van het onderwijs moeten voorop-
staan, maar de collegegeldverhoging
als maatregel om uit de financie¨le
impasse voor de korte termijn te
komen, staat de SGP-fractie niet aan.
Natuurlijk sluiten wij aanpassingen
van collegegelden en van de
studiefinanciering niet dogmatisch
uit, maar voor dit stadium vormen zij
een uiterst ongelukkige greep.
</spreker>
<spreker pagina="38-2667" anker="197" partij="SGP" naam="Van der Vlies">
 De
minister zal alternatieven tot zich
nemen, zo die worden aangereikt, en
hij zal die beoordelen. Uiteraard
zullen wij de uiteindelijke voorstellen
hebben af te wachten. Een ding wil
ik nog in deze termijn gezegd
hebben. Wat er ook gebeurt, de
inkomenseffecten zullen dragelijk
moeten zijn. Niet alleen voor de
lage-inkomensgroepen, maar ook
voor de middeninkomensgroepen. Ik
heb het niet meer over de hoge-
inkomensgroepen. Dat is voor de
SGP-fractie op zichzelf genomen een
wat ander verhaal. Wij hebben grote
zorg dat al deze maatregelen zich
voor de middeninkomens qua effect
opeen zullen stapelen. Ik weet dat
een van de sprekers na mij daarover
de Kamer een uitspraak zal voorleg-
gen, waar ik op voorhand steun aan
heb betuigd. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2667" anker="198" naam="De voorzitter">
 Het woord is aan de
heer Stellingwerf.
</spreker>
<spreker pagina="38-2667" anker="199" naam="De voorzitter">
 Het is van belang dat
wij gedurende enige tijd de
vergadering schorsen, omdat dit deel
van het kamergebouw ontruimd
moet worden.
De vergadering wordt van 14.45 uur
tot 16.08 uur geschorst. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2667" anker="200" naam="De voorzitter">
 Ik dank al diegenen
die behulpzaam zijn geweest bij de
ontruiming van de gebouwen van de
Kamer. Deze ontruiming is op een
zeer ordelijke, rustige en perfecte
manier verlopen. Het was geen
oefening. De melding die binnen-
kwam, moest, zo werd mij medege-
deeld, zeer serieus worden genomen.
Reden waarom ik besloten heb om
geen risico te lopen.
Het woord is aan de heer Rouvoet,
die al dicht bij het spreekgestoelte
was gekomen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2667">

 
<spreker pagina="38-2667" anker="201" partij="RPF" naam="Rouvoet">
 Mijnheer de
voorzitter! Toen ik aangekondigd werd, gebeurde dat met de woorden:
’’Het woord is aan de heer Stelling-
werf’’. Ik hoopte al dat u het zou
corrigeren, maar dat u het debat
ervoor plat gooide, vond ik wat
overdreven. Ik heb inmiddels
begrepen dat daar andere overwe-
gingen aan ten grondslag hebben
gelegen.
Ik kan kort zijn in deze tweede
termijn. Dank voor de antwoorden.
De minister heeft duidelijk te kennen
gegeven dat hij zich niet zo voelde
aangesproken door termen als
’’zwabberbeleid’’. Die term heb ik zelf
in de mond genomen. Ik moet van
mijn kant zeggen dat ik niet echt
overtuigd ben door zijn verdediging
en door zijn wijzen op de consistente
lijn die door de regering gevolgd zou
zijn. Dat zwabberbeleid heb ik ook
uitgestrekt in de richting van de
regeringsfracties, met name waar het
ging over het wel of het niet akkoord
gaan met de verhoging van het
collegegeld en ook de intentieverkla-
ring waar later weer afstand van
genomen werd omdat het toch niet
goed te verteren was. De heer
Wallage sprak van ’’buiten propor-
ties’’ en mevrouw Jorritsma heeft in
dit debat van ’’onevenwichtig’’
gesproken.
Over het mee onderhandelen heb
ik iets gezegd in mijn eerste termijn.
Ik heb er wat moeite mee dat mee
onderhandelen toch ook sturing
geeft aan de inhoud van de
onderhandelingen. Dat gebeurt dan
buiten de zaal en via de media, maar
niet of nauwelijks in deze zaal. Dit
lijkt mij toch de aangewezen plaats
daarvoor. Het bezwaar van mijn
fractie blijft dat er geen duidelijke
visie ten grondslag ligt aan het
beleid ten aanzien van het hoger
onderwijs. De minister spreekt van
grove penseelstreken in het
regeerakkoord die vervolgens
worden ingekleurd met onder andere
deze onderhandelingen. Ik heb de
indruk dat er meer sprake is een
lelijke en wat ongerichte verfvlek in
het regeerakkoord en dat nu vlekjes
moeten worden weggewerkt. Mijn
bezwaar blijft dat er sprake is van
bezuinigingen zonder een grondige
analyse. Ik heb dat ook in mijn eerste
termijn gezegd.
Afrondend, de verhoging van het
collegegeld ter invulling van een deel
van het bezuinigingsbedrag is voor
ons onverteerbaar. Ik heb in eerste
termijn vragen gesteld bij de relatie
tussen de verhoging van het
collegegeld enerzijds en de
kwaliteitsverbetering, studeerbaar-
heid en dat soort prachtige termen
anderzijds. Ik heb daar moeite mee
en dat is de reden dat ik de motie
waarvan al eerder gesproken is, en
die straks zal worden ingediend door
het CDA, mede heb ondertekend.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2668">

 
<spreker pagina="38-2668" anker="202" partij="SP" naam="Poppe">
 Mijnheer de
voorzitter! De minister koppelt de
verhoging van het collegegeld aan
voorwaarden. Daar wil ik nog twee
dingen over zeggen. Sinds de
invoering van het collegegeld is het vele malen verhoogd: van ƒ 500 in
1973 naar ƒ 2150 in 1994. Dat is een
ruime verviervoudiging. Die
verhogingen hebben niet geleid tot
een op collegegeldverhoging
gebaseerd beter onderwijs of tot een
betere organisatie van het onderwijs.
Alleen al om die redenen moet een
verdere verhoging van het college-
geld worden afgewezen.
Ik kom toe aan de andere gebieden die de minister noemt:
personeelsbeleid, overhead en
bestuursstructuur. Als de minister
denkt dat de financiering van deze
zaken doelmatiger kan, zijn wij van
mening dat hij daarover apart met de
instellingen, de studenten en ook
met de Kamer moet spreken. Iets dat
beter kan, zal altijd beter moeten. Er
kan veel beter. Ik heb begrepen dat
het eigenlijk ook gewoonte is om de
zaken van elkaar te scheiden. De
vraag is waarom dat nu plotseling
niet gebeurt. In dit geval koppelt de
minister het financie¨le lot van de
studenten aan dat van de instellin-
gen. Dat is voor de SP-fractie niet
aanvaardbaar.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2668">

 
<spreker pagina="38-2668" anker="203" partij="AOV" naam="Nijpels-Hezemans">

Mijnheer de voorzitter! Voor de
AOV-fractie staan de kwaliteit en de
toegankelijkheid van het onderwijs
voorop. Wij hebben geen bezwaren
tegen flexibilisering van de cursus-
duur, mits de kwaliteit niet wordt
aangetast. Om al bij voorbaat ervan
uit te gaan, dat het een halfjaar
korter zal moeten, lijkt ons wat
voorbarig. Wij menen dat de minister
bij de bespreking van de alternatie-
ven op de een of andere manier de
touwtjes in handen moet houden. Hij
dient de Kamer op tijd en regelmatig
te informeren.
Wij gaan niet akkoord met de
voorgestelde collegegeldverhoging,
anders dan de verhoging die
normaal plaatsvindt.
Voorzitter! Ook mijn fractie heeft
de steun gegeven aan de nog in te
dienen motie.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2668">

 
<spreker pagina="38-2668" anker="204" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">

Mijnheer de voorzitter! Wij hebben
een voorstel ontvangen voor de
invulling van de taakstelling in het
hoger onderwijs. Bij het geheel
hebben wij in eerste termijn in de
voorwaardelijke sfeer enige
kanttekeningen gemaakt, waarvan
wij verwachten, dat de minister die
meeneemt in de gesprekken in de
komende weken. Ik doel hierbij op de
financie¨le impuls voor kwaliteits-
verbetering en studeerbaarheid en
de relatie van de inzet van de
wachtgelden versus de stelsel-
herziening. Het gaat hier om
aandachtspunten.
Een onderdeel, de verhoging van
de collegegelden kan onze waarde-
ring niet krijgen en ze lijkt ons ook
niet nodig. Wij hebben dat in eerste
termijn gemotiveerd aangegeven.
Wij verwachten van de minister – hij
heeft dat min of meer toegezegd –
dat hij zich inzet voor een andere
invulling van dat onderdeel. Het gaat
hier uiteindelijk om een voorstel van
het kabinet en wij vragen het kabinet
dringend naar alternatieven te
zoeken. De taakstelling is afgespro-
ken en staat niet ter discussie. Wij
rekenen erop dat wij eind januari een
voorstel ontvangen waarop wij ja
kunnen zeggen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2668">

 
<spreker pagina="38-2668" anker="205" partij="CDA" naam="Lansink">
 Mijnheer de
voorzitter! De bewindslieden past
enige dank voor de antwoorden. Ik
zeg ’’enige’’, omdat gemengde
gevoelens blijven overheersen. Ik zal
ook zeggen waarom. De minister van
Financie¨n heeft bekwaam zijn risico’s
afgedekt via de minister van Onderwijs. Budgetdiscipline: ja, maar
via de minister van Onderwijs. Die
pakt dat tot in de volgende eeuw.
Wat het oplevert zullen wij afwach-
ten. Staatssecretaris Nuis is een
beklagenswaardige figuur geworden,
want hij wacht op antwoord, op
reacties. Maar die komen niet en dat
is ook begrijpelijk. Zijn minister sluit
intussen een intentieverklaring met
de instellingen die vooruitloopt op
een inhoudelijk debat.
En dan de minister. Hij blijft, zo
heeft hij gezegd, voluit achter de
doelstellingen staan, doelstellingen
die in totaliteit de spankracht te
boven gaan. Een bedrag van 1,5 mld.
is te gek en blijft te gek. Maar goed,
de minister pakt met dank de
adempauze, die de coalitie – een nog
steeds verdeelde coalitie, hetgeen
blijkt uit de verschillende opvattingen
over de verhoging van het college-
geld – hem geeft tot eind februari.
Mij rest slechts om daarop te
wachten. Op de nadrukkelijke
opmerkingen over het zigzagbeleid
komt ook geen behoorlijk antwoord.
Voorzitter! Ik houd staande dat wij
met z’n allen terug bij af zijn. Dat is
niet goed voor het onderwijs. De
regering moet regeren.
Ten slotte nog iets over het
collegegeld. Gisteren leek het er via
de kranten op – die durf ik bijna niet
meer aan te halen na het betoog van
de heer Van Gelder – dat de
verhoging van de collegegelden door
de coalitie fors zal worden veran-
derd. Alleen mevrouw De Vries heeft
daarover zojuist een duidelijke
uitspraak gedaan, die overigens weer
haaks staat op wat de minister heeft
gezegd, maar dat terzijde.
Omdat dit debat toch inhoudelijk
moet worden afgesloten op een
wijze die recht doet aan hetgeen
moet gebeuren en gehoord de hele
Kamer, dien ik een motie in, mede
namens de collega’s Rabbae,
Nijpels-Hezemans, Rouvoet, Van der
Vlies, Schutte en Poppe.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende, dat de intentieverkla-
ring tussen de VSNU, de HBO-raad
en de minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen door de
verschuiving van de financie¨le
taakstelling naar de collegegelden de
lasten van de ombuiging vrijwel
geheel bij studenten en ouders legt;
voorts overwegende, dat het
regeerakkoord naast de voorziene
ombuiging op het hoger onderwijs al
een financie¨le taakstelling van 1,0
mld. gulden bij de Wet studie-
financiering legt;
van oordeel, dat sprake is van een
onbillijke en onevenwichtige
lastenverzwaring, met name voor de
middeninkomens;
verzoekt de regering de voorgestelde
verhoging van de collegegelden in
heroverweging te nemen,
en gaat over tot de orde van de dag. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2669" anker="206" naam="De voorzitter">
 Deze motie is
voorgesteld door de leden Lansink,
Rabbae, Nijpels-Hezemans, Rouvoet,
Van der Vlies, Schutte en Poppe.
Zij krijgt nr. 60 (23900-VIII). 

</spreker>
<spreker pagina="38-2669" anker="207" partij="CDA" naam="Lansink">
 Voorzitter!
Het debat zal moeten worden
voortgezet, ook op het punt van de
geloofwaardigheid, op een later
moment.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2669">

 
<spreker pagina="38-2669" anker="208" partij="Centrum Democraten" bronpartij="CD" naam="Janmaat">
 Voorzitter!
Ook de CD-fractie wacht af welke
maatregelen de regering gaat
nemen. Het onderwijsveld is intussen
natuurlijk heel duidelijk kenbaar
gemaakt dat bepaalde ontwikkelin-
gen zullen worden ingezet, die
uiteindelijk toch in het bijzonder
neerkomen op bezuinigingen en op
verhoging van de studiekosten. De
CD nemen een afwachtende houding
aan. Ik maak alleen nog een
opmerking over het collegegeld.
De verhoging die was voorzien, en
nu niet doorgaat, zou erop neer zijn
gekomen dat het collegegeld precies
tien keer zo hoog werd als in het jaar
1954. Het is de vraag of dat nu
zoveel uit verhouding is als je een
vergelijking maakt met de onderwijs-
situatie toen. Maar goed, de
verhoging wordt door een grote
meerderheid van de Kamer
afgewezen. De CD-fractie is er ook
niet voor. Als het op een verhoging
van het collegegeld aankomt, wijzen
de CD erop dat dit geen inkomens-
effecten mag hebben. Dat wil zeggen
dat de studenten die nu reeds van
een beurs of van andere financie¨le
voorzieningen van de overheid
gebruik moeten maken daardoor niet
op lange termijn onevenredig zwaar
mogen worden belast, zeker niet met
rentedragende leningen. De CD
vinden ook dat de middeninkomens
daarvan zeker geen inkomens-
politieke gevolgen mogen ondervin-
den. Wat tot nu toe nog niet in de
Kamer is gezegd, namelijk dat er ook
niet voor de hoogste inkomens
inkomenspolitieke gevolgen aan
mogen zijn verbonden, is ook de
mening van de CD. De situatie in dit
land mag niet worden dat je als je bij
wijze van spreken naar de bakker
gaat, je je belastingaanslag moet
meebrengen om de prijs van het
brood vast te stellen. Op die manier
heeft verschil in inkomen geen zin
meer.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2669">

 
<spreker pagina="38-2669" anker="209" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik dank de geachte
afgevaardigden die gesproken
hebben, ook voor datgene dat zij in
tweede termijn naar voren hebben
gebracht. Ik denk dat het goed is om
ook nu weer te beginnen met de
conclusies die het kabinet trekt naar
aanleiding van datgene dat in dit
debat is gezegd, met natuurlijk ook
de eigen afwegingen die het kabinet
op dat punt te maken heeft.
De conclusie van het kabinet in
eerdere instantie was dat er heel
belangrijke aanleidingen zouden
moeten zijn om te kunnen afwijken
van een intentieverklaring waaraan
het kabinet voluit zijn steun heeft
gegeven, ondertekend door drie bewindslieden: collega Van Aartsen,
collega Nuis en mijzelf. Als ik het
goed begrijp, is ook de Kamer van
mening dat juist die intentieverkla-
ring een heel belangrijke inzet is en
een gedachtenlijn om te blijven
volgen, maar dan wel met verbijzon-
deringen en uitwerkingen. In dat
opzicht denk ik dat de oproepen die
als het ware door sommigen in de
Kamer worden gedaan om daarvan
af te wijken, een oproep zijn tot
zwabberen en daar voelt het kabinet
zich niet toe geroepen. Met andere woorden: de intentieverklaring blijft
het uitgangspunt.
Ik denk dat daar ook vanuit de
reacties alle reden voor is. In dat
opzicht zijn ons immers een aantal
dingen als een splinter in het oog gesprongen: bij de reacties in eerste
termijn, naar aanleiding van de
intentieverklaring. Wij moeten er dan
oog voor hebben die splinter er even
uit te halen en deze geen balk te
laten worden, wanneer het gaat om
wat er in tweede instantie is gebeurd
naar aanleiding van de intentiever-
klaring. De HBO-raad heeft zeer
nadrukkelijk, met steun van alle
centrale directies en van alle colleges
van bestuur van de HBO-instellingen,
gezegd – daar was moed voor nodig,
want het moet ook verdedigd
worden bij de eigen instellingen; ik
heb daarvan brieven gezien waaruit
veel moed sprak – dat hij inzet op die
intentieverklaring. Dat is niet niks,
want dat is het gezamenlijk met het
kabinet kiezen voor een moeilijke
koers, zij het dat dit tegelijkertijd een
koers is die perspectief biedt. Men is
daarmee niet conflictschuw ten
aanzien van datgene dat men in de
eigen omgeving ook tegenkomt.
Ik denk dat er sprake is, ook
wanneer het over de VSNU gaat, van
een nogal gedifferentieerd beeld,
maar dit kan voor het kabinet geen
enkele aanleiding zijn om te zeggen
dat die intentieverklaring niet meer
relevant is. Maar vervolgens
constateer ik, met al de geachte
afgevaardigden die gesproken
hebben, dat er nog een wereld valt
te winnen. Natuurlijk, wij zijn nog
lang niet klaar en natuurlijk moeten
er nog heel veel uitwerkingen
plaatsvinden en zijn er wellicht
mogelijkheden tot verbeteringen. Een
kabinet dat bij wijze van spreken heel
star zou zijn en zou zeggen dat in
dezen het laatste woord is gespro-
ken, dat zou een kabinet zijn dat niet
in overeenstemming met de
samenleving functioneert.
Het is in dit opzicht nodig een
goed oog en oor te hebben voor wat
zich in de samenleving voordoet en
wat er vanuit instellingen naar voren
kan worden gebracht. Als het gaat
om hetgeen zich vanuit de samenle-
ving voordoet, denk ik ook in termen
van plekken waar verantwoordelijk-
heid wordt genomen en ten opzichte
waarvan ook afwegingen kunnen
worden gemaakt. In dat opzicht denk
ik dat die intentieverklaring valt uit te
werken en gedetailleerd en verfijnd
kan worden. Het betekent wat mij betreft ook: samen met instellingen
en studenten werken aan het vorm
geven van de conditionering van de
collegegeldverhoging. Daarbij gaat
het mede om die twee verschillende
aspecten die door de geachte
afgevaardigden ook in de tweede termijn naar voren zijn gebracht: in
de eerste plaats met het oog op
studeerbaarheid en in tweede
instantie met het oog op de
vaststelling dat men in eigen huis
maximaal heeft gedaan wat daar
gedaan behoort te worden. Het betekent: eerst orde op zaken in
eigen huis en dan een collegegeld-
verhoging. Ten aanzien van die
koppeling dient te worden nagegaan,
met de partijen die de intentieverkla-
ring hebben getekend en vervolgens
verdedigd, hoe dat vorm kan krijgen.
Ik ben ervan overtuigd dat daar veel
mogelijkheden liggen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2670" anker="210" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Voorzitter! Begrijp ik goed dat de
minister zegt, dat hij ervan uitgaat
dat de collegegeldverhoging gewoon
overeind blijft en dat het hem er
alleen maar om gaat om met de
instellingen te praten over de
fasering en de nadere conditio-
nering? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2670" anker="211" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Dat is punt een en
nu komt punt twee, maar daarbij is
mijns inziens niet meer het kabinet
aan zet, maar zijn instellingen en
studenten aan zet, namelijk om te
komen met alternatieven. Het eerste
punt is een helder punt, waarin alle
opmerkingen, ook die van de
geachte afgevaardigden, volledig begrepen zijn: orde op zaken in eigen
huis. Maar vervolgens gaat het om
mogelijkheden van alternatieven en
worden deze afgewacht. Mevrouw
Jorritsma heeft daar al eerder over
gesproken en natuurlijk bekijken wij
dat vanuit de regie die het kabinet
daarin voert. Wij zullen daarbij niet
afwachten, wat in eerste instantie het
beeld was van de heer Van Gelder,
maar wij zullen dat actief bevorde-
ren. Dat begint nu met de Hoger-
onderwijskamer en morgen met de
Studentenkamer en vervolgens zal er
in de komende weken een afwikke-
ling plaatsvinden voor het bij elkaar
brengen van de alternatieven en het
goed nagaan van die alternatieven.
Op 1 februari zal, in combinatie met
het eerste, de opbrengst hiervan
worden aangegeven aan de Kamer.</spreker>
<spreker pagina="38-2670" anker="212" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Ik vind de conditionering
buitengewoon belangrijk, alsmede de
fasering die de minister ook heeft
genoemd. Ik heb ook in mijn eerste
en tweede termijn de hoogte van de
collegegelden genoemd. Daar heb ik
de minister nu niet over gehoord. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2670" anker="213" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Voor de
collegegeldverhoging moeten wij
zowel de conditionering als de
fasering en de hoogte bekijken.
Wanneer je serieus uitgaat van het
pakket dan zullen die alternatieven
door andere partijen moeten worden
aangebracht, waardoor zal blijken dat
die mitigering mogelijk is. Natuurlijk
zal er in het gesprek en zeker in het
informele gesprek, een vrij forse
gedachtenwisseling zijn. Tegelijker-
tijd kan ik niet beloven dat het zal
gaan over een forse vermindering
van de collegegeldverhoging. Ik heb
immers al in eerste termijn aangege-
ven, dat dit al heel snel leidt tot
bezuinigingen bij instellingen die ten
koste zouden kunnen gaan van het
onderwijs. Maar daar waar het wel
mogelijk is en de instellingen die lijn
ook aandragen, behoort dat zeker tot
de mogelijkheden. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2670" anker="214" partij="PvdA" naam="Van Gelder">

Voorzitter! Er kan geen misverstand
over bestaan, dat ook voor de fractie
van de PvdA geldt, dat zij afhankelijk
van de inspanning en het verslag dat
de minister daarover naar de Kamer
zendt, een definitief oordeel geeft.
Voor mijn fractie is een verslagleg-
ging over de inspanning om de
hoogte van de collegegelden ter
discussie te stellen, noodzakelijk. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2670" anker="215" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Voorzitter! Voor mij
was dit debat als zodanig noodzake-
lijk, ook gezien de ontstane, snelle
veranderingen in de posities, niet
zozeer van het kabinet alswel van
daarbuiten. In zoverre bood dit het
kabinet ook de mogelijkheid, een
verheldering te geven over hoe de
koers anders had kunnen zijn. Ik
maak hierbij inderdaad nadrukkelijk
de kanttekening dat hier geen
oordeel door de Kamer wordt
uitgesproken over datgene wat door
het kabinet naar voren is gebracht.
Dat is ook niet de bedoeling want dat
hoeft in feite pas in de begroting
voor 1996 te gebeuren. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2670" anker="216" partij="CDA" naam="Lansink">
 Voorzitter!
Door mij, maar ook vanuit de
coalitie, is gepleit voor het zelf in de
hand houden van de regie. Dat
betekent dat de minister zelf met
voorstellen moet komen. Hij moet
regeren. Hij heeft rekening te houden
met wat er in de Kamer leeft. Ik stel
vast uit het antwoord dat zojuist is
gegeven over de gelden die bij de
studenten worden weggehaald, dat
de verhoging van de collegegelden
lager zal uitpakken. Dat betekent toch
dat de minister zelf de verantwoorde-
lijkheid moet nemen, ook gelet op
hetgeen de heer Van Gelder zojuist
heeft gezegd. Hij laat de minister als
het ware een beetje bengelen. Is dat
dan zo’n prettig vooruitzicht? 

</spreker>
<spreker pagina="38-2670" anker="217" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Voorzitter! Ik hoor
twee verschillende dingen. Daar
waar het kabinet regie voert, voelt
het zich niet bungelen. Zeker niet
wanneer het gaat om het verder
uitwerken van lijnen die eerder zijn
uitgezet. Daar wil ik ook mee
beginnen. Het kabinet voelt zich
gehouden aan de intentieverklaring.
Het kabinet gaat vervolgens werken
aan de verbijzondering van die
intentieverklaring en het vraagt aan
de andere partijen, die meenden dat
zij nadat de voorzitters die intentie-
verklaringen hadden getekend toch
nog een aantal belangrijke opmerkin-
gen moesten maken, hoe zij zich dat
hadden voorgesteld, in welke context
zij dat zien en in hoeverre zij bereid
zijn de consequenties daaruit te
trekken. Daar komt nog de vraag bij
of die consequenties voor het
kabinet aanvaardbaar zijn. Het is
immers mogelijk dat een instelling
akkoord gaat met een bezuiniging en
dat het kabinet die conclusie niet wil
overnemen omdat het ten koste gaat
van het onderwijs dat studenten
genieten. Wij moeten ons er dus van
verzekeren dat de volle inzet voor de
kwaliteit van het onderwijs blijft
bestaan. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2671" anker="218" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">
 Los
van het feit dat ik het met de laatste
woorden van de minister eens ben,
namelijk dat de kwaliteit van het
onderwijs natuurlijk de inzet van het
geheel is – daar ging het ons nu en
in de toekomst uiteindelijk om – raak
ik toch een beetje bevreesd door zijn volgorde. Hij zegt: voor het kabinet
staat de collegegeldverhoging
overeind, maar wij zullen kijken naar
datgene wat de instellingen
maximaal in eigen huis hebben
gedaan en wat zij kunnen doen. Ik
hoop dat ik de uitleg van de minister
goed geparafraseerd heb. Voor ons
gold de omgekeerde volgorde. Wij –
en dan bedoel ik de coalitiepartijen
maar ook andere partijen – hebben
de minister in eerste en ook in
tweede termijn aangegeven dat wij
binnen een aantal richtingen
mogelijkheden zien om te besparen
op efficiency en doelmatigheid. Dat
lijkt mij de eerste zaak. Wij hebben
de minister gevraagd, zich daarvoor
in te zetten en ons daarover eind
januari te rapporteren. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2671" anker="219" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Voorzitter! Ik heb
deze vraag niet beluisterd als een
vraag om afstand te nemen van de
intentieverklaring. Als wij het
daarover eens zijn, is het tegelijker-
tijd vanzelfsprekend dat de opvattin-
gen die in deze Kamer naar voren
zijn gebracht ook maximaal worden
betrokken bij de uitwerking in de
komende weken. Maar ik denk dat
wij heel scherp moeten zijn.
Nogmaals, elke uitnodiging om te
zwabberen, moeten wij helaas afwijzen. Dus: een rechte koers
daarheen. De collegegelden vormen
inderdaad een wezenlijk onderdeel
van de intentieverklaring, helaas.
Want nogmaals, niemand heeft die
keuze gemaakt vanuit rijkdom. Het
was een keuze vanuit schaarste,
gemaakt vanuit de opvatting dat
tegemoet moet worden gekomen
aan een goedkoper en een kwalitatief
krachtiger onderwijs voor de burger.
Dat is een heel lastig weggetje om te
begaan. Daarvoor hebben wij
inderdaad een oplossing gevonden.
Een steen weghalen, doet het
gebouw instorten. Het zou de
overheid ook ongeloofwaardig
maken, gezien de intentieverklaring.
In dat opzicht heb ik kritisch
gereageerd op andere partijen. Maar
dat mag zich vervolgens nooit vertalen in: dan kunnen wij ons op
dezelfde wijze gaan opstellen. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2671" anker="220" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Voorzitter! Ik neem aan dat het
verwijt tot zwabberen door de
minister is gedaan in de richting van
de coalitiegenoten, met name de
VVD. Als hij het verwijt in de richting
van GroenLinks heeft gedaan, daag
ik de minister uit om aan te geven
waar mijn partij in dit debat aan het
zwabberen is geweest. Als hij dat
niet kan waarmaken, verzoek ik hem
zijn woorden in te trekken. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2671" anker="221" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Voorzitter! Ik heb
het tegen niemand in het bijzonder gezegd. Ik heb gezegd: als wordt
gevraagd om af te wijken van de
intentieverklaring, is er sprake van
een uitnodiging tot zwabberen. Dat
heb ik echter niemand horen vragen.
Dan kom ik bij de motie van de
heer Rabbae. Het klinkt zo ontzettend
aardig, 200 mln. uit de pot halen. En
waar is die pot dan eigenlijk? Dat is
de pot van de toekomst. Dat is dus
geld dat in feite wordt geleend op de
toekomst. En wie betaalt dat terug?
Dat zijn precies dezelfde jonge
mensen om wie het nu gaat. Als
wordt gesproken over de relatie met
het financieringstekort wijs ik erop
dat het een lastige koers is, dus met
het oog op de toekomst op lange
termijn. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2671" anker="222" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Voorzitter! Hier begrijp ik helemaal
niets van. Wij hebben zojuist
geconcludeerd dat de minister van
Financie¨n de wachtgelden nu al
inzet, terwijl er eigenlijk geen sprake
is van ontslagen. Dat heeft hij zelf
erkend als een afwijking van zijn
disciplinair gedrag waar het gaat om
de begroting. In mijn motie stel ik
dat het mogelijk is in het kader van
de meevaller van 1,7 mld. Die
meevaller is door dezelfde minister
van Financie¨n voorgelegd aan de
Kamer om er de 250 mln. uit te
nemen. Dan moet de minister van
Onderwijs mij nu niet zeggen dat het
eigenlijk geld van de toekomst is. Als
in de toekomst wordt geı¨nvesteerd,
dan is het wel door de wachtgelden
nu reeds in te zetten terwijl de
ontslagen zich nog niet hebben
voorgedaan. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2671" anker="223" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Voorzitter! De
situatie is precies zoals door de heer
Rabbae geschetst. Dat is in zekere zin
ook meteen het antwoord aan het
adres van de heer Lansink, als ik
deze twee kamerleden op deze
manier aan elkaar mag verbinden.
Nog eens 200 mln. daar bovenop
vindt het kabinet te zwaar, met het
oog op de toekomst.
Dan kom ik bij de andere
benadering. Ook de heer Lansink
heeft een motie ingediend, die door
een aantal geachte afgevaardigden is
medeondertekend. Allereerst gaat
het om de vraag hoe de verhoging
van de collegegelden breder moet
worden gezien. De heer Lansink zei daarvan nadrukkelijk: wat er nu
gebeurt, is dat alles bij de student
wordt gelegd. Maar dat is toch niet
het juiste beeld? Zojuist heeft de
heer Rabbae een ander deel van het
beeld naar voren gebracht. De
minister van Financie¨n heeft dat ook
naar voren gebracht. Inderdaad, het
was goed afgedekt en op een solide
financieringswijze. Maar er kwam
wel 1 mld. van het kabinet bij. Er is
dus inderdaad de gelegenheid
geboden om instellingen in de
positie te brengen om het lange-
termijnbeleid keurig en goed vorm te
geven, een lange-termijnbeleid
gericht op gemiddeld korter
studeren. Instellingen nemen dus
ook heel wat hooi op hun vork.
Studenten moeten daarin ook een rol
spelen. De positie van studenten zal
bezien worden met het oog op de
conditionering, zoals eerder naar
voren is gebracht. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2671" anker="224" partij="CDA" naam="Lansink">
 Ik heb de
cijfers in eerste termijn duidelijk naar
voren gebracht. Over het bedrag van
1 mld. zullen nog voorstellen worden
gedaan. Het programma ’’Student op
eigen benen’’ loopt al. Vervolgens
komt daar ƒ 400.000 bruto bij via het
heffen van collegegelden. Dat wordt
minder door het terugvloeien van
gelden via de systematiek van de
Wet op de studiefinanciering. Lagere
inkomens worden gecompenseerd.
Prima. Overigens, dat beeld kan weer
veranderen als de andere voorstellen
in bewerking zijn. Ik houd staande
dat het leeuwedeel van de 500 mln.,
dat in eerste instantie door de
instellingen opgebracht had moeten
worden, nu bij de studenten wordt
gelegd. Dat een en ander netto
anders uitpakt, is weer een ander
verhaal. Dat heeft ook te maken met
de systematiek van wachtgelden etc.
Overigens heeft mevrouw De Vries
niet voor niets keer op keer afstand
genomen van de voorstellen van de
minister op dit thema. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2672" anker="225" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Mijn reactie op de
motie van de heer Lansink had sterk
betrekking op het evenwicht tussen
de verschillende partijen die een rol
spelen in de lange-
termijnontwikkeling van het hoger onderwijs: overheid, studenten en
instellingen. Het misverstand dat is
ontstaan bij de heer Lansink, moet ik onmiddellijk wegnemen. Ik bedoelde:
alleen wanneer er sprake zou zijn
van grote inefficie¨nties. Het rapport
van de technische werkgroep heeft
die niet aangegeven. Het liet een
heel gemeˆleerd beeld zien. Dat beeld
was overigens gebaseerd op
gegevens uit 1990. In de jaren
daarna hebben nogal wat verande-
ringen plaatsgevonden. Dat beeld
leidt ook niet gemakkelijk tot
vertalingen in termen van
bezuinigingsmogelijkheden. In dat
kader moet het heel duidelijk zijn dat
elke rechtstreekse bezuiniging die
niet de differentiatie heeft die men
eraan zou willen verbinden, leidt tot
vermindering van de kwaliteit voor de student. Met andere woorden: de
student komt in dat opzicht altijd in
de problemen. Het is beter om dat
helder zichtbaar te maken in de vorm
van condities voor collegegeld-
verhoging, condities voor een
duidelijke verbetering van de
studeerbaarheid en ook van condities
in termen van orde op zaken in eigen
huis. Verhoging van de collegegel-
den behoort vervolgens tot de
mogelijkheden, waarbij gekeken
moet worden naar de mogelijkheden
van beperkingen daarvan.
Voorzitter! Hiermee ben ik
gekomen aan het eind van mijn
beantwoording in tweede termijn. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2672" anker="226" naam="De voorzitter">
 Het is mij gebleken
dat er behoefte is aan een derde
termijn. Ik stel voor, hiertoe
gelegenheid te geven.
Daartoe wordt besloten.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2672">

 
<spreker pagina="38-2672" anker="227" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Voorzitter! Ik concludeer dat de
minister zijn best doet, maar er niet
uitkomt. Dat zal hij overigens straks
wel aan den lijve ondervinden. Aan
het begin van mijn eerste termijn
heb ik de heer Wallage een vraag
gesteld over zijn positie als
fractievoorzitter ten opzichte van de
bewindslieden. Hij had namelijk
gezegd dat hij keurig zal letten op
een vroegtijdig ingrijpen als het gaat
om het in de problemen komen van
eigen bewindslieden en andere
bewindslieden. Vindt hij niet dat hij
zelf ten minste heeft bijgedragen aan
het in de problemen brengen van de
minister van Onderwijs? Dan wil ik
nog niet zeggen het laten bungelen
van de minister. De minister is een
paar keer in de steek gelaten door de
coalitiepartners. Vindt de heer
Wallage het als fractievoorzitter
verantwoord dat de minister van
Onderwijs in deze situatie is
gebracht?
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2672">

 
<spreker pagina="38-2672" anker="228" partij="CDA" naam="Heerma">
 Mijnheer de
voorzitter! Gehoord het debat en
kennis nemend van de interrupties
die de regeringsfracties in tweede
termijn pleegden, resteren nog drie
punten ter afronding van dit debat.
Het gaat om een tussendebat
waarvan de minister zei dat het
noodzakelijk was en dat ben ik met
hem eens. Het gaat echter om een
tussendebat.
De minister zegt dat zijn geloof-
waardigheid niet in het geding is;
daar was hij duidelijk over. Ik laat het
bij die constatering zijnerzijds.
Evenals de andere twee punten wil ik
ook dit punt expliciet vastgesteld hebben: heeft de minister in zijn
ogen voldoende steun en vertrouwen
van de regeringspartijen voor de taak
die hij ook in de komende vijf weken
te vervullen heeft? Ik refereer hierbij
aan uitlatingen van de heer
Bolkestein als fractieleider van een
van de drie regeringspartijen, die het
beleid van de minister heeft
gekwalificeerd als willekeurig en niet weloverwogen: een ’’hapsnap-
beleid’’. Ik wijs voorts op het verschil
tussen de eerste reacties op de deal
met het onderwijsveld en de reacties
enkele dagen later.
Voor mijn tweede punt sluit ik mij
aan bij de heren Rabbae en Wallage.
Bij het aantreden van dit kabinet zei
de laatste dat er wat gemakkelijker
gewisseld zou moeten worden als er
sprake was van bewindslieden die de
fout in gingen. Ik heb de volgende concrete vraag aan de heer Wallage:
valt minister Ritzen onder de
potentie¨le kandidaten, of heeft hij
voor de volle 100% het vertrouwen
van de PvdA-fractie? Ik verneem
hierop graag een helder antwoord,
ook gezien de rol die de minister
heeft te vervullen in de komende vijf
weken.
Tot slot een vraag aan de heer
Bolkestein. Hij heeft het onderwijsbe-
leid met de bezuiniging van 500 mln.
op hoger onderwijs en de
collegegeldverhoging met ƒ 1000 een
hapsnapbeleid genoemd. Volgens
Van Dale is een hapsnapbeleid een
beleid dat willekeurig is en niet
weloverwogen. Geldt deze kwalifica-
tie van een week geleden nog steeds
voor dit beleid? Zo niet, wat is
daarvan dan de reden?
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2672">

 
<spreker pagina="38-2672" anker="229" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Mijnheer
de voorzitter! De antwoorden die de
regering in dit debat heeft gegeven –
dus de minister van Onderwijs en de
anderen die namens de regering
hebben gesproken – hebben naar
mijn mening goed aangegeven dat
de lastige missie die het regeerak-
koord voor het hoger onderwijs
bevat, met volle inzet wordt gevoerd.
Ik heb daar waardering voor.
Het is waar wat de collega’s Rabbae en Heerma zeiden: het
regeerakkoord geeft het hoger
onderwijs een moeilijke positie. Wij
hebben ervoor gekozen, in dat
regeerakkoord het basisonderwijs,
het voortgezet onderwijs en het
beroepsonderwijs te vrijwaren van
bezuinigingen, waardoor de
bezuinigingstaakstelling zich
concentreert op een deel van het
onderwijs, en dat is complex. In die
zin heeft de heer Rabbae gelijk als hij
zegt dat de oorzaak van de
oplopende spanning tussen het
kabinet en het hoger onderwijs in het
regeerakkoord ligt. Daarom steunt de
fractie van de PvdA de minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap-
pen in zijn pogingen om het
regeerakkoord uit te voeren. Ik sprak
van een doorbraak toen de minister
erin slaagde, het kabinet ervan te
overtuigen dat ruimte gemaakt
moest worden voor de korte termijn,
om vorm te geven aan de handha-
ving van de budgettaire doelstellin-
gen voor de lange termijn van het
regeerakkoord en aan de grote verandering in het hoger onderwijs:
veel studenten, die echter een wat
kortere verblijfsduur zullen kennen.
Dit was en is een doorbraak die de
minister van Onderwijs tot stand
heeft gebracht.
Voorzitter! De vraag van de heer
Heerma is hiermee eigenlijk al
beantwoord, maar ik wil ook wel een
expliciet antwoord geven. Toen ik zei
dat de taak van voorzitters van
regeringsfracties is om goed toe te
zien op de effectiviteit van bewinds-
lieden, wist ik natuurlijk dat ik een
opmerking maakte die de eerst
woordvoerder van de oppositie een
kans zou geven om daarover te
beginnen. Die opmerking moet echter wel goed verstaan worden:
het ging niet om de beoordeling van
ministers door de oppositie, maar
door de geestverwante fracties. En
daar gaan wij dus wel zelf over.
Minister Ritzen heeft de afgelopen
maanden naar mijn mening onder
moeilijke omstandigheden op een
creatieve manier vorm gegeven aan
het regeerakkoord. Hij heeft dat zo
gedaan dat het hoger onderwijs nu
betere kansen heeft om dat
regeerakkoord tot uitvoering te
brengen dan toen hij voor de tweede
keer aan zijn zware missie begon. Hij
mag zich dus verzekerd weten van
100% steun van de PvdA-fractie bij
zijn moeilijke missie.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2673">

 
<spreker pagina="38-2673" anker="230" partij="VVD" naam="Bolkestein">
 Mijnheer
de voorzitter! Ik beperk mij tot vijf
korte punten en een antwoord op de
vraag van de heer Heerma.
1. Het regeerakkoord legt vast dat
1,5 mld. wordt bezuinigd op de
uitgaven van het hoger onderwijs.
Wij willen het regeerakkoord zowel
hier als elders uitvoeren. Het
basisprobleem is dat te veel
studenten te lang studeren en dat
probleem moet worden aangepakt.
2. Er is iets mis met de financie-
ring van het hoger onderwijs. Nu
gebeurt dat hoofdzakelijk door
middel van een bedrag per student.
De instellingen proberen dus zoveel
mogelijk studenten aan te trekken en
vast te houden door fantasierijke
studierichtingen en door het minder
nauw te nemen met eisen van
kwaliteit. Ook collegegeld gaat direct
van de student naar de instelling.
Verhoging van dat collegegeld zou
dat perverse effect dus versterken.
Wij moeten toe naar een financiering
van het hoger onderwijs, die
onafhankelijk is van het aantal
studenten, in ieder geval voor de
korte termijn. Verhoging van het
collegegeld wijst in de tegenoverge-
stelde richting.
3. Het collegegeld wordt gemoti-
veerd met het profijtbeginsel. Daar
valt wat voor te zeggen, zelfs veel,
want er bestaat een tamelijk direct
verband tussen opleiding en later
inkomen. Maar dat profijt heeft niets
te maken met het inkomen van de
ouders. Het profijtbeginsel strijdt dus
met de inkomensafhankelijkheid.
4. Ik herhaal en benadruk hetgeen
mijn collega, mevrouw De Vries,
vandaag heeft gezegd. Zij zei in de
eerste plaats dat de hoofdinspanning
om de bezuinigingen op tafel te
leggen, moet worden geleverd door
de instellingen van hoger onderwijs.
In de tweede plaats werd door haar
gezegd dat een verhoging van het
collegegeld waarbij universiteiten en
hogescholen de vrijheid krijgen zelf
hun collegegeld vast te stellen, voor
ons niet op voorhand hoeft te
worden afgewezen. Dan kan er meer
concurrentie ontstaan tussen de
instellingen van hoger onderwijs.
Ook de heer Van der Ploeg, lid van
de fractie van de Partij van de
Arbeid, heeft daarop gewezen. Hier
tekent zich dus een basis voor een
compromis af. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2673" anker="231" partij="PvdA" naam="Wallage">
 De heer
Bolkestein weet dat ik daar nooit
tegen ben. Daarom vraag ik nog
even opheldering over zijn opmer-
king over de relatie tussen de eigen
bijdrage en inkomens van ouders.
Het profijt dat de student van zijn
opleiding heeft, relateer je aan het
inkomen dat die student later gaat
verdienen en niet aan het inkomen
van de ouders van die student.
Daarin heeft de heer Bolkestein op
zichzelf gelijk. Desalniettemin hebben
wij voor het bestaande stelsel van
studiefinanciering en in regeerak-
koord daarnaast uitgesproken, dat
’’beperking van de studieschuld voor
studerenden uit gezinnen met lage
inkomens in de rede ligt’’. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2673" anker="232" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Ik mag toch
aannemen dat ook die afspraak voor
de heer Bolkestein overeind blijft. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2673" anker="233" partij="VVD" naam="Bolkestein">
 Zeker.
Daar kan de heer Wallage van op
aan. Wij zijn het daarmee eens. Dat
neemt echter niet weg, dat het
stelsel dat zich tot vandaag heeft
afgetekend, een verscherping van die
inkomensafhankelijkheid betekent.
Wij kijken daar natuurlijk sceptisch
tegenaan. Dat zal niet verbazen. Dat
neemt niet weg dat wij zullen doen
wat wij hebben beloofd, namelijk
nakomen wat in het regeerakkoord is
afgesproken. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2673" anker="234" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Voor de
feitelijke gang van zaken bestrijd ik
het gebruik van het woordje
’’verscherping’’. Als de collegegelden
worden verhoogd in het bestaande
stelsel van studiefinanciering – de
heer Bolkestein en ik zullen over de
mate waarin dat mogelijk is, nog een
indringend gesprek met de regering
voeren – ligt een compensatie voor
kinderen uit gezinnen met lage
inkomens in de rede. Dat hebben wij
in dat stelsel ingebouwd. Dan is er
dus geen sprake van een verscher-
ping, maar van een toepassing van
het bestaande beginsel bij wat
hogere bedragen. In dat opzicht
luistert het nauw. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2673" anker="235" partij="VVD" naam="Bolkestein">
 Het
luistert inderdaad nauw. Ik zal graag
met de collega’s en in de eerste
plaats met de heer Wallage
overleggen over de inkomens-
afhankelijkheid van dat collegegeld.
Ik herhaal dat het profijtbeginsel
haaks staat op de inkomens-
afhankelijkheid voor zover dit het
inkomen van de ouders betreft.
5. Het hoger onderwijs lijdt aan
een duur en onwerkbaar bestuurs-
systeem, dat evenwel door de
wetgever is opgelegd en dat zo
spoedig mogelijk moet veranderen.
In antwoord op een vraag van de
heer Heerma meld ik ten slotte dat
mijn opmerking sloeg op de
afgelopen zes maanden van het
beleid van de minister, en niet zozeer
op wat vandaag in deze zaal ter
sprake wordt gebracht. Ik heb daarbij
het halve jaar van de minister
volledig in overweging genomen. Ik
hoef niet te herhalen wat er allemaal
is gebeurd voor en na de formatie;
de opmerkingen van de heer Nuis,
het al dan niet naar WVC verschui-
ven van de academische ziekenhui-
zen. Dat geheel heeft het beeld
opgeroepen dat ik aldus heb
gekwalificeerd. Dat betreft het
verleden. Die kwalificatie neem ik
niet terug, maar ik vertrouw er ten
volle op dat de minister tussen nu en
eind januari zal komen met een
verstandig compromis, waarover
mijn fractie zich bij die gelegenheid
zal uitlaten. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2674" anker="236" partij="CDA" naam="Heerma">
 Mijnheer de
voorzitter! De minister krijgt veel
vertrouwen mee naar die onderhan-
delingen. Wie ben ik dan om uit de
bandbreedte van dat vertrouwen
weg te lopen? Dat is niet het punt
van discussie. De heer Bolkestein
heeft vorige week woensdagavond in
de radio-uitzending ’’Met het oog op
morgen’’ in een interview met
mevrouw Brandsma gesproken van
een hapsnapbeleid. Wat hij in
verband daarmee zei, ging over de
afgelopen dagen. Hij zal ook hebben
gerefereerd aan de afgelopen
maanden. Ik geef hem in overweging
de komende dagen, wanneer er
wellicht tijd is, nog eens naar de
band te luisteren. Hij refereerde aan
de eerste dagen van vorige week. Op
maandag was de minister aanwezig
op de bijeenkomst in Groningen. Op
dinsdag was er het nieuws en op
woensdagavond vond het interview
plaats. De heer Bolkestein heeft
ongetwijfeld ook gedacht aan de
afgelopen maanden. Overigens is het
morgen sinds vier maanden en dus
niet sinds zes maanden dat minister
Ritzen de verantwoordelijkheid
draagt. Ik geef toe dat het langer lijkt.
Daarop had het niet betrekking, het
had betrekking op de afgelopen
dagen. Ik heb er nota van genomen
dat de heer Bolkestein zijn opmer-
king handhaaft. Ik dank hem voor het
heldere antwoord en voor zijn ook
overigens heldere uiteenzetting. Ik
heb ook met belangstelling
geluisterd naar de interrupties van
de heer Wallage. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2674" anker="237" partij="VVD" naam="Bolkestein">
 Voorzit-
ter! In mijn gedachtengang ging ik
terug naar de maand juni. Dat is zo’n
beetje zes maanden geleden, maar
dat is verder een detail.
Ten slotte ben ik niet verantwoor-
delijk voor de heer Ritzen. De heer
Ritzen is verantwoordelijk voor
zichzelf als lid van het kabinet. Alles
wat de heer Ritzen voorstelt, doet hij
namens het kabinet. Mijn verant-
woordelijkheid is het om daarop
commentaar te geven en dat heb ik
gedaan.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2674">

 
<spreker pagina="38-2674" anker="238" partij="D66" naam="Wolffensperger">

Mijnheer de voorzitter! Ik voel mij op
een vraag van de heer Heerma
aangesproken en dat is de vraag of
de D66-fractie voldoende vertrouwen
heeft in deze minister. Ik hecht eraan
om hier te zeggen dat het antwoord
op die vraag ’’ja’’ is. Daarbij calculeer
ik in dat ik mij er althans van bewust
ben, dat wij deze minister hebben
opgezadeld met waarschijnlijk een
van de moeilijkste opgaven die in het
regeerakkoord besloten liggen. Je
zou datgene wat er in de afgelopen
tijd over de minister is geschreven
ook zo kunnen interpreteren, dat er
een zekere dapperheid uit te lezen
valt om die opgave op zich te
nemen. Wij hebben het ook
gewaardeerd dat het kabinet de
minister de ruimte heeft willen geven
om binnen de taakstelling van het
regeerakkoord tot een constructieve
oplossing te komen.
Uit het debat is gebleken dat wij
niet elke oplossing bij voorbaat
accepteren, maar wij hebben op z’n
minst het vertrouwen dat deze
minister in staat zal zijn om in de
komende weken, gewapend met de
uitkomst van dit debat, te zamen met
de instellingen te komen tot een
bevredigende oplossing die in onze
ogen de evenwichtigheid heeft
waarnaar wij zoeken bij het verdelen
van de lasten. Wellicht ten overvloe-
de doen wij in dat opzicht een
beroep op de instellingen om aan
dat gesprek op een constructieve
wijze deel te nemen. Het gaat om
ons aller belang. Datzelfde geldt voor
de studenten. Ik wil daarbij nog
beklemtonen dat voor mijn fractie
daarbij twee dingen vooropstaan,
enerzijds de kwaliteit van het hoger
onderwijs waarvoor wij zullen
vechten en anderzijds de toeganke-
lijkheid van het hoger onderwijs. Wij
hebben vooralsnog niet de indruk
dat de afspraken die in het regeerak-
koord zijn gemaakt daar ook maar in
enigerlei opzicht inbreuk op zouden
behoeven te doen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="38-2674">

 
<spreker pagina="38-2674" anker="239" soort="Minister" naam="Ritzen">
 Voorzitter! Ik meen
dat er een belangrijke vraag is
gesteld door de heer Heerma, waar
ik graag rechtstreeks en voluit op wil
antwoorden. Dat is de vraag of ik mij
als minister voldoende gesteund voel
om in de komende weken verdere
stappen te kunnen maken.
Steun moet blijken. Ik heb zojuist
een aantal fractievoorzitters van
regeringspartijen gehoord. Zij
hebben op een aantal punten
rechtstreekse steun toegezegd. Bij de
heer Bolkestein is er wat aarzeling. Ik
betreur het dat die aarzeling bestaat.
Natuurlijk heb ik er begrip voor dat
bij velen in de Kamer, maar ook
daarbuiten, ook in het kabinet en bij
mijzelf, afwegingen zijn gemaakt. Er
is nagedacht en gevoeld. In het
totale pakket dat er is gekozen,
komen buitengewoon lastige
elementen naar voren. Dat is de
consequentie van het zo zwaar
inzetten als wij bij het regeerakkoord
hebben gedaan. Ik denk dat voor het
kabinet het volgende heeft gegolden.
Als er zo zwaar is ingezet, moet je er
met enige durf en met enige moed
achter gaan staan. Mijn oproep aan
alle regeringsfracties is dan ook om
nu die durf en die moed naar voren
te brengen. In dit debat heb ik
gehoord dat die aarzelingen bestaan,
maar dat er tegelijkertijd smalle
bruggetjes bestaan.
En dan het antwoord. Ja, ik heb
inderdaad voldoende steun.
Voldoende is een term die gewogen
moet worden. Het moet trouwens
ook blijken aan het einde van de
afronding. De steun weeg ik ook af
tegen de opgave. Het hoger
onderwijs en de studenten zijn het
waard dat het kabinet zich voluit
inzet om te komen tot niet alleen
aanvaardbare compromissen, maar
ook tot een werkbaar en aantrekkelijk
perspectief voor de lange termijn.
De beraadslaging wordt gesloten. 

</spreker>
<spreker pagina="38-2674" anker="240" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, later op
deze dag te stemmen over de
moties.
Daartoe wordt besloten.</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="38-2674">

Aan de orde is de stemming over
een motie, ingediend bij het debat
over de visumverlening aan de heer H.J.C. Princen, te weten:
- de motie-Weisglas over het herzien
van de beslissing (23268, nr. 3).
(Zie vergadering van 20 december
1994.) 
<spreker pagina="38-2674" anker="241" naam="De voorzitter">
 Ik geef gelegenheid
tot het afleggen van stemverklarin-
gen vooraf.

</spreker>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


