<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2011]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van de wetsvoorstellen Partiële wijziging van het Wetboek van Strafvordering (herziening bepalingen inzake gevallen waarin en gronden waarop voorlopige hechtenis kan worden toegepast) (23178); Partiële wijziging van het Wetboek van Strafrecht en andere wetten in verband met de opheffing van het cumulatieverbod inzake de oplegging van hoofdstraffen (23681)</item>
<item attribuut="Bestand"> 19 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Strafrecht en strafprocesrecht (Straffen)
Strafrecht en strafprocesrecht (Voorlopige hechtenis)</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Voorlopige hechtenis
Straffen
Strafprocesrecht
Vermogensdelicten</item>
<item attribuut="Dossiernr">23178, 23681, 23793, 23820, 23822, 23980, 23992, 24024, 23598, 23218, 23782</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 9, Eerste Kamer, pag. 302-302</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">19-12-1994</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2011</item>
<item attribuut="Omvang">1 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Eerste Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">GATT/Toetreding WTO</item>
<item attribuut="doccode">EK 10</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="10-302">

Aan de orde is de behandeling van de wetsvoorstellen:
- Partie
¨ le wijziging van het
Wetboek van Strafvordering
(herziening bepalingen inzake
gevallen waarin en gronden
waarop voorlopige hechtenis kan
worden toegepast) (23178);
- Partie
¨ le wijziging van het
Wetboek van Strafrecht en
andere wetten in verband met de
opheffing van het cumulatie-
verbod inzake de oplegging van
hoofdstraffen (23681);
- Wijziging van bepalingen in
de Mediawet in verband met een
herstructurering van de
beheerstaken van het Neder-
lands Omroepproduktie Bedrijf
N.V. (23793);
- Tijdelijke uitbreiding van de
werkingssfeer van artikel 18 van
de Wet ziekenhuisvoorzieningen
(Tijdelijke wet uitbreiding
werkingssfeer artikel 18 WZV)
(23820);
- Intrekking van de Wet
arbeidsvoorwaardenontwikkeling
gepremieerde en gesubsidieerde
sector (23822);
- Wijziging van de Wet op de
dividendbelasting 1965 en de
Wet op de vennootschaps-
belasting 1969 (tegemoetkoming
wegens in het buitenland
geheven bronbelasting op
deelnemingsdividenden bij
dooruitdeling) (23980);
- Verlenging van de Tijdelijke
wet leenvergoeding (23992);
- Wijziging van de EER-
Uitvoeringswet (24024);
- Wijziging van onder meer de
Kaderwet Volwasseneneducatie
1991 in verband met sociale
vernieuwing volwasseneneduca-
tie (23598);
- Wijziging van de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschap-
pelijk onderzoek in verband met
decentralisatie van regelgeving
op arbeidsvoorwaardelijk terrein
(23218);
- Vereenvoudiging van de
belasting- en premiefaciliteit
voor de zeevaart (Wet belasting-
en premiefaciliteit voor de
zeevaart 1995) (23782).
Deze wetsvoorstellen worden zonder
beraadslaging en zonder stemming
aangenomen. </onderwerp>
<onderwerp pagina="10-302">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Goedkeu-
ring van het op 15 april 1994 te
Marrakech tot stand gekomen
verdrag tot oprichting van de
Wereld Handelsorganisatie, met
bijlagen 1, 2 en 3, en van het
eveneens op 15 april 1994 te
Marrakech tot stand gekomen
verdrag inzake overheidsop-
drachten, met bijlage (23961,
R1525).
De beraadslaging wordt geopend.

<blok pagina="10-302">

 
<spreker pagina="10-302" anker="446" partij="CDA" naam="Van Velzen">
 Mijnheer
de voorzitter! Het nu ter ratificering
aan de orde zijnde Verdrag van
Marrakech heeft een lange voorge-
schiedenis. De onderhandelingen in
het kader van de Uruguay-ronde
hebben ruim zeven jaar geduurd en
uiteindelijk geresulteerd in een nieuw
GATT-akkoord dat in april te
Marrakech is ondertekend. Het begon
allemaal op 26 september 1986, toen
in Uruguay de Punte del Este-
verklaring werd aangenomen, welke
als basis zou gaan fungeren voor de
onderhandelingen ter verdere
liberalisering van de wereldhandel
en het verminderen van de handels-
belemmeringen.
Wij realiseren ons dat deze
liberalisering een dynamisch proces
is. De Uruguay-ronde, volgend op de
Tokio-ronde, is de achtste sinds de
oprichting van de GATT in 1946.
Zeker is dat deze Uruguay-ronde niet
de laatste zal zijn, gelet op de nog
niet beantwoorde vragen, bijvoor-
beeld op het terrein van de
investeringen. Met grote vasthou-
dendheid moet gewerkt worden aan
de verdere liberalisering van de
wereldhandel. De staatssecretaris zal
het mij niet euvel duiden als ik met
name haar ambtsvoorganger,
mevrouw Van Rooy, nog eens dank
voor haar inzet in dezen.
’’Het nu afgesloten verdrag is
goed voor Nederland omdat het
meer werkgelegenheid zal cree¨ren.’’
Deze verwachting sprak mevrouw
Van Rooy uit nadat de Europese
Ministerraad akkoord ging met het
Verdrag van Marrakech. Zeker
Nederland heeft als handels- en
distributienatie grote belangen bij
een zo ongehinderd mogelijk
verlopende export. Een belangrijk
deel van de nieuwe banen in ons
land komt voort uit groei van de
handel en niet uit allerlei initiatieven
van overheden, zoals banenpools,
hoe wenselijk deze ook voor
specifieke groepen kunnen zijn.
Mijnheer de voorzitter! Ik dank de
staatssecretaris voor de uitvoerige en
adequate beantwoording van de
vragen die door onze fractie zijn
gesteld. Uit het antwoord op onze
vraag naar de effecten van het
WTO-verdrag voor het bedrijfsleven
blijkt ook dat, op enkele uitzonderin-
gen na, de positieve effecten
overheersen. Een stijging van het
wereldhandelsvolume met 9 tot 24%,
samen met maatregelen waartoe is
besloten tijdens de Top in Essen en
financieel-economische sociale
maatregelen die ook in ons eigen
land moeten worden genomen,
kunnen leiden tot meer export-
kansen. Een en ander moet gepaard
gaan met een versterking van onze
concurrentiepositie door een beleid
gericht op structuurversterking.
De oprichting van de Wereld-
handelsorganisatie met de verplich-
ting tot het gebruik maken van het
multilaterale beslechtings-
mechanisme voor geschillen, roept
wel de vraag op naar de gevolgen
voor ons eigen land. Zie ik het goed,
dan heeft Nederland nagenoeg geen
eigen handelspolitiek instrument
meer over. Tot op zekere hoogte
houden wij exportsubsidies. Ook
blijven er promotionele activiteiten
over, naast meer algemene
economische instrumenten zoals
investeringsregelingen, vestigings-
voorwaarden, mededinging,
technologiestimulering en dergelijke.
Voor een handelsnatie bij uitstek is
het van belang te realiseren dat dit
het geval is en dat dit natuurlijk
gedurende een lange periode is
ontstaan. Nederland moet daarbij op
de eerste plaats vertrouwen op de
Europese Unie. Dit verlies aan
nationale soevereiniteit moet dus
gecompenseerd worden door een
krachtige positie van de Unie en een
actieve rol van Nederland daarin. In
die zin is het ook noodzakelijk dat de
tweeslachtige positie die nu ontstaan
is door de uitspraak van het
Europese Hof inzake de
bevoegdheidsverdeling tussen
lidstaten en de Europese Unie op het</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


