<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2012]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van het wetsvoorstel Goedkeuring van het op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen verdrag tot oprichting van de Wereld Handelsorganisatie, met bijlagen 1, 2 en 3, en van het eveneens op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen verdrag inzake overheidsopdrachten, met bijlage (23961, R1525)</item>
<item attribuut="Bestand"> 80 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Handel en economie (Wereldhandelsorganisatie (WTO))</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Internationale handel
WTO
Aanbestedingen</item>
<item attribuut="Dossiernr">23961</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 9, Eerste Kamer, pag. 302-316</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">19-12-1994</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2012</item>
<item attribuut="Omvang">15 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Eerste Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">GATT/Toetreding WTO</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Kinderbijslag</item>
<item attribuut="doccode">EK 10</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="10-302">

Aan de orde is de behandeling van de wetsvoorstellen:
- Partie
¨ le wijziging van het
Wetboek van Strafvordering
(herziening bepalingen inzake
gevallen waarin en gronden
waarop voorlopige hechtenis kan
worden toegepast) (23178);
- Partie
¨ le wijziging van het
Wetboek van Strafrecht en
andere wetten in verband met de
opheffing van het cumulatie-
verbod inzake de oplegging van
hoofdstraffen (23681);
- Wijziging van bepalingen in
de Mediawet in verband met een
herstructurering van de
beheerstaken van het Neder-
lands Omroepproduktie Bedrijf
N.V. (23793);
- Tijdelijke uitbreiding van de
werkingssfeer van artikel 18 van
de Wet ziekenhuisvoorzieningen
(Tijdelijke wet uitbreiding
werkingssfeer artikel 18 WZV)
(23820);
- Intrekking van de Wet
arbeidsvoorwaardenontwikkeling
gepremieerde en gesubsidieerde
sector (23822);
- Wijziging van de Wet op de
dividendbelasting 1965 en de
Wet op de vennootschaps-
belasting 1969 (tegemoetkoming
wegens in het buitenland
geheven bronbelasting op
deelnemingsdividenden bij
dooruitdeling) (23980);
- Verlenging van de Tijdelijke
wet leenvergoeding (23992);
- Wijziging van de EER-
Uitvoeringswet (24024);
- Wijziging van onder meer de
Kaderwet Volwasseneneducatie
1991 in verband met sociale
vernieuwing volwasseneneduca-
tie (23598);
- Wijziging van de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschap-
pelijk onderzoek in verband met
decentralisatie van regelgeving
op arbeidsvoorwaardelijk terrein
(23218);
- Vereenvoudiging van de
belasting- en premiefaciliteit
voor de zeevaart (Wet belasting-
en premiefaciliteit voor de
zeevaart 1995) (23782).
Deze wetsvoorstellen worden zonder
beraadslaging en zonder stemming
aangenomen. </onderwerp>
<onderwerp pagina="10-302">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Goedkeu-
ring van het op 15 april 1994 te
Marrakech tot stand gekomen
verdrag tot oprichting van de
Wereld Handelsorganisatie, met
bijlagen 1, 2 en 3, en van het
eveneens op 15 april 1994 te
Marrakech tot stand gekomen
verdrag inzake overheidsop-
drachten, met bijlage (23961,
R1525).
De beraadslaging wordt geopend.

<blok pagina="10-302">

 
<spreker pagina="10-302" anker="259" partij="CDA" naam="Van Velzen">
 Mijnheer
de voorzitter! Het nu ter ratificering
aan de orde zijnde Verdrag van
Marrakech heeft een lange voorge-
schiedenis. De onderhandelingen in
het kader van de Uruguay-ronde
hebben ruim zeven jaar geduurd en
uiteindelijk geresulteerd in een nieuw
GATT-akkoord dat in april te
Marrakech is ondertekend. Het begon
allemaal op 26 september 1986, toen
in Uruguay de Punte del Este-
verklaring werd aangenomen, welke
als basis zou gaan fungeren voor de
onderhandelingen ter verdere
liberalisering van de wereldhandel
en het verminderen van de handels-
belemmeringen.
Wij realiseren ons dat deze
liberalisering een dynamisch proces
is. De Uruguay-ronde, volgend op de
Tokio-ronde, is de achtste sinds de
oprichting van de GATT in 1946.
Zeker is dat deze Uruguay-ronde niet
de laatste zal zijn, gelet op de nog
niet beantwoorde vragen, bijvoor-
beeld op het terrein van de
investeringen. Met grote vasthou-
dendheid moet gewerkt worden aan
de verdere liberalisering van de
wereldhandel. De staatssecretaris zal
het mij niet euvel duiden als ik met
name haar ambtsvoorganger,
mevrouw Van Rooy, nog eens dank
voor haar inzet in dezen.
’’Het nu afgesloten verdrag is
goed voor Nederland omdat het
meer werkgelegenheid zal cree¨ren.’’
Deze verwachting sprak mevrouw
Van Rooy uit nadat de Europese
Ministerraad akkoord ging met het
Verdrag van Marrakech. Zeker
Nederland heeft als handels- en
distributienatie grote belangen bij
een zo ongehinderd mogelijk
verlopende export. Een belangrijk
deel van de nieuwe banen in ons
land komt voort uit groei van de
handel en niet uit allerlei initiatieven
van overheden, zoals banenpools,
hoe wenselijk deze ook voor
specifieke groepen kunnen zijn.
Mijnheer de voorzitter! Ik dank de
staatssecretaris voor de uitvoerige en
adequate beantwoording van de
vragen die door onze fractie zijn
gesteld. Uit het antwoord op onze
vraag naar de effecten van het
WTO-verdrag voor het bedrijfsleven
blijkt ook dat, op enkele uitzonderin-
gen na, de positieve effecten
overheersen. Een stijging van het
wereldhandelsvolume met 9 tot 24%,
samen met maatregelen waartoe is
besloten tijdens de Top in Essen en
financieel-economische sociale
maatregelen die ook in ons eigen
land moeten worden genomen,
kunnen leiden tot meer export-
kansen. Een en ander moet gepaard
gaan met een versterking van onze
concurrentiepositie door een beleid
gericht op structuurversterking.
De oprichting van de Wereld-
handelsorganisatie met de verplich-
ting tot het gebruik maken van het
multilaterale beslechtings-
mechanisme voor geschillen, roept
wel de vraag op naar de gevolgen
voor ons eigen land. Zie ik het goed,
dan heeft Nederland nagenoeg geen
eigen handelspolitiek instrument
meer over. Tot op zekere hoogte
houden wij exportsubsidies. Ook
blijven er promotionele activiteiten
over, naast meer algemene
economische instrumenten zoals
investeringsregelingen, vestigings-
voorwaarden, mededinging,
technologiestimulering en dergelijke.
Voor een handelsnatie bij uitstek is
het van belang te realiseren dat dit
het geval is en dat dit natuurlijk
gedurende een lange periode is
ontstaan. Nederland moet daarbij op
de eerste plaats vertrouwen op de
Europese Unie. Dit verlies aan
nationale soevereiniteit moet dus
gecompenseerd worden door een
krachtige positie van de Unie en een
actieve rol van Nederland daarin. In
die zin is het ook noodzakelijk dat de
tweeslachtige positie die nu ontstaan
is door de uitspraak van het
Europese Hof inzake de
bevoegdheidsverdeling tussen
lidstaten en de Europese Unie op het
terrein van handelsrelaties snel
wordt gecorrigeerd. Ik vraag de
staatssecretaris ook wat haar
opvatting is in dezen en of zij
bijvoorbeeld bereid is bij de IGC in
1996 de Europese Unie op dat terrein
een sterkere positie te geven,
waardoor de onderhandelingskracht
van de Unie zal toenemen.
Daarbij is ook aan de orde de
positie van het Nederlandse
parlement. Er vindt in de WTO
intergouvernementeel overleg plaats.
Onduidelijk is of de besluitvorming
binnen de WTO op basis van
consensus plaatsvindt. Er komt ten
minste een tweejaarlijkse ministerie¨le
conferentie. Er worden geschillen-
commissies ingesteld en dergelijke.
Kan de staatssecretaris meer
expliciet aangeven welke verplichtin-
gen de Nederlandse regering op zich
neemt in dat kader? Op welke wijze
wordt het Nederlandse parlement
geı¨nformeerd en blijft het betrokken?
Ik verzoek de regering, de Staten-
Generaal jaarlijks te informeren over
de uitvoering van de Uruguay-ronde
en het functioneren van de WTO, het
parlement te betrekken bij de ’’code
of conduct’’ die nu binnen de
Europese Unie wordt ontwikkeld om
een gelijke positie in de WTO in te
nemen en te rapporteren over de
agenda’s van en de voortgang in de
verschillende WTO-commissies. Op
deze wijze opereert de regering ten
opzichte van de Staten-Generaal
zoals in het kader van de uitvoering
van het Verdrag van Schengen het
geval is. Beschouwt de staatssecreta-
ris de WTO als een volkenrechtelijke
organisatie?
Mijnheer de voorzitter! De nieuwe
geschillenregeling heeft ook
gevolgen voor het bedrijfsleven. Wie
wendt zich nu eigenlijk tot de WTO?
Is dat de Nederlandse regering, de
Europese Unie of beide? Of is het de
bedrijfstak die zich benadeeld voelt?
In welke mate fungeert de Neder-
landse overheid letterlijk nog als een
ontvankelijk adres voor de Neder-
landse bedrijfstak die getroffen
wordt?
Op 19 en 20 december moet de
Algemene Raad de legislatieve
richtlijn vaststellen tot uitvoering van
de Uruguay-verdragen en de WTO.
Als ik het goed heb begrepen, heeft
de Nederlandse regering enige
bezwaren tegen het door de
commissaris sir Leon Brittan
voorgestelde nieuwe handels-
instrument en tegen de mogelijkheid
dat individuele exporteurs de
commissie tot actie kunnen
aanzetten als zij menen dat zij door
anti-dumping substantie¨le schade
oplopen. Ik refereer daarbij ook aan de vorige vraag: is Nederland het
ontvankelijke adres of kunnen
Nederlandse exporteurs zich
rechtstreeks melden, bijvoorbeeld bij
de Europese Unie? Ik ga ervan uit
dat ook de Nederlandse regering
compromis-bereid zal zijn om dit
handelsinstrument vast te stellen.
Mede in het licht van het vooraf-
gaande hoor ik graag van de
staatssecretaris het regerings-
standpunt op dit punt.
Het nieuwe WTO-akkoord brengt
niet alleen maar positieve zaken. Op
een belangrijk aantal punten is er
nog onduidelijkheid. Ik denk aan het
functioneren van de WTO. Op weer
andere punten is er nog onzekerheid
respectievelijk sprake van verslechte-
ring. In het debat dat wij vandaag
voeren moet ook op dat punt
helderheid worden gecree¨erd.
Ik begin met de landbouwsector.
Voor de eerste keer is er een
gedeelte van de landbouw in een
GATT-akkoord opgenomen. Sinds de
MacSharry-voorstellen is de
Europese Unie wat granen,
oliehoudende zaden en eiwitten
betreft overgegaan op het systeem
van de Verenigde Staten, dat wil
zeggen een inkomenscompensatie
per hectare. De gevolgen van de
Uruguay-ronde zijn dat de prijzen
min of meer meefluctueren met de
prijzen van de wereldmarkt. Welk
gevolg dit systeem uiteindelijk zal
hebben op de inkomensposities van
de boeren is onzeker, mede gelet op
de spilfunctie die granen hebben op
de prijzen van andere landbouw-
produkten en op de noodzaak om de
prijzen van granen op een zeker
niveau te handhaven. De stelling op
pagina 1 van de memorie van
antwoord dat er sprake zal zijn van
welvaartswinst in de landbouwsector
zal zeker niet zonder meer van
toepassing zijn op alle landbouw-
producenten. Terecht is erop
gewezen dat door de opname van
een gedeelte van de landbouw in het
nieuwe GATT-akkoord ook internatio-
naal aandacht geschonken kan
worden in verdere onderhandelingen
aan de specifieke positie van de
landbouw, waardoor wellicht
Tokio-rondes, Blairhouse-akkoorden
en dergelijke in de toekomst
vermeden kunnen worden. Ook is de
positie van de zuivel minder slecht
dan eerder werd gevreesd, terwijl
overige onderdelen van de land- en
tuinbouw door verplichte markt-
opening betere kansen hebben.
Nochtans is waakzaamheid met
betrekking tot de effecten geboden.
De land- en tuinbouw vervult in ons
land een vitale rol, zo’n 10% van de
export. Zij vormt tevens het
economisch draagvlak van het
landelijk gebied in ons land met
inbegrip van de verstedelijkte
dorpskernen. De agrarische sector
mag en kan niet uitsluitend
afhankelijk zijn van de vrije markt.
Om in de toekomst te kunnen
investeren blijft ook in ons land
marktstabiliteit en inkomens-
zekerheid geboden. Slechts op die
manier blijft ook de leefbaarheid van
het platteland gewaarborgd. Hoe kijkt
de staatssecretaris aan tegen de
mogelijkheid van de uitbreiding van
de ongesubsidieerde kaasexport als
een van de methodes om de
inkomensposities te verbeteren?
De staatssecretaris heeft gewezen
op de studie van het Centraal
planbureau, het Landbouw-
economisch instituut en de Stichting
onderzoek wereldvoedselvoorziening,
die binnenkort zal verschijnen, met
betrekking tot de effecten van het
landbouwverdrag in het kader van de
Uruguay-ronde. Ik ga ervan uit dat
de staatssecretaris in de opdracht-
formulering ook de effecten van de
inkomenspositie voor de landbouw
heeft meegenomen en dat zij daarbij
betrekt effecten van andere
investeringen op grond van
milieu-eisen en dergelijke voor de
land- en tuinbouw.
Hoe kijkt de regering aan tegen de
gevolgen van de ondertekening van
het handelsverdrag in het kader van
de Uruguay-ronde voor de ontwikke-
lingslanden? De prijzen voor
bepaalde grondstoffen – bijvoorbeeld
koffie – met name afkomstig uit de
armste landen, zullen waarschijnlijk
scherp dalen als gevolg van dit
verdrag. Daarnaast denk ik aan het
risico van een achterblijvende export
van deze landen en de mogelijkheid
dat andere meer welvarende landen
hun produkten kunnen verdringen,
omdat deze een betere markttoegang
krijgen tot de westerse markten. Hoe
denkt de regering hierop te
anticiperen wat het beleid op het
gebied van ontwikkelingssamenwer-
king betreft, in het bijzonder ten
aanzien van het Verdrag van Lome
en de daaruit voortvloeiende
verplichtingen? Heeft de staatssecre-
taris inmiddels met minister Pronk
van gedachten kunnen wisselen over
de mogelijke gevolgen voor het
beleid op het gebied van ontwikke-
lingssamenwerking? Wat zijn de
beleidsvoornemens in dezen van het
kabinet?
De nieuwe GATT zal zeker
gevolgen hebben voor het milieu. Er
zal door de WTO een commissie
handel en milieu worden opgericht,
waarin alle leden van de WTO zitting
mogen nemen. Een van de taken van
deze commissie zal zijn het
verrichten van onderzoek naar
bijvoorbeeld landen die geen
milieunormen opleggen aan hun
industrie en daardoor in zekere zin
die industrie subsidie¨ren in
vergelijking met landen die dit wel
doen. Daarnaast is er nog de
problematiek rondom het opleggen
van handelssancties bijvoorbeeld bij
het overschrijden van emissies voor
CFK’s door bepaalde bedrijven.
Zowel deze sancties als het al dan
niet opleggen van milieunormen kan
leiden tot handelsbelemmeringen
respectievelijk ongelijkheden, wat
weer niet met het gedachtengoed
van de vrijhandel strookt. Hoe kijkt
de regering hiertegen aan?
Daarnaast wil ik in dit verband ook
graag van de staatssecretaris
vernemen wat de implicaties zijn van
dit verdrag voor andere internatio-
nale verdragen die Nederland ook
heeft ondertekend. Dan denk ik aan
het Verdrag van Rio. Verder dring ik
erop aan dat ervoor wordt zorg-
gedragen dat de toetreding niet leidt
tot afzwakking van de bestaande –
onder andere Europese – regelgeving
voor de bescherming van het milieu.
De keerzijde van dit alles kan zijn dat
bijvoorbeeld eco-labels en zelfs
sociale clausules indirect gebruikt
kunnen worden om protectionisme
van eigen produkten en diensten te
bevorderen. Heeft de staatssecretaris
al enig idee, hoe in de WTO met
deze spanning zal worden omge-
gaan?
Mijnheer de voorzitter! Aanslui-
tend op onze vragen en het
antwoord van de regering inzake het
staal, het volgende. Helaas moeten
we constateren dat de staal-
producenten in de Europese Unie in
gebreke zijn gebleven in het
nakomen van de afspraken van
februari 1993 met betrekking tot de
vrijwillige beperkingen. Dit probleem
kan in de toekomst alleen nog maar
groter worden als de Europese Unie
niet in staat is, met landen uit
Midden- en Oost-Europa tot
sluitende afspraken te komen inzake
de staalproduktie bij de verdere
discussies over de toetreding van
deze landen tot de Europese Unie.
Het is een goede zaak dat de
Europese Unie blijft streven naar een
multilateraal staalakkoord. Mijn
fractie is echter bevreesd dat op dit
punt opnieuw grote spanning kan
ontstaan met de Verenigde Staten,
en nu waarschijnlijk met de NAFTA.
Op basis van het WTO-verdrag
kunnen de VS, noch de NAFTA, niet
zo maar overgaan tot unilaterale
sancties, zoals importheffingen en
-beperkingen. Ik ga ervan uit dat de
VS door de ondertekening bewust
’’Super 301’’ buiten werking hebben
gesteld op dit terrein. Een vergelijk
op basis van onderhandelingen of
een WTO-procedure staat de VS of
de NAFTA als mogelijkheden dan
nog open. Dat vraagt echter wel
wederkerigheid. Het vraagt ook van
de Europese Unie, een inspanning te
leveren om de afspraken van februari
1993 te implementeren, een regeling
te treffen met Midden- en Oost-
Europa en om de condities met
betrekking tot de onderhandelingen
met VS/NAFTA te specificeren. Wat is
de houding van de Nederlandse
regering, mede gelet op de goede
resultaten die Hoogovens heeft
bereikt in het kader van de herstruc-
turering? Beantwoording van de
vraag of dit conflict verder escaleert
of wordt opgelost, is voor ons van
eminent belang.
In de memorie van antwoord
wordt gesteld dat de Amerikaanse
handelswetgeving is aangepast en
dat de VS als ondertekenaars
verplicht gebruik moeten maken van
de multilaterale geschillen-
beslechtingsmechanismen. Mijnheer
de voorzitter! Dit betekent een
drastische verandering van de
Amerikaanse handelspolitiek die
sinds de tweede helft van de jaren
tachtig kon worden beschreven met
het begrip ’’aggressive unilatera-
lism’’. ’’Super 301’’, het zogenaamde
’’structural impediments initiative’’
met Japan en de druk om landen
zoals India, Brazilie¨ en vooral Japan
aan te klagen, pasten in die
handelsstrategie. In de praktijk werkt
deze unilaterale benadering niet. In
een globale economie met vervlech-
tingen is het onmogelijk, precies vast
te stellen welk produkt van waar
komt en hebben Japanse firma’s ook
vestigingen in de VS. Het MITI wordt
daardoor juist gedwongen om nog
meer te reguleren teneinde de quota
te kunnen beheersen en er is sprake
van een schending van het vorige
GATT-akkoord. Het WTO-verdrag geeft de goede omslag: geen
unilaterale acties, geen op concrete
quota gerichte handelspolitiek, maar
een handelspolitiek gebaseerd op
internationale spelregels.
Mijnheer de voorzitter! Toch is de
praktijk harder dan de leer. Wat zal
het effect zijn nu het erop lijkt dat het
Japanse handelsoverschot met de
VS de laatste maand met 21% is
gestegen tot 5,17 miljard dollar? Zal
het Congres in de vernieuwde
samenstelling niet weer terugvallen
op het protectionistische scenario?
Overigens blijkt ook uit een recente
studie van drie Japanse economen
dat de Japanse consumenten
jaarlijks tussen de 2,6 tot 3,8% van
het bruto-nationaal produkt meer
moeten uitgeven om de non-tarifaire
handelsbelemmeringen in stand te
houden. Uit deze studie is gebleken
dat deze belemmeringen in het
afgelopen jaar alleen maar zijn
toegenomen, ondanks het zoge-
naamde ’’aggressive unilateralism’’
van de Verenigde Staten. Het blijkt
dus dat er meer aandacht besteed
moet worden aan deze vormen van
indirect protectionisme, dit wil zeggen: door middel van gunstige
vestigings- en investerings-
voorwaarden voor de industrie.
Moeilijk te penetreren wet- en
regelgeving, verkapte belemmerin-
gen om in distributie- en toele-
veringsbedrijven te penetreren,
subsidies op prijzen etcetera moeten
worden tegengegaan. Ook de
Verenigde Staten proberen haar
technologie-industrie te beschermen,
onder andere door bevoordeling
door overheidsopdrachten, forse
compensatie-orders en door middel
van hoge onderzoeksbudgetten. Zo
krijgt de lucht- en ruimtevaart-
industrie in de VS ruim zes keer
zoveel overheidssubsidie dan in de
Europese Unie. Zal de Nederlandse
regering hierin berusten? Gelet op de
eigen kortingen op de technologie-
subsidies wordt die achterstand
alleen maar groter.
Mijnheer de voorzitter! Dit
WTO-verdrag is een stap vooruit.
Maar het blijkt dat het OESO-initiatief
om te komen tot een multilateraal
investeringsakkoord – het MIA – een
goede aanvulling is om een aantal
van de genoemde belemmeringen
weg te werken. Mijn fractie
waardeert het dat de Nederlandse
regering hieraan een actieve bijdrage
levert en wil bevorderen dat het MIA
een onderdeel wordt van het
toekomstig programma van de WTO.
Moet ik daar nu uit begrijpen dat de
weg van de TRIM’s wordt bijgesteld
in de richting van het MIA-akkoord?
Daarnaast is er het punt van de
subsidies. In de Algemene Raad van
vandaag en morgen wordt daarover
wellicht een besluit genomen. Blijft
de vraag of Nederland binnen de
Europese Unie behoort tot die
landen die zich willen inspannen
voor een mechanisme binnen de
WTO, waarbij een onderzoek start
zodra een subsidie een bepaald
nader vast te stellen niveau heeft
bereikt. Genoemde aanpak alsmede
uitbreiding van Nederlandse en
Europese investeringen en investe-
ringen van de Verenigde Staten in
Japan en verdere globalisering zijn
waarschijnlijk produktievere
discussies dan die over managed
trade, unilateralisme en dergelijke.
Toch blijft waakzaamheid geboden.
Zo heeft onder andere Prestowitz in
zijn verschillende boeken overtui-
gend aangegeven dat de definitie
van eerlijke vrijhandel en competitie
in Japan anders is dan bij ons. Ook
Japans keuze voor conglomeraten en
uitbouw daarvan in bijvoorbeeld
China met preferentie voor eigen
toeleveringsbedrijven noopt ertoe
dat ook in de EU wordt nagedacht
over de effecten van clustervorming
rondom bepaalde thema’s binnen
industrie en over speur- en ontwikke-
lingswerk in relatie tot anti-kartel- en
mededingingswetgeving. De
spanning tussen die principes is
duidelijk aantoonbaar. Maar als de
EU op strategische posities in de
markt een leidende rol wil houden,
zal daarover in de komende tijd ook
een debat gehouden moeten
worden, zowel binnen de EU alsook
met Japan en met de VS. Het is
immers niet in het belang van deze
blokken als de EU op het wereldto-
neel zou terugvallen tot een lager
ontwikkeld niveau, met alle
welvaartsgevolgen van dien.
Mijnheer de voorzitter! Het belang
van de WTO is hierin gelegen, dat
een zeker evenwicht kan ontstaan
tussen het behartigen van de
belangen van de verschillende
handelsblokken enerzijds en die van
individuele landen, geen lid van zo’n
blok of van zwakke blokken
anderzijds. Dat dit geen overbodige
luxe is, blijkt bijvoorbeeld uit een
overzicht van de ontwikkelingen
sinds voorjaar 1993 door de
secretaris-generaal van de GATT,
Peter Sutherland. Daaruit blijkt dat in
1993/1994 al zo’n 226 anti-dumping
cases zijn aangemeld. In de GATT
bestaan reeds zo’n veertig specifieke
handelsregelingen voor allerlei
blokken en blokjes. Het is buitenge-
woon moeilijk, omdat de GATT niet
over de juiste procedure beschikt,
om de consistentie tussen handels-
relaties binnen deze blokken en de
GATT-regels te bewaren. Ook op dat
terrein heeft de WTO nog veel werk
te doen. Wij moeten alert zijn op
tegendraadse ontwikkelingen, zoals
de verhoging van de Russische
importheffingen.
Mijnheer de voorzitter! Zoals uit
mijn bijdrage blijkt, heeft de WTO
een belangrijke taak, namelijk het
bevorderen van het invoeren van
nieuwe spelregels die het multila-
terale handelsbeleid en de internatio-
nale rechtsorde op economisch
terrein versterken, met name op
gebieden zoals diensten, intellectueel
eigendom en bindende geschillenbe-
slechtingen. Deze taak is van groot
belang en dient, gelet op onze
economische belangen, zorgvuldig
door Nederland te worden uitge-
voerd, te meer daar nog veel onzeker
is en op andere terreinen nog
vooruitgang geboekt moet worden,
zoals ik heb aangegeven.
Mijnheer de voorzitter! Een
verdragsluitende partij, de Staat der
Nederlanden, hoort ook vanwege het
grote belang voor ons land
nauwgezet de vinger aan de pols te
houden en de ontwikkelingen in de
WTO op de voet te volgen. Het
betekent ook dat de Staten-Generaal
om op hun beurt hun grondwettelijke
rol te kunnen vervullen, goed
geı¨nformeerd moeten zijn over
vorengenoemde ontwikkelingen en
ook tijdig de regering een mandaat
moeten kunnen geven voordat
nieuwe verdragen worden geratifi-
ceerd.
Het is met het oog daarop dat ik
de regering dringend heb verzocht,
met voorstellen te komen om de
informatie aan de Staten-Generaal
op dit punt te continueren en de
betrokkenheid te vergroten. Mijn
fractie wacht met belangstelling het
antwoord van de regering af.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="10-305">

 
<spreker pagina="10-305" anker="260" partij="D66" naam="Mertens">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik begin met de belang-
rijkste conclusie. Het oordeel van de
fractie van D66 over dit wetsvoorstel is positief: het WTO-verdrag biedt
een veel beter kader dan de GATT ter
stimulering en regulering van een
wereldwijde fair trade en voor een
betere werking van de wetten van de
markt. Die wetten zijn wel even iets
anders dan de wetten van de jungle.
Ook de uitbreiding van het werkings-
gebied naar landbouw, de TRIP’s en
vooral het geschillenbeslechtings-
systeem dragen aan ons positieve
oordeel bij.
Dat wij wat sceptischer staan
tegenover de geuite positieve
prognoses over de groei van de
economie, de werkgelegenheid, de
inkomens en de verlaging van de
consumentenprijzen doet aan het
voorgaande niets af. Wij zijn nu
eenmaal optimisten met ervaring.
Onze zorgen hebben betrekking op
twee soorten gebieden. 1. De wetten
van de markt plegen korte metten te
maken met de kwetsbare elementen
op die markt, zoals het milieu, de
sociale rechtvaardigheid, de cultuur.
Wij zullen wereldwijd voorwaarden
moeten verbinden en grenzen
moeten stellen aan het marktmecha-
nisme. Dat heeft consequenties voor
de relatie tussen handel en milieu,
handel en sociale wetgeving, handel
en ontwikkelingssamenwerking,
handel en ’’cultuurgoederen’’. 2.
Aangezien revolutionaire, veelal
technologische vindingen hun
effecten op de markt gaan uitoefe-
nen, dreigen eigen belang en naakte
machtsstrijd het soms te winnen van
nobele doelstellingen. Dit stemt te
meer tot zorg omdat een van die
revolutionaire ontwikkelingen,
namelijk de telecommunicatie, nog
niet onder werking van dit verdrag is
gebracht.
Onze bijdrage hier is kort, want er
is haast geboden. De implementatie-
conferentie heeft ’’onder voorbe-
houd’’ 1 januari 1995 als datum van
inwerkingtreding gehandhaafd, aldus
de memorie van antwoord. Waarom
’’onder voorbehoud’’? En onder welk
voorbehoud? Is deze haast overigens
in strijd met de zorgvuldigheid, met
het belang van de zaak? Wij menen
van niet. Een proces van ruim zeven
jaar onderhandelen, rapportages,
discussies in het parlement, etcetera
ligt achter ons. Vele discussies zullen
nog volgen. Er komt nog een
uitvoeringswet. Is overigens al
bekend wanneer die wordt inge-
diend? Het is zeer te wensen dat niet
alleen het parlement, maar juist ook
het grote publiek beter zal worden
voorgelicht dan tot nu toe. Mijn
voorganger vroeg al iets dergelijks
ten behoeve van de Eerste Kamer.
Nu de gewenste correcties op het
marktmechanisme. Onze eerste zorg
betreft het milieu. Wij verwachten
juist van dit kabinet een alerte en
actieve bemoeienis met dit terrein.
De gedane toezeggingen, bijvoor-
beeld over de subcommissie handel
en milieu, stellen ons voorlopig
tevreden, maar de behandeling van
dit wetsontwerp in de Tweede Kamer
brengt ons wel tot het stellen van
enkele preciserende vragen. Volgens
de staatssecretaris zijn nadere
milieuvoorwaarden per land
mogelijk, mits bewezen is dat deze
noodzakelijk zijn. Geldt dit bijvoor-
beeld ook voor de import van
tropisch hardhout? Waarom zouden
er geen mogelijkheden meer zijn
bovenop het NMP 2? Dit staat op blz.
24 van het stenografisch verslag.
Elders suggereert de staatssecretaris
dat het slechten van barrie`res iets
anders is dan het bevorderen van
produktiestijging en dat economische
groei verenigbaar is met de
uitkomsten van Rio de Janeiro. Daar
waren de doelstellingen bescherming
van het milieu en het bevorderen
van duurzame ontwikkeling aan de
orde. Wij menen dat die economi-
sche groei wel degelijk zal resulteren
in produktiestijging, maar wij hopen
wel dat die op selectieve gronden zal
plaatsvinden. Mogen wij hierop een
reactie van de staatssecretaris
horen?
Ook over de armste ontwikkelings-
landen en de netto-
voedselimporterende landen past
grote zorg. Wij vertrouwen erop, dat
het Nederlandse kabinet de door de
WTO-landen aanvaarde verklaring
van Marrakech en vooral de
inspanningsverplichting nr. 2 – ik
verwijs naar blz. 8 van de memorie
van toelichting – naar letter en geest
zal uitvoeren en als dat nuttig of
nodig is, initiatieven zal nemen.
Het laatste punt van zorg in deze
categorie, de correcties op het
marktmechanisme, betreft de TRIP’s,
de verdragen tot bescherming van
intellectueel eigendom en tot
bestrijding van handel in nage-
maakte goederen. Onze tevredenheid
over de opneming van dit gebied in
het WTO-verdrag wordt enigszins
getemperd door de bonte verschei-
denheid in technische en beleidsma-
tige zin op dit terrein in de verschil-
lende landen. Ik stel twee vragen ter
illustratie. Past het zesjarige
’’registratie’’-octrooi wel in het
WTO-verdrag? Vorige week nog
hebben wij dit bij het passeren van
de Rijksoctrooiwet aangenomen. En
wat gaat het kabinet ondernemen ter
bescherming van het industrieel
eigendom in ontwikkelingslanden als
daar geen goede wetgeving ter zake
is? Als voorbeeld geef ik de Indiase
boeren. De door hen geteelde
kostbare gewassen worden door
buitenlandse ondernemingen
opgekocht. Kan rechtstreekse
werking van het WTO-verdrag hier
niet erg goed helpen? Het is maar
een vraagje.
De tweede categorie van zorg
wordt gevormd door de geavan-
ceerde technologische vindingen en
hun toepassingen. Het betreft hier
vooral terrein dat als nog onvol-
doende geliberaliseerd wordt
getypeerd, namelijk het terrein van
de GATS, de diensten. Ook dit lezen
wij in de memorie van toelichting.
Op enkele gebieden is zelfs nog geen overeenkomst bereikt: de telecom-
municatie, de financie¨le en mari-
tieme diensten en de subsidies op
vliegtuigbouw. Vooral het ontbreken
van een kader voor de telecommuni-
catie baart ons zorgen. Waar is
overigens de audiovisuele sector
gebleven? De Europese Unie heeft
daar onder aanvoering van Frankrijk
tegenover de Verenigde Staten zo’n
punt van gemaakt op grond van het
cultuurbelang dat in het geding is.
De vraag over de telecommunica-
tie is om twee redenen extra van
belang. 1. Wereldwijd zien wij fusies
van grote ondernemingen. Daarbij
vervaagt het onderscheid tussen
telecommunicatie, computers en
omroep/media hoe langer hoe meer.
Daarvan zijn werkelijk voorbeelden te
over. 2. De ontwikkelingen op het
gebied van de ’’elektronische
snelweg’’ zullen wereldwijd bepalend
zijn voor de economische ontwikke-
ling van het komende decennium als
geheel en daarmee dus ook voor het
slagen van de betrokken doelstellin-
gen in het WTO-verdrag. Internatio-
nale (ook financie¨le) dienstverlening
en multimedia-ontwikkelingen op tal
van terreinen zullen revolutionaire
veranderingen bewerkstelligen. En
juist op deze terreinen – zoals gezegd: inclusief de audiovisuele
sector – is een WTO-kader afwezig,
of moet ik zeggen nog afwezig...? Derhalve is onze slotvraag: ziet het
Nederlandse kabinet hier mogelijkhe-
den voor initiatieven?
</spreker>
</blok>
<blok pagina="10-306">

 
<spreker pagina="10-306" anker="261" partij="RPF" naam="Schuurman">
 Mijnheer
de voorzitter! Bij dit wetsvoorstel
mag ik ook het woord voeren
namens de fracties van de SGP en
het GPV.
Een jarenlange geschiedenis wordt
met de bespreking van het voorlig-
gende verdrag afgesloten. Die lange
geschiedenis was nodig om vele
belangen tegen elkaar af te wegen
en te harmoniseren. Voor een
eenvoudig kamerlid is het onmoge-
lijk dat hele proces en de uitkomsten
daarvan te overzien. Ik wil slechts
een paar opmerkingen maken over
zaken waarover ik nauwelijks iets
heb gelezen.
Bij de behandeling van het
verdrag in de Tweede Kamer is tot
mijn verbazing heel weinig gezegd
over de invloed van de technologi-
sche ontwikkeling. Bij andere
debatten, bijvoorbeeld bij het debat
over het werkgelegenheidsbeleid,
heb ik wel eens gezegd dat in de
waardering en de beoordeling van
de huidige en vooral toekomstige
technologische ontwikkelingen blinde
vlekken zijn. Dat kan tot gevolg
hebben dat wij in plaats van met de
verwachte positieve effecten van de
technologie worden geconfronteerd
met het tegendeel. Ik wil proberen,
dat mogelijke averechtse effect van
de technologische ontwikkeling toe
te lichten.
Ik meen dat met de regelingen die
in het verdrag aan de orde zijn, oude
kwesties worden opgelost. Handels-
oorlogen kunnen vanwege het
wegnemen van handels-
belemmeringen worden voorkomen.
Oneerlijke handelspraktijken, zowel
op het gebied van de export als op
het gebied van de import, kunnen
worden uitgebannen, zodat eerlijke
wereldhandel mogelijk wordt. Aan
die verwachtingen twijfel ik geen
moment. Ik word echter argwanend
wanneer ik in de memorie van
antwoord lees dat er een geweldige
groei in welvaart wordt verwacht en
dat die groei nog wel eens vele
keren groter kan worden wanneer de
’’dynamische effecten, zoals
bevordering van technologische
ontwikkelingen’’ ... ’’(worden)
meegenomen in de berekeningen’’.
Inderdaad zal technologie de
economie bevorderen, vooral
wanneer economische belemmerin-
gen worden weggenomen. Voor het
overige zouden de resultaten nogal
eens kunnen tegenvallen, want er is
geen garantie dat de technologie ook
verantwoord wordt ontwikkeld. Grote
problemen van ecologische, sociale
en politieke aard zijn dan niet
uitgesloten, vooral omdat, zoals in
de memorie van antwoord wordt
gezegd, de primaire invalshoek van
het verdrag een economische is.
Gelukkig wordt in de preambule ook
over andere zaken gesproken en zal
er aan een milieucode gewerkt
worden. Maar is dat niet volstrekt
onvoldoende om ook de dreigende
werkloosheid door geavanceerde
technologiee¨n te keren? Is bovendien
de kans niet groot dat landen die het
verdrag ondertekenen, meer en meer
technologisch afhankelijk worden
van een klein aantal grootmachten of
multinationals? Dat kan maatschap-
pelijke ontwrichting tot gevolg
hebben bij een groeiende wereldeco-
nomie.
Voorts kan een ongenormeerde,
dus een onverantwoorde technologie
de sociale rechtvaardigheid tussen
de landen en vooral een gezonde
relatie met ontwikkelingslanden
behoorlijk dwarsbomen. Het verdrag
bedoelt integratie van ontwikkelings-
landen in de wereldeconomie. Van
de door hen te leveren grondstoffen
en produkten zullen inderdaad een
aantal van die landen kunnen
profiteren. Maar wanneer wij de
ontwikkeling van de technologie bij
onze overwegingen betrekken, zal
het resultaat zeker niet bij voorbaat
vaststaan. Onze geavanceerde
technologie kan juist hun grondstof-
fen en produkten overbodig maken.
Zo las ik dat het straks mogelijk zal
zijn om met de biotechnologie
bijvoorbeeld ananas in de Betuwe te
kweken, of cacao in de Flevopolder.
Daarvan worden wij niet de dupe,
maar er zijn natuurlijk ook technolo-
giee¨n waarbij dat wel het geval is. En
van onze geavanceerde technolo-
giee¨n kunnen weer anderen de dupe
worden.
Vorige week heb ik bij de
behandeling van de Octrooiwet al
aandacht gevraagd voor het
verschijnsel van toenemende
afhankelijkheid van ontwikkelingslan-
den door gepatenteerde technolo-
giee¨n. Vooral genetisch gemodifi-
ceerde planten zorgen voor verlies
van biodiversiteit en voor grotere
economische afhankelijkheid van
landen, die juist met dit verdrag een
andere kant uit hopen te gaan.
Een ongeremde technologische
ontwikkeling kan de verwachte
effecten van het verdrag dus negatief
beı¨nvloeden. Werkgelegenheid en
milieu worden erdoor onder druk
gezet en economische afhankelijk-
heid bevorderd. Terwijl het WTO-
verdrag in beginsel bedoelt, een
stabiel institutioneel kader voor de
regulering van de wereldhandel te
scheppen, kan desalniettemin door
de technologie de internationale
publieke infrastructuur worden
ontwricht.
Daarom vraag ik de staatssecreta-
ris, bij een voortdurende evaluatie
van het verdrag toch vooral aandacht
te geven aan mogelijk ongunstige
consequenties van een ongenor-
meerde, dus een onverantwoorde,
eenzijdig ontwikkelde technologie.
De technologie is de motor van de
economie, maar wanneer die in
handen komt van enkelingen, gaat
het fout. Wanneer die technologie
niet aan milieu-eisen en sociale
rechtvaardigheid voldoet, moet niet
worden uitgesloten dat wij eerder
kwalen dan zegeningen van dit
verdrag kunnen verwachten, tenzij
wij alle nodige maatregelen nemen
om die technologie in een breed
ethisch en maatschappelijk kader te
reguleren. Maar voor zover ik zie,
worden daarvoor geen maatregelen
getroffen. Er is in de Tweede Kamer
niet over gesproken en de memorie
van antwoord geeft er blijk van dat
men verlegen is met de vragen die
wij stelden. Daarom de volgende
vraag. Zou de voorziene werkgroep
die handel en milieu aan elkaar moet
verbinden niet een verruiming van
taken moeten krijgen in de richting
van een kritische beoordeling van
bestaande technologiee¨n en van
toelating van nieuwe technologiee¨n,
alsmede een controle op de snelheid
van de introductie van nieuwe
technologiee¨n? Vooral de snelheid
van introductie kan vele nare
gevolgen hebben vanwege het
overrompelende effect en bijvoor-
beeld de werkloosheid fors doen
toenemen bij stijgende economische
groei. Dat is dan toch geen verant-
woord handelsbeleid?
Deze aanpak vereist ook internatio-
nale eenstemmigheid, bijvoorbeeld
ten aanzien van de vraag wat ethisch
wel en niet toelaatbaar is. Dat blijkt
nu niet het geval. Amerika bijvoor-
beeld, gaat verder in het accepteren
van de resultaten van biotechnolo-
gie, bijvoorbeeld van BST, dan
Europa. Is die inschatting juist? En
wanneer straks nationale octrooiwet-
ten moeten worden aangepast,
zullen dan naast eenduidige
juridische ook eenduidige ethische,
ecologische en maatschappelijke
criteria worden toegepast? Ik ben
hiermee toegekomen aan het verzoek
van deze Kamer dat de staatssecreta-
ris vorige week heeft ingewilligd om
naar mogelijk nieuwe criteria voor
octrooiering in internationaal
verband een onderzoek in te stellen
en de politieke discussie daarover te
entameren. In het licht van het
verdrag wordt het toegezegde
onderzoek nog actueler dan ik vorige
week kon denken. Zou ook in
internationaal kader de technologie
niet in een breed ethisch en
maatschappelijk kader moeten
worden gereguleerd? En zouden de
criteria daarvoor niet een onderzoek
vereisen?
Mijnheer de voorzitter! Wij
stemmen met het verdrag in omdat
oude problemen worden opgelost,
maar wij zijn bezorgd omdat zich
nieuwe problemen aankondigen als
voor een verantwoorde beheersbaar-
heid van de technologie geen route
wordt uitgezet. Welke maatregelen
denkt de staatssecretaris te nemen
om die blinde vlekken voor mogelijk
dramatische effecten van de
technologie en voor die dramatische
effecten zelf in het komende traject
te voorkomen of weg te werken? Dat
is vooral hard nodig indien het
verdrag onomkeerbaar zal blijken te
werken.
Graag wacht ik de reactie van de
staatssecretaris af.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="10-307">

 
<spreker pagina="10-307" anker="262" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">

Voorzitter! In meer dan honderd
landen is dit verdrag waarschijnlijk al
door de nationale parlementen
gejaagd. Ook in Nederland wordt dit
verdrag als een hamerstuk
beschouwd. Naar mijn mening is het
heel symptomatisch voor deze
situatie dat PvdA en VVD vandaag
niet eens meedoen aan dit debat. Er
wordt gesteld dat wij geen ’’neen’’
kunnen zeggen tegen dit verdrag,
omdat er anders een ramp gebeurt;
het is een soort natuurverschijnsel
om hiermee te moeten instemmen.
In veel landen buiten Europa
wordt wel een fundamentele
discussie gevoerd over dit GATT/
WTO-verdrag, vaak ook omdat er
sterke buitenparlementaire oppositie
wordt gevoerd. Zo bestaat er op de
Filippijnen een krachtige oppositio-
nele beweging – de ’’picket line’’
voor de Ridderzaal heeft daar iets
van laten zien – en voeren in India de
boeren acties tegen dit verdrag,
waarin bijvoorbeeld het intellectuele
eigendom ten bate van multinatio-
nals wordt beschermd, de zoge-
naamde TRIP’s. En in Nederland
gebeurt vrijwel niets, afgezien van
een paar kritische artikelen in wat
vakbladen en soms een weekblad.
Het is hier ’’business as usual’’, en
het liefst nog meer business.
Sommige politieke partijen aan de
overzijde waren heel helder in hun
motieven. De heer Leers stelde
onomwonden namens het CDA – de
heer Van Velzen was hier iets
genuanceerder en stelde zelfs het
probleem van de lage koffieprijzen
aan de orde – dat het natuurlijk
onbestaanbaar zou zijn als Nederland
dit verdrag niet zou aanvaarden,
want Nederland plukt met zijn open
economie de vruchten van de
vrijhandel. Had ook al niet de VOC,
en daarmee Nederland en Amster-
dam, geprofiteerd van de vrijhandel?
Er wordt niets gezegd over kolonia-
lisme of uitbuiting.
Het gaat om een omvangrijk
verdrag en wie heeft nu die 2000
bladzijden gelezen? Volgens mij
niemand van de aanwezigen, maar ik
zie aan de hoofdbeweging van de
staatssecretaris dat zij dat wel heeft
gedaan. Partijen die zo’n bot
egoı¨sme als toetssteen hanteren –
’’Wat schiet Nederland ermee op?’’ –
voor dit zeer belangrijke en
omvangrijke verdrag zal snel klaar zijn: snel instemmen, want er is al
zeven jaar met 124, of was het 117,
landen over onderhandeld, dus niet
zeuren. Elk Nederlands gezin zou er
toch ongeveer ƒ 200 per jaar op
vooruitgaan?
Voorzitter! Voor GroenLinks ligt dit
niet zo eenvoudig, omdat in onze
politiek de internationale solidariteit
en de belangen van natuur en milieu
voorop staan. Door de Wereldbank
en de OESO is berekend, dat in het
jaar 2000 het wereldinkomen met
350 mld. toeneemt door dit verdrag.
Ik zag in de memorie van antwoord
wat andere bedragen, maar men
rekent ongeveer in deze orde van
grootte. 350 mld., dat is toch
fantastisch? Dat is zeker fantastisch
voor de landen van de Europese
Unie, die er 80 mld. op vooruitgaan.
Maar het is nogal geˆnant, om maar
eens een eufemisme te hanteren, als
wij lezen dat de armste landen er
helemaal niet van profiteren, maar er
zelfs op achteruitgaan. Voor de
landen in sub-Sahara Afrika wordt
een daling van 3 mld. voorgerekend.
In OESO-termen wordt gesteld dat
de handelspositie van deze landen
dramatisch wordt verslechterd.
In het akkoord wordt hieraan zeer
summier en uiterst onbevredigend
aandacht geschonken. Er wordt wel
gesproken over niet onevenredig
belasten, maar nergens wordt
vastgelegd dat de arme landen
volledig worden gecompenseerd
voor deze nadelen, of nog beter, dat
zij er 80 mld. op vooruit moeten
gaan. Dat klinkt natuurlijk wereld-
vreemd, maar is het dat ook, als wij
echt wat willen doen aan het feit dat
40 miljard mensen honger hebben
en 40.000 kinderen per dag sterven
van de honger? Of moeten wij maar
doodleuk accepteren dat de arme
landen nog steeds armer worden en
de rijke landen nog steeds rijker?
In het debat aan de overzijde was
er wel aandacht voor dit vraagstuk,
maar de meerderheid ging akkoord
met toezeggingen als ’’wij houden de
vinger aan de pols via monitoring’’
of ’’via Wereldbank en IMF kunnen
wij extra faciliteiten vragen’’.
Kunnen, kunnen, maar nergens
moeten. Spijkerharde garanties
konden niet worden gegeven. De
motie van GroenLinks op dit punt
haalde bij lange na geen meerder-
heid.
De hele procedure bij dit verdrag
geeft ook goed aan wat er eigenlijk
wordt geregeld. In spreekwoordelijke
achterkamertjes – ik heb begrepen
dat deze ’’green rooms’’ werden
genoemd – hadden de rijke
industrielanden het hoogste woord.
Amerikaanse advocaten waakten als
kettinghonden over hun nationale
belang. Europa en Japan volgden
Amerika in hun verhouding met de
arme landen. Bij tegengestelde
belangen tussen de Verenigde Staten
en Europa en/of Japan waren er
hanengevechten tussen Europa en
de Verenigde Staten.
Sommigen zeggen dat er sprake is
van een vrijhandelsretoriek, maar dat
de alledaagse praktijk vaak anders is.
Dat is natuurlijk duidelijk bij de
schandelijke economische boycot
van de Verenigde Staten tegen Cuba.
Deze lijkt mij flagrant in tegenspraak
met het GATT-akkoord. Gaan de
Europese Unie en Nederland nu ook
dit akkoord in stelling brengen tegen
de Amerikanen?
Of er sprake is van retoriek zou ik
willen beoordelen aan de hand van
de volgende vragen. Wordt het
dumpen van Europees vlees op de
Afrikaanse markt nu onmogelijk
gemaakt door dit verdrag of leidt
vermindering van de exportsubsidies
daar helemaal niet toe? Zoals
iedereen kan weten, leidt het
dumpen van gesubsidieerd EG-vlees
tot vernietiging van de lokale
economie aldaar, met name in
voormalig Opper-Volta, nu Burkina
Fasso.
De tweede vraag is hoe het zit met
de suiker. De Europese Unie is de
grootste exporteur op deze markt.
Met exportsubsidies die twee keer de
wereldmarktprijs zijn, ondergraaft zij
al tien jaar de export van rietsuiker-
producenten. Wordt dit nu bee¨indigd
of slechts een beetje verminderd,
zoals mensen van de NOVIB stellen?
De derde vraag is wat het met
vrijhandel te maken heeft, als de
Amerikaanse multinational Grace &amp;
Co. een honderdduizend jaar oude
heester heeft ’’ontdekt’’ in India, in
de provincie Karnataka, en patent op
deze wonderboom heeft aange-
vraagd, terwijl het extract en de
geneeskracht ervan al duizenden
jaren worden gebruikt als grondstof
voor zeep en natuurlijke onkruidver-
delger. Onder dit nieuwe akkoord
moeten veel boeren in principe
royalty’s betalen, als zij hun
opgespaarde zaden in 1995 willen
uitzaaien. Vrijhandel?
Landen die al vrijwel zijn geknakt
door de eisen van IMF en Wereld-
bank, moeten nu ineens in staat zijn
om volledig mee te concurreren. In
dit kader van gebrek aan internatio-
nale solidariteit past ook de kritiek
van de internationale vakorganisaties
op het ontbreken van een sociale
norm. Kinderarbeid mag niet eens
gereguleerd, laat staan afgeschaft
worden. Alleen al in India werken
300.000 erg jonge kinderen onder
mensonterende omstandigheden aan
de export van tapijten. Een sociale
clausule in dit akkoord zou dit soort
negentiende-eeuwse praktijken aan
banden moeten leggen, maar dat
gebeurt niet.
Een ander hoofdpunt is milieu en
natuur. Vriend en vijand zijn het
erover eens dat het milieu er bekaaid
afkomt in dit akkoord. Natuurlijk
staat er wel een frase over in de
preambule. De keuze wordt
verschoven naar een commissie, die
ik al heb genoemd. Het is toch
politiek onverdedigbaar dat milieu-
en natuurdoelstellingen geen
hoofdbestanddeel zijn van dit
akkoord? Gaat de groei van de
wereldhandel dan nog steeds boven
alles?
In een rapport van de SOMO van
november 1994, dat in samenwer-
king met Greenpeace is gemaakt,
wordt het verdrag geanalyseerd op
het milieu. Ik vond het opmerkelijk
dat er in het debat in de Tweede
Kamer nauwelijks aandacht aan dit
rapport werd besteed, behalve door
GroenLinks. Het blijkt dat er grote
problemen kunnen komen met
allerlei onderdelen van de Neder-
landse milieupolitiek, zoals het
voorzorgprincipe, het integraal
ketenbeheer, importheffingen en
eco-labels. De Warenwet kan geen
strenge pesticidennorm hanteren,
want bij conflicten over bijvoorbeeld
een norm voor pesticiden in ananas
zullen door dat panel veel slappere
normen dan de onze worden
gebruikt. Zelfs het principe dat de
vervuiler betaalt, staat niet in dit
akkoord.
Sommigen stellen dat het
GATT/WTO-akkoord nog slechter is
dan het NAFTA-verdrag op dit punt.
In het NAFTA-verdrag wordt nog
bepaald, dat bij een conflict tussen
verdragen, zoals in Montreal waar de
CFK’s werden geregeld of het
Cites-verdrag over de natuur, de
ecologische overeenkomst preva-
leert. In het NAFTA-verdrag wordt de
bewijslast ook omgedraaid. Binnen
de GATT/WTO is unanimiteit nodig
om het principe te kunnen verande-
ren. Wie is zo naı¨ef om in die
unanimiteit te geloven?
Van deze problematiek geef ik wat
voorbeelden, waarvan het eerste een
heel eind weg is. Een Chinese fabriek
stoot 138 maal zoveel zwaveldioxide
uit als een Japanse fabriek. Japan
kan dan niets ondernemen om haar
eigen zuiverder staal te beschermen.
Op het gebied van de natuur zijn
er vergelijkbare problemen. Iedereen
met een beetje gevoel en verstand is
tegen het eten van tonijn, waarbij bij
de vangst erg veel dolfijnen worden
gedood. Een verbod van deze
dolfijn-tonijn, om het zo maar te
noemen, zal in dit akkoord worden
vernietigd vanwege discriminatie. De
procedure van beroep biedt
nauwelijks houvast.
Het is van hetzelfde laken een pak
bij het verbod van BST-produkten en
het tegengaan van niet duurzaam
geproduceerd hardhout. De
dierenbescherming wijst in een brief
op eisen aan dierentransport en op
bont, dat gemaakt wordt met
onaanvaardbare vangstmethodes,
zoals de Leghold trap. Ook labeling
van genetisch gemanipuleerde
produkten kan als discriminatie of als
handelsbelemmering gebrandmerkt
gaan worden.
Voorzitter! Onze conclusie is dat er
structurele weeffouten zitten in het
GATT/WTO-verdrag. De voordelen
worden oneerlijk verdeeld over de
winnaars en de verliezers. De arme
landen krijgen geen compensatie en
moeten multinationals gaan betalen
voor intellectueel eigendom. Een
sociale norm inzake arbeid ontbreekt,
laat staan dat fair trade, het
Max-Havelaar-principe, centraal zou
staan. De belangen van milieu en
natuur zijn volstrekt ondergeschikt
aan de economische belangen en
bevordering van de handel. Deze
vrijgemaakte handel op maat van de
sterksten, Verenigde Staten,
Europese Unie en Japan, moet in
onze ogen ter discussie worden
gesteld.
Deze structurele weeffouten
kunnen niet worden weggepraat met de sussende woorden: eerst maar dit
akkoord en dan gaan wij nog een
beetje repareren. De solidaire sociale
en ecologische normen moeten
hoekstenen zijn van dit bouwwerk,
en geen vage praatjes voor de
toekomst. Natuurlijk moet niet alleen
Nederland niet instemmen met dit
verdrag, maar moet dat in veel meer
parlementen gebeuren, zodat er
opnieuw onderhandeld moet worden
over een nieuw verdrag, gebaseerd
op de principes die ik net noemde.
Een slecht huis moet je niet bouwen.
Nu al koersen op kosmetische
aanpassingen van structurele
gebreken zou door de Eerste Kamer
verworpen moeten worden.
Bij de ingang kreeg ik een pamflet
uitgereikt van een actiegroep tegen
de GATT. Dat ging met name over de
Filippijnen. Daarin staat dat 21,5
miljoen Filippijnse boeren en
landarbeiders gedwongen zijn om te
verhuizen om 3,1 miljoen ha land
geschikt te maken voor de export.
Kent de staatssecretaris dit feit en
wat is haar reactie hierop? In het
pamflet wordt ook gesteld dat naast
rampzalige gevolgen voor de
landbouw ook 500.000 arbeiders in
de textiel- en kledingindustrie door
dit akkoord hun baan dreigen te
verliezen. Kent de staatssecretaris
deze informatie en wat is haar
reactie hierop?
De vergadering wordt van 20.00 uur
tot 20.15 uur geschorst. 

</spreker>
<spreker pagina="10-309" anker="263" naam="De voorzitter">
 Alvorens het woord
te geven aan de staatssecretaris van
Economische Zaken, deel ik aan de
Kamer mee dat de vaste commissie
voor Justitie mij heeft verzocht, de
plenaire behandeling van het
wetsvoorstel Wijziging van de
Vreemdelingenwet (veilig derde land)
(23807) van de agenda van vandaag,
morgen en overmorgen af te voeren.
Ik wil de Kamer voorstellen dat
verzoek te volgen. Dit heeft tot
gevolg dat wij morgen aan het einde
van de middag, rond vijf uur, niet
beginnen met de eerste termijn van
de Wijziging van de vreemdelingen-
wet, maar met de eerste termijn van
de begroting van Financie¨n en de
daarbij behorende wetsvoorstellen.
De Kamer heeft zoe¨ven besloten, dat
die gezamenlijk zullen worden
behandeld. Het antwoord van de
regering en de tweede termijn van
de zijde van de Kamer zullen
woensdagmiddag plaatsvinden, na
de stemmingen. Het programma
blijft dus vooralsnog hetzelfde, alleen
de eerste termijn van de behandeling
van de financie¨le wetsvoorstellen
wordt nu geagendeerd voor morgen
aan het einde van de middag en
voor morgenavond.
Aldus wordt besloten.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="10-309">
<spreker pagina="10-309" anker="264" soort="Staatssecretaris" naam="Van Dok-van Weele">
 Mijnheer de voorzitter! Ik ben
mij, met u, bewust van het feit dat
wij staan voor een historisch
moment, namelijk de ratificatie van
GATT/WTO, en alle consequenties
die dat zal hebben voor de wereld-
economie. Ik wil er kort op ingaan
omdat de essentie van deze
ratificatie voorop moet staan.
Vervolgens zal ik ingaan op alle
mitsen en maren en de terechte
opmerkingen over de toekomst.
Met de vaststelling van de WTO
spreken wij nieuwe spelregels af die
het multilaterale handelsstelsel zullen
versterken, de rechtsorde op
economisch terrein zullen verbeteren
– met name door een bindende
geschillenbeslechting – en die
verbetering zullen brengen wat
betreft tariefverlagingen en de
aanpak van non-tarifaire handels-
belemmeringen. Met name dat
laatste zal een impuls gaan vormen
voor de wereldhandel. Vanwege juist
die impuls zullen er naar onze
inschatting, ook gebaseerd op
informatie van het GATT-secretariaat,
positieve effecten te bespeuren zijn
voor de koopkracht en de keuze-
vrijheid van de consument. De extra
groei van de wereldhandel, die
geraamd wordt op zo’n 14%, is
overigens naar de inschatting van
het GATT-secretariaat niet alleen van
belang voor de rijke landen, maar
ook voor de economisch minst
ontwikkelde landen. Voorwaarde
daarbij is wel dat er sprake moet zijn
van economische ontwikkeling in die
landen. Daarin geef ik iedereen gelijk
die daar een opmerking over heeft
gemaakt. Op de armste landen kom
ik straks in mijn beantwoording
terug, met name aan het adres van
de heer Pitstra.
Ik kom toe aan de stand van
zaken. Vanmiddag heeft de Alge-
mene Raad met unanimiteit het
goedkeuringsbesluit van het
WTO-verdrag en het verdrag over de
opdrachten 1994 voor de EG
inhoudelijk goedgekeurd. Formele
afronding van de besluitvorming
geschiedt als A-punt op de
Gezondheidsraad van 22 december
aanstaande. De reden hiervoor is dat
sommige lidstaten hun nationale
goedkeuringsprocedures nog niet
hebben afgerond. De verwachting is
overigens dat aan het einde van het
jaar zo’n honderd landen de
procedure zullen hebben gevolgd.
Het is bekend dat een vijftal landen
om uitstel van besluitvorming heeft
gevraagd op dit punt.
Ik wil nu ingaan op de vragen die
de heer Van Velzen mij heeft gesteld.
Ik probeer dan ook de vragen van de
anderen enigszins te beantwoorden.
Als u uw antwoord er niet bij hoort,
kom ik daar bij u persoonlijk nog op
terug. Er is dus sprake van een
herkansing.
De heer Van Velzen heeft mij
uitgebreid gevraagd naar het
standpunt van de regering met
betrekking tot de Hof-uitspraak en de
’’code of conduct’’. U heeft mij
gevraagd of ik ga bepleiten dat er bij
de IGC in 1996 sprake zal zijn van
eenduidigheid in die bevoegdheid. Ik
moet zeggen dat de regering erg blij
was met de uitspraak van het Hof
met betrekking tot de gemengde
bevoegdheid. Voorlopig zullen wij
vanuit Nederland proberen om zo
goed mogelijk handen en voeten te
geven aan die gemengde bevoegd-
heid. Wij zullen niet iets bepleiten
dat juist dat verandert waarover wij
in de Hof-uitspraak erg tevreden
waren.
Er is terecht gesteld dat er
misschien wat onduidelijkheid is
over de gang, bezwaar en beroep,
als het gaat om het beroep op de
panels bij ongeoorloofd gedrag.
Waar wendt men zich dan toe? Als
een bedrijf in Nederland gevestigd is, is dat mogelijk via twee kanalen: de
klachtenprocedure van de Europese
Unie en de Nederlandse regering.
Dat eerste geldt met name als een
bedrijf zich belemmerd of benadeeld
voelt in zijn exportbelang.
Ik ga even terug naar de goedkeu-
ring van vanmiddag. Er werd gesteld
dat er mogelijk wat kritische geluiden
vanuit Nederland zouden zijn ten
aanzien van het HAPO-instrument.
Vanmiddag heeft ook Nederland
ingestemd met dit voorstel. Op dit
punt kan ik u dus volledig gerust
stellen.
Er zijn terecht opmerkingen
gemaakt over de positie van de
landbouw, zowel de landbouw in
Nederland als de landbouw in arme
landen. Als het om de landbouw in
arme landen gaat, vraagt de heer
Pitstra mij of dumping van vlees in
arme Afrikaanse landen een slechte
zaak is. Op die vraag kan ik met een
volmondig ’’Ja’’ antwoorden. Als de
WTO via dumpingregelingen
dergelijke zaken kan vermijden of
sanctioneren, is dat een goed
voorbeeld van het gebruik maken
van de rechtsbescherming en de
toegang die uitgaat van de WTO. Als
het gaat om Nederland is er terecht
gesteld dat er veranderingen
optreden in het landbouwbeleid en
de exportmogelijkheden. Dat klopt. In
veel opzichten zullen er grote
wijzigingen optreden in de export-
faciliteiten. Die zullen in een periode
van zes jaar moeten worden
afgebouwd. Er treden echter ook
kansen op voor de Nederlandse
landbouw als het gaat om de
verhoging van de mogelijkheden van
subsidies op exportartikelen als kaas
en andere zuivelprodukten en het
gebruik maken van de marges die zijn opgenomen: 3% tot 5% van de
binnenlandse landbouw als
entree-mogelijkheid naar andere
landen toe.
Als u mij specifiek vraagt of de
uitbreiding van de ongesubsidieerde
kaas een mogelijkheid biedt tot
compensatie, kan ik alleen maar
zeggen dat daar alle ruimte voor is.
Hier is er nu juist geen sprake van
belemmering, maar van vrije
handelsmogelijkheden, ook en juist
binnen het kader van dit omvangrijke
verdrag. Ik zat zoe¨ven ja te schudden
toen werd gevraagd of ik die 20.000
pagina’s had gelezen. Dat was bluf.
Wat de effecten voor de landbouw
betreft is het juist, dat er via het CPB
een onderzoek loopt. Het gaat om
een zelfstandig onderzoek. Wij kijken
overigens reikhalzend uit naar de
resultaten. Het is geen opdracht die
door mij of de regering is verleend.
Wat de ontwikkelingslanden –
milieu, handelsnormen en
technologie-ontwikkeling – betreft wil
ik de stand van zaken van de WTO
nu uiteenzetten. Er zijn ministerie¨le
afspraken gemaakt. Verder is er de
follow up als het gaat om de
ethische kanten die met handels-
beleid samenhangen. Ik heb een
eerste gesprek gehad met minister
Pronk over de positie van de minst
ontwikkelde landen. Ik heb in de
Tweede Kamer niet uit de losse pols
een motie van de kant van Groen-
Links beantwoord. Ik heb daar iets
gezegd over de feitelijke stand van
zaken. Wij mogen er niet van uitgaan
– dat geven ook de berekeningen van
het GATT-secretariaat aan – dat er
per definitie sprake is van een
benadeling van de minst ontwikkelde
landen. Er zijn speciale maatregelen
voor die landen. Ik denk aan
overgangsregelingen. Daarenboven
spreekt de WTO de inspannings-
verplichting uit om landen die
schade ondervinden van de WTO te
ondersteunen via de algemene
middelen die daarvoor bestaan. Ik
denk aan het IMF en de Wereldbank.
Er worden specifieke maatregelen
genomen als het gaat om netto
voedsel importerende landen. Er
wordt dan gedacht aan ondersteu-
ning met voedselhulp. Desalniette-
min heb ik in de Tweede Kamer
toegezegd, dat via een monitor-
systeem vanuit Nederland goed
wordt bekeken wat de effecten zijn
voor de minst ontwikkelde landen.
Wanneer in WTO- of Europees
verband door Nederland knelpunten
worden gesignaleerd, zal dit onder
de aandacht van de Kamer worden
gebracht. Dat veiligheidsnet is er
door de Tweede Kamer onder
gelegd.
Hetzelfde kan worden gezegd over
de informatie aan de Kamer over de
voortgang in het algemeen. Tot de
heer Van Velzen kan ik zeggen, dat
de EU-implementatie vanmiddag
heeft plaatsgevonden. De Neder-
landse implementatie zal in het
voorjaar plaatsvinden. Als het gaat
om verplichtingen in financie¨le zin,
moet ik aangegeven dat Nederland 3
mln. meer gaat betalen voor de
WTO. Dat houdt verband met de
gemeenschappelijke aanpak,
uitbreidingen en de panels. Het is
mijn bedoeling om de Tweede
Kamer op de hoogte te stellen van
de voortgang in het voorjaar. Ik zal
de Eerste Kamer die informatie ook
doen toekomen.
Ik ben het niet eens met degenen
die hebben gezegd, dat de voorlich-
ting over de GATT vanuit Nederland
– in het bijzonder van de kant van
Economische Zaken – onvoldoende
is geweest. Ik verwijs naar het prima
boekje dat voor iedereen leesbaar is,
ook voor degenen die weinig tijd
hebben om het dikke pak te lezen.
Het bevat goede informatie voor
degenen die het betreft. Ook
anderszins heeft Economische Zaken
betrokkenen voortdurend op de
hoogte gehouden. Er is geen sprake
van haast of van door het parlement
jagen. Ik verwijs ook naar de brieven
die door mijn voorgangster zijn
verstuurd en naar de commissie-
behandeling. Er is vrij uitvoerige
informatie verstrekt.
Voorzitter! Ik keer terug naar de
minst ontwikkelde landen, de
milieucode en de handels-
belemmeringen. Ik noem die in een
adem en dat heeft te maken met het
feit, dat zij voortdurend in interactie
met elkaar staan. Als wij het hebben
over de minst ontwikkelde landen, is
de mogelijkheid van het opnieuw
invoeren van protectionisme
aanwezig. Dat is een van de redenen
waarom wij buitengewoon voorzich-
tig zijn met het opnieuw opwerpen
van belemmeringen voor landen die
om welke redenen dan ook via dit
protectionisme kunnen worden
geraakt. Dat wil niet zeggen, dat
Nederland minder waarde hecht aan
de discussie die nu moet worden
gevoerd op basis van de vervolg-
afspraken over de milieu-aspecten.
De WTO geeft de mogelijkheid om
maatregelen te nemen ten behoeve
van de bescherming van het eigen
milieu. Een mooi voorbeeld betreft
het hardhout. Er ligt een multilaterale afspraak over hardhout: Hardhout
2000. Stel, dat wij met ons voortva-
rende beleid in 1995 tot een afspraak
komen. Dan moeten wij ten opzichte
van landen, waarin wij die handels-
belemmeringen willen opwerpen
verdedigen, dat wij verder gaan dan
die multilaterale afspraak. Dat is het
kenmerk van de argumentatie met
betrekking tot extra milieu-eisen die
multilaterale afspraken te boven
gaan. 

</spreker>
<spreker pagina="10-311" anker="265" partij="D66" naam="Mertens">
 Gaat u dat
dan ook doen? Het broeikaseffect zou
een wereldwijd argument kunnen
zijn.</spreker>
<spreker pagina="10-311" anker="266" soort="Staatssecretaris" naam="Van Dok-van Weele">
 In multilateraal verband is er
een discussie gaande over bescher-
ming van de tropische regenwouden.
Op nationaal niveau is dat ook het
geval. Ik gaf aan, wat er kan
gebeuren als een land verder gaat
dan die multilaterale afspraken. Het
is niet zo, dat een dergelijke
maatregel dan per definitie niet mag
worden genomen. Je moet ook
bekijken of het valt onder bescher-
ming van het eigen milieu. Het
voorbeeld is wat dit betreft niet
helemaal correct. De argumentatie
moet worden gericht op de afwijking
van vijf jaar ten opzichte van de
multilaterale afspraak.
Voorzitter! De bedoeling is, dat
Nederland actief meedoet aan de
discussie over de milieunormen. Ik
heb inmiddels al een gesprek gehad
met de heren De Jong en Veening
van de IUCN over de vraag, op welke
wijze de interactie tussen Nederland
en deze organisaties kan plaatsvin-
den als het gaat over de agenda over
normen met betrekking tot milieu en
handel. Ik kom straks nog te spreken
over normen met betrekking tot
arbeid.
Er is gevraagd of artikel 301 buiten
werking treedt als gevolg van de
WTO. Dat is het geval. De WTO
tolereert dit artikel niet meer. Het is
bekend wat er inmiddels in de VS is
gebeurd aangaande het volgen van
de WTO. Ik denk aan de commissie
van wijze mannen. Ik ben heel
nieuwsgierig naar het verloop.
Op de vraag of het TRIM-verdrag
bijgesteld wordt in de richting van de
MIA kan ik antwoorden dat er
gestreefd wordt naar een multila-
teraal investeringsakkoord in brede
zin. Het TRIM-verdrag regelt slechts
een beperkt deel. Dit is op dit
moment overigens het maximaal
haalbare. Opnieuw, mede door het
verzet van de ontwikkelingslanden is
er voortdurend sprake van een
spanningsveld.
De heer Mertens stelt dat de
handel korte metten maakt met de
kwetsbaren. Als dat waar is,
bevestigt de WTO dat niet. Integen-
deel. Als er sprake is van onrecht-
vaardigheid ten opzichte van
groepen in de wereld, heft juist de
WTO een deel, maar lang niet alles
van die onrechtvaardigheid op. De
WTO is geen platform waar alle
normen en waarden geregeld
kunnen worden. De afspraak is dat
daar waar het geregeld kan worden,
het in de komende tijd besproken
wordt. Dit gebeurt niet altijd
rechtstreeks in WTO-verband; soms
in OESO-verband.
Ook in dit verband onderschrijf ik
niet de stelling dat haast het
betrachten van zorgvuldigheid heeft
beı¨nvloed. Immers, de datum van
invoering van deze wet stond al een
hele tijd vast. De te volgen procedure
daarvoor vergde evenwel meer dan
wij hadden vermoed. Maar door de
slagvaardige aanpak van beide
Kamers en de Raad van State ziet het
er gelukkig naar uit dat Nederland
zich kan scharen bij de, zo hoop ik,
honderd die op 1 januari de klus
geklaard hebben.
Ik heb al aangegeven dat het heel
goed mogelijk is dat multilaterale
afspraken over tropisch hout een rol
gaan spelen in bijvoorbeeld
afspraken over de milieucode.
In de Tweede Kamer is ook de
vraag gesteld of produktiestijging
niet automatisch leidt tot meer
economische groei en derhalve tot
een grotere bedreiging van het
milieu. Wij zullen de vinger aan de
pols moeten houden, ondanks dat er
sinds Rio een relatie met duurzame
ontwikkeling is gelegd. Daar
tegenover staat dat een belangrijk
deel van de stijging van de wereld-
handel niet zozeer veroorzaakt wordt
door produktiestijging als wel
bijvoorbeeld door de toename van
dienstverlening. Je kunt dus niet
zeggen dat een stijging met 14%
automatisch een produktiestijging
van 14% inhoudt. Het is wel een punt
van zorg dat groei een extra
verplichting legt op de factor
duurzaamheid die in het beleid
opgenomen moet worden.
De heer Mertens heeft een vraag
gesteld over het registratie-octrooi in
de Octrooiwet. Het TRIP-verdrag
biedt een minimum aan voorwaar-
den voor bescherming van intellec-
tuele eigendom in alle WTO-landen.
Meestal is dit gebaseerd op
bestaande, internationale conventies
op dit gebied. Landen kunnen dus in
beginsel verder gaan. Ook in
internationaal verband zijn nieuwe
normen in ontwikkeling. De
rechtstreekse werking van het
WTO-verdrag kan afdwinging van
verplichtingen bevorderen door
particulieren het recht te geven om
er een beroep te doen voor nationale
rechtbanken.
Terecht heeft de heer Schuurman
zich beklaagd over de hoeveelheid
aanverwante verdragen. De memorie
van toelichting en de samenvattin-
gen geven wel een buitengewoon
goed beeld van de essentie van de
WTO. Het is ook onmogelijk om alle
7000 verdragen te kennen. Dat lijkt
mij ook niet relevant in deze fase van
ratificatie. Het gaat nu om het
raamwerk van de overeenkomst.
Ongetwijfeld zullen onderdelen van
dit verdrag de komende tijd aan de
orde komen. Hierover heb ik al een
toezegging gedaan.
Technologie speelt een rol bij
sociale rechtvaardigheid en milieu.
Mijns inziens is dat het geval bij de
twee afgesproken vervolgtrajecten in
WTO-verband. Ik doel op de
consequenties voor de arbeidsnor-
men en het milieu. De aangegeven
consequenties van technologie op de
arbeidsnormen zijn aardig. Er wordt
namelijk eigenlijk alleen maar over
slechte arbeidsnormen gesproken in
de minst ontwikkelde landen. De
heer Schuurman heeft een aardig alternatief aangegeven: de gevolgen
van technologie voor arbeidsnormen
en sociale structuur in de wat rijkere
landen. Ik ben hier nog lang niet uit.
Technologie vormt volgens mij niet
het belangrijkste discussiepunt over
de reikwijdte van de WTO. Daar
hoort het ook niet thuis. Wel kan dit
gezien worden in relatie met de
discussie over arbeidsnormen en
milieu.
Overigens wijs ik erop dat de
toegezegde studie naar de criteria en
de wisselwerking tussen de
Octrooiwet die deze week is
aangenomen en ethiek de bestaande
wetgeving betreft. Ik stap dus niet de
WTO binnen met een klus die de
Eerste Kamer mij heeft opgedragen.
Dit wil ik graag nog even duidelijk
stellen, voordat hierover verkeerde
verwachtingen gewekt worden.
Aan het adres van de heer Pitstra
zeg ik dat ik al heb aangegeven dat
het niet mijn bedoeling is om deze
zaak door het parlement heen te
jagen. Ik wil alleen een afgesproken
datum halen. Daaraan is zeer veel
overleg voorafgegaan, niet alleen
internationaal maar ook nationaal,
door mijn voorgangster. Ik compli-
menteer en bedank haar voor het
gigantische werk dat verricht is. Ik
kijk nu in de richting van de heer Van
Velzen. Mijn voorgangster heeft veel
geı¨nvesteerd in het op de hoogte
houden van en het in discussie
treden met de commissie op alle
punten. Ik heb heel veel informatie
over onder andere milieu, handels-
normen en arbeidsnormen die van
haar hand is verschenen.
Ik ben al ingegaan op de stelling
dat de armste landen niet van het
verdrag profiteren. Ik ga ervan uit dat
de huidige berekeningen vooruit-
blikken zijn. Ik baseer mij liever op
geconstateerde feiten en ervaring die
is opgedaan. Vandaar mijn toezeg-
ging aan de Tweede Kamer om met
name de minst ontwikkelde landen
op dit punt te volgen. Men kan ervan
uitgaan dat ik die toezegging gestand
doe. Men moet dan ook niet denken
dat wij niet willen ingaan op gerede
zorgen. Het gaat meer om het
monitoren, het bezien of aan de in
de WTO vastgelegde inspannings-
verplichting wordt voldaan en tot de
gewenste resultaten leidt.
Ik ben niet op de hoogte van de
regels voor suiker en kruiden. Via de
telecommunicatie heb ik geprobeerd
om daar snel achter te komen, maar
dat is mij niet gelukt. Evenmin ben ik
op de hoogte van de exacte situatie
op de Filippijnen. Wel kan ik mij
voorstellen dat men bezorgd is over
hetgeen er gebeurt in zijn land ten
gevolge van de WTO. Dit is echter
niet de juiste plek om een uitspraak
te doen over de consequenties in
een land dat de vrijheid en de status
heeft om te ondertekenen. Ik wijs er
nog op dat andere Zuidaziatische
landen sterk hebben aangedrongen
op ondertekening van dit verdrag
door onder andere de VS in verband
met de goede effecten die daarvan
verwacht worden.
Ik hoop dat ik een ieder zo goed
mogelijk geantwoord heb. Als ik
iemand vergeten ben, vraag ik bij
voorbaat excuus. Het heeft te maken
met de veelomvattendheid van het
onderwerp. Ongetwijfeld krijg ik in
de tweede termijn de gelegenheid
om het te corrigeren.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="10-312">

 
<spreker pagina="10-312" anker="267" partij="CDA" naam="Van Velzen">
 Mijnheer
de voorzitter! Ik dank de staatssecre-
taris voor de antwoorden die zij heeft
gegeven. In tweede termijn ga ik nog
kort op een paar punten in.
In de afgelopen zeven jaar dat ik
lid van deze Tweede Kamer mocht
zijn, hebben wij jaarlijks tijdens de
behandeling van de begroting van
Economische Zaken meer of minder
uitvoerig met de ambtsvoorgangster
van de staatssecretaris over de GATT
kunnen discussie¨ren. Ik deel dus haar
opvatting dat er bepaald geen sprake
is van ’’door de Kamer jassen’’, maar
dat er in de loop van de tijd aardig
wat aandacht besteed is. 

</spreker>
<spreker pagina="10-312" anker="268" naam="De voorzitter">
 U zei: Tweede Kamer.
Ik begrijp dat u politiek de Tweede
Kamer bedoelt, maar formeel de
Eerste. 

</spreker>
<spreker pagina="10-312" anker="269" partij="CDA" naam="Van Velzen">
 Dank u
wel, voorzitter. Mijn gedachten
vermeien zich soms in het verleden,
toen ik veel met de Tweede Kamer te
maken had. Ik bedoel uiteraard de
Eerste Kamer.
Het lijkt altijd winst wanneer de
lidstaten en de Europese Unie een
gedeelde verantwoordelijkheid
hebben, maar het is wel de vraag
welk effect het heeft op de
onderhandelingsmogelijkheden van
de Europese Unie. De definitie van
datgene wat onder de GATT valt, is
langzaam maar zeker opgerekt, met
zaken zoals het intellectuele
eigendom en investerings-
gerelateerde maatregelen. Je kunt op
formele gronden zeggen dat deze
niet bij de taak van de Europese Unie
passen en derhalve binnen het
verschil tussen die twee verantwoor-
delijkheden vallen. Je kunt echter
ook de vraag stellen – dat moet de
vraag in 1996 zijn – of het politiek
wijs is dat de Europese Unie een
zwakkere partner in de onderhande-
lingen met de NAFTA en dergelijke
grote blokken is.
Als ik het goed heb begrepen,
heeft Nederland vandaag in het
compromis in de Algemene Raad de
lijn gevolgd dat Nederlandse
exporteurs die substantie¨le schade
oplopen, zich ook tot de Commissie
en dus niet alleen tot de Nederlandse
regering kunnen richten. Ik begrijp
dat dit ook de dubbelheid van de
klachtenprocedure is. Ik ben er blij
om dat er op dit punt helderheid is.
Ik ben zeer verheugd over de
mededeling van de staatssecretaris
dat zij zich wil inzetten voor een
uitruil binnen de Europese Unie voor
niet-gesubsidieerde kaasexport. Ik
hoop dan ook dat zij op dit punt een
stap verder komt binnen de
Europese Unie.
Er is veel begrip bij de staatssecre-
taris voor de situatie in de landbouw;
dat vind ik heel goed. Ik begrijp dat
zij hiermee mijn opvatting deelt over
het grote belang van de landbouw
voor Nederland en voor de ontwikke-
ling van het platteland en de
verstedelijkte dorpskernen. Hierbij
moet ook goed worden gekeken naar
de inkomenspositie in die sector. Ik
begrijp dat het CPB in dit geval geen
opdracht van de staatssecretaris
heeft gekregen. Wanneer het
onderzoek van het CPB uitkomt, vind
ik het wel van belang dat de
staatssecretaris net als in andere
gevallen aandacht hiervoor heeft,
ook in de sfeer van kanttekeningen.
Het is goed dat de staatssecretaris
al in overleg is met minister Pronk. Ik
zeg ook aan het adres van de heer
Pitstra dat het in absoluut niemands
belang is als de kloof in de wereld
tussen rijk en arm toeneemt,
integendeel. Met dit nieuwe GATT
moeten wij er alles aan doen om
ervoor te zorgen dat de kloof kleiner
wordt. De groei op het gebied van
handel en, naar wij hopen, van
welvaart moet dan ook terechtkomen
in landen die het buitengewoon
slecht hebben. Er moet dan ook niet
geı¨soleerd naar het functioneren van
de WTO gekeken worden, maar ook
naar andere mechanismen in het
kader van de ontwikkelingshulp, de
Europese Unie en onderdelen van de
VN, om de ontwikkelingen in
ontwikkelingslanden te stimuleren.
Ik ben de staatssecretaris
buitengewoon erkentelijk voor haar
opmerking dat de invoering en de
uitvoering van de WTO en alles wat
hiermee samenhangt, nog veel
overleg met de Tweede Kamer
vraagt, maar dat het ook goed is als
de Eerste Kamer erover wordt
geı¨nformeerd, omdat liberalisering
een dynamisch proces is, zoals ook
mijn stelling was. Wij sluiten nu
zeven jaar af; dat wordt historisch
genoemd. Je kunt echter net zo goed
zeggen dat er nog een grote agenda
met nieuwe problemen is. Op die
punten moet worden doorgedacht en
meegedacht zowel door de Tweede
als door de Eerste Kamer. Ik vind het
goed dat de staatssecretaris dat wil.
Ik deel graag het optimisme van
de staatssecretaris over het buiten
werking stellen van Super 301.
Wanneer ik naar de cijfers van het
handelsoverschot kijk, heb ik echter
twijfels over datgene wat nu in de
praktijk zal gebeuren. Ik kan mij niet
voorstellen dat het geen nieuwe
reacties van de Verenigde Staten
oplevert. De interessante vraag is
dan hoe men onder de nieuwe
mechanismen zal functioneren. Dit
zal de staatssecretaris ons uiteraard
niet kunnen vertellen en ook wij
weten het niet. Het is echter wel
interessant om te zien of de
Verenigde Staten op dit punt iets
anders zullen bedenken.
Ik heb in eerste termijn gezegd dat
Nederland en de Europese Unie een
belangrijke verantwoordelijkheid
dragen om ervoor te zorgen dat wij
op het gebied van de staal tot een
oplossing met de Verenigde Staten
komen. Dit probleem kan niet blijven
slepen, zeker wanneer wij zien dat
niet Nederland maar andere landen
binnen de Europese Unie in gebreke
blijven met de afspraak van 1993. Ik
vind dan ook dat de Europese Unie
het een en ander hieraan moet doen;
hierop spreek ik de staatssecretaris
aan.
Er is nog een groot aantal
problemen. Niemand kan verwachten
dat deze met de goedkeuring van het
Verdrag van Marrakech allemaal uit
de wereld zijn. Ik heb al aangegeven
dat moet worden bekeken in welke
kaders problemen kunnen worden
opgelost; dit verdrag is niet het enige
kader. Er is ook waakzaamheid nodig
voor inkomenspositie en de
verdeling van welvaart over rijk en
arm in de wereld. Er moet worden
gelet op andere randvoorwaarden,
zoals het milieu, maar daarbij moet
ook worden gewaakt voor indirect
protectionisme.
De fractie van het CDA gaat graag
akkoord met de goedkeuring van het
Verdrag van Marrakech.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="10-313">

 
<spreker pagina="10-313" anker="270" partij="D66" naam="Mertens">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik dank de staatssecretaris
voor de concrete en op sommige
punten uitvoerige aandacht die zij
aan onze vragen en opmerkingen
heeft besteed. In deze termijn volsta
ik met een opmerking en vier nadere
vragen die niet aan beantwoording
zijn toegekomen, maar door ons wel
belangrijk worden gevonden.
Ik roep in herinnering dat ik
gewezen heb op de gevaren van de
wetten van de markt, omdat deze
korte metten plegen te maken met
de kwetsbare elementen op de
markt. Je kunt het protectionisme
noemen als wij het milieu, de sociale
rechtvaardigheid of cultuurelementen
proberen te beschermen, te
protegeren, maar tegen dit soort
protectionisme hebben wij totaal
geen bezwaar. Het gaat erom,
grenzen en voorwaarden te stellen
omdat je kwalitatieve elementen die
je van belang acht, niet wenst bloot
te stellen aan de werking van de
markt. Daar zullen voorzichtige en
zuivere keuzes gemaakt moeten
worden en daar vallen milieu, sociale
rechtvaardigheid en diezelfde cultuur
ook onder.
Voorzitter! Hoewel wij wel in haast
zijn, is er niet met de zorgvuldigheid
gesjoemeld. Daar geloof ik helemaal
niets van. Ik heb dat ook met
voorbeelden toegelicht. Er zou echter
nog een uitvoeringswet komen en
een van mijn vragen was wanneer
die er zou komen.
Behalve mijn vraag over het
tropisch hardhout – ik dank de
staatssecretaris overigens voor haar
antwoord hierop – heb ik ook
gevraagd of de staatssecretaris nu
echt geen mogelijkheden meer ziet
bovenop het NMP 2, zoals valt te
lezen in het verslag van de behande-
ling in de Tweede Kamer. De
betrekkelijk afhoudende houding
heeft mij enigszins verbaasd. Met
name is daarbij het voorbeeld
genoemd ter zake van de TRIP’s, de
actie in de richting van de Indiase
boeren, over welk probleem de heer
Pitstra in het algemeen sprak. De
rechtstreekse werking zou mij zeer
interesseren.
Voorzitter! Tot slot moet ik wel
constateren, dat de staatssecretaris
helemaal niet heeft gesproken over
iets wat ons het meeste benauwt,
namelijk het wegblijven van
afspraken op het gebied van
telecommunicatie. Het is onze vaste
overtuiging, dat de ontwikkelingen
op dat gebied determinerend zullen
zijn voor wat wij de komende tien
jaar in de beschaafde landen zullen
meemaken.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="10-313">

 
<spreker pagina="10-313" anker="271" partij="RPF" naam="Schuurman">

Voorzitter! Ook ik wil de staatssecre-
taris danken voor de beantwoording
van onze inbreng. Misschien mag ik
meteen beginnen bij het laatste punt
uit het betoog van de heer Mertens,
toen hij opmerkte dat de staatssecre-
taris niet was ingegaan op de
consequenties van de telecommuni-
catie. Ik zou voor de staatssecretaris
kunnen antwoorden, toen zij sprak over de technologische ontwikkeling:
dat is interessant, maar dat hoort er
eigenlijk niet bij. Technologie hoort
er niet bij, aldus de staatssecretaris.
Dat is eigenlijk heel merkwaardig,
want in de memorie van antwoord
staat juist dat wanneer wij de
dynamische effecten zoals bevorde-
ring van de technologische ontwikke-
ling in de berekeningen betrekken,
wij een geweldige welvaartsgroei
kunnen verwachten. Ik wijs daar met
name op, omdat ik elke keer moet
constateren dat dit er wel in zit, maar
dat dit er ook niet in zit. De
staatssecretaris zal natuurlijk zeggen,
dat het er wel inzit als het gaat om
het ontwikkelen van een milieucode,
om normen van arbeid en als het
gaat om duurzaamheid. Daarmee is
echter nog niet alles gezegd. Als
namelijk wordt gezegd dat het er niet
bijhoort, is de kans groot dat het
eigenlijke karakter van de moderne
technologie, namelijk dat die een
gigantische snelheid vertoont, heel
gemakkelijk veronachtzaamd wordt.
Die snelheid moet echter toch in
rekening worden gebracht. Er is geen
economische groei zonder de motor
van de technologie.
Laat ik het heel somber schetsen.
Het is niet uitgesloten, dat die motor
op hol slaat zonder dat wij dat
misschien in de gaten hebben. De
gevolgen zullen desastreus zijn. Dat
wil ik nog eens onderstrepen, omdat
men meestal overal aandacht voor
heeft behalve aan de technologie.
Om die reden heb ik dat meer dan
eens en ook vanavond weer een
blinde vlek genoemd.
Ik heb in mijn bijdrage een vraag
gesteld, die duidelijk had te maken
met de ethiek. Het gaat om een
concrete kwestie tussen Amerika en
Europa. Toen zo’n vijf jaar geleden
de minister van landbouw van de
Verenigde Staten ons op een
zaterdagmorgen uitnodigde voor een
vergadering op de Amerikaanse
ambassade, is dit punt ook aan de
orde geweest. Toen moest Nederland
onder druk worden gezet om toch
vooral aan de wensen van Amerika
tegemoet te komen. Maar toen kwam
de discussie aan de orde, dat
Amerika natuurlijk ook wel hindernis-
sen opwerpt met betrekking tot
bijvoorbeeld de introductie van
biotechnologie, die wij in Europa –
althans tot nu toe – op ethische
gronden onaanvaardbaar vinden. Dat
betreft het toepassen van groeihor-
monen in de veehouderij. In Amerika
is men daar veel luchthartiger over.
Krijgen wij die produkten straks wel
op de markt en zal Europa stand
houden in die ethische houding, dat
BST – het gebruik van groeihormo-
nen – bij koeien wordt afgewezen?
Voorzitter! Ik heb goed begrepen
dat het onderzoek met betrekking tot
andere criteria voor het verlenen van
octrooien dat de staatssecretaris de
vorige week heeft toegezegd, de
bestaande wetgeving betreft, maar
wij hebben in bijna alle sectoren –
gezondheidszorg, ontwikkelingssa-
menwerking, landbouw en onderwijs
– met technologie te maken. Ik heb
de indruk dat wij ons daar te weinig
druk over maken. Om die reden heb
ik het nog eens extra onder de
aandacht van de staatssecretaris
willen brengen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="10-314">

 
<spreker pagina="10-314" anker="272" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">

Voorzitter! Ik dank de staatssecretaris
voor de antwoorden. Het is niet door
het parlement gejaagd, want het
parlement is goed op de hoogte
gesteld en heeft veel informatie
gekregen. Dat is waar, maar mijn
opmerking had meer te maken met
de ’’hamerstuksfeer’’ rond dit
wetsvoorstel. Ook bij de voorberei-
ding werd gezegd, dat het snel
moest worden aangenomen en dat
niet te veel vragen werden verwacht.
De tijd die werd gegeven, was ook uiterst kort: pas voor het weekeinde
kreeg ik de beantwoording op onze
vragen. Die sfeer heerste ook aan de
overzijde bij de behandeling van dit
wetsvoorstel. Dat is niet de schuld
van de staatssecretaris; dat doet het
parlement zich natuurlijk zelf aan. Als
het een sfeertje van een hamerstuk
schept, bepaalt het dat zelf. Dat is
geen kritiek op de staatssecretaris.
Voorzitter! De staatssecretaris is
het ermee eens dat het dumpen van
vlees een slechte zaak is. Mijn vraag
was echter of dat met dit verdrag
ook wordt gestopt dan wel of het
alleen wat wordt verminderd. Als het
een slechte zaak is, moet je het
gewoon stoppen. Dezelfde vraag heb
ik met betrekking tot de suiker
gesteld. De staatssecretaris wist
daarop het antwoord nu niet te
geven. Kan ik daarop alsnog een
schriftelijk antwoord krijgen?
Voorzitter! Dit verdrag gaat niet
ten koste van de minst ontwikkelde
landen, de zogenaamde MOL’s, aldus
de staatssecretaris. Het gaat
inderdaad niet ten koste van landen
in ontwikkeling en misschien kunnen
wij nu helemaal niet meer spreken
over de Derde Wereld, het arme
Zuiden versus het rijke Westen. Er
zijn landen in ontwikkeling die er wel
van profiteren, met name de
Aziatische landen. Echter, de minst
ontwikkelde landen en dan met
name die in de sub-Sahara zullen er
3% op achteruit boeren. De OESO en
de Wereldbank hebben daar een
prognose van gemaakt. De Europese
Unie gaat er 80 mld. op vooruit. Daar
gaat men toch globaal van uit.
De staatssecretaris heeft gezegd,
dat dit verdrag een inspannings-
verplichting inhoudt en dat er een
veiligheidsklep onder zit. Als zo’n
veiligheidsklep bijvoorbeeld op
fluitketels worden gezet, komen deze
fluitketels niet op de markt. Het is
een vage inspanningsverplichting.
Een echte veiligheidsklep gaat
namelijk echt open wanneer die
stoom te hoog komt. Of dat hier
gebeurt, hangt er maar van af. Het is
een vage inspanningsverplichting
zonder enige spijkerharde garantie
daarin.
Wat betreft het hardhout heeft de
staatssecretaris een goed voorbeeld
gegeven. Later in haar antwoord
schrok zij weer wat van haar eigen
woorden, omdat wij hier in
Nederland geen eigen hardhout
hebben en dan de vraag rijst hoe
zich dat verhoudt ten opzichte van
ons eigen milieu. Maar stel dat
Nederland wel vasthoudt aan het in
1995 of 1996 stoppen met de import
van niet duurzaam geproduceerd
hardhout, is dat dan wel of niet
toegestaan in dit verdrag? Stel dat
Nederland daar problemen meer
krijgt, gebeurt het dan toch?
Ten aanzien van de TRIP’s en het
intellectueel eigendom noemde ik
het vele verzet van lokale boeren in
India wat betreft die wonderboom.
De staatssecretaris zegt niet de
medische kennis in huis te hebben
om dat te beoordelen. Dat kan ik mij
voorstellen, maar het gaat mij om
het principe. Vindt zij het terecht, dat
er een patent door een multinational
op zo’n heester in India kan worden
gelegd, welke heester al duizenden
jaren wordt gebruikt voor de
inheemse produktie, en dat dan
opeens die boeren moeten betalen
voor een patent dat een Amerikaanse
multinational daar kan leggen? Dat is
toch diefstal van de armen! Een
omgekeerde Robin Hood, zou ik
willen zeggen. Afgezien van de
kennis, dat principe is toch gewoon
onjuist?
De staatssecretaris zei geen
antwoord te kunnen geven op mijn
opmerking over de Filippijnen. Ik
vond het toch geen kinderachtige cijfers: 21 miljoen boeren en 5000
mensen in de kledingindustrie
worden gedwongen te verhuizen,
omdat zij voor de export moeten
produceren. Het is inderdaad waar
dat het Filippijnse parlement daar
zijn oordeel over heeft gegeven.
Tijdens de schorsing heb ik begrepen
dat het ermee ingestemd heeft. Maar
het is ook een kwestie van ons, van
internationale solidariteit. Wij
moeten deze feiten meenemen in
onze opstelling en inbrengen in
Brussel.
Ik heb mijn eerste termijn besloten
met de slotzin dat er structurele
weeffouten in dit akkoord zitten. Er is
onvoldoende compensatie voor de
arme landen. De sociale norm,
bijvoorbeeld inzake kinderarbeid, is
niet geregeld. Milieu en natuur
boeren achteruit. Eigenlijk zegt ook
de staatssecretaris in haar hele beantwoording: laten wij nu eerst die
vrije markt maar regelen, dan komen
die ecologische en sociale correcties
later nog wel. Daar spannen wij ons
dan nog wel voor in. Wij vinden dat
de verkeerde weg. Wij vinden dat de
drie door mij genoemde punten
hoekstenen van het verdrag moeten
zijn.
Wij zullen het verdrag niet
steunen. Wij hebben begrepen dat
een meerderheid van de Eerste
Kamer het verdrag wel zal steunen.
Het signaal uit Nederland dat dit een
verkeerd verdrag is, zal dus niet
worden gegeven. Ik ben wel
benieuwd naar de vijf landen die
uitstel zouden hebben gevraagd.
Welke landen zijn het en op welke
gronden hebben ze uitstel gevraagd?
</spreker>
</blok>
<blok pagina="10-315">
<spreker pagina="10-315" anker="273" soort="Staatssecretaris" naam="Van Dok-van Weele">
 Voorzitter! Ik dank de Kamer
voor de wijze waarop zij met deze
materie omgaat. Het gebeurt zeer
zorgvuldig, zowel wat het huidige
resultaat betreft als inzake de
toekomst. De weg naar Marrakech
moet worden gevolgd door een
nieuwe weg die veel open einden
kent. Ik wil niet spreken van
weeffouten, maar bepaalde stukken
weefsel vergen nog opvulling. Er
staat ons nog een hoop werk te
wachten.
Een van die dingen is de
afstemming tussen de lidstaten en
de Europese Unie. Het gaat wat mij
betreft dan om de verdeling die er
nu ligt voor de GATT en de GATS.
Dat laatste brengt mij op de vraag
over de diensten op het terrein van
de telecommunicatie. De hele
discussie over de GATS zit in de
beginfase. Dat geldt absoluut ook
voor de telecommunicatie. Elke
uitspraak daarover moet nog worden
bediscussieerd. Wij staan hierbij echt
nog in de kinderschoenen. De
bescherming van het eigen culturele
goed speelt hier natuurlijk een rol bij.
Minister Wijers is heel druk bezig
met het organiseren van enige
ordening op dit punt, ook landelijk.
Waar gaat het naartoe? Die discussie
zal ongetwijfeld op korte termijn
vorm krijgen. Op basis daarvan
kunnen wij veel beter in een gesprek
op multilateraal niveau treden. 

</spreker>
<spreker pagina="10-315" anker="274" partij="CDA" naam="Van Velzen">
 De
staatssecretaris zegt dat de discussie
over de GATS nog zodanig in de
kinderschoenen staat, dat de
discussie over de verdeling van
verantwoordelijkheden in dat kader
moet worden meegenomen. Dat
betekent niet dat zij van de verdeling
die door het Hof is bepaald, zegt dat
zij in de komende acht, negen, tien
jaar zo moet blijven.</spreker>
<spreker pagina="10-315" anker="275" soort="Staatssecretaris" naam="Van Dok-van Weele">
 Nee, maar voor dit moment
is de verdeling zeer werkzaam en
hanteerbaar. De lidstaten krijgen de
mogelijkheden die noodzakelijk zijn
in de discussie op dit punt. Het is
geen eeuwigheidsuitspraak. De heer
Van Velzen vroeg de uitspraak voor
1996 en ik denk dat dat wat kort door
de bocht is.
De uitvoeringswet is aanstaande
donderdag op Europees niveau van
kracht. De implementatie op
nationaal niveau zal in het voorjaar
aan de orde komen. Ik heb de
situatie geschetst rond de normen
boven NMP-plus. Een heleboel
elementen van de milieunormen die
wij hanteren, vallen onder multila-
terale afspraken. Er is niets aan de
hand als wij verder gaan dan die
normen. Dat kan dus. Er is helemaal
geen belemmering om in het
milieubeleid verder te gaan dan
datgene wat multilateraal is
afgesproken. Dan speelt echter het volgende: of je krijgt het multilateraal
voor elkaar om deze norm gehan-
teerd te krijgen of je geeft een goede
argumentatie waarom je het
belangrijk vindt, voor jouw milieu
een extra maatregel te treffen. Er
bestaat een mogelijkheid om je op
basis van artikel 20 te verweren
tegen dit soort zaken. Er zijn dus drie
kansen. Er kan gewerkt worden
binnen de multilaterale afspraken. Er
kan ook gewerkt worden via de
commissie die zich gaat buigen over
milieucodes. Ten slotte kan gewerkt
worden met de extra mogelijkheid
die de WTO van nature biedt.
Ik ontken niet de relatie tussen
technologie en de dynamische
effecten, de milieu-effecten. Als het
gaat om de discussie over handel en
milieu en arbeidsnormen, is het
verstandig om het element technolo-
gie in relatie te brengen tot beide
zaken. Het wordt buitengewoon
moeilijk als wij buiten de agenda om
een uitbreiding willen bewerkstelli-
gen met het begrip ’’technologie en
ethiek’’. De agenda is ook met
inbreng van Nederland bepaald. Er
zijn kansen aanwezig binnen de
opgenomen agendapunten. Ik denk
aan de milieufactor en de arbeid-
snormen.
De heer Pitstra was erover
verbaasd dat ik niet op de hoogte
was van de Filippijnen. Uit handen
van actievoerders heb ik het stuk
ontvangen. Ik heb daarmee kennis
kunnen nemen van datgene wat daar
aan de hand is. Het doet niets af aan
mijn antwoord, namelijk dat wij in de
Eerste Kamer onmogelijk een
beslissing kunnen nemen over de
bevoegdheid van de Filippijnse
regering. Je kunt hoogstens zeggen
dat dit valt onder de afspraken van
het monitoren van de effecten voor
bepaalde landen.
Terecht is opgemerkt dat het van
de dolle is dat bepaalde zaken
geclaimd worden door multinatio-
nals, terwijl ze al jaren groeien en
bloeien in het desbetreffende land.
Het kweekrecht en het octrooirecht
doen hierover ook bij ons uitspraken.
Ik weet niet of ze ook in andere
landen gelden. Er is dus een
mogelijkheid om er bepalingen in op
te nemen. Veel beter vind ik de
stelling dat de bescherming van het
intellectueel eigendom het mogelijk
maakt dat de mensen in India zelf
het recht op hun eigen produkt
krijgen. De multinational zal op deze
manier niet in het voordeel zijn. Er
zitten overigens ook nadelen aan. Op
het moment dat in bepaalde landen
TRIP’s worden aangenomen, wordt
het kopie¨ren van bepaalde zaken
onmogelijk. Dat is de keerzijde van
de medaille. Het is onze inschatting
dat de TRIP’s juist in het voordeel
zullen zijn van deze landen, ook
vanuit het ongerijmde. Als je het
namelijk niet goed regelt, loop je een
dikke kans dat er unilaterale sancties
worden ingesteld. Dat gebeurt nu
vaak.
Het is niet mijn bedoeling om
eerst de vrije markt te regelen en
dan pas de rest. Nee, de vrije handel
bestaat en de WTO beoogt een
betere ordening daarin, ook inzake
onrechtvaardigheden ten opzichte
van ontwikkelingslanden. Dat wil niet
zeggen dat de WTO een universele
wet is met raakvlakken op de
gebieden van milieu, andere normen,
ethiek, enz. Ik zeg dat ook in de
richting van de heer Schuurman, die
naar ik meen onvoldoende antwoord
heeft gekregen op zijn technologie-
vraag. Ik moet eerlijk zeggen dat ik
daar niet zo gek veel meer over kan
zeggen. De rek is er namelijk een
beetje uit, als het gaat om de WTO in
dit kader.
De heer Pitstra heeft het probleem
van het hardhout genoemd. Als wij
afwijken van de algemeen geldende
normen, krijgen wij inderdaad
problemen. Desalniettemin hebben
wij in Nederland de afspraak
gemaakt dat wij zullen proberen om
de norm in 1995 te halen en om dan
over te gaan tot certificering. De
vraag of dat aanvaardbaar is, ook in
multilateraal verband, is daarbij
natuurlijk een groot zorgpunt.
Onlangs hebben wij de zaak evenwel
weer geactiveerd met de desbetref-
fende commissie in de Tweede
Kamer. Wij hebben hier een nieuwe
dimensie aan gegeven en willen dit
opnieuw versnellen. Ik heb goede
hoop dat de discussie hierover goed
zal verlopen. Hopelijk mogen wij ook
de milieu-organisaties weer aan tafel
verwelkomen en kunnen wij een stap
verder komen op dit punt.
Voorzitter! Ik geef toe dat het veel
ter zijde, veel milieu en veel dingen
die nog komen gaan, was. Misschien
was het ook wat veel in verhouding
tot de echte bedoeling van deze wet.
Ik ben echter wel blij met de
gemaakte opmerkingen, want zij zijn
in ieder geval toekomstgericht. 

</spreker>
<spreker pagina="10-316" anker="276" partij="RPF" naam="Schuurman">
 Mijnheer
de voorzitter! Ik wil mijn vraag over
de ethische kwestie van het gebruik
van groeihormonen nog even
herhalen. Zo’n vijf jaar geleden kon
Europa nog een blokkade opwerpen
tegenover de Verenigde Staten. Is
dat met dit verdrag afgelopen? Als
de staatssecretaris dit niet direct
weet, ben ik ook tevreden met een
schriftelijk antwoord. Het interesseert
mij zeer.</spreker>
<spreker pagina="10-316" anker="277" soort="Staatssecretaris" naam="Van Dok-van Weele">
 Als bestrijdingsmiddelen of
bepaalde stoffen naar de mening van
een land schadelijk zijn voor de
gezondheid en het milieu, kan het
beschermende artikel 20 worden
toegepast. Dit wil echter niet zeggen
dat dat altijd mag. Het gaat om extra
eisen die een bepaald land stelt. Als
die eisen er zijn, moeten zij wel goed
beargumenteerd worden. In
algemene zin kan ik de heer
Schuurman dus geen antwoord
geven. Ik kan hem alleen zeggen dat
de mogelijkheid er is in de wet. Dat
wil echter niet zeggen dat je die
zonder meer kunt toepassen. Er moet
dan sprake zijn van multilaterale
afspraken dan wel van goed
beargumenteerde extra bescherming
van eigen normen in het land op het
gebied van gezondheid en milieu. 

</spreker>
<spreker pagina="10-316" anker="278" partij="RPF" naam="Schuurman">
 Mijnheer
de voorzitter! Dit is nu niet direct een
kwestie waarvan je kunt zeggen dat
het milieu of de gezondheid van de
Europese burgers daar schade door
lijden. Europa heeft het gebruik van
groeihormonen tot nu toe evenwel
afgewezen op ethische gronden.
Door de toepassing van BST groeit
een dier veel sneller. Daardoor kan
het allerlei problemen krijgen. Alleen
de produktie van vlees neemt toe.
Om die reden was Europa hier altijd
tegen, maar Amerika was ervoor. Ik
ben dus erg benieuwd hoe dit nu ligt
met dit verdrag. Als de staatssecreta-
ris daar niet direct een antwoord op
weet...</spreker>
<spreker pagina="10-316" anker="279" soort="Staatssecretaris" naam="Van Dok-van Weele">
 Neen, ik wil u dat antwoord
schriftelijk doen toekomen. 

</spreker>
<spreker pagina="10-316" anker="280" partij="CDA" naam="Van Velzen">
 Toen ik
mijn eerste interventie pleegde,
wilde de staatssecretaris net
beginnen met de landbouw.
Vanwege het feit dat zij daar niet
meer op ingegaan is, neem ik aan
dat zij gehoor geeft aan mijn oproep
om verder te gaan onderhandelen in
de Europese Unie.
Staatssecretaris Van Dok-van
Weele : Ik moet hier even over
nadenken, voordat ik te snel ja zeg. 

</spreker>
<spreker pagina="10-316" anker="281" partij="CDA" naam="Van Velzen">
 Het ging
om de kaas.</spreker>
<spreker pagina="10-316" anker="282" soort="Staatssecretaris" naam="Van Dok-van Weele">
 Over de kaas behoeft niet
onderhandeld te worden. U had het
over ongesubsidieerde kaas en die
valt buiten de restricties. Het is zelfs
zo dat voor gesubsidieerde kaas de
mogelijkheden qua volume iets zijn
toegenomen door dit verdrag. Ik heb
daar wat cijfers over. 

</spreker>
<spreker pagina="10-316" anker="283" partij="CDA" naam="Van Velzen">
 Voor het
eerste jaar!</spreker>
<spreker pagina="10-316" anker="284" soort="Staatssecretaris" naam="Van Dok-van Weele">
 Ja, voor het eerste jaar. 

</spreker>
<spreker pagina="10-316" anker="285" partij="CDA" naam="Van Velzen">
 Daarna
wordt het afbouwen.</spreker>
<spreker pagina="10-316" anker="286" soort="Staatssecretaris" naam="Van Dok-van Weele">
 Er vindt een afbouw plaats. 

</spreker>
<spreker pagina="10-316" anker="287" naam="De voorzitter">
 Diplomaten ’’ne
parlent pas de fromage’’, maar de
Eerste Kamer wel.
De beraadslaging wordt gesloten.
Het wetsvoorstel wordt zonder
stemming aangenomen. 

</spreker>
<spreker pagina="10-316" anker="288" naam="De voorzitter">
 De aanwezige leden
van de fractie van GroenLinks wordt
conform artikel 121 van het
Reglement van orde aantekening
verleend, dat zij geacht willen
worden zich niet met het wetsvoor-
stel te hebben kunnen verenigen.
De vergadering wordt enkele
ogenblikken geschorst. 

</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="10-316">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Nadere
wijziging van de Algemene
Kinderbijslagwet, de
Ziekenfondswet en de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten
(23957). 
<spreker pagina="10-316" anker="289" naam="De voorzitter">
 Wij houden vanavond
alleen de eerste termijn van de zijde
van de Kamer.
Ik verzoek de leden, zich min of
meer aan hun spreektijd te houden.
De beraadslaging wordt geopend.</spreker>
<blok pagina="10-316">

 
<spreker pagina="10-316" anker="290" partij="CDA" naam="Van der Meulen">

Mijnheer de voorzitter! De CDA-
fractie heeft een kort verslag
uitgebracht. Wij wilden de staatsse-
cretaris plenair niet verrassen, zo dat
al mogelijk zou zijn. Tegen de nu
voorgestelde wijzigingen hebben wij
echter grote en in feite zelfs</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


