<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2013]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van het wetsvoorstel Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet, de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (23957)</item>
<item attribuut="Bestand"> 45 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Gezondheidszorg (Zorgverzekeringen)
Sociale zekerheid (Kinderbijslag (AKW))</item>
<item attribuut="Trefwoorden">AKW
Ziekenfondsverzekering
AWBZ
Kinderbijslag</item>
<item attribuut="Dossiernr">23957</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 9, Eerste Kamer, pag. 316-322</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">19-12-1994</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2013</item>
<item attribuut="Omvang">7 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Eerste Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Kinderbijslag</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Langdurig werklozen</item>
<item attribuut="doccode">EK 10</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="10-316">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Nadere
wijziging van de Algemene
Kinderbijslagwet, de
Ziekenfondswet en de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten
(23957). 
<spreker pagina="10-316" anker="291" naam="De voorzitter">
 Wij houden vanavond
alleen de eerste termijn van de zijde
van de Kamer.
Ik verzoek de leden, zich min of
meer aan hun spreektijd te houden.
De beraadslaging wordt geopend.</spreker>
<blok pagina="10-316">

 
<spreker pagina="10-316" anker="292" partij="CDA" naam="Van der Meulen">

Mijnheer de voorzitter! De CDA-
fractie heeft een kort verslag
uitgebracht. Wij wilden de staatsse-
cretaris plenair niet verrassen, zo dat
al mogelijk zou zijn. Tegen de nu
voorgestelde wijzigingen hebben wij
echter grote en in feite zelfs
onoverkomelijke bezwaren. Ik zeg dat
maar direct. In het verslag hebben
wij wel te verstaan gegeven dat wij
de uitgangspunten delen. In de
uitvoering, zoals die nu aangegeven
wordt, staan die uitgangspunten
echter haaks op elkaar. En de
uitvoering is toch ook niet onbelang-
rijk.
In mijn bijdrage wil ik aandacht
vragen voor het SER-advies van 1990
over de structuur van de kinderbij-
slagen. Het dateert weliswaar van
een viertal jaren geleden, maar het is
nog steeds actueel. Voorts wil ik in
mijn betoog betrekken de notitie van
de toenmalige staatssecretaris
mevrouw Elske ter Veld over
hetzelfde onderwerp, gedateerd mei
1991. Voor zover het nodig is, zal ik
hier ook bij betrekken het verkie-
zingsprogramma van het CDA tot
1998.
Voor ons ligt het moeilijk met twee
onderdelen van het voorstel. Ten
eerste is het de vraag of er rekening
moet worden gehouden met de
leeftijdsverschillen en, zo ja, hoe dat
dan moet. Ten tweede is het de
vraag op welke wijze rekening wordt
gehouden met de gezinsgrootte en
of daarbij sprake is van progressie of
niet. De SER en ook het toekomstige
lid van deze Kamer, mevrouw Elske
ter Veld – ik zal dat helaas niet meer
meemaken, want dan zal ik hier niet
meer zitten of staan – kiezen zeer
nadrukkelijk voor het handhaven van
de huidige opbouw van 0 tot 5 jaar, 6
tot 11 jaar en 12 tot 17 jaar met
daaraan gekoppeld de bekende
70%-100%-130%-formule. In ons
program wordt in dit verband geen
wijziging van de bestaande situatie
voorgesteld. Het kabinet stelt
evenwel voor, ingaande 1 januari
1995 deze formule te wijzigen in
70-85 en 100, zonder daarvoor een
deugdelijk argument te geven.
Dit geldt ook voor het tweede element: bij de hoogte van de
kinderbijslag moet nadrukkelijk
rekening gehouden worden met de
gezinsgrootte. Wij stuiten hier op een
overbekend probleem. Enerzijds is er
’’het hergebruik van goederen’’.
Vroeger, in mijn vorige functie,
gebruikte ik dan het voorbeeld van
de luiers. Het tweede en het derde
kind kunnen best gebruik maken van
de luiers van het eerste kind. Maar
dat gaat tegenwoordig ook al niet
meer met alle pampers, plasgootjes
en droge billetjes. Anderzijds is er de
constatering dat, wanneer ouders
reeds kinderen tot hun ’’last’’ hebben
– ik gebruik die term nog maar een
keer – er minder financie¨le mogelijk-
heden zijn om de kosten van
meerdere kinderen te dragen, zonder
de ontplooiingsmogelijkheden van
de reeds aanwezige kinderen te
beı¨nvloeden.
Op grond van deze overwegingen
is jaren geleden een staffeling van
bedragen geı¨ntroduceerd met een
progressief karakter. De SER kiest
daar ook voor, evenals de toenma-
lige staatssecretaris. In het CDA-
programma wordt dat ook gedaan,
zij het met allerlei genuanceerde
opvattingen over de juiste rangorde.
En wat doet het kabinet voor de
toekomst? Het schaft de progressie
in een klap af, zonder een in onze
ogen deugdelijke onderbouwing. In
de memorie van antwoord wordt
daartoe een poging gedaan die, vrij vertaald, op het volgende neerkomt:
meer kinderen leveren bij hergebruik
van allerlei spullen een min op en
het ontbreken van middelen om alle
kinderen een goede ontplooiingsmo-
gelijkheid te geven, een plus.
Vervolgens worden de plus en de min tegen elkaar weggeschrapt: min
tegen plus is nul. De onderbouwing
is op een veronderstelling geba-
seerd, want nadere studies zijn er
nagenoeg niet.
Wij hebben zeer recent een tabel
ontvangen met cijfers over de
uitwerking van zowel de oude als de
nieuwe wet. Ik hoop dat de
staatssecretaris deze tabel integraal
opneemt in het voorlichtings-
materiaal, zodat het gehele Neder-
landse volk goed op de hoogte raakt
van de verschillen. Wat zit hier toch
achter? Uiteraard is er sprake van
een bezuinigingsmotief. Dat er iets
moet gebeuren, is duidelijk. In de
Tweede Kamer is vragenderwijs
gesteld of hier ook iets van een visie
van het kabinet achter zit, gericht op
het stimuleren van een zekere
gezinsplanning. De staatssecretaris
heeft dat ontkend. Dat zal hij zeker
morgen hier ook doen. Er blijft bij
ons toch altijd wel iets hangen, want
het gezin staat bij het CDA – en ook
bij andere partijen – in hoog aanzien.
Er wordt een gevoelige snaar
geraakt.
In het SER-advies lees ik dat het
kinderbijslagstelsel niet mag worden
gebruikt voor bevolkingspolitieke
doeleinden en de reeds eerder
genoemde staatssecretaris deelde
die visie. Wij zijn het daarmee ook
eens. Ik weet niet of dit wetsvoorstel
op een meerderheid kan rekenen. Als
eerste spreker tast je in het duister,
te meer daar enkele partijen geen
voorlopig verslag hebben ingediend.
Dit is overeenkomstig gemaakte
afspraken in de vaste commissie en
dus maak ik niemand een verwijt.
Wel wil ik mevrouw Ter Veld –
misschien tot vervelens toe – nog
eenmaal citeren. Ik heb getracht in
grote lijnen weer te geven wat haar
voor ogen stond. Daarvan uitgaande, schreef zij: ’’diverse malen zijn in
Nederland de afgelopen jaren
stemmen opgegaan over de
kindonvriendelijkheid van het
Nederlandse beleid in vergelijking
met het buitenland.’’ Zij constateerde
verder dat het stelsel in ons land niet
in betekenende mate gunstig of
ongunstig afwijkt van de stelsels in
de ons omringende landen. Dat was
misschien ook het geval met het
oude stelsel. Ik erken dat het moeilijk
is om tot een zuivere vergelijking te
komen. Wel staat voor mij vast dat,
wanneer dit nieuwe systeem tot
wasdom is gekomen en een nieuwe
vergelijking met de landen om ons
heen wordt gemaakt, de stemmen
over kindonvriendelijkheid niet zullen
verstommen maar juist zullen
toenemen. Degenen die dat beweren,
kunnen nog wel gelijk hebben ook.
Voorzitter! Het overgangsrecht.
Van onze kant is een opmerking
gemaakt over de periode 1 oktober
tot 31 december 1994. De nieuwe
wet treedt bij aanvaarding op 1
januari 1995 in werking. Gezinnen
met kinderen die in die periode zes
en twaalf jaar zijn geworden, hebben
op grond van de huidige wetgeving
recht op een kinderbijslag van
ongeveer ƒ 1000. In het nieuwe
wetsvoorstel wordt bepaald dat deze
bedragen met terugwerkende kracht
worden teruggebracht tot ongeveer
ƒ 800. Per kwartaal is dat een
verschil van ƒ 200 en dus op
ƒ 800 op jaarbasis. Deelt de
staatssecretaris de opvatting dat hier
sprake is van invoering met
terugwerkende kracht? Dit staat op
gespannen voet met het recht-
zekerheidsbeginsel en de eerbiedi-
gende werking van de op dat
moment verkregen rechten wordt
terzijde gesteld.
Al met al is de CDA-fractie tot het
oordeel gekomen, tegen dit
wetsvoorstel te moeten stemmen, al
zullen wij met belangstelling en met
respect luisteren naar het antwoord
van de staatssecretaris.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="10-318">
<spreker pagina="10-318" anker="293" partij="D66" naam="Gelderblom-Lankhout">
 Voorzitter! Het is evident dat
de maatregel die wij vanavond
bespreken, pijn zal doen. Dat
erkennen wij. De pijn zal vooral
gevoeld worden in de gezinnen waar
reeds veel kinderen zijn. Ik denk niet
dat het hier de plaats is om
uitgebreid theoretisch op deze
kwestie in te gaan. Het kabinet is in
de toelichting op twee theoriee¨n ingegaan: die van kosten per kind en
de die van de gezinswelvaart. Ik denk
dat die laatste theorie vooral geleid
heeft tot progressie in het
kinderbijslagsysteem. Door het
kabinet is besloten – uit bezuinigings-
noodzaak, laten wij daar eerlijk over
zijn – om die theorie geleidelijk te
verlaten. Mijn fractie vindt het
afschaffen van de progressie een
pijnlijke maatregel, maar wel
verdedigbaar.
Ik wil echter nog graag iets van
het kabinet horen in de sfeer van de
compensatie. In de toelichting staat
dat voor compensatie is gekozen
voor de individuele huursubsidie. Het
kabinet heeft naar aanleiding van
een toezegging tijdens de algemene
politieke beschouwingen over de
regeringsverklaring onderzocht of
kon worden voorzien in compensatie
voor huishoudens met een eigen
woning. Wij denken dan natuurlijk
aan de kleine middenstander, aan de
winkelier die boven zijn eigen winkel woont. Dan lees ik in de toelichting:
het kabinet heeft naar aanleiding van
dit onderzoek besloten om vanwege
de complicaties hier niet toe over te
gaan. Houdt dan het denken op of
mogen wij ervan uitgaan dat juist de
kleine zelfstandige verderop in de tijd
ook van compensatie zal mogen genieten? Met andere woorden:
mogen wij ervan uitgaan dat de
compensatie slechts voor een jaar
alleen in deze maatregel gezocht
wordt en dat volgend jaar met
vernieuwde kracht geprobeerd zal
worden, ook voor de kleine
zelfstandige echte compensatie te
vinden?
</spreker>
</blok>
<blok pagina="10-318">

 
<spreker pagina="10-318" anker="294" partij="GPV" naam="Veling">
 Mijnheer de
voorzitter! Mede namens de fracties
van de SGP en de RPF wil ik mij
vanavond concentreren op een
belangrijke steen des aanstoots in
het wetsvoorstel betreffende de
kinderbijslag, namelijk de afschaffing
van de progressie naar het kind-
eraantal. Dat doe ik vooral omdat de
gronden waarop het wetsvoorstel
berust op dit punt uit de stukken niet
te begrijpen zijn. Het is mistig
rondom deze centrale kwestie.
Ik begin met een aantal citaten die
in de lijn van de memorie van
toelichting bij het voorliggende
wetsvoorstel duidelijk maken waar
het in de kinderbijslag om gaat. Het eerste citaat: ’’De kinderbijslag
beoogt een correctie op de primaire
inkomensverdeling tot stand te
brengen en die correctie houdt in dat
degenen die een of meer kinderen
tot hun last hebben tegemoet
worden gekomen in de kosten van
die kinderen.’’ Deze tegemoetkoming
is niet kostendekkend. Dat moet ook
niet, want ouders dragen ’’een eigen
financie¨le verantwoordelijkheid’’ voor
hun kinderen. Hoe moet de structuur
van de kinderbijslag dan vervolgens
worden bepaald? Een rechtvaardig
stelsel van kinderbijslag moet
gekenmerkt worden ’’door een
combinatie van de kosten-per-
kindtheorie en de gezinswelvaarts-
theorie’’. De kosten-per-kindtheorie
houdt in dat een volgend kind iets
minder duur is dan een ouder
broertje of zusje. De gezinswelvaarts-
theorie houdt in dat elk volgend kind
een zwaardere last voor het gezin
betekent, omdat de kosten voor het
kind van een steeds kleiner deel van
het besteedbare inkomen moeten
worden betaald. Er is een tijd
geweest, zo lees ik, dat men ertoe
neigde die gezinswelvaartstheorie te
laten domineren. In 1980 vond het
kabinet dat de welvaart van een
gezin met kinderen niet te veel
mocht dalen onder de welvaart van
een vergelijkbaar gezin zonder
kinderen. Deze benadering is echter
niet juist, zo wordt gezegd. Het is
goed dat meer kinderen ouders meer
kosten.
Mijnheer de voorzitter! Ik begon
met de bewering dat de gronden van
het voorliggende wetsvoorstel in
mist gehuld zijn. Kan ik dat
volhouden na de bloemlezing die ik
zojuist gaf? De geciteerde redenering
is toch goed te volgen? Zeker, maar
de verwarring slaat toe als wij eens
goed kijken naar de datum van het
stuk waaruit ik citeerde. Dat is niet,
zoals men wellicht denkt, de
memorie van toelichting bij dit
wetsvoorstel. Het gaat om het
kabinetsstandpunt inzake de
structuur van de kinderbijslag van 16
mei 1991. Dat is de structuur die
door het huidige kabinet op een
buitengewoon ingrijpende wijze
wordt veranderd. De argumentatie
van de bewindslieden van het
huidige kabinet lijkt als twee
druppels water op die van staatsse-
cretaris Ter Veld ruim drie jaar
geleden. Het lijken af en toe wel
citaten. Het huidige kabinet wil
evenals het kabinet drie jaar geleden
niet varen op de koers van de
gezinswelvaartstheorie. Het huidige
kabinet zoekt een evenwicht tussen
de gezinswelvaartstheorie en de
kosten-per-kindtheorie, exact
hetzelfde als drie jaar geleden. De
argumentatie is identiek, maar de
uitkomst verschilt drastisch. Het
huidige kabinet wil de progressie
naar het kindertal geheel afschaffen.
Daardoor wordt de kinderbijslag
verlaagd met bedragen die voor
grote gezinnen kunnen oplopen tot
meer dan ƒ 10.000 per jaar. Dat
gebeurt met een argumentatie die
rechtstreeks is weggelopen uit de
argumentatie voor het stelsel dat nu
verlaten wordt.
Wij zijn op dit punt in de mist
terechtgekomen. Het zicht is op
sommige plaatsen minder dan 3,5
jaar. Ik weet niet of het nog helder
wordt dezer dagen. De Raad van
State heeft, evenals de Tweede
Kamer, op dit punt om nadere
argumentatie gevraagd. Maar een
antwoord blijft uit. Het kabinet
omschrijft de enorme korting voor
grotere gezinnen als een vergroting
van ’’de financie¨le verantwoordelijk-
heid van ouders’’. Ja, dat is
onmiskenbaar. ’’Dat is goed’’, wordt
dan gezegd, ’’in het licht van de
doelstelling van dit kabinet om de
verantwoordelijkheden tussen de
gemeenschap en de burgers te
herijken’’. Daar blijft het bij.
Onduidelijk blijft waarom het
evenwicht tussen de gezins-
welvaartstheorie en de kosten-per-
kindtheorie voor een gezin met een
kind een hogere kinderbijslag moet
opleveren en voor een gezin met vier
kinderen een verlaging van zo’n
ƒ 3000 per jaar, om van nog grotere
gezinnen maar niet te spreken. Het
kabinet is kennelijk van oordeel dat
herijking van de
verantwoordelijkheidsverdeling
tussen de gemeenschap en de
burgers ingrijpender gevolgen moet
hebben naarmate gezinnen meer
kinderen hebben.
Waarom heeft het dit oordeel?
Laat ik eerst de gedachte onder de
loep nemen dat schaalvoordelen ingrotere gezinnen compensatie
zouden bieden voor de vermindering
van het welvaartsniveau door de
kosten van meer kinderen. Afschaf-
fing van de progressie naar het
aantal kinderen kan logisch
gesproken niet beargumenteerd
worden vanuit een evenwicht tussen
de gezinswelvaartstheorie en de
kosten-per-kindtheorie. Dat wordt
wel steeds gedaan, maar naar mijn
overtuiging is die redenering niet
sluitend. Overigens werd in 1991
naar dezelfde evenwichtsconstructie
gezocht en dat leidde toen ook niet
tot een afschaffing van de progres-
sie. Ter verduidelijking geef ik het
voorbeeld van ouders die twee
studerende kinderen financieel
steunen door de helft te betalen van
elk boek dat zij voor hun studie
nodig hebben. Nu vraagt zoonlief
belangstellend waarom hij met
minder geld moet rondkomen dan
zijn zus, omdat hij meer boeken
moet kopen. Dan kunnen die ouders
toch niet volstaan met te zeggen dat
de ongelijkheid min of meer logisch
is, omdat je voor meer boeken een
kwantumkorting kunt bedingen. Als
zij hun kinderen verschillend willen
behandelen, zullen zij andere
argumenten moeten hebben, zeker
als de bijdrage van de ouders
vroeger wel progressief rekening
hield met het aantal benodigde
boeken. Het zou natuurlijk anders zijn
als de ouderlijke toelage kostendek-
kend was. Dan is er geen enkele
reden voor progressie. Als de
nettokosten van de boeken, inclusief
die kwantumkorting, worden vergoed
door de ouders, kan de progressie
vervallen. Dan worden broer en zus
gelijk behandeld. Maar in het
voorbeeld is dat niet het geval en
evenmin in de kinderbijslag.
Niemand zal daar ook maar even aan
twijfelen. Het is niet kostendekkend
en dus is de argumentatie niet
sluitend door te verwijzen naar de
kosten-per-kindtheorie. Het Tweede-
Kamerlid Van Zijl van de PvdA pleitte
overigens wel in 1991 voor die
kostendekkende kinderbijslag op
termijn. In het verkiezingsprogramma
van de PvdA van 1994 is slechts de
afschaffing van de progressie
overgebleven.
Mijnheer de voorzitter! Op dit punt
blijf ik in de mist tasten. De
bewindslieden moeten maar niet
boos zijn als ik over hun mogelijke
motieven spreek en het misschien bij
het verkeerde eind heb. Dat roep je
over je af als je onduidelijk blijft, zeg
ik dan maar. Ik zal maar niet
uitweiden over de mogelijke
bevolkingspolitieke motieven. Ik heb
toch gelijk, zo vraag ik de staatsse-
cretaris, dat daarvan geen sprake is?
Collega Van der Meulen profeteerde
al dat het antwoord op die vraag
bevestigend zal zijn. Ik wijd daar dan
ook maar niet over uit. Zou dan
Beatrijs Ritsema in NRC Handelsblad
van 14 december jongstleden een
verzwegen argument te pakken hebben? Zij schrijft: het is heel
progressief om tegen kinderbijslag te
zijn. Vervolgens suggereert zij in
weinig-parlementaire termen, die ik
maar niet zal citeren, dat degenen
die de voorgenomen bezuiniging
prima vinden, kinderbijslag
beschouwen als een subsidie¨ring van
het krijgen van kinderen. Dat zou
toch onzin zijn, zegt zij. Als mensen
geheel vrijwillig een kinderschare
concipie¨ren, hoeft de gemeenschap
toch niet de rekening te betalen, zo
typeert zij het standpunt van
’’progressieven’’. De staatssecretaris
neemt natuurlijk afstand van deze
typering van de gronden van het
voorliggende wetsvoorstel. Ook hij
weet dat er verschil is – ik citeer nu
Ritsema – tussen een kind en een
Deense dog, ook al kosten zij
aanvankelijk evenveel geld. Hoewel,
misschien ben ik snel met mijn
conclusie. Misschien moeten wij het
toch in deze richting zoeken. Het
Tweede-Kamerlid Hoogervorst van
de VVD heeft bij de behandeling van
het wetsvoorstel een beschouwing
gegeven die toch wel iets weg heeft
van de observatie van mevrouw
Ritsema. Hoogervorst meldde dat de
VVD-fractie reden zag voor herbezin- ning op de kinderbijslag. Hij zei:
Nederland is immers het land van de
gezinsplanning. Het is goed als de
ouders meer zelf betalen voor hun
kinderen, want – wat heeft het een
met het ander te maken? – als zij
kiezen voor kinderen – dat kunnen ze
dus – houden zij met vele zaken rekening, zoals: hoe groot is mijn
huis en wat hebben wij te besteden?
Mijnheer de voorzitter! Wim Kan heeft eens als grap gezegd: de
Nederlander staat voor moeilijke keuzes: nemen wij dit jaar een
scooter of een baby? De VVD-fractie
in de Tweede Kamer vat de inhoud
van die toch cynische grap blijkbaar
op als een serieus gegeven. Wat
vinden de bewindslieden van deze
opstelling?
Maar ook al zou het kabinet
vinden dat uitgaven voor kinderen
tot op zekere hoogte vergelijkbaar
zijn met consumptieve uitgaven, die
de overheid dus niet behoeft te
subsidie¨ren, dan is nog steeds het
raadsel niet opgelost waarom de
bezuiniging vooral grotere gezinnen
moet treffen. Op die vraag geeft de
argumentatie geen antwoord. De
heer Hoogervorst suggereerde wel
een antwoord. Ik aarzel om het te
noemen, want het is nauwelijks
serieus te nemen. Hij merkte op dat
de opmars van de voorbehoedmid-
delen de groei van het gezin niet
meer zo onontkoombaar maakte als
vroeger. Vroeger konden de mensen
er niet zo veel aan doen. Ook kwam
de pastoor langs – zo vertelde
Hoogervorst – om te bewerkstelligen
dat mensen de wel beschikbare
middelen niet gebruikten.
De suggestie van de VVD-fractie in
de Tweede Kamer is dan ook duidelijk: mensen wilden eigenlijk
geen grotere gezinnen. Als het er
dan toch van kwam, ontstond er een
probleem dat door progressieve
kinderbijslag maar moest worden
gelenigd. Ik interpreteer de bijdrage
van de heer Hoogervorst dan als volgt: de progressie in de kinderbij-
slag was gewoon een soort
wettelijke ongevallenpolis. Uiteinde-
lijk wordt hiermee een argumentatie
geleverd voor de opheffing van de
progressie in de kinderbijslag, maar
of dit nu een serieus argument
genoemd moet worden?
Mijnheer de voorzitter! Ik houd
maar op, want tasten in de mist is
tamelijk onvruchtbaar! Misschien is
dit enigszins frivole praat, maar ik
hoop wel dat ik duidelijk ben. Onze
fracties staan sympathiek tegenover
de argumentatie van de staatssecre-
taris voor de handhaving van een
stelsel van kinderbijslag, zoals dat
bijvoorbeeld in de memorie van
toelichting wordt herhaald. Kinderen
vormen een geschenk voor de
ouders, maar ook voor de samenle-
ving en dus is een zekere compensa-
tie voor noodzakelijke uitgaven ten
behoeve van kinderen een goede
zaak. Blijkbaar zijn wij het daarover
eens. Bezuinigingen zijn voor ons
ook niet onbespreekbaar, maar het
wetsvoorstel berust niet op de
gronden die zijn aangegeven en bij
de aanbieding van een wetsvoorstel
wordt ons dat altijd beloofd. De
vraag blijft dan ook waarom
gezinnen met vier kinderen tot
ƒ 3000 minder krijgen en de weinige
erg grote gezinnen bedragen tot
boven de ƒ 10.000 per jaar. Ik ben
erg nieuwsgierig naar de reactie.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="10-320">

 
<spreker pagina="10-320" anker="295" partij="PvdA" naam="Van de Zandschulp">

Voorzitter! De voorgestelde wijziging
van de Kinderbijslagwet heeft een
zeer ingrijpend structureel effect. Het
kabinet voert twee motieven aan voor deze wijziging: een macro-
economisch – ik acht dat in
hoofdzaak valabel – motief en een
quasi-ideologisch motief dat ik
goeddeels flauwekul vind. Over
beide een opmerking.
De macro-economische redenering
is gebaseerd op de noodzaak van
tekortreductie en op de veronderstel-
ling dat verlaging van de collectieve-
lastendruk bijdraagt aan
werkgelegenheidsherstel. Werk, werk
en nog eens werk is het adagium dat
ik onderschrijf. Verlaging van de
collectieve-lastendruk kan hiertoe
een bijdrage leveren. Verkleining van
de wig is echter niet geheel identiek
aan verlaging van de collectieve-
lastendruk. Ik denk dat naast een
versobering, ook een verschuiving
van lastendruk nodig is; van direct
naar indirect, van arbeid naar
energie- en milieubeslag en
misschien ook van arbeid naar
kapitaal. Een lastenverschuiving van
arbeidsintensieve sectoren naar
kapitaalintensieve sectoren past in
een werkgelegenheidsbeleid.
Ik maak deze opmerking omdat de
leus ’’werk gaat boven inkomen’’ bij
de lagere inkomensgroepen al snel
op grenzen stuit. De opdoemende
maatschappelijke tweedeling gaat
niet alleen over een ernstig
werkgelegenheidstekort, met name
in de onderste sectoren van de
arbeidsmarkt, maar evenzeer over
een tekort aan inkomen in de
categorie sociale minima. Wij
wenden een dreigende tweedeling
niet af als wij enkele tienduizenden
banen cree¨ren en tegelijkertijd enkele
honderdduizenden huishoudens via
een straf bezuinigingsbeleid in
ernstige financie¨le problemen
brengen. Bij dit dilemma is fine
tuning vereist.
Het tweede argument van het kabinet luidt: een andere
verantwoordelijkheidsverdeling
tussen overheid, individu en
maatschappelijke intermediairs. Dit
debat over herijking van verantwoor-
delijkheden ga ik graag op elk afzonderlijk thema aan: van de
Ziektewet, via de studiefinanciering
tot en met de aftrek van hypotheek-
rente. Waar ik echter bezwaar tegen
maak, is dat de andere
verantwoordelijkheidsverdeling thans
niet nader gespecificeerd een
algemene slogan lijkt te worden, een
ideologische vernissage bij elk
bezuinigingsvoorstel. Bij de
Ziektewet was er inderdaad sprake
van afwenteling van eigen verant-
woordelijkheden op het collectief. Via
premiedifferentiatie en de 2/6-
wekenmaatregel en dergelijke is
daaraan terecht het hoofd geboden.
Geldt nu dezelfde redenering voor
de kinderbijslag? Ik zie dat volstrekt
niet. De financie¨le verantwoordelijk-
heid van de ouders voor het
onderhoud van kinderen heeft steeds
voorop gestaan. De tegemoetkoming
via de kinderbijslag is bescheiden.
Zelfs bij het bestedingspatroon van
mensen met een minimuminkomen
wordt ternauwernood de helft van de
kosten gedekt. De kinderbijslag is
een erkenning van de maatschappe-
lijke betekenis van het grootbrengen
van kinderen en betekent een kleine
correctie op het verschil in
bestedingsmogelijkheden tussen
huishoudens met en zonder kinderen
bij een gelijk inkomensniveau. Daar
is niets mis mee en van een
oneigenlijke afwenteling van
verantwoordelijkheid op het collectief
is geen sprake.
Veronderstellenderwijs leg ik het
leerstuk van de grotere eigen
financie¨le verantwoordelijkheid van
ouders voor aan twee huishoudens
met elk vier kinderen. In het eerste
huishouden komt een ton binnen. Ik krijg als bescheid: wij vinden het
vervelend, maar in het kader van
forse bezuinigingen toch niet
volstrekt onredelijk. Het tweede
huishouden leeft op bijstandsniveau. Ik krijg nu als reactie: wij moeten ons
al veel ontzeggen terwille van de
kinderen. Het meest pijnlijke is echter
dat niettemin onze kinderen toch
minder ontplooiingsmogelijkheden
hebben dan andere kinderen. Uw
leer van grotere ouder-
verantwoordelijkheid betekent voor
ons huishouden een groter sociaal
isolement en verdere achterstelling.
Structureel gaat het om een
verlaging van het besteedbaar
inkomen met ruim ƒ 3000 en de
compensatie via de individuele
huursubsidie bedraagt krap ƒ 300.
Ik vind beide reacties hoogst
redelijk. Ik trek daaruit de volgende conclusies. Ten eerste: het leerstuk
van de nieuwe
verantwoordelijkheidsverdeling is
niet universeel geldig, maar voor een deel klassebepaald. Ten tweede: dit
leerstuk leidt logischerwijs tot een
heropening van het debat over
inkomensafhankelijke kinderbijslag.
Noodgedwongen kom ik daar straks
op terug. Ook de politiek-inhoudelijke
onderbouwing van de gekozen
spreiding van de pijn is niet echt
overtuigend. Bij de volledige
afschaffing van de progressiefactor
grijpt het kabinet terug op twee
theoriee¨n. Volgens de kosten-per-
kindtheorie ontstaan er schaal-
voordelen bij opeenvolgende
kinderen en volgens de gezins-
welvaartstheorie neemt de draag-
kracht van de ouders af naarmate er
meer kinderen ten laste komen, want
de kinderbijslag is bij lange na niet
kostendekkend. Beide theoriee¨n
bevatten een waarheidselement en
tot zover volg ik het. Daarna volgt de verdwijntruc: zonder enig onderzoek
wordt geponeerd dat beide effecten
elkaar precies opheffen en een strikt
lineair stelsel dus de juiste balans
vormt van verdiscontering van beide
effecten. Ik acht die toevalstreffer
onwaarschijnlijk.
Bij de gewijzigde leeftijdsstaffeling
– van 70, 100 en 130% naar 70, 85 en
100% – gaat in de structurele situatie
– terdege en met waardering heb ik
kennis genomen van het overgangs-
recht – de kinderbijslag voor de
leeftijdscategorie van twaalf tot
achttien jaar het meest naar
beneden. Bij de verdediging daarvan
komt de staatssecretaris met een verrassend nieuw argument: bij die
leeftijd van de kinderen kunnen de
ouders gemakkelijker meer arbeids-
uren maken en dan neemt hun
draagkracht toe. In veel, maar zeker
niet in alle gevallen, zal die
redenering inderdaad opgeld doen.
Deze argumentatie is overigens wel
wezensvreemd aan de huidige
rechtsgronden van de kinderbijslag.
De nieuwe argumentatie past
daarentegen wel enigszins bij de
filosofie van de nieuwe
verantwoordelijkheidsverdeling. In de
Handelingen van de Tweede Kamer
las ik dat de staatssecretaris heeft
gezegd dat de vraag waar het
publieke domein ophoudt, ontzettend
veel te maken heeft met het
antwoord op de vraag hoe gemakke-
lijk het voor mensen is om hun eigen
verantwoordelijkheid in te vullen. Hij
geeft ook aan dat het invullen van de
eigen verantwoordelijkheden
inderdaad te maken heeft met
praktische mogelijkheden en
onmogelijkheden.
Met deze argumentatie heeft de
staatssecretaris het startsein gelost
voor een heropening van het debat
over inkomensafhankelijke kinderbij- slag. Dat debat is zeker legitiem:
zolang de kinderbijslag bestaat, gaat
het debat niet alleen over de effecten
op de horizontale inkomensverde-
ling, maar ook over de effecten op
de verticale inkomensverdeling. De
eerste kinderbijslagwet van Romme
uit 1939 regelde inkomensafhanke-
lijke kinderbijslag, zij het in denivelle-
rende zin, conform het toenmalige
klasse- en standsdenken. Er waren
vier kinderbijslagklassen, varie¨rend
van een dubbeltje voor de laagste
lonen, via vijftien en twintig cent
naar een kwartje voor de hogere lonen. En Louis Davids zong: ’’Als je
voor een dubbeltje geboren wordt,
zul je nooit een kwartje worden’’. Bij
de behandeling in de Tweede Kamer
diende het SDAP-lid Willem Drees
een amendement in voor inkomens-
onafhankelijke kinderbijslag. Eerst
nadat Drees zelf minister van Sociale
Zaken was geworden, werd een
inkomensonafhankelijke kinderbijslag
voor werknemers alsnog gereali-
seerd.
In de jaren zeventig kwam binnen
de PvdA de wenselijkheid van
inkomensafhankelijke kinderbijslag
boven drijven, nu echter nivellerend
bedoeld. In de jaren tachtig vond er
binnen de PvdA een heroverweging
plaats en in 1986 liet de PvdA de eis
van inkomensafhankelijke kinderbij-
slag vallen. Daarbij golden twee overwegingen: ten eerste de
uitvoeringstechnische complicaties
ervan en ten tweede een nadere
beschouwing van het geheel van
inkomensafhankelijke regelingen en
de marginale druk bij loons-
verbetering, vooral bij toetreding tot
het arbeidsproces, bijvoorbeeld via
part-timearbeid van de partner. De
uitkomst toen was dat inkomensaf-
hankelijke kinderbijslag niet
toegevoegd kon worden aan het
geheel van inkomensafhankelijke
regelingen. Dat toen mijns inziens
juiste standpunt heeft niet per se
eeuwigheidswaarde. De marginale
druk zal nu waarschijnlijk iets anders
liggen, maar vooral de huidige
bezuinigingsdruk en de slogan van
een andere verantwoordelijkheids-
verdeling, plaatsen deze vraag toch
weer op de agenda. De tegenargu-
menten van een decennium terug in
mijn partij zullen wellicht in iets
gematigder vorm nog steeds van
betekenis zijn.
In dit kader vraag ik nu opnieuw
de aandacht voor een oude
suggestie van een CDA-commissie
onder leiding van Jelle Zijlstra uit
april 1989 voor een parallelle
verhoging en brutering van de
kinderbijslag. Vanuit de fiscale leer is
er geen bezwaar tegen brutering; dit
mijdt vrijwel alle nadelige effecten
van inkomensafhankelijke kinderbij-
slag, biedt de lagere inkomens
relatieve verlichting en past volledig
binnen het leerstuk van deze
staatssecretaris om te komen tot een
herijking van verantwoordelijkheden.
Ik lanceer deze gedachte van
brutering opnieuw omdat ik graag
iets verder vooruitkijk. Dankzij een
ruim overgangsrecht dat zowel
zorgvuldig als slim is, valt er
gedurende de eerstkomende jaren
nog wel te leven met de inkomens-
gevolgen van dit wetsvoorstel, mede
nu er voor de lagere inkomens met
kinderen ten dele een, toegegeven
niet geheel perfecte, compensatie
wordt geboden via de individuele
huursubsidie.
Het maximale inkomenseffect van
verandering van de leeftijdsstaffeling
treedt over zes jaar op. Het maximale
effect van afschaffing van de
progressie over achttien jaar. Voor
huishoudens met kinderen op het
minimumniveau – dat zijn er ruim
200.000 – zal het eerst en het
scherpst duidelijk worden dat de
inkomenseffecten niet voor iedereen
op te vangen zijn. Er ontstaat dan
opnieuw een roep om compense-
rende maatregelen, bijvoorbeeld in
de vorm van een kindertabel bij
gemeentelijke heffingen of in het
kwijtscheldingsbeleid, of zelfs in de
normuitkeringen op minimumniveau.
Dat worden dan wel buitengewoon
complexe regelingen. Mede in het
kader van de debatten die nu al te
voorspellen zijn, doe ik daarom nu
de suggestie van brutering als een
kleine, maar relatief eenvoudige
bijdrage ter oplossing van straks
opdoemende knelpunten.
Voorzitter! Het zal duidelijk zijn dat
wij nogal wat problemen hebben
met de lange-termijneffecten van dit
wetsvoorstel. Gegeven de door ons
erkende noodzaak van tekortreductie
en verlaging van lasten op arbeid en
met erkenning van het primaat van
de Tweede Kamer om keuzen nader
in te vullen, zullen wij ons nu niet
verzetten tegen aanvaarding van dit
wetsvoorstel.
Sommige waarnemers hebben dit
wetsvoorstel geı¨nterpreteerd als een nieuwe antithese: paars versus
confessioneel. Beatrijs Ritsema,
zojuist al geciteerd door collega
Veling, schreef vorige week in de
NRC dat zij die gebetenheid op
kinderbijslag nooit heeft begrepen,
net zo min als het applaus dat in
progressieve en liberale kring is
opgegaan bij het aankondigen van
bezuinigingen erop. Voorts ziet zij
ook niet in wat er zo progressief aan
is. Ik zie dat evenmin in. Wie het
uitvoerige Tweede-Kamerdebat
gevolgd heeft, vindt geen aankno-
pingspunten voor een nieuwe
antithese paars versus confessioneel.
Het verschil in standpuntbepaling
tussen regeringsfracties en CDA over
het besparingseffect was nogal marginaal: de verdeling van de pijn
verschilde. Tussen de regerings-
fracties liep de benadering ook
enigszins uiteen. Applaus heb ik
nergens gehoord. Het meest ernstige
verzet kwam van klein rechts en klein
links (met excuses voor deze
aanduidingen).
Voorzitter! Dit wetsvoorstel is
geboren uit de nood van de tijd. In
dat kader moet het geplaatst worden
en in dat kader heb ik het beoordeeld
en zal ik het met pijn en moeite
accepteren.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="10-321">

 
<spreker pagina="10-321" anker="296" partij="VVD" naam="Heijmans">
 Mijnheer
de voorzitter! ’’Men zegt dat er geschreven staat: gaat henen en
vermenigvuldigt u! Maar dat wil niet
zeggen dat men niets anders te doen
heeft dan zich te vermenigvuldigen.
Zo wordt het wel voorgesteld, maar
het heeft een algemeene beteekenis,
want op het ogenblik dat dit werd
gezegd, deed zich de quaestie nog
niet voor, of en hoe de kinderen
konden worden onderhouden, want
toen was de wereld nog niet
bevolkt.’’
Voorzitter! Dit is geen min of meer
prikkelende vondst van mij. Daarvoor
alleen al is het taalgebruik te deftig.
Het is een uitspraak van De Savornin
Lohman uit 1920.
Ik geef nog een citaat. ’’Immers,
de gemeenschap is voor haar
krachtig voortbestaan in het
algemeen afhankelijk van de
natuurlijke ordelijke ontplooiing van
het gezinsleven, terwijl in het
bijzonder de kinderrijke, goed
geregelde gezinnen voor haar
vooruitgang van de grootste waarde
zijn.’’ Romme schreef dit in 1937 in
zijn voorontwerp Kinderbijslagwet,
dat hij toen naar de Hooge raad van
Arbeid om advies stuurde.
Tot slot een derde citaat. ’’In dit
wetsvoorstel wordt een aantal
wijzigingen van de Algemene
kinderbijslagwet (AKW) voorgesteld.
De wijzigingen vloeien voort uit het
programma van dit kabinet zoals
neergelegd in het regeerakkoord. Een
leidende gedachte achter het
regeerakkoord is het herijken van de
verhouding van verantwoordelijkhe-
den tussen de gemeenschap en de
eigen verantwoordelijkheid van
individuele burgers en gezinnen.
Hiermee wordt tevens een bijdrage
geleverd aan de gezondmaking van
de overheidsfinancie¨n en de door het
kabinet beoogde lastenverlichting.’’
Ik meen dat ik de bron van dit
citaat niet hoef te noemen. Het staat
in de inleiding van de memorie van
toelichting op het wetsontwerp dat
wij nu behandelen.
Uit het rijtje van de drie citaten
kunnen twee conclusies worden
getrokken. De eerste is, dat de
discussies over de kinderbijslag
vanaf het begin een sterke,
confessioneel-ethische impact
hebben gehad, veel sterker dan
welke debatten over welke sociale-
verzekeringsregelingen dan ook. Wij
hebben daar vanavond ook iets van
mogen horen. De tweede conclusie
is, dat er thans wel heel anders
wordt gedacht over collectieve en
persoonlijke verantwoordelijkheden
dan in de eerste decennia van deze
eeuw.
Voorzitter! In de loop van de jaren
is vooral in niet-confessionele
kringen vaak de vraag gesteld, of
kinderbijslag al dan niet een
’’fokpremie’’ was, dus of de hoogte
ervan van invloed zou zijn op het
aantal kinderen. Beatrijs Ritsema
schreef er in het NRC Handelsblad
van 14 december nog over. Ik ben de
derde die haar noemt. De achterpa-
gina van het NRC Handelsblad wordt
blijkbaar zeer intensief door ons
gelezen. Onderzoeken op dit gebied
hebben deze causale relatie nooit
aangetoond.
Dit maakt het argument in het
wetsvoorstel over het herijken nu
van de verantwoordelijkheid van de
gemeenschap en de individuele
verantwoordelijkheid niet zo
verschrikkelijk sterk. Mijn coalitie-
genoot, Van de Zandschulp, heeft
juist in dezelfde richting gesproken.
Men kan zien, hoe groot de cohesie
in deze coalitie is. Ik vraag de
staatssecretaris dan ook, waarom hij
zowel in de memorie van toelichting
als in de schriftelijke voorbereiding
en tijdens de plenaire behandeling
aan de overzijde hierop zoveel
nadruk heeft gelegd. De beslissing
om voor een kind of voor nog een
kind te kiezen, zo er al van een
bewuste keuze sprake is, wordt
immers door een al dan niet kleine
groep mensen aan confessioneel-
morele normen getoetst. Zij zal in
het algemeen vaak ook emotioneel
van aard zijn. Naar mijn smaak
betekent dit echter niet, dat de eigen
verantwoordelijkheid wordt ontgaan.
Kinderen worden in ons land
doorgaans goed opgevoed, vaak met
grote opofferingen van de ouders. Ik
vraag mij dan ook af, waarom door
middel van verlaging van de
kinderbijslag die verantwoordelijk-
heid moet worden aangescherpt.
Bovendien introduceert de staatsse-
cretaris een grotere verantwoordelijk-
heid met terugwerkende kracht. Men
kan ouders, wier kind straks 12 jaar
wordt en die dus geen 130% maar
100% van het basisbedrag zullen
krijgen, toch niet nahouden dat zij
indertijd maar rekening hadden
moeten houden met een toekomstige
grotere verantwoordelijkheid?
Mijn fractie is een grote voorstan-
der van een herijking van collectieve
en persoonlijke verantwoordelijkheid.
Dit argument moet echter niet te pas
en te onpas – in dit geval toch wel
enigszins te onpas – worden
aangevoerd. In de memorie van
toelichting wordt gezegd, dat
’’tevens’’ een bijdrage wordt
geleverd aan de gezondmaking van
de overheidsfinancie¨n. Nee, dat is
het doel van het wetsvoorstel! Ik ben
het eens met de heer Van Zijl van de
fractie van de Partij van de Arbeid aan de overkant: zeg dat dan
gewoon. Dat is helemaal geen
schande. Ik vraag mij toch echt af,
waarom ook en vooral door vorige
kabinetten zo vaak ideologische
sausjes over bezuinigingsvoorstellen
moeten worden gegoten.
Het is opvallend dat dit wetsont-
werp – dat geldt trouwens ook voor
het wetsontwerp over de referte-
eisen in de WW – zonder aanzienlijke
protesten is ontvangen. De Gelder-
lander sprak zelfs over een oorverdo-
vende stilte. En dit, terwijl wij de
besparing op de kinderbijslag
ongekend groot is. Het is al eerder
gezegd dat de oorzaak hiervan
waarschijnlijk in de omstandigheid
ligt dat niemand er nominaal op
achteruitgaat. Alleen gekoesterde
verwachtingen voor de toekomst
kunnen niet doorgaan. Het is de
overigens slechts ten dele toege-
paste eerbiedigende werking van de
nota Overgangsbeleid. Zij is nog
steeds niet in dit huis besproken,
maar blijkbaar werpt zij haar
schaduw vooruit. Dat is een goede
zaak.
Ik begrijp niet goed waarom de
staatssecretaris de jaarlijkse
verhogingen voor het eerste kind tot
en met het jaar 2012 tot op het
dubbeltje alsnog in de wet heeft
gebracht. Is hij zo overtuigd van de
bestendigheid van paars en van de
consistentie in het paarse denken? Ik
hoop het.
De opvattingen over functie en
hoogte van de kinderbijslag willen
nog wel eens veranderen. Dat weten
wij allen. Wilde het vorige kabinet de
bijslagen juist niet verhogen in plaats
van verlagen?
Voorzitter! Mijn fractie zal het
wetsvoorstel steunen.
De beraadslaging wordt geschorst. 

</spreker>
<spreker pagina="10-322" anker="297" naam="De voorzitter">
 De regering zal
morgen antwoorden. 

</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="10-322">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Wet ter bevordering van
de werkgelegenheid voor
werkzoekenden die zeer
langdurig werkloos zijn (23600).
De beraadslaging wordt geopend.

<blok pagina="10-322">

 
<spreker pagina="10-322" anker="298" partij="CDA" naam="Van Gijzen">

Voorzitter! De Kamer heeft deze
dagen een zeer volle agenda. Ik heb
dan ook getwijfeld daar nog beslag
op te leggen. Zwijgend akkoord
gaan, kan verkeerd worden uitgelegd
en dat wil ik in ieder geval voorko-
men. Onze bezwaren zijn na de
memorie van antwoord niet
verdwenen. Ik zal heel kort op dit
onderwerp ingaan, hoewel het in
feite vraagt om een uitvoeriger
behandeling.
Ik bedank de minister voor de
beantwoording van de door onze
fractie gestelde vragen. Uit de
beantwoording blijkt dat de optiek
van waaruit de minister en de
CDA-fractie tegen dit wetsvoorstel
aankijken, verschilt. Aan dit</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


