<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2014]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet ter bevordering van de werkgelegenheid voor werkzoekenden die zeer langdurig werkloos zijn (23600)</item>
<item attribuut="Bestand"> 49 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Arbeid (Werkgevers)
Arbeid (Werkloosheidsbestrijding)</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Sociale verzekeringspremies
Werkgevers
Werkloosheidsbestrijding</item>
<item attribuut="Dossiernr">23600</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 9, Eerste Kamer, pag. 322-329</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">19-12-1994</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2014</item>
<item attribuut="Omvang">8 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Eerste Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Langdurig werklozen</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Wet arbeid vreemdelingen</item>
<item attribuut="doccode">EK 10</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="10-322">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Wet ter bevordering van
de werkgelegenheid voor
werkzoekenden die zeer
langdurig werkloos zijn (23600).
De beraadslaging wordt geopend.

<blok pagina="10-322">

 
<spreker pagina="10-322" anker="154" partij="CDA" naam="Van Gijzen">

Voorzitter! De Kamer heeft deze
dagen een zeer volle agenda. Ik heb
dan ook getwijfeld daar nog beslag
op te leggen. Zwijgend akkoord
gaan, kan verkeerd worden uitgelegd
en dat wil ik in ieder geval voorko-
men. Onze bezwaren zijn na de
memorie van antwoord niet
verdwenen. Ik zal heel kort op dit
onderwerp ingaan, hoewel het in
feite vraagt om een uitvoeriger
behandeling.
Ik bedank de minister voor de
beantwoording van de door onze
fractie gestelde vragen. Uit de
beantwoording blijkt dat de optiek
van waaruit de minister en de
CDA-fractie tegen dit wetsvoorstel
aankijken, verschilt. Aan dit
wetsvoorstel zitten vooral door de
wijzigingsvoorstellen van dit kabinet
en de amendering in de Tweede
Kamer een paar duidelijke minpun-
ten. Die minpunten zijn een veel
grotere complexiteit, waardoor de
uitvoerbaarheid al zonder meer in
het geding is, en extra lasten voor de
werkgevers.
Die toegenomen complexiteit staat
nogal in contrast met het voorstel
van ex-minister De Vries. De
plezierige kant daarvan was nu juist
een heldere, goed toepasbare
maatregel, die ingezet kan worden
op het moment dat individueel
maatwerk geleverd moet worden.
Daar komen de grotere lasten voor
de werkgevers nog bovenop. De
argumenten van de minister hierover
zijn bekend. Dat neemt niet weg dat
dit voor de CDA-fractie een duidelijk
minpunt is.
Gegeven die minpunten was onze
vraag of de minister duidelijk kon
aangeven wat de meerwaarde van
dit wetsvoorstel is. Hij zou deze
meerwaarde uiteen kunnen zetten in
een helder, onweerlegbaar betoog,
dat de problematiek van de
langdurige werkloosheid hiermee op
een doeltreffender manier wordt
aangepakt, uiteraard blijkend uit een
prognose van het aantal meer
plaatsingen. Helaas blijft dit betoog
achterwege.
Wij begrijpen uit de beantwoor-
ding dat de minister het een
pluspunt vindt, dat de premievrij-
stelling kan worden gekoppeld aan
scholing en intensieve bemiddelings-
maatregelen. De CDA-fractie wil
graag een forse streep zetten onder
de noodzaak van scholing, scholing,
scholing, als voorloper op het
adagium werk, werk, werk. Een deel
van de langdurig werklozen komt
immers niet aan het werk, doordat
het niet kan beantwoorden aan de
vraag van de arbeidsmarkt.
Wel constateert de fractie dat het
koppelen van maatregelen aan elkaar
alleen zin heeft, als er iets te
koppelen valt. De toekomst van de
arbeidsvoorziening en het CBA komt
in dit huis ongetwijfeld nog een keer
uitvoerig aan de orde. De fractie
volgt met zorg en aandacht de
berichtgeving. In het kader van dit
wetsvoorstel vraagt de fractie zich af
of er in de toekomst voldoende
budgetten zullen zijn om aan de
vraag naar scholing te voldoen. De
fractie heeft begrepen dat het zelfs
nu al voorkomt dat er ’’nee’’ verkocht
moet worden. Kan de minister
hierover enige duidelijkheid
verschaffen?
Wij delen de opvatting van de
minister dat mensen moeilijker
plaatsbaar zijn, naarmate zij langer
werkloos zijn en dat etniciteit helaas
een negatieve rol speelt. Geloof in
het vergroten van kansen voor
langdurig werklozen door van
rechtswege extra premievrijstelling
te koppelen aan zowel de duur van
de werkloosheid als aan etniciteit is
ons echter vreemd. In de uitverkoop-
tijd gaan de laatste artikelen vaak
niet van de hand, ook al worden zij
nog zo goedkoop aangeboden.
Psychologisch gezien zou het als
groep extra goedkoop maken van
langdurig werklozen en allochtonen
wel eens een contraproduktieve
uitwerking kunnen hebben.
Mijnheer de voorzitter! Ik rond af.
Het voorliggende wetsvoorstel is
bepaald geen voorbeeld van heldere,
doorzichtige regelgeving. De
complexiteit neemt fors toe,
waarmee de uitvoering wordt
bemoeilijkt. De verhoging van de
lasten voor veel werkgevers is een
feit. Baat het niet, schaadt het niet,
was het niet bijster enthousiaste
standpunt van de minister bij de
behandeling in de Tweede Kamer.
Wij hopen dat hij gelijk heeft, maar
kunnen daaruit moeilijk een
meerwaarde constateren.
De reden dat wij onze steun aan
dit wetsvoorstel niet zullen onthou-
den, is dat onze fractie meerwaarde
toekent aan de mogelijkheid tot het
leveren van maatwerk in een redelijk
vroeg stadium van dreigende
langdurige werkloosheid.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="10-323">
<spreker pagina="10-323" anker="155" partij="D66" naam="De Savornin Lohman">
 Voorzitter! Het einde van het
jaar heeft voor de meeste mensen
een extra gewicht. Voor politici, met
name voor het samenspel tussen
Eerste-Kamerleden en regering,
hebben deze laatste loodjes van het
jaar een bijzonder tintje. De regering
tracht zoveel mogelijk wetten erdoor
te krijgen, die budgettaire conse-
quenties hebben. De Eerste-
Kamerleden hebben daar begrip
voor, maar voelen zich onder druk
staan. Immers, uren, dagen,
maanden, jaren mogen als een
schaduw heen vliegen, maar onze
taakuitoefening moet toch binnen
een beperkt aantal uren gereedko-
men. Die zorg delen wij met de
voorzitter. De fractie van D66 is zich
hiervan bewust en heeft dan ook als
richtsnoer genomen om zich in dit
gesprek te beperken tot een aantal
kleine, maar wellicht wel fundamen-
tele kritiekpunten.
De serie wetsvoorstellen die wij op
het gebied van sociale zaken moeten
behandelen, zijn merendeels bedoeld
om de arbeidsdeelname te bevorde-
ren. Soms is de hoofddoelstelling
een evenwichtige inkomensverde-
ling. Soms worden beide doelstellin-
gen nagestreefd. In dit geval hebben
wij te maken met de eerstgenoemde
doelstelling, het bevorderen van de
arbeidsdeelname. Er is op 23
november uitgebreid gediscussieerd
over een nota van de minister en de
staatssecretaris hierover, waarin het
cree¨ren van 40.000 banen centraal
stond. Een van de andere instrumen-
ten is de premievrijstelling voor een
aantal sociale verzekeringen voor
werkgevers die langdurig werklozen
in dienst nemen. De voorwaarden
hiertoe worden in deze wet versoepeld: niet vier jaar, maar twee
jaar is voldoende, maar toestemming
van het arbeidsbureau is verplicht.
De fractie van D66 acht deze
maatregel nuttig. Zij neemt in
principe hetzelfde standpunt in bij de
andere maatregelen die dezer dagen
worden behandeld. Onze zorg betreft
een paar punten. Zoals de vorige
spreekster al zei, is hierbij de vraag
aan de orde van de helderheid van
de wetgeving. De wet die nu wordt
gewijzigd, blijkt bij de meeste
werkgevers nog niet bekend te zijn.
Wij wijzigen nu een wet, terwijl de
vorige regelgeving eigenlijk nog niet
is doorgedrongen tot de norm-
adressant. Wat denkt de minister
daaraan te doen?
Een ander punt is dat degenen die
de regeling zouden moeten
toepassen en bona fide zijn, deze
niet kennen, terwijl de kansen voor
misbruik groot zijn, zoals naar voren
kwam bij de behandeling in de
Tweede Kamer. Wat gebeurt er om
fraude met deze regeling te
voorkomen?
Bij al deze wetten speelt de
samenhang tussen de verschillende
instrumenten. De VVD-fractie heeft
gevraagd naar een overzicht van de
regelingen die er zijn in de sfeer van
de premievrijstelling. Ik kan mij
vergissen, maar het viel mij op dat in
dat overzicht wel de franchise in de
Ziekenfondswet wordt genoemd,
maar dat de franchise in de
overhevelingstoeslag en in de WAO
er niet in staan. Als zij al niet in zo’n
overzicht komen, hoe kan men dan
verwachten dat de gewone burger
die naar deze wetten moet gaan
handelen, dan wel overzicht heeft?
Het laatste punt hangt hiermee
samen. Wij waarderen de daadkracht
waarmee de regering aan het werk
is, maar een bezwaar ervan is dat het
effect van de afzonderlijke maatrege-
len niet gemeten kan worden. Alles
wordt tegelijk in werking gezet. Het
ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid heeft een
uitgebreide onderzoekscultuur. Wij
krijgen dagelijks rapporten, waarin
tot in de details wordt uitgezocht
hoeveel centen een huisvrouw
uitgeeft. Wat wij missen, is een
samenhangend kader, waarin de
verschillende instrumenten en de
verwachte effecten een plaats
hebben en waarin wordt aangegeven
wat men met die effecten verwacht
te verdienen en hoeveel kosten
daarmee gemoeid zijn. Wij zouden
het op prijs stellen, wanneer wij
zoiets binnen afzienbare tijd zouden
kunnen verwachten.
Onze fractie zal het wetsvoorstel
verder steunen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="10-324">

 
<spreker pagina="10-324" anker="156" partij="VVD" naam="Heijmans">
 Mijnheer
de voorzitter! Over de uitbreiding
van de wet-Vermeend/Moor kan ik
heel kort zijn. De stellingen zijn al
jaren geleden betrokken, zoals mijn
fractie in het voorlopig verslag heeft
aangegeven, en de posities zijn
bekend. Daarom beperk ik mij
hoofdzakelijk tot enkele reacties op
de memorie van antwoord.
De minister zegt in zijn weerwoord
op onze inbreng dat er sprake is van
een vorm van premiedifferentiatie.
Dat is naar mijn mening een
volkomen onjuiste en ook gevaarlijke
stellingname. Premiedifferentiatie is
de resultante van de mate waarin in
een bedrijfstak of bedrijf een beroep
wordt gedaan op de sociale verzekeringen: veel arbeidsonge-
schikten, dan een hogere premie,
weinig arbeidsongeschikten of straks
misschien ook werklozen, dan een
lagere premie. Dat is heel iets anders
dan het voorliggende wetsvoorstel
beoogt.
Het lijkt mij bovendien gevaarlijk,
omdat een dergelijke oprekking van
het begrip ’’differentiatie’’ wel eens
contraproduktief zou kunnen
uitvallen. Zij die nu al bezwaren
hebben tegen zo’n gevarieerde
premie, zouden nog meer kopschuw
kunnen worden. De minister herhaalt
keurig de door mijn fractie in het
voorlopig verslag gestelde vraag
over de rechtsgronden, maar helaas
beantwoordt hij die vraag niet,
althans niet direct. Wel geeft hij toe –
ik waardeer die eerlijke benadering –
dat de relatie tussen het betalen van
AWBZ-premie en de bestrijding van
de werkloosheid dun is en dat de
premievrijstelling strijdig is met de
verzekeringsgedachte en het
equivalentiebeginsel. En dus met de
aan de sociale verzekering ten
grondslag liggende rechtsgrond, is
mijn conclusie.
De minister schrijft dat hij bij de
wetswijziging per 1 januari 1996 wil
bezien of dit ook naar de toekomst
toe noodzakelijk is. Die mededeling
lijkt op het eerste gezicht een
pluspunt te bevatten, maar zij is toch
wel rijkelijk vaag. Wat is ’’dit’’? Gaat
het de bewindsman dan om het hele
proces van wat ik graag het
’’slobberen uit de fondsen’’ noem, of
gaat het alleen om de AWBZ-premie
in het geheel? En wat is ’’bezien’’?
Dit oogt erg vrijblijvend. Mag ik uit
zijn mededeling afleiden dat er in
feite een horizonbepaling in het
wetsvoorstel wordt ingevoerd en dat
het in 1996 afgelopen is met het
oneigenlijk gebruik van premie-
gelden?
Mij is zeer kort geleden, namelijk
vandaag in de namiddag, ter ore
gekomen dat de regering een advies
aan de SER wil vragen waarin ook
het probleem van het ’’bloeden’’ van
de fondsen voor werkloosheids-
bestrijding aan de orde zou komen.
Kan de minister ons hierover
vanavond enkele mededelingen
doen? Heeft hij het probleem van
strijdigheid met de verzekerings-
gedachte en het equivalentiebeginsel
– mijn fractie wees er in het
voorlopig verslag nog op – in deze
adviesaanvrage aan de orde gesteld?
Is het een gerichte of een vrijblij-
vende adviesaanvrage? Vindt de
minister dat aanwending van
premiegelden eigenlijk niet aan-
vaardbaar is en heeft hij die mening
ook in de SER-adviesaanvrage
neergelegd? Zijn antwoord is voor
mijn fractie van cruciale betekenis. In
het algemeen vraag ik de minister of
hij een inspanningsverplichting kan
en wil toezeggen. Ik kom overigens
direct nog even op dit onderwerp
terug.
In de memorie van antwoord
wordt gezegd dat het probleem van
de premievrijstelling niet moet
worden verward met de discussie
rond de WVG en de toenmalige
korting op de AAW-rijksbijdrage. De
opmerking van de minister leidt tot
de wat boude bewering dat er op
geen enkele wijze sprake is van het
aanwenden van premiegelden voor
het verlichten van het financierings-
tekort. Ten aanzien van het eerste gedeelte: mijn fractie heeft die
vermenging van de WVG en de AAW
niet gemaakt. Zij heeft in het voorlopig verslag gezegd dat wij:
’’niet alleen dachten aan het inzetten
van premies, maar ook aan de
toenmalige korting...’’. Die combina-
tie leidde tot de vraag over de
fondsen als de reservetank van de
rijksbegroting. En wat die verminde-
ring van de rijksbijdrage voor de
AAW betreft, deze heeft geleid tot
premieverhoging. Je kunt dus met
recht stellen dat indirect, rechtsom of
linksom, premiegelden zijn gebruikt
voor het terugbrengen van het
financieringstekort.
De minister meent dat per saldo
de verantwoorde grenzen van wijlen
ex-minister De Koning niet zijn
overschreden en dat er, om in de
terminologie van diens opvolger De
Vries te spreken, nog geen sprake is
van ’’dagelijkse zonden’’. Dat laatste
is gelukkig waar. Toch wil ik van de
minister weten waar hij zijn grenzen
trekt. Ik herhaal de vraag of, en zo ja,
in welke zin, hij zijn opvattingen in
de adviesaanvrage aan de SER heeft
verwoord.
Tot slot een vraag over het staatje
dat de minister ons gegeven heeft.
Mevrouw De Savornin Lohman sprak
er net over. Ik vond het ook niet erg
duidelijk. Ik vraag mij af of alle
franchises – ik denk in dit verband
ook aan de KRA-regeling – in het
staatje zijn opgenomen.
Ik proef als ondertoon in de
memorie van antwoord dat ook de
minister al met al niet zielsgelukkig is
met de gang van zaken. Vandaar dat
wij met enige nieuwsgierigheid zijn
antwoord afwachten.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="10-324">

 
<spreker pagina="10-324" anker="157" partij="GroenLinks" naam="De Boer">

Mijnheer de voorzitter! Om de
spanning er maar direct vanaf te halen: de fractie van GroenLinks zal
voor dit wetsvoorstel stemmen. Niet
omdat wij van deze wet spectaculaire
resultaten verwachten, maar wel
omdat elke constructieve bijdrage,
ook al is het een druppel op een
gloeiende plaat, steun verdient. Ik
heb overwogen om het daarbij te
laten en nu niet het woord te voeren,
en de discussie over het paarse
’’Werk, werk en nog eens werk’’ te
bewaren tot de behandeling van de
begroting van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, eind maart
volgend jaar. Dan is, hoop ik, ook
meer duidelijk over de invulling van
de beleidsvoornemens die in het
regeerakkoord zijn aangekondigd. De
reden dat ik nu toch een paar dingen
wil zeggen, is gelegen in de
problemen die ik in de eigen
gemeentelijke werksituatie tegen
kom.
Wij verschillen niet van mening
over de functie van betaalde arbeid
voor de persoonlijke ontplooiing en
participatie in de samenleving. Het is
belangrijk dat, waar mogelijk,
mensen zich zelfstandig een inkomen
verwerven zodat zij in hun eigen
levensonderhoud kunnen voorzien.
Dat impliceert wel dat er in de
samenleving ook voldoende zinvolle
arbeid op elk niveau bestaat. Dat ontbreekt: het werk is er wel, maar
wij willen het alleen niet betalen.
Daarbij mag wat ons betreft ter
discussie worden gesteld of het hele
collectieve bouwwerk dat ontstaan is
in tijden van schaarste op de
arbeidsmarkt niet hier en daar wat
uitwassen vertoont die zonder al te
veel problemen tot redelijke
proporties teruggebracht kunnen
worden. De vraag is of wij nu als reactie niet teveel doorschieten:
flexibilisering, nul-urencontracten,
aanscherping referte-eis, verminde-
ring ontslagbescherming, enzovoort.
De eerste vraag voor mij is dan ook
waar de grens ligt. Hoe waarborg je
dat aangeboden werk voor elk
niveau ook een bepaalde kwaliteit
heeft en wat zijn de criteria voor die
kwaliteit? De tweede vraag is wat de
minister in kwantitatieve zin van dit
wetsvoorstel verwacht. Is er een
taakstelling, wie krijgt die taakstelling
opgelegd en wordt er ook afgere-
kend op die taakstelling? Mijn derde
vraag gaat over de additionele
arbeid. Mijn ervaring bij de
uitvoering van banenpool, ITB,
arbeidstoeleiding, en in wat minder
mate, de JWG – al zal dat verande-
ren als de JWG in de marktsector
komt – is dat het begrip ’’additionele
arbeid’’ steeds diffuser wordt. Kan de
minister eens klip en klaar beschrij-
ven wat er anno 1995 nog moet
worden verstaan onder ’’additio-
neel’’? Kan hij ook aangeven wat de
precieze opdracht is aan de
werkgroep die doende is met een
nota of notitie daarover te komen? Is
die werkgroep alleen ambtelijk of
ook via de sociale partners samenge-
steld?
In mijn algemene beschouwing
heb ik al aangegeven dat ik niet
zoveel verwacht van het effect van
allerlei banenplannen en subsidie-
regelingen op de afname van de
hardnekkige werkeloosheid, zoals dit
voorstel. Werkgevers laten zich in het
algemeen niet zo vaak verleiden met
een aflopende subsidie om een
werknemers in dienst te nemen waar
ook nog een aantal risico’s aan
verbonden zijn. Je moet het effect
daarvan niet overschatten. Ik praat
daarbij ook uit eigen werkgevers-
ervaring. Ik bedoel daarmee
overigens niet dat je het moet laten.
Op z’n best zorg je ervoor dat er
zoveel werkgelegenheid bijkomt dat
er voor de intreders op de arbeids-
markt, jongeren en herintredende
vrouwen, voldoende werkgelegen-
heid ontstaat. Een hogere doelstel-
ling lijkt mij nauwelijks haalbaar. Bij
de hardnekkige werkloosheid zijn er
drie problemen die op korte termijn
moeilijk oplosbaar zijn. Voor een
aantal categoriee¨n is er gewoon te
weinig betaald werk beschikbaar. Dat
is op te lossen door het beter te
verdelen. Voor een bepaalde
categorie ongeschoolden en
anderszins moeilijk plaatsbaren is er
te weinig arbeid op hun niveau. Als
de economie aantrekt, zal dat met
een zekere vertraging wel enigszins
opgelost worden, maar het feit blijft
liggen. Ik ben bang – en dat is het
derde probleem – dat dit positieve
effect volledig teniet wordt gedaan
door automatisering, rationalisering
en terugdringing van de collectieve
sector. Als de winstposities
verbeteren, blijkt dat er bij tal van
bedrijven direct geı¨nvesteerd wordt
in automatisering en rationalisering,
met uitstoot van ook veel aardig,
eventueel eenvoudig werk, bijvoor-
beeld baliewerkzaamheden bij de
banken. Aan dat laatste kan de
overheid weinig doen, alhoewel door
een lastenverschuiving van arbeid
naar kapitaal daarop wel enige
invloed valt uit te oefenen.
Herverdeling en scholing behoren
voor een deel wel tot de invloeds-
sfeer van de overheid. De minister is
op het punt van de herverdeling van
arbeid heel terughoudend. Hij vindt
het een zaak van de sociale partners.
Hij zegt dat daarbij alleen voorwaar-
den moeten worden geschapen. De
overheid als werkgever heeft een
eigen verantwoordelijkheid voor
arbeidstijdverkorting. De overheid als
voorwaardenschepper heeft dat ook.
De overheid als voorwaarden-
schepper voor de gelijkstelling van
deeltijdarbeid met gewone arbeid
eveneens. De overheid als norm-
steller, bijvoorbeeld door de
afschaffing van het kostwinners-
beginsel ook. Ik zou graag zien, dat
de minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid de komende
maanden toch verdergaande stappen
zet op deze punten, zodat wij wellicht
daarover een goede discussie
kunnen voeren bij de begrotings-
behandeling.
Ook op het punt van de scholing
zijn grote knelpunten. In dit
wetsvoorstel wordt duidelijk
aangegeven, dat een succesvol
reı¨ntegreren van langdurig werklozen
niet gaat zonder een goede
begeleiding en een adequate op de
praktijk gerichte scholing. Maar de kernvraag is: zijn daar budgetten
voor? In de Zutphense situatie – en
die zal niet verschillen van andere –
lopen wij nu al spijkerhard aan tegen
de blokkering van nagenoeg alle
scholingsmogelijkheden door de
arbeidsvoorziening. Die moet sterk
bezuinigen. Het eerste wat aangepakt
wordt zijn de budgetten voor de
scholingscomponenten. Die zijn
bevroren. Dat maakt het vrijwel
onmogelijk om JWG-banen, pool
met uitstroom, ITB, werkervarings-
plaatsen en ook het onderhavige
wetsvoorstel goed te realiseren. Op
papier zijn het prachtige voornemens
– ik erken dat – maar de praktijk is
veel hardnekkiger. Ik zie nu vandaag
direct om mij heen, dat de JWG en
de ITB – ik denk ook de uitvoering
van dit wetsvoorstel – sterk
geblokkeerd worden omdat de
scholingscomponent er niet meer is.
Graag zou ik van de minister willen
horen, hoe hij dit probleem bij de
scholing – het is echt zeer urgent –
snel en adequaat denkt aan te
pakken en hoe hij daarbij recht doet
aan de uitspraken, die bij de
behandeling van dit wetsvoorstel
daarover zijn gedaan.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="10-325">

 
<spreker pagina="10-325" anker="158" soort="Minister" naam="Melkert">
 Mijnheer de
voorzitter! Het is voor het eerst dat ik
in deze functie tot de Eerste Kamer
mag spreken. Ik heb eerder het
genoegen gehad als mede indiener
van een initiatiefwetsvoorstel. De
goede herinneringen daaraan
hebben mij lang naar dit moment
doen uitzien.
Voorzitter! Ik wil beginnen met
enkele punten die door de heer De
Boer naar voren zijn gebracht. Hij
heeft nadrukkelijk geprobeerd een
aantal vragen te stellen die een beeld
zou moeten geven van uiteindelijk de
plaats van dit wetsvoorstel in het
geheel van het werkgelegenheids-
beleid. Het is betrekkelijk kleinschalig
in het totaal van het
werkgelegenheidsbeleid. Ik vind de
vragen terecht, omdat wij langs een
veelheid van wegen moeten
proberen vooral het probleem van de
langdurige werkloosheid te lijf te
gaan. Wij hebben 15 tot 20 jaar
structurele ervaring hiermee
opgedaan. Als de conjunctuur tegen
zit, gaat het zeker op rekening van de
meest kwetsbare mensen op de
arbeidsmarkt en als de conjunctuur
mee zit, is er geen enkele garantie
dat de onderkant van de arbeids-
markt – de mensen met minder
ervaring, minder opleiding en minder
geı¨ntegreerd in de samenleving –
kansen krijgt. Dat is ook precies de
reden, dat wij in een aantal stappen
tegelijkertijd aan de slag willen.
Mevrouw De Savornin Lohman zei het al: daadkracht, alles tegelijk,
maar wordt het niet lastig om te
kunnen evalueren wat je per regeling
gedaan krijgt? Het is de afweging
van kosten en baten bij elkaar. De
gedachte van het kabinet is, dat je de
kaarten niet mag en kunt zetten op
een van die regelingen. In het
aanvullende karakter van maatrege-
len is wellicht de winst gelegen. Je
bent dan nog maar in een beperkt
deel van de arbeidsmarkt bezig. Ik
zeg dit de heer De Boer na. Het is
wel een deel waar het vreselijk
belangrijk is om perspectief te
scheppen voor mensen die anders
een samenleving in de samenleving
dreigen te gaan vormen. Zij komen
niet meer aan de bak en zijn
permanent uitgeschoold. Het echte
perspectief op werkgelegenheid
begint natuurlijk met het veranderen
van de structuur van de arbeidsmarkt
via het bekende programma van het kabinet: lastenverlichting, verbetering
van de werking van de arbeidsmarkt
door een aantal maatregelen en
zeker herverdeling van arbeid. De
heer De Boer houdt mij op dat punt
terughoudendheid voor. Dat wordt
niet in alle delen van de maatschap-
pij en bij maatschappelijke organisa-
ties zo gezien. Ik heb overigens geen
getuigen nodig, want ik kan ook zelf
aangeven, wat ik doe. Ik denk aan de
gelijke behandeling van voltijders en
deeltijders. Enkele weken geleden
heb ik in een brief aan de Tweede
Kamer het voornemen tot uitdruk-
king gebracht om ook tot wetgeving
op dit punt te komen. Ik meen, dat
op de langere termijn – 10 tot 15 jaar
na nu – het wel eens zo zou kunnen
zijn, dat wat wij nu nog deeltijd
noemen, dan de norm is en datgene,
wat wij nog voltijd noemen, dan
uitzondering is. De arbeidsmarkt
moet niet alleen vanwege de
werkgelegenheid in die richting
veranderen. Ze verandert ook
autonoom als gevolg van zich
wijzigende maatschappelijke
patronen. Het is goed, als daarop
wordt ingespeeld. Evenzeer heeft het
kabinet het voornemen om in de
sfeer van de overheid het aantal
32-uursbanen drastisch te doen
toenemen. Bij de begrotings-
behandeling in de Tweede Kamer
heb ik toegezegd om serieus na te
gaan of de Wet op de loopbaan-
onderbreking, zoals die in Belgie¨ en
in een andere variant in Denemarken
bestaat, ook in Nederland toepassing
kan krijgen. Een carrie`reonderbreking
van werkenden wordt opgevuld door
deelname van werklozen. Er ligt ook
nog een breder verband met
zorgverlofregelingen die de
flexibiliteit van de arbeidsmarkt en
dus ook de werkgelegenheid ten
goede komen. Op dat punt heb ik de
Tweede Kamer een notitie in de
eerste helft van het volgend jaar
toegezegd.
Voorzitter! Ik geloof niet dat dit de
plaats is om in extenso verder in te
gaan op alle aspecten van het
werkgelegenheidsprogramma van
het kabinet. Door de heer De Boer en
mevrouw Van Gijzen zijn opmerkin-
gen gemaakt over scholing, scholing
en scholing en werk, werk en werk.
Dat verband spreekt mij ook aan in
relatie tot de perikelen omtrent
arbeidsvoorziening. Overigens zijn
wij juist in deze dagen geconfron-
teerd met de problemen als gevolg
van de voornemens tot verandering
van het functioneren van arbeids-
voorziening, ook in relatie tot de
voornemens in het regeerakkoord.
De berichten over de opschorting
van scholingsactiviteiten gaan wat
mij betreft over een tijdelijke
opschorting. Als ik de woorden ’’wat
mij betreft’’ gebruik, spreek ik niet
alleen als medewetgever inzake de
arbeidsvoorziening, maar ook
namens een van de drie bestuurs-
geledingen van arbeidsvoorziening.
Op het ogenblik ben ik ook in
intensief gesprek met de overige
bestuursgeledingen van werkgevers
en werknemers. Daarbij gaat het
erom op zo kort mogelijke termijn de
arbeidsvoorziening gezond te maken
en de continuı¨teit van de organisatie
zeker te stellen, nog belangrijker de
continuı¨teit van de activiteiten
geı¨nitieerd door de organisatie, in
het bijzonder de scholings-
activiteiten. Dat vind ik ook zeer
essentieel voor de toekomst van de
werkgelegenheid.
De heer De Boer heeft geı¨nfor-
meerd naar mijn verwachtingen van
dit voorstel als een van de elemen-
ten van het bredere
werkgelegenheidsbeleid. Hiertoe
verwijs ik hem onder andere naar
bijlage I van de memorie van
antwoord. Daarin staat een raming
van het effect van de regeling als
zodanig. Voorts hebben wij de
voorzichtige schatting gemaakt dat
met de voorgestelde wijziging een
stijging van het aantal plaatsingen
met ongeveer 10.000 tot de
mogelijkheden moet behoren.
Verwacht mag worden dat ruwweg
eenderde daarvan additionele
werkgelegenheid betreft. Ik ben de
eerste die zegt dat dit geen
schokkende cijfers zijn. Ik huldig
evenwel het simpele beginsel dat
alle beetjes helpen bij de ongelooflijk
complexe en moeilijke aanpak van
de langdurige werkloosheid. Onder
ander via de onderhavige regeling
kan er uiteindelijk een perspectief
voor de betrokkenen gecree¨erd
worden. Inmiddels zijn dat er heel
wat geweest.
Er is geı¨nformeerd naar de
effectiviteit van loonkostensubsidies
meer in het algemeen. Een en ander
is gee¨valueerd. Ik stel graag vast dat
uit die evaluatie blijkt dat loonkosten-
subsidies een hoge toegevoegde
waarde voor langdurig werklozen
hebben. Er is een wereld van verschil
in uitstroomkansen naar regulier
werk met respectievelijk zonder
toepassing van loonkostensubsidies.
Voor de KRA is dit berekend op 75%
tegen 28%. Dit zijn zeer substantie¨le
verschillen. Zeker 70% van de
plaatsingen van langdurig werklozen
via deze regelingen bieden meer-
jarenkansen. Zoals gezegd, bieden ze
voor een deel kansen op regulier
werk. Mijns inziens wijzen evaluaties
uit dat kosten en baten heel
behoorlijk tegen elkaar opwegen.
Natuurlijk is hierbij ook sprake van
een subjectieve waardering van het
belang van dit soort initiatieven. De
vormgeving is een andere kwestie.
De inspanning is en blijft echter de
moeite waard.
Mevrouw Van Gijzen veronderstelt
ten opzichte van het oorspronkelijke
voorstel, ingediend door mijn
voorganger de heer De Vries, een
grotere complexiteit. Overigens sluit
ik mij aan bij haar warme woorden
aan het adres van de heer De Vries,
die onder andere op dit gebied heel
belangrijk werk verricht heeft. Ik heb
het ook een eer en genoegen
gevonden om in zijn voetsporen te
mogen treden. Ik verstout mij wel
hier en daar een ander accent te
leggen. Dat is ook bij deze regeling
gebeurd.
Ik waag het te betwijfelen of deze
regeling zoveel complexer is
geworden. Het is waar dat ik
vergeleken met de voorstellen van
mijn voorganger er iets meer
differentiatie in aangebracht heb.
Mijn voorganger had de algemene
verplichting geı¨ntroduceerd om in
alle gevallen een koppeling te maken
met een van de subsidies via
arbeidsvoorziening. Ik heb gepro-
beerd om dit wat te relativeren. In de
praktijk blijkt het namelijk niet altijd
nodig of gewenst te zijn. Er is ook
een beperkt aantal subsidies
beschikbaar. De doelgroep wordt dus
als het ware wat kleiner gemaakt dan
strikt genomen nodig is.
Vandaar dat ik een onderscheid
heb gemaakt tussen degenen die
tussen een half jaar en een jaar
werkloos zijn. Voor die groep heb ik
de koppeling met de subsidie van
arbeidsvoorziening wel verplicht
gesteld. Het voordeel daarvan is dat
preventief kan worden ingespeeld op
degenen die kort, maar potentieel
langdurig werkloos zijn. Zij kunnen
door het arbeidsbureau erbij
genomen worden op basis van
indicatiestelling. Voor degenen die
tussen een en twee jaar werkloos
zijn, is dit niet verplicht gesteld. Ik
heb de duur van de premievrij-
stelling op twee jaar gehouden. Voor
degenen die langer dan twee jaar
werkloos zijn, heb ik de vierjarige
premievrijstelling, die door de
Tweede Kamer in een driejarige
vrijstelling is geamendeerd,
gehandhaafd. Overigens heb ik een
jaar extra voor de banenpoolers
geregeld om te voorkomen dat de
premievrijstelling op basis van de
wet-Vermeend/Moor vervalt.
Daardoor zouden er problemen
kunnen ontstaan bij de banenpool
aan de vooravond van ons voorne-
men om alles op het terrein van
additionele arbeid en stimulering van
werkgelegenheid te stroomlijnen.
De heer De Boer heeft geı¨nfor-
meerd naar de precieze opdracht van
de groep die zich daarover buigt. In
dit stadium is dat nog een ambtelijke
werkgroep. Ik hecht er veel waarde
aan dat zodra er een eerste
verkenning gereed is, een discussie-
notitie in overleg met de betrokke-
nen, met name de gemeenten,
voorbereid wordt. Vervolgens wordt
die notitie aan de Kamer aangebo-
den. Naar aanleiding van de
discussie daarover kan er een
wetsvoorstel voorbereid worden dat
de vele regelingen aanpast en
stroomlijnt. De opdracht daarbij is eigenlijk heel simpel: proberen om
de effectiviteit van bestaande
regelingen te vergroten en de
tussenliggende schotten, die soms
een effectieve uitvoering door de
gemeenten verhinderen, te verwijde-
ren waar dat mogelijk en nodig is.
Het gaat er ook om dat het geheel
voor betrokkenen, politici en
bestuurders overzichtelijker wordt. Ik
kan uit ervaring zeggen dat je je
tanden aardig stuk kunt bijten op alle
huidige regelingen ter zake. Ik ben
dan ook erg gemotiveerd om naar
vereenvoudiging te streven waar dat
nodig is. Natuurlijk moet dat
gebeuren met behoud en zo mogelijk
onder vergroting van de effectiviteit
van de regelingen. Ik hoop in deze
kabinetsperiode met voorstellen
hieromtrent te komen. Dit is ook in
het regeerakkoord aangegeven.
Mevrouw Van Gijzen heeft nog
gewezen op de grotere lasten voor
de werkgevers. De heer Heijmans
heeft gevraagd om daar niet het
woord ’’premiedifferentiatie’’ aan te
verbinden. Ik neem zijn vraag ter
harte. Ik probeer ook zo consequent
mogelijk het woord ’’verschuiving’’
te hanteren. Immers, in een gesloten
macro-geheel wordt er op micro-
niveau geschoven tussen degenen
die met premievrijstelling langdurig
werklozen in dienst nemen en
degenen die dat niet doen. Ik blijf
dus goed op de terminologie letten.
Ik waag het toch wat te betwijfelen
of er in dit opzicht echt sprake is van
grotere lasten voor werkgevers. De
macro-lastendruk stijgt niet. Ik denk
ook aan de effecten van dit soort
maatregelen voor de inschakeling
van langdurig werklozen en het
uiteindelijk beter benutten van een
arbeidspotentieel dat wij straks wel
eens zeer hard nodig kunnen
hebben. Dit geldt op termijn ook
voor werkgevers. Het hele arbeidspo-
tentieel moet ook in de toekomst
kwalitatief en kwantitatief benut
kunnen worden. Ik weet dan ook niet
of hierbij gesproken kan worden van
lasten voor werkgevers. 

</spreker>
<spreker pagina="10-327" anker="159" partij="VVD" naam="Heijmans">
 Ik meen
mij te herinneren dat in de memorie
van toelichting staat dat de
macrolastendruk voor werkgevers
stijgt met 0,01 tot 0,02%. Ik zeg niet
dat het veel is, maar het is wel een
stijging. 

</spreker>
<spreker pagina="10-327" anker="160" soort="Minister" naam="Melkert">
 Nee, dat betreft
het totaal van gelden dat beschikbaar
is voor toepassing van die regeling.
Het is een verschuiving binnen een
gelijkblijvend macrokader. Het komt
er dus niet bovenop. Je vraagt wat
van de een en verschuift het naar de
ander. De premievrijstelling van de
een is de extra premielast voor de
ander; de som blijft gelijk. Dat is
relevant voor mij, zijnde opgegroeid
in enkele kabinetsperiodes waarin de
collectieve-lastendruk het hoofdpunt
was. 

</spreker>
<spreker pagina="10-327" anker="161" partij="VVD" naam="Heijmans">
 Als ik u
goed begrijp, is er wel degelijk een
kleine stijging van werkgeverslasten,
voor mijn part alleen op micro-
niveau. Het moet ergens vandaan
komen. Als iemand iets krijgt, moet
het door een ander betaald worden. 

</spreker>
<spreker pagina="10-327" anker="162" soort="Minister" naam="Melkert">
 Dat onderschrijf ik
in algemene zin. Het principe is
echter dat de ene werkgever en
trouwens ook werknemer, gelet op
de grondslag van de premieheffing,
betaalt voor de ander. Het is echt een
verschuiving; ik gebruik dit woord
bewust.
De heer Heijmans sprak nog over
de dunne relatie tussen de bestrij-
ding van de werkloosheid en de inzet
van het premie-instrument vanuit de
invalshoek van de verzekerings-
gedachte en het equivalentie-
beginsel. Ik heb lang getobd over het
woord dat ik zou gebruiken en toen
vloeide het woord ’’dun’’ uit mijn
pen. Dat was het maximale wat ik
kon opbrengen. De heer Heijmans
vroeg of er een inspannings-
verplichting is om het in de toekomst
netter te regelen. Ik zeg hem die toe,
al was het maar omdat het kabinet,
zoals hem reeds ter ore is gekomen,
juist afgelopen vrijdag heeft besloten
een adviesaanvraag aan de SER over
verandering van de systematiek te
doen uitgaan. De hoofdzaak hierin is
dat een premievrijstelling door een
premie- of belastingaftrek wordt
vervangen. De vormgeving zal zo
worden gekozen dat er een minder
bezwaarlijke manier wordt gevonden
om hetzelfde doel te dienen. Wij
stellen hoge prijs op de advisering
hierover van werkgevers en
werknemers. Zoals ik reeds heb
uiteengezet, is het mijn voornemen,
met het oog op de periode vanaf 1
januari 1996 met een wijzigingsvoor-
stel te komen.
Mevrouw De Savornin Lohman en
de heer Heijmans hebben over
bijlage II gevraagd of hierin alle
franchises staan. De OT-franchise
staat naar mijn mening alleen nog
maar op papier en is eventueel vanaf
1 januari 1996 aan de orde, met een
dikke streep onder ’’eventueel’’. Het
houdt namelijk verband met de
voorwaarden die in het regeerak-
koord hieraan zijn gesteld. Overigens
hebben zij er gelijk in dat het
gepresenteerde niet uitputtend is.
Wij zullen intern nog eens goed
bekijken of wij het lijstje compleet
kunnen krijgen.
Mevrouw De Savornin Lohman
wees op het gebrek aan bekendheid
bij werkgevers met de werking van
de wet en vroeg of het wijs is om de
wet al te wijzigen als zij nog niet
verinnerlijkt is. Ik zie dit probleem
ook wel, hoewel de bekendheid
stijgt. Ik vind het een taak van de
arbeidsbureaus om er bekendheid
aan te geven. Een van de overwegin-
gen voor de adviesaanvraag is dat
een vereenvoudiging van de
systematiek al veel kan helpen. Wij
gaan het nu doen met een samen-
loop van een duidelijk bedrag dat
bekend wordt gemaakt, en het
tegengaan van de huidige complexi-
teit in het bruto-nettotraject. Ik heb er
dus enige verwachtingen van, maar
er is nog wel wat te winnen. 

</spreker>
<spreker pagina="10-328" anker="163" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Ter
voorkoming van een tweede termijn
heb ik een aanvullende vraag. Ik ben
tevreden met de beantwoording, die
behoorlijk volledig was, op een punt na: de scholing. Het antwoord
daarover vind ik te mager. U zei dat
het probleem is gesignaleerd en dat
u binnenkort met de arbeidsvoorzie-
ning zult praten en dan uw invloed
zult aanwenden om het tij te keren.
De arbeidsvoorziening zit echter met
een gigantische bezuinigingsopera-
tie. Het is duidelijk dat zij deze onder
andere op de scholingscomponent
afwentelt. In de gemeentelijke
situatie is het probleem dat nu
allerlei scholingstrajecten voor de
nieuwe instroom van JWG’ers,
ITB’ers en in iets mindere mate
banenpoolers compleet stagneren.
Dat is voor de uitvoeringsorganisatie
een gigantisch probleem. Als het nog
drie, vier, vijf, zes maanden duurt, zit
een hele generatie JWG’ers met een
groot probleem. De gemeenten
krijgen dan heel veel moeite met de
plaatsing. Zoals u weet, wordt dit
volgens de nieuwe regelgeving na
drie maanden op het gemeentelijke
budget afgewenteld. Ik vind uw
antwoord hierover iets te mager. Er
moet echt acuut iets aan gebeuren.
Het kan niet drie, vier maanden
wachten. 

</spreker>
<spreker pagina="10-328" anker="164" soort="Minister" naam="Melkert">
 De heer De Boer
heeft er volstrekt gelijk in dat het
antwoord mager is. Of het te mager
is, hangt af van de omstandigheden
waaronder het antwoord moest
worden gegeven. Ik ben op dit
moment in gesprek met werkgevers-
en werknemersorganisaties om op
de kortst mogelijke termijn tot een
nieuwe consensus over de komende
jaren van arbeidsvoorziening te
komen, teneinde hierbinnen ook de
activiteiten veilig te stellen waarnaar
de heer De Boer terecht verwijst. Het
zou dus inderdaad niet zoveel
maanden mogen duren. Ik vraag van
hem echter om begrip voor het feit
dat het mij op dit moment, in deze
delicate fase van een moeilijk proces,
niet mogelijk is er dieper op in te
gaan.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="10-328">

 
<spreker pagina="10-328" anker="165" partij="VVD" naam="Heijmans">
 Voorzitter!
Als het spreekwoord juist is dat wie
zwijgt, toestemt, heb ik op vele
punten gelijk gekregen met datgene
wat ik in eerste termijn naar voren
heb gebracht. Ik heb vragen en
opmerkingen gemaakt waar de
minister wat dunnetjes overheen is
gegaan, om zijn woord te herhalen.
Ik heb hem bijvoorbeeld gevraagd
of er in dit wetsvoorstel niet formeel,
maar materiaal een horizonbepaling
wordt ingevoerd en of het in 1996,
dus als de nieuwe situatie ingaat,
afgelopen is met het oneigenlijke
gebruik van premiegelden. Nog-
maals, ik heb hierop geen antwoord
gekregen.
Ik geef een ander voorbeeld. Ik
heb gevraagd of in de advies-
aanvraag aan de SER de mening van
de minister is opgenomen dat
aanwending van premiegelden
eigenlijk niet aanvaardbaar is.
Ook heb ik de minister gevraagd
of in het overzicht alle KRA-
regelingen zijn opgenomen; ik twijfel
hieraan. De minister heeft eigenlijk
gezegd, de inspanningsverplichting
op zich te nemen om het beter en
netter te regelen. Maar wat zegt mij
dat? Wat is beter en wat is netter?
Hij zegt een ogenblik later, dat de
premievrijstelling zou worden
vervangen door een premie- en
belastingreductie en dat betekent
dus, dat ook in de nieuwe situatie de
fondsen nog bij de financiering van
de werkgelegenheidsmaatregelen
worden betrokken. Zoals bekend,
heeft mijn fractie daar grote
bezwaren tegen. Als de minister
geen duidelijk antwoord kan geven
op hetgeen wij precies gevraagd
hebben, moet mijn fractie toch tot
het besluit komen om traditiege-
trouw tegen te stemmen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="10-328">

 
<spreker pagina="10-328" anker="166" soort="Minister" naam="Melkert">
 Mijnheer de
voorzitter! Aangezien mij er heel wat
aan gelegen zou zijn om de traditie
van de fractie van de heer Heijmans
op dit punt enigszins te wijzigen, zal
ik toch mijn best doen om nogmaals
in te gaan op een paar punten. Ik
heb sommige punten misschien wat
impliciet beantwoord.
Er is hier inderdaad materiaal
sprake van een horizonbepaling. Wij
hebben namelijk heel nadrukkelijk
aangegeven, dat die verandering van
de systematiek in de rede ligt.
Daarover is uitvoerig met de Tweede
Kamer gesproken. Een aantal
aspecten moet nog verder worden
uitgezocht, maar de looptijd van deze
wijziging is echter niet voor niets
slechts bepaald tot 1 januari 1996 om
ons als het ware zelf te verplichten,
tijdig met een nieuw voorstel te
komen. Zoals het ernaar uitziet, zal
het op zijn minst een andere
systematiek zijn.
De heer Heijmans heeft gevraagd
hoe dat er komt uit te zien. Hij
citeerde mij uit mijn eerste termijn,
namelijk dat ik gezegd zou hebben
dat premie- en belastingreductie in
de adviesaanvrage aan de SER zijn
opgenomen. Het gaat om de
mogelijkheid van een premie- en
belastingreductie, of van een
premiereductie of van een belasting-
reductie. Alle drie varianten moeten
daarin bezien worden. Een van de
redenen waarom wij het zo hebben
gevraagd, is precies gelegen in de
twijfel die ook de heer Heijmans
namens zijn fractie naar voren heeft
gebracht, namelijk of het bevorderen
van arbeidsinpassing met gebruik-
making van een instrument zoals
bedoeld eigenlijk wel de meest
aangewezen weg is, gelet op de
andere uitgangspunten die aan
premieheffing ten grondslag liggen.
Ik kan dus niet vooruitlopen op de
uitkomst van die verkenning, maar
de ruimte om het nu eens goed en
grondig te bezien en te bespreken
met werkgevers en werknemers via
de SER is nu wel degelijk genomen.
Na jarenlang soebatten heeft de heer
Heijmans weliswaar zijn gelijk
misschien nog niet binnen, maar
heeft hij de zaak wel in beweging
gekregen. 

</spreker>
<spreker pagina="10-329" anker="167" partij="VVD" naam="Heijmans">
 Voorzitter!
Aannemende dat het om een
gerichte adviesaanvrage gaat, heeft
de minister dan de mening van de
regering daarin opgenomen? 

</spreker>
<spreker pagina="10-329" anker="168" soort="Minister" naam="Melkert">
 Voorzitter! Dit
raakt een teer punt, hetgeen mij
eigenlijk noopt om bijna uit de
ministerraad te klappen, ware het
niet dat mijn gesprek met mijn
collega van Financie¨n buiten de
ministerraad heeft plaatsgevonden.
Het was op zijn aandringen dat ik de
redactie van de adviesaanvrage,
waarin ik in eerste instantie een
voornemen had opgenomen, zo heb
veranderd dat het nu gaat om enkele
overwegingen die het kabinet wil
voorleggen aan de SER. Op dit
moment heeft het kabinet zich niet
willen binden aan een keuze en zal
dat juist doen na kennisname van
het advies van de SER. Pas op dat
moment zullen wij – noodgedwon-
gen – terugkomen op de vraag die
de heer Heijmans hier stelt.
Nogmaals, het punt dat hij vanavond
heeft genoemd, is daarin een
belangrijke afweging. Ik ben ook
benieuwd hoe werkgevers en
werknemers dat zelf zullen wegen.
Vanzelfsprekend ben ik mij nu al aan
het prepareren op het moment, dat
ik hier over ongeveer een jaar bij u,
mijnheer de voorzitter, terug kom.
Overigens hoop ik in de tussentijd
nog een paar keer langs te komen. Ik
hoop dan echter de nieuwe
systematiek te bespreken en mij
daarover te verantwoorden. 

</spreker>
<spreker pagina="10-329" anker="169" partij="VVD" naam="Heijmans">
 Voorzitter!
Ik wil alleen de opmerking maken,
dat mijn fractie de minister het
voordeel van de twijfel wil geven,
dat wij dit keer in afwijking van onze
traditionele lijn geen bezwaar tegen
het wetsontwerp zullen maken maar
dat wij de zaak wel nauwlettend in
de gaten zullen houden. Als het niet
gaat in de richting die wij de meest
juiste vinden, zullen wij er te zijner
tijd op terug komen en er dan wel
tegen stemmen. 

</spreker>
<spreker pagina="10-329" anker="170" soort="Minister" naam="Melkert">
 Voorzitter! Ik ben
de heer Heijmans en zijn fractie
erkentelijk voor de ruimte die hij het
kabinet op dit punt geeft.
De beraadslaging wordt gesloten.
Het wetsvoorstel wordt zonder
stemming aangenomen. 

</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="10-329">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wet arbeid
vreemdelingen (23574).
De beraadslaging wordt geopend.

<blok pagina="10-329">
<spreker pagina="10-329" anker="171" partij="D66" naam="Gelderblom-Lankhout">
 Voorzitter! Wij praten over
sociale zekerheid. Het aantal mensen
in de zaal is minder dan vijftien. Het is laat en ik zal het kort houden: het
moet bijna Kerstmis zijn!
Over de Wet arbeid vreemdelingen
wil ik twee vragen stellen, die mede
betrekking hebben op stukken die
ons in een zeer laat stadium nog
bereikt hebben. Ik ga ervan uit, dat
de minister ze ook heeft want ik wil
er niet heel uitgebreid uit citeren.
Deze wet is opgesteld omdat wij in
Nederland van mening zijn, dat
werkgevers niet met illegalen
moeten werken. Geen illegale
werkgevers, geen illegale werkne-
mers, maar de zaken fatsoenlijk
regelen. Daar is mijn fractie het
uiteraard mee eens. Ik heb gevraagd
naar de werkvergunning en gevraagd
of de minister ons enige garantie kan
geven over de fraudegevoeligheid
van dat instrument. Ik heb als
antwoord gekregen, dat – ter
geruststelling nota bene – kan
worden opgemaakt, dat natuurlijk
tegen vervalsing de hoogste zorg
aan die kaart wordt besteed. Ja, haal
je de koekoek! Stel je voor, dat dit
niet zo was. Daarmee is mijn
geruststelling nog niet rond, want zie
de ellende met het zogenaamde
fraudebestendige paspoort! Met andere woorden: hoe vervelend ook,
maar mensen die hier in de
illegaliteit gedoken zijn omdat zij
eigenlijk het land uit moeten, zullen
er ook heel wat voor over hebben
om desnoods een vervalste
werkvergunning te kunnen bemachti-
gen.
Voorzitter! Nu gaat het er mij om
voor die werkgever artikel 23 niet in
werking te stellen op het moment
dat hij er te goeder trouw van moet
uitgaan dat hem een document is
overhandigd waaraan hij niet heeft
kunnen zien dat het vervalst is of dat
degene die daarmee werkte er
eigenlijk geen recht op had. Laten we
even uitgaan van het feit, dat het
iemand is die in de illegaliteit
gezeten heeft, die inmiddels het land
is uitgezet en dat dan de vakbond uit
zijn naam nog eens zes maanden
loon kan vorderen. Ik heb het dus
uitdrukkelijk over de werkgever, die
er te goeder trouw van is uitgegaan,
dat iemand een werkvergunning
heeft overlegd die bovendien een
juist Sofi-nummer had, terwijl het
achteraf een niet-fraudebestendige
werkvergunning blijkt te zijn
geweest. Ik wil graag van de minister
weten of in dat geval die bepaling
niet van toepassing is op de
werkgever.
Voorzitter! Mijn tweede opmerking
heeft te maken met musici en
artiesten. Wij hebben op het laatste
moment een vrij uitgebreide brief
gekregen, maar dat is vaak zo in de
Eerste Kamer. De brief is op 19
december gedateerd. Er is inmiddels
een uitvoeringsregel en nu maakt
men zich zorgen, dat men in een
orkest niet meer die specifieke
instrumentalist zal kunnen aanne-
men, omdat er prioriteit genietend
aanbod genomen moet worden. Het
is een heel klein stukje van de
arbeidsmarkt. Dat betekent dat je in
die specifieke kunstsector dus niet
meer de kwaliteitseisen kunt
toepassen die in die sector nu
eenmaal noodzakelijk zijn om een
kwaliteitsniveau te handhaven. Ik heb
begrepen dat de uitvoeringsregels
die inmiddels op papier gezet zijn,
nog kunnen worden aangepast. Ik
lees voor wat mij is voorgesteld en
hoor graag of de minister het ermee eens kan zijn: het CBA moet bij zijn
beslissing overwegingen van</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


