<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2015]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van het wetsvoorstel Wet arbeid vreemdelingen (23574)</item>
<item attribuut="Bestand"> 30 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Welzijn (Vreemdelingen en asielzoekers)
Arbeid (Arbeidsmarkt)</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Buitenlandse werknemers
Vreemdelingen</item>
<item attribuut="Dossiernr">23574</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 9, Eerste Kamer, pag. 329-332</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">19-12-1994</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2015</item>
<item attribuut="Omvang">4 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Eerste Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Wet arbeid vreemdelingen</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Ingekomen stukken</item>
<item attribuut="doccode">EK 10</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="10-329">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wet arbeid
vreemdelingen (23574).
De beraadslaging wordt geopend.

<blok pagina="10-329">
<spreker pagina="10-329" anker="256" partij="D66" naam="Gelderblom-Lankhout">
 Voorzitter! Wij praten over
sociale zekerheid. Het aantal mensen
in de zaal is minder dan vijftien. Het is laat en ik zal het kort houden: het
moet bijna Kerstmis zijn!
Over de Wet arbeid vreemdelingen
wil ik twee vragen stellen, die mede
betrekking hebben op stukken die
ons in een zeer laat stadium nog
bereikt hebben. Ik ga ervan uit, dat
de minister ze ook heeft want ik wil
er niet heel uitgebreid uit citeren.
Deze wet is opgesteld omdat wij in
Nederland van mening zijn, dat
werkgevers niet met illegalen
moeten werken. Geen illegale
werkgevers, geen illegale werkne-
mers, maar de zaken fatsoenlijk
regelen. Daar is mijn fractie het
uiteraard mee eens. Ik heb gevraagd
naar de werkvergunning en gevraagd
of de minister ons enige garantie kan
geven over de fraudegevoeligheid
van dat instrument. Ik heb als
antwoord gekregen, dat – ter
geruststelling nota bene – kan
worden opgemaakt, dat natuurlijk
tegen vervalsing de hoogste zorg
aan die kaart wordt besteed. Ja, haal
je de koekoek! Stel je voor, dat dit
niet zo was. Daarmee is mijn
geruststelling nog niet rond, want zie
de ellende met het zogenaamde
fraudebestendige paspoort! Met andere woorden: hoe vervelend ook,
maar mensen die hier in de
illegaliteit gedoken zijn omdat zij
eigenlijk het land uit moeten, zullen
er ook heel wat voor over hebben
om desnoods een vervalste
werkvergunning te kunnen bemachti-
gen.
Voorzitter! Nu gaat het er mij om
voor die werkgever artikel 23 niet in
werking te stellen op het moment
dat hij er te goeder trouw van moet
uitgaan dat hem een document is
overhandigd waaraan hij niet heeft
kunnen zien dat het vervalst is of dat
degene die daarmee werkte er
eigenlijk geen recht op had. Laten we
even uitgaan van het feit, dat het
iemand is die in de illegaliteit
gezeten heeft, die inmiddels het land
is uitgezet en dat dan de vakbond uit
zijn naam nog eens zes maanden
loon kan vorderen. Ik heb het dus
uitdrukkelijk over de werkgever, die
er te goeder trouw van is uitgegaan,
dat iemand een werkvergunning
heeft overlegd die bovendien een
juist Sofi-nummer had, terwijl het
achteraf een niet-fraudebestendige
werkvergunning blijkt te zijn
geweest. Ik wil graag van de minister
weten of in dat geval die bepaling
niet van toepassing is op de
werkgever.
Voorzitter! Mijn tweede opmerking
heeft te maken met musici en
artiesten. Wij hebben op het laatste
moment een vrij uitgebreide brief
gekregen, maar dat is vaak zo in de
Eerste Kamer. De brief is op 19
december gedateerd. Er is inmiddels
een uitvoeringsregel en nu maakt
men zich zorgen, dat men in een
orkest niet meer die specifieke
instrumentalist zal kunnen aanne-
men, omdat er prioriteit genietend
aanbod genomen moet worden. Het
is een heel klein stukje van de
arbeidsmarkt. Dat betekent dat je in
die specifieke kunstsector dus niet
meer de kwaliteitseisen kunt
toepassen die in die sector nu
eenmaal noodzakelijk zijn om een
kwaliteitsniveau te handhaven. Ik heb
begrepen dat de uitvoeringsregels
die inmiddels op papier gezet zijn,
nog kunnen worden aangepast. Ik
lees voor wat mij is voorgesteld en
hoor graag of de minister het ermee eens kan zijn: het CBA moet bij zijn
beslissing overwegingen van
kwalitatieve en artistiek-inhoudelijke
aard meewegen. Het prioriteit-
genietend aanbod mag niet het enige
argument zijn. Kan de minister dat
toezeggen? Een heel kleine, maar
zeer belangrijke markt is daarmee
gegarandeerd.
Wij hebben iets vergelijkbaars
gekregen van de zeevarenden. Ook
die brief zal de minister kennen. Ook
in die sector zijn problemen gerezen
met de uitwijkmogelijkheid van
artikel 8. Ik ga het niet allemaal
citeren, want de minister weet waar
ik het over heb. Ik wil van hem alleen
maar de geruststelling dat in de
uitvoeringsregels dingen die op dit
moment goed werken, worden
gehandhaafd. Zeevarenden moeten
kunnen blijven werken onder
Nederlandse vlag. Het prioriteit-
genietend aanbod mag niet zo
overheersend van belang zijn, dat
deze uitwerking vervalt.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="10-330">

 
<spreker pagina="10-330" anker="257" partij="GroenLinks" naam="De Boer">

Voorzitter! Ik zal het gezelschap op
dit voor de senaat late uur niet al te
lang vermoeien. Aanvullend op de
uitvoerige behandeling in de Tweede
Kamer zijn de meeste nadere vragen
in de memorie van antwoord
beantwoord. Onze fractie wil op drie
punten een verduidelijking. Dit om
het veld waar met deze wet gewerkt
moet worden maximale helderheid
te verschaffen.
In een brief na de behandeling in
de Tweede Kamer stelt het Neder-
lands centrum buitenlanders dat er
nog steeds niet voldoende duidelijk-
heid is over de uitvoeringsprocedure
met betrekking tot de afstemming
tussen de beoordeling van de
aanvraag tewerkstellingsvergunning
en de beoordeling toelating tot
Nederland. Het CBA toetst een
tewerkstellingsvergunning, nadat de
vergunning tot verblijf is aange-
vraagd of afgegeven. Dat laatste
klopt niet met de stellingname dat
als het CBA geen vergunning afgeeft,
de IND geen verblijfsvergunning zal
afgeven. In de memorie van
antwoord schrijft de minister dat dit
probleem in goede coo¨rdinatie
tussen de IND en het CBA wordt
opgelost door het nemen van
gelijktijdige, gekoppelde beslissin-
gen. Wij zouden die werkwijze graag
schriftelijk vastgelegd zien. Kan de
minister toezeggen krachtens artikel
22 in nadere uitvoeringsregels
alsnog een sluitende werkwijze te
zullen vastleggen?
Mijn tweede vraag betreft de
huidige houders van een verklaring
ex artikel 3 WABW. Deze verklaring
wordt in het voorliggende wetsvoor-
stel vervangen door een aantekening
op het verblijfsdocument. Gedurende
een overgangsperiode van drie jaar
mogen deze naast elkaar voorkomen.
Het lijkt mogelijk dat na deze
driejaarsperiode van rechtswege een
wijziging in de rechtspositie ontstaat,
namelijk in die gevallen waarin
mensen die nu rechtmatig aan het
werk zijn, op grond van een
verklaring ex artikel 3 WABW, bij
niet-omwisseling om welke reden
dan ook, over drie jaar hun
werkgever automatisch en van
rechtswege in overtreding brengen,
zonder dat die werkgever daar in de
een of andere vorm van op de
hoogte moet worden gesteld.
Volgens de eerder geuite visie van
het kabinet moet elke verandering in
rechtspositie gepaard gaan met een
individuele beschikking met daaraan
gekoppelde rechtsbescherming. Is
mijn voorbeeld strikt theoretisch of
kan dit inderdaad voorkomen? Zo ja,
hoe denkt de minister dit lek te
dichten?
Eenvoudigheidshalve wordt voor
de beroepsrechtsgang bij dit
wetsvoorstel aangesloten bij de
Vreemdelingenwet, waar de normale
procedure van het hoger beroep
buiten werking is gesteld. Onze
fractie is het daar zoals bekend niet
mee eens. Een parlementaire
meerderheid heeft hiertoe echter
besloten. Een discriminatie in
rechtsgang is tot wet verheven. Op
zichzelf zit er enige logica in het
koppelen van de rechtsgang van dit
wetsvoorstel aan de rechtsgang van
de Vreemdelingenwet. Dit treft echter
ook de categorie al langer hier
verblijvende vreemdelingen in de
situatie waar ik zojuist van sprak,
alsmede de werkgever die een
negatieve beslissing krijgt op een
aanvraag van een tewerkstellings-
vergunning. Ook voor hem zijn door
de redigering van het wetsvoorstel
beroepsmogelijkheden afgesloten.
Kan dat eigenlijk wel?
Dit wetsvoorstel schept enige
helderheid in een tamelijk wazige en
soms ongewenste situatie. Het gaat
tewerkstelling van illegale arbeiders
tegen. Dat is een belangrijk punt, zo
vindt ook de fractie van GroenLinks.
Met handhaving van de stellingname
van mijn fractie over de noodzaak
van de mogelijkheid van hoger
beroep ook in vreemdelingenzaken,
kunnen wij het met moeite billijken
dat het procesrecht van dit wetsvoor-
stel en de Vreemdelingenwet aan
elkaar worden gekoppeld. Als de
toegezegde verdere discussie over
dit onderwerp als resultaat zal
hebben dat het hoger beroep in
procesrecht zonder een uitzonde-
ringspositie voor vreemdelingen
hersteld wordt, dan moet dit ook
gelden voor dit wetsvoorstel. Het
stemgedrag van mijn fractie zal
afhangen van een expliciete
bevestiging van dit feit door de
bewindsman.
De vergadering wordt van 23.22 uur
tot 23.27 uur geschorst.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="10-330">

 
<spreker pagina="10-330" anker="258" soort="Minister" naam="Melkert">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik dank u voor het feit dat
u mij zo spoedig de gelegenheid
hebt gegeven om alweer bij u
aanwezig te zijn.
Ik dank mevrouw Gelderblom voor
het feit dat zij begonnen is met het
uiteenzetten van de kern van wat het
huidige wetsvoorstel beoogt. Geen illegale werknemers: dat moet
inderdaad het uitgangspunt zijn.
Vervolgens heeft mevrouw Gelder-
blom een vraag gesteld over fraude
die mogelijk met de vergunnings-
documenten gepleegd zou kunnen
worden. Ik moet in dit verband
opmerken dat het huidige
vreemdelingendocument vanwege
de gebruikte elektronische informa-
tiedragers en de wijze van vervaardi-
ging het beste is wat er op dit
moment te maken valt. Ik weet dat
de parlementaire historie leert dat je
hier voorzichtig mee moet zijn, maar
dit document zit goed in elkaar. De
tewerkstellingsvergunning voor de
werkgever verloopt op zichzelf niet
via een fraudebestendig document,
maar heel eenvoudig via opname in
zijn eigen loonadministratie en de
controlemogelijkheid die ook in de
administratie van het CBA besloten
ligt. In die combinatie en die
koppeling van gegevens die kan
worden gemaakt, ligt naar ons
gevoel werkelijk voldoende reden
voor de veronderstelling dat
frauduleuze handelingen zich,
menselijkerwijze gesproken, niet via
deze regeling zullen voordoen.
Het eenvoudigste vind ik, eerlijk
gezegd, dat als dit zich zou voor-
doen, in de loonadministratie van de
werkgever het tegenbewijs ligt.
Hierdoor lijkt mij ook niet direct
relevant de relatie die mevrouw
Gelderblom legde met artikel 23.
Indien het buiten de schuld van de
werkgever zou gebeuren dat die
bepaling van toepassing zou zijn, als
zich al gevallen zouden voordoen die
mevrouw Gelderblom vreest of
waarvoor zij in ieder geval aandacht
vraagt, dan zal dat tegenbewijs in de
jurisprudentie tot uitdrukking moeten
komen. Ik geloof niet dat wij daar nu
nog een regel aan zouden kunnen
toevoegen en dat een interpretatie
nu net iets te ver gaat op dit punt.
Nogmaals, ik heb geen aanleiding
om te veronderstellen dat de situatie
waarvoor mevrouw Gelderblom
aandacht vroeg, zich zal voordoen.
Dan heeft mevrouw Gelderblom
het gehad over het inderdaad
boeiende fenomeen van de musici
en artiesten in relatie tot het
prioriteitgenietend aanbod. De
Tweede Kamer had hier ook grote
belangstelling voor. Wij zijn toen
afgedaald in de vraag wie welke
voorkeur voor welke kunstuiting
heeft en hebben toen vastgesteld dat
dit een behoorlijke subjectieve
dimensie heeft. Op basis daarvan zijn
nog besprekingen gaande met het
Werkgeversoverleg podiumkunsten
om tot een zekere kwalitatieve
weging te komen bij de beoordeling
die uiteindelijk zal moeten leiden tot
een antwoord op de vraag of terecht
geen voorrang is gegeven aan
prioriteitgenietend aanbod. Ik zeg
daar wel bij dat schermen met
kwaliteit geen truc mag worden –
oneerbiedig gezegd – om regulering
te ontduiken. Dat heeft mevrouw
Gelderblom echter ook niet
gevraagd. Ook op dit terrein is een
zekere regulering nodig. Ik geloof
evenwel dat het door dat overleg –
de resultaten daarvan zullen te zijner
tijd kenbaar worden gemaakt aan de
uitvoerende instanties – mogelijk
moet zijn om op dit punt tot een
bevredigende regeling te komen. Ik
ben ook van plan om de uitvoerings-
regeling die uit dat overleg zal
resulteren, te zijner tijd in de
Staatscourant te publiceren. En dan
maar hopen dat het cultuuraanbod
uit het buitenland in Nederland de
komende jaren geen merkbare
verandering ondergaat. Ik verheug
mij in ieder geval niet op zo’n
resultaat.
Wat de zeevarenden betreft, kan ik
kortheidshalve verwijzen naar wat ik
daarover in de Tweede Kamer heb
gezegd. In eerste instantie is nu mijn
collega van Verkeer en Waterstaat in
overleg met de Tweede Kamer aan
bod om een aantal aspecten
betreffende de specifieke positie van
zeevarenden, te bespreken. Zo nodig,
vindt een terugkoppeling daarvan
naar deze wetgeving plaats. In
theorie zou dat tot aanpassing
kunnen leiden. De bal ligt nu echter
eerst daar; dat is overigens in goed
overleg met de minister van Verkeer
en Waterstaat gedaan.
Voorzitter! De heer De Boer heeft
nog iets gevraagd over de koppeling,
zoals hij dat noemde. Dat is
inderdaad een belangrijk punt. Ik zou
evenwel liever spreken over de
sequentie van stappen die aan de
orde zijn om tot een parallellie te
komen bij de toewijzing van het
vreemdelingendocument en de
tewerkstellingsvergunning. Het
begint met een aanvraag bij Justitie.
Vervolgens kan er een aanvraag bij
het CBA worden neergelegd voor
een tewerkstellingsvergunning. Het
CBA zal dan weer bij Justitie
navragen of daar een aanvraag voor
verblijf is ingediend. Als dat niet zo
is, gaat het niet door. Als dat wel zo
is, neemt het CBA een beslissing en
wordt de zaak vervolgens weer
doorgespeeld naar Justitie dat
uiteindelijk ook tot een beslissing komt. Zo loopt het dus rond: Justitie
staat aan het begin en het einde van
de procedure en het CBA zit
daartussen. Als Justitie niets wil, zal
het CBA gewoon niets doen. Als bij
Justitie een aanvraag loopt, komt het
CBA in actie. Als dat positief is, zal
Justitie het uiteindelijk nog moeten
fiatteren. En zo loopt het rond. Naar
ons gevoel is het zo duidelijk
geregeld dat het geen nadere regels
behoeft. Uiteraard zullen wij wel de
praktijk die gaat ontstaan, goed
volgen. Artikel 22 is ook bedoeld om
nadere regels te kunnen stellen,
indien dat nodig zou zijn. Deze
volgorde is evenwel in de procedure
in het kader van de wet voorzien. Dit
moet naar ons gevoel bevredigend
kunnen werken.
De heer De Boer heeft nog een
lastig vraagje gesteld – dat moet
natuurlijk ook mogelijk zijn – over
degenen die op basis van artikel 3
WABW thans werkzaam zijn, een
vergunning hebben en bij eventuele
niet-omwisseling hun werkgever in
de problemen kunnen brengen. Die
behoeft daar immers niet automa-
tisch van op de hoogte te zijn, zo
stelde de heer De Boer. Het is zo dat
de verklaring na drie jaar vervalt.
Dan kan de situatie ontstaan dat een
vreemdeling zonder verblijfs-
document toch aan het werk is. Hij
loopt daarmee echter het grootst
mogelijke risico dat hij uiteindelijk
het land moet verlaten. Normaliter
zal bij het vervallen van de verklaring
na drie jaar de vreemdeling een
nieuw verblijfsdocument met
aantekening hebben en zal de zaak
dus goed geregeld zijn. Omdat het
hier uiteindelijk om mensen gaat die
in de procedure de stappen moeten
zetten die voorgeschreven zijn, is
wellicht niet op alle fronten een
complexe situatie uit te sluiten. De
werkgevers zijn echter zelf ook op de
hoogte van deze regeling. Het is dus
een eenvoudige zaak om tijdig voor
omwisseling te zorgen. In de
komende jaren zal natuurlijk gevolgd
worden of de opvolging van de
beide wetten zo naadloos mogelijk
tot stand komt.
Dan heeft de heer De Boer nog het
belangrijke punt van de beroepsmo-
gelijkheden naar voren gebracht.
Allereerst had hij het over de
werkgever. Deze kan in beroep gaan
bij het CBA en een adviescommissie
die daarvoor is of zal worden
ingesteld. Als dat niet tot een
bevredigende uitspraak leidt, kan ook
nog beroep worden ingesteld bij de
Haagse rechtbank. Aan die kant ligt
naar mijn oordeel dus geen
probleem, afgezien van de algemene
discussie over de mogelijkheid van
hoger beroep.
In dit verband ben ik de heer De
Boer erkentelijk dat hij – zij het met
moeite – kan billijken dat er een
relatie is gelegd met het ontbreken
van de mogelijkheid van een hoger
beroep in de vreemdelingen-
wetgeving. Hij heeft daaraan de
vraag verbonden of, als na de
aangekondigde discussies toch wordt
besloten om de mogelijkheid van
hoger beroep weer op te nemen in
de vreemdelingenwetgeving, dit
automatisch doorwerkt in deze wet.
Het antwoord daarop is een
ondubbelzinnig ’’ja’’. Daarin ligt nu
juist de logica van de koppeling. Om
deze reden heb ik destijds in de
Tweede Kamer gepoogd om mij en
mij ook weten te onttrekken aan het
debat op dit punt. Dit was niet omdat
ik deze discussie niet wilde aangaan,
maar omdat ik vond dat voor de
koninklijke weg gekozen moest
worden. Die weg loopt via de collega
en de staatssecretaris van Justitie.
Wijziging van de vreemdelingen-
wetgeving kan dan doorwerken in
het onderhavige wetsvoorstel.
De beraadslaging wordt gesloten.
Het wetsvoorstel wordt zonder
stemming aangenomen.Ingekomen stukken
Lijst van ingekomen stukken,
met de door de voorzitter ter zake gedane voorstellen: 1. de volgende regeringsmissives:
een, van de minister van
Buitenlandse Zaken, ten geleide van
het Verdrag tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en de regering van
Zijne Majesteit van Nepal inzake
technische samenwerking bij het
opstellen van een overzicht van de
biologische diversiteit in Nepal
(griffienr. 114376).
een, van alsvoren, ten geleide van
het verdrag tussen het Koninkrijk der
Nederlanden met betrekking tot
Aruba en de Verenigde Staten van
Amerika inzake douane pre-clearance
(griffienr. 114405);
een, van alsvoren, houdende
mededeling van het voornemen over
te gaan tot sluiten van een aantal
uitvoeringsverdragen (griffienr.
114406);
een, van alsvoren, ten geleide van
de tekst van het slotcommunique
van de ministerie¨le bijeenkomst van
de NAVO-raad en de Chairman’s
Summary van de Noord-Atlantische
Samenwerkingsraad, welke
plaatsvonden op 1 en 2 december
1994 te Brussel (griffienr. 114407);
een, van alsvoren, ten geleide van
de wijzigingen van de Bijlagen 1, 2, 6
en 7 bij de op 14 november 1975 te
Gene`ve gesloten Douane-
overeenkomst inzake het internatio-
naal vervoer van goederen onder
dekking van Carnets TIR (griffienr.
114422);
een, van de staatssecretaris van
Buitenlandse Zaken, ten geleide van
de herziene versie van het ontwerp-
besluit inzake de inwerkingstelling
van de Uitvoeringsovereenkomst,
welke op 13 december 1994 te
Brussel door de Schengen-partners
op ambtelijk niveau werd overeenge-
komen (griffienr. 114333.1);
een, van de minister van Justitie,
ten geleide van een verslag van de
JBZ-raad d.d. 30 november en 1
december 1994 (griffienr. 114208.4);
een, van de minister van
Binnenlandse Zaken, ten geleide van
het jaarverslag van de Binnenlandse
Veiligheidsdienst over 1993 (griffienr.
114399);
een, van de staatssecretaris van
Binnenlandse Zaken, mede namens
de staatssecretaris van Financie¨n, ten
geleide van afschriften van circulai-
res aan de gemeente- en provincie-
besturen (griffienr. 114420).
De voorzitter stelt voor, deze
missives voor kennisgeving aan te
nemen. De bijlagen zijn neergelegd
op het Centraal Informatiepunt ter
inzage voor de leden; 2. de volgende geschriften:
een, van Amnesty International te
Amsterdam, betreffende het
wetsvoorstel veilige derde landen
(TK 23807) (griffienr. 114310.3);
een, van het Nederlands Juristen
Comite voor de Mensenrechten
(NJCM) te Leiden, inzake alsvoren
(griffienr. 114310.4);
een van de voorzitter van
Humanitas te Amsterdam, inzake
alsvoren (griffienr. 114310.6);
een, van het Humanistisch Overleg
Mensenrechten te Utrecht, inzake
alsvoren (griffienr. 114310.7).
Deze geschriften worden van belang
geacht voor de leden en plv. leden
van de vaste commissie voor
Justitie;
een, van M.H. van Beurden-de
Wijer te Rosmalen, inzake de
gemeentelijke herindeling van
Rosmalen (griffienr. 114413).
Dit geschrift wordt van belang
geacht voor de leden en plv. leden
van de vaste commissie voor
Binnenlandse Zaken en de Hoge
Colleges van Staat;
een, van de coo¨rdinatiegroep
WSNS Zuid-West Utrecht van de
gemeente Vleuten-de Meern, inzake
de Startwet WSNS (TK 23486)
(griffienr. 112905.83);
een, van het Samenwerkingsver-
band Zuid-West Utrecht WSNS te
Vleuten, inzake alsvoren (griffienr.
112905.82).
Deze geschriften worden van belang
geacht voor de leden en plv. leden
van de vaste commissie voor
Onderwijs;
een, van de Stichting Kinderop-
vang Nuth te Nuth, inzake het
wetsvoorstel Aftrek en belastingvrije
vergoeding van kinderopvang (TK
23483) (griffienr. 112083.64);
een, van het Fiscaal Instituut
Tilburg, inzake het wetsvoorstel
Tegemoetkoming wegens in het
buitenland geheven bronbelasting op
deelnemingsdividenden bij door-
uitdeling (griffienr. 114379);
een, van de Stichting Kinderop-
vang De Bevelanden te Goes, inzake
het wetsvoorstel Aftrek en belasting-
vrije vergoeding van kinderopvang
(TK 23483) (griffienr. 112083.65);
een, van de Nederlandse Orde van
Belastingadviseurs te Amsterdam,
inzake het wetsvoorstel Wijziging van
de Wet op de omzetbelasting 1968 in
verband met de invoering van een
bijzondere regeling voor gebruikte
goederen (TK 23952) (griffienr.
114295.1);
een, van Coopers &amp; Lybrand
Belastingadviseurs te Amsterdam,
inzake het wetsvoorstel 23940
(griffienr. 114403).
Deze geschriften worden van belang
geacht voor de leden en plv. leden
van de vaste commissie voor
Financie¨n;
een, van Pechiney Nederland te
Vlissingen, inzake het wetsvoorstel
22849 (griffienr. 111765.55);
een, van Hoechst te Vlissingen,
inzake gevolgen afschaffen heffing
op restbrandstoffen en de invoering
van een heffing op uranium en het
laten vallen van de korting op kolen
i.v.m. gedane investeringen in
rookgasontzwaveling (griffienr.
111765.50);
een, van de N.V. Samenwerkende
elektriciteits-produktiebedrijven te
Arnhem, inzake de wetsvoorstellen
22849 en 22851 (griffienr. 111765.51);
een, van P. Hout te Maastricht,
inzake de tariefverhoging voor
drinkwater (griffienr. 111765.53);
een, van MKB-Nederland te Delft,
inzake de wetsvoorstellen 23935,
22849 en 22851 (griffienr. 111765.52).
Deze geschriften worden van belang
geacht voor de leden en plv. leden
van de vaste commissies voor
Financie¨n en voor Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
een, van het bestuur van de
Vereniging van Gedeputeerden door
Betuwespoorlijn (VGB) te Babberich,
ten geleide van het boekje ’’Het
vergeten deel van de Betuwe-
spoorlijn’’ (griffienr. 114391).
Dit geschrift wordt van belang
geacht voor de leden en plv. leden
van de vaste commissies voor
Verkeer en Waterstaat en voor
Ruimtelijke Ordening en Milieube-
heer;
een, van J.M. van Kessel te
Eindhoven, inzake het wetsvoorstel
Goedkeuring Verdragen van</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


