<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2020]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van de wetsvoorstellen Wet belastingen op milieugrondslag (22849); Invoering van en aanpassing van een aantal wetten aan de Wet belastingen op milieugrondslag (Invoeringswet Wet belastingen op milieugrondslag) (22851); Wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met het aanbrengen van een permanente verfijning alsmede twee tijdelijke verfijningen (23935)</item>
<item attribuut="Bestand"> 86 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Belastingen (Milieuheffingen)
Milieu (Milieuheffingen)
Belastingen (Energiefondsheffingen)</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Belastingen
Afvalstoffen</item>
<item attribuut="Dossiernr">22849, 22851, 23935</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 9, Eerste Kamer, pag. 335-351</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">20-12-1994</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2020</item>
<item attribuut="Omvang">17 pag.</item> 
<item attribuut="vergadering">11de vergadering</item>
<item attribuut="dag">Dinsdag</item>
<item attribuut="datum">20 december 1994</item>
<item attribuut="aanvang">Aanvang 10.00 uur</item>
<item attribuut="kamer">Eerste Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Belastingen op milieugrondslag</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Kinderbijslag</item>
<item attribuut="doccode">EK 11</item>
<item attribuut="voorzitter">Heijne Makkreel</item>
<item attribuut="voorzitter">Tjeenk Willink</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="11-335">

Tegenwoordig zijn 72 leden, te weten:
Baarda, Baarveld-Schlaman,
Barendregt, Van den Berg, De Boer,
Boorsma, Van Boven, Van den
Broek-Laman Trip, Coenemans, Van
Dijk, Ermen, Eversdijk, Fleers,
Gelderblom-Lankhout, Van Gennip,
Van Gijzen, Ginjaar, Glasz, Van
Graafeiland, Grol-Overling, Heijmans,
Heijne Makkreel, Hilarides, Hoefna-
gels, Holdijk, Huberts-Fokkelman,
Jaarsma-Buijserd, Kassies, Korthals
Altes, Van Kuilenburg-Lodder, Kuiper,
Van Leeuwen, Van Leeuwen-Schut,
Luimstra-Albeda, Luteijn, Mastik-
Sonneveldt, Van der Meer, Mertens,
Van der Meulen, Michiels van
Kessenich-Hoogendam, Van Muijen,
Pit, Pitstra, Postma, Pro¨pper,
Redemeijer, Rongen, De Savornin
Lohman, Schinck, Schuurman,
Schuyer, Spier, Staal, Steenkamp,
Stevens, Talsma, Tiesinga-Autsema,
Tjeenk Willink, Tuinstra, Tummers,
Van Veldhuizen, Veling, Van Velzen,
Verbeek, Vermaat, Vis, Vrisekoop,
Wagemakers, Van Wijngaarden, Van
de Zandschulp, K. Zijlstra en R.
Zijlstra,
en de heer Zalm, minister van
Financie¨n, mevrouw De Boer,
minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieube-
heer, de heren Nuis, staatssecretaris
van Onderwijs, Cultuur en Weten-
schappen, Vermeend, staatssecretaris
van Financie¨n, en Linschoten,
staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.

<blok pagina="11-335">

 
<spreker pagina="11-335" anker="172" naam="De voorzitter">
 Ik deel aan de Kamer
mede dat, aangezien aan haar
gisteren tijdens de eerste termijn van
de kant van de Kamer inzake het
wetsvoorstel tot wijziging van de
Kinderbijslagwet geen vragen zijn
gesteld, de minister van Volksge-
zondheid, Welzijn en Sport mij
verzocht heeft, niet aanwezig te
hoeven zijn bij de verdere behande-
ling van dit wetsvoorstel.
Ik stel voor, gelet op de drukke
werkzaamheden in deze periode, aan
dit verzoek te voldoen.
Daartoe wordt besloten. 

</spreker>
<spreker pagina="11-335" anker="173" naam="De voorzitter">
 Gisteravond is een
herzien schema uitgedeeld in
verband met het van de agenda
afvoeren van de wijziging van de
Vreemdelingenwet. Aan het eind van
de middag zullen de begroting van
Financie¨n en de daarbij gevoegde
belastingvoorstellen aan de orde zijn.
Ik ben van plan om halverwege de
eerste termijn te schorsen voor de
dinerpauze. De dinerpauze vangt aan
met het afscheid nemen van twee
van onze medeleden. Dit zal
plaatsvinden aan onze zijde van het
Binnenhof.</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="11-335">

Aan de orde is de behandeling van de wetsvoorstellen:
- Wet belastingen op milieu-
grondslag (22849);
- Invoering van en aanpassing
van een aantal wetten aan de
Wet belastingen op milieu-
grondslag (Invoeringswet Wet
belastingen op milieugrondslag)
(22851);
- Wijziging van de Wet
belastingen op milieugrondslag
in verband met het aanbrengen
van een permanente verfijning
alsmede twee tijdelijke verfijnin-
gen (23935).
De beraadslaging wordt geopend.

<blok pagina="11-335">

 
<spreker pagina="11-335" anker="174" partij="CDA" naam="Van Dijk">
 Voorzitter!
Na een lange en moeizame
voorbereiding, waarbij het nodig
bleek, de wet nog voor de beoogde
inwerkingtreding op een aantal
punten te wijzigen, zijn we nu toe
aan de finale besluitvorming omtrent
de Wet belastingen op milieu-
grondslag. Wat voor ons, voorzitter,
de voorbereiding zo moeilijk maakte,
was al de eerste indruk dat we hier
niet te doen hadden met een goed,
weldoordacht, consistent en
doeltreffend wetgevingsprodukt,
maar met iets dat voortdurend zou
moeten worden opgelapt om het
voor zinken te behoeden. Naarmate
we ons beter bewust zijn geworden
van de effecten van deze wet is die
eerste indruk allen maar sterker
geworden. De noodzaak van een
verfijningswet in dit vroege stadium
vormde een bevestiging van onze
vermoedens. Dat die verfijningswet
ook meer dan een eerste oplapbeurt
zal blijken te zijn die gevolgd zal
moeten worden door nog vele
andere, laat zich raden. De Tweede
Kamer onthulde haar twijfels op dit
punt door een bepaling in de wet te
doen opnemen die de minister van
Financie¨n de bevoegdheid geeft, bij
gebleken knelpunten onverwijld en
zonder voorafgaande wetswijziging
van de wet af te wijken door
heffingen achterwege te laten of te
verminderen. Ik kom op dit bijzon-
dere mandaat later nog terug.
Voorzitter! Ik wil de aan de orde
zijnde wetsvoorstellen bezien vanuit
een vijftal gezichtshoeken. In de eerste plaats: de micro lastendruk op
het niveau van huishoudens en bedrijven. In de tweede plaats: de
macro lastendruk en de budgettaire
hoofddoelstelling van de wet. In de derde plaats: de aansluiting bij het
milieubeleid. Vervolgens de
specifieke knelpunten voor zover ons
nu bekend. Ten slotte de uitvoerings-
technische kanten.
Voorzitter! Voor individuele
huishoudens betekenen de voorstel-
len op zichzelf een verzwaring van de
lastendruk als gevolg van hogere
prijzen voor eerste levensbehoeften,
zoals water en afvalverwijdering. De
verzwaring drukt ongeveer in gelijke
mate op de lage en hoge inkomens-
groepen. Bij de bedrijven nemen de
kosten toe onafhankelijk van de
vraag of ze dit kunnen dragen.
Hoewel de belastingtarieven
betrekkelijk bescheiden zijn, zijn de
resulterende procentuele kosten-
verhogingen aanzienlijk. Zo zullen de
tarieven van waterleidingbedrijven
die grondwater gebruiken in een jaar
met gemiddeld 30% stijgen, met
uitschieters tot 43%.
Deze lastenverzwaring komt
bovenop de gemeentelijke, provin-
ciale en waterschapsbelastingen en
heffingen die in de afgelopen jaren
zeer sterk gestegen zijn en in de
komende jaren zullen blijven stijgen.
Zo zijn de lasten per huishouding
van de afvalstoffenheffing en
reinigingsrechten tussen 1990 en
1993 met 85% gestegen. Een verdere
stijging met 20% in de komende
jaren wordt voorzien. Het milieu-
gerelateerde investeringsprogramma
van de waterleidingbedrijven van 10
mld. zal evenzeer tot onvermijdelijke
tariefverhogingen leiden. Om welke
bedragen het gaat bij de heffingen
van lagere overheden tonen
bijvoorbeeld de cijfers van de
gemeentelijke ontvangsten uit riool-
en reinigingsrechten aan. Deze
bedroegen 1,6 mld. in 1991 en bijna 2,9 mld. in 1994: een stijging van
77% in drie jaar tijd.
Voorzitter! Degenen die pleiten
voor ’’prijssignalen’’ in het milieube-
leid en voor een ’’verschuiving
binnen de lastendruk naar milieu-
gerelateerde lasten’’ worden al enige
jaren op hun wenken bediend. Een
stevig milieubeleid dat de normen
geleidelijk verscherpt – wij zijn daar
voor – zal onvermijdelijk een
verschuiving naar milieugerelateerde
lasten tot gevolg hebben. Daar
hebben we de onderhavige
wetsvoorstellen niet voor nodig. Het
verschil tussen beide soorten
lastenverzwaringen is daarin gelegen
dat die van de lagere overheden
voor een belangrijk deel voortvloeien
uit hogere milieu-eisen en dus hun
rechtvaardiging vinden in een beter
milieu. De opbrengsten van de
onderhavige wetsvoorstellen
daarentegen vloeien naar de
algemene middelen, hetgeen de
maatschappelijke acceptatie
onmogelijk kan vergroten.
In de schriftelijke voorbereiding
hebben we de vraag gesteld hoe
lang men kan doorgaan met
lastenverzwaringen in dit tempo
zonder ontwijkings-, ontduikings- of
afwentelingsgedrag op te roepen dat
het budgettaire en milieubeleid
ondergraaft. Die vraag is blijven
hangen. Inmiddels weten we iets
meer over de risico’s van dat soort
gedrag. Voor individuele huishou-
dens zijn de mogelijkheden, deze
lasten te beı¨nvloeden waarschijnlijk
zeer beperkt, als we afzien van
kwalijke zaken zoals afvaltoerisme en
illegaal dumpen. De consument die
tracht door milieuvriendelijk gedrag
zijn lasten te reduceren langs de weg
van lager watergebruik en lager
afvalaanbod kreeg de afgelopen
maanden enkele waarschuwingen
dat zulk gedrag tot hogere tarieven
zou kunnen leiden, veroorzaakt door
overcapaciteit bij waterbedrijven en
afvalstortplaatsen. Voor zover
drukkend op de lagere inkomens-
groepen vormen de hogere lasten
een inkomenspolitiek probleem met
een toenemende noodzaak van
koopkrachtreparatie. Als mijn
informatiebronnen juist zijn, heeft de
staatssecretaris al enige aandrang
uitgeoefend op de gemeenten om
meer gebruik te maken van de
mogelijkheden tot ontheffingen. Het
gevolg daarvan zal zijn een
verschuiving van de lastendruk en
een geringere impuls tot milieuvrien-
delijk gedrag van de vrijgestelden.
Om de indruk te vermijden dat de
staatssecretaris van Financie¨n dit
beschouwt als een kritiek op zijn
pleidooi om de laagbetaalden te
ontzien, merk ik op dat dit de
strekking van mijn opmerking niet is.
De strekking is dat met dit wetsvoor-
stel deze problemen alleen maar
worden vergroot.
De mogelijkheden om de lasten te
beı¨nvloeden zijn waarschijnlijk
aanmerkelijk groter voor bedrijven.
In de aan de orde zijnde wet wordt
namelijk de onttrekking van
grondwater door waterleidingbedrij-
ven met 100% belast, de eigen
onttrekking door anderen, bijvoor-
beeld voor industrieel gebruik, voor
50%, terwijl de eigen onttrekking
door agrarie¨rs voor beregenings- of
bevloeiingsdoeleinden binnen
bepaalde grenzen is vrijgesteld. Er is
nu reeds een duidelijke tendens
waarneembaar om water voor
industrieel en agrarisch gebruik niet
langer van waterleidingbedrijven te
betrekken, maar over te gaan op
eigen onttrekkingen. Deze onttrekkin-
gen zijn in een aantal gevallen
ongecontroleerd, dat wil zeggen
binnen bepaalde grenzen niet
onderworpen aan het vergunningen-
systeem van de provincies. Dit waren
slechts enkele opmerkingen over de
omvang en gevolgen van de uit deze
wet voortvloeiende lasten voor
huishoudens en bedrijven.
Voorzitter! Ik kom nu toe aan de
macro lastendruk en het primaire
oogmerk van deze wet. Dat primaire
oogmerk, zo heeft de regering ons
meermalen verzekerd, is budgettair dat wil zeggen: het is een noodzake-
lijke dekking van de financierings-
behoefte van de Staat. Vanuit dit
oogmerk dienen deze voorstellen
dan ook allereerst te worden
beoordeeld.
In afwijking van de situatie van
een jaar geleden vindt die beoorde-
ling plaats tegen de achtergrond van
een beleid dat gericht is op een
substantie¨le verlaging van de
collectieve-lastendruk. De lasten-
verlichting die voor 1995 is voorzien,
is reeds aanzienlijk hoger dan de
lastenverzwaring die voortvloeit uit
de onderhavige wetsvoorstellen. In
een gloedvol betoog legde de
minister-president ons tijdens de
recente algemene politieke beschou-
wingen in dit huis uit hoe essentieel
deze lastenverlichtingen zijn om via
de weg van een verlaging van de
arbeidskosten de werkgelegenheid te
bevorderen. De ongetwijfeld juiste
conclusie die wij uit zijn woorden
moeten trekken, is dat die lasten-
verlichting dan ook voor dat doel
moet worden ingezet en niet moet
worden gebruikt ter compensatie van
de negatieve inkomensgevolgen van
lastenverzwaringen elders.
Een andere conclusie is dat in een
beleid gericht op lastenverlichting de
zuiver budgettaire motivering van
nieuwe lastenverhogingen, zoals in
deze wet, haar betekenis verliest.
Waarom zou je, budgettair gerede-
neerd, de lasten verhogen als je van
plan bent ze per saldo te verlagen?
Als je budgettair de ruimte hebt, de
lasten per saldo te verlagen, is er
toch geen noodzaak tot nieuwe
verhogingen?
Voorzitter! Mij intrigeerde in het
bijzonder hetgeen de minister van
Financie¨n bij dezelfde algemene
beschouwingen zei, in antwoord op
vragen van collega Boorsma, over de
omvang van de lastenverlichtingen
ten bedrage van 9 mld. in deze
kabinetsperiode. Nee, zo verzekerde
hij ons, dit is geen lasten-
verschuiving, maar een netto bedrag
en het saldo van verlichtingen en verzwaringen. En zo hoort het ook:
wat uiteindelijk telt, is het netto
bedrag.
Als dat netto bedrag de doelstel-
ling is, moeten toekomstige
lastenverzwaringen, ook die bij de
lagere overheden, gecompenseerd
worden door additionele lasten-
verlichtingen. Zij leveren dan per
saldo geen enkele budgettaire
opbrengst meer op. De lastenverzwa-
ring voortvloeiend uit de onderha-
vige wetsvoorstellen is ongetwijfeld
al opgenomen in het totale financie¨le
uitgangsbeeld dat eindigt met een
positief saldo van 9 mld.
Ook dan blijft niettemin de vraag klemmen: wat is nu, zuiver budget-
tair geredeneerd, de zin van een
lastenverhoging als je van plan bent,
die lasten per saldo te verlagen? Is
dit, budgettair gezien, nog iets
anders dan een exercitie in het
rondpompen van geld? Een betere
metafoor in de context van het milieubeleid is waarschijnlijk: het
verplaatsen van lucht waarbij nogal
wat stof opdwarrelt. Veel stof
opdwarrelt, want fiscaal-technisch
gezien en gemeten naar eisen van
eenvoud, doorzichtigheid, uitvoer-
baarheid en fraudebestendigheid is
deze wet een onding, mede als
gevolg van de verdere verfijningen.
Als eenvoud het kenmerk van het
ware is, zou dan een beleid gericht
op lastenverlichting niet beter
hebben kunnen inzetten met het
achterwege laten van voorgenomen,
maar nog niet ingevoerde lastenver-
zwaringen?
Ik sluit dit onderdeel af met de
constatering dat de zuiver financieel-
budgettaire motivering van de
voorgestelde belastingen niet
overtuigt. Er moeten dus andere
redenen zijn om deze belastinghef-
fing te rechtvaardigen. Waar zouden
die kunnen liggen anders dan bij een
veronderstelde ondersteuning van
het milieubeleid? Dat brengt mij bij
de aansluiting van deze wetten bij
het milieubeleid.
</spreker>
<spreker pagina="11-337" anker="175" partij="CDA" naam="Van Dijk">
 Voorzitter!
Laat ik een ding hier vanochtend met grote klem zeggen: indien deze
belastingheffing aantoonbare
voordelen voor het milieu opleverde,
zou mijn fractie heel wat complica-
ties en onvolkomenheden voor lief
nemen en geneigd zijn, deze
voorstellen te aanvaarden! Opvallend
is echter dat ook de sterkste
voorstanders ons bij voortduring
waarschuwen tegen de verwachting
dat deze wet enige substantie¨le
milieuvoordelen zou opleveren. De
bewindslieden uit het vorige kabinet
waren al tevreden als er geen
negatieve gevolgen voor het milieu
zouden zijn. De huidige minister voor
milieuzaken verwoordde haar scepsis
onlangs in de Tweede Kamer als volgt. Ik citeer: ’’Er is hieraan hier en
daar zeker ook een milieu-effect verbonden’’ en even later: ’’Deze wet
is een pure belastingwet en als het
zo uitkomt dat die wet ook gunstig is
voor het milieu is dit een vreugde te
meer’’. Einde citaat. Dat houdt niet
over. Het is ook in onze ogen
bepaald niet uitgesloten dat deze wet
’’hier en daar’’ wat gunstige
milieu-effecten zou kunnen hebben.
Inmiddels zijn de indicaties alleen
maar toegenomen dat ook rekening
gehouden moet worden met
aanzienlijke negatieve gevolgen.
Kernprobleem is dat deze belastin-
gen met hun generieke werking en
zeer ongelijke verdeling van lasten
slecht blijken aan te sluiten bij de
specifieke problemen en instrumen-
ten van het milieubeleid en daardoor
nauwelijks volledig te voorziene
contra-produktieve effecten kunnen
oproepen. Ik moet daarbij zeggen dat
voor ons dat probleem duidelijk
anders ligt en ook wat zwaarder
weegt bij de grondwaterbelasting
dan bij de afvalbelasting. Zonder
naar volledigheid te streven, vat ik
de problemen in een aantal punten
samen.
In de eerste plaats is het probleem
van de verdroging door verlaging
van het grondwaterpeil zeker een
ernstig milieuprobleem, maar het
verschilt sterk van plaats tot plaats.
Het gee¨igende milieu-instrument op
dit punt is het provinciale
vergunningenbeleid dat rekening kan
houden met de plaatselijke situatie.
Op onze vraag bij de schriftelijke
voorbereiding of de provincies
terzake een goed beleid voeren, was het antwoord: ja. De voorgestelde
belasting daarentegen is een
generiek instrument dat in principe
alle grondwaterwinning treft. Op de
constatering in de Tweede Kamer dat
daarmee ook waterwinning wordt
getroffen die geen enkel milieu-
nadelig effect heeft, antwoordde de minister doodleuk en ik citeer weer:
’’van zulke winning kan nog niet
worden gezegd dat het een
milieuvriendelijke activiteit is’’ en
’’het moet worden belast omdat het
niet bijdraagt aan de verbetering van
natuur en milieu’’. Einde citaat. Zo
weet ik er ook nog wel een paar!
Laat ik al die tijd nu denken dat
het hierbij gaat om een belasting die
beoogt milieu-onwenselijk of
milieu-onvriendelijk gedrag te
belasten! Ik vraag mij bij het lezen
van dit soort citaten af, of de
minister zich er wel van bewust is
dat zij met deze antwoorden het
risico loopt de rechtvaardigheid van
deze wet in gevaar te brengen. Ik bedoel dit: het aantal gevallen dat
niet milieunegatief of milieu-
onvriendelijk is, maar dat ook niet
bijdraagt aan een beter milieu is
natuurlijk eindeloos uit te breiden tot
een groot aantal gevallen die ook
niet worden belast. De vraag kan dan worden gesteld: waarom wordt in
die gevallen niet belast en in deze
wel?
In de tweede plaats laat de
grondwaterbelasting de verreweg
grootste veroorzaker van de
verdroging – in casu de bewuste
grondwaterpeilverlaging door de
waterbeheerders – ongemoeid.
In de derde plaats is voorrang
voor hoogwaardig gebruik van
grondwater en afremming van
laagwaardig gebruik doelstelling van
het milieubeleid. De voorgestelde
belasting heeft een omgekeerde werking: waterleidingbedrijven
worden voor 100% belast en eigen
winning ten behoeve van industrieel
of agrarisch gebruik valt onder een
tarief van 50% of onder een
nihiltarief.
De vierde constatering is dat de
belasting daardoor eigen winning
bevordert die deels ongecontroleerd
is.
De vijfde constatering is dat de
gunstige effecten op watergebruik en
afvalaanbod, zo al aanwezig, zeer
klein zullen zijn, niet alleen door de
geringe prijselasticiteit, maar ook
door het al eerder genoemde risico
dat de zuinige gebruiker tarief-
verhogingen over zich afroept en
door de eerder genoemde
ontwijkingsmogelijkheden.
De zesde constatering is dat de
belastingen op grondwater en afval
bij een aantal bedrijven en bedrijfs-
takken direct aanwijsbare contra-
produktieve effecten voor het milieu
veroorzaken. Een deel van deze
specifieke knelpunten is weggeno-
men of verzacht door de verfijnings-
wet. Ik kom daarop zo dadelijk terug.
In een aantal gevallen werken de
contra-produktieve effecten meer
indirect. Zo sluit de regering, in het
kader van het milieubeleid, conven-
anten met bedrijven, waarbij deze
zich verplichten tot milieu-
inspanningen die vaak aanzienlijke
investeringen vergen. De hier
voorgestelde belastingen worden
ervaren als een doorkruising van
deze afspraken, hetzij omdat zij de
financie¨le ruimte voor de voorgeno-
men investeringen beperken, hetzij
omdat zij het vertrouwen in
gemaakte afspraken of gewekte
verwachtingen ondergraven, hetzij
omdat zij de indruk wekken van een
verbrokkeld en weinig consistent
overheidsbeleid. Ik kom ook op deze
categorie zo dadelijk terug.
Naast de hier opgesomde factoren
die contraproduktief zijn voor het
milieubeleid, zijn er gevallen waarin
de belastingen ongewenst schade-
lijke effecten zullen hebben voor de
concurrentiepositie en de overle-
vingskansen van bedrijven.
Voorbeelden zijn de notoire
uraniumbelasting en de toekomstige
verzwaring van de belasting op
grondwaterwinning in de landbouw-
sector.
Voorzitter! Door middel van de
verfijningswet heeft de regering,
zoals gezegd, een aantal van de
specifieke knelpunten weggenomen
of verzacht; de hierboven genoemde
meer structurele zwakheden zijn
daarmee echter niet weggenomen. Ik
kom nu toe aan een beoordeling van
de verfijningswet in het licht van de
tot nu toe bekende specifieke
knelpunten.
Laat ik met de positieve kant
beginnen en mijn waardering
uitspreken voor het feit dat de
regering en de Tweede Kamer door
middel van de stevig geamendeerde
verfijningswet een aantal van de
meest in het oog springende
specifieke knelpunten heeft trachten
op te lossen. Ook al zijn de meeste
oplossingen van tijdelijke aard, dit is
zeker winst. Ik spreek hier over de
teruggaafregeling bij gebruik van
spoelwater voor verpakkingen in de
voedings- en genotmiddelen-
industrie, de tijdelijke teruggaaf-
regelingen voor het ontinktingsresidu
in de papierindustrie en voor het
kunststofrecyclingsafval, de
vrijstelling respectievelijk het
nihiltarief bij retourbemaling en het
uitstel van tweee¨nhalf jaar voor de
baggerspecie.
Bovendien biedt de wet de
minister nu het recht om met
wettelijke regelingen achteraf
ontheffing of verlaging van de
belasting te verlenen als zich nieuwe
knelpunten voordoen. Wij zijn niet
onverdeeld gelukkig met dit
bijzondere mandaat. Het is eigenlijk
een monstrum dat symboliseert
hoezeer wij in de mist varen voor
wat betreft de gevolgen van deze
belastingen. De nadelen van het mandaat zijn evident: onzekerheid
over de wijze waarop de wet zal
worden toegepast en uitgevoerd,
onduidelijkheid over de criteria
waardoor de minister zich zal laten
leiden en het risico dat een stroom
van verzoeken om een bijzondere
regeling wordt uitgelokt. Terugziende
op de luchthartige manier waarop de
regering een aantal van de bovenge-
noemde knelpunten aanvankelijk
behandelde, betwijfel ik ook of wij in
materie¨le zin veel betekenis aan dit
bijzondere mandaat moeten hechten.
Ik geef een voorbeeld. Toen wij bij
de schriftelijke voorbereiding aan de
orde stelden welke problemen dit
wetsvoorstel zou veroorzaken voor
de verwerking van oud papier in de
papier- en kartonindustrie, was het
antwoord van de regering in dat stadium van de behandeling: dan
berekenen zij dat toch door in de
prijzen van oud papier? Dat was het
antwoord dat wij toen kregen. Niet
vergeten mag worden dat de
regering aanvankelijk beoogde om
deze belastingen op 1 juli van dit jaar
in te voeren zonder enige knelpunten
te hebben opgelost. Men vraagt zich
onwillekeurig af of de regering even
snel als nu met een verfijningswet
zou zijn gekomen als deze kamer dit
wetsvoorstel dit voorjaar al zou
hebben aanvaard.
Ik heb reeds gezegd dat met deze
verfijningswet de door ons
genoemde meer structurele zwakke
punten niet zijn weggenomen.
Bovendien is ook van de specifieke
knelpunten een aantal blijven liggen.
Ik noem er daarvan enkele en ik
begin met de uraniumbelasting. Wij
wisten reeds dat pogingen van de
regering, van de minister van
Economische Zaken, om te voorko-
men dat deze belasting vrijwel
uitsluitend op twee ondernemingen zou vallen – schade: 15 mln. – op
niets zijn uitgelopen. De memorie
van antwoord die wij verleden week
ontvingen, bevestigt dit. Invoering
van deze wet op 1 januari 1995
zonder meer, zal dus gevolgen
hebben die noch door de regering,
noch door de Tweede Kamer zijn
beoogd. Misschien had de Tweede
Kamer daaraan wat eerder moeten
denken, bijvoorbeeld bij het indienen
van het desbetreffende amendement.
Blijkens de memorie van antwoord
’’overweegt’’ de regering nu ’’in
afwachting van nader onderzoek’’ (...)
’’enig uitstel van de inwerkingtreding
van de uraniumbelasting (...)
Daarmee zouden de ongunstige
gevolgen voor de twee ondernemin-
gen vooralsnog kunnen worden
voorkomen’’. Dit is nieuws, want dit
uitstel was niet in de verfijningswet
opgenomen en mist tot op heden
een wettelijke grondslag. Is de
Tweede Kamer hier al van op de
hoogte? Hoe zal dit uitstel formeel
worden geregeld? Wanneer zal dit
’’overwegen’’ van de regering
omgezet worden in besluitvorming
en welke betekenis zal moeten
worden gehecht aan de woorden
’’enig uitstel’’ en ’’vooralsnog’’?
Een tweede knelpunt dat niet echt
is opgelost, vormt het zuiveringsslib
van provincies en waterschappen. Ik
heb enige sympathie voor de
minister, die druk op de ketel wil
houden om ervoor te zorgen dat de
betrokken organen het slib gaan
verbranden of anderszins verwerken.
Deze hebben echter enige tijd en
vooral ook geld nodig om aan de
gestelde eisen te voldoen. Zou enig
uitstel, zoals ook bij andere
knelpunten is verleend, niet voor de
hand hebben gelegen?
De landbouwsector vormt een
derde probleemgebied. Op grond
van steeds weer nieuwe informatie
heb ik het sterke vermoeden dat wij
nog bij benadering niet weten wat
wij aanrichten in die sector, waar
hogere lasten niet zonder meer
kunnen worden doorberekend en
waar de rentabiliteit zeer marginaal
is. Deze onzekerheid geldt zowel
voor de voorgenomen substantie¨le
verlaging van de vrijstellingsgrenzen
van waterwinning ten behoeve van
beregening en bevloeiing als voor de
nu in te voeren belasting op
grondwater ten behoeve van andere
agrarische activiteiten, zoals koeling.
Ik noem tenslotte nog een aantal
problemen die voortvloeien uit wat ik
hierboven indirecte contra-
produktieve effecten noemde.
Daarvan zijn ons tot nu toe – ik
onderstreep dat, want het kunnen er meer en veel meer zijn – bekend: de
groep bedrijven die fors investeerde
in rookgasontzwaveling en daarvoor
een korting op energieprijzen kreeg,
die nu vervalt; waterleidingbedrijven
die een omvangrijk milieu-
investeringsprogramma uitvoeren,
waarvan het vrijwillige deel nu op de
tocht staat, en de zuivelindustrie, die
een convenant heeft afgesloten over
investeringen om het waterverbruik
met 40% te reduceren, waarvoor de
financie¨le ruimte nu beperkter wordt.
Het antwoord op deze vragen kan ik
eigenlijk al voorzien. Het zal
waarschijnlijk niet zo verschrikkelijk
veel afwijken van vorige antwoorden.
’’Maar men rekent dat toch door? Als
zij dat niet doen, is dat hun beleid en
is dat hun zaak.’’ De waterleidingbe-
drijven zijn zeker in de positie om die
extra kosten door te berekenen. Zij
hebben echter ook een relatie met
hun klanten en die zullen zeker
vragen gaan stellen als zij zien dat de
tarieven in een jaar tijd met zulke
hoge sprongen omhoog gaan. Die
bedrijven zullen zeker verwijzen naar
de wet die in december 1994 door de
beide Kamers der Staten-Generaal
hoogstwaarschijnlijk wordt aangeno-
men. De vraag van de consument zal
dan waarschijnlijk zijn hoe het milieu
hier beter van wordt. Het waterlei-
dingbedrijf zal dan moeten antwoor- den van: ’’Mevrouw, mijnheer, ik kan
u maar een ding zeggen en dat is dat
de opbrengsten vloeien in de
algemene middelen’’.
Misschien wel de grootste fout die
aan deze wet kleeft, is een fout die
eigenlijk meer van bestuurlijke,
psychologische dan van financie¨le
aard is. Die fout is dat er voor de
gemiddelde burger geen duidelijk
aanwijsbare band tussen de nieuwe
belastingen enerzijds en het milieu
anderzijds kan worden gelegd. Dat
zal het maatschappelijk draagvlak
voor dit soort belastingen beslist niet
versterken. Concluderend, met alle
waardering voor de verfijningswet, is
er dus nog heel wat narigheid blijven
liggen.
Ik kom ten slotte toe aan een
aantal uitvoeringstechnische en
administratieve aspecten. Elke
verfijning heeft zo zijn prijs. Hoe
meer verfijningen, hoe ingewikkelder
de wet en hoe moeilijker de
uitvoering. Deze wet wordt nu een
lappendeken van ontheffingen,
tijdelijke ontheffingen, voorwaarde-
lijke ontheffingen, teruggave-
regelingen en nultarieven. De wet is
daarmee ondoorzichtiger, gecompli-
ceerder en fraudegevoeliger
geworden. De gevolgen voor de
werkdruk op de belastingdienst en
de administratieve belastingdruk op
bedrijven laten zich raden. Met al zijn
uitzonderingen en niet altijd even
precies gedefinieerde begrippen zal
deze wet de belastingdienst
handenvol werk geven, vaak zeer
specifieke technische deskundigheid
vragen en de administratieve
rompslomp bij bedrijven verder
vergroten.
Ik denk dat de staatssecretaris van
Financie¨n zich van deze problemen
bewust was toen hij de Tweede
Kamer toezegde een ’’gedegen
notitie’’ te zullen opstellen waarin dit
soort wetgeving wordt getoetst aan
eisen van doelmatigheid, doeltref-
fendheid, eenvoud van uitvoering en
toepassing en aan internationale
aspecten. Op aandrang van de
Tweede Kamer werd tevens een
evaluatieclausule in de wet opgeno-
men, ertoe strekkend dat na twee en
een half jaar de negatieve milieu-
effecten en economische problemen,
maar ook de uitvoerbaarheid van de
wet zullen worden onderzocht. Ware
het niet beter geweest als een deel
van dit soort grondwerk wat eerder
was verricht? Belastingwetgeving,
mijnheer de staatssecretaris, is toch
geen kwestie van eerst schieten en
daarna vragen stellen?
Uitvoerbaarheidsproblemen en
administratieve rompslomp komen
wij natuurlijk meer tegen. Bij vrijwel
elke wet moeten eisen van rechtvaar-
digheid en doelmatigheid tegen
elkaar worden afgewogen. Zo’n
afweging levert altijd een aantal
onvolkomenheden op die wij
gewoonlijk accepteren omdat het
hoger doel dat met de wet gediend
wordt dat rechtvaardigt. In dit geval,
waarin het hoger doel zo in nevelen
gehuld is, vraag ik mij af waarom wij
ons al deze rompslomp op de hals
halen.
Voorzitter! Ik ben toe aan een
afronding en resumeer een aantal
hoofdpunten. De budgettaire
noodzaak van de wet is kwestieus,
de wet sluit niet deugdelijk aan bij
het milieubeleid en heeft teveel
contra-produktieve effecten, een flink
aantal specifieke knelpunten is
onopgelost gebleven en de
uitvoeringstechnische problemen zijn
aanzienlijk. Het leidt ons tot de vraag
waarom wij dit eigenlijk doen. Wie
denken wij met deze wet te dienen?
Mag ik eindigen met een citaat uit
het advies dat de Centrale raad voor
de milieuhygie¨ne op 15 oktober 1992
over deze wet uitbracht, een advies
waarvan ik de lezing de minister
voor milieuzaken van harte aanbe- veel. Ik citeer: ’’Allereerst is de raad
van een expliciete lange-termijnvisie
van de regering op ecologisering van
het belastingstelsel ... tot op heden
weinig gebleken. De raad betreurt dit
hogelijk; ... Dit gebrek kan naar zijn
mening op termijn ernstige schade
berokkenen aan het noodzakelijk
maatschappelijk draagvlak voor het
milieubeleid, temeer daar de
regering deze verbruiksbelasting
expliciet aanduidt als noodzakelijke
bronnen ter dekking van de
financieringsbehoefte. Bij burgers en
bedrijven kan dan de indruk ontstaan
dat de regering onder het mom van
milieubeleid een financierings-
probleem aanpakt, hetgeen
weerstand tegen het milieubeleid kan
oproepen. Ecologisering van het
belastingstelsel in de bovenge-
noemde zin moet volgens de raad op
geloofwaardige en rechtvaardige
wijze plaatsvinden. Daarbij moet
men uiteraard waken voor eventuele
contraproduktieve effecten die hierbij
zouden kunnen optreden’’. Dit advies
heeft tot op de dag van vandaag zijn
waarde behouden.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-339">

 
<spreker pagina="11-339" anker="176" partij="PvdA" naam="Zijlstra">
 Mijnheer de
voorzitter! Het was, collega Van Dijk
heeft er ook al op gewezen, vallen en
opstaan met dit wetsvoorstel. Meer
dan een jaar geleden werd een
eerste wetsvoorstel door de Tweede
Kamer aanvaard. Problemen met de
Eerste Kamer, na een uitgebreide
schriftelijke gedachtenwisseling,
leidden tot een verfijningsnotitie en
het wegstrijken van enkele rimpels.
Ons belangrijkste bezwaar, en wel
het ontbreken van een voldoende
milieukundige rechtvaardiging van
de grondwaterbelasting werd niet
weggenomen. Dat was en is dan ook
meer dan een rimpel. De Tweede
Kamer streek vorige maand, ten
slotte, nog een enkele rimpel weg,
maar liet de grondwaterbelasting
praktisch voor wat het was.
Het is geen wonder dat een
nieuwe belasting als deze zo moeilijk
tot stand komt. Het uitgangspunt is
weliswaar duidelijk en het wordt
door ons dan ook voluit onderschre-
ven. Door sommigen wordt dat
uitgangspunt ’’ecologisering van het
belastingsysteem’’ genoemd. De
bewindslieden van het vorige kabinet
noemden het ’’belastingen op
milieubezwarende activiteiten
waarbij de opbrengstfunctie voorop
staat’’. Het staat buiten kijf dat op
zichzelf een verschuiving van fiscale
lasten op arbeid naar belasting op
milieubezwarende activiteiten
verstandig beleid is. Als een
belasting als deze niet zou worden
geheven, zouden de kosten op arbeid
noodzakelijkerwijs hoger moeten zijn
dan nu het geval is. Er is dus wel
degelijk sprake van een verschuiving
en wij staan daar dan ook achter.
Een nadeel is dat daardoor in
beginsel de progressie in de totale
fiscale lasten voor de belasting-
betalers wordt verminderd. Gevoegd
bij de in tal en last toenemende
lokale heffingen, dreigt het aandeel
van belastingen die niet naar
draagkracht worden geheven flink
toe te nemen. Het verlies van
progressie wordt deze keer gecom-
penseerd door verlichting van directe
belastingen voor de lage en
middeninkomens. Wij juichen dit toe.
Toch baart deze ontwikkeling ons
zorgen. Deze keer wordt het wel
goed gemaakt, een volgende keer
wellicht niet. Er is een tweede pleister op de wonde: staatssecreta-
ris Vermeend is kennelijk geen
voorstander van nieuwe lokale
heffingen en is er kennelijk voor –
ook collega Van Dijk heeft daar op
gewezen – dat gemeenten in hun
kwijtscheldingsbeleid meer ruimte
krijgen.
De indirecte belasting op
afvalstort, grondwater en energie,
met in beginsel eenzelfde effect,
verhoogt dan inmiddels wel de vaste
lasten voor een ieder, ongeacht zijn
of haar draagkracht. Ik zeg ’’voor een
ieder’’, maar dat is eigenlijk niet juist.
Zowel de nieuwe belasting op
afvalstoffen als die op grondwater
drukt eenzijdig op burgers en
bedrijven buiten de Randstad. De
nadere memorie van antwoord aan
de Eerste Kamer van bijna een jaar geleden is daarin veelzeggend:
’’Buiten de Randstad wordt bijna al
het afval gestort en het drinkwater
uit grondwater bereid’’. In de
Randstad wordt voornamelijk
gereinigd oppervlaktewater gebruikt,
waarop geen nieuwe belasting komt,
en wordt afval voornamelijk
verbrand, waarop ook geen nieuwe
belasting komt.
Als ik mij even tot het grondwater beperk: voor de zuivelindustrie en de
voedingsmiddelenindustrie die
schoon proceswater nodig hebben
en bijvoorbeeld in het noorden of
Zuid-Limburg gevestigd zijn, leidt dit
tot een kostenverhoging en ipso
facto tot een verslechtering van de
concurrentiepositie ten opzichte van
bedrijven in de Randstad. Dit werkt
dus als een soort omgekeerd SIR,
selectieve investeringsregeling, die in
het recente verleden nodig werd
geacht om de werkloosheid in ’’de
regio’’ te verminderen. Bedrijven in
het westen moesten toen die
speciale belasting betalen. De
grotere werkloosheid in het noorden
en Zuid-Limburg is er nog steeds,
maar de SIR wordt nu omgekeerd.
Het heeft mij verbaasd dat de voor
het regionale beleid verantwoorde-
lijke minister respectievelijk
staatssecretaris (in het vorige
kabinet) van Economische Zaken dit
zo gemakkelijk liet passeren.
Men zal wellicht zeggen dat het
drinkwater in het westen van het
land toch al een gulden per kubieke
meter duurder is, omdat het
opwerken van Rijn- en Maaswater
zoveel kost. Dan gaat men echter
voorbij aan een algemeen aanvaard
beginsel van standplaatseconomie.
Natuurlijke standplaatsvoordelen
behoren in een lagere kostprijs tot
uitdrukking te komen, ongeacht of
het om een goede natuurlijke haven
– Rotterdam – gaat, om goede
tuinbouwgrond of om natuurlijk
goed water. Je gaat gebieden waarin
door grond en klimaat aardappels
bijzonder goed groeien toch ook niet
belasten, omdat het elders moeilijker
is om die aardappels te laten
groeien?
Deze redenering gaat naar ons
oordeel overigens veel meer op voor
grondwater dan voor het storten van
afval. Wij zijn het met de regering
eens dat ook buiten de Randstad het
storten geleidelijkerwijs door
verbranding moet worden vervan-
gen. Wij onderschrijven dan ook de
mening van de regering dat
verbranding via een prijsprikkel
bevorderd dient te worden. Overal in
Nederland is gestort afval inderdaad
’’een potentie¨le bron van verontreini-
ging van de bodem’’ en vereist het
langdurige zorg. Eeuwigdurend,
zoals de bewindslieden schrijven, is
wellicht wat te eeuwig. Dat het een
permanent beslag legt op schaarse
ruimte, ook buiten de Randstad, is
naar onze mening evenwel niet te
ontkennen.
De verfijningen die in de loop van
het jaar zijn toegevoegd, laatstelijk
nog bij de behandeling in de Tweede
Kamer, maken naar onze indruk van
de afvalstoffenbelasting een goed
doordachte regeling met een
behoorlijk onderbouwde milieu-
kundige rechtvaardiging, althans
voor zover dat bij een nieuwe
belasting mogelijk is. Tijdens de in
artikel 38a neergelegde evaluatie
kunnen eventueel resterende
gebreken en onbedoelde effecten
worden gesignaleerd en daarna
weggenomen.
Mij is nog niet geheel duidelijk,
voorzitter, hoe het staat met het
zuiveringsslib. Bij nota van wijziging
is artikel IV in het wetsvoorstel
opgenomen dat een ontheffings-
mogelijkheid bevat van belasting op
afvalstoffen. Deze mogelijkheid
bestaat daaruit dat bij ministerie¨le
regeling voor bepaalde gevallen
gehele of gedeeltelijke ontheffing
van de afvalstoffenbelasting kan
worden verleend. Kan ik ervan
uitgaan dat een ontheffing voor
zuiveringsslib zal worden verleend?
Ik ben het met de minister eens dat
er druk op de ketel van het
zuiveringsslib, als je dat zo mag
noemen, moet worden gehouden.
Het storten van onverwerkt
zuiveringsslib moet zoveel mogelijk
worden ontmoedigd. Zoals de
minister in de Tweede Kamer
uitvoerig uiteen heeft gezet, hebben
de meeste provincies pas recent
besloten over de verwerking van
zuiveringsslib, gericht op volume-
vermindering en zijn de alternatieven
voor het storten zelfs deels nog in
een experimentele fase. Dit betekent
dat in het grootste deel van het land
de alternatieven voor het storten van
zuiveringsslib pas op termijn
daadwerkelijk beschikbaar komen. De
waterschappen hebben dus geen
mogelijkheid om op korte termijn het
volume van te storten zuiveringsslib
te verminderen. Door tot 1 juli 1997
een ontheffing voor zuiveringsslib te
cree¨ren, wordt waterschappen de tijd
gegund om alternatieve verwerkings-
wijzen voor zuiveringsslib toe te
passen, maar wordt tevens de druk
op de ketel gehouden. Dit lijkt ons
een verstandige oplossing. Gebeurt
het zo?
Ook de heffing op uranium-235 –
als ik mij niet vergis een gezamenlijk
initiatief van CDA en PvdA in de
Tweede Kamer, zeg ik aan het adres
van de heer Van Dijk – beoordelen
wij positief, voorzitter. Wij zouden er
de voorkeur aan hebben gegeven als
de produktie van elektrische energie
in kerncentrales even zwaar belast
werd als in feite bij de verbranding
van fossiele brandstoffen gebeurt.
Nu is dat slechts voor de helft het
geval. Belangrijker is dat door een
heffing op uranium een signaal aan
met name de Franse regering wordt
gegeven dat bij een eventuele
Europese energieheffing kernenergie
daarvan niet verschoond dient te
blijven. Met een vrijstelling voor
kernenergie zou dan niet alleen
algemeen gesproken die energie-
drager een onterecht concurrentie-
voordeel toegeschoven krijgen, maar
zou ook stroom uit Franse kernener-
gie op de Nederlandse markt een
ongerechtvaardigd prijsvoordeel
genieten.
Met enige zorg hebben wij moeten
constateren dat de regering
overweegt om ’’enig uitstel’’ van de
inwerkingtreding van de uranium-
belasting te bewerkstelligen. Ook wij
zien de problemen waarvoor
Pechiney en Hoesch zich met een
miljoenen guldens kostende
lastenverzwaring zien gesteld. Wij
wijzen er echter op dat nog vorig
jaar door de minister van Economi-
sche Zaken aan Pechiney een korting
op de elektriciteitsprijs is verleend.
Bovendien zijn sindsdien de prijzen
van aluminium, produkt van
Pechiney, aanzienlijk gestegen nu het
overschot op de wereldmarkt,
veroorzaakt door dumping door
Oosteuropese landen, is verdwenen.
Wij zouden in ieder geval graag van
de bewindslieden willen vernemen
welke termijn zij voor dat eventuele
uitstel voor ogen hebben.
Dat voor restgassen een nultarief
gaat gelden, heeft onze instemming.
Daar het voorstel niet, zoals de
bedoeling was, op 1 januari 1994
kracht van wet kreeg, heeft de
chemische industrie een jaar lang
een heffing te verwerken gehad die
algemeen onterecht werd geacht,
gezien het feit dat in het voor de
export relevante buitenland van de
chemische industrie aldaar zo’n
belasting niet wordt geheven. Het is
dan ook vanuit dit gezichtspunt
beschouwd van belang dat het uitstel
niet langer duurt. Het interesseert mij
overigens te vernemen of op dit punt
van de kant van de Europese
Commissie nog moeilijkheden te
verwachten zijn.
Wat de heffing op brandstoffen
betreft, vragen ook wij ons af of de
voortijdige bee¨indiging van de
restitutie voor rookgasontzwaveling
wel door de beugel kan.
Voorzitter! Ons hoofdprobleem
met dit wetsvoorstel zit in de
grondwaterbelasting. Na veel
discussies met veel bewindslieden
beklijft bij ons de indruk dat de
milieukundige onderbouwing van
deze belasting niet voldoende is. Al
in het nader voorlopig verslag van 31
januari 1994 hebben wij gevraagd of
de belasting op grondwater ten
principale aan de orde kon komen.
Dat is nooit gebeurd.
Ter rechtvaardiging van een
belasting op grondwater werden en
worden als ik het goed heb drie argumenten gebezigd: winning van
grondwater draagt bij aan de
verdroging, grondwater is schaars en
grondwater bevordert de versprei-
ding van schadelijke stoffen,
waardoor de schaarste aan schoon
grondwater nog wordt vergroot. Ik
hoor graag of de bewindslieden het
met deze argumenten eens zijn.
Voor een goed oordeel over deze
argumenten heb ik mijn oor nog
eens te luisteren gelegd bij deskundi-
gen uit de drinkwaterwereld.
Verdroging als gevolg van
drinkwaterwinning treedt alleen op
als het peil van het, in dit geval
meestal diepe, grondwater daalt. Die
daling doet zich nagenoeg alleen
voor in droge zandgebieden, die naar
schatting 20% bestrijken van de
totale grondwaterwinning. Rond 80%
van de grondwaterwinning veroor-
zaakt, zo geeft mijn informatie aan,
geen peildaling en kan dus bezwaar-
lijk bijdragen aan de verdroging.
Afvalstortplaatsen vormen zonder
uitzondering potentie¨le bronnen van
verontreiniging van de bodem. Zij
leggen zonder uitzondering een
permanent beslag op schaarse
ruimte en belasten dus het milieu
voor 100%. Grondwaterwinning heeft
kennelijk voor 80% niets te maken
met verdroging en legt geen
noemenswaardig beslag op schaarse
ruimte. De rechtvaardiging, zo men
wil de milieugrondslag van een
belasting op grondwater, wordt
daarmee wel bijzonder dun.
Dat voor 80% van de grondwater-
winning het peil ’’op peil’’ blijft, geeft
ook aan dat de waterkringloop voor
hetzelfde percentage gesloten is.
Behalve in de droge zandgebieden is
er dus strikt genomen geen sprake
van schaarste.
De derde rechtvaardigingsgrond,
de verslechterende kwaliteit van het
grondwater door verspreiding van
schadelijke stoffen lijkt minstens zo
aanvechtbaar. Ten eerste verslechtert
voor het overgrote deel van de
winning de kwaliteit van het
grondwater helemaal niet. Het is
immers water dat enkele eeuwen
lang een schone weg naar beneden
heeft afgelegd en dat nog steeds in
redelijke mate ook bovenaan, bij de
oppervlakte, schoon blijft indien het
waterwingebied adequaat wordt
beschermd, hetgeen meestal het
geval is. Ten tweede lijkt het niet
redelijk om de verbruiker van wel
door bijvoorbeeld fosfaten en
pesticiden verontreinigd grondwater
te laten betalen voor de vervuiling
die een ander in het water heeft
gedeponeerd. Dit argument lijkt op de stelling: ’’de vervuilde betaalt’’. Ik
herinner mij dat bij de verkiezings-
campagne voor de Tweede Kamer
door een vooraanstaand politicus werd gesteld: ’’De prijzen moeten de
waarheid vertellen’’. Welnu, die
prijzen dreigen nu onwaarheid te
vertellen. Ik besef dat de stelling ’’de
vervuiler betaalt’’ niet onverkort op
de landbouw kan worden toegepast
maar het gaat ook niet aan, gewoon
de vervuilde te laten betalen. Je zou
zeggen dat het al erg genoeg is dat
grondwaterbedrijven grond moeten
kopen en beheersovereenkomsten
moeten afsluiten om gebruik van
bijvoorbeeld bestrijdingsmiddelen te
beperken. Dit alles komt voor
rekening van de vervuilde, de
consument.
Voorzitter! Ik heb geaarzeld of ik
de volgende metafoor aan de Kamer
zou voorleggen, maar ik doe dat toch
maar. Het argument dat die mogelijk
sterkere verspreiding van schadelijke
stoffen door de grondwaterwinning
de schaarste aan schoon grondwater
verergert – en dus kan worden
gezien als bijkomend argument voor
de belasting – doet mij denken aan
de mensen in Japan die een
maskertje voor hun gezicht hebben
om zich te beschermen tegen
vervuilde lucht. Deze mensen zouden
in het systeem, dat nu door de
regering wordt aangegeven, niet
alleen het masker moeten betalen
maar ook nog de katalysator van de
vervuilende auto en een belasting op
schone lucht.
Opmerkelijk is nog dat de door de
regering aangevoerde rechtvaardi-
ging van de grondwaterbelasting
evenzeer lijkt te gelden voor
oppervlaktewater. Dat heeft zowel
betrekking op de directe milieubelas-
ting als op de indirecte belasting,
veroorzaakt door de schaarste aan
zuiver water. Als de winning van
grondwater al milieubelasting in de
vorm van verdroging teweegbrengt,
doet het gebruik van oppervlaktewa-
ter dat in de vorm van vervuiling van
waterbodems, zoals in de Andelse
Maas, maar ook in de vorm van
depositie van zware metalen in
duinpannen en door een groot
ruimtebeslag, met hekken, wegen,
transformatorhuisjes enz. in dezelfde
duinen. Er zijn al drie bekkens in de
Biesbosch maar er komt nog een
vierde bij. Waarom zou, gelet op dit
alles, een prijsprikkel om meer te
besparen, niet even gerechtvaardigd
zijn voor oppervlaktewater als voor
grondwater? Als schoon grondwater
al enigszins schaars zou zijn, is
schoon oppervlaktewater absoluut
schaars.
Zou overigens bij een belasting-
heffing als de onderhavige niet ook
het internaliseren van milieukosten
een van de uitgangspunten moeten
zijn? Bij de afvalstoffenbelasting lijkt
dit min of meer het geval te zijn
maar bij water nauwelijks en in ieder
geval op onevenwichtige wijze. Onze
indruk is dat, in tegenstelling met de
afvalstoffenbelasting en de energie-
belastingen, de grondwaterbelasting
niet goed of nog niet goed doordacht
is en niet voldoende milieukundig
wordt gerechtvaardigd.
Het valt ons evenwel moeilijk om
onbekommerd een spaak te steken in
het wiel van de ecologische
belastingheffing, die het toch al zo
moeilijk heeft. We beseffen dat dit
wetsvoorstel ook vele positieve
kanten heeft. Maar wij zijn ook van
oordeel dat met deze behandeling
niet het laatste woord over het
bestaansrecht van een grondwater-
belasting mag zijn gezegd. Dit boek
mag niet worden gesloten. Ik
overweeg om, afhankelijk van de
reactie van de regering, in tweede
termijn een motie in te dienen die
gezamenlijk met de collega’s Ginjaar
en Schuyer is opgesteld. De regering
wordt daarin verzocht, de milieu-
kundige rechtvaardiging van een
grondwaterbelasting ook in
vergelijking met het gebruik van
oppervlaktewater in de aangekon-
digde evaluatie van deze milieubelas-
ting te onderzoeken. Tevens wordt
verzocht, die rechtvaardiging
aanstonds en ten principale onder de
loep te nemen in de aan de Tweede
Kamer toegezegde notitie over de
mogelijkheden van belastingen op
milieugrondslag. Wellicht kunnen de
bewindslieden vanmiddag aangeven
wat zij van dit dubbele verzoek
vinden.
Ten slotte vraag ik de regering wat
zij doet met Baarle-Hertog.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-342">

 
<spreker pagina="11-342" anker="177" partij="D66" naam="Schuyer">
 Mijnheer de
voorzitter! Dit wetsvoorstel heeft ook
in deze Kamer al een lange historie
achter zich. In een eerder over dit
onderwerp gehouden debat heeft
mijn fractie zich zeer uitvoerig met
deze materie beziggehouden,
hetgeen overwegend in kritische zin
gebeurde. Vandaag zijn wij er blij om
dat wij aanmerkelijk positiever
kunnen zijn, en ook aanmerkelijk
korter. De behandeling aan de
overzijde is uitputtend geweest en
het valt niet mee, het verslag van die
behandeling lezend, om daaraan nu
nog veel substantieels toe te voegen.
Wij beperken ons dan ook tot een
aantal kort geformuleerde opmerkin-
gen. Het is daarbij van belang, de
uitgangspunten te onderstrepen die
mijn fractie hanteert bij dit type
belastingvoorstellen.
In de eerste plaats accepteert mijn
fractie een beleid dat belasting in de
sfeer van het milieu stimuleert en
belasting op arbeid ontziet. In de
tweede plaats zullen wij elk voorstel
in die richting beoordelen op
eventueel voor het milieu contra-
produktieve aspecten. Het was met
name vanwege het laatste dat wij de
aanvankelijke voorstellen uiterst
kritisch benaderden. De zeven
verbeteringen die nu zijn aange-
bracht, hebben vrijwel alle tot gevolg
dat voor het milieu nadelige
gevolgen teniet worden gedaan. De
vrijstelling voor het ontinktingsresidu
en spoelwater vallen in de categorie
belangrijke verbeteringen. Een derde
aspect waarop mijn fractie deze
wetten beoordeelt, is de mogelijk-
heid om de wet bij te stellen indien
onverwachte effecten optreden. Het
gaat hierbij ten slotte om een voor
ons allen tamelijk nieuwe materie
zodat de vinger aan de pols
gehouden moet kunnen worden. Wij
zijn dan ook tevreden met de brede
evaluatie die op 1 juli 1997 zal
worden verricht en die een wettelijke
basis heeft gekregen. Er is in dat
opzicht twijfel uitgesproken of
belasting op de winning van
grondwater aan de bovengestelde
criteria voldoet. Die materie blijft
ingewikkeld. Wij zijn bereid
desalniettemin toch de voorstellen
op dit punt te steunen en de
uitwerking ervan te bezien. Wij
steunen echter tevens – de heer
Zijlstra heeft er al op gewezen – de
wens van de PvdA-fractie, die
mogelijk in tweede termijn in een
motie van de heer Zijlstra zal worden
verwoord, tot een stevige evaluatie
op dit punt in 1997. Ook al zien wij
de milieubelasting als een algemene
heffing en niet als een doelbelasting,
dan nog zou het verstandig zijn om
bij het begin van de invoering van
dit type belasting de relatie van deze
belasting enerzijds met het milieu en
anderzijds met de verlichting van de
belasting op arbeid duidelijker te
leggen. Ziet de regering daartoe
kans? Het verlangt immers nogal wat
ten opzichte van de coo¨rdinatie van
wetgeving. Nu echter wordt het wel
gemakkelijk gemaakt om de
belasting af te doen als een ordinaire
verzwaring, terwijl dit in samenhang
met de andere voorstellen op
belastinggebied toch wezenlijk
anders uitpakt. Dat is ook een
aanmerkelijk verschil met de
bespreking van een jaar geleden.
Een aspect dat ook bij de
algemene opmerkingen thuishoort, is
de voortdurende opmerking dat dit
type belastingen snel kan leiden tot
verzwaring voor de een en niet voor
de ander. Benadeling vanwege een
overheidsmaatregel dus in relatie tot
de concurrentie. Het is natuurlijk een
punt waar de volksvertegenwoordi-
ging speciaal op moet letten. In de
voorliggende voorstellen kunnen wij
in tegenstelling tot wat velen ons
schrijven dit toch niet in die zin
waarnemen dat het voor ons
onoverkomelijk wordt. Veelzeggend
op dit punt is de constatering in de
memorie van antwoord dat bij
acceptatie van de heffing op
grondwater nog altijd een groter deel
van de Nederlandse bevolking meer
kwijt is voor drinkwater dan degenen
die nu aan deze heffing onderworpen
gaan worden. Ook na invoering van
de belasting is men gemiddeld zestig
cent per kuub goedkoper uit. Terzijde: de opmerking van de heer
Zijlstra over de standplaatseconomie
deel ik toch niet helemaal. Hij
overtuigt mij althans niet op
voorhand. Als hij dit in het extreme
doorvoert, moet je straks ook een
discussie voeren over het woon-
werkverkeer, bijvoorbeeld bij de
spitsheffing, ten aanzien van de
wegen. Er zijn wel meer voorbeelden
te geven.
Tot slot van de algemene
opmerkingen de kwestie van de
verbreding van deze belasting. Met
de fractie van GroenLinks, die
daarover een vraag heeft gesteld,
zijn wij van oordeel dat er alle reden
is om goed te kijken naar een
belasting op het gebruik van
pesticiden, kunstmest en fosfaten.
Kan de regering nog eens ingaan op
het aspect van de verbreding in het
algemeen en die van de genoemde
drie in het bijzonder? Is er in deze
kabinetsperiode nog een ontwikke-
ling op dit terrein te verwachten,
zodat dit niet alleen een eerste stap
is, maar er ook een tweede zal
volgen, bijvoorbeeld in de tweede
helft van 1997 als de evaluatie van
de wet op tafel ligt?
Ik kom nu bij een aantal meer
specifieke opmerkingen en daarvan
zijn er twee zeer lovend. Bij de
vorige behandeling in deze Kamer
heeft mijn fractie nogal uitvoerig
stilgestaan bij de retourbemaling en
een poging ondernomen om de
onredelijkheid van het voorstel aan
te tonen. De beantwoording toen
stemde niet optimistisch. Nu blijkt
dat er toch een oplossing is
gevonden en wij zijn de regering
daarvoor erkentelijk. Wij hadden
voor dit plenaire debat ook de vraag
naar de problemen van enkele
bedrijven die inzake de uranium-
heffing wel onevenredig zwaar
zouden zijn getroffen, terwijl in elk
geval een bedrijf, Pechiney,
specifieke ondersteuning van de
overheid krijgt ten behoeve van
behoud van werkgelegenheid. Uit de
beantwoording van een vraag van de
VVD-fractie blijkt nu dat er mogelijk
een oplossing is gevonden in
afwachting van nader overleg door
de minister van Economische Zaken.
Ook hier past een woord van
waardering. Ik sluit echter wel aan bij
de vraag van de heer Van Dijk om
hieraan in het debat vandaag een
wat specifiekere invulling te geven.
Nu een paar kanttekeningen van
wat andere aard. In de memorie van antwoord staat op blz. 13: ’’De
omstandigheid dat Belgische
afnemers van drinkwater, bereid uit
Nederlands grondwater, ook worden
geconfronteerd met de gevolgen van
de belasting geeft ons voorshands
geen aanleiding nadere maatregelen
te overwegen.’’ Als dit een antwoord
op de brief van de gemeente
Baarle-Hertog is, dan vind ik dat
onvoldoende. In die brief van 1
december staat met zoveel woorden
dat tweemaal milieubelasting op
drinkwater wordt geheven en dat het
grondbeginsel ’’non bis in idem’’ niet
mag worden geschonden. Ik zou hier
graag wat nadere informatie over
ontvangen.
Een ander aspect waar bij mijn
fractie twijfel over bestaat, is de
kwestie van de gesloten milieucon-
venanten in relatie tot de belasting-
voorstellen. Als voorbeeld geldt daar
het convenant met de zuivel-
organisaties. Het antwoord van de
regering op een vraag van een van
de collega’s aan de overzijde over
hetzelfde onderwerp was nogal bot
en het antwoord in de memorie van
antwoord was onbevredigend. In de
brief van de Nederlandse Zuivel-
organisatie van 9 december wordt
overtuigend aangetoond dat de
regering en brancheorganisatie in
gesprek waren. Zij schrijven onzes inziens terecht: ’’Er mocht in
redelijkheid van worden uitgegaan
dat bij de inventarisering van
mogelijke knelpunten ook aandacht
gegeven zou worden aan de
afspraken en doelstellingen van de
milieuconvenanten.’’ Ook de vrees
voor precedentwerking wordt in de
brief van 9 december weerlegd. Het
zou de regering sieren, nu er veel
energie is gestoken in de verbetering
van de oorspronkelijke wet, als zij
ook dit aspect nog eens zou willen
bezien. Bij mijn fractie bestaat anders
de vrees dat hier de wet wel
contraproduktief voor het milieu
wordt. Zoals bekend is dat voor ons
een van de criteria waaraan wij de
voorstellen toetsen.
Ik kom ten slotte bij de kwestie
van het zuiveringsslib. De Unie van
Waterschappen heeft per brief van 7
december gevraagd of de toezegging
van de minister van VROM in de
Tweede Kamer, die geleid heeft tot
intrekking van het amendement-Van
der Vlies, ook zal worden uitgevoerd
door de minister van Financie¨n, of
ontheffing zal worden verleend voor
zuiveringsslib en residuen ervan en
of deze ontheffing op hetzelfde
moment wordt verleend als het
tijdstip waarop de wet in werking
treedt. Samenvattend: de regering komt
lof toe voor de wijze waarop zij met
het oorspronkelijke wetsvoorstel is
omgegaan en tegemoet is gekomen
aan de kritiek die ook in deze Kamer
uitvoerig is verwoord. Mijn fractie zal
de voorstellen steunen. Wij zouden
dat met nog meer overtuiging
kunnen doen als op een enkel punt
wat meer ruimte wordt gegeven. Wij
wachten de beantwoording met
belangstelling af.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-343">

 
<spreker pagina="11-343" anker="178" partij="SGP" naam="Barendregt">
 Mijnheer
de voorzitter! Ik heb het genoegen
ook als woordvoerder op te treden
voor de RPF- en GPV-fractie.
Besluiten doen zij zelf. Daar heb ik
verder niet mee te maken, maar ik
mag in elk geval nu namens hen het
woord voeren.
De voorliggende wetsvoorstellen
hebben al vele tongen en pennen in
beweging gebracht, zowel binnen als
buiten het parlement. Daarvoor
bestaat dan ook om meer redenen
de nodige aanleiding. De eerste
reden is dat deze wetsvoorstellen
een eerste stap betekenen op een
belastinggebied waarin zich een
aantal fiscale bronnen bevinden die
kunnen worden aangeboord. Wij
betreden daarbij een gebied waarop,
voor zover mij bekend, door nog
geen enkel land op de wereld een
stap is gezet. Lopen wij niet wat te
ver voor de troep uit, waardoor wij
de functie van een soort stoottroe-
pen vervullen? En houdt altijd in
gedachten dat proefkonijnen niet oud
worden! 

</spreker>
<spreker pagina="11-343" anker="179" partij="PvdA" naam="Zijlstra">
 De heer
Barendregt zegt dat door nog geen
enkel land een stap op deze weg is
gezet. Bij mijn weten bestaat er in
Denemarken een waterbelasting,
evenals in Vlaanderen – dat is het
probleem van Baarle-Hertog – en
enige Duitse La¨nder. Ik vrees dus dat
wij niet de eerste zijn. Maar
misschien moeten wij daar wel blij
om zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="11-343" anker="180" partij="SGP" naam="Barendregt">
 Ik heb ook duidelijk gezegd: voor zover mij
bekend. Als die bekendheid niet
goed is, is het goed om mij van gene
zijde tot de orde te roepen en te
zeggen dat er voorbeelden te geven
zijn dat dit inmiddels is ingevoerd.
Toch blijf ik met de vraag zitten
waarom er bij het invoeren kennelijk
niet meer overleg gepleegd is met
landen waar dit inmiddels ingevoerd
is. Ik heb in de stukken namelijk niet
gelezen dat dit overleg gevoerd is.
In eigen land zijn de reacties ook
niet bijster lovend. Van Raad van
State tot vele gemeenteraden toe
blijken er veel bezwaren te leven
tegen deze wetsvoorstellen. Zoveel
harde kritiek en diepgaande
bezwaren tegen wetsvoorstellen
komt niet elke week voor. Niet het
minst richten de bezwaren zich tegen
de grondslag waarop deze belasting-
heffing wordt gepresenteerd. Velen
beschouwen de milieugrondslag als
een etiket dat er uit financie¨le
overwegingen aan de buitenkant
opgeplakt is. Overigens plak je een
etiket er altijd aan de buitenkant op!
Dit gevoelen werd nog versterkt toen
het vorige kabinet besloot, de
aanvankelijke structurele opbrengst
van 450 mln. met 1/3, dus 150 mln.,
te verhogen tot 600 mln., vanwege
het achterblijven van voorgenomen
ombuigingen op andere terreinen.
Dat is een weinig verheffend
argument voor verhoging van een
milieubelasting.
Eind februari meldde de voorma-
lige minister van Financie¨n aan de
voorzitter van deze Kamer dat de
lastendruk zonder nadere maatrege-
len hoger dreigde uit te komen dan
was bedoeld. De beoogde inwerking-
treding van deze wetsvoorstellen
werd, onverminderd de structurele
wenselijkheid, uitgesteld tot 1 januari
1995. Bij de motivering tot uitstel van
de ingangsdatum werd echter geen
met enkel woord gerept over de
milieubelangen, maar werd enkel en
alleen op basis van sociaal-
economische overwegingen
geredeneerd.
Wij hebben tijdens de schriftelijke
voorbereiding, die inmiddels een jaar
geduurd heeft, blijk gegeven van
onze scepsis tegenover de nadere
selectie van de belastingobjecten,
waarbij een splitsing is aangebracht
tussen grond- en oppervlaktewater
en tussen gestort en verbrand afval.
Die splitsing zou nog enigszins te
rechtvaardigen zijn als de doelstel-
ling van beide onderdelen verschil-
lend was geweest. De doelstelling
voor grondwater is om tot een
efficie¨nter en zuiniger gebruik van
dat water te komen. Maar geldt niet
dezelfde doelstelling voor het
oppervlaktewater? Iedere burger in
Nederland wordt middels allerlei
informatie gemaand, voorzichtig en
zuinig te zijn met drinkwater. Er is
vanwege die overweging alles voor
te zeggen om al het drinkwater te
belasten met een zelfde tarief. Of
heeft het kabinet de illusie dat als
gevolg van deze belasting een aantal
grondwaterleidingbedrijven zullen
overschakelen op het gebruik van
oppervlaktewater als grondstof?
Dezelfde overwegingen hanteren
wij voor de splitsing tussen gestort
en verbrand afval. Het storten van
afval gaat, ondanks deze belasting,
gewoon door totdat de stortplaatsen
vol zijn. Vanwege de introductie van
de GFT-compostering zal dat jaren
langer duren dan aanvankelijk werd
gedacht. Het milieu-effect van het
alleen belasten van gestort afval is
dan ook uitermate miniem. Dit zal
tevens gelden voor de beoogde
minimalisering van het storten. Een
duidelijke doelstelling is wel om de
tarieven voor storten en verbranden
door middel van extra belasting op
het storten even duur te maken als
verbranden. Hoe dat bereikt moet
worden, is nog niet duidelijk, maar
niet alleen via deze belasting, menen
wij uit de memorie van antwoord te
moeten opmaken. Het antwoord op
de vraag of deze gelijktrekking
binnen deze kabinetsperiode zal
worden gerealiseerd, blijft in de
stukken achterwege. Kan daarover
mondeling nog de nodige duidelijk-
heid verschaft worden?
Naast de doelstelling om alleen de
hoeveelheid gestort afval te
verminderen door de invoering van
deze belasting, geldt het bevorderen
van het hergebruik. Wij onderschrij-
ven de wenselijkheid daarvan. Maar
geldt dat alleen voor het gestorte
afval en niet voor het verbrande
afval? Of is het kabinet van oordeel
dat vanwege het hogere tarief voor
verbranding daar al zoveel meer
herverbruik plaatsvindt dat extra
belastingdruk daarom niet meer
nodig is? Voor ons definitieve
standpunt hebben wij de duidelijk-
heid nodig die wij graag in de
beantwoording ontvangen.
Na deze bezwaren tegen de
splitsing van de objecten blijft er nog
een zwaarwegende bedenking over.
Dat betreft de ongelijke behandeling
in de belastingheffing van dezelfde
huishoudelijke ingredie¨nten die tot
het normale functioneren van het
burgerleven behoren. Daar komt nog
bij dat de opbrengst van deze
belasting wordt aangewend om de
nationale huishouding van middelen
te voorzien. De heer Crone, van de
Partij van de Arbeid, heeft dat in het
wetgevingsoverleg in de Tweede Kamer heel duidelijk geformuleerd:
’’Het gaat hier niet om retributies,
maar om het echt vullen van de
overheidskas. Milieu dus echt als
melkkoe. Wij hebben geld nodig voor
scholen, voor de brandweer en voor
andere zaken.’’ Ook minister De Boer
heeft zich tijdens het wetgevings-
overleg in deze geest uitgelaten. Dat
heeft zoveel indruk gemaakt dat ik al
de derde ben die haar opmerkingen citeert: ’’Het belangrijkste doel van
deze belastingheffing is ook niet dat
zij regulerend is. Dat hebben wij met
elkaar vastgesteld. Het is een pure
gewone belasting, die wel een aantal
milieu-aspecten heeft.’’ Dat betekent
dat de opbrengst van deze belasting
een nationaal doel heeft, maar aan
slechts ruim de helft van de
inwoners wordt opgelegd, die
voornamelijk in het oosten van het
land wonen. De heer Zijlstra vestigde
al nadrukkelijk de aandacht op het
laatste. Als er al extra belastingen
nodig zijn om de staatshuishouding
te financieren, dan dienen daaraan
naar onze mening alle belastingplich-
tigen in Nederland die bij dezelfde
belastingobjecten zijn betrokken, bij
te dragen. De aangebrachte splitsing
van objecten zou te accepteren zijn
als er sprake was van milieuheffin-
gen waarbij het een we`l en het ander
nie`t heffingplichtig werd verklaard.
Daarenboven ontstaat als gevolg
van deze belasting op een aantal
plaatsen de situatie dat drinkwater,
bereid uit grondwater, hoger in prijs
uitkomt dan drinkwater, bereid uit
oppervlaktewater. Uit het antwoord
op onze vraag of deze situatie
acceptabel wordt geacht, blijkt dat
het kabinet, gelet op de argumenten
voor deze belastingheffing, daar
geen problemen mee heeft. Met die
argumenten wordt waarschijnlijk
gedoeld op de opbrengsten die
worden beoogd. Wij vinden dat
daarbij ook redelijkheids-
overwegingen in acht dienen te
worden genomen. Die brengen ons
tot de overtuiging dat de splitsing in
grond- en oppervlaktewater voor een
aantal belastingplichtigen dermate
ongunstig uitwerkt dat het gemid-
delde tarief voor oppervlaktewater
zelfs wordt overschreden. Al met al
zijn het bezwaren die door ons toch
als zwaarwegend worden
beschouwd.
Het vorige kabinet heeft deze
Kamer toegezegd, met een
verfijningsnotitie te komen waarin
een aantal knelpunten die ons vanuit
het veld werden gemeld, nader
zouden worden bezien. Ook zou
worden bekeken of bepaalde
categoriee¨n wel terecht onder de
werking van de belasting op
milieugrondslag waren gebracht. Uit
de lijst van bezwaren heeft het
kabinet er drie geselecteerd, waarvan
er een permanent wordt verfijnd.
Twee worden er tijdelijk verfijnd.
Wanneer de deur wordt open gezet
voor uitzonderingen op basis van
speciale omstandigheden, ontstaat
de mogelijkheid van willekeur en
selectieve toepassing. Een aantal
reacties die na het verschijnen van
het verfijningsvoorstel door ons zijn
ontvangen, duiden in die richting.
Het heeft onze aandacht getrokken
dat verschillende bezwaren
afkomstig zijn van bedrijven en
instellingen die via convenanten of
anderszins afspraken hebben
gemaakt met de overheid of
overheden om ingrijpende investe-
ringen te doen die aan de milieu-
wensen van de overheid voldoen.
Als voorbeelden mogen dienen de
Nederlandse zuivelorganisatie, het
Landbouwschap en de VEWIN. De
brief van de gewestelijke raad van
het Landbouwschap Gelderland
toont een voorbeeld van toegezegde
investeringen waarbij tevens de extra
belasting op gebruikt grondwater
wordt vermeld. De cijfers tonen aan
dat de voorgestelde belasting voor
een aantal bedrijven leidt tot een
extra verzwaring, vanwege zowel de
afgesproken investeringen als de
aanslag van deze belastingheffing.
Onze vraag is of wij als overheid op
deze manier te werk mogen gaan.
Van meet af aan heeft het ons
verbaasd dat uranium als niet-
fossiele brandstof door amendering
onder de werking van deze wetge-
ving werd gebracht. Wellicht is ook
daarom besloten om het maar in een
afzonderlijk hoofdstuk in deze wet
onder te brengen. De toepassing van
dit wetsdeel heeft in deze sector tot
uitvoeringsproblemen geleid,
waardoor het kabinet zich genood-
zaakt ziet aan de uraniumbelasting
enig uitstel van inwerkingtreding te
verlenen. De vraag die daarbij rijst, is
of de uraniumbelasting nog wel
geheven moet worden, aangezien
het kabinet toch besloten heeft de
kerncentrale in Borssele op termijn te
sluiten.
Uitstel van toepassing zal leiden
tot derving van opbrengst. Hoe denkt
het kabinet daarin te voorzien? Is het
de bedoeling met terugwerkende
kracht aan te slaan? In ieder geval
hebben wij bezwaren tegen het
verhogen van het tarief van andere
objecten vanwege deze gederfde
opbrengst. Dat geldt trouwens ook
voor de gederfde opbrengsten
vanwege de vrijstellingen die nu
achteraf worden aangebracht, en het
geldt zeker, als de gederfde
opbrengst van de ene categorie
wordt opgelegd aan de andere
categorie. Het komt ons juist voor
dat, als een bepaalde activiteit ten
onrechte onder de voorgenomen
belasting is gebracht en als daar ook
een vrijstelling aan wordt verleend,
de gederfde opbrengst dan niet dient
te worden omgeslagen over de
overige belastingplichtigen. Er blijkt
immers sprake te zijn van een
ondoordachte wetgeving en
daarvoor is de wetgever aansprake-
lijk, niet de andere belastingplichti-
gen.
Voorzitter! Het moge inmiddels
duidelijk zijn geworden dat wij verre
van ingenomen zijn met de inhoud
en de uitwerking van de voorgelegde
wetsvoorstellen. Indien onze
bezwaren door de beantwoording
van de zijde van de regering niet
kunnen worden weggenomen, zullen
wij genoodzaakt zijn om tegen deze
wetsvoorstellen te stemmen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-345">

 
<spreker pagina="11-345" anker="181" partij="VVD" naam="Ginjaar">
 Voorzitter!
Met de voorliggende wetsvoorstellen
wordt nader invulling gegeven aan
de belasting op milieugrondslag,
zoals die sinds 1 januari 1993 al
bestaat als opvolger van de
WABM-heffing, de brandstofheffing.
Zoals bekend had de VVD-fractie
overwegende bezwaren tegen de
overschakeling naar een belasting op
milieugrondslag. Wij constateren
echter dat deze belasting een
vaststaand gegeven is en dienen dus
vandaag een oordeel te geven over
de wijze waarop verder aan de
invulling gestalte wordt gegeven.
Wij hebben er geen behoefte aan,
voorzitter, om de discussie van
destijds te herhalen, maar wij willen
toch enkele aspecten memoreren.
Vooropstaat hierbij dat de VVD-
fractie indertijd verheugd was, en in
feite nog steeds is, dat de milieuhef-
fing als bron voor de financiering
van het milieubeleid is afgeschaft. De
ontwikkelingen in opzet en gebruik
van deze heffingen sinds het begin
van de jaren zeventig maakten zulks
onontkoombaar. Aanvankelijk
toegejuicht als een onafhankelijke
financieringsbron op basis van het
principe dat de vervuiler betaalt,
bleek in de loop der jaren hoe
gecompliceerd de uitwerking was, en
hoe doelmatigheid en rechtvaardig-
heid met elkaar in botsing kwamen.
Toen het principe bovendien werd
opgerekt tot de vervuiling die moest
betalen, en ook financiering van
ander dan milieubeleid werd
voorzien, maakte de Raad van State
daar terecht bezwaar tegen. De
WABM-heffing kreeg immers steeds
meer het karakter van belastingen.
Het wegvallen van de WABM-
heffing maakte dat een ander
instrument moest worden gevonden
om de benodigde middelen te
genereren. Een van de mogelijkhe-
den zou zijn geweest om bijvoor-
beeld de loon- en inkomstenbelas-
ting te verhogen. Wij hebben
daarnaar gevraagd en bewindslieden
maken dan duidelijk dat dit strijdig
zou zijn met andere doeleinden van
regeringsbeleid. Ook zou het
mogelijk zijn geweest het
financieringstekort op te rekken; zelfs
zou het mogelijk zijn geweest om
andere departementen te laten
meedelen in de op te brengen
middelen. Accijnzen zijn niet
mogelijk; die zijn alleen toegestaan
voor minerale olie¨n, tabak en drank.
Verhoging van het BTW-tarief voor
bijvoorbeeld drinkwater of water in
algemene zin laat de EU evenmin
toe. Dus werd de belasting op
milieugrondslag gecree¨erd, waarin
de eerdere brandstofheffing als
belasting werd opgenomen.
Als het daarbij zou zijn gebleven,
voorzitter, zouden wij geen proble-
men hebben. Wij zouden er wellicht
ook geen problemen mee hebben,
als tot een verdere verhoging van de
brandstofheffing werd overgegaan.
Echter, zowel vanuit de maatschap-
pij, alsook vanuit de Tweede Kamer
werd een verdere verhoging van die
brandstofheffing als niet opportuun
beschouwd. Dat bracht de noodzaak
met zich van een verbreding van de
grondslag. De vraag die zich daarbij
aanstonds aandient, is die naar de
betekenis van het begrip ’’grond-
slag’’. Het antwoord op deze vraag
kan niet anders zijn dan dat hiervoor
geen algemeen toepasbare definitie
kan worden gegeven, zo er al een
kan worden gegeven, en dat
operationalisering bij elke nieuwe
deelbelasting opnieuw moet
plaatsvinden.
De doelstelling van de belasting is
het genereren van algemene
middelen en het geven, vanuit
milieu-oogpunt, van een signaal ter
versterking van het milieubeleid. Zo
stellen de opeenvolgende kabinetten
bij de invoering van deze belasting
op milieugrondslag. De vraag is dan
onmiddellijk welke de betekenis is
van dat signaal ter versterking van
het milieubeleid. In de memorie van
antwoord bij de wetsvoorstellen
22849 en 22851 stellen de toenma-
lige bewindslieden, dat zulks ’’nog
niet (wil) zeggen dat de desbetref-
fende belasting rechtstreeks een
substantie¨le en zichtbare bijdrage
moet leveren aan de te realiseren
doelstellingen’’.
Wel wordt gesteld dat ’’externe
milieukosten meer dan thans in de
prijs van produkten en diensten tot
uiting dienen te komen’’, of, zoals de
huidige bewindslieden stellen, ’’dat
milieubezwarende activiteiten een
prijs hebben’’. In de eerder
genoemde memorie van antwoord
wordt gesteld dat deze belasting een
signaal moet geven aan bedrijven en
huishoudens, die daardoor nadrukke-
lijk de milieu-effecten van hun
handelen onder ogen krijgen.
De VVD-fractie vindt, voorzitter,
dat dit heel fraai geformuleerde
doelstellingen zijn; zij vraagt zich
echter wel af, wat de realiteit is, als
het gaat om de doorwerking van de
opgelegde belastingen naar het
gedrag van de burger. Wij willen
echt een aantal kanttekeningen
daarbij maken.
De VVD-fractie is van mening dat
er tegenstrijdigheid bestaat tussen
het oogmerk van het internaliseren
van kosten en het afgeven van een
signaal enerzijds en het eerder
gestelde, dat er geen zichtbare
bijdrage aan het milieubeleid wordt
verwacht, anderzijds. De bewindslie-
den zullen ongetwijfeld zeggen dat
dit geen tegenstrijdigheid is, omdat
het doel, c.q. het primaire doel, het
genereren van algemene middelen
is. Dit zij zo, maar het oogmerk van
’’internaliseren’’ en ’’het geven van
een signaal’’, met als argument de
beleidsdoelstelling van duurzame
ontwikkeling, zoals de bewindslieden
stellen, heeft alleen zin, als er
inderdaad een duidelijk herkenbare
extra impuls aan het milieubeleid
mee wordt gegeven. De VVD-fractie
is van mening dat die extra impuls
niet wordt gegeven – niemand heeft
ons althans duidelijk kunnen maken
dat hij wel wordt gegeven.
Daarnaast is het zo dat, als het
gaat om het internaliseren van de
kosten van milieuschade, er geen
enkele directe relatie is tussen die
schade en de hoogte van de
belasting op de verschillende
milieufactoren. Het enige oogmerk is
het genereren van algemene
middelen in een vooraf bepaalde
omvang. Dit betekent dat wij af
moeten wachten, ten aanzien van het
totale budgettaire kader, hoe groot
die omvang zal zijn. Vorige sprekers
verwezen al naar de uitspraak van minister De Boer: het is een pure
belastingenwet. De heer Barendregt
verwees naar het vorige kabinet, dat
plotsklaps de opbrengst met 150
mln. verhoogde, omdat er tegenval-
lers elders waren.
Wat betreft de signaalfunctie kan
opgemerkt worden dat, zeker voor
wat betreft de consumenten, de
inherente prijsstijging van produkten
niet als zodanig ervaren zal worden;
deze zal dus ook niet bijdragen aan
het bereiken van die duurzame
ontwikkeling. De consument zal de
prijsverhoging slechts als een
lastenverzwaring aanmerken.
Bovendien zullen, als burgers zich
milieubewust gaan gedragen –
hetgeen dan leidt tot een mindere
omvang van de milieubelasting – de
tarieven moeten worden verhoogd,
omdat immers het doel is het
genereren van primaire middelen in
het totale budgettaire kader. Dat is
dus een straf op milieuvriendelijk
functioneren. Wij zijn van mening dat
duidelijk gesteld moet worden, dat
dit een wet is voor het genereren
van algemene middelen, niets meer
en niets minder!
De verbreding van de milieubelas-
ting naar grondwater en afvalstoffen
is bedoeld om tot een betere
spreiding van de lasten over de
verschillende doelgroepen te komen.
Dat doel wordt slechts ten dele
bereikt. Zo neemt het aandeel van de
industrie in de totale belasting op
milieugrondslag weliswaar eniger-
mate af, doch binnen de industrie
treden duidelijke verschuivingen op,
waarbinnen ook nog een cumulatie
van lasten kan optreden. Bovendien
treft het veelal die bedrijven die toch
al geconfronteerd zijn met hoge
investeringen voortvloeiende uit het
milieubeleid en daarbij behorende
bedrijfsmilieuplannen. Kunnen de
bewindslieden nog eens nader op
die verhouding ingaan? Bestaat er
feitelijk wel inzicht in de bedrijfseco-
nomische consequenties? Bestaat er
wel inzicht in het totaal economisch
functioneren van de bedrijven ten
gevolge van deze belastingen? Zijn
de bewindslieden er niet beducht
voor dat de onderhavige belastingen
uiteindelijk contraproduktief blijken
te zijn wat hun acceptatie of die van
het milieubeleid in algemene zin
betreft?
Daarbij is tevens een aantal
andere zaken aan de orde. Zo stelde
de minister van VROM onlangs dat
in de toekomst de milieuvergunning
voor bedrijven een flexibele
vergunning op hoofdlijnen zal
kunnen zijn, die de afspraken tussen
overheid en bedrijf formaliseert.
Kijkend ook naar de rol die conve-
nanten spelen en naar randvoor-
waarden die vanuit de Wet milieube-
heer kunnen worden gesteld, dringt
zich dan bij de fractie van de VVD de
vraag op, welke daarbij de plaats van
een belasting op milieugrondslag
kan zijn. Hoe zien de bewindslieden
trouwens in algemene zin de
verhouding tussen deze belasting en
afspraken en doelstellingen in
milieuconvenanten, mede tegen de
achtergrond van de zojuist door mij
gemaakt opmerking over de
signaalfunctie en het ontbreken van
een substantie¨le bijdrage tot
milieubeleid? Als de bewindslieden
zeggen dat eventueel gekeken kan
worden naar de inhoud van het
convenant, betekent dit dan dat er
inderdaad sprake zal zijn van een
neerwaartse bijstelling van de
doelstelling bij strijdigheid tussen
convenant en belasting op milieu-
grondslag?
Voorzitter! Er is wel gesteld dat de
onderhavige belasting op milieu-
grondslag gezien moet worden als
een eerste stap op weg naar de
ecologisering van ons belasting-
stelsel. Dat wil zeggen, de verschui-
ving van lasten op arbeid naar
milieuvervuilende activiteiten, het
zogenaamd tweesnijdend zwaard,
leidend enerzijds tot mindere
aantasting van het milieu en
anderzijds tot toename van de
werkgelegenheid. Naar de mening
van de fractie van de VVD is dit
eerder een theoretische gedachte op
academisch niveau dan een praktisch
bruikbaar concept.
Er zijn vele redenen voor deze
twijfel. Vanuit milieu-overwegingen
is de belangrijkste ongetwijfeld het
feit dat de fiscus altijd geneigd zal
zijn een belastingheffing te doen
plaatsvinden over milieubelastende
activiteiten die zich naar aard en
omvang niet of nauwelijks door
prijsverhogingen laten beı¨nvloeden.
Anders zou er immers voortdurend
sprake zijn van een vermindering van
belastingopbrengst die anderszins
gecompenseerd moet worden.
Vergelijk bijvoorbeeld de accijnzen
op tabak en alcohol waarvan de
prijselasticiteit betrekkelijk gering is.
Men kan zelfs stellen dat de
ecologisering van het belastingstelsel
haaks staat op een succesvol
milieubeleid.
Voorzitter! In het verlengde van
het voorgaande ligt de vraag, wat er
met de belasting dient te gebeuren
bij een succesvol milieubeleid
waarvan het gevolg is dat er minder
of zelfs veel minder afvalstoffen
ontstaan, of dat er minder grondwa-
ter wordt gebruikt. De bewindslieden
erkenden dat en voegden daaraan
toe dat het ’’teruglopen van de
opbrengst van de afvalstoffen-
belasting echter niet op zichzelf moet
worden beoordeeld maar dient te
worden bezien in het totale
budgettaire kader’’. ’’En’’, zo stellen
zij, ’’ thans is het nog niet mogelijk
aan te geven of en hoe vanuit
budgettair perspectief zal worden
gereageerd’’. Er zijn immers
verschillende mogelijkheden. Voor de
grondwaterheffing wordt gesteld, dat
’’de opbrengst hiervan zal dienen te
worden bezien in het totale
budgettaire kader waarbinnen
jaarlijks opnieuw een afweging zal
worden gemaakt met betrekking tot
uitgaven en inkomsten van het Rijk.’’
Beide formuleringen, voorzitter, zijn
niet hetzelfde. Hoe het ook zij, deze
woorden klinken de fractie van de
VVD omineus in de oren. Zij zullen
alras voedsel kunnen geven aan de
reeds gehoorde uitlatingen dat het
milieu een fiscale melkkoe is
geworden. Een reactie van de
bewindslieden stellen wij zeer op
prijs.
De fractie van de VVD wil hierbij
tevens nog eens aan de orde stellen
de haars inziens principie¨le
tegenstelling tussen een belasting op
grondstoffen zoals grondwater en
een belasting op afvalstoffen. Kan
het zo zijn dat er vanuit de fiscaliteit
geen verschil is tussen beide – zoiets
wordt althans gesteld in de memorie
van antwoord naar aanleiding van
een desbetreffende vraag van onze
zijde – naar de mening van de fractie
van de VVD is deze er echter we`l
vanuit het bereiken van duurzaam-
heid als milieubeleidsdoelstelling.
Mutatis mutandis geldt dit ook voor
de categorie produkten. Kunnen de
bewindslieden nog eens ingaan op
de verschillen in uitgangspunten als
men kijkt naar bijvoorbeeld een
levenscyclus-analyse?
De bewindslieden hebben een
ecologiseringsnotitie toegezegd. Wij
zouden het zeer op prijs stellen als
de elementen verminderende
belastingopbrengsten, verschuiving
van lasten op arbeid naar milieu-
vervuilende activiteiten, alsmede het
onderscheid tussen grondstoffen,
produkten en afvalstoffen daarbij aan
de orde kunnen komen. Wij zijn
daarbij van mening dat een
ecologisering van het belastingstelsel
een principie¨le wijziging van het
stelsel is en niet zo maar even
geregeld kan worden met de
voorliggende wetgeving.
Mijnheer de voorzitter! Voor het
invoeren van de grondwaterbelasting
wordt zowel het schaarste- als het
kwaliteitsaspect als argument naar
voren gebracht. De fractie van de
VVD is in dezen allereerst van
mening dat de problematiek van het
grondwater alleen dan bevredigend
kan worden opgelost als er gebruik
wordt gemaakt van het daarop
toegesneden grondwater- en
waterkwaliteitsbeleid. Bovendien laat
zich daarbij de vraag stellen, of die
problematiek niet beter kan worden
beschouwd in het kader van het
totale watervoorzieningbeleid.
Wij wijzen in dit verband nog op
het feit dat er voor de besparingen
zeer strenge doelstellingen zijn
neergelegd in het beleidsplan drink-
en industriewater. De minister van
VROM heeft onlangs gesteld dat het
waterspoor als middel om te komen
tot waterbesparing uniek is. Kijkend
naar de argumentatie van de
bewindslieden vragen wij ons af,
waarom dan die belasting op
grondwater nodig is en gezien wordt
als een extra instrument voor het
oplossen van bepaalde problemen.
Waterleidingbedrijven spelen een
marginale rol als het gaat om
verdroging. De belasting geldt niet
voor oppervlaktewater terwijl de
verlaging van het peil juist een
enorm belangrijk element is. U zult
begrijpen, voorzitter, dat ik mij
verder graag aansluit bij de
opmerkingen die de heer Zijlstra
hierover heeft gemaakt.
De fractie van de VVD heeft
daarnaast met verbazing kennis
genomen van het feit dat de
grondwaterbelasting ook geldt voor
de zuivelindustrie; uitgerekend die
bedrijfstak waarbij in het convenant
een taakstelling is opgenomen voor
de besparing op de winning van
grondwater. De heer Schuyer heeft
hierover ook gesproken. Natuurlijk
kunnen de bewindslieden stellen, dat
tijdens het overleg met de betref-
fende bedrijfstak deze problematiek
niet aan de orde is gekomen. De
bewindslieden wisten echter we`l dat
er een wetsvoorstel in voorbereiding
was.
Vanuit het oogpunt van de
volksgezondheid kijkend naar het
primaire belang van zuiver drinkwa-
ter – ook als hoogwaardige en
essentie¨le produktiefactor in de
voedings- en genotmiddelenindustrie
– is het voor de fractie van de VVD
maar helemaal de vraag, of de
grondwaterbelasting moet worden
doorberekend voor grondwater
bestemd voor deze doeleinden. Dat
betekent immers een verhoging van
de kostprijs van grondwater dat voor
andere doeleinden wordt gebruikt.
De waterwinningsbedrijven staan
daarbij voor een moeilijke keuze. De
fractie van de VVD kan zich
voorstellen dat zij, gezien de hoge
tariefstijgingen als gevolg van de
grondwaterbelasting, pleiten voor
een aftrekregeling in het kader van
het VEWIN-milieu-actieplan, juist ook
vanwege hun positie als openbaar
nutsbedrijf en vanwege hun taak om
zuiver drinkwater tegen een redelijke
prijs te leveren. Het is ook hun
verantwoordelijkheid, juist als
openbaar nutsbedrijf, om mede te
kijken naar verhoging van woonlas-
ten. De VVD-fractie zou het op prijs
stellen als de bewindslieden nog
eens kunnen ingaan op de mogelijk-
heid of onmogelijkheid om al het
water van het lage in het hoge tarief
te plaatsen.
Verhoging van woonlasten; dit
brengt mij tot nog een zorgpunt van
de VVD-fractie, te weten de
cumulatie van milieuheffingen in het
afvalbeleid, zowel voor bedrijven als
voor burgers. Met name bij de
laatsten zijn vele geluiden hoorbaar
die duiden op een immer groeiend
en in hoogte toenemend aantal
milieubelastingen of milieuheffingen,
al of niet door andere overheden
opgelegd. De bewindslieden kunnen
staande houden dat zulks de eigen
bevoegdheid is van die overheden,
maar niet te ontkennen valt dat het
kabinet ook een eigen verantwoorde-
lijkheid heeft. Daarbij laat zich de
vraag stellen tot hoever met die
verhoging van lasten kan worden
doorgegaan. Vanmorgen kreeg ik
nog een brief van de vleesindustrie,
die erop wees dat er behalve de
brandstofheffing van 3 mln. tevens
sprake is van een gelijke heffing voor
grondwater en een verhoging van 1
mln. van de afvalstoffenheffing.
Wij hebben ons er altijd over
verbaasd dat uraan als element van
belasting in de wet is opgenomen.
Wij zijn dan ook verheugd dat er
over die belasting nog geen
definitieve conclusies zijn bereikt en
dat er kennelijk nog tijd is voor
overleg. Dat is ontzettend belangrijk,
gelet op de positie van Pechiney en
aangezien het regime betreffende
Pechiney niet vanuit Nederland
geregeld wordt, maar vanuit Parijs.
Pechiney levert een grote bijdrage
aan de werkgelegenheid in Zeeland.
Wat betekent het nu dat er nog
sprake is van mogelijkheden voor
overleg? Wij gaan ervan uit dat er
inderdaad mogelijkheden voor open
en ree¨el overleg zijn. Kunnen de
bewindslieden een indicatie geven
van de tijdsduur die zij voor dit
overleg voor ogen hebben? Kunnen
zij aangeven – anderen vroegen
daarnaar – hoe een en ander in de
tussentijd kan worden geregeld, nu
de wet op dit moment nog geen
uitzondering toestaat?
Ik kom bij de procedure in het
kader van de Europese Unie. Kunnen
de bewindslieden nog nadere
informatie geven over de stand van
zaken, juist met het oog op artikel 93,
lid 3, van het EEG-verdrag, dat zegt
dat voorgenomen maatregelen als de
onderhavige niet door lidstaten tot
uitvoering kunnen worden gebracht
voordat de aanmeldingsprocedure
tot een eindbeslissing heeft geleid?
Als die eindbeslissing negatief is,
hebben de bewindslieden dan enig
idee hoe zij tot terugbetaling zouden
overgaan als de wet inmiddels in
werking is getreden?
Bij de behandeling in de Tweede
Kamer is de problematiek van het
zuiveringsslib ter sprake gekomen.
Dit heeft mede geleid tot het
scheppen van tijdelijke ontheffing-
smogelijkheden. Kunnen de
bewindslieden mededelen wanneer
de mogelijkheid voor het zuiverings-
slib en residuen ervan gee¨ffectueerd
wordt? Die mogelijkheid is immers
ook de aanleiding geweest dat een
desbetreffend amendement in de
Tweede Kamer werd ingetrokken.
Voorzitter! Het zal duidelijk zijn dat
de VVD-fractie nog een groot aantal
vraagtekens plaatst bij de voorlig-
gende voorstellen en ook bij het
verschijnsel van een belasting op
milieugrondslag. Wij bekijken deze
voorstellen met zorg en behoed-
zaamheid. De fractie is daarbij van
mening dat niet tot verbreding van
de grondslag dan wel verhoging van
een ingevoerde belasting kan
worden overgegaan voordat meer
inzicht is verkregen in het functione-
ren van deze belasting. De VVD-
fractie acht dan ook, naast de
binnenkort uit te brengen ecologise-
ringsnotitie, de toegezegde evaluatie
van het grootste belang. Zij wil
daarbij de bewindslieden dringend
verzoeken met het rapporteren
daarover niet te wachten tot medio
1997. Dat is veel te laat. Wij willen
het kabinet dringend verzoeken om
ook tussentijds verslag uit te
brengen, bijvoorbeeld bij de
begrotingen voor 1996 en 1997. Wij
wachten de antwoorden van de
bewindslieden met belangstelling af. 

</spreker>
<spreker pagina="11-348" anker="182" partij="CDA" naam="Van Dijk">
 Voorzitter!
Ik kan mij nog zeer goed herinneren
dat de VVD-fractie dit voorjaar bij de
schriftelijke voorbereiding zo
faliekant en zo principieel tegen deze
wet was dat zij zelfs op een gegeven
ogenblik niet deelnam aan de
schriftelijke voorbereiding. Als ik de
heer Ginjaar goed heb beluisterd,
heeft hij nog een groot aantal vragen
waarop hij het antwoord verwacht. Ik
maak uit zijn woorden op dat, als die
antwoorden hem enigszins zouden
bevredigen, de VVD-fractie over-
weegt voor deze wet te stemmen.
Het heeft ook geen zin om te
verwijzen naar de evaluatie, als hij
daartoe niet bereid is. Wat is er bij
de VVD veranderd? Heeft de VVD
een nieuw licht gezien sinds het
voorjaar? Is het mogelijk dat de heer
Ginjaar de vragen die hij nu stelt ook
had kunnen stellen bij de schriftelijke
voorbereiding, die toen door anderen
zijn gesteld en ook dikwijls al
beantwoord zijn? Of is het een
verfijningswet, waarvan de heer Ginjaar zegt: deze heeft de zaak voor
ons zo veranderd? Ik ben erg
benieuwd naar de motivering van de
VVD-fractie om straks mogelijker-
wijze aan dit voorstel haar stem te
geven. 

</spreker>
<spreker pagina="11-348" anker="183" partij="VVD" naam="Ginjaar">
 Voorzitter!
Op de laatste vraag van de heer Van
Dijk kan in tweede termijn een
genoegzaam antwoord worden
gegeven.
Wat de discussie in dit plenaire
debat betreft, staan wij natuurlijk
voor de beoordeling van het totaal
van de drie wetsvoorstellen. In dat
kader heb ik het betoog gehouden
waarvan wij vonden dat het
noodzakelijk was.
Wij hebben wel deelgenomen aan
de schriftelijke voorbereiding van de
eerste twee wetsvoorstellen en
uiteraard ook van het derde. De heer
Van Dijk zal weten dat wij een
uitvoerige bijdrage hebben geleverd
aan het verslag, waarop de
toenmalige bewindslieden in de
memorie van antwoord ook uitvoerig
hebben gereageerd. Ik zeg er
onmiddellijk bij dat de VVD-fractie in
het nader voorlopig verslag geen
opmerkingen maakt, omdat door een
misverstand – daar hoef ik nu niet op
in te gaan – de daartoe opgestelde
bijdrage niet in de desbetreffende
commissievergadering is ingediend. 

</spreker>
<spreker pagina="11-348" anker="184" partij="CDA" naam="Van Dijk">
 Mag ik uit
de woorden van de heer Ginjaar
opmaken dat bij de VVD-fractie de
zeer fundamentele en structurele
kritiek tegen deze voorstellen, zoals
dit voorjaar bleek, op dit ogenblik
verdwenen is? 

</spreker>
<spreker pagina="11-348" anker="185" partij="VVD" naam="Ginjaar">
 Voorzitter!
Als ik daarop zou ingaan, zou ik
vooruitlopen op de tweede termijn.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-348">

 
<spreker pagina="11-348" anker="186" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Het
zijn mooie taferelen, die veranderin-
gen van posities.
Voorzitter! Aan de woordvoerders
die de diverse partijen het veld
insturen kun je al zien dat de
wetsvoorstellen met betrekking tot
belasting op milieugrondslag
ambivalente reacties teweegbrengen.
Aan deze behandeling participeren
zowel vertegenwoordigers –
’’specialisten’’ zou ik de Eerste-
Kamerleden niet direct durven
noemen – met de milieuportefeuille
als lieden, zoals ik, die financie¨n
doen. Dat is op zichzelf al merkwaar-
dig. Alhoewel, geen specialisten? Het
gedetailleerde en doorwrochte
betoog waarmee collega Van Dijk
ons verraste, verraadt toch een
tamelijk hoog specialistisch gehalte.
Ook de heer Ginjaar geeft blijk op dit
thema meer te zijn dan een
generalist.
Behalve met waardering voor de
argumentatie en kritische kantteke-
ningen, die voor een deel ook de
onze zijn – zeker met de VVD
verschillen wij overigens principieel
van mening over belasting op
milieugrondslag, maar dat zal wel
helder zijn – heb ik ook met enig
vermaak deze twee beschouwingen
van de heren aangehoord. Sjonge
jonge, wat moet je een knoppen
omzetten als je van regeringspartner
oppositiepartij wordt of andersom.
Zou de heer Van Dijk bijvoorbeeld dit
verhaal ook zo gehouden hebben in
een vorig politiek leven? Hij stelt de
heer Ginjaar daarover prachtige
vragen, maar ik kan mij herinneren
dat het CDA bij de behandeling
driekwart jaar geleden een heel
andere toon aansloeg dan wij
vandaag gehoord hebben. Of vergis
ik mij daarin? Dat hoor ik dan graag. 

</spreker>
<spreker pagina="11-349" anker="187" partij="CDA" naam="Van Dijk">
 Daar
vergist u zich inderdaad volledig in.
Het blijkt dat u onze inbreng in de
verslagen in het geheel niet gelezen
heeft. De inbreng van het CDA daarin
was een van de meest kritische. 

</spreker>
<spreker pagina="11-349" anker="188" partij="VVD" naam="Ginjaar">
 Voorzitter! Ik
heb altijd grote belangstelling voor
de geschiedschrijving, zeker als het
gaat om recente geschiedschrijving.
Daarin mogen geen onduidelijkheden
ontstaan. Ik heb gezegd dat mijn
fractie in 1992 groot bezwaar had
tegen het toenmalige voorstel tot
omzetting van de WABM-heffing in
de verbruiksbelasting op milieu-
grondslag. Als ik het mij goed
herinner, heeft de CDA-fractie daar
toen in de schriftelijke voorbereiding
zeer fel stelling tegen genomen. De
CDA-fractie, ook in dit huis, heeft
vervolgens wel de desbetreffende
wet aangenomen. Ik kan de heer Van
Dijk erop wijzen dat wij toen tegen
die wet hebben gestemd. In eerste
termijn heb ik gezegd dat dit
inmiddels een politiek gegeven is. 

</spreker>
<spreker pagina="11-349" anker="189" partij="CDA" naam="Van Dijk">
 Voorzitter!
Wij spreken op dit ogenblik over de
voorliggende wetsvoorstellen. Ik
hoor hier conclusies te trekken over
veranderingen in posities en
standpunten, die mooie taferelen
opleveren. Ik wil de heer De Boer
nogmaals vragen, de schriftelijke
inbreng van het CDA bij de
behandeling van deze wetsvoorstel-
len nog eens na te lezen. Dan zal hij
constateren dat wij vandaag
volstrekt, maar dan ook volstrekt
consistent zijn met de inbreng die wij
toen leverden. 

</spreker>
<spreker pagina="11-349" anker="190" partij="GroenLinks" naam="De Boer">

Voorzitter! Ik houd mijn vraag
staande, of het CDA die positie ook
had ingenomen als het tot de
regeringscoalitie had behoord en als
de regering daarop druk had gezet.
Maar die vraag kan inderdaad niet
meer worden beantwoord.
Een volgende vraag is of de heer
Ginjaar niet heel graag de conclusie
van de heer Van Dijk zou hebben
getrokken als dat binnen de coalitie
had gekund en van zijn fractie
uiteindelijk had gemogen. Het
liberale tandengeknars is namelijk in
en tussen de 21 punten van collega Ginjaar duidelijk hoorbaar: paars
doet pijn. De VVD zou graag
tegenstemmen, maar de coalitie-
afspraken zullen dat waarschijnlijk
niet toelaten.
Ook de PvdA en D66 worstelen
met de materie, maar komen als
regeringspartij, denk ik, tot een
positieve conclusie. Bij D66 is dat al
helemaal duidelijk. Die partij is nog
steeds zo blij met paars, dat de
euforie onevenredig sterk van
invloed is op de noodzakelijke
kritische instelling die de controle-
rende parlementarie¨r naar mijn
smaak per definitie behoort te
hebben, of hij of zij nu deel uitmaakt
van een regeringspartij of niet. Wij
mogen toch hopen dat de smaakma-
kers van paars nu redelijk snel het
gewenste evenwicht vinden in hun
parlementaire functie. Dat evenwicht
is er in mijn ogen in elk geval op dit
moment nog niet.
De regering hinkt ook op twee
gedachten. In de discussie aan de
overzijde en ook in de schriftelijke
behandeling hier wordt, afhankelijk
van de vraag, een wisselend
uitgangspunt betrokken. Benadert de
vraagsteller het wetsvoorstel vooral
vanuit het milieu-aspect, dan wordt
de staatssecretaris van Financie¨n niet
moe te roepen dat het voorstel
vooral moet worden gezien als een
gewone belasting, een budgettair
dekkingsvoorstel om voor 1995 en
volgende jaren aan algemene middelen te komen. Andersom: als je
de vraag stelt of een belasting op
grondwater uit een oogpunt van
primaire levensbehoefte en
volksgezondheid nu wel zo’n
verstandige keuze is, dan haast de
regering zich om de belangrijke
milieu-effecten van deze belasting in
stelling te brengen. Of die effecten
wel zo belangrijk zijn, is nog de
vraag. Daarover is al in vele
toonaarden gepraat en ik zal er zo
ook nog wat over zeggen.
Ik houd niet zo van deze verdeel-
en heersbenadering die de regering
bij de verdediging van het wetsvoor-
stel heeft gekozen. Het mag
ogenschijnlijk handig lijken om de
bezwaren uit elkaar te spelen, maar
het resultaat is straks een aangeno-
men wet waarmee niemand tevreden
is en die uiteindelijk zuchtend en
morrend door deze Kamer zal
worden aanvaard. Dat is niks
bijzonders, zo hoor ik de staatssecre- taris van Financie¨n brommen:
wanneer maak je mee dat het
parlement blijmoedig en overtuigd
van de goede zaak een belastingwet
aanneemt? Ik ben blij dat de
staatssecretaris die vraag stelt, want
daar zit het kernpunt van onze
bezwaren tegen het wetsvoorstel.
De wetenschappelijke bureaus van
sommige voorgangers van Groen-
Links zijn, denk ik, een van de
eersten geweest die in de jaren
tachtig studies op tafel legden over
de mogelijkheden en het belang van
belasting op milieugebruik en
eindige grondstoffen. In 1989
verscheen de ecotax in het eerste
verkiezingsprogramma van het toen
gevormde GroenLinks. Ik wil er nog
even fijntjes aan herinneren dat wij
toen op dit punt door onder andere
de PvdA en D66 ongeveer wegge-
hoond zijn. Nu, vijf jaar later, is de
belasting op milieugrondslag een
beetje, een heel klein beetje
regeringsbeleid, weliswaar nog niet
in de vorm en omvang die onze
fractie voor ogen heeft, maar het
begin is er.
Op zichzelf kan ik er wel mee
leven dat de eerste stappen op weg
naar ecotaxen aarzelend en zoekend
gezet worden. Het is onontgonnen
terrein met valkuilen en dwaalwegen.
Er moet goed worden gekeken naar
de concurrentiepositie en naar de
Europese verhoudingen. Daarbij
mogen wij naar mijn smaak best
vooroplopen. Als terreinverkenner
kan dat, maar als je de troep te ver
vooruitsnelt, raakt iedereen het spoor
bijster en schieten wij er, ook
Europees gezien, niet zo erg veel
mee op. Wat mij betreft, moet men
wel stappen zetten, maar ook het
gezond verstand blijven gebruiken.
Wat mij in de voorliggende
wetgeving zo bijzonder teleurstelt, is
dat de regering, afgezien van de
belasting op brandstoffen, als start
niet gekozen heeft voor de invoering
van milieubelastingen op activiteiten
waarvan iedereen vindt dat zij
vervuilend zijn en verminderd
moeten worden. De noodzakelijke
verschuiving van belasting op arbeid
naar belasting op kapitaal en
milieugebruik vraagt een cultuur-
omslag en het ontwikkelen van een
draagvlak. Uit dat oogpunt is het een
tamelijk stuitende stommiteit om
uitgerekend te beginnen met een
heffing op water. Lucht, water,
voedsel en een dak boven je hoofd
zijn de primaire levensbehoeften. Je
kunt het instrument ecotax inzetten
om lucht, water en voedsel zuiver en
onvergiftigd te houden. Daar mag de
consument, wat mij betreft, dan ook
iets van merken in de prijs. Maar het
ligt niet voor de hand om het
ecotax-instrument allereerst te
gebruiken voor een heffing op water
als het milieu-effect daarvan
nauwelijks aantoonbaar is.
De wetgeving belasting op
milieugrondslag verloopt niet
gemakkelijk. In de Tweede Kamer
bestond aanvankelijk veel kritiek op
de WABM-heffing op energie. De
heffing moest verbreed worden. Er
werden vier grondslagen voor die heffing genoemd: pesticiden,
nutrie¨nten, afvalstoffen en grondwa-
ter. In het wetsvoorstel is gekozen
voor grondwater en afvalstoffen die
gestort worden. De opbrengst is 600
mln. De huishoudens kost het
maximaal gemiddeld ƒ 60 per jaar
als zij beide heffingen krijgen opgelegd: ƒ 25 afvalstoffen en
ƒ 35 grondwater. De opbrengst van
deze belasting gaat naar de
algemene middelen.
Deze wetgeving wordt beargumen-
teerd als een bescheiden stap op
weg naar de ecologisering van het
belastingstelsel. Maar met de
opbrengst wordt de belasting op
arbeid niet of nauwelijks verlaagd en
de opbrengst gaat ook niet naar een
milieubestemming. Het zou voor ons
anders liggen als de grondwater-
heffing zou worden besteed aan een
nationaal waterbesparingsplan,
bijvoorbeeld voor het per huis
aanbrengen van waterbesparende
apparatuur en van bemetering in die
plaatsen waar die nog niet aanwezig
is. De stap naar ecologisering is er
dus eigenlijk niet. De heffing op
grondwater wordt ook beargumen-
teerd met de verdroging van de
natuur. Maar het geval wil dat
winning van grondwater slechts voor
10% de oorzaak van de verdroging
is; bovendien wisselt dat per streek.
Een provinciale vergunning met
directe regulering zou hiervoor een
veel beter instrument zijn. Daar waar
sprake blijft van problemen op dit
punt, ook na enorme water-
besparing, moet worden overgescha-
keld op de winning van drinkwater
uit gezuiverd oppervlaktewater. Die
omschakeling kan slechts plaatsvin-
den als er een goed beschermings-
plan komt voor het stroomgebied
waar het oppervlaktewater uit
gewonnen wordt. Zo zouden de
drinkwaterbedrijven een hefboom
kunnen worden in een beter
milieubeleid. De hoofdoorzaak van
verdroging – peilverlaging voor de
landbouw – blijft buiten beschou-
wing. Dit geldt bovendien voor de
onttrekking van grondwater door de
landbouw voor besproeiing etcetera,
omdat dit technisch zo moeilijk zou
zijn. Dit wordt overigens door het
waterleidingbedrijf van Brabant
ontkend.
Het is in onze ogen tamelijk
geˆnant dat de veroorzakers van de
watervervuiling van zowel grond- als
oppervlaktewater buiten schot
blijven. Er is bijvoorbeeld geen
heffing op het gebruik van kunstmest
en pesticiden, terwijl de consument
via hogere watertarieven nu al
opdraait voor hun vervuiling en
daarna ook nog eens extra moet
gaan betalen voor deze grondwater-
heffing. De consument kan niet
kiezen voor het gebruik van
grondwater. Hij kan op dit punt geen
’’milieugedrag’’ vertonen, anders dan minder in bad te gaan: verbeter het
milieu door je minder te wassen.
Ditzelfde bezwaar geldt ook voor
de heffing op het storten van afval.
Daarbij speelt een behoorlijk
principieel milieu-argument. In de
visie van GroenLinks is het verbran-
den van afval – het storten in de
lucht van onder andere dioxines –
toch slechter dan gecontroleerde
stort volgens IBC-criteria. Dat
betekent isoleren, beheersen en
controleren. GroenLinks staat daar,
zoals bekend, niet alleen in. Door
deze eisen wordt storten sowieso al
duurder. Van de voorgestelde heffing
gaat echter een geheel verkeerd
signaal uit. Ook hier wordt geen
enkele relatie gelegd tussen het
individuele gebruik en het tarief. Kan
de regering vandaag nog eens helder
uiteenzetten waar nu precies de
voorkeur voor verbranden op is
gestoeld? Wat zijn de argumenten en
wat is de onderbouwing? Waarom
worden de bezwaren van de
milieubeweging niet serieuzer
genomen? In de voorstellen wordt
weinig of niets doorgesluisd. Er
wordt niet gecompenseerd voor de
minima en er wordt weinig
gereguleerd. In de stukken staat dat
er geen enkele volumereductie wordt
verwacht. Er wordt voor de
verkeerde grondstoffen gekozen.
Waarom wordt er niet serieus
gewerkt aan heffingen op grond- en
zandwinning, op chloor, op energie,
op pesticiden, op kunstmest en op
wegwerpluiers? Ik zou nog een
aantal produkten kunnen noemen
waarvoor de consument zelf een
keuze kan maken.
Op dit punt heeft de regering een
vergelijking gemaakt met de accijns
op alcohol en tabak. Mensen kunnen
kiezen, wel of niet te roken.
Bovendien is drinkwater van een
andere orde dan sterke drank. Het
argument dat het gaat om schaarse
grondstoffen is betrekkelijk. Op
zichzelf is er water zat in Nederland
en op zichzelf behoort grondwater,
als de peilverlaging wordt stopgezet,
evenals vis en hout tot de vernieuw-
bare grondstoffen. Is afval een
schaarse grondstof? Wij willen het
juist schaarser maken door preven-
tie, preventie en nog eens preventie.
En dan vervolgens hergebruik,
waarna eventueel hoogstens nog 5%
gestort mag worden. Als er
milieutechnisch geen bezwaren zijn,
mag het afval pas verbrand worden.
Voorzitter! Kortheidshalve sluit ik
mij aan bij de aanvullende vragen
die al door mijn collega’s zijn
gesteld. Ik verwijs wat dit betreft
naar de schriftelijke voorbereiding.
Wij wachten de beantwoording op
deze punten met belangstelling af.
Voorzitter! Ik kom tot een
afronding. De regering brengt onze
fractie met deze wetsvoorstellen in
een tamelijk moeilijk parket.
GroenLinks voert al jaren een
pleidooi voor de verschuiving van
belasting op arbeid naar onder
andere milieugebruik. Wij erkennen
en waarderen het dat de regering
met het belastingplan een begin
gemaakt heeft met belasting-
verlaging, ook in de eerste schijf.
Deze maatregelen moeten natuurlijk
gedekt worden. Dit wetsvoorstel
maakt onderdeel uit van deze
dekking. Daarom zou het eventueel
steun verdienen. Alleen het
milieu-aspect bevalt ons niet. De
keuze voor de belasting op grondwa-
ter is niet helder en uit milieu-
oogpunt slecht gemotiveerd. Het is
ook geen stimulerende bijdrage aan
de vergroting van het draagvlak dat
nodig is voor de acceptatie van het
duurder worden van produkten die
bij de produktie of vanwege hun
afval sterk milieubelastend zijn. Nu
zitten wij met het dilemma dat onze
fractie, die de grootste pleitbezorger
is voor belastingen op milieu-
grondslag, de eerste poging daartoe
eigenlijk niks vindt en van mening is
dat het maatschappelijk een
averechts effect heeft. Dat is lastig en
jammer. De regering kan een poging
doen, ons door toezeggingen en
perspectiefschetsen in de goede
richting, over de streep te trekken.
De beraadslaging wordt geschorst. 

</spreker>
<spreker pagina="11-351" anker="191" naam="De voorzitter">
 De regering zal na de
afhandeling van wetsvoorstel 23957
antwoorden.
De vergadering wordt enkele
ogenblikken geschorst.
</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="11-351">

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
- het wetsvoorstel Nadere
wijziging van de Algemene
Kinderbijslagwet, de
Ziekenfondswet en de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten
(23957).
(Zie vergadering van 19 december
1994.)
De beraadslaging wordt hervat.

<blok pagina="11-351">

 
<spreker pagina="11-351" anker="192" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">

Mijnheer de voorzitter! De reacties
van de Kamer op het onderhavige
wetsvoorstel waren nogal verschil-
lend van aard. De heer Van der
Meulen heeft gezegd dat het
wetsvoorstel bij zijn fractie op
onoverkomelijke bezwaren stuit. Hij
heeft ook gezegd dat de achtergron-
den van de wijziging bij zijn fractie
een goede bodem vonden. De heer
Veling had het over een ’’mistige’’
verdediging. Ik kan hem verzekeren
dat ik vandaag een mistlamp bij mij
heb. Daarmee kan ik duidelijk maken
wat, los van de bezuinigingstaak-
stelling, de meer principie¨le
achtergronden van het wetsvoorstel
zijn. Mevrouw Gelderblom vond het
wetsvoorstel ’’pijnlijk’’. Ik moet dat
met haar eens zijn. Het betreft een
substantie¨le ingreep. Ik kan dan ook
de woorden van de heer Van de
Zandschulp onderschrijven dat het –
wat wij ook denken van de noodzaak
om in de sfeer van de sociale
zekerheid besparingen te realiseren –
een buitengewoon ingrijpende
maatregel is. Ik sluit graag aan bij
hetgeen de heer Heijmans heeft
opgemerkt. De achterliggende gedachte is tweeledig: aan de ene
kant ziet het kabinet zich geplaatst
voor een noodzakelijke ombuigings-
taakstelling en aan de andere kant is
er behoefte aan een herijking van
verantwoordelijkheden.
Voorzitter! Ik ga in op een thema
dat door bijna alle woordvoerders
aan de orde is gesteld. Het is het
gemakkelijkst te omschrijven met de vraag: waarom al die discussies over
principie¨le achtergronden, ideolo-
giee¨n en theoriee¨n, terwijl het
kabinet eigenlijk de bedoeling had,
via een bezuiniging een bijdrage te
leveren aan het oplossen van de
problematiek van de overheids-
financie¨n, de collectieve-lastendruk
en aan de werkgelegenheidspolitiek?
Ik steek niet onder stoelen of banken
dat dit een heel belangrijk motief is.
Bij de verdediging van dit wetsvoor-
stel in de Tweede Kamer heb ik dat
ook in eerste instantie aangegeven.
De bijdrage die dit wetsvoorstel
moet leveren aan de totale
ombuigingstaakstelling in de sfeer
van de sociale zekerheid is zeker
substantieel. Om die reden is het
voor het kabinet een buitengewoon
wetsvoorstel. De achterliggende
gedachte daarbij is natuurlijk een
bijdrage te leveren aan de proble-
men in de sfeer van de overheids-
financie¨n en van de collectieve-
lastendruk. Het kabinet heeft de lijn
ingezet van een lastenverlichting
gedurende een aantal jaren. Je kunt
praten over lastenverlichting tot je
een ons weegt, maar als je geen
maatregelen neemt die dat in
financie¨le zin mogelijk maken, blijven
het luchtballonnetjes. Dit wetsvoor-
stel moet met nadruk in het kader
van de werkgelegenheidspolitiek
worden gezien. De doelstelling van
het kabinetsbeleid is werkgelegen-
heid, werkgelegenheid en nog eens
werkgelegenheid. Als wij met elkaar
de analyse onderschrijven dat zij
alleen gerealiseerd kan worden als
ook de loonkosten worden beperkt
via lastenverlichting, zal daarvoor
linksom of rechtsom ruimte moeten
worden gemaakt. Dat is een
belangrijke achterliggende gedachte
van dit wetsvoorstel.
Gelijktijdig was er een discussie
gaande over de herijking van de
verantwoordelijkheden. Wat moet er
in de sfeer van de collectieve sector
worden geregeld en wat kan aan
individuen worden overgelaten? Die
discussie wordt al tien jaar gevoerd.
Zij speelt een belangrijke rol als
volgend jaar gesproken zal worden
over de verdere toekomst van het
stelsel van sociale zekerheid. Over de
herijking van verantwoordelijkheden
en de verschillende aan de orde
gestelde theoriee¨n maak ik nog
enkele aparte opmerkingen.
Voorzitter! Waar gaat het bij de
kinderbijslagvoorstellen concreet
om? Eigenlijk om een vijftal
hoofdelementen en een tweetal
bijkomende elementen. In eerste
instantie heeft het wetsvoorstel
betrekking op de progressie die er
altijd is geweest in de kinderbijslag.
Het voorstel van de regering is, die
af te schaffen. Voorgesteld wordt, de
vier rangordeniveaus weg te nemen
en voor ieder kind eenzelfde bedrag
aan kinderbijslag te geven. Dit is een
belangrijk deel van het wetsvoorstel
en levert ook een belangrijk deel van
de besparingen op.
Het tweede voorstel is het
aanpassen van de leeftijdsstaffel.
Niet het bestaan van een leeftijds-
staffel wordt ten principale ter
discussie gesteld, maar omwille van
de noodzakelijke besparingen wordt
voorgesteld, deze terug te brengen
naar een ander niveau, te weten van
70, 100, 130% naar 70, 85 en 100%.
Het derde element is een bijzondere
verhoging van de kinderbijslag voor
het eerste kind, in de loop der jaren
oplopend en uiteindelijk neerkomend
op een structurele verhoging van iets
meer dan ƒ 55.
Een vierde element in het
kinderbijslagbeleid voor 1995 is dat
er niet wordt geı¨ndexeerd. Het vijfde
element heeft te maken met het
afschaffen van de Dekkerkopjes in
combinatie met het afschaffen van
de nominale kinderpremies in de
Ziekenfondswet en in de AWBZ.
Voorzitter! Dit zijn de vijf hoofd-
elementen die bij dit wetsvoorstel
aan de orde zijn.
Ik wijs de Kamer er vervolgens op
dat er en marge van dit wetsvoorstel
een oplossing is gezocht voor de
pleeggeldvergoeding. Deze zaak
speelt bij VWS. Een deel van de
opbrengst van dit wetsvoorstel,
namelijk 14 mln., wordt hiervoor
gebruikt. Daarnaast is er compensa-
tie gezocht in de individuele
huursubsidie door de invoering van
een kindertabel.
Deze voorstellen behelzen tezamen
het complete pakket. Een belangrijk
element daarin is dat het kabinet</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


