<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2021]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Voortzetting van de behandeling van het wetsvoorstel Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet, de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (23957)</item>
<item attribuut="Bestand"> 61 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Gezondheidszorg (Zorgverzekeringen)
Sociale zekerheid (Kinderbijslag (AKW))</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Ziekenfondsverzekering
AWBZ
AKW
Kinderbijslag</item>
<item attribuut="Dossiernr">23957</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 9, Eerste Kamer, pag. 351-361</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">20-12-1994</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2021</item>
<item attribuut="Omvang">11 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Eerste Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Kinderbijslag</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Belastingen op milieugrondslag</item>
<item attribuut="doccode">EK 11</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="11-351">

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
- het wetsvoorstel Nadere
wijziging van de Algemene
Kinderbijslagwet, de
Ziekenfondswet en de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten
(23957).
(Zie vergadering van 19 december
1994.)
De beraadslaging wordt hervat.

<blok pagina="11-351">

 
<spreker pagina="11-351" anker="1" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">

Mijnheer de voorzitter! De reacties
van de Kamer op het onderhavige
wetsvoorstel waren nogal verschil-
lend van aard. De heer Van der
Meulen heeft gezegd dat het
wetsvoorstel bij zijn fractie op
onoverkomelijke bezwaren stuit. Hij
heeft ook gezegd dat de achtergron-
den van de wijziging bij zijn fractie
een goede bodem vonden. De heer
Veling had het over een ’’mistige’’
verdediging. Ik kan hem verzekeren
dat ik vandaag een mistlamp bij mij
heb. Daarmee kan ik duidelijk maken
wat, los van de bezuinigingstaak-
stelling, de meer principie¨le
achtergronden van het wetsvoorstel
zijn. Mevrouw Gelderblom vond het
wetsvoorstel ’’pijnlijk’’. Ik moet dat
met haar eens zijn. Het betreft een
substantie¨le ingreep. Ik kan dan ook
de woorden van de heer Van de
Zandschulp onderschrijven dat het –
wat wij ook denken van de noodzaak
om in de sfeer van de sociale
zekerheid besparingen te realiseren –
een buitengewoon ingrijpende
maatregel is. Ik sluit graag aan bij
hetgeen de heer Heijmans heeft
opgemerkt. De achterliggende gedachte is tweeledig: aan de ene
kant ziet het kabinet zich geplaatst
voor een noodzakelijke ombuigings-
taakstelling en aan de andere kant is
er behoefte aan een herijking van
verantwoordelijkheden.
Voorzitter! Ik ga in op een thema
dat door bijna alle woordvoerders
aan de orde is gesteld. Het is het
gemakkelijkst te omschrijven met de vraag: waarom al die discussies over
principie¨le achtergronden, ideolo-
giee¨n en theoriee¨n, terwijl het
kabinet eigenlijk de bedoeling had,
via een bezuiniging een bijdrage te
leveren aan het oplossen van de
problematiek van de overheids-
financie¨n, de collectieve-lastendruk
en aan de werkgelegenheidspolitiek?
Ik steek niet onder stoelen of banken
dat dit een heel belangrijk motief is.
Bij de verdediging van dit wetsvoor-
stel in de Tweede Kamer heb ik dat
ook in eerste instantie aangegeven.
De bijdrage die dit wetsvoorstel
moet leveren aan de totale
ombuigingstaakstelling in de sfeer
van de sociale zekerheid is zeker
substantieel. Om die reden is het
voor het kabinet een buitengewoon
wetsvoorstel. De achterliggende
gedachte daarbij is natuurlijk een
bijdrage te leveren aan de proble-
men in de sfeer van de overheids-
financie¨n en van de collectieve-
lastendruk. Het kabinet heeft de lijn
ingezet van een lastenverlichting
gedurende een aantal jaren. Je kunt
praten over lastenverlichting tot je
een ons weegt, maar als je geen
maatregelen neemt die dat in
financie¨le zin mogelijk maken, blijven
het luchtballonnetjes. Dit wetsvoor-
stel moet met nadruk in het kader
van de werkgelegenheidspolitiek
worden gezien. De doelstelling van
het kabinetsbeleid is werkgelegen-
heid, werkgelegenheid en nog eens
werkgelegenheid. Als wij met elkaar
de analyse onderschrijven dat zij
alleen gerealiseerd kan worden als
ook de loonkosten worden beperkt
via lastenverlichting, zal daarvoor
linksom of rechtsom ruimte moeten
worden gemaakt. Dat is een
belangrijke achterliggende gedachte
van dit wetsvoorstel.
Gelijktijdig was er een discussie
gaande over de herijking van de
verantwoordelijkheden. Wat moet er
in de sfeer van de collectieve sector
worden geregeld en wat kan aan
individuen worden overgelaten? Die
discussie wordt al tien jaar gevoerd.
Zij speelt een belangrijke rol als
volgend jaar gesproken zal worden
over de verdere toekomst van het
stelsel van sociale zekerheid. Over de
herijking van verantwoordelijkheden
en de verschillende aan de orde
gestelde theoriee¨n maak ik nog
enkele aparte opmerkingen.
Voorzitter! Waar gaat het bij de
kinderbijslagvoorstellen concreet
om? Eigenlijk om een vijftal
hoofdelementen en een tweetal
bijkomende elementen. In eerste
instantie heeft het wetsvoorstel
betrekking op de progressie die er
altijd is geweest in de kinderbijslag.
Het voorstel van de regering is, die
af te schaffen. Voorgesteld wordt, de
vier rangordeniveaus weg te nemen
en voor ieder kind eenzelfde bedrag
aan kinderbijslag te geven. Dit is een
belangrijk deel van het wetsvoorstel
en levert ook een belangrijk deel van
de besparingen op.
Het tweede voorstel is het
aanpassen van de leeftijdsstaffel.
Niet het bestaan van een leeftijds-
staffel wordt ten principale ter
discussie gesteld, maar omwille van
de noodzakelijke besparingen wordt
voorgesteld, deze terug te brengen
naar een ander niveau, te weten van
70, 100, 130% naar 70, 85 en 100%.
Het derde element is een bijzondere
verhoging van de kinderbijslag voor
het eerste kind, in de loop der jaren
oplopend en uiteindelijk neerkomend
op een structurele verhoging van iets
meer dan ƒ 55.
Een vierde element in het
kinderbijslagbeleid voor 1995 is dat
er niet wordt geı¨ndexeerd. Het vijfde
element heeft te maken met het
afschaffen van de Dekkerkopjes in
combinatie met het afschaffen van
de nominale kinderpremies in de
Ziekenfondswet en in de AWBZ.
Voorzitter! Dit zijn de vijf hoofd-
elementen die bij dit wetsvoorstel
aan de orde zijn.
Ik wijs de Kamer er vervolgens op
dat er en marge van dit wetsvoorstel
een oplossing is gezocht voor de
pleeggeldvergoeding. Deze zaak
speelt bij VWS. Een deel van de
opbrengst van dit wetsvoorstel,
namelijk 14 mln., wordt hiervoor
gebruikt. Daarnaast is er compensa-
tie gezocht in de individuele
huursubsidie door de invoering van
een kindertabel.
Deze voorstellen behelzen tezamen
het complete pakket. Een belangrijk
element daarin is dat het kabinet
ervoor heeft gekozen om, ondanks
de noodzaak om ingrijpende
maatregelen te nemen, de
kinderbijslagbedragen die men op dit
moment ontvangt nominaal gelijk te
houden. Volledigheidshalve zeg ik
erbij dat dit exclusief het afschaffen
van de Dekkerkopjes is, maar dit
wordt op een andere wijze gecom-
penseerd. Het bedrag dat mensen nu
aan kinderbijslag ontvangen, zal men
in de toekomst ook behouden.
Dit is misschien de verklaring voor
het feit dat er een ’’oorverdovende
stilte’’ is ontstaan, zoals door de heer
Heijmans naar voren is gebracht. Dat
er niet veel weerstand tegen het
wetsvoorstel in de samenleving is
ontstaan, kan te maken hebben met
het gegeven dat er in de samenle-
ving veel meer draagvlak voor deze
regelgeving is dan wellicht door een
aantal mensen wordt verondersteld.
Dit kan ook in niet onbelangrijke
mate te maken hebben met het
overgangsrecht waarvoor is gekozen.
De bestaande gezinnen gaan er niet
op achteruit. In de toekomst worden
de structurele besparingen gereali-
seerd die nodig zijn om een zodanige
aanpassing te kunnen verwezenlijken
van de collectieve-lastendruk dat er
een bijdrage wordt geleverd aan de
werkgelegenheidspolitiek. 

</spreker>
<spreker pagina="11-352" anker="2" partij="GPV" naam="Veling">
 Een andere
belangrijke reden daarvoor lijkt mij
dat de belanghebbenden, dus de
mensen die geschaad worden, er
nog niet zijn. De bezuinigingen
worden ver in de toekomst geprojec-
teerd. De grote klappen vallen bij
mensen die wellicht nog niet
voorzien dat zij slachtoffer zullen
worden. 

</spreker>
<spreker pagina="11-352" anker="3" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 Ik heb
aan het begin van mijn antwoord
ook niet voor niets gezegd dat het
om zeer ingrijpende maatregelen
gaat. Ik zeg klip en klaar dat als wij
ervoor kiezen, in de sfeer van de
overheidsfinancie¨n ruimte te maken
voor lastenverlichting, dat alleen kan
gebeuren op het moment dat er ook
daadwerkelijk ruimte wordt
gecree¨erd. Dat kan alleen als in de
toekomst bedragen die uitgekeerd
zouden worden, niet worden
uitgekeerd. Daarover mag geen
misverstand bestaan. Het kabinet is
ook absoluut niet voornemens om
dat punt onder het tapijt te schoffe-
len. Het is volstrekt helder dat het
om een substantie¨le beperking van
de kinderbijslagbedragen op langere
termijn gaat. Ik houd vol dat voor
ons een belangrijke overweging is
geweest dat mensen die op dit
moment binnen hun gezinsbudget
rekening houden met binnenko-
mende kinderbijslagbedragen, niet
bij wijze van spreken per 1 januari
aanstaande geconfronteerd kunnen
worden met een korting ineens. De
bedragen blijven gelijk en dit
betekent dat mensen ook in de
toekomst rekening kunnen houden
met wat men te verwachten heeft als
gevolg van dit wetsvoorstel.
Voorzitter! De meest stellige kritiek
kwam gisteravond van de heren Van
der Meulen en Veling. De heer Van
der Meulen is uitgebreid ingegaan
op de discussie die de afgelopen
jaren is gevoerd over de kinderbij-
slag. Hij riep het SER-advies van
1991 aan en de opvattingen van een
van mijn ambtsvoorgangers,
mevrouw Ter Veld. Hij ging ook in op
het CDA-verkiezingsprogramma in
relatie tot de vandaag aan de orde
zijnde voorstellen. Gisteravond is de
suggestie gewekt alsof het wetsvoor-
stel haaks staat op bijvoorbeeld het
SER-advies uit 1991. Als de
verschillende elementen van het
SER-advies de revue passeren, zal
men het met mij eens zijn dat het
voorstel voor het overgrote deel
hiermee in overeenstemming is. De
acht elementen die in het SER-advies
een belangrijke rol hebben gespeeld,
loop ik langs. 

</spreker>
<spreker pagina="11-352" anker="4" partij="CDA" naam="Van der Meulen">

Voorzitter! Dat lijkt mij goed, maar
laat de staatssecretaris dan beginnen
met het element van het afschaffen
van de progressie. Dat is niet
voorgesteld door de SER. Hij koos
een totaal andere opstelling. 

</spreker>
<spreker pagina="11-352" anker="5" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 Ik wil
daarmee eindigen, omdat wij op dat
punt enigszins anders tegen de
problematiek aankijken. Het wekken
van de suggestie dat de voorstellen
die ik nu verdedig haaks staan op het
SER-advies werp ik verre van mij.
Een van de elementen uit het
SER-advies was dat ook in de
toekomst voor alle ingezetenen die
kinderen tot hun last hebben de
kinderbijslag overeind moet blijven.
Aan dat uitgangspunt wordt met dit
wetsvoorstel volledig recht gedaan.
Het SER-advies ging er ook van uit
dat de kinderbijslag vanaf het eerste
kind behouden moet blijven. Dat
staat niet alleen in dit wetsontwerp,
dat element wordt zelfs versterkt met
dit wetsontwerp.
Het derde element in het
SER-advies was dat de kinderbijslag
zou moeten doorlopen tot 18 jaar.
Ook dat blijft behouden.
Het vierde element was dat
kinderbijslag noodzakelijk is, maar
dat desalniettemin ook in de
toekomst uitgangspunt bleef dat
ouders zelf een eigen financie¨le
verantwoordelijkheid blijven
behouden voor het hebben van
kinderen.
Het vijfde element is dat kosten-
verschillen op grond van leeftijds-
verschillen tot uitdrukking zouden
moeten komen in de kinderbijslag.
Ook dat element blijft behouden.
Een volgend element was dat de
kinderbijslag belasting- en premievrij
zou blijven. Ook dat element uit het
SER-advies blijft volledig behouden.
Er zijn slechts twee elementen in
het SER-advies waarin zich een
verandering heeft voorgedaan. Het
eerste heeft inderdaad te maken met
het rekening houden met de
gezinsgrootte en de rangorde. Op dat
punt heeft het kabinet besloten om
redenen die ik zojuist heb aangege-
ven, de accenten iets te verschuiven.
Een deel van de reden heeft ook te
maken met het laatste element uit
het SER-advies. Daar stond namelijk
dat niet alleen rekening gehouden
zou moeten worden met de rangorde
en met de gezinsgrootte. De SER
was ook van mening dat het stelsel
van kinderbijslag moest worden
vereenvoudigd en inzichtelijker
moest worden gemaakt.
Als ik kijk naar het SER-advies en
naar het wetsvoorstel dat ik
verdedig, dan is er sprake van een
accentverschuiving voor die laatste twee elementen: enerzijds rekening
houden met gezinsgrootte en
rangorde en anderzijds met de
noodzaak om vereenvoudiging aan
te brengen en het stelsel meer
inzichtelijk te maken. Op het punt
van de rangorde komen er nadere
voorstellen. Het maakt de
kinderbijslagwetgeving wel een stuk
eenvoudiger en overzichtelijker.
Voorzitter! De twee hoofd-
elementen die gisteravond door alle
woordvoerders in het debat aan de
orde zijn gesteld, hebben te maken
met twee van de onderdelen van het
totale pakket, te weten de leeftijds-
staffel en het afschaffen van de
progressie. Over beide zaken wil ik
iets zeggen.
Ik begin met de leeftijdsstaffel. Het
belangrijkste motief daarbij is om
inderdaad een aanvullende bespa-
ring te realiseren. De argumenten die
in de loop van de jaren tachtig een
rol hebben gespeeld bij het invoeren
van die leeftijdsstaffel staan voor mij
nog overeind. In de voorstellen die ik
verdedig, blijft de leeftijdsstaffel
behouden, weliswaar op een lager
niveau op grond van de noodzaak tot
bezuinigen. Ik noem voorts de
collectieve-lastendruk en de
werkgelegenheid. Ik zou niet willen
beargumenteren dat wij met de
leeftijdsstaffel een hele andere kant
opgaan. Dat kan men ook niet
terugvinden in de verdediging bij dit
wetsontwerp. De opmerkingen van
de heer Van der Meulen dat er op dit
punt geen sprake is van een
deugdelijke argumentatie moet ik
dan ook van mij werpen. Ik heb niet
geprobeerd, een argumentatie te
bedenken, omdat de overwegingen
en de argumenten die destijds een
rol hebben gespeeld bij de leeftijds-
staffel nog steeds aan de orde zijn.
Een tweede hoofdpunt dat
gisteravond aan de orde is gesteld,
betreft het afschaffen van de
progressie. Vele woordvoerders
hebben gezegd dat ik beter kan
zeggen dat het hierbij om een
bezuiniging gaat en dat ik volgens de
heer Van de Zandschulp niet al te
veel moet praten over de kwasi-
ideologische achtergrond. De heer
Heijmans heeft daar ook enkele
opmerkingen over gemaakt. Ik zou
die ideologische achtergrond niet
willen benadrukken. Ik wil wel een
paar opmerkingen maken over
hetgeen in dat verband te vertellen is
over de herijking van verantwoorde-
lijkheden. Naar mijn idee is dat ook
bij dit wetsontwerp wel degelijk aan
de orde. Het speelt op de achter-
grond een belangrijke rol.
Ik wil beginnen met alle theoriee¨n
die de woordvoerders in de discussie
in de Tweede Kamer hebben
aangehaald. Dat is de kosten-per-
kindtheorie en de gezinswelvaarts-
theorie. Aanhangers van beide
theoriee¨n ben ik gisteravond ook in
deze Kamer tegengekomen. De
kosten-per-kindtheorie komt erop
neer dat schaalvoordelen aflopende
bedragen meebrengen bij een
oplopend kindertal. De gezins-
welvaartstheorie houdt precies het
tegenovergestelde in. Ik wil daaraan
toevoegen dat in de discussie over
beide theoriee¨n nog meer complice-
rende factoren in het verleden zijn
ingebracht. Ik noem de opportunity-
costbenadering. De discussie wordt
nog ingewikkelder als naar andere
elementen wordt gekeken.
Het interessante van al deze
theoriee¨n is dat als je voor de ene of
de andere theorie kiest, je altijd je
eigen gelijk kunt vinden. Dat geldt
voor de aanhangers van de
kosten-per-kindtheorie en voor de
aanhangers van de gezinswelvaarts-
theorie. Het geldt ook voor de
overige elementen die daarbij aan de
orde zijn. De vraag is wat je daarmee
opschiet. Ik ben het natuurlijk
helemaal eens met de heer Van de
Zandschulp dat als je kiest voor een
evenwichtige benadering door
namelijk beide theoriee¨n even zwaar
te laten wegen het wel heel toevallig
is als je bij het kabinetsvoorstel
precies op het nulpunt uitkomt
doordat beide tegen elkaar wegval-
len. De grens die je trekt is bijna per
definitie arbitrair. Dat geldt voor de
huidige grens, maar ook voor iedere
andere grens.
Ik wil de Kamer dan ook voorhou-
den, dat uitgaande van diverse
theoriee¨n het pakket dat wij als
kabinet verdedigen een evenwichtig
pakket is, omdat in belangrijke mate
tegemoet wordt gekomen aan alle
aanhangers van de verschillende
theoriee¨n. Ik wil daarom niet zozeer
benadrukken dat de ideologische
achtergrond de hoofdmoot is
geweest bij de verdediging van dit
wetsontwerp. Ik voeg daaraan toe
dat dit wetsontwerp moet worden
gezien in het kader van de nadere
verdeling van verantwoordelijkheden
tussen hetgeen in de collectieve
sector wordt geregeld en wat je aan
mensen zelf kunt overlaten. Dat geldt
mijns inziens in hoge mate ook voor
de kinderbijslag. Anno 1995, het jaar
waarin het wetsontwerp van kracht
wordt, kunnen wij inderdaad uitgaan
van de situatie dat mensen een
grotere eigen financie¨le verantwoor-
delijkheid kunnen dragen voor het
opvoeden van kinderen dan in het
verleden noodzakelijk werd geacht. 

</spreker>
<spreker pagina="11-353" anker="6" partij="GPV" naam="Veling">
 Voorzitter! Het
gaat hierbij om twee kwesties. De
ene is het evenwicht tussen de twee
theoriee¨n. De tweede betreft de
eigen verantwoordelijkheid. Ik wil
nog iets zeggen over de eerste
kwestie. Ik vind het buitengewoon
onbevredigend dat, wanneer een
wetsvoorstel wordt gemotiveerd
door te verwijzen naar een evenwicht
tussen de schaalvoordelen voor een
groter aantal kinderen en de
gezinswelvaart, nu juist gezegd
wordt dat alles arbitrair is. Dat was
het en dat is het nu. Ik kan niet
anders dan concluderen dat de
staatssecretaris wegloopt voor de
noodzaak daarbij een aannemelijk
verhaal te maken.
Dat verhaal is er naar mijn stellige
overtuiging niet. De gigantische
bedragen die gemoeid zijn met het
afschaffen van de progressie komen
in de verste verte niet in de buurt
van schaalvoordelen bij meer
kinderen. Die argumenten zijn niet
verdedigbaar. Ik vind het een
vervelende manoeuvre wanneer de
staatssecretaris de discussie in het
midden laat en spreekt over een
arbitraire keuze. Als hij zegt dat er
evenwicht is, moet hij daar een
verhaal bij hebben. 

</spreker>
<spreker pagina="11-353" anker="7" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 Ik loop
niet weg voor de noodzaak dit
standpunt te verdedigen. Ik houd de
heer Veling het volgende voor. Als ik
uitga van de kern van beide
theoriee¨n, dan bevat die kern een
belangrijke waarheid, namelijk dat
naarmate een gezin groter is, je te
maken krijgt met schaalvoordelen. Je
kunt twisten over de vraag hoe groot
die schaalvoordelen zijn. Dat element
kun je bij de afweging betrekken. Dat
is een rechtvaardiging voor de ene
theorie. Je zou daaraan consequen-
ties kunnen verbinden.
De tweede theorie gaat ervan uit
dat naarmate er meer kinderen zijn,
die kinderen geld kosten en dat
ondanks de schaalvoordelen een
groter beslag wordt gelegd op het
gezinsbudget. Ook die theorie is
waar. Ook daaraan kun je in meer of
mindere mate consequenties
verbinden. Als ik beide kern-
elementen van de theoriee¨n naast
elkaar zet en ik ervan uitga dat beide
verdedigbaar zijn, is het geen rare
conclusie dat beide tegen elkaar
wegvallen. Als ik vervolgens opmerk
dat het gevonden evenwicht onder
alle omstandigheden arbitrair is, dan
loop ik er niet voor weg om dat
evenwicht te verdedigen. Maar
waarom zou het huidige evenwicht
minder arbitrair zijn en juister zijn en
meer of minder recht doen aan die
verschillende theoriee¨n? 

</spreker>
<spreker pagina="11-353" anker="8" partij="GPV" naam="Veling">
 De staatsse-
cretaris kan niet volstaan met het
verdedigen van het wetsvoorstel op
dit punt met kwalitatieve beschou-
wingen over twee theoriee¨n die hij
naast elkaar zet en waarbij de
waarheid wel ergens in het midden
zal liggen. Er moet dan toch iets
berekend worden? Ik vraag de
staatssecretaris te proberen, duidelijk
te maken dat je dichter bij een
evenwicht komt door in deze mate te
korten door het afschaffen van de
progressie. Wil hij dat eens in de
buurt brengen van mogelijke
voordelen in de schaal van een
groter gezin? Die voordelen komen
toch niet in de buurt daarvan? De
staatssecretaris moet niet suggereren
dat een kwalitatief verhaal voldoende
antwoord op die vraag geeft. 

</spreker>
<spreker pagina="11-354" anker="9" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 U zou,
met een dergelijke reactie, gelijk
hebben als de verdediging van het
kabinet erop zou neerkomen dat wij,
uitgaande van de beide theoriee¨n,
per definitie op dit evenwicht terecht
zouden moeten komen. Ik heb echter
aangegeven dat meer motieven een
rol spelen. Het belangrijkste motief is
dat een bijdrage moet worden
geleverd aan de ombuigingstaak-
stelling in de sfeer van de sociale
zekerheid. Dat is een belangrijk
motief en dat heb ik ook als eerste
aangehaald. 

</spreker>
<spreker pagina="11-354" anker="10" partij="GPV" naam="Veling">
 Dat motief is
irrelevant in verband met deze
kwestie. Bezuinigingen zijn bespreek-
baar en wellicht noodzakelijk, maar
het gaat hier om de verdeling van de
bezuinigingen. Dit motief is dus
werkelijk volstrekt irrelevant voor
deze kwestie. 

</spreker>
<spreker pagina="11-354" anker="11" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 Ik vind
het niet irrelevant, omdat beide
elementen een rol hebben gespeeld.
Voor mij is de ombuigingstaak-
stelling een heel belangrijke
overweging geweest. Dat al
gedurende tien jaar een discussie
over deze theoriee¨n gaande is, doet
daar niets aan af. Gelet op de
elementen die in beide theoriee¨n een
rol spelen, acht ik de stelling zeer
verdedigbaar dat een evenwichtige
benadering heel dicht in de buurt
zou kunnen komen van een zelfde
bedrag aan kinderbijslag voor ieder
kind. Dat betekent niet dat je al die
theoriee¨n tot twee cijfers achter de
komma moet uitpluizen, want die
discussie leidt nergens toe. 

</spreker>
<spreker pagina="11-354" anker="12" partij="GPV" naam="Veling">
 Nog een keer:
als de staatssecretaris zegt dat hij het
verdedigbaar acht, dan zou dat een
mooie aanloop zijn naar een feitelijke
verdediging, maar hij herhaalt steeds
slechts dat hij het verdedigbaar acht.
Ik constateer dat en daar laat ik het
nu maar even bij. 

</spreker>
<spreker pagina="11-354" anker="13" partij="CDA" naam="Van der Meulen">
 Ik
stoor mij er een beetje aan dat het
erop lijkt dat de staatssecretaris
ervan uitgaat dat er twee kampen
zijn. Het eerste kamp pleit dan voor
de kindkostentheorie – er zal best
een enkeling zijn die daarvoor pleit –
en daartegenover staat een kamp dat
alleen van de welvaartstheorie wil
uitgaan. Ik denk echter dat heel veel
mensen beide theoriee¨n aanhangen
en dat men dus een evenwicht moet
zoeken. De staatssecretaris zoekt dat
evenwicht zonder dat daar een
nadere studie aan verbonden is. Ik
kom dus tot de overtuiging dat het
alleen maar een politieke keuze is
om de bezuiniging van 1,4 mld. waar
te maken. 

</spreker>
<spreker pagina="11-354" anker="14" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 Ik heb
helemaal niet proberen te suggere-
ren dat het alleen maar om twee kampen gaat. Sterker nog: ik heb
aangegeven dat in beide theoriee¨n
een belangrijke waarheid zit. Juist
het tegenover elkaar zetten van die
waarheden heeft het kabinet tot de
conclusie geleid dat het niet voor de
hand lag om de progressie in de
toekomst overeind te houden. Met andere woorden: er zijn zeker geen
twee kampen en dit vormt zeker niet
de enige argumentatie voor dit
wetsvoorstel.
Voorzitter! Enkele woordvoerders
hebben opmerkingen gemaakt over
het overgangsrecht en de vraag of
sprake is van terugwerkende kracht,
de eerbiedigende werking. De heren
Van der Meulen en Heijmans en ook
andere woordvoerders hebben
daarover gesproken. Ik ben van
mening dat in dit wetsvoorstel geen
terugwerkende kracht zit. Alle
kinderbijslagbedragen, zoals die op
dit moment gelden, blijven overeind.
Het gegeven dat kinderen in dit
kwartaal een leeftijdsgrens over-
schrijden en dat als gevolg van dit
wetsvoorstel in het volgende
kwartaal geen verhoging van de
kinderbijslag plaatsvindt, doet daar
op zichzelf niets aan af. Ik wil de
Kamer dus voorhouden dat er bij dit
wetsvoorstel absoluut geen sprake is
van terugwerkende kracht. Ik heb al
gezegd dat ik de problematiek inzake
de Dekkerkopjes buiten haakjes
plaats, maar afgezien van dat
gegeven blijven de nominale
bedragen aan kinderbijslag gelijk. In
die zin is er absoluut geen sprake
van terugwerkende kracht.
Enkele woordvoerders hebben
opmerkingen gemaakt over
gezinsplanning en over hetgeen
daarover in de Tweede Kamer is
gezegd. Er is ook gevraagd in
hoeverre ik vind dat er in dat opzicht
een relatie is met dit wetsvoorstel.
Laat ik alles wat daarover gistera-
vond is gezegd, verre van mij
houden. Ik geloof niet dat de
kinderbijslag een gezinsplannings-
instrument is. Het is ook geen
ongevallenpolis voor het krijgen van
kinderen, zoals gisteravond is
gezegd. De argumentatie van het
kabinet is nadrukkelijk gebaseerd op
andere motieven. Het is ook niet de
bedoeling van dit wetsvoorstel dat er
ook maar enig effect op de gezins-
planning wordt beoogd. Ik ga er
overigens van uit dat men met dit
wetsvoorstel in dat opzicht buitenge-
woon ineffectief bezig zou zijn,
omdat de vraag of mensen kinderen
krijgen naar mijn stellige overtuiging
afhankelijk is van een zeer groot
aantal motieven, maar niet in eerste
instantie van de vraag hoeveel
kinderbijslag zij krijgen, op welke
termijn dan ook. Met andere woorden: alles wat daarover is
gezegd en de citaten uit het debat
van de Tweede Kamer houd ik verre
van mij. 

</spreker>
<spreker pagina="11-354" anker="15" partij="GPV" naam="Veling">
 Mag ik dan
even vragen naar de redenering
achter het herijkingsverhaal, voor
wat betreft het afschaffen van de
progressie? Ik kan mij voorstellen dat
men zegt dat de kinderbijslag, in de
huidige visie op de – ook financie¨le –
verantwoordelijkheid van ouders
voor hun kinderen, hoger is dan
noodzakelijk, maar waarom zou dat
voor gezinnen met meer kinderen
zwaarder wegen dan voor gezinnen
met minder kinderen? Dat is een van
mijn centrale vragen geweest. Het
herijkingsverhaal van de staatssecre-
taris was heel kort en heeft op dat
punt nog geen verheldering
gegeven. 

</spreker>
<spreker pagina="11-354" anker="16" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 Nee,
omdat ik daar niet al te veel nadruk
op wil leggen. De overblijvende kernvraag is: wordt er, uitgaande van
de bedragen die straks aan kinderbij-
slag worden betaald, met gelijke
bedragen voor alle kinderen, in
voldoende mate een bijdrage
geleverd aan de kosten die kinderen
met zich brengen? Die vraag moet je
beantwoorden, ook voor grote
gezinnen. Het antwoord van het kabinet op die vraag is: ja, daar
wordt in voldoende mate een
bijdrage aan geleverd, ondanks het
feit dat ook het kabinet weet dat
mensen in dezelfde situatie in de
toekomst een geringer bedrag aan
kinderbijslag zullen krijgen. Dat
realiseer ik mij heel goed, maar die
keuze hebben wij gemaakt, onder het
beslag dat in ieder geval de mensen
die op dit moment uitgaan van en
rekening houden met bepaalde
bedragen aan kinderbijslag – dus ook
de mensen met grote gezinnen – die
bedragen gewoon blijven houden. 

</spreker>
<spreker pagina="11-355" anker="17" partij="GPV" naam="Veling">
 Dan mag ik
toch vragen naar de reden waarom
het kabinet dat een verantwoorde
keuze vindt? 

</spreker>
<spreker pagina="11-355" anker="18" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">

Natuurlijk mag u daarnaar vragen. 

</spreker>
<spreker pagina="11-355" anker="19" partij="GPV" naam="Veling">
 Maar het
antwoord komt niet. 

</spreker>
<spreker pagina="11-355" anker="20" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 Het
antwoord heb ik al gegeven. Laten
wij eens kijken naar alle
verkiezingsprogramma’s. 

</spreker>
<spreker pagina="11-355" anker="21" partij="GPV" naam="Veling">
 Die ken ik. 

</spreker>
<spreker pagina="11-355" anker="22" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 U moet
mij even laten uitpraten, want ik kom
zo op het antwoord op uw vraag.
Gelet op alle
verkiezingsprogramma’s – ik heb het
verkiezingsprogramma van uw partij
op dit moment helaas niet bij de
hand, maar bijvoorbeeld wel het
verkiezingsprogramma van de partij
van de heer Van der Meulen – kom ik
tot de conclusie dat alle politieke
partijen ongeveer dezelfde bedragen
weg willen halen bij de kinderbijslag.
Ook het verkiezingsprogramma van
het CDA gaat ervan uit dat in 1998
zo’n 800 mln. moet worden
bezuinigd. Dat ligt ongeveer in
dezelfde orde van grootte als de
bedragen die met dit wetsvoorstel
zouden worden gerealiseerd,
namelijk 850 mln. in 1998. Dan kun je
inderdaad een keuze maken over de
wijze waarop je dat doet. Je kunt
kiezen voor het over de hele linie
bevriezen van alle bedragen, waar
gezinnen met veel kinderen
overigens veel meer mee worden
getroffen dan gezinnen met minder
kinderen, omdat gezinnen met veel
kinderen afhankelijker zijn van de
kinderbijslag. Daar zit het verschil
dus niet in. Onze keuze komt erop
neer dat het over de gehele linie
gedurende vier jaar alleen maar
bevriezen, neerkomt op het ontlopen
van keuzen. Wij hebben ervoor
gekozen om een belangrijk deel van
de besparingen te realiseren door de
leeftijdsstaffeling aan te passen,
zonder dat de argumentatie van de
leeftijdsstaffel wegvalt. Wij hebben
er daarbij voor gekozen om de
progressie af te schaffen op grond
van het door mij veronderstelde
evenwicht tussen beide theoriee¨n en
op grond van het gegeven dat er,
gegeven die uitgangspunten, heel
veel voor te zeggen is om voor ieder
kind hetzelfde bedrag aan kinderbij-
slag te betalen. Die weg vind ik beter
verdedigbaar dan het realiseren van
een vergelijkbaar bedrag door de
eenvoudige uitweg te kiezen en alles
wat hiermee te maken heeft,
gedurende een groot aantal jaren te
bevriezen. Dat vind ik het ontlopen
van een aantal keuzen. 

</spreker>
<spreker pagina="11-355" anker="23" partij="GPV" naam="Veling">
 Misschien
vindt de staatssecretaris dat ik erg
kwaad denk, maar deze vorm van
bezuinigen is, maatschappelijk gezien, in zekere zin redelijk simpel:
op korte termijn verandert er niet
veel, de belanghebbenden nu
worden min of meer ontzien en de
kinderbijslag voor het eerste kind
wordt wat opgehoogd. Daarbij denk
ik aan het wegschuiven van
mogelijke protesten. Het is bijvoor-
beeld maatschappelijk buitengewoon
lastig om bijvoorbeeld in de
AOW-sfeer iets te doen, want men
heeft dan te maken met mondige
mensen die voortdurend op je
vingers kijken wat er gebeurt. Dat is
nu niet het geval. De staatssecretaris
moet niet zeggen dat men ook een
gemakkelijker weg had kunnen
kiezen door op een – in mijn visie –
evenwichtiger manier te bezuinigen.
Hij had eens moeten zien wat voor
storm er dan was opgestoken en die
steekt nu niet op. Dat komt niet
omdat iedereen erg tevreden is,
maar omdat de lasten wat naar
voren worden geschoven. 

</spreker>
<spreker pagina="11-355" anker="24" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 Ik heb
daar een andere kijk op en dat heb ik
zojuist al aangegeven. Naar mijn
stellige overtuiging is die maatschap-
pelijke onrust niet ontstaan omdat in
de samenleving een veel groter
draagvlak voor deze voorstellen
bestaat dan u veronderstelt. Dat
heeft te maken met de wijze waarop
mensen tegen progressie aankijken,
maar ook met het overgangsrecht en
met het gegeven dat wij ervoor
hebben gekozen om de bedragen
niet per 1 januari aanstaande te
korten, maar om voor de toekom-
stige situatie een structurele
aanpassing aan te brengen. Ik denk
dat een pakket maatregelen zoals ik
dat verdedig onder dat beslag kan
rekenen op een grote mate van
maatschappelijke acceptatie. Dat is
wat mij betreft op dit moment de
enige verklaring voor het feit dat er
geen storm van onrust is ontstaan.
In het begin van mijn betoog heb
ik al gezegd dat een deel van de
compensatie gevonden is in de sfeer
van de individuele huursubsidie.
Mevrouw Gelderblom heeft daar een
nadere opmerking over gemaakt. Zij
vond dat instrument van compensa-
tie imperfect. Imperfect, omdat in
eerste instantie niet allen die volgens
haar gecompenseerd zouden moeten
worden met dit instrument bereikt
worden. Zij heeft ons gevraagd om
op dat punt te blijven doordenken.
Laat ik u vertellen dat wij ons
inderdaad het hoofd gebroken
hebben over de vraag op welke wijze
dit instrument te perfectioneren zou
zijn. Die wegen hebben wij niet
gevonden. In het debat over de
regeringsverklaring is dit aan de orde
geweest in de Tweede Kamer. Het is
ook aan de orde geweest bij de
behandeling van het wetsvoorstel
binnen het kabinet. In de Tweede
Kamer is het vervolgens bij de
plenaire behandeling aan de orde
geweest. Ik weet in de sfeer van de
sociale zekerheid op dit moment
geen instrument waarmee ik dezelfde
compensatie kan realiseren op een
zodanige wijze dat wij alle groepen
benaderen. Dat brengt ons natuurlijk
voor een groot probleem. Ik zie, met
haar, de wenselijkheid van, wellicht,
ook compensatie van mensen die
een eigen huis hebben en die dus
niet onder de termen van de
individuele huursubsidie vallen. Het
instrumentarium op dat punt heb ik
op dit moment nog niet zo helder
voor ogen. Ook binnen dit kabinet
staat echter het denken niet stil.
Wellicht dat mevrouw Gelderblom in
tweede termijn zelf een aantal
interessante suggesties heeft over de
wijze waarop wij dit probleem
technisch kunnen tackelen. Daarbij
resteert dan slechts het financie¨le
probleem. Dat kan echter in de totale
problematiek betrokken worden. De
belangrijkste overweging om te
kiezen voor de weg van de indivi-
duele huursubsidie was dat wij
binnen de sfeer van de sociale
zekerheid geen ander instrumenta-
rium zagen waarmee wij die
compensatie verder zouden kunnen
perfectioneren.</spreker>
<spreker pagina="11-356" anker="25" partij="D66" naam="Gelderblom-Lankhout">
 De staatssecretaris noemt de
individuele huursubsidie. Dat is geen
maatregel in de sociale zekerheid.
Ook dat is een financie¨le maatregel.
Wat dat betreft geldt het argument
dus niet. Men moet gaan denken
over maatregelen in de fiscale sfeer.
Daar moeten andere mogelijkheden
liggen. Ik vind het in ieder geval
belangrijk dat staatssecretaris
Linschoten namens het kabinet zegt
dat het denken niet ophoudt. Tot nu
toe zijn de mogelijkheden nog niet
gevonden. Misschien dat ik in
tweede termijn een suggestie doe. Ik
vind het in ieder geval al voldoende
als men ook buiten de sfeer van de
sociale zekerheid kijkt. Dat heeft men
in feite al gedaan. 

</spreker>
<spreker pagina="11-356" anker="26" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 Daarin
heeft u absoluut gelijk. Ik ben dan
ook buitengewoon benieuwd naar
uw tweede termijn.
De heer Van de Zandschulp is heel
uitgebreid ingegaan op de verdeling
van verantwoordelijkheden en de
vraag wat je binnen de collectiviteit
moet regelen en wat je aan het
private domein kunt overlaten. Hij
heeft naar aanleiding van de
verdediging van het wetsvoorstel en
de inhoud daarvan gezegd dat
hiermee eigenlijk het debat is
geopend over de vraag of wij in de
toekomst toe zullen moeten naar een
vorm van inkomensafhankelijke
kinderbijslag.
Laat ik daar een paar opmerkingen
over maken. Als ik praat over een
andere verdeling van verantwoorde-
lijkheden, een andere verdeling
tussen het collectieve domein aan de
ene kant en het private domein aan
de andere kant doel ik op een
bredere discussie dan de heer Van
de Zandschulp heeft aangegeven in
zijn eerste termijn. Hij noemde het
voorbeeld van de Ziektewet en gaf
aan dat het daar meer voor de hand
ligt, omdat je daar een dam moet
opwerpen tegen het gegeven dat
men zaken afwentelt op de collec-
tieve sector. Men zal dan meer
nadrukkelijk zaken binnen het private
domein moeten regelen om die
afwenteling te voorkomen. Ik ben dat
op zichzelf met hem eens. Dat
element speelt inderdaad bij een
verdeling van verantwoordelijkheden
zoals wij die bespreken rondom de
kinderbijslag geen rol. Daar spelen
die afwentelingsargumenten geen rol
en zij zijn ook geen onderdeel van de
argumentatie. Ik zou hem willen
voorhouden dat de hele discussie
over de nadere verdeling van
verantwoordelijkheden in de sfeer
van de sociale zekerheid natuurlijk
een stuk verder gaat dan alleen maar
het opwerpen van een dam tegen die
elementen van de sociale zekerheid
die afgewenteld kunnen worden op
de collectiviteit.
Op het moment dat je tot de
conclusie komt dat anno 1995
mensen meer eigen verantwoorde-
lijkheid kunnen dragen voor de
financie¨le consequenties van
kinderen is dat wel degelijk een
discussie met een intrinsieke waarde.
Als wij in de komende jaren aan de
hand van de afspraken in het
regeerakkoord praten over de
toekomst van het stelsel van sociale
zekerheid, waarbij natuurlijk ook aan
de hand van een aantal thema’s de
vraag aan de orde komt wie
waarvoor verantwoordelijk is, wil ik
die discussie in de hele breedte
voeren. Ik wil niet alleen kijken naar
het voorkomen van afwenteling,
maar ik wil ook nadrukkelijk een
antwoord proberen te geven op de
vraag of je in redelijkheid een
verantwoordelijkheid buiten de
collectieve sector kunt neerleggen.
Kun je van mensen, in dit tijdsge-
wricht, vragen dat zij die verantwoor-
delijkheid zelf nemen? Is het goed
afgewogen dat het voor alle
betrokkenen mogelijk is om die
verantwoordelijkheid waar te maken?
Dat is ook een element dat in de
discussie moet worden betrokken. Ik
voer die discussie graag met de heer
Van de Zandschulp aan de hand van
het kabinetsstandpunt over de
toekomst van de sociale zekerheid,
maar dan graag in een wat bredere
context.
Heb ik daarmee in feite het debat
geopend rondom het inkomensaf-
hankelijk maken van de kinderbij-
slag? Ik meen niet dat dit het geval
is. Ik kan mij voorstellen dat de heer
Van de Zandschulp dat zou willen
agenderen tijdens die discussie,
maar dat is in eerste instantie niet
mijn bedoeling. Ik wil er heel kort
een aantal opmerkingen over maken.
De heer Van de Zandschulp gaf zelf
al aan dat er in de discussie over
inkomensafhankelijke kinderbijslag
altijd twee belangrijke argumenten
een rol hebben gespeeld. Ik meende
uit zijn betoog in eerste termijn te
kunnen optekenen dat hij ook de
waarde van die argumenten heeft
erkend. Het eerste argument is dat
bij het inkomensafhankelijk maken
van de kinderbijslag het hele
systeem ingewikkelder wordt,
moeilijker uitvoerbaar en fraude-
gevoeliger. Het is technisch dus veel
ingewikkelder om uit te voeren. Het
tweede argument is dat inkomensaf-
hankelijke kinderbijslag de zoveelste
inkomensafhankelijke regeling
toevoegt aan de vele die wij al
hebben, met alle consequenties voor
de marginale druk en dus voor het
functioneren van de arbeidsmarkt.
De heer Van de Zandschulp voegde
er zelf aan toe dat die argumenten
altijd een belangrijke rol hebben
gespeeld. Hij erkende die argumen-
ten ook, maar zij hebben geen
eeuwigheidswaarde voor hem. Nu
zijn er in dit kader weinig argumen-
ten die eeuwigheidswaarde hebben,
maar ik zou de heer Van de
Zandschulp willen voorhouden dat
beide elementen in ieder geval op dit
moment nog een belangrijke waarde
hebben.
Het valt niet te ontkennen dat het
inkomensafhankelijk maken van de
kinderbijslag, via welk instrumenta-
rium dan ook, via de oude, altijd
bepleite weg of via het bruteren van
de kinderbijslag, nog steeds een rol
speelt. Als wij de kinderbijslag
eenvoudig willen houden, inzichtelijk
en met name ook makkelijk
uitvoerbaar, is dit niet de meest voor
de hand liggende oplossing. Ook op
dit moment geldt nog steeds dat de
problematiek van inkomensafhanke-
lijke regelingen extra problemen met
betrekking tot de marginale druk
oplevert. Ook op dit moment hebben
wij op de arbeidsmarkt nog steeds
grote problemen met het functione-
ren daarvan vanwege die marginale
druk. Met andere woorden, op dit
moment weet ik weinig argumenten
te bedenken op grond waarvan wij
die discussie zouden moeten voeren.
Uitgaande van zijn interessante
verhaal ga ik ervan uit dat de heer
Van de Zandschulp dit als agenda-
punt zal toevoegen in de discussie
over de verdere toekomst van de
sociale zekerheid. Dan moet bekeken
worden hoe zwaar die argumenten
op dat moment nog moeten wegen.
Ik ga in op de opmerking van de
heer Van de Zandschulp dat dit soort
wetsvoorstellen zouden moeten
worden gezien in het kader van de
controverse tussen ’’paarse’’ en
conventionele oplossingen. Ik denk
niet dat het een goede weg zou zijn
om een zodanige tegenstelling te
construeren. Ik heb zojuist al
aangegeven dat, kijkend naar de
diverse verkiezingsprogramma’s, er
ook in het verkiezingsprogramma
van het CDA substantieel bespaard
wordt op de kinderbijslag. Een
controverse tussen ’’paars’’ en
conventioneel acht ik niet aanwezig
op grond van de keuze die wij in dit
wetsvoorstel hebben gemaakt.
Ik wil er overigens wel aan
toevoegen – daar zijn ook opmerkin-
gen over gemaakt – dat het zeker
niet zo is dat als dit wetsvoorstel in
het Staatsblad staat, wij in Nederland
te maken hebben met een zeer
kindonvriendelijke situatie. De heer
Van der Meulen heeft daar over
gesproken en hij heeft ook gewezen
op een internationale vergelijking. Ik
wil dat verre van mij houden, omdat
de situatie in Nederland van de
sociale zekerheid, ook in een
internationale vergelijking, allesbe-
halve onvriendelijk is. Als wij
geı¨soleerd kijken naar een voorzie-
ning als de kinderbijslag in Neder-
land en in de ons omringende
landen, kan men op grond daarvan
wellicht tot de bedoelde conclusie
komen. Bij een evenwichtige
vergelijking moet echter ook bekeken
worden hoe ouders met kinderen en
onvolledige gezinnen met kinderen
in de rest van de sociale zekerheid
behandeld worden. De heer Van der
Meulen weet dat wij in de rest van
de sociale zekerheid, bijvoorbeeld in
de sfeer van de Algemene bijstands-
wet, aparte normen hebben voor
gezinnen met kinderen en voor
eenoudergezinnen met kinderen. Als
je het totale beeld in onze sociale
zekerheid plus de kinderbijslag
bekijkt, constateer je dat Nederland
in internationaal verband zeker geen
kindonvriendelijk land is. Dat zal ook
zo blijven, nadat dit wetsvoorstel in
het Staatsblad is verschenen.
Voorzitter! Ik meen hiermee te zijn
ingegaan op wat van de kant van de
Kamer in eerste termijn naar voren is
gebracht.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-357">

 
<spreker pagina="11-357" anker="27" partij="CDA" naam="Van der Meulen">

Voorzitter! Ik dank de staatssecretaris
voor zijn beantwoording, ook aan het
adres van het CDA, al heeft die
beantwoording ons niet bevredigd.
Het was voor de staatssecretaris niet
zo moeilijk, op onze vragen in te
gaan, omdat ik gisteravond heb
geconstateerd dat veel sprekers,
misschien wel alle sprekers, vragen
hebben gesteld of opmerkingen
hebben gemaakt over de achtergron-
den van dit wetsvoorstel. Dat heeft
een ieder in eigen bewoordingen
gedaan. De een was scherper dan de
ander. Ik denk dat ik de scherpste
was, maar dat moet dan maar voor
lief worden genomen. De conclusies
waren echter verschillend.
Ik meen dat de heer Heijmans heeft gezegd: geef maar ruiterlijk toe
dat het alleen om bezuinigingen
gaat. Het is heel duidelijk dat de
staatssecretaris daarop niet op die
wijze kon ingaan. Hij heeft er onder
andere het element van een herijking
van de verantwoordelijkheden
bijgehaald. Soms leek het er echter
op dat het wel bijna alles te maken
had met alleen maar bezuinigingen
en dat de rest erbij werd gesleept.
Op de vraag over 70, 85 en 100 zei hij letterlijk: dat hadden wij nodig
voor een aanvullende besparing. Ik
denk dat al het andere dat een rol
speelt van minder betekenis moet
worden geacht.
Voorzitter! In het verleden is de
kinderbijslag betaald door de
werkgevers. Dat was een mogelijk-
heid om te ontkomen aan verschil-
lende loonbepalingen voor werkne-
mers zonder kinderen en
werknemers met drie of vier
kinderen. Dat zou mede in het kader
van concurrentie niet kunnen. Reeds
toen is er voor gewaarschuwd dat,
als wij dit zouden overhevelen naar
een soort volksverzekering – geen
premiebetaling meer door de
werkgevers, maar uit het budget van
het Rijk – de kans aanwezig was dat
een kabinet, waarbij in het midden
werd gelaten welk kabinet, zou
kunnen besluiten een reductie aan te
brengen die gemakkelijker gereali-
seerd zou kunnen worden dan via
onderhandelingen met de werkge-
vers over de premie, vooral in een
tijd, zoals deze, waarin er sprake is
van een veel vrijer loonbeleid. Ik
denk dat deze ontwikkeling zich nu
aan het voltrekken is. Ik constateer
dat paars, inclusief de PvdA,
bezuinigt op de kwetsbare groepen,
namelijk op de werknemers met
grote gezinnen en lage inkomens, en
dat het flankerend beleid onvol-
doende is dat op te vangen.
Ondanks de goede beantwoording
door de minister, ik bedoel de
staatssecretaris – wie weet wat de
toekomst brengt – heb ik zijn
woorden met respect aangehoord.
Hij heeft een opvatting verkondigd
die haaks staat en blijft staan op
onze invulling, niet op de uitgangs- punten. Hij heeft gezegd: er is sprake
van een lichte accentverschuiving. Ik
denk dat dit erg tegenvalt. Ik geloof
er niets van dat over een jaar of tien
zal blijken dat die accentverschuiving
zo licht was. De onderbouwing die
de staatssecretaris heeft gegeven,
was van dien aard dat ik moet zeggen: dat is je reinste natte-
vingerwerk, volkomen een slag in de
lucht.
Voorzitter! Wat de gezinsplanning en de kindonvriendelijkheid betreft:
ik geloof de staatssecretaris op zijn
woord dat een en ander de
bedoeling van hem noch het kabinet
is. Ik heb geen redenen daaraan te
twijfelen. Hij zal het ons echter niet
euvel duiden dat wij de vinger goed
aan de pols houden.
De tijd zal leren hoe het gaat met
die kindonvriendelijkheid. Je hoeft in
elk geval geen profeet te zijn om te
voorspellen dat het die richting
uitgaat. Hoe komt het, is al een paar
maal gevraagd, dat geen groot
rumoer ontstaat? Ik denk dat de
mensen op dit moment niet weten
wat er precies aan de hand is.
Vanmorgen stond een heel klein
stukje in de Volkskrant hierover. Ik
heb dat snel gelezen en geconsta-
teerd dat daarin geen onzin staat,
maar dat het stukje wel onvoldoende
is om inzicht te krijgen in hetgeen
zich gaat voltrekken. Het leek een
grapje toen ik vroeg om in de
voorlichting die hele tabel op te
nemen, zodat men exact ziet wat het
was en wat het in de toekomst
wordt. De staatssecretaris mag daar
een zo groot mogelijke toelichting op
geven, maar ik denk dat het beslist
noodzakelijk is die tabel op te
nemen. Ik kan mij voorstellen dat
geen persbericht wordt uitgebracht,
maar een brochure waarin precies
wordt aangegeven wat het was en
wat het wordt en dat die brochure op
postkantoren, in bibliotheken en
weet ik verder waar kan worden
verkregen. Ik denk dat er dan het een
en ander zal veranderen in de
meningsvorming van het volk.
Voorzitter! Ik blijf het overgangs-
recht een moeilijke zaak vinden. De
staatssecretaris heeft gezegd: het
heeft geen terugwerkende kracht en
de nominale bedragen blijven gelijk.
Als iemand op 2 oktober de zesde
verjaardag van zijn ene kind heeft
gevierd en op 4 november de
twaalfde verjaardag van zijn andere
kind heeft hij op grond van de
huidige wet recht op bepaalde
bedragen. Deze kan hij nu niet
claimen, want die worden geloof ik
pas eind januari uitbetaald. Ik weet
niet hoe het op het ogenblik precies
in elkaar zit. Ik heb al lang geen
kinderen van die leeftijd meer en
mijn kinderen zoeken het, wat hun
kinderen betreft – mijn kleinkinderen
dus – zelf maar uit, maar men heeft
op dit moment op grond van de wet
een bepaald recht. Mag je dat recht
veranderen? Ik kan het niet anders
zien dan dat er sprake is van een
regeling met terugwerkende kracht.
Wie weet komt er nog eens een
proces over. De rechter zal in zo’n
geval dan wel beslissen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-358">
<spreker pagina="11-358" anker="28" partij="D66" naam="Gelderblom-Lankhout">
 Voorzitter! Ik heb al gezegd
dat ik er tevreden over ben dat het
denken in het kabinet niet stilstaat.
Terecht heeft de staatssecretaris ons
uitgedaagd ook met het denken door
te gaan.
Ik heb hem gisteravond achter de
gordijnen al een van de mogelijke
suggesties aan de hand gedaan.
Kennelijk wil hij die ook nog in het
openbaar horen. Ik zei al eerder dat
wij niet alleen in de sfeer van de
sociale zekerheid behoeven te
zoeken. Wordt er gedacht aan de
IHS, dan kan er ook worden gedacht
aan de ’’andere kant’’ daarvan, het
huurwaardeforfait. De staatssecreta-
ris weet wellicht niet – hij zat toen
aan de overzijde – dat hier indertijd
het voorstel is gedaan om na te gaan
of er mogelijkheden waren om voor
mensen die om de een of andere
reden te maken hadden met een ten
opzichte van hun inkomen buiten-
sporig hoog huurwaardeforfait, een
aftopping van dat forfait in te voeren.
Een andere suggestie waarnaar het
kabinet mijns inziens zou moeten
kijken, heeft te maken met het feit
dat men thans doende is om overal
franchises in te voeren. Wellicht is
het mogelijk om een franchise in het
huurwaardeforfait in te voeren. Ik
kan deze mogelijkheid nu niet verder
uitwerken; dat wordt ook niet van mij
gevraagd. Ik leg het kabinet deze
suggestie voor zodat daar eens over
nagedacht kan worden.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-358">

 
<spreker pagina="11-358" anker="29" partij="GPV" naam="Veling">
 Mijnheer de
voorzitter! De staatssecretaris heeft
in zijn beantwoording, waarvoor ik
hem dank, gesproken over het
draagvlak in de maatschappij voor
de in dit wetsvoorstel opgenomen
maatregelen. Ik heb daarover bij
interruptie al het mijne gezegd. Op
een punt ga ik nader in. De
bewindsman stelt dat in de
samenleving gereserveerd tegen de
progressie wordt aangekeken. Moet
dat nu wel, die progressie? Voorzit-
ter! Het is mogelijk dat die houding
de wat lauwe reactie in de politiek
verklaart. Progressie heeft hier
immers de klank van het bevoorde-
len van grotere gezinnen terwijl de
staatssecretaris beter dan ik weet dat
dit niet klopt. Als in zeer beperkte
mate een tegemoetkoming wordt
gegeven in de kosten van levenson-
derhoud van kinderen, is een wat
hoger bedrag voor een volgend kind
geen bevoordeling. Daarmee wordt
ree¨el geanticipeerd op de zwaardere
lasten van dat volgende kind. Ik heb
het voorbeeld gegeven van de
ouders die hun zoon bijstaan door
een gedeelte van zijn boeken te
betalen. Als iemand een studie doet
waarbij hij veel boeken nodig heeft,
is het niet zo gek dat zijn ouders zeggen: als het aantal boeken boven
de twintig komt, betalen wij niet
langer de helft maar driekwart omdat
die kosten allemaal van jouw budget
afgaan. Voorzitter! Wij hebben hierbij
te maken met progressie. Het lijkt
erop dat er iets zeer royaals wordt
gedaan in de richting van degene die
men bijstaat, maar dat is niet waar.
Mogelijk zit hier een semantisch
probleem en wekt het woord
’’progressie’’ een verkeerde
suggestie.
Voorzitter! Ik heb in de mist naar
gronden gezocht. De vanochtend
gehanteerde mistlamp heeft niet veel
geholpen; het spijt me. De opmerkin-
gen van collega Van de Zandschulp
zijn mij uit het hart gegrepen. Met
hem ben ik ervan overtuigd dat wij
wat deze aangelegenheid betreft
onszelf op termijn zullen tegenko-
men. Juist omdat wij de gevolgen
niet op korte termijn zullen zien, zal
men later meemaken dat er een roep
komt om meer kinderafhankelijke
tarieven in allerlei settingen. Men
kan daar zwaar aan tillen of niet, ik
denk dat Van de Zandschulp wat dit
betreft gelijk heeft.
Zullen wij het oneens blijven?
Voorzitter, ik weet het niet. Graag
had ik met de staatssecretaris
gebotst maar ik vrees dat dit niet
echt is gebeurd. Dat komt mijns
inziens omdat er tegenover mijn
argumenten geen substantie¨le
argumentatie is geplaatst. Ik mag die
niet zoeken in de sfeer van de ideee¨n
en ook niet in de sfeer van bereke-
ningen. Ik zou niet weten waar ik die
argumentatie dan we`l zou moeten
zoeken. Het enige wat mij van de
beantwoording van de staatssecreta-
ris zal bijblijven, is dat hij de
voorstellen ’’alleszins verdedigbaar’’
achtte. Dat is een wel bijzonder
magere herinnering.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-358">

 
<spreker pagina="11-358" anker="30" partij="PvdA" naam="Van de Zandschulp">

Mijnheer de voorzitter! Ook ik dank
de staatssecretaris voor zijn
antwoorden. Echter, ik concludeer
dat waar de voorstellen zwak
onderbouwd zijn, dit debat niet veel
meerwaarde heeft opgeleverd. Ik kan
dit illustreren aan de hand van een
voorbeeld dat al enkele malen is
gegeven. De kosten-per-kindtheorie
en de gezinswelvaartstheorie kennen
beide een werkelijkheidselement;
daarover zijn wij het eens. Op zich
zouden beide elementen bij
benadering te wegen zijn aan de
hand van budgetonderzoeken en
andere, wellicht nu al beschikbare
gegevens, bijvoorbeeld bij het Nibud.
Dat is echter niet gebeurd; de zaken
zijn betrekkelijk simpel tegen elkaar
weggestreept. Ook de wijziging van
de leeftijdsstaffeling zou een nadere,
meer op onderzoek berustende
onderbouwing vergen voor gesteld
zou kunnen worden dat nu de
optimale norm zou zijn aangegeven.
Wat die andere
verantwoordelijkheidsverdeling
betreft, stelt de staatssecretaris dat
zij niet alleen nodig is om afwente-
ling tegen te gaan maar ook omdat
zij een intrinsieke waarde zou
hebben. Voorzitter, mij is de
intrinsieke waarde van deze
verandering niet helder; volgens mij
betekent dit niets. Niettemin ga ik
per onderwerp het debat over
verantwoordelijkheidsverdeling
graag aan.
Gisteravond heb ik gesteld dat je
met een bezuiniging van deze
omvang – wanneer men althans de
structurele effecten in ogenschouw
neemt – het debat over de inkomens-
afhankelijke kinderbijslag her-
introduceert. De staatssecretaris zegt
dat dit zijn bedoeling niet was en is.
Dat begrijp ik wel, voorzitter; ik heb
hem daarvan nooit verdacht. Ik
beoordeel een staatssecretaris niet
alleen en misschien niet eens primair
op diens bedoelingen maar ook op
grond van de effecten die hij met
door hem voorgestelde maatregelen
oproept. Gisteravond heb ik enkele
citaten van de staatssecretaris
gegeven, waaruit mijns inziens
voortvloeit dat die vraag weer aan de
orde komt. Een van die citaten herhaal ik: ’’Het invullen van de
eigen verantwoordelijkheden heeft
inderdaad te maken met praktische
mogelijkheden en onmogelijkhe-
den.’’. Voorzitter, die mogelijkheden
verschillen per inkomensniveau en
volgens Bartjes zijn de inkomens-
effecten relatief het scherpst
naarmate het inkomen lager is en het
aantal kinder hoger ligt. Het
flankerende beleid via de IHS is niet
toereikend om tegemoet te komen
aan de structurele effecten hiervan.
De staatssecretaris zal voorts op
de hoogte zijn van de resultaten van
allerlei onderzoekingen in het kader
van de schuldsaneringsproblematiek.
Het zal hem bekend zijn dat de
grootste knelpunten zich voordoen
bij de sociale minima met kinderen.
Dat is nu al een gegeven. Op het
moment dat het onderhavige
wetsvoorstel tot structurele effecten
leidt, hebben wij in dit land een
gigantisch probleem over ons
afgeroepen dat wij niet alleen
kunnen compenseren met uitsluitend
die bescheiden tegemoetkoming via
de IHS. Dan zal op enigerlei wijze
aanvullend flankerend beleid nodig
zijn. Voorzitter! Ik heb de staatssecre-
taris hiervoor al gewaarschuwd. Alle
bezwaren tegen inkomensafhanke-
lijke kinderbijslag zijn mij bekend. Ik
heb ze zelf genoemd en ik ben er
niet dol op om het debat daarover
weer op te rakelen. Ik heb een
andere, gematigde variant in
discussie gebracht, gericht op een
parallelle verhoging en brutering van
de kinderbijslag. Naar mijn mening
gelden daarvoor niet of nauwelijks
de bezwaren die naar voren komen
bij een werkelijk inkomensafhanke-
lijke kinderbijslag. Ik heb slechts de
bescheiden suggestie gedaan om dat
mee te nemen, als de staatssecreta-
ris geconfronteerd wordt met
problemen die ontstaan bij gezinnen
op minimuminkomensniveau. En als
staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid is de staatssecreta-
ris de eerste die daarmee wordt
geconfronteerd. Meer pretenties had
ik niet. Ik hoor graag een reactie van
de staatssecretaris op deze brute-
ringsvariant.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-359">

 
<spreker pagina="11-359" anker="31" partij="VVD" naam="Heijmans">
 Mijnheer
de voorzitter! Na het ’’korte’’
antwoord van de staatssecretaris een
heel korte tweede termijn van mijn
kant. In de eerste plaats breng ik
hem dank voor de beantwoording
van de opmerkingen die ik heb
gemaakt. In de tweede plaats heb ik
gisterenavond al gezegd dat wij het
wetsvoorstel zullen steunen. Ik laat
alle mogelijke theoriee¨n maar buiten
beschouwing, maar ik noem de
positieve kanten van het wetsvoor-
stel. Uiteraard is dat de aanzienlijke
bezuiniging en verder het feit dat er
nominaal geen achteruitgang
ontstaat, hoogstens straks een
achteruitgang in verwachtingen. Ik
vind het vervallen van de progressie
toch wel een belangrijk punt,
ondanks de bezwaren die van
bepaalde kant daartegen naar voren
zijn gebracht. Het is een niet
onaanzienlijke vereenvoudiging van
het stelsel. Bovendien kun je je de
vraag stellen – en over die vraag is al
heel veel gesoebat in de loop der
jaren – welk kind nu het duurste is,
het eerste of het laatste. Zolang er
geen duidelijk antwoord op die vraag
is, lijkt het mij niet overbodig om die
progressie voorlopig maar te
schrappen.
Ik ben en blijf het niet eens met de
staatssecretaris dat de herijking van
verantwoordelijkheden tussen de
collectieve en private sector iets met
dit wetsvoorstel heeft te maken. Het
is toch opvallend dat de staatssecre-
taris in de Tweede Kamer, zo zei hij
in zijn beantwoording hier, heeft
gezegd dat het primair gaat om
bezuinigingen en dat tegelijkertijd die
herijking een rol speelt. Dat klinkt in
elk geval heel anders dan wat in de
memorie van toelichting staat. Ik heb
er gisterenavond al op gewezen dat
wordt gesproken over ’’tevens’’ de
bezuiniging. Dat is een andere
volgorde dan de staatssecretaris nu
aangeeft. Ik begrijp nog steeds niet
wat het verband is tussen die
herijking en dit wetsvoorstel. Ik dacht
dat bij de huidige gang van zaken die
herijking slaat op privatisering van
de uitvoering van de WAO en de
Ziektewet, de opting out en
dergelijke. Dat is toch iets heel
anders dan door financie¨le maatrege-
len de verantwoordelijkheid voor de
ouders vergroten, ouders die de
verantwoordelijkheid voor de
opvoeding van hun kinderen, los van
de kinderbijslag, al lang gewoon
genomen hebben.
De staatssecretaris en ik kunnen
met dit verschil van mening wel
leven. Ik herhaal toch wel dat ik bij
dit soort wetsvoorstellen liever geen
ideologisch sausje zie, maar meer
waarde hecht aan een stevige
rechtsgrond, waarover je kunt
discussie¨ren.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-359">

 
<spreker pagina="11-359" anker="32" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">

Mijnheer de voorzitter! Ik begrijp dat
mijn antwoord voor de heer Van der
Meulen niet bevredigend is geweest.
Wat dat betreft zijn wij niet veel
opgeschoten ten opzichte van de
eerste termijn. Ik ben het met hem
eens dat een niet onbelangrijk
onderdeel van mijn verdediging is
geweest dat dit wetsvoorstel een
bijdrage zou moeten leveren aan de
bezuinigingstaakstelling. Ik ga niet
zover als hij met zijn uitspraak dat de
rest van de argumentatie er maar bij
is gezocht. Die heeft wel degelijk een
rol gespeeld. De noodzaak om te
bezuinigen leidt niet per definitie tot
deze keuze. De heer Veling heeft daar
ook over gesproken. Daar moet je
een nadere afweging bij maken. Die
nadere afweging heeft ook plaatsge-
vonden. Ik denk dat beide elementen,
de noodzaak om te bezuinigen en de
afweging voor deze keuze, met
elkaar in perspectief moeten worden
gezien. Dus niet bezuinigen en de
rest van de argumenten er maar bij
zoeken. Als tegenhanger van wat in
eerste termijn werd gezegd door
enkele woordvoerders, om nu niet
zo’n ideologisch verhaal te houden,
maar gewoon te zeggen dat er
bezuinigd moet worden, wil ik
zeggen dat de waarheid gewoon in
het midden ligt. Ik heb ook in mijn
antwoord in eerste termijn gepro-
beerd om dit aan te geven.
De heer Van der Meulen heeft
vervolgens gezegd dat dit het gevolg
is van het feit dat wij niet langer de
kinderbijslag betalen op de wijze
waarop dat vroeger het geval was,
maar dat wij het betalen uit de
algemene middelen. Hij zei dat er
dan vandaag of morgen een kabinet
komt, dat een greep uit die kans kan
doen en dat het voordeel is dat je
niet eerst met de werkgevers hoeft te
overleggen of het op die wijze moet
gebeuren. Die argumentatie volg ik
niet helemaal. Indien er op dit
moment een kabinet zou zijn
geweest met het CDA erin, dat
volledig het CDA-
verkiezingsprogramma had
uitgevoerd, dan had dat ook, zij het
op andere wijze, een even grote
greep in die kas gedaan. Ook het
CDA-verkiezingsprogramma ging uit
van een besparing van 800 mln. op
de kinderbijslag in 1998 door middel
van het bevriezen en door invoering
van het woonlandbeginsel. Ik erken
dat het CDA een andere invulling aan
het pakket had gegeven, maar het
argument dat een kabinet zomaar
een greep in die kas kan doen,
omdat het inmiddels via de
algemene middelen wordt gefinan-
cierd en het dan makkelijker is, wijs
ik af. Ik herhaal dat als er op dit
moment een kabinet met het CDA
had gezeten, dat volledig het
CDA-verkiezingsprogramma had
uitgevoerd, dat kabinet op dit punt
precies hetzelfde zou hebben
gedaan. Laten wij elkaar op dat punt
dus recht in de ogen blijven kijken en
elkaar geen verwijten maken alsof
wij op grond van de overwegingen
die de heer Van der Meulen aanhaalt,
iets onoirbaars doen. Het heeft
minder te maken met het gegeven
dat het uit de algemene middelen
wordt betaald dan de heer Van der
Meulen veronderstelt in zijn reactie. 

</spreker>
<spreker pagina="11-360" anker="33" partij="CDA" naam="Van der Meulen">
 Ik
heb geciteerd uit mijn eigen
verleden. Ik heb gezegd – niet alleen
ik, maar ook de huidige minister-
president – dat indien die wijziging
plaatsvindt van premiebetaling door
werkgevers naar de rijkskas, een
kabinet, welk kabinet dan ook, daar
gemakkelijker aan kan komen. Ik sluit
dan helemaal niet uit dat als het CDA
nu in het kabinet had gezeten, er een
andere invulling was geweest, maar
wel hetzelfde zou hebben plaatsge-
vonden. 

</spreker>
<spreker pagina="11-360" anker="34" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">

Daarover zijn wij het met elkaar
eens. Wat ik niet volg in de
argumentatie van de heer Van der
Meulen, is dat het enkele feit dat op
dit moment de kinderbijslag uit de
algemene middelen wordt betaald,
een extra argument is geweest om
dan het geld dat bespaard moet
worden, daar maar te halen. Dat is
geen overweging geweest. Het is een
onderdeel van het totale pakket van
de sociale zekerheid, waarvan dit
deel via de algemene middelen
wordt betaald. Een ander deel wordt
via premiebetaling gefinancierd. Op
zich zelf is dit geen overweging
geweest. Ik ben met de heer Van der
Meulen van mening dat ongeacht
welk kabinet er gezeten zou hebben,
er bedragen in deze orde van grootte
uit de sfeer van de uit de algemene
middelen gefinancierde kinderbijslag
bespaard zouden zijn.
De heer Van der Meulen heeft ook
gezegd dat wij met dit soort
voorstellen de problemen afwentelen
op gezinnen met lage inkomens. Ook
de heer Van de Zandschulp heeft
daarop gewezen. Laat ik daar toch
kort iets over zeggen. Naar mijn idee
moet dit heel nadrukkelijk worden
gezien in het licht van de compensa-
tie die wij op twee belangrijke
punten hebben geregeld. Die komt
ook terecht bij deze gezinnen. Dat is
de extra verhoging van de kinderbij-
slag voor het eerste kind en de
compensatie in de sfeer van de
individuele huursubsidie, die in
eerste instantie is gericht op
gezinnen met lagere inkomens.
Anders valt men niet in termen van
de individuele huursubsidie.
Bovendien is een niet onbelangrijk
gegeven dat al de gezinnen die op
dit moment binnen hun gezinsbud-
get rekening houden met de
kinderbijslag, in elk geval weten dat
zij er in kinderbijslagbedragen niet
op achteruitgaan. Ook het inkomens-
beeld voor 1995 ziet er voor mensen
met een lager inkomen heel
evenwichtig uit. Het is ook de
bedoeling van dit kabinet om in de
komende jaren dat evenwichtige
inkomensbeeld overeind te houden.
Een aantal woordvoerders hebben
gewezen op het feit dat zo weinig
rumoer is ontstaan over dit
wetsvoorstel. De heer Van der
Meulen wijt dat aan het feit dat de
mensen eigenlijk niet weten wat er
aan de hand is. Dat geloof ik niet. Ik
denk dat mensen heel goed weten
wat er aan de hand is. Ik denk dat de
mensen er heel goed van doordron-
gen zijn dat de kinderbijslagbedragen
waar zij op dit moment recht op
hebben en die zij op dit moment
krijgen, niet verlaagd worden door
dit wetsontwerp. Ik denk dat de
acceptatiegraad van het wetsontwerp
in de samenleving daardoor sterk
vergroot is. Het is geen kwestie van
onwetendheid van mensen. Voor
wetgeving die op een dergelijke
wijze wordt ingevoerd, is er in de
samenleving een veel groter
draagvlak dan de heer Van der
Meulen veronderstelt. Als ik let op de
aandacht die in de media besteed is
aan de voorstellen die het kabinet op
dit punt heeft gedaan, stel ik vast dat
er in voldoende aandacht aan
besteed is en dat de mensen er
kennis van hebben kunnen nemen. Ik
zeg overigens toe dat wij in de
voorlichting heel nadrukkelijk zullen
aangeven wat in de toekomst de
rechten van de mensen op kinderbij-
slag zijn. Het is bekend dat wij daar
regulier voorlichtingsmateriaal voor
hebben. In dat reguliere
voorlichtingsmateriaal zal zonder
enige twijfel ook aandacht worden
besteed aan de nieuwe bedragen die
in de toekomst gaan gelden voor de
kinderbijslag. 

</spreker>
<spreker pagina="11-360" anker="35" partij="GPV" naam="Veling">
 Ik denk dat
veel mensen wel hebben gezien dat
zij zelf niet direct schade zullen
ondervinden van datgene wat er gaat
gebeuren. Dat betekent dat er niet
zozeer belangengroepen zijn die in
actie komen. Politieke partijen
verschillen in die zin van actiegroe-
pen en belangengroepen dat zij ook
belangen van niet aanwezigen of van
toekomstige generaties moeten
verdisconteren. In de publieke opinie
is dat minder het geval. Ik heb eerder
al gezegd dat het mij opvalt dat dit
punt heel weinig verdisconteerd
wordt in de besprekingen hier. Als
het punt al wordt gezien, leidt het
niet tot conclusies. Dat stelt mij een
beetje teleur. Ik vrees dat de
discussie een beetje verzandt. Dat
was min of meer te voorzien, omdat
de coalitie al overtuigd was. Dat
blijkt nu ook. Dan kun je hoog of
laag springen, maar dan is het toch
zo. Dat mag een woordvoerder van
een politieke partij er echter niet van
weerhouden om hoog of laag te
springen. Juist het niet oproepen van
verzet zegt naar mijn mening iets
over de wijze waarop de politieke
partijen hun verantwoordelijkheid
niet voldoende verstaan. 

</spreker>
<spreker pagina="11-360" anker="36" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 Ik vrees
dat wij blijven botsen. Dat is heel
gevaarlijk in de mist. Met alle
respect, maar de heer Veling gaat
wel een beetje voorbij aan het
argument dat ik gehanteerd heb. Als
er geen maatschappelijke groepering
bestaat die voor een specifiek
deelbelang opkomt, is het zeker niet
zo dat de politieke partijen dat ook
niet zouden moeten doen. Mijn
argumentatie komt er echter niet op
neer dat er geen rumoer ontstaat
omdat er geen belangengroepen zijn
of omdat de politieke partijen in de
Eerste of de Tweede Kamer in
onvoldoende mate maatschappelijke
onrust die er zou zijn, onder
woorden brengen. Nee, mijn
argumentatie komt erop neer dat er
in de samenleving een zeer breed
draagvlak voor dit wetsvoorstel is. Er
is een zeer breed draagvlak voor
wetgeving waarin wij voor de
toekomstige situatie structurele
besparingen aanbrengen, maar
waarbij wij tevens tegen de mensen
die op dit moment ergens op
rekenen, zeggen dat zij dezelfde
bedragen houden. Ik ben ervan
overtuigd dat dit draagvlak aanwezig
is, niet alleen in deze Kamer, maar
ook in de samenleving. Dat is de
argumentatie die ik naar voren heb
gehaald. En dat is een wat andere
dan de heer Veling veronderstelde.
Ik maak nog een opmerking over
de terugwerkende kracht, omdat de
heer Van der Meulen erop terug-
kwam. Ik denk dat wij op dit punt
helemaal niet processen of iets
dergelijks moeten afwachten. Wij
moeten ons afvragen of wij
kortingen op de kinderbijslag met
terugwerkende kracht gaan invoeren
voor mensen die op dit moment
bepaalde bedragen hebben. Van zo’n
terugwerkende kracht is naar mijn
vaste overtuiging geen sprake.
Mensen die in dit kwartaal recht
hebben op een bepaald bedrag
kinderbijslag, houden dat recht, ook
in de nieuwe situatie. Als men in de
loop van de tijd op basis van de
oude wetgeving recht zou hebben
gekregen op verhogingen, gaan die
niet door. Daarover zijn wij het eens.
Er is naar mijn stellige overtuiging
geen sprake van enige terugwer-
kende kracht. Ik benadruk dat
nogmaals in deze tweede termijn.
Tegen mevrouw Gelderblom zeg ik
dat het denken natuurlijk doorgaat.
Zij heeft zelf een tweetal suggesties
aangedragen op het punt van de
compensatie, namelijk het invoeren
van een franchise in het huurwaarde-
forfait of het aftoppen in een
dergelijke regeling. Zo uit de losse
pols kan ik de consequenties daarvan
niet overzien. Ik meen dat ik in eerste
instantie ook te rade zou moeten
gaan bij mijn collega Vermeend. Hij
zal ongetwijfeld kennis nemen van
hetgeen mevrouw Gelderblom hier
heeft gezegd. Ik hoop dat hij met mij
doordenkt over wat wij op dat punt
kunnen doen. Mijn eerste voorlopige
reactie is dat beide voorstellen op z’n
minst betekenen dat wij de regelge-
ving ingewikkelder maken. Op
zichzelf is het geen doelstelling dat
wij de regelgeving zo ingewikkeld
maken dat wij het laatste geval tot
het laatste cijfer achter de komma op
de meest rechtvaardige manier
behandeld hebben. Wij moeten ook
de afweging maken hoe doelmatig
wij omgaan met de regelgeving en
hoe ingewikkeld wij de regelgeving
met elkaar willen maken. Dit is mijn
eerste reactie, maar ik wil er graag
over nadenken. Ik wil mij graag laten
inlichten over de consequenties van
de suggesties die mevrouw
Gelderblom heeft gedaan.</spreker>
<spreker pagina="11-361" anker="37" partij="D66" naam="Gelderblom-Lankhout">
 Wij hebben wel vaker
ingewikkelde regelgeving bedacht en
achteraf bleek het dan best mee te
vallen met die ingewikkeldheid, als
wij een rechtvaardige compensatie
aan alle inkomensgroepen wilden
geven. De staatssecretaris zegt niet
dat hij het hiermee afwimpelt. Hij
waarschuwt voor een mogelijke
complicatie. Daar moeten wij beiden
nog maar eens over nadenken. De
doelstelling, namelijk een eerlijker
compensatie, blijft overeind. 

</spreker>
<spreker pagina="11-361" anker="38" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor dat wij de
speculatie over de eventuele
ingewikkeldheid nu laten rusten en
dat wij ons beperken tot het
wetsontwerp zelf, ook gelet op de
werkdruk die op deze Kamer rust. Ik
verzoek de leden, daarmee rekening
te houden. 

</spreker>
<spreker pagina="11-361" anker="39" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">

Voorzitter! De heer Van de Zand-
schulp is ook in tweede termijn
ingegaan op het gegeven dat, als je
dit soort ingrijpende structurele
maatregelen treft, of je het nu wilt of
niet bijna als vanzelf de discussie
over je afroept van een inkomensaf-
hankelijke kinderbijslag. Ik geef hem
graag toe dat de bruteringsvariant op
het punt van de uitvoering en de
handhaafbaarheid een wat ander
licht werpt op de discussie dan de
ouderwetse discussie over inkomens-
afhankelijkheid, als ik het zo mag
noemen. Dat neemt niet weg dat een
deel van dat argument overeind blijft
en dat in ieder geval het element van
de marginale druk overeind blijft. Ik
neem kennis van de opvattingen van
de heer Van de Zandschulp en zijn
fractie. Als wij op termijn praten over
de verdere toekomst van het stelsel
van sociale zekerheid, waarbij de
verdeling van verantwoordelijkhe-
den, maar ook deze elementen aan
de orde zijn, zullen wij deze discussie
nader met elkaar voeren.
Dan nog een tweetal opmerkingen
aan het adres van de heer Heijmans.
Hij heeft de positieve elementen van
het wetsontwerp op een rijtje gezet.
Het zal hem niet verbazen dat ik het
daarmee eens ben, maar dat ik het
niet helemaal met hem eens ben op
het tweede punt. Ik ben wel degelijk
van mening dat er ook bij dit
wetsontwerp sprake is van herijking
van verantwoordelijkheden. Ik wil
daarover niet overdreven ideologisch
doen. De heer Heijmans weet dat
ook andere argumenten een rol
gespeeld hebben. Toch kan niet
ontkend worden dat, als de overheid
terugtreedt op het punt van het
dragen van financie¨le verantwoorde-
lijkheid voor het opvoeden van
kinderen, er een grotere financie¨le
verantwoordelijkheid bij de ouders
wordt gelegd. Dat is op zichzelf een
andere verdeling van verantwoorde-
lijkheden. Maar ook met de heer
Heijmans zet ik de discussie over de
herijking van verantwoordelijkheden
graag op een later moment voort.
De beraadslaging wordt gesloten. 

</spreker>
<spreker pagina="11-361" anker="40" naam="De voorzitter">
 Er wordt stemming
gevraagd. Deze zal plaatsvinden
morgen direct na de middagpauze.
De vergadering wordt van 13.28 uur
tot 14.30 uur geschorst.</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="11-361">

Aan de orde is de voortzetting van
de behandeling van de wetsvoorstel- len:
- Wet belastingen op milieu-
grondslag (22849);
- Invoering van en aanpassing
van een aantal wetten aan de
Wet belastingen op milieu-
grondslag (Invoeringswet Wet
belastingen op milieugrondslag)
(22851);
- Wijziging van de Wet
belastingen op milieugrondslag
in verband met het aanbrengen
van een permanente verfijning
alsmede twee tijdelijke verfijnin-
gen (23935).
De beraadslaging wordt hervat.
</onderwerp>
</text>

</handeling>


