<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2022]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Voortzetting van de behandeling van de wetsvoorstellen Wet belastingen op milieugrondslag (22849); Invoering van en aanpassing van een aantal wetten aan de Wet belastingen op milieugrondslag (Invoeringswet Wet belastingen op milieugrondslag) (22851); Wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met het aanbrengen van een permanente verfijning alsmede twee tijdelijke verfijningen (23935)</item>
<item attribuut="Bestand"> 108 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Belastingen (Milieuheffingen)
Belastingen (Energiefondsheffingen)
Milieu (Milieuheffingen)</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Belastingen
Afvalstoffen</item>
<item attribuut="Dossiernr">22849, 22851, 23935</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 9, Eerste Kamer, pag. 361-382</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">20-12-1994</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2022</item>
<item attribuut="Omvang">22 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Eerste Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Belastingen op milieugrondslag</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Financie¨n</item>
<item attribuut="doccode">EK 11</item>
<item attribuut="voorzitter">Heijne Makkreel</item>
<item attribuut="voorzitter">Tjeenk Willink</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="11-361">

Aan de orde is de voortzetting van
de behandeling van de wetsvoorstel- len:
- Wet belastingen op milieu-
grondslag (22849);
- Invoering van en aanpassing
van een aantal wetten aan de
Wet belastingen op milieu-
grondslag (Invoeringswet Wet
belastingen op milieugrondslag)
(22851);
- Wijziging van de Wet
belastingen op milieugrondslag
in verband met het aanbrengen
van een permanente verfijning
alsmede twee tijdelijke verfijnin-
gen (23935).
De beraadslaging wordt hervat.

<blok pagina="11-362">

 
<spreker pagina="11-362" anker="45" soort="Minister" naam="De Boer">
 Voorzitter! Ik moet
u zeggen dat ik met een grote mate
van interesse – en niet alleen, omdat
dit beroepsmatig van mij gee¨ist
wordt – geluisterd heb naar de heel
fundamentele beschouwingen die
vanmorgen over dit onderwerp
gehouden zijn. Dit onderwerp heeft
een lange voorgeschiedenis. Ik ben
daar nog maar kort bij betrokken en
voor een deel tref ik dit dossier aan,
maar dat maakt het bepaald niet
minder interessant. Het is goed om
heel kort een aantal stappen de
revue te laten passeren, die de
afgelopen jaren gezet zijn op het pad
dat leidde naar dit voorstel.
Ik heb uit alle dossiers begrepen –
en vanmorgen is er ook aan
gerefereerd – dat aanvankelijk een
dergelijk belastingsysteem ontwik-
keld is, om de toenemende
milieu-uitgaven te financieren.
Volstrekt terecht, naar mijn mening,
heeft men daar op enig moment van
afgezien. Het betekende dat de
opbrengsten wel gegenereerd
zouden moeten worden en om die
opbrengsten te genereren, heeft men
gezocht naar een relatie met
belastingen en opbrengsten. In
wezen hebben wij het op dit ogenblik
over die belastingopbrengsten en die
belastingen zelf, die dan wel een
raakvlak moesten hebben met het
milieu. In de loop der jaren, zo zie je
ook heel duidelijk in de dossiers
terug, wordt er langzamerhand
gesproken over ecologisering van
het belastingstelsel, maar dat is iets
dat in de loop der jaren gegroeid is.
Nu is er, zo zou je kunnen zeggen,
een heel voorzichtige, eerste stap
gezet op dat traject. Wij zullen met
elkaar nog onder ogen moeten zien,
waar dat naartoe moet gaan. Het is
een eerste stap en niet meer nog dan
dat.
Wat was nu noodzakelijk om in dit
stelsel te ontwikkelen? Dat was, dat
wij evenwichtige verhoudingen
zouden hebben tussen de opbreng-
sten van het stelsel, het voorkomen
van negatieve economische of
negatieve milieu-effecten en
tegelijkertijd het bewerkstelligen van
een signaalwerking naar bepaalde
milieuvelden toe. Als je een heel
hoge tarifering voor bepaalde
aspecten had ingevoerd, zou dat
evenwicht eruit zijn gehaald. Dan zou
je wel gereguleerd hebben, maar
daarbij zou het belastingstelsel als
zodanig heel onevenwichtig worden
en dat heeft dan weer andere
negatieve bij-effecten.
Bij een regulerende heffing zoals
wij die waarschijnlijk in 1996 zullen
invoeren, heb je volstrekt een andere
situatie, want daar is het de
bedoeling dat je de opbrengsten
weer terug laat vloeien naar degene
die daarvoor betaalt, naar de
gebruiker. Kortom, het belasting-
stelsel waar wij het vandaag over
hebben, is fundamenteel anders dan
een regulerende heffing, maar dat
hebt u allemaal ook wel onderschre-
ven.
Zijn wij nu in Nederland op een
volstrekt unieke manier bezig? Nee,
dat is niet zo. In internationaal
verband wordt al vrij lang gesproken
over de wenselijkheid van het
verschuiven van lasten van arbeid of
kapitaal naar milieu. Met name de
OESO heeft zich daar diverse keren
over uitgesproken en heeft daarbij
ook van tijd tot tijd een beroep
gedaan op regeringen, op landen,
om die kant op te gaan.
Wanneer u de discussies mee zou
maken in de Milieuraad van de
Europese Unie of in de ECOFIN, de
Europese Raad van ministers op
financieel-economisch gebied, dan
zou u weten dat daar in ieder geval
het laatste half jaar, maar waarschijn-
lijk al veel langer, voortdurend aan
de orde is de discussie over het
verschuiven van lasten op arbeid of
kapitaal naar milieu. Ik weet uit de
discussie die wij vorige week nog
hebben gehad in de Milieuraad, dat
in ieder geval in Denemarken,
Zweden en Duitsland en, naar ik
meen, voor een deel in Engeland en
ook in Frankrijk sprake is van een
systeem van milieubelasting. Dat is
in het ene land heel sterk gericht op
het water en in het andere land op
brandstoffen. Kortom, het is bepaald
niet zo dat wij vooroplopen wat
betreft dit onderwerp. De staatsse-
cretaris zal daar aanmerkelijk meer
over kunnen vertellen, want deze
heeft nog veel meer, gedetailleerde
informatie daarover. 

</spreker>
<spreker pagina="11-362" anker="46" partij="SGP" naam="Barendregt">

Voorzitter! Hebben wij het dan over
regulerende heffingen die men daar
heeft, of zijn het belastingheffingen
zoals wij die kennen? 

</spreker>
<spreker pagina="11-362" anker="47" soort="Minister" naam="De Boer">
 Nee, daar is men
bepaald nog niet zover dat het
woord ’’regulerende heffing’’ aan de
orde is; dan gaat het inderdaad heel
sterk over belastingheffing. Wij
hebben juist onlangs in diezelfde
Milieuraad een discussie gehad over
het belang van de regulerende
heffing. Kijk, een regulerend effect
zal het overal wel hebben. Maar een regulerende heffing in de zin van:
datgene dat zij betaald hebben via de
milieuheffingen, vloeit weer terug
naar de burgers – die manier van
regulerende heffing is in die andere
landen bepaald nog niet aan de orde.
Wel is er het belastingsysteem als
zodanig, waarbij milieugoederen
belast worden. Dit heeft ook een
regulerende werking, maar wij
hebben het dan toch over een
belastingstelsel.
U hebt u, in tegenstelling tot de
Tweede Kamer, met name bezigge-
houden met de problematiek rond
het grondwater. Datgene dat de
drinkwaterbedrijven mij hadden
toegezegd, namelijk dat zij zich
indringend zouden bezighouden met
het bewerken van de Eerste-
Kamerleden, heeft inderdaad zijn
effect gehad, zo mag ik constateren.
Dat is overigens ook een prima zaak.
Een aantal sprekers vroegen zich
af waarom in hemelsnaam voor het
grondwater is gekozen als een van
de belastinggrondslagen. Ook
daarvan kan ik u zeggen dat bij de
discussies die gevoerd zijn in 1992,
met name door de Kamer is
aangedragen dat grondwater, zijnde
een steeds schaarser wordend goed,
een van de aspecten zou zijn waarop
deze belasting zou geheven kunnen worden: het grondwater, de
nutrie¨nten, de pesticiden en de
afvalverwerking.
Bij het grondwater, als een steeds
schaarser wordend goed, heb je per
regio met andere aspecten te maken.
In sommige regio’s is het zo dat de
verdroging een grote rol speelt. Dat
is bepaald niet alleen maar in de
echte zandgebieden het geval, maar
bijvoorbeeld ook in de Randstad, als
het gaat om de duinen. Wat vrijwel
overal aan de orde is, is dat de
kwaliteit van het grondwater een
probleem begint te worden. Het
betekent al met al dat je met het
grondwater heel voorzichtig en
zuinig moet omgaan. 

</spreker>
<spreker pagina="11-362" anker="48" partij="PvdA" naam="Zijlstra">
 Voorzitter!
De minister heeft het nu over het
grondwater in de duinen. Ik neem
aan dat zij niet het grondwater
bedoelt dat wordt opgepompt na
infiltratie. Ik neem aan dat zij echt
grondwater bedoelt. Kan zij ons ook
aangeven hoe groot het percentageis van het echte grondwater in de
totale wateronttrekking in de duinen? 

</spreker>
<spreker pagina="11-363" anker="49" soort="Minister" naam="De Boer">
 U hebt zelf ten
aanzien van de landelijke verhoudin-
gen aangegeven dat er een relatie
was van 20/80. Ik moet u zeggen dat
ik vanmiddag niet in de gelegenheid
ben geweest om dat precies na te
gaan. In ieder geval is het zo dat er
ambtelijk bij ons getwijfeld werd aan
de juistheid van dat cijfer, maar
omdat ik dat op dit ogenblik niet kan
weerleggen, ga ik ervan uit dat u
gelijk hebt en dat het 20/80 is. Als u
nu vraagt hoe dat zit bij de duinen
en wat voor soort verhouding je daar
hebt, dan kan ik u op dit ogenblik
daar het antwoord niet op geven. Ik
moet u wel zeggen dat, ook al is het
maar een redelijk gering percentage,
het probleem van het grondwater,
namelijk dat je er zuinig mee moet
zijn, overeind blijft. Ook al hebben
wij het over 20%, dan nog is het een
fundamenteel gegeven dat grondwa-
ter voor ons een heel kostbaar goed
is. 

</spreker>
<spreker pagina="11-363" anker="50" partij="PvdA" naam="Zijlstra">
 Maar dat
geldt evenzeer voor zuiver water dat
gewonnen wordt uit oppervlaktewa-
ter. 

</spreker>
<spreker pagina="11-363" anker="51" soort="Minister" naam="De Boer">
 Van oppervlakte-
water hebben wij gelukkig in dit land
meer dan van grondwater. Het is wel
zo dat wij steeds meer tot zuivering
moeten overgaan, als het gaat om
oppervlaktewater.
Vanmorgen is een aantal keren
aan de orde gekomen dat wij tot een
situatie komen, waarin er sprake is
van een grote mate van ongelijk-
waardige behandeling, resulterend in
ongelijkwaardige tarifering, van
grondwater en oppervlaktewater.
Wanneer wij het landelijk bekijken, is
oppervlaktewater nog steeds
aanmerkelijk duurder dan grondwa-
ter. Dat heeft onder andere te maken
met het feit dat bij oppervlaktewater
een heleboel handelingen verricht
moeten worden om het zuiver te
krijgen. 

</spreker>
<spreker pagina="11-363" anker="52" partij="PvdA" naam="Zijlstra">
 Juist omdat
het schone oppervlaktewater
praktisch niet bestaat, moet er zoveel
geld gespendeerd worden om er
drinkwater van te maken. Dat geld
eraan spenderen is juist een
symptoom van de schaarste van
schoon oppervlaktewater. 

</spreker>
<spreker pagina="11-363" anker="53" soort="Minister" naam="De Boer">
 Daar vinden wij
elkaar, mijnheer Zijlstra. Het is echter
niet zo dat je daarom wat royaler zou
kunnen zijn met grondwater. Ook dat
is een heel schaars goed. Wij moeten
er met zijn allen naar streven, te
komen tot een fundamentele
waterbesparing. Een van de
instrumenten dat daarvoor aange-
wend kan worden, is het gebruik
maken van prijsstimuli.
Een aantal afgevaardigden heeft
gevraagd, hoe het zit met de
verhouding tussen de industrie en de
agrarische sector. De industrie heeft
inderdaad een lager tarief dan de
drinkwaterbedrijven. Het laatste
woord is daarover nog niet gezegd.
Omdat de industrie het actieplan
waterbesparing onderschreven heeft
en daarin moet investeren, hebben
wij wel afgesproken dat de tarieven
zo kunnen zijn als zij zijn. Ik acht het
bepaald niet uitgesloten dat ook ten
aanzien van de industrie er een
toegroei zal plaatsvinden naar de
tarifering zoals deze ook voor
drinkwater geldt. Dan spreek ik
echter over een wat langere termijn.
Bij de zuivelindustrie hebben ten
tijde van het sluiten van het
convenant in de Tweede Kamer
reeds de eerste discussies plaatsge-
vonden over dit belastingstelsel. Het
is dus absoluut niet zo dat wij als het
ware als een dief in de nacht zijn
gekomen met een verhoging van de
tarieven voor het water. Dat was op
dat ogenblik al duidelijk bekend. Het
kan niet zo zijn, dat er nu gezegd
wordt dat men het niet wist en dat
men daardoor overvallen is.
Overigens geldt voor de zuivelindus-
trie een spoelwatervrijstelling. Dat is
niet onbelangrijk voor de zuivelin-
dustrie.
Is het nu zo dat, wanneer je een
convenant gesloten hebt en er wordt
overgegaan tot verhoging van
bepaalde belastingen of heffingen, je
op dat ogenblik een probleem schept
voor je convenantpartijen? Het
antwoord op deze vraag kan zowel ja
als nee zijn. Dat hangt ervan af. Op
zichzelf liggen de prijzen niet vast in
een convenant. Prijzen c.q. heffingen
kunnen omhoog gaan. Wij hebben
echter wel bij alle convenanten
afgesproken dat, wanneer er zich een
situatie zou voordoen die
onvoorzienbaar was en die de
bedrijvengroep in kwestie in
problemen brengt, er gebruik
gemaakt kan worden van een
ontsnappingsclausule. Verder stellen
alle bedrijven waarmee wij conve-
nanten gesloten hebben ook
individuele bedrijfsmilieuplannen op.
Dat betekent dat met name ten
aanzien van de fasering van de
investering aparte afspraken gemaakt
kunnen worden. Met een bedrijf dat
in de moeilijkheden zou zijn gekomen – ik zeg heel duidelijk: zou
zijn gekomen – zou je dan aparte
afspraken kunnen maken over de
fasering van de investeringen. Als
een bedrijf in de problemen is
gekomen, moeten wij geen
ontwijkend gedrag vertonen. Het is
mij wat waard dat wij door de
partijen waarmee wij een convenant
gesloten hebben, gezien en ervaren
worden als een betrouwbare
overheid. Dat is immers de basis
waarop die convenanten kunnen
functioneren.
Verder hebben wij afgesproken dat
er een evaluatie kan plaatsvinden in
1997. Er is door een van u gevraagd,
of het te overwegen is die datum
naar voren te brengen. Op zichzelf
heb ik daarmee principieel geen
problemen. Wij moeten echter wel
iets te evalueren hebben. Wij moeten
niet al te vroeg aan de gang gaan.
Als u de evaluatie bijvoorbeeld een
halfjaar eerder wilt laten plaatsvin-
den, valt dat wat mij betreft rustig te
bespreken.
Voorzitter! Wij hebben de Tweede
Kamer een verbredingsnotitie
toegezegd. Daarin zal bekeken
worden, wat er nog meer onder de
werkingssfeer van deze wet gebracht
kan worden. Daarbij komen het
oppervlaktewater waarover de heer
Zijlstra zojuist sprak en een aantal
zaken waarover met name de heer
De Boer sprak, ook aan de orde. Het
wordt een discussiestuk dat wij met
de Kamer bespreken. Het gaat
daarbij om de vraag, wat er nog
meer toegevoegd kan worden aan
deze wet.
Ik heb het gevoel dat zuiverings-
slib en baggerspecie wat door elkaar
lopen in de discussie. U weet dat
zuiveringsslib afkomstig is van de
waterzuiveringsinstallaties. Wij
hadden afgesproken dat dit slib
verbrand zou worden. Ik kom zo nog
even terug op het subtiele verschil
tussen verbranden en storten.
Tijdens de gesprekken die wij
hiervoor voerden met name met de
provincies en de waterschappen,
heeft een aantal provincies initiatie-
ven genomen om te komen tot
andersoortige vormen van het
verwijderen van deze afvalstoffen.
Dat kan thermisch drogen zijn of
andere manieren. Hoewel wij vinden
dat zuiveringsslib verbrand moet
worden, hebben wij afgesproken dat,
als provincies reeds investeringen
gedaan hadden in of besluiten
genomen hadden tot een andere
manier van verwerking, wij daarmee
akkoord zouden gaan. Wij hebben
niet gezegd dat wij een algemene
vrijstelling geven op het storten van
zuiveringsslib. Voor alle duidelijk-
heid, dat hebben wij niet gezegd en
dat zeg ik ook nu niet. Wij hebben
wel gezegd, dat wij ons kunnen
verenigen met de provincies die
andere verwerkingmodules hebben
geı¨ntroduceerd.
Ten aanzien van baggerspecie –
dan spreek ik met name over
verontreinigde, niet te reinigen
baggerspecie – hebben wij een
vrijstelling gegeven. Daarvoor is
namelijk geen milieuvriendelijk
alternatief. Dat moet dan gestort
worden.
Voorzitter! Naar aanleiding van de
discussie in de Tweede Kamer over
het zuiveringsslib is aangedrongen
op een ontheffingsmogelijkheid. Ik
heb echter aangegeven dat, wanneer
er een ontheffingsmogelijkheid
ingebouwd zou worden, het een
algemene ontheffing moest worden.
Dat is gebeurd. U heeft gezien in
artikel 13 dat er een ministerie¨le
regeling is voorgesteld. Daarin staat
aangegeven dat wij op basis van
twee criteria – het moet een
contraproduktiviteit naar het milieu
opleveren of het moet ernstige
economische problemen bij het
bedrijf in kwestie opleveren –
ontheffing kunnen overwegen. Dat
kan op basis van een initiatief van de
minister van Financie¨n en van de
minister van VROM.
Dan de ontzettend boeiende
discussie over afval. Ik ben sinds
1978 met dit onderwerp bezig. In
1978 waren alle linkse partijen voor
storten en alle rechtse partijen voor
verbranden. In 1982 veranderde dat.
Toen waren alle rechtse partijen voor
storten en de linkse voor verbranden.
Toen ik zoe¨ven de heer De Boer hoorde, dacht ik: he`, het is weer
andersom. Goed, het is buitenge-
woon boeiend. Storten is een
methode van afval verwerken die
ons altijd problemen zal blijven
opleveren. Ten eerste legt het
natuurlijk een enorm beslag op de
zeer schaarse ruimte in ons land. Die
bulten die wij hier en daar zien
verrijzen, zijn niet bepaald fraai. Ten
tweede is er het probleem van de
methaangasontwikkeling aldaar. Ten
derde is het bijhouden van een
stortplaats een eeuwigdurende zorg.
Hoewel het voor een mens toch wat
moeilijk is om zomaar ’’eeuwigdu-
rend’’ te zeggen, zie ik niet wanneer
wij daarmee zouden kunnen stoppen.
Die stortplaatsen zullen toch altijd
hun zorg blijven houden. Het
betekent dat je moet overgaan tot
een andere manier van afval-
verwerking. Natuurlijk is voorkomen
absoluut het allerbeste. Daar slagen
wij op dit ogenblik ook heel redelijk
in. Als het niet voorkomen kan
worden, dan moeten wij verbranden.
De verbrandingstechnieken zijn op
dit ogenblik zodanig goed dat
verbranden absoluut beter is voor
het milieu dan storten.
Wat is het probleem met
verbranden en storten in verband
met de tarifering? Storten is ƒ 90 en
verbranden is ƒ 175 per kuub. Daar
zit nog een aardige ruimte tussen. De
tarieven zullen toch concurrerender
moeten worden gemaakt of liever
gezegd, naar elkaar opgetrokken
moeten worden, zodat het verbran-
den meer in relatie komt te staan tot
het niet door ons gewenste storten.
Daarin zal deze heffing een rol
spelen. Overigens zullen ook de
provincies volgend jaar een
nazorgheffing op de stortplaatsen
moeten introduceren. Dan komen die
twee manieren van afvalverwerking
dichterbij elkaar te liggen. 

</spreker>
<spreker pagina="11-364" anker="54" partij="GroenLinks" naam="De Boer">

Voorzitter! De minister is nogal
stellig in de uitspraak dat door de
nieuwe technieken verbranden nu
beter is dan storten. Als dat zo is,
waarom lukt het dan niet om
belangrijke partners in de milieu-
beweging van dat feit te overtuigen?
Die mensen zijn toch in ieder geval
veel deskundiger dan ik. Als de
minister gelijk zou hebben, moet het
toch ook mogelijk zijn om die clubs
te overtuigen van dat gelijk. Ik stel
vast dat dit tot nu toe niet lukt. Waar
ligt dat aan? 

</spreker>
<spreker pagina="11-364" anker="55" soort="Minister" naam="De Boer">
 Dat lukt niet, maar
niet omdat zij er niet van overtuigd
zijn dat verbranden op dit ogenblik
schoner zou zijn. De milieubeweging
is beducht – daar kan ik mij ook wel
iets bij voorstellen – voor een te
grote verbrandingscapaciteit. Een te
grote verbrandingscapaciteit heeft
een onvoldoende neerwaartse druk
op de afvalstromen. De discussie
met de milieubeweging spitst zich altijd toe op de vraag: hebben wij
nog wel een oven nodig, gezien de
ontwikkeling van de hoeveelheid
afval; moeten wij er niet voor zorgen
dat er een enorme druk komt te
staan op de toename van de
hoeveelheid afval, zodat wij zulke
vermaledijde toestanden als
stortplaatsen en ovens niet meer
nodig hebben? Nogmaals, daar zit de
crux van de discussie met de
milieubeweging. Die zit niet in het
andere aspect dat de heer De Boer
net noemde. Dat was een jaar of tien
geleden wel het geval. Toen hadden
wij in de ovens geen rookgas-
reinigingsinstallatie. Dat is een van
de attributen die het verbranden
aanmerkelijk zuiverder en schoner
hebben gemaakt.
In 1992, toen u voor het eerst
discussieerde over deze belastinghef-
fing, hebt u met elkaar al gesproken
over het intrekken van de subsidie of
de toelage – ik weet niet precies hoe
u dat indertijd hebt genoemd – voor
de rookgasreinigingsinstallaties. Toen is er gezegd: dat kan niet, want
deze regeling is ingevoerd in 1988;
1992 is te snel. Toen is afgesproken
om dat in 1999 te doen. Bij de eerste
behandeling in de Tweede Kamer,
dus ten tijde van mijn voorganger, is
er een amendement ingediend.
Daarbij werd erop aangedrongen dat
de rookgasreinigingsinstallaties niet
langer meer zouden vallen onder – ik
gebruik het verkeerde woord, maar
dat moet u mij even niet kwalijk
nemen; u weet waar het om gaat –
die subsidieregeling. Ze zouden niet
langer meer ontheven worden van
bepaalde heffingen. Nogmaals, ik
druk mij wat dat betreft niet
helemaal goed uit, maar ik hoop dat
u begrijpt wat ik bedoel. Die
rookgasreinigingsinstallaties zijn
door het amendement van de
Tweede Kamer eruit gefietst. 

</spreker>
<spreker pagina="11-364" anker="56" partij="PvdA" naam="Zijlstra">
 Voorzitter!
Mijn buurman suggereert mij dat ik
het even zeg. Het is een restitutie-
regeling. 

</spreker>
<spreker pagina="11-364" anker="57" soort="Minister" naam="De Boer">
 Precies, dat
bedoel ik dus. Zo zie je dat wij elkaar
nodig hebben in dit leven.
Voorzitter! Ik denk dat ik met deze
laatste opmerking grotendeels heb
beantwoord wat er op milieugebied
lag te beantwoorden.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-364">

 
<spreker pagina="11-364" anker="58" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">

Voorzitter! Een deel van het betoog
dat ik had willen houden, is eigenlijk
al gehouden door de heer De Boer.
Hij stelde mij een vraag en gaf ook
het antwoord dat ik had kunnen
geven. Dat antwoord had ik ook
willen geven. Toch zal ik het kort
herhalen.
Hij heeft natuurlijk gelijk dat
belastingheffing, niet alleen in
Nederland, maar in de hele wereld,
zelden applaus ontmoet. Bij elke
belastingheffing kun je knelpunten
aangeven. Je kunt bezwaren
opperen, kritiek uitoefenen en
kanttekeningen plaatsen bij de
doelmatigheid en doeltreffendheid.
Hetzelfde geldt voor de belastinghef-
fing die wij vandaag bespreken. De
heer De Boer heeft dat al aangege-
ven. Hij heeft ook met verve een
aantal knelpunten gesignaleerd,
waarop ik straks zal ingaan.
Ik wil de principie¨le betogen van
de verschillende woordvoerders even
samenvatten. Ik doe hen geen recht
als ik ze zwartwit weergeef; dan
weten zij dat nu al. Het gaat om de
indruk die bij mij werd gewekt, toen
ik luisterde naar de verschillende
betogen.
De heer Van Dijk zal waarschijnlijk
niets afdoen aan mijn waarneming.
Zijn betoog is kritisch getint en
eigenlijk afwijzend. Zwartwit
geredeneerd komt zijn betoog hierop neer: de CDA-fractie is tegen dit
wetsvoorstel.
De heer Schuyer zet ik aan de
andere kant. Hij heeft een positief
getint betoog gehouden met wat
kanttekeningen en wat vraagtekens.
De heer Zijlstra deel ik ook in bij
de betogen die positief zijn getint. Hij
heeft toch wat aarzelingen en ook
kanttekeningen, met name bij het
vervolg.
Misschien pleit dat voor het
betoog van de heer Ginjaar, maar ik
had er wat moeite mee om het
precies in te delen. Het is een
doorwrocht betoog over de voors en
tegens van dit soort heffingen. Hij
plaatst kanttekeningen en is niet onwelwillend, maar toch zegt hij: zijn
wij op de goede weg, is het milieu
hiermee gediend? Kortom, hij zet
veel vraagtekens. Het heeft mis-
schien ook te maken met de vele
adviezen die hij in het verleden heeft
uitgebracht op dit terrein, zijn grote
kennis van het milieu en ook het
vallen en opstaan met dergelijke
instrumenten. Die trof ik ook aan in
de adviezen die ik zelf een keer heb
mogen ontvangen toen ik initiatiefne-
mer was op het terrein van een wet
die het belang van het milieu zou
moeten dienen. Ik vind zijn betoog
een beetje moeilijk in te delen. Ik ga
er zo direct op in. Ik deel het maar zo in: neutraal, afwachtend, niet
onmiddellijk negatief, maar ook niet
optimistisch.
Hij heeft het over het tweesnijdend zwaard: het is toch meer een
academische kwestie. Ik heb zelf ook
een genuanceerde opvatting over dat
tweesnijdende zwaard. Als je hier
staat, word je ook vaak herinnerd
aan je eigen geschriften. Ik heb nog
eens nagelezen wat ik er zelf over
geschreven heb. Ik denk dat je op dat punt niet alles kunt willen hebben:
enerzijds het milieu dienen en
anderzijds bijvoorbeeld met een heel
effectieve belastingheffing komen die
aan alle criteria voor belastingheffing
zou moeten voldoen. Er kleven nogal
wat bezwaren aan.
Ik ben het met de heer Ginjaar eens: als wij gaan naar een
verbreding van de grondslag, dan is
het heel moeilijk om het begrip
’’grondslag’’ hier te definie¨ren in meer algemene zin. Hij zegt: je moet
telkens kiezen en operationaliseren
bij elke nieuwe deelbelasting. Dat
ben ik met hem eens. Dat gebeurt
ook feitelijk. Wij zullen het straks
zien, als wij een inventarisatie maken
van andere mogelijkheden op dit
terrein. Ik kom erop terug.
De heer Ginjaar heeft als een van
de weinigen aangegeven wat de
achtergrond is geweest van de
wetsvoorstellen. Ik miste dat in het
betoog van de heer Van Dijk. De
afgelopen jaren heb ik aan de
overzijde de betogen en beschouwin-
gen omtrent het milieu in relatie tot
belastingheffing beluisterd, terwijl ik
recent de wetsvoorstellen in de
Tweede Kamer heb verdedigd.
Daarbij valt mij het grote verschil in
benadering op tussen de CDA-fractie
aan de overzijde en de CDA-fractie in
deze Kamer. Ik respecteer dat. Het
kan ook de kracht zijn van een
betoog aan deze kant ten opzichte
van de kracht van een betoog aan de
overzijde. Maar het valt mij wel op
dat de benadering een gans andere
is.
Ik wijs erop dat de eer voor de
vondst van heffingen op grondwater
en op afval toekomt aan de
CDA-fractie aan de overkant. De heer
Ginjaar wees in zijn betoog op het
wegvallen van een mogelijke
verhoging die destijds werd
voorgesteld. Vervolgens kwam het
CDA met de keuze, de suggestie of
zelfs het voorstel om te streven naar
een verbreding. Ik heb gelezen wat
de heer Van Houwelingen daarover
op 21 oktober 1993 in de Tweede
Kamer gezegd heeft, waarmee
gedeeltelijk ook antwoord wordt
gegeven op het betoog van de heer
Van Dijk. De heer Van Houwelingen zei op 21 oktober 1993:
’’Het gaat dus primair om een
belasting, dus het verwerven van
algemene middelen’’.
De heer Van Dijk zei dat ook, dus
op dat punt lopen de betogen gelijk.
Maar de heer Van Houwelingen zei vervolgens:
’’Deze extra middelen worden nu
gegenereerd door deze verhoogde
verbruiksbelasting. Hoewel minder
direct is er wel degelijk sprake van
een relatie met de milieudoelstelling
via de grondslag van het belasten
van energie, grondwater en
afvalstoffen. De factor arbeid wordt
niet extra belast. Door deze nadruk
op de milieugrondslagen wordt de
milieudoelstelling versterkt’’.
Dezelfde opstelling nam de
CDA-fractie ook vrij recent in toen wij
het verfijningsvoorstel aan de
overzijde bespraken.
De heer Van Dijk merkte op dat
sprake is van zowel een micro- als
een macrolastenverhoging. Hij wees
erop dat die lastenverhogingen
kunnen worden afgewenteld, dat
negatieve effecten kunnen optreden.
Vervolgens zei hij dat het inderdaad
gaat om een budgettair wetsvoorstel.
Ik heb dat overigens ook al opge-
merkt, net als anderen. Dat is ook
nooit verhuld. Ik haalde net het
betoog aan van de heer Van
Houwelingen, die dat toen in de
Kamer ook duidelijk kenbaar maakte.
Dat is dan ook nooit ontkend.
Maar wat is daarop tegen? Laten
wij aannemen dat wij 100 mln. uit
een belastingheffing halen, een
heffing op arbeid. Vervolgens gaan
wij die 100 mln. aanwenden voor de
uitgaven van de Staat. Daar horen
bijvoorbeeld ook milieu-uitgaven bij,
want die betalen wij ook uit de
belastingheffing. De heer Ginjaar
merkte terecht op dat het financieren
van milieu-uitgaven uit de algemene
middelen de voorkeur kan verdienen
boven een heffing voor milieu-
uitgaven. Dat blijkt ook uit adviezen
en verschillende publikaties op dat
terrein. Dat doen wij hier in feite dan
ook. Daarom kan ik het betoog van
de heer Van Dijk niet helemaal
volgen als hij tot de conclusie komt
dat deze primaire heffing te ver
	
verwijderd zou zijn van het milieu. In
directe zin heeft hij gelijk, bijvoor-
beeld als het gaat om de uitleg, de
psychologie ervan. Als je echter voor
de financiering van milieu-uitgaven,
wat ook de CDA-fractie wenst, de
keuze hebt tussen een heffing op
bijvoorbeeld arbeid enerzijds en een
heffing op een andere grondslag
anderzijds, dan kan de thans
gemaakte keuze in die afweging best
de voorkeur verdienen met het oog
op de doelmatigheid, de doeltref-
fendheid en de effecten op allerlei
terreinen. Wij kunnen een gulden
namelijk maar een keer uitgeven; de
heer Van Dijk weet dat ook.
Als ik de 600 mln. zou laten
wegvallen en het geld ergens anders
vandaan zou moeten halen, dan zou
ik moeten heffen op arbeid. Daarom
denk ik dat de heer Van Dijk zijn
betoog ook had kunnen houden over
een belasting op arbeid. De door
hem aangevoerde bezwaren zouden,
enigszins genuanceerd, ook tegen
een heffing op arbeid kunnen
worden aangevoerd. Ook aan een
heffing op arbeid kleven namelijk
negatieve effecten, zoals blijkt uit de
studies van het Centraal planbureau.
Wat nu in feite gebeurt, is dat wij
proberen om een andere grondslag
te vinden om overheidsmiddelen te
genereren. Nu is gekozen voor een
heffing op grondwater en afvalstof-
fen. Er zijn ook discussies gevoerd
over andere geopperde suggesties.
In nota’s van de vorige minister van
VROM en de vorige staatssecretaris
van Financie¨n zijn daartoe ook
mogelijkheden aangegeven. Wij
hebben toegezegd, dat wij volgend
jaar met een notitie over die
mogelijkheden zullen komen. Tegen
de heer Ginjaar zeg ik dan dat, als
het aan mij ligt, daarin ook de voors
en tegens worden aangegeven. Het
gaat mij er niet om, sowieso een
andere grondslag te realiseren. Dat
moet wel duidelijk zijn voordelen
hebben. Er is in dat kader gewezen
op mogelijke problemen en
knelpunten, bijvoorbeeld op het
gebied van de uitvoering.
Ik wijs erop, met name aan het
adres van de heer De Boer, dat het
hierbij gaat om een eerste stap. Hij
heeft de wetsvoorstellen misschien
terecht gekwalificeerd met ’’aarze-
lend’’, ’’eerste stap’’, ’’het vermijden
van dwaalwegen’’, ’’struikelend’’,
etcetera. Ik zou het evenwel
buitengewoon betreuren als juist
GroenLinks, die op dit punt toch wat
te verdedigen heeft, bij deze eerste
poging tot een andere grondslag
afhaakt, omdat er een aantal
knelpunten is. Ik bagatelliseer die
knelpunten niet, want die zijn hier
terecht aangevoerd. Ik vraag de heer
De Boer evenwel om straks bij zijn
afweging ook de opvattingen van zijn
eigen fractie te betrekken, die de
afgelopen jaren op dit terrein een
voortrekkersrol heeft vervuld. Ik vind
dat de heer De Boer dat mag
afwegen bij alle kritiekpunten die hij
in zijn betoog over de wetsvoorstel-
len naar voren bracht.
De heer Van Dijk en anderen
spraken over uitstel van de uranium-
belasting. Artikel XIII van de
invoeringswet biedt de mogelijkheid
om onderdelen van het wetsvoorstel
bij Koninklijk besluit op een later
tijdstip te doen ingaan. Beide
desbetreffende ondernemingen
zullen in 1995 in onderhandeling
treden over een nieuw energie-
contract met de leverancier. Dan kan
er rekening worden gehouden met
de uraniumbelasting. Dit betekent
dat deze belasting niet dit jaar in kan
gaan. Om uitvoeringstechnische
redenen ligt het voor de hand om
belastingen te laten ingaan op 1
januari van een jaar. Wij denken er
daarom aan om de heffing op 1
januari 1997 te laten ingaan. Men
heeft dus ruimschoots de tijd om
zich hierop voor te bereiden.
De heer Zijlstra heeft gevraagd
naar de visie van de Europese
Commissie op het tijdelijke nihiltarief
voor restbrandstoffen. Voorzitter! De
Commissie heeft daar geen bezwaar
tegen.
De heer Ginjaar heeft over het
EG-verdrag uit 1993 gesproken. In
feite gaat het om concurrentieverval-
sing in de EG, dus om verboden
staatssteun. Wij voeren nu een
heffing in, maar vervolgens hebben
wij goede argumenten om vrijstellin-
gen te verlenen of een nihiltarief te
hanteren. Vanuit het Europees
perspectief is het moeilijk te
beoordelen of een dergelijke
vrijstelling of een dergelijk nihiltarief
aangemerkt kan worden als een
vorm van staatssteun die
concurrentievervalsend werkt. Ten
opzichte van lidstaten is de
vrijstelling voor de desbetreffende
sector niet concurrentievervalsend. Ik
acht het niet aannemelijk dat de
Europese Commissie bezwaar zal
maken tegen de vrijstellingen.
De heer Schuyer heeft gevraagd
naar een eventuele toekomstige
verbreding van de werking van het
wetsvoorstel. De heer Ginjaar heeft
in dit verband opmerkingen gemaakt
over kunstmest en fosfaat. Deze
produkten zullen aan de orde komen
in de toegezegde notitie inzake een
mogelijke verbreding van de
grondslag.
De heer Barendregt vroeg zich af
of Nederland niet erg ver ’’voor de
troepen uitloopt’’. Ik denk dat dit wel
meevalt. Ook in andere landen staat
het denken op dit terrein niet stil.
Denemarken kent een afvalstoffen-
belasting ten bate van de algemene
middelen en een CO
2
-belasting. Ook
Zweden kent een CO
2
-belasting en
een belasting op kunstmest en
pesticiden. In Duitsland kennen
diverse La¨nder een grondwater-
belasting en een belasting op
onttrekking van oppervlaktewater.
Nederland staat op dit punt dus
zeker niet alleen.
</spreker>
<spreker pagina="11-366" anker="59" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">

Voorzitter! De heer Ginjaar heeft in
dit verband over een fiscale melkkoe
gesproken en dat heeft mij getroffen.
Dit begrip wordt op vele terreinen
gebruikt, bijvoorbeeld als het over
auto’s gaat. Ik denk toch dat het wat
genuanceerder is dan de heer
Ginjaar denkt. De heffingen op
milieugrondslag vormen slechts een
zeer beperkt onderdeel van de totale
belastingheffingen. Het overgrote
deel van onze belastingheffing
betreft inkomsten uit arbeid. De
premies drukken op inkomsten uit
arbeid en dat geldt ook voor de loon-
en inkomstenbelasting. Als het
begrip ’’melkkoe’’ dan toch gebruikt
moet worden – en dat wil ik eigenlijk
niet – dan moet vooral aan arbeid
gedacht worden. Het is niet de
bedoeling om ongenuanceerd allerlei
milieuheffingen in te voeren. Ik heb
erop gewezen dat hiervoor criteria
gelden, zoals doelmatigheid,
doeltreffendheid, eenvoud van
uitvoering, milieu-effecten en
internationale aspecten. In de
aangekondigde notitie zullen wij hier
aandacht aan besteden. Het is ook
mogelijk dat op een gegeven
moment van een heffing op
milieugrondslag wordt afgezien
omdat er te veel negatieve aspecten
aan verbonden zijn. Wij streven
echter naar een mix van grondslagen
en daarom zijn wij iedere keer
genoodzaakt om die afweging te
maken.
Het onderhavige wetsvoorstel
levert 600 mln. op. Als men zoveel
bezwaren tegen dit wetsvoorstel
heeft dat men er niet mee kan
instemmen, moet men tevens
aangeven op welke wijze dit bedrag
dan wel kan worden binnengehaald.
Je komt dan heel snel op de
grondslag arbeid terecht. Ik vraag mij
af of dat dan wel een gelukkige
keuze is. Vriend en vijand zijn ervan
overtuigd dat de lastendruk op
arbeid verlaagd moet worden. Dit
staat ook in het verkiezingspro-
gramma van het CDA. Ik wijs erop
dat de opbrengst van 600 mln. in
relatie moet worden gezien tot de
lastenverlichting van 9 mld. De heer
Van Dijk heeft dit ook erkend. Als wij
deze opbrengst missen, was er
minder mogelijk geweest aan
lastenverlichting op arbeid. Je kunt
een gulden maar een keer uitgeven.
Ik heb er begrip voor dat de heer Van
Dijk een aantal knelpunten signaleert
en een aantal kanttekeningen meent
te moeten plaatsen. Ik wijs hem er
echter op dat er met deze beperkte
verschuiving in de grondslag
middelen beschikbaar komen om
meer lastenverlichting te bieden op
arbeid. In vrijwel alle
partijprogramma’s – van de VVD, de
PvdA, het CDA en D66 – staat dat er
gestreefd moet worden naar
lastenverlichting op arbeid. Dan
moeten er keuzes worden gemaakt,
want het moet uit de lengte of uit de
breedte komen.
Tegen de door de heer De Boer
aangegeven mogelijke andere
grondslagen – ik zeg toe dat wij die
in onze notitie zullen betrekken –
zullen ongetwijfeld ook bezwaren zijn
in te brengen. Misschien dat met
dezelfde kracht van argumenten
waarmee hij nu bezwaar maakt tegen
de grondslagen grondwater en afval,
ook tegen de door hem genoemde
grondslagen bezwaren kunnen
worden gemaakt.
Voorzitter! Het komt uiteindelijk
neer op het maken van een keuze,
waarbinnen mogelijkheden worden
benut. Het is een eerste stap. Wij
zien ook de bezwaren. De heer Van
Dijk heeft opgemerkt het curieus te
vinden dat er een bepaling is
opgenomen op basis waarvan de
minister van Financie¨n de mogelijk-
heid heeft om in een snel tempo
knelpunten weg te werken. Ik wijs de
heer Van Dijk erop dat er in de jaren
zestig ten aanzien van de vervroegde
afschrijving, de investeringsaftrek en
de WIR soortgelijke regelingen van
kracht waren. De bepaling is dus niet
zo curieus. Als er zich in de praktijk
knelpunten voordoen, heeft de
regering de mogelijkheid daarop snel
te reageren. De regering kan daarvan
verslag uitbrengen aan en ter
verantwoording worden geroepen
door de Staten-Generaal. Een en
ander draagt bij tot een goede
uitvoering van de wet. 

</spreker>
<spreker pagina="11-367" anker="60" partij="D66" naam="Schuyer">
 De minister
is nog niet ingegaan op de brief van
de gemeente Baarle-Hertog. 

</spreker>
<spreker pagina="11-367" anker="61" soort="Minister" naam="De Boer">
 Wij hebben zojuist
van onze medewerkers gehoord dat
de gemeente Baarle-Hertog een brief
heeft geschreven aan de Eerste
Kamer, waarin zij erop wijst dat er
twee keer belastingheffing zal
plaatsvinden. Ik zeg toe, over deze
problematiek te overleggen met het
Vlaamse gemeentebestuur om te
bezien wat hieraan gedaan kan
worden.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-367">

 
<spreker pagina="11-367" anker="62" partij="CDA" naam="Van Dijk">
 Voorzitter!
Beide bewindslieden maakten van de
gelegenheid gebruik om terug te
blikken op de geschiedenis. Ik stel
dat op prijs, want wij zijn allen
kinderen van het verleden. Deze wet
komt natuurlijk niet zo maar uit de
lucht vallen. De minister van
milieuzaken wijst erop dat reeds in
een vroeger stadium is besloten, van
dergelijke belastingen geen
bestemmingsheffingen te maken. De
regering wil een eerste voorzichtige
stap zetten, waarbij voorzichtig wordt
omgegaan met de signaalwerking
die ervan uitgaat in de richting van
het milieu om geen negatieve
economische gevolgen te veroorza-
ken. De minister heeft gewezen op
de internationale besluitvorming,
waarvan wij deel uitmaken. Zij pleit
voor een verschuiving van belasting
op arbeid naar belasting op milieu.
Terecht spreken beide bewindslie-
den hierop het CDA aan en terecht
ook wijst de staatssecretaris van
Financie¨n erop dat het CDA aan het
begin van dit proces heeft gestaan.
Mijnheer de voorzitter! Ik ben mij
daarvan ten volle bewust. Ik hoop
dat ik vanmorgen een ding niet heb
gedaan en dat is heffingen of
belastingen van deze aard van de
tafel vegen. Je kunt op een gegeven
ogenblik in principe uitspreken dat
het goed is, die weg op te gaan,
omdat er op grond van de dan
aanwezige kennis wellicht voordelen
aan zijn verbonden, zowel voor de
werkgelegenheid door verlaging van
belasting op arbeid, als voor het
milieu door verhoging van de lasten
daarop.
Maar daarmee houdt het denken
niet op. Bij elke volgende stap zullen
ten minste twee vragen beantwoord moeten worden. In de eerste plaats:
waarvoor was het ook al weer bedoeld? Met andere woorden:
hebben wij de doelstellingen die wij
ons voorstellen met deze verschui-
vingen nog in het vizier? In de tweede plaats: is de vorm waarvoor
nu wordt gekozen, neergelegd in een
wetsvoorstel, zodanig dat het
waarschijnlijk is dat de doelstelling
wordt bereikt? In elk van deze stadia
rust op ons de verplichting om
kritisch te zijn en om te bezien welke
effecten de wet uiteindelijk zal
hebben, want de weg naar de hel is
geplaveid met goede voornemens.
Hoe vaak is het niet voorgekomen
dat wij ons voorstelden dat een
bepaalde weg in de goede richting
zou leiden – beter ten halve gekeerd
dan ten hele gedwaald – terwijl wij
naderhand moesten constateren dat
een andere richting beter was?
Ik heb al gewezen op de bedoelin-
gen. Een bedoeling hadden wij zeker niet: er is geen behoefte aan nieuwe
belastingwetten, zeker niet in een
land dat al zo dichtgepleisterd is met
allerlei belastingwetten.
Om nog een indicatie te geven van historisch besef: ik denk dat onze
dappere voorvaderen die in opstand
kwamen tegen de tiende penning
zich in hun graf zouden omdraaien
als zij de discussies van vanmiddag
zouden horen. Maar daarmee ga ik
wel erg ver terug in de geschiedenis.
Ik kan mij twee doelen – of een
combinatie hiervan – voorstellen op
grond waarvan de weg verder wordt
gevolgd. Een verlaging van de lasten
op arbeid helpt bij de bevordering
van de werkgelegenheid, omdat de
arbeidskosten naar beneden gaan.
Dat is zeker in deze tijd een zeer
klemmende reden, althans als dat zo
zou zijn. Wij weten inmiddels dat
verschuiving van lasten op arbeid
naar milieu per saldo geen overtui-
gende winst oplevert op het gebied
van werkgelegenheid. Wij hebben
dat een paar weken geleden in dit
huis tijdens de algemene politieke en
financie¨le beschouwingen gehoord.
Slechts een reden kan naar mijn
mening een dergelijke verschuiving rechtvaardigen: een beter effect voor
het milieu! Ineens doemen, als je als
relatief buitenstaander in deze
materie de wetsgeschiedenis induikt,
wolken op. Dan zie je nevel en stof.
De sterkste voorstanders zijn de
eersten die je vertellen niet teveel te
verwachten.
Voorzitter! Wat weleens een
grondfout geweest zou kunnen zijn
bij de totstandkoming van deze wet,
is het feit dat de vorige regering deze
wet zo sterk gepresenteerd heeft
vanuit budgettaire doelstellingen
omdat zij het geld nodig had. Vanuit
die doelstelling voelde zij zich
misschien weinig verplicht, een
sterke milieuparagraaf aan deze wet
toe te voegen waarin duidelijk werd
gemaakt, welke milieuvoordelen wij
van deze wet kunnen verwachten.
Immers, de redenering was dat zij de
wet alleen voorstelde uit budgettaire
overwegingen. Zij zou wel zien wat
de milieu-effecten waren. Als die
positief zouden zijn, was dat mooi
meegenomen, maar als er geen
negatieve milieudoelstellingen
zouden zijn, was zij er ook tevreden
mee.
Dat breekt ons op dit ogenblik op
nu de strikt budgettaire doelstelling
direct geld nodig te hebben,
ontbreekt. Ik kom daarop straks nog
even terug in verband met het
antwoord van de staatssecretaris van
Financie¨n. Dit alles betekent dat als
je straks de wet moet uitleggen aan
de belastingbetaler je met lege
handen staat. Die belastingbetaler zal je vragen: wat koop ik ervoor op
milieugebied?
De geschiedenis van deze wet zou
misschien anders zijn geweest als de
oorspronkelijke memorie van
toelichting een duidelijker hoofdstuk
had bevat over hetgeen wij in het
licht van de kennis die wij nu
hebben, kunnen voorspellen voor de
gevolgen voor het milieu. Ik kijk daar
uiteraard de huidige minister niet op
aan. In die oorspronkelijke memorie
van toelichting had de vorige
minister eerlijk moeten zijn over de
mogelijke positieve effecten. Hij had
echter ook duidelijk moeten ingaan
op de negatieve effecten.
Vervolgens is mij gebleken dat
gedurende de behandeling van het
wetsvoorstel steeds meer signalen
werden ontvangen over de negatieve
effecten van de wet, niet alleen voor
de portemonnee van mensen of voor
de winstgevendheid en rentabiliteit
van de bedrijven, maar ook voor het
milieu. Ik heb vanochtend in mijn
eerste termijn een rijtje negatieve
effecten genoemd. De minister is
daarop zeer onvolledig ingegaan. Ik
maak mij dan ook ernstig zorgen
over de maatschappelijke acceptatie,
met name van de grondwater-
belasting. De signalen zijn er al dat
er ontwijkings- en afwentelings-
verschijnselen zullen plaatsvinden, of
dat mensen compensatie zullen
verwachten die voor een deel weer
haaks staan op het budgettaire en
milieu-aspect van het wetsvoorstel.
Wij hebben inderdaad prijs-
signalen nodig. Ik heb al gezegd dat
ik ervan overtuigd ben dat met een
doeltreffend en krachtig milieubeleid
al jarenlang signalen gegeven
worden op dit gebied. Deze zaken
kosten geld, met name door de
buitengewoon sterk stijgende lasten
op gemeentelijk, provinciaal en
waterschapsgebied. De minister is
daarop niet ingegaan.
Ik vind het jammer dat de minister
zo weinig inhoudelijk is ingegaan op
de verschillende aspecten die ik
aanvoerde om aan te tonen dat er
aan deze wet substantie¨le negatieve
effecten verbonden zijn. Ik heb
vooral de grondwaterbelasting
genoemd, die op een aantal punten
haaks staat op het beleid ter zake. De
minister hield haar betoog over de
schaarste van grondwater vrij
algemeen. Ik heb betoogd dat de
schaarste aan grondwater inderdaad
een probleem is, maar dat die
schaarste van plaats tot plaats
verschilt. Het instrument bij
uitnemendheid dat zij heeft om deze
schaarste te reguleren, is het
provinciale vergunningenbeleid. Dat
kan inspelen op de plaatselijke
situatie. Deze generieke wet treft ook
die winning van grondwater die niet
geacht kan worden in de gegeven
plaatselijke situatie een aantasting
van het milieu te zijn. Een dergelijke
belasting zal weerstanden oproepen
en de acceptatiegraad van deze wet
in gevaar brengen.
De minister verklaarde het tarief
voor industriewater, dat 50% lager is
dan voor water betrokken van het
waterleidingbedrijf, uit de inspanning
die de betrokken bedrijven leveren
op het gebied van de water-
besparing. Ik kan mij levendig
voorstellen dat als je afspreekt en je
bereid verklaart investeringen te
doen om bijvoorbeeld water te
besparen, je nog niet ook eens de
volle hap van de belastingen te
verwerken wilt krijgen met je
beperkte financie¨le middelen. Dat is
geen stimulans. Deze maatregel is
echter alleen van toepassing bij
waterwinning in eigen beheer. Hij is
niet van toepassing bij industrieel
gebruik van water dat wordt
betrokken van de waterleidingbedrij-
ven. Als daar bedrijven bij zijn die
zich ook inspannen om het water-
gebruik terug te brengen, waarom
moeten deze bedrijven dan 100%
belasting betalen? Ik zie ook hierin
enige frictie.
Voorzitter! Ondanks de uitleg van
de minister heb ik nog steeds niet
begrepen wat uiteindelijk de
uitkomst is geweest van de
ingewikkelde discussie over het
zuiveringsslib. Ik verwissel
zuiveringsslib niet met baggerspecie.
Ik heb gezegd het beleid van de
minister te steunen als zij de druk op
de ketel houdt dat ook dit residu
wordt verbrand. Zoals bij een aantal
andere knelpunten, zou gegeven het
feit dat provincies en misschien ook
andere organen enige tijd en geld
nodig hebben om het zover te
brengen, enig uitstel op zijn plaats
zijn geweest. Ik weet nog steeds niet
of het haar bedoeling is uitstel te
geven en hoelang. Ik heb zelfs na
nauwkeurige lezing van de discussie
in de Tweede Kamer daaraan geen
touw kunnen vastknopen.
Voorzitter! De staatssecretaris
heeft mij zeker geen onrecht gedaan,
als hij mijn inbreng als kritisch-
afwijzend beschouwt. Integendeel, ik
voel mij gevleid omdat ik kennelijk
zo duidelijk ben geweest. Zo was
mijn inbreng ook bedoeld. Ik ben
ingegaan op de historie, ook van de
CDA-fractie in de Tweede Kamer. Wij
hebben een geschiedenis. Je kunt je
verplicht voelen, gezien die
geschiedenis, nog eens goed te
kijken naar wat de wet in concreto
aan bijeffecten heeft. Je kunt die
bijeffecten nog eens wegen. Ik moet
ook zeggen dat, tijdens de recente
discussie over de verfijningsnotitie,
de Tweede Kamer met inbegrip van
de CDA-fractie zich in de situatie
bevond waarin zij de oorspronkelijke
wetten reeds had aanvaard en alleen
de verfijningswet nog moest
aanvaarden. Juist tussen het
ogenblik van aanvaarding in de
Tweede Kamer van het oorspronke-
lijke wetsvoorstel in 1993 en het
moment dat wij het dit voorjaar in
behandeling kregen, zijn zeer veel
aspecten, ook negatieve, van het
wetsvoorstel naar voren gekomen.
Voorzitter! De staatssecretaris en
ik begrijpen elkaar nog steeds niet
op het gebied van mijn conclusies
over het vervallen van de budgettaire
noodzaak. Hij betoogde dat ik op
grond daarvan ook zou moeten
protesteren tegen een additionele
belastingheffing op arbeid. Daarvoor
geldt precies dezelfde redenering als
voor de extra belasting op milieu-
gronden. Hij heeft natuurlijk volstrekt
gelijk, omdat in een tijd dat je in
staat bent, de lasten te verlichten de
noodzaak voor een extra lasten-
verhoging, of deze nu op het gebied
van milieu is of op arbeid, natuurlijk
dubieus is geworden, tenzij je
daarachter een ander betoog plaatst.
Dat betoog hield de staatssecreta-
ris ook toen hij verder op deze zaken
inging. Als het gaat om de zuiver
financie¨le behoefte van de overheid
is noch de ene, noch de andere
heffing noodzakelijk. De eenvoudig-
ste manier van lastenverlichting is in
dat geval om voorgenomen
lastenverhogingen uit budgettaire
overwegingen achterwege te laten. De staatssecretaris zegt: Als ik die
600 mln. zou zijn kwijtgeraakt, had ik
dat bedrag ergens anders moeten
weghalen en dat zou ten koste zijn
gegaan van een aantal bruto-
lastenverlagingen die gedeeltelijk
een mindere belasting op arbeid
vertegenwoordigen. Het bedrag van
9 mld. netto-lastenverlichting zou
overeind zijn gebleven. De staatsse-
cretaris zou de 600 mln. extra
lastenverhoging, die nu in mindering
komt op de bruto-lastenverlichtingen,
zijn kwijtgeraakt, maar hij zou ook
een stukje bruto-lastenverlichting zijn
kwijtgeraakt. Het saldo zou hetzelfde
zijn gebleven. De staatssecretaris
zegt dat hij dan bij arbeid terecht zou
zijn gekomen, die dan weliswaar niet
zwaarder zou zijn belast, maar wel
minder verlicht. Dacht de staatsse-
cretaris werkelijk dat het vanuit het
oogpunt van de werkgelegenheid –
via de arbeidskosten, die op een
lager niveau worden gebracht – voor
de burger niet doorzichtig is als je
hem een bruto-lastenverlichting geeft
van 1000 eenheden, terwijl je daar
door een lastenverhoging weer 100
eenheden vanaf haalt? Denkt hij dat
dan toch die 1000 eenheden zullen
tellen bij het nastreven van een
arbeidskostenverlaging of de
resulterende 900 eenheden? Wij zijn
het toch met elkaar eens dat de
netto-lastenverlichting telt? Ik zie de
staatssecretaris instemmend knikken.
Als wij uit zijn op een
werkgelegenheidseffect door een
verlichting van de arbeidskosten,
dienen wij elke lastenverzwaring –
ook als die via milieulasten gaat,
want dat verlaagt het beschikbare
inkomen en verhoogt de neiging om
daar compensatie voor te vragen –
als een negatieve factor in te boeken.
Ik heb met instemming geluisterd
naar de uiteenzetting van de
staatssecretaris over de weg
waarlangs hij de uraniumbelasting,
als ik het goed begrepen heb, later
wil doen ingaan dan nu is voorzien,
namelijk op 1 januari 1997. Ik had
over het hoofd gezien dat daar in de
invoeringswet al een instrument is
opgenomen. Dat schept uitstel en
nog geen oplossing van de
problematiek. Als ik het goed
begrepen heb, moeten deze
bedrijven binnenkort her-
onderhandelen over de elektriciteits-
tarieven. Verwacht de staatssecreta-
ris dat in het kader daarvan de extra
pijn zou kunnen worden verzacht, zo
niet weggenomen? Dat staat
overigens nog te bezien, want de
heronderhandelingen in die sector
zijn niet zo doorzichtig dat wij deze
conclusie zouden kunnen trekken.
Hoort het parlement – de Tweede
Kamer en de Eerste Kamer – hier
nog van voordat de staatssecretaris
overgaat tot invoering van de
heffing?
Ik luisterde met grote waardering
naar collega Zijlstra, omdat veel van
wat hij heeft gezegd over de
grondwaterbelasting ten dele spoort
met wat ik daarover te berde heb
gebracht. Zijn kritiek was buitenge-
woon fundamenteel en raakt de wortel van dit deel van de wet: het
gaat hem om de onrechtvaardigheid
in de uitwerking, maar ook om een
milieukundige rechtvaardigingsgrond
die niet deugt. Naar mijn mening kan
zo’n fundamentele kritiek slechts tot
een ding leiden, namelijk dat je je als
parlementarie¨r ervoor inzet om tegen
elke prijs te voorkomen dat zoiets
wordt ingevoerd. Ik kan mij
nauwelijks voorstellen dat men er, op
grond van dermate fundamentele
kritiek, niet dwars voor gaat liggen.
Ik leidde uit de woorden van de heer
Zijlstra echter af dat hij twee
reddingsboeien grijpt, allereerst de
grondige notitie waarmee de
staatssecretaris misschien te eniger
tijd komt. Daarvan heb ik van de
staatssecretaris begrepen dat het
meer een verbredings- dan een
versmallingsnotitie gaat worden,
terwijl een versmallingsnotitie de
bedoeling van de heer Zijlstra zou
moeten zijn. Daarnaast is er de
evaluatie die de Tweede Kamer over
tweee¨nhalf jaar wil laten uitvoeren.
Het kwaad is dan geschied en dat is
echt een kwestie van eerst schieten
en dan vragen stellen.
Collega De Boer was buitenge-
woon geamuseerd door de positie-
wisselingen door het aantreden van
een nieuw kabinet en de verandering
van plaats van partners. Ik gun hem
dat amusement eigenlijk best, maar
het moet wel ergens op slaan. Ik
denk dat hij een historische opfrisser
nodig heeft en die wil ik hem niet
onthouden; wij zijn in dit huis per
slot van rekening elkaars steun en
toeverlaat. Wij schrijven 31 januari
1994; het CDA is nog volop in het
kabinet vertegenwoordigd en er is
nog geen enkele donkere wolk aan
de einder die erop duidt dat het CDA
mogelijkerwijs ooit in de oppositie terecht zou komen. Integendeel: op
31 januari dachten wij daar niet aan.
Wat schrijft het CDA in het nader
voorlopig verslag over deze
wetgeving? ’’De leden behorende tot
de CDA-fractie dankten de bewinds-
lieden voor het uitvoerige antwoord
op de door hen gestelde vragen in
het voorlopig verslag, hoewel het
antwoord de bij hen aanwezige
twijfel en scepsis helaas niet heeft
kunnen wegnemen. Zij herhaalden
geen tegenstander te zijn van dit
soort belastingheffing, maar
behielden grote twijfel over de
budgettaire opportuniteit en de
vormgeving ervan. Naar hun mening
zit een deel van de problematiek
daarin dat de regering de milieu-
doelstellingen van het wetsvoorstel
van secundaire betekenis acht en
zich dus ook niet gehouden acht, erg
diep in te gaan op de plaats en
functie ervan in het totale milieube-
leid, terwijl anderzijds het wetsvoor-
stel wel degelijk interfereert met dat
beleid en de signalen zich vermenig-
vuldigen dat die interferenties deels
negatief zouden kunnen zijn.’’ Over
continuı¨teit van opvatting, ondanks
goede en slechte politieke tijden,
gesproken. 

</spreker>
<spreker pagina="11-369" anker="63" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Ik wil
de heer Van Dijk graag de consisten-
tie in zijn betogen toegeven. Wat dat
betreft, trek ik mijn opmerkingen dus
in. Dat neemt echter niet weg dat ik
mij uitgebreid blijf vermaken en nog
steeds met een vraag zit die ook de staatssecretaris heeft gesteld: kan de
heer Van Dijk het vrij markante
meningsverschil op dit punt tussen
de CDA-fractie in de Tweede Kamer
en de CDA-fractie in de Eerste Kamer
uitleggen? Het gaat er immers niet
alleen om dat je dit land regeert,
maar ook dat er enige consistentie
bestaat in wat je als partij als geheel
aan stellingnamen naar voren
brengt. Misschien kan de heer Van
Dijk een poging wagen om daar nog
een korte toelichting op te geven.
Waar zit precies het markante
meningsverschil tussen de fractie in
de Tweede Kamer en de fractie in de
Eerste Kamer? 

</spreker>
<spreker pagina="11-370" anker="64" partij="CDA" naam="Van Dijk">
 Zoals
gebleken is uit mijn inbreng, zit het
meningsverschil in een kennelijk
andere inschatting van de effecten
die deze wet zal hebben. Dat kan zich
in gegeven omstandigheden
voordoen. Ik heb al gewezen op het
feit dat tijdens de voortschrijdende
stadia van de behandeling van een
idee – een idee ontstaat en wordt
geleidelijk uitgewerkt – op een
gegeven ogenblik punten aanwezig zijn waarop je je bezint: zitten wij
nog op het spoor dat wij wilden
volgen? Het is zeer wel mogelijk dat
iemand die in een vroeg stadium een
bepaalde weg heeft gekozen, op een
gegeven ogenblik misschien iets
minder oplettend is op het gebied
van de negatieve effecten. Om een voorbeeld te geven: door een
amendement, volgens mij van de
heer Van Houwelingen, is de
uraniumbelasting in het voorstel
gekomen. Toen bleek welke gevolgen
dat zou hebben voor een tweetal
bedrijven in het Zeeuwse, stond ook
de CDA-fractie in de Tweede Kamer
voorop om te zeggen dat dit niet
gewenst was en dat dit veranderd
moest worden. Dat soort zaken doen
zich meer voor. Daar komt bij dat
vooral nadat het wetsvoorstel in de
Tweede Kamer was aanvaard een
stroom aan informatie loskwam. Ik
herinner mij die tijd nog als de dag
van gisteren. Wij moesten toen
beginnen met de behandeling. De
informatie kwam niet alleen van
mensen die redeneren vanuit de
rentabiliteit van hun eigen bedrijf. Er
kwam een stroom van informatie los
en die wees erop dat er niet alleen
bedrijven werden gepakt, maar dat
dit ’’pakken’’ op zichzelf gevolgen
zou kunnen hebben die schadelijk
zouden kunnen zijn voor het beleid
van de minister van milieuzaken.
In de derde plaats vloeide de
andere behandeling van de
verfijningswet natuurlijk voort uit het
feit dat de Tweede Kamer de
behandeling van de hoofdwet al een
jaar eerder had afgerond. De teerling
was voor hen geworpen. Zij hebben
zich alleen gebogen over de
verfijningswet. Zij waren verrekte
dankbaar dat die verfijningswet door
de aandrang van de Eerste Kamer er
zo snel was gekomen dat zij nog
voor ingang van de wet een aantal
lelijke steken konden wegbreien. Wij,
in deze Kamer, staan voor een
afweging ten principale van het hele
pakket van wetsvoorstellen. Dat zijn
een drietal verschillen die zouden
kunnen verklaren waarom onze
opstelling wat van elkaar afwijkt. 

</spreker>
<spreker pagina="11-370" anker="65" naam="De voorzitter">
 Het is een goed
gebruik dat de sprekers zich in
tweede termijn beperken tot ten
hoogste de helft van hun spreektijd
in eerste termijn. De heer Van Dijk is
daar, ook zonder de interruptie van
de heer De Boer en zijn antwoord
daarop, vrij ruim overheen gegaan.
Nu is het verre van mij om de
oppositie de mond te snoeren, maar
ik wil de nog komende sprekers
graag in overweging geven om zich
aan de regel te houden. Onze agenda
voor vandaag en morgen is nog
redelijk vol, ook met andere
onderwerpen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-370">

 
<spreker pagina="11-370" anker="66" partij="PvdA" naam="Zijlstra">
 Mijnheer de
voorzitter! Eerst dank aan de
bewindslieden voor hun antwoord.
Toen ik zojuist de interruptie van de
heer De Boer hoorde en het
antwoord daarop van collega Van
Dijk, vroeg ik mij even af hoe het straks met GroenLinks zal gaan:
stemmen die voor, stemmen die
tegen, stemmen die verdeeld?
Wellicht dat de heer Van Dijk straks
ook nog een interruptie kan plaatsen.
Er is een onderwerp dat een
belangrijke rol speelde aan het begin
van mijn betoog. Ik noem dat maar
het anti-SIR-effect. Ik doel op het niet
honoreren van standplaatsvoordelen.
Alleen collega Schuyer heeft daarop
gereageerd. Kan ik uit het stilzwijgen
op dit punt concluderen dat men het
met die analyse eens is en dat het
wellicht zelfs bij de notitie over de
mogelijkheden van belastingheffing
op milieugrondslag zal worden
meegenomen?
Tegen collega Schuyer zeg ik dat
standplaatseconomie een kern-
theorema is in de economische
wetenschap. Zij vormt mede de basis
voor de theorie van comparatieve
kosten – Ricardo en Ohlin, als ik mij
niet vergis – en wel dat de ree¨le
kosten van een bepaalde voortbren-
ging plus de internalisatie van de
indirecte kosten, zoals milieukosten,
gerespecteerd behoren te worden en
ook in de totale kostprijs tot
uitdrukking behoren te komen. Dat is
de enige te verdedigen wijze waarop
men kan komen tot een optimale
allocatie van produktiemiddelen. Dat
geldt ook voor grondwater. Als hij
vraagt hoe het moet met de spits,
dan wil ik het volgende zeggen. Als
de spits tot aanleg van extra wegen
leidt, zijn de extra kosten van de
extra wegen voor de veroorzakers.
Dat is ook terecht. Het bevordert
immers in beginsel een juiste
standplaats van wonen en werken.
Dat als kleine zijweg aan het begin
van mijn betoog. Ik ben blij dat u mij
die heeft toegestaan.
De minister heeft zich vooral
geconcentreerd op de schaarste van
grondwater. Bij interruptie heb ik er
al op gewezen dat naar mijn indruk
zuiver water uit oppervlaktewater
minstens zo schaars is als grondwa-
ter. Waarom? Omdat per definitie
schaarse produktiefactoren moeten
worden ingezet om het tot een
geschikt consumptiegoed te maken.
De hoge prijs van oppervlaktewater
is daar de uitdrukking van. Wellicht
kan ik een tegemoetkoming aan de
minister op tafel leggen. Er is
natuurlijk in zekere zin wel een
algemene schaarste aan zuiver water,
en zelfs ook aan grondwater, want
anders zou je overal in Nederland
zuiver en mooi grondwater aantref-
fen. Dat zou overigens wel duurder
zijn, omdat er dan transportleidingen
moeten worden aangelegd. Het is
een wat gekunsteld argument, maar
het geeft heel goed aan dat het
schaarsteprobleem van water niet
alleen een grondwaterprobleem is,
maar ook een oppervlaktewater-
probleem. Men heeft het immers
nodig geacht om de drinkwatervoor-
ziening met oppervlaktewater aan te
vullen.
Overigens hoorde ik tussen de
middag dat er in een oostelijke
provincie boorbedrijven al 30% meer
werk hebben. Die kunnen het werk
gewoonweg niet aan. Het gaat dan
om boringen bij boerenbedrijven.
Men ziet de bui daar kennelijk
hangen. Men heeft voor mij
uitgerekend dat alleen al in de
provincie Friesland, als men zich aan
de vergunningen houdt en als men
per jaar minder dan 40.000 kubieke
meter onttrekt, tot een verhoging van
het watergebruik door de agrarische
sector komt van ongeveer 10%. Heel
duidelijk een averechts effect van dit
wetsvoorstel, zelfs nu het nog geen
wet is! Ik wil er zeker niet over
praten op een manier die de
boerenstand onrecht zou doen, maar
iedereen weet dat het verwijderen
van een meter van zo’n put heel
simpel is en dat men op die manier
heel makkelijk boven de 40.000
kubieke meter uit kan komen. Ik leg
het hier bij u neer. Ik neem aan dat
het bij de evaluatie een rol zal gaan
spelen. Wij zien echter al de eerste
tekenen van misbruik en averechts
effect door dit wetsvoorstel.
Ik heb voorts de indruk dat wat
betreft mijn analyse over grondwater
en oppervlaktewater de minister het
kennelijk met mij eens is. Dat doet
mij deugd. Ik reken erop dat in de
beide notities deze aspecten goed
zullen worden onderzocht. Ik doel
dan ook op de vraag of de 80%-20%
verhouding juist is. Wellicht kan die
vraag zelfs eerder beantwoord
worden. Het is tenslotte in principe
een statistische kwestie.
Ik ga over naar het zuiveringsslib.
Collega Van Dijk heeft er ook over
gesproken. Ik wil simpelweg de
vraag stellen of ik ervan uit kan gaan
dat er een ontheffing voor
zuiveringsslib aan waterschappen
wordt verleend of niet. En als dat
slechts ten dele het geval is, voor
welk deel dan?
Een volgend punt hangt ook
samen met de grondwaterbelasting.
Ik werd gisteravond om elf uur
gebeld door een fresiakweker uit
Beesd. Deze heer heeft een
koelingssysteem bij zijn fresia’s. Het
grondwater wordt uit de diepe
ondergrond gehaald en gaat met een
temperatuur die twee graden hoger
ligt weer de grond in. Hij vroeg mij
of dit nu onder de uitzonderingen
valt of niet. Het lijkt op retour-
bemaling en het heeft wat van de
koude/warmte-opslag. Daarvoor
gelden uitzonderingen. Als het
antwoord mij nu niet gegeven kan
worden, zijn de fresiakweker en ik
zeer benieuwd naar een later
antwoord.
Ik kom te spreken over de
uraniumbelasting. Toen de minister
van Economische Zaken de
prijsverlaging van elektriciteit
toekende aan Pechiney was de
aluminiumprijs nog zeer laag. Alle
aluminiumproducenten, Kaiser,
Hoogovens enzovoort, klaagden
steen en been over de dumping en
de verliezen die zij op de aluminium-
produktie leden. Nu is die prijs een
stuk hoger. Men hoort hen dus niet
meer. Ik vraag mij af of de verbe-
terde economische situatie van,
bijvoorbeeld, Pechiney in het
mogelijk uitstel van de uranium-
heffing is verdisconteerd. Schildert
men bij Pechiney toch niet al te veel
de duivel aan de muur? Is de
bedrijfseconomische situatie daar
werkelijk zo slecht en is dat goed
nagegaan? Is het juist dat de Franse
moeder van Pechiney de situatie net
zo slecht of zo goed kan voorstellen
als zij zelf wil? Het is een Franse
aangelegenheid. Dat de uranium-
belasting er moet komen, is vooral
bij ons ingegeven door het feit dat,
als zij er niet komt of als zij te zeer
onder vuur komt te liggen in het
Nederlandse parlement, de Fransen
een vrijbrief hebben om er vervol-
gens voor te zorgen dat hun
kernenergie in een Europese heffing
niet wordt belast, hetgeen aan alle
kanten slecht is voor Nederland.
Ik begrijp dat de uraniumbelasting
wellicht pas kan ingaan op 1 januari
1997, gezien de splijtstofwisseling. Ik
dring er sterk op aan om, als het om
belastingtechnische redenen ook
maar enigszins kan, die belasting te
laten ingaan op 1 januari 1996. Ik
vraag mij af of twee jaar niet rijkelijk
lang is om een oplossing te vinden.
Voorzitter! Ik vat ons oordeel over
dit wetsvoorstel samen. Dit voorstel
heeft aspecten die negatief kunnen
worden beoordeeld. Het eerste is de
hierdoor optredende verhoging van
de indirecte belastingen en vermin-
dering van de progressie, die
wellicht in komende jaren niet goed
worden gemaakt door een lasten-
verlaging voor lage en midden-
inkomens.
Het tweede negatieve aspect is het
uitstel met een of twee jaar van het
in werking treden van de uranium-
heffing voor Pechiney en Hoesch.
Het derde is de grondwater-
belasting die, zoals collega Van Dijk
terecht heeft gezegd, naar ons
oordeel onvoldoende milieukundig is
gerechtvaardigd.
Het vierde negatieve aspect is de
eenzijdige lastenverzwaring voor
Nederland buiten de Randstad, zowel
wat de afvalstoffenbelasting als de
grondwaterbelasting betreft, waarbij
de argumenten voor een
afvalstoffenbelasting door ons zo
belangrijk worden beoordeeld dat wij
het vooral willen hebben over de
eenzijdige lastenverzwaring als
gevolg van de grondwaterbelasting.
Positief kan geoordeeld worden
over de vermindering van de fiscale
lasten op arbeid – dus de verkleining
van de wig – direct of, in dit geval,
indirect.
Een tweede positief aspect is de
belasting op brandstoffen als prikkel
voor energiebesparing.
Positief is ook in beginsel de
nieuwe belasting op uranium, mede
omdat de Fransen daarmee geen
voorwendsel verschaft wordt om bij
een Europese energieheffing
kernenergie erbuiten te houden.
Positief is verder een nultarief
voor restgassen, terecht door de
chemische industrie verlangd.
Ten slotte is ons oordeel ook
positief over de nieuwe belasting op
het storten van afval ter bevordering
van afvalverbranding, zeker nadat
door de verfijningen een onbedoeld
averechtse werking is weggenomen.
Voorzitter! Collega Van Dijk heeft
ons uitgedaagd om bij een zo
fundamentele kritiek ons te verzetten
tegen het aannemen van dit
wetsvoorstel. Hij heeft kennelijk twee
reddingsboeien gevonden die een
voor het voorstel stemmen zouden
kunnen rechtvaardigen. Ik heb
opzettelijk de positieve en de
negatieve aspecten op een rij gezet
om duidelijk aan te geven dat,
althans voor ons – ik heb de indruk
dat het ook gold voor de CDA-fractie
in de Tweede Kamer, om maar een
fractie te noemen – het om een niet
eenvoudige afweging gaat. Het is
een moeilijke kwestie. Wij gaan
ervan uit – daarover zal ik straks een
motie indienen – dat het kabinet de
grondwaterbelasting op een loyale
en objectieve wijze onder de loep zal
nemen en dat het, als de analyse en
vervolgens de discussie in het
parlement daartoe aanleiding geven,
niet zal schromen om veranderingen
aan te brengen in de grondwater-
belasting. Deze veranderingen
kunnen een versmalling betekenen,
namelijk het afschaffen van die
belasting. De discussie en de analyse
kunnen ook leiden tot een verbreding
van die belasting. Ik heb niet voor
niets een belangrijk gedeelte van
mijn verhaal gewijd aan het
oppervlaktewater. Wellicht blijkt uit
de analyse dat een belasting op het
onttrekken van grondwater en van
oppervlaktewater een goede
tussenoplossing is. Dit zou leiden tot
een verbreding en zelfs in een enge
opvatting beantwoorden aan de
formulering van de titel van de
notitie die in de stukken is aangege- ven: de mogelijkheden van belasting-
heffing op milieugrondslag te
onderzoeken en dan met name
gericht op de verbreding. Maar ook
de versmalling – dat wil ik duidelijk
tot uitdrukking brengen – hoort in die
notitie. Voorzitter! De motie die ik nu
graag wil indienen, moet daartoe de
mogelijkheid bieden.
Motie 

</spreker>
<spreker pagina="11-372" anker="67" naam="De voorzitter">
 Door de leden K.
Zijlstra, Ginjaar en Schuyer wordt de volgende motie voorgesteld:
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
er kennis van nemend, dat in het
wetsvoorstel ’’Wijziging van de Wet
belastingen op milieugrondslag in
verband met het aanbrengen van
verfijningen’’ geen wijzigingen ten
principale van de heffing op de
winning van grondwater worden
voorgesteld;
overwegende, dat twijfel kan bestaan
over de mate van rechtstreekse
belasting van het leefmilieu door de
winning van grondwater;
overwegende, dat met name de
verdroging van Nederland slechts
voor een gering gedeelte door die
winning wordt veroorzaakt;
eveneens overwegende, dat de
beschikbaarheid van water met een
hoge kwaliteit tegen een redelijke
prijs vanuit het oogpunt van
volksgezondheid essentieel is, o.a.
ten behoeve van de drinkwatervoor-
ziening en de voedingsmiddelen-
industrie;
ten slotte overwegende, dat onder
het regime van de wet naast
brandstoffen en uranium 235 twee
van elkaar onafhankelijke categoriee¨n
belastbare objecten vallen, te weten
grondwater en afvalstoffen, en dat
derhalve de aangekondigde evaluatie
van de bepalingen inzake de
belasting op milieugrondslag ten
minste in deze gescheiden onderde-
len uiteenvalt;
verzoekt de regering de milieu-
kundige rechtvaardiging van een
heffing op de winning van grondwa-
ter, ook in vergelijking met het
gebruik van oppervlaktewater voor
soortgelijke doeleinden, behalve in
de aangekondigde evaluatie van de
bepalingen inzake de grondwater-
belasting – zie artikel 38a van
voornoemd wetsvoorstel – tevens
aanstonds ten principale in het kader
van de aan de Tweede Kamer
toegezegde notitie over de mogelijk-
heden van belastingen op milieu-
grondslag te onderzoeken en
daarover te rapporteren;
verzoekt de regering daarbij zowel de
directe belasting van het milieu door
de winning van grondwater en
oppervlaktewater te betrekken als de
indirecte milieubelasting veroorzaakt
door de algemene schaarste aan
zuiver water,
en gaat over tot de orde van de dag.
Naar mij blijkt, wordt deze motie
voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 117d (23935).
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-372">

 
<spreker pagina="11-372" anker="68" partij="D66" naam="Schuyer">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik ben vast van plan om
aan uw verzoek om in tweede
termijn de helft van de spreektijd in
eerste termijn te gebruiken, te
voldoen. Niet alleen wij hebben nog
een marathonzitting te gaan, dat
geldt ook voor de heer Vermeend. De
financie¨le woordvoerders komen
straks aan het woord en hij moet
heel wat fracties met een half uur
spreektijd aanhoren en daarna volgt
nog anderhalf uur CDA; er is nog
heel wat te doen.
De heer Vermeend heeft van mijn
inbreng gezegd dat die aan de
andere kant staat, positief maar met
kanttekeningen. Dat is juist. Wellicht
heb ik deze keer wat weinig
kanttekeningen geplaatst omdat wij
hierover een jaar geleden al zo
uitvoerig spraken. Thans hebben wij
de regering zo ver dat een aantal
positieve wijzigingen is doorgevoerd. Hij heeft het goed verwoord: als
gevolg daarvan gaat voor mij de
balans de andere kant uit. Dit is voor
mij een eerste stap in het proces,
waarbij belasting aan de sector
arbeid wordt onttrokken en wordt
toegewezen aan de sector milieu.
Daar staat mijn partij voor en dus
hebben wij hiervoor waardering.
Natuurlijk is er nog een groot
aantal onzekerheden. Het is van
belang dat een goede evaluatie
plaatsvindt. Wij steunen de motie
dan ook van harte. De discussie
spitst zich toe op het grondwater. Ik
ben wat dit betreft niet voldoende
deskundig om er alle ins en outs van
te zien maar ik moet toch zeggen dat
de brieven, ontvangen van de
Vereniging van waterleidingbedrij-
ven, mij niet altijd overtuigen, mede
omdat nogal eens gebruik wordt gemaakt van het argument: als je dit
doet, gaat de prijs zozeer omhoog
dat wij andere milieu-investeringen
niet kunnen doen. Voorzitter! Dat is
een argument dat regelmatig kan
worden gebruikt maar waarvan de
hardheid zeer moeilijk is aan te
geven.
Wat dit betreft onderschrijf ik de
opmerking van de minister over de
zuivelbedrijven, waarvoor een
soortgelijke discussie geldt. Echter,
ook de betrouwbaarheid van de
overheid als convenantpartner wordt
bij die discussie betrokken. Het is
bekend dat de kwestie van de
convenanten ook de aandacht van de
Algemene Rekenkamer heeft; die
kamer heeft hierover een uitvoerige
nota geschreven. Wij moeten
erkennen dat de overheid als
convenantspartner niet erg betrouw-
baar is. Iedere keer is er wel een
reden om wijzigingen aan te
brengen. Tegen die achtergrond ben
ik er niet van overtuigd dat met
betrekking tot de zuivelindustrie de
juiste weg is gekozen maar ik moet
erkennen dat dit feit voor ons geen
’’must’’ kan zijn met betrekking tot
de stemming over deze wet.
Blij ben ik met de toezegging van
de staatssecretaris dat de heffing
betreffende uranium in beginsel
wordt uitgesteld tot 1 januari 1997. Ik
denk dat die twee jaar ook werkelijk
nodig zijn voor de bedrijven die dit
aangaat maar toch vind ik dit een
genereus en royaal gebaar. Dat
waardeer ik en ik wil hieraan dan ook
niet tornen, zulks in tegenstelling tot
de suggestie van de heer Zijlstra.
De staatssecretaris heeft deze keer
in zijn antwoord een goede
presentatie gegeven waar het gaat
om de relatie tussen werk en milieu.
Graag had ik gezien dat dit wat
duidelijker in het kader van
regeerakkoord en begroting was
gebeurd. De staatssecretaris slaat de
spijker op de kop waar hij spreekt
over het maken van keuzen en het
voor de samenleving zichtbaar
maken van de lijn waar het om gaat.
Die lijn moet ook duidelijk zijn met
het oog op de 9 mld. aan bezuinigin-
gen waarvan er dit jaar 2 mld. of, als
men het anders bekijkt, 4,5 mld. is
ingeboekt.
Als ik het goed heb begrepen,
heeft de staatssecretaris aangegeven
dat overwogen wordt om in 1996
een begin te maken met de
regulerende heffing. Ik vraag mij af,
hoe dit zich verhoudt met de
onderhavige wetgeving waarin
januari 1997 wordt genoemd als
ijkdatum voor de evaluatie. Het lijkt
mij niet goed, te vroeg met een
ander systeem een begin te maken,
in combinatie met een ander type
heffing, omdat er dan twee modellen
tegelijk aan de orde zijn. Dat zou ik
betreuren.
Wat Baarle-Hertog betreft begrijp
ik dat de minister niet verder kan
gaan dan zij heeft aangegeven.
Echter, vier uur geleden heb ik de
desbetreffende brief aan een van de
ambtenaren gegeven. Kamerleden
moeten wel eens sneller werken. Ik
vond het antwoord wel bijzo`nder
voorzichtig. Graag hoor ik van de
regering dat, als in de brief terecht
wordt gesteld dat het beginsel ’’non
bis in idem’’ met deze wetgeving
voor Baarle-Hertog verbroken wordt,
dit niet kan. Dan moet er een
oplossing worden gevonden.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-373">

 
<spreker pagina="11-373" anker="69" partij="SGP" naam="Barendregt">
 Mijnheer
de voorzitter! Ik dank beide
bewindslieden voor hun antwoorden.
Ik heb begrepen dat er met
betrekking tot de toepassing van het
beginsel dat in dit wetsvoorstel naar
voren wordt gebracht, een vrij groot
verschil van mening blijft bestaan
tussen de bewindslieden en de
fracties waarvoor ik het woord mag
voeren. Wij vinden dat hier een
ongemotiveerde en ook ongeoor-
loofde scheiding is gemaakt tussen
ingredie¨nten waarop deze belasting
van toepassing is. Het doet mij
genoegen dat, al krijg ik bij de
regering geen begrip voor mijn
opvattingen, ik van de Kamer
bijzonder veel toenadering ondervind
waar het gaat om de belasting ten
aanzien van het grondwater versus
die betreffende het oppervlaktewater.
Er is zelfs een motie ingediend die eigenlijk het volgende bedoelt: het
had voor beide categoriee¨n moeten
gelden maar wij kunnen het niet
veranderen omdat deze wet er nu
eenmaal ligt. In feite wordt er een
voorwaardelijk ’’ja’’ gegeven. Het is
’’ja’’ aan de ene kant en een motie
aan de andere kant. Op die manier
gaat men akkoord.
Voorzitter! Wij hebben geen twee
jaar nodig om hierover te denken.
Wij weten nu al dat er sprake is van
een foute aanpak. Daarom blijven wij
bij ons standpunt dat, als deze
splitsing wordt gehandhaafd, wij
onze steun niet aan dit wetsvoorstel
kunnen geven. Wij stemmen dan ook
niet in met de motie omdat daarmee
de beslissing die nu zou moeten
worden genomen, twee jaar wordt
uitgesteld.
De minister onderstreept dat het
storten een altijd durende zorg zal
zijn. Voorzitter! Storten kan ook wel
eens een genoegen zijn. Er zijn toch
heel wat heuvels die voor recreatie
zijn ingericht en die zijn ontstaan
door het storten. Op die manier kan
storten tot nuttig gebruik leiden. Dat
wil weer niet zeggen dat het storten
maar ongemotiveerd kan doorgaan.
Daar zijn wij niet voor maar als de
regering zoveel bezwaren heeft tegen
het voortgaan met storten dat zij de
tarieven wil verhogen tot het
kostenniveau, verbonden aan
vuilverbranding, rijst de vraag
waarom zij de stortlocaties niet
eenvoudig sluit. Ik wijs erop dat op
het moment verbrandingsinstallaties
met overcapaciteit worden gecon-
fronteerd. Misschien hebben de
besturen daarvan er wel geld voor
over om de stortplaatsen te sluiten
zodat de bezetting van de
verbrandingsinstallaties op peil kan
blijven. Is de regering bereid om
deze mogelijkheid te onderzoeken?
Voorzitter! Ik wijs er voorts op dat
het gaat om stortplaatsen die legaal
zijn aangelegd, waarvoor vergunnin-
gen zijn verleend, waar onder
toezicht wordt gestort en ten aanzien
waarvan niet direct behoeft te
worden gedacht dat er duidelijke
negatieve gevolgen zullen zijn. Welnu, ik zou zeggen: pak het dan
ook rigoureus aan en maak er een
einde aan.
De staatssecretaris begon met een
algemene beoordeling te geven van
degenen die in eerste termijn het
woord hebben gevoerd. Hij heeft mij
daar niet bij genoemd. Ik vind dat
niet zo erg, maar wat ik heb gezegd
kan zo onduidelijk wezen dat hij
heeft gedacht dat hij er niet op
inging of het was zo overduidelijk
dat hij geen behoefte heeft gehad
om een motivering en een kwalifica-
tie te geven. Ik weet niet wat reden
het is. Misschien kan de staatssecre-
taris dat nog zeggen.
Ik ga nu niet meer in op de
splitingsoverwegingen. Ik wil wel iets
zeggen over de verfijningen die uit
het derde wetsvoorstel naar voren
komen. Ik begrijp dat zich weer een
nieuwe verfijning voordoet voor de
uraniumbelasting. Hoe denkt het
kabinet deze opbrengstderving dan
over te brengen naar de andere
categoriee¨n? Gaat dat op dezelfde
manier als waarop de verfijningen nu
zijn overgeheveld van de categorie
die betrekking heeft op het afval,
terwijl de verfijningen worden
verleend op het water? Of komt er
een kwijtschelding in de zin dat geen
aanspraak wordt gedaan op het
bedrag dat met de derving van de
uraniumbelasting is gemoeid en
laten wij de opbrengst dan met 13
mln. of 15 mln. dalen? Dat is
namelijk de consequentie als je dit
voor twee jaar doet.
Voorzitter! U zult begrijpen dat wij
ten aanzien van het oppervlaktewater
en het grondwater ons bezwaar
houden dat het een wel belast is en
het andere niet belast wordt, omdat
wij vinden dat de belasting over
allebei had moeten worden geheven,
omdat daarmee alle burgers van
Nederland bijdragen aan een vulling
van de schatkist. Daarom vinden wij
het jammer dat het op deze wijze is
gebeurd. Alle overwegingen die nu
hierbij door mij zijn genoemd, zijn
van dermate zwaarwegende aard dat
wij althans tot op dit moment onze
stem aan de wetsvoorstellen zoals zij
thans voor ons liggen, niet kunnen
geven.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-373">

 
<spreker pagina="11-373" anker="70" partij="VVD" naam="Ginjaar">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik dank de bewindslieden
voor hun antwoorden. De staatsse-
cretaris zei tegen mij dat het betoog
niet zo duidelijk was. Het was althans
niet duidelijk zwart-wit. Als ik in mijn
herinnering terugkijk, zijn discussies
over de financiering van het
milieubeleid en discussies over
heffingen nooit zwart-wit. Zij gaan
altijd gepaard met een grote mate
van ondoorzichtigheid, veroorzaakt
door twee factoren. In de eerste
plaats is dat het uitgangspunt,
meestal een vooropgezette doelstel-
ling van de betreffende partner in de
discussie. In de tweede plaats is dat
de ondoorzichtigheid van de
terminologie.
Ik wil graag naar aanleiding van
hetgeen de bewindslieden hebben
gezegd nog een paar opmerkingen
maken. De minister zei dat er in die
belasting toch een regulerend
element zit. Daarbij kun je enkele
twijfels naar voren brengen. Een
regulerende heffing moet naar onze
mening voldoen aan drie voorwaar-
den. In de eerste plaats moet de
heffing zodanig hoog zijn dat zij
inderdaad een werking heeft. In de
tweede plaats moet er een alternatief
zijn en in de derde plaats dient de
opbrengst niet structureel aange-
wend te worden. Anders kan er naar
mijn oordeel of het oordeel van mijn
fractie niet over een regulerende
werking worden gesproken.
De lastendruk op arbeid verminde-
ren is een tweede element in het
antwoord van de bewindslieden. Je
kunt dat op een aantal manieren
doen. Een van de manieren is de
zogenaamde ecologisering van het
belastingstelsel, die al jaren in
discussie is, ook internationaal. Als ik
naar die discussie, de resultaten van
die discussie en de voortgang daarin
kijk, kan mijn conclusie toch geen
andere zijn dan dat het inderdaad
een theoretische discussie op
academisch niveau is, zonder een
grote aanhechting met de werkelijk-
heid. Het boeiende is ook dat die
verminderende opbrengst, die
daaraan verbonden zou moeten zijn,
nooit in de discussie voorkomt. De
bewindslieden zijn ook niet op mijn
opmerkingen ter zake ingegaan. Als
het milieubeleid slaagt, wordt er
zuinig omgegaan met grondwater en
zijn er minder afvalstoffen. Wat doen
de bewindslieden dan? Gaan dan de
heffingtarieven omhoog of vervalt de
gehele belasting?
Mijn fractie ziet de voorliggende
wetsvoorstellen dan ook heel
duidelijk niet als een eerste stap in
die zogenaamde ecologisering,
waarvan wij overigens vinden dat die
er nooit zal kunnen komen. Veeleer
zien wij de huidige voorgestelde
belasting als een accijns – ik mag het
dan wel niet zo noemen – op
grondwater en afvalstoffen. Wij zien
het gewoon als een belasting om
middelen te genereren. Je kunt je
inderdaad de vraag stellen hoe de
discussie zou zijn gegaan als de
milieufactor van begin af aan buiten
beschouwing zou zijn gebleven en
als je alleen had gezegd dat het een
accijns op grondwater en afvalstof-
fen is, als een instrument om tot
algemene middelen te komen, zoals
dit ook voor tabak en alcohol geldt. 

</spreker>
<spreker pagina="11-374" anker="71" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Als
milieuheffingen resultaat hebben in
de zin dat milieugedrag verbetert,
bespaart dat op langere termijn toch
ook gigantische bedragen. Giganti-
sche bedragen, die wij nu voorbeeld
moeten uitgeven voor het schoon-
maken van alles wat wij de
afgelopen decennia vervuild hebben.
Het heeft toch ook een nuttig effect
in de zin dat de maatschappelijke
kosten van allerlei gevolgen voor
milieugedrag verminderen. Dat moet
je toch in die afweging betrekken?
Daar hoor ik de heer Ginjaar niet
over. 

</spreker>
<spreker pagina="11-374" anker="72" partij="VVD" naam="Ginjaar">
 Ik heb daar
ook niets over gezegd, omdat ik dan
aanmerkelijk meer tijd nodig zou
hebben, zeker in eerste termijn. Het
internaliseren van de milieuschade,
waar de heer De Boer over praat, in
de produktkosten is natuurlijk een
voorstel dat al jaren ter discussie is
geweest. De vraag is alleen hoe je
dat moet doen. De schade aan het
milieu als zodanig kun je niet in geld
uitdrukken. Je kunt hoogstens praten
over functieverlies. Dat kun je dan in
guldens uitdrukken. Dat moet je dan
in de kostprijs opnemen. Vervolgens
kom je voor de vraag te staan hoe
met de opbrengst die schade wordt
voorkomen. In die opvatting gaat de
opbrengst niet naar de algemene
middelen. 

</spreker>
<spreker pagina="11-374" anker="73" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Die
schade kan ik bijvoorbeeld voor de
grondvervuiling wel in geld
uitdrukken. Als de gemeenten elke
keer met het probleem zitten dat zij
nagenoeg niets kunnen realiseren,
omdat de grond onder de steden of
in uitbreidingsgebieden op talloze
plekken is vervuild en het giganti-
sche bedragen kost om dat op te
lossen, is het niet zo moeilijk om die
rekensom te maken. Als wij met dit
soort heffingen voor de toekomst dat
soort vervuiling voorkomen, kun je
ook de gunstige effecten daarvan wel
degelijk inboeken. Dat moet je dan
wel mede in de overwegingen
betrekken. Het is dus niet zo
zwart-wit als de heer Ginjaar stelt. 

</spreker>
<spreker pagina="11-374" anker="74" partij="VVD" naam="Ginjaar">
 Ik denk dat
de heer De Boer, zoals zo vaak, weer
gelijk heeft. Wat hij alleen buiten
beschouwing laat, is echter het
principe dat de vervuiler moet
betalen. In zijn opvatting betaalt
iedereen voor de vervuiling die door
enkelen wordt veroorzaakt. En houdt
u mij ten goede, dat is een beleids-
keuze. Dat is een andere politieke
keuze dan de keuze die wij tot nu toe
hebben gedaan. 

</spreker>
<spreker pagina="11-374" anker="75" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Ik
herinner mij van nog niet zo lang
geleden een discussie in dit huis dat
wij graag de vervuiler wilden laten
betalen voor allerlei vervuilingen die
de afgelopen dertig jaar hadden
plaatsgevonden. Er waren partijen in
dit huis die daartegen waren. Laten
wij dit nu voor de toekomst wel
helder regelen. Ook daarvan zie ik
nog steeds niet de heldere resulta-
ten. 

</spreker>
<spreker pagina="11-374" anker="76" partij="VVD" naam="Ginjaar">
 Als u doelt
op de wetgeving inzake de bodem-
sanering, gaat het daar toch om een
heel ander geval. Daarbij gaat het
om de betaling van vervuiling die in
vroegere tijden tot stand is gekomen.
Zodra je dit omzet in een belasting,
op welke wijze dan ook, ga je praten
over de toekomst. Ik hoop, voorzitter,
dat deze gedachtenwisseling niet van
mijn tijd af gaat.
Ik wil nog een opmerking maken
naar aanleiding van iets wat de heer
De Boer heeft gezegd en tegelijkertijd
wil ik dat zeggen in de richting van
de bewindslieden. De heer De Boer
zei dat zo’n regulerende heffing een
bepaald effect heeft, want die
vervuiling wordt tegengegaan. De
bewindslieden schrijven op pagina 7
van de memorie van antwoord dat
het niet ondenkbaar is – let wel, niet
ondenkbaar – dat de voorgestelde
afvalstoffenbelasting invloed heeft
op het gebruik van overbodig
verpakkingsmateriaal en kartonnen
drankverpakking, omdat de
ingestelde belasting leidt tot een
hoger tarief voor storten of
verbranden. In dit geval gaat het om
storten. Toen ik dit las in de memorie van antwoord, dacht ik bij mij zelf:
dat geleuft ge toch niet? Ik kreeg
terzelfdertijd het fraaie boekwerk
’’Milieuzorg voor onze verpakkingen,
van wieg tot graf’’, gemaakt door de
Stichting Verpakking en Milieu, in het
kader van het convenant verpakkin-
gen. Hierin worden verschillende
maatregelen voorgesteld die wel
degelijk effect kunnen hebben op de
totale verpakkingsproblematiek. Maar
dat de heffing die op storten wordt
gelegd, d.w.z. aan de stortplaats, zou
moeten doorwerken op gebruik van
minder verpakkingsmateriaal door de
consument, is iets wat ik niet kan
begrijpen. Ik denk dan ook dat
datgene wat de bewindslieden
hebben geschreven misschien te
gemakkelijk neergeschreven is.
Dit brengt mij op een principieel
punt, waar de bewindslieden niet
over hebben gesproken. Als een
organisatie, een bedrijf of een
bedrijfstak investeert in milieu-
maatregelen, energiebesparing of
waterbesparing en als zij daarover
met de overheid overeenkomsten
aangaat of zelfstandig milieu-
actieplannen maakt, is het dan op
zijn plaats om te komen tot een
milieubelasting in het verlengde van
al datgene wat men zich heeft
voorgenomen te doen? 

</spreker>
<spreker pagina="11-375" anker="77" partij="SGP" naam="Barendregt">
 De heer Ginjaar zegt: in het verlengde van. Het is echter: gelijktijdig met. 

</spreker>
<spreker pagina="11-375" anker="78" partij="VVD" naam="Ginjaar">
 U hebt gelijk.
Laat ik die discussie kortsluiten.
Al datgene wat men zich heeft
voorgenomen te doen, vraagt grote
investeringen. Het is dan inderdaad
de vraag of je dat als overheid
gewoon moet doen dan wel of je bij
je zelf moet denken dat het feitelijk
niet aangaat om het beleid dat door
alle betrokken groepen wordt
gevoerd, op een dergelijke manier
extra te belasten.
Ik heb het begrip ’’het milieu als
melkkoe’’ genoemd. Ik heb dat niet
zomaar gedaan. Hoe je het ook keert
of wendt, er vindt een enorme
cumulatie van alle mogelijke
heffingen plaats. Wij kunnen daar in
dit huis zeer genuanceerd over
praten. Wij kunnen heel duidelijk het
verschil tussen een reinigingsheffing,
een waterzuiveringsheffing, een
heffing op retourbemaling, een
heffing op zuiveringsslib, enz.
aangeven. Al die heffingen ballen
weer samen in een beperkt aantal
bedragen. De percepties van de
burgers zijn echter ongenuanceerd.
Die percepties zouden ertoe kunnen
leiden dat men inderdaad zegt dat de`
overheid – de burger maakt immers
geen onderscheid tussen gemeente-
lijke overheid, provinciale overheid
of centrale overheid – het milieu
beschouwt als een melkkoe voor de
financiering van algemene beleids-
doelstellingen. Als dat gebeurt, is dat
een zorgwekkende ontwikkeling.
Ik maak nog een paar slotopmer-
kingen. Allereerst over het uraan. Het
verheugt mij voor de desbetreffende
industrie in Zeeland dat het tot 1
januari 1997 niet plaatsvindt. De heer
Zijlstra wil die datum feitelijk wat
naar voren halen. Ik kan mij
voorstellen dat de regering in het
kader van de besluiten die de
afgelopen weken zijn genomen,
beslist dat de datum verschoven
wordt naar 1 januari 2004.
Ik geef de minister van Volkshuis-
vesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer in overweging, nog
eens heel goed te kijken naar de
zuivelproblematiek. Dit punt is mijn
fractie erg aan het hart gebakken. Wij
zouden het prettig vinden als de
minister daar nog eens naar keek.
Met betrekking tot het zuiverings-
slib leeft bij ons de vraag hoe het
verder gaat met dit slib. Wij kunnen
ons niet aan de indruk onttrekken dat
allerwegen de perceptie bestaat dat
het zuiveringsslib op de een of
andere wijze buiten de belasting zal
vallen.
Voorzitter! De behandeling van de
voorliggende wetsontwerpen hebben
wij met gemengde gevoelens
beleefd. Het zal duidelijk zijn dat wij
de wetsontwerpen toch wel
problematisch vinden. Er doen zich
erg veel knelpunten voor. Vandaar
dat wij graag hebben meegewerkt
aan de totstandkoming van de motie
die de heer Zijlstra zojuist aan de
Kamer heeft voorgelegd. Wij
beseffen heel goed dat zich bij het
invoeren van een nieuwe belasting
knelpunten voordoen die gaandeweg
moeten worden opgelost. Mijn
fractie gaat er daarbij van uit dat de
bewindslieden inderdaad adequaat
zullen reageren op knelpunten, zo die
zich voordoen. De wet biedt hen
daartoe nu de mogelijkheden, zeker
omdat zij spoedeisende maatregelen
kunnen treffen. Die maatregelen
moeten dan later in een wet worden
omgezet.
Het geheel van de overwegingen
dat wij naar voren hebben gebracht
bij de behandeling van deze wet,
maakt duidelijk dat wij deze wet niet
zien als een eerste stap op weg naar
een zogenaamde ecologisering. Wij
zijn dan ook van mening dat er
sprake is van een zodanige princi-
pie¨le wijziging in het belastingstelsel
dat daaraan een goede discussie
vooraf dient te gaan, waarbij de
verschillende modaliteiten in een
open en ree¨el overleg kunnen
worden besproken. Wij zijn
daarnaast dan ook van mening dat
het invoeren van verdere verbredin-
gen of een verhoging van bestaande
of nu in te voeren belastingen niet
moet plaatsvinden vooraleer er meer
inzicht is verkregen in het functione-
ren van deze belasting. In eerste
termijn heb ik al gezegd dat de
VVD-fractie dit een wezenskenmerk
van de toekomstige ontwikkelingen
acht. Wij vinden de evaluatie dan
ook van het grootste belang, zowel
wanneer het gaat om de ecologise-
ringsnotitie als wanneer het gaat om
de grotere evaluatie van de werking
van de wet. Ik heb begrepen dat de
bewindslieden hebben toegezegd dat
zij bereid zijn, daarover eerder te
rapporteren dan over een paar jaar.
Wij stellen dit zeer op prijs.
Alles overwegende en daarbij ook
de budgettaire kaders betrekkend,
zullen wij onze stem aan dit
wetsontwerp niet onthouden.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-375">

 
<spreker pagina="11-375" anker="79" partij="GroenLinks" naam="De Boer">

Voorzitter! Schoon oppervlaktewater
is even schaars als schoon grondwa-
ter. Sterker nog, schoon oppervlakte-
water is zelfs duurder dan schoon
grondwater. Wat is dan de ratio om
grondwater te belasten, anders dan
het meer gelijk trekken van tarieven?
Als dat zo is, zeg dat dan. Als de
ratio is dat schoon water als schaars
goed extra moet worden belast, met
als doel het zoeken van dekkingsmid-
delen en het terugdringen van het
gebruik van water, zou je moeten
kiezen voor een accijns op drinkwa-
ter en een waterbesparingsbeleid.
Dat gebeurt niet. Het hangt er
allemaal wat tussenin. Het blijft
onhelder.
De tweede vraag betreft de
discussienota die is aangekondigd
over de verbreding van de grond-
slag. Hoe komt die nota precies tot
stand? Wie zijn erbij betrokken? Is
dat alleen ambtelijk? Worden er ook
organisaties, zoals bedrijven en de
milieubeweging, bij betrokken?
Wanneer komt die nota er precies?
Dan de discussie over storten of
verbranden. Als wij het over storten
hebben, hebben wij het natuurlijk
over storten volgens de IBC-criteria.
Ik wil nog verduidelijking hebben
over het volgende. Als er verbrand
wordt, levert dat verbrandingsresten,
slakken, op. Die slakken zijn
verontreinigd. De slakken moet
gestort worden. In die zin zijn er nog
steeds vraagtekens te plaatsen achter
de discussie over storten of
verbranden. Het laatste woord
hierover is kennelijk nog niet
gesproken.
Op het punt van de bijdrage aan
de cultuuromslag, richting het
ontwikkelen van een draagvlak voor
belasting op milieuvervuilende
activiteiten, was de verdediging van
de zijde van de regering, vriendelijk
gezegd, niet sterk. Wil je die
cultuuromslag naar het draagvlak toe
bereiken, dan mag er wel heel wat
meer uit de kast komen aan
argumentatie en overtuigingskracht
dan nu gebeurt.
De heer Ginjaar geeft ten aanzien
van de heffing op de storting van
afval en ten aanzien van de invloed
op het financie¨le geheel aan, dat de
effecten daarvan nihil zijn. Ik denk
dat hij daar op zichzelf gelijk in heeft
en dat mensen, als de afvalheffing
aan de stortplaats opgelegd wordt,
daar geen ander gedrag op zullen
vertonen. Dat gedrag zal pas
veranderen, als je overgaat op
tariefstelling op grond van het
aangeboden gewicht door de
consument. Er zijn een paar plekken,
waar daar proeven mee worden
genomen. Ik denk dat het heel
belangrijk is, dat dit verbreed en
vergroot wordt.
Ik zou ook graag een toelichting
willen hebben op hetgeen de heer
Zijlstra al gevraagd heeft; het staat
trouwens ook in een brief van de
VEWIN van 9 december. Dat gaat
erover dat de agrarische sector en de
industrie ontzien worden, daar waar
het betreft het onttrekken van
grondwater, en dat dit zal leiden tot
vluchtgedrag, met name in de
agrarische sector. Dat leidt tot een
veel grotere afname van grondwater,
hetgeen weer verdroging tot gevolg
zal hebben. Als dit inderdaad deze
vormen aan gaat nemen – ik sluit mij
aan bij de vraagstelling van de heer
Zijlstra – moet daar dan op de een of
andere manier in het beleid niet iets
aan gebeuren?
Wij delen niet de mening van het
CDA, bij monde van de heer Van
Dijk, dat ook belastingen op
milieugrondslag niet tot lastenver-
zwaringen mogen leiden. Eerlijk
gezegd vindt de fractie van Groen-
Links dat nogal kortzichtig. Was het
maar zo – ik heb dit bij interruptie al
gezegd – dat wij 25 jaar geleden over
een straffe en regulerende milieuhef-
fing hadden beschikt. Dat had zeer
veel ernstige vervuiling en de
afvalexplosie voor een deel kunnen
voorkomen. Dan hadden wij nu heel
wat minder troep op te ruimen, zoals
wij dat nu ten koste van de
algemene middelen moeten doen. Ik
heb al aangegeven dat dit bijvoor-
beeld bij de woningbouw in
stedelijke gebieden een groot
probleem is. Milieuvervuiling, zo zeg
ik nog maar eens tegen collega Van
Dijk, leidt op lange termijn tot een
hoge lastendruk, die met veel lagere
uitgaven nu kan worden voorkomen.
Ik vind dat daarvoor gekozen zou
moeten worden. 

</spreker>
<spreker pagina="11-376" anker="80" partij="CDA" naam="Van Dijk">
 Voorzitter!
Mag ik de heer De Boer vragen, hoe
hij uit mijn inbreng heeft afgeleid dat
ik vind, dat belastingen op milieu-
grondslag niet tot lastenverzwaring
mogen leiden? Mijn betoog was er
juist op gericht dat dit wel het geval
was en dat wij daar in feite deze wet
niet eens voor nodig hebben. Mijn
betoog was erop gericht om aan te
geven dat een goed beleid op het
gebied van het milieu, door
aanscherping van de eisen,
onvermijdelijk zal leiden tot
lastenverzwaringen. Ik heb niet
gezegd dat de wetsvoorstellen
daarom voor ons onaanvaardbaar
zijn, omdat zij tot die lastenverzwa-
ringen leiden, want dat zullen zij
zeker doen. 

</spreker>
<spreker pagina="11-376" anker="81" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Het
betekent toch ook dat dit leidt tot een
grotere lastendruk? En ik hoorde u
toch zeggen dat u daar ten principale
tegen was? 

</spreker>
<spreker pagina="11-376" anker="82" partij="CDA" naam="Van Dijk">
 In een tijd
dat per saldo lastenverlichtingen
gegeven worden, vervalt, zo heb ik
gezegd, het budgettaire argument
om deze wet nog in te voeren, want
wij hebben die wet niet nodig uit
zuiver budgettaire overwegingen, om
extra middelen te genereren. Als ik
wel akkoord ga met deze wet, heb ik
andere argumenten nodig dan het
budgettaire en die zijn gelegen in de
milieu-effecten. 

</spreker>
<spreker pagina="11-376" anker="83" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 En
die vindt u te mager... 

</spreker>
<spreker pagina="11-376" anker="84" partij="CDA" naam="Van Dijk">
 Als ik zou
moeten constateren dat deze vorm
van lastenverzwaring grote en
aantoonbare gevolgen heeft voor het
milieu en het milieubeleid onder-
steunt, dan zou ik met mijn fractie
overwegen om over alle complicaties
heen te stappen en deze wetgeving
te ondersteunen. 

</spreker>
<spreker pagina="11-376" anker="85" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Dank
u wel.
Ik vond het overigens wel aardig –
ik blijf mij vermaken; helaas,
misschien – om uitgerekend de heer
Van Dijk de woordvoerder van de
PvdA-fractie te horen verwijten, dat
zijn fundamentele en kritische betoog
maar tot een ding zou kunnen leiden,
namelijk afwijzing van dit wetsvoor-
stel. Het is dan of ik mijzelf hoor bij
diverse gelegenheden in de
afgelopen jaren, maar dan ook in de
richting van het CDA, dat nogal eens,
na een betoog in eerste termijn dat
geen spaan heel liet van een
wetsvoorstel, in tweede termijn
verrassenderwijs toch redenen bleek
te zien – die redenen zitten natuurlijk
in coalitiebehoud – om voor zo’n
wetsvoorstel te stemmen. Ik keur dat
niet af; ik begrijp zelfs de redenge-
ving om tot zo’n stemgedrag te
komen. Ik vind het wel grappig dat,
als de posities gewisseld zijn, de
verwijten ook veranderen, maar het
zal allemaal in de gang der dingen
zitten.
De heer Van Dijk wil iets opmer-
ken? 

</spreker>
<spreker pagina="11-376" anker="86" partij="CDA" naam="Van Dijk">
 Ik sta te
wachten op een goed voorbeeld. 

</spreker>
<spreker pagina="11-376" anker="87" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Ziet
u de Handelingen van de afgelopen
jaren maar eens na. 

</spreker>
<spreker pagina="11-376" anker="88" partij="CDA" naam="Van Dijk">
 U weet ook
dat het in dit moment van de
discussie niet mogelijk is om de
Handelingen even na te kijken. Er zijn
ongetwijfeld situaties waarin het
CDA, ondanks bezwaren, op een
gegeven ogenblik de politieke
consequenties van het afstemmen
niet voor zijn rekening kon nemen,
maar waarbij de fractie wel de
materie¨le bezwaren tegen bepaalde
voorstellen duidelijk naar voren heeft
gebracht. Ik ben mij er niet van
bewust dat de PvdA in een situatie
verkeert, waarin een tegenstem tot
de val van het kabinet zou leiden. 

</spreker>
<spreker pagina="11-376" anker="89" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 U bedoelt: nu? Nee, maar u verwijt in
feite de heer Zijlstra een opstelling
die u in het verleden vele malen zelf
heeft gekozen. Ik wilde dat alleen
maar even tegen het licht houden,
want ook het CDA moet natuurlijk
aan zijn nieuwe rol wennen. Daar
heb ik overigens alle begrip voor,
maar wij moeten voor de geschied-
schrijving dat soort zaken wel blijven
signaleren. Die feitelijke situatie is
vrij markant en nu dat voor de eerste
keer voorkomt, kon ik het niet
nalaten daar even fijntjes op te
wijzen. Meer impact heeft het niet. 

</spreker>
<spreker pagina="11-377" anker="90" partij="PvdA" naam="Zijlstra">
 Voorzitter!
Voor de goede orde merk ik het
volgende op. Als de suggestie zou
beklijven dat wij om opportunistische
redenen of om een kabinet ter wille
te zijn, voor dit wetsvoorstel
stemmen, dan wil ik dat tegenspre-
ken. Ik heb positieve en negatieve
aspecten gemeld. Als de motie wordt
aangenomen – ik heb geen aanlei-
ding om te veronderstellen dat
althans de regering het er oneens
mee is – dan vinden wij dat de
positieve effecten in die afweging
heel duidelijk zwaarder moeten
wegen dan de negatieve aspecten,
vooral ook met het uitzicht op een
betere regeling van de grondwater-
belasting. Dat is een heel rationele
afweging, onafhankelijk van een
partijbelang. Daar gaat het om. Dat is ook de taak van een Eerste Kamer:
die moet letten op de zorgvuldigheid
van de wetgeving. Alles bij elkaar
genomen, overweegt bij ons – mits
de motie doorgaat – het positieve
aspect. 

</spreker>
<spreker pagina="11-377" anker="91" partij="GroenLinks" naam="De Boer">

Voorzitter! Nog een aspect, voordat
ik tot een eindafweging kom. Er zit
wat onduidelijkheid in, als het gaat
om het punt van een eerste stap
richting ecologisering. Ik hoorde de
heer Ginjaar zeggen dat een motief
voor de VVD om, zij het schoorvoe-
tend, toch de steun aan dit wetsvoor-
stel te geven, is dat het wetsvoorstel
uitdrukkelijk niet beschouwd kan
worden als een eerste stap richting
ecologisering. Ik meen mij te
herinneren dat van de zijde van de
regering daar toch een iets ander
accent op is gelegd en daar zou ik
graag wat helderheid over hebben.
Klopt dit allemaal met elkaar? Is de
kwalificatie van dit wetsvoorstel
eenduidig of is zij dat niet? In dit
laatste geval hollen wij straks de zaal
uit met elk onze eigen interpretatie.
Onze fractie moet tot een
eindafweging komen. Wellicht
enigszins verrassend, komt die
afweging uit op het geven van een
dubbel signaal. Dat wordt veroor-
zaakt door de tweeslachtigheid die
de regering in de nu voorliggende wetsvoorstellen ten toon spreidt: een
aanzet tot een eerste stap naar
belasting op milieugrondslag, maar
met een milieu-effect dat in deze
eerste poging nauwelijks aanwezig is
of soms zelfs averechts kan werken.
Twee leden van de fractie van
GroenLinks onder aanvoering van de
milieuspecialist, vinden de afwezig-
heid van een helder milieusignaal en
de bezwaren van de grondwater-
heffing zo zwaar wegen, dat zij niet
de motivatie vinden om hun steun
aan deze wet te geven, hoe
belangrijk zij het ook vinden dat er
stappen gezet worden in de richting
van een belasting op milieu-
grondslag. Het moeten echter wel
echte stappen zijn.
Een lid van de fractie wil ondanks
dezelfde hierboven geuite bezwaren
door een schoorvoetende steun toch
het signaal afgeven, dat deze eerste
stappen, waarvan sommige positief
te waarderen, belangrijk genoeg zijn
om deze gebrekkige poging op weg
naar invoering van ecologiserende
belasting – jawel, heer Ginjaar – een
cultuuromslag betekenen die, zo
hoop ik in elk geval, gevolgd zal
worden door een snelle verbreding
en verdieping daarvan.
Ten slotte, hoewel de motie voor
de PvdA en de VVD natuurlijk een
motief is om, ondanks kritiek, toch
voor deze wetsvoorstellen te kunnen
stemmen, vinden wij de inhoud
belangrijk genoeg om de motie te
steunen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-377">

 
<spreker pagina="11-377" anker="92" soort="Minister" naam="De Boer">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik ga de sprekers af en zal
daarbij proberen te komen tot een
clustering van de onderwerpen. Of
dat helemaal mogelijk is, weet ik nog
niet.
De heer Van Dijk is begonnen met
een vrij principie¨le stellingname door
te zeggen dat hij in principe akkoord
is met een belasting op milieu-
grondslag. Tegelijkertijd stelt hij, dat
daarmee het denken niet ophoudt. Men moet zich wel afvragen:
waarvoor deed je het; is de vorm in
overeenstemming met de doelstel-
ling en wordt de weg naar de hel
niet geplaveid met goede voorne-
mens, zo stelde hij.
Ik ben blij, mijnheer Van Dijk, dat
wij kunnen constateren dat wij het
met elkaar eens zijn over het feit dat
het milieu gediend kan zijn – ik zeg
’’is’’, maar u zegt waarschijnlijk ’’kan
zijn’’ – met een belasting op
milieugrondslag. Een van de
buitengewoon belangrijke aspecten
die wij elkaar al jarenlang voorhou-
den maar waar wij niet naar
handelen, is dat het milieu zijn prijs
kent. Wij zullen, als wij ’’milieu-
inclusief’’ willen denken, ons moeten
realiseren dat wij in het verleden
veel te onachtzaam zijn geweest met
de prijs van het milieu. Wij zijn op dit
ogenblik bezig ons daarvan wat meer
rekenschap te geven.
Waarvoor is deze wet onder
andere hier aan de orde? Dat is om
inderdaad een eerste voorzichtig
stapje te zetten op het pad dat
wellicht kan leiden naar een
ecologisering van het belasting-
stelsel. Uiteraard, uiteraard, voordat
de heer De Boer opveert uit zijn stoel
of de heer Ginjaar, het is inderdaad
een eerste stapje. Ik kan niet
garanderen dat die eerste stap
gevolgd wordt door een tweede stap.
Ik kan echter wel garanderen dat
deze eerste stap ons in ieder geval
zal leiden tot het leren om te gaan met deze lastige problematiek:
belasting en milieu. Wanneer de heer
Van Dijk dan vraagt, of deze vorm in
overeenstemming is met de
doelstelling, is het zo dat ik op dit
ogenblik ja zeg. Wij denken dat wij
hier iets gepresenteerd hebben
waarvan de vorm in overeenstem-
ming is met de doelstelling. Wij
zeggen echter niet dat het denken
hiermee ophoudt. Het is juist zo
belangrijk bij de evaluatie in 1997 –
ik heb reeds gezegd dat die evaluatie
vervroegd mag worden – de hele
zaak nog eens goed te beschouwen.
Wij moeten dan met elkaar bekijken,
of het voorstel dat wij in december
1994 met elkaar hebben behandeld,
leidt tot nuancering in die zin dat er
zaken bijgehaald of afgehaald
moeten worden. Kortom, in hoeverre
waren alle goede voornemens die
wij hadden met dit voorstel een
aspect dat leidde naar een betere
situatie of is het inderdaad zo dat het
naar de hel geleid heeft? Dat laatste
geloof ik absoluut niet. Bovendien
denk ik dat het buitengewoon slecht
regeren is als je er altijd maar van
uitgaat dat goede voornemens
kunnen leiden tot oorden waar wij
geen van allen willen verkeren. 

</spreker>
<spreker pagina="11-377" anker="93" partij="VVD" naam="Ginjaar">
 De minister
zei, dat er jarenlang gesproken wordt
over het zichtbaar maken van
hetgeen wij aan het milieu doen. Wij
zijn het ermee eens dat er jarenlang
over wordt gesproken. Vervolgens
zegt de minister, dat dit wetsvoorstel
een eerste stapje is. De fractie van de
VVD zegt heel uitdrukkelijk, dat wij
dat gewoon niet zin zitten. Wij
denken dat het niet kan. Vervolgens zegt de minister: dit is een eerste
stapje waardoor wij gaan leren, hoe
wij ermee moeten omgaan. Ik ben nu
zo vreselijk nieuwsgierig te horen,
wat de minister precies verstaat
onder dat leerproces. Daarbij kan ik
mij eerlijk gezegd nog niet zoveel
voorstellen. 

</spreker>
<spreker pagina="11-378" anker="94" soort="Minister" naam="De Boer">
 Ik denk dat er
weinig in het leven is, waar je niet
van kunt leren. Als wij het voorlig-
gende wetsvoorstel op enig moment
kritisch willen bekijken, kunnen wij daaruit lering trekken in de zin van:
dit is de weg die leidt tot een winst
op het milieugebied of dit is een weg
die te weinig milieuwinst oplevert.
Dat moeten wij met elkaar in alle
openheid en alle duidelijkheid willen
bespreken. Daarom ben ik zo blij met
het evaluatiemoment. Op dat
ogenblik moeten wij de zaak immers
bekijken. Misschien zeggen wij dan, inclusief de VVD: wij gaan een stapje
verder. Het kan ook zo zijn, dat,
inclusief ondergetekende, gezegd wordt: wij gaan geen stapje verder.
Ik wil die ruimte er duidelijk in
houden voor alle partijen die erbij
betrokken zijn.
</spreker>
<spreker pagina="11-378" anker="95" soort="Minister" naam="De Boer">
 De heer Zijlstra
stelde, dat wij met de invoering van
dit belastingstelsel een situatie
zouden cree¨ren waardoor uiteraard
de Randstad weer bevoordeeld werd.
Mag ik het zo vertalen, mijnheer
Zijlstra? U spreekt in dit verband
over standplaatsenvoordeel. Ik dacht
dat de discussie over standplaatsen-
voordeel reeds lang achter ons lag.
Ik kan mij herinneren dat dit
inderdaad in de eerste jaren na de
oorlog een rol speelde toen de
arbeider in Friesland aanmerkelijk
minder verdiende dan de arbeider in
Amsterdam, niet waar? Ik dacht dat
wij er nu overheen waren. Wij
hebben immers geaccepteerd dat het
wonen in het noorden of in het
zuiden ten opzichte van het wonen in
het westen beide hun voors en
tegens hebben en dat alle twee
lusten en lasten meebrengen. Het
argument dat natuurlijke standplaats-
voordelen gecalculeerd behoren te
worden in de kostprijs, is wat
achterhaald. Als dat zo zou zijn,
garandeer ik u dat in ieder geval een
provincie in het noorden, zijnde de
provincie Groningen, onmiddellijk zal
afreizen om hier de revenuen binnen
te halen die te maken hebben met de
gaswinning. 

</spreker>
<spreker pagina="11-378" anker="96" partij="PvdA" naam="Zijlstra">
 Voorzitter!
Die revenuen hebben zij al voor een
deel, namelijk het zogenaamde
potjesgas. Dat potjesgas is een
voorbeeld van het toepassen van een
standplaatsvoordeel. Ik heb de indruk
dat wij het over verschillende dingen
hebben. Het zou te ver voeren
daarop nu in te gaan. Als men echter
een produktiefactor op een gunstige
plaats heeft – een gunstiger plaats
dan elders – is dat kort gezegd – en
dat is geenszins achterhaald – voor
de juiste allocatie van de produktie-
eenheden verreweg het beste,
eigenlijk de enige oplossing, dat die
gunstige plaats volledig in de
kostprijs tot uiting komt, zonder
enige kunstmatige beı¨nvloeding.
Zo’n kunstmatige beı¨nvloeding is een
belasting op grondwater. Daarover
ging het. 

</spreker>
<spreker pagina="11-378" anker="97" soort="Minister" naam="De Boer">
 Naar mijn mening
is het niet handig, mijnheer Zijlstra,
om nu met u heel uitgebreid in
discussie te gaan over dit onder-
werp, afgezien van het grondwater,
daar kom ik zo meteen op terug. Ik
denk dat hieraan een zeer principie¨le
discussie ten grondslag ligt. Die
heeft te maken met centralisatie en
decentralisatie van kosten en
opbrengsten. Ik zou daarover met u
een interessante discussie kunnen
voeren. Dat doe ik echter graag
buiten deze vergadering om. Op dit
ogenblik telt de vraag, wat het
betekent voor de discussie over het
grondwater en voor de lasten die
daarmee te maken hebben. Ik heb
niet de illusie dat ik u, mijnheer
Zijlstra, of de heer Van Dijk, of de
heer Ginjaar geheel en al tevreden
kan stellen ten aanzien van de
motivatie die er bij ons toe geleid
heeft dat wij de artikelen met
betrekking tot de grondwaterheffing
op deze manier hebben opgenomen.
Wat dat betreft, is uw motie een
goede handreiking. Ik wil u dan ook
graag namens het kabinet toezeggen
dat wij uw motie zullen uitvoeren.
Op basis daarvan kunnen wij de
grondwaterheffing verder onder de
loep nemen. U zegt dat de discussie
kan leiden tot een verandering, tot
een verbreding of tot een versmal-
ling. Daar hebt u volstrekt gelijk in. Ik
denk dan ook dat het goed is dat wij
die discussie voeren in het kader van
de verbreding van de belastinghef-
fing als zodanig, want wij zullen met
elkaar moeten bespreken of daar
aanleiding toe is. Ik ben wat dat
betreft zeker bereid om de motie uit
te voeren.
Hoe zit het met het boren van het
grondwater door de industrie of door
agrarie¨rs? Het vergunningenbeleid is
aan de provincies. Die moeten dan
ook de vinger aan de pols houden bij
deze ontwikkeling. Uw opmerking
dat er op dit ogenblik een hausse
zou zijn aan extra boringen in
Friesland is voor mij reden om er
met name met de provinciale
besturen over te discussie¨ren. Het
kan natuurlijk niet zo zijn dat er maar
geboord wordt om op deze manier
een heffingenstelsel te ontlopen. Het
kan natuurlijk ook niet zo zijn dat wij
niet meer zouden heffen, omdat er
geboord zou kunnen worden. Als wij
op die manier bang zouden zijn voor
allerlei neveneffecten, dan zouden
wij in dit land helemaal aan de
leiband lopen van diegene die altijd
weer geneigd is om het kwade op te
zoeken. Dat zijn toch woorden die
ook de heer Van Dijk moeten
aanspreken.
Ik ben kennelijk niet heel duidelijk
geweest over het zuiveringsslib. Laat
ik nog even in de historie teruggaan.
Zuiveringsslib is al jarenlang een pijn
in de nek van provincies en van
waterschappen. Het Rijk heeft gezegd: zuiveringsslib zal verbrand
moeten worden; dat is beter voor het
milieu dan storten. Het is ook
duurder, zoals wij net al hebben
geconstateerd, want er is een
behoorlijk verschil in tarief tussen
verbranden en storten. De provincies
waren daar niet heel enthousiast
over. Inmiddels hadden provincies en
waterschappen initiatieven genomen
om een aantal alternatieve
verwerkingsinstallaties tot stand te
brengen. Sommige provincies
hadden een verbrandingsinstallatie
opgezet, zoals Zuid-Holland. Dat
geldt trouwens ook voor Overijssel
en Noord-Brabant, maar die zijn in
een andere fase van totstandkoming.
Andere provincies hadden reeds
geı¨nvesteerd of verplichtingen op
zich genomen om andere installaties
tot stand te brengen die bijvoorbeeld
te maken hebben met thermisch
drogen. Wij hebben afgesproken dat
al die provincies nu de gelegenheid
krijgen om het residu toch te storten,
hoewel wij dat niet zo milieuvriende-
lijk vinden. Daardoor zitten zij in een
lager tarief dan wanneer er verbrand
wordt. Er is een ontheffing van de
plicht om te verbranden, maar er is
geen andere ontheffing. Ik denk dat
de discussie daarover niet duidelijk
genoeg is gevoerd. 

</spreker>
<spreker pagina="11-379" anker="98" partij="VVD" naam="Ginjaar">
 Ik wil de
discussie niet verder oprakelen, maar
mag ik de minister in overweging
geven, mede gezien de berichten en
brieven die mij bereikt hebben, om
ter zake toch nog contact op te
nemen met de Unie van waterschap-
pen? Ik kan mij niet aan de indruk
onttrekken dat daar een andere
perceptie bestaat dan de minister op
dit moment naar voren brengt. 

</spreker>
<spreker pagina="11-379" anker="99" soort="Minister" naam="De Boer">
 Ja, ik wil dat
graag doen. Ik heb hen twee, drie
weken geleden op een jaarvergade-
ring toegesproken. De teksten
daarvan zijn nog ter beschikking. Ik
dacht dat het duidelijke teksten
waren, maar soms wil men
misschien graag andere dingen horen: wishful thinking. Ik zal er
zeker contact over opnemen. 

</spreker>
<spreker pagina="11-379" anker="100" partij="CDA" naam="Van Dijk">
 Heb ik het
goed begrepen dat organen die
hebben gekozen voor andere
methoden dan verbranding dat
mogen doen en dus mogen storten,
maar wel de belasting erover
betalen? 

</spreker>
<spreker pagina="11-379" anker="101" soort="Minister" naam="De Boer">
 Precies, want zij
worden niet ontheven van de
belasting. Dat is niet aan de orde. Er
was een ontheffing van de plicht om te verbranden. Wij hebben gezegd:
zuiveringsslib moet verbrand
worden. Inmiddels was een aantal
provincies bezig met een alternatieve
verwerkingsinstallatie, niet zijnde een
verbrandingsinstallatie. Zuid-Holland,
Noord-Brabant en Overijssel hebben
een verbrandingsinstallatie, maar
bijvoorbeeld Friesland, Groningen,
Drenthe en Noord-Holland en Utrecht
hebben een thermische droog-
installatie. Dan kun je van die
provincies blijven eisen dat zij het
residu toch verbranden. Wij hebben echter gezegd: zij zijn of hebben
zichzelf ook op kosten gejaagd, wij
maken daar nu geen punt meer van,
dat moet dan maar gestort worden.
Dat is die ontheffing. 

</spreker>
<spreker pagina="11-379" anker="102" partij="CDA" naam="Van Dijk">
 Maar de
belasting die u nu gaat heffen, kan
voor die groep organen de verhou-
ding tussen kosten veranderen. Dat
kan wellicht leiden tot een andere
oplossing die na verloop van tijd
gezocht zal worden, namelijk om te
verbranden. U heeft ook de groep
van provincies die nog geen
oplossing hebben gevonden voor de
verwerking van het slib. Als ik het
goed heb begrepen, zullen die
onmiddellijk de belasting moeten
betalen voor het storten daarvan. 

</spreker>
<spreker pagina="11-379" anker="103" soort="Minister" naam="De Boer">
 Als er nog
provincies zijn, dan zijn het er een of
twee. Ik dacht dat alle provincies een
regeling hadden getroffen. Een
provincie die geen regeling heeft
getroffen, moet haar zuiveringsslib
verbranden. Dat hebben wij
afgesproken. Terwijl die discussie
gaande was, heeft een aantal
provincies regelingen getroffen. Die
provincies mogen hun residu storten. Nu zegt u: dat storten wordt ook
duurder. Die provincies zijn echter al
met al nog steeds goedkoper uit dan
de provincies die gekozen hebben
voor verbranden, wat zij hebben
gedaan op onze instigatie. U hebt het
over onrechtvaardigheid. Het is
eigenlijk onrechtvaardig dat ik
uiteindelijk zo welwillend ben
geweest om de provincies met een
thermische drooginstallatie
toestemming te geven om het residu
toch maar te storten, want er is een
behoorlijk verschil in tarief. In de
loop der tijd zal dat worden
ingehaald, omdat wij de storttarieven
gaan ophogen tot de verbrandingsta-
rieven. 

</spreker>
<spreker pagina="11-379" anker="104" partij="CDA" naam="Van Dijk">
 Het is uw
bedoeling dat er verbrand wordt. Een
aantal provincies is nog niet zover
dat zij dat morgen al kunnen doen.
Zij zullen moeten investeren. Valt het
dan niet te overwegen, zoals u dat
bij andere knelpunten ook heeft
gedaan, met die provincies af te
spreken dat het binnen een bepaalde
tijd gebeurt en dat hun in de
tussenliggende tijd een ontheffing
van de belasting wordt gegeven? 

</spreker>
<spreker pagina="11-379" anker="105" soort="Minister" naam="De Boer">
 Neen. Misschien
heb ik het over een provincie. Maar
gesteld dat een provincie nog geen
voorzieningen heeft getroffen, dan
moeten wij toch met elkaar
constateren dat die provincie wel
heel lang werk heeft gehad met het
voorbereiden van de activiteiten
waar wij nu al zeker acht of negen
jaar mee bezig zijn. Moet ik tegen die provincie zeggen: nou vooruit, jullie
mogen ook storten? Ik vind dat die
provincie geen voordeel zou mogen
hebben ten opzichte van provincies
zoals Zuid-Holland, Noord-Brabant
en Overijssel, die keurig gekozen
hebben voor een verbrandings-
installatie. Ik wil wel met u afspreken
dat ik overleg zal hebben met hen
om te kijken hoe wij het probleem zo
snel mogelijk kunnen oplossen.
Misschien kunnen zij gebruik maken
van installaties van buurprovincies.
Het zou echter niet rechtvaardig zijn
ten opzichte van de andere provin-
cies om hen nu te ontheffen van de
plicht om te verbranden. Dan hebben
wij het niet meer over die heffing,
want die zit alleen op storten. 

</spreker>
<spreker pagina="11-379" anker="106" partij="CDA" naam="Van Dijk">
 Mag ik uit
uw woorden opmaken dat u bereid
bent met die provincies in overleg te
gaan? 

</spreker>
<spreker pagina="11-379" anker="107" soort="Minister" naam="De Boer">
 Zeker. 

</spreker>
<spreker pagina="11-379" anker="108" partij="CDA" naam="Van Dijk">
 En mocht
op grond van financie¨le of andere
overwegingen blijken dat dit voor die
provincies een ernstig knelpunt zou
kunnen opleveren, bent u dan bereid
te overwegen om enige tegemoetko-
ming te geven? 

</spreker>
<spreker pagina="11-379" anker="109" soort="Minister" naam="De Boer">
 Ik ben nu onmiddellijk bereid te zeggen: dat
doe ik. Maar ik wil er duidelijk bij
zeggen, dat ik denk dat het pro-
bleem, zo het al bestaat, minimaal is
en misschien voor een provincie
geldt. Ik ben zonder meer bereid om
die toezegging te doen, maar dat is
maar een marginale toezegging,
omdat het een marginaal probleem
is. 

</spreker>
<spreker pagina="11-379" anker="110" naam="De voorzitter">
 Er wordt thans vrij
ruim geı¨nterrumpeerd. Ik verzoek de
leden om dat zoveel mogelijk te
beperken. Ik denk namelijk ook aan
hun collegae vanavond. De heer
Zijlstra wil niettemin nog een
interruptie plegen, maar ik verzoek
hem om dat dan ook echt tot een
interruptie te beperken. 

</spreker>
<spreker pagina="11-379" anker="111" partij="PvdA" naam="Zijlstra">
 Dat zal ik
doen, voorzitter. Mede op aandrin-
gen van de Tweede Kamer is een
artikel IV toegevoegd, waarin staat
dat in bepaalde gevallen de heffing
van artikel 13, eerste lid, van de Wet
belastingen op milieugrondslag
wordt beperkt dan wel achterwege
blijft. Valt nu ook het te storten
afvalrestant van installaties die bezig
zijn met verdroging of een andere
wijze van afvalreductie, onder dit
artikel IV of niet?</spreker>
<spreker pagina="11-380" anker="112" soort="Minister" naam="De Boer">
 Nee, dat restant
wordt belast, want het wordt gestort.
Daarmee zijn die provincies
goedkoper uit dan de provincies die
het afval verbranden. Het zou
volstrekt onrechtvaardig zijn als wij
de desbetreffende provincies zouden
ontlasten van de heffing op het
storten. Zij zijn immers al met al,
inclusief de heffing, goedkoper uit
dan de provincies die gaan verbran-
den. 

</spreker>
<spreker pagina="11-380" anker="113" partij="PvdA" naam="Zijlstra">
 Ik heb de
indruk dat in de Tweede Kamer met
de intrekking van het desbetreffende
amendement werd beoogd om dat
restant wel onder artikel IV te laten
vallen. Ik vrees dat de Unie van
Waterschappen anders op het
verkeerde been is gezet. 

</spreker>
<spreker pagina="11-380" anker="114" soort="Minister" naam="De Boer">
 Nee, ik heb
hierover in de Tweede Kamer en met
de Unie van Waterschappen op
dezelfde manier gesproken. Ik sluit
niet uit dat mensen andere dingen
willen horen, maar dit is echt de
achtergrond. In artikel IV is een
algemene ontheffing ingevoerd, zij
het wel naar aanleiding van de
onderhavige discussie. Het is dus
een algemene ontheffingsclausule,
maar die heeft thans nog geen
betrekking op de situatie van het
zuiveringsslib. Als er op een gegeven
ogenblik een calamiteit op dat punt
ontstaat, kunnen wij wel op dat
artikel terugvallen.
De heren Schuyer, Ginjaar en
anderen vroegen de aandacht voor
de zuivelconvenanten. Als ik
convenanten sluit met bedrijven, dan
hecht ik er sterk aan om te worden
ervaren als een betrouwbare
overheid. In die relatie hecht ik eraan
om, als er problemen in sectoren
zouden zijn, daarover een indringend
gesprek te voeren. Ik ontken dat de
zuivelsector er de afgelopen zomer
als het ware ingelopen is, omdat hij
niet zou hebben geweten dat deze
heffing eraan kwam.
Er is even sprake geweest van een
spraakverwarring over hetgeen per 1 januari 1996 wordt ingevoerd: de
kleinverbruikersheffing. Daar hebben
wij het komende jaar nog uitgebreid
discussie over. Ik ben het volstrekt
met de heer Schuyer eens dat voor
Baarle-Hertog een oplossing moet
worden gevonden.
Ik heb net als de heer Barendregt
vele malen betoogd dat je ook bij
storten een soort win-winsituatie
kunt krijgen, omdat men daarvan
later mooie recreatieterreinen,
skiheuvels en dergelijke zou kunnen
maken. Dat sluit echter niet uit dat
wij in wezen van die afvalheuvels af
moeten. Daarmee zijn wij ook bezig.
Wij zetten op dit ogenblik al onze
energie op het verminderen van het
afval, waarmee het nu de goede kant
opgaat, en op de verbranding van
afval.
De heer De Boer vroeg naar de
sintels, de slakken. Wij hebben op dit
ogenblik meer mogelijkheden dan
voorheen om van die slakken weer
grondstoffen te maken. Die kunnen
dan worden gebruikt voor andere
nuttige werkzaamheden.
Er is absoluut geen overcapaciteit
bij de verbrandingsinstallaties. Als
wij alles realiseren wat er nog op de
plank ligt, zou wel overcapaciteit
ontstaan. Derhalve zijn wij op dit
ogenblik met een aantal regio’s in
gesprek om niet tot uitvoering van
plannen over te gaan. Op dit
ogenblik is er evenwel geen
overcapaciteit.
De heer Ginjaar sprak ook over de
convenanten. Ik ben met hem van
mening dat wij de oplossing van
eventuele problemen bij de
convenantpartners vooral moeten
zoeken in de bedrijfsmilieuplannen.
Daarbij kun je met elkaar afspraken
maken over het tempo en de
fasering van een aantal voorzienin-
gen. 

</spreker>
<spreker pagina="11-380" anker="115" partij="VVD" naam="Ginjaar">
 Voorzitter! Ik
heb zowel in eerste als in tweede
termijn gevraagd naar een meer
principie¨le beschouwing over de
ratio van het opleggen van dit soort
belastingen als er ook al conven-
anten, milieuplannen en dergelijke
zijn. Maar ik kan mij voorstellen dat
dit, wellicht ook met het oog op de
tijd, tot een wat gecompliceerde
gedachtenwisseling zou leiden. Maar
misschien kan de minister er nog in
kort bestek op ingaan. 

</spreker>
<spreker pagina="11-380" anker="116" soort="Minister" naam="De Boer">
 Ik kan geen
enkele convenantpartner garanderen
dat hij gedurende de convenant-
periode niet zal worden geconfron-
teerd met prijsverhogingen of wat
dan ook. Als convenantpartners door
overheidsbeleid in grote moeilijkhe-
den komen, dan is het volgens de
convenanten mogelijk om elkaar
daarop aan te spreken. Maar de
zaken waarmee wij nu te maken
hebben, zijn voor de partners met
wie wij reeds een convenant hebben
gesloten, niet nieuw. Men kon dit
weten. 

</spreker>
<spreker pagina="11-380" anker="117" partij="VVD" naam="Ginjaar">
 Voorzitter!
De minister zei dat het goed gaat
met de vermindering van de
afvalstoffen. Dat herinnerde mij aan
mijn vraag naar het beleid bij een
vermindering van belasting-
opbrengsten ten gevolge van het
slagen van het milieubeleid. 

</spreker>
<spreker pagina="11-380" anker="118" soort="Minister" naam="De Boer">
 Ik ga ervan uit dat
wij met deze wetsvoorstellen weer
een klein steentje toevoegen aan het
bouwwerk dat moet leiden tot de
vermindering van de milieu-
problematiek. Dit steentje draagt bij
tot het meer bewust denken aan de
prijs die het milieu vergt. De
wetsvoorstellen zullen niet leiden tot
heel grote milieuwinsten, maar zij
dragen wel bij aan het verminderen
van de kosten die een ongenuan-
ceerd gebruik van natuur en milieu
met zich brengt. De heren Ginjaar en
Van Dijk zeiden dat de bewindslieden
zo ontzettend voorzichtig zijn over de
effecten op milieugebied. Dat is ook
terecht. Maar wij zeggen niet dat de
wetsvoorstellen geen bijdrage op
milieugebied hebben. Het gaat om
kleine stapjes. En je moet bij dit
soort zaken met kleine stapjes verder
komen. 

</spreker>
<spreker pagina="11-380" anker="119" partij="VVD" naam="Ginjaar">
 Maar dat
bedoelde ik in feite niet. Stel dat de
afvalstoffenbelasting 300 mln.
opbrengt op basis van een zeker
tonnage aan afvalstoffen. Als die
hoeveelheid afvalstoffen met de helft
wordt verminderd, gaat de opbrengst
ook met de helft omlaag. Wat
gebeurt er dan? 

</spreker>
<spreker pagina="11-380" anker="120" soort="Minister" naam="De Boer">
 Inderdaad. De
heer Ginjaar zei dat het een niet
structureel element zou moeten zijn.
Daarover kunnen wij met elkaar
discussie¨ren. Ik heb het gevoel dat
wij op dit ogenblik nog lang niet
zover zijn. Wij kunnen nog wel een
jaar of wat met elkaar spreken,
voordat de situatie ontstaat waarin
het milieuprobleem zoveel kleiner is
geworden, dat wij een lagere
opbrengst hebben. Ik zou die dag
prijzen, maar ik denk niet dat ik dat
snel zal meemaken. 

</spreker>
<spreker pagina="11-380" anker="121" partij="VVD" naam="Ginjaar">
 Mijn fractie
blijft uw woorden en ook de
uitdrukkingen in de memorie van
antwoord omineus vinden. Wij zullen
nauwlettend toezien op de ontwikke-
lingen. 

</spreker>
<spreker pagina="11-381" anker="122" soort="Minister" naam="De Boer">
 Prima. Ik geloof
dat ik nu het stokje kan overgeven
aan de staatssecretaris.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-381">

 
<spreker pagina="11-381" anker="123" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">

Mijnheer de voorzitter! Het betoog
van de heer van Dijk is duidelijk. Het
komt er feitelijk op neer dat de
CDA-fractie in de Eerste Kamer
afstand neemt van heffingen op
milieugrondslag. Uit het interruptie-
debatje had ik een andere indruk
gekregen. Daaruit maakte ik op dat
de CDA-fractie, wanneer de
milieu-effecten voldoende zijn, bereid
is, de voorstellen vanuit een
positieve grondhouding te bezien. Ik
ben het met de heer De Boer eens
dat de opstelling van de CDA-fractie
tot lastenverhogingen leidt, die
overigens in het massieve betoog
van de heer Van Dijk werden
afgewezen. Ik kon dat niet helemaal
duiden. 

</spreker>
<spreker pagina="11-381" anker="124" partij="CDA" naam="Van Dijk">
 Ik moet dat
nogmaals corrigeren. Dat was niet de
strekking van mijn betoog. Gegeven
de huidige lastenverlichting is een
lastenverzwaring op grond van
zuiver budgettaire overwegingen niet
meer goed te rechtvaardigen. Ik heb
echter verschillende malen op het
volgende gewezen. Als duidelijk blijkt
dat deze wet – onderdeel van een
plan voor belastingen op milieu-
grondslag – substantie¨le milieu-
voordelen heeft, zijn wij bereid over
de problemen heen te stappen. Ik
heb dit in eerste en in tweede
termijn gezegd en ook nog een keer
tegen de heer De Boer. Als dat het
geval is, zullen wij onze stem niet
aan het wetsvoorstel onthouden.
Juist omdat wij de afgelopen
maanden geconfronteerd zijn met
zoveel contraproduktieve effecten, is
er bij ons grote twijfel ontstaan. De
minister van Milieubeheer heeft in de
Tweede Kamer alleen maar
bevestigd dat dit wetsvoorstel moet
worden gezien als een belastingwet
en niet als een wet ter verbetering
van het milieu. 

</spreker>
<spreker pagina="11-381" anker="125" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Ik neem
daar kennis van. Blijkbaar heb ik het
betoog van de heer Van Dijk
verkeerd gewogen.
De heer Van Dijk is ook ingegaan
op de uraniumbelasting. Het spreekt
vanzelf dat de Kamer van een en
ander op de hoogte wordt gehouden.
De heer Zijlstra heeft gevraagd
waarom deze belasting niet op 1
januari 1996 ingevoerd kan worden,
waarbij hij een relatie legde met de
prijsstelling van aluminium-
produkten. Voorzitter! Gelet op de
stijging van de aluminiumprijs wordt
er geen korting meer verleend op de
energieprijs. Wij houden rekening
met de onderhandelingen over het
nieuwe energiecontract en met
belastingtechnische overwegingen.
Dit brengt ons tot een voorkeur voor
invoering per 1 januari 1997. Wellicht
kan het vervallen van de korting op
de energieprijs de heer Zijlstra tot
een andere benadering brengen.
De heren Van Dijk en Ginjaar
hebben opgemerkt dat de aangekon-
digde verbredingsnotitie ook een
versmallingsnotitie zou mogen zijn.
Voorzitter! De doelstelling van zo’n
notitie is een fundamentele discussie
over de voors en tegens, met alle
relevante aspecten. Met het oog
daarop zal de notitie geschreven
worden.
De heer Zijlstra heeft een concrete
vraag gesteld over het gebruik van
koelwater bij de fresiateelt. In artikel
9, onderdeel c, is voorzien in de
toepassing van het zogenaamde
nihiltarief voor onttrekkingen door
middel van een inrichting waarmee
grondwater weer volledig gefilterd
terug gaat in de grond. Dan moet
echter wel voldaan worden aan een
aantal voorwaarden. Er moet dan
sprake zijn van milieuvriendelijke
retourbemaling of een daarmee
volledig gelijk te stellen situatie. Ik
ken het concrete voorbeeld van de
heer Zijlstra niet, maar als er in die
situatie wordt gehandeld overeen-
komstig de strekking van de
desbetreffende bepaling, kan het
nihiltarief daarop van toepassing zijn.
De heer Barendregt heeft
opgemerkt dat ik de betogen van alle
andere sprekers heb getypeerd, maar
dat van hem niet. Voorzitter! Dat heb
ik met opzet niet gedaan, omdat zijn
betoog volledig duidelijk was. Hij heeft het volgende gezegd: lopen wij
niet te ver voor de troepen uit,
waardoor wij de functie van
stoottroepen vervullen met de
nodige risico’s? Proefkonijnen
worden meestal niet oud. Waarom is
niet gepoogd met deze invoering
gelijk op te lopen met andere
landen? Voorzitter! Een dergelijk
helder betoog waarvan duidelijk is
waar het balletje uiteindelijk zal
vallen, behoef ik niet te typeren. Ik
zou de heer Barendregt daarmee
onrecht gedaan hebben. Hij heeft
zich helder tegen dit wetsvoorstel
uitgesproken. Ik heb al gezegd dat
wij in ieder geval niet vooroplopen in
vergelijking met andere landen.
Het misverstand met de heer
Schuyer is al opgelost. Ik had het
over de heffing voor kleinverbruikers
die in het regeerakkoord is aange-
kondigd.
Ik ben het eens met de heer De
Boer inzake het formuleren van
criteria waaraan een regulerende
heffing moet voldoen. Hij heeft,
evenals de heer Van Dijk, erop
gewezen dat de perceptie van de
burger een andere is dan die van
leden van dit huis. Dat is juist.
De heer Van Dijk heeft gezegd dat
Nederland gekenmerkt wordt door
een opeenstapeling van heffingen en
lasten. Voorzitter! Internationaal
gezien, is het beeld genuanceerd.
Internationale studies wijzen uit dat
Nederland qua belastingdruk –
inclusief de lokale heffingen – een
middenmoter is in Europa. Wij lopen
wel op het gebied van de totale
lastendruk uit de pas. Nederland
wijkt vooral af als het om de
premieheffing gaat. 

</spreker>
<spreker pagina="11-381" anker="126" partij="CDA" naam="Van Dijk">
 Het ging
mij niet om de lastendruk, maar om
de veelheid van belastingwetten
waarmee het leven van de Neder-
landse burger van de wieg tot het
graf is dichtgepleisterd. 

</spreker>
<spreker pagina="11-381" anker="127" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Ik wijs
opnieuw op de situatie in het
buitenland. Overigens neem ik daar
geen voorbeeld aan. In de Tweede
Kamer heb ik betoogd dat ik een
tegenstander ben van nieuwe lokale
heffingen. Ik ben niet voor belasting-
wetten. Wie wordt daar nu gelukkig
van? Ik niet! Sterker nog, ik moet
straks nog twee belastingwetten
verdedigen waarmee ik aanvankelijk
gelukkig was, maar die heb ik aan
moeten passen. Hier staat geen
staatssecretaris die gelukkig wordt
van veel belastingwetten. Wij kunnen
het erover zijn dat die wetgeving zo
beperkt mogelijk moet zijn.
Een lid van de fractie van
GroenLinks doet mee aan de
cultuuromslag en twee leden zijn
tegen. Ik vind dat jammer, ook voor
GroenLinks. Ik begrijp de afweging,
maar GroenLinks is juist een van de
pioniers geweest van het denken
over vormen van belastingheffing op
milieugrondslag. Vanuit die optiek
betreur ik het stemgedrag van deze
fractie. 

</spreker>
<spreker pagina="11-382" anker="128" partij="SGP" naam="Barendregt">
 Ik heb
nog gevraagd, op welke wijze de
gederfde opbrengst van de uranium-
belasting wordt gecompenseerd. 

</spreker>
<spreker pagina="11-382" anker="129" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Dat is
onderdeel van de algemene
problematiek, die ook aan de orde is
in de Voorjaarsnota. 

</spreker>
<spreker pagina="11-382" anker="130" partij="SGP" naam="Barendregt">
 Dat
bedrag wordt niet omgeslagen? 

</spreker>
<spreker pagina="11-382" anker="131" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Dat is
niet de bedoeling, anders had ik dat
gemeld. 

</spreker>
<spreker pagina="11-382" anker="132" partij="SGP" naam="Barendregt">
 Is het
wel eerlijk om dat in het ene geval
wel te doen en in het andere niet? Ik
vind dat een bijzonder gevaarlijke
ontwikkeling. De ene verfijning wordt
wel over de contribuanten of
belastingplichtigen omgeslagen. 

</spreker>
<spreker pagina="11-382" anker="133" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Het gaat
hier om een uitsteloperatie. Er treden
kaseffecten op.
De beraadslaging wordt gesloten.
Wetsvoorstel 22849 wordt zonder
stemming aangenomen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-382">

 
<spreker pagina="11-382" anker="134" naam="De voorzitter">
 De aanwezige leden
van de fracties van het CDA, de SGP,
het GPV, de RPF en het lid Pitstra
van de fractie van GroenLinks wordt
conform artikel 121 van het
Reglement van orde aantekening
verleend, dat zij geacht willen
worden zich niet met het wetsvoor-
stel te hebben kunnen verenigen.
Wetsvoorstel 22851 wordt zonder
stemming aangenomen. 

</spreker>
<spreker pagina="11-382" anker="135" naam="De voorzitter">
 De aanwezige leden
van de fracties van het CDA, de SGP,
het GPV, de RPF en het lid Pitstra
van de fractie van GroenLinks wordt
conform artikel 121 van het
Reglement van orde aantekening
verleend, dat zij geacht willen
worden zich niet met het wetsvoor-
stel te hebben kunnen verenigen.
Wetsvoorstel 23935 wordt zonder
stemming aangenomen. 

</spreker>
<spreker pagina="11-382" anker="136" naam="De voorzitter">
 Over de motie zal
morgenmiddag worden gestemd,
tenzij de indieners morgenmiddag
verklaren dat zij de motie intrekken,
omdat het kabinet haar overneemt,
maar dat merken wij dan morgen
wel. 

</spreker>
<spreker pagina="11-382" anker="137" partij="PvdA" naam="Zijlstra">
 Toen de
minister zei dat zij haar zou
uitvoeren, ging ik ervan uit dat dit
gold indien zij aanvaard zou worden.
Als de regering de motie overneemt,
ontstaat er een andere situatie.
Welke is nu aan de orde? 

</spreker>
<spreker pagina="11-382" anker="138" partij="VVD" naam="Ginjaar">
 Moties
kunnen niet worden overgenomen.
Dat geldt alleen voor amendemen-
ten, die dan in een nota van
wijziging worden gee¨ffectueerd.
Moties kunnen alleen worden
uitgevoerd als de Kamer ze heeft
aangenomen. 

</spreker>
<spreker pagina="11-382" anker="139" naam="De voorzitter">
 De motie komt
morgen in stemming, tenzij de
indieners voor de stemming
meedelen dat de toezegging van de
minister voldoende is en zij de motie
intrekken. Daarover kan nog worden
nagedacht.
De vergadering wordt van 17.38 uur
tot 17.43 uur geschorst.</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="11-382">

Aan de orde is de behandeling van de wetsvoorstellen:
- Vaststelling van de begroting
van de uitgaven en de ontvang-
sten van de Nationale Schuld
(IXA) voor het jaar 1995
(23900-IXA);
- Wijziging van hoofdstuk IXA
(Nationale Schuld) van de
begroting van de uitgaven en de
ontvangsten voor het jaar 1993
(Slotwet; rekening) (23842);
- Vaststelling van de begroting
van de uitgaven en de ontvang-
sten van het ministerie van
Financie
¨ n (IXB) voor het jaar
1995 (23900-IXB);
- Wijziging van hoofdstuk IXB
(Ministerie van Financie
¨ n) van de
begroting van de uitgaven en de
ontvangsten voor het jaar 1993
(Slotwet; rekening) (23843);
- Wijziging van de begroting
van de lasten en de baten en van
de kapitaaluitgaven en
-ontvangsten van het Staats-
muntbedrijf voor het jaar 1993
(Slotwet; rekening) (23844);
- Wijziging van de inkomsten-
belasting (kapitaalverzekeringen
en periodieke uitkeringen)
(23023);
- Wijziging van de Wet op de
loonbelasting 1964, de Wet op
de vermogensbelasting 1964, de
Successiewet 1956, de Wet op
de inkomstenbelasting 1964, de
Wet op de vennootschaps-
belasting 1969, de Invorderings-
wet 1990 en de Coo
¨ rdinatiewet
Sociale Verzekering naar
aanleiding van de herziening van
het fiscale regime voor
onderhoudsvoorzieningen en
bepaalde spaarvormen in de
inkomstenbelasting (Aanpassing
van de Wet op de loonbelasting
1964 en andere wetten aan
Brede Herwaardering) (23046);
- Wijziging van de vermogens-
belasting (wijziging
ondernemingsvrijstelling)
(23940);
- Wijziging van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964, de
Wet op de loonbelasting 1964 en
de Algemene Ouderdomswet in
het kader van de invoering van
een ouderenaftrek (23941);
- Wijziging van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964, de
Wet op de loonbelasting 1964 en
de Wet van 24 december 1993,
Stb. 733, in het kader van het
belastingplan 1995 (23942);
- Wijziging van de Wet op de
loonbelasting 1964 en van een
aantal andere wetten houdende
aanpassing van het regime voor
werknemersspaarregelingen
(23943);
- Wijziging van de Wet op de
omzetbelasting 1968 in verband
met de invoering van een
bijzondere regeling voor
gebruikte goederen, kunstvoor-
werpen, voorwerpen voor
verzamelingen en antiquiteiten
(23952);
- Wijziging van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 en de
Wet op de vennootschaps-
belasting 1969 (onbeperkte
voorwaartse verrekening van
ondernemingsverliezen en
vaststelling van verliezen bij
beschikking) (23962). 
<spreker pagina="11-382" anker="140" naam="De voorzitter">
 Alvorens ik de
beraadslaging open, geef ik aan dat
in onderling overleg de sprekerslijst
is gewijzigd.
Nadat de heer Schinck zijn
bijdrage in eerste termijn heeft

</spreker>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


