<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2023]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van de wetsvoorstellen vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van de Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 1995 (23900-IXA); Wijziging van hoofdstuk IXA (Nationale Schuld) van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten voor het jaar 1993 (Slotwet; rekening) (23842); Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het ministerie van Financiën (IXB) voor het jaar 1995 (23900-IXB)</item>
<item attribuut="Bestand"> 111 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Rijksbegrotingen (Nationale Schuld)
Rijksbegrotingen (Financiën)</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Rijksbegroting Nationale Schuld
Rijksbegroting Financiën</item>
<item attribuut="Dossiernr">23900 IXB, 23900 IXA, 23842, 23843, 23844, 23023, 23046, 23940, 23941, 23942, 23943, 23952, 23962</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 9, Eerste Kamer, pag. 382-402</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">20-12-1994</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2023</item>
<item attribuut="Omvang">21 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Eerste Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Financie¨n</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Concessietermijnen omroepen</item>
<item attribuut="doccode">EK 11</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="11-382">

Aan de orde is de behandeling van de wetsvoorstellen:
- Vaststelling van de begroting
van de uitgaven en de ontvang-
sten van de Nationale Schuld
(IXA) voor het jaar 1995
(23900-IXA);
- Wijziging van hoofdstuk IXA
(Nationale Schuld) van de
begroting van de uitgaven en de
ontvangsten voor het jaar 1993
(Slotwet; rekening) (23842);
- Vaststelling van de begroting
van de uitgaven en de ontvang-
sten van het ministerie van
Financie
¨ n (IXB) voor het jaar
1995 (23900-IXB);
- Wijziging van hoofdstuk IXB
(Ministerie van Financie
¨ n) van de
begroting van de uitgaven en de
ontvangsten voor het jaar 1993
(Slotwet; rekening) (23843);
- Wijziging van de begroting
van de lasten en de baten en van
de kapitaaluitgaven en
-ontvangsten van het Staats-
muntbedrijf voor het jaar 1993
(Slotwet; rekening) (23844);
- Wijziging van de inkomsten-
belasting (kapitaalverzekeringen
en periodieke uitkeringen)
(23023);
- Wijziging van de Wet op de
loonbelasting 1964, de Wet op
de vermogensbelasting 1964, de
Successiewet 1956, de Wet op
de inkomstenbelasting 1964, de
Wet op de vennootschaps-
belasting 1969, de Invorderings-
wet 1990 en de Coo
¨ rdinatiewet
Sociale Verzekering naar
aanleiding van de herziening van
het fiscale regime voor
onderhoudsvoorzieningen en
bepaalde spaarvormen in de
inkomstenbelasting (Aanpassing
van de Wet op de loonbelasting
1964 en andere wetten aan
Brede Herwaardering) (23046);
- Wijziging van de vermogens-
belasting (wijziging
ondernemingsvrijstelling)
(23940);
- Wijziging van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964, de
Wet op de loonbelasting 1964 en
de Algemene Ouderdomswet in
het kader van de invoering van
een ouderenaftrek (23941);
- Wijziging van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964, de
Wet op de loonbelasting 1964 en
de Wet van 24 december 1993,
Stb. 733, in het kader van het
belastingplan 1995 (23942);
- Wijziging van de Wet op de
loonbelasting 1964 en van een
aantal andere wetten houdende
aanpassing van het regime voor
werknemersspaarregelingen
(23943);
- Wijziging van de Wet op de
omzetbelasting 1968 in verband
met de invoering van een
bijzondere regeling voor
gebruikte goederen, kunstvoor-
werpen, voorwerpen voor
verzamelingen en antiquiteiten
(23952);
- Wijziging van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 en de
Wet op de vennootschaps-
belasting 1969 (onbeperkte
voorwaartse verrekening van
ondernemingsverliezen en
vaststelling van verliezen bij
beschikking) (23962). 
<spreker pagina="11-382" anker="464" naam="De voorzitter">
 Alvorens ik de
beraadslaging open, geef ik aan dat
in onderling overleg de sprekerslijst
is gewijzigd.
Nadat de heer Schinck zijn
bijdrage in eerste termijn heeft
uitgesproken, zal ik de vergadering
schorsen voor de dinerpauze.
De beraadslaging wordt geopend.</spreker>
<blok pagina="11-383">

 
<spreker pagina="11-383" anker="465" partij="PvdA" naam="Schinck">
 Voorzitter!
Ik dank de collega’s voor hun
bereidwilligheid, de sprekerslijst
zodanig te wijzigen dat ik nu het
woord kan voeren.
Het pakket fiscale voorstellen dat
ons dit jaar wordt aangeboden,
behoeft in deze Kamer geen
uitvoerige behandeling, omdat – de
voorstellen met een milieugrondslag
uitgezonderd – er geen echt
controversie¨le voorstellen worden
gedaan. Behoudens de heffing voor
werkgevers bij de werknemersspaar-
regelingen worden er geen lastenver-
zwaringen voorgesteld. Bovendien
zijn er na behandeling in de Tweede
Kamer niet erg veel discussiepunten
meer overgebleven.
Aan de orde in mijn betoog komen
nog de ouderenaftrek en de
werknemersspaarregeling. Op beide
voorstellen valt naar onze mening
nog wel wat af te dingen. Over het
belastingplan maak ik slechts een
enkele opmerking. Alle andere
voorstellen laten wij verder
onbesproken. Dat gebeurt soms na
een bevredigend antwoord op de
schriftelijke vragen.
Ik wil beginnen met de ouderen-
aftrek. In het verslag heb ik de vraag
opgeworpen of een aftrek, en deze in
het bijzonder, wel het meest
aangewezen middel is om de
koopkracht van ouderen te verbete-
ren. Niet omstreden is dat voor de
groep van senioren iets extra’s
gedaan zou moeten worden, of zoals het nu in het Haagse jargon heet: dat
een inkomensondersteunende
maatregel nodig is.
Neen, de vraag is of, nu er in 1995
niet wordt gekoppeld, een verhoging
van de AOW met bijvoorbeeld
ƒ 300 voor een echtpaar niet meer
voor de hand had gelegen. Zou dat
niet de koninklijke weg zijn geweest,
als je senioren volgend jaar niet de
dupe wilt laten worden van de
ontkoppeling? Is verhoging van de
AOW niet eenvoudiger dan de
introductie van een aftrek voor
wellicht een jaar?
De staatssecretaris verwijst in de
memorie van antwoord op vragen
van ons naar het regeerakkoord en
naar het meer beperkte karakter van
deze maatregel in vergelijking met
een verhoging van de AOW. Nu zou
de staatssecretaris moeten weten dat
de fractie van de Partij van de Arbeid
in de Eerste Kamer de afspraken in
het regeerakkoord weliswaar
respecteert, maar dat het verwijzen
daarnaar op zichzelf een onvol-
doende en zeker geen overtuigend
argument is.
Het verweer dat de aftrek een
meer op ouderen met een laag
inkomen gerichte maatregel is,
overtuigt ons niet echt. Wij hebben
kunnen leren dat het verschil tussen
meer AOW of de aftrek zeer
betrekkelijk is, omdat 85% van de
senioren daarvan kan profiteren. Ik
verwijs naar een punt van kritiek van
de heer Wallage aan de overzijde.
Zijn kritiek was juist dat bijna alle
senioren, in zijn ogen in ieder geval
te veel senioren, van deze maatregel
profiteren. Hij pleitte ervoor die
maatregel meer te richten op de
groep ouderen die daarvoor het
meest in aanmerking komt, namelijk
de ouderen met uitsluitend AOW of
een klein inkomen daarnaast. Dat
bleek niet mogelijk, c.q. niet
wenselijk te zijn, omdat de staatsse-
cretaris, zoals altijd bij fiscale
wetgeving in de afweging tussen
rechtvaardigheid en doelmatigheid,
de grens bij de eerste schijf meende
te moeten leggen.
Misschien mag ik het zo stellen.
Ten minste een onderhandelaar bij
het regeerakkoord heeft zich blijkbaar
niet gerealiseerd dat dit de afloop
zou zijn. Het vermoeden is gewettigd
dat met de kennis van heden, de
onderhandelaars wellicht hadden
opgeschreven dat een eenvoudige
verhoging van de AOW in dit geval
beter zou zijn geweest. Voor 15%
overkill moet men niet aan de
belastingen gaan sleutelen en zeker
niet voor een jaar.
Een tweede bezwaar dat door ons
naar voren is gebracht in het verslag
is dat de eerder genoemde inko-
mensgrens van ruim ƒ 50.000 een
absolute grens is, omdat daarboven
de aftrek in zijn geheel vervalt. De
marginale belastingdruk kan dan
ineens meer dan 100% worden. In gewoon Nederlands gezegd: een
kleine stijging van het overige
inkomen, bijvoorbeeld de rente op je
spaarbankboekje of dividend op
aandelen, zorgt voor een lager netto
inkomen.
De reactie van de staatssecretaris is er een in de trant van: waar praten
wij eigenlijk over, want het aantal
ouderen rond die inkomensgrens is
gering. Bovendien zijn er geen
inkomensmutaties die voor dat effect
zouden kunnen zorgen. Daaraan ligt
wellicht de gedachte ten grondslag
dat ouderen in het merendeel van de
gevallen vaste inkomens hebben,
namelijk pensioen of AOW waarin
weinig mutaties optreden. Ik heb al
twee voorbeelden van mutaties
gegeven. Zij zijn dus wel mogelijk. Ik
geef toe dat dit probleem niet vaak
zal voorkomen, maar dat doet niets
af aan mijn stelling dat deze
maatregel niet fraai is.
Vervolgens heb ik de vraag gesteld
of dit geen maatregel ad hoc is. Minder diplomatiek luidt de vraag: is
het geen gelegenheidswetgeving?
Wij lezen nu in de memorie van
antwoord dat het in het regeerak-
koord vastgelegde bedrag structureel
beschikbaar is om op enigerlei wijze
de ouderen tegemoet te komen. Over
de vorm, namelijk ouderenaftrek of
opname in de bejaardenaftrek van de
buitengewone lastenregeling, wordt
nog gestudeerd volgens de memorie
van antwoord. Dat is een duidelijk
verhaal en mooi voor de ouderen,
maar daarmee wordt nog eens
onderstreept dat niet is uitgesloten
dat wij een aftrek voor een jaar
hebben geı¨ntroduceerd.
Over onze opmerkingen over de
koopkrachteffecten zwijgt de
staatssecretaris in de memorie van
antwoord. Wie zwijgt, stemt toe. Ik
herhaal daarom maar dat in het
kabinet meer aandacht zou moeten
bestaan voor de veelal gestapelde
effecten van de eigen bijdragen en
de gemeentelijke heffingen. Die
effecten gelden niet alleen voor de
categorie ouderen. Wij moeten
vermijden te suggereren dat door
een globale fiscale maatregel de
effecten van al die overheids-
maatregelen gecompenseerd
worden. Men heeft daarop in Den
Haag weinig zicht. Ik wijs op de
lasten die voortvloeien uit de Wet
voorzieningen gehandicapten, eigen
bijdragen voor de gezondheidszorg
en gemeentelijke heffingen. Deze
Kamer heeft de eigen bijdragen in de
WVG kunnen limiteren en toevallig
zei gisteren een oudere dame nog
tegen mij dat een vuilniszak haar nu
ƒ 8 kost.
Over het belastingplan heb ik geen
vragen, wel een mededeling. In het
verslag hebben wij een vraag gesteld
over de uitslag van de grondslag-
verbreding. Wij willen de studie naar
de beperking van de aftrekbaarheid
van de consumptieve rente daarbij
betrekken. Ik had op basis van dat
verslag voor mezelf al de conclusie
getrokken en ik had het resultaat van
het onderzoek al geregistreerd, zijnde
dat het een goede zaak zou zijn als
een grens wordt gesteld aan de
aftrekbaarheid van de consumptieve
rente, maar dat wij dit probleem
alleen kunnen oplossen in samen-
hang met de aftrekbaarheid van
hypotheekrente. Hypothecaire
leningen worden immers ook voor
consumptieve bestedingen gebruikt.
Ik ben tot die conclusie gekomen na
lezing van de jongste cijfers over de
bedragen die dit jaar in de vorm van
hypothecaire leningen zijn verstrekt.
Het CBS deelt ons mede dat het
totale bedrag dit jaar met 45 mld. zal
oplopen tot 127 mld. Dat heeft alles te maken met twee zaken: de
meerwaarde van de huizen,
waardoor er ruimte is om de
hypotheek te verhogen, en het
renteverschil van 10% tussen een
persoonlijke lening en bijvoorbeeld
een hypotheek. Dat betekent dat men
niet moet proberen om in de wet een
waterscheiding aan te brengen
tussen leningen voor een onroerende
zaak en consumptieve bestedingen
als ook de burgers dat niet doen.
Burgers hebben de voor wetten-
makers eigenaardige eigenschap dat
zij hun gedrag niet aan de bedoelin-
gen van de wet aanpassen.
Aan de werknemersspaarregeling
kleven voor ons nog twee discussie-
punten. Was dit allemaal wel nodig en zo verstandig? En ook hier: is dit
geen tijdelijke maatregel? In de
Tweede Kamer is de vraag aan de
orde geweest of de staatssecretaris
wel met deze maatregel zou zijn
gekomen als hij had geweten dat
tegenover de tegenvaller in de
inkomstenbelasting als gevolg van
het succes van deze maatregel ook
een meevaller in de vennootschaps-
belasting had gestaan. Met andere woorden: de vraag is aan de orde
geweest of deze maatregel niet is
gebaseerd op een te smalle
beoordeling van de effecten voor de
belastingen door niet alle belastin-
gen in de beschouwing te betrekken?
Ik ben zo vrij om te zeggen dat het
antwoord ’’ja’’ moet zijn. Sterker nog: men had naar mijn mening aan
de inkomstenkant ook nog rekening
kunnen houden met de effecten op
de werkgelegenheid, want daar
hebben wij het toch voortdurend
over als wij voor loonmatiging pleiten: meer werk is ook meer
opbrengst voor de overheid via
belastingen en premies en minder
uitgaven door vermindering van het
aantal uitkeringen. Ook in de Tweede
Kamer werd echter de conclusie
getrokken dat het heel moeilijk en
eigenlijk ondoenlijk is om het totale
effect daarvan te schatten. Een
lasten/batenafweging is in dit
verband daarom heel moeilijk te
maken. Dat bij de afweging of wij
deze tegenvaller, vanwege het succes
van de regeling, moeten terughalen,
slechts een element is betrokken, lijkt
ons echter geen excuus. Het verweer
van de staatssecretaris is steeds dat
de belastingtegenvaller in de
inkomstenbelasting ervoor heeft
gezorgd dat men niet over de
grenzen van de budgettaire
neutraliteit heen heeft gekeken. Alle
effecten daarbuiten – meer werk,
minder uitkeringen en meer
vennootschapsbelasting – die
allemaal positief waren, zijn buiten
beschouwing gelaten. Dat is een
vorm van onevenwichtige besluitvor-
ming.
Daarnaast had een van de
overwegingen moeten zijn dat de
overheid door haar gewekte
verwachtingen moet honoreren. Het
is de zoveelste keer dat burgers –
andere overheden, werkgevers en
werknemers – door enig kabinet met
een subsidie of fiscaal voordeel
worden verleid en gestimuleerd om
een activiteit op te pakken, waarna
de betrokkenen na enige tijd moeten
vaststellen dat de rijksoverheid het
contract eenzijdig opzegt of althans
gaat wijzigen. Of het nu onderne-
mers zijn die verleid worden tot het
nemen van energiebesparende
maatregelen of ouders die met hun
kinderen de studiefinanciering
bespreken en of het nu om sparen of
om de individuele huursubsidie gaat,
er wordt te vaak, te snel en te weinig
gestructureerd gewijzigd. Dat geldt
ook voor dit punt.
Ook als men let op het totale
beleid van lastenverlichting is
budgettaire neutraliteit onvoldoende
om deze correctie te verdedigen. Dat
is het laatste punt dat ik naar voren
wil brengen. Ik heb daarover in de
schriftelijke voorbereiding een
opmerking gemaakt waaraan de
staatssecretaris, behendig en
geverseerd in het politieke spel,
voorbij is gegaan. Als je de
lastenverlichting definieert als een
saldo van lastenverzwaringen en
lastenverlichtingen en daarvoor een
bedrag van 9 mld. afspreekt en als je
dan ergens een tegenvaller hebt –
die tegenvaller voor de overheid is in
feite dat de burgers een grotere
lastenverlichting hebben gekregen
dan verwacht – ligt het voor de hand
om de lastenverlichting tot 8,6 mld.
te verlagen en niet twee operaties uit te voeren: een van 9 mld. minus en
een van 0,4 mld. plus. Die kritiek
snijdt te meer hout als men het
debat in de Tweede Kamer heeft
gevolgd. Daar heeft men niet alleen
met deze regeling ingestemd, maar
heeft men ook een aantal moties
aangenomen. 

</spreker>
<spreker pagina="11-384" anker="466" naam="De voorzitter">
 Mag ik de minister en
de staatssecretaris erop wijzen dat
de Kamer nog aan het woord is? Kan
hun onderlinge discussie misschien
daarna plaatsvinden? 

</spreker>
<spreker pagina="11-384" anker="467" partij="PvdA" naam="Schinck">
 Ik heb er
geen last van. 

</spreker>
<spreker pagina="11-384" anker="468" naam="De voorzitter">
 Ik wel. 

</spreker>
<spreker pagina="11-384" anker="469" partij="PvdA" naam="Schinck">
 De strekking van die moties is duidelijk:
zij geven aan waar het in 1995 en de
volgende jaren naar toe moet. De
werkgeversheffing moet zo snel
mogelijk worden teruggedraaid en
de heffing op het ongeblokkeerde
deel van de winstdeling, die nu
verlaagd wordt tot 20%, moet verder
naar 10%. De middelen daarvoor
worden in de motie-De Korte aangewezen: de extra opbrengst van
de vennootschapsbelasting. Als dat
in het volgende jaar het beleid wordt
van het kabinet, hebben wij te maken
met wetgeving die uitsluitend voor
een jaar geldt. Men moet er
vraagtekens bij plaatsen of dat wel
juist is.
De beraadslaging wordt geschorst.
De vergadering wordt van 18.00 uur
tot 19.30 uur geschorst.
De beraadslaging wordt hervat.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-384">

 
<spreker pagina="11-384" anker="470" partij="CDA" naam="Stevens">
 Mijnheer de
voorzitter! Het is een genoegen voor
mij om de bewindslieden te mogen
toespreken in dit huis. Bij de
algemene financie¨le beschouwingen
heeft mijn collega Boorsma de
minister reeds toegesproken. Bij
gelegenheid van de kinderopvang
heeft hij ook de staatssecretaris
welkom geheten. Ik wil de bewinds-
lieden graag op voorhand mijn
complimenten overbrengen voor de
voortreffelijke en snelle wijze waarop
zij hebben gereageerd op de vele
vragen die vanuit onze fractie zijn
gesteld naar aanleiding van een
aantal wetsvoorstellen die vandaag
aan de orde zijn. Voor ons ligt een rijk palet: de
begroting van Financie¨n, het
belastingplan en een aantal
wetsvoorstellen die al dan niet in
samenhang hiermee naar voren zijn
gebracht. Bij de algemene financie¨le
beschouwingen heeft mijn collega
Boorsma reeds uitvoerig gesproken
over het te voeren financie¨le beleid.
Ik wil mij daarom vandaag concen-
treren op het belastingplan en de
daarmee samenhangende wetsvoor-
stellen en bijzondere aandacht geven
aan Brede herwaardering II en het
wetsvoorstel voor de ondernemings-
vrijstelling vermogensbelasting.
Ten aanzien van de begroting heb
ik enkele vragen. U weet dat wij in
de commissie Financie¨n hebben
afgesproken geen schriftelijke vragen
bij u in te dienen. Ik zal ze straks toch
naar voren brengen. Ik laat het
uiteraard graag aan u over om daar
schriftelijk of mondeling op te
reageren. Hoe het ook zij, wij zijn
weer aan het eind van het jaar, en
zijn ook fiscaal gezien geconfron-
teerd met een uiterst zwaar en
complex wetgevingspakket. Wij
hebben van deze bewindslieden de
toezegging gekregen tijdens een
bespreking met de commissie
Financie¨n dat zij dit beter zullen gaan
spreiden. Wij stellen dat uiteraard
zeer op prijs. Wij krijgen dit soort
toezeggingen ook elk jaar van
bewindslieden. Dit jaar heb ik toch
het idee dat het anders is. De huidige
staatssecretaris heeft reeds zoveel
wetsvoorstellen naar de Kamer
gestuurd dat het mijn inschatting is
dat hij in dit tempo medio volgend
jaar alle liggende wetsvoorstellen
heeft ingediend, zodat hij zich daarna
met alle concentratie kan gaan
toeleggen op het lezen van de
vruchten van alle commissies die hij
heeft ingesteld en die tegen die tijd
ongetwijfeld zullen reageren, althans
tussenrapporten zullen uitzenden. Ik
zou dit zeer toejuichen. Ik wil hem
overigens ook van harte complimen-
teren met zijn voortvarende aanpak
en vooral met zijn strategische zet
om een groot aantal hoogleraren
gedurende een redelijk lange periode
uit het Weekblad voor fiscaal recht te
houden.
Het belastingplan 1995 staat in het
teken van de verbetering van het
internationaal en nationaal investe-
ringsklimaat. De nadruk is gelegd op
de beperking van de loonkosten en
de verkleining van de wig. Gekozen
is voor een verlaging van het
belastingdeel in de eerste schijf en
om met name door lagere marginale
tarieven het arbeidsaanbod te
bevorderen. De inflatiecorrectie is in
ere hersteld. De beperking van de
studiekostenaftrek is ingetrokken.
Aan de andere kant hangt een
beperking van de consumptieve
rente boven de markt. Op andere
terreinen lijkt het beleid voorshands
ongewijzigd. Er is geen begrotings-
ruimte gecree¨erd voor verbetering
van de fiscale infrastructuur in grote
zin. Aan de andere kant is er wel een
behoorlijke lastenverlichting
voorgesteld voor het midden- en
kleinbedrijf.
De kernvraag die bij mij en bij
onze fractie opkomt, is wat de
prioriteiten zijn binnen het paarse
fiscale beleid voor de jaren 1995 tot
1998. Als je de Miljoenennota erop
naslaat, kom je het motto ’’Keuze
voor de toekomst’’ tegen. Voor zover
ik dat kon zien, sloeg dat op de
gehele Miljoenennota, maar niet
zozeer op het fiscale beleid. De
fiscale keuzes leken mij wat
onduidelijk. Iedere organisatie maakt
middellange-beleidsplannen. Wij zijn
natuurlijk uitermate geı¨nteresseerd in
de beleidsplannen van dit kabinet en
zeker op fiscaal gebied. Ik heb wel
geprobeerd om in het belastingplan
en de Miljoenennota enkele lijnen te
ontdekken. Dat is mij niet gelukt. Ik
wil wel proberen wat te preluderen
op een aantal voorzetten die door u
zijn gedaan en kijken of ik wellicht
het goede spoor te pakken heb. Dat
hoor ik dan wel bij uw reactie. Ik zie
dat wat meer filosoferend. Ik begrijp
dat het voor een nieuw kabinet
moeilijk is om het beleid al op zo’n
vroege termijn uit te zetten, maar de
tijd is kort, althans vier jaar is kort.
Wij zijn echter uiteraard erg
geı¨nteresseerd om van u een en
ander te vernemen.
Een paar punten die opvallen in
uw belastingplan. Een eerste punt is
het tarief in de eerste schijf en de
verlaging van het belastingdeel. Door
de operatie-Oort zijn wij in een
situatie terechtgekomen die niet
voorzien was en dat is dat er een
enorme spanning optreedt in de
eerste schijf. In de praktijk betekent
dit dat het belastingdeel steeds
verder onder druk komt te staan ten
koste van het premiedeel. Als je die
lijn blijft doortrekken, kan men met
de voorgestelde verlaging in het jaar
2000 bij wijze van spreken een
belastingdeel hebben dat in de buurt
van nul ligt. De eerste schijf zou dan
uit premies bestaan. Dat is een
ingreep van de eerste orde. Ik ga er
niet vanuit dit uw lijn zal zijn, maar ik
ben zeer geı¨nteresseerd om te horen
hoe u deze problematiek benadert,
temeer omdat uw inzet is om aan de
onderkant van de arbeidsmarkt de
wig te verkleinen en de arbeids-
participatie te vergroten. Dat
betekent dat er iets moet gebeuren
aan de premiezijde. Dat kan op
verschillende manieren plaatsvinden.
Vanuit de fiscale invalshoek kan dat
via de fiscalisering of via belasting-
heffing op de AOW-premie of
methodes die daaraan verwant zijn.
Bovendien wordt men ook jaarlijks
geconfronteerd met correcties in het
kader van de inkomensplaatjes. Het
lijkt mij duidelijk dat dit beleid, dat u
ongetwijfeld zal voorstaan, vroeger
of later geconfronteerd zal worden
met de realiteit, en dan is het de
vraag hoe u daarmee omgaat. In de
vorige kabinetsperiode hebben wij
gezien dat de fiscaliteit is gebruikt
om koopkrachtreparaties te
’’repareren’’ via een ongekende
oprekking van het arbeidskosten-
forfait en dat ook nog eens een keer
door de minister van Sociale Zaken.
Wij zien nu bij de ouderen een
ingreep via de ouderenaftrek.
Kortom, meer fundamenteel en meer
op termijn zijn wij uitermate
geı¨nteresseerd om van u te horen
hoe u denkt deze problematiek aan
te pakken.
Het tweede punt is het ter
discussie stellen van de aftrek van de
consumptieve rente. Hoe moeten wij
dit interpreteren? Het is reeds door
mijn voorganger, Schinck, gezegd
dat er een aantal problemen
opduiken wanneer je over rente als
persoonlijke verplichting gaat praten
in relatie met hypotheekrente of
brongebonden rente. Je ziet ook de
anticipatieverschijnselen in de maatschappij. U heeft het gezien: de
hypotheekrente loopt enorm op. Er
zijn negatieve economische reacties
te verwachten. Ik meldde al reeds dat
het eerste ontwijkgedrag zichtbaar is.
Dit wordt kortom een heel funda-
mentele discussie. Ik denk dat die
discussie moeilijk te ontlopen is. Ik
denk dat u bij de afbakenings-
problematiek waar u tegenaan loopt,
met of zonder commissies, gecon-
fronteerd wordt met de vraag hoe
voorkomen kan worden dat er teveel
wegsijpelt richting hypotheekrente.
Dan is er dus sprake van oneigenlijk
gebruik van een beoogde rente-
aftrek. Aan de andere kant duikt de
vraag op, als u de hypotheekrente
erbij wil betrekken, in welke zin dat
gedaan moet worden. De problema-
tiek is groot. U heeft het ook nog
gekoppeld aan de samenloop-
regeling en de reparatie daarvan.
Ook dat zal een extra dimensie
geven aan uw besluitvorming. Wij
zijn nieuwsgierig om te horen of dit
een eerste aanzet uwerzijds is om de
aftrekposten in te zetten in ruil voor
verlaging van het tarief of dat wij dit
moeten zien als een incidentele
ingreep in het fiscale inkomens-
begrip, maar dan aan de
aftrekpostenkant.
Het derde punt dat heel duidelijk
uit de Miljoenennota spreekt, is de
bevordering van het internationaal
investeringsklimaat en de fiscale
begeleiding daarvan. Wij zijn
geı¨nteresseerd van u te vernemen of
u daarbij uitgaat van een ’’fiscaal-
instrumentele benadering’’, zoals
Blankert het uitdrukte in het
Weekblad voor fiscaal recht. Dat
betekent in feite dat men probeert
om een bepaalde bedrijfsactiviteit
fiscaal te facilie¨ren. Ik zou kunnen
denken aan de zeescheepvaart, aan
het midden- en kleinbedrijf en zo zijn
er ongetwijfeld nog een aantal
andere zeer waardevolle activiteiten
die fiscaal begeleid kunnen worden.
Of denkt u op termijn meer aan een
algemeen beleid waarbij u de
verbetering van de fiscale infrastruc-
tuur op het oog heeft? U heeft van
de kant van VNO/NCW een
prioriteitenlijst gekregen. Daarvan
zou je een aantal elementen mee
kunnen nemen als je nadenkt over
een algemeen beleid. Wij horen
graag nader van de regering op dit
punt.
De vergroening is vandaag al aan
de orde geweest. Ik wil daarover bij
dit punt niet uitweiden, maar het is
ongetwijfeld een belangrijk element
in de beleidsvisie van de regering.
Wij willen graag horen wat er
gebeurt als er in Europa een minder
grote versnelling is en er geen
uniform Europees beleid komt. Het
enige wat ik ervan wil zeggen na de
discussie die in dit huis heeft
plaatsgevonden, is dat erkend moet
worden dat dit een efficie¨nte manier
is om belastingheffing te spreiden
over een grotere groep die je niet
meer kunt bereiken via de normale
draagkrachtheffing. Je zou kunnen
spreken over een moderne variant
van het koppengeld. Vastgesteld
moet evenwel worden dat er geen
directe uitruil is afgesproken of
vastgelegd met lagere belasting op
arbeid. Ik denk dat wij met z’n allen
moeten erkennen dat dit een
additionele vorm van belastinghef-
fing is en dat deze als zodanig moet
worden bekeken. De optiek van het
milieu en van een inruiloperatie kan
dan, meen ik, naar het tweede plan.
Een ander punt dat ik meen te
kunnen bespeuren in het fiscale
lange-termijnbeleid van de regering
betreft de individualisering. De eerste
aanzet lijkt te zijn dat de overdracht
van de basisaftrek – altijd een heilige
koe in dit fiscale landschap – ter
discussie komt, al is het dan op
termijn. Dit zou best wel eens het
begin kunnen zijn van een verder-
gaande fiscale begeleiding van de
individualisering. Wij zijn zeer
geı¨nteresseerd in de ideee¨n van de
regering hierover, vooral omdat het
ook maatschappelijk interessant is
om te zien hoe de individualisering
een uitstraling heeft naar de
flexibilisering, een onderwerp dat de
regering op dit moment zeker op
pensioengebied zeer ter harte gaat
en dat hoog op de fiscale agenda
van de regering staat. Van flexibilise-
ring kom je, als je maatschappelijk
doordenkt, terecht bij liberalisering,
het uitschakelen van het paternalisti-
sche patroon dat wij van de overheid
kennen. Ook dat is iets wat fiscale
begeleiding behoeft. Ongetwijfeld
heeft de regering daar grote ideee¨n
over.
Dit waren enkele bespiegelingen
aan de hand van het belastingplan.
Wat de begroting betreft, willen wij
een paar specifieke vragen stellen.
Wij zien wel of deze schriftelijk dan
wel mondeling worden beantwoord.
Ik begin met de verlichting van de
administratieve lasten. In de
begroting wordt ervan uitgegaan dat
de voorlopige-aanslagregeling
jaarlijks enkele miljarden guldens
dichter bij de werkelijkheid kan
worden gebracht. Daartoe zal onder
meer van de ondernemer worden
verwacht dat hij gedurende de loop
van het jaar zijn winst schat. Het
probleem is dat dergelijke schattin-
gen veelal de commercie¨le winst
betreffen en niet de fiscale winst.
Wegen naar het oordeel van de
regering de administratieve kosten,
die op deze wijze op de ondernemer
worden gelegd, op tegen de wellicht
geringe renteopbrengst? Staat dit
niet op gespannen voet met het
voornemen, tot lastenverlichting
voor ondernemers over te gaan?
Het tweede punt in dit kader
betreft de standaardisering van de
jaarstukken voor de aangifte
inkomstenbelasting voor onderne-
mingen. Hierbij gaat het om een
behoorlijke verzwaring van de
administratieve lasten voor het
bedrijfsleven en in het bijzonder voor
kleinere ondernemingen. Hoe
verhoudt zich dit met het voornemen
van de regering om de administra-
tieve lasten te verlagen? Wij
vernemen dit graag.
In aanvulling daarop kwamen wij
een interessante passage tegen in
een van de bijlagen bij de Miljoenen-
nota over de indeling van de
belastingplichtigen aan de hand van
het fiscale risico en het financie¨le en
fiscale belang. Wij zouden het zeer
op prijs stellen van de regering te
horen aan de hand van welke criteria
het fiscale profiel van de belasting-
plichtige definitief wordt vastgesteld
en hoe zwaar daarbij het fiscale
risico weegt in relatie tot het
financie¨le en het fiscale belang.
Een volgend onderwerp is de
renterenseignering. Uiteraard is dit
een punt dat ook in Europees
verband een belangrijke rol speelt. Ik
ben benieuwd te horen wat de
resultaten zijn van de discussies die
daar een dag of tien geleden in het
kader van ECOFIN over hebben
plaatsgevonden. De belastingdienst
wil ter bestrijding van fraude in ieder
geval meer in de actualiteit gaan
werken en ook meer informatiestro-
men op gang brengen. Naast de
verplichte renterenseignering
betreffende particulieren en
ondernemers denkt men aan
renterenseignering van door
particulieren betaalde rente
lijfrentepremies en dergelijke. Is dit
een indicatie dat de regering streeft
naar het Deense model, waarbij
aanlevering van informatie plaats-
vindt door informatiedragers als
verlengstuk van renseignering van
door particulieren betaalde rente
lijfrentepremies en dergelijke?
Een ander punt betreft de
rechtspraak. Mede dank zij ingrepen
vanuit deze Kamer heeft te elfder ure
nog een aanpassing plaatsgehad van
de kostenvergoedingen in fiscale
procedures. Deze zijn nu in feite
forfaitair vastgesteld. Niettemin kan
uit jurisprudentie van het Europese
Hof worden afgeleid dat de afpaling
van deze proceskostenvergoedingen
wellicht ter discussie komt te staan.
Ik wijs op de jurisprudentie die
plaatsgevonden heeft in de
zaak-Francovitch en de zaak-Bonifaci
en in een zaak die onlangs is
afgesloten. Ik vraag de regering of zij
vanuit de Europese invalshoek een
belemmering ziet voor het beperken
van de vergoeding van proceskosten
in fiscale zaken, die thans in de wet
is vastgelegd.
Mijn laatste punt in aansluiting op
de begroting betreft de zorg die bij
ons is ontstaan over de zogenaamde
BTW-truc. Is het juist dat de fiscus
ca. ƒ 10.000 moet bijdragen aan de
bouwkosten van een sociale
huurwoning door middel van een
BTW-truc die door de directeur van
een woningcorporatie in Helmond
zou zijn ontworpen? Is het ook juist
dat deze truc de fiscus minimaal 280
mln. kan kosten, indien ook andere
corporaties van deze mogelijkheid
gebruik maken bij de bouw van de
ruim 28.000 sociale huurwoningen
die naar verwachting volgend jaar tot
stand worden gebracht? Is het verder
juist dat deze truc wellicht niet zo
snel met een reparatiewet ongedaan
kan worden gemaakt, omdat dit
problemen kan opleveren met
Europese belastingregels? Wij zijn
erin geı¨nteresseerd, daarover nadere
mededelingen te vernemen en wij
willen ook graag horen in hoeveel
gemeenten inmiddels van deze
constructie gebruik wordt gemaakt.
Is de regering voornemens, stappen
te ondernemen om dit verschijnsel
zo spoedig mogelijk te bee¨indigen en
te voorkomen dat de diverse
corporaties uit de startblokken
komen?
Voorzitter! Ik wil nu overgaan tot
de behandeling van de wetsvoorstel-
len die in samenhang met het
belastingplan zijn ingediend. Ik wil
kort aandacht schenken aan een
aantal wetsvoorstellen en daarna wat
langer stilstaan bij de ondernemings-
vrijstelling vermogensbelasting en de
Brede herwaardering. Ik begin met
de ouderenaftrek, wetsvoorstel
23941. Hierbij is een nieuwe fiscaal
instrument geı¨ntroduceerd voor een
wellicht eenmalige koopkracht-
correctie. Onze fractie acht de
inkomensafhankelijkheid van deze
aftrek een bezwaar. Er is sprake van
een redelijk opportunistische
benadering en wij vragen ons af
waarom niet gekozen is voor een
verhoging van de AOW, aangezien
de regering over de vorm van de
koopkrachtreparatie nog moet
studeren, zoals wij in de memorie
van antwoord hebben gelezen. Ook
dit is weer een onderdeel waarbij de
regering niet kan ontkomen aan een
fundamentele benadering.
Vervolgens kom ik tot de
werknemersspaarregeling, wetsvoor-
stel 23943. Niet vaak zal een fiscale
stimuleringsmaatregel zo’n doorsla-
and succes zijn als de per 1 januari
jongstleden geı¨ntroduceerde
werknemersspaarregeling. De
deelname is zo overweldigend dat
een simpele verhoging van het
arbeidskostenforfait in guldens voor
de werknemers waarschijnlijk
eenzelfde uitkomst te zien zou
hebben gegeven zonder de
administratieve rompslomp van de
huidige regeling. Bovendien zou die
budgettair ongetwijfeld beter zijn te
sturen. Niettemin heeft het netto-
effect van dit niet voorziene en dus
niet adequaat doorgerekende succes
een budgettair gat van 300 mln.
gecree¨erd. Deze rekening is
gedeponeerd bij het bedrijfsleven. De
regering is daarover aangesproken in
de Tweede Kamer en ook reeds in dit
huis. Het begrip bij de werkgevers
voor deze overschrijdingsproblemen,
dat door de regering groot wordt
geacht, is wellicht groter dan het bij
de werknemers is. De inkt van de
diverse CAO’s waarin het
werknemerssparen een essentieel
onderdeel vormt, is immers nog niet
droog. Niettemin gaat de discussie
een stuk verder. Vooral komt de
vraag naar voren in hoeverre de
werkgever ervan mag uitgaan dat de
overheid ook bij dit soort wetgeving,
die bedoeld is ter stimulering van het
bedrijfsleven, een betrouwbare
partner is. Onze fractie tilt daar zwaar
aan. Dat hebben onze collega’s aan
de overzijde ook gedaan. Niet alleen
op nationaal niveau, ook op
internationaal niveau is een
consistent beleid van zeer groot
belang om het investeringsklimaat
zuiver, aantrekkelijk en vooral
begrijpelijk te houden tegenover
potentie¨le investeerders. Onze fractie
neemt afstand van de correctie die
heeft plaatsgevonden ten laste van
de werkgevers en spoort de regering
aan om in de toekomst de fiscale
pakten met het bedrijfsleven, die al
dan niet in wetgeving uitmonden, te
blijven honoreren.
Ter zake van de samenloop-
regeling heeft de regering de
voorgenomen grondslagverbreding
aangehouden tot 1 januari 1996.
Daarmee komt men tegemoet aan
uitdrukkelijke wensen die door deze
Kamer zijn uitgesproken om de
overkill-effecten te elimineren.
Echter, de onrust blijft. In de loop
van 1995 zal er meer duidelijkheid
komen over de aftrek-consumptieve
rente, naast een nadere positiebepa-
ling inzake de vermogensbelasting.
Wij verwachten dan ook de eerste
aanbevelingen van de commissie-
technische herziening die ook over
deze kwestie haar licht zal laten
schijnen. De kans dat dit nog voor
het zomerreces leidt tot een
evenwichtig en afgerond geheel
achten wij echter gering, zeker
wanneer fundamentele zaken aan de
orde komen. Dat betekent dat na de
zomer weer hoge druk zal rusten op
fundamentele vraagstukken, zoals de
rente-aftrek, de vermogensbelasting
en de samenloopregeling. De fiscale
emigratie gaat intussen onverdroten
verder.
Vervolgens richt ik mij op de twee
wetsvoorstellen die een belangrijke
rol hebben gespeeld, niet alleen in
het leven van deze Kamer maar ook daarbuiten: de Brede herwaardering
en de wijziging ondernemings-
vrijstelling voor de vermogensbelas-
ting. Het is uitermate boeiend om het
verloop van het laatste wetsvoorstel
en zijn voorgangers en medelopers
na te gaan. Bij het onderhavige
wetsvoorstel heeft de Raad van State
een belangrijke, wellicht centrale rol
gespeeld. Het advies van deze raad
inzake het Bupo-effect heeft geleid
tot een novelle die in feite de
volledige vrijstelling heeft terugge-
draaid tot een beperkte vrijstelling.
Ook dit heeft de nodige discussie
opgeleverd.
Ons boeit de vraag of in verband
met de grens die de regering heeft
gelegd bij 68%, mag worden
gesproken over een nieuwe
Bupo-norm. Uit de stukken blijkt dat
dit inderdaad mag, maar dit roept
wel direct de vraag op hoe deze
norm zich verhoudt tot andere
vrijstellingen. Is er een uitstraling
naar andere onderdelen van de
fiscale wetgeving? Ik vind het een
tamelijk gevaarlijke benadering om
een precedent te cree¨ren wanneer
het zo specifiek wordt uitgedrukt in
een percentage. Wij betreuren het
dat de volledige vrijstelling voor het
ondernemingsvermogen niet
doorgaat. Het bedrijfsleven had
daarop gerekend en wellicht zou
hierdoor de fiscale emigratie worden
teruggedrongen. Nu zitten wij met
een open discussie over de
vermogensbelasting als geheel en ik
verwacht dat de kans, dat er in de
komende kabinetsperiode aanzien-
lijke tarievenverlagingen zullen
optreden, gering zal zijn. Immers,
door deze ingreep is het momentum
voor een groot gedeelte verdwenen.
De regering heeft gesteld dat zij
grote zorgen kende in verband met
mogelijke procedures op grond van
het feit dat ongelijkheid zou optreden
indien het ondernemingsvermogen
volledig zou zijn vrijgesteld. Men
meende met deze grens dergelijke
procedures te kunnen voorkomen.
Welnu, ik ben bang dat ik de
bewindslieden teleur moet stellen.
Een voormalig lid van de Tweede
Kamer, de heer V. te K.a.d.R, heeft
mij meegedeeld dat hij ook bij deze
68%-grens meent, in het kader van
het Bupo gediscrimineerd te worden.
Op grond daarvan zou hij een fiscale
procedure kunnen aanvangen. Men
is dus gewaarschuwd. Nogmaals, wij
vinden dit een gevaarlijk precedent
en vernemen graag hoe de regering
denkt deze nieuwe norm gestalte te
geven in ons belastingrecht.
Voorzitter! De Brede herwaarde-
ring I heeft in deze Kamer tegen het
einde van 1991 een zeer uitgebreide
behandeling gekregen. Ik bewaar
daaraan levendige herinneringen en
ik denk dat dit voor velen geldt. Die
behandeling heeft geleid tot zeer
uitvoerige discussies en tot drie
moties van deze Kamer die in
wetgeving werden omgezet.
Uiteindelijk werd deze Kamer
gevraagd, te stemmen over een
wetsvoorstel terwijl het vervolg, de
Brede herwaardering II, nog niet
beschikbaar was. Ons werd gevraagd
er toch vooral op te vertrouwen dat
die Brede herwaardering II slechts
een uitwerking zou zijn van de
begrippen die in de Brede herwaar-
dering I al waren genoemd. Ik
herinner mij nog goed dat dit voor
alle fracties een belangrijk punt was
en dat staatssecretaris Van Amels-
voort antwoordde dat de indiening
van het wetsvoorstel Brede
herwaardering II in het eerste
kwartaal van 1992 zou kunnen
plaatsvinden; dat hoopte hij althans.
Inmiddels is het eind 1994 en de
Brede herwaardering II is daar, maar
wat nıet daar is, is de afgeronde
afstemming met de Pensioen- en
spaarfondsenwet. Opnieuw is er
sprake van een manco bij de
beoordeling van een wetsvoorstel. Ik
betreur dit temeer omdat juist in
verband met die afstemming de
mogelijkheid bestaat dat er gaten
vallen waardoor de PSW ongewild
en onbedoeld een bepaalde
uitstraling krijgt ten opzichte van de
fiscale behandeling van de Brede
herwaardering en de pensioenen
meer in het algemeen, met name
waar het de directeur-groot
aandeelhouder betreft.
De behandeling van de Brede
herwaardering I was voor mij een
bijzondere ervaring omdat ik bij die
gelegenheid mijn maidenspeech
mocht houden. Ik heb toen de
conclusie mogen trekken dat er een
bepaling in stond met een volzin die
ruim 100 woorden bevatte. Ik vond
dat zeer opvallend en deed de
staatssecretaris daarvan kond. Hij
was van oordeel dat het om een zeer
duidelijke zin ging die mathematisch
zeer goed was uit te leggen. Echter,
hij stelde ook dat getracht zou
worden, de bewoordingen van
complexe wetgeving enigszins onder
controle te houden. De vraag rijst of
dit werkelijk is gebeurd. Welnu,
voorzitter, ik heb het nieuwe
wetsvoorstel erop nagekeken en tot
mijn verrassing heb ik nu een zin
gevonden van 208 woorden. Zoals ik
dat in het verleden ook deed, zal ik
die zin nu voorlezen. Het betreft
artikel 5, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting:
’’Lichamen welke zich uitsluitend
of nagenoeg uitsluitend ten doel
stellen, de verzorging van werkne-
mers en gewezen werknemers bij
invaliditeit en ouderdom en de
verzorging van hun echtgenoten en
gewezen echtgenoten, dan wel
partners en gewezen partners en van
hun eigen kinderen, stiefkinderen en
pleegkinderen die de leeftijd van 30
jaar nog niet hebben bereikt, een en
ander door middel van pensioen,
krachtens een pensioenregeling of
van uitkeringen krachtens een
regeling voor vervroegde uittreding
(VUT-uitkeringen) in de zin van de
wettelijke bepalingen betreffende de
loonbelasting dan wel door middel
van uitkeringen krachtens een
buitenlandse regeling welke naar
aard en strekking overeenkomt met
de hiervoor bedoelde pensioen-
regeling of regeling voor vervroegde
uittreding, alsmede lichamen welke
zich uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend ten doel stellen de
verzorging van deelnemers of
gewezen deelnemers aan een
pensioenregeling waaraan deelne-
ming is verplicht gesteld op grond
van de Wet betreffende verplichte
deelneming in een bedrijfspensioen-
fonds, de Wet tot invoering van een
leeftijdsgrens voor het notarisambt
en oprichting van een notarieel
pensioenfonds, de Wet op de
kansspelen of de Wet betreffende
verplichte deelneming in een
beroepspensioenregeling, van hun
echtgenoten en gewezen echtgeno-
ten, dan wel partners en hun
gewezen partners en van hun eigen
kinderen, stiefkinderen en pleegkin-
deren die de leeftijd van 30 jaar nog
niet hebben bereikt.’’.
Mijn complimenten, mijnheer de
staatssecretaris... Ik zou u willen
voorstellen, no`g een commissie te
benoemen en die als opdracht te
geven, alle wetsvoorstellen waarin
zinnen met meer dan 50 woorden
voorkomen, aan te passen en de
volgende zomer enkele mooie
aanbevelingen bij u te deponeren.
Voorzitter! Maak ik de balans op
met betrekking tot de Brede
herwaardering II, dan kom ik tot de
conclusie dat er, wat de binnen-
landse reguliere verhoudingen
betreft, eigenlijk verhoudingsgewijze
niet zo veel is veranderd. Ik verwijs
naar de handhaving van de
mogelijkheid om een pensioen in
eigen beheer op te bouwen. Toch zijn
er enkele punten waarover wij ons
zorgen maken en op enkele daarvan
ga ik nader in, met de kanttekening
dat wij tevreden zijn over de wijze
waarop de regering heeft gereageerd
op het voorlopig verslag.
Allereerst noem ik de overkill-
elementen, artikel 23a van de Wet
vennootschapsbelasting, het
internationale afkoop- en
overdrachtsverbod dat op gespannen
voet staat met internationale
verdragen en het EEG-verdrag.
Daarop zijn wij al in het voorlopig
verslag ingegaan en daar laten wij
het nu bij. Waar wij wel met de
regering over willen spreken, zijn de
afstemming met de SPW, het
formeel of feitelijk voorwerp worden
van zekerheid en ten slotte de
materieel terugwerkende kracht.
Dankzij een uitgebreide schriftelijke
gedachtenwisseling via het voorlopig
verslag, de memorie van antwoord
en de tweede ronde hebben wij van
de regering een snel en gedegen
weerwoord gekregen op een groot
aantal vragen, waarvan ik meende
dat zij van belang waren voor de
praktijk. Ik begrijp en realiseer mij
dat het niet gebruikelijk is om op die
vrij diepgaande manier met de
regering van gedachten te wisselen
op dit niveau. Aan de andere kant
bleek ons dat er na de behandeling
in de Tweede Kamer toch zeer veel
vragen uit de praktijk kwamen. Wij
stellen het bijzonder op prijs dat de
regering zo bereidwillig is geweest
om daar concreet en direct op te
antwoorden. Wij danken daar de
ambtenaren zeer voor, al herken je in
de antwoorden ook de hand van de
meester.
Ik zou deze drie punten met de
regering willen afstemmen ter
afronding van onze bijdrage aan het
debat. Het doel van de PSW is de
bescherming van het pensioen van
werknemers. Als zodanig is zij niet
bedoeld voor de directeur-
grootaandeelhouder. Als ik de nadere
memorie van antwoord nog eens
lees, lees ik daarin dat werknemers
die macht over de vennootschap en
daarmee over hun pensioengelden
kunnen uitoefenen, de bescherming
van de PSW eigenlijk niet behoeven.
Zo staat het erin en dat is ook
correct. Wil een directeur-
grootaandeelhouder ontheffing van
de PSW, dan moet hij voldoen aan
allerlei voorwaarden. Voldoet hij
daaraan niet, dan wordt hij gecon-
fronteerd met een strafsanctie die
zich vertaalt in een geachte afkoop
van het pensioen en daarmee een
progressieve inkomstenbelasting-
heffing over de waarde daarvan.
De voorwaarden liggen vast in het
besluit van de staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Deze kan het besluit wijzigen zonder
eerst het parlement te horen.
Daarmee kan hij dus ingrijpen in de
belastingwet. Het kan niet de
bedoeling zijn, noch van de regering
noch van ons allen, om de belasting-
wet uit te besteden bij de minister of
staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. Wij hebben nog
levendige herinneringen aan de
uitbesteding van het arbeidskosten-
forfait bij de minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid in het
vorige kabinet. Wij moeten dat bij dit
kabinet voorkomen. De regering
heeft onze steun daarbij, maar ik
moet toch zeggen dat ik enigszins
schrok toen ik in de nadere memorie
van antwoord mocht lezen dat de
regering weliswaar de afstemming
van de fiscale regelgeving op de
PSW in het oog zou houden en dat
er ook geen ’’belangrijke’’ fiscale
wijziging als deze weer zou
plaatsvinden, maar de regering hield
toch een slag om de arm en
mummelde er iets bij over ’’annonce-
ringseffecten’’. Ik wijs erop dat wij dit
oneigenlijk gebruik van de PSW
moeten voorkomen. Dit is het terrein
van deze minister en staatssecretaris.
Zij zullen dat in eigen handen
moeten houden. Ik verzoek hun
aandacht hiervoor ten zeerste.
Ik kom vervolgens bij de sanctie
die volgt als een aanspraak formeel
of feitelijk het voorwerp wordt van
zekerheid. In de nota naar aanleiding
van het eindverslag bij Brede
herwaardering II is het maatschappe-
lijk belang dat pensioenvermogen
kan hebben als financieringsbron
voor de onderneming, genoemd als
argument om de mogelijkheid voor
pensioenopbouw in eigen beheer te
continueren. Niettemin is er een
zware sanctie gesteld. Deze sanctie
zou ik toch nog eens in de aandacht
willen aanbevelen om de volgende
redenen. Allereerst wordt een
onderscheid gemaakt tussen de
situatie in het verleden, waarbij
mensen die een zekerheid hebben
gesteld ten behoeve van een bank,
waarin ook het pensioenvermogen of
de pensioenreserve is meegenomen,
worden gesauveerd in vergelijking
met collega-ondernemers die na 1
januari aantreden. Bovendien lijkt dit
gezien de praktijk die wij uit het
verleden kennen, een grote
belemmering te zijn voor het
midden- en kleinbedrijf om adequate
financiering te krijgen en om ook in
moeilijke omstandigheden, als men
zich daarin bevindt, steun van een
bank te krijgen. De regering heeft zelf
als haar beleid uitgesproken dat het
midden- en kleinbedrijf alle kansen
moet krijgen. De regering trekt daar
ook geld voor uit. Zolang er geen
sprake is van misbruik, zou het zeer
te overwegen zijn om hier wat
royaler te zijn, gezien de praktijk uit
het verleden en gezien het feit dat
met de zeer gebruikelijke clausule-
ring in contracten met banken,
waarin staat dat de groot-
aandeelhouder zelf ook hoofdelijk
aansprakelijk moet zijn, de facto al
een zekerheid wordt gesteld. Die
interpretatie zou je althans kunnen
geven. Het is niet de bedoeling, maar
het is wel zo. Als dat zo is, zouden
wij dan enige versoepeling tegemoet
kunnen zien? Of die versoepeling nu
plaatsvindt in de vorm van het beleid
of via nadere wetgeving laat ik graag
aan de regering over. Het midden- en
kleinbedrijf zal daarvoor de regering
zeer erkentelijk zijn, want dit zijn
onderwerpen die het midden- en
kleinbedrijf zeer aanspreken en ter
harte gaan.
Ter afsluiting kom ik bij de
materieel terugwerkende kracht. Wij
hebben daarover reeds mogen
filosoferen in de schriftelijke
gedachtenwisseling met de
staatssecretaris. Dat betreft vooral de
voorgestelde overgangsperiode in
verband met het vervallen van de
lineaire methode. Wij hebben
gewezen op het element van de
materieel terugwerkende kracht. Wij
zijn van oordeel dat die er is. Er is
namelijk een verschil in behandeling
naarmate men tot 31.12.94 de
lineaire methode toepast of de
actuarie¨le methode. De belastinghef-
fing in 1995 zal dus worden
beı¨nvloed door anterieure feiten,
door feiten uit het verleden. Door de
bevriezingsmethode mag men de
eerste jaren geen bijdrage doteren
aan de pensioenvoorziening. Eerst
wanneer de voorziening volgens de
actuarie¨le methode het niveau heeft
bereikt van de bestaande pensioen-
voorziening mag de directeur-
grootaandeelhouder verder
opbouwen. Formeel is hier geen
sprake van terugwerkende kracht. Er
is namelijk geen invloed op de
belasting die verschuldigd is over
voorgaande jaren, maar materieel is
dat wel zo. Er is een nieuwe
maatregel die direct gevolgen heeft
voor feiten uit het verleden. De
regering erkent ook dat in het heden
rechtsgevolgen worden verbonden
aan omstandigheden uit het
verleden, maar de regering stelt dan
dat het gaat om de vraag of de
rechtsgevolgen die daaraan worden
verbonden, al dan niet redelijk zijn.
Naar ons oordeel heeft de redelijk-
heid niets te maken met de vraag of
er sprake is van materieel terugwer-
kende kracht. Er is sprake van een
keuze waarbij je tijdelijk moet afzien
van dotaties. Als je de kwestie op de
keper beschouwt, is het in feite een
kwestie van timing. Eigenlijk is de
vraag slechts of men mag doorgaan
met doteren, zoals een directeur-
grootaandeelhouder die in het
verleden ook de actuarie¨le methode
heeft toegepast, of moet men een
bevriezingsperiode in acht nemen.
De reserve blijft hetzelfde. Er loopt
niets weg. Het is alleen een kwestie
van timing wanneer de aftrekpost
mag plaatsvinden of niet.
Wij menen dat het dan ook in de
rede zou liggen om de betrokkenen
dan op z’n minst vrij te laten in hun
keuze; hen vrij te laten om te kiezen
voor een doorgaan volgens het
systeem dat wij hebben voorgesteld
of te kiezen voor het systeem van de
regering. Maar ik denk dat dan de
keuze niet zo moeilijk zal zijn, zeker
als men in aanmerking neemt dat de
budgettaire opbrengst uit het
initiatiefvoorstel-Vreugdenhil/
Vermeend mede was ingezet voor de
volledige afschaffing van de
vermogensbelasting, die nu niet
doorgaat. Gezien deze ingreep aan
de kant van het bedrijfsleven zou het
een juist gebaar zijn om deze optie
mogelijk te maken voor de onderne-
mers. De regering verliest daar als
zodanig niets mee, want de reserve
wordt niet groter. De regering komt
daarmee wel tegemoet aan een punt
dat in dit huis zeer zwaar weegt,
namelijk het punt van de materieel
terugwerkende kracht. Op dat punt zou ik zeggen: noblesse oblige.
Mijnheer de voorzitter! Wij zien
met belangstelling uit naar de
antwoorden van de regering.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-390">

 
<spreker pagina="11-390" anker="471" partij="GroenLinks" naam="De Boer">

Mijnheer de voorzitter! Ik had op
veertig minuten de heer Boorsma
gerekend. Dat brengt mijn altijd
scherpe timing geheel in de war. Als
ik dus aan het eind van mijn verhaal
begin te haperen... 

</spreker>
<spreker pagina="11-390" anker="472" partij="CDA" naam="Boorsma">
 Ik wil de
heer De Boer graag een plezier doen.
Als hij erop staat, zal ik nu veertig
minuten het woord voeren. Ik heb
het alleen niet voorbereid! 

</spreker>
<spreker pagina="11-390" anker="473" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Maar
goed, als ik aan het eind begin te
haperen komt dat doordat ik geen
fraai slot heb kunnen bedenken.
Zo kort na de algemene beschou-
wingen en in afwachting van het
doorhakken van de vele paarse
knopen in de zomer van 1995 heb ik
op dit moment eigenlijk niet zo heel
veel stof om met de bewindslieden
van Financie¨n van mening te
verschillen. Ik heb wel stof om het
over te hebben. Die knopen worden
naar mijn idee overigens nog
ingewikkelder gemaakt dan ze voor
dit o, zo bijzondere kabinet toch al
zijn door de verbale dadendrang van
de enige formateur die zichzelf
buiten het kabinet heeft gehouden,
de heer Bolkestein. Deze is hard op
weg een speciaal soort Bolkesteins
dualisme te ontwikkelen, dat zich
kenmerkt door het onder vuur
nemen van ministers uit de
niet-VVD-coalitiepartijen, waarbij
regeerakkoord en eenheid van
kabinetsbeleid kennelijk onderge-
schikt zijn aan zijn mediale selectieve
verontwaardiging. Kortdurend
lawaai, goed voor de krantekoppen,
waarna de volgende dag, maar dan
hoogstens goed voor een kort
berichtje op pagina 7, flink wat gas
teruggenomen wordt met gemompel als: ’’verkeerd begrepen’’ of ’’niet
helemaal zo bedoeld’’.
Niet omdat ik enige aandrang heb
om het gehannes van de minister
van Onderwijs in bescherming te
nemen, maar om enig inzicht te
krijgen in de mores van deze nieuwe
regeringsploeg, lijkt het mij wel
aardig, als de minister van Financie¨n
vandaag eens aangeeft of, en hoe,
hij betrokken is bij het oplossen van
het dekkingsprobleem bij Onderwijs.
Staat, voordat bijvoorbeeld de
minister van Onderwijs voor het
eerst sinds jaren de studenten weer
eens massaal de straat op krijgt, het
goedkeuringsmerk van de minister
van Financie¨n op zo’n wild idee als
de collegegeldverhoging van
ƒ 1000? Ik vraag dus naar de eenheid
van het kabinetsbeleid. Als de heer
Bolkestein zo onheus te keer gaat,
belt de heer Zalm dan zijn liberale
positieleider eigener beweging op,
met de mededeling dat Frits zich wat
meer bewust moet zijn, dat dit ook
zijn kabinet is?
Voorzitter! Nu laat ik mij toch weer
meeslepen door de dingen die
gebeuren, terwijl ik van plan was om
eens met wat aardigs te beginnen.
Maar ja, zo gaat dat.
Ik wil de bewindslieden van
Financie¨n maar liefst drie compli-
menten maken. Nu, ga daar maar
eens even voor zitten, want dat
overkomt je maar zelden bij deze senator: het wierookvat zit niet in
mijn traditie.
Het eerste compliment betreft de
toegenomen budgetdiscipline bij de
rijksoverheid. Eerlijkheidshalve hoort
dat voor een groot deel terecht te
komen bij de voorganger, de heer
Kok; het is niet zo dat een nieuwe
minister daar al zoveel aan heeft
kunnen bijdragen. Een feit is in elk
geval dat er eindelijk in de Haagse
burelen een cultuuromslag heeft
plaatsgevonden. Men is zich
verantwoordelijk gaan voelen voor
budgetbeheer en, nog sterker, voor
budgetbewaking. Wat wel helemaal
op het conto van dit kabinet mag
komen, zo geloof ik, is dat het bij de
Voorjaarsnota gesignaleerde
budgettaire probleem van ruim 1
mld. door een terughoudend
kasbeleid goeddeels is weggewerkt.
Het tweede pluimpje dat ik wil
uitdelen, betreft de heldere en goed
leesbare memorie¨n van antwoord. Ik
wist niet precies of het nu ’’memo-
ries’’ of ’’memorie¨n’’ was, want in
mijn Van Dale stond het meervoud
niet. Ik verkeer nu in onzekerheid of
het ’’memorie¨n’’ of ’’memories’’ is,
dan wel of u¨berhaupt het meervoud
niet voorkomt. Desalniettemin waren
ze zowel qua lay-out, als inhoudelijk
goed pruimbaar. Het is mij zelfs
gelukt om de hele gedachtenwisse-
ling te volgen tussen de ambtenaren
van Financie¨n en de CDA-fractie,
waarbij het mij onduidelijk is of dat
nu de heer Stevens was of de heer
Boorsma, dan wel of het de
studenten van de heer Boorsma
waren, maar in ieder geval ging het
over het pensioengebeuren van de
grootaandeelhouder. 

</spreker>
<spreker pagina="11-390" anker="474" partij="D66" naam="Schuyer">
 Het kunnen
ook nog de medewerkers van de
heer Stevens zijn geweest. 

</spreker>
<spreker pagina="11-390" anker="475" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Ja,
maar die heb ik nog nooit zo actief
zien opereren. Het zou echter ook
nog kunnen. Wie weet, wordt ons
dat nog allemaal onthuld. Welnu, het
is mij zelfs gelukt die discussie
achter de kiezen te krijgen. Dat zegt
toch wat, al hoop ik wel – daar ben ik
ook al in bevestigd – dat deze
schriftelijke casuı¨stiek de diepere
bedoeling had om het daar allemaal
plenair vooral niet meer over te
hoeven hebben. Een compliment dus
aan de medewerkers, die, net als wij,
heel wat te verstouwen hebben.
Ten slotte was ik ook wel
gecharmeerd van de directe, niet al
te langdradige en tamelijk open wijze
waarop de Financie¨n-boys de
discussie aan de overkant hebben
gevoerd. Niet dat zij het moeilijk
hadden – zij gaven ook nauwelijks
iets toe of weg – maar het was een
prettige gedachtenwisseling. De
deskundigheid van deze bewindslie-
den op hun materie lijkt mij duidelijk.
Voor een redelijke amateur als ik zal
het niet eenvoudig zijn in de
discussie het financie¨le hoofd boven
water te houden. Maar ach, als ik het
daar moeilijk mee krijg, kan ik hier
altijd nog aan politiek gaan doen!
Ik wil in mijn bijdrage van
vandaag enkele, tamelijk los van
elkaar staande, thema’s aan de orde
stellen, waarbij ik de bewindslieden
vooral zal uitnodigen hun visie op
die thema’s te ontvouwen. Verder zal
ik bij de voorliggende wetsontwer-
pen een paar kanttekeningen maken.
Het eerste onderwerp is de
afgelopen jaren al enkele keren door
onder anderen collega Boorsma
aangeroerd, namelijk de mogelijk-
heid om ook op rijksniveau over te
gaan tot de invoering van een
kapitaaldienst, met daaraan
verbonden een begroting die
gebaseerd is op jaarlijkse baten en
lasten, gekoppeld aan investeringen,
met de gebruikelijke rente- en
afschrijvingscomponenten. Dat
betekent een afscheid van het
kasverplichtingenstelsel zoals het nu
wordt gehanteerd.
Rond dit thema is in november
1994 een in mijn ogen interessant
rapport verschenen van Arthur
Andersen &amp; Co., ’’Financie¨le
verslaggeving en prestatiemeting bij
de Rijksoverheid’’. Ik zou de minister
graag willen uitnodigen een korte
verhandeling te geven rond dit
onderwerp en dan vooral toegespitst
op de volgende vragen. Hoever is de
discussie over het al dan niet
invoeren van een kapitaaldienst bij
de rijksoverheid en over de voor- en
nadelen ervan? Is er een traject
voorzien en aan welke termijnen
wordt er gedacht, a`ls er over gedacht
wordt? Ziet de minister iets in het
ombouwen van de staatshuishou-
ding van het kasverplichtingenstelsel
naar een begroting en een jaarreke-
ning volgens baten-lastensystematiek
en wat zijn daar de voor- en nadelen
van? Hoe oordeelt de minister in het
algemeen over het rapport waar ik het net over had: is het onzin; geeft
het perspectief; is het een aanzet? Is
hij het bijvoorbeeld eens met de
vaststelling van de samenstellers, dat
het nettovermogen van de staat niet
op 70 mld. negatief gesteld moet
worden, maar op grond van het
kapitaaldekkingsstelsel getaxeerd
moet worden op ongeveer 180 mld.
negatief? Dat maakt nogal wat
verschil. Is de conclusie juist, dat
gedurende de afgelopen dertien jaar,
zeg maar de periode-Lubbers, circa
150 mld., zijnde de daling van het
nettovermogen op de staatsbalans,
aan lasten is doorgeschoven naar de
volgende generaties?
Het tweede onderwerp waarop ik
graag de visie van de minister wil
vernemen, is het begrip collectiviteit.
In vorige jaren heeft deze Kamer met
de heer Kok al enkele malen van
gedachten gewisseld over het begrip
collectieve-lastendruk. Een van de
conclusies was toen, dat het niet
goed mogelijk is om met het
CLD-cijfer een adequate internatio-
nale vergelijking te maken. Daarmee
werd ook het onhoudbare en tot op
de draad versleten cliche dat
Nederland zich met zijn uit de hand
lopend CLD-cijfer uit de markt zou
prijzen, verwezen naar het land der
fabelen. Mijn conclusie was toen dat
het CLD-cijfer geen betrouwbaar
gegeven is voor economische
analyses. De definitie en samenstel-
ling van het cijfer zijn arbitrair. Het
cijfer meet niet wat het zegt te meten
en maatregelen die het cijfer naar
beneden willen beı¨nvloeden, hebben
lang niet altijd de gewenste
economische effecten. Mijn vraag is
nu of de minister het met deze visie
eens is en of dit niet pleit voor een
meer gerelativeerd gebruik van het
CLD-cijfer als bouwsteen voor het te voeren beleid. Los daarvan: het
sleutelwoord van ’’paars’’ is
’’herijking’’. Is het CLD-cijfer op zich
ook niet aan herijking en een wat
meer eigentijdse invulling toe, en
heeft de minister daar ideee¨n over
en plannen voor?
Een volgend punt is de fraude-
bestrijding. Kan de regering
aangeven wat het meest recente
cijfer is inzake het fraudebedrag dat
naar schatting aan de collectieve
middelen wordt ontstolen? Een paar
jaar geleden werd het geschat op 20
mld. Heeft de sindsdien geleverde
inspanning met betrekking tot de
fraude-aanpak zodanige resultaten geboekt, dat die te kwantificeren zijn:
absoluut, als totaalbedrag van alsnog
ingeboekte fraudebedragen, en
relatief, als vermindering van de
totale fraude?
Frauderen, in welke vorm dan ook,
is een kwaad dat niet genoeg
bestreden kan worden. Het bedreigt
de moraal die het draagvlak vormt
voor collectiviteit en solidariteit. Het
bedreigt ook de collectiviteit zelf,
doordat het fraudebedrag recht-
streeks aan de collectiviteit wordt
onttrokken en daarmee een goed
collectief voorzieningenniveau
onnodig duur maakt en het
draagvlak daarvoor verkleint. Als de
fraude met de helft zou worden
verminderd, zou het collectieve-
taakniveau volledig kunnen worden
gehandhaafd en zou de wig, de
arbeidskosten, nog verder worden
verkleind.
Voorzitter! Ik wil nog twee vragen
stellen over specifieke vormen van
misbruik, c.q. crimineel gedrag.
Volgens berichten in de pers maken
vermogende particulieren oneigenlijk
gebruik van de Vamil-regeling die
bedoeld is voor stimulering van
milieu-investeringen door bedrijven.
Is dat juist? Welke omvang heeft dit
misbruik en wat gaat de minister
eraan doen?
De tweede vraag betreft het
onvoldoende gebruik maken van de
mogelijkheden en financie¨le
deskundigheid van de zogenaamde
kaalplukteams, die trachten beslag te
leggen op uit crimineel gedrag
verkregen vermogen en bezittingen.
Kan in het kort worden aangegeven
welke resultaten deze teams boeken,
of en, zo ja, hoe het resultaat
verbeterd kan worden en of
Financie¨n van mening is, dat de
samenwerking met Justitie op dit
punt onvoldoende functioneert? Stel
dat dit het geval is, wat doet het
ministerie van Financie¨n er dan aan?
Deze vraag geldt natuurlijk ook de
minister van Justitie en is door de
staatssecretaris wat moeilijker te
beantwoorden.
Voorzitter! Vanwege de tijdsdruk
bij mijzelf en door de vergaderingen
van deze dagen ga ik door met in
telegramstijl nog enkele onderwer-
pen aan te snijden. Taal en stijl van
mijn verhaal zullen daar ongetwijfeld
onder lijden en aan enige relative-
rende grappen kom ik al helemaal
niet meer toe. Dat is jammer, maar
het is niet anders.
Ik wil graag weten hoever
Financie¨n en daarmee het kabinet is
met de discussie over het
kostwinnersbeginsel. Schaffen we
het af en, zo ja, wanneer dan? Ik wil
dezelfde vraag stellen over het
reiskostenforfait. Is de regering met
mij van mening, dat de afremming
van de mobiliteit gediend is met de
afschaffing van het reiskostenforfait
en, zo ja, wanneer gebeurt dat?
Een volgend punt betreft de
aftrekposten. Wordt nog overwogen
om op dit moment bestaande
aftrekposten ter discussie te stellen
en, zo ja, welke en waarom?
Ten slotte in deze trits het plan om
de aftrek van rente op consumptief
krediet te schrappen. Hoe ver staat
het met de uitwerking van dit idee?
Wat denkt de regering te doen aan
de vluchtweg van het omzetten van
een consumptief krediet in een
hogere eerste of tweede hypotheek?
Wat is nu precies de motivering om
aftrek van hypotheekrente catego-
risch onbespreekbaar te verklaren? Is
dat redelijk? Is dat logisch? Is dat
eerlijk, gezien de onevenwichtige
bevoordeling die de huidige
ongelimiteerde aftrek betekent voor
de hogere inkomens? Ik heb dat in
vorige jaren wel eens met een
concreet voorbeeld uit de eigen
praktijk aangetoond. Waarom is op
termijn een plafond in de
hypotheekrente-aftrek of een
limitering tot een aftrek tegen het
percentage van bijvoorbeeld de
tweede schijf toch onbespreekbaar?
Waarom moet dit in Nederland tot
zo’n onaantastbare heilige koe
verklaard worden? We zitten nu met
een nieuw kabinet en ik zou de visie
van het nieuwe kabinet daar graag
op krijgen.
Ik heb de afgelopen jaren al bij
verschillende gelegenheden bezwaar
aangetekend tegen het voeren van
politieke discussies op basis van
proefballonnen op punten die voor
kwetsbare groepen gevoelig liggen.
Dit dreigt, als de voortekenen niet
bedriegen, te gebeuren met de AOW.
Weliswaar is de situatie nog geheel
niet urgent – dat wordt het ongeveer
pas na 2010 – maar nu al worden er
onrijpe en wilde ideee¨n geopperd
over de betaalbaarheid van de AOW
en de systematiek die daarvoor
gekozen zou moeten worden. Ik zal
de voorbeelden niet geven; die zijn
wel bekend. Ik zou graag zien, dat er
met name bij de ouder wordende
bevolkingsgroep niet onnodig en
onterecht onrust wordt gezaaid. Ook
al hoort dit thema wellicht niet
helemaal direct onder de verant-
woordelijkheid van de minister van
Financie¨n, ik zou toch graag zien dat
de regering als geheel een duidelijk
initiatief ontwikkelt om op een
rustige en beheerste wijze een
strategie te ontwikkelen voor de
aanpak van deze problematiek en
voor het voeren van die discussie.
Omdat het alles te maken heeft met
de ontwikkeling van de collectieve-
lastendruk stel ik het nu aan de orde.
Mutatis mutandis geldt hetzelfde,
maar dan op een wat de urgentie
betreft meer korte termijn voor de
meningsvorming over veranderingen
rond de VUT en de flexibele
pensionering. Mensen die nu zo rond
de 55 zijn of daar iets boven – neem
mijzelf – hebben er recht op te weten
of hun perspectieven ingrijpend
zullen veranderen. Ik denk, dat wij
als politiek er verantwoordelijk voor
zijn dat de mensen, voordat zij
eventueel negatieve resultaten
ondervinden, dit een aantal jaren van
tevoren weten en dat je de rust
cree¨ert voor een lange periode. Als
je overweegt om ten aanzien van
VUT of flexibele pensionering een
ander beleid te voeren, moet je nu
de aanzet geven voor dat beleid, dat
over een jaar of zes, zeven pas
effectief wordt. Die termijn mag naar
mijn mening niet korter zijn. Ik heb
het gevoel, dat dit op dit moment
niet zo gebeurt.
Ik zou ook graag met de heer
Schinck of de heer Stevens meer
willen horen over de problematiek
die ontstaat met de scheefgroei in de
eerste schijf tussen belastingdruk en
premiedruk. De belastingdruk in de
eerste schijf wordt zo langzamerhand
wel heel klein. Dat is alleen maar op
te lossen door ervoor te zorgen, dat
de premiedruk afneemt. Maar hoe
dan?
Dezelfde vraag heb ik over de
BTW-aftrek sociale woningbouw. Dat
zou je trouwens kunnen uitbreiden
naar de BTW-aftrek door talloze
lagere overheden op de investerin-
gen in overheidsgebouwen. In de
dagelijkse praktijk uit het Zutphense
kan ik daar twee glanzende
voorbeelden van noemen. Ik ben
daar vanuit de Zutphense situatie
ook niet op tegen, maar als je hebt
over BTW-constructies sociale
woningbouw moet dat naar mijn
mening uitgebreid worden tot al die
BTW-constructies, ook die de
overheid zelf toepast.
Internationaal worden de
discussies sterker om te gaan werken
aan de opheffing van het bankge-
heim. De redengeving lijkt mij
daarvoor duidelijk maar waar ik
benieuwd naar ben, is welke positie
de Nederlandse regering in die
discussie inneemt en hoe groot zij de
kans acht, dat het beoogde resultaat
ook wordt bereikt. Kan Nederland
daar een bijdrage aan leveren en hoe
zijn de perspectieven?
Net als de heer Stevens houd ik de
staatssecretaris aan de toezegging
om fiscale wetsvoorstellen niet
uitsluitend te concentreren op 21 en
22 december. Ik voel mij niet zo
gauw slachtoffer maar deze dagen
heb ik wel het gevoel, dat ik toch iets
te veel op mijn bordje had. Ik sta hier
ongeveer continu op de katheder en
niet uitsluitend tot mijn vreugde,
mag ik wel zeggen. Dus als de
bewindslieden van Financie¨n er aan
zouden kunnen meewerken dat ook
mijn activiteiten wat over het jaar
gespreid zouden kunnen worden, zou
ik ze uiterst dankbaar zijn!
Voorzitter! Over de wetsvoorstel-
len heb ik eigenlijk niet zoveel te
melden en als ik dat wel heb, ontdek
ik nog wel een zinnetje voor de
tweede termijn. Anders heb ik niets
meer en dat zou ook jammer zijn
voor de voorzitter. Wij kunnen alle
wetsvoorstellen ondersteunen
behalve het wetsvoorstel 23940, de
wijziging van de vermogensbelas-
ting. De positie van vermogenden is
in het licht van de steeds grotere
achterstand van de arme kant van
Nederland ten opzichte van het totaal
van onze welvaartssamenleving voor
GroenLinks nu niet de eerste zorg en
zij zal dus een wetsvoorstel, waarvan
het resultaat de vermogenden in
Nederland ten goede komt, dan ook
niet steunen.
Ten slotte wil ik de minister iets
vragen over het thema basisinko-
men. Het spreekt vanzelf, dat ik
vanuit mijn PPR-historie de oren
spits als ik vertegenwoordigers van
de regering plotseling een pleidooi
hoor houden voor het serieus
nadenken over de invoering van een
vorm van basisinkomen. Minister
Zalm spreekt daar al enkele jaren
over. Zowel minister Wijers als
minister Zalm hebben de vorige
week gezegd, dat zij een basisinko-
men in de vorm van een negatieve
inkomstenbelasting een belangwek-
kende mogelijkheid vinden om de
discussie over het toekomstige
sociale-zekerheidsstelsel op een
nieuw spoor te zetten. Merkwaardig
genoeg was minister Melkert, die
ook in de PPR-school zijn opvoeding
en politieke bewustwording heeft
genoten – wij hebben zelfs nog
samen in het partijbestuur gezeten –
de eerste die afstand nam van zijn
collega’s. Dat is ook al weer een
Werdegang in mijn ogen. Kan
minister Zalm vandaag kort
aangeven, wat hij als voor- en
mogelijke nadelen ziet van de
invoering van een negatieve
inkomstenbelasting? Wat ziet hij als
invoeringsstrategie? Hoe hoog wordt
dat bedrag? Hoe hoog kan het
uiteindelijk worden? Moeten wij
daarnaast nog denken aan een
systeem van aanvullende bijstand, of
kunnen wij het hele apparaat van de
sociale diensten op termijn afschaf-
fen? Aangezien dat ook onder mijn
vleugels valt, ben ik natuurlijk wel
heel benieuwd hoe dat met de
werkgelegenheid van al die
medewerkers de komende jaren zal
gaan. Ik denk echter dat het nog wel
even zal duren. Ik ben toch benieuwd
naar de visie van de minister over dit
thema.
Zoals gezegd, voorzitter, aan een
wervend slot ben ik niet toegeko-
men, dus houd ik op.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-393">

 
<spreker pagina="11-393" anker="476" partij="D66" naam="Schuyer">
 Voorzitter!
Bij de hier voorliggende belasting-
voorstellen zijn er een tweetal die
zijn ingediend door het kamerlid
Vermeend, die nu als staatssecretaris
zijn eigen geesteskinderen heeft
verder te geleiden. Hij heeft aan de
overzijde van het Binnenhof al laten
blijken wel eens een prettiger taak te
hebben gehad en dat valt te
begrijpen.
Mijn fractie heeft er geen behoefte
aan nog eens wat zout in de wonde
te wrijven. Dat heeft de staatssecre-
taris allerminst verdiend. Belangrijker
is wel, de oorzaken na te gaan en te
bezien of een herhaling valt te
voorkomen. Dat is van gewicht
omdat het voor de uitstraling van de
overheid niet goed is wanneer een
wet al binnen een jaar moet worden
gewijzigd en een andere wet door
beide Kamers is aanvaard maar niet
in uitvoering wordt genomen.
Dat laatste is gebeurd met de
Wijziging ondernemingsvrijstelling
(23940). Bij dat wetsvoorstel is nog
iets curieus aan de hand. In mijn
dagelijks leven heb ik als directeur
van een psychiatrisch ziekenhuis
nogal eens contact met mensen die
stemmen horen die aan andere
mensen verborgen blijven. In de
politiek is mij dat nog niet overko-
men. Maar bij de behandeling van
dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer
heeft dat verschijnsel dan toch
plaatsgehad. De heer Hillen van het
CDA – natuurlijk een van de weinige
partijen waarin het mogelijk is dat
mensen verborgen stemmen horen –
interrumpeerde bij mijn fractiegenoot
mevrouw Giskes met de mededeling,
dat het voorliggende wetsvoorstel
inzake ondernemingsvrijstelling
zowel in de Eerste als in de Tweede
Kamer met het nodige enthousiasme
werd gesteund. Dat is curieus want
niemand in mijn fractie hier heeft tot
nu toe een woord gezegd over die
problematiek. In de Tweede Kamer
heeft mijn partijgenoot Ybema nooit
enig enthousiasme voor het voorstel
kunnen opbrengen. De Tweede
Kamer is wat D66 betreft knarsetan-
dend akkoord gegaan en wij geheel
stilzwijgend omdat het standpunt
van D66 door de bijdrage van Ybema
– de staatssecretaris zal dat erkennen
– genoegzaam bekend kon zijn. Een
nieuw kamerlid als mevrouw Giskes
die het dossier heeft overgenomen,
kon daarvan natuurlijk niet precies
op de hoogte zijn. Ik heb dat soort
oppositie voeren nogal kinderachtig
gevonden.
De fractie van D66 is voor een
geleidelijke afschaffing van de
vermogensbelasting. Daarvoor zijn
een aantal argumenten. Het is ook
een misverstand om bij dit onder-
werp steeds over de schatrijken te
praten als degenen die worden
aangeslagen. Uit het antwoord op
een vraag van de fractie van de
PvdA, hoe de vermogensbelasting
verdeeld is over de bevolking, blijkt
dat een derde deel van de heffingen
terechtkomt bij de bejaarden. Je
hoeft geen helderziende te zijn om te weten, wat voor vermogen dat is: het
huis, vrij van hypotheek. De hele
redenering achter het huurwaarde-
forfait is gebaseerd op het feit dat dit
vermogen als het niet in een huis
gestoken was, inkomen zou
genereren. Er is dus al een vorm van
belasting op. Kortom, mijn fractie
ziet niet dat vermogensbelasting op
termijn in Europees verband
houdbaar is. Nu al is er het probleem
van vermogensvlucht. De aanslagen
voor vermogensbelasting komen ook
niet volledig terecht bij mensen die
het makkelijk kunnen missen, want
van die bejaarden zit een derde deel
onder de inkomensgrens van
ƒ 50.000.
Als je op termijn voor afschaffing
van de vermogensbelasting bent,
kom je bij dit wetsvoorstel te staan
voor de vraag, of dit nu de weg is. Het antwoord is: eigenlijk niet, maar
er is voorlopig niets beters en
vandaar dat wij inderdaad aarzelend
akkoord zijn gegaan. De risico’s die
de Raad van State heeft gesigna-
leerd, zijn indertijd ook genoemd
maar vonden toen geen gehoor. Nu
wel, en het is beter ten halve
gekeerd dan ten hele gedwaald. Op
grond daarvan steunen wij nu deze
novelle. Wij hopen echter dat de
staatssecretaris, indien hij verder
gaat met een geleidelijk afschaffing
van de vermogensbelasting, niet een
traject kiest waarbij bepaalde delen
we`l en bepaalde delen niet van de
afschaffing profiteren.
Voorzitter! Bij dit wetsvoorstel en
het andere wetsvoorstel Vermeend,
namelijk dat over de werknemers-
spaarregelingen, valt wel op dat de
gedachte dekking niet blijkt te
kloppen. De staatssecretaris stelt in
zijn antwoord bij wetsvoorstel 23943
inzake de spaarregelingen, dat op
voorhand moeilijk valt uit te maken,
wat het succes van een regeling is
en dat ramingen daarom riskant zijn.
Ik erken dat wel, maar bij de
spaarregelingen kon iedereen zien
dat de dekking via een geschenken-
regeling, die soms wel en soms niet
wordt aangetroffen, volstrekt iets
anders is dan een regeling die
gepresenteerd werd als een
instrument voor loonmatiging en dus
ook binnen de kortste keren in CAO’s
opduikt. Ik heb bij de behandeling in
deze Kamer daarop gewezen en van
het kamerlid Vermeend ook de
erkenning gekregen dat de dekking
riskant was, doch dat hij moest
rekenen met de modellen die hem
daarbij werden aangereikt, onder
meer van het Centraal Planbureau.
Dat betekent dus, dat, ook al ziet
vrijwel iedereen dat zoiets niet kan
kloppen, men toch met reken-
modellen werkt en daar heb ik
moeite mee. 

</spreker>
<spreker pagina="11-393" anker="477" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Ik ook! 

</spreker>
<spreker pagina="11-393" anker="478" partij="D66" naam="Schuyer">
 Die moeite
wordt nog groter als dan ook nog
binnen een jaar de situatie aan de
werkelijkheid wordt aangepast.
Hoewel ik wel erken dat het moeilijk
is aan te geven wat de
werkgelegenheidseffecten van de
regeling zijn, is het zeker dat die
effecten er zijn. Hier speelt het credo
van het kabinet ’’werk, werk en nog
eens werk’’ dus wel degelijk mee!
Het ontgaat mijn fractie waarom dat
aspect niet of onvoldoende in de
beslissing is meegenomen. De
beslissing immers – zoveel is wel
duidelijk – is uitsluitend ingegeven
vanuit budgettaire overwegingen en
vanuit de afspraak van budgettaire
neutraliteit. Maar ook met dat
uitgangspunt wordt gezwalkt. Want
op een vraag van de fractie van de
VVD of verdergaand succes ook weer
zal worden aangepakt, deelt de
regering mee dat men endogeen
wenst te beschouwen. Daarin steekt
al met al dan toch weinig logica.
Hoewel mijn fractie ook vandaag nog
nadrukkelijk ervoor gepleit heeft
meevallers in de belastingsfeer niet
uitsluitend en bij voorrang te
gebruiken voor het vervullen van
allerlei wensen, is het geheel van
meevallers toch een uitkomst van
mee- en tegenvallers. Het lijkt niet
goed, zeker bij een materie als deze,
de tegenvallers via reparatie te lijf te
gaan en de meevallers vervolgens
zonder meer te incasseren. De
regering kan als excuus aanvoeren
dat ten tijde van het regeerakkoord
de tegenvaller we`l en de meevaller
niet bekend was en dat, redenerend
vanuit behoedzame scenario’s, de
tegenvaller dus gedekt moest
worden. Ook wij hebben ons aan die
zienswijze geconformeerd. Dat is dan
ook de reden dat wij, zij het met
tegenzin, akkoord zullen gaan. Wij
zouden wel van de regering willen
weten, of zij bereid is de wijziging op
termijn weer ongedaan te maken en
of zij bij de verdeling van eventuele
meevallers hier in dit geval enige
voorrang wil geven; te meer omdat
de werkgelegenheidseffecten en de
loonmatiging weliswaar niet exact
zijn te geven maar zonder meer als
positief kunnen worden gezien.
Het gaat dus – dit ter verduidelij-
king – om de vraag, of de toezeggin-
gen aan de Tweede Kamer die in de
memorie van antwoord aan ons op
blz. 2 zijn opgesomd, prioriteit
krijgen bij de afweging in het
kabinet. Een positief antwoord
daarop zou ons tevreden stellen.
Voorzitter! Ik kom aan het derde
wetsvoorstel dat in de reeks dient te
worden besproken en wel nr. 23941,
de ouderenaftrek. Ik kan daarover
kort zijn. Wij gaan akkoord met het
voorstel en zijn tevreden over de
toezegging van de staatssecretaris
aan de overzijde van het Binnenhof
dat in de toekomst ook de inkomens-
positie van andere zwakke groepen
in de samenleving bij de beschou-
wingen zal worden betrokken. Ik wil
er nog twee opmerkingen over
maken.
De eerste opmerking is dat het mij
zinvol lijkt dat in de beschouwingen
ook betrokken wordt de cumulatie
van allerlei maatregelen voor
bepaalde groepen. Bij de ouderen
valt ook te denken aan de al eerder
genoemde wet-Van Otterloo. Het kan
natuurlijk niet zo zijn dat maatrege-
len ter verbetering van de inkomens-
positie van zwakke groepen eenzijdig
tussen die groepen gaan uitwerken.
Mijn fractie zou dan ook graag een
overzicht ontvangen van het geheel
aan maatregelen voor bepaalde
groepen, als in de toekomst over
deze aangelegenheid verdere
wetgeving komt. Kan de regering dat
toezeggen?
De tweede opmerking is van een
wat andere aard. Mijn fractie heeft
met groot genoegen gezien dat de
staatssecretaris heeft gekozen voor
een eenvoudige regeling die goed
controleerbaar en volstrekt niet
fraudegevoelig is. Hij heeft ook
weerstand geboden aan opmerkin-
gen aan de overzijde van diegenen
die ter wille van nog meer zuiverheid
de maatregel graag verfijnd hadden
gezien. Ook vragen van de PvdA-
collega’s – de heer Schinck heeft het
in zijn mondelinge bijdrage nog
gedaan – in dit huis suggereren
verfijning door de vermogenspositie
van ouderen bij de regeling te
betrekken. De koers dat regelingen
eenvoudig, niet fraudegevoelig en
goed controleerbaar dienen te zijn,
spreekt ons aan. Wij willen de
staatssecretaris oproepen ook in
andere situaties die koers aan te
houden, desnoods met inlevering
van de opperste theoretische
rechtvaardigheid. Met dat beeld voor
ogen zou de wetgeving onder deze
staatssecretaris van het grijs
kenteken – wij komen er nog over te
spreken – er bijvoorbeeld ook heel
anders hebben uitgezien. Er is een
reeks van voorbeelden te geven.
Voorzitter! Het laatste wetsvoorstel
in de reeks is dat op stuk nr. 23962
inzake de onbeperkte voorwaartse
verrekening van ondernemers-
verliezen. Dit wetsvoorstel versterkt
de positie van Nederland als
vestigingsland. Dat is natuurlijk een
goede zaak, ook al weer met het oog
op de werkgelegenheid. Hoewel wij
in de EEG op dit punt nu voorop
lopen, niet eens zozeer door de
onbeperkte verrekening als wel door
het behoud van de achterwaartse
berekening, naar ik uit de antwoor-
den heb begrepen, valt natuurlijk te
verwachten dat dit niet zo heel lang
meer zal duren. Andere landen
hebben ook belang bij een aantrekke-
lijk vestigingsklimaat. Wat opvalt op
een dag als deze, waarop een reeks
van voorstellen op tafel ligt, is dat de
ene wet soms de effecten van de
andere weer te niet dreigt te doen.
Een enkele keer kan dat een politiek
bewuste keuze zijn. Zo is bijvoor-
beeld de wet milieubelasting die wij
vanmiddag hebben behandeld door
D66 nadrukkelijk gewild. Bovendien
heeft de regering nadrukkelijk
rekening gehouden met negatieve en
niet gewilde effecten. Toch bekruipt
mij wel eens het gevoel dat de
beheersing van dit alles nauwelijks
nog aanwezig is. Hoe kijkt de
regering naar het vraagstuk van de
beheersing? Zou meer samenhang in
de wetgeving bijvoorbeeld niet een
heel positief effect op de perceptie-
kosten kunnen hebben?
Voorzitter! Zoals ik aan het begin
al heb gezegd, stemt mijn fractie in
met deze wetsvoorstellen. Wel zou zij
op een enkel punt een verdere
verfijning toejuichen.
Ik kom bij het wetsvoorstel inzake
de Brede herwaardering op stuk nr.
23046. De staatssecretaris heeft in de
afgelopen maanden terecht veel lof
gekregen voor de wijze waarop hij
de wetgeving inzake de Brede
herwaardering in een stroomversnel-
ling heeft gebracht. Mijn fractie sluit
zich daar van harte bij aan. De
behandeling aan de overzijde was
gedegen en tenslotte bijna uitgelaten
van waardering. Die waardering
bestaat ook in de maatschappij. De
Eerste Kamer kan dat goed meten
naar het aantal brieven na afronding aan de overzijde: bij de Brede
herwaardering I ruim een honderdtal,
nu alleen de zoals steeds gedegen
inbreng van de Nederlandse Orde
van belastingadviseurs. Het is dan
ook met bewondering en soms met
verwondering dat ik de meer dan 60
vragen van de CDA-fractie heb
gelezen. Dat verzin je niet in je
eentje, zal ik maar zeggen. Echter,
uw beantwoording heeft mij de
zekerheid gegeven dat wij vandaag
met overtuiging voor de wet kunnen
stemmen.
Eigenlijk heb ik slechts aarzeling op een punt: de kwestie waarbij een
pensioenaanspraak voorwerp van
zekerheid wordt. Het gaat mij daarbij
niet om de pensioenaanspraken van
voor 1 januari 1995, want de
beantwoording daarover is duidelijk.
Dat is ze ook wel inzake de pensioen-
aanspraken die voorwerp van
zekerheid worden na die datum,
maar de vraag is of daaruit geen
ongelukken kunnen voortkomen die
door niemand gewild worden. Het
artikel van Van Merrie¨nboer en
Schenk spreekt daarover duidelijke
taal. De auteurs doen ook de
suggestie om ’’achterstelling van
pensioenen fiscaal toe te staan,
indien door achterstelling van
pensioen financie¨le middelen kunnen
worden aangetrokken in het belang
van de onderneming.’’ Mijn vraag
aan de staatssecretaris is of hij hier
toch niet nog eens nader op wil
ingaan. Ik begrijp heel goed dat
verruiming op dit punt de deur
openzet voor allerlei oneigenlijk
gebruik, maar aan de andere kant
kan het voorkomen dat een
onderneming zonder die achterstel-
ling geen financiering van de bank
kan verwerven of tegen zeer
ongunstige voorwaarden. In dat
geval kan dat het einde van een
onderneming betekenen. Dat kan
toch van niemand de bedoeling zijn. Te mijner informatie op dit punt: is
het simpele feit van de achterstelling
al aanleiding tot navordering van
belasting of alleen dan wanneer de
achterstelling ook feitelijk resulteert
in betaling aan financiers in plaats
van aan de pensioengerechtigde op
de pensioengerechtigde leeftijd?
Indien het eerste het geval is – dat
maak ik op uit de beantwoording in
de memorie van antwoord op blz. 5 –
is de tweede optie dan niet een
uitweg zonder dat dit kan leiden tot
misbruik?
Voorzitter! Wat de opmerkingen
betreft die te maken zijn over de
relatie van de Brede herwaardering II
met de Pensioen- en spaarfondsen-
wet sluit ik mij aan bij de opmerkin-
gen die gemaakt zijn door de heer
Stevens.
Ik kom op het belastingplan en
een enkele opmerking over
hoofdstuk IXA en IXB. Het belasting-
plan heeft onze steun; dat zal
niemand verwonderen. Het is een
uitvloeisel van het regeerakkoord.
Daar zijn deze voorstellen in relatie
gebracht met het credo ’’werk, werk
en nog eens werk’’. Omdat het
hierbij om een structurele maatregel
gaat, kan verwacht worden dat het
belastingplan inderdaad iets
bijdraagt aan die centrale doelstel-
ling, maar de effecten ervan moeten
ook weer niet worden overschat. Er
zijn op grond van de voorstellen een
tweetal constateringen te doen.
Ten eerste wordt een deel van de
verwachte effecten weer te niet
gedaan door de wet-Van Otterloo.
Immers, van de 1,15% verlaging van
de belasting van de eerste schijf
wordt door stijging van het
premiedeel direct weer 0,2% te niet
gedaan. De fiscale lastenverlichting
van 2 mld. wordt, indien wij de
verzwaring van het premiedeel
meerekenen, weer voor een kleine
350 mln. te niet gedaan. De wet-Van
Otterloo krijgt daarmee een effect dat
ook ingrijpt in de werkgelegenheids-
doelstelling van het kabinet. Dat is
onwenselijk. Ik zie ook niet een-twee-
drie hoe je hier iets aan kunt doen.
Wij hebben evenwel een heel
inventieve staatssecretaris. Wellicht
ziet hij mogelijkheden tot reparatie.
Ten tweede valt op dat het
belastingdeel in de eerste schijf nog
maar 6,15% is en dat er in de fiscale
sfeer dus geen incentives meer
kunnen worden gegeven in die
eerste schijf. Alles zal moeten komen
van het streven, de premiedruk in de
eerste schijf te verlagen. Behalve dat
de verhouding belasting-premie in
de eerste schijf is scheefgegroeid, is
de sprong tussen het belastingdeel
van de eerste schijf en dat van de
tweede natuurlijk ook bedenkelijk
geworden. Op de eerste scheefgroei
is aan de overzijde uitvoerig
gewezen, maar op de tweede niet of
veel minder. Kan de minister of de
staatssecretaris eens ingaan op deze
materie? Het begrip ’’schijf-
verlenging’’ wordt wel eens als
oplossing gezien, maar behalve ten
behoeve van de inflatiecorrectie zie
ik eigenlijk niet goed in dat het een
oplossing is. Gezien de overladen
agenda die wij deze dagen hebben af
te werken, is het nu niet het moment
uitvoerig met elkaar van gedachten
te wisselen op dat punt. Ik zou het
echter op prijs stellen als de regering
toch kort aangeeft hoe zij de
volgende jaren met de problemen
wenst om te gaan. Zou het bijvoor-
beeld niet te overwegen zijn, als de
60%-schijf wordt afgeschaft, toch een
drieschijvenstelsel te houden door
introductie van een schijf tussen de
eerste en de tweede? Valt te
verwachten dat een consequent
beleid waarbij de indirecte belasting
bijvoorbeeld ten behoeve van milieu
wordt verzwaard ten gunste van
verlichting van belasting op arbeid
hier effect op heeft?
Over de samenloopregeling en de
grondslagverbreding die eraan
gekoppeld is, komen wij te zijner tijd
wel te spreken als concrete
voorstellen ter tafel liggen. Wij
hebben er geen behoefte aan, nu
allerlei schoten voor de boeg te gaan
geven. Het standpunt van de
D66-fractie over de vermogensbelas- ting is bekend: geleidelijk afschaffen.
Wat betreft het belastingplan, wil
ik nog een enkele opmerking maken
met betrekking tot de aftrekbaarheid
van consumptieve rente. Dit komt
later nog aan de orde, maar een
opmerking over onze positie daarin
kan geen kwaad. Het omzetten van
consumptief krediet in een hypo-
theek c.q. hypotheekverhoging
schijnt na de aankondiging dat de
consumptieve rente zou worden
aangepakt, scherp en sterk toe te
nemen. Ook vroeger kwam het voor
dat een hypotheekverhoging werd
gebruikt voor persoonlijke bestedin-
gen; er wordt zelfs wel reclame voor
gemaakt. Een dergelijke ontwikkeling
is natuurlijk ongewenst. Het is
immers van niemand de bedoeling
dat op deze wijze reizen of geluidsin-
stallaties fiscaal worden bevoor-
deeld. Bovendien is een dergelijke
mogelijkheid alleen weggelegd voor
degenen die een huis bezitten
waarop hypotheek te verkrijgen is.
Het werkt dus aan meer dan een kant
asociaal uit. Is het nu niet beter om
een regeling te ontwerpen waarbij
voor iedereen bij een bepaald
krediet, ongeacht of dat nu een
hypotheek is of een consumptief
krediet, een aftrekmogelijkheid
bestaat? Mijn fractie heeft reeds bij
herhaling bepleit, dat dit onbeperkt
kan zijn als de totale afschaffing
conform de commissie-Stevens in de
eerste schijf zou zitten, dus met een
tax-credit van 38,5 maar dan
onbeperkt.
Met het belastingplan behandelen
wij ook hoofdstuk IX A en B. In dat
kader wil ik nog een enkele
opmerking maken. Zo aan het eind
van het jaar wordt er namelijk heel
wat over ons uitgestrooid. De
EU-ministers manen de minister om
de staatsschuld sneller te verminde-
ren. Bijna tegelijkertijd worden ons
belangrijke meevallers gemeld,
varie¨rend tussen 1,7 en 3 mld.
Vanavond staat in de krant dat de
groei volgens de OESO 3,2% in 1995
zal zijn. Alleen de bandbreedte van
de mogelijke meevallers noopt
natuurlijk al tot uiterste voorzichtig-
heid. Daar komt dan nog bij dat
volstrekt onduidelijk is of deze
meevallers structureel zijn en, zo ja,
voor welk deel zij dat dan zijn. Wij
vinden de reactie van minister Zalm,
die de vreugde om de meevallers
behoorlijk heeft getemperd en stelt
dat eerst nog moet worden bezien
hoe het verloop werkelijk is en welk
deel ervan structureel is, dan ook
uiterst verstandig. Wij steunen dat
onvoorwaardelijk en wensen nu geen
discussie over bestedingen, al
helemaal niet indien deze zouden
gaan dienen om de in het regeerak-
koord afgesproken bezuinigingen
niet te halen. Mocht over enkele
maanden blijken dat er structurele
meevallers zijn, dan verwachten wij
van de regering afgewogen
voorstellen om enerzijds de
staatsschuld te verminderen en
anderzijds de werkgelegenheid te
stimuleren en ten slotte voorstellen
om enige bezuinigingen uit het
regeerakkoord wellicht ietwat te
temporiseren. Daarbij is dan te
denken aan Onderwijs en Defensie.
Bij de kennismaking tussen de
vaste commissie voor Financie¨n en
de bewindslieden is toegezegd dat
veel moeite zal worden gedaan om
de opeenhoping van financie¨le
wetgeving aan het eind van het jaar
te voorkomen. Wij willen de
bewindslieden daar graag aan
houden, want het is niet te verwach-
ten dat de belastingvoorstellen
telkenjare in een relatief ontspannen
sfeer zullen kunnen worden
behandeld. Dit jaar is de start van
een nieuw kabinet. In NRC Handels-
blad werd in een hoofdartikel
gewezen op het gegeven dat er in
enkele maanden op financieel-
economisch terrein heel veel is
gebeurd; het werd geschreven als
een compliment. Daarbij sluiten wij
ons gaarne aan. De start van de
bewindslieden op Financie¨n belooft
heel wat. Wij zullen dat belangstel-
lend, meelevend en kritisch blijven
volgen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-396">

 
<spreker pagina="11-396" anker="479" partij="SGP" naam="Barendregt">

Voorzitter! Vier weken geleden
hebben de algemene beschouwingen
in deze Kamer plaatsgevonden.
Daarbij zijn de hoofdlijnen van het
beleid aan de orde geweest en de
doelstellingen die het kabinet zich
voor deze periode heeft gesteld,
besproken en becommentarieerd.
Vanzelfsprekend zijn daarbij ook de
financie¨le vertaling en de budgettaire
gevolgen daarvan onderdeel van
bespreking geweest. Zowel in de
Tweede Kamer als in deze Kamer
was in het algemeen brede
instemming te beluisteren voor de
hoofdlijnen van het financie¨le beleid,
die deze bewindslieden willen
volgen. Wij hebben de indruk dat
deze bewindslieden kunnen bogen
op een verhouding met het
parlement waarop veel van hun
collegae jaloers zullen zijn. Een
dergelijke positie doet goed, maar
schept ook de nodige verplichtingen
bij het nakomen van het voorgeno-
men beleid. Daar heeft het immers
nu juist in het verleden zo dikwijls
aan ontbroken.
De hoofddoelstelling van het
financie¨le beleid wordt beheerst door
het saneren van de financie¨le positie
van ons land. Saneren betekent
gezond maken via toediening van
geneesmiddelen of het uitvoeren van
noodzakelijke operaties. Beide zijn
nodig, want wij hebben te maken
met een chronische kwaal die
inmiddels al 20 jaar voortwoekert.
Bestrijding vond onvoldoende plaats,
omdat de ernst van gevolgen niet
werd onderkend. In onze bijdrage
aan de algemene beschouwingen
zijn wij daar reeds op ingegaan. Wij
waarderen daarom de inzet van deze
bewindslieden en steunen hen
gaarne bij het bereiken van hun
doelstelling.
Onze belangstelling gaat uit naar
de voorwaarde die de minister heeft
gesteld alvorens hij tot dit kabinet
toetrad. Heeft hij zijn toetreden mede
afhankelijk gesteld van de beleids-
ruimte die hem zou worden geboden
voor de sanering van de overheids-
financie¨n, zoals hij dat gewenst en
noodzakelijk achtte? Zo ja, dan
hopen wij dat hij zijn rug recht zal
houden tegenover zijn collegae. Het
verleden heeft bewezen dat daarvoor
volharding en standvastigheid nodig
zijn. Wij willen daarbij gaarne onze
steun toezeggen, hoewel wij
beseffen hoe beperkt de omvang en
het gewicht daarvan is, alhoewel zich
de tendens voordoet dat de kleintjes
enige meerwaarde beginnen te
krijgen.
De belangstelling die wij aan de
dag legden voor de toetreding van
de minister tot dit kabinet, werd
mede ingegeven door de plotselinge
invoering van een trendmatig
begrotingsbeleid en door het herzien
van de norm van de uitgaven. Dat
laatste is inmiddels al de Zalm-norm
genoemd, waarbij de uitgaven
voortaan in guldens worden
uitgedrukt zonder gerelateerd te zijn
aan het nationaal inkomen en de
economische groei. Met een variant op het verleden dacht ik aan: geen
procenten, maar centen. Voor alle
duidelijkheid zouden wij het op prijs
stellen als de minister in zijn
antwoord uiteenzet welke voordelen
aan deze gewijzigde norm zijn
verbonden, welke positieve
resultaten hij daarvan voor deze
periode verwacht en of die gunstige
verwachtingen gelden voor alle vier
pijlers waarop het trendmatig
begrotingsbeleid rust.
Het is enigszins opmerkelijk dat de
waardering voor het financieel beleid
binnen en buiten het parlement
nogal uiteenloopt. Een van de
voorbeelden daarvan is de president
van De Nederlandsche Bank, die
recent heeft betoogd dat hij het
financie¨le beleid niet ambitieus
genoeg vindt. Hij stelde zich daarbij
op een lijn met de financie¨le raad
van de Europese Unie, die zich kort
daarvoor ook in deze geest uitsprak.
Het is opvallend dat die raad zich
tijdens deze bijeenkomst uitsprak
over het Nederlandse convergentie-
programma voor de jaren 1995-1998.
Daarbij is het Nederlandse stand-
punt, dat de waarde van de
kapitaaldekking voor de ambtenaren-
pensioenen in relatie moet worden
gebracht met het vaststellen van de
schuldquote inzake het 60%-
criterium, door de Europese
Commissie afgewezen. De heer
Duisenberg ondersteunt die
opvatting en berekent daarbij dat een
eventuele relatie tussen schuldquote
en ABP-vermogen slechts een daling
van hooguit 5% zou bewerkstelligen,
omdat niet meer dan eenderde van
het ABP-vermogen daarbij mag
worden betrokken. Hoe wordt deze
opvatting door de minister beoor-
deeld? Welke consequenties moeten
aan het standpunt van de Ecofin
worden verbonden? Is er niet alle
reden om alsnog te besluiten alle
meevallende inkomsten te bestem-
men voor vermindering van de
staatsschuld? Ook ons ligt het zwaar
op de maag dat, ondanks alle
ambities en exercities, de schuld-
quote van de totale overheid nog
oploopt van 79 tot 81% in 1995. Wie
van ons kan zich nog herinneren dat
ons land een sluitende rijksbegroting
had? Hoe lang zal het nog duren
voordat wij daaraan toe zijn? Heeft
de minister een streven in die
richting?
Gelukkig is er van de andere
overheden wel altijd een sluitende
begroting verlangd. Ik voeg er snel aan toe: houwen zo! Dat zal wel
gepaard gaan met een forse stijging
van de lokale heffingen, retributies
en belastingen als gevolg van de
rijkskortingen en de voorgestane
herverdeling van de bijdragen uit het
Gemeentefonds. Wat is overigens de
reden dat het kabinet de gemeenten
wil verbieden, nieuwe heffingen en
belastingen in te voeren? Is dat de
vrees voor een verdere verhoging
van de collectieve-lastendruk als
gevolg van de snel stijgende tarieven
op lokaal niveau? Welke plafonds
zullen verhoogd worden om aan een
dergelijke vraag tegemoet te komen?
In onze bijdrage aan de algemene
beschouwingen hebben wij ook
aandacht gevraagd voor de stijgende
contributie voor de Europese
Gemeenschap. Kort daarna is de
politieke belangstelling hiervoor
ontzettend toegenomen. Uit het
antwoord van de minister van
Financie¨n bleek dat de door ons
genoemde bedragen juist waren en
dat hij met ons van mening was dat
de toezeggingen inzake de structuur-
fondsen voor verbetering vatbaar
waren. Welke motieven denkt de
minister van Financie¨n hiervoor aan
te voeren? Het standpunt dat wij te
veel betalen en te weinig krijgen, is
weinig overtuigend. Kan de minister
ons nader inlichten over de oorzaak
van de stijgende bijdragen, waardoor
ons land de twijfelachtig eer toekomt
tot de relatief grootste financier van
de EU te zijn verheven? Is dat een
gevolg van de verbreding van de EU,
waardoor de norm meer leden, meer
lasten gaat gelden? Is dit een gevolg
van de toename van het BNP,
waarover een bepaald percentage
moet worden afgedragen? Is er op
Europees niveau een besluit
genomen om dit percentage nog
verder te verhogen? Overigens
betuigen wij onze instemming met
de afwijzing door de Ecofin voor het
toelaten van een leenfaciliteit binnen
de EU. Dat zou ruimte geven om de
uitgaven nog verder te verhogen,
waardoor de schuld zou toenemen.
Tijdens de Europese Top in Essen
zijn afspraken gemaakt over een
Europees bestrijdingsplan van de
werkloosheid, dat voor 15 van de 18
miljoen werklozen in Europa een
baan zou moeten opleveren.
Hiervoor moet 7 mld. vrijgemaakt
worden als extra hulp aan landen die
grote investeringen moeten doen. Is
het daarbij de bedoeling dat op
Europees niveau de werkloosheids-
bestrijding tot een gemeenschappe-
lijke taak wordt verklaard? Heeft de
minister van Financie¨n voldoende
zicht op deze ontwikkeling en de
financie¨le consequenties die daaraan
zijn verbonden? Wij stellen deze
vragen om te voorkomen dat er,
terwijl deze minister nationaal druk
bezig een financie¨le sanering door te
voeren, in Europees verband –
misschien wel achter zijn rug om –
beleid wordt voorbereid dat al die
nationale saneringsinspanningen
teniet zal doen. Wij zijn erg
benieuwd naar de Europese
ontwikkelingen op dit terrein.
Ook dit kabinet heeft zich
voorgenomen om een fiscale
herziening op zijn naam te krijgen.
Oort en Stevens krijgen een vervolg,
mede onder druk van de internatio-
nale fiscale concurrentie. Staatsse-
cretaris Vermeend constateerde in De
Werkgever van 3 november
jongstleden dat, ondanks de
Europese integratie, de fiscale
concurrentie tussen de landen is
toegenomen. Dit is recent weer
actueel geworden, aangezien
Duitsland in 1996 een forse
belastingverlaging van 27,5 miljard
D-mark in de inkomenssfeer zal
aanbrengen en voor 1998 verdere
belastingverlichting heeft aangekon-
digd. Moeten wij hieruit opmaken
dat er van de harmonisatie van de
belastingen in Europees verband niet
te veel mag worden verwacht omdat
ieder land toch zijn eigen fiscaal
beleid voert? Geldt dat ook voor de
BTW-harmonisatie en voor de
Ecotax, gezien het verdere uitstel
waartoe besloten is? Wij vragen ook
nog aandacht voor de bronbelasting
die in Europees verband kennelijk
wordt getracht, in te voeren. Is er
kennis genomen van het rapport
waarin wordt aangetoond dat deze
bronbelasting tot een enorme
kapitaalvlucht vanuit Europa leidt.
Het gaat om honderden miljarden.
Berusten deze berichten op
waarheid?
Wij steunen de pogingen om het
familiebedrijf een bredere acceptatie
te geven. Moet dit worden vergele-
ken met een gezinsbedrijf, zoals de
kruideniers die met vrouw en
kinderen de winkel doet of de
agrarie¨r die met zijn gehele gezin de
pieken in de bedrijfsvoering
opvangt? Worden er van de 5000
grootste bedrijven inmiddels al 2500
tot de categorie ’’familiebedrijf’’
gerekend? Hoe beoordeelt de
staatssecretaris deze ontwikkeling?
Vorige week presenteerden de
werkgeversverenigingen hun
verlanglijstje waarmee zij menen de
voorsprong op fiscaal gebieden te
kunnen behouden. Zij hebben daar
ook een prijskaartje van 2,7 mld.
voor de komende drie jaar aan
gehangen. Strookt dit wensenlijstje
met de opvattingen van de staatsse-
cretaris die hij in ’’De Onderneming’’
van 8 november jongstleden uiteen
heeft gezet? Is het de bedoeling om
bovengenoemd verlanglijstje aan een
van de werkgroepen aan te reiken
om daarover te rapporteren?
Door de verzelfstandiging van de
overheidsdiensten is het personeels-
bestand van het rijk met 7%
verminderd, maar de uitvoerings-
kosten van deze diensten zijn in het
algemeen fors toegenomen. Dit
betekent dat de dienstverlening door
deze verzelfstandigde onderdelen
duurder wordt en dit in feite een
negatief effect heeft op de burgers
en de bedrijven. Wij vinden dat deze
ontwikkeling in principe onaanvaard-
baar is, te meer daar diensten veelal
afhankelijk blijven van financie¨le
steun van de overheid. Delen de
bewindslieden onze zorg en is het
wel raadzaam om met de privatise-
ring door te gaan zonder vooraf-
gaande afspraken over kosten-
beheersing en
verantwoordingsplicht?
In onze bijdrage aan de algemene
beschouwingen hebben wij zijdelings
aandacht besteed aan de private
financiering en fondsvorming. Wij
hebben met genoegen geconstateerd
dat deze minister tegenover beide
een terughoudende opstelling heeft
gekozen. Deze gelegenheid is een
gepast moment om hier nog eens op
terug te komen, te meer daar zich
een groot aantal projecten aandient
waarvan de financiering nog
geregeld moet worden. Bij de
afweging inzake de keus van de
financieringsvorm zal in niet geringe
mate gewicht worden toegekend aan
de wens om het project zo snel
mogelijk te realiseren. Daarom kan
het kostenaspect gemakkelijk als van
secundair belang beschouwd
worden. Daar komt nog bij dat er de
laatste tijd stemmen opgaan om
grote projecten bij aparte wetgeving
te regelen, afzonderlijk van de
bestaande overheidsfinanciering.
Daarnaast is er nog geen wettelijke
basis voor het Fonds economische
structuurversterking. Niettemin heeft
het kabinet toch een ontwerp-
begroting voor dit fonds ingediend.
Hoe lang moet deze ongewenste
constructie nog blijven bestaan? Er
bestaat op het terrein van de
financiering van grote projecten een
scala van mogelijkheden, maar er is
nog steeds geen duidelijkheid over
de keuze. Gaarne vernemen wij de
opvatting van deze minister over de
richting die hij het kabinet wil
aanbevelen. Op welke termijn
worden de nodige besluiten aan het
parlement voorgelegd?
Eerder in deze bijdrage werd
verwezen naar de opvatting van
anderen die het beleid van deze
bewindslieden te weinig ambitieus
vinden. Daar staat tegenover dat het
beleid ook te of veel te ambitieus
genoemd wordt. Ook daar zijn
argumenten voor. Het is een feit dat
er een poging wordt gedaan om
twee vliegen in een klap te slaan en
dat mag ook als ambitieus worden
aangemerkt. Dit geldt te meer omdat
de minister tijdens de algemene
beschouwingen aan het adres van
collega De Boer heeft gezegd dat het
willen slaan van twee vliegen in een
klap achteraf dikwijls een illusie blijkt
te zijn. Deze minister doet evenwel
toch een poging door e`n lasten-
verlichting e`n tekortreductie
tegelijkertijd te realiseren. Dat
streven mag, gezien de afgelopen
jaren, zeker als ambitieus worden
betiteld. Onze vraag daarbij is of het
niet te ambitieus zal blijken te zijn
waardoor er toch een keuze zal
moeten worden gemaakt vanwege
de tegenvallende ontwikkelingen in
bepaalde sectoren. Enkele tekenen
zich inmiddels af, bijvoorbeeld de
bezuiniging op hogescholen en de
kosten van het asielbeleid. Wellicht
heeft de minister zich hierop
bezonnen en de vraag die wij daarbij willen stellen is: aan welke van beide
elementen van beleid zal bij een
tegenvallende ontwikkeling voorrang
worden gegeven? Die vraag is niet
prematuur omdat in 1995 meer dan
de helft – 5 mld. – aan lasten-
verlichtingen wordt gegeven
waardoor bij een tegenvallende
ontwikkeling een temporisering niet
meer mogelijk is. Dat zou wel
kunnen bij de tekortreductie die over
vier jaar is verdeeld en daarom ook
jaarlijks kan worden herzien. Juist
omdat wij aan de tekortreductie
voorrang geven, zijn wij niet bijster
gelukkig met het geven van zoveel
lastenverlichting in het eerste
boekjaar. Kan de minister zich onze
bedenkingen op dit punt ook
indenken?
Voorzitter! In het kader van het
belastingplan 1995 zijn een aantal
voorstellen aan de orde die
gezamenlijk tot het gewenste doel
moeten leiden. Aan enkele daarvan
willen wij plenair aandacht besteden,
overigens onder dank voor de
antwoorden op de schriftelijke
vragen.
Mijnheer de voorzitter! De
hoofdschotel van de lastenverlichting
bestaat uit een verlaging van het
belastingtarief in de eerste schijf met
1,15%, waarmee ongeveer 2 mld. is
gemoeid. Wij hebben in de schrifte-
lijke voorbereiding laten blijken dat
een verlenging van de eerste schijf in
feite onze voorkeur had, te meer
daar het verder verlagen van het
belastingdeel in de eerste schijf een
verdere onevenwichtigheid zou
veroorzaken. Wij vroegen daarbij
naar de verhouding tussen premies
en belastingen die het kabinet als
evenwichtig beschouwd. Daarop is
niet geantwoord, terwijl toch vrij
algemeen de opvatting heerst dat
een verdere daling van het belasting-
deel als onaanvaardbaar wordt
beschouwd. Mag daaruit worden
opgemaakt dat ook het kabinet een
verdere verlaging van het belasting-
deel ongewenst vindt? Wij worden
hier graag nader over ingelicht. Het
verbaast ons dat de
werkgelegenheidseffecten van de
variant inzake verlenging van de
eerste schijf niet voorhanden zijn. Is
dat niet mogelijk of acht het kabinet
het niet wenselijk om deze effecten
te vermelden?
Voorzitter! Niettegenstaande onze
bezwaren zullen wij het voorstel
steunen, aangezien er in ieder geval
een bijdrage wordt geleverd aan
verlichting van lasten op arbeid
waardoor de wig wordt terugge-
bracht. Over de geraamde effecten
voor de werkgelegenheid hebben we
onze twijfels aangezien het niet
onmogelijk is dat de lasten-
vermindering zal worden omgezet in
een toename van de consumptie met
alle gevolgen vandien. Daar zitten we
toch ook niet op te wachten?
Voorzitter! Het wetsvoorstel
Wijziging van de vermogensbelas-
ting, waarbij de ondernemers-
vrijstelling aan de orde is, heeft een
uitvoerige behandeling ondergaan
alvorens het deze Kamer heeft
bereikt. En dat is geen wonder als
we de gang van zaken met het
initiatiefvoorstel overzien. Naar onze
opvatting gaf het initiatief de goede
weg aan, namelijk verlaging van de
vermogensbelasting waarin alle
vermogens zouden worden
betrokken.
Voorzitter! In onze schriftelijke
inbreng hebben we laten weten dat
we dit voorstel als een stap terug
beschouwen op de weg naar een
gelijktijdige en gelijkelijke, zij het
geleidelijke, verlaging van de
belasting op zowel ondernemings-
als prive-vermogen. We informeer-
den of het kabinet zich achter deze
doelstelling zou kunnen opstellen.
Het antwoord is weinig concreet en
daarom ook onduidelijk.
We betreuren de onzekerheid die
door het uitblijven van een duidelijk
standpunt blijft voortbestaan over de
toekomst van de vermogensbelasting
voor de belastingplichtigen. Het was
nu juist onze bedoeling, een
principe-uitspraak te krijgen over het
al dan niet vrijstellen van prive-
vermogen. Als daarop een positieve
reactie was gekomen, zou daarvan
wellicht weer een remmend effect op
de kapitaalvlucht kunnen uitgaan, die
mede door andere voornemens nu
verder lijkt te zullen toenemen. En
die wil het kabinet toch ook niet
stimuleren?
Een suggestie in de goede richting
was, de ondernemingsvrijstelling te
verlagen tot 50% – dat is kennelijk in
de schriftelijke voorbereiding niet
goed begrepen – en om het
vrijstellen van de prive-vermogens
tot 50% opvoeren. Dit betekent dat
beide vermogens op dezelfde wijze
zouden worden behandeld. Daarmee
zouden wij tegemoetkomen aan de
bezwaren die door de Raad van State
en van zoveel andere kanten zijn
geuit. Ons voorstel was het ene te
verlagen en het andere te verhogen.
Waar komen wij budgettair gezien
dan op uit?
De vraag is ook, wanneer de
staatssecretaris voldoende geı¨nfor-
meerd denkt te zijn om een nadere
afweging te kunnen maken inzake de
belastingheffing over inkomsten uit
vermogen. Voorzitter! Alvorens een
definitief standpunt over dit voorstel
in te kunnen nemen, verwachten wij
wat duidelijker antwoorden dan in de
schriftelijke voorbereiding.
Voorzitter! Ook het wetsvoorstel
23943 heeft niet onze bewondering.
Dat betreft niet alleen het ’’noodrem-
effect’’ vanwege de budgettaire
gevolgen die tot stilstaan moeten
worden gebracht, maar ook het
zigzag-beleid van de overheid dat
hierdoor naar buiten komt. Het
wantrouwen in de soliditeit van de
overheid wordt hierdoor gevoed. Wij
betreuren daarom met name deze
gang van zaken. Met belangstelling
hebben we daarom kennisgenomen
van de vraag van de PvdA-fractie of
er geen sprake is van een overhaaste
reactie van het kabinet. Dat zou de
schade aan de vertrouwensrelatie
overheid-burger trouwens nog groter
maken. Deze vraag wordt ontken-
nend beantwoord, want er is geen
sprake van schade voor het beeld
van de burger op de overheid.
Voorzitter! Wij vinden dat uit een
dergelijke reactie weinig gevoel van
de bewindslieden spreekt voor de
beeldvorming van de burger over de
overheid. Denkt men nu werkelijk dat
deze ontwikkeling niet schadelijk is
voor de beeldvorming? Of geldt deze
opvatting alleen als er een bepaalde
groep burgers bij betrokken is?
Voorzitter! Onze instemming met
het initiatief werd destijds vooral
bepaald door de duidelijke bijdrage
die de regelingen beoogden te
leveren aan de voortzetting van de
noodzakelijke loonmatiging. Dit
voorstel zal daaraan juist een
tegengestelde uitwerking geven, is
onze vrees. Delen de bewindslieden
deze gevolgtrekking? In ieder geval
leidt het tot een loonsomverhoging
bij de overheid van 0,5%, omdat
440.000 werknemers uit de overheid
aan de regeling deelnemen. Zal dit
geen gevolgen hebben voor de
onderhandelingen over de
ambtenarensalarissen?
De verwachting wordt nu gewekt
dat 1 op de 8 deelnemers aan de
spaarloonregeling zal overstappen
naar de ongeblokkeerde
winstdelingsregeling. Het kabinet
verwacht in z’n totaliteit blijkbaar
geen verdere toename van het aantal
deelnemers aan deze regelingen,
aangezien de afname van de
deelname aan spaarloon wordt
gecompenseerd door toevoeging van
hetzelfde aantal aan de winstdelings-
regeling. Is deze conclusie juist? Wij
hebben overigens onze twijfels of de
deelname aan de winstdelings-
regeling in de mate zal stijgen die
het kabinet verwacht. Zonder winst is
er geen mogelijkheid tot winstdeling
en niet elk bedrijf deelt in de stijging
van de winsten die op het ogenblik
worden behaald. Dat geldt ook voor
de bijdrage aan de werkgelegenheid
van de spaarregeling die becijferd is
op 24.000 banen. Verwacht de
staatssecretaris een vermindering
door de voorgestelde heffing van
10% en is daar ook een becijfering
van?
Voorzitter! De Tweede Kamer heeft
via drie moties het kabinet in feite de
wet voorgeschreven. Zij heeft
daarmee bepaald op welke wijze met
de voorgestelde wetsvoorstellen in
de nabije toekomst dient te worden
omgegaan. Wil de staatssecretaris
nader verklaren welk gewicht hij aan
deze moties toekent? Worden ze
beschouwd als ’’schoten voor de
boeg’’ of als ’’schoten in de roos’’
die niet genegeerd kunnen worden?
We staan voor de afweging van de
budgettaire onzekerheid en de
positieve gevolgen voor de
werkgelegenheid. Die budgettaire
onzekerheid is ontstaan door het
antwoord van de staatssecretaris
tijdens het wetgevingsoverleg. Hij zei: ’’de tegenvaller is op dit moment
gebaseerd op een indicatie. We
hebben op dit punt voorzichtig
geopereerd. Wij hebben het zekere
voor het onzekere genomen’’. Naar
onze opvatting is dit een wankele
basis waarop een zo verregaand
besluit als nu moet worden
genomen. Wij nodigen de staatsse-
cretaris dan ook uit om wat sterkere
argumenten te noemen dan in het
wetgevingsoverleg zijn genoemd.
Alvorens ons standpunt ook hierover
te bepalen, wachten wij het
antwoord graag af.
Mijnheer de voorzitter! Wij staan
voor de beslissing over een groot
aantal maatregelen die het beleid
van het kabinet mede bepalen. In het
begin van onze bijdrage hebben wij
er reeds op gewezen dat de inzet
voor het bereiken van terugdringing
van het begrotingstekort onze
instemming heeft. Wij zijn van
mening dat wij zo snel mogelijk van
de situatie af moeten dat wij leven
als een rijk volk in een arme staat.
Daarom is een krachtige sanering
van ’s Rijks huishouding dringend
noodzakelijk. Het is principieel
onaanvaardbaar dat de generatie
waartoe wij behoren de door ons
gemaakte schulden blijft doorschui-
ven naar onze nazaten. Ik geef toe
dat daarbij overtuigingskracht en
volharding nodig is. Wij wensen deze
bewindslieden toe dat zij onder
beding van Gods zegen daarin zullen
mogen slagen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-399">

 
<spreker pagina="11-399" anker="480" partij="VVD" naam="Hilarides">
 Mijnheer
de voorzitter! Na de uitvoerige
behandeling van deze voorstellen in
de Tweede Kamer ligt het voor de
hand dat de begroting van Financie¨n
en een groot aantal daarmee
samenhangende fiscale voorstellen
gezamenlijk worden behandeld. Het
afhandelen van een groot aantal
wetsvoorstellen zo vlak voor de
jaarwisseling is bezwaarlijk en komt
een zorgvuldige beoordeling niet ten
goede. Als wij echter kijken naar de
antwoorden die de bewindslieden
hebben gegeven op de door mijn
fractie gestelde schriftelijke vragen,
dan kan ik constateren dat de vragen
goed zijn beantwoord, een enkele
uitzondering daargelaten.
In dit verband past een woord van
waardering aan het adres van de
minister en de staatssecretaris.
Bovendien hebben de bewindslieden
in een onlangs gehouden mondeling
overleg met de vaste Commissie
voor Financie¨n toegezegd de
wetsvoorstellen in de loop van het
jaar te behandelen, voor zover
behandeling niet anders dan aan het
einde van het jaar kan plaatsvinden.
De concentratie van veel wetsvoor-
stellen aan het einde van het jaar kan
dan zoveel mogelijk worden
vermeden.
Bij de algemene en financie¨le
beschouwingen in dit huis is mijn
fractie uitvoerig ingegaan op het te
voeren financie¨le beleid van het
kabinet, een beleid dat gericht is op
sanering van de overheidsfinancie¨n
en bevordering van de werkgelegen-
heid. Deze minister van Financie¨n
maakt een goede start. Het kabinet
rekent zich niet rijk en gaat uit van
een voorzichtige economische groei.
Voor de gehele regeerperiode staat
het uitgavenkader vast en is er geen
ree¨le groei van de uitgaven. Een
totale lastenverlichting van 9 mld.
voor de gehele periode waarvan de
helft in 1995 zijn beslag krijgt, mag
er zijn. Ook het ombuigingspakket
van 18 mld. gedurende deze
kabinetsperiode is omvangrijk, maar
noodzakelijk om de overheids-
financie¨n gezond te maken.
Mijn fractie gaat ervan uit dat het
voor de gehele kabinetsperiode
afgesproken uitgavenkader onver-
minderd van kracht blijft. Handha-
ving van de begrotingsdiscipline is
om meer dan een reden noodzake-
lijk. Te denken daarbij valt ook aan
de toetreding tot de Economische en
Monetaire Unie tegen het einde van
deze eeuw. De overheidsschuld die
nu nog steeds stijgende is en op dit
moment 80% van de waarde van het
bruto binnenlands produkt bedraagt,
moet de komende jaren terug in de
richting van de Europese norm van
60%.
Om deze toetreding mogelijk te
maken, is een lagere schuldquote
van de overheid nodig. Onlangs is in
dit verband van Nederlandse zijde
het netto ABP-vermogen in stelling
gebracht. Het netto-vermogen is
maar zeer betrekkelijk. Immers,
tegenover dit vermogen staan
pensioenverplichtingen. Dit type
vluchtwegen moeten wij niet
bewandelen.
In het verlengde hiervan ligt de
discussie over de besteding van
meevallers. Het moet niet zo zijn dat
door de te verwachten grotere
economische groei de besteding van
de meevallers een van de grootste
problemen van het kabinet gaat
worden. Overigens is de formulering
’’meevallers’’ een merkwaardige.
Eigenlijk gaat het hierbij om hogere
belastingafdrachten aan de schatkist.
Ik vraag mij af of een discussie over
dit onderwerp nu wel zo verstandig
is. Belastinginkomsten blijven sterk
fluctueren en er zijn altijd incidentele
factoren die een rol spelen. Ook is
nog onduidelijk om welk bedrag het
gaat en welk deel daarvan een
structureel karakter draagt. Laten wij
pas op de plaats maken en na
verloop van tijd de structurele
meevallers besteden voor verdere
reductie van het financieringstekort.
Kan de minister deze visie onder-
schrijven?
In het kader van de begrotings-
behandeling zou ik nog een ander
punt onder de aandacht van de
minister willen brengen, namelijk de
Nederlandse financie¨le afdrachten
aan de Europese Unie. Laat ik
vooropstellen dat de economische
eenwording van Europa veel heeft
bijgedragen aan onze welvaart.
Nederland is een klein land en het
wegvallen van de economische
barrie`res is van groot belang. Toch
moeten wij ons de vraag stellen of
wij in de nabije toekomst niet te veel
aan Europa gaan bijdragen. Reeds in
1995 zullen wij ruim 4 mld. meer
afdragen dan er wordt ontvangen,
terwijl dit bedrag in de jaren daarna
gestaag zal oplopen.
Liefst 80% van alle Europese
uitgaven bestaat uit subsidies. In ons
land zijn wij sinds de jaren tachtig
bezig met het beperken dan wel
verminderen van subsidies. Dat is
een goede zaak. Immers, de
verantwoordelijkheid van de burgers
wordt daardoor vergroot en er
ontstaat ruimte voor het verlagen
van belastingen. Vaak zijn het geen
gemakkelijke maatregelen die
genomen moeten worden. Protesten
van belangengroepen zien wij alom
om ons heen. Terwijl wij bezig zijn in
ons land het rondpompen van geld
te beperken, ontstaat er een nieuwe,
Europese subsidiepomp. Dit is een
ontwikkeling die naar het oordeel
van mijn fractie nauwlettend en
kritisch moet worden gevolgd. Kan
de minister in zijn antwoord hierop
nader ingaan?
Mijnheer de voorzitter! Ter
afronding van dit onderdeel van mijn
betoog wil ik nog enkele opmerkin-
gen maken over de zogenaamde
lease-contracten. Vorig jaar heeft
mijn fractie bij de behandeling van
de begroting voor Financie¨n vragen
gesteld over de ongewenste gang
van zaken met betrekking tot de
zogenaamde lease-contracten. Met
instemming heeft mijn fractie kennis
genomen van een schrijven van de
minister d.d. 2 december jongstleden
gericht aan de Tweede Kamer waarin
de gang van zaken met betrekking
tot lease-contracten nader is
uiteengezet. Ook in dit geval is het
kabinet weer op het rechte pad.
Lease-financiering van gebouwen
is minder doelmatig dan financiering
ineens via de begroting. Immers, de
overheid kan goedkoper lenen dan
iedere andere marktpartij. Mijn
fractie gaat ervan uit dat lease-
contracten alleen dan zullen worden
afgesloten als het gaat om kortlo-
pende lease-contracten, waarbij
aspecten van gebruiksduur en snelle
technologische ontwikkelingen een
rol spelen. Kan de minister dit
bevestigen?
Voorzitter! Op het gebied van
fiscale wetgeving hebben wij een
periode van stilstand achter de rug.
Deze staatssecretaris gaat voortva-
rend te werk. Niet alleen heeft hij
een groot aantal fiscale wetten
vandaag op de agenda staan, maar
hij is tevens voornemens een
inventarisatie van knelpunten te laten
maken en van daaruit te komen met
concrete maatregelen op fiscaal
gebied.
Mijn fractie gaat er daarbij van uit
dat ter ondersteuning van het
kabinetsbeleid de te nemen
maatregelen de werkgelegenheid
zullen bevorderen. Dit kan door
lastenverlichting voor burgers en
bedrijven. Ook zullen vereenvoudi-
ging en duidelijkheid belangrijke
aspecten moeten zijn van de te
verwachten voorstellen. Een speciaal
aandachtspunt is daarbij de
internationale fiscale concurrentiepo-
sitie van ons land. Wij weten maar al
te goed dat deze positie de laatste
jaren achteruit is gegaan. Kan de
staatssecretaris aangeven hoe hij
hier tegenaan kijkt en of hij
mogelijkheden ziet om deze positie
te verstevigen?
Bij een aantal voorstellen die
vandaag aan de orde zijn, speelt de
vermogensbelasting een rol.
Aanvankelijk was het de bedoeling
om de vermogensbelasting, waar het
de ondernemingsvrijstelling betrof,
geleidelijk in drie etappen af te
schaffen. Als gevolg van zware
kritiek van de Raad van State en om
budgettaire overwegingen is deze
afschaffing echter beperkt tot 68% in
1995. Ook mijn fractie heeft destijds
bezwaar gemaakt tegen de ontoerei-
kende rechtvaardiging van het
geheel vrijstellen van een bepaalde
groep van vermogensbezitters voor
de vermogensbelasting, terwijl een
grotere groep van particuliere
vermogensbezitters voor het
geldende tarief aangeslagen blijft
worden. Dit roept het verwijt van
discriminatie op en zou tevens de
kans op oneigenlijk gebruik van de
afbakeningscriteria vergroten.
Mijn fractie pleit voor een
gelijkmatige verlaging voor alle
vermogensbelastingplichtigen, die
uiteindelijk tot gevolg moet hebben
dat de vermogensbelasting wordt
afgeschaft. Kan de staatssecretaris
reeds een tipje van de sluier
oplichten hoe hij in 1995 en
volgende jaren een aanvang gaat
maken met het verlagen van de
vermogensbelasting? In dit verband
vraag ik ook aandacht voor de
successiebelasting, althans voor de
hoogte daarvan. Zij verdient het om
samen met de vermogensbelasting
in bespreking te komen.
Zo langzamerhand kom ik bij het
Belastingplan 1995. Vergelijken wij
dit Belastingplan met voorgaande
plannen van de laatste jaren, dan
kunnen wij constateren dat de
belastingverhogingsplannen hebben
plaats gemaakt voor een belasting-
verlagingsplan voor 1995. Mijn
fractie heeft met instemming van deze koerswijziging kennisgenomen:
geen lastenverzwaringen en het
normaal door laten gaan van de
inflatiecorrectie, zoals het hoort.
De voorgestelde belasting-
verlaging komt tot stand door een
verlaging van de eerste schijf. Een en
ander heeft tot gevolg dat de
progressie toeneemt met circa 0,5%.
Mijn fractie acht een dergelijke
ontwikkeling minder gewenst. In de
memorie van antwoord rechtvaardi-
gen bewindslieden deze bezwaren
door te verwijzen naar de toepassing
van de inflatiecorrectie op de
schijflengte, waardoor verlenging
van de schijven optreedt. Deze
redenering acht mijn fractie onjuist,
omdat de toepassing van de
inflatiecorrectie reeds bij wet was
geregeld. Mijn fractie gaat er echter
van uit dat bij de opstelling van het
Belastingplan 1996 rekening zal
worden gehouden met de hier naar
voren gebrachte bezwaren. Kan de
minister hier nader zijn zienswijze
geven?
De voorgenomen grondslag-
verbreding van de samenloop-
regeling in de vermogensbelasting
wordt terecht uitgesteld tot januari
1996. De bewindslieden gaan er
daarbij van uit dat in de loop van
1995 meer duidelijkheid zal bestaan
over de resultaten van de studie naar
beperking van de aftrekbaarheid van
consumptieve rente en van een
nadere afweging inzake de vermo-
gensbelasting.
In dit kader wil ik nader ingaan op
de aftrekbaarheid van consumptieve
rente. Het gaat hier om een
complexe materie. Fiscale rente-
aftrek is een geı¨ntegreerd onderdeel
van ons fiscale stelsel. Bovendien is
niet geheel duidelijk wat precies
onder ’’afschaffing rente-aftrek
consumptief krediet’’ moet worden
verstaan. Het fiscale begrip luidt immers: ’’rente als persoonlijke
verplichting’’.
Los van definitieproblemen kan
deze maatregel ook negatieve
effecten hebben op de economische
groei en de werkgelegenheid. Deze
negatieve effecten kunnen geraamde
opbrengsten geheel of grotendeels
teniet doen. Veel mensen die geld
lenen, sparen tegelijkertijd. Afschaf-
fing van rente-aftrek zal leiden tot
ontsparing. Dit kan de rente
opdrijven, met alle gevolgen van
dien. Bovendien moet worden
bedacht dat ontsparingen alleen
maar mogelijk zijn bij mensen die
kunnen ontsparen en die dus enig
vermogen hebben. De afschaffing
van de rente-aftrek werkt dus ook
sociaal onrechtvaardig, omdat juist
de niet-vermogenden erdoor zullen
worden getroffen.
Ik noem slechts enkele aspecten
die bij deze problematiek een rol
spelen. Hiermee wil ik aantonen dat
het naar het oordeel van mijn fractie
bijna onmogelijk is om binnen een
jaar met een verantwoorde oplossing
voor dit vraagstuk te komen. Ik
verwacht geen antwoord van de
staatssecretaris, maar ik geef deze
beschouwing alvast ter overdenking
mee.
Mijnheer de voorzitter! Het
wetsvoorstel inzake het invoeren van
een ouderenaftrek in de loon- en
inkomstenbelasting in samenhang
met een aanpassing van het
koppelingsmechanisme is aan de
overzijde uitvoerig aan de orde
geweest. Mijn fractie heeft geen
behoefte om uitgebreid op dit
voorstel in te gaan. De voorgestelde
ouderenaftrek maakt het voor 1995
mogelijk om de ontkoppeling van het
AOW-basispensioen te repareren.
Gekozen is voor een benadering
waarbij voor ouderen in het
eerste-schijftarief een bijzonder
regime van toepassing is. Mijn
fractie ervaart de inkomens-
afhankelijkheid van het voorstel als
een bezwaar, maar daar staat
tegenover dat de nu voorgestelde
regeling het koppelingsmechanisme
voor de AOW voor het jaar 1995
feitelijk in stand houdt.
De aftrekregeling is niet over-
draagbaar en heeft een individueel
karakter. Dit heeft tot gevolg dat de
regeling eenvoudig is uit te voeren
en goed controleerbaar is. Uit
oogpunt van zorgvuldige wetgeving
is dit niet onbelangrijk.
Mijn fractie stelt er prijs op dat
ook voor de komende jaren gekozen
wordt voor een benadering waarbij
zo goed mogelijk wordt aangesloten
bij de ontwikkeling van de lonen in
de marktsector, waarbij de voordelen
van de regeling voor 1995 intact
blijven en aandacht wordt besteed
aan de zojuist door mij genoemde
nadelen.
Mijnheer de voorzitter!
Werknemersspaarregelingen vormen
vandaag de dag een veelbesproken
onderwerp. Ruim een jaar geleden is
de nieuwe werknemersspaarregeling
in dit huis met algemene stemmen
aangenomen. De staatssecretaris van
Financie¨n – toen in andere hoedanig-
heid – zal zich dat ongetwijfeld
herinneren. Bij het raadplegen van
de Handelingen over dit wetsvoorstel
vallen een paar zaken op. In de eerste plaats: men was positief over
de voorgestelde fiscale faciliteiten
voor de diverse werknemersspaar-
regelingen. In de tweede plaats kon
men, mede gelet op de korte tijd van
voorbereiding, moeilijk een
inschatting maken van het gebruik
van de regelingen. Initiatiefnemers
hanteerden noodgedwongen het
uitgangspunt dat het voorstel
budgettair neutraal moest zijn. Met
name ten aanzien van dit laatste
punt werden toen reeds de nodige
vraagtekens gezet. De nieuwe
regeling dreigt nu aan het eigen
succes – althans budgettair – ten
onder te gaan. Bij ongewijzigd beleid
zal een belastingderving ontstaan
van circa 300 mln. Voorgesteld wordt
om een loonsomheffing op
spaarloon van 10% ten laste van de
werkgevers te brengen en de
loonsomheffing op niet geblokkeerde
winstdelingsregelingen te verlagen
van 35% naar 20%. In feite wordt het
budgettaire probleem eenzijdig bij de
werkgevers neergelegd.
Een zo snelle wijziging van de
regeling komt een betrouwbaar en
consistent overheidsbeleid niet ten
goede. De gekozen oplossing voor
het budgettaire probleem verdient
derhalve niet de schoonheidsprijs.
Kijken wij naar de behandeling
van dit wetsvoorstel aan de
overzijde, dan valt het volgende op.
Er zijn twijfels over de werkelijke
omvang van het budgettaire
probleem. Door de loonsomheffing
op spaarloon wordt de verwachting
uitgesproken dat een verschuiving
zal plaatsvinden in de richting van
winstdelingsregelingen. Het is nog
maar zeer de vraag of dat gaat
gebeuren. Veel bedrijven en
instellingen hebben nog geen besluit
genomen, maar het zal mij niet
verbazen als met name het aantal
spaarloonregelingen in combinatie
met levensverzekeringsconstructies
nog aanzienlijk zal toenemen,
hetgeen de budgettaire druk alleen
nog maar zal vergroten. Daar staat
tegenover dat de vennootschaps-
belasting hoger zal kunnen uitvallen,
mede als gevolg van de effecten van
loonmatiging. Het budgettaire
probleem voor 1995 moet nu worden
opgelost. Voor het overige is het
verstandig eerst meer ervaring op te
doen met een nieuwe regeling en de
daarbij behorende faciliteiten.
In de memorie van antwoord
hebben de bewindslieden terecht
gesteld dat, indien het aantal
deelnemers van de diverse regelin-
gen hoger uitvalt dan thans voorzien,
deze ontwikkeling als endogeen zal
worden beschouwd. Dit betekent dat
er geen voornemens bestaan om de
regelingen alsdan verder aan te
scherpen. Met deze conclusie kan
mijn fractie instemmen.
Ten slotte nog een korte beschou-
wing over de wetsvoorstellen Brede
herwaardering II en III. Deze
wetsvoorstellen hebben betrekking
op een andere fiscale behandeling
van onderhoudsvoorzieningen en
bepaalde spaarvormen in de
inkomstenbelasting. Na de moeizame
afhandeling van de Brede herwaar-
dering I, nu al weer drie jaar
geleden, ziet het resultaat van de
Brede herwaardering II en III en er
heel wat beter uit. Doordat de
staatssecretaris op de valreep een
aantal wijzigingsvoorstellen heeft
ingediend en de Tweede Kamer
enkele belangrijke amendementen
heeft aanvaard, ziet het uiteindelijke
resultaat er goed uit. Kort samenge- vat: oneigenlijk gebruik wordt
tegengegaan en er is een goed
evenwicht ontstaan tussen de
belangen van de belastingplichtige
en die van de overheid.
Aan de behandeling in dit huis zijn
twee schriftelijke ronden van
voorbereiding vooraf gegaan. Het
merendeel van de vragen, die vooral
technisch van aard waren, zijn naar
het oordeel van mijn fractie naar
behoren beantwoord. Er zijn daarbij
veel casusposities aan de staatsse-
cretaris voorgelegd. Soms had ik het
gevoel dat de staatssecretaris deze
vragen moest beantwoorden als
onbezoldigde belastingambtenaar in
plaats van als bewindspersoon.
Toch is het van belang dat bij deze
wetgeving de praktijk straks weet
waar men aan toe is. In zoverre heeft
de memorie van antwoord en ook de
nadere memorie van antwoord voor
de nodige duidelijkheid gezorgd. Er
zijn echter nog enkele punten die ik
onder de aandacht van de staatsse-
cretaris zou willen brengen.
Bij het afkoopverbod kan je de
vraag stellen of hier niet volstrekt uit
de pas wordt gelopen met de ons
omringende landen. Vrijwel alle
landen hanteren de regel dat na
emigratie pensioen kan worden
afgekocht, terwijl bovendien veel
landen ook in binnenlandse
verhoudingen afkoop toestaan.
Uitvoerig is gesproken over de
verhouding met de Pensioen- en
spaarfondsenwet. Een aantal
sprekers hebben hier vanavond
reeds op gewezen. Een goede
afstemming tussen het fiscale begrip
’’pensioen’’ en het begrip zoals dat in
de Pensioen- en spaarfondsenwet is
opgenomen, is noodzakelijk. Op dit
moment sluit een en ander nog niet
goed op elkaar aan. Mijn fractie gaat
ervan uit dat deze zaak nader
geregeld wordt – zoals trouwens ook
de staatssecretaris bij de schriftelijke
voorbereiding uiteen heeft gezet –
namelijk door het gelijk trekken van
deze begrippen, waarbij verschillen
moeten kunnen worden gemotiveerd
door het eigen karakter van de wet.
In feite had dit voor 1 januari 1995
moeten gebeuren. Dat is niet gelukt,
maar er zullen toch wat overgangs-
maatregelen getroffen moeten
worden, dunkt mijn fractie.
Tot zover mijn bijdrage in eerste
instantie. Mijn fractie wacht met
belangstelling de antwoorden van de
bewindslieden af.
De beraadslaging wordt geschorst. 

</spreker>
<spreker pagina="11-402" anker="481" naam="De voorzitter">
 De beantwoording
door de regering en de verdere
afhandeling zullen morgen plaatsvin-
den, direct na de stemmingen. De
stemmingen zijn direct na de
lunchpauze.
De vergadering wordt enige
ogenblikken geschorst. 

</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="11-402">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van bepalingen van de Mediawet
in verband met het beperken van
de duur waarvoor concessies
voor omroepverenigingen,
zendtijdtoewijzingen voor
kerkgenootschappen en genoot-
schappen op geestelijke grond-
slag en toestemmingen voor
commercie
¨ le omroepinstellingen
kunnen worden verleend, tot een
periode van vijf jaren (23978).
De beraadslaging wordt geopend. 
<spreker pagina="11-402" anker="482" naam="De voorzitter">
 Ik heet de staatsse-
cretaris van harte welkom.</spreker>
<blok pagina="11-402">

 
<spreker pagina="11-402" anker="483" partij="CDA" naam="Kuiper">
 Mijnheer de
voorzitter! Toen in april van dit jaar
deze Kamer de Mediawet 1994
aannam, die tot doel had het
versterken van de organisatie van de
landelijke publieke omroep en het
bieden van langdurige zekerheid aan
omroepinstellingen, zullen weinigen
onzer bevroed hebben dat zij,
voordat het jaar ten einde zou lopen
en ook voor de beoogde inwerking-
treding van de wet op 1 januari 1995,
over een belangrijke wijziging ervan
zouden beraadslagen. Aan het
ingevoerde concessiestelsel was
immers, op aandrang van de politiek,
een uitvoerig proces van onderzoek,
door McKinsey, en van zelf-
organisatie, door de omroepen,
voorafgegaan. Minister d’Ancona
had het voorstel vasthoudend en
gloedvol verdedigd en de fracties
van de Partij van de Arbeid, minus
een, het CDA, de kleine christelijke
partijen en GroenLinks, bezorgden
haar een comfortabele meerderheid.
Alleen VVD en D66 stemden tegen.
Inmiddels is er een nieuwe coalitie
gevormd en zijn in de Tweede-
Kamerfractie van de PvdA de
woordvoerders gewisseld. Streefden
minister d’Ancona en mevrouw Van
Nieuwenhoven naar tienjarige
concessies teneinde de considerans
van de wet – versterking van de
publieke omroep en langdurige
zekerheid – te operationaliseren,
mevrouw Van Zuylen blijkt van
mening ’’dat de toekomst te ongewis
is om met lange concessietermijnen
te werken’’ en dat ’’gelet op recente
en nog te verwachten ontwikkelin-
gen, een tienjarige concessietermijn
te weinig flexibiliteit zou bieden’’.
Mijnheer de voorzitter! Daarmee
wordt onmiskenbaar een self-
fulfilling prophecy geı¨ntroduceerd. U
weet dat dit een voorspelling is die
doordat zij wordt uitgesproken de
werkelijkheid gaat beı¨nvloeden.
’’Rust is’’, aldus de woordvoerster
van de PvdA-fractie in de Tweede
Kamer, ’’dan ook geen doel van deze
wetgeving’’. Neen, er ’’zal met de
omroepen een inspirerende discussie
worden gevoerd over organisatie,
financieringsstructuur, omvang, taak
en functie van het publieke bestel’’.
Het lijkt mij dat deze redengeving
voor het uit de wet lichten van de
tienjarige concessie op zeer
gespannen voet staat met de
considerans van de wet, die wij hier
in april jongstleden aannamen en in
zekere zin destructief genoemd kan
worden. Gaarne verneem ik het
oordeel van de staatssecretaris over
deze stelling mijnerzijds.
Ik wil deze stelling nader
toelichten aan de hand van de
’’recente’’ turbulentie in het
omroepveld. De wet van april
jongstleden noodzaakte de omroep-
organisaties om voor 15 januari 1995
concessieaanvragen in te dienen en
aldus kleur te bekennen voor een
publieke dan wel een commercie¨le
status. Dat heeft de afgelopen
maanden geleid tot een merkwaardig
gedragspatroon tussen enkele
omroepen die aangaven te willen
kiezen voor ’’opting out’’ het
publieke bestel en enkele grote
mediabedrijven, waarbij ook de
organisaties die te kennen gaven
voor het publieke bestel te blijven
kiezen onder zware druk kwamen te
staan.
Mijn fractie heeft met genoegen
kennis genomen van de zorg die de
fractievoorzitters van de coalitie-
partijen PvdA en D66 hebben
uitgesproken met betrekking tot wat</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


