<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2024]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van bepalingen van de Mediawet in verband met het beperken van de duur waarvoor concessies voor omroepverenigingen, zendtijdtoewijzingen voor kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag en toestemmingen voor commerciële omroepinstellingen kunnen worden verleend, tot een periode van vijf jaren (23978)</item>
<item attribuut="Bestand"> 35 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Communicatie, media en informatievoorziening (Omroepen)</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Omroepen</item>
<item attribuut="Dossiernr">23978</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 9, Eerste Kamer, pag. 402-406</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">20-12-1994</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2024</item>
<item attribuut="Omvang">5 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Eerste Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Concessietermijnen omroepen</item>
<item attribuut="doccode">EK 11</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="11-402">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van bepalingen van de Mediawet
in verband met het beperken van
de duur waarvoor concessies
voor omroepverenigingen,
zendtijdtoewijzingen voor
kerkgenootschappen en genoot-
schappen op geestelijke grond-
slag en toestemmingen voor
commercie
¨ le omroepinstellingen
kunnen worden verleend, tot een
periode van vijf jaren (23978).
De beraadslaging wordt geopend. 
<spreker pagina="11-402" anker="144" naam="De voorzitter">
 Ik heet de staatsse-
cretaris van harte welkom.</spreker>
<blok pagina="11-402">

 
<spreker pagina="11-402" anker="145" partij="CDA" naam="Kuiper">
 Mijnheer de
voorzitter! Toen in april van dit jaar
deze Kamer de Mediawet 1994
aannam, die tot doel had het
versterken van de organisatie van de
landelijke publieke omroep en het
bieden van langdurige zekerheid aan
omroepinstellingen, zullen weinigen
onzer bevroed hebben dat zij,
voordat het jaar ten einde zou lopen
en ook voor de beoogde inwerking-
treding van de wet op 1 januari 1995,
over een belangrijke wijziging ervan
zouden beraadslagen. Aan het
ingevoerde concessiestelsel was
immers, op aandrang van de politiek,
een uitvoerig proces van onderzoek,
door McKinsey, en van zelf-
organisatie, door de omroepen,
voorafgegaan. Minister d’Ancona
had het voorstel vasthoudend en
gloedvol verdedigd en de fracties
van de Partij van de Arbeid, minus
een, het CDA, de kleine christelijke
partijen en GroenLinks, bezorgden
haar een comfortabele meerderheid.
Alleen VVD en D66 stemden tegen.
Inmiddels is er een nieuwe coalitie
gevormd en zijn in de Tweede-
Kamerfractie van de PvdA de
woordvoerders gewisseld. Streefden
minister d’Ancona en mevrouw Van
Nieuwenhoven naar tienjarige
concessies teneinde de considerans
van de wet – versterking van de
publieke omroep en langdurige
zekerheid – te operationaliseren,
mevrouw Van Zuylen blijkt van
mening ’’dat de toekomst te ongewis
is om met lange concessietermijnen
te werken’’ en dat ’’gelet op recente
en nog te verwachten ontwikkelin-
gen, een tienjarige concessietermijn
te weinig flexibiliteit zou bieden’’.
Mijnheer de voorzitter! Daarmee
wordt onmiskenbaar een self-
fulfilling prophecy geı¨ntroduceerd. U
weet dat dit een voorspelling is die
doordat zij wordt uitgesproken de
werkelijkheid gaat beı¨nvloeden.
’’Rust is’’, aldus de woordvoerster
van de PvdA-fractie in de Tweede
Kamer, ’’dan ook geen doel van deze
wetgeving’’. Neen, er ’’zal met de
omroepen een inspirerende discussie
worden gevoerd over organisatie,
financieringsstructuur, omvang, taak
en functie van het publieke bestel’’.
Het lijkt mij dat deze redengeving
voor het uit de wet lichten van de
tienjarige concessie op zeer
gespannen voet staat met de
considerans van de wet, die wij hier
in april jongstleden aannamen en in
zekere zin destructief genoemd kan
worden. Gaarne verneem ik het
oordeel van de staatssecretaris over
deze stelling mijnerzijds.
Ik wil deze stelling nader
toelichten aan de hand van de
’’recente’’ turbulentie in het
omroepveld. De wet van april
jongstleden noodzaakte de omroep-
organisaties om voor 15 januari 1995
concessieaanvragen in te dienen en
aldus kleur te bekennen voor een
publieke dan wel een commercie¨le
status. Dat heeft de afgelopen
maanden geleid tot een merkwaardig
gedragspatroon tussen enkele
omroepen die aangaven te willen
kiezen voor ’’opting out’’ het
publieke bestel en enkele grote
mediabedrijven, waarbij ook de
organisaties die te kennen gaven
voor het publieke bestel te blijven
kiezen onder zware druk kwamen te
staan.
Mijn fractie heeft met genoegen
kennis genomen van de zorg die de
fractievoorzitters van de coalitie-
partijen PvdA en D66 hebben
uitgesproken met betrekking tot wat
ik maar wil vergelijken met vormen
van negentiende-eeuws roofridder-
kapitalisme, zoals die zich de
afgelopen maanden hebben
gemanifesteerd. Dit genoegen paart
zich echter aan oprechte verbazing
over de omstandigheid dat deze
twee partijen ingestemd hebben met
de nu voorliggende wetswijziging,
waarin de termijn van de te verlenen
concessies wordt teruggebracht tot
vijf jaar, waardoor de posities van
het huidige publieke bestel en de
prikkels tot samenwerking onmisken-
baar worden verzwakt, ook gezien de
argumenten die gewisseld zijn bij de
behandeling van de wet die medio
april is aangenomen. Ik ben niet
alleen benieuwd naar het oordeel
van de fracties van PvdA en D66 in
dit huis over die innerlijke tegen-
spraak in de stellingnames van hun
tegenhangers aan de overzijde, maar
met name ook naar het oordeel van
de fractie van GroenLinks in dit huis
die acht maanden geleden haar stem
gaf aan het oorspronkelijke
wetsvoorstel vanuit de uiteindelijke
motivering dat het publieke bestel in
ontwikkeling sterk gehouden moest
worden naast het commercie¨le
geweld.
Mijnheer de voorzitter! Daar komt
onzerzijds nog een overweging bij.
Door de woordvoerders van de
oppositiepartijen aan de overzijde en
ook door de staatssecretaris wordt
een duidelijk verband gelegd tussen
de terugbrenging van de concessie-
termijn naar vijf jaar en het
’’inspirerende, open, fundamentele
en principie¨le’’ debat dat vanaf
volgend najaar gevoerd zal worden
over de ’’missie van de publieke
omroep’’. De staatssecretaris wil dit
doen met alle betrokkenen in een
aantal conferenties. Wij weten echter
allen dat er al jaren ten minste drie
tot nu toe onverenigbare opties zijn in de gedachtenwisseling daarover:
- een publiek bestel met externe
pluriformiteit waarin ook in een
ontzuilende samenleving maatschap-
pelijke en/of levensbeschouwelijke
stromingen zich in eigen organisaties
kunnen ’’articuleren’’;
- een nationale omroep waarin
interne pluriformiteit een bepaalde
plaats krijgt;
- een BBC-achtig model.
Is de staatssecretaris werkelijk zo
naı¨ef, of zo goed van vertrouwen dat
hij denkt dat zich de komende jaren
een ’’herrschafsfreie Dialog
mu¨ndiger Menschen’’ kan ontwikke-
len die tot een rationele en voor de
vertegenwoordigers van de diverse
opties bevredigende oplossing kan
leiden? Is hij niet bevreesd dat een
discussie over een zeer ingrijpende
herziening van het publieke bestel,
met daarnaast een op veel simpeler
voorwaarden functionerende en
florerende commercie¨le omroep, zeer
nadelig zal uitpakken voor de
toekomstmogelijkheden voor welke
optie in dat publieke debat dan ook –
compromis of niet – die voor het
publieke bestel bedacht is o`f kan
worden?
Mijnheer de voorzitter! Ik wil nog
kort ingaan op een tweetal concrete
punten. In de eerste plaats betreft
dat het amendement-Beinema,
beogende om in de wet te explicite-
ren dat de toestemming voor
commercie¨le omroepinstellingen om
programma’s te verzorgen door
middel van draadomroep via analoge
interpretatie van de overgangsbepa-
lingen van rechtswege eveneens op
vijf jaar gesteld wordt. De staatsse-
cretaris heeft zich inhoudelijk
akkoord verklaard met de intentie
van dit amendement en voegde
daaraan toe dat dit punt zich in de
praktijk niet zou voordoen, omdat
dergelijke aanvragen nog niet
gedaan waren en in ieder geval niet
voor 1 januari a.s. tot een afronding
zouden komen. Kan de staatssecreta-
ris deze uitspraak en de feiten
waarop die uitspraak toen betrekking
had nogmaals bevestigen?
Het tweede punt betreft de
ontwikkeling van de nieuwe
technologische mogelijkheden, zoals
abonnee-TV, Internet en de elektroni-
sche snelweg, waarover het kabinet
binnenkort een nationaal actieplan
presenteert, betrekking hebbend op
de media dan wel allerlei technologi- sche mogelijkheden. Mijn vraag is:
wanneer kunnen wij dat actieplan
verwachten en wil de bewindsman
toezeggen dat hij erop zal toezien dat
ook de huidige publieke omroepen
bij de ontwikkeling van deze nieuwe,
technologische mogelijkheden op
redelijke basis kunnen participeren?
Zou dat ook zijns inziens niet de
meest adequate en gezaghebbende
uitwerking zijn van zijn interpretatie
van de toespraak van minister
Wijers, de minister van Economische
Zaken, enkele weken geleden in de
Grote Kerk hier ter stede gedaan?
Voorzitter! Mijn fractie wacht met
grote belangstelling de antwoorden
van de staatssecretaris af.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-403">

 
<spreker pagina="11-403" anker="146" partij="D66" naam="Tuinstra">
 Mijnheer
de voorzitter! Ik sluit mij graag aan
bij de hartelijke woorden van
welkom die u tot de staatssecretaris
heeft gericht. Het lijkt mij een groot
voorrecht, cultuur in je portefeuille te
hebben, al moet ik eraan toevoegen
dat het onderdeel ’’media’’ mij niet
het gemakkelijkste lijkt. Maar
gelukkig zal het niemand verbazen
dat de fractie van D66 dit wetsvoor-
stel steunt.
Op 19 april van dit jaar hadden wij
zulke grote bezwaren tegen de
periode van tien jaar dat wij tegen
het desbetreffende wetsvoorstel
hebben gestemd. Wij vinden het van
besluitvaardigheid van de staatsse-
cretaris getuigen dat hij deze
wijziging met spoed aan beide
Kamers heeft voorgelegd. Dit wil
natuurlijk niet zeggen dat wij ook
tevreden zijn met het reilen en zeilen
van de media gedurende de laatste
maanden, integendeel. Duidelijk is
dat voor versterking van de publieke
omroep meer nodig is dan het
terugbrengen van de concessie-
termijn van tien naar vijf jaar.
Daarvoor is een visie op het
mediabeleid nodig en met name op
de rol van de overheid daarbij.
Ik heb uit alle chaotische
toestanden begrepen dat de
staatssecretaris niet alleen al een
visie heeft, maar dat hij die zelfs
binnenkort in een of andere vorm
naar buiten zal brengen. Misschien
wil hij ons onthullen in welke vorm
dat zal zijn. Wij hebben in het
verleden al veel nota’s gehad, maar
wellicht komt er nu een van zijn
hand, waarin hij ons heel duidelijk
zal maken in hoeverre deze kleine
verbetering daadwerkelijk zal
bijdragen aan versterking van de
publieke omroep, zoals ons allen
voor ogen staat.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-403">
<spreker pagina="11-403" anker="147" partij="VVD" naam="Van den Broek-Laman Trip">
 Mijnheer de voorzitter!
Ook de fractie van de VVD heet de
staatssecretaris van harte welkom. Ik
ken hem al heel lang en ik vind het
geweldig dat wij elkaar op deze
manier weer tegenkomen.
Vandaag spreken wij over het
verkorten van de concessietermijn
voor de omroeporganisaties van tien
tot vijf jaar. Mijn fractie was zeer
tevreden met dat ene, kleine zinnetje
in het regeerakkoord. Er waren velen
in deze Kamer die in april niet
gelukkig waren met de wet zoals die
toen voorlag. De fractie van de VVD
stemde daar met overtuiging tegen.
Vandaag behoeft men van mijn
fractie geen diepgravende beschou-
wingen te verwachten over de
toekomst van het omroepbestel. De
onrust in omroepland maakt het zeer
verleidelijk om nu een standpunt te
formuleren maar mijn fractie zal zich
beheersen en de discussie aan de
overzijde met belangstelling volgen.
Daar hoort het inhoudelijke debat
over deze materie thuis.
De regering stelt in haar nota naar
aanleiding van het verslag, gericht
aan de Tweede Kamer, dat zij eind
1995 een aanzet zal geven voor het
debat over de verre toekomst van de
publieke omroep. Bij het opstellen
van die aanzet zal zij de belangheb-
benden en onafhankelijke deskundi-
gen intensief betrekken. Kan de
staatssecretaris aangeven of, gelet
op de huidige situatie, het opstellen
van die aanzet tijdig zal plaatsvin-
den? Wanneer gebeurt er wat? Ik
vind dit erg vaag en ik heb de indruk
dat haast geboden is. Wij constate-
ren dat velen constructief betrokken
willen zijn bij dit debat. Het is een
interessant gegeven dat ook de
programmamakers hebben aangege-
ven dat zij zich graag in deze
discussie willen mengen. Wij hopen
dat zij er inderdaad nadrukkelijk bij
betrokken worden. Zij zijn zeer
deskundig op dit terrein. Wij
stemmen in met deze wetswijziging.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-404">

 
<spreker pagina="11-404" anker="148" partij="GPV" naam="Veling">
 Mijnheer de
voorzitter! De staatssecretaris typeert
dit voorstel in de memorie van
toelichting als een combinatie van
’’het bieden van veeljarige zekerheid
met de mogelijkheid om tijdig in te
spelen op de nieuwe ontwikkelingen
die in de komende jaren op ons af
zullen komen in de omroepsector.’’.
Nu was de vorige wijziging van de
Mediawet ook al daarop gericht. Een
zo sterk mogelijke publieke omroep
vroeg, zo vond de wetgever, een
tienjarige zekerheid. Zo kon het de
omroeporganisaties in onderlinge
samenwerking beter mogelijk
worden gemaakt om in te spelen op
de toekomstige ontwikkelingen. Meer
zekerheid zou de voorwaarden
kunnen scheppen voor een sterk
toekomstgericht beleid. Dat was de
verwachting van de meerderheid die
destijds akkoord ging met de
wijziging van de Mediawet.
In de geciteerde typering van het
voorliggende wetsvoorstel klinkt een
zekere tegenstelling door, namelijk
tussen zekerheid en het inspelen op
veranderingen. Heb ik gelijk als ik de
formulering van de staatssecretaris
als volgt parafraseer? De voorge-
stelde wijziging combineert een
verminderde meerjarige zekerheid
voor de omroeporganisaties met
vergroting van de mogelijkheden
voor de politiek om in te grijpen in
de omroepsector. Voorzitter! Het lijkt
erop dat het kabinet, waar het gaat
om de mogelijkheden om adequaat
in te spelen op de nieuwe ontwikke-
lingen, zichzelf meer vertrouwt dan
de omroeporganisaties zelf. Onze
fracties – ik spreek mede namens de
fracties van RPF en SGP – stralen
niet van vertrouwen in de omroepor-
ganisaties maar wij zijn ook niet
zonder meer geneigd, de
herstructureringsvoornemens van
het kabinet met vertrouwen af te
wachten. In elk geval vinden wij het
niet juist dat de wetgever al zo snel
na de instelling van een tienjarige
concessietermijn de omroepen
alweer korter wil aanlijnen. Wij zullen
het wetsvoorstel dan ook niet
steunen.
Ik sluit dit betoog af met een
vraag. Graag verneem ik van de
staatssecretaris wat hij zich voorstelt
van zijn bemoeienissen met de
omroeporganisaties gedurende de
looptijd van de eerste concessie-
termijn. Er volgt een discussie maar
zullen de vijf jaren die de eerste
termijn omvatten, jaren van politieke
terughoudendheid zijn ten opzichte
van het feitelijke functioneren van de
omroeporganisaties?
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-404">

 
<spreker pagina="11-404" anker="149" partij="PvdA" naam="Van der Meer">

Mijnheer de voorzitter! Ik had voor
mijn bijdrage zo weinig tijd nodig dat
ik dacht dat ik het in de vorm van
een stemverklaring kon doen. Echter,
als er geen stemming is, kun je geen
stemverklaring houden en daarom
schaar ik mij in de rij van sprekers.
Bij de behandeling van de
Mediawet in deze Kamer was een
van de bezwaren van mijn fractie dat
het publieke bestel voor tien jaar
werd dichtgetimmerd. Het spreekt
dan ook vanzelf dat wij het verkorten
van de concessieperiode tot vijf jaar
een verbetering vinden. Wij zien
verdere wijzigingen van de Mediawet
met veel belangstelling tegemoet.
We`l moet ons nog van het hart dat
wij treurig zijn over het feit dat
inmiddels de splitsing van de NOS
vrijwel is gee¨ffectueerd. Dat is straks
wellicht het enige dat is overgeble-
ven van deze Mediawet. Dat spijt ons
buitengewoon.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-404">

 
<spreker pagina="11-404" anker="150" soort="Staatssecretaris" naam="Nuis">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik dank de geachte
afgevaardigden voor hun opmerkin-
gen en hecht eraan, te zeggen dat ik
blij ben dat ik, na zo’n acht jaar van
omzwervingen aan de overkant, weer
in uw midden kan verkeren, in een
e`chte vergadering. Het gaat wel om
een andere ruimte en om een wat
ongewoon uur – en ook zie ik nogal
wat nieuwe gezichten van mensen
met wie ik althans hier nog niet
eerder van gedachten wisselde –
maar het is toch onmiskenbaar
hetzelfde ’’huis’’. Dat huis wordt vaak
’’chambre de reflexion’’ genoemd
maar nooit door mij, want vertaald
komt dit al gauw neer op een ’’huis
van weerkaatsing’’ en dat is de
Eerste Kamer in mijn ogen nooit
geweest, zelfs niet in mijn tijd. Ik heb
dan ook met grote belangstelling en
ook met enige zorg afgewacht met
welke nieuwe kritische reflecties de
Kamer het eerste hier door mij te
presenteren wetsontwerpje zou
bejegenen. Gelukkig leiden de
betogen van de sprekers niet tot zeer
lange beschouwingen mijnerzijds. Ik
zeg daarmee niet dat de gemaakte
opmerkingen niet indringend waren;
ze maken een korte reactie mogelijk.
De heer Kuiper wijs ik erop dat dit
wetsvoorstel aan de overzijde nogal
wat poe¨zie heeft losgemaakt, van
Van den Woestijne en van Elsschot.
Echter, toen ik de heer Kuiper hoorde, dacht ik even aan Kloos: ’’Ik
ween om bloemen, in den knop
gebroken’’... Dat kwam omdat hij het
woord ’’destructief’’ gebruikte, zij het
niet in staatsrechtelijke zin want dan
had hij mij die vraag niet behoeven
voor te leggen. Dat ben ik natuurlijk
niet van mening; ik ga geen
wetsvoorstel verdedigen dat
destructief voor zichzelf zou zijn. Hij bedoelt het meer als volgt: u bent
bezig het wezen, de kern van het
wetsvoorstel te ondergraven door
het terugbrengen van de concessie-
termijn van tien tot vijf jaar. U breekt
de muur af, juist nu de storm
opsteekt en het water stijgt.
Voorzitter, het kabinet kent een
andere overweging. Het tegendeel is
het geval. Ook het kabinet is
pleitbezorger van een sterke en
herkenbare publieke omroep. Dit
staat ook in het regeerakkoord. Het is
onze vaste overtuiging dat die sterke
en herkenbare publieke omroep
beter gediend is bij de flexibiliteit die
een kortere concessietermijn
inhoudt, met grotere wendbaarheid,
juist voor de nieuwe ontwikkelingen
die zich voordoen.
Toen ik in de Tweede Kamer dit
wetsvoorstel verdedigde, ging het
nog om andere actuele ontwikkelin-
gen. Zij volgden elkaar echter zo snel
op, dat wij nu te maken hebben met
een dreiging van buiten die op de
publieke omroepen af komt en die
aanzienlijk groter is. Wij weten nog
niet precies hoe het gaat. Wij zijn
ook ietwat sceptisch geworden of het
niet nog weer anders gaat. Zoals het
er nu naar uit ziet, zouden wij te
maken kunnen krijgen met vier
commercie¨le televisiezenders in een
hand, gericht op de Nederlandse
kijkersmarkt, plus een onbekend
aantal radiozenders en een situatie
van de publieke omroep die heel
goed tot een zekere marginalisering
zou kunnen leiden. In die situatie
kunnen wij niet de ogen sluiten voor
het feit dat het nodig zal zijn om tot
een ernstig en diepgaande zelfonder-
zoek van de publieke omroep te
komen, om ervoor te zorgen dat het
evenwicht wordt bewaard. Dat zal
absoluut nodig zijn. Wij denken dat
dit met een kortere termijn, die het
bestel wendbaarder maakt, beter kan
worden bereikt dan met die termijn
van tien jaar. Die termijn van tien
jaar biedt weliswaar een zekere
aanblik, maar onder deze omstandig-
heden zou dat wel eens een
schijnzekerheid kunnen zijn. Ik heb
dat ook in de Tweede Kamer al
gezegd.
Door de heer Kuiper en anderen is
gevraagd hoe ik mij de discussie
voorstel die daarover moet worden
gevoerd en op welk tijdstip dat moet
gebeuren. Er is ook gevraagd of het
niet wat sneller kan. Ik denk dat het
nodig is dat dit sneller gebeurt. Ik
heb vandaag een brief naar de
Tweede Kamer gestuurd, die mij
daarom had verzocht bij de regeling
van werkzaamheden van afgelopen
dinsdag, waarin ik een eerste reactie
geef op de situatie die nu is
ontstaan, met de dreiging die ik
zojuist beschreef. In die brief staan
eigenlijk twee dingen. Het ene is dat
wij met gezwinde spoed zullen
onderzoeken in hoeverre de
commercie¨le combinatie, de
machtsconcentratie die nu lijkt te
ontstaan, in overeenstemming is met
het Nederlandse en Europese
mededingingsrecht. Dat is als het
ware het toetsingselement. Het
andere is dat ik de Kamer heb
beloofd, de discussie over vorm en
inhoud van de publieke omroep die
ik voor het najaar had beloofd,
zoveel mogelijk naar voren te halen.
Ik heb beloofd om al in de eerste
maanden van het volgende jaar,
uiteraard gehoord de publieke
omroep zelf, te komen met een plan
van aanpak. En dat is nog iets anders
dan een afgeronde discussie.
Kortom, het is tijd om ook in de
publieke omroep alle hens aan dek te
roepen. Mijn hoop is dan dat oude
discussies die vruchteloos, want
onoplosbaar leken, zoals de heer
Kuiper zojuist aanduidde, in die
nieuwe situatie, onder de druk van
de omstandigheden, wel tot
vruchtbare conclusies kunnen leiden.
Mevrouw Tuinstra heeft gevraagd
naar de visie. Ik heb al gezegd langs
welke weg ik daar hoop te komen.
En dat is een snelle weg.
De heer Kuiper heeft nog
gevraagd om een herbevestiging van
wat ik in de Tweede Kamer heb
gezegd over het amendement-
Beinema. Wat ik toen zei, geldt nog
steeds. Er zijn geen nieuwe
aanvragen die dat beeld verstoren,
zodat het amendement-Beinema in
feite niet nodig was. Wij zitten nu zo
dicht bij 1 januari dat wij gevoeglijk
kunnen aannemen dat dit ook zo zal
blijven.
Het nationaal actieplan voor de
elektronische snelwegen zal morgen
worden gepresenteerd op een
persconferentie. Het is verleden week
door de ministerraad gegaan. Men
krijgt dit dus binnen de kortst
mogelijke keren te zien. Wij hebben
er in dat actieplan naar gestreefd om
zoveel mogelijk te voorkomen een
verwarrende samenloop van twee
discussies. Dat is de discussie over
het open maken van de nieuwe
technologische ontwikkelingen en die
van het mediabeleid in engere zin,
zoals wij die hier voeren. Uiteraard
hebben die discussies hun raakvlak-
ken, maar het zou heel ongelukkig
zijn als wij de zaken zo door elkaar
halen dat als het ware elke uitspraak
die wordt gedaan over de toekomst
van Internet en aanverwante zaken,
onmiddellijk wordt toegepast op het
probleem waarover wij het vandaag
hebben.
De heer Kuiper vroeg of in die
nota al beschreven is dat de publieke
omroep de ruimte krijgt voor de
nieuwe diensten, die hij vroeg. Het
antwoord op die vraag is ’’nee’’. Dat
is niet omdat wij het niet willen,
maar omdat wij denken dat het
thuishoort in dat andere traject dat
binnenkort ook zijn vervolg zal
krijgen. Ik heb het elders uitgespro- ken en ik wil het hier ook wel doen:
ik ben er voorstander van dat de
publieke omroep die ruimte krijgt,
die nodig is in de situatie die zich nu
voordoet.
De heer Veling vroeg of hij dat
verminderen van de vele jaren
zekerheid zo mocht opvatten dat er
minder zekerheid is en meer
ingrijpen van de overheid. Zo stelde
hij dat. Waar wij de komende
periode voor komen te staan, is de
noodzaak tot zelfonderzoek van de
deelnemers aan de publieke omroep,
daarbij krachtig geholpen en
bijgestaan door een door de
overheid te ontwikkelen visie. Ik denk
dat dit is waar het om gaat. Het is
niet de komende tijd een tegenstel-
ling tussen politiek en de deelnemers
aan de publieke omroep. Ik hoop en
verwacht dat althans niet. Ik denk dat
wij in een situatie verkeren, waarin
wij al onze vindingrijkheid zullen
moeten bundelen om te vinden waar
ook deze regering voor staat blijkens
het regeerakkoord. En dat is een
sterke herkenbare, publieke omroep;
niet voor vijf jaar en niet voor tien
jaar, maar voor vele jaren daarna.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-405">

 
<spreker pagina="11-405" anker="151" partij="CDA" naam="Kuiper">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik was mij ervan bewust
dat dit de eerste keer was dat een
oud-lid van deze Kamer, de heer
Nuis, in een andere rol hier optrad. Ik
begrijp dat hij ook hoopte dat het
begrip ’’chambre de reflexion’’ hier
op verschillende manieren zou
kunnen blijken. Wanneer hier toch
voornamelijk van weerkaatsing van
het wetsvoorstel dat voorligt en dus
van bevestiging daarvan sprake is,
ligt het ongetwijfeld aan de materie
die in het geding is. Dan ben ik in elk
geval tevreden dat ik de staatssecre-
taris in zijn verwachtingen bediend
heb dat er nog andere manieren van
reflectie mogelijk zijn over een
wetsvoorstel dat aan deze Kamer
wordt voorgelegd.
De staatssecretaris heeft, evenals
in de Tweede Kamer, poe¨tisch
geantwoord. Toen was hij ook
poe¨tisch uitgedaagd. Ik moet
bekennen dat ik naar dit debat het
werkje ’’De Balenkraai, kronieken uit
oud-Nederlands-Guinea’’ heb
meegenomen, al was het alleen
maar om het even vast te houden. Ik
heb er geen passend citaat in
gevonden, als dat al passend
geweest zou zijn in het licht van het
debat dat thans aan de overzijde
wordt gevoerd.
Ik dank de staatssecretaris voor
zijn toezeggingen en de manier
waarop hij zijn persoonlijke
invalshoek heeft weergegeven ten
aanzien van de mogelijkheden voor
de huidige publieke omroepen om
op een redelijke wijze te participeren
in nieuwe technologische mogelijk-
heden. Dit punt is ook al in debat in
april aan de orde geweest. Ook de
voorgangster van de huidige
bewindsman heeft zich daar in
beginsel positief over uitgelaten. In
confesso was en is natuurlijk dat
daar mogelijk enkele wijzigingen van
de Mediawet voor nodig zijn. Ik
begrijp dat de staatssecretaris ook de
impliciete toezegging heeft gedaan
dat hij dit, als het nodig zou zijn, zal
bevorderen.
Als het gaat om de redengeving
voor deze belangrijke wijziging van
de in april door deze Kamer en ook
door de Tweede Kamer aangenomen
Mediawet, was het woord ’’destruc-
tief’’ toch in eerste instantie wel
staatsrechtelijk bedoeld. Het was niet
bedoeld als term tegenover de
staatssecretaris, omdat deze zich in
zijn inbreng in het Tweede-
Kamerdebat aanzienlijk genuanceer-
der heeft uitgelaten dan bijvoorbeeld
de woordvoerster van de PvdA-
fractie, die als reden gaf voor haar
voorstemmen voor dit wetsontwerp,
dat het geen rust beoogt te brengen;
en dit is mijns inziens in strijd met
de considerans van de wet. Voor de
historische interpretatie van de
gedachtenwisseling rond de
gevolgen van de mediawetgeving
vond ik het toch van belang om dat
vast te stellen, maar het was
inderdaad niet tegenover de
staatssecretaris bedoeld, die zich in
zijn eigen reactie op een waaier van
meningen uit de Tweede Kamer
genuanceerder heeft opgesteld.
Het woord ’’destructief’’ noemde ik
mede, mijnheer de voorzitter, om het
ook nog in tweede instantie te
kunnen gebruiken. In het bedrijfsle-
ven is er soms sprake van een
creatieve chaos of van creatieve
destructie die men teweeg wil
brengen, om vanaf de basis weer
opnieuw een stelsel te kunnen
herzien. De staatssecretaris treft
enigszins het door hem zelf gekozen
lot om misschien de geschiedenis in
te gaan – maar de geschiedenis van
het kabinet duurt natuurlijk nog
langer – als een staatssecretaris van
stelselherzieningen. Dat zou ook van
toepassing kunnen zijn op de
stelselherziening van de omroep. Ik
begrijp uit datgene dat hij erover
gezegd heeft, dat hij zich inderdaad
open wil opstellen en dat hij van
mening is, dat tussen de behande-
ling in de Tweede Kamer van deze
wetswijziging en de behandeling
ervan in deze Kamer, de dreigingen
voor datgene dat toch vertegenwoor-
digd wordt door de publieke omroep,
toegenomen zijn. Ik ga ervan uit dat
dit ook zal blijken uit zijn opstelling,
in de komende jaren, tijdens het
’’inspirerende en fundamentele
debat’’.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="11-406">

 
<spreker pagina="11-406" anker="152" soort="Staatssecretaris" naam="Nuis">
 Voorzitter! Ik
realiseer mij dat ik het woord
’’weerkaatsing’’ weliswaar geheel
misplaatst – dat had ik ook al gezegd
– ten aanzien van de Eerste Kamer
vond, maar ik realiseer mij nu dat
het eigenlijk wel een woord is dat
aan de basis ligt van de techniek van
de omroep. Dus misschien was het
wat dit betreft toch op zijn plaats, want daar gaat het tenslotte om: het
is allemaal weerkaatsing.
Naar aanleiding van hetgeen de
heer Kuiper zei over eventuele
wetswijzigingen, merk ik het
volgende op. Ik denk dat in het
traject van het ’’plan van media-
aanpak’’ ongetwijfeld ook zal moeten
worden bezien of bepaalde wetswijzi-
gingen noodzakelijk zijn. Dit is niet,
omdat ik er zo dol op ben om u bij
wijze van spreken elke week opnieuw
te verrassen met een nieuwe
wijziging van de Mediawet, maar de
zaken liggen er daartoe en als dat
nodig is, moeten wij daar natuurlijk
niet over aarzelen.
De gedachte van de heer Kuiper
van de creatieve destructie – een
Schumpeter-term, als ik het goed
heb – is in ieder geval niet in dit
geval mijn leidende gedachte bij de
taak die voor ons ligt. Inderdaad zal
stelselherziening ook in dit opzicht
noodzakelijk zijn, niet zozeer omdat
ik zo’n rabiate voorstander ben van
stelselherzieningen op zichzelf, maar
omdat de situatie daartoe aanleiding
geeft en dan moet je het ook aan
kunnen pakken. Mijn weg zal er niet
een zijn van de creatieve destructie,
maar meer een van de stelsel-
ontwikkeling. Ik denk dat je zeker in
de omstandigheden waarin wij nu
zijn, snel en voortvarend moet
handelen, maar je moet niet de
goede en soms uitstekende
elementen die ons bestel eigen zijn,
ook op dit gebied, wegwerpen met
de gedachte dat er dan wel iets
creatiefs voor in de plaats aan zal
komen. De druk van buiten is
daarvoor net iets te groot, maar op
zichzelf lijkt het mij beter om zulke
dingen aan te pakken met voortva-
rendheid, maar ook met een gevoel
voor continuı¨teit.
De beraadslaging wordt gesloten. 

</spreker>
<spreker pagina="11-406" anker="153" naam="De voorzitter">
 Er wordt stemming
gevraagd. Deze zal plaatsvinden
morgen direct na de middagpauze.

</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


