<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2028]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, de Ziekenfondswet en de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies in verband met de invoering van een premievrije voet voor het werkgeversdeel van de procentuele premie voor de ziekenfondsverzekering (Wet invoering franchise ZFW-premie) (23964)</item>
<item attribuut="Bestand"> 69 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Sociale zekerheid (Sociale verzekeringspremies)
Gezondheidszorg (Zorgverzekeringen)</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Ziekenfondspremies</item>
<item attribuut="Dossiernr">23964</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 9, Eerste Kamer, pag. 407-419</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">21-12-1994</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2028</item>
<item attribuut="Omvang">13 pag.</item> 
<item attribuut="vergadering">12de vergadering</item>
<item attribuut="dag">Woensdag</item>
<item attribuut="datum">21 december 1994</item>
<item attribuut="aanvang">Aanvang 9.00 uur</item>
<item attribuut="kamer">Eerste Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Franchise ZFW</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Loonkostensubsidie</item>
<item attribuut="doccode">EK 12</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="12-407">

Tegenwoordig zijn 72 leden, te weten:
Baarda, Baarveld-Schlaman,
Barendregt, Van den Berg, De Boer,
Boorsma, Van Boven, Van den
Broek-Laman Trip, Coenemans, Van
Dijk, Ermen, Eversdijk, Fleers,
Gelderblom-Lankhout, Van Gennip,
Van Gijzen, Ginjaar, Glasz, Van
Graafeiland, Grol-Overling, Heijmans,
Heijne Makkreel, Hilarides, Hoefna-
gels, Holdijk, Huberts-Fokkelman,
Jaarsma-Buijserd, Kassies, Korthals
Altes, Van Kuilenburg-Lodder, Kuiper,
Van Leeuwen, Van Leeuwen-Schut,
Luimstra-Albeda, Luteijn, Mastik-
Sonneveldt, Van der Meer, Mertens,
Van der Meulen, Michiels van
Kessenich-Hoogendam, Van Muijen,
Pit, Pitstra, Postma, Pro¨pper,
Redemeijer, Rongen, De Savornin
Lohman, Schinck, Schuurman,
Schuyer, Spier, Staal, Steenkamp,
Stevens, Talsma, Tiesinga-Autsema,
Tjeenk Willink, Tuinstra, Tummers,
Van Veldhuizen, Veling, Van Velzen,
Verbeek, Vermaat, Vis, Vrisekoop,
Wagemakers, Van Wijngaarden, Van
de Zandschulp, K. Zijlstra en R.
Zijlstra,
en de heer Zalm, minister van
Financie¨n, mevrouw Borst-Eilers,
minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport, mevrouw Netelen-
bos, staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen, de heren
Vermeend, staatssecretaris van
Financie¨n, en Linschoten, staatsse-
cretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.

<blok pagina="12-407">

 
<spreker pagina="12-407" anker="299" naam="De voorzitter">
 Ik dank allen die
ervoor gezorgd hebben dat het
quorum aanwezig is. 

</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="12-407">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Coo
¨ rdinatiewet Sociale
Verzekering, de Ziekenfondswet
en de Wet aanpassing uitkerings-
regelingen overheveling opslag-
premies in verband met de
invoering van een premievrije
voet voor het werkgeversdeel
van de procentuele premie voor
de ziekenfondsverzekering (Wet
invoering franchise ZFW-premie)
(23964).
De beraadslaging wordt geopend.

<blok pagina="12-407">

 
<spreker pagina="12-407" anker="300" partij="CDA" naam="Boorsma">
 Mijnheer
de voorzitter! Wetsvoorstel 23964 zal
zeker gepubliceerd worden. Ik hoop
alleen niet in het Staatsblad, maar
wel in de leerboeken economie. De
belangrijkste stroming van de
macro-economie is thans de
neo-klassieke economie, die ook ten
grondslag ligt aan de meeste
voorstellen van het Centraal
planbureau en aan het regeringsbe-
leid gericht op werkgelegenheids-
bevordering.
In de neo-klassieke economie
wordt uitgegaan van redelijk
geı¨nformeerde, rationele actoren.
Een overheid kan proberen via
begrotingsmaatregelen de particu-
liere investerings- en consumptie-
plannen te beı¨nvloeden. Via
verrassing of ’’fooling’’ is een tijdelijk
effect op de werkgelegenheid te
sorteren. Het kabinet wil zo’n
fooling-beleid volgen door een
rijksbijdrage bij het WW-fonds weg
te halen. Dit heeft een negatief effect
op de werkgelegenheid van
ongeveer 21.000 arbeidsplaatsen.
Deze rijksbijdrage wordt gegeven
aan de centrale kas van de zieken-
fondsen. Dit heeft een positief effect
van ongeveer 22.000 arbeidsplaat-
sen. Het kabinet beweert dan dat er
per saldo een positief effect zal
optreden op de werkgelegenheid van
1000 arbeidsplaatsen. Dit gebeurt
niet in 1995, maar in 1998.
Het kabinet verwijst naar de
berekeningen van het Centraal
planbureau. Ik begrijp de logica van
het wetsvoorstel ook wel. De
franchise te zamen met de verschui-
ving in de rijksbijdrage van WW naar
SFW plus de verhoging van de
ziekenfondspremie voor werkgevers
boven de franchise kan leiden tot de
inschakeling van meer goedkope
krachten en van minder duurdere
krachten. Dat de modelberekening
tot die saldo-uitkomst komt,
begrijpen wij.
Maar, mijnheer de voorzitter, het is zoals de Engelsen zeggen: much ado
about nothing. Er wordt heel wat
overhoop gehaald, terwijl het
saldo-effect op de werkgelegenheid
verwaarloosbaar klein is. Duizend
arbeidsplaatsen extra is mooi in de
werkelijkheid, maar als reken-
uitkomst op papier is het niets.
Voorzitter! Los van het model
hebben Keynes en anderen gewezen
op het belang van de zogenaamde
’’animal spirits’’ van de onderne-
mers. Waarom zou een ondernemer
extra mensen aannemen, als de
produktiefactor arbeid niet echt
goedkoper wordt en als bovendien
volstrekt onduidelijk is of de gekozen
maatregel tijdelijk of structureel is?
De thans gekozen franchise wordt
immers na 1995 waarschijnlijk niet
gecontinueerd. Of wel?
Voorts hebben wij te maken met
een forse bezuinigingsproblematiek.
Leert de budgettaire ervaring van de
afgelopen tien jaar niet dat rijks-
bijdragen aan fondsen een gemakke-
lijke prooi zijn voor het kabinet?
Kortom, denkt de minister niet met
mij dat op basis van de neo-klassieke
theorie het bedoelde
werkgelegenheidseffect zich hooguit
kan voordoen als de ondernemers de
zekere verwachting kunnen hebben
dat de maatregelen deel zullen
uitmaken van een bestendig beleid?
Overigens, wat is het effect in het
eerste jaar op de werkgelegenheid,
dus in 1995, volgens het gehanteerde
FKSEC-model?
Aan de overzijde is een enkele
opmerking gemaakt over de
onzekerheid. Ik heb het model niet
nader bestudeerd, maar ik vermoed
dat die uitkomst zou kunnen
wegvallen als niet-significant. Graag
hoor ik de reactie van de minister op
dat technische punt. Politiek is het alleszins beladen: het gaat om wel of
geen effect. Een effect is wel duidelijk: de wet
kost ons allen 0,25 mld. in de fiscale
sfeer. Dat wordt dus door de
gemeenschap opgebracht. Er zijn
nog meer negatieve effecten. Er is
kans op oneigenlijk gebruik. Kent de
minister het eindrapport van de
sub-werkgroep premies van de
heroverwegingswerkgroep
’’misbruikgevoeligheid van de
regelgeving in de sociale zekerheid’’?
Wat was ook alweer het oordeel van
deze werkgroep over de franchise in
de WAO? Wij kunnen toch leren van
fouten die elders gemaakt zijn? Wat
zijn de fouten ten aanzien van de
franchise in de WAO? Wat hebben de
minister en de staatssecretaris, op
wiens terrein dit meer ligt, daarvan
geleerd? Wat was ook alweer het
oordeel van deze werkgroep van
experts over het hanteren van een
franchise als het gaat om misbruik-
gevoeligheid?
Dan komt nu de klapper in deze trits van drie: wat denken de minister
en de staatssecretaris van de
eventuele combinatie van de reeds
bestaande franchise in de WAO met
de nieuwe franchise in de
Ziekenfondswet? Zou het niet zo
kunnen zijn dat deze twee franchises
te zamen een voordeel oproepen,
niet alleen voor de ene partij, maar
voor beide partijen, namelijk
werkgevers en werknemers om over
te gaan tot functiesplitsing? Er is dan
misschien geen sprake van misbruik,
maar wel van oneigenlijk gebruik van
een wetsvoorstel.
Een ander negatief effect is dat de
administratieve lasten van werkge-
vers zullen stijgen. Ik meende een
inschatting hiervan gevraagd te
hebben. Die vraag is niet beant-
woord. Ik kan dat de bewindslieden
amper kwalijk nemen. Ook bij andere
wetten, bijvoorbeeld van het
ministerie van Financie¨n die vaak
een verzwaring inhouden van de
administratieve lasten, zien wij zelden zo’n kwantificering. Maar dan:
wat was ook alweer op papier het
beleden streven van het kabinet, met
name van de staatssecretaris van
Financie¨n over de administratieve
lasten voor de werkgevers? Kennen
de bewindslieden dat streven van het
kabinet?
Voorzitter! Waarom is dit
wetsvoorstel ingediend? Het enige
positieve effect is dat er sprake is
van een koopkrachtverbetering voor
ziekenfondsverzekerden. Daartoe
behoren ook groepen verzekerden
voor wie per definitie geen
werkgelegenheidseffect kan
optreden, zoals ziekenfonds-
verzekerden ouder dan 65 jaar. Er is
overigens van verschillende kanten
op gewezen dat deze koopkracht-
maatregel, die 0,25 mld. kost en dus
wordt opgebracht door de hele
Nederlandse gemeenschap, niet ten
goede komt aan de niet-
ziekenfondsverzekerden, met name
de kleine zelfstandigen. Juist omdat
het wetsvoorstel eigenlijk alleen een
selectieve koopkrachtmaatregel is,
rijst de vraag of zo’n selectieve
bevoordeling rechtvaardig is. Ziet het
kabinet de onrechtvaardigheid
daarvan niet in?
Voorzitter! De eerste keer dat ik
mevrouw Borst-Eilers ontmoette,
was in het kader van de discussie
over de plannen van de commissie-
Dekker. Zij klaagde daarbij –
begrijpelijk, ik zeg daar geen kwaad
woord over – dat de discussie toen
alleen ging over kosten en financie¨n
en zo weinig over zorg, waar het
echt om behoort te gaan. Nu moet zij
als minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport nota bene deze
koopkrachtmaatregel verdedigen.
Wat heeft die te maken met hetgeen
waarvoor zij primair verantwoordelijk
is, namelijk volksgezondheid en
welzijn?
Wie gelooft er eigenlijk in het
werkgelegenheidseffect? Wie vindt
dat hier een goed wetsvoorstel ligt,
dat de werkgelegenheid inderdaad
bevordert? De Raad van State was
zeer negatief. De Ziekenfondsraad
was verdeeld. Kan de minister of de
staatssecretaris ons vertellen wat het
advies ook alweer was van de
betrokken commissie van de
Ziekenfondsraad? Was daar ook
sprake van verdeeldheid? Ik ben
benieuwd naar het antwoord.
Mijnheer de voorzitter! Wij hebben
de afgelopen jaren verschillende
malen meegemaakt dat vele fracties
in dit huis over verschillende
wetsvoorstellen kritisch waren. Ik
ben erg benieuwd naar hun
opstelling bij dit voorstel. Ik herinner
onder andere de fractie van D66 aan
hetgeen hun voorzitter, collega Vis,
heeft gezegd tijdens de algemene
politieke beschouwingen over de rol
van dit huis. Ik citeer. Als de waarde
van deze Kamer ergens ligt, dan ligt
die niet in een of andere politieke
concurrentie met de Tweede Kamer,
maar in de aandacht voor de
wetgeving, de wetgeving in tweede
instantie. Later zegt hij over
initiatiefwetten, maar wat in mijn
ogen volop van toepassing is bij deze wet: Deze Kamer zou zichzelf de
vraag moeten stellen of er door haar
als tweede wetgevende instantie wel
met voldoende zorgvuldigheid is
gehandeld en of er niet wat meer
reflectie had moeten plaatsvinden
over de kwaliteit van de voorstellen,
los van de politieke context waarin
die worden gepresenteerd.
Mijnheer de voorzitter! Ik ben erg
benieuwd naar de behandeling van
dit wetsvoorstel van de zijde van de
fractie van D66. Ik ben het namelijk
volstrekt met de heer Vis eens. Ik
herinner aan de beschouwingen van
VVD-collega Heijmans over eerdere
wetsvoorstellen met betrekking tot
rijksbijdragen aan sociale fondsen. Ik
ben niet alleen zeer benieuwd naar
de antwoorden van de minister, want
daarover heb ik wel zo’n vermoeden,
maar meer nog naar de argumenten
van de collegae van andere fracties.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-408">
<spreker pagina="12-408" anker="301" partij="D66" naam="De Savornin Lohman">
 Voorzitter! Het doet mij
bijzonder genoegen dat niet alleen
de regering maar ook het CDA in de
persoon van collega Boorsma naar
de mening van D66 uitkijkt. Dat is
een vrij nieuwe situatie en die
spreekt mij aan. 

</spreker>
<spreker pagina="12-408" anker="302" partij="CDA" naam="Boorsma">
 Dat heb ik
altijd gedaan.
Mevrouw De Savornin Lohman
(D66): Voorzitter! Het voorliggende
wetsvoorstel vormt een onderdeel
van het instrumentarium dat de
regering inzet om werk tot de derde
te bereiken en behoort niet bepaald
tot de fraaiste instrumenten die
hierbij worden gehanteerd. Ik zal in
kort bestek een paar van onze
bezwaren opsommen.
De Ziekenfondsraad is verdeeld
over dit voorstel. De Raad van State
is betrekkelijk bezorgd over dit wetsvoorstel. Er is zelfs gezegd:
behoorlijk vernietigend. Met name
het weglekeffect is door deze gremia
benadrukt. De bedoeling is om meer
banen te scheppen. Wat in feite
gebeurt, is dat inkomenspolitiek
wordt bedreven. Daarbij komt de
principie¨le vraag aan de orde of de
ziekteverzekering daarvoor het
gee¨igende instrument is.
De regering heeft in de schriftelijke
voorbereiding toegegeven dat beide
doelstellingen nu worden gediend.
Maar zelfs als inkomenspolitiek
wordt bedreven dan nog is het de
bedoeling gerechtvaardigde
inkomenspolitiek te bedrijven. In dat
verband is het schrijnend te
constateren dat de kleine zelfstandi-
gen, degenen die qua inkomen er
zeker voor in aanmerking komen,
buiten deze regeling vallen. Aan de
andere kant zitten er mensen in het
ziekenfonds, wier inkomenssituatie
geen aanleiding geeft voor extra
steun. Bovendien wordt de omslag
van de kosten berekend in de MOOZ
en de WTZ, waardoor degenen die
niet kunnen profiteren van deze
regeling wel de kosten ervan
voorgelegd krijgen. Mevrouw
Gelderblom heeft op dit effect
gisteravond bij de behandeling van
de wijziging van de Kinderbijslagwet
al gewezen. De fractie van D66 is
hierover verontrust.
Wij hebben lang zitten lezen in wat
zit in de sociale-zekerheidskoffer om
te begrijpen wat er precies gebeurt.
Voor een burger is het allemaal
betrekkelijk moeilijk te volgen. Het
gevolg kan zijn dat velen de
regelgeving naast zich neerleggen en zeggen: zoek het maar uit. Bovendien
zouden degenen die de regels wel
toepassen, daar wel eens slechte
bedoelingen mee kunnen hebben. In
de Tweede Kamer is bij de behande-
ling van dit wetsvoorstel gevraagd
naar de mogelijkheden van fraude.
Die zijn plichtsgetrouw door de
minister uitgelegd. Zij heeft gezegd
dat mensen deeltijdbanen gaan
cree¨ren om twee keer van dit
voordeel te kunnen genieten. Ik
begrijp dat soort dingen niet zo
goed. Zou dat geen aanleiding
kunnen vormen om eens in een
vertrouwelijk overleg dit door te
nemen en niet openbaar te maken
welke handige manieren er zijn om
zo’n wet te ontduiken?
Niet alleen voor burger, maar ook
voor de uitvoeringsorganisaties is de
wet bijzonder complex, omdat
verschillende systematieken worden
gehanteerd. 

</spreker>
<spreker pagina="12-409" anker="303" partij="CDA" naam="Boorsma">
 U maakte
een opmerking over vertrouwelijk
overleg. Het overleg dat wij nu
voeren is niet vertrouwelijk maar
openbaar. Ik zou wel eens willen
weten hoe u, lid van de mede-
wetgevende macht, denkt over de
misbruikgevoeligheid van dit
wetsvoorstel.</spreker>
<spreker pagina="12-409" anker="304" partij="D66" naam="De Savornin Lohman">
 Voorzitter! Bij elke wetgeving,
zeker op dit terrein, waarbij van
verschillende potjes geprofiteerd kan
worden, ontstaat de mogelijkheid
van misbruik. Ik denk dat de regering
dit incalculeert. Dat is een onderdeel
van mijn verhaal. Ik ben tot nu toe
alleen op de negatieve punten
ingegaan, maar mijn betoog is nog
niet klaar. 

</spreker>
<spreker pagina="12-409" anker="305" partij="CDA" naam="Boorsma">
 U spreekt
over ’’incalculeert’’ en als ik dat als
econoom hoor, word ik altijd
nieuwsgierig. Hoezeer is het
ingecalculeerd? Waar vind ik dat
effect verwerkt? Volgens mij is het
pro memorie opgenomen, houdt
men er geen rekening mee en is dit
een van de tegenvallers die worden
verbonden aan dit wetsvoorstel.</spreker>
<spreker pagina="12-409" anker="306" partij="D66" naam="De Savornin Lohman">
 Ik ben ook heel benieuwd naar
wat de regering op dit punt heeft op
te merken. In de schriftelijke voorbereiding is gezegd: wij zullen
het op de voet volgen. Ik wil graag
weten hoe de regering zich dit
voorstelt.
Tot zover onze bezwaren tegen dit
wetsvoorstel. Ik kom nu tot de
positieve kanten. Er is sprake van het
cree¨ren van duizend banen in vier
jaar. Dat is niet bepaald iets om
geweldig blij mee te zijn. Wij
verzoeken de minister en de
staatssecretaris, ons exact uit te
leggen waarom zij in het
besluitvormingsproces, waarvan ik
de negatieve kanten heb geschetst
en waarvan ik ook de positieve
kanten heb proberen aan te geven,
de balans laten doorslaan naar de
positieve zijde.
Het laatste punt dat ik graag hierin
wil betrekken, omdat deze Kamer
vooral de staatsrechtelijke kant van
het proces bewaakt en omdat wij
daaraan ons uiteindelijk oordeel
zullen ophangen, betreft de
stelselherziening. Aan de ene kant is
gezegd dat dit een structurele
maatregel is. Aan de andere kant is
gezegd dat in verband met de
convergentie, het naar elkaar
toegroeien, van de twee
verzekeringssystemen deze
maatregel opnieuw onderwerp van
heroverweging vormt. Daarbij zijn
jaartallen genoemd. Het zou al in
1996 al het geval zijn. Bij de uitleg is
eigenlijk het hele plaatje betrokken.
De minister heeft de extremen
geschetst – volledig nominaal versus
volledig inkomensafhankelijk – en gezegd: binnen die extremen is de
hele zaak weer open. Wil dit zeggen
dat structureel in feite alleen in 1995
betekent of moeten wij ons daarbij
meer of iets anders voorstellen?
De fractie van D66 is heel
benieuwd naar het antwoord van de
regering en zal haar uiteindelijke
oordeel mede hiervan laten
afhangen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-409">
<spreker pagina="12-409" anker="307" partij="VVD" naam="Van Leeuwen-Schut">
 Mijnheer de voorzitter! Het is
nog vroeg maar de heer Boorsma is
bijzonder strijdbaar begonnen. Zijn
toonhoogte steeg, en da`t op mijn laatste dag hier... Ik dacht: waar moet
dat naar toe? Ik zal in elk geval
proberen om het wat gedempter te
doen.
Voorzitter! In de eerste plaats merk
ik op dat mijn fractie de doelstelling
van het kabinet om de werkgelegen-
heid te bevorderen, ondersteunt. Wij
achten dit wetsvoorstel een goed
onderdeel van het werkgelegenheids-
plan. Wij realiseren ons daarbij dat
het resultaat geen spectaculaire
bijdrage vormt maar toch zal men
langs een veelheid van wegen
moeten komen tot het bereiken van de geschetste doelstelling: bevorde-
ring van de werkgelegenheid.
In de tweede plaats onderstreep ik
dat bij het nastreven van die
doelstelling de regelgeving niet te
ingewikkeld mag worden gemaakt.
Juist wat dit betreft zou ’’paars’’
sterk kunnen zijn. Er zijn negatieve
aspecten aan dit wetsvoorstel
verbonden. Het is gevoelig op het
terrein van het oneigenlijke gebruik
terwijl de administratieve-lastendruk
zwaar is. Ik vind de reacties van de
bewindslieden hierop wat mager en
graag zou ik hierop wat meer
toelichting krijgen. Men zal het
oneigenlijk gebruik ’’nauwlettend
volgen’’. Dat is mij wat te gering; ik
denk dat dit wat actiever zou moeten
worden aangepakt. Ik ga ervan uit
dat in elk geval in het jaar 1995
duidelijk wordt hoe men ten aanzien
hiervan tewerk zal gaan. Voorts stelt
de regering dat haar inspanningen
erop blijven gericht om de
administratieve-lastendruk te
verminderen. Ook dat is ons wat te
mager. Die druk moet zonder meer
worden verminderd en wij vragen
ons af wat er tegenover staat
wanneer deze administratieve-
lastendrukverzwaring wordt
’’weggestreept’’ tegen de verminde-
ring die men in gedachten heeft.
Wanneer zal dit worden gee¨ffec-
tueerd?
In de derde plaats wijs ik erop dat
wij deze week met de minister van
SZW hebben gesproken over het
wetsvoorstel-Vermeend/Moor waarbij
aandacht werd gevraagd voor de
’’dunne relatie’’ tussen het inzetten
van premiegelden en rijksbijdragen
en het werkgelegenheidsbeleid. Ook
dit wetsvoorstel heeft daarmee te
maken; de franchise doet de
verzekeringsgedachte geweld aan.
Wij hebben de minister toen
gevraagd of waar was wat ons ter
ore was gekomen, namelijk dat de
SER advies was gevraagd over een
verandering van de systematiek per
1 januari 1996. De minister beves-
tigde dit en gaf aan dat de systema-
tiek inderdaad per die datum zal
worden gewijzigd. Hij denkt aan een
premie- en belastingreductie of aan
een van beide. Het advies moet
hierover meer duidelijkheid bieden. 

</spreker>
<spreker pagina="12-410" anker="308" partij="CDA" naam="Boorsma">
 Mag ik u
even onderbreken?</spreker>
<spreker pagina="12-410" anker="309" partij="VVD" naam="Van Leeuwen-Schut">
 Bent u daar nu weer? 

</spreker>
<spreker pagina="12-410" anker="310" partij="CDA" naam="Boorsma">
 Pardon. U
kent de regels van het huis?</spreker>
<spreker pagina="12-410" anker="311" partij="VVD" naam="Van Leeuwen-Schut">
 Natuurlijk; ga uw gang. 

</spreker>
<spreker pagina="12-410" anker="312" partij="CDA" naam="Boorsma">
 Dank u.
Voorzitter! Graag verneem ik wat de
mening van mevrouw Van Leeuwen
is over die zogenaamde aantasting
van de verzekeringsgedachte. Wat
was ook alweer in de afgelopen jaren
de visie van de VVD op dit punt en
op de verhouding tussen rijksover-
heid enerzijds en sociale fondsen
anderzijds?</spreker>
<spreker pagina="12-410" anker="313" partij="VVD" naam="Van Leeuwen-Schut">
 Dat heeft u deze week, bij de
behandeling van de wet-Vermeend/
Moor, kunnen horen. U heeft ook
kunnen horen welke afweging wij
hebben gemaakt. Het heeft alles te
maken met de SER-adviesaanvrage
waarover ik zojuist sprak. Als het
onderwerp waarover ik zojuist sprak,
ook onder deze adviesaanvrage valt,
rijst de vraag of het wetsvoorstel dat
wij nu bespreken in materie¨le zin een
horizonbepaling bevat, zodat per 1
januari 1996 een nieuwe systematiek
zou kunnen ingaan.
Voorzitter! In de vierde plaats
vraag ik aandacht voor de conver-
gentie en de eventuele strijdigheid
daarmee. De minister stelt in haar
antwoord terecht dat het om een
ingewikkelde materie gaat en dat
hierover op korte termijn geen
definitieve nadere gedachten kunnen
worden gevormd. Echter, als dit
wetsvoorstel inderdaad bij de
SER-adviesaanvrage wordt betrok-
ken, betekent dit dat er strijdigheid
met het hele convergentie-
discussieproces kan optreden. Graag
vernemen wij van de regering wat
dan prioriteit geniet.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-410">

 
<spreker pagina="12-410" anker="314" partij="RPF" naam="Schuurman">
 Mijnheer
de voorzitter! Ook nu voer ik mede
namens de fracties van RPF en SGP
het woord. Onze fracties hebben in
de Tweede Kamer zonder enige
aarzeling tegen het wetsvoorstel
gestemd. De argumenten die zij
daarbij inbrachten, zijn bekend. Bij
de schriftelijke voorbereiding hebben
wij ons op die argumenten gecon-
centreerd om na te gaan of het met
dit wetsvoorstel inderdaad zo slecht
was gesteld dat het voor ons
volstrekt onacceptabel was. Welnu,
onze bevindingen zijn even negatief
als die van de fracties aan de
overzijde.
Het hoofddoel van het wetsvoor-
stel blijft de bevordering van de
groei van de werkgelegenheid maar
het resultaat daarvan is bijzonder
gering. Intussen is de invloed
hiervan op de inkomens-
verhoudingen aanzienlijk, zodat moet
worden geconstateerd dat het
hoofddoel is verdrongen door een
neveneffect. Van proportionaliteit is
dan ook geen sprake meer. Dat mag
ons inziens bij een verantwoorde
wetgeving niet gebeuren. Ook al stelt
men in de memorie van antwoord
dat de neveneffecten moeten worden
gezien in het licht van de totale
beleidsaanpak zoals die het kabinet
voor ogen staat, dit neemt ons
inziens niet weg dat voor de
verschillende doeleinden ook
duidelijke, daarop afgestemde
wetsvoorstellen moeten worden
voorgelegd aan het parlement.
Vermenging van doeleinden
bevordert de inzichtelijkheid niet.
We`l worden de gecompliceerdheid
en de onzekerheid daardoor
bevorderd. Natuurlijk, het nastreven
van een ruimere werkgelegenheid is
zeer prijzenswaardig maar een
tamelijk grote operatie met minimaal
effect leidt slechts tot teleurstelling
en frustraties. Een duidelijke
verlaging van de arbeidskosten is
noodzakelijk. Ik gebruik het woord
’’duidelijk’’ om te onderstrepen dat
de effecten op de werkgelegenheid
onmiskenbaar moeten zijn. Welnu,
die duidelijkheid mist het onderha-
vige wetsvoorstel in opzet en
uitwerking.
In de memorie van antwoord
wordt duidelijk gemaakt dat het om
een voorlopige maatregel gaat. Die
voorlopigheid is ons inziens al even
bedenkelijk; zij versterkt onze
bezwaren nog eens. Wetgeving
moet, uitzonderlijke situaties daar
gelaten, niet zijn gericht op een jaar.
Dat brengt naast verwarring veel
administratieve rompslomp en
toenemende regelgeving met zich.
De mogelijkheid tot frauderen neemt
bij voortdurende veranderingen toe.
Niet mag worden vergeten dat dit
frauderen reeds binnen de mogelijk-
heden van het onderhavige
wetsvoorstel voor de hand ligt,
hetgeen door het kabinet wordt
toegegeven. Stabiliteit in wetgeving
is vereist, vooral om vertrouwen bij
werkgevers te winnen zodat zij zeker
kunnen zijn van een structurele
lastenverlichting, een structurele
verlaging van de loonkosten, en er
e`cht op langere termijn meer
werkgelegenheid wordt gecree¨erd.
Voorzitter! Mocht dit wetsvoorstel
niettemin een langere levensduur
beschoren zijn – dat bleek in het
verleden met voorlopige wetgeving
meer dan eens het geval te zijn – dan
blijven onze oorspronkelijke
bezwaren tellen. U merkt wel,
voorzitter, dat wij de vernietigende
kritiek van de Raad van State en van
onze fracties aan de overzijde tot de
onze maken.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-411">

 
<spreker pagina="12-411" anker="315" soort="Minister" naam="Borst-Eilers">
 Mijnheer de
voorzitter! Net als in de Tweede
Kamer zou ik enkele opmerkingen
vooraf willen maken. Het is
onvermijdelijk dat ik daarbij
enigszins in herhalingen zal vervallen
en het zal de leden die de stukken
van de Tweede Kamer kennen, dan
ook opvallen dat ze al een keer
gelezen hebben wat zij nu horen. Ik
hoop dat men dit voor lief wil
nemen, want ik vind het toch wel
belangrijk om ook in dit huis de
doelstellingen die wij met dit
wetsvoorstel nastreven, nog eens
kort voor het voetlicht te brengen.
Het wetsvoorstel heeft een
duidelijke relatie met het regeerak-
koord. Nu is het mij uiteraard bekend
dat de Eerste Kamer anders dan de
Tweede Kamer geen binding heeft
met het regeerakkoord. Het is ook
mogelijk dat regeerakkoorden hier in
het algemeen wat minder geliefd zijn
dan in de Tweede Kamer. En als het
spreekwoord ’’onbekend maakt
onbemind’’ ook omgekeerd geldt,
dan bestaat het risico dat niet
iedereen precies de relatie van dit
wetsvoorstel met het regeerakkoord
helder voor ogen staat. Ik geloof dit
niet echt, maar toch zou ik met een
citaat willen beginnen, zij het niet uit
het regeerakkoord, maar uit de regeringsverklaring:
’’De sleutel ligt bij werk, werk en
nog eens werk. De hoge graad van
inactiviteit nu veroorzaakt veel te
hoge maatschappelijke en financie¨le
kosten. Als die vicieuze cirkel niet
wordt doorbroken, dan kost dat
concurrentiekracht en banen. Dan
erodeert het stelsel van sociale
bescherming voor wie daar echt op
is aangewezen. En daarom zet het
kabinet alles op alles om de
arbeidsparticipatie te verruimen,
vooral in het onderste segment van
de arbeidsmarkt.’’
Voorzitter! Het franchisevoorstel
sluit precies aan bij die noodzaak van
maatregelen, gericht op de onder-
kant van de arbeidsmarkt. Ik ontken
niet dat het totale effect op de
werkgelegenheid bescheiden is,
maar ik wijs erop dat er juist aan de
onderkant van de arbeidsmarkt een
substantie¨le ontwikkeling op gang
wordt gebracht. Daarbij gaat het om
die 22.000 banen, het gaat om
mensen die al veel te lang aan de
kant staan, om mensen die in die
situatie verkeren omdat zij een lage
opleiding hebben en die dus ook
alleen maar in aanmerking kunnen
komen voor banen aan de onderkant
van de arbeidsmarkt. Er zijn nog
meer maatregelen op gericht om
deze mensen weer bij het arbeids-
proces te betrekken, zoals het
bekende 40.000-banenplan, waarbij
het zelfs gaat om werkgelegenheid
voor mensen die eigenlijk geen werk
kunnen leveren waar meer loon
tegenover kan staan dan het wettelijk
minimumloon. Het kabinet heeft in
de vorm van dit plan een intensive-
ring van deze werkgelegenheid tot
stand gebracht. En alle inspanningen zijn gericht op hetzelfde doel: de
inactieven weer actief maken. Nu is
er hoger in het loongebouw rekening
gehouden met een verlies van 21.000
banen, vandaar het lage saldo, maar
wij verwachten dat de economische
bedrijvigheid in ons land door allerlei
maatregelen weer zodanig zal
toenemen dat daardoor ook mensen
aan het werk komen die hoger
opgeleid zijn en voor een beter
betaalde baan in aanmerking kunnen
komen.
Daarnaast is het voorstel natuurlijk
van belang voor de ontwikkeling van
de koopkracht van de lagere
inkomens. Ook dit wil ik absoluut
niet ontkennen. Integendeel, het is
de tweede pijler waarop dit
wetsvoorstel rust. Er is gezocht naar
een maatregel voor lastenverlichting
voor de werkgevers die speciaal de
loonkosten voor de laagstbetaalden
zou verlagen. Daarvoor kun je
natuurlijk wel meer maatregelen
bedenken, maar er is gezocht naar
een maatregel die de beste
combinatie zou opleveren van dat
werkgelegenheidseffect aan de
onderkant en het effect op de
koopkracht. Er waren deze zomer
meer paarden in de race, zo heb ik
begrepen, maar dit is de reden
waarom er gekozen is voor de
franchise in de werkgeverspremie
voor de Ziekenfondswet.
Het lijkt misschien vreemd – de
heer Boorsma heeft gezegd dat hij
het ook bijzonder vreemd vindt – dat
de minister van Volksgezondheid in
het parlement wettelijke maatregelen
bepleit ter bevordering van de
werkgelegenheid en de koopkracht,
ook en misschien zelfs voornamelijk
buiten de zorgsector. Ik doe dit toch,
en ook van harte, omdat dit kabinet
zo’n groot belang hecht aan de
kerndoelstellingen van het regeerak-
koord, die wij ook met dit wetsvoor-
stel voor een deel denken te kunnen
realiseren. Er zijn nu eenmaal
onorthodoxe en volgens sommigen
misschien vreemde maatregelen
nodig, maar ook ik heb er als
minister van Volksgezondheid voor
getekend en ik sta er achter. Dit
betekent natuurlijk niet dat de
vraagstukken van werkgelegenheid
en koopkracht nu ineens tot het
primaire werkterrein van de minister
van Volksgezondheid zouden
behoren; zo ver drijven wij de zaken
uiteraard niet door. De vragen op dit
terrein zullen dan ook door de
staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid beantwoord
worden.
De heer Boorsma heeft er sterk de
nadruk op gelegd dat het wetsvoor-
stel niet primair gericht is op het
belang van de volksgezondheid, al
kan de zorgsector natuurlijk ook
profiteren van de bevordering van de
werkgelegenheid aan de onderkant
van de arbeidsmarkt, maar dat is
hierbij niet de hoofdzaak. Je zou zelfs
kunnen zeggen dat de
volksgezondheidssector een zekere
prijs voor dit wetsvoorstel betaalt.
Het systeem van de premieheffing is
immers weer een stukje ingewikkel-
der geworden.
Verder zal niet iedereen het ermee
eens zijn dat ziektekostenverzekerin-
gen opnieuw gebruikt worden als
maatregel in het kader van het
algemeen financieel en sociaal-
economisch beleid, maar gelet op de
manier waarop ons
volksgezondheidsstelsel op dit
moment in elkaar zit, met een
belangrijk aandeel van de sociale
ziektekostenverzekering, is het toch
onvermijdelijk dat de premies voor
die verzekering ingezet worden om
bepaalde maatregelen buiten de
volksgezondheid te bewerkstelligen.
Maar goed, deze prijs behoeft niet te
worden verdoezeld en in de memorie
van toelichting hebben wij gepro-
beerd, ook de schaduwkanten van dit
wetsvoorstel duidelijk aan te geven,
net als in het antwoord op de
schriftelijke vragen. Wij hebben een
politieke afweging gemaakt en wij
zijn daarin openhartig geweest. Ook
de Tweede Kamer heeft een politieke
afweging gemaakt en deze Kamer is
daar nu aan toe.
Nu de concrete vragen. De heren
Boorsma en Schuurman hebben
gevraagd of deze maatregel tijdelijk
dan wel structureel is. In de stukken
staat dat het de bedoeling van het
kabinet is om de totstandkoming van
de lastenverlichting in een volgend
jaar telkens af te wegen. Op zich
hoort dit meer tot het beleidsterrein
van de staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid. Ik beperk
mij tot het tijdelijke dan wel
structurele aspect in relatie tot de
convergentie. 

</spreker>
<spreker pagina="12-412" anker="316" partij="CDA" naam="Boorsma">
 Erkent de
minister toch dat er sprake is van
onzekerheid over deze maatregel en
zo ja, erkent zij dan ook niet dat op
grond van elke economische theorie
verwacht mag worden dat werkge-
vers wachten met het cree¨ren van
arbeidsplaatsen, dus dat het
arbeidseffect in het eerste jaar nihil
moet zijn? 

</spreker>
<spreker pagina="12-412" anker="317" soort="Minister" naam="Borst-Eilers">
 Ik ben het niet
eens met die conclusie. De wijze van
lastenverlichting zal telkens bezien
worden. Er blijft dan natuurlijk
sprake van een dusdanige vorm van
vermindering van de loonkosten
voor de werkgevers dat het telkens
gaat over de loonkosten aan de
onderkant van de arbeidsmarkt. Dit is
en blijft een speerpunt van het
kabinetsbeleid. Overigens herhaal ik
dat de staatssecretaris hier nader op
ingaat. De werkgever kan er dus
gerust toe overgaan om mensen in
die loonschalen aan te stellen
waarbij hij dit voordeel nu heeft. Van
dat voordeel zal in deze kabinets-
periode sprake blijven. Het is
evenwel niet 100% zeker dat dit in de
hele kabinetsperiode daarvoor het
instrument blijft.
Voorzitter! Natuurlijk is er een
relatie met de convergentie-
afspraken uit het regeerakkoord. Het
begrip ’’convergentie’’ is gekoppeld
aan het nog mooiere begrip ’’no
regret’’. Bij de formatiebesprekingen
zijn die begrippen terecht gekomen
in de bijlage over volksgezondheid.
Het betreft namelijk een coalitie van
partijen die tot dusverre uiteenlo-
pende opvattingen hadden over de
precieze vormgeving van met name
de financiering van het stelsel voor
de volksgezondheid. Men heeft dus
besloten om toch weer stappen te
zetten in de richting van een soort
eenheid voor alle Nederlanders.
De hoofdpunten van het regeerak-
koord zijn bekend. Daarbij gaat het
erom, de zorg in drie compartimen- ten op te splitsen: de care-sector die
weer door een klassieke AWBZ
gefinancierd wordt en in de
cure-sector de tweedeling van een
wettelijk verplichte verzekering en
een aanvullende, volkomen
vrijwillige verzekering. Mede ten
behoeve van de beheersing van de
collectieve kosten willen wij uit het
wettelijk verplichte pakket uit de
cure-sector die onderdelen naar het
derde compartiment overhevelen die
de burger voor eigen rekening kan
nemen.
Het begrip ’’convergentie’’ wordt
op verschillende manieren ingevuld.
Zo wordt daaronder verstaan dat de
pakketten van de ziekenfonds- en van
de particulier verzekerde naar elkaar
toe groeien. Voorts wordt er wat het
eigen risico en de eigen betalingen
betreft gestreefd naar een uniforme
situatie. Bovendien gaat het om de
wijze van premieheffing. In dit
verband is er de afgelopen jaren
vaak gediscussieerd over de
verhouding tussen nominaal en
inkomensafhankelijk. In de stukken
staat dat er twee extreme situaties denkbaar zijn: bij het wettelijk
verplichte pakket wordt overgegaan
tot een totaal nominale premie,
waarbij de koopkrachteffecten zo
nodig buiten de volksgezondheid
gerepareerd moeten worden, of een
volkomen inkomensafhankelijke
premie.
Ik zeg nogmaals dat de convergen-
tie een proces van jaren is. Hierbij
moet men het begrip ’’no regret’’
voorlopig niet vergeten. Wellicht
halen wij er in de loop van deze
kabinetsperiode op een bepaald
moment een streep doorheen, als wij
het in de coalitie met elkaar eens zijn
geworden over de eindsituatie. Het is
dus een proces waar wij in de
komende jaren aan werken. Naar
mijn stellige overtuiging zal het met
het oog daarop niet noodzakelijk zijn
om al in 1996 deze franchise af te
schaffen. Zoals gezegd, zal de
staatssecretaris nader ingaan op de
kwestie structureel versus tijdelijk in
verband met de continuı¨teit.
Mevrouw De Savornin Lohman
vermoedde het nadeel van een
afwenteling op de particulier
verzekerde door een verhoging van
de MOOZ- en de WTZ-omslag. Ik kan
haar evenwel geruststellen. Het
tekort dat er in de ziekenfondskas
door deze franchise zou ontstaan,
wordt namelijk ’’gevuld’’ via
overheveling van 2 mld. aan
rijksbijdragen van het
Werkloosheidsfonds naar het
ziekenfonds. Daardoor is er sprake
van een volledige compensatie. De
ziekenfondskas wordt weer als
vanouds gevuld.
Ik meen dat ik hiermee ben
ingegaan op alle vragen op mijn
beleidsterrein.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-412">

 
<spreker pagina="12-412" anker="318" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">

Voorzitter! Much ado about nothing,
aldus de heer Boorsma. Dit is geen
al te mooie kwalificatie van dit
wetsontwerp. Overigens gebruiken
de Engelsen deze uitspraak niet in
het algemeen. In het verleden heeft
een zeer bijzondere Engelsman die
uitspraak wel eens gedaan. Ik zal
daar nu echter niet langer bij
stilstaan.
Mevrouw De Savornin Lohman
zegt dat er in feite alleen maar
inkomenspolitiek wordt bedreven,
mevrouw Van Leeuwen verwacht
geen spectaculair resultaat van dit
wetsontwerp en de heer Schuurman
vindt dat frauderen bij dit wetsvoor-
stel voor de hand ligt. Naar mijn
stellige overtuiging doen deze
kwalificaties niet volledig recht aan
het onderhavige wetsvoorstel. Dat
probeer ik duidelijk te maken in de
beantwoording van de gestelde
vragen.
Gezien de werkgelegenheids-
effecten van de ontwikkelingen in het
Werkloosheidsfonds acht de heer
Boorsma dit een verslechtering. Het
invoeren van deze franchise in de
Ziekenfondswet is weliswaar een
verbetering, maar per saldo komen
er niet veel meer dan duizend banen bij, aldus de heer Boorsma. Dus:
much ado about nothing. Volgens
mij moet een aantal andere aspecten
echter ook bij de overweging
betrokken worden. Per saldo wordt
bij dit wetsontwerp met het oog op
het cree¨ren van werkgelegenheid
niet het volle bedrag aan lasten-
verlichting ingezet. Het gaat namelijk
om het omzetten van een bestaande
lastenverlichting, gerealiseerd door
het vorige kabinet door middel van
het invoeren van een rijksbijdrage in
het Werkloosheidsfonds, in het
cree¨ren van deze franchise in de
Ziekenfondswet. Met andere woorden: als je
spectaculaire werkgelegenheids-
effecten wenst, moet je het volledige
bedrag aan lastenverlichting inzetten,
maar hierbij gaat het om een
verschuiving. Die betreft niet zozeer
de kwantiteit van de werkgelegen-
heid als wel een kwalitatief aspect.
Anders had daar ook financie¨le
ruimte voor gemaakt moeten
worden. Bij het kwalitatieve aspect
gaat het erom dat geprobeerd wordt
om zoveel mogelijk werkgelegenheid
te realiseren in juist de onderste
segmenten van de arbeidsmarkt. Bij
het maken van de afspraken voor het
regeerakkoord zijn wij tot de
conclusie gekomen dat zich daarbij,
los van de algemene
werkgelegenheidsproblematiek, een
heel significant probleem voordoet. 

</spreker>
<spreker pagina="12-413" anker="319" partij="CDA" naam="Boorsma">
 Ik begrijp
de kwalitatieve verschuiving op
papier heel goed. Ongetwijfeld zal de
staatssecretaris spreken over onder
andere het eerstejaarseffect. Maar
vergeet hij nu gemakshalve niet de
250 mln. aan budgettair negatief
effect? Ik geef toe dat dit wat
eenvoudig is voor de vroege
ochtend, maar ik wil dat delen door
de duizend arbeidsplaatsen. Ik ken
nog een 44.000-banenplan. Hoeveel
kost dat ook alweer? Dus die duizend
arbeidsplaatsen waarvoor 250 mln.
beschikbaar is, zijn heel duur. 

</spreker>
<spreker pagina="12-413" anker="320" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 Straks
kom ik toe aan de vraag in hoeverre
er bij dit wetsontwerp sprake is van
inkomenspolitieke aspecten. Daar
heeft dit namelijk ook heel veel mee
te maken. Maar ik probeer duidelijk
te maken dat bij de overweging van
de werkgelegenheidseffecten van dit
wetsontwerp niet alleen de kwantita-
tieve, maar ook de kwalitatieve
aspecten een belangrijke rol
gespeeld hebben. Bij het invullen
van de lastenverlichting voor 1995 –
het is ongetwijfeld bekend dat daarin
ook andere keuzen konden worden
gemaakt – hebben wij heel nadrukke-
lijk stilgestaan bij de vraag hoe wij
dat op een zodanige wijze handen en
voeten konden geven dat wij er met
name aan de onderkant van de
arbeidsmarkt, dus in de onderste
segmenten van de arbeidsmarkt, in
slagen om een loonkostenreductie
aan te brengen waarvan mag
worden verwacht dat daardoor
werkgelegenheid ontstaat. Dat was
de bedoeling. Dat is ook de
meerwaarde van deze inzet van
lastenverlichting ten opzichte van het
invoeren van een rijksbijdrage in de
sfeer van de Werkloosheidswet. Ik
wil dat heel nadrukkelijk betrekken
bij de overwegingen. Het is dus
absoluut meer dan much ado about
nothing. Het gaat om ontzettend
veel. Het gaat om een beoogde
verschuiving, die naar mijn
overtuiging ook gerealiseerd zal
worden door middel van dit
wetsontwerp. De heer Boorsma weet
ook dat hierbij voor de komende
jaren open staat op welke wijze
overigens zal worden omgegaan met
het invullen van de voorziene
lastenverlichting. Daarbij zullen
natuurlijk ook deze kwalitatieve
aspecten een rol spelen. Wij zullen
blijven letten op de ontwikkelingen
aan de onderkant van de arbeids-
markt, omdat zich daar een aantal
problemen voordoen die dit kabinet
wenst op te lossen. Voor 1995 is
echter deze keuze gemaakt op grond
van een aantal heel goede overwe-
gingen. De heer Boorsma heeft gezegd: de
rijksbijdrage in de fondsen is
eigenlijk wel een makkelijke prooi
voor het kabinet. Ik ben geneigd om
het daarmee niet eens te zijn.
Allereerst merk ik op dat er bij dit
voorstel geen rijksbijdrage wordt
ingevoerd of afgeschaft. Het gaat om
een rijksbijdrage die door het vorige
kabinet is ingevoerd in de sfeer van
het Werkloosheidsfonds. Ik meen dat
dit op voorstel van de CDA-fractie
aan de overkant van het Binnenhof is
gedaan. Het is in ieder geval met
steun van die fractie gedaan. Die
rijksbijdrage wordt nu omgezet in
een andere vorm van een rijksbij-
drage. Als het gaat om een oordeel
over de vraag hoe je omgaat met
rijksbijdragen en hoe zich die
verhouden tot premiegefinancierde
regelingen, doet zich in dit geval per
saldo geen verbetering of verslechte-
ring voor. Op dat punt continueert
het kabinet de bestaande situatie. Wij
gebruiken de verschuiving alleen
voor de doelen die ik zojuist heb
aangegeven. In die zin beschouw ik
rijksbijdragen en dus ook deze
rijksbijdrage niet als een makkelijke
prooi die op een oneigenlijke manier
kan worden ingezet om iets anders
te doen.
De heer Boorsma heeft gevraagd
naar het eerstejaarseffect op de
werkgelegenheid. Ik wist het
antwoord op deze vraag niet, maar
tussen zijn bijdrage en mijn
antwoord is dit nagegaan bij het
Centraal planbureau. Het antwoord is
dat dit niet is uitgerekend. Het
Centraal planbureau heeft alleen de
berekeningen voor de middellange
termijn gemaakt, dus voor 1998. Op
grond van de informatie die wij
hebben, kan ik de heer Boorsma dus
niet aangeven wat op basis van het
model het eerstejaarseffect op de
werkgelegenheid is.
De heer Boorsma en anderen
hebben gevraagd hoe wij aankijken
tegen de franchises. De franchises
zijn ingewikkeld en zij hebben een
groot aantal nadelen. Door anderen
is het een en ander gezegd over de
mate van fraudegevoeligheid en de
gevoeligheid voor oneigenlijk
gebruik van franchises. Het heeft ook
te maken met functiesplitsing en
dergelijke. Ik zal daar het volgende
over zeggen. Ik ben het eens met al
die kwalificaties. Het invoeren van
een franchise, in welke wet dan ook,
verdient wat mij betreft lang niet
altijd de schoonheidsprijs. Wij
moeten ons echter ook bij dit
voorstel realiseren wat de doelstel-
ling is. Als je lastenverlichting wilt
realiseren, met name in het onderste
segment van de arbeidsmarkt, staan
je niet zo vreselijk veel gerichte
instrumenten ter beschikking. Een
franchise is wel een voor de hand
liggend instrument. Ik kan de heer
Boorsma overigens geruststellen,
omdat wij op het punt van het
wegwerken van de franchises
langzamerhand een stuk verder zijn
gekomen in het denken. Het zal de
heer Boorsma opgevallen zijn dat in
het regeerakkoord onder andere een
afspraak staat over het per 1 januari
1996 integreren van de AAW en de
WAO, in combinatie met het
invoeren van premiedifferentiatie en
opting out. Daarover zullen wij in
deze Kamer nog uitgebreid te
spreken komen. Dat hele pakket gaat
gepaard met het opheffen van de
franchise die op dit moment in het
kader van de WAO bestaat. Dat zou
ook in de ogen van de heer Boorsma
een belangrijke vereenvoudiging
betekenen. Het is mijn voornemen,
dit het komend jaar te realiseren.
Ondanks de voordelen die aan het
invoeren van een franchise zijn
verbonden voor de werkgelegen-
heidspolitiek aan de onderkant van
de arbeidsmarkt, ben ik het met de
heer Boorsma eens dat er ook een
aantal nadelen aan verbonden zijn.
Die voor- en nadelen hebben wij
tegen elkaar afgewogen. Per saldo
zijn wij tot de conclusie gekomen dat
dit voor 1995 een verantwoorde
wijze is van invullen van het pakket
lastenverlichting dat het kabinet zich
heeft voorgenomen.
Ik moet ingaan op in ieder geval
een opmerking van mevrouw De
Savornin Lohman. Zij vroeg of er
met dit wetsontwerp in feite alleen
maar inkomenspolitiek wordt
bedreven. Ik wil dit toch wat op
afstand houden. Bij de invulling van
het complete lastenverlichtingspakket
is er natuurlijk rekening gehouden
met de inkomenspolitieke aspecten.
Dat zal de komende jaren ook
gebeuren. Het heeft ook te maken
met de afspraken die in het
regeerakkoord zijn gemaakt over een
evenwichtige inkomensontwikkeling
in de komende periode. Maar als
men ziet welke financie¨le ruimte aan
de orde is bij dit wetsontwerp en als
men ziet welk deel keihard wordt
ingezet als lastenverlichting voor
werkgevers omwille van werkgele-
genheidspolitiek en welke deeltje
opgesoupeerd wordt om inkomens-
politieke redenen, dan ziet men dat
het overgrote deel toch te maken
heeft met werkgelegenheidspolitiek.
Als je de lastenverlichting voor 1995
op een andere wijze had ingezet, dus
niet met het invoeren van een
franchise in de sfeer van de
Ziekenfondswet, maar bijvoorbeeld
via een overhevelingstoeslag, dan
had zich op dit punt een andere
verhouding voorgedaan. Dan hadden
zich ook andere inkomenspolitieke
ontwikkelingen voorgedaan. De
keuze die wij gemaakt hebben, heeft
inderdaad te maken met inkomens-
politieke overwegingen. Ik wil echter
ook mevrouw De Savornin Lohman
voorhouden dat het overgrote deel
van de financie¨le ruimte die in dit
kader aan de orde is, wel degelijk te
maken heeft met per saldo een
lastenverlichting voor werkgevers, en
wel omwille van de werkgelegen-
heid. Het deel van het budget dat te
maken heeft met inkomenspolitieke
ontwikkelingen aan de onderkant van
de arbeidsmarkt, is niet te verwaarlo-
zen, maar is slechts een heel klein
deel van het budget waarover wij
praten. De argumentatie daarvoor
heeft inderdaad te maken met de
inkomensontwikkeling in 1995. Ook
op dat punt houdt het kabinet de
ogen immers niet gesloten. Naast
het realiseren van een voortdurende
lastenverlichting, hebben wij
afgesproken om een evenwichtige
inkomensontwikkeling na te streven.
Dat zal de komende jaren een rol
blijven spelen in de discussie.
Ook mevrouw De Savornin
Lohman heeft een aantal opmerkin-
gen gemaakt over de franchise. Aan
het adres van de heer Boorsma heb
ik er zojuist al een aantal opmerkin-
gen over gemaakt. Waar als gevolg
van dit soort voorstellen meer dan
nu het geval is sprake is van het
cree¨ren van deeltijdarbeid en het
opsplitsen van banen, wil ik niet
zozeer spreken van misbruik van
wetgeving. Voor sommigen is het
wellicht een ongewenst effect, maar
men mag natuurlijk banen splitsen.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik er niet
zo verschrikkelijk veel bezwaren
tegen heb als wij, op welke manier
dan ook, een extra impuls geven aan
de groei van het deeltijdwerk in
Nederland. Er zitten niet alleen
negatieve, maar ook positieve
aspecten aan vast. Overigens moet ik
de Kamer voorhouden dat men
daarvan geen spectaculaire effecten
mag verwachten – ik misbruik even
de terminologie van mevrouw Van
Leeuwen – omdat wij op het punt
van het invoeren van franchises al
enige ervaring hebben opgedaan in
Nederland. Wij kennen al sinds jaar
en dag een franchise in de WAO-
premie. Ook daarvan is nooit gezegd
of gebleken dat er een spectaculaire
impuls van is uitgegaan op
deeltijdarbeid. Voor zo’n impuls zijn
andere instrumenten nodig geweest.
Wij mogen er natuurlijk rekening
mee houden, maar men moet het
asjeblieft geen misbruik noemen.
Noem het een neveneffect dat zich
eventueel voordoet. Ik verwacht er
zelf geen spectaculaire effecten van.
Ik borduur nog even voort op de
spectaculaire effecten. Mevrouw Van
Leeuwen zei dat dit wetsontwerp
geen spectaculaire bijdrage levert
aan de werkgelegenheids-
ontwikkeling. Ik ben dat in zekere zin
met haar eens, omdat het te maken
heeft met het omzetten van de ene
lastenverlichting naar de andere. Als
wij letten op de werkgelegenheids-
effecten die het gevolg zijn van de
totale voortdurende lastenverlichting
gedurende de komende vier jaar, dan
zien wij dat de grootste
werkgelegenheidseffecten het gevolg
zijn van het per saldo verlichten van
de lasten, terwijl dit wetsontwerp
voor het overgrote deel niet het per
saldo verlichten van lasten betekent,
maar het omzetten van de ene
lastenverlichting naar de andere. Op
de laatste wijze kunnen wij met
name in kwalitatief opzicht, dus niet
in kwantitatief opzicht, een bijdrage
leveren.
Mevrouw Van Leeuwen heeft ook
aandacht gevraagd voor de
administratieve lasten voor het
bedrijfsleven. Ik heb inmiddels een
nota gepresenteerd, die naar de
kamers is gezonden. De nota is dus
ook naar de Eerste Kamer gestuurd.
In de nota sta ik stil bij de premiehef-
fing bij werknemersverzekeringen.
Wij proberen, hierin de komende
jaren voortgang te maken. Ik hoop in
dat opzicht de problematiek van de
administratieve lasten rondom
premieheffing aan te pakken. Dat
compenseert dan meer dan in dit
wetsontwerp aan de orde is. Het
kabinet besteedt in het kader van het
regeerakkoord terecht veel aandacht
aan de administratieve druk.
Overigens is de extra
administratie-lastendruk als gevolg
van dit wetsvoorstel marginaal en
zeer overzichtelijk. Tegen het totale
pakket aan lastenverlichting dat
ermee gemoeid is, van 2 mld., valt
de administratieve-lastendruk
helemaal weg. Er is op dit punt dus
geen overdreven negatief effect van
dit wetsvoorstel te verwachten.
Een deel van het betoog van de
heer Schuurman was dat fraude voor
de hand ligt. Ik heb al gezegd dat ik
dat niet geloof. Zelfs als er als
gevolg van dit wetsontwerp banen
worden gesplitst en hierdoor
deeltijdarbeid wordt bevorderd,
verwacht ik dat dit geen spectaculair
effect zal zijn. Als het zich voordoet,
heb ik er geen onoverkomelijke
bezwaren tegen. Ik zou het ook op
geen enkele manier fraude willen
noemen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-414">

 
<spreker pagina="12-414" anker="321" partij="CDA" naam="Boorsma">
 Mijnheer
de voorzitter! Ik heb gevraagd naar
het effect op de werkgelegenheid in
het eerste jaar. Hierover is geen
materiaal voorhanden in de memorie
van toelichting of de schriftelijke
behandeling daarna en er is ook niet
eerder naar gevraagd. Het lag echter
wel voor de hand om de vraag
eerder te stellen. Kennelijk heeft het
kabinet ook zichzelf niet deze vraag
gesteld, want het heeft er geen
informatie over gegeven. Was de
staatssecretaris van Sociale Zaken of
de minister van Volksgezondheid
hierin geı¨nteresseerd of niet?
Laat ik eens mijn redenering
geven. De verzwaring die zich aan de
ene kant voordoet, zal zich volgens
vrij gebruikelijke inzichten erg snel in
een afbrokkeling van werkgelegen-
heid vertalen. De staatssecretaris
heeft er gelijk in dat hiertegenover
een verlichting staat, die tot
verruiming van werkgelegenheid
leidt. Deze verruiming begrijp ik op
papier, maar hierbij moet wel
worden gedacht aan de theorie van
de animal spirits. Hoe denken
ondernemers? Zij zullen het eerst
eens aanzien, omdat het volstrekt
onduidelijk is of de franchise in deze
vorm zal blijven. De minister is daar
heel duidelijk over geweest. Een
werkgever kijkt voor de creatie van
arbeidsplaatsen niet naar macro-
maatregelen, maar naar de uitwer-
king in de eigen situatie, in de eigen
onderneming. De afbraak van
werkgelegenheid zal dus vrij snel
komen en de verruiming ervan zal
zich hopelijk voordoen, volgens het
model van het Centraal planbureau
in 1998. Nogmaals, in het eerste jaar
is er een afbraak van werkgelegen-
heid en misschien komt dat per
saldo-effect er later.
Dit per saldo-effect van 1000
arbeidsplaatsen kost budgettair 250
mln. De minister begon met een
citaat uit de regeringsverklaring en
verwees naar het regeerakkoord,
alsof deze canoniserend zijn. Het
gaat bij elk wetsvoorstel om een
afweging, een inhoudelijke beoorde-
ling van argumenten. Ik kijk hierbij
weer eens naar de heer Vis, maar
ook naar de minister. Zij moet nu
inhoudelijk beoordelen of dit
wetsvoorstel het kabinetsbeleid
dient. Was er voor beide bewindslie-
den achter de regeringstafel, voor
volksgezondheid en voor zorg, geen
mooiere deal denkbaar via een
zekere uitbreiding van de werkgele-
genheid, niet met 1000, maar met
2000 arbeidsplaatsen? Laat ik eens
ƒ 60.000 per plaats ervoor uittrekken;
dan kom ik op 120 mln. Dat is de
helft van het budgettaire effect van
dit wetsvoorstel.
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
heeft dat 40.000-banenplan. Tijdens
de algemene politieke en financie¨le
beschouwingen hebben wij er niet
schamper over gedaan, zoals
sommige anderen. Wij begrijpen dat
je zoiets moet doen. Uiteindelijk gaat
het om bevordering van de
structurele werkgelegenheid.
Hierover zal de staatssecretaris het
met mij eens zijn. Die bevordering
van de structurele werkgelegenheid
zie ik niet; ik zie eerder afbraak. Het
ware mij liever geweest dat men op
een andere manier arbeidsplaatsen
aan de onderkant van het arbeids-
gebouw had gecree¨erd. Dat had
minder gekost.</spreker>
<spreker pagina="12-415" anker="322" partij="D66" naam="De Savornin Lohman">
 Wil de heer Boorsma in zijn
beschouwing ook de verschuiving
betrekken? Hij spreekt nu met een
eenvoudig rekensommetje van 1000
arbeidsplaatsen meer in 1998 voor
250 mln. Het zal hem niet zijn
ontgaan dat er een verschuiving is
van 21.000 arbeidsplaatsen in
middelbare en hoge regionen naar
22.000 arbeidsplaatsen aan de
onderkant. Dat heeft de minister nog
benadrukt. 

</spreker>
<spreker pagina="12-415" anker="323" partij="CDA" naam="Boorsma">
 Er moet
iets fout gegaan zijn in de communi-
catie. Ik begon met het effect in het
eerste jaar en gaf toen mijn
redenering. Ik wil het wel buiten mijn
spreektijd herhalen. De verzwaring
die zich boven de franchise zal
voordoen, leidt meteen in het eerste
jaar al tot een afbraak van werkgele-
genheid. Dat is het negatieve effect
van 21.000 arbeidsplaatsen in de
komende jaren. Hiertegenover staat
de verlichting in de franchise, die
leidt tot een verruiming met 22.000
arbeidsplaatsen. Die 21.000 plaatsen
eraf zie ik wel komen, maar die
22.000 erbij zie ik niet een twee drie
komen, omdat er geen zekerheid
over bestaat of dat effect zich
voordoet. Ondernemers hebben
zekerheid nodig voor hun beslissin-
gen over investeringen en werkgele-
genheid.</spreker>
<spreker pagina="12-415" anker="324" partij="D66" naam="De Savornin Lohman">
 Ik weet niet of ook dit buiten
de spreektijd blijft. Uw redenering is
mij zeker niet ontgaan. U rekent
hierbij wel met die verschuiving,
maar als het om het netto-effect
gaat, laat u de mogelijkheid dat deze
zich voordoet, weer weg. 

</spreker>
<spreker pagina="12-415" anker="325" partij="CDA" naam="Boorsma">
 Ik heb
duidelijk aangegeven dat het kan
gebeuren. Nogmaals, het negatieve
effect is volstrekt duidelijk en het
positieve effect zal ook mevrouw De
Savornin Lohman moeten afwachten,
helaas.
Ik heb al aangegeven dat je voor
de helft van het budgettaire effect
een dubbel saldo kunt bereiken. Was
het niet mooi geweest om zo in de
zorg wat meer werkgelegenheid te
cree¨ren? Wij zijn weliswaar niet zulke
voorstanders van banenplannen,
maar er kan ruimte voor zijn in het
kader van een goed
werkgelegenheidsbeleid.
Er is uitvoerig op mijn vragen over
de franchise ingegaan. Ik heb nog
gevraagd naar het oordeel over de
WAO-franchise in het rapport van de
door mij genoemde commissie. De
staatssecretaris geeft toe dat hij
gevaren ziet, maar ik wil het wat scherper horen: wat was ook weer
precies de conclusie? Als de
staatssecretaris het niet weet, wil ik
het bij interruptie wel vertellen. Het
lijkt mij goed om het hier eens te
horen.
Ook heb ik de verwachting van de
staatssecretaris, eventueel van de
minister, over de combinatie van de
WAO-franchise en de ziekenfonds-
franchise gemist. In deze combinatie
schuilt het versterkte gevaar van
onjuist gebruik. Ik sprak in eerste
termijn van misbruik en zei erbij dat
het eigenlijk geen misbruik, maar
oneigenlijk gebruik is. Ik vind het
verrassend dat de staatssecretaris dit
geen probleem vindt omdat het
deeltijdarbeid kan bevorderen. Wij
nemen nota van deze uitspraak.
Hiermee belicht hij overigens alleen
de zonnige kant. Deeltijd is over het
algemeen per saldo duurder en
daarbij zullen de rekensommen dus
niet meer kloppen.
Per saldo zouden er 1000 banen bij komen: 21.000 middelbare en
hoge banen minder en 22.000 lage
banen meer. Je hebt echter te maken
met normale verhoudingen in het
arbeidsbestand tussen hoog,
middelbaar en laag personeel. Je
kunt niet zomaar rekensommetjes
presenteren waarin deze normale
verhoudingen verstoord worden. Er
is een zekere span of control, waar
nu zomaar even doorheen wordt
gefietst met macroverhalen.
Wij hebben kennisgenomen van
de uitspraak van de staatssecretaris
dat de extra administratieve-
lastendruk marginaal zal zijn. Ik zal
hem er graag aan herinneren als er
andere geluiden over komen.
Er is een vraag van mij niet
beantwoord. Ik heb gevraagd wat het
oordeel was van de commissie van
de Ziekenfondsraad die het advies
heeft voorbereid. Alleen het rapport
van de Ziekenfondsraad is openbaar,
maar de minister weet ongetwijfeld
hoe de commissie heeft geadviseerd.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-415">
<spreker pagina="12-415" anker="326" partij="D66" naam="De Savornin Lohman">
 Voorzitter! Allereerst wil onze
fractie de minister en de staatssecre-
taris danken voor de heldere en
vooral rechtstreekse wijze waarop de
twijfels van mijn fractie zijn
beantwoord. Natuurlijk, de minister heeft het al gezegd: een groot deel
van de argumenten zijn in de stukken
al gewisseld en zijn in de Tweede
Kamer besproken. Het is echter goed
om in dit huis opnieuw een afweging
te maken en helder te maken
waarom voor dit wetsvoorstel is
gekozen. De minister heeft bena-
drukt, dat de beoogde verschuiving
vooral te maken heeft met de zorg
van deze regering om aan de
onderkant van de samenleving die
banen te cree¨ren. Dat is een
maatschappelijke doel. Het princi-
pie¨le bezwaar, dat in dit huis nog
eens extra wordt bekeken, is of niet
een instrument op een oneigenlijke
manier wordt gebruikt. Dat bezwaar
is eigenlijk al losgelaten, omdat al
eerder op deze manier met de
Ziekenfondswet is omgegaan. Er is
dus geen reden om daarin puristisch
te zijn, als het maatschappelijk maar
overtuigend is dat dit instrument
nodig is.
De minister heeft de structurele
kant van dit wetsvoorstel onder-
streept evenals de convergentie die
in stand moet blijven. Ik weet, dat dit
aansluit bij hetgeen het CDA hierbij
voor ogen staat. Met name de
staatssecretaris heeft ons ervan
overtuigd, dat ondanks de risico’s de
premieverschuiving een structurele
maatregel is die op den duur als
lastenverlichting voor de werkgevers
zal werken. Wij kunnen daarom een
permanent effect verwachten, los
van het eventuele effect van 1000
extra banen. De verschuiving is dus
een structurele maatregel, waarmee
de regering die maatschappelijke
doelstelling tracht te bereiken.
Kortom, wij zien dit als een zwakke
schakel in het geheel van instrumen-
ten die door de regering worden
ingezet. Wij achten het echter
voldoende zorgvuldig afgewogen en
wij zien de mogelijkheden van dit
wetsvoorstel toch voldoende positief
in. Wij zullen dan ook onze steun
geven aan dit wetsvoorstel, dat
misschien niet een no-regretscenario
kent maar een benefit-of-the-
doubtscenario.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-416">
<spreker pagina="12-416" anker="327" partij="VVD" naam="Van Leeuwen-Schut">
 Voorzitter! Ik dank de
bewindslieden hartelijk voor hun
beantwoording. Wij zijn het met hen
eens, dat de verbetering van de
arbeidsmarkt absoluut de voorkeur
moet hebben. Wij zijn ook van
mening, dat de lastenverlichting
moet doorgaan en niet alleen als dat
ook qua koopkracht goed uitkomt.
Wij zijn blij met de opmerking van de
staatssecretaris, dat het invoeren van
de franchises geen schoonheidsprijs
verdient en wij hopen dat hij
daarnaar zal handelen. Ik heb
overigens geen antwoord gehad op
mijn vraag naar de relatie van dit
wetsvoorstel met de adviesaanvrage
aan de SER, met name of dit in
concreto betekent dat dit wetsvoor-
stel daarmee een materie¨le
horizonbepaling per 1 januari 1996
krijgt.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-416">

 
<spreker pagina="12-416" anker="328" soort="Minister" naam="Borst-Eilers">
 Mijnheer de
voorzitter! De heer Boorsma heeft
gevraagd of het regeerakkoord
canoniserend werkt omdat het zo
enthousiast ten tonele werd gevoerd.
Dat is uiteraard niet het geval, maar
in het regeerakkoord staan de
doelstellingen van de regering en de
afspraken tussen de coalitiepartners.
Natuurlijk is ook in het kabinet dit
instrument opnieuw afgewogen en
bediscussieerd. Wij hebben het weer
op zijn eigen merites beoordeeld en
ik zal niet herhalen waarom wij er
uiteindelijk ’’ja’’ tegen hebben
gezegd. Wij hebben het dus niet
blindelings herbevestigd; geen
sprake van.
De heer Boorsma is van mening,
dat er mooiere deals denkbaar zijn.
In de zorgsector zijn arbeidsplaatsen
voor minder geld te cree¨ren. Op het
cree¨ren van arbeidsplaatsen met
name in de zorg en de lager betaalde
banen zijn die zogenaamde
intensiveringsplannen gericht. Het zal
in deze kabinetsperiode om 400 mln.
gaan, als de gezondheidszorg en de
rest van de zorgsector dat kan
’’wegzetten’’, en om 10.000 nieuwe
banen – en niet om kunstbanen – in
de zorgsector extra. Het gaat om
werk waaraan behoefte bestaat,
terwijl er anderzijds mensen zijn die
behoefte hebben om dit type werk te
verrichten.
Er zijn natuurlijk ook mensen, die
graag een laagbetaalde baan willen
accepteren maar die niet zo
gee¨quipeerd of gemotiveerd zijn om
in de zorgsector te werken. Ook voor
die mensen moeten er maatregelen
zijn en daar is dit wetsvoorstel er een
van. De heer Linschoten zal straks
ingaan op het feit, dat het natuurlijk
allemaal onderdelen zijn van een
breed ingezet werkgelegenheids-
beleid.
De heer Boorsma heeft concreet
gevraagd hoe de commissie van de
Ziekenfondsraad adviseerde. Dit
advies is voorbereid door de
commissie verzekerden van de raad
en deze commissie was in overwe-
gende mate tegen deze maatregel en
heeft dus een negatief advies
uitgebracht. Daar hoef ik op zichzelf
niet van wakker te liggen, omdat ik
met het advies van de Ziekenfonds-
raad werk. Het is een proces in stappen: een commissie die het,
zonder dat zij een bredere maat-
schappelijke afweging hoeft te
maken puur op allerlei technische
onderdelen bekijkt en vervolgens op
grond van een bepaalde redenering
kan zeggen dat zij tegen een
dergelijke maatregel is. Desondanks
kan de Ziekenfondsraad, een breed
gezelschap dat ook wat verder om
zich heen kijkt dan alleen naar de
techniek van de verzekering, toch
een positief advies uitbrengen. Dat
advies kan weliswaar verdeeld zijn,
maar de meerderheid kon zich
indenken dat de regering een
dergelijke maatregel wenst te
nemen.
Mevrouw De Savornin Lohman
heeft gesproken over de zwakste
schakel in het werkgelegenheids-
beleid. Een keten is zo sterk als zijn
zwakste schakel. Dat spreekwoord
gaat hier echter naar mijn mening
niet op, want de kracht van het
werkgelegenheidsbeleid van dit
kabinet wordt niet door deze schakel
bepaald.
Voorzitter! Al met al ben ik blij, dat
zowel mevrouw De Savornin
Lohman als mevrouw Van Leeuwen
hebben herbevestigd, dat zij ondanks
een enkele kritische kanttekening
toch de regering met dit wetsvoor-
stel willen steunen. Ik dank hen
daarvoor hartelijk.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-416">

 
<spreker pagina="12-416" anker="329" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">

Voorzitter! De heer Boorsma komt
terug op de eerstejaarseffecten en op
de vraag in hoeverre er van dit
wetsontwerp goede
werkgelegenheidseffecten te
verwachten zijn. Hij sprak over het
saldo en noemde aan de ene kant
min 21.000 en aan de andere kant
plus 22.000. Het negatieve deel van
het verhaal geloof ik wel en het
positieve deel van het verhaal geloof
ik niet.</spreker>
<spreker pagina="12-417" anker="330" partij="CDA" naam="Boorsma">
 Nog niet. 

</spreker>
<spreker pagina="12-417" anker="331" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 Kijk,
het blijven prognoses. Wij zullen
achteraf moeten bekijken wat de
effecten zijn geweest. Feit is dat wij
op deze manier zeer gericht proberen
aan de onderkant van de arbeids-
markt een lastenverlichting te
realiseren. Die lastenverlichting
wordt ook gerealiseerd. Bij alle
aannames die wij in al die prachtige
modellen met elkaar realiseren,
weten wij dat daarvan
werkgelegenheidseffecten te
verwachten zijn. Ik realiseer mij ook
dat dat niet tot twee cijfers achter de
komma nauwkeurig uit te rekenen is.
Maar per saldo is hierbij sprake van
het gericht verschuiven van een
algemene lastenverlichting naar een
lastenverlichting aan de onderkant
van de arbeidsmarkt. De bedoeling
daarvan is om daar de loonkosten op
een gunstige wijze te beı¨nvloeden, in
de veronderstelling dat daar de
werkgelegenheid gaat ontstaan. Dat
gebeurt wel degelijk als gevolg van
dit wetsontwerp.
Dat ik niet over de eerstejaars-
effecten op basis van dat model
beschik, zal de heer Boorsma
begrijpen. Uitgaande van de
veronderstellingen die naar mijn
stellige overtuiging ook door hem
gedeeld worden, moeten wij toch
verwachten dat als gevolg van een
dergelijke maatregel juist aan de
onderkant van de arbeidsmarkt extra
werkgelegenheid zal ontstaan. 

</spreker>
<spreker pagina="12-417" anker="332" partij="CDA" naam="Boorsma">
 Mijnheer
de voorzitter! Er wordt op dit
moment inderdaad uitgegaan van
prognoses. Ik heb al eens eerder
gevraagd wat de significantie van de
uitkomst was, maar op die vraag heb
ik geen antwoord gekregen. Het zou
mij niet verbazen als de significantie
zodanig was, dat het effect nul is,
terwijl er wel een rekenkundige
uitkomst is van 1000. Maar dan gaat
het ook nog eens om wat meer
inzicht dan alleen maar rekenkundige
prognoses. 

</spreker>
<spreker pagina="12-417" anker="333" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 Maar
zelfs als het saldo nul zou zijn, zou ik
een voorstander zijn van deze
maatregel. Want dan betekent dat
dat er evenveel banen op de
arbeidsmarkt in zijn totaliteit
verdwijnen als er aan de onderkant
van de arbeidsmarkt bij komen. Zelfs
als dat het geval is, heeft om
kwalitatieve redenen een dergelijke
ingreep zijn nut. Met name aan de
onderkant van de arbeidsmarkt heeft
zich namelijk de afgelopen jaren een
buitengewoon significant probleem
voorgedaan. Juist daar hebben de
loonkosten zich zodanig ontwikkeld,
dat er werkgelegenheid is vernietigd,
Het is nu juist de bedoeling van het
kabinet om, los van onze wens om in
zijn algemeenheid werkgelegenheid
te cree¨ren, aan de onderkant van de
arbeidsmarkt die ruimte vrij te
maken.
Misschien dat een deel van de
kritiek van de heer Boorsma doel zou
treffen, indien deze maatregel de
enige werkgelegenheidsmaatregel
van het huidige kabinet zou zijn.
Maar ik moet de heer Boorsma er
ook op wijzen dat deze maatregel
een onderdeel is van een veelheid
van maatregelen die beogen
werkgelegenheid te cree¨ren. Er zijn
algemene maatregelen en specifieke
maatregelen. De heer Boorsma weet
net zo goed als ik dat wij ook een
aantal andere instrumenten inzetten
met het oog op die doelstelling
werkgelegenheid, werkgelegenheid
en nog eens werkgelegenheid. 

</spreker>
<spreker pagina="12-417" anker="334" partij="CDA" naam="Boorsma">
 Mijnheer
de voorzitter! Het gaat er nu niet om
een kabinetsbeleid in zijn totaliteit te
beoordelen. Daar hebben wij de
algemene politieke en financie¨le
beschouwingen voor gehad. Het gaat
nu om de beoordeling van dit
wetsvoorstel, om de vraag of dit een
goed wetsvoorstel is of niet. Ik laat
de rest dus voor wat het is en beperk
mij tot de beoordeling van dit
wetsvoorstel.
Ik moet zeggen dat de kwaliteit
van deze beraadslaging voor mij
geweldig stijgt als de staatssecretaris
begint toe te geven dat het
werkgelegenheidseffect nul zou
kunnen zijn, maar dat hij dan nog
vindt dat het een goed wetsvoorstel
zou zijn, omdat hij kennelijk iets wil
doen voor de onderkant van de
arbeidsmarkt. Als hij dat wil
toegeven, vind ik dat wij hier een
zeer goed debat hebben gehad. 

</spreker>
<spreker pagina="12-417" anker="335" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">

Wellicht behoeft de kwaliteit van het
debat niet af te nemen als ik de heer
Boorsma voorhoud dat ik wel
degelijk verwacht dat er een positief
saldo is. Daar ga ik van uit op basis
van het rekenwerk dat wij hebben
verricht. Maar ik houd de heer
Boorsma voor dat zelfs als het saldo
kwantitatief nul zou zijn, wij
kwalitatief veel winst kunnen boeken
door juist aan de onderkant van de
arbeidsmarkt de loonkosten op een
zodanige wijze te beı¨nvloeden dat
daar waar wij de grootste problemen
op de arbeidsmarkt hebben, extra
structurele werkgelegenheid gaat
ontstaan. Dat is de bedoeling van het
op deze manier inzetten van gelden
die beschikbaar zijn voor lasten-
verlichting. Ik zou dat toch wel
degelijk overeind willen houden. 

</spreker>
<spreker pagina="12-417" anker="336" partij="D66" naam="Vis">
 Voorzitter! De
heer Boorsma heeft mij verschillende
keren in dit debat aangehaald. Ik heb
enigszins geaarzeld of ik een
interruptie zou plaatsen, omdat ik mij
niet zo erg aangesproken voelde
door zijn opmerkingen. Hij sprak
namelijk over de politiek-inhoudelijke
afweging, terwijl de staatssecretaris
zojuist zeer duidelijk heeft gemaakt
dat er sprake is van een maatschap-
pelijk kwaliteitsverschil tussen die
21.000 banen en die 22.000 banen.
Ik aarzel ook een beetje om hier
uitvoerig over te praten, omdat
precies dit onderdeel van het
regeerakkoord nogal sterk speelde
toen ik informateur was. Je wordt
geacht daar niet te veel mededelin-
gen naar buiten over te doen, maar
ik herinner mij zeer levendig waarom
werd uitgekomen bij deze franchise
voor de Ziekenfondswet en niet bij
iets anders, bijvoorbeeld de
overhevelingstoeslag. Want dat heeft
andere koopkrachteffecten. Mis-
schien laat zich door een minderheid
een betere oplossing bedenken,
maar de politieke haalbaarheid van
een maatregel is natuurlijk ook van
betekenis en daarom is hiervoor
gekozen. Ik sta er dus ook met
overtuiging achter. 

</spreker>
<spreker pagina="12-417" anker="337" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">

Voorzitter! Laat ik vervolgen met het
tweede deel van de argumentatie
van de heer Boorsma die het toch
wel erg duur vond dat voor 1000
arbeidsplaatsen extra een bedrag
van 250 mln. werd uitgegeven. Hij
meende dat het op een veel betere,
veel effectievere manier zou kunnen
worden ingezet.
Ik heb in eerste termijn al
aangegeven dat naast het per saldo
werkgelegenheidsdoel bij deze keuze
van het inzetten van lastenverlichting
ook een aantal inkomenspolitieke
overwegingen een rol hebben
gespeeld. Ik zou de heer Boorsma,
die toch ook financieel woordvoerder
van zijn fractie is, willen voorhouden
dat dit een buitengewoon goedkope
inkomenspolitieke maatregel is. Als
wij de beoogde, evenwichtige
inkomensverdeling via een ander
instrument hadden willen inzetten,
zou het kabinet daarvoor in
financie¨le termen ongelofelijk veel
meer geld kwijt zijn geweest. Ik
meen dus dat wij ook in dat opzicht
geheel in de geest van de heer
Boorsma hebben gehandeld en op
een zo goedkoop mogelijke wijze die
evenwichtige inkomensontwikkeling
hebben gerealiseerd zonder al te veel
van het per saldo lastenverlichtings-
effect af de snoepen. Als je het echt
evenwichtig beschouwt, is de
maatregel toch wat meer voor de
hand liggend als de heer Boorsma in
deze discussie wil doen geloven. 

</spreker>
<spreker pagina="12-418" anker="338" partij="CDA" naam="Boorsma">
 De roem
van de heer Linschoten als debater
was hem uiteraard vooruitgesneld
naar dit gebouw. Ook nu blijkt het
weer. Ik vind het schitterend zoals hij
mijn opmerking riposteert. Maar dan
moet hij het volle verhaal geven.
Want ik heb ook gevraagd hoe het
kabinet denkt over de onrechtvaar-
digheid die in dit wetsvoorstel ligt
besloten, doordat je een bepaalde
groep een inkomensvoordeel gunt,
wat dan 250 mln. kost. Misschien is
dat wel goedkoop. Ik vind dat een
origineel antwoord, maar ik heb niets
gehoord over de impliciete onrecht-
vaardigheid ten aanzien van de
groep waar je dan niets voor doet. 

</spreker>
<spreker pagina="12-418" anker="339" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 Dat
heeft natuurlijk per definitie te maken
met de keuze die je maakt. Dat is het
kwalitatieve verhaal waar wij het niet
over hebben gehad. Als je lasten-
verlichting generiek inzet, hebben
alle groepen daar profijt van. Kom je
tot de conclusie dat je aan de
onderkant van de arbeidsmarkt iets
specifieks wilt doen en je richt daar
je instrument op door middel van
bijvoorbeeld het invoeren van een
franchise in de ziekenfondspremie,
dan richt dat instrument zich
natuurlijk niet op al die groepen die
niet de ziekenfondspremie betalen.
Dat is geen onrechtvaardigheid die je
uiteindelijk op de koop toe neemt.
Nee, dat is het gevolg van de keuze
die je maakt. Als je het richt op de
onderkant van de arbeidsmarkt, komt
het ook alleen maar terecht aan de
onderkant van de arbeidsmarkt. Ik
zou dat niet als een nadeel willen
betitelen. Dat is nu juist de bedoeling
van deze maatregel geweest. En
datzelfde geldt voor de inkomens-
politieke effecten.
Natuurlijk, als je dat doet in de
sfeer van de Ziekenfondswet, dan
richt zich dat alleen maar op de
groepen die te maken hebben met
de Ziekenfondswet en dus niet op
degenen die daar niet mee te maken
hebben. Maar laten wij wel wezen,
dat is willens en wetens gedaan en
ook op die wijze overwogen. Het is
de bedoeling van de wet en het is
geen nadeel dat wij vervolgens op
de koop toenemen. Ik ben blij dat de
heer Boorsma mij in ieder geval niet
weerspreekt. 

</spreker>
<spreker pagina="12-418" anker="340" partij="CDA" naam="Boorsma">
 Dat is een
verkeerde opmerking. Ik ga hier niet
op in. Wij hebben vandaag nog meer
te doen. Het blijft onjuist. Ik wil de
staatssecretaris nog wel eens op een
ander moment horen over het effect
voor bijvoorbeeld die kleine tuinder
die ook een zeer laag inkomen heeft
en over het effect voor andere
mensen die niet via het ziekenfonds
verzekerd zijn en die van dit voordeel
niets krijgen. Maar ik ga nu op geen
enkel argument meer in. 

</spreker>
<spreker pagina="12-418" anker="341" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">

Voorzitter! Ik wil best op dit
voorbeeld van die tuinder ingaan.
Die kan op een veel goedkopere
manier dan tot nu toe personeel
inhuren, omdat hij daar minder
lasten voor kwijt is. Die zal daarvan
dus profijt hebben. Laten wij nu niet
net doen alsof het daar niet
terechtkomt. Ook tuinders die
personeel inhuren krijgen te maken
met deze lastenverlichting; ook die
krijgen te maken met minder
ziekenfondspremie voor personeel
dat zij op die laagste loonschalen inhuren. Met andere woorden: het is
een wetsvoorstel dat blijkbaar toch
breder uitwerkt dan de heer Boorsma
in zijn beschouwingen tot nu toe
veronderstelt. 

</spreker>
<spreker pagina="12-418" anker="342" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor de
wederzijdse pogingen tot uitlokking
thans enigszins te beperken. 

</spreker>
<spreker pagina="12-418" anker="343" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 Ik zal
kort de rest van de vragen nalopen,
voorzitter.
Mevrouw De Savornin Lohman
zegt, dat dit eigenlijk de zwakste
schakel is in het kader van de
werkgelegenheidspolitiek van het
kabinet. Ik zou het niet de zwakste
schakel willen noemen. Wij kunnen
met elkaar vaststellen dat er op een
breed front, met een veelheid van
verschillende maatregelen, een
bijdrage wordt geleverd aan het
verbeteren van de werkgelegenheid.
Ook in termen van lastenverlichting
is dit niet het enige instrument dat in
de overwegingen betrokken is. Dat
geldt voor 1995. U kent alle andere
maatregelen die wij ook verdedigen.
U moet die nadrukkelijk met elkaar
gecombineerd zien. Daarbij doen zich
een aantal algemene lasten-
verlichtingen voor en een aantal
specifieke lastenverlichtingen.
Daarnaast is er een werkgelegen-
heidspolitiek gericht op hele
bijzondere groepen op de arbeids-
markt. Dat totale pakket is de
werkgelegenheidspolitiek die wij als
kabinet ons voornemen in 1995 te
gaan uitvoeren. Dit onderdeeltje –
het invoeren van een franchise in de
Ziekenfondswet – is inderdaad maar
een onderdeeltje. De bedoeling
daarvan is slechts om juist aan de
onderkant van de arbeidsmarkt die
loonkosten te verlagen om de
redenen die ik heb aangegeven.
Voorzitter! Nog een laatste
opmerking naar aanleiding van het
betoog van mevrouw Van Leeuwen.
Ik ben het met haar eens dat de
lastenverlichting de komende jaren
inderdaad moet doorgaan. Willen wij
vier jaar lang doorgaan een
werkgelegenheidspolitiek te voeren
door middel van het structureel
verlagen van de loonkosten via het
instrument van lastenverlichting, dan
zullen wij dat inderdaad een aantal
jaren moeten volhouden. Dat is ook
de reden waarom het kabinet deze
inzet heeft gekozen. Er is voorzien in
een zeer substantie¨le lasten-
verlichting de komende jaren; een
grotere lastenverlichting dan zich in
welke kabinetsperiode dan ook sinds
de Tweede Wereldoorlog heeft
voorgedaan. Het kabinet is zeer
gemotiveerd, juist om wille van de
werkgelegenheidsargumenten, om
dat de komende jaren waar te
maken.
Betekent hetgeen ik in eerste
termijn gezegd heb, dat er in dit
wetsvoorstel een materie¨le horizon-
bepaling zit, zo vroeg mevrouw Van
Leeuwen. Ik weet niet precies hoe ik
in dit verband het woord ’’materieel’’
moet interpreteren. De minister van
Volksgezondheid heeft nadrukkelijk,
ook in het debat in de Tweede
Kamer, de relatie aangegeven tussen
dit wetsvoorstel en de discussie over
de convergentie. Daarbij staat een
aantal zaken wederom ter discussie.
Als mevrouw Van Leeuwen dat
bedoeld heeft met haar opmerking
over een materie¨le horizonbepaling,
ben ik het graag met haar eens.</spreker>
<spreker pagina="12-419" anker="344" partij="VVD" naam="Van Leeuwen-Schut">
 Dat was niet precies wat ik
bedoelde. De samenloop met de
convergentie leidt, als ik de
antwoorden van de minister goed
lees, juist helemaal niet tot een
materie¨le horizonbepaling per 1
januari 1996. Het SER-advies is ook
nu weer niet genoemd. Mijn vraag
ging juist over een andere wijze van
benaderen als wij spreken over het
inzetten van premiegelden en
rijksbijdragen. Als dat gebeurt per 1
januari 1996, betekent dit dat de
franchise in dat verband vervangen
zou kunnen worden door iets anders.
Dan is het dus een materie¨le
horizonbepaling; dus tijdelijk voor
1995, zoals het ook in het regeerak-
koord staat. 

</spreker>
<spreker pagina="12-419" anker="345" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 Als dat
de formulering is, moet mijn
antwoord ’’nee’’ zijn, voorzitter. Wij
hebben niet alleen ten tijde van het
regeerakkoord maar ook binnen het
kabinet met elkaar afgesproken dat
wij wat de invulling van de lasten-
verlichting voor 1996 betreft – dus
per 1 januari 1996 – de afwegingen
zullen maken ten tijde van de
begrotingsvoorbereiding 1996. Dat
wil zeggen dat alle instrumenten –
mevrouw Van Leeuwen kent deze, zij
hebben ook allemaal de revue
gepasseerd bij het vaststellen van
het regeerakkoord – dan ter discussie
staan. Het enige wat ik daarvan op
dit moment kan zeggen, is, dat wij
binnen het kabinet die keuze nog niet
definitief gemaakt. Net zoals voor
1995 zijn er twee centrale randvoor-
waarden. De eerste en de aller-
belangrijkste is dat wij beogen met
die lastenverlichting ook bij de
invulling voor 1996 zoveel mogelijk
werkgelegenheid te realiseren,
kwantitatief en kwalitatief. Aan de
andere kant houden wij de ogen niet
gesloten en proberen wij in dat kader
ook een evenwichtige inkomensver-
deling over alle inkomenscategoriee¨n
te realiseren. Die afweging zullen wij
de komende maanden met elkaar
moeten maken. Daarover zal deze
Kamer zonder enige twijfel snel
geı¨nformeerd worden. 

</spreker>
<spreker pagina="12-419" anker="346" naam="De voorzitter">
 Mevrouw De
Savornin Lohman vroeg een korte
derde termijn. Ik stel voor, haar die
toe te staan.
Daartoe wordt besloten. 

</spreker>
<spreker pagina="12-419" anker="347" naam="De voorzitter">
 Mag ik in het
algemeen de Kamer vragen om het
te doen met de eerste en tweede
termijn? Dat moet kunnen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-419">
<spreker pagina="12-419" anker="348" partij="D66" naam="De Savornin Lohman">
 Het betreft een klein doch
kwalitatief belangrijk punt dat ook nu
in het debat weinig aan de orde is
gekomen. Het gaat om de kleine
zelfstandigen die voor het cree¨ren
van werkgelegenheid erg belangrijk
zijn. De minister heeft duidelijk
gemaakt dat de compensatie niet in
de WTZ of MOOZ-premie wordt
gezocht, doch dat er door de
regering direct geld gestort wordt in
het verzekeringsfonds. Wij vinden
dat een erg belangrijk punt. Er
gingen namelijk geruchten dat het
anders zou lopen. Dat wilde ik hier
nog even naar voren brengen.
De beraadslaging wordt gesloten. 

</spreker>
<spreker pagina="12-419" anker="349" naam="De voorzitter">
 De stemming over dit
wetsvoorstel zal direct na de
lunchpauze plaatsvinden.
De vergadering wordt enkele
minuten geschorst. 

</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="12-419">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
houdende uitbreiding van de
loonkostensubsidieregeling
(23784).
De beraadslaging wordt geopend.

<blok pagina="12-419">

 
<spreker pagina="12-419" anker="350" partij="PvdA" naam="Van de Zandschulp">

Voorzitter! Sinds de invoering van de
Wet tot terugdringing
arbeidsongeschiktheidsvolume in
1992 beschikt de GMD over een
arsenaal gereedschap voor de
vervulling van de taak van arbeidsbe-
middeling en reı¨ntegratie van ex- of
gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Een
van die instrumenten is een
loonkostensubsidie, afgekort LKS,
eventueel gecombineerd met een
inwerksubsidie bij integratie bij een
nieuwe werkgever. En inderdaad,
loonkostensubsidie kan een
hulpmiddel zijn om een aarzelende
werkgever over de brug te trekken.
Nu wordt voorgesteld om de
loonkostensubsidie uit te breiden
naar reı¨ntegratie bij de eigen
werkgever. Wij zullen dit voorstel
steunen, maar wij verwachten er
hooguit een marginaal effect van.
Als ik even over dit voorstel
nadenk, vind ik het toch een ietwat
merkwaardig voorstel. Het gaat
hierbij om werknemers die nog in
dienstbetrekking zijn. Het kan gaan
om werknemers die na een jaar
Ziektewet in zo geringe mate
arbeidsongeschikt zijn, minder dan
15%, dat zij zelfs niet voor de laagste
arbeidsongeschiktheidsuitkering in
aanmerking komen. Het kan ook
gaan om werknemers in een van de
lagere arbeidsongeschiktheids-
klassen. In het algemeen zal het dus
gaan om het eerste WAO-jaar. In dat
geval geldt er een inspannings-
verplichting van de werkgever om
deze werknemer een aangepaste
arbeidsplaats aan te bieden en geldt
er een verscherpte ontslagbescher-
ming. Op zichzelf doet loonkosten-
subsidie hieraan niet toe of af.
Bij reı¨ntegratie bij de eigen
werkgever zijn er twee varianten
denkbaar. De eerste is dat de
betrokkene bij de eigen werkgever
aan de slag gaat in een functie met
bijbehorend functieloon dat
overeenkomt met de theoretische
schatting van het functie-
informatiesysteem, FIS. Lager loon
en gedeeltelijke WAO-uitkering
sluiten dan goed op elkaar aan; er is
in principe geen probleem. Als het
om een heel andere functie bij de
eigen werkgever gaat, kan de laatste
wellicht behoefte hebben aan een
inwerksubsidie.
De tweede variant is dat betrok-
kene weer aan het werk gaat bij de
eigen werkgever in een andere
functie tegen een lagere loonwaarde
dan overeenkomst met de theoreti-
sche schatting van het FIS. Sinds
TBA geschiedt die schatting op basis
van de hoogst bereikbare loon-
waarde. Nu is er wel een probleem.
Loon en gedeeltelijke WAO-uitkering
sluiten niet meer op elkaar aan. De
gedeeltelijke WAO-uitkering biedt
geen adequate compensatie voor het
feitelijk loonverlies. In sommige,
wellicht zeer uitzonderlijke situaties
levert de combinatie lager loon en
gedeeltelijke WAO zelfs minder op
dan een gecombineerde WAO/WW-
uitkering.</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


