<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2029]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, houdende uitbreiding van de loonkostensubsidieregeling (23784)</item>
<item attribuut="Bestand"> 32 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Belastingen (Loonbelasting)
Sociale zekerheid (Arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen (Ziektewet, WAO, AAW, IOAW, IOAZ))
Sociale zekerheid (Arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen (Ziektewet, WAO, AAW, IOAW,)</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Subsidies
Loonbelasting
AAW
Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen</item>
<item attribuut="Dossiernr">23784</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 9, Eerste Kamer, pag. 419-422</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">21-12-1994</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2029</item>
<item attribuut="Omvang">4 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Eerste Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Loonkostensubsidie</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Referte-eisen WW</item>
<item attribuut="doccode">EK 12</item>
<item attribuut="voorzitter">Heijne Makkreel</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="12-419">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
houdende uitbreiding van de
loonkostensubsidieregeling
(23784).
De beraadslaging wordt geopend.

<blok pagina="12-419">

 
<spreker pagina="12-419" anker="451" partij="PvdA" naam="Van de Zandschulp">

Voorzitter! Sinds de invoering van de
Wet tot terugdringing
arbeidsongeschiktheidsvolume in
1992 beschikt de GMD over een
arsenaal gereedschap voor de
vervulling van de taak van arbeidsbe-
middeling en reı¨ntegratie van ex- of
gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Een
van die instrumenten is een
loonkostensubsidie, afgekort LKS,
eventueel gecombineerd met een
inwerksubsidie bij integratie bij een
nieuwe werkgever. En inderdaad,
loonkostensubsidie kan een
hulpmiddel zijn om een aarzelende
werkgever over de brug te trekken.
Nu wordt voorgesteld om de
loonkostensubsidie uit te breiden
naar reı¨ntegratie bij de eigen
werkgever. Wij zullen dit voorstel
steunen, maar wij verwachten er
hooguit een marginaal effect van.
Als ik even over dit voorstel
nadenk, vind ik het toch een ietwat
merkwaardig voorstel. Het gaat
hierbij om werknemers die nog in
dienstbetrekking zijn. Het kan gaan
om werknemers die na een jaar
Ziektewet in zo geringe mate
arbeidsongeschikt zijn, minder dan
15%, dat zij zelfs niet voor de laagste
arbeidsongeschiktheidsuitkering in
aanmerking komen. Het kan ook
gaan om werknemers in een van de
lagere arbeidsongeschiktheids-
klassen. In het algemeen zal het dus
gaan om het eerste WAO-jaar. In dat
geval geldt er een inspannings-
verplichting van de werkgever om
deze werknemer een aangepaste
arbeidsplaats aan te bieden en geldt
er een verscherpte ontslagbescher-
ming. Op zichzelf doet loonkosten-
subsidie hieraan niet toe of af.
Bij reı¨ntegratie bij de eigen
werkgever zijn er twee varianten
denkbaar. De eerste is dat de
betrokkene bij de eigen werkgever
aan de slag gaat in een functie met
bijbehorend functieloon dat
overeenkomt met de theoretische
schatting van het functie-
informatiesysteem, FIS. Lager loon
en gedeeltelijke WAO-uitkering
sluiten dan goed op elkaar aan; er is
in principe geen probleem. Als het
om een heel andere functie bij de
eigen werkgever gaat, kan de laatste
wellicht behoefte hebben aan een
inwerksubsidie.
De tweede variant is dat betrok-
kene weer aan het werk gaat bij de
eigen werkgever in een andere
functie tegen een lagere loonwaarde
dan overeenkomst met de theoreti-
sche schatting van het FIS. Sinds
TBA geschiedt die schatting op basis
van de hoogst bereikbare loon-
waarde. Nu is er wel een probleem.
Loon en gedeeltelijke WAO-uitkering
sluiten niet meer op elkaar aan. De
gedeeltelijke WAO-uitkering biedt
geen adequate compensatie voor het
feitelijk loonverlies. In sommige,
wellicht zeer uitzonderlijke situaties
levert de combinatie lager loon en
gedeeltelijke WAO zelfs minder op
dan een gecombineerde WAO/WW-
uitkering.
In deze tweede situatie is er wel
een probleem en wel voor de
werknemer. Dat probleem wordt nu
opgelost, althans verzacht via een
subsidie voor de werkgever. Het ligt
op het eerste gezicht voor de hand
dat de werkgever die subsidie
doorsluist naar de werknemer die
werk hervat tegen een lager loon dan
overeenkomt met de maximale
resterende verdiencapaciteit volgens
het FIS. Een probleem is echter wel
dat de loonkostensubsidie slechts
tijdelijk verstrekt kan worden. Mijns
inziens is er behoefte aan een op de
werknemer toegespitst reı¨ntegratie-
instrument in dergelijke situaties. Ik
geef in dit verband een curieus
voorbeeld uit de praktijk van de
arbeidsongeschiktheidsschattingen
van de DETAM.
Een wasserijmedewerkster wordt
geschikt geacht om voor halve dagen
niet te zwaar werk te doen. De
medisch-arbeidskundige beperkingen
staan toe dat zij ook haar eigen werk
voor halve dagen doet. Dat levert
een loon op ter waarde van de helft
van haar oude loon. Volgens mijn
logica is deze vrouw half arbeidson-
geschikt en zou zij ingedeeld dienen
te worden in de
arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot
55%. Volgens de computer van het
FIS blijken er echter ook functies te
bestaan met een ruim hogere
loonwaarde die zij met haar
beperkingen nog kan vervullen,
bijvoorbeeld samenstelster elektri-
sche apparatuur; ik weet niet precies
wat de functie inhoudt. Omdat
geschat moet worden op basis van
haalbare functies met de hoogste
loonwaarde wordt zij nu niet voor de
helft, maar voor een derde arbeids- ongeschikt verklaard: de
arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot
35%. Werkhervatting voor halve
dagen in haar oude functie bij haar
eigen werkgever wordt nu niet erg
aantrekkelijk. De kleine WAO-
uitkering biedt geen adequate
compensatie voor het feitelijk
loonverlies.
Voor de invoering van TBA zou
vorenstaande uitkomst van de
arbeidsongeschiktheidsschatting zich
waarschijnlijk niet hebben voorge-
daan. Zou zo’n vreemde uitkomst
toch denkbaar zijn geweest, dan was
er de mogelijkheid van herschatting
op basis van feitelijk loon. Sinds TBA
is herschatting op basis van feitelijk
loon niet meer mogelijk, althans als
het gaat om werkhervatting tegen
een lager loon. Merkwaardigerwijs is
herschatting wel mogelijk bij
hervatting tegen een hoger loon dan
de FIS-computer eerder voor
mogelijk had gehouden. Als wij
doctrinair aan bovenstaande
vasthouden, wordt de reı¨ntegratie-
doelstelling toch in een aantal
situaties ondergeschikt gemaakt aan
een theoretisch zo zuiver mogelijke
schatting. Ik pleit er daarom juist ter
wille van de reı¨ntegratie voor om de
mogelijkheid van herschatting tegen
feitelijk loon te heropenen, uiteraard
genormeerd, wellicht afgebakend en
gecontroleerd door een onafhankelijk
toezicht.
De tegenwerping bij deze suggestie is mij bekend: dan sluipen
er toch weer arbeidsmarkt-
overwegingen binnen in de
arbeidsongeschiktheidsschatting. Wij
hebben ervoor gekozen om het
arbeidsongeschiktheidsrisico en het
werkloosheidsrisico zo duidelijk
mogelijk te scheiden. Wij kenden
vroeger de mogelijkheid om bij
gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
de werkloosheidscomponent te
verdisconteren in de WAO-uitkering.
In de praktijk is die mogelijkheid
maximaal opgerekt. Het ging erom,
in de woorden van de vroegere
directeur-generaal Arbeid van het
ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, de werkloosheids-
cijfers op te zwabberen. Dat heeft
geleid tot een forse scheefgroei in de
WAO.
Voorzitter! Dat is mij bekend, maar
ik bepleit iets geheel anders. In het
verleden, bij de verdiscontering van
de werkloosheidscomponent in de
WAO, ging het om de uitkering als
een afkoopsom voor het recht op
arbeid. Ik bepleit precies het tegengestelde: de uitkering gebrui-
ken als een opstapje naar arbeid. Ik
gebruik niet helemaal toevallig de
term ’’opstapje’’. De staatssecretaris zal zich het opstapje nog herinneren:
de mogelijkheid om bij werk-
hervatting tegen lager loon
betrokkene een arbeidsongeschikt-
heidsklasse hoger in te schalen dan
overeenkomt met de eerdere
theoretische schatting. Ik bepleit om
in deze gevallen de reı¨ntegratie-
doelstelling zwaarder te laten wegen
dan een doctrinair zuivere schatting.
Ik bepleit dus niet werkloosheid in de
WAO-uitkering te verdisconteren. Ik
bepleit wel indien nodig en nuttig
voor de reı¨ntegratie werkhervatting
tegen een lager loon in de WAO te
verdisconteren. Het gaat mijns
inziens niet aan om verdiscontering
van werkloosheid en verdiscontering
van werkhervatting tegen lager loon
over een kam te scheren.
Voorzitter! Van generaals wordt
wel gezegd dat ze strategiee¨n
bedenken om de vorige verloren
oorlogen alsnog te winnen, zich niet
realiserend dat de omstandigheden
en omgevingsfactoren inmiddels zijn
gewijzigd. Politici hebben al evenzeer
de neiging, zich zo te fixeren op het
vermijden van fouten uit het
verleden, dat ze recente fouten soms
over het hoofd zien. Ik hoop dat het
spoedig mogelijk wordt om het
verleden positief te verwerken en
onbevangen aan te kijken tegen de
huidige knelpunten. Alle arbeids-
deskundigen en arbeidsbemiddelaars
die ik gesproken heb, vertelden mij
dat de mogelijkheid tot herschatting
bij werkaanvaarding tegen een lager
loon een van de meest effectieve
reı¨ntegratie-instrumenten was.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-420">

 
<spreker pagina="12-420" anker="452" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">

Voorzitter! De heer Van de Zand-
schulp heeft terecht gewezen op het
feit dat we een heel arsenaal aan
instrumenten hebben om te pogen,
mensen aan het werk te houden, ook
als ze gedeeltelijk arbeidsongeschikt
zijn en om te reı¨ntegreren. Ik zou
hem willen voorhouden dat het
kabinet er zeer veel aan gelegen is
om wat dat betreft alles wat we
beschikbaar hebben en wat we
kunnen bedenken met elkaar, uit de
kast te halen. Het begeleiden in de
richting van de arbeidsmarkt van
mensen die arbeidsongeschikt zijn
geweest of op dit moment nog
steeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt
zijn, is namelijk een heel belangrijke
doelstelling van het regeringsbeleid.
Ik zou ook graag in de loop van het
komend jaar, als wij praten over de
wetsvoorstellen in het kader van het
privatiseren van de Ziektewet en de
WAO-voorstellen – het flankerend
beleid wat nodig is – heel nadrukke-
lijk willen stilstaan bij dat onderdeel
van het flankerend beleid. Het is
cruciaal dat we erin slagen, op dat
punt de wissels te verzetten. Er is op
dit moment naar mijn stellige
overtuiging op basis van de nieuwe
wetgeving van het vorige kabinet te
veel sprake van dat mensen die op
dit moment gebruikmaken van een
arbeidsongeschiktheidsregeling,
geheel of gedeeltelijk uit die regeling
komen op basis van de nieuwe
schattingen en dan werkloos worden,
terwijl we er niet voldoende in
slagen, ze te begeleiden naar de
arbeidsmarkt en daarvoor voldoende
banen te realiseren. Het mag ook de
heer Van de Zandschulp duidelijk zijn
dat, als het aan het kabinet ligt, alles
uit de kast wordt gehaald om dat
probleem tot een oplossing te
brengen. Ik heb daar ook aan de
overkant, tijdens de behandeling van
de begroting van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, het een en ander
over gezegd.
De heer Van de Zandschulp
verwacht van dit instrumentje, zoals
hij het noemde, eigenlijk maar een
marginaal effect. Ik zou hem daarin
gelijk willen geven. Er is behoefte
aan dit instrument, maar we moeten
er met elkaar geen spectaculaire
effecten van verwachten. Degenen
die bezig zijn met het begeleiden van
de categoriee¨n waar ik over
gesproken heb in de richting van de
arbeidsmarkt, geven aan dat ze ook
aan dit instrument behoefte hebben.
Dat is ook de reden, waarom het
kabinet overwogen heeft om het
instrument in te dienen.
De rest van het verhaal van de
heer Van de Zandschulp ging
eigenlijk volledig over de wijze van
schatten, het schattingsbesluit en de
gevolgen van de TBA-wetgeving. Ik
zou daar heel kort over willen zijn,
omdat ik mij realiseer dat wij over
die wijze van schatten en het
herbeoordelen van mensen, in de
loop van de komende maanden nog
een uitgebreide discussie krijgen. De
heer Van de Zandschulp weet dat het
departement bezig is met het
evalueren van het schattingsbesluit,
waarvan wij de komende maanden
de resultaten zullen zien. Ik ben op
dit moment over een aantal andere
aspecten van het schattingsbesluit in
overleg met de uitvoeringsorganen,
namelijk de GMD en de Federatie
van bedrijfsverenigingen, om te
kijken of we op dat punt een aantal
evident onredelijke situaties in de
toekomst kunnen voorkomen. Het is
niet mijn voornemen om, kijkend
naar de huidige schattingspraktijk,
wederom arbeidsmarktelementen in
de schatting te betrekken. Ik geloof
dat een van de goede onderdelen
van de TBA-wetgeving en van het
schattingsbesluit van het vorige
kabinet is geweest dat we, in
tegenstelling tot het verleden, kijken
naar wat mensen nog wel kunnen op
de arbeidsmarkt, en dat we ons niet
concentreren op wat men niet meer
kan. Uitgaande van het gegeven wat
men nog wel kan, komen we tot een
oordeel, welke functies beschikbaar
zijn. Ik ben het met de heer Van de
Zandschulp eens dat je reı¨ntegratie
buitengewoon zwaar moet wegen,
maar ik ben aan de andere kant ook
van mening dat we, waar het gaat
om een beoordeling van de vraag of
iemand arbeidsongeschikt is, dit op
een heel zuivere manier moeten
vaststellen, al was het alleen maar
om ’’arbeidsongeschikten’’ en
mensen die om andere redenen
werkloos zijn, niet op een ongelijke
wijze te behandelen.
De heer Van de Zandschulp kent
de tegenwerpingen en hij weet ook
wat mijn opvatting is met betrekking
tot het wederom introduceren van
arbeidsmarktrelevante factoren in de
hele schattingspraktijk. Ik zou hem
willen voorstellen, af te wachten wat
de huidige evaluatie oplevert – dat
duurt niet zo lang meer – en
vervolgens met elkaar, ook met de
Tweede Kamer, te bezien op welke
wijze wij in de toekomst met het hele
fenomeen van keuren en schatten
om moeten gaan.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-421">

 
<spreker pagina="12-421" anker="453" partij="PvdA" naam="Van de Zandschulp">

Mijnheer de voorzitter! Het is mij
bekend dat er een discussie gaande
is over het huidige schattingsbesluit
en de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid. Voor zover
mij bekend gaat de discussie tot
dusverre over vreemde en schrij-
nende uitkomsten die vooral het
gevolg zijn van de medische
beoordeling. Ik vraag aan de
staatssecretaris of die evaluatie van
het schattingsbesluit mede met zich
kan brengen dat ook onredelijke of
vreemde uitkomsten als gevolg van
de arbeidskundige beoordeling een
rol spelen. Het voorbeeld dat ik heb
geplukt uit de Detam-praktijk vind ik
zo’n curieus voorbeeld. Ik ben het
uiteraard eens met het uitgangspunt
dat je primair moet kijken naar wat
mensen nog wel kunnen, in plaats
naar je te fixeren op wat mensen niet
kunnen. Over die uitgangspunten zijn
wij het dus eens. Het gaat nu over
’’het introduceren van arbeidsmarkt-
elementen’’. Ik ken dat argument en
ik weet ook wat er in het verleden
fout is gegaan, een fout die ook ik
niet nog eens wil maken. Daarover
zijn wij het eens. De staatssecretaris
heeft echter niet gereageerd op mijn
argumentatie dat wat ik voorstel niet
het verdisconteren is van enige
werkloosheidscomponent in de
WAO-uitkering, maar daar waar dat
nodig is voor de reı¨ntegratie het
verdisconteren van werkhervatting
tegen een lager loon. Ik vind dat een
essentieel andere variant, ook al
probeer je ze allebei onder de ene
noemer van arbeidsmarkt-
overwegingen te behandelen in het
schattingsbesluit. Ik vind dat tot
dusverre dit onderscheid, wat toch
essentieel is, niet is gemaakt als men
alleen maar de term gebruikt en
daarmee het probleem naar mijn
mening wegschuift. Ik doel op de
variant, waarin beide geheel
verschillende benaderingen
gezamenlijk onder die ene noemer
van het introduceren van
arbeidsmarktoverwegingen in de
schatting worden betiteld.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-421">

 
<spreker pagina="12-421" anker="454" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">

Voorzitter! Natuurlijk, die evaluatie is
breed opgezet en zal zich niet alleen
maar concentreren op de medische
beoordeling. De evaluatievragen en
onderzoeksvragen zijn er in eerste
instantie op gericht, te ontdekken
welke signalen wij op dit moment
krijgen met betrekking tot de nieuwe
schattingspraktijk. Die signalen zijn
heel breed, en hebben te maken met
de medische keuring en de arbeids-
kundige kant van de zaak. Dat brede
scala zal dus in beeld moeten
komen. Een tweede belangrijke vraag
is, wat het realiteitsgehalte van die
signalen is, hoe serieus je die kritiek
moet nemen en of een en ander een
onbedoeld effect is van de maatre-
gel. Zonder enige twijfel zal de hele
arbeidskundige kant van de zaak aan
de orde komen, ook gelet op de
signalen die ik op mijn bureau krijg.
Maar ook de heer Van de Zandschulp
zal daarover de nodige post krijgen.
De bulk van de signalen heeft te
maken met het gegeven dat mensen zeggen: als ik tegen die functies
beoordeeld word, tegen dat hoge
niveau aan loon, dan is er altijd
sprake van een nog resterende
arbeidsgeschiktheid. Dat heeft alles
te maken met die arbeidskundige
kant van de zaak. Ik ben ervan
overtuigd dat dat een relevant
onderdeel zal zijn, niet alleen van het
onderzoek dat op dit moment
gaande is, maar ook van de evaluatie
en de discussie die wij daarover
zullen voeren. Wat dat betreft
kunnen wij dus de klokken gelijk
zetten.
Ik ben blij dat de heer Van de
Zandschulp de doelstellingen van het
huidige kabinet onderschrijft,
namelijk dat wij niet uit moeten gaan
van wat mensen niet meer kunnen,
maar van wat mensen wel kunnen.
Dat moeten wij blijven vasthouden.
De heer Van de Zandschulp zegt
dat hij niet met zijn opmerkingen de
hele verdiscontering naar voren
wilde halen. Het gaat volgens hem
om een fundamenteel andere zaak,
namelijk het verdisconteren van
werkhervatting tegen lager loon. Ik
ben met hem van mening dat dat
een andere zaak is dan de oude
verdisconteringsproblematiek. Ik wil
de heer van de Zandschulp
voorhouden – die discussie moeten
wij later voortzetten, als wij spreken
over de toekomst van het schattings-
besluit – dat ook het verdisconteren
van werkhervatting tegen een lager
loon niet een medisch, maar
arbeidsmarktrelevant gegeven is. Het
is wat mij betreft de vraag of wij dat
type elementen wederom moeten
betrekken bij het beantwoorden van
de vraag wat de mate van arbeidson-
geschiktheid van iemand is. Als
iemand 100% arbeidsgeschikt is,
tegen een loon dat afwijkt van het
loon dat hij vroeger verdiende, is het
voor mij een grote vraag of wij dat
wederom moeten betrekken in de
verzekering die wij rondom
arbeidsongeschiktheid hebben. Ik
begrijp uit opmerkingen van de heer
Van de Zandschulp dat hij daar wat
anders tegenaan kijkt, maar laten wij,
als wij de precieze waarde van alle
signalen rond de nieuwe schatting
goed in beeld hebben en die
systematisch in kaart hebben
gebracht, maar met elkaar bekijken
op welke wijze die medische en
arbeidskundige elementen ook in de
toekomst een rol zullen blijven
spelen.
De beraadslaging wordt gesloten.
Het wetsvoorstel wordt zonder
stemming aangenomen.
De vergadering wordt enkele
minuten geschorst.
</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="12-422">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Werkloosheidswet en
enkele andere wetten (aan-
scherping referte-eisen WW)
(23985).
De beraadslaging wordt geopend.

<blok pagina="12-422">

 
<spreker pagina="12-422" anker="455" partij="GroenLinks" naam="De Boer">

Mijnheer de voorzitter! Het tempo
dat de senaat vanmorgen ontwikkelt
is haast adembenemend. Men heeft
kennelijk zin in het kerstreces.
Als ik het goed heb begrepen, is
de inhoud van het wetsvoorstel
ongeveer de volgende. Voor recht op
een WW-uitkering die gerelateerd is
aan het loon dat je verdiende, moet
je in de 39 weken voor je ontslag 26
weken hebben gewerkt. Dat is de
referte-eis. Daarnaast moet je van de
vijf jaar voor het ontslagmoment
minstens vier jaar en 52 dagen
hebben gewerkt voor een vervolg-
uitkering. Dat is de arbeidsverleden-
eis. Voldoe je alleen aan de
referte-eis, dan krijg je een half jaar
70% van het minimumloon, zonder
inkomens- of vermogenstoets.
Voldoe je daar niet aan, dan kun je
rechtstreeks naar de bijstand. De
doelstelling is een bezuiniging van
0,5 mld. Mensen die aan de
arbeidsverleden-eis voldoen, krijgen een verlengde vervolguitkering: een
jaar extra. Dat is wat mij betreft het
enige lichtpunt in dit voorstel. Voor
mensen die daar niet aan voldoen,
wordt de relatering aan het laatst
verdiende loon verlaten. Ze vallen
direct terug naar bijstandsniveau. Dit
lijkt mij het eerste voorbeeld van het
door de VVD zo vurig begeerde
ministelsel. Wij vinden dat een
ernstige verslechtering. Ik vraag mij
overigens af of deze bedoelingen in
het verkiezingsprogramma van de
Partij van de Arbeid is terug te
vinden. Ik heb het er niet op
nagelezen, want
verkiezingsprogramma’s behoren
niet tot mijn favoriete lectuur.
Het effect van deze wet is dat zeer
veel mensen die al ernstig benadeeld
worden door ontslag uit hun baan,
nu ook nog direct na hun ontslag
een extra klap krijgen, omdat ze
onmiddellijk in inkomen terugvallen
naar het niveau van de bijstand. Niks
gewenningsperiode, niks een half
jaar de tijd om de even te herstellen
en op zoek te gaan naar een nieuwe
baan. Neen, e`n beschadigd in je
zelfgevoel e`n aangetast in je
bestaanszekerheid e`n direct, zonder
overgang, in financie¨le problemen.
Er was een tijd dat in dit land
normaal werd gevonden dat er een
behoorlijk goede verzekering tegen
werkloosheid was. Dat standpunt
wordt nu verlaten. De fractie van
GroenLinks ziet dat als een omslag-
punt, waar zij ernstige bezwaren
tegen heeft.
Dit wetsvoorstel is ook niet
verdedigbaar in het licht van de door
sommigen zo sterk gepropageerde
flexibilisering van de arbeid, vooral
aan de onderkant van de arbeids-
markt. Jongeren, allochtonen,
herintredende vrouwen, veel mensen
met kleine baantjes en tijdelijke
contracten zijn de klos. Het paarse
levensgevoel heeft kennelijk weinig
op met jongeren. Hun positie wordt
aan alle kanten en in snel tempo ernstig verslechterd: in de Bijstands-
wet, bij de studiefinanciering, in de
JWG doordat de scholings-
component wegvalt en het
voorbereidingstraject nog een
vergoeding kent van ƒ 330. Kennelijk
zijn de jongeren een gemakkelijk aan
te pakken groep. Mij lijkt dat tamelijk
riskant, zowel uit een oogpunt van
maatschappelijke motivatie van de
jongere generatie, als uit een
oogpunt van binden van jongeren
aan je politieke doelstellingen.
Voorzitter! De fractie van
GroenLinks vindt het niet verdedig-
baar en eigenlijk tamelijk onbehoor-
lijk om te werken aan een sterke
flexibilisering van de arbeid die op
zich al een verzwakking betekent van
de bestaanszekerheid van mensen en
hen soms bijna letterlijk maakt tot
dagloners die maar af moeten
wachten of zij morgen weer nodig
zijn, terwijl zij daarnaast ook nog
eens hun recht op een loon-
gerelateerde WW-uitkering kwijt
raken. Is het niet veel beter en
fatsoenlijker om een grotere
flexibilisering te koppelen aan een
behoorlijke verzekering als dat
contract afloopt?
Ik wil tot slot nog op twee
elementen wijzen. De aanscherping
van het begrip passende arbeid, met
name voor schoolverlaters,
waaronder ook HBO- en universiteit-
verlaters vallen, heeft een zeer
kwalijke kant. Het zal de positie van
laagopgeleide jongeren en van
allochtonen nog zwakker maken dan
zij nu al is. Zij worden verdrongen uit
baantjes waar beteropgeleiden
eigenlijk te goed voor zijn. Dat zou
niet moeten. Heeft de staatssecreta-
ris een beleidsoplossing en
-maatregelen voor dit probleem?</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


