<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2030]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Werkloosheidswet en enkele andere wetten (aanscherping referte-eisen WW) (23985)</item>
<item attribuut="Bestand"> 66 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Sociale zekerheid (Werkloosheidsvoorzieningen (WW, WWV))</item>
<item attribuut="Trefwoorden">WW
Werkloosheid</item>
<item attribuut="Dossiernr">23985</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 9, Eerste Kamer, pag. 422-433</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">21-12-1994</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2030</item>
<item attribuut="Omvang">12 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Eerste Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Referte-eisen WW</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Weer samen naar school</item>
<item attribuut="doccode">EK 12</item>
<item attribuut="voorzitter">Tjeenk Willink</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="12-422">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Werkloosheidswet en
enkele andere wetten (aan-
scherping referte-eisen WW)
(23985).
De beraadslaging wordt geopend.

<blok pagina="12-422">

 
<spreker pagina="12-422" anker="209" partij="GroenLinks" naam="De Boer">

Mijnheer de voorzitter! Het tempo
dat de senaat vanmorgen ontwikkelt
is haast adembenemend. Men heeft
kennelijk zin in het kerstreces.
Als ik het goed heb begrepen, is
de inhoud van het wetsvoorstel
ongeveer de volgende. Voor recht op
een WW-uitkering die gerelateerd is
aan het loon dat je verdiende, moet
je in de 39 weken voor je ontslag 26
weken hebben gewerkt. Dat is de
referte-eis. Daarnaast moet je van de
vijf jaar voor het ontslagmoment
minstens vier jaar en 52 dagen
hebben gewerkt voor een vervolg-
uitkering. Dat is de arbeidsverleden-
eis. Voldoe je alleen aan de
referte-eis, dan krijg je een half jaar
70% van het minimumloon, zonder
inkomens- of vermogenstoets.
Voldoe je daar niet aan, dan kun je
rechtstreeks naar de bijstand. De
doelstelling is een bezuiniging van
0,5 mld. Mensen die aan de
arbeidsverleden-eis voldoen, krijgen een verlengde vervolguitkering: een
jaar extra. Dat is wat mij betreft het
enige lichtpunt in dit voorstel. Voor
mensen die daar niet aan voldoen,
wordt de relatering aan het laatst
verdiende loon verlaten. Ze vallen
direct terug naar bijstandsniveau. Dit
lijkt mij het eerste voorbeeld van het
door de VVD zo vurig begeerde
ministelsel. Wij vinden dat een
ernstige verslechtering. Ik vraag mij
overigens af of deze bedoelingen in
het verkiezingsprogramma van de
Partij van de Arbeid is terug te
vinden. Ik heb het er niet op
nagelezen, want
verkiezingsprogramma’s behoren
niet tot mijn favoriete lectuur.
Het effect van deze wet is dat zeer
veel mensen die al ernstig benadeeld
worden door ontslag uit hun baan,
nu ook nog direct na hun ontslag
een extra klap krijgen, omdat ze
onmiddellijk in inkomen terugvallen
naar het niveau van de bijstand. Niks
gewenningsperiode, niks een half
jaar de tijd om de even te herstellen
en op zoek te gaan naar een nieuwe
baan. Neen, e`n beschadigd in je
zelfgevoel e`n aangetast in je
bestaanszekerheid e`n direct, zonder
overgang, in financie¨le problemen.
Er was een tijd dat in dit land
normaal werd gevonden dat er een
behoorlijk goede verzekering tegen
werkloosheid was. Dat standpunt
wordt nu verlaten. De fractie van
GroenLinks ziet dat als een omslag-
punt, waar zij ernstige bezwaren
tegen heeft.
Dit wetsvoorstel is ook niet
verdedigbaar in het licht van de door
sommigen zo sterk gepropageerde
flexibilisering van de arbeid, vooral
aan de onderkant van de arbeids-
markt. Jongeren, allochtonen,
herintredende vrouwen, veel mensen
met kleine baantjes en tijdelijke
contracten zijn de klos. Het paarse
levensgevoel heeft kennelijk weinig
op met jongeren. Hun positie wordt
aan alle kanten en in snel tempo ernstig verslechterd: in de Bijstands-
wet, bij de studiefinanciering, in de
JWG doordat de scholings-
component wegvalt en het
voorbereidingstraject nog een
vergoeding kent van ƒ 330. Kennelijk
zijn de jongeren een gemakkelijk aan
te pakken groep. Mij lijkt dat tamelijk
riskant, zowel uit een oogpunt van
maatschappelijke motivatie van de
jongere generatie, als uit een
oogpunt van binden van jongeren
aan je politieke doelstellingen.
Voorzitter! De fractie van
GroenLinks vindt het niet verdedig-
baar en eigenlijk tamelijk onbehoor-
lijk om te werken aan een sterke
flexibilisering van de arbeid die op
zich al een verzwakking betekent van
de bestaanszekerheid van mensen en
hen soms bijna letterlijk maakt tot
dagloners die maar af moeten
wachten of zij morgen weer nodig
zijn, terwijl zij daarnaast ook nog
eens hun recht op een loon-
gerelateerde WW-uitkering kwijt
raken. Is het niet veel beter en
fatsoenlijker om een grotere
flexibilisering te koppelen aan een
behoorlijke verzekering als dat
contract afloopt?
Ik wil tot slot nog op twee
elementen wijzen. De aanscherping
van het begrip passende arbeid, met
name voor schoolverlaters,
waaronder ook HBO- en universiteit-
verlaters vallen, heeft een zeer
kwalijke kant. Het zal de positie van
laagopgeleide jongeren en van
allochtonen nog zwakker maken dan
zij nu al is. Zij worden verdrongen uit
baantjes waar beteropgeleiden
eigenlijk te goed voor zijn. Dat zou
niet moeten. Heeft de staatssecreta-
ris een beleidsoplossing en
-maatregelen voor dit probleem?
In de tweede plaats is bij de
behandeling aan de overzijde
onhelder heen en weer gepraat over
een mogelijke overbezuiniging als
gevolg van deze wetswijziging
gedurende deze kabinetsperiode. Om
dit punt helder op tafel te krijgen,
vraag ik het nog maar even. Het
departement heeft al weer een paar
weken langer kunnen rekenen. Is er
inderdaad sprake van over-
bezuiniging en zo ja om hoeveel gaat
het, wanneer is daarvan sprake en
wat wil men daarmee te doen?
Wat mij bij het doorlezen van de
hele materie nog niet glashelder is
geworden – het zal wel aan mij
liggen, want ik moet in deze dagen
een wel heel omvangrijk pak papier
verstouwen – is, hoe het nu precies
zit met de herleving van eerder
opgebouwde rechten bij het
aanvaarden van een nieuwe,
tijdelijke baan. Op die vraag zou ik
graag nog een antwoord krijgen.
Voorzitter! Het zal de staatssecre-
taris duidelijk zijn dat de fractie van
GroenLinks dit voorstel om de WW
te verslechteren niet zal steunen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-423">

 
<spreker pagina="12-423" anker="210" partij="PvdA" naam="Van de Zandschulp">

Voorzitter! Na twee eerdere valse
starts ligt er nu een iets meer
voldragen voorstel tot wijziging van
de Werkloosheidswet. De subtitel
tussen haakjes luidt (aanscherping
referte-eisen). Gelukkig dekt de
subtitel niet de hele lading. Er is ook
sprake van een verlenging van de
vervolguitkering.
Het kabinet formuleert twee
redenen voor dit wijzigingsvoorstel.
De eerste is een economische. In een
fase van laagconjunctuur en
oplopende werkloosheid moet de
WW-premie omhoog. Op zichzelf kan
dit een factor zijn voor verder
oplopende werkloosheid. Er is dan
sprake van een neerwaartse spiraal
van elkaar wederzijds beı¨nvloedende
premiestijging en teruglopende
werkgelegenheid. Ik vrees dat deze
analyse klopt, al kan men zich
natuurlijk ook voorstellen dat het
effect van de stijgende WW-premie
ruim gecorrigeerd wordt door forse
loonmatiging in dezelfde fase van
oplopende werkloosheid. Die twee
verschijnselen zullen wel niet
helemaal synchroon lopen.
Hoe het ook zij, er wordt hierbij
wel een zwakke stee in de omslag-
financiering blootgelegd. Omslag-
financiering past uitstekend bij een
stabiele economische ontwikkeling,
maar werkt pro-cyclisch bij een
neergaande conjunctuur en
oplopende werkloosheid. Wij moeten
daarom naar mijn mening eens
ernstig gaan nadenken over een
correctie op de financierings-
structuur, bijvoorbeeld in de vorm
van een omslagstelsel met een
egalisatiedekking. Anders cree¨ren wij
het absurde effect dat in elke fase
van oplopende werkloosheid, waarin
deze verzekering juist haar nut moet
bewijzen, er een roep ontstaat tot
verslechtering van rechten.
De tweede reden die het kabinet
aangeeft, is een politiek-inhoudelijke,
namelijk een sterkere relatie tussen
arbeidsproces en WW-recht. Dit leidt
aan de ene kant tot een versmalling
van de toegangspoort en aan de
andere kant tot een bescheiden
verbetering van de uitkeringspositie
van langdurig werklozen met een
redelijk groot arbeidsverleden.
Gecombineerd met het eerste
argument is de vormgeving van deze
herschikking van WW-gelden zodanig
dat er tevens een substantie¨le
besparing optreedt.
Daaraan zitten pijnlijke kanten.
Jongeren met tijdelijke contracten,
afgewisseld met perioden van
werkloosheid zullen te maken
hebben met verscherpte toegangs-
eisen. Ook ik vraag mij af of mijn
generatie soms niet te veel van de
bestaande problematiek afwentelt op
jongeren. Aan de andere kant
verdedig ik de verzekeringsgedachte
en het equivalentiebeginsel van
werknemersverzekeringen. Daarom
acht ik het wel aanvaardbaar als de
verzekeringsduur en de periode van
premie-afdracht sterker doorwerkt in
het WW-uitkeringsrecht.
Het kabinet kiest bij dit voorstel
ten aanzien van lopende gevallen
voor eerbiedigende werking. Het
kabinet presenteert dit als een
uitzondering op de hoofdregel van
onmiddellijke werking. Zoals bekend,
betwist mijn fractie die hoofdregel
als het gaat om wijziging van
sociale-verzekeringswetten, mede
gelet op het verzekeringskarakter
daarvan. Dit debat ten principale
zullen wij in deze Kamer naar ik
aanneem binnenkort plenair voeren.
Dat is ook hard nodig als ik zie wat
het regeerakkoord ons bijvoorbeeld
over de Nabestaandenwet belooft.
Toch constateer ik met voldoening
dat het kabinet nu, zowel bij de WW
als bij de AKW gekozen heeft voor
eerbiedigende werking. Overgangs-
recht is vaak buitengewoon
ingewikkeld. Ik vind dat het kabinet
dit dan terstond in heldere taal,
desgewenst met voorbeelden moet
duidelijk maken in de memorie van
toelichting. Nu bestond er zowel bij
de vakbeweging als in de Tweede
Kamer, maar ook in de Eerste Kamer,
veel onduidelijkheid. Ik ben er eerst
dit weekeinde, na lezing van de
memorie van antwoord aan deze
Kamer goed uitgekomen.
Ik ben de staatssecretaris
erkentelijk voor het feit dat hij mijn
inderdaad niet geheel adequate
casuspositie in het voorlopig verslag
gewijzigd heeft naar de bedoeling
van mijn vraag. In die aangepaste
casus gaat het om een 46-jarige man
die per 1 januari aanstaande, dus
nog onder het regime van de huidige
WW, WW-gerechtigd wordt. Voordat
de maximale uitkeringsduur
verstreken is, aanvaardt hij in de
aangepaste casus op 1 januari 1997
een tijdelijke baan van ten minste 26
weken.
Onder de oude WW zou er daarna
sprake zijn van een nieuw WW-recht
met een volledige nieuwe uitkerings-
duur, die in dit geval zelfs 3 jaar loon
gerelateerd is met een jaar vervolg-
uitkering. Volgens de nieuwe WW die
dan inmiddels allang van kracht is,
kan er geen sprake zijn van een
nieuw WW-recht. De referte-eisen
zijn immers fors aangescherpt. Dit
lopende oude geval – mijn excuses
voor de terminologie – komt nu toch
wat raar terecht na deze tijdelijk
werkhervatting. Deze man gaat er
inderdaad niet op achteruit vergele-
ken met de situatie van niet-
werkhervatting. Werkhervatting zal
dus niet afschrikwekkend uit kunnen
werken. Vergeleken met ongewijzigd
beleid – en daarmee vergelijk je bij
eerbiedigende werking – gaat hij er
in uitkeringsduur wel fors op
achteruit. Hij voldoet nu niet aan de
aangescherpte referte-eisen. Er is
daarom geen sprake van een nieuw
recht, maar slechts van herleving van
een oud recht, waarvan op de lat
nog een halfjaar loongerelateerde
uitkering en een jaar vervolguitkering
staan.
Als ik betrokkene uitleg dat hij
dank zij de nieuwe systematiek
slechts in aanmerking komt voor een
restant oud recht, zal hij mij vragen
of hij dan tenminste wel in aanmer-
king komt voor het pluspunt van de
gewijzigde WW, twee jaar vervolg-
uitkering in plaats van een jaar. Dat
is echter niet het geval. Er is immers
sprake van een herleefd oud recht
dat slechts een jaar vervolguitkering
kent.
Ik begrijp inmiddels de systema- tiek: een oud geval dat na tijdelijke
werkhervatting niet voldoet aan de
verscherpte referte-eis van de
nieuwe WW, maar evenmin in
aanmerking komt voor het voordeel
van de nieuwe WW. Dat is de positie.
Ik vrees echter dat ik deze hersen-
verzwikkende gedachtengang aan
betrokkene niet goed kan uitleggen.
Ik vrees zelfs dat hij zich misschien
wel dubbel gepakt voelt. Hier zou
naar mijn mening een iets chiquere
oplossing gewenst zijn.
Volledig consequente uitvoering
van eerbiedigende werking zou luiden: een oud geval blijft een oud
geval voor zolang en voor zover
betrokkene zich niet kwalificeert voor
een nieuw WW-recht volgens de
nieuwe WW-criteria.
Voorzitter! De casuspositie
waarover ik het had, is niet alledaags
en wellicht zijn er uitvoerings-
technische redenen om de eerbiedi-
gende werking niet tot de uiterste
consequentie door te trekken.
De toetredingscriteria voor de
nieuwe WW zijn op zichzelf helder.
Wie alleen aan de nieuwe wekeneis
voldoet, heeft recht op een kort
durende uitkering a` 70% van het
minimumloon en wie zowel aan de
nieuwe wekeneis als aan de nieuwe
jareneis voldoet, heeft toegang tot de
loongerelateerde uitkering en de
vervolguitkering. Er wordt nu een
duidelijk onderscheid aangebracht
tussen beide soorten
WW-uitkeringsrecht. Er kan echter
toch een zeer absurd effect optreden.
Ik borduur nu even voort op een
opmerking van mevrouw Schimmel
in de Tweede Kamer. Ik geef zelf dit
voorbeeld.
Iemand werkt twintig jaar
achtereen full-time. Op 1 januari a.s.
neemt hij vier maanden onbezoldigd verlof op: bijvoorbeeld voor
verzorgingstaken, om een nimmer
afgeronde studie te voltooien of om
zijn kinderen of kleinkinderen in
Australie¨ te bezoeken. Op 1 mei a.s.
hervat hij zijn arbeid en op 1 oktober
a.s. wordt hij bij een reorganisatie-
golf ontslagen. Hij voldoet nu wel
vier keer zeer royaal aan de jareneis,
maar niet aan de aangescherpte wekeneis: 26 gewerkte weken van de
laatste 39 weken. Ondanks een
duurzame en zeer langdurige band
met het arbeidsproces wordt hij op
zijn eerste werkloosheidsdag
terstond naar de bijstand verwezen.
Zijn collega die op 1 januari van dat
jaar bij datzelfde bedrijf aan zijn
eerste baan is begonnen, heeft
althans nog recht op een kort
durende WW-uitkering.
Dit is, voorzitter, een niet
acceptabele uitkomst van deze
systematiek. Ik meen dat er ook geen
dwingende redenen zijn om voor de
toegang tot de loongerelateerde
WW-uitkering een aparte jareneis en
wekeneis zonder enige onderlinge
samenhang te formuleren. Beide
eisen moeten ineen te schuiven zijn
tot een coherente eis. Ik vraag de
staatssecretaris daarom, ons op niet
al te lange termijn een beter
doordacht geformuleerde toetreding-
seis voor het recht op een loon-
gerelateerde WW-uitkering voor te
leggen.
Voorzitter! Over enkele andere
onderdelen van dit voorstel wil nog
een paar beknopte opmerkingen
maken. Ik ben geen tegenstander van
uitbreiding van de termijn die
toebedeeld wordt aan de wachtgeld-
fondsen. Ik ben er echter ook
nauwelijks een voorstander van.
Premiedifferentiatie is een heel nuttig
instrument indien en voor zover het
toegespitst kan worden op de
afzonderlijke arbeidsorganisatie,
bedrijf of instelling. Hier lukt dat niet.
Premiedifferentiatie op bedrijfstak-
niveau is een zeer schamel substi-
tuut. Zo’n premiedifferentiatie werkt
niet of nauwelijks omdat zij geen
onderscheid maakt tussen onderling
concurrerende bedrijven.
Ik wil nu een opmerking maken
over het begrip ’’passende arbeid’’.
Ik heb enige aarzeling om via een
AMvB dit begrip te verruimen. Mijn
aarzeling komt niet zozeer voort uit
de behoefte om de status van de
hoger opgeleide werklozen te
beschermen – ik ben niet zo’n
statusdenker – maar veeleer uit de
behoefte om juist de lager geschool-
den in hun segment van de
arbeidsmarkt niet nog meer bloot te
stellen aan concurrentie van hoger
opgeleide mensen. In een fase van
oplopende werkloosheid of
massawerkloosheid wentelen hoger
geschoolden hun aandeel in de
totale werkloosheid voor een deel af
naar het niveau dat daar juist onder
ligt en dat opleidingsniveau herhaalt
die manoeuvre zich, zodat de
werkloosheid zich uiteindelijk
concentreert bij de laagst geschool-
den. Dat is de uitkomst van dit
verdringingsproces. Mijn aarzeling is
of wij dit spontaan optredende
proces van verdringing nog een
handje moeten helpen via verrui-
ming van het begrip ’’passende
arbeid’’.
Voorzitter! Ter afronding nog mijn
’’uitlui’’ bij de jaarwisseling. Op
enkele punten hebben dit kabinet en
deze staatssecretaris blijk gegeven
van enige wijze terughoudendheid. Ik
noem in de eerste plaats de
erkenning van het belang van
eerbiedigende werking bij wijziging
van sociale-verzekeringswetten.
Mijn tweede voorbeeld is dit.
Onder invloed van de Raad van State
heeft het kabinet bij dit wetsvoorstel
het onderdeel ’’sancties bij verwijt-
bare of onvrijwillige werkloosheid’’
(geen volstrekt identieke begrippen)
teruggenomen. Het thema komt
terug in een ander wetsvoorstel. Dat
is verstandig, want het gaat om een
complexe materie die een zorgvul-
dige benadering behoeft. Ik maak mij
enige zorgen over de gretigheid
waarmee sommige leden van de
Tweede Kamer vooral op spoed
aandrongen, waarbij zij het woord
’’zorgvuldigheid’’ niet in de mond
namen.
Ten derde geeft het kabinet de
uitvoeringsorganen twee maanden
de tijd voor implementatie van dit
wetsvoorstel. Wij hebben het wel
eens anders meegemaakt.
Als deze voorbeelden staan voor
een zorgvuldiger aanpak met een
groter luistervermogen en een
opnieuw serieus nemen van andere
actoren in het veld dan wens ik dit
kabinet en deze staatssecretaris een
behouden vaart in het nieuwe jaar.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-424">

 
<spreker pagina="12-424" anker="211" partij="VVD" naam="Heijmans">
 Voorzitter!
Wij behandelen nu een wetsvoorstel
dat op 18 november jongstleden is
ingediend en waarover de Tweede
Kamer op 1 december jongstleden
stemde. Het is bovendien geen
flinterdun gevalletje, maar een vrij
dikke turf met een memorie van
toelichting van zo’n dertig pagina’s
plus een op het allerlaatste moment
ingediende nota van wijziging. Noem
dat maar eens geen stoom en heet
water!
Ik zou mij willen beperken, ook al
om herhaling te voorkomen van wat
aan de overzijde is gezegd, tot het
maken van enkele opmerkingen naar
aanleiding van de totstandkoming
van dit voorstel en de onderliggende
motivering.
De voorganger van deze staatsse-
cretaris, de heer Wallage, is destijds
– er wordt in de memorie van
toelichting naar verwezen – met een
voorstel gekomen dat bij nader
inzien onvoldoende geld opbracht.
Daarom draaide hij de schroef aan,
totdat bleek dat de opbrengst hoger
was – de instroom was namelijk
lager – dan was bedoeld. Dat hoefde
ook weer niet en daarom kon de
schroef iets terug. Het regeerakkoord
kwam ten slotte met ongeveer
datgene wat nu voorligt. Hierin
wordt de schroef weer aangedraaid.
De oorspronkelijk beoogde structu-
rele besparing van 320 mln. is
verhoogd tot 521 mln. Het laatste
bedrag is niet veel meer dan een op
onzekere veronderstellingen
gebaseerde raming. Het is ’’boter-
zacht’’. De twaalf pagina’s in de
memorie van toelichting, gewijd aan
de financie¨le gevolgen, kunnen deze
conclusie niet uitwissen. Waarom
wordt, zo zou ik de bewindsman
willen vragen, de instroom in het
nieuwe wetsvoorstel niet meer als
een criterium gehanteerd? Als die
521 mln. niet wordt gehaald of, in
het tegenovergestelde geval, de
opbrengst hoger is, rijst de vraag
wat er dan gebeurt. Wordt in het tweede geval gezegd: ’’binnen is
binnen’’, kan dan de schroef weer
een slagje terug, of wordt die schroef
eventueel verder aangedraaid?
De regering heeft ervoor gekozen,
niet de hoogte van de uitkeringen
aan te pakken maar de toegang tot
de Werkloosheidswet moeilijker te
maken. Daarom – ik zet een
vraagteken achter dit woord – wordt
zowel in de memorie van toelichting
als in de nota naar aanleiding van
het verslag bij herhaling gezegd dat
in de huidige WW een wel heel losse
band met het arbeidsverleden
volstaat voor de toekenning van een
uitkering. Ik zou de staatssecretaris
willen vragen, deze argumentatie wat
meer te onderbouwen. Hebben de
nieuwe toelatingsvoorwaarden nu
een structureel karakter gekregen? Met andere woorden: is de relatie
tussen arbeidsverleden en uitkering
door de nieuwe referte-eisen ook
voor de toekomst voldoende
genormeerd? Of kunnen wij te eniger
tijd bij een toenemend volume weer
wijzigingen verwachten?
Waarom vindt de regering nu
ineens, zeven jaar nadat in de WW
de band met het arbeidsverleden
werd geı¨ntroduceerd, dat die band
sterker moet worden? Bij de
stelselherziening van 1987 was toch
ook het uitgangspunt dat uitkeringen
gereserveerd moesten worden voor
degenen die er e`cht op waren
aangewezen? Gaat het er soms om,
de bezuiniging een zekere rechtvaar-
diging te geven en komt het erop
neer dat de opbrengst de rechts-
grond mag bepalen en niet
andersom?
Hoe zwaar neemt de regering – en
niet het kabinet, zoals zo vaak in
stukken van bijna alle departementen
wordt gesteld; het laatste is
staatsrechtelijk nu eenmaal onjuist –
de gevolgen van haar voorstellen?
Meer mensen komen eerder in de
bijstand. Die Bijstandswet gaat in
ons sociale-zekerheidsstelsel een
steeds belangrijker plaats innemen.
Was deze wet oorspronkelijk, als
opvolger van de Armenwet – een
gunst werd omgezet in een recht –
de sluitpost van ons stelsel, vooral
sinds de herziening van 1987 is deze
wet steeds meer uitgegroeid tot een
normaal eindstation voor werklozen
en arbeidsongeschikten. Daarbij doet
zich een frictie in ons sociaal-
politieke beleid voor. Immers,
enerzijds bevorderen wij het eigen
woningbezit; anderzijds dwingen wij
steeds meer mensen om dit bezit
’’op te eten’’. Voorzitter, dit is toch
iets om eens over na te denken.
Twaalf jaar bezuinigen op de
sociale zekerheid maakt de vraag
naar de rechtsstatelijkheid van alle
genomen en nog te nemen
maatregelen steeds dwingender. Ook
uitkeringsgerechtigden zijn burgers
van onze rechtsstaat. Sinds het begin
van de jaren tachtig tendeert de
sociale zekerheid naar sociale
onzekerheid. De vraag rijst of er ook
onrechtvaardigheden in het stelsel
zijn geslopen gedurende de jaren.
Het hangt er in de meeste gevallen
vanaf hoe je het bekijkt; rechtvaar-
digheid is een moeilijk te objective-
ren begrip. Echter, als er onrecht-
vaardigheid zou moeten worden
vastgesteld, rijst de vraag of deze
toch te rechtvaardigen valt. Daarmee
komt het deelbelang tegenover het
algemeen belang te staan. In de
actuele situatie gaat het om de
noodzaak tot het terugbrengen van
de collectieve lasten, mede uit een
oogpunt van werkgelegenheid. Ook
noem ik hier de reductie van het
financieringstekort, de lasten-
verlichting en de noodzakelijke groei
van onze economie; iedereen kent
het rijtje. De minister van Financie¨n
is onlangs in Europees verband nog
eens gewezen op de noodzaak, de
inkomensoverdrachten in te perken.
Voorzitter! De minister-president
heeft enkele weken geleden voor de
televisie gezegd dat regeren tot vuile
handen leidt. Wie als lid van de
Tweede of de Eerste Kamer ooit tot
een coalitiepartij heeft behoord, heeft
dit onaangename verschijnsel aan
den lijve moeten ervaren. Helaas
wordt dan naar mijn smaak wel wat
al te gemakkelijk een beroep gedaan
op pragmatisme. Ik ben niet tegen
pragmatisch opereren maar ik vind
we`l dat eerst moet worden vastge-
steld wat de principie¨le lijn zou
moeten zijn en dat pas daarna kan
worden besloten, waarom, wanneer
en hoe lang van het uitgangspunt
kan worden afgeweken. Da`t is
pragmatisme. Besluiten zonder die
afweging zijn ordinair opportunis-
tisch.
Vuile handen moeten op een juist
moment worden gewassen. Je zou
deze handeling een vorm van
milieuhygie¨ne kunnen noemen. Dit
ogenblik biedt zich weldra aan. In het
regeerakkoord is een zodanige
herstructurering van het sociale-
zekerheidsstelsel aangekondigd dat
het rijp wordt voor de 21ste eeuw. Ik
ga ervan uit dat de regering zich dan
niet zal beperken tot concrete
beleidsmaatregelen maar dat ze zich
dan allereerst zal bezinnen op
principie¨le uitgangspunten, zoals de
rechtsgronden, de verhouding
stelsel-overheid, de verantwoordelijk-
heid van collectief tegenover
individu, met al dan niet de
noodzaak van een herijking van het
begrip solidariteit, enz. De staatsse-
cretaris heeft de Tweede Kamer
gevraagd om suggesties en ideee¨n.
Ik neem aan dat hij ook prijs stelt op
een bijdrage van de Chambre de
Reflexion. In elk geval ben ik van
plan om hierop bij de begrotings-
behandeling wat dieper in te gaan.
Vandaag heb ik daarop een
voorschotje genomen omdat de
wordingsgeschiedenis van het
onderhavige wetsvoorstel daartoe
een uitgelezen kans bood.
Wat het wetsvoorstel inhoudelijk
betreft merk ik het volgende op. Mijn
fractie meent dat het vernauwen van
de toegangsweg tot de WW in de
gegeven omstandigheden een betere
keuze is dan het verlagen van de
uitkeringen. Net als bij de voorstellen
voor de kinderbijslag is de eerbiedi-
gende werking, ditmaal zelfs
volledig, toegepast. Wij complimen-
teren de staatssecretaris daarmee.
Hij heeft de gelegenheid aangegre-
pen om ook een aantal technische
wijzigingen aan te brengen. Mijn
reactie daarop is wat simpeler dan
het doorwrochte betoog van de heer
Van de Zandschulp. Laten wij hopen
dat er straks geen of een niet al te
ingrijpende reparatie zal moeten
volgen. Voorzitter! Mijn fractie steunt
dit wetsvoorstel.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-426">
<spreker pagina="12-426" anker="212" partij="D66" naam="De Savornin Lohman">
 Mijnheer de voorzitter! Bij de
behandeling van de serie wetsvoor-
stellen die wij dezer dagen voor
ogen krijgen, is door mij al eerder
gezegd dat de fractie van D66 het
standpunt huldigt dat het totaal van
het instrumentarium moet worden
beoordeeld. De afweging met
betrekking tot afzonderlijke voorstel-
len dient plaats te vinden tegen de
achtergrond van dat totaal. Wat het
onderhavige wetsvoorstel betreft,
valt vooral het recordtempo op
waarin deze kwestie is behandeld.
Snelheid gaat vaak ten koste van
zorgvuldigheid. Niettemin is er bij de
schriftelijke voorbereiding voldoende
tijd geweest om te bekijken of er
geen fundamentele fouten gemaakt
zijn, te meer daar dit al de derde
poging is om op dit terrein wijzigin-
gen aan te brengen, zodat wij al
hebben kunnen nadenken over dit
instrument en de eventuele effecten
ervan. In feite komt het neer op een
politieke keuze, een politieke
afweging, die vrijwel op het laatste
moment gemaakt is. En ik zei het al,
het resultaat hiervan krijgt de steun
van de fractie van D66.
Voorzitter, dit neemt niet weg dat
de principie¨le kanten van dit
onderdeel ons buitengewoon
belangrijk voorkomen. Bij de
begrotingsbehandeling dan wel bij
de behandeling van de notitie over
het overgangsrecht, waarin ook een
aantal van deze principie¨le punten
aangekaart zijn, willen wij hierop
verder ingaan. Ik volsta nu dan ook
met twee algemene opmerkingen.
Bij de groep die extra getroffen
wordt door de voorgestelde regeling,
die van de jongeren, noem ik met
name de vrouwen. Kan aan dit
aspect bij de evaluatie speciale
aandacht gegeven worden? En in het
kader van de verhouding tussen de
verzorgingsstaat en de zelfstandig-
heid van burgers vraag ik mij af, of
jongeren nog op dezelfde manier op
hun arbeidsplaats staan als wij
gewend zijn geweest, dus of zij nog
verwachten dat er een verzekering
aan vastzit.
Daarnaast rijst de vraag, hoe
realistisch het beeld van de
terugtredende overheid is. Dit
kabinet is nogal trots op de
eerlijkheid en de directheid waarmee
de problemen worden aangepakt en
ik constateer dat dit voornemen zich
in de stukken weerspiegelt, maar is
het gelet op de plannen op dit terrein
nog wel vol te houden dat er sprake
is van een terugtredende overheid?
Dan begeef ik mij van het heel
algemene naar een bijzonder
specifiek niveau. Ons bereikte op het
allerlaatste moment een brief waaruit
ongerustheid spreekt. Volgens mij is
er sprake van een misverstand, maar
ik wil toch de inhoud van deze brief
weergeven, omdat ik deze kwestie
graag verduidelijkt zou zien. Het gaat
om een groep AAW’ers die gelet op
het feit dat zij bij de aanvang van de
verzekering geacht werden, geheel of
gedeeltelijk arbeidsongeschikt te zijn,
in al hun AAW-jaren geen rechten
bleken te hebben opgebouwd in het
kader van de WW, aangezien dit
alleen geldt voor WAO’ers. Voor deze
mensen geldt derhalve geen
overgangstermijn in de WW en zij
belanden direct in de bijstand. Deze
schrijnende gevallen zijn tot nu toe
nog niet onder de aandacht van het
Binnenhof gekomen, aldus de
briefschrijver. Voor alle duidelijkheid,
het betreft hier mensen die wel
degelijk in loondienst zijn geweest,
maar die meestal ex post geacht
werden, bij de aanvang van de
arbeidsongeschikt te zijn, zodat ze
geen WAO- en geen WW-rechten
hebben.
Voorzitter, ik heb het al gezegd; wij
hebben hier een hele koffer met
wetten en wie daar het spoor in
bijster raakt, is eerder een Hansje in
bessenland dan een domoor, maar
naar mijn idee is de veronderstelling
in deze brief dat een AAW’er rechten
voor de WW zou opbouwen, onjuist.
Maar ik verneem graag van de
staatssecretaris of mijn interpretatie
juist is of dat de briefschrijver het bij
het rechte eind heeft, opdat wij deze
ongerustheid kunnen wegnemen of
kunnen aangeven, wat er op dit punt
gebeurt.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-426">

 
<spreker pagina="12-426" anker="213" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">

Mijnheer de voorzitter! Ik dank de
woordvoerders voor hun opmerkin-
gen. Laat ik beginnen met de
opmerking dat de heer Van de
Zandschulp gelijk heeft dat de titel
van het wetsvoorstel misschien niet
de hele lading dekt, want er is meer
aan de orde dan het aanscherpen
van de referte-eis. Het wetsvoorstel
dient verschillende doeleinden; het
gaat in eerste instantie natuurlijk ook
om een deel van de invulling van de
ombuigingstaakstelling in het kader
van de sociale zekerheid die wij in
het regeerakkoord hebben afgespro-
ken, maar aan de andere kant heeft
het voorstel ook een intrinsieke
waarde in de zin van versterking van
de band met het arbeidsproces, wil
recht kunnen bestaan op een
WW-uitkering die aan het loon
gerelateerd is. En vervolgens wordt
de duur van de vervolguitkering
verlengd; de heer Van de Zandschulp
heeft daar terecht op gewezen. Dit
wetsvoorstel brengt dus niet in alle
gevallen een slechtere werkloos-
heidsverzekering teweeg; met name
de uitkeringsduur wordt sterker
afhankelijk van de band met het
arbeidsproces. Mensen die langdurig
aan het arbeidsproces hebben
deelgenomen, krijgen een betere
verzekering en de verzekering wordt
slechter naarmate men korter heeft
gewerkt. Dit was ook de bedoeling.
Bovendien is er – dat geef ik graag
toe – per saldo een besparing in de
orde van grootte die ook de heer De
Boer heeft aangegeven. Ik moet zijn
opmerking dat er een tijd was waarin
er een goede verzekering tegen
werkloosheid was, dan ook verre van
mij werpen.
De heer De Boer is ook nog op de
vraag ingegaan, of er bij dit
wetsvoorstel sprake is van een
overbezuiniging. Nu moet ik hem
zeggen dat ik op dit moment niet
over recentere cijfers beschik dan de
gegevens die ik bij de behandeling in
de Tweede Kamer heb gebruikt. En
overigens zou ik er geen onoverko-
melijke bezwaren tegen hebben, als
uit het wetsvoorstel toch een
overbezuiniging voortvloeide. Het zal
de heer De Boer immers opgevallen
zijn dat er zich sinds het uitbrengen
van de sociale nota enige verslech-
teringen hebben voorgedaan in de
ontwikkeling van de werkloosheidslas-
ten. Die verslechteringen zijn zo
substantieel dat het mij alleen al
vanwege de afspraken over de
sociale zekerheid goed zou uitkomen
als de besparing in dit opzicht
voldoende was.
De heer Van de Zandschulp heeft
sterk de nadruk gelegd op de twee
doelstellingen van het wetsvoorstel.
Zoals ik gisteren en vandaag al bij de
behandeling van andere onderwer- pen gezegd heb: wij moeten goed
beseffen dat de ombuigingstaak-
stelling in de sfeer van de sociale
zekerheid bij dit soort voorstellen
toch een belangrijk gegeven blijft.
Als je ter wille van de werkgelegen-
heidspolitiek financie¨le ruimte voor
lastenverlichting wilt scheppen, dan
zul je in de sfeer van de rijksbegro-
ting, maar ook in die van de sociale
verzekeringen een aantal ingrepen
moeten doen. Dit wetsvoorstel moet
dus nadrukkelijk ook in dit kader
worden bezien. Ik onderstreep dan
ook de opmerkingen van de heer Van
de Zandschulp over de macro-
economische achtergrond van dit
wetsvoorstel.
De heer Van de Zandschulp vroeg
zich verder nog af of het niet een
zeer zwakke stee in het systeem van
omslagfinanciering is als er juist in
een periode moet worden ingegre-
pen waarin een verzekering het
hardst nodig is. Hij vroeg zich ook af
of daarom het hele systeem van
omslagfinanciering niet met andere
ogen zou moeten worden bezien. Ik
ben graag bereid om samen met
hem verder over dit thema na te
denken, maar ik zou hem ook willen
voorhouden dat er bij de wachtgeld-
fondsen al een vorm van egalisering
geldt. Het gaat dus niet zozeer om de
vraag of je die zou moeten invoeren,
als wel om de vraag of je dit
systeem zou moeten uitbreiden. Ik
heb er nog geen afgerond oordeel
over. De hoofdregel voor het
financieren van werknemers-
verzekeringen is inderdaad een
stelsel van omslagfinanciering, zij het
met een egalisering in de wachtgeld-
fondsen, maar het denken hierover
behoeft wat mij betreft niet gestaakt
te worden. Het is in ieder geval een
interessant thema. Ik ben het met de
heer Van de Zandschulp eens dat, als
er gestreefd wordt naar een
verzekering tegen een verzekerd
risico, de noodzaak tot ingrijpen in
een verzekerd risico op zichzelf niet
voor de hand ligt. Kortom, ik zal daar
graag nader over nadenken.
De heer Van de Zandschulp heeft
een groot aantal juiste casusposities
genoemd. Aan de hand van enkele
daarvan wil ik de precieze grenzen
aangeven van het onderhavige wetsvoorstel. Zo heeft hij gesteld:
een voor 1 maart 1995 werkloos
geworden werknemer van 46 jaar
gaat weer werken, maar wordt na 1
maart 1995 weer werkloos en
voldoet in het laatste geval niet aan
de referte-eis. Dan herleeft het oude
recht op uitkering. Dit is tevens een
antwoord op de vraag van de heer
De Boer ter zake. Welnu, als het
oude recht herleeft, ontstaat
wederom de oude situatie en dus
geen nieuw recht op uitkering. Wij
moeten inderdaad een grens trekken.
Als het oude recht herleeft, gebeurt
dat for better and for worse.
Kwalificeert men zich in een nieuwe
situatie van werkloosheid voor het
nieuwe recht, dan zal dat gelden for
better and for worse. De heer Van de
Zandschulp heeft dat terecht
aangegeven.
Nog een casuspositie heeft te
maken met het principe van de
relatie met de arbeidsmarkt. Het kan
voorkomen dat iemand met een zeer
langdurig arbeidsverleden bij
werkloosheid niet voldoet aan de
wekeneis, namelijk als hij zich in de
referteperiode voor een periode niet
op de arbeidsmarkt heeft bewogen.
De heer Van de Zandschulp heeft
daarvan mogelijke voorbeelden
genoemd. Ik houd hem voor dat dit
inderdaad een consequentie is van
de gekozen systematiek. Overigens
heeft de betrokkene wel de vrijheid
om een en ander te overwegen. Men
weet dat, als men bijvoorbeeld
enkele maanden naar Australie¨
vertrekt en niet langer op de
arbeidsmarkt opereert, het dit soort
consequenties kan hebben. Dat heeft
te maken met de keuze van de
toetredingsvoorwaarden voor een
verzekering als de Werkloosheidswet. 

</spreker>
<spreker pagina="12-427" anker="214" partij="PvdA" naam="Van de Zandschulp">

Dit antwoord dat dit de consequentie
is van de gekozen systematiek, is iets
te gemakkelijk. Als wij deze
consequentie absurd en zelfs
onaanvaardbaar vinden, moet
nagegaan worden of de systematiek
wel zo goed is. De situatie is
namelijk een beetje vreemd als
iemand wel aan de zwaardere
jareneis voldoet, maar niet aan de
lichtere wekeneis. Vandaar mijn
suggestie om die twee eisen in
elkaar te schuiven, te verdichten. 

</spreker>
<spreker pagina="12-427" anker="215" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 Daar
kan inderdaad over nagedacht
worden, maar bij dit wetsvoorstel
hebben wij gekozen voor een
combinatie van beide eisen met de
daaraan verbonden consequenties.
Als je het niet wilt, moet je het niet
doen. Ik wijs er evenwel op dat dit
het gevolg is van het onderhavige
wetsontwerp.
Ik kan mij wel voorstellen dat wij
in de toekomst eens nadenken over
de vraag of de gecombineerde
toetredingsvoorwaarden niet tot een
voorwaarde gebundeld kunnen
worden. Ik kan mij daarbij heel goed
een aantal varianten voorstellen. Dit
neemt echter deze keus van ons
onder de huidige omstandigheden
niet weg.
De heer Van de Zandschulp heeft
nog aangegeven dat hij er eigenlijk
geen voorstander van is om de
periode voor de wachtgeldfondsen
uit te breiden. Hij vindt dit een
schamel substituut voor premie-
differentiatie per bedrijf. Ik ben het
met hem eens, als hij zegt dat
premiedifferentiatie effectiever
ingezet kan worden. Het is echter
natuurlijk ook heel goed te verdedi-
gen om het sectorspecifieke te
benadrukken van de kosten die aan
een verzekering verbonden zijn. Om
die reden is de wachtgeldfonds-
periode uitgebreid en geu¨niformeerd.
Nog iets over de verruiming van
het begrip ’’passende arbeid’’.
Daarover zullen wij inderdaad een
aantal nadere voorstellen doen. Die
zijn weliswaar niet in dit wetsont-
werp opgenomen, maar ze zijn wel
aangekondigd in de memorie van
toelichting. Hierover kom ik dus nog
met de Kamer te spreken.
De heer Van de Zandschulp zegt
terecht dat de aanpassingen die wij
ons voornemen inzake het begrip
passende arbeid, bijna noodzakelij-
kerwijs enige verdringing op de
arbeidsmarkt met zich brengen. Dat
is een nadeel, maar dat biedt
onvoldoende argumenten om de
beschermende werking van het
begrip passende arbeid langer te
laten duren dan strikt noodzakelijk is.
Ik realiseer mij dus die verdringing;
dat aspect moeten wij dan ook in de
gaten blijven houden. Dit is voor mij
echter geen aanleiding voor een
ander standpunt over de voorgeno-
men aanpassingen van het begrip
’’passende arbeid’’.
Ik ben blij met de opmerking van
de heer Van de Zandschulp dat het
verstandig is dat wij op advies van
de Raad van State de hele sanctie-
problematiek uit dit wetsontwerp
gehaald hebben. Het leek het kabinet
inderdaad veel beter om dit punt bij
het wetsontwerp inzake de boeten
aan de orde te stellen. Het waarborgt
een zorgvuldige behandeling als de
sanctieproblematiek wordt bezien in
samenhang met vergelijkbare
instrumenten. Ik hoop dat wetsont-
werp over niet al te lange tijd in die
context in deze Kamer te behande-
len.
De heer Van de Zandschulp heeft
nog opgemerkt dat wij wat zorgvuldi-
ger dan onze voorgangers omgaan
met de implementatie van de
wetgeving. Inderdaad heb ik na het
concipie¨ren van de wetsvoorstellen
en na indiening bij de Kamer
correspondentie gevoerd met de
uitvoeringsorganisatie. Daarbij is de
noodzakelijke termijn aan de orde
geweest om deze wetgeving op een
nette en zorgvuldige manier in te
voeren. Daarbij had men mij er vrij
snel van overtuigd dat het niet
verstandig zou zijn om, zoals was
afgesproken, deze wetgeving per 1
januari aanstaande effectief te laten
zijn, omdat voor een goede
implementatie ervan meer tijd nodig
was. Gezien die uitvoerings-
technische argumenten en de wens
van het kabinet om wetgeving op
een nette en zorgvuldige manier in te
voeren, hebben wij voor die
implementatie wat meer tijd
gereserveerd.
Onder anderen de heer Heijmans
heeft opgemerkt dat er enig tempo is
te bespeuren in de realisatie van
deze wetgeving. Ik realiseer mij dat
dit niet alleen voor ons, maar ook
voor de Kamers de nodige druk heeft
meegebracht. Dit neemt niet weg dat
alle aspecten van de wetgeving
ruimschoots aan de orde zijn
gekomen bij de schriftelijke en
mondelinge behandeling in beide
Kamers. In die zin is er geen sprake
van heel snel en onzorgvuldig door
de Kamers heen jassen van een
wetsvoorstel. Ik wijs de heer
Heijmans erop dat wij het advies van
de Raad van State, zoals gebruikelijk,
heel serieus hebben bekeken. Dit
heeft voor het onderhavige
wetsontwerp ertoe geleid dat de
sanctieproblematiek zal worden
neergelegd in een nota van wijziging
op het wetsvoorstel boeten en
maatregelen, waarmee de problema-
tiek niet verzwaard is, maar waarmee
een heel relevant deel uit het
wetsontwerp is gehaald dat op een
andere wijze geregeld wordt.
Ondanks het noodzakelijke tempo
is er toch sprake van een zorgvuldige
behandeling. Bovendien heeft het
kabinet meer tijd genomen voor de
invoering van het wetsontwerp door
niet couˆte que couˆte vast te houden
aan de datum van 1 januari
aanstaande. Zowel de behandeling
als het invoeringstraject is naar mijn
stellige overtuiging voorzien van
voldoende waarborgen voor de
zorgvuldigheid.
De heer Heijmans heeft de vraag
gesteld wat er moet gebeuren, als de
ombuigingstaakstelling uit dit
wetsontwerp niet gerealiseerd wordt.
Dit is contrair aan de veronderstel-
ling van de heer De Boer dat dit
wetsontwerp extra opbrengsten
heeft. Welnu, de heer Heijmans kent
de regels van ook dit kabinet voor de
budgetdiscipline; sociale zekerheid is
daar een onderdeel van. Er is ook
een ijklijn voor de sociale zekerheid.
Mocht ik in de loop van het komende
jaar onder die ijklijn komen als
gevolg van wat dan ook, zoals het
niet tijdig realiseren van wetgeving,
het niet realiseren van de voorziene
opbrengsten en wellicht andere
tegenvallers, dan komt in het kabinet
wederom de vraag aan de orde hoe
dat gecompenseerd moet worden.
Die discussie moet daar gevoerd
worden. Vooralsnog maak ik mij daar
geen zorgen over.
Ik hoop dat vandaag de wetgeving
afgerond kan worden die invulling
geeft aan de afspraken over 1995.
Met de voorbereiding van de
wetsvoorstellen die per 1 januari
1996 van kracht moeten worden, zijn
wij behoorlijk op schema. Het gehele
veld overziend, heb ik geen enkele
reden om aan te nemen dat wij op
grond van die inzichten met de ijklijn
in problemen komen. Maar doen zich
in dat opzicht problemen voor, dan
vraagt dat op grond van de
gemaakte afspraken en de regels
voor budgetdiscipline inderdaad om
nadere afweging en nadere
maatregelen. Door het tijdig en in
voldoende mate realiseren van de
wetgeving die wij afgesproken
hebben, en door het niet geconfron-
teerd worden met externe tegenval-
lers hoop ik die ijklijn te kunnen
halen zonder dat er nadere maatre-
gelen nodig zijn bovenop de
afspraken die wij in het regeerak-
koord hebben gemaakt. Dat zal de
toekomst leren. 

</spreker>
<spreker pagina="12-428" anker="216" partij="VVD" naam="Heijmans">
 Ik ken
uiteraard de theorie en de problema-
tiek van de ijklijn, maar gezien de
voorgeschiedenis van de totstandko-
ming van dit wetsontwerp vond ik de
vraag toch op haar plaats. 

</spreker>
<spreker pagina="12-428" anker="217" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 Dat
begrijp ik, zij het dat de geschiedenis
van de totstandkoming van dit
wetsontwerp meer te maken heeft
met de geschiedenis van de
totstandkoming van eerdere
wetsontwerpen dan met de
geschiedenis van het huidige kabinet
en het formuleren van het voorstel
dat ik hier vandaag verdedig, omdat
dat met een andere periode te
maken heeft. Ik ga vooralsnog even
uit van het moment waarop dit
kabinet aangetreden is, en de wijze
waarop wij door middel van
bijvoorbeeld dit wetsvoorstel
invulling hebben gegeven aan de
afspraken die wij in het kader van
het regeerakkoord hebben gemaakt.
De heer Heijmans maakte de
belangrijke opmerking dat, als je kijkt
naar de historie van de sociale
zekerheid in het afgelopen decen-
nium, je eigenlijk in toenemende
mate zou moeten spreken van
sociale onzekerheid in plaats van
sociale zekerheid. Ik hoop dat de
heer Heijmans het met mij eens is
dat wij bij de totstandkoming van het
regeerakkoord een aantal afspraken
met elkaar hebben gemaakt die,
anders dan het alleen maar
beknibbelen op een aantal uitkerings-
rechten, een andere structuur in de
sociale zekerheid tot doel hebben,
met het oog op het op langere
termijn overeind kunnen houden van
het stelsel dat wij hebben. Als wij
volgend jaar praten over de
privatisering van de Ziektewet, de
integratie van de AAW en de WAO,
de opting out en dergelijke, zullen
wij daarover ongetwijfeld met elkaar
van gedachten wisselen. Het is
nadrukkelijk de bedoeling dat wij in
deze kabinetsperiode door middel
van het invullen van de gemaakte
afspraken toegroeien naar een
houdbaar stelsel van sociale
zekerheid. Bovendien is in het
regeerakkoord de afspraak gemaakt
dat wij in deze kabinetsperiode nog
wat verder kijken dan onze neus lang
is. Wij kijken dus ook naar de
verdere toekomst, dus de periode na
de zittingstermijn van dit kabinet. Wij
bekijken hoe het stelsel van sociale
zekerheid er dan uit moet zien, in de
hele breedte van de werknemers-
verzekeringen, de voorzieningen en
de volksverzekeringen. Tijdens de
begrotingsbehandeling aan de
overzijde van het Binnenhof heb ik
gezegd dat wat mij betreft die
discussie voor een niet onbelangrijk
deel in het teken staat van de vraag
hoe wij kunnen toegroeien naar een
stelsel van sociale zekerheid dat in
voldoende mate recht doet aan de
risico’s die wij verzekerd willen
hebben, maar dat ook op langere
termijn houdbaar en minder
conjunctuurgevoelig is. Het moet een
stelsel zijn dat niet bij elke dip in de
conjunctuur leidt tot aanpassingen.
Wat mij betreft speelt daarbij ook de
hele financieringsproblematiek een
belangrijke rol, zeg ik tegen de heer
Van de Zandschulp. Je zult je dan
niet alleen moeten afvragen welke
rechten je in de collectieve sector
geregeld wilt hebben en wat je
individueel aan de mensen of aan de
bedrijfstakken overlaat. Je zult dan
ook een antwoord moeten geven op
de vraag op welke manier je dat gaat
financieren. Dan komt tevens de
positie van de omslagfinanciering
aan de orde. Moet je daarop dan
nuanceringen aanbrengen? Wat mij
betreft staat dit allemaal in het teken
van het toegroeien naar een stelsel
van sociale zekerheid dat niet van
het ene op het andere jaar de een of
andere aanpassing moet ondergaan
onder invloed van de economische
ontwikkelingen. Het moet een stelsel
zijn dat ook op langere termijn op
een economisch verantwoorde wijze
haalbaar is en dat recht doet aan de
risico’s die wij met elkaar willen
verzekeren.
Mevrouw De Savornin Lohman
heeft een aantal opmerkingen
gemaakt waarop ik al ben ingegaan.
Zij heeft een specifieke vraag gesteld
over de gevolgen voor vrouwen van
het wetsontwerp. Ik neem aan dat
haar vraag is ingegeven door de
veronderstelling dat het wetsontwerp
voor vrouwen negatiever uitwerkt
dan voor mannen. Wij hebben dat
laten nagaan, maar dat is niet het
geval. Wij zullen er wel op blijven
letten. Door de aanscherping van de
wekeneis wordt naar verwachting
1,3% van de vrouwelijke aanvragers
en 1,1% van de mannelijke aanvra-
gers getroffen. In dat opzicht is er
sprake van een marginaal slechtere
positie voor vrouwen. Door de
aanscherping van de 3-uit-5-eis tot
de 4-uit-5-eis en het stellen van die
eis als toetredingsvoorwaarde in
plaats van een verlengings-
voorwaarde worden naar verwach-
ting meer mannelijke dan vrouwe-
lijke aanvragers getroffen. Het
verschil daarin bedraagt ongeveer
5%. Ik blijf met mevrouw De
Savornin Lohman benieuwd naar het
antwoord op de vraag of dit in de
toekomst ook de realisatiecijfers
zullen zijn. Op grond van de huidige
inzichten zijn de cijfers die ik heb
gegeven, de juiste. Bovendien houd
ik haar voor dat er los van het
verscherpen van de toetredings-
voorwaarden ook sprake is van een
verlenging van de vervolguitkering.
Met name van dit element van het
wetsontwerp profiteren veel meer
vrouwen. Met andere woorden, het
beeld is genuanceerd. Het is zeker
niet zo dat meer vrouwen door dit
wetsontwerp getroffen worden dan
mannen. Eerder is het tegenoverge-
stelde het geval. Wij zullen dit in de
gaten blijven houden.
Mevrouw De Savornin Lohman
heeft ook een opmerking gemaakt
over de positie van arbeidsonge-
schikten ten opzichte van dit
wetsontwerp. Ik hoop dat ik haar
vragen goed begrepen heb. Als
gevolg van dit wetsontwerp is de
situatie zo, dat WAO’ers die geheel
of gedeeltelijk worden afgeschat, in
tegenstelling tot de anderen, niet
hoeven te voldoen aan de 4-uit-5-eis.
Zij hebben dus al recht op een
loongerelateerde uitkering als zij aan
de 26-uit-39-eis voldoen. Bovendien
zorgt de zogenaamde voor-
verlengingsregeling ervoor dat men
ook praktisch in de gelegenheid is
om aan die toetredingsvoorwaarde
te voldoen. Met andere woorden,
WAO’ers die geheel of gedeeltelijk
worden afgeschat, dus die geheel of
gedeeltelijk arbeidsongeschikt waren,
hebben ten aanzien van dit wetsont-
werp de specifieke positie die ik
zojuist heb aangegeven.</spreker>
<spreker pagina="12-429" anker="218" partij="D66" naam="De Savornin Lohman">
 Mijn vraag had specifiek
betrekking op AAW’ers die achteraf
arbeidsongeschikt blijken te zijn. Als
de beantwoording van deze vraag
problemen geeft, stel ik er prijs op
om de desbetreffende brief aan de
staatssecretaris of zijn ambtenaren
mee te geven, opdat zij de zaak even
goed bekijken. 

</spreker>
<spreker pagina="12-429" anker="219" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 Dat lijkt
mij een goede suggestie. Voordat ik
reageer op de brief, wil ik deze graag
even precies lezen. Als mevrouw De
Savornin Lohman mij dadelijk de
brief geeft, zal ik ervoor zorgen dat
zij zo snel mogelijk antwoord krijgt.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-429">

 
<spreker pagina="12-429" anker="220" partij="GroenLinks" naam="De Boer">

Voorzitter! Eerlijk gezegd bevalt de
beantwoording door de staatssecre-
taris mij niet zo goed. Dat is niet
alleen omdat wij van mening
verschillen, maar ook omdat ik vind
dat het allemaal wat te gladjes gaat.
Als de staatssecretaris goed
geluisterd had, was hem opgevallen
dat ik in eerste termijn heb gezegd
dat ik wel degelijk onderken dat er
sprake is van een verbetering in de
positie van mensen met een langer
arbeidsverleden. Daar gaat de
discussie echter niet over. Ik heb ook
begrepen dat de opstelling is dat de
mensen met een korter arbeids-
verleden daarvoor moeten bloeden.
Wat makkelijk formulerend gleed de
staatssecretaris wat luchtigjes heen
langs een aantal gevolgen die ik aan
de orde heb gesteld, maar die ook
door anderen zijn genoemd. De
beantwoording ging ook heen langs
de indringendheid van sommige
vragen, bijvoorbeeld over de steeds
zwakkere positie van jongeren en
andere groepen. De staatssecretaris
is wat dat betreft niet ingegaan op
mijn vragen. Ik heb ook gevraagd
naar de verhouding tussen aan de
ene kant het kiezen voor een grotere
flexibilisering en aan de andere kant
het afknabbelen van de bestaans-
zekerheid voor dezelfde groep. Ook
heb ik gevraagd naar de verdringing
aan de onderkant van de arbeids-
markt. In mijn werk heb ik te maken
met datgene wat sterk wordt
gepropageerd door dit kabinet,
namelijk het oplossen van het
probleem van moeilijk plaatsbaren,
langdurig werklozen, kansloze
jongeren en allochtonen op de
arbeidsmarkt. Dan kun je niet
volstaan met het luchtigjes vaststel-
len dat het aanscherpen van de
definitie van het begrip ’’passende
arbeid’’ gevolgen heeft voor de
verdringing. Er zal verdringing
plaatsvinden, met name in de
sectoren die ik noemde. Het kabinet
wil niet onderkennen dat dit haaks
staat op het beleid dat het wil voeren
om de problematiek van de
langdurige werkloosheid aan te
pakken. Het laatste is het grootste
kwaad. De jongeren die moeilijk
plaatsbaren uit de kleinere baantjes
verdringen, komen in het algemeen
in het verdere verloop van hun
arbeidscarrie`re wel weer aan de slag
dankzij een betere opleiding. Door
het feit dat zij de moeilijk plaatsbare
jongeren en allochtonen verdringen,
ontstaat er bij die groepen een
grotere langdurige werkloosheid. Dat
zadelt de mensen die daarvoor de
problemen moeten oplossen – ik
denk even aan de gemeentelijke
situatie – met een groot probleem
op. De opstelling van het kabinet is
niet consistent. Er zit een innerlijke
tegenstrijdigheid in. Daar kun je niet
al te makkelijk langs lopen. Het
kabinet moet er in zijn aanpak van
dit onderwerp betere antwoorden op
verzinnen. Anders zit er iets
onrechtvaardigs, iets oneerlijks, in.
De heer Van de Zandschulp zal
zich wel redden met zijn eigen
voorbeelden van extreem onrecht-
vaardige gevolgen die de wet zoals
zij nu georganiseerd is, kan hebben
voor mensen die wel aan de jareneis
en niet aan de korte referte-eis
voldoen. De staatssecretaris zegt dat
dit nu eenmaal het gevolg van de
wet is, jammer dan. Dat is mij te
makkelijk. Heeft deze wet geen
hardheidsclausule om op terug te
vallen?
Ik begreep niet helemaal het
antwoord op de interruptie van
mevrouw De Savornin Lohman. De
staatssecretaris zei dat WAO’ers niet
hoeven te voldoen aan de arbeids-
duureis, maar wel aan de wekeneis.
Iemand die in de WAO zit en door de
verandering van de WAO en zijn
herkeuring in de WW belandt,
voldoet niet aan de referte-eis van
gewerkte weken. Komt hij dan
zonder enige tussenfase op het
bijstandsniveau terecht? Ik zie dat het
niet zo is, maar dan heeft de
staatssecretaris zich net niet goed
uitgedrukt. Ik hoor het dan graag nog
eens.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-430">

 
<spreker pagina="12-430" anker="221" partij="PvdA" naam="Van de Zandschulp">

Voorzitter! Als de consequentie van
de systematiek absurd en naar ieder
redelijk gevoel onaanvaardbaar is,
moeten wij eerst bekijken of wij de
twee afzonderlijke eisen kunnen
verdichten tot een coherente eis. Dat
moet mogelijk zijn, bijvoorbeeld door
de 4-jareneis, die nu slechts als
voorwaarde heeft dat er 52 loon-
dagen in zitten, zo te formuleren dat
het laatste jaar een groter aantal
loondagen heeft. Dan hebben wij de
wekeneis misschien helemaal niet
nodig. Zelfs als wij niet op zeer korte
termijn een bevredigende oplossing
hiervoor vinden, moet het mogelijk
zijn, een vrijwillige WW-verzekering
open te stellen bij een dergelijke
onderbreking van het arbeidsproces.
Wij groeien toe naar een maatschap-
pij waarin individuele keuze-
mogelijkheden van groter belang zijn
en het gemakkelijker mogelijk zal zijn
en moet zijn dat mensen hun
arbeidsparticipatie tijdelijk afwisse-
len, bijvoorbeeld met verzorging-
staken. Dit moet er niet toe leiden
dat men volledig uit de systematiek
van de werkloosheidsverzekering
raakt en elk opgebouwd recht
kwijtraakt. Daarom vraag ik van de
staatssecretaris de toezegging, op
niet al te lange termijn met een
reactie hierop en een nieuw voorstel
te komen.
Nogmaals, ik heb geen enkel
bezwaar tegen uitbreiding van de
wachtgeldfondsen. Misschien heeft
het zelfs enig marginaal voordeel. Ik
constateer echter dat wij nu de
bedrijfstak, misschien niet ten
onrechte, met een grotere verant-
woordelijkheid opschepen, terwijl er
bij een toenemend marktdenken een
tendens is om de bedrijfstak als
ordenend orgaan op de achtergrond
te duwen. Ik denk aan de aanvallen
op het instrument van de algemeen-
verbindendverklaring of de verplichte
aansluiting bij bedrijfspensioenfond-
sen. Juist bij opkomend marktdenken
ligt het niet voor de hand, de
bedrijfstak meer ordenende taken te
geven. Ik vraag slechts de aandacht
voor een paradox.
Een paradox zie ik ook wanneer
wij het begrip passende arbeid
verruimen in een tijd waarin de
arbeidsmarkt zelf te ruim is. Een
verruiming van het begrip passende
arbeid past logischerwijs meer bij
een krappe arbeidsmarkt dan bij een
zeer ruime arbeidsmarkt, waarop zij
slechts tot verdringing, dus
verschuiving van het probleem, leidt.
Ik doe een poging, iets te zeggen
over de positie van afgeschatte
WAO’ers in de WW. Ik denk dat ik
het wel begrepen heb. Voor de WW
moet iemand altijd aan de wekeneis
voldoen, de eis van 26 uit 39 weken.
Deze wordt nu voor een ieder iets
aangescherpt. Daarna geldt dat
iemand die in de WAO of de AAW
zit, na afschatting automatisch
geacht wordt, voldaan te hebben aan
de 3- of 4-uit-5-eis. Met andere woorden: iemand die al bij de
aanvang van zijn eerste loopbaan
van de steiger dondert en in de
Ziektewet en de WAO belandt, zal na
afschatting niet in de WW belanden,
omdat niet aan de eis van 26 uit 39
weken is voldaan. Zodra hieraan wel
is voldaan, is ook aan de jareneis
voldaan en heeft die persoon een
normaal WW-uitkeringstraject. Naar
mijn indruk geldt dit zelfs voor
degenen die na deelname aan het
arbeidsproces ex post vroeg-
gehandicapt verklaard zijn. Ook voor
hen geldt de 26-uit-39-wekeneis wel,
maar de 4-uit-5-eis niet, omdat zij
geacht worden, eraan voldaan te
hebben. Ik meen dat ik het zo goed
heb weergegeven, maar ik heb op dit
moment geen wetboek bij mij. 

</spreker>
<spreker pagina="12-430" anker="222" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Voor
een goed begrip heb ik nog een
vraag. Stel dat iemand vierenhalf
jaar geleden 26 uit 39 weken heeft
gewerkt en dan van de steiger
duvelt. Hij komt in de WAO en wordt
nu weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt
verklaard. Wat krijgt hij dan? 

</spreker>
<spreker pagina="12-430" anker="223" partij="PvdA" naam="Van de Zandschulp">

Dan voldoet hij aan alle criteria die
de WW stelt, de wekeneis en de
jareneis. Dan krijgt hij een
WW-uitkering waarvan de duur
afhankelijk is van zijn leeftijd en
arbeidsverleden. In dit geval is
vooral de leeftijd doorslaggevend. 

</spreker>
<spreker pagina="12-430" anker="224" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Ik
had begrepen dat de 26 uit 39 weken
direct moesten voorafgaan aan het
moment waarop iemand de WW in
gaat. Dit geldt voor een WAO’er
kennelijk niet. 

</spreker>
<spreker pagina="12-430" anker="225" partij="PvdA" naam="Van de Zandschulp">

Voor een WAO’er geldt dat voor de
termijn waarop gemeten wordt of hij
aan de eis van 26 uit 39 weken
voldoet, alle weken overgeslagen
worden waarin die persoon een
ziektewet- of WAO-uitkering had. Je
moet soms jaren terug zoeken naar
die periode. 

</spreker>
<spreker pagina="12-430" anker="226" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Dat
is de helderheid die ik nodig had.
Mag ik nog een vraag stellen? Dan
ben ik meteen klaar. U gaf het
voorbeeld van iemand die twintig
jaar gewerkt heeft en dan vier
maanden naar Australie¨ gaat. U vindt
de consequentie van deze wet in dat
geval en vergelijkbare kwesties
onaanvaardbaar. Ik heb begrepen dat
uw fractie de neiging heeft, dit
wetsvoorstel te steunen, met die
onaanvaardbare consequentie. Dan
hebben wij dus een tijdlang een wet
waarmee mensen geweldig tussen
de wal en het schip kunnen vallen.
Accepteert u dit als voorlopig
gevolg? 

</spreker>
<spreker pagina="12-430" anker="227" partij="PvdA" naam="Van de Zandschulp">

In principe was dit al een gevolg van
de oude WW. De kans was toen veel
geringer, doordat de wekeneis en de
jareneis minder scherp geformuleerd
waren, maar in potentie was die er
toen ook al. Dit is mij pas sinds kort
helder, nu beide eisen aangescherpt
worden. Voor het recht op loon-
gerelateerde uitkering zijn beide
eisen ook aan elkaar gekoppeld. Ik
kan mij voorstellen dat ook de
staatssecretaris het pas sinds kort
weet. Welk proces hebben wij
doorgemaakt? Wij hebben eerst de
wekeneis wat aangescherpt en
daarna de jareneis. Daarna hebben
wij ze bij elkaar opgeteld, waarbij wij
niet meer naar de totaliteit hebben
gekeken. Zo zal het gegaan zijn. Nu
dit effect gesignaleerd wordt, vraag
ik de staatssecretaris, op niet al te
lange termijn met een voorstel voor
een betere formulering te komen. In
afwachting daarvan vind ik wel, dat
deze wet aangenomen kan worden.
De situatie die ik geschetst heb, is
natuurlijk niet een dagelijks
voorkomende situatie, maar het
moet wel gerepareerd worden. 

</spreker>
<spreker pagina="12-431" anker="228" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Maar
u heeft bij het stemgedrag niet de
zekerheid, dat de staatssecretaris het
ook doet. Dat zou namelijk op
termijn een wetswijziging betekenen.
Ik wil het moeilijke woord niet in de
mond nemen, maar daar komt het
wel op neer. 

</spreker>
<spreker pagina="12-431" anker="229" partij="PvdA" naam="Van de Zandschulp">

Zeker, ik vraag dus om een wetswijzi-
ging op dit punt, in welke variant
dan ook. Ik vraag nu niet een
toezegging van de staatssecretaris
dat die wijziging er over drie
maanden is. Er moet toch even
serieus naar gekeken worden en ik
weet op dit moment ook niet wat de
optimale oplossing is. 

</spreker>
<spreker pagina="12-431" anker="230" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Maar
het gaat niet zover dat u die wet wil
aanhouden tot die wetswijziging er
is. Dat zou de fraaiste methode zijn! 

</spreker>
<spreker pagina="12-431" anker="231" partij="PvdA" naam="Van de Zandschulp">

Dat zou de fraaiste methode zijn. In
een stabiele, rustige maatschappij
waarin die bezuinigingsdruk niet
bestaat, zou ik daarvoor wellicht
opteren maar ik kan mij niet
onttrekken aan die bezuinigingsdruk.
Ik vind dat er legitieme argumenten
zijn, zoals de bekende macro-
economische argumenten. 

</spreker>
<spreker pagina="12-431" anker="232" naam="De voorzitter">
 Mag ik er na dit
technisch discours nog een
technische punt toevoegen? In ons
Reglement van orde staat nog
steeds, dat de leden zich richten tot
de voorzitter. Als een van de sprekers zegt: u vindt... dan betekent
dit, dat de voorzitter iets vindt. Maar
de voorzitter vindt niets, want die
heeft van deze zaken helemaal geen
verstand! 

</spreker>
<spreker pagina="12-431" anker="233" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Ik zal
daar toch even op moeten reageren,
want u heeft het ongetwijfeld tegen
mij.
Voorzitter! Ik heb over het
algemeen de gewoonte om het begin
van mijn verhaal te beginnen met
het woord ’’voorzitter’’. Dat
impliceert dat alle zinnen die er
achter aan komen tot de voorzitter
zijn gericht. Ik heb er absoluut geen
zin in om de zeven zinnen – zoals
sommige afgevaardigden hier doen –
het woord ’’voorzitter’’ in de mond te
nemen. Als ik een keer ’’voorzitter’’
zeg, geldt dat voor alle zinnen die
daarna volgen. 

</spreker>
<spreker pagina="12-431" anker="234" naam="De voorzitter">
 U begrijpt me niet
goed, denk ik. Ik maak er geen
bezwaar tegen dat u niet om de
andere zin ’’mijnheer de voorzitter’’
zegt, ik maak er bezwaar tegen dat u
het woord ’’u’’ gebruikt wanneer u
tegen een ander lid spreekt. Op het
moment dat u zegt ’’u vindt’’ dan
betekent dat, dat de voorzitter iets
vindt. Maar de voorzitter vindt niets.
U moet zich goed realiseren dat
wanneer men de eerste persoon
gebruikt, men zichzelf bedoelt;
wanneer men de tweede persoon
gebruikt, bedoelt men de voorzitter.
Voor ieder ander in dit lokaal wordt
de derde persoon gebruikt. 

</spreker>
<spreker pagina="12-431" anker="235" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Het
zal wel, maar ik vind het een wat
archaı¨sch gedoe en het is over het
algemeen precies helder wat ik
bedoel, waar het over gaat en van
wie ik een antwoord verwacht. Ik
vind het eerlijk gezegd... nou nee,
laat ik... 

</spreker>
<spreker pagina="12-431" anker="236" naam="De voorzitter">
 Het staat toch nog
steeds in ons reglement van orde,
mijnheer De Boer. Het is een
voorschrift, dat ook een functie heeft.
Ik wil het daar nu niet uitvoerig over
hebben, want het kost veel te veel
tijd. Daar praten we in de koffieka-
mer nog wel eens over. 

</spreker>
<spreker pagina="12-431" anker="237" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Ik
heb ook sterk de indruk, dat wij ons
beter over andere dingen druk
kunnen maken! 

</spreker>
<spreker pagina="12-431" anker="238" naam="De voorzitter">
 Akkoord! Het woord
is thans weer aan de staatssecretaris.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-431">

 
<spreker pagina="12-431" anker="239" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">

Voorzitter! Ik dank de woordvoerders
in tweede termijn en met name de
heer Van de Zandschulp, omdat hij
enkele lastige vragen die aan mij
werden gesteld heeft beantwoord in
het interruptiedebat. Ik kan daar
dadelijk gemakshalve naar verwijzen.
De heer De Boer zei, dat ik wat
gladjes voorbijging aan de verslech-
terde positie van een aantal
categoriee¨n als jongeren en mensen
met flexibele arbeidsrelaties en aan
het verdringingseffect naar aanlei-
ding van de voorgenomen verrui-
ming van het begrip passende
arbeid. Ik moet hem toch voorhou-
den dat dit, om te beginnen,
geenszins mijn bedoeling is geweest.
Als die indruk bij hem heeft
postgevat, wil ik die graag wegne-
men. Ik heb heel nadrukkelijk
aangegeven, niet die categoriee¨n zo
nalopend maar uitgaande van het
wetsvoorstel, voor wie dit wetsvoor-
stel een verslechtering van de positie
betekent. Dat zijn al die mensen die
een minder sterke band met de
arbeidsmarkt hebben. Voor een deel
zitten die in de categoriee¨n die hij
heeft aangegeven. Daartegenover
staat, dat mensen die een langduri-
ger band met de arbeidsmarkt
hebben als gevolg van dit wetsont-
werp juist een sterkere positie en een
betere verzekering krijgen. Dan valt
dat niet zozeer aan te geven als de
categorie jongeren. Jongeren die al
vijf jaar werken, kunnen als gevolg
van dit wetsontwerp een sterkere
verzekeringspositie krijgen. Ik heb die
groepen dus niet zo precies
aangeduid, omdat ze niet precies aan
te duiden zijn. Hetzelfde geldt voor
mensen met flexibele arbeidsrelaties;
ook zij kunnen aan beide eisen
voldoen. Deze categorie is er dus
niet categorisch als gevolg van dit
wetsontwerp slechter of minder
slecht aan toe. Het loopt door die
groepen heen en dat is ook precies
de reden waarom ik in mijn eerste
termijn de aanduiding heb gebruikt,
dat je je in alle gevallen, om welke
categorie het ook gaat, alleen maar
een oordeel moet vormen met
betrekking tot de vraag wat in de
laatste vijf jaar de band met de
arbeidsmarkt is geweest en dan kan
je tot een oordeel komen met
betrekking tot de verzekeringspositie.
Ik heb op geen enkele manier
geprobeerd om daar gladjes aan
voorbij te gaan. Ik heb juist gepoogd
om dat in eerste termijn helder neer
te zetten.
De heer De Boer had als tweede
hoofdargument in zijn tweede
termijn, dat het gevolg – bijvoor-
beeld verdringing in het geval van de
voorgenomen verruiming van het
begrip passende arbeid – van dit
soort wetsontwerpen haaks staat op
het doel van het regeringsbeleid. Dat
doel is meer werkgelegenheid, ook
aan de onderkant en het cree¨ren van
kansen voor mensen die op dit
moment minder kansen op de
arbeidsmarkt hebben. Ik zou dat van
mij af willen houden, omdat daarvan
naar mijn idee geenszins sprake is.
De discussie over het begrip
’’passende arbeid’’ en het onvermij-
delijke element van verdringing dat
daarbij aan de orde is, is niet iets
wat indruist tegen de resultaten van
het beleid dat wij willen realiseren. Ik
moet de heer De Boer voorhouden,
dat dit wetsontwerp niet het enige
onderdeel is van het beleidspakket
van het kabinet op het punt van
werkgelegenheidspolitiek. Er is een veelheid van instrumenten:
lastenverlichting, specifieke
maatregelen, de wijze waarop wij de
lastenverlichting ingezet hebben, het
proberen om aan de onderkant van
de arbeidsmarkt door middel van het
concentreren van lastenverlichtingen
werkgelegenheid te cree¨ren en
bijvoorbeeld door het invoeren van
een franchise in de Ziekenfondswet. Met andere woorden: door die
veelheid aan maatregelen proberen
wij aan de onderkant van de
arbeidsmarkt een zodanige hoeveel-
heid ruimte te cree¨ren, dat wij daar
het werkgelegenheidsprobleem
dichter bij een oplossing proberen te
brengen. De verdringings-
problematiek, die het gevolg daarvan
kan zijn en die ik ook erken als
gevolg van de voorgenomen
verruiming van het begrip ’’passende
arbeid’’ valt mijns inziens in het niet
bij die totaalaanpak. Het lijkt mij
goed als de heer De Boer beleid,
gevolgen en bedoelingen ook in die
complexiteit in combinatie beoor-
deelt. Het resultaat van het rege-
ringsbeleid is meer werkgelegenheid
en dan werkgelegenheid geconcen-
treerd juist aan de onderkant van de
arbeidsmarkt, omdat wij een zeer
relevant deel van de invulling van de
lastenverlichting juist daarop
geconcentreerd hebben. 

</spreker>
<spreker pagina="12-432" anker="240" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Ik
ontken de bedoeling niet en ik
ontken ook niet, dat er wel degelijk
inzetten zijn om juist aan de
onderkant van de arbeidsmarkt
positieve resultaten te boeken. Ik wil
mij even concentreren op de jongerengroep: JWG en alles wat
daarmee te maken heeft. Op het
moment dat je accepteert dat wat
hoger opgeleide jongeren lager
opgeleide jongeren verdringen uit
baantjes die eigenlijk voor de lager
opgeleide jongeren zijn bedoeld,
cree¨er je een groot probleem. Dan
cree¨er je namelijk langdurige
werkloosheid voor jongeren die
beginnen de eerste stappen te zetten
op de arbeidsmarkt. Dan kan je wel
met ander flankerend of zelfs
rechtstreeks gericht beleid dat
probleem twee jaar later oplossen,
maar je cree¨ert wel het probleem.
Daarmee wordt de situatie
gecree¨erd, dat ik absoluut geen
plekken kan vinden om enige
uitstroom te realiseren voor die
jongeren, die zo moeilijk qua
opleiding en qua geschiktheid voor
de arbeidsmarkt te plaatsen zijn,
omdat die plekken al worden
ingenomen door die HBO’er of die
MEAO’er. Die kan dat baantje
gemakkelijk vervullen en kan later
met wat arbeidservaring wel
doorstromen naar een betere
werkkring. Maar die groep neemt wel
jarenlang die laaggeschoolde plek in
beslag. Als die passende-
arbeidformulering nog wordt
veranderd zodat die kans nog groter
wordt, wordt daarmee een groot
probleem gecree¨erd. Vanuit mijn
praktijk ben ik van mening, dat dit
niet zou moeten. Daar geeft de
staatssecretaris geen antwoord op.
Dat wil zeggen, de staatssecretaris
accepteert het als gevolg, omdat er
andere maatregelen zijn om dat
probleem weer op te lossen. Dan zijn
die jongeren langdurig werkloos
geworden en vormen zij dus nog een
veel groter probleem op de
arbeidsmarkt. Ja, dat zou toch niet
moeten gebeuren. Ik vind dat
tegenstrijdig beleid. Laat ik het daar
maar op houden. 

</spreker>
<spreker pagina="12-432" anker="241" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 Maar
dat is het geenszins. Ik erken het
verdringingselement, dat ook door
andere woordvoerders is aange-
haald. Alleen, het gegeven dat als
gevolg daarvan op lagere segmenten
in de arbeidsmarkt sprake is van
onvoldoende werkgelegenheid,
brengt mij ertoe om andere
instrumenten in te zetten om dat
probleem op te lossen. Dat gegeven
als zodanig kan onvoldoende
rechtvaardiging bieden voor het feit
dat wij dan maar niet moeten
doorgaan met het aanpassen van het
begrip passende arbeid.
Het gegeven dat wij aan de
onderkant van de arbeidsmarkt een
probleem hebben, wordt door
iedereen erkend. Daar doet het
kabinet ook van alles aan. Daarvoor
hebben wij veel instrumenten en
veel financie¨le ruimte ingezet. Dat
kan toch geen rechtvaardiging zijn
voor het feit dat wij tegen een academisch opgeleid iemand zeggen:
’’Jij hoeft alleen maar op dat niveau
naar een baan te zoeken. Als er op
andere niveaus op de arbeidsmarkt
wel werkgelegenheid is en wel
mogelijkheden zijn om je inkomen te
verdienen, dan mag jij toch in die
uitkeringssituatie blijven zitten.’’
Nee, het probleem dat u signa-
leert, vind ik ree¨el. Ik vind ook dat wij
het moeten oplossen. Maar het mag
geen rechtvaardiging zijn om de
verzekeringspositie van hoger
opgeleiden op de arbeidsmarkt veel
sterker te laten zijn dan die van
mensen die aan de onderkant van de
arbeidsmarkt functioneren. Als wij
dat probleem aan de onderkant van
de arbeidsmarkt met elkaar erkennen
– en wij hebben het erkend – dan
moeten wij effectieve instrumenten
inzetten om dat tot een oplossing te
brengen. Het niet aanpassen van het
begrip passende arbeid is wat mij
betreft in dat kader geen effectief
instrument. 

</spreker>
<spreker pagina="12-432" anker="242" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Wij
komen daar bij de begrotings-
behandeling wel op terug. Ik vind dat
een academicus niet achter de kassa
van Albert Heijn behoort te zitten.
Het probleem van de werkloosheid
van academici of hoger opgeleiden
moet worden opgelost met een
betere verdeling van de arbeidstijd,
dus met arbeidstijdverkorting. Dat
probleem mag je niet afwentelen op
de onderkant van de arbeidsmarkt,
die het toch al zo ingewikkeld heeft.
Die keuze zou gemaakt moeten
worden. Dan moeten die beleids-
terreinen tegelijk worden ontwikkeld.
Er moet geen figuur worden
gecree¨erd waar u nu ruimte voor
laat. Ik ben het daar echt grondig
mee oneens. Maar ik denk dat ik het
op dit moment hier maar bij moet
laten. Dan kunnen wij er in maart op
terugkomen. 

</spreker>
<spreker pagina="12-433" anker="243" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 Wij
moeten er een oordeel over vormen
wat de beschermende werking is van
het begrip passende arbeid en hoe
lang die bescherming dan duurt. De
algemene stellingname dat een
academicus niet achter de kassa van
Albert Heijn moet gaan zitten, zou ik
niet willen onderschrijven. Ik zou
eerlijk gezegd niet weten waarom de
samenleving een uitkering zou geven
aan iemand die al tien jaar lang op
zijn academisch niveau niet in staat
is om werkgelegenheid te krijgen,
zonder hem te verplichten om op
andere niveaus dan zijn vroegere
niveau werk te gaan verrichten. U
weet dat wij op het punt van het
aanpassen van het begrip passende
arbeid genuanceerder te werk gaan
dan deze opmerking van mij
suggereert. Dat hebben wij ook in de
memorie van toelichting aangege-
ven. Maar ik zou heel nadrukkelijk
niet alleen willen kijken naar het
opleidingsniveau van iemand, niet
alleen naar het arbeidsverleden van
iemand, maar bij de beschouwingen
ook willen betrekken hoe lang het
geleden is dat iemand op dat niveau
heeft gewerkt, daar een baan heeft
gehad. Zelfs als je aanneemt dat er
een beschermende werking uitgaat
van het begrip passende arbeid, kan
dat geen oneindige bescherming zijn.
De bescherming houdt op een
gegeven moment op. Dat heeft alles
te maken met de duur van de
werkloosheid. 

</spreker>
<spreker pagina="12-433" anker="244" partij="PvdA" naam="Van de Zandschulp">

Ik wil hier graag een opmerking over
maken. Ik vind ook niet dat het ver
beneden de waardigheid van een
academicus ligt om bij Albert Heijn
te werken, zelfs niet achter de kassa.
Ik vind het wat vreemd dat wij het
begrip passende arbeid lang
handhaven in een tijd van bijna
volledige werkgelegenheid en dat wij
het juist gaan verruimen op een
moment waarop er maatschappelijk
nauwelijks behoefte aan is. Dat is
een beetje het probleem.
Natuurlijk kan ik ook tegen de
landbouwkundig ingenieur uit
Wageningen zeggen dat hovenier
voor hem een prima vak is. Het is
ook een zeer eerzaam vak. Maar als
hij daarmee andere hoveniers uit
hun plek verdrijft, zie ik niet wat wij
er als maatschappij mee opgescho-
ten zijn.
Dus als ik kijk naar zowel de
arbeidsmarkt als het moment waarop
deze voorgestelde uitbreiding komt,
vind ik het in die zin niet erg logisch. 

</spreker>
<spreker pagina="12-433" anker="245" soort="Staatssecretaris" naam="Linschoten">
 Ik
bestrijd de logica van de opmerkin-
gen niet. Het is ook zeer de vraag op
welke manier je omgaat met het
begrip passende arbeid. Dat neemt
niet weg dat wij in dit kader praten
over verzekeringen, over een
verzekerd risico. Het gaat erom aan
welke eisen mensen moeten voldoen
om, gegeven dat het verzekerd risico
optreedt, een uitkering te kunnen
krijgen of behouden. Daar speelt het
begrip passende arbeid een rol bij.
Maar dat de uitwerking daarvan in
verschillende periodes in de
conjunctuur een andere kan zijn,
onderken ik graag.
Zowel de heer De Boer als de heer
Van de Zandschulp is wat uitgebrei-
der ingegaan op de positie van
WAO’ers. De heer De Boer vond dat
ik onduidelijk was geweest in mijn
eerste termijn. Maar ik heb wel
degelijk aangegeven dat het in het
geval van de WAO’ers gaat om een
positie waarin men niet aan de
jareneis moet voldoen. Ik heb gezegd
dat voor het moment van tellen van
de wekeneis ijkpunt moet zijn de
periode voorafgaand aan de eerste
ziektedag. Wat dat betreft kan ik
geheel het antwoord bevestigen dat
de heer Van de Zandschulp in zijn
interruptiediscussie met de heer De
Boer heeft gegeven.
De heer Van de Zandschulp is nog
eens teruggekomen op de conse-
quenties van de systematiek met de
vraag of wij naar de toekomst toe
niet naar een andere systematiek toe
moeten, bijvoorbeeld door de beide
eisen die wij nu hanteren te
combineren. Laat ik beginnen met de
opmerking dat ik de consequenties
van de thans geformuleerde eisen
niet absurd vind. Want anders
hadden wij ook het voorstel niet
gedaan. Dat neemt niet weg dat ik
het met de heer Van de Zandschulp
eens ben dat wij moeten blijven
doordenken over de verzekerings-
positie in het kader van de werk-
nemersverzekeringen voor mensen
die om welke reden dan ook tijdelijk
ophouden met werken. In die hele
discussie over de toekomst van de
sociale zekerheid zullen wij met
elkaar moeten nagaan welke
individuele keuzevrijheid wij willen
inbouwen, onder welke voorwaarden
wij dat willen doen en hoe dat dan
moet worden georganiseerd. Ik zou
het een goede zaak vinden als
daarbij deze problematiek wederom
aan de orde komt. Ik heb daar op dit
moment geen afgerond oordeel over,
maar ik zet graag met de heer Van
de Zandschulp op dat nadere
moment de discussie voort.
De beraadslaging wordt gesloten.
Het wetsvoorstel wordt zonder
stemming aangenomen. 

</spreker>
<spreker pagina="12-433" anker="246" naam="De voorzitter">
 De aanwezige leden
van de fractie van GroenLinks wordt
conform artikel 121 van het
Reglement van orde aantekening
verleend, dat zij geacht willen
worden zich niet met het wetsvoor-
stel te hebben kunnen verenigen.
De vergadering wordt enkele
minuten geschorst.
</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="12-433">

Aan de orde is de (voortzetting van de) behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van onder meer de Interimwet
op het speciaal onderwijs en het
voortgezet speciaal onderwijs,
de Wet op het basisonderwijs en
de Wet medezeggenschap
onderwijs 1992 ten behoeve van
een betere toerusting van het
basisonderwijs met capaciteiten
en faciliteiten van (delen van)
het speciaal onderwijs (Weer
samen naar school) (23486);
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Wet van ..., Stb. ..., tot
wijziging van onder meer de
Interimwet op het speciaal
onderwijs en het voortgezet
speciaal onderwijs, de Wet op
het basisonderwijs en de Wet
medezeggenschap onderwijs
1992 ten behoeve van een
betere toerusting van het
basisonderwijs met capaciteiten
en faciliteiten van (delen van)
het speciaal onderwijs (Weer
samen naar school en Weer
samen naar school met uitge-
stelde regionale verwijzings-
commissies) (24028).
</onderwerp>
</text>

</handeling>


