<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2031]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Voortzetting van de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van onder meer de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, de Wet op het basisonderwijs en de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 ten behoeve van een betere toerusting van het basisonderwijs met capaciteiten en faciliteiten van (delen van) het speciaal onderwijs (Weer samen naar school) (23486)</item>
<item attribuut="Bestand"> 32 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Speciaal onderwijs (Algemeen)
Basisonderwijs (Medezeggenschap)
Basisonderwijs (Algemeen)</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Speciaal onderwijs
Basisonderwijs
Medezeggenschap</item>
<item attribuut="Dossiernr">23486, 24028</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 9, Eerste Kamer, pag. 433-436</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">21-12-1994</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2031</item>
<item attribuut="Omvang">4 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Eerste Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Weer samen naar school</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Stemmingen</item>
<item attribuut="doccode">EK 12</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="12-433">

Aan de orde is de (voortzetting van de) behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van onder meer de Interimwet
op het speciaal onderwijs en het
voortgezet speciaal onderwijs,
de Wet op het basisonderwijs en
de Wet medezeggenschap
onderwijs 1992 ten behoeve van
een betere toerusting van het
basisonderwijs met capaciteiten
en faciliteiten van (delen van)
het speciaal onderwijs (Weer
samen naar school) (23486);
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Wet van ..., Stb. ..., tot
wijziging van onder meer de
Interimwet op het speciaal
onderwijs en het voortgezet
speciaal onderwijs, de Wet op
het basisonderwijs en de Wet
medezeggenschap onderwijs
1992 ten behoeve van een
betere toerusting van het
basisonderwijs met capaciteiten
en faciliteiten van (delen van)
het speciaal onderwijs (Weer
samen naar school en Weer
samen naar school met uitge-
stelde regionale verwijzings-
commissies) (24028).
(Zie vergadering van 29 november
1994.)
De beraadslaging wordt hervat
(respectievelijk geopend).

<blok pagina="12-434">

 
<spreker pagina="12-434" anker="198" partij="CDA" naam="Grol-Overling">

Voorzitter! Wij zijn matig tevreden
met de novelle. Wij hadden gevraagd
om een jaar en wij hebben een
halfjaar gekregen. Niettemin, is een
deel van de doelstelling die wij
nastreefden bereikt, namelijk dat de
regionale verwijzingscommissies
meer tijd krijgen om zich in te
werken in de moeilijke materie. Er is
nu ook wat meer tijd om deze
commissies te vormen. Dat is voor
ons voldoende reden om straks de
wet te steunen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-434">

 
<spreker pagina="12-434" anker="199" partij="VVD" naam="Van Boven">
 Mijnheer
de voorzitter! Ten aanzien van het
wetsvoorstel Weer samen naar
school en de aanvulling daarop die
thans voor ons liggen, kan ik kort
zijn. Namens de leden van de fractie
van de VVD in deze Kamer heb ik
reeds in eerste termijn duidelijk
gemaakt dat wij niet erg gechar-
meerd zijn van de instelling van de
onzes inziens tot meer bureaucratie
leidende regionale verwijzings-
commissies.
Maar deze als politiek feit
accepterende, hebben wij samen met
andere fracties bepleit deze
commissies dan ook een langere
inwerkperiode te geven, opdat de
belangen van de betrokken leerlin-
gen, hun ouders en de betrokken
scholen beter kunnen worden veilig
gesteld. Dat past ook bij de
verstandige uitspraak van de
bewindslieden die ik tot mijn
vreugde in de memorie van
toelichting op de begroting voor
1995 heb aangetroffen. Die ver-
woordt hetgeen ik de afgelopen 15
jaar herhaaldelijk in dit huis heb bepleit. Ik citeer: ’’Onderwijs-
vernieuwingen kosten veel tijd en
verlopen niet volgens een vastge-
stelde blauwdruk. Scholen zullen de
ruimte en de tijd moeten krijgen om
hieraan gestalte te geven.’’
Dat zijn – eindelijk – wijze
woorden. Dat de staatssecretaris
dienovereenkomstig heeft gehandeld
en de moed heeft gehad de Tweede
Kamer een daartoe strekkende
novelle voor te leggen, verheugt ons.
Zij moet dat ook niet zien als een
politieke nederlaag, maar als een
voorbeeld van het feit dat wetgeving
een zaak is van regering en
Staten-Generaal samen. Dat betekent
dus be`ide Kamers, al ligt het primaat
bij de Kamer aan de overzijde van
het Binnenhof.
In dit verband, voorzitter, moet mij
nog een opmerking van het hart. Het
is de laatste jaren steeds meer de
gewoonte geworden dat de
bewindslieden met het onderwijsveld
afspraken maken – convenanten,
overeenkomsten of hoe zij die ook
mogen noemen – over kwesties die
nog in de Staten-Generaal aanhangig
zijn of alsnog aanhangig gemaakt
moeten worden. Dat leidt tot
frustraties, hetzij bij de Kamers die
zich buitenspel gezet voelen, hetzij
bij het onderwijsveld als de
Staten-Generaal deze afspraken niet
accepteren en de bewindslieden
daarin zonder protest berusten. Dat
bederft de verhoudingen tussen
bewindslieden en het onderwijsveld,
terwijl deze bewindslieden juist
herhaaldelijk benadrukken dat zij die
verhoudingen willen verbeteren c.q.
herstellen.
Het uitstel dat deze Kamer ten
aanzien van de inwerkingtreding van
de RVC’s bepleit heeft, wordt thans
gehonoreerd in de novelle. Dat kan
naar wij hopen bijdragen tot het
herstel van vertrouwen in het
WSNS-beleid bijdragen. Dat was dan
ook onze bedoeling. De fractie van
de VVD zal dus aan beide voorstellen
haar stem geven.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-434">

 
<spreker pagina="12-434" anker="200" partij="GPV" naam="Veling">
 Voorzitter!
Mede namens de fracties van de
SGP en de RPF een korte bijdrage
aan de discussie over de novelle.
Zoals bij de behandeling van de
startwet duidelijk geworden is, zijn
onze fracties ongelukkig met de
gekozen wettelijke aanpak van het
WSNS-proces. Meer ruimte voor de
samenwerkende scholen, zeker de
eerstkomende jaren voorafgaand aan
de afgesproken evaluatie, zou naar
onze overtuiging meer recht doen
aan de ontwikkelingen die in het veld
gaande zijn en een terughoudender
opstelling van de wetgever zou ook
beter aansluiten bij ons stelsel van
vrijheid van onderwijs.
Hoewel wij de voorliggende
novelle positief waarderen, zal deze
ons niet brengen tot steun aan de
startwet. De novelle is echter welkom
omdat deze wat meer ruimte cree¨ert
om de regionale verwijzings-
commissies goed in te richten en op
hun taak voor te bereiden. Wij hopen
en verwachten dat de staatssecreta-
ris in open overleg met het veld tot
een goede invulling zal komen.
Misschien is het ook mogelijk deze
tijd te benutten om nog eens na te
gaan, of er een praktische oplossing
kan worden gevonden voor de
verwijzing van leerlingen binnen
onderwijsrichtingen die noodzakelij-
kerwijs vanwege hun schaal
bovenregionaal functioneren. Ik heb
daarvoor op 29 november jongstle-
den een suggestie gedaan. Doordat
ik helaas het antwoord van de
staatssecretaris niet kon afwachten,
had ik niet de mogelijkheid toen
daarop terug te komen. Daarom nu
nog even een enkele opmerking.
Binnen een richtinggebonden
bovenregionale constellatie van
reguliere basisscholen rondom een
school voor speciaal onderwijs
zouden verwijzingen moeten lopen
via verschillende regionale
verwijzingscommissies namelijk de
RVC’s van de regio’s van de
betreffende basisscholen. Steeds zal
aan die verwijzingscommissies
moeten worden uitgelegd hoe die
constellatie in elkaar zit. Zou het,
gelet op het belang dat die RVC’s
hun veld goed kennen geen
aanbeveling verdienen in dergelijke
omstandigheden de RVC van de
regio waar de school voor speciaal
onderwijs is gevestigd aan te wijzen
als de dienstdoende RVC. Daarop
heb ik graag een reactie van de
staatssecretaris.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-434">

 
<spreker pagina="12-434" anker="201" partij="PvdA" naam="Redemeijer">

Voorzitter! Hoewel de gang van
zaken bij dit wetsvoorstel op zichzelf
zou rechtvaardigen daarover in wat
meer algemene zin te spreken, zal ik
die verleiding weerstaan. Dat doen
wij wel bij de behandeling van de
onderwijsbegroting 1995.
Namens mijn fractie spreek ik onze
waardering uit voor het feit dat de
novelle er gekomen is. Ik prijs de
staatssecretaris in dit geval voor haar
wijsheid om met deze novelle te
komen, als gevolg waarvan de RVC’s
enige maanden later kunnen worden
ingevoerd. U moet dit prijzen echter
enigszins nuanceren of relativeren,
voorzitter, nadat ik de woorden van
de staatssecretaris gelezen had
uitgesproken bij de behandeling van
de novelle in de Tweede Kamer. Toen
merkte zij namelijk op, dat zij graag
bereid geweest was de data te
verschuiven. Dat hadden wij tijdens
het debat hier nıet begrepen. De
wijsheid en het feit tellen; de novelle
ligt er en daar zijn wij blij mee.
Er resteren nog enkele vragen.
Schuiven de maatregelen die
samenhangen met de start van de
RVC’s nu ook vijf maanden op? Ik
denk daarbij aan de groeiregeling die
afgebouwd zou worden c.q. minder
soepel zal zijn dan zij was om de
RVC’s te financieren. Ik neem aan dat
ook in dit geval die regeling nog vijf
maanden langer zal bestaan.
Hetzelfde geldt – de novelle voorziet
daarin – voor het laten doorgaan van
de toelatingsonderzoeken tot de
datum van inwerkingtreding van de
RVC’s. Geldt dat ook voor de
herhalingsonderzoeken, die hangen
daarmee immers nauw samen?
Voorzitter! Ik zou de staatssecreta-
ris willen vragen de tijd die nu wat
ruimer geworden is, ook te benutten
voor een vergroting van het
draagvlak voor de RVC’s. Wij kunnen
als fractie geen argumenten vinden
waarom een RVC op zichzelf niet
kan, doch wij staan tegelijkertijd
open voor suggesties die mogelijk in
deze periode nog worden aangedra-
gen voor de modaliteiten rondom de
RVC’s. Wij stemmen in met het
wetsvoorstel en de novelle.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-435">
<spreker pagina="12-435" anker="202" partij="GroenLinks" naam="Van Wijngaarden">
 Voorzitter! Ervan
uitgaande dat er met de door deze
Kamer gevraagde novelle in het veld
beter gewerkt kan worden met de
nieuwe RVC’s, danken wij de
staatssecretaris voor de snelle
realisatie hiervan. Wij geven onze
steun aan beide voorstellen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-435">

 
<spreker pagina="12-435" anker="203" soort="Staatssecretaris" naam="Netelenbos">

Voorzitter! Ik dank de leden voor hun
inbreng en met name voor de steun
die is uitgesproken voor zowel de
startwet als de novelle.
Het was de heer Redemeijer
opgevallen dat ik in de Tweede
Kamer gezegd zou hebben dat ik
graag bereid was om de datum te
verschuiven. Ik heb hier de vorige
keer gezegd dat ik beraad moest
hebben in het kabinet, maar ik heb
ook heel goed naar u geluisterd. Dat
heeft u gemerkt, want ik heb een
novelle ingediend. Dat heb ik ook
verdedigd tegenover het kabinet,
omdat ik het van groot belang vind
dat de startwet door velen wordt
gesteund. Ik ben daarom blij dat de
meeste fracties hier hun steun
hebben uitgesproken voor de
startwet en de novelle, waarvoor
mijn hartelijke dank.
Ik vind het jammer dat de heer
Veling geen steun kan verlenen aan
de startwet Weer samen naar school.
Ik begrijp dat, maar ik vind het op
zichzelf jammer. Ik wil wel antwoor-
den op de vragen die hij heeft
gesteld.
Eigenlijk zegt hij dat scholen soms
in verschillende regio’s samenwer-
king zoeken met een school voor
speciaal onderwijs. Dat betekent dat
die scholen met vele RVC’s te maken
krijgen. Dat is nogal ingewikkeld,
want het betekent dat die scholen uit
een samenwerkingsverband
voortdurend met andere RVC’s in de
slag moeten. Dat zou wel eens
kunnen leiden tot onevenwichtig of
op zijn minst complex beleid. Hij
vraagt of het niet zo geregeld kan
worden dat een RVC als het ware als
aangrijpingspunt voor beleid
functioneert. De scholen in een
SBD-regio gelegen hebben weliswaar
ook te maken met de RVC uit de
regio, maar dat kan niet anders; zo
staat het ook in het wetsvoorstel.
Kan dat niet praktisch worden
opgelost via een aangrijpingspunt
van de ’’hoofd-RVC’’ en kan er
vervolgens niet voor worden gezorgd
dat de regionale RVC kan functione-
ren voor de scholen die in de regio
liggen? Ik vind dit een uitwerkings-
punt. Ik heb begrip voor de vraag. Ik
denk dat wij het praktisch moeten
oplossen. Ik stel mij voor dat wij
deze vraag zullen voorleggen in het
overleg dat zal worden gevoerd met
de schoolbegeleidingsdiensten en de
WPRO. Wij zullen proberen dit zo
praktisch mogelijk op te lossen.
Vervolgens zullen wij u laten weten
wat de uitkomst daarvan is, zodat u
kunt zien of dat naar tevredenheid is
geregeld. Mevrouw Grol heeft de
vorige keer gevraagd of scholen nu
samenwerkingsverbanden kunnen
zoeken wanneer zij het vreselijk met
elkaar eens zijn. Dat betreft natuurlijk
ook deze scholen. Het antwoord
daarop was ’’ja’’. Dat betekent dat je
zo praktisch mogelijk moet willen
functioneren. Ik zal het uitwerken en
u hoort nog hoe dat is afgelopen.
Mevrouw Grol heeft gezegd dat zij
eigenlijk matig tevreden is. Zij had
een jaar gevraagd en zij heeft een
halfjaar gekregen. Ik heb heel goed
gekeken naar de voorbereidingstijd
die nodig is voor een RVC om ervoor
te zorgen dat men de onderwijsregio
goed leert kennen en dat men op zijn
taak berekend is op het moment dat
de RVC gaat draaien. Ik heb ook
begrepen dat, hoewel ik een
draaiboek had, u allen vond dat het
allemaal toch erg krap bemeten was.
Mijn indruk is dat het halfjaar dat nu
in de novelle is neergeslagen ruim
voldoende is. Als per 1 mei
aanstaande duidelijk is wie in een
RVC gaan zitten, heeft men van 1
mei tot 1 januari de tijd om zich op
de nieuwe taak voor te bereiden. Dat
kan buitengewoon verantwoord
gebeuren. Gelet op de verwijzings-
procedures in het speciaal onderwijs,
kun je zeggen dat door deze novelle
materieel sprake is van een jaar extra
tijd om de nieuwe situatie te laten
ingaan. Daarom heb ik gedaan wat ik
heb gedaan.
De heer Van Boven heeft in de
begroting 1995 kunnen lezen dat de
regering zich goed realiseert dat
onderwijsvernieuwing een proces is
van lange adem. Dat staat er
inderdaad een paar keer in. Het is
een slogan die ik buitengewoon
belangrijk vind en bij elke spreek-
beurt wel een keer noem. Wij
moeten ons goed realiseren dat
voorbereiding en wetgeving
weliswaar tijd kosten, maar dat
implementatie van wetgeving nog
veel meer tijd kost. Daarom moet je
jezelf beperkingen opleggen, ook als
regering. Dat wil ik mijzelf ook steeds
heel goed voorhouden. Met andere woorden: niet steeds met nieuwe
plannen komen, de tijd nemen voor
implementatie en er begrip voor
hebben dat de vernieuwing niet is
afgerond wanneer een wet eenmaal
in het Staatsblad staat. Dan beginnen
wij eigenlijk pas. Scholen moeten
hun beleid veranderen en dat vraagt
tijd. Daarvoor moet je heel veel jaren
uittrekken. Dat zien wij bijvoorbeeld
bij het basisonderwijs, waar het nu
speelt. Wij spreken nog steeds over
de invoering van basisonderwijs,
terwijl wij eigenlijk al vanaf 1986
bezig zijn. Dat is er echt een bewijs
van hoe dat gaat. Vandaar dat je je
dat goed moet realiseren en dat je
het heel goed moet opschrijven.
De heer Van Boven zegt dat ik de
novelle niet moet zien als een
politieke nederlaag. Dat doe ik ook
niet. Ik vind het echt iets waarmee je
pragmatisch moet omgaan. Ik zag
wel dat sommige kranten er zoiets
van wilden maken, maar ik heb mij
er absoluut niet door aangesproken
gevoeld. Ik vind het van groot belang
dat wij nu weten dat de startwet er
komt. Daardoor weten wij waar wij
aan toe zijn met het proces van het
starten met Weer samen naar school.
Vervolgens kunnen wij praten over
de AMvB en alles wat daarna nog
aan de orde moet zijn.
De heer Van Boven zegt dat, als je
nog een heel wetgevend traject door
moet, het eigenlijk nogal ingewikkeld
is om van te voren afspraken te
maken met het onderwijsveld. Het
kan wel eens anders aflopen, wat de
verhoudingen bederft. Wij hebben
hier een thema aan de orde dat
speelt bij de discussie rond de
startwet. Ik zeg er wel bij dat er nog
een andere kant is aan de medaille.
Als je bijvoorbeeld taken overdraagt
van de rijksoverheid naar de scholen
of van de rijksoverheid naar de
gemeenten en je bent van plan om
er wetgeving op te initie¨ren, dan is
het natuurlijk van groot belang om te
weten of degenen over wie je het
hebt dat wel willen. Zo spreek ik op
dit moment met de VNG over de vraag: vindt u het een goede
gedachte om bepaalde taken over te
hevelen naar de gemeenten? Ik vind
het van groot belang dat je dan met
elkaar afspreekt binnen welke kaders
je vervolgens wetgeving gaat
uitschrijven.
Wel vind ik dat de regering eraan
gehouden is om altijd een formule op te nemen in de wet: gehoord de
beraadslaging in het parlement. Je
verdedigt je standpunt, een
convenant of een afspraak die je
hebt gemaakt. Men moet zich echter
altijd heel goed realiseren dat het
parlement het laatste woord heeft in
dezen en dat er dus nog iets kan
veranderen. Ik vind dat in een
parlementaire democratie een
normale volwassen relatie. Ik ben nu
met een aantal van die onderhande- lingen bezig. Ik zeg dan ook steeds:
dit is mijn positie, ik verdedig dit,
maar het kan natuurlijk altijd anders
gaan. Ik vind dat je in zijn algemeen-
heid niet kunt zeggen dat afspraken
vooraf niet goed zijn. Wel moeten ze
onder de condities van de parlemen-
taire besluitvorming vallen. Daar
moet men van te voren rekening
mee willen houden.
De heer Redemeijer heeft
gevraagd hoe het zit met de
groeiregeling. De wijziging van de
groeiregeling is bedoeld om de
RVC’s te financieren. Voor het jaar
1995 is die financiering voluit aan de
orde. Dat betekent niet dat wij een
ander beleid gaan voeren dan eerder
is uitgeschreven, omdat dat geld
nodig is om de RVC’s te financieren.
Het feit dat 1 april 1 mei is geworden
en dat 1 augustus 1 januari is
geworden, doet daar niets aan af.
Men moet zich orie¨nteren en
degenen die in zo’n RVC gaan zitten
hebben een budget nodig om te
beginnen met de activiteiten.
Volgens mij ligt het voor de hand dat
het beleid op dat onderdeel niet
wordt gewijzigd.
Wat de commissies van onderzoek
betreft, is het ook niet de bedoeling
om het herhalingsonderzoek uit te
stellen tot 1 januari 1996. De rol van
de commissies van onderzoek zoals
neergeschreven in het wetsvoorstel
blijft precies dezelfde. Dat er nu
sprake is van een novelle betekent
niet dat het beleid op dit onderdeel
wordt gewijzigd.
Voorzitter! Ik ben blij dat wij deze
novelle nog voor kerst behandelen,
want daarmee bewijzen wij de
scholen een grote dienst.
De beraadslaging wordt gesloten.
Beide wetsvoorstellen worden
zonder stemming aangenomen. 

</spreker>
<spreker pagina="12-436" anker="204" naam="De voorzitter">
 De aanwezige leden
van de fracties van de SGP, het GPV
en de RPF wordt conform artikel 121
van het Reglement van orde
aantekening verleend, dat zij geacht
willen worden zich niet met
wetsvoorstel 23486 te hebben
kunnen verenigen.
De vergadering wordt van 13.05 uur
tot 14.00 uur geschorst.</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="12-436">

Aan de orde is de stemming in
verband met het wetsvoorstel
Nadere wijziging van de
Algemene Kinderbijslagwet, de
Ziekenfondswet en de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten
(23957).
(Zie vergadering van 20 december
1994.) 
<spreker pagina="12-436" anker="205" naam="De voorzitter">
 Ik geef gelegenheid
tot het afleggen van stemverklarin-
gen vooraf.</spreker>
<blok pagina="12-436">
<spreker pagina="12-436" anker="206" partij="GroenLinks" naam="Van Wijngaarden">
 Voorzitter! De
woordvoerster van GroenLinks op
het gebied van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, mevrouw Bolding,
is vanwege het krijgen van haar
eerste kind niet in staat, dit
wetsvoorstel te behandelen. Zij valt
buiten de groep, die met de
inkomensterugval die met deze wet
geregeld wordt, wordt geconfron-
teerd.
De argumenten, door de staatsse-
cretaris tijdens de verdediging van
dit voorstel opgevoerd, hebben mijn
fractie niet overtuigd. Het is en blijft
een slim voorstel, dat haast
ongemerkt de kloof vergroot, niet
alleen tussen rijk en arm, maar nu
ook met hen die meer kinderen
hebben dan het reclamegezin.
Hoewel wij het eens zijn met de
stelling dat de verantwoordelijkheid
voor kinderen bij ouders en
verzorgers ligt, wil ik onderscheid
maken tussen materie¨le en immate-
rie¨le verantwoordelijkheid. Voor het
eerste liggen de mogelijkheden
namelijk soms buiten de invloed van
ouders/verzorgers.
Vrouwen laten hun positie op de
arbeidsmarkt beslist niet door
maatregelen in de kinderbijslagsfeer
bepalen. Daarvoor zijn een grote
reeks voorstellen, met name in de
Kamer, in de sfeer van arbeidsvoor-
waarden en arbeidsomstandigheden
van essentie¨ler belang. Paul
Rosenmo¨ller heeft aan de overzijde
per motie om een onderzoek naar de
mogelijkheid van een inkomensaf-
hankelijk kinderbijslagsysteem
gevraagd. Zowel door PvdA-
woordvoerder Van de Zandschulp als
D66-woordvoerder mevrouw
Gelderblom zijn voorstellen gedaan,
eens naar brutering en franchise te
kijken. Het is jammer dat deze
partijen ondanks de geuite stevige
kritiek, plus de aangedragen
zoekrichting, niet tot de conclusie
komen dat het voorliggende
wetsvoorstel afgewezen dient te
worden. 

</spreker>
<spreker pagina="12-436" anker="207" naam="De voorzitter">
 Mag ik u vragen tot
uw stemverklaring te komen? De
andere partijen hebben namelijk
geen gelegenheid om hierop te
beantwoorden.</spreker>
<spreker pagina="12-436" anker="208" partij="GroenLinks" naam="Van Wijngaarden">
 Wij vinden het voorstel
ondoordacht haastwerk, en wij zullen</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


