<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2036]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Voortzetting van de behandeling van de wetsvoorstellen Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van de Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 1995 (23900-IXA); Wijziging van hoofdstuk IXA (Nationale Schuld) van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten voor het jaar 1993 (Slotwet; rekening) (23842); Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het ministerie van Financiën (IXB) voor het jaar 1995 (23900-IXB)</item>
<item attribuut="Bestand"> 117 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Rijksbegrotingen (Nationale Schuld)
Rijksbegrotingen (Financiën)</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Rijksbegroting Nationale Schuld
Rijksbegroting Financiën</item>
<item attribuut="Dossiernr">23900 IXB, 23900 IXA, 23842, 23843, 23844, 23023, 23046, 23940, 23941, 23942, 23943, 23952, 23962</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 9, Eerste Kamer, pag. 438-461</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">21-12-1994</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2036</item>
<item attribuut="Omvang">24 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Eerste Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Financie¨n</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Grijs kenteken</item>
<item attribuut="doccode">EK 12</item>
<item attribuut="voorzitter">Heijne Makkreel</item>
<item attribuut="voorzitter">Tjeenk Willink</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="12-438">

Aan de orde is de voortzetting van
de behandeling van de wetsvoorstel- len:
- Vaststelling van de begroting
van de uitgaven en de ontvang-
sten van de Nationale Schuld
(IXA) voor het jaar 1995
(23900-IXA);
- Wijziging van hoofdstuk IXA
(Nationale Schuld) van de
begroting van de uitgaven en de
ontvangsten voor het jaar 1993
(Slotwet; rekening) (23842);
- Vaststelling van de begroting
van de uitgaven en de ontvang-
sten van het ministerie van
Financie
¨ n (IXB) voor het jaar
1995 (23900-IXB);
- Wijziging van hoofdstuk IXB
(Ministerie van Financie
¨ n) van de
begroting van de uitgaven en de
ontvangsten voor het jaar 1993
(Slotwet; rekening) (23843);
- Wijziging van de begroting
van de lasten en de baten en van
de kapitaaluitgaven en
-ontvangsten van het Staats-
muntbedrijf voor het jaar 1993
(Slotwet; rekening) (23844);
- Wijziging van de inkomsten-
belasting (kapitaalverzekeringen
en periodieke uitkeringen)
(23023);
- Wijziging van de Wet op de
loonbelasting 1964, de Wet op
de vermogensbelasting 1964, de
Successiewet 1956, de Wet op
de inkomstenbelasting 1964, de
Wet op de vennootschaps-
belasting 1969, de Invorderings-
wet 1990 en de Coo
¨ rdinatiewet
Sociale Verzekering naar
aanleiding van de herziening van
het fiscale regime voor
onderhoudsvoorzieningen en
bepaalde spaarvormen in de
inkomstenbelasting (Aanpassing
van de Wet op de loonbelasting
1964 en andere wetten aan
Brede Herwaardering) (23046);
- Wijziging van de vermogens-
belasting (wijziging
ondernemingsvrijstelling)
(23940);
- Wijziging van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964, de
Wet op de loonbelasting 1964 en
de Algemene Ouderdomswet in
het kader van de invoering van
een ouderenaftrek (23941);
- Wijziging van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964, de
Wet op de loonbelasting 1964 en
de Wet van 24 december 1993,
Stb. 733, in het kader van het
belastingplan 1995 (23942);
- Wijziging van de Wet op de
loonbelasting 1964 en van een
aantal andere wetten houdende
aanpassing van het regime voor
werknemersspaarregelingen
(23943);
- Wijziging van de Wet op de
omzetbelasting 1968 in verband
met de invoering van een
bijzondere regeling voor
gebruikte goederen, kunstvoor-
werpen, voorwerpen voor
verzamelingen en antiquiteiten
(23952);
- Wijziging van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 en de
Wet op de vennootschaps-
belasting 1969 (onbeperkte
voorwaartse verrekening van
ondernemingsverliezen en
vaststelling van verliezen bij
beschikking) (23962).
(Zie vergadering van 20 december
1994.)
De beraadslaging wordt hervat.<blok pagina="12-438">

 
<spreker pagina="12-438" anker="372" soort="Minister" naam="Zalm">
 Voorzitter! Toen ik
gisteren de betogen in eerste termijn
hoorde, was ik even bang dat er voor
mij weinig vragen te beantwoorden
zouden zijn. Gelukkig hebben enkele
leden de gelegenheid aangegrepen
nog iets te zeggen over de algemene
financie¨le beschouwingen. Ik ga dan
ook graag op de gemaakte opmerkin-
gen in.
De heer Schinck vroeg zich af of in
plaats van een ouderenaftrek het
verhogen van de AOW niet
eenvoudiger zou zijn. Om een aantal
redenen geeft de regering de
voorkeur aan de ouderenaftrek. De
eerste reden is de systematiek van
de WKA, waarin wettelijk is
vastgelegd welke uitkeringen volgens
deze systematiek worden aangepast.
Deze systematiek is gewoon gevolgd.
De tweede reden is, zoals de heer
Schinck zelf opmerkt, dat er sprake is
van een zekere toespitsing bij de
ouderenaftrek op ouderen met een
wat lager inkomen in de eerste schijf.
Om deze twee redenen hebben wij
voor de ouderenaftrek gekozen.
De heren Schinck en Schuyer
hebben gesproken over het
spaarloon en de indirecte effecten
die zich daarbij voordoen, waardoor
alles bij elkaar opgeteld de budget-
taire schade geringer zou zijn. Er zijn
natuurlijk veel maatregelen die
allemaal effecten veroorzaken. Een
van de effecten van loonmatiging is
derving van loonbelasting. Wij
moeten dus niet alleen onze
zegeningen tellen. In ons voorstel
hebben wij rekening gehouden met
een indirect effect. Dat is al een
beetje zondig, omdat wij normaal
gesproken bij autonome maatregelen
louter en alleen het effect van de
eerste orde meetellen. Ik doel nu op
een effect van de tweede orde in de
vennootschapsbelasting, die direct
met het spaarloon samenhangt. De
overhevelingstoeslag leidt, los van
het effect op de loonvorming, tot
extra vennootschapsbelasting. Wij
hebben daarmee rekening gehouden.
Voor het overige zijn wij toch wat
voorzichtig.
Wij weten dat bepaalde maatrege-
len een gunstig effect op de
economische ontwikkeling hebben.
Dat aspect verwaarlozen wij niet. Bij
de budgettaire verantwoording en
afwikkeling staan wij huiverig
tegenover het meetellen van allerlei
indirecte effecten, al was het maar
omdat je zonder Centraal planbureau
nooit meer een budgettaire
opstelling zou kunnen maken. Ik voel
veel liefde voor het Centraal
planbureau, maar het is ook weleens
prettig als je zonder dat bureau kunt.
Voorzitter! De heer De Boer heeft
een vraag gesteld over de dekkings-
problematiek bij het onderwijs. Ik
heb daarover zoe¨ven aan de
overzijde iets mogen zeggen. De
conclusie was dat er geen dekkings-
problematiek is. Daarmee heeft de
opstelling het goedkeuringsstempel
van de minister van Financie¨n
kunnen krijgen.
Ik ben de heer De Boer erkentelijk
voor de drie complimenten die hij
heeft uitgedeeld. Hij zei daarvan zelf
dat dit niet erg gebruikelijk is. Die
complimenten betroffen de
budgetdiscipline, het realiseren van
onderuitputting en de heldere
memorie van toelichting. Voor die
eerste twee punten gaat het krediet
ook naar het vorige kabinet en naar
mijn ambtsvoorganger op deze post.
Voor de heldere taal in de memorie
van toelichting is de staatssecretaris
verantwoordelijk.
De heer De Boer heeft de
invoering van de kapitaaldienst
aangekaart. Aan de overzijde is
daarover ook gesproken. Ik heb de
schriftelijke vragen van de heer
Rabbae van dezelfde partij op dat
punt mogen beantwoorden. Er zijn
enkele kanttekeningen te maken bij
de benadering die Arthur Anderson
kiest. Er zijn keuzen gemaakt die ook
anders hadden kunnen zijn. Ik ben
overigens wel gelukkig met de zorg
die uit het betoog van de heer De
Boer spreekt over het netto-
vermogen van de Staat en dus
impliciet met zijn zorg over de
staatsschuld en het financierings-
tekort. Dat is een verfrissend geluid.
De zorg die de minister van
Financie¨n traditioneel heeft, wordt
dus gedeeld door de fractie van
GroenLinks.
De bedrijfseconomische benade-
ring staat ook bij het kabinet voorop.
Er zijn enkele manieren waarop wij
daaraan trachten vorm te geven. De
lease-brief is al genoemd. Wij
proberen ook bij de financiering van
de infrastructuur de bedrijfseconomi-
sche benadering voorop te stellen.
Wij zijn nog niet toe aan een baten-
en lastenstelsel. Wij doen daar
onderzoek naar. Wij kijken naar de
ervaringen, met name in Nieuw-
Zeeland waar men een dergelijk
systeem heeft. Wij hebben ook
contact met onze Engelse collega’s
die overwegen een dergelijk systeem
in te voeren. Een dergelijke
stelselherziening van de comptabili-
teit zal op zijn vroegst aan het einde
van de kabinetsperiode meer
contouren krijgen. Voorlopig is mijn
eerste prioriteit, ervoor te zorgen dat
de afspraken die over het uitgaven-
plafond en de ombuigingen zijn
gemaakt, worden gerealiseerd.
De heer De Boer heeft een
kritische kanttekening gemaakt bij
het begrip collectieve-lastendruk. Dat
begrip komt in de Miljoenennota
eigenlijk niet meer voor, behalve op
een plek waar wordt uitgelegd, dat
dit een ongelukkig begrip is. Daarin
kunnen wij elkaar dus vinden.
Vanwege de aspecten die de heer De
Boer noemde, heeft het kabinet voor
deze benadering gekozen. Je kunt
namelijk weleens contraire effecten
krijgen vanwege de macro-
economische verwevenheid. Het
kabinet heeft ervoor gekozen, de
micro-lastendruk en mutaties in
tarieven en grondslagwijziging
voorop te stellen en het begrip
collectieve-lastendruk en het
macro-economische begrip niet meer
centraal te stellen in het beleid.
Bij de kwestie van de vergrijzing,
de kwestie van de AOW en de
herijking van de sociale zekerheid die
voorzien is voor 1996 gaat het om de vraag: hoe gaan wij met de sociale
zekerheid om op lange termijn. Dat is
het moment om de oudedags-
voorziening meer in haar algemeen-
heid te doordenken en de wijze
waarop wij de vergrijzing tegemoet
kunnen treden.
Ten aanzien van de VUT toont de
heer De Boer zich wat conservatief.
Veranderingen dienen volgens hem
ten minste zes a` zeven jaar van te
voren te worden aangekondigd. Het
kabinet kijkt daar wat anders
tegenaan. In ieder geval hebben wij
het voornemen, de VUT-regeling
voor ambtenaren in deze periode af
te schaffen. Wellicht komen dan ook
in overleg met de vakbonden
vormen van flexibele pensionering
aan de orde.
Het bankgeheim en de Europese
Unie zijn ook aangekaart. Er is geen
richtlijn in de maak voor het
bankgeheim. Er is wel een relatie
met voornemens die de Europese
Commissie heeft voor bronbelasting.
De Nederlandse positie is dat wij
daar niet zo op gesteld zijn. Wij zijn
van mening dat een onderlinge
uitwisseling van gegevens beter is. Ik
denk daarbij aan rente die in andere
landen wordt genoten. Die uitwisse-
ling van gegevens staat in onze
positiebepaling in Brussel meer
centraal. Andere landen hebben
daarover een andere mening. Landen
als Oostenrijk en Luxemburg voelen
niets voor een dergelijke regeling. Dit
dossier maakt niet veel voortgang.
Er is voorts gesproken over het
basisinkomen en de negatieve
inkomstenbelasting. 

</spreker>
<spreker pagina="12-439" anker="373" partij="SGP" naam="Barendregt">

Voorzitter! De minister verbindt het
bankgeheim met de bronbelasting.
Hij zegt daarvoor niet erg geporteerd
te zijn. Bedoelt hij daarmee nu de
bronbelasting of het bankgeheim? 

</spreker>
<spreker pagina="12-439" anker="374" soort="Minister" naam="Zalm">
 Wij zijn niet zo
geporteerd voor de bronbelasting.
Wij zien meer in het onderling
uitwisselen van gegevens. Wij
hebben bijvoorbeeld de Nederlands
renseignering. Wij hebben de zaak
redelijk goed op orde. Ik herhaal
daarom dat wij meer zien in
gegevensuitwisseling tussen landen
dan in een invoering van een
bronbelasting. Zoals ik al gezegd
heb, zijn de belangentegenstellingen
binnen Europa zo groot dat op dit
vlak naar mijn mening weinig
voortgang zal worden geboekt.
De heer De Boer vroeg of ik wat
pro’s en contra’s kan noemen van
het invoeren van een basisinkomen.
Ik wil dat graag doen. De vraag die
hij stelde over invoeringsstrategie,
hoe hoog dat inkomen moet zijn en
wat er gebeurt met de aanvullende
bijstand kan ik niet beantwoorden,
omdat er geen voornemen is om een
basisinkomen in te voeren.
Het invoeren van een basisinko-
men heeft een aantal voordelen. Een
belangrijk voordeel is wat wij
noemen de armoedeval. Als je nu
bijstandsgerechtigd bent en een
aantal uren gaat werken, wordt het
daarmee verdiende geld, zeker als
het werk langdurig is, volledig gekort
op de uitkering. Dat betekent dat
weinig inkomen valt te behalen als je
uit een uitkeringssituatie weer op de
arbeidsmarkt probeert te komen. Dit
geldt in het bijzonder voor laag
gekwalificeerden, omdat de
verdiencapaciteit van hen vaak niet
veel hoger ligt dan de uitkering die
zij hebben. Dit werkt dus erg
ontmoedigend.
Bij een basisinkomen ligt het
anders. Dan krijgt men een bedrag al
dan niet via de belastingdienst
uitgekeerd en als men daarna gaat
verdienen, gaat men er vanaf de
eerste gulden op vooruit, zij het dat
het gewone belastingtarief wordt
geheven. Dus ook een kleine baan is
dan al lonend. Dat is een voordeel
van een basisinkomen.
Een tweede voordeel is dat het
volstrekt geı¨ndividualiseerd kan zijn.
Dat ligt ook in de rede. Het betekent
dat geen controle meer nodig is op
leefvormen en samenlevingsvormen.
Een derde voordeel is dat het kan
leiden tot een aanzienlijke reductie
van de loonkosten aan de onderkant,
omdat gestart wordt met een
basisinkomen. Om tot een redelijk
inkomen te geraken, is minder bruto
loon nodig.
Een volgend voordeel is in mijn
ogen, maar misschien niet in de
ogen van de heer De Boer en zeker
niet in de ogen van de mensen van
de sociale diensten, dat de
uitvoeringsorganisatie kan worden
opgeheven. GAK’s, GMD’s en GSD’s
vervullen dan geen rol meer.
Er zijn natuurlijk ook bezwaren aan
verbonden. Ik denk aan het bezwaar
dat je een basisinkomen aan iedere
Nederlander in een bepaalde
leeftijdscategorie uitkeert en
daarmee ook groepen bereikt
waarvoor het uit een oogpunt van
behoefte niet direct nodig is. Het
betekent daarmee dat het duur is.
Dat houdt in dat het moet gaan om
een zeer sober basisinkomen dan
wel dat stijgende marginale tarieven
moeten worden geheven, hetgeen
ook bezwaren heeft.
Ook een bezwaar is dat het de
emancipatie niet zal bevorderen. Op
het eerste gezicht lijkt het emancipa- toir: je geeft iedereen ongeacht zijn
status een basisinkomen. Dat leidt er
echter toe dat de participatie van
vrouwen, vooral vrouwen met een
partner, waarschijnlijk negatief
beı¨nvloed wordt, omdat de noodzaak
om de arbeidsmarkt te betreden
vanuit het gezinsinkomen geringer
wordt. Als het marginale tarief op
werken omhoog gaat, is er sprake
van een extra ontmoediging.
Er zitten buitengewoon veel
aspecten aan dit vraagstuk, ook
internationale. Wat betekent dit
bijvoorbeeld voor de internationale
arbeidsmigratie? Er zitten ook allerlei
uitvoeringsaspecten aan. Het CPB
heeft een studietje gemaakt
betreffende de effecten. Daaruit is
een heel overzichtelijk boekje
voortgekomen. Daarin komen de
effecten tot uitdrukking die het
gevolg zijn van het invoeren van een
basisinkomen van ƒ 900 per maand.
Die effecten laten een aanzienlijke
toename zien van de werkgelegen-
heid voor laag gekwalificeerden en
een aanzienlijke reductie van de
werkloosheid. Ook laten zij zien dat
er sprake zal zijn van minder totale
werkgelegenheid in arbeidsjaren,
omdat mensen die nu al werken
minder gaan werken, ofschoon men
dit ook als een voordeel kan zien. Ik
denk dat het laatste zeker voor de
heer De Boer geldt. Er zal ook sprake
zijn van minder produktie.
Uit een oogpunt van economische
aspecten heeft het dus plussen en
minnen. 

</spreker>
<spreker pagina="12-440" anker="375" partij="PvdA" naam="Schinck">
 Is ook niet
een vereiste dat het basisinkomen
zodanig laag moet zijn dat een
prikkel overblijft om je nog te
melden op de arbeidsmarkt? Het
probleem is dat voor degenen die
dat niet met succes doen het
perspectief van armoede weer een
rol gaat spelen. 

</spreker>
<spreker pagina="12-440" anker="376" soort="Minister" naam="Zalm">
 Voorzitter! Er zijn
mensen die geen mogelijkheid
hebben om inkomen te verwerven,
bijvoorbeeld gehandicapten. Als zij
een partner hebben, is de zaak al
minder dramatisch, want met twee
basisinkomens die 50% van het
minimumloon bedragen, komt men
aan het sociaal minimum. Je kan ook
denken aan een regeling voor
vroeggehandicapten. Ik begin echter
al te fantaseren, alsof wij er
binnenkort mee gaan beginnen.
Verder kan iedereen zichzelf
natuurlijk bijverzekeren voor
calamiteiten. 

</spreker>
<spreker pagina="12-440" anker="377" partij="PvdA" naam="Schinck">
 Ik doel met
name op het adagium dat werken
niet alleen een lust maar ook een last
is. Iedereen moet meehelpen de
maatschappij draaiend te houden.
Een basisinkomen moet voldoende
laag zijn om daartoe te prikkelen. 

</spreker>
<spreker pagina="12-440" anker="378" soort="Minister" naam="Zalm">
 Daarmee ben ik het
eens. 

</spreker>
<spreker pagina="12-440" anker="379" partij="PvdA" naam="Schinck">
 Maar
daarmee is het armoedeprobleem
niet opgelost. 

</spreker>
<spreker pagina="12-440" anker="380" soort="Minister" naam="Zalm">
 Dat geldt voor een
selecte groep. Iedereen is in staat
een paar uur tomaten te plukken of
een krantenwijk te nemen. Alleen
loont dit nu niet voor een werkloze,
omdat het daarmee verdiende geld
van zijn uitkering afgaat. Dus doet hij
dat niet. De mogelijkheid om iets bij
te verdienen is denk ik voor velen
weggelegd. Op dit moment is de eis
voor toetreding tot de arbeidsmarkt
alleen bijzonder hoog. Je moet ten
minste ƒ 35.000 voor de baas
meebrengen aan produktie wil hij je
aannemen. En dan loont het nog
niet, omdat je dan alleen je sociale
minimum hebt gerealiseerd dat je
toch al had via de bijstand. Er blijven
echter groepen over. Ik denk aan
alleenstaanden die geen enkele
verdiencapaciteit hebben. Er is bij
alle partijen belangstelling voor dit
onderwerp. Ik denk dat er geen
enkele grote partij is waarin hierover
niet gediscussieerd wordt. Dat is ook
het charmante. Het dilemma ligt bij
de hoogte van het basisinkomen. Of
het wordt te hoog en onbetaalbaar of
het wordt te laag en dan zijn de
sociale nadelen dominant. Wij zijn er
dus niet zo snel uit. Wellicht dat wij
dit in de lange-termijnvisie van het
kabinet naast andere mogelijkheden
op een rij zetten.
Voorzitter! De heer Schuyer heeft
gewezen op de economische
zegeningen van het spaarloon.
Daarop ben ik al ingegaan. Hij heeft gevraagd: kan de
regering een overzicht verschaffen
van de maatregelen die zijn
genomen voor zwakke groepen? Dat
is niet eenvoudig. Je zou kunnen zeggen: wij hebben de hele sociale
zekerheid in het leven geroepen voor
zwakke groepen. Het is maar net
welk ijkmoment je neemt. Als
gedoeld wordt op alle regelingen die
ten behoeve van zwakke groepen zijn
genomen, kunnen wij de hele
rijksbegroting en de sociale-
verzekeringsbijbel sturen. Dat zal niet
de bedoeling zijn. Wellicht is de
bedoeling welke maatregelen sinds
het aantreden van dit kabinet nog
additioneel ten opzichte van de
stelsel dat wij al hadden zijn
genomen om zwakke groepen
tegemoet te komen. 

</spreker>
<spreker pagina="12-440" anker="381" partij="D66" naam="Schuyer">
 Dat ook en
tevens fiscaal georie¨nteerd, dus niet
zozeer in de subsidiesfeer van de
premies, maar in de fiscale sfeer. 

</spreker>
<spreker pagina="12-440" anker="382" soort="Minister" naam="Zalm">
 Op fiscaal terrein ligt
het hele plan voor 1995 van dit
kabinet op tafel. Dat betreft vooral de
ouderenaftrek en de verlaging van
het tarief van de eerste schijf,
hetgeen relatief gunstig is voor lage
inkomens in vergelijking met andere
maatregelen. Dat zijn de twee meest
in het oog springende voorbeelden.
Wellicht dat de staatssecretaris nog
andere zwakke groepen in zijn
belastingplan heeft ontdekt. Als dat
zo is, zal hij dit ongetwijfeld kenbaar
maken. 

</spreker>
<spreker pagina="12-440" anker="383" partij="D66" naam="Schuyer">
 Ik had een
wat andere bedoeling. Ik heb het ook
gekoppeld aan de wet-Van Otterloo.
Waarom het mij gaat, is dat er
inmiddels drie partijen in de Tweede
Kamer zijn die zich met het
ouderenbeleid bezighouden. Dat is
een wat Poujadistisch verschijnsel in
mijn visie. Het komt omdat er allerlei
elementen in zitten van achterstand.
Ik heb een beetje de indruk dat de
partijen daarvan wat geschrokken
zijn en nu die groep overbelichten,
terwijl geheel andere groepen
daarmee niet in aanraking komen.
Het gaat mij vooral om de verdeling.</spreker>
<spreker pagina="12-441" anker="384" soort="Minister" naam="Zalm">
 Voorzitter! Er is
inderdaad meer dan het fiscale
beleid alleen. Ook het premiebeleid
speelt hierbij een belangrijke rol,
naast de ziekenfondsfranchise die
relatief gunstig uitwerkt voor lagere
inkomensgroepen. Mijns inziens
vormen de voornemens voor het jaar
1995 enigszins een kunststukje.
Hoewel er sprake is van een
algemene bevriezing van de
uitkeringen, zien wij toch dat er, in
termen van koopkracht van de
uitkeringsgerechtigden, relatief goed
wordt gescoord. Dat komt vooral
door het aanvullende beleid dat
zowel in de sfeer van de premies als
in de fiscale sfeer wordt gevoerd. Het
zal niet eenvoudig zijn om dat
kunststukje te herhalen maar de
noodzaak daartoe zal ook wat minder
groot zijn omdat voor de komende
jaren een halve koppeling op de rol
staat in plaats van een bevriezing.
De heer Schuyer vraagt aandacht
voor de belastingmeevallers, tussen
1,7 en 3 mld. voor 1994. Terecht stelt
hij dat het weinig zin heeft, allerlei
discussies te voeren over de
besteding daarvan als je nog niet
weet in hoeverre dergelijke
meevallers blijvend zijn. Niettemin
noemt hij drie mogelijke aanwendin-
gen; met twee daarvan kan ik het
eens zijn en met een niet. De eerste
twee zijn geheel in lijn met het
regeerakkoord en met het betoog
van de D66-woordvoerder aan de
overzijde. Ik doel hierbij op de keuze
tussen verlaging van de lastendruk
en het financieringstekort. Zijn derde
keuze heeft betrekking op het
temporiseren en terugdraaien van
bezuinigingen. Die zaken komen niet
in het plan voor. De bezuiniging-
staakstellingen die bewindslieden op
zich hebben genomen, zullen ook
moeten worden gerealiseerd. 

</spreker>
<spreker pagina="12-441" anker="385" partij="PvdA" naam="Schinck">
 Welk
gedeelte van de meevallers is
veroorzaakt door meevallende
vennootschapsbelastingop-
brengsten? Dit aspect is in een
andere discussie aan de orde
gesteld. 

</spreker>
<spreker pagina="12-441" anker="386" soort="Minister" naam="Zalm">
 Bij de meevallers,
zoals wij die met grote marges
beschrijven – de maand december is
doorslaggevend – is de
vennootschapsbelasting in belang-
rijke mate betrokken. Echter,
daarvoor geldt niet per definitie dat
het om een structurele component
gaat op basis van winstverbetering.
De belastingdienst is goed op stoom
gekomen en is sneller en nauwkeuri-
ger bezig met het opleggen van
aanslagen. Daarmee is een belang-
rijke verklaring gegeven voor de
extra belastingopbrengsten. De
bijstellingen met betrekking tot het
economische beeld in 1994 geven
een extra groei aan van 0,2%. Als in
relatie daarmee 0,2% extra belasting-
opbrengst wordt verwacht, gaat het
om ongeveer 300 mln. Daaruit blijkt
dat de omvang van de meevallers
niet kan worden verklaard op grond
van de economische ontwikkelingen.
Wij moeten dit alles in februari goed
uitzoeken. Wij zullen dan nagaan op
welke aanslagjaren die vennoot-
schapsbelasting slaat enz. Vervol-
gens proberen wij te analyseren welk
gedeelte blijvend is en welk gedeelte
samenhangt met de versnelde
activiteiten van de belastingdienst.
De heer Barendregt vraagt welke
voorwaarden en eisen de minister
heeft gesteld voordat hij tot het
kabinet toetrad. Voorzitter! Ik geloof
niet in eisen; ik geloof in overtuigen.
Ik heb dan ook geen eisen ingediend
bij mijn toetreding tot het kabinet.
Het regeerakkoord lag er al en dat
was niet amendeerbaar voor
potentie¨le kandidaten. Ik zal het dus
verder moeten proberen met
overtuigingskracht. Ik dank de heer
Barendregt overigens voor het feit
dat hij mij volharding en standvastig-
heid heeft toegewenst.
Voorts is gevraagd naar de
voordelen van de uitgavennorm ten
opzichte van het klassieke
begrotingsbeleid, zoals het in de
afgelopen 15 jaar is gevoerd.
Voorzitter! Een voordeel is dat deze
norm meer stabiliteit en zekerheid
biedt, ook bij de begrotings-
voorbereiding. In het verleden was
het zo dat bij belastingmeevallers de
uitgaven stegen; waren er tegenval-
lende ontwikkelingen dan gingen de
uitgaven weer omlaag als gevolg van
bezuinigingen. Voor de discipline en
de helderheid is de uitgavennorm
plezierig. Bij dit systeem bestaat er
een goed zicht op de oorzaken van
zowel de tekorten als de lastendruk.
Men kan niet e`n het tekort verkleinen
e`n de lastendruk verminderen zonder
dat er met de uitgaven iets wordt
gedaan. Dat is per definitie de driehoek: tekort plus lasten maakt
het uitgavenniveau. Het beste is, de
oorzaken van tekort en lastendruk
aan te pakken en die te normeren.
Welke positieve resultaten hiervan
precies kunnen worden verwacht,
durf ik nu niet te zeggen. Wij zullen
het moeten afwachten. Ik ga mijn
best doen om hieraan de hand te
houden en om mijn collega’s ervan
te overtuigen dat het verstandig is
om hieraan met z’n allen de hand te
houden.
Er zijn ook vragen gesteld over de
president van DNB en de Ecofin. De
president zou hebben gezegd dat de
doelstellingen niet ambitieus genoeg
zijn waar het gaat om tekorten en
staatsschuld. Voorzitter, daarop
behoort een president van DNB,
normaal gesproken, altijd te wijzen.
Het zal niet snel voorkomen dat de
president van DNB zegt dat de
regering te ambitieus is met
betrekking tot deze doelstellingen.
Overigens ligt deze zaak in het
regeerakkoord vast. Wat de
staatsschuld betreft hebben wij te
maken met de paradox van de
behoedzaamheid. Omdat wij voor de
economische groei behoedzame
uitgangspunten hanteren, wil dat
cijfer betreffende de staatsschuld niet
mooi worden. Als men over de
economische groei optimistischer
uitgangspunten neemt, ontstaat er al
snel een veel fraaier patroon voor de
staatsschuld. Een en ander is
neergelegd in het convergentie-
programma dat aan de EU is
voorgelegd. Nog afgezien van de
wijze waarop de belastingmeevallers
zullen worden aangewend, heb ik
goede hoop dat wij al met ingang
van 1995 een dalende lijn zullen zien
met betrekking tot de staatsschuld-
quote.
Voor het jaar 1995 speelt
overigens nog een bijzonder statistisch puntje mee: de kwestie
van de woningwetleningen annex de
subsidies aan woningbouw-
corporaties. De bedoeling was dat
deze zaken in een klap zouden
worden verrekend. Ik doel hier op de
uitstaande leningen en de subsidie-
verplichtingen van het Rijk. Het is
wat vervelend dat de woningbouw-
corporaties al in hoog tempo bij ons
de leningen hebben ingeleverd
terwijl die subsidies nog moeten
worden afgekocht. Dat geeft een
vertekening in de schuldontwikkeling
in de periode 1994-1995. Als er wat
dit betreft een correctie plaatsvindt,
blijkt dat men ook nu al, volgens de
huidige inzichten, op een reductie
van de schuld in 1995 uitkomt.
Wanneer kan een sluitende
begroting worden verwacht?
Voorzitter! Ik durf daarover geen
uitspraken te doen maar het zou
inderdaad mooi zijn als wij dat weer
eens hadden. Zeker in een tijd van
hoogconjunctuur zou dit realiseer-
baar moeten zijn. Echter, hierover
zijn geen afspraken gemaakt.
Wat brengt deze minister ertoe om
negatief te doen over de afdracht
aan de EU? Voorzitter! Ik meen dat
de heer Barendregt op deze vraag
zelf al het antwoord heeft gegeven.
Het kan niet zo zijn dat wij in een
periode, waarin wij nationaal met de
uitgaven neerwaarts gaan, tegen-
draads de EU-uitgaven steeds
omhoog zien gaan waardoor de
afdrachten aan de EU steeds
toenemen. Een ander aspect is dat
het mij niet direct als redelijk
voorkomt dat een land dat qua
welvaart tot de middengroep
behoort, de hoogste netto-betaler is.
Oorzaken van de toenemende
afdrachten zijn vooral gelegen in de
herziening van het landbouwbeleid.
Tot 1991 profiteerden wij daarvan
nog aanzienlijk maar door de
MacSharry-hervormingen is het
aandeel van de landbouw binnen het
totaal afgenomen. Bovendien
profiteert Nederland relatief weinig
van de MacSharry-voorstellen in
vergelijking met andere landen. Het
gaat dus vooral om de terugloop in
de landbouwontvangsten.
Tegelijkertijd zijn de structuur-
fondsen gegroeid en ook daarvoor
geldt dat Nederland slechts een klein
aandeel heeft. Dat ligt ook voor de
hand omdat die fondsen vooral voor
de wat armere lidstaten zijn bedoeld.
Het is in dit opzicht wat vervelend
voor Nederland dat het geen echt
arme regio’s heeft. Italie¨ is gemid-
deld zeer welvarend maar trekt veel
via de arme regio’s. Wij moeten de
Flevopolder als ’’arme regio’’ naar
voren schuiven en dat is toch wat
minder overtuigend dan Sicilie¨.
Wanneer verschijnt de novelle
betreffende het Fonds economische
structuurversterking? Voorzitter! Ik
meen dat het wetsontwerp tot aan
deze Kamer is gekomen. Ik hoop dat
wij de novelle in de eerste maanden
van het volgende jaar aan de Tweede
Kamer kunnen aanbieden. Er zijn
enige problemen met de interpretatie
van het regeerakkoord, moet ik
eerlijk zeggen, met name op het punt
van de ecologische hoofdstructuur.
Er zijn tal van ’’theologen’’ die zich
erover buigen hoe de passage
daarover moet worden uitgelegd. Wij
zullen ook nog moeten proberen om
er in het kabinet overeenstemming
over te bereiken. Dat is de politieke
verklaring van het oponthoud.
Het kabinet wil twee vliegen in een klap slaan: het tekort verminderen en
de lasten verlagen. Wij denken ook
dat dit mogelijk is. De vermindering
van het tekort lijkt wellicht wat
gering, maar dat komt natuurlijk ook
doordat de begroting voor 1994 wat
vertekend is, zoals uit de Miljoenen-
nota blijkt. Als je het geheel voor de
incidentele dekking corrigeert, dan
blijkt er een tekort in het startjaar
van 4,3% van het BBP in 1994. Dat
zou ten minste teruggebracht
worden tot 2,9% en bij wat betere
economische vooruitzichten ten
minste tot 2,7%. En het kan nog
lager worden als verdere meevallers
gedeeltelijk of geheel aan de
vermindering van het tekort ten
goede komen. Er is dus op dit gebied
sprake van een behoorlijke inspan-
ning en wat de lastenverlichting
betreft geldt de taakstelling van 9
mld.
De heer Barendregt vraagt zich af
of de maatregelen gelet op de
begroting voor 1995 niet te veel in
de sfeer van de lastenverlichting
gezocht zijn. Hij noemt daarbij een
bedrag van 5 mld. Het is inderdaad
wel fors, maar dit vormt natuurlijk
ook een zeer goede ondersteuning
voor het economisch herstel en voor
de loonkostenmatiging, die goed op
gang is gekomen. Je kunt ook niet
zeggen dat het tekort niet geredu-
ceerd wordt, want dat is wel degelijk
zo. En in vergelijking met de
taakstellingen uit het regeerakkoord
was het financieringstekort in de
Miljoenennota voor 1995 alweer 2
mld. lager, dus ook op dat vlak
hebben wij een stapje vooruit
kunnen zetten.
Op zichzelf is privatisering zonder
kostenbeheersing en zonder
verantwoordingsplicht mogelijk,
maar dan moet het echte privatise- ring zijn: een bedrijf dat echt in de
markt staat. Het kabinet ziet niets in –
het heeft dit onlangs nog in een brief
aan de Tweede Kamer bevestigd – pseudo-privatisering: privatisering in
de vorm van het cree¨ren van een
bedrijf met een monopolie, dat
vervolgens tarieven kan bepalen,
salarissen kan verhogen en kosten
kan ontwikkelen. Als een bedrijf niet
echt in de markt wordt geplaatst, dan
kun je het beter een overheidsdienst
noemen. Dan moet je ver-
zelfstandigen binnen de overheid,
zodat de politieke verantwoordelijk-
heid volledig intact blijft. Je kunt dan
beter de agentschapsformule
gebruiken dan de privatiseringsvorm.
De heer Hilarides heeft nog
gesproken over het vermogen van
het ABP. Ik heb nooit beoogd, dit
vermogen af te trekken, maar het is
ook weer niet als een irrelevante
factor aan te merken. Op zichzelf
heeft hij er gelijk in dat er tegenover
een vermogen verplichtingen staan,
maar bij een internationale vergelij-
king van overheidsschulden zie je dat
men in andere landen wel de
verplichtingen op dit vlak, maar niet
het vermogen heeft. Bij een
internationale vergelijking is het
fonds dus wel degelijk een relevante
factor. Dit is overigens in vele
miljoenennota’s, ook in die van mijn
ambtsvoorganger Ruding, bij
internationale vergelijkingen van de
staatsschulden in voetnoten
geı¨llustreerd. Ook het vorige kabinet
heeft dit standpunt ingenomen, dus
er is een grote continuı¨teit in het
beleid.
Of meevallers aan stimulering van
de groei besteed moeten worden,
moeten wij ook naar mijn mening
nog maar even aankijken. Wat dit
betreft is de mening van dit huis
vrijwel unaniem, denk ik. Ik kan de
veronderstelling van de heer
Hilarides dat structurele meevallers
alle aan reductie van het tekort
besteed zullen worden, echter niet
bevestigen. Als ik dat deed, zou ik
namelijk in strijd komen met het
regeerakkoord, waarin vermeld
wordt dat dit van jaar tot jaar
afgewogen zal worden. Ik heb wel
begrepen wat zijn voorliefde is.
Ik ben blij met de steun van de
heer Hilarides voor de lease-
contracten. De criteria die hij noemt,
sporen met het beleid. Leasing moet
puur bedrijfseconomisch bekeken
worden, niet als een handigheidje
om zaken uit te stellen en zo de
begroting op korte termijn te
ontlasten.
Ten slotte heeft de heer Hilarides
in het verband van het belastingplan
nog gesproken over de renteaftrek.
De staatssecretaris zal ongetwijfeld
alle complicaties opsommen die wij
daarbij voorzien. Ik kan alleen niet
nalaten, een van zijn argumenten te
weerspreken. Hij stelt dat door het
schrappen van de aftrek de
besparingen omlaag zullen gaan,
omdat er mensen zijn die tegelijker-
tijd lenen en sparen. Hierdoor zou de
rente opgedreven worden. Ik geloof
dat dit argument niet valide is, want
het gaat natuurlijk om het saldo van
beide. Als de aftrek van rente op
consumptief krediet wordt afge-
schaft, dan zal er per saldo toch wel
minder geleend en meer gespaard
worden. En voor zover er een effect
op de rente zal zijn, zal het een
verlagend effect zijn, maar ik denk
dat het gelet op het internationale
karakter van de kapitaalmarkt
verwaarloosbaar zal zijn.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-443">

 
<spreker pagina="12-443" anker="387" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">

Voorzitter! Ik begin met een woord
van dank voor de plezierige
ontvangst in deze Kamer en voor de
woorden van waardering. Die
scheppen natuurlijk verplichtingen.
De heer Stevens heeft mij
uitgenodigd, nog eens kort aan te
geven welk fiscaal beleid wij
voorstaan. Hij heeft verwezen naar
de Miljoenennota en naar hoofdstuk
IXB, waar hij wel iets heeft kunnen
vinden, maar hij zou nog een nadere
toelichting willen horen. Nu is het
zeer gevaarlijk om dit aan mij te
vragen, want ik heb de neiging om
dan college te gaan geven over
mogelijk fiscaal beleid. Dit is niet de
bedoeling, dus ik zal volstaan met
het kort belichten van enkele
onderdelen, al doe ik daarmee
vanzelfsprekend geen recht aan het
beleid dat wij willen voeren.
De grootste zorg in de economie is
op dit moment natuurlijk het gebrek
aan werkgelegenheid. Het kabinet
heeft dan ook alles gezet op
vergroting van de arbeidsdeelname,
die door een samenstel van
maatregelen moet worden bevor-
derd. Een van de maatregelen ligt in
de fiscale sfeer en in de premiesfeer.
Daarnaast zullen er in de komende
jaren enkele initiatieven worden
ontplooid op het gebied van de
fiscale wetgeving. Ik noem in dit
verband de verlaging van het tarief
in de eerste schijf. Ik ga daar verder
niet op in, want de achtergronden
daarvan zijn bekend. Ik zal nu verder
ook niets zeggen over de ouderen-
aftrek, want daar komen wij straks
nog over te spreken. Buitengewoon
belangrijk voor het verstevigen van
fiscale infrastructuur – een van de
speerpunten van het beleid – zijn
enkele wetsvoorstellen die nu aan de
orde zijn, zoals de onbeperkte
voorwaartse verliescompensatie, een
belangrijk wetsvoorstel, de vervan-
ging van de ’’overall-methode’’ door
de ’’per country-methode’’ en de
wijziging van de behandeling van
dividenden bij dooruitdeling. Dit zijn
typisch wetsvoorstellen die
internationaal bijdragen tot een
versteviging van de fiscale infrastruc-
tuur. Ik heb ook al eerder gezegd,
ook in een andere functie, dat dit
hard nodig is in relatie tot de
toenemende internationale fiscale
concurrentie. Verder is verlaging van
de administratieve lasten ook een
speerpunt. Een commissie onder
leiding van de heer Van Lunteren
ontwikkelt concrete voorstellen
daartoe. Het is een gemengde
werkgroep, waarin ook het bedrijfsle-
ven ruim vertegenwoordigd is.
Vanmorgen heb ik het eerste
interimrapport van deze commissie
ontvangen en als ik vandaag nog tijd
heb, zal ik er een brief over schrijven
aan de Tweede Kamer, die vervol-
gens natuurlijk ook hier terecht zal
komen. Daaruit zal blijken dat de
commissie al een aantal voorstellen
heeft gedaan die kunnen leiden tot
een verlaging van de administratieve
lasten. Die voorstellen kunnen in
1995 of 1996 hun beslag krijgen.
Voorts zijn wij bezig met een
fiscaal-technische herziening van de
loon- en inkomstenbelasting. Een
groot aantal mensen uit de praktijk
werkt daaraan. Ik heb begrepen dat
zij mogen blijven schrijven in de
vakpers. Bij hun aanstelling heb ik ook gezegd: laat u zich er niet van
weerhouden om over dat beleid ook
kritisch te zijn in de fiscale vakpers.
En ik heb al verschillende kritische
beschouwingen gezien. Ik hoef mij er
dus geen zorgen over te maken dat
het werken in zo’n commissie de
mensen ervan weerhoudt om kritisch
getinte beschouwingen te houden.
Ik herhaal hier uitdrukkelijk dat het
daarbij vooral gaat om het wegne-
men van knelpunten en punten van
irritaties, alsook het aanbrengen van
verduidelijkingen en vereenvoudigin-
gen in de loon- en inkomstenbelas-
ting.
Een belangrijk punt dat ook door
de heer Stevens aan de orde is
gesteld, is de flexibilisering, met
name in de fiscale behandeling van
pensioenen. Ook daarover verwacht
ik begin volgend jaar een concreet
advies. Externe experts en mijn
medewerkers zijn bezig met de
voorbereiding daarvan in de vorm
van concrete voorstellen die vrij snel
ingevoerd kunnen worden.
Nog een belangrijk punt is de
versterking van de fiscale rechtsbe-
scherming. Dat is hier en aan de
overkant in het verleden al aan de
orde gesteld. Een kleine externe
werkgroep, bestaande uit de heren
Geppaart en Flinterman, is bezig met
een advies daarover. Dat verwacht ik
in de loop van 1995.
Voorts noem ik de maatregelen die
in meer algemene zin moeten
bijdragen aan versterking van de
fiscale infrastructuur. Mijn voorgan-
ger heeft daartoe een commissie
ingesteld die moet rapporteren over
mogelijke maatregelen ter zake. Die
commissie zal in de loop van 1995
met voorstellen komen. Als daarvoor
budgettaire middelen beschikbaar
zijn, kunnen die leiden tot een
versterking van het Nederlandse
vestigingsklimaat.
Vrij binnenkort doe ik een voorstel
aan de Tweede Kamer over het
ruling-beleid. Dat is ook van belang
voor een versterking van de fiscale
infrastructuur. Ik heb al aangekon-
digd dat ik met de Tweede Kamer
van gedachten ga wisselen over een
aanpassing van dat beleid in die zin
dat het nog meer gericht is op de
uitvoeringspraktijk en in internatio-
naal verband op, waar mogelijk,
versterking van de positie.
Dit waren heel globaal en in hoog
tempo een aantal elementen uit het
fiscale beleid. Natuurlijk gaan wij
verder met het ingezette beleid bij de
belastingdienst over de compliance-
gedachte. Ik noem in dit verband nog
de uitvoering en de fraude-
bestrijding. Deze elementen zijn ook
in hoofdstuk IXB beschreven.
Er is voorts een veelheid van
concrete vragen gesteld. De heren
Barendregt, Schuyer, Stevens en De
Boer hebben naar aanleiding van het
belastingplan 1995 vragen gesteld
over het belastingdeel in de eerste
schijf. Zij vragen zich af of er geen
sprake is van een merkwaardige
verhouding tussen het belasting- en
premiedeel. In de stukken zijn wij al
ingegaan op de historische achter-
grond daarvan. Inderdaad is die
verhouding, op de keper beschouwd,
problematisch, maar gezien de
historische achtergrond is dat te
verklaren en geldt het probleem in
mindere mate.
De vraag is dan ook of er
mogelijkheden zijn om tot een
andere verhouding te komen.
Daartoe zijn ook suggesties gedaan,
zoals verlenging van de schijf. De
heer Schuyer vroeg zich af of er
misschien een schijf tussengevoegd
moest worden. In het regeerakkoord
is in het volgende voorzien. Met onze
plannen voor de toekomst is het niet
uitgesloten dat als gevolg van een
aantal maatregelen die verhouding
vanzelf wijzigt. Zo kan er door
maatregelen in de premiesfeer een
verlichting ontstaan en het belasting-
deel oplopen. Dit sluiten wij niet uit
in de meerjarencijfers. Er ontstaat
vanzelfsprekend een wat beter beeld.
De vraag is ook of het wel
verstandig is om weer een grote
operatie in gang te zetten voor de
eerste schijf. Voor het beleid op wat
langere termijn kunnen wij best
fundamenteler bekijken of die
verhouding de meest gelukkige is.
Op het ogenblik zijn wij overigens
niet voornemens daarover voorstel-
len te doen.
De heer Schuyer heeft een aantal
interessante suggesties gedaan. Een
daarvan is om de 60%-schijf af te
schaffen en een nieuwe tweede schijf
in te voeren. Ik ben in voor creatieve
gedachten, zeker als die kunnen
bijdragen tot een aantrekkelijker
fiscaal klimaat. Ik wijs erop dat met
een dergelijke operatie globaal
enkele miljarden gemoeid zijn. Ik
hoor van de zijlijn iemand roepen dat
er 9 mld. beschikbaar is. Maar de
heer Schinck weet dat er uitdrukkelijk
afspraken gemaakt zijn over de
invulling van die lastenverlichting.
Nogmaals, de gedachte van de heer
Schuyer over het fiscale systeem is
op zich heel creatief, maar die kost
wel geld. Ik moet altijd van de
minister zeggen dat wij geen geld
hebben. Vandaar dat ik dat hier
herhaal. Dat maakt het leven voor
mij soms wel buitengewoon moeilijk,
als je aardige ideee¨n hebt. Het
prikkelt echter wel om budgettair
neutraal te opereren. Het is dus niet
de verwachting dat wij op korte
termijn aan die verhouding gaan
sleutelen.
De aftrekbaarheid van de rente op
consumptief krediet is onder anderen
aan de orde gesteld door de heren
Stevens, De Boer, Schuyer en
Schinck. Aan de overzijde heb ik al
aangegeven wat wij in dit opzicht
doen. Allereerst inventariseren wij de
bezwaren en de voordelen. Je moet
ook nooit het wiel voor de tweede
keer willen uitvinden. Vandaar dat
wij een overzicht maken van
buitenlandse systemen ter zake. Aan
de hand van de verzamelde
informatie zullen wij een beslissing
nemen en eventueel een voorstel
doen.
De heer De Boer heeft opgemerkt
dat uit de CBS-statistieken een
toenemende aftrek van hypotheek-
rente blijkt. Hij vraagt zich af waarom
die rente buiten beschouwing is
gebleven. In antwoord op vragen
daarover in de Tweede Kamer heb ik
al uitdrukkelijk gezegd dat de aftrek
van de hypotheekrente niet ter
discussie staat en daar dus buiten blijft. Laat ik er helder over zijn: ik
kom daar niet op terug; het is op het
ogenblik niet aan de orde. 

</spreker>
<spreker pagina="12-444" anker="388" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Dat
het niet aan de orde was, had ik al
uit het regeerakkoord begrepen. Dat
hoeft u niet opnieuw uit te leggen.
De kwintessens van mijn vraag was
echter, dat het wel aardig was als u
zou uitleggen waarom dit zo’n
heilige koe is dat dit niet aan de orde
is. Wat is dus het motief? Men moet
toch bereid zijn om aan te geven
waarom een belangrijk aspect van de
rente-aftrek in Nederland buiten
beschouwing wordt gelaten? Dat
moet toch meer zijn dan ’’wij hebben
afgesproken om het daar niet meer
over te hebben’’? Daar moeten toch
motieven voor zijn? Eerlijk gezegd,
vind ik dat niet passen bij het niveau
van het paarse kabinet. U heeft gezegd: wij gaan een uitgebreide
discussie met de samenleving aan,
wij zijn voorstander van een
dualistische politiek. Je kunt dan niet
zeggen dat dit een lastig probleem
binnen de boezem van het kabinet is.
U hoeft mij niet uit te leggen waar
dat lastige in zit. Wij moeten echter
wel de discussie blijven voeren. Om
hier te roepen ’’ik heb al meegedeeld
dat wij het daar niet meer over
hebben’’ vind ik vrij dun van het
kabinet. 

</spreker>
<spreker pagina="12-444" anker="389" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Ik zal
het anders formuleren. In het
verleden is hierover wel eens van
gedachten gewisseld. Dat gebeurde
overigens in breder verband dan
alleen in beide kamers der Staten-
Generaal. Er is ook bij de totstandko-
ming van verkiezingsprogramma’s
over gesproken. Ik herinner mij uit
die discussie een aantal elementen
die nu ongetwijfeld nog van belang
kunnen zijn. Wij moeten ons wel
realiseren dat het vaak gaat om
langlopende verplichtingen die men
is aangegaan. Wij moeten ons ook
realiseren dat de effecten van een
discussie, zeker als het gaat om lang
lopende verplichtingen van een
dergelijke omvang, niet mogen
worden onderschat. Ik kan mij
herinneren dat er in het verleden
discussie over was dat er repercus-
sies, negatieve ontwikkelingen, te
zien waren op de bouwmarkt. Men
kan dus niet gemakkelijk zeggen dat
wij maar eens een heel uitgebreide
discussie moeten voeren. Wij
moeten ons realiseren dat een
uitgebreide discussie over een
dergelijk onderwerp repercussies
heeft. Het denken staat natuurlijk niet stil, maar het is toch heel simpel: het
is niet aan de orde. Het is niet zo dun
als de heer De Boer zegt. Er is wel
degelijk over nagedacht, gelet op de
discussies die in het verleden
gevoerd zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="12-444" anker="390" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 De
reden is natuurlijk dat er binnen de
partijen die dit kabinet vormen, grote
meningsverschillen over bestaan. Dat
is de feitelijke reden. 

</spreker>
<spreker pagina="12-444" anker="391" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Dat
moet ik weerspreken. Bijvoorbeeld in
het verkiezingsprogramma van mijn
partij staan geen voornemens
aangekondigd om beperkingen aan
te brengen in de sfeer van de aftrek
van hypotheekrente. 

</spreker>
<spreker pagina="12-444" anker="392" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Dat
vind ik ook vrij betreurenswaardig. 

</spreker>
<spreker pagina="12-444" anker="393" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Daar
neem ik kennis van. 

</spreker>
<spreker pagina="12-444" anker="394" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Ik
vind het ook niet logisch. Ik noem drie punten. U zegt: wij gaan kijken
hoe het internationaal zit met de
aftrek van consumptief krediet. Twee
jaar geleden hebben wij hier bij de
algemene beschouwingen een
uitgebreide discussie gevoerd om te
bekijken hoe internationaal wordt
omgegaan met het eigen-
woningbezit, de aftrek van
hypotheekrente, etcetera. Daarin
zitten nogal wat verschillende
benaderingen, al was het alleen
maar in Europa. Als je dan toch kijkt
naar de systematiek van consumptief
krediet, lijkt het mij voor de hand te
liggen dat je ook kijkt naar de
systematiek van de aftrek van
hypotheekrente.
Ten tweede geef ik onmiddellijk
toe dat het gaat om iets voor de
langere termijn. Men hoort mij ook
niet zeggen dat de aftrek over twee
jaar afgeschaft moet worden. Als
men echter een poging wil wagen
om die heilige koe werkelijk
bespreekbaar te maken in Nederland,
moet men de discussie aangaan om
op een termijn van – laten wij het
ruim nemen – acht jaar een andere
stap te zetten. De discussie moet
gevoerd worden, ruim voordat het zo
ver is. Men kan de mensen er niet
mee confronteren.
Op het derde punt kom ik straks
nog even terug, want ik vind dat de
minister daar eigenlijk niet op geantwoord heeft. Het kabinet zegt:
wij moeten geen discussie voeren,
want het ligt allemaal gevoelig en
het heeft repercussies. Dan kan ik bij
een aantal andere themata,
bijvoorbeeld in de sfeer van de
sociale zekerheid, ook wel zeggen
dat ik wil dat er zorgvuldiger mee
omgegaan wordt. De argumentatie
die het kabinet nu geeft voor de
aftrek van hypotheekrente, geldt dan
kennelijk veel minder. Er worden
allerlei discussies over de AOW
gevoerd, waarvan ik vind dat ze
eigenlijk proefballonnen zijn. Ik wil
echter geen proefballonnen, ik wil
zorgvuldige discussies. Het is mij te weinig als er gezegd wordt: wij
hebben afgesproken dat wij het de
komende vier jaar niet meer hebben
over de aftrek van hypotheekrente.
Dat is mij te mager. 

</spreker>
<spreker pagina="12-445" anker="395" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Ik neem
daar kennis van. U zei op een
gegeven moment dat er in het
kabinet verschil van opvatting over
zou bestaan. Ik deel u mede dat er
over dit punt binnen het kabinet
geen verschil van opvatting bestaat.
Dat lijkt mij heel helder. 

</spreker>
<spreker pagina="12-445" anker="396" partij="SGP" naam="Barendregt">
 Daar
komt nog een element bij, namelijk
dat nu duidelijk blijkt dat er
oneigenlijk gebruik in het spel is ten
aanzien van de hypotheken. 

</spreker>
<spreker pagina="12-445" anker="397" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Wie zegt
dat? 

</spreker>
<spreker pagina="12-445" anker="398" partij="SGP" naam="Barendregt">
 U bent
dat niet van mening? 

</spreker>
<spreker pagina="12-445" anker="399" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Ik weet
het niet. Wie zegt dat er sprake is
van oneigenlijk gebruik? 

</spreker>
<spreker pagina="12-445" anker="400" partij="SGP" naam="Barendregt">
 Ik maak
het op uit allerlei publikaties. In die
publikaties wordt geconstateerd dat
het zo is. Ik begrijp echter dat het
kabinet die mening niet is toege-
daan. 

</spreker>
<spreker pagina="12-445" anker="401" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Ik zie
alleen de cijfers. Ik weet niet of er
sprake is van oneigenlijk gebruik. Ik
roep niet onmiddellijk dat er sprake
is van oneigenlijk gebruik. Op basis
van een dergelijk krantebericht kan ik
niet zeggen of er sprake is van
oneigenlijk gebruik. 

</spreker>
<spreker pagina="12-445" anker="402" partij="SGP" naam="Barendregt">
 Het is
dan zeker zaak om daar onderzoek
naar te doen. 

</spreker>
<spreker pagina="12-445" anker="403" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">

Natuurlijk kijken wij ernaar. Ik wil niet
zomaar zeggen dat er sprake is van
oneigenlijk gebruik. Ik weet dat
namelijk niet. Het zou zeer onzorg-
vuldig zijn als ik dat zei. 

</spreker>
<spreker pagina="12-445" anker="404" partij="PvdA" naam="Schinck">
 Ik denk dat
de term ’’oneigenlijk’’ in dit geval
misplaatst is. Geld dat in hypothecair
verband geleend wordt voor een
woning, wordt ook gebruikt voor
andere doeleinden. Dat geldt niet
sinds de laatste cijfers van het CBS,
maar zolang ik mij herinner. 

</spreker>
<spreker pagina="12-445" anker="405" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Ik ben
de heer Schinck dankbaar voor deze
toelichting.
De heren Stevens, Barendregt en
Hilarides hebben gesproken over het
bevorderen van het investeringskli-
maat. De heer Stevens vroeg naar de
prioriteiten op dat punt. Hij vroeg
eigenlijk wat nu de overhand krijgt.
Gaat het dan enerzijds om het
facilie¨ren voor bepaalde bedrijfstak-
ken of bedrijfssectoren dan wel
anderzijds om een verbetering van
de fiscale infrastructuur in meer
algemene zin? Zo vat ik zijn betoog
op. De heer Hilarides vroeg in dit
verband bijzondere aandacht voor
een vergelijking met het buitenland.
Hij wees daarbij op het wensenlijstje,
zoals ik het noem, van het VNO en
het NCW, dat vorige week is
gepresenteerd en dat ook door
anderen is aangehaald. Ik zal een
heel concreet antwoord geven op de
vraag van de heer Stevens. Beide
sporen worden gevolgd. In het begin
van mijn antwoord gaf ik kort de
hoofdlijnen van het fiscale beleid
aan. Daarin ging het om maatregelen
in meer algemene zin en om
specifieke maatregelen. Een van de
specifieke maatregelen die op het
lijstje staan, met name van mijn
collega van Verkeer en Waterstaat, is
het op enigerlei wijze stimuleren van
de zeescheepvaart. Dat is hier ook
genoemd. Vrij recentelijk hebben wij
hierover een rapport ontvangen. Het
is een typisch specifiek gerichte maatregel. Het is dus heel simpel:
beide lijnen, beide sporen worden
gevolgd. Dat blijkt ook uit de
opdracht die is gegeven aan de
werkgroep Fiscale infrastructuur, die
meer in den brede kijkt naar
buitenlandse ontwikkelingen, zeg ik
ook in antwoord op de vragen van
de heer Hilarides. Ik vind het
buitengewoon belangrijk dat wij
buitenlandse ontwikkelingen volgen.
Ik heb echter veel liever dat wij
buitenlandse ontwikkelingen voor
zijn. Je ziet vaak de trend al
aankomen. Je moet dan niet achteraf
reageren. Je moet als het ware de
ontwikkelingen voor zijn. Dat
betekent dat de slagkracht van je
economie en de aantrekkelijkheid
van Nederland als vestigingsplaats
concurrerend zijn en blijven.
Gelet op het wensenlijstje van het
VNO en het NCW wijs ik erop dat er
een groot aantal maatregelen op het
lijstje staan die ons aanspreken.
Verschillende maatregelen die
kunnen bijdragen aan een verbete-
ring van het vestigingsklimaat,
spreken ons aan. Ik maak er
uitdrukkelijk de kanttekening bij dat
wij beperkte budgettaire middelen
hebben om hieraan tegemoet te
komen. Als het gaat om specifieke
maatregelen, is er in het regeerak-
koord vooralsnog een bedrag van
500 mln. uitgetrokken voor maatre-
gelen in de sfeer van het midden- en
kleinbedrijf. Het zal de heer
Barendregt duidelijk zijn dat er
keuzen moeten worden gemaakt uit
een dergelijk pakket. Gezien de
budgettaire kaders is het niet goed te
doen om het pakket volledig uit te
voeren.
De heer Stevens heeft een trend
gesignaleerd van individualiseren,
flexibiliseren en liberaliseren. Dat zijn
inderdaad typeringen die je
terugvindt in de huidige maatschap-
pelijke en economische ontwikkelin-
gen. Ook de liberalisering en de
vergroting van de marktwerking
dwingen ertoe, heel nauwkeurig de
fiscale concurrentiepositie, ook
internationaal, in beeld te brengen
en te houden. Ik heb in verband met
de flexibilisering al gewezen op onze
voornemens voor de pensioenen. In
verband met de individualisering
wijs ik erop dat bij de Tweede Kamer
op dit ogenblik het initiatiefwets-
voorstel van de leden De Korte en
Van Rey in behandeling is. Wij
dragen hieraan bij met het verlenen
van ambtelijke ondersteuning en een
constructieve gedachtenwisseling.
Een andere prioriteit die de heer
Stevens in het beleidspakket
onderscheidt, is de vergroening van
het fiscale stelsel. Dat het een trend
is, is tot op zekere hoogte juist. In
het licht van alle fiscale trends
moeten wij de vergroening echter
niet overschatten, gezien de
bedragen die ermee gemoeid zijn. Ik
heb dit ook gisteren in het debat
over de verbreding van de milieu-
grondslag naar voren gebracht. Wij
zijn op dit moment met een
verkenning van de regulerende
energieheffing bezig, waarover in het
regeerakkoord afspraken zijn
gemaakt voor een invoeringstraject.
De heer Barendregt heeft mijn
aandacht gevraagd voor harmonisa-
tie van belastingen in Europees
verband. Hij zei dat wij er niet al te
veel van moeten verwachten en dat
naar zijn waarneming elk land een
eigen fiscaal beleid voert. Hij vraagt
zich af of dit ook voor de BTW en
voor de ecotax geldt. Zijn waarne- ming bevat een kern van waarheid:
wij worden in toenemende mate
geconfronteerd met een verscher-
ping van de fiscale concurrentie, ook
in Europees verband. Je ziet dit
vooral op het terrein van de directe
belastingen en minder op dat van de
BTW. In de sfeer van de indirecte
belastingen en de accijnzen is er in
de afgelopen twintig jaar al veel
geharmoniseerd. Bij de directe
belastingen is dit veel minder
gebeurd. Daar zie je dan ook een
verscherping van de concurrentie,
vooral door het introduceren van
specifieke fiscale faciliteiten voor het
aantrekken van internationale
vestigingen.
Vrij recentelijk heeft de Europese
Commissie een voorstel voor een
richtlijn inzake fiscale harmonisatie
voor rente en royalty’s ingetrokken,
omdat er geen overeenstemming
over mogelijk bleek in Europees
verband. Dat is een teken aan de
wand. Over zo’n voorstel is lang
gesproken en met veel trekken en
duwen is geprobeerd, overeenstem-
ming erover te bereiken. Dat is niet
gelukt, wat veel zegt over de
problemen met harmonisatie op het
terrein van de directe belastingen.
De heer Stevens en de heer De
Boer hebben naar de voortgang in
de Ecofin met de bronbelasting
gevraagd. Deze vraag kan ik laten
liggen, omdat de minister de laatste
stand van zaken op dit punt kenbaar
heeft gemaakt. Zijn antwoord over dit dossier was heel duidelijk: er is
niet te verwachten dat er enige
relevante voortgang wordt geboekt.
De heer Stevens, de heer Schuyer
en de heer De Boer hebben aandacht
gevraagd voor onze toezegging om
opeenhoping van fiscale en
financie¨le voorstellen aan het einde
van het jaar te voorkomen. Wij
hebben een buitengewoon plezierig
gesprek gehad met de commissie
voor financie¨n in dit huis. Wij zullen
met al onze inspanningen pogen, de
toezegging die wij toen gedaan
hebben, na te komen.
De heer De Boer vroeg naar de
stand van zaken in de discussie over
het kostwinnersbeginsel. Ik verwijs
hem naar mijn antwoord over het
wetsvoorstel-De Korte/Van Rey dat
nu bij de Tweede Kamer ligt. Op het
ogenblik vindt er technisch overleg
over plaats, met ambtelijke onder-
steuning zowel van het departement
van Financie¨n als van dat van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Dat proces loopt en er zijn afspraken
over gemaakt. Ik zeg er uitdrukkelijk
bij dat het eerste initiatief hiervoor
bij de indieners van het wetsvoorstel
ligt. Ik weet uit eigen ervaring dat het
buitengewoon plezierig is om een
eigen initiatief te mogen verdedigen,
zowel in de Tweede Kamer als hier.
Beide initiatiefnemers willen het ook
graag.
Afschaffing van het reiskosten-
forfait is niet aan de orde. Het ligt
niet in ons voornemen, met
voorstellen op dit punt te komen. Ik
zeg er nadrukkelijk bij dat het mij en
iedereen die in de praktijk werkzaam
is, is opgevallen dat het reiskosten-
forfait nogal wat administratieve
rompslomp meebrengt. Ik zie dat er
wordt geknikt door mensen die
ervaring met het reiskostenforfait
hebben. Die ervaring is ook ons
bekend. In het kader van de
fiscaal-technische herziening zal zeer
zeker ook naar de werking van het
reiskostenforfait gekeken worden. Ik
heb niet voor niets gevraagd om
mensen uit de praktijk ons te laten
adviseren. Ik wacht de adviezen op
dit punt af. Het denken staat dus niet
stil. 

</spreker>
<spreker pagina="12-446" anker="406" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Het
is niet aan de orde, maar het denken
staat niet stil. 

</spreker>
<spreker pagina="12-446" anker="407" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">

Inderdaad. Dat is een cruciaal
verschil.
De heer Barendregt vroeg of het
familiebedrijf moet worden
vergeleken met een gezinsbedrijf,
zoals de kruidenier die met vrouw en
kinderen de winkel doet of de
agrarie¨r die met het hele gezin de
pieken in de bedrijfsvoering
verwerkt. Hij vroeg ook of 2500 van
de 5000 grootste bedrijven in
Nederland tot de categorie familiebe-
drijf worden gerekend en hoe ik deze
ontwikkeling beoordeel. Er kan geen
definitie van een gezinsbedrijf of
familiebedrijf worden gegeven. Het
beeld in de Nederlandse samenle-
ving is zeer divers, zeker in het
midden- en kleinbedrijf. Ik heb eens
een congres over familiebedrijven
bijgewoond, waar een grote
discussie ontstond over de vraag wat
al dan niet onder een familiebedrijf
of gezinsbedrijf moet worden
verstaan. Ik wil mij dus ver houden
van een poging om ook maar een
begin van een definitie te geven. De
bedrijven waarop de heer Barendregt
doelt, los van de definitie, vormen
een onderdeel van het midden- en
kleinbedrijf, waarvoor het kabinet in
deze regeerperiode 0,5 mld. aan
stimuleringsmaatregelen heeft
uitgetrokken. De categorie bedrijven
die genoemd is, valt dus in beginsel
onder dit pakket.
De heer Stevens en de heer De
Boer hebben mij gewezen op
BTW-constructies in de sfeer van het
onroerend goed, zowel bij lagere
overheden als bij woningbouw-
verenigingen. Ik kan er een heel kort antwoord op geven: die zullen
worden aangepakt. Dit geldt niet
alleen voor de constructies van de
woningbouwverenigingen die de
heer De Boer noemde, maar ook
voor andere constructies. 

</spreker>
<spreker pagina="12-446" anker="408" partij="PvdA" naam="Schinck">
 Met ingang
van welke datum gebeurt dat? Ik heb
nog de vorige week meegemaakt dat
zo’n constructie met behulp van een
inspecteur door een lagere overheid
werd toegepast. 

</spreker>
<spreker pagina="12-446" anker="409" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Dat
betreur ik. 

</spreker>
<spreker pagina="12-446" anker="410" partij="PvdA" naam="Schinck">
 Het is wel
in tegenspraak. 

</spreker>
<spreker pagina="12-446" anker="411" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Ik
herhaal wat ik heb gezegd. Er is een
heldere vraag gesteld, over de
woningbouwverenigingen en meer in
het algemeen over BTW-constructies.
Die constructies zullen wij aanpak-
ken.</spreker>
<spreker pagina="12-447" anker="412" partij="GroenLinks" naam="De Boer">

Voorzitter! Het wordt dus aangepakt, lees: onmogelijk gemaakt. Met
ingang van welke datum denkt de
staatssecretaris? Blijft alles wat tot
nu toe is afgesloten dan buiten
schot? 

</spreker>
<spreker pagina="12-447" anker="413" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">

Voorzitter! Het wordt aangepakt en ik
geef geen enkele garantie met
betrekking tot het accepteren van
welke constructie dan ook op dit
moment. In antwoord op de vraag
wanneer kan ik meedelen, dat het op
de kortst mogelijke termijn zal
gebeuren.
Voorzitter! De heer De Boer heeft
ook nog vragen gesteld over de
samenwerking tussen Justitie en
Financie¨n in het kader van de
zogenaamde kaalplukteams ofte wel
de BFO-teams. De Tweede-
Kamerleden De Graaf en Giskes –
beiden D66 – hebben op 29
november 1994 aan de ministers van
Justitie en Financie¨n vragen gesteld
over de samenwerking tussen
Financie¨n en Justitie in het kader van
de kaalplukteams. Naar verwachting
zullen de antwoorden op deze
vragen vandaag naar de voorzitter
van de Tweede Kamer worden
gezonden. Daarmee wil ik volstaan.
Het antwoord komt dan ook hier
terecht en het lijkt mij niet verstandig
om nu het antwoord voor te lezen,
terwijl de leden aan de andere kant
het antwoord niet hebben gezien.
Het heeft in ieder geval onze
aandacht en ook die aan de overkant,
gezien de vragen die daarover zijn
gesteld.
De heer Stevens heeft ook een
vraag gesteld over een truc. Hij heeft
gevraagd of het waar is dat rijke
particulieren door inschakeling van
commanditaire vennootschappen
gebruik maken van de Vamil-
regeling. Ook hierover zijn vragen
gesteld door de heer Poppe van de
SP. De antwoorden op die vragen zijn
wel uit. Ik heb daarop geantwoord
dat, voor zover mij thans bekend,
dergelijke constructies zich niet
hebben voorgedaan. Ik moet een
voorbehoud maken en wel voor
zover het mij op dit moment bekend
is.
De heer Schuyer heeft gevraagd of
een meer samenhangende wetge-
ving niet een heel positief effect zou
hebben op de perceptiekosten. Die
vraag is terecht, want je moet altijd
kijken naar de kosten van de
uitvoering. Bij het opstellen van de
wetgeving is het een goed gebruik,
dat iedere keer specifiek wordt
gekeken naar de perceptiekosten die
samenhangen met de invoering. Er
wordt ook verantwoording over
afgelegd. Het is ook gebruikelijk dat
bij dergelijke wetsvoorstellen altijd
een beeld wordt gegeven van de
perceptiekosten. Op zichzelf is het
natuurlijk juist. Het is ook de heer
Schuyer bekend, dat het vaak gaat
om specifieke wetsvoorstellen, die
als geheel wel tot een samenhang
leiden maar in de uitvoering eigen
perceptiekosten met zich kunnen
brengen. Om die reden wordt iedere
keer een raming van deze kosten
gegeven.
De heer Barendregt vraagt zich af
wat de reden van het kabinet is om
de gemeenten te verbieden nieuwe
heffingen of belastingen in te voeren.
Is het de vrees voor verhoging van
de collectieve-lastendruk of voor een
stijging van de lokale tarieven en
welke plafonds zullen worden
verhoogd of verruimd op gemeente-
lijk niveau? Ik verwijs in dit verband
naar het overleg, dat ik samen met
mijn collega Van de Vondervoort van
Binnenlandse Zaken heb gevoerd
over de voorstellen van de
commissie-De Kam. Ik trad daarin op
als een van de beheerders van het
Gemeentefonds. In dat kader heb ik
gezegd geen voorstander te zijn, ook
in het licht van dat rapport, van het
introduceren van nieuwe gemeente-
lijke heffingen. Het woord ’’verbie-
den’’ is in dit verband minder juist.
Wij zijn er geen voorstander van,
gezien ook de ruimte die gemeenten
hebben om op dat punt nieuwe
heffingen in te voeren. Dat moet
worden gezien in het licht van de
discussie aan de overzijde over het
rapport-De Kam. Daarin zijn
voorstellen ontwikkeld voor een
verruiming van het gemeentelijk
belastingbeleid. In dat kader is die
opmerking gemaakt.
Het is wel denkbaar te bezien,
maar dan ook in samenhang met de
herziening van het Gemeentefonds,
of wat meer differentiatie in de
onroerend-zaakbelasting kan worden
toegelaten. Die discussie wordt
echter nog aan de overzijde gevoerd.
De heer Stevens heeft een vraag
gesteld die verband houdt met de
administratieve lasten voor het
bedrijfsleven en heeft dat gekoppeld
aan de schattingen, die ondernemers
moeten maken over de commercie¨le
en fiscale winst. Het is de heer
Stevens bekend, dat in het kader van
de voorlopige-aanslagregelingen de
fiscus juist meer aandacht schenkt
aan die schattingen. Ik heb aan de
overzijde deze discussie ook gevoerd
naar aanleiding van vragen door
leden van de Tweede Kamer. In een
aantal gevallen is er inderdaad
sprake van grote verschillen tussen
de schatting en de realisatie. Ik ben
mij bewust van de buitengewone
moeilijkheden om een enigszins
goede schatting te maken, maar het
valt wel op dat die verschillen soms
erg groot zijn. Door het in toene-
mende mate werken in de actualiteit
kan dat ertoe leiden, dat meer
actuele schattingen worden gegeven.
Ik zie echter niet in waarom dat zou
moeten leiden tot een extra
administratieve last. Naarmate de
fiscus meer werkt in de actualiteit
lijkt het mij toch niet zo problema-
tisch om daarop aan te sluiten.
Overigens is de hele problematiek
van de administratieve lasten
onderwerp van bespreking in de
werkgroep-Van Lunteren.
Voorzitter! De heer Stevens heeft
een intrigerende vraag gesteld over
de memorie van toelichting. Het was
hem opgevallen dat daarin stond, dat
gesproken wordt over een fiscaal
belang en een fiscaal risico. Hij vroeg
zich af hoe nu het profiel van een
belastingplichtige wordt vastgesteld.
Toen ik hem zo zag praten, keek de minister mij aan en zei: dat intrigeert
mij ook wel. Ik denk, dat hier sprake
is van een misverstand. Het is niet
de bedoeling, dat wij een fiscaal
profiel vaststellen. Wel wordt in het
kader van de aanslagregeling
gekeken naar criteria, die betrekking
hebben op zowel kwalitatieve als
kwantitatieve aspecten die verbon-
den zijn aan de belastingplicht. Het is
niet de bedoeling dat voor elke
belastingplichtige een bepaald
belastingprofiel wordt vastgesteld.
Op basis van die kwalitatieve en
kwantitatieve aspecten worden
vervolgens criteria vastgesteld voor
de mate waarin aandacht moet
worden besteed aan de zogenaamde
noodzakelijke behandeling van de
aangifte. Voorzitter! Het lijkt mij, dat
ik hier buitengewoon helder ben
geweest. Het lijkt mij overigens meer
dan voldoende als toelichting.
De heer Stevens heeft gevraagd
hoe de standaardisatie van de
jaarstukken van ondernemingen zich
verhoudt tot de verandering van de
administratieve-lastendruk. Die
problematiek wordt eveneens
besproken in de commissie-Van
Lunteren. Ik zag, in snelheid, in het
eerste rapport, dat er inderdaad
aandacht aan wordt besteed.
In antwoord op de desbetreffende
vraag van de heer Stevens kan ik
hem mededelen dat de toepassing
van de renterenseignering geen
indicatie is van de invoering van het
Deense model. In het Deense model
staan de beschikbare gegevens van
de belastingplichtigen voor de
inkomstenbelasting, zoals loon-
gegevens en rentegegevens,
voorgedrukt op het aangiftebiljet. Die
belastingplichtige behoeft daar dus
niets zelf in te vullen, alleen maar te
controleren. In Nederland worden de
rentegegevens uit die renseignering
evenals de loongegevens gebruikt
als contra-informatie bij de controle
van de aangifte van de belasting-
plichtige. Dat is dus wat anders dan
het Deense systeem.
De heer de Boer heeft gevraagd
hoe groot de fraude in Nederland is.
Dat weet ik niet. Het is ook buitenge-
woon moeilijk om daar achter te
komen, want er is niemand die bij
ons aankomt en aangeeft voor welke
bedragen hij of zij fraudeert, of zelfs
aangeeft of men fraudeert. De heer
De Boer wijst terecht op studies, ook
van de ISMO-commissie, waarin een
buitengewoon globaal beeld is
gegeven, op basis van inschattingen.
Dat onderzoek kwam inderdaad uit
rond de 20 mld.
Inmiddels hebben, mede naar
aanleiding van het ISMO-rapport,
verschillende kabinetten maatregelen
getroffen om zowel in de sfeer van
de belastingen als in de sfeer van de
sociale zekerheid misbruik en
oneigenlijk gebruik tegen te gaan.
Ook zijn er verschillende
voortgangsrapportages geweest
waarin is aangegeven welke
voortgang op dat terrein wordt
geboekt. Ik wijs de heer De Boer op
de meest recente voortgangsrappor-
tage, van juli 1994, waarin een beeld
wordt gegeven van het beleid. Ik wil
best erkennen dat het heel moeilijk is
om aan te geven tot welke concrete
bedragen dat in meer algemene zin
heeft geleid. Meer specifiek geven
wij wel aan wat bijvoorbeeld een
bepaalde actie oplevert. Er zijn
verschillende branche-acties
geweest. Dan is er wel een raming
naar buiten te brengen van de
effecten van een dergelijke actie.
Maar in meer algemene zin
gerelateerd aan die 20 mld. is het mij
niet mogelijk om er nu echt een
goed beeld van te geven. Ik zou
moeten gokken en daar heb ik geen
zin in.
Verschillende leden hebben
gevraagd naar de vermogensbelas-
ting. De heer Hilarides heeft
gevraagd hoe het nu verder gaat met
de vermogensbelasting, of die mag
worden afgeschaft. Hij vroeg daarbij
ook naar de prioriteitsstelling die
wordt gehanteerd. Ik wijs hem erop
dat hieraan allereerst een budgettaire
problematiek is verbonden. Ik
herinner eraan dat in het regeerak-
koord geen bedrag is uitgetrokken
voor een verlaging van de vermo-
gensbelasting. Laten wij dat in de
eerste plaats vaststellen. Wel hebben
wij in de Tweede Kamer mede naar
aanleiding van het wetsvoorstel over
de verruiming van de ondernemings-
vrijstelling gezegd dat wij ook in het
licht van de Europese ontwikkelingen
en de Europese context de vermo-
gensbelasting in meer algemene zin
moeten bezien en niet uitsluitend
moeten kijken naar de vrijstelling
voor het ondernemingsvermogen die
nu verhoogd wordt. Wel heb ik
daarbij in de Tweede Kamer
opgemerkt dat wij ons moeten
realiseren dat wij op dat punt niet
aan illusiepolitiek moeten doen. Als
je op dat punt echt wat wilt doen,
kost dat wel geld. Dat vraagt dus om
een afweging van prioriteiten. De
prioriteiten van dit kabinet zijn
vastgelegd in het regeerakkoord en
zijn vooral gericht op het verlagen
van de lastendruk op arbeid. Dat is
het kenmerk van het beleid.
Ik heb al gezegd dat wij nu eens,
ook internationaal, in beeld gaan
brengen, mede in verband met dit
wetsvoorstel, wat de plaats en
positie van de vermogensbelasting
is. Maar ik ga hier niet zeggen dat
wij met voorstellen komen om de
vermogensbelasting af te schaffen.
Dat kan ik ook helemaal niet.
Bovendien moet wij de positie van
de vermogensbelasting in een wat
breder verband zien, ook in relatie
tot de technische herziening van de
loon- en inkomstenbelasting. Ik doel
daarbij op die aspecten, die
samenhangen met inkomsten uit
vermogen. Ik denk dat de vermo-
gensbelasting niet geı¨soleerd moet
worden bezien, maar in een breder
verband, in relatie tot de fiscale
behandeling van inkomsten uit
vermogen.
De afgelopen jaren zijn hierover
ook in verschillende vakbladen
interessante suggesties gedaan. Ook
is hierover in de Tweede Kamer een
discussie gevoerd, waarbij aandacht
werd besteed aan de eventuele
wenselijkheid van een analytisch
stelsel. Dat soort zaken kunnen
daarbij aan de orde komen.
De heer Hilarides heeft ook
gevraagd of er concrete plannen
voorliggen voor de verlaging in 1995
van de tarieven van het successie-
recht. Het antwoord op deze vraag
luidt ontkennend, waaraan ik wel
moet toevoegen dat wij wel zullen
kijken naar knelpunten die kunnen
optreden bij de bedrijfsopvolging in
de familiesfeer. Dat is misschien nog
wel belangrijker. Want daarbij komt
het successierecht nadrukkelijk in
beeld. Erkend moet worden dat het
in de praktijk problemen kan
opleveren. Dat punt staat hoog op
onze agenda, maar niet in de zin van
een meer algemene verlaging van de
tarieven. Ons beleid is dus toege-
spitst op het wegnemen van
knelpunten in de sfeer van het
familiebedrijf.
De heer De Boer heeft kenbaar
gemaakt dat lastenverlichting voor
vermogenden niet zijn eerste zorg is.
Ik neem kennis van zijn standpunt.
Dan de boeiende vraag van de
heer Stevens over de ondernemings-
vrijstelling en het Bupo-verdrag in
relatie tot wetsvoorstel 23940, dat
hier ook vandaag aan de orde is. Hij
vroeg zich af of de 68%-vrijstelling
een Bupo-norm is geworden. Dat is
echter niet het geval. De heer
Stevens heeft in zijn betoog al
aangegeven voor welk moeilijk
afwegingsproces wij zijn geplaatst,
toen wij geconfronteerd werden met
een toch sterk afwijzend advies van
de Raad van State. Er zijn verschil-
lende adviezen over uitgebracht,
maar het laatste advies was het
sterkst afwijzend, om het zo maar
eens te formuleren. In de stukken
hebben wij aangegeven dat dat
mede een rol heeft gespeeld bij de
afweging die wij bij wetsvoorstel
23940 hebben gemaakt. Ook
budgettaire overwegingen hebben
daarbij een rol gespeeld.
Wij zijn nu bezig met een analyse
in meer algemene zin van artikel 26
Bupo. Dit betekent niet dat de
68%-vrijstelling die wij nu hebben
gekozen de Bupo-norm is. Wij zijn nu
bezig artikel 26 Bupo meer algemeen
in relatie te brengen met de fiscale
wetgeving, toegespitst op de
vrijstelling van ondernemings-
gebonden vermogen. Daar is het
laatste woord nog niet over gezegd.
Ik wil nu niet vooruitlopen op die
analyse, maar ik heb in de Tweede
Kamer en ook in de stukken de
toezegging gedaan dat wij dat in
relatie met de inkomsten uit
vermogen bekijken.
De heer Barendregt heeft in dat
verband een vraag gesteld over een
gelijke verlaging van de vermogens-
belasting. Hij stelde voor een
verlaging door te voeren van 50%
ondernemingsvrijstelling en 50%
vrijstelling van prive-vermogen. Ik
wijs er wel op dat dat in feite
betekent dat de ondernemings-
vrijstelling wordt verlaagd. Dus stelt
de heer Barendregt eigenlijk voor de
lastendruk op het midden- en
kleinbedrijf te verhogen. Ik wil
uitdrukkelijk zeggen dat wij geen
voorstander van die suggestie zijn.
Voorzitter! Ik kom nu bij de
werknemersspaarregelingen. De
minister is daarop reeds kort
ingegaan. De heer Barendregt vraagt
in dit verband of er wellicht sprake
geweest is van een overhaaste
reactie van het kabinet.
Nee, voorzitter, dit kabinet
reageert niet overhaast. Dit kabinet
opereert zorgvuldig en weloverwo-
gen, zeker als het gaat om de
financie¨le onderbouwing. Wij mogen
geen risico lopen. Op het moment
dat wij de beslissing hadden
genomen, werden wij geconfron-
teerd met een inschatting van een
tegenvaller. Dan brengt een solide
beleid mee dat je maatregelen treft
en jezelf niet rijk rekent. Er is geen
sprake van een overhaaste reactie.
Nee, het is een weldoordachte,
weloverwogen reactie.
De heer Barendregt heeft ook nog
gewezen op de vrees dat het
voorliggende wetsvoorstel zal leiden
tot een tegengestelde uitwerking,
omdat er nu een heffing van 10%
over spaarloon wordt ingevoerd en
tegelijkertijd het tarief voor winstde-
ling verlaagd wordt van 35% naar
20%. Wij moeten het eindresultaat
bezien en niet uitsluitend de
maatregel die nu getroffen wordt om
de budgettaire problematiek te
ondervangen. Nee, het wetsvoorstel
zoals het er nu ligt en de regeling
zoals die in 1995 gaat gelden,
moeten wij bezien als faciliteit. Elk
bedrijf dat niet meedoet aan een
dergelijke regeling doet zichzelf te
kort, ook in financieel opzicht. Los
van het arbeidsvoorwaardenbeleid,
doen bedrijven zichzelf te kort als zij
niet meedoen met een dergelijke
regeling. In het overgrote deel van
de gevallen is het een voordelige
regeling. Een verlaging van het tarief
over de winstdeling is een extra
stimulans om over te gaan op
winstdeling. Ik verwacht niet dat die
heffing invloed zal hebben op welk
overleg dan ook.
De heer Barendregt merkte ook
op, dat wij ons baseren op indicaties
over tegenvallers. Ik merk uitdrukke-
lijk op dat dit niet helemaal juist is.
Wij beschikken natuurlijk wel over
een evaluatie-onderzoek van medio
1994. Mede op basis van dat
evaluatie-onderzoek hebben wij onze
beslissing genomen. Het ging om
betrekkelijk harde gegevens met
betrekking tot de ontwikkelingen die
reeds hadden plaatsgevonden en
ontwikkelingen die mogelijk nog
zouden plaatsvinden. Die cijfers
gaven daarvoor voldoende aanlei-
ding. 

</spreker>
<spreker pagina="12-449" anker="414" partij="SGP" naam="Barendregt">
 Ik heb
niet verzonnen dat het om een
indicatie ging. Dat heeft de staatsse-
cretaris zelf in de Tweede Kamer
gezegd. 

</spreker>
<spreker pagina="12-449" anker="415" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Dat
klopt. Het ging echter om een
indicatie die mede gebaseerd was op
het zogenaamde evaluatie-
onderzoek. Wij moeten natuurlijk
ergens indicaties aan ontlenen. Die
ontleenden wij mede aan het
evaluatie-onderzoek.
Vervolgens vroeg de heer
Barendregt, of wij een vermindering
verwachten van de voorgestelde
heffing van 10% als gevolg van de
positieve effecten die het wetsvoor-
stel heeft op de economie en de
werkgelegenheid. De minister heeft
deze vraag reeds beantwoord.
De heer Schuyer vraagt naar de
toezeggingen aan de Tweede Kamer
met betrekking tot de ingediende
moties over de spaarloonregeling.
Het is gebruikelijk dat moties naar de
strekking worden uitgevoerd. Ik heb
daarbij echter wel de kanttekening
geplaatst in de Tweede Kamer, dat
zich daarvoor wel de budgettaire
mogelijkheid moet voordoen. Het is
allemaal in het licht van de budget-
taire mogelijkheden. De minister
heeft reeds aangegeven dat de door
de indieners verwachte ontwikkelin-
gen ook moeten plaatsvinden. Het
moet dus wel zo gaan zoals in de
moties wordt verondersteld. In de
motie van de heer De Korte werden
middelen aangewezen, namelijk
extra VPB-opbrengsten. Die moeten
zich dan ook daadwerkelijk voordoen
en kunnen worden toegeschreven
aan die ontwikkeling. In algemene
zin is het zo dat wij aangenomen
moties naar letter en geest uitvoeren.
De heer Schinck vroeg, of het
allemaal wel zo verstandig en nodig
was. Wij hebben natuurlijk een
afweging gemaakt van de voor- en
nadelen. Ik moet eerlijk zeggen dat
het niet mijn leukste opdracht was
die op dat moment aan de orde was.
Niettemin denk ik dat het, gegeven
de feitelijke omstandigheden, een
overdacht besluit was. Het moet ook
bezien worden in relatie tot andere
maatregelen die wij hebben moeten
nemen en dat mis ik wel eens. Er
vinden pijnlijke ombuigingen plaats.
Er moeten prioriteiten worden
gesteld. Een van de prioriteiten was
het budgettaire beeld. Wij moesten
de zaak op orde brengen. 

</spreker>
<spreker pagina="12-449" anker="416" partij="PvdA" naam="Schinck">
 Het kabinet
voert een beleid waarin lasten-
verlichting heel hoge prioriteit heeft.
Nu constateert men dat werkgevers
en werknemers daarop een groter
voorschot hebben genomen dan
werd gedacht, namelijk 400 mln. Wat
is dan logischer dan te stellen, dat de
mensen reeds meer dan verwacht
geprofiteerd hebben van de
lastenverlichtingen en het te
verrekenen in plaats van een nieuwe
regeling te bedenken? 

</spreker>
<spreker pagina="12-449" anker="417" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Ik wil
daarbij een kanttekening plaatsen.
Het ging hier om een specifieke
lastenverlichting. Ik heb die
benadering die de heer Schinck
voorstelt, ook in de Tweede Kamer
gehoord. Dan had het misschien
afgehaald moeten worden van de
algemene lastenverlichting die nu
wordt toegepast aan de onderkant. Ik
denk echter dat dit een minder
evenwichtig beeld zou hebben
gegeven, want dat betreft de hele
linie, terwijl het hier gaat om een
specifieke lastenverlichting.
Er wordt ook wel gezegd, dat wij
in deze regeerperiode met lasten-
verlichting komen voor het midden-
en kleinbedrijf. Had het daarvan dan
niet afgehaald kunnen worden, zo
wordt wel gevraagd. Als wij het
daarvan afgehaald hadden, zouden
wij naar mijn mening heel veel
kritiek gehad hebben. Dat is
natuurlijk allemaal in de afweging
betrokken. Ik vind dat wij de juiste
afweging hebben gemaakt.
De heer Schuyer is teruggekomen
op de dekking die aan de spaar-
regelingen ten grondslag lag. Het
ging niet uitsluitend om een
geschenkenregeling. Het ging ook
om een beperking van de jubileum-
regeling en een afschaffing van de
winstdelingspaarregeling. Die lagen
er ook aan ten grondslag.
De heer Stevens vroeg zich af, of
een spaarloon dezelfde effecten kan
hebben als een verhoging van het
arbeidskostenforfait. Ik weet niet of
hij daarvoor een voorkeur had, want
hij sprak over administratieve
rompslomp. Ik moet hierbij een
kanttekening plaatsen. Ik heb nooit
begrepen – en ik heb enige ervaring
met deze regeling, ook in de praktijk
– dat er sprake is van administratieve
rompslomp. Als dat echt het geval
zou zijn, zouden er geen 2 miljoen
mensen aan meedoen. Ik merk
gewoon dagelijks dat de regeling
buitengewoon populair is. Daarom
sta ik hier ook om haar aan te
passen. Het is echt niet zo ernstig als
de heer Stevens veronderstelt. Ik heb
begrepen uit het advies dat men
buitengewoon tevreden is over de
regeling. Het kan ook niet vergeleken
worden met het forfait. Het forfait
geldt in principe voor iedereen, dat
moeten wij ons wel realiseren. Over
forfaits wordt niet onderhandeld,
zoals de heer Stevens weet. Het is
hem bekend – het staat ook in de
stukken – dat spaarloonregelingen,
winstdelingsregelingen en premies-
paarregelingen een belangrijke rol
hebben gespeeld in CAO-overleg. Er
zijn analyses, zoals ook genoemd in
de Kamer, die kenbaar maken dat de
regeling heeft geleid tot loonmati-
ging en heeft bijgedragen tot behoud
van werkgelegenheid, etcetera. Ik
ben het op dat punt dan ook oneens
met de heer Stevens, wanneer hij die
vergelijking maakt en bovendien
opmerkt dat de regeling administra-
tief bewerkelijk zou zijn. Het hangt
helemaal af van de vormgeving die
het bedrijf kiest.
Ik kom bij de pensioen-
problematiek, ook in het kader van
de brede herwaardering. De heer
Hilarides heeft een vraag gesteld
over het afkoopregime in andere
landen. Laat ik beginnen met een
meer algemene opmerking. Het is
natuurlijk de bedoeling – dat is het
kenmerk, het karakter van zo’n
regeling – dat een pensioenregeling
tot uitkering komt. Er worden geen
pensioenregelingen ontworpen in dit
land of waar ook ter wereld om
afgekocht te worden. Het is altijd de
bedoeling dat het pensioen keurig
regulier tot uitkering komt. Ik zeg dit,
omdat ik in toenemende mate in de
vakpers allerlei beschouwingen lees
over de voordelen van afkoop en
over constructies die erop gericht
zijn om afkoop mogelijk te maken.
Als je kijkt naar de fiscale begelei-
ding van de pensioensystemen in het
buitenland, krijg je een buitenge-
woon divers beeld. In Duitsland zie je
bijvoorbeeld geen opbouw van een
fiscale claim. Engeland kent een
systeem met een heffing bij het
pensioenfonds. Als je Nederland
vergelijkt met het buitenland, dan zie
je dat wij in de opbouwfase een
soepel fiscaal regime hebben met
een relatief ruime facilie¨ring. Als je in
de opbouwfase een ruime facilie¨ring
biedt, dan ligt het ook voor de hand
dat je verwacht dat het tot uitkering
komt en vervolgens bij de uitkering
onderworpen is aan belastingheffing.
Dat is ons systeem. Je moet
natuurlijk streven naar een zeker
evenwicht. Die benadering is ook
gekozen in de fiscale begeleiding.
Dat willen wij graag zo houden.
Dan zie ik hele beschouwingen
over de vraag wat er fiscaal gebeurt
als er afgekocht wordt. Afkoop is
verboden, tenzij het toegelaten is. Ik
heb dan ook geen behoefte aan al
die beschouwingen wat er daarna
gebeurt. Het is gewoon verboden,
punt uit. Ik zal het straks hebben
over de vraag of je het goedvindt,
maar op dit moment geldt een
afkoopverbod.
De heer Stevens heeft een zin
geciteerd van 208 woorden.
Inderdaad, het ging over artikel 5,
onderdeel b. Hij heeft gelijk dat wij
moeten streven naar goed leesbare
en heldere teksten. Ik had de tekst
overigens niet voor mij liggen, maar
ik kon hem buitengewoon goed
volgen. Ik wist ook waar het over
ging toen hij het voorlas. Hij droeg
het zo goed voor dat ik opeens voor
mij zag wat hij bedoelde. Ik kende de
regeling ook nog, dus ik dacht dat
het allemaal wel meeviel. Ik vond het
ook een kunststukje dat hij de hele
tijd de klemtoon op de goede wijze
legde. Maar alle gekheid op een
stokje, het is niet de bedoeling. Ik
hoef de heer Stevens echter niet uit
te leggen dat ik nog nooit heb
gemerkt dat de adviespraktijk met
deze bepaling problemen heeft
gehad. Het gaat namelijk om een
subjectieve vrijstelling. Ik kan u
verzekeren dat men daar nooit
problemen mee heeft in de
adviespraktijk. Bovendien heeft dit
kabinet andere prioriteiten dan het
aanpakken van alle zinnen van meer
dan 50 woorden.
De heer Stevens, de heer Hilarides
en de heer Schuyer hebben vragen
gesteld over de relatie tussen de
PSW en de fiscale wetgeving. Deze
problematiek is aan de overzijde
uitvoerig aan de orde geweest, ook
in een gezamenlijk optreden met
mijn collega van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, de heer Linscho-
ten. Wij hebben toegezegd dat wij
die relatie tussen de PSW en de
fiscale wetgeving zullen bezien. Wij
hebben voorts gezegd – het staat ook
in de stukken – dat wij een integrale
benadering niet afwijzen. Nu is mij
op een prikkelende wijze voorgehou- den: bent u niet bevreesd dat uw
collega van Sociale Zaken maatrege-
len neemt die fiscale consequenties hebben? Dat proef ik uit het betoog:
dat je opeens wakker wordt en dat
de collega van Sociale Zaken
maatregelen heeft genomen die
fiscale consequenties hebben. Ik heb
aan de overzijde al gezegd dat ik het
mij niet kan voorstellen. Het overleg
is zo goed en de afstanden zijn zo
klein dat ik het mij gewoon niet kan
voorstellen dat de collega van
Sociale Zaken maatregelen neemt
die fiscale consequenties hebben. Er
vindt afstemming plaats. Wel is de
PSW op dit moment onderwerp van
onderzoek. Wij zijn ook bezig de
relatie in beeld te brengen en
eventuele knelpunten op te lossen. Ik
heb in ieder geval niet de vrees dat
de collega van Sociale Zaken
maatregelen met fiscale consequen-
ties neemt.
De heer Stevens heeft gevraagd
naar de terugwerkende kracht bij het
afschaffen van de lineaire methode.
Het verheugt mij dat hij het in ieder
geval met mij eens is dat er geen
sprake is van formele terugwerkende
kracht. Iets anders is of in de
toekomst nieuwe fiscale consequen-
ties mogen worden verbonden aan
feiten die ook met het verleden te
maken hebben. Als dat niet zou
mogen, dan zijn wij natuurlijk
buitengewoon snel klaar. Dan moet
ik nooit meer komen met welke
fiscale wetgeving dan ook. Je zal
maar ondernemer zijn, je zal maar
starter zijn. Dan denk je dat de
zelfstandigenaftrek een bepaald
bedrag is. Je bent helemaal gestart,
je bent druk bezig en vervolgens kan
het voorkomen dat de zelfstandigen-
aftrek een paar jaar later om welke
reden dan ook wordt verlaagd. Dat is
dus geen terugwerkende kracht.
Hetzelfde geldt voor tarief-
wijzigingen, etcetera. Het geldt voor
talloze maatregelen. Er zijn uitvoe-
rige debatten over gevoerd, ook in
dit huis, waaruit duidelijk blijkt dat
het hierbij gaat om de formele
terugwerkende kracht. Formele
terugwerkende kracht was en is
volgens dit huis niet acceptabel. Ik
verwijs naar de Handelingen van de
Eerste Kamer van 2 oktober 1990,
blz. 1-20 en volgende. Toen is heel
duidelijk die discussie gevoerd. Ik zie
dat er enige verwarring bestaat in dit
huis, omdat ik citeer uit de Handelin-
gen. 

</spreker>
<spreker pagina="12-451" anker="418" partij="GroenLinks" naam="De Boer">
 Daar
kijken wij nooit naar. 

</spreker>
<spreker pagina="12-451" anker="419" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 O, is dat
het probleem. Dan is het een
voordeel dat ik dat wel doe, als het
mij uitkomt. Ik zal het nog een keer
voorlezen, want ik vind het buitenge-
woon verrassend. Ik verwijs de heer
Stevens naar de Handelingen van de
Eerste Kamer van 2 oktober 1990,
blz. 1-20 en volgende. Toen is
gediscussieerd over deze problema-
tiek en de criteria die gehanteerd
worden. Ik ben van mening dat het
wetsvoorstel in overeenstemming is
met de criteria die daar geformuleerd
worden.
Bovendien heeft de heer Stevens
een suggestie gedaan voor een
andere methode dan de gekozen
bevriezingsmethode. Het zal hem
duidelijk zijn dat zijn methode duurder is. In feite zegt hij: laat
reservering toe tot een bepaald punt
is bereikt. Ik heb laten becijferen wat
zijn suggestie kost; de minister hoeft
niet mee te luisteren, want anders
loopt hij weg. Het kost in 1995 op
structurele basis zo eventjes 140 mln.
Daar zijn wij niet voor. Mijn minister
zegt mij dat dat zonde van het geld
is en dat is ook zo, zeker ook gezien
het feit dat het wetsvoorstel dat er
nu ligt enerzijds dekking geeft, en
anderzijds leidt tot een verruiming
van de ondernemingsvrijstelling. Ik
denk niet dat de heer Stevens
beoogt, op dat punt een gat te
schieten in de budgettaire dekking.
Dat betekent ook dat we geen
voorstander zijn – ik zeg dat
nadrukkelijk – van de methode die hij
suggereert.
De heren Schuyer en Stevens
hebben een vraag gesteld over de
achterstelling van pensioenrechten,
waarbij zij gewezen hebben op de
mogelijke problematiek. Deze kwestie
is natuurlijk al eerder aan de orde
geweest. Wij hebben op dat punt in
de wetgeving maatregelen getroffen
in artikel 11c, eerste lid, onderdeel b,
van de Wet op de loonbelasting. Het
is natuurlijk heel duidelijk – dat weet
de heer Stevens ook – dat het niet zo
kan zijn dat de fiscale claim die rust
op de pensioenopbouw, op enigerlei
wijze verdwijnt, bijvoorbeeld naar de
bank. We moeten daar dus maatre-
gelen voor nemen. Dat is ook een
beetje de achtergrond van die
bepaling. Er is gevraagd om een
toezegging op dat punt, maar daar
ben ik buitengewoon voorzichtig
mee. Wij moeten in ieder geval
voorkomen dat de zaak weer wordt
opgerekt voor gevallen die op
zichzelf weinig ree¨le betekenis
hebben. We moeten voorkomen dat
er oneigenlijk gebruik optreedt. Wel
zeg ik toe dat ik bereid ben, in de
praktijk die ontwikkeling te volgen.
Als het echt noodzakelijk is, ben ik
bereid dat in de uitvoeringssfeer
nader te bezien. Verder wil ik niet
gaan; dat zou niet juist zijn, ook
gezien de discussie in de Tweede
Kamer op dat punt.
De heer Stevens heeft een vraag
gesteld over de proceskosten-
vergoeding en het gemeenschaps-
recht, waarbij hij verwees naar het
arrest-Frankovich en het Marshall-
arrest. Ik heb dat bekeken, en naar
mijn oordeel gaat er van die arresten
geen effect uit op de regeling die wij
in Nederland hebben getroffen voor
de proceskostenvergoeding. Ik wijs
erop dat het in deze arresten ging
om vergoedingen in de sfeer van het
niet goed of te laat implementeren
van wetgeving. Ik denk ook niet dat
je dat zonder meer kunt doortrekken
naar de wetgeving die wij hebben in
de sfeer van de proceskosten-
vergoeding.
Overigens ben ik van mening dat
wij niet al te gemakkelijk die arresten
heel ruim moeten uitleggen en er
onmiddellijk gevolgen aan moeten
verbinden voor het nationale recht.
Het valt mij op dat dat nogal eens
gebeurt als het gaat om het
wegnemen van wat wordt gezien als
minder noodzakelijke beperkingen.
Die arresten krijgen dan een uitleg
alsof ze op zichzelf adequate
Nederlandse regelgeving oprekken.
Ik vind dat we voorzichtig moeten
zijn met het zonder meer doortrek-
ken.

De vergadering wordt van 16.10 uur
tot 16.25 uur geschorst. 

</spreker>
<spreker pagina="12-451" anker="420" naam="De voorzitter">
 Voor de tweede
termijn van de zijde van de Kamer is
ingeschreven voor een spreektijd van
45 minuten. Ik zou erop aan willen
dringen dat een ieder iets korter
spreekt dan opgegeven, wat volgens
mij mogelijk is.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-451">

 
<spreker pagina="12-451" anker="421" partij="CDA" naam="Stevens">
 Voorzitter!
Ik wil de bewindslieden graag
bedanken voor hun zeer uitgebreide
beantwoording van alle vragen die
zijn gesteld. Ik had soms zelfs de
indruk dat er vragen werden
beantwoord, die niet gesteld waren.
Kortom, het was voor ons een
boeiende en leerzame introductie
van de gedachten die leven in dit
kabinet, ook op fiscaal gebied. Ik zou
de bewindslieden met de voorne-
mens die zij hebben, of dat nu gaat
per commissie of buiten commissies,
buitengewoon veel succes willen
toewensen. Wij zullen graag de
vruchten van hun inspanningen
nauwlettend blijven volgen. Ik heb
dan ook maar enkele heel korte
reacties op de punten die naar voren
zijn gebracht. Ik zou in algemene zin
iets willen zeggen over de wijziging
van de vermogensbelasting, waar
het gaat om de ondernemings-
vrijstelling, en ik wil nog een enkele
kanttekening maken bij de brede
herwaardering.
In de memorie van antwoord is
aan de orde gekomen de toepassing
van de vrijstelling voor AB-pakketten.
De staatssecretaris heeft daarbij
opgemerkt dat hij ter zake een heel
eind kan meegaan met de conclusies
van Blokland in het Weekblad voor
Fiscaal Recht van 8 december 1994.
Ik wil graag van de staatssecretaris
een nadere verduidelijking hebben
op dat punt. Meer is niet nodig. Als
ik Blokland goed interpreteer en als
ik de conclusie van zijn artikel over
artikel 8, lid 6b, van de Wet op de
vennootschapsbelasting kort
samenvat, zijn systeem en strekking
van de wet als volgt. Uitgezonderd
van de vrijstelling zijn belangen in
beleggingsinstellingen, als beschre-
ven in artikel 28 van de Wet op de
vennootschapsbelasting, en
belangen in materie¨le beleggings-
maatschappijen, als bedoeld in
artikel 8, zesde lid, onderdeel b, van
de Wet op de vennootschaps-
belasting. Uit de wetshistorie blijkt
dat de uitzondering wat de materie¨le
beleggingsmaatschappijen betreft,
beperkt is tot NV’s en BV’s, die zijn
opgericht om particuliere beleggin-
gen te omvatten en die ook niets
anders willen doen. Deze NV’s en
BV’s – dat zijn veelal bancaire
groeifondsen en identieke groeifond-
sen waarvan men groot-
aandeelhouder is – zijn uitgezonderd
van de vrijstelling, plus uiteraard de
boven zulke lichamen staande
holdings. Alle andere lichamen – dat
zijn dus alle andere werkmaatschap-
pijen en holdings – kwalificeren wel
voor de vrijdom ondernemings-
vermogen vermogensbelasting. De
staatssecretaris heeft gezegd dat hij
een eind mee kan gaan met deze
conclusie van Blokland, zoals ik hem
samenvat. Ik zou graag vernemen of
hij deze conclusie, die gebaseerd is
op systeem en strekking van de wet,
nog steeds onderschrijft. Ik heb voor
mijzelf eens geprobeerd, die
conclusie te illustreren aan de hand
van een enkel voorbeeld uit de
praktijk. Neem een werkmaatschappij
die ’’excess cash’’ of reserves heeft
die niet rechtstreeks nodig zijn voor
de bedrijfsvoering. Als de vennoot-
schap deze behoudt kwalificeert de
werkmaatschappij, indien direct
gehouden, of de holding die
daarboven staat, voor de vrijstelling,
zo is mijn interpretatie. Zou die
werkmaatschappij nu de reserves
uitdelen aan de holding die ze als
dividend al dan niet tijdelijk
aanhoudt, dan kwalificeert de
holding voor de vrijstelling. Stel dat
de holding het dividend van zijn
werkmaatschappij belegt in een
aparte materie¨le beleggingsmaat-
schappij, dan verliest de holding niet
haar vrijstelling voor haar belang in
de werkmaatschappij. Zou zij het
dividend reserveren voor haar
’’kriegskasse’’, bijvoorbeeld voor
toekomstige overnemingen, maar
geen geschikt investeringsproject
kunnen vinden, dan vervalt de
vrijstelling niet. Dit was een korte
toelichting op de toepassing van de
vrijstelling, ten einde te voorkomen
dat er nog discussies komen over de
vraag of er meerdere categoriee¨n zijn
die niet onder de vrijstelling zouden
vallen, dan de twee die ik heb genoemd: beleggingsinstellingen als
bedoeld in artikel 28 Wet-Vpb en de
materie¨le beleggingsinstellingen die
bedoeld zijn in artikel 8, zesde lid,
onderdeel b, van de Wet-
vennootschapsbelasting.
Ik ga nu over naar de brede
herwaardering. Er waren een drietal
onderwerpen waar ik aandacht voor
had gevraagd. De staatssecretaris
heeft mij erop gewezen dat er een
dermate goed contact bestaat met
het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, dat hij zich niet
kan voorstellen dat uit die hoek
maatregelen zouden kunnen worden
genomen met fiscale consequenties,
waar hij niet vooraf een stokje voor
heeft gestoken. Ik neem dat graag
voor kennisgeving aan. Ik had
uiteraard ook niet anders verwacht,
maar ik wil toch herhalen dat het de
bedoeling is dat er geen oneigenlijk
gebruikt wordt gemaakt van de PSW
om een niet bedoeld gebruik van
pensioenfaciliteiten in de belasting-
wetgeving tegen te gaan. Daarvoor
hebben wij de belastingwetgeving en
daar horen dat soort maatregelen
thuis. Ik begrijp dat de bewindsman
deze visie onderschrijft. Als dat niet
zo is, hoor ik dat nog graag van hem.
Verder heb ik aandacht gevraagd
voor de overgang naar het actuarie¨le
systeem voor directeur/
grootaandeelhouders die tot nu toe
de lineaire methode hebben gevolgd.
Ik heb de mogelijkheid aangereikt
om een optie te introduceren voor
betrokkenen om gebruik te maken
van hetzij de bevriezingsmethode,
hetzij de methode die onzerzijds is
voorgesteld, waarbij men, weliswaar
op basis van de actuarie¨le methode
toch reeds mag beginnen met
dotaties na 1 januari 1995. De
staatssecretaris wijst erop dat hier
dan sprake zou zijn van een groot
budgettair gat – dat betreft een
bedrag van 140 mln. in 1995 – en
meldt dat de minister dat niet goed
zou keuren. Ik hoor nu een gelach
opkomen vanachter de regeringsta-
fel. Dat is een duidelijk en eerlijk
antwoord en dat stel ik bijzonder op
prijs, want dat is toch wel heel wat
anders dan de discussie over formele
of materie¨le terugwerkende kracht.
Dit is heldere taal. Ik moet toch
zeggen dat de gehele budgettaire
invulling van de vrijstelling voor mij
nu langzaam maar zeker in nevelen
is gehuld. Ik heb begrepen dat toen
de staatssecretaris en zijn collega
van destijds, de heer Vreugdenhil,
begonnen aan een initiatiefvoorstel,
er 250 mln. nodig was om de gehele
vermogensbelasting af te bouwen.
Nu zou het 140 mln. kosten om over
te gaan op een beperkt systeem van
toepassing van de actuarie¨le
methode. De rekenkunde ontgaat mij
op dit moment, maar het antwoord
is duidelijk. Onze optie, die ongetwij-
feld sympathiek bij de staatssecreta-
ris is overgekomen, is om budget-
taire redenen niet uitvoerbaar.
Het voorwerp worden van
zekerheid vind ik een belangrijk punt.
Ik heb de indruk dat er misverstan-
den zijn. Ik hoop dat wij die weg
kunnen nemen. Wat is er aan de
hand? Artikel 11, lid 1, onderdeel c,
van de Wet op de loonbelasting
bepaalt dat indien op enige tijdstip
een aanspraak ingevolge een
pensioenregeling of VUT wordt
afgekocht, vervreemd, dan wel
formeel of feitelijk voorwerp wordt
van zekerheid, belastingheffing gaat
plaatsvinden, aangezien de aan-
spraak dan zal worden aangemerkt
als loon uit vroegere dienstbetrek-
king. Wat is de situatie op de dag
van vandaag? Alle midden- en
kleinbedrijven worden geconfron-
teerd met financiers die maximale
zekerheden vragen en pensioenen en
pensioenreserves voorwerp van
zekerheid maken.
Wij krijgen nu de situatie dat door
deze heel harde, vrij meedogenloze
regel, althans zoals die nu is
geformuleerd, nieuwe starters op
een achterstand komen wat hun
financiering betreft met starters en
oudere ondernemers die voor 1
januari al financieringsafspraken
hadden gemaakt met hun financiers.
Bovendien is er een andere realiteit,
waar ik toch de aandacht voor wil
vragen. Er zijn natuurlijk afspraken
gemaakt met banken. Veel van die
afspraken houden hoofdelijke
aansprakelijkheid in voor de
directeur/grootaandeelhouder. Mijn
interpretatie is dat iemand die een
dergelijke brief tekent, eigenlijk al
voldoet aan de bepaling van artikel
11, lid 1, onderdeel c, van de Wet op
de loonbelasting en daarmee al
meteen in de strafsanctie valt. Dat
kan echter nooit de bedoeling zijn
van dit artikel, maar het is volgens
mij wel de consequentie. Ik zie twee
mogelijkheden. Iemand kan worden
gedwongen zijn pensioenvoorziening
mede tot zekerheid te stellen om
financiering te krijgen om zijn bedrijf
op te bouwen, uit te bouwen of in
stand te houden. Als dat goed gaat,
krijgt hij een pensioen. Hij gaat niet
weg en koopt het niet af. Hij krijgt
pensioen, wanneer hij met pensioen
gaat. Einde oefening! Of het gaat
slecht en de man gaat failliet. De
pensioenvoorziening is dan weg. Als
hij deze tot zekerheid had gesteld,
wordt hij zelfs nog geconfronteerd
met die heffing van artikel 11, lid 1,
onderdeel b. Ik hoor graag de visie
van de staatssecretaris hierop. Hij
heeft een beperkte toezegging
gedaan, in die zin dat hij de praktijk
wil volgen en als er hardheid
optreedt, zeker bereid is daarnaar te
kijken. Ik stel dat bijzonder op prijs,
maar ik wil hem toch verzoeken om
het nauwlettend te volgen. Ik heb
namelijk de indruk dat hier toch een
barrie`re wordt geschapen voor
startende ondernemers, die wel eens
groter zou kunnen zijn dan wij op dit
moment vermoeden. Verder ben ik
het met de staatssecretaris eens dat
wij moeten voorkomen dat er
misbruik wordt gemaakt. Ik kan niet
zo snel verzinnen wat dat misbruik
zou kunnen zijn. Op dat punt volg ik
de staatssecretaris volledig en
zonder voorbehoud, maar laten wij
proberen de starters in dit land
kansen te geven, ook ten opzichte
van de bankiers.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-453">

 
<spreker pagina="12-453" anker="422" partij="PvdA" naam="Schinck">
 Voorzitter!
Ik sluit mij graag aan bij de woorden
van waardering door de vorige
spreker geuit aan het adres van de
minister en staatssecretaris voor de
wijze waarop zij niet alleen uitput-
tend, maar ook inhoudelijk gedegen
antwoord hebben gegeven op de
vragen. Dat ik nog een aantal
opmerkingen maak, heeft veeleer te
maken met de verheldering van
standpunten, zoals die in eerdere
termijnen naar voren zijn gebracht.
Bij de ouderenaftrek heb ik een
kritische kanttekening geplaatst,
ingegeven door het feit dat de
overheid wel eens tegengeworpen
wordt dat men niet voor ieder
probleem een oplossing en een
nieuwe regeling moet bedenken. Is
dat hier nu ook niet gebeurd, gelet
op het feit dat de groep waarvoor
het bedacht is, geen homogene
groep is, als wij een voor de
belastingwetgeving zeer belangrijk
criterium in ogenschouw nemen,
namelijk de draagkracht? Dat was
namelijk de achterliggende gedachte.
Oud is gelukkig niet per definitie
arm. De heer Schuyer dacht uit onze
bijdrage in de schriftelijke voorberei-
ding onze wens voor een verfijning
te kunnen halen. Niets is echter
minder waar. Oud is niet per definitie
arm en arm is niet per definitie oud.
In de discussie in de Tweede Kamer
heeft de heer Rabbae een motie
ingediend, waarin hij de gehandicap-
ten naar voren bracht. Dat geeft al
het hellende vlak aan, waarop wij
ons hier bevinden. Hoe terecht het is
dat sommige groepen hun proble-
men naar voren brengen, het kan
niet zo zijn dat wij steeds een nieuwe
regeling bedenken, waarvan het nog
maar de vraag is hoe lang die zou
moeten gelden.
Ik heb over de werknemersspaar-
regeling nog een vraag, hoewel ik
mij kan voorstellen dat de staatsse-
cretaris die niet kan beantwoorden.
Het is mij bekend dat werknemers-
spaarregelingen in nogal wat
bedrijfstakken niet gebruikt worden
om in CAO-onderhandelingen
loonmatiging te bevorderen, maar
om de beloning te flexibiliseren. Er is
een hele discussie op gang gekomen
om werknemersspaarregelingen te
gebruiken om het ziekteverzuim te
drukken. Met andere woorden, de
premie wordt afhankelijk gesteld van
het aantal dagen dat je afwezig bent
op je werk. Als daar gegevens over
zijn, wil ik die graag vernemen.
Over het belastingplan en de
studie naar de mogelijkheid om de
aftrekbaarheid van consumptieve
rente te beperken, het volgende. De
conclusie is de volgende. Ook in
deze Kamer is de relatie naar voren
gebracht tussen consumptieve rente
en hypotheekrente. Als de staatsse-
cretaris zegt dat de aftrekbaarheid
van de hypotheekrente niet aan de
orde is, sluit hij de discussie over de
mogelijkheden van de aftrekbaarheid van consumptieve rente. Sterker nog:
in mijn eerste termijn heb ik al
gezegd in dat geval geen studie
nodig te hebben. De burger maakt
ook geen verschil. Bij interruptie heb
ik gezegd dat dit altijd al zo geweest
is, maar nu in verhevigde mate. De
fiscus zou dat onderscheid ook niet
moeten willen maken. Hij moet dat
ook niet willen controleren, omdat
dat onbegonnen werk is. Wets-
technisch stuit je op het bezwaar dat
een zelfde goed in het ene geval wel
aftrekbaar is en in het andere niet.
Ik noem hetzelfde voorbeeld als de
heer Schuyer, namelijk de geluidsin-
stallatie. Als de rente op consumptief
krediet wordt afgeschaft dan
betekent dit dat als mijn zoon zo’n
geluidsinstallatie koopt, de rente niet
meer aftrekbaar is. Sommige
mensen willen in geen enkele
lokaliteit zonder muziek zitten. Bouw
je die geluidsinstallatie voor enige
tienduizenden guldens in een
bestaand of nieuw huis – ik ken die
mensen – dan is de rente wel
aftrekbaar. Er is ook een politiek
bezwaar, namelijk dat de staatssecre-
taris de verplichting heeft, de
burgers in dit land uit te leggen,
waarom een tweede woning wel
aftrekbaar is, maar niet een
tweedehands autootje. Ik wens hem
daarbij veel succes.
Het woord aftrekbaarheid van
hypotheekrente viel weer. De
verleiding is dan groot daarover nog
iets te zeggen. Ik ben daarin zeer
terughoudend. Ik heb daarover voor
het eerst in 1987 iets gezegd naar
aanleiding van de pogingen van het
toen zittende kabinet om de
subsidies in Nederland eens onder
de loep te nemen. De fractie van de
Partij van de Arbeid heeft toen
gevraagd dat bij alle subsidies te
doen, niet een uitgezonderd, dus ook
niet de aftrekbaarheid van de
hypotheekrente.
De aftrekbaarheid van de
hypotheekrente is voor de tweede
keer aan de orde geweest bij de
discussie over het huurwaardeforfait.
Toen is alles op tafel gekomen wat er
op dat gebied aan kennis en aan
regelingen in Europa bestaat. Een
krant schreef toen dat de heer
Schinck een steen gooide door de
ruiten van het laatste heilige huis dat
wij in Nederland hadden. Alles is dus
al gezegd. Toch wil ik nog een paar
opmerkingen maken.
Als wij in Europa alle regelgeving
harmoniseren – wij bespreken dat
ten minste een keer per maand in dit
huis – waarom dan niet de aftrek-
baarheid van de hypotheekrente? In
Europa is niet aangetoond dat
limitering van de aftrekbaarheid van
hypotheekrente zou leiden tot
ernstige effecten voor het eigen- woningbezit. Sterker nog: het
eigen-woningbezit binnen de
Europese Unie is nergens zo laag als
in Nederland. Dat heeft ook te maken
met andere incentives van de
Nederlandse overheid, met name
voor huurders. Je hebt naar mijn
mening meer te maken met
aankondigingseffecten. Niemand
heeft ooit beweerd, de aftrekbaarheid
van de hypotheekrente te willen
afschaffen. Wij denken alleen aan
limitering. Je zou moeten werken
met lange overgangstermijnen en
met eerbiedigende werking. Andere
landen hebben ook mogelijkheden
om het eigen-woningbezit fiscaal te
bevorderen zonder de nadelige
effecten van ons systeem. Naar die
mogelijkheden zou ook gekeken
moeten worden.
Voorzitter! Nou heb ik toch weer
gezondigd.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-454">

 
<spreker pagina="12-454" anker="423" partij="GroenLinks" naam="De Boer">

Voorzitter! Ook ik dank de heren
achter de regeringstafel voor de
beantwoording. Zij was helder en
tamelijk volledig. Dat heeft het
voordeel dat de tweede termijn zeer
bekort wordt. Het heeft het nadeel
dat zo’n antwoord wel heel lang
duurt. Het is altijd schipperen.
Ik stel vast dat de thema’s
kapitaaldienst en het overgaan op
een systeem van baten en lasten wel
op de agenda staan, maar op dit
moment niet zo’n hoge prioriteit
hebben. Ik geloof dat ik dat wat
jammer moet vinden.
Ik heb de vraag gesteld of het
netto-vermogen van de Staat nu
feitelijk op 180 mld. negatief gesteld
moet worden of op 70 mld. zoals in
de stukken staat. Ik zag graag voor
de geschiedschrijving bevestigd dat
de afgelopen 13 jaar circa 150 mld. –
dat is de daling van het netto-
vermogen – aan lasten is doorge-
schoven naar de volgende genera-
ties. Het is wel belangrijk, dat vast te
leggen.
Ik wil graag onderschrijven wat
collega Schinck gezegd heeft over
het specifiek selectieve karakter van
de ouderenaftrek. Ook ik vind dat
een probleem voor andere groepen
die op achterstand staan in deze
samenleving.
Ik heb een pleidooi gehouden om
grote operaties waarbij zeer veel
mensen betrokken zijn, met name
mensen in kwetsbare situaties, niet
meer via het circuit van de proef-
ballonnen te laten verlopen, zeker
niet van regeringswege. Dat zou
moeten gebeuren door zorgvuldig na
te denken om vervolgens met goed
overwogen concrete plannen naar
buiten te komen. Ik neem aan dat de
regering dit ook van plan is. Ik
onderstreep het nog maar even. Dat
zou bijvoorbeeld moeten gebeuren
bij de AOW. De minister heeft
gezegd dat de AOW ongetwijfeld bij
de herijking van de sociale zekerheid
aan de orde zal komen. Wij wachten
die discussie af.
De minister heeft gezegd
voornemens te zijn de VUT voor
ambtenaren in deze regeringsperiode
af te schaffen. Ik heb gevraagd naar
de VUT in het algemeen, maar de
regering spreekt speciaal over de
ambtenaren. De bonden zullen
daarover nog wel wat te pruttelen
hebben. Voor dit debat vind ik het
belangrijk dat er duidelijkheid
geschapen wordt over de vraag of er
nog aan een overgangsperiode
gedacht wordt. Wordt iemand van 59
plotseling geconfronteerd met het
feit dat de VUT niet doorgaat,
waarvoor hij door zijn werkgever al
naar een cursus is gemotiveerd om
te leren hoe hij zich daarna in het
leven moet ophouden? Naar mijn
smaak behoort er een redelijke tijd te
liggen tussen het definitieve plan en
de feitelijke effectuering, zodat de
mensen daarmee rekening kunnen
houden. Een duidelijke overgangs-
regeling zouden wij ook op prijs
stellen.
Ik dank de minister voor zijn
beschouwing over een basisinko-
men. Bij de discussie over de
toekomst van de sociale zekerheid
zal dat basisinkomen volop ter
sprake komen. Ik houd mijn
opvattingen daarover tot dat
moment voor mij. Zij zullen
trouwens ook wel een beetje bekend
zijn.
Ik vond de uitspraken van de
staatssecretaris over de BTW-
constructies belangwekkend. Het lijkt
mij voor de belanghebbenden en dat
zijn vooral gemeenten en
woningbouwcorporaties goed om de
conclusies nog eens even helder vast
te leggen.
1. De constructie wordt aangepakt. Lees: onmogelijk gemaakt, tenminste
als het aan de regering ligt.
2. Dat zal snel gebeuren.
3. Het zou buitengewoon
onverstandig zijn als gemeenten en
woningbouwcorporaties nu nog op
zo’n constructie gaan bouwen.
4. Het zou zelfs mogelijk zijn dat er
met enige terugwerkende kracht
gerepareerd gaat worden. Denkt de
staatssecretaris daaraan? Als ik dat
goed heb begrepen, hoe gaat dat
dan in zijn werk? Hij kent de
opvatting van deze Kamer over alles
wat met terugwerkende kracht te
maken heeft.
Als laatste noem ik de discussie
over de hypotheekrente. Van mij
mag de heer Schinck soms zoveel
zondigen als hij wil. Ik zal hem
daartoe zelfs aanmoedigen als dat zo
te pas komt. De discussie over de
hypotheekrente komt naar mijn
smaak geen steek verder. Ik vind dat
buitengewoon betreurenswaardig.
Als aan de financie¨le onderzijde van
de samenleving door allerlei
maatregelen grote groepen op het
minimumniveau gebracht worden of
blijven, als bij die positie mensen in
zeer matige woonsituaties moeten
leven, want dat hoort helaas vaak bij
die zwakkere positie en als het vrij
normaal is dat bij die lage inkomens-
positie mensen vaak meer dan 40%
van hun inkomen uit moeten geven
aan woonlasten, dan kan ik niet
uitleggen – ik vind dat persoonlijk
ook tamelijk geˆnant – dat ik met mijn
inkomen buitengewoon riant kan
wonen en met een hypotheek van
vier ton in het huidige systeem
uitkom op een netto-woonlast van
nog geen ƒ 1200 per maand. Ik ben
niet zo’n heilige dat ik geen gebruik
maak van de fiscale mogelijkheden.
Maar op dit punt schaam ik mij, dat
deze bevoordeling van mensen die
het in deze samenleving zeer goed
hebben, door een blokkade niet ter
discussie kan komen, ja dat zelfs het
denken daarover wordt stilgezet. Ik
vind dat van een niveau dit paarse
kabinet onwaardig. Ik begrijp die
blinde vlek niet. Het is mij volkomen
onduidelijk dat men absoluut niet
inziet dat, als men een draagvlak wil
cree¨ren voor een herijking van de
sociale zekerheid – en dat wil men –
en als men meer eigen verantwoor-
delijkheid en eigen initiatief in de
sociale zekerheid wil brengen, de
aftrek van hypotheekrente boven een
bepaald plafond – wat mij betreft
boven twee ton – daarbij een
belangrijk ijkpunt is. Als de aftrek
van die subsidie voor de beter
gesitueerden onbespreekbaar is, hoe
wil men dan bij de groepen met
lagere inkomens een groter
draagvlak cree¨ren voor een andere
inrichting van de sociale zekerheid?
Dat is mij niet uit te leggen. Ik vind
zoiets kortzichtig, onrechtvaardig en
eerlijk gezegd ook beschamend.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-454">

 
<spreker pagina="12-454" anker="424" partij="D66" naam="Schuyer">
 Voorzitter! Ik
dank de bewindslieden voor hun
beantwoording. Als dit de stijl is
waarin wij in de komende jaren gaan
discussie¨ren, kan het ook voor
niet-financie¨le specialisten in deze
Kamer een interessante tijd worden.
Dat werd mij in ieder geval
gisteravond meegedeeld.
Ik wil op vijf punten ingaan, twee
regarderen de minister en drie de
staatssecretaris. Ik begin met de
beschouwing die de minister heeft
gehouden over de negatieve
inkomstenbelasting. Hij heeft heel
nadrukkelijk gesteld – en ik denk dat
dit voor niemand een verrassing was
– dat wij daar de komende jaren nog
helemaal niet aan toe zijn. Hij heeft
erbij gezegd dat het een boeiend
verschijnsel is dat alle grote partijen
in dit land er zich mee bezighouden.
Als zodanig heeft zo’n bijdrage van
de minister over voor- en nadelen
natuurlijk betekenis. In dat opzicht
vraag ik hem of hij niet iets te
gemakkelijk het element verzekerin-
gen daarbij hanteert. Het is
theoretisch zeker denkbaar, maar ik
zie nog niet in dat het praktisch
uitvoerbaar is om het wegvallen van
inkomen bij het verlies van werk via
het betalen van een verzekeringspre-
mie te compenseren. Als dat wel
uitvoerbaar is, is het een element
van grote betekenis. Als de minister
dat mogelijk acht, denk ik dat hij de
discussie een heel eind verder kan
brengen wanneer hij daaraan een
iets fundamentelere beschouwing
besteedt en aan een aantal mensen
uit de verzekeringswereld vraagt om
dat vorm te geven.
Mijn volgende punt betreft de
opmerking van de minister dat hij
het met twee van mijn voorstellen
ten aanzien van de meevallers wel
eens is en met het derde niet. Ik zou
hem kunnen vragen, het met
tweee¨neenhalf voorstel eens te zijn.
Ik denk dat hij geen verdedigingslinie
heeft om dat niet te doen, want in
het regeerakkoord wordt een slag
om de arm gehouden ten aanzien
van de defensieprioriteitennota.
Daarom gaat het mij echter niet. De
minister moet mij niet misverstaan.
Er is ook met ons daarover op dit
moment helemaal niet te praten. De
universiteiten, om maar eens wat te
noemen, doen alles om het gelijk
van de politiek te bewijzen. Er is
helemaal geen reden om dat op dit
moment aan te kaarten. Wel wijs ik erop dat je regelmatig hoort: zijn wij
in het regeerakkoord ten aanzien van
die bezuiniging niet te kort door de
bocht gegaan? Ik ben er helemaal
niet aan toe om te zeggen dat dit het
geval is, maar als het moment komt
dat je dat vindt, moet je dat ook
ruiterlijk toegeven en moet je op dat
punt de zaken bijstellen. Dit maakt
het wat minder makkelijk om
oppositie te voeren en dat is een
nadeel, maar het zou wel een
bepaalde stijl geven, als je ook in de politiek zegt: wij hebben ons vergist
en laten wij daarnaar kijken.
Nogmaals, zover zijn wij niet.
Voorzitter! Mijn eerste opmerking
in de richting van de staatssecretaris heeft te maken met zijn uitspraak: als
je gaat sleutelen aan allerlei schijven
of de vermogensbelasting waarin 1,2
mld. omgaat, moet je constateren
dat dit geld kost; ik ben zeker niet
iemand die zegt dat wij dan maar
moeten komen tot lastenverlichting
of bezuiniging van de kant van de
overheid, want zo goedkoop zijn die
zaken meestal niet te verwerven. Dat
is juist. Het boeiende is dat wij
gisteren een omslag gemaakt
hebben in het denken. Het is heel
goed denkbaar in dat kader dat wij
qua belastingen meer in de richting
gaan van de indirecte sfeer en dat wij zeggen: wij cree¨ren daardoor
meer verlichting in de directe sfeer
en wij kunnen die inzetten. Ik denk
dat het verstandig is de som der
belastingen als uitgangspunt voor de
discussie te nemen en dat wij niet zo gemakkelijk moeten zeggen: de
overheid kan het wel goedkoper of
iets dergelijks.
Ik meen dat de hele discussie over
de consumptieve rente daarvan
onderdeel uitmaakt. De heer Stevens
heeft in de commissie die zijn naam
droeg na een jaar of twee droog opgemerkt: D66 is de enige die deze
opvattingen nog aanhangt. In de tijd
verglijdt alles, dus ik weet niet of ik
dat nog voor de volle 100% kan
waarmaken, maar er zitten wel
enkele componenten in die in deze
discussie heel waardevol zouden
kunnen zijn. Ik denk met name aan
het systeem van hypotheek-
renteaftrek. Ik kan mij voorstellen dat gezegd wordt: wij maken een
onbeperkte aftrek mogelijk van
hypotheekrente, maar dan op basis
van de eerste schijf. Dan ben je al
een heel eind. Ik vind het jammer dat
die discussie niet kan worden
gevoerd. Zo’n element geeft aan dat
je ook anders naar de vermogensbe-
lasting en de belastingschijven kan
kijken.
Voorzitter! Mijn derde opmerking
aan het adres van de staatssecretaris
sluit aan bij wat de heer Stevens ter
zake heeft gezegd. Ook ik maak mij
ongerust over de achterstelling van
de pensioenen. Ik heb niet helemaal
in beeld hoe het precies in zijn werk
gaat. Ik heb uit hetgeen staat op blz.
5 van de memorie van antwoord
begrepen dat alleen al het simpele
feit van de zekerstelling door een
bank betekent dat men geconfron-
teerd wordt met een naheffing. Als
dat waar is, denk ik dat dit geen
goede zaak is. Ik heb al gezegd dat ik
de zaak niet wil oprekken ten aanzien
van misbruik. Misschien is het
terecht – ik geef een mogelijkheid
aan, maar die zal wel afgeschoten
worden, want ik ben in dit opzicht een amateur – te zeggen: bij
faillissement zien wij daarvan af.
Naar dat soort elementen moet men
toch eens kijken. Het mag echt niet
gebeuren dat men, wanneer men die
zekerstelling heeft en naar eer en
geweten een bedrijfje gerund heeft
maar het niet gered heeft, ook nog
de rekening gepresenteerd krijgt van
deze achterstelling. Ik wijs de
staatssecretaris erop dat zijn
opmerking dat hij daarnaar wil kijken
mij wat mager lijkt.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-455">

 
<spreker pagina="12-455" anker="425" partij="SGP" naam="Barendregt">
 Mijnheer
de voorzitter! Gevraagd naar de
voorwaarden die hij stelde bij zijn
toetreden tot het kabinet, zegt de
minister dat hij geen enkele
voorwaarde heeft gesteld omdat het
regeerakkoord er al lag. Ik vind het
geweldig dat de formateurs het
beleid, dat nu door de minister en de
staatssecretaris wordt gevoerd,
kennelijk al op papier hadden
voordat de bewindslieden werden
gevraagd. Dat kan ik mij bijna niet
voorstellen maar het zal wel zo zijn. Ik zou tot de minister willen zeggen:
ga zo door, met de standvastigheid
die u hebt aangegeven en probeer er
inderdaad de hand aan te houden. Ik
denk overigens dat het nog
moeilijker is om de anderen ı`n de
hand te houden. Hoe dan ook,
voorzitter, stabiliteit is he`t kenmerk
van het beleid dat wij voorstaan en
wat dit betreft kan ik mij in de
werkwijze van de minister vinden.
Voor zover dat mogelijk is, zal ik
hieraan graag medewerking
verlenen.
Ik dank de bewindslieden hartelijk
voor hun uitvoerige beantwoording.
Niet alleen is vrijwel alles behandeld,
de beantwoording is inderdaad zeer
uitvoerig geweest. Ik stel het op prijs,
te onderstrepen dat ik daarvoor veel
waardering heb.
Een zaak waarop de minister niet
heeft gereageerd, is mijn opmerking
over het Europese werkgelegen-
heidsplan. Ik vind dit een zeer
belangrijke kwestie, mede gelet op
de bedragen die daarmee gemoeid
zijn. Daarmee zouden 15 miljoen
banen moeten worden ’’geschapen’’
voor de 18 miljoen werklozen die er
nu binnen de EU zijn. Welke
gevolgen heeft dit plan voor o`ns
land?
Verder heb ik aandacht gevraagd
voor de privatisering van de grote
projecten in ons land. De gedachte is
gelanceerd om dergelijke projecten
bij afzonderlijke wetgeving te
regelen. Ik zie dat als een vrij
scherpe wijziging van het tot nu toe
op dit terrein gevoerde beleid. Wat is
de visie van de minister hierop?
Voorzitter! Wat de inbreng van het
ABP betreft heb ik niet alleen gezegd
dat de heer Duisenberg bepaalde
bezwaren heeft, maar ik heb er ook
op gewezen dat de heer Duisenberg
van oordeel is dat die mogelijkheid
slechts betrekking kan hebben op
eenderde van het ABP-vermogen dat
in deze zin zou kunnen worden
aangewend. Onderschrijft de
minister deze stelling?
De staatssecretaris geeft, sprekend
over de eerste schijf, als zijn oordeel
dat de verhoudingen nu niet zo zijn
als de regering het graag zou willen
maar, zo zegt hij, het komt vanzelf
weer goed. Voorzitter, ik denk niet
dat het zo is, tenzij de regering nog
zulke belastingverzwaringen in petto
heeft dat langzamerhand het
percentage van de eerste schijf weer
gaat stijgen. Ik kan mij niet voorstel-
len dat da`t de bedoeling is omdat dit
in strijd zou zijn met het beleid dat
men voorstaat. Een andere mogelijk-
heid is dat de belastingen in de sfeer
van het milieu fors omhoog gaan en
er in die zin wordt gezorgd voor een
hoger percentage in de eerste schijf.
Waarop de staatssecretaris precies
doelt als hij zegt dat het wel weer
goed komt, ontgaat mij in elk geval.
Naar aanleiding van het wensen-
lijstje van VNO en NCW spreekt de
staatssecretaris over beperkte
middelen terwijl hij toch onder-
streept dat getracht moet worden om
tegemoet te komen aan de fiscale
concurrentie die in de EU zozeer is
toegenomen. De bewindsman
vermeldt in dit verband dat 0,5 mld.
is toegezegd. De vraag rijst of het
half miljard dat voor het MKB
beschikbaar is gesteld, inderdaad
moet worden ingezet om de
Nederlandse concurrentiepositie
binnen de EU te verbeteren. Als bij
dat bedrag ook fiscale tegemoetko-
mingen ten behoeve van het MKB
betrokken zijn, is 0,5 mld. niet veel
voor een zo grote sector.
Wat de Vamil betreft, voorzitter,
vind ik dat de regering erop moet
toezien dat voorkomen wordt dat
regelingen worden opgesteld die in
feite zijn toegesneden op het
systeem ’’wie het eerst komt het
eerst maalt’’. Dat kan toch geen
systeem zijn voor door de overheid
geboden tegemoetkomingen. Ik zou
het kwalijk vinden wanneer men
hiermee op grond van budgettaire
overwegingen zou stoppen met als
gevolg dat degenen die later komen,
niets krijgen.
In verband met de vermogensbe-
lasting heb ik de 50-50-norm
aangedragen voor beide hierbij in
het geding zijnde vermogens-
groepen. De staatssecretaris blijkt
hiervan geen voorstander te zijn
maar onduidelijk is of hij dit
standpunt inneemt op beleidsmatige
gronden of om budgettaire redenen.
Ik hoor graag welke argumenten in
dit verband voor hem gelden.
De spaarregeling was we`l
doordacht en weloverwogen. Ik denk,
voorzitter, dat hierover maar kort is
nagedacht... Overigens hoef je niet
altijd lang te denken om iets goeds
te bedenken. Hoe dan ook, ik heb
erop gewezen dat door dergelijke
ontwikkelingen het wantrouwen van
de burger ten opzichte van de
overheid zal worden gevoed. De
staatssecretaris werpt die gedachte
ver van zich af maar ik verzoek hem
niettemin om hierover nog eens na
te denken. Ik denk dat het negatieve
effect op dit terrein groter is dan uit
zijn antwoord blijkt.
Voorzitter! Dat ik nu voor het laatst
aan deze debatten meedoe, spijt mij.
Dit is een van de fijnste debatten
geweest die ik met bewindslieden
van Financie¨n heb mogen voeren en
daar ben ik dankbaar voor. Het is ook
de laatste vergadering van onze
Kamer in 1994. Wij leven nu naar het
kerstfeest toe. Bij dat feest gedenken
wij de geboorte van de Here Jezus.
Deze dagen hebben wij veel over
baten en schulden gesproken.
Welnu, Hij is gekomen om de
mensen van hun schuld en zonden te
verlossen. Ik wens allen hier
aanwezig een gezegend kerstfeest
toe.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-456">

 
<spreker pagina="12-456" anker="426" partij="VVD" naam="Hilarides">
 Mijnheer
de voorzitter! Ik dank de bewindslie-
den voor de wijze waarop zij zijn
ingegaan op de vragen en opmerkin-
gen van mijn fractie. Die beantwoor-
ding was van dien aard dat ik graag
voldoe aan uw verlangen dat men
zich in tweede termijn wat beperkt. Ik
laat het bij een enkele vraag en een
enkele opmerking.
In eerste instantie ben ik vrij
uitvoerig op de meevallers ingegaan.
Daarbij gaf ik een zekere voorkeur
aan, hetgeen de minister niet zal zijn
ontgaan. Ik weet dat hij gebonden is
aan het regeerakkoord, waarin wordt
gesteld dat structurele meevallers
worden aangewend voor reductie
van het financieringstekort en
lastenverlichting. Waarom hebben
wij een sterke voorkeur voor reductie
van het financieringstekort?
Voorzitter! Gelet op het toetreden tot
de EMU moeten wij ervoor zorgen
dat de schuldquote tijdig wordt
verlaagd.
Naar aanleiding van de problema-
tiek van de werknemersspaar-
regelingen is door de staatssecretaris
gezegd dat de opbrengst van de
vennootschapsbelasting wordt
meegeteld. Echter, de indirecte
effecten worden niet meegeteld.
Voorzitter! Ik kan mij daarbij wel iets
voorstellen maar die indirecte
effecten zijn er natuurlijk we`l. Het
gaat eigenlijk om het volgende. Wij
hebben nog maar weinig ervaring
met de spaarloonregeling in haar
huidige vorm. Het aantal deelnemers
aan de regeling is natuurlijk van
groot belang, waarbij het om twee
aspecten gaat. In de eerste plaats
noem ik de overeenkomsten die
bedrijven afsluiten met financie¨le
instellingen met betrekking tot de
verschillende spaarregelingen en in
de tweede plaats is van belang de
mate waarin de werknemers daarin
participeren. Het is nog zeer
onduidelijk, wat het uiteindelijke
aantal deelnemers aan de verschil-
lende regelingen zal zijn. Ik adviseer
de bewindslieden dan ook, niet te
snel wijzigingen voor te stellen en
eerst wat ervaring op te doen met de
nieuwe regeling die wij vandaag
zullen vaststellen. Het is namelijk
voor het bedrijfsleven erg vervelend
als er jaarlijks wijzigingen in de
verschillende regelingen worden
aangebracht.
Het antwoord van de bewindslie-
den over de internationale concur-
rentiepositie van ons land is
duidelijk. Ook ik vind dat wij op de
goede weg zijn. Ik ben het ook van
harte met de staatssecretaris eens
dat wij de ontwikkelingen in het
buitenland voor moeten zijn. In de
afgelopen jaren hebben wij een
achterstand opgelopen, wij hopen
minimaal op hetzelfde niveau als dat
van andere landen uit te komen. En
het zou van belang zijn, maatregelen
te nemen waardoor ons land weer
een koppositie kan innemen, al geef
ik toe dat de budgettaire mogelijkhe-
den beperkt zijn. Niettemin heeft de
regering een bepaald bedrag
uitgetrokken voor lastenverlichting. Ik
zou het bijzonder waarderen als de
verbetering van de internationale
concurrentiepositie een belangrijke
rol kon spelen bij het bepalen van
prioriteiten bij de mogelijke uitgaven
op dit vlak. De wetsvoorstellen die
wij vandaag behandelen, vormen
eigenlijk al een stap in de goede
richting, maar er zullen er ongetwij-
feld nog meer moeten volgen.
Ook de vermogensbelasting is
uitvoerig aan de orde geweest. Ook
op dit punt is er geen bedrag
uitgetrokken, zoals in het regeerak-
koord is aangegeven. Toch beluister
ik in het betoog van de bewindslie-
den een ondertoon waaruit enige
bereidheid blijkt om toch iets aan de
vermogensbelasting te doen. De
regering let op bepaalde ontwikkelin-
gen in Europa en zij wil een en ander
ook in breder verband bekijken. De
bewindslieden willen hierbij
bijvoorbeeld ook de successiebelas-
ting betrekken, met name als het
gaat om knelpunten, specifiek bij
familiebedrijven. Mochten er
financie¨le mogelijkheden ontstaan,
dan zou naar mijn mening moeten
worden bekeken of hieraan iets kan
worden gedaan.
Beperking van de aftrek van rente
op consumptief krediet is een
dankbaar onderwerp. Ik heb er in
eerste instantie een aantal opmerkin-
gen over gemaakt; ik had niet om
een antwoord gevraagd, maar ik heb
het wel gekregen. De staatssecretaris
loopt daarmee in feite vooruit op een
discussie die wij nog moeten voeren.
Ik wil er alleen nogmaals op wijzen
dat het hierbij om een complexe
materie gaat. In een van de
wetsvoorstellen komt de datum 1
januari 1996 voor. Ik vraag mij af of
het mogelijk zal zijn, deze datum te
halen. Wij moeten hierbij niet
overhaast te werk gaan, wij zullen er
ruim de tijd voor moeten nemen,
want het zou natuurlijk buitenge-
woon vervelend zijn om later weer
reparatiewetgeving te moeten
toepassen.
Ten slotte nog een opmerking over
de Pensioen- en spaarfondsenwet. Ik
heb nog geen antwoord gekregen op
mijn vragen over het in de verschil-
lende wetten op elkaar afstemmen
van het gebruik van het fiscale
begrip ’’pensioen’’, met name in de
situatie die per 1 januari zal ontstaan,
en over de overgangsmaatregel die
naar het oordeel van mijn fractie
noodzakelijk is.
Voorzitter, wij gaan uiteraard
graag akkoord met de wetsvoorstel-
len. Ik wens de bewindslieden
prettige feestdagen en een goede
jaarwisseling.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-457">

 
<spreker pagina="12-457" anker="427" soort="Minister" naam="Zalm">
 Voorzitter! De heer
Schinck heeft ons ervoor gewaar-
schuwd, dat wij ons op het stuk van
de ouderenaftrek niet op een hellend
vlak moeten begeven door voor
ieder probleem een nieuwe fiscale
regeling te bedenken. Dit is
inderdaad niet onze bedoeling,
ofschoon de creativiteit van de
staatssecretaris bijna onuitputtelijk is.
Maar de ouderen zijn in de fiscaliteit
altijd al als een aparte categorie
beschouwd; er is een apart tarief
voor 65-plussers in de eerste schijf
en ook in de aftrek van buitenge-
wone lasten geldt voor hen al enige
tijd een forfait, dus in die zin is er
geen sprake van een nieuwe
categorie in de belastingheffing. Het
is ook geen tijdelijke maatregel, wij
zullen dit instrument waarschijnlijk
ook in de komende jaren gebruiken
om de koopkracht van ouderen te
ondersteunen, liefst geı¨ntegreerd
met het forfait voor de buitengewone
lasten.
De heer De Boer heeft mij terecht
nog eens gekapitteld, met name op
het punt van de positie van de
staatsbalans. Volgens de laatste
balans die wij hebben opgemaakt, is
er een negatief vermogen van 172
mld. Arthur Anderson heeft op een
aantal punten een andere waardering
van bepaalde posten. Je kunt het
afschrijvingsregime baseren op
vervangingswaarde, evenals de
waardering op de balans; dat doen
wij. Je kunt ook de historische
kosten als basis nemen; dat doet
Arthur Anderson. Het is eigenlijk de
oude strijd tussen de Amsterdamse
en de Rotterdamse school; de
regering is op dit punt Amsterdams,
dus ook de Miljoenennota.
Verder voert Arthur Anderson ook
een post als de milieuschuld op. Dat
is een heel moeilijk te taxeren post.
Natuurlijk proberen wij de milieu-
schuld zoveel mogelijk op de
betrokken bedrijven te verhalen en
deze niet te zien als een staatsschuld.
Daarnaast kun je nog de aardgasbel
noemen, die niet aan de kant van de
activa op de balans is opgenomen.
Ook kun je denken aan de belasting-
claim op uitgesteld loon, in casu
pensioen. Als je dit allemaal doet,
denk ik dat je al snel op een
overschot uitkomt, dus voorlopig
houd ik het maar bij de waarderings-
methode uit de Miljoenennota, maar
dat beeld is niet vrolijk, want het
negatieve vermogen neemt van jaar
tot jaar toe.
Wat de VUT betreft kan ik alleen
maar verwijzen naar het moeilijke
overleg dat de minister van
Binnenlandse Zaken met de
ambtenaren zal voeren. Of de inzet
van de regering ook de uitkomst van
die onderhandelingen zal zijn,
moeten wij maar afwachten.
De heer Schuyer heeft mij
uitgedaagd, in het kader van de
negatieve inkomstenbelasting wat
meer te zeggen over verzekeringen.
Hij vraagt zich af of werkloosheid wel
verzekerbaar is. Dat zal niet
eenvoudig zijn, maar een verzekering
is natuurlijk niet de enige mogelijk-
heid. Je kunt ook sparen of in CAO’s
afspraken daarover maken, en zo zijn
er nog wel enkele modaliteiten te
bedenken. Die onderwerpen zullen
nog wel weer op de agenda
verschijnen, maar op zichzelf kan dit
een bezwaar zijn.
Dan heeft de heer Schuyer mij nog
op vriendelijke wijze gekapitteld over
de derde optie voor een belasting-
meevaller. Wij zijn het tot op grote
hoogte met elkaar eens, maar ik
denk dat het toch goed is om in de
gaten te houden dat afspraken over
bezuinigingstaakstellingen moeten
worden nagekomen. Het is ook een
misverstand om te veronderstellen
dat collega Voorhoeve inmiddels een
bezuiniging van 0,25 mld. kwijtge-
scholden zou zijn, want die is
gewoon nog niet ingevuld. Verder is
het onduidelijk of dat wel helemaal
precies ingevuld moet worden met
het oog op de claim op een
intensiveringsruimte, internationale
samenwerking geheten, waar ook
Defensie eventueel voor in aanmer-
king komt. In ieder geval wordt dat
alles ingepast in het uitgavenkader.
Natuurlijk hebben wij ook een
afspraak over een totaal uitgaven-
kader. Belastingmeevallers staan dus
geheel los van het uitgavenbeleid.
Dit neemt niet weg dat wij wel eens
het geluk hebben dat er dank zij de
economische ontwikkeling meeval-
lers op het gebied van de uitgaven
komen, bijvoorbeeld door meer
werkgelegenheid en minder
uitkeringen, een lager tekort en dank
zij de belastingmeevallers minder
rente-uitgaven. Dan is er onder het
uitgavenplafond een zekere ruimte.
Aanwending van die ruimte voor
structuurversterkende maatregelen
heeft daarbij de voorkeur. Het
kwijtschelden van ombuigingen komt
voorlopig niet voor in ons woorden-
boek.
Ik dank ook de geachte afgevaar-
digde de heer Barendregt voor zijn
vriendelijke woorden. Ik ben
inderdaad vergeten om te antwoor-
den op zijn vragen over het Europese
werkgelegenheidsplan. Ik denk dat ik
hem gerust kan stellen. Er is geen
sprake van een plan dat in Brussel is
uitgebroed en dat via richtlijnen op
ons afkomt. Het witboek van Delors
is een discussiestuk waar regeringen
op een eigen wijze mee om moeten
gaan en waarop zij hun beleid
moeten afstemmen. Het
werkgelegenheidsbeleid is dus een
nationale zaak.
In het kader van dat witboek
vormen de transeuropese netwerken
evenwel een uitzondering. In de sfeer
van de EG is daar ook geld voor
uitgetrokken. Op dit moment gaat
dat om 2,4 miljard ecu, dus een dikke
5 mld. Bovendien is die 5 mld. over
zes jaar gespreid en geldt voor heel
Europa, dus niet alleen voor
Nederland. Inderdaad is op de top in
Essen voorgesteld om dat bedrag
verder op te hogen met 1,2 miljard
ecu. De Nederlandse regering achtte
dat echter niet zo nodig; zij was er
niet voor. Er is geen sprake van een
of andere grote coup uit Brussel om
de werkgelegenheid aan de nationale
soevereiniteit te onttrekken en via
grote uitgavenprojecten in Brussel
vorm te geven.
Er is nog gesproken over aparte
wetgeving voor grote projecten,
zoals de Deltawet. De Wetenschappe-
lijke raad voor het regeringsbeleid
heeft een advies uitgebracht naar
aanleiding van de vraag of dit niet in
meer gevallen moet gebeuren. Bij
mijn weten, is de regering daar nog
niet uit. Als wij daar in het kabinet al
toe zouden hebben besloten, is mij
dat althans ontgaan. Volgens mij is
dit onderwerp in studie gegeven aan
de ministers van Ruimtelijke
Ordening en van Verkeer en
Waterstaat. Ook Economische Zaken
hoort daar enigszins bij. Zij gaan
kijken of dat echt nodig is en of je
veel opschiet met dit soort aparte
wetten voor grote projecten.
De heer Barendregt heeft terecht
opgemerkt dat ik ook niet ben
ingegaan op het punt van Duisen-
berg over 1/3 van het ABP. Ik ken dat
punt niet, behalve uit het betoog van
de heer Barendregt. Ik kan mij
weliswaar voorstellen dat de heer
Duisenberg zegt dat je het niet moet
doen, maar ik begrijp niet dat ik het
voor 1/3 mag doen, terwijl ik het
helemaal niet wil. Ik moet het
antwoord dus schuldig blijven.
De heer Hilarides heeft er nog
eens de nadruk op gelegd dat zijn
voorkeur is om meevallers aan te
wenden voor het verkleinen van het
tekort, vooral in het kader van de
EMU. Er zijn diverse overwegingen
aan de orde inzake lastenverlichting
versus tekort. Pro-lastenverlichting is
natuurlijk het werkgelegenheids-
aspect. Pro-tekort vind ik met name
de onzekerheid. In onzekerheid kan je
namelijk beter wat conservatief zijn,
zo zeg ik als minister van Financie¨n.
Wij weten niet of de conjunctuur die
nu zo mooi omhoog gaat, straks
weer neergaat. Dit is voor mij en
voor de collega’s, zo neem ik aan,
een speciale afweging om enigszins
terughoudend te zijn.
Voorts wordt er aandacht besteed
aan de internationale concurrentiepo-
sitie, ook in de sfeer van de uitgaven.
Het Fonds economische structuur-
versterking is apart gezet en valt
buiten het uitgavenkader. Plannen
van nationale importantie worden
daaruit gefinancierd.
Ik wens tot slot alle leden een
gezegende Kerst en een prettig
nieuwjaar toe.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-458">

 
<spreker pagina="12-458" anker="428" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">

Voorzitter! Allereerst dank ik de
woordvoerders voor de door hen
uitgesproken waardering aan mijn
adres.
De heer Schinck heeft een vraag
gesteld over de toepassing van de
werknemersspaarregelingen in
relatie tot de bestrijding van het
ziekteverzuim. Creativiteit kent geen
grenzen in dit land. De genoemde
regelingen zijn bekend. Als kamerlid
heb ik in het kader van de voorlich-
ting een aantal sessies mogen
meemaken waarin dit aspect ook aan
de orde is geweest. Ik ken die
regelingen dus. Voor zover die
voldoen aan de wettelijke eisen ter
zake is dat mogelijk. Ik weet niet in
welke mate die regelingen voorko-
men; ik weet alleen dat ze bestaan.
De geachte afgevaardigde is nog
even ingegaan op de problematiek
van aftrek van consumptieve rente
en van hypotheekrente. Eerlijk
gezegd, deel ik zijn conclusie
daarover niet. Ook in andere landen
bestaan namelijk verschillende
systemen naast elkaar. Mijn stelling is: als dat in een ander land kan,
waarom dan niet hier? Ook in andere
landen is er sprake van verschillende
fiscale behandeling van consump-
tieve rente en van rente van leningen
ten behoeve van het eigen huis. Daar
gelden vaak verschillende fiscale
systemen voor. Uit gegevens ter zake
uit andere landen in Europa blijkt dat
men daarvoor noodzakelijkerwijs
geen gelijke systemen hoeft te
hanteren. Dit zeg ik, omdat de heer
Schinck in dit verband een uitstapje
naar Europa maakte.
Ik ben het met de heer Hilarides
eens, als hij zegt dat dit een
buitengewoon complexe materie is.
Hij heeft mij niet uitgenodigd om er
verder op in te gaan. Dat doe ik ook
niet. Het feit dat het een complexe
materie is, wil niet zonder meer
zeggen dat er geen oplossing
gevonden kan worden.
De heer De Boer heeft voor
zichzelf een aantal boeiende
conclusies getrokken uit de aanpak
van de BTW-constructies. Het is de
heer Schinck overigens gebleken dat
een dergelijke opzet recentelijk is
goedgekeurd. Ik kan de heer De Boer
meedelen dat ik in de schorsing van
zoe¨ven een brief heb getekend,
waarin de belastingdienst wordt
uitgenodigd om die constructies nog
duidelijker te bestrijden. Die brief is
nu uit.
De heer De Boer heeft terecht een
opmerking gemaakt over de
terugwerkende kracht. Formele
terugwerkende kracht is zelfs
technisch niet mogelijk; het gaat
immers om de BTW. Maar de
belastingdienst hoeft ook niet zonder
meer constructies te accepteren die
strijdig zijn met het doel en de
strekking van de wet. Vandaar mijn
brief, waarover ik zojuist sprak, aan
de belastingdienst waarin staat dat
die constructies bestreden moeten
worden. Vervolgens sluit ik niet uit
dat ik met wetgevingsvoorstellen
moet komen.
Voor de rest onderschrijf ik
nagenoeg helemaal de conclusies
van de heer De Boer.
De heer Stevens is nog eens
ingegaan op de ondernemings-
vrijstelling en de aanmerkelijk-
belanghouders in relatie tot holdings.
Hij heeft daarbij verwezen naar het
waardevolle artikel van de heer
Blokland in weekblad Fiscaal recht
van 8 december jongstleden. Hij
heeft ook de memorie van antwoord
geciteerd, waarin ik de conclusie van
de heer Blokland in hoofdlijnen (!)
onderschrijf. De heer Stevens is zo
vriendelijk geweest om de wettelijke
bepaling nog eens aan te geven.
Welnu, met het oog op het
gecree¨erde wettelijke regime is de
ondernemingsvrijstelling in ieder
geval van toepassing op de
persoonlijke ondernemer en de
directeur-grootaandeelhouder van
een holding, als die holding
ondernemingsactiviteiten ontplooit in
relatie tot de werkmaatschappij. Daar
zijn wij het over eens.
Hier moet nog even vastgelegd
worden dat er geen ondernemings-
vrijstelling geldt voor een particuliere
belegger en de grootaandeelhouder
van een holding met een belegging-
skarakter.
De heer Stevens heeft mij nog een
aantal casusposities voorgelegd. Zo
ken ik hem weer. Ik sta hier niet als
adviseur, maar dat vraagt de heer
Stevens ook niet. Ik moet mij er altijd
toe dwingen om niet onmiddellijk op
die casusposities in te gaan. Ik heb
dus enige aandrang om dat wel te
doen, maar ik weet dat ik het niet
moet doen. Ik doe het dus ook niet!
Ik zal even zeggen waarom niet. De heer Stevens zal mij voorhouden:
geachte staatssecretaris, het is voor
de wetsgeschiedenis buitengewoon
belangrijk dat u er we`l op ingaat. Hij
gaf een aantal casusposities die ik
buitengewoon moeilijk kan beoorde-
len. Ik ken de achtergrond ervan niet.
Hij weet net zo goed als ik dat het bij
casusposities gaat om het geheel
van feiten. Wat de heer Stevens
geeft, is een deel van de feiten. De
casusposities komen ongetwijfeld uit
de praktijk. De heer Stevens
kennende zijn het typisch situaties
die in de praktijk voorkomen of
zouden kunnen voorkomen.
Misschien komen ze in de praktijk
voor. Daarom legt de heer Stevens
ze aan mij voor. Ik ken echter niet het
feitencomplex dat achter de
casusposities zit. Ik kan er, eerlijk
gezegd, dus heel moeilijk op
antwoorden of de conclusie van de
heer Stevens juist is. Omdat ik het
feitencomplex niet ken, moet ik het
antwoord schuldig blijven. Boven-
dien hebben wij buitengewoon
bekwame inspecteurs in dit land. Zij
weten van de uitvoering veel meer
dan de staatssecretaris! 

</spreker>
<spreker pagina="12-459" anker="429" partij="CDA" naam="Stevens">
 Het laatste
trek ik in twijfel. De casusposities zijn
niet gebaseerd op feitelijke situaties
uit de praktijk. Ik heb ze verzonnen,
uitgaande van het voorstel dat op
tafel ligt. Ik kan mij best voorstellen
dat de staatssecretaris zegt dat hij er
nu niet op kan ingaan. Ik heb alleen
willen constateren – ik neem aan dat
de staatssecretaris dit onderschrijft –
dat er eigenlijk twee categoriee¨n zijn
die buiten de boot vallen wat de
vrijstelling betreft, namelijk de fiscale
beleggingsinstellingen van artikel 28
Vpb en de materie¨le beleggings-
maatschappijen, als bedoeld in
artikel 8, zesde lid, onderdeel b, van
de Wet op de vennootschaps-
belasting, met uiteraard de holding
erboven. Dat was de hoofdlijn die ik
wilde vastleggen. Ik denk dat de
staatssecretaris die onderschreven
heeft. Ik heb er alle begrip voor dat
hij de casusposities op dit moment
niet wil beantwoorden. Voor mij zelf
was het opstellen van de casusposi-
ties een exercitie om eens door de
problematiek heen te lopen. Als wij
het op dit punt in algemene zin eens
zijn, ben ik tevreden. 

</spreker>
<spreker pagina="12-459" anker="430" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Ik maak
hierbij opnieuw de kanttekening dat
een grootaandeelhouder van een
holding met een beleggingskarakter
erbuiten valt. Ik neem aan dat de
heer Stevens dit met mij eens is. 

</spreker>
<spreker pagina="12-459" anker="431" partij="CDA" naam="Stevens">
 Die staat in
de categorie die ik genoemd heb,
namelijk de materie¨le beleggings-
maatschappij, in de zin van artikel 8,
zesde lid, onderdeel b, van de Wet
op de vennootschapsbelasting. 

</spreker>
<spreker pagina="12-459" anker="432" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">

Voorzitter! Een ander punt dat de
heer Stevens aan de orde stelde,
heeft minder met de casuı¨stiek te
maken, maar meer met een
probleem dat ook door de heer
Schuyer is aangekaart. Het gaat
daarbij om het achterstellen van
pensioenrechten en de mogelijke
problematiek bij de financiering in
het kader van het midden- en
kleinbedrijf en de starters. Een ding
moet mij van het hart; ik kan mij bij
starters veel voorstellen, maar niet
dat wij daarbij al geconfronteerd
worden met de pensioen-
problematiek. In het algemeen heeft
een starter in dit land weinig om in
zekerheid te stellen, vooral als het
gaat om pensioenrechten. Wat dat
betreft is de problematiek dus
geringer, als het gaat om de
financiering. 

</spreker>
<spreker pagina="12-459" anker="433" partij="CDA" naam="Stevens">
 Ik onder-
schrijf dit. Met ’’starters’’ bedoel ik
eigenlijk alle mensen die geconfron-
teerd worden met het nieuwe
regime, na 1 januari 1995. In die
optiek heb ik graag een reactie van
de staatssecretaris. Ik weet dat de
heer Schuyer en de heer Hilarides er
ook graag een reactie op hebben. 

</spreker>
<spreker pagina="12-459" anker="434" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Als de
heer Stevens het begrip zo opvat, ligt
het anders.
De eerste opmerking die ik maak,
is dat de heer Stevens een buitenge-
woon ruime uitleg gaf. Misschien is
dat al een tegemoetkoming. De heer
Stevens sprak over het voorwerp van
zekerheid worden door het enkele
feit van hoofdelijke aansprakelijkheid.
Dat is echter niet het geval. Men kan
de hoofdelijke aansprakelijkheid niet
gelijkstellen met de zekerheids-
stelling in dat kader. Omdat de heer
Stevens die gedachte had, is er op
dat punt al een deel van de kou uit
de lucht. Er komt nog iets bij. Aan
het adres van de heer Schuyer zeg ik
dat het niet de bedoeling is dat wij
een bedrijf in een faillissement
drijven. Dat is uitdrukkelijk niet de
bedoeling. In eerste termijn heb ik al
gezegd – in de Kamer werd
gesproken over een hardheid – dat ik
dit punt nauwgezet zal volgen. Als er
een hardheid optreedt in de
uitvoeringssfeer, is het altijd mogelijk
om een aanwijzing te geven. Gelet
op de interpretatie die de heer
Stevens van de hoofdelijke aanspra-
kelijkheid gaf, en gelet op de praktijk,
is er al een deel van de kou uit de
lucht. Van de andere kant ben ik blij
dat men vindt dat ook in deze sfeer
misbruik en oneigenlijk gebruik
moeten worden voorkomen.
Daarover zijn wij het eens. Wij zijn
het er ook over eens dat wij de
financiering niet moeten bemoeilij-
ken. Toch zeg ik ook nadrukkelijk dat
wij de betrokken bepaling niet voor
niets hebben opgenomen in het
voorliggende voorstel.
De heer Hilarides had over de
PSW een vraag gesteld die ik niet
beantwoord zou hebben, namelijk
over de overgangsproblemen. Ik heb
gezegd dat de relatie tussen de PSW
en de fiscaliteit opnieuw aan de orde
komt. Wij hebben er aandacht voor.
Ik wil inderdaad niet met fiscale
gevolgen geconfronteerd worden. Op
dit punt onderschrijf ik de visie van
de heer Stevens. Ik wijs de heer
Hilarides op de toezegging, die ook
in de stukken staat, dat men in het
geval van aanpassingen aan de PSW
de tijd heeft tot 1 januari 1995,
althans zolang er geen dotaties
plaatsvinden. Dit punt is ook in de
Tweede Kamer aan de orde geweest.
Ik neem aan dat het probleem kan
worden opgelost met deze ruime
overgangsregeling voor aanpassin-
gen.
De heer Barendregt stelde een
paar vragen over de eerste schijf. Ik
heb niet gezegd dat alles vanzelf
goedkomt. Het komt zelden vanzelf
goed, zo is mijn ervaring, ook in de
sfeer van de belastingen. Ik heb
alleen in verband met het meerjaren-
beeld van het voorgenomen
programma gezegd dat er eerder een
andere verhouding zal optreden dan
thans. De kans is aannemelijk dat het
belastingdeel stijgt en het premie-
deel daalt. Dit gebeurt niet vanzelf,
maar er ligt een voorgenomen beleid
aan ten grondslag.
De heer Schuyer noemde in
verband met een beleid om iets aan
de schijflengten en de tarieven te
doen, twee elementen. Het eerste is
het gebruiken van de inkomsten uit
indirecte belastingen. Ik heb in eerste
termijn al gezegd dat er in de sfeer
van de indirecte belastingen, zoals
BTW, al een sterke harmonisatie
heeft plaatsgevonden. Daarin hebben
wij dus minder mogelijkheden dan
wij misschien wenselijk vinden. Ik
moet dat hier gewoon melden.
Het tweede element is de omslag,
het introduceren van een milieu-
grondslag en het gebruiken van de
opbrengst hiervan. Ik heb in een
eerdere functie becijferingen en
optimistische schattingen gemaakt.
Deze kwamen erop neer dat je de
mogelijke bedragen niet moet
overschatten. Ook in een van de
onderdelen van het rapport van de
commissie-Stevens is dit punt
redelijk goed bekeken. In het rapport
wordt gewaarschuwd voor al te veel
optimisme, in de zin van grote
bedragen. Alle studies die ik ken en
mijn eigen waarnemingen en
verkenningen stemmen op dit punt
minder optimistisch dan sommigen
wenselijk vinden. Hiermee druk ik mij
heel voorzichtig uit. Niettemin zijn er
mogelijkheden; wij hebben nu 600
mln. in die sfeer. Ik wijs erop dat het
heel problematisch was. Ik herinner
aan het debat van gisteren, waaruit
bleek welke bezwaren eraan kleven.
Wij moeten er dus niet al te
optimistisch over zijn.
Hetzelfde geldt voor de tax credit
die de heer Schuyer noemde. Ook
hierover zijn boeiende discussies
gevoerd naar aanleiding van het
rapport van de commissie-Stevens.
Het is overigens niet juist dat dit
rapport geen rol meer zal spelen. Bij
de instelling van de commissie voor
de technische voorziening heb ik
kenbaar gemaakt dat zowel dat
rapport als de bouwstenennotitie van
mijn voorganger niet voor niets zijn
geschreven. Een aantal elementen
eruit zal dus ongetwijfeld een rol
spelen bij de technische herziening,
omdat er voorstellen in zijn
opgenomen die gewoon het
overwegen waard zijn.
De heer Barendregt vroeg of wij
het half miljard van het midden- en
kleinbedrijf gaan inzetten voor het
wensenlijstje van NCW en VNO. Nee,
dat is niet het geval. Het pakket voor
het midden- en kleinbedrijf wordt op
de eigen merites beoordeeld; zie ook
het regeerakkoord. Wij hebben ook
een wensenlijstje van het RCO
gekregen, waarin een invulling aan
dat pakket is gegeven. Als wij het
advies van het RCO volgen, wordt
het pakket volledig in fiscale zin
ingevuld.
Ik wijs erop dat in de discussie in
dit huis over de Vamil uitdrukkelijk
gezegd is dat er een goede budget-
taire afgrendeling moet zijn. Wij
doen niets anders dan de wet op dat
punt uitvoeren. Er is een meldings-
procedure en er is een budget
vastgesteld. Ons is gewoon de
bevoegdheid gegeven om op het
moment dat er een budgettaire
overschrijding dreigt, de Vamil te
stoppen. Hiervan hebben wij gebruik
gemaakt, gewoon conform de wet. 

</spreker>
<spreker pagina="12-460" anker="435" partij="SGP" naam="Barendregt">
 Mijn zorg is dat dan geldt: wie het eerst
komt, het eerst maalt. 

</spreker>
<spreker pagina="12-460" anker="436" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Aan de
andere kant staat elk jaar op zichzelf.
Wij hebben nu het besluit genomen
om de Vamil voor dit jaar te
bee¨indigen. In 1995 is er weer een
budget voor de ’’Vamil 1995’’. Als de
Vamil weer in werking treedt, kan er
weer gewoon een beroep op gedaan
worden. Dat zit in het systeem. Het is
geen beleidsmatig aspect, maar niets
anders dan de wettelijke regeling die
door de Staten-Generaal is aanvaard.
Hierin zit de mogelijkheid voor het
kabinet om de regeling te beperken,
ook budgettair. 

</spreker>
<spreker pagina="12-460" anker="437" partij="SGP" naam="Barendregt">
 Worden
in 1995 de overgeschoten aanvragen
uit 1994 het eerst gehonoreerd? 

</spreker>
<spreker pagina="12-460" anker="438" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Nee. Op
dat moment is er weer de normale
procedure die in de wet is opgeno-
men.
De heer Barendregt kwam op de
spaarregeling terug, vanuit de optiek
van de burger, en noemde de
consistentie van het beleid. Ik heb al
in de Tweede Kamer gezegd dat wij
vanuit bestuurlijk oogpunt geen
schoonheidsprijs verdienen; ik wil
dat best erkennen. Wij hebben echter
in het kabinet een afweging moeten
maken, waarop ik nu niet verder
inga, maar waarbij ook andere
overwegingen een rol hebben gespeeld. Ik hoor de minister zeggen:
het regeerakkoord. Dat is juist.
Ik dank de heer Barendregt voor
het gezegende kerstfeest dat hij ons
heeft toegewenst. Ik wens hem dat
eveneens toe.
De heer Hilarides sprak over de
internationale ontwikkelingen en het
inlopen van achterstanden. Akkoord.
Ik heb er net als hij een voorkeur
voor om een koppositie te bereiken.
Aan de andere kant zijn er volgens
hem weinig budgettaire middelen
beschikbaar. Hierbij plaats ik een
kanttekening. Het gaat lang niet altijd
om budgettaire middelen, maar
bijvoorbeeld ook om het verminde-
ren van de administratieve-
lastendruk. Als je deze kunt
beperken, ontstaat er op zichzelf al
ruimte door minder uitgaven, minder
rompslomp en meer flexibiliteit. Dat
levert op zichzelf al dynamiek en
kostenbesparing op. Een van de
eerste maatregelen heb ik inmiddels
ontvangen van de commissie-Van
Lunteren, hetgeen uitkomt op 100
mln. aan lastenverlichting in de sfeer
van de administratie. Dat is een
eerste begin. 

</spreker>
<spreker pagina="12-460" anker="439" partij="SGP" naam="Barendregt">
 U wilde
mij nog een antwoord geven op mijn
vraag met betrekking tot de
ondernemingsbelasting 50-50%. 

</spreker>
<spreker pagina="12-460" anker="440" soort="Staatssecretaris" naam="Vermeend">
 Dat zal
ik direct doen. De heer Barendregt
vroeg zich af of ik gewoon tegen de
50-50% was, zonder nadere
motivering. Ik ben nooit ergens voor
zonder motivering en ook nergens
tegen zonder nadere motivering. Ik
ben tegen het voorstel van de heer
Barendregt uit beleidsmatige
overwegingen. De heer Barendregt
stelt namelijk voor om het
ondernemingsvermogen extra te
belasten, terwijl ik er juist een
voorstander van ben om het
ondernemingsvermogen minder te
belasten. Dat is puur beleidsmatig.
Het is mijns inziens niet in het
belang van de werkgelegenheid om
het ondernemingsvermogen
zwaarder te belasten. Ook om die
reden ben ik tegen het voorstel.
Ook ben ik uit budgettaire
overwegingen tegen het voorstel,
omdat het toch een behoorlijk beslag
legt op de budgettaire middelen.
Voorzitter! Ik wens iedereen
plezierige en gezegende feestdagen!
De beraadslaging wordt gesloten.
De wetsvoorstellen worden zonder
stemming aangenomen. 

</spreker>
<spreker pagina="12-461" anker="441" naam="De voorzitter">
 De aanwezige leden
van de fractie van GroenLinks wordt
conform artikel 121 van het
Reglement van orde aantekening
verleend, dat zij geacht willen
worden zich niet met wetsvoorstel
23940 te hebben kunnen verenigen. 

</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="12-461">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Overgangs-
regeling voor de heffing van
motorrijtuigenbelasting inzake
motorrijtuigen met een tenaam-
stelling van het kentekenbewijs
van voor het kalenderjaar 1988,
en vervanging van het wisseldis-
conto van De Nederlandsche
Bank N.V. door de voorschot-
rente van De Nederlandsche
Bank N.V. in de Wet op de
accijns en de Wet op de belas-
ting van personenauto’s en
motorrijwielen 1992 (23981).
De beraadslaging wordt geopend.

<blok pagina="12-461">

 
<spreker pagina="12-461" anker="442" partij="CDA" naam="Boorsma">
 Mijnheer
de voorzitter! Het is laat en het is de
laatste vergadering. Ik geloof, dat het
50 meter van hier was dat gezegd werd: maak het kort! Dat zal ik ook
doen.
De afgelopen maandagavond is
wetsvoorstel 23782 behandeld, de
faciliteit voor de zeevaart. Dat
wetsvoorstel is ingediend – en
inmiddels aangenomen – op grond
van een motie, waarvoor de
voorzitter en ik ons destijds hebben
ingespannen en welke kamerbreed
werd aanvaard. Het ging daarbij om
de vereenvoudiging van regelgeving,
een van de punten waarop dit huis
pleegt te letten en waar in dit geval
de kracht van de Kamer bleek.
Bij het voorliggende wetsvoorstel
23981 gaat het om een ander punt
waar dit huis op pleegt te letten,
namelijk de betrouwbaarheid van de
overheid als het gaat om gewekte
verwachtingen en gedane toezeggin-
gen. Er is toen een toezegging
gedaan om eerbiedigende werking te
verstrekken.
Een enkele opmerking wil ik over
dat wetsvoorstel nog maken. In de
memorie van toelichting wordt
gesuggereerd, dat diverse leden van
de Eerste Kamer gevraagd hebben
om die toezegging. Uit het stenogra-
fisch verslag blijkt, dat de heer Van
Rey van de VVD ons te hulp komt
door erop te wijzen dat het vooral
een toezegging is geweest aan het
adres van de CDA-fractie, die zich op
dat punt nogal beijverd heeft.
De memorie van toelichting is
overigens een heel merkwaardig stuk: ’’Tijdens de mondelinge
behandeling in de Eerste Kamer op
15 december 1993 van het voorstel ...
heb ik toegezegd een wetsvoorstel
aan het parlement te zullen
voorleggen.’’ Op de volgende bladzijde staat: ’’Tijdens de monde-
linge behandeling van de wet op 16
december 1993 herinnerden diverse
leden van de Eerste Kamer mij aan
deze groep motorrijtuigen.’’ ... ’’Van
deze gelegenheid maak ik tevens
gebruik ...’’ Was getekend de
staatssecretaris van Financie¨n,
Vermeend. Zou het gaan om een
wettekst, dan zou ik moeten vragen
om een novelle omdat er duidelijk
sprake is van een verschrijving. Mijn
geheugen leert mij namelijk, dat op
dat moment de heer staatssecretaris
een belangrijk lid van de Tweede
Kamer was doch geen staatssecreta-
ris van Financie¨n. Er is hier dus
duidelijk sprake van een verschrij-
ving. Ik vond het leuk om dit op te
merken.
Mijnheer de voorzitter! Wij zijn blij
met de totstandkoming van deze
aanpassing, omdat het hier gaat om
een toezegging welke ons destijds is
gedaan. Ik wilde daar toch een enkel
woord aan wijden als dank.
Voorzitter! De heer Barendregt
heeft gezegd, dat dit een van de
laatste keren was dat hij zou kunnen
spreken met de bewindslieden, in
ieder geval waar het gaat om de
vaststelling van een begroting e.d. Ik
hecht eraan om hier, ook voor de
Handelingen, op te merken dat dit de
laatste keer is dat wij in deze Kamer
een andere collega zullen zien die
niet in de commissie Financie¨n zit en
toch hier pleegt te blijven zitten,
namelijk collega Henk Pro¨pper. Hij is
gisteren uitvoerig uitgezwaaid door
de voorzitter en ik zal dat ook niet
herhalen. De grote waardering die
toen geuit is, wil ik hier herhalen
voor de Handelingen. Henk Pro¨pper,
geen lid van de commissie Financie¨n
en toch zit hij hier nog steeds naar
ons te luisteren. Ik weet dat er nog
een aantal leden naar ons luistert
maar collega Henk Pro¨pper was altijd
van de partij. Geweldig bedankt!
Voorzitter! Rest mij een gezegende
Kerst en de beste wensen voor het
nieuwe jaar toe te wensen aan de
staatssecretaris van Financie¨n, de
voorzitter, de collegae in dit huis, het
personeel van dit huis dat nu ook
heel lange en zware dagen maakt, en
de ambtenaren van Financie¨n op de
tribune.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="12-461">

 
<spreker pagina="12-461" anker="443" partij="D66" naam="Schuyer">
 Voorzitter!
Wij hebben het de afgelopen uren
gehad over de mogelijkheden om
ergens geld te zoeken en het dan
weer ergens anders af te halen.
Welnu, bij het grijs kenteken zijn er
mogelijk een paar tips te geven.
De staatssecretaris heeft in de
Tweede Kamer opgemerkt dat bij dit
onderwerp toch niets nieuws aan de
hand is, dat het uitvoering van
toegezegd beleid is. Daar heeft hij
gelijk in. Maar het feit dat er telkens
weer over dit onderwerp gesproken
wordt, laat zien hoe ontevreden men
erover is. De woorden ’’overkill’’ en
’’frustratie’’ zijn gevallen en er is
voorgesteld het dossier nu maar snel
te sluiten en te vergeten.
Als dan ook nog blijkt op een
vraag van mijn fractie dat er in het
grijs kenteken tot 3500 kilo ongeveer
565 mln. omgaat, om het zo maar
eens uit te drukken, dan is er toch
reden ons eens te bezinnen of wij
wel op de goede weg zitten, zeker als
je – ik schat het maar aan de veilige
kant – ongeveer 20% oneigenlijk
gebruik mag veronderstellen. Met
andere woorden, zou het niet beter
zijn om het oorspronkelijke voorstel opnieuw te overwegen: elke auto tot</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


