<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2042]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van de wetsvoorstellen: Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 1995 (23900-VI); Wijziging van hoofdstuk VI (ministerie van Justitie) van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten voor het jaar 1993 (Slotwet; rekening) (23834)</item>
<item attribuut="Bestand"> 93 Kb</item>
<item attribuut="Inhoud">Zie ook noot op pag. 487.</item>
<item attribuut="Rubriek">Overheidsfinanciën (Algemeen)
Rijksbegrotingen (Algemeen)
Rijksbegrotingen (Justitie)</item>
<item attribuut="Dossiernr">23900, 23834, 23900 VI</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 10, Eerste Kamer, pag. 466-483</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">10-01-1995</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2042</item>
<item attribuut="Omvang">18 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Eerste Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Justitie</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Besluiten en ingekomen stukken</item>
<item attribuut="doccode">EK 13</item>
<item attribuut="voorzitter">Heijne Makkreel</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="13-466">

Aan de orde is de behandeling van de wetsvoorstellen:
- Vaststelling van de begroting
van de uitgaven en de ontvang-
sten van het Ministerie van
Justitie (VI) voor het jaar 1995
(23900-VI);
- Wijziging van hoofdstuk VI
(ministerie van Justitie) van de
begroting van de uitgaven en de
ontvangsten voor het jaar 1993
(Slotwet; rekening) (23834).
De beraadslaging wordt geopend.

<blok pagina="13-466">

 
<spreker pagina="13-466" anker="1" partij="CDA" naam="Fleers">
 Mijnheer de
voorzitter! Graag heet ik namens
mijn fractie beide bewindslieden van
Justitie bijzonder welkom. Zij
vertegenwoordigen in de Eerste
Kamer voor de eerste maal de
regering in het beleidsdebat naar
aanleiding van de begroting van
Justitie voor 1995. Ik neem mijn
aanloop in 1993. In dat jaar
verscheen in het kader van de
zogeheten grote efficiency-operatie
een takenanalyse van het ministerie
van Justitie. In deze takenanalyse
wordt een beschrijving gegeven van
alle overheidstaken waarvoor de
minister van Justitie verantwoorde-
lijk is. Justitie, zo wordt gesteld,
moet een adequaat niveau van
rechtshandhaving en rechtsbedeling
verzekeren. De verschillende vormen
van criminaliteit vragen om een
eigen aanpak en een toegespitste
beleidsreactie. Criminaliteits-
bestrijding kan in de huidige
complexe samenleving geen
eenheidsworst zijn. De veel
voorkomende normovertredingen,
zoals op het gebied van verkeer en
winkeldiefstal, vragen om een snelle,
doelmatige afdoening. Het toenemen
van ernstige vormen van lokale
criminaliteit – woninginbraken,
bankovervallen, drugsgerelateerde
criminaliteit – zorgen voor veel
overlast en gevoelens van onveilig-
heid. Gerichte, goed georganiseerde
acties van politie en justitie zijn,
naast voldoende detentiecapaciteit,
nodig om snel en effectief te kunnen
reageren. De zware georganiseerde
en grensoverschrijdende criminaliteit
vraagt om de inzet van professionele
rechercheteams en geavanceerde
technologie en om internationale
samenwerking.
Een behoorlijke rechtsbescherming
van de burger tegen – vermeend –
onrechtmatig overheidsoptreden is
een wezenlijk kenmerk van een
rechtsstaat. Essentieel is dat er een
goed evenwicht bestaat tussen de
belangen van enerzijds een effectief
en slagvaardig overheidsoptreden bij
de rechtshandhaving en anderzijds
de rechtsbescherming van de burger
tegen het overheidsoptreden. Voor
die probleemstelling – waar minister
Hirsch Ballin in 1993 voor gesteld
was – was op zichzelf geen enqueˆte-
commissie nodig.
Door de toename van de ernstige
criminaliteit, de intensivering van de
opsporing en de vervolging en –
mede ten gevolge daarvan – de
toename van de duur van de relatief
lange gevangenisstraffen en door de
intensivering van het vreemdelingen-
toezicht wordt het gevangeniswezen
geconfronteerd met ernstige
capaciteitstekorten. Uitbreiding van
alle onderdelen van het justitie-
apparaat is noodzakelijk; het meest
urgent is de uitbreiding van de
capaciteit van het gevangeniswezen.
Als reactie op de maatschappelijke
ontwikkelingen is louter meer van
hetzelfde echter onvoldoende.
Daarom is ook een andere aanpak in
gang gezet, zoals geldstraffen in
plaats van vrijheidsstraffen en
taakstraffen in plaats van geld- of
korte vrijheidsstraffen.
Mijnheer de voorzitter! Ik spreek
breedvoerig over deze takenanalyse
uit 1993, omdat het mij goed lijkt om
in de staat van justitie¨le opwinding
waarin ons land lijkt te zijn geraakt
en waarin de minister op een mijns
inziens goede wijze rust probeert te
brengen, vast te stellen dat de
problematiek, de accenten, de
nuances en de te maken afwegingen
niet van vandaag of gisteren zijn en
onder verantwoordelijkheid van de
vorige minister van Justitie, Hirsch
Ballin, reeds op een heldere en
indringende manier zijn geanaly-
seerd en in beleid zijn vertaald. Zo
ook begrijp ik de constatering van de
minister van Justitie tijdens de
behandeling van haar begroting in
de Tweede Kamer, dat de huidige
bewindslieden in belangrijke mate
kunnen voortbouwen op het vele
werk dat is verricht onder leiding van
hun beider ambtsvoorgangers Hirsch
Ballin en Kosto. Of, zoals de minister
in NRC Handelsblad in oktober jongstleden zei: de maatregelen en
wetsvoorstellen van Hirsch Ballin
waren nodig om een inhaalslag te
maken.
Het CDA heeft in de achterlig-
gende periode bij herhaling en met
nadruk aandacht gevraagd voor de
maatschappelijke achtergronden van
criminaliteit en de verbetering van de
veiligheid in onze samenleving tot
een politieke prioriteit gemaakt. In
dat verband hebben christen-
democraten in hun politieke
verantwoordelijkheid bij herhaling
gepleit voor een versterking van de
beleving van normen en waarden in
onze samenleving, voor een
versterking van niet alleen de
persoonlijke vrijheid, maar ook de
persoonlijke verantwoordelijkheid.
Niet als een doel op zichzelf, niet uit
nostalgie, laat staan als een
anachronisme, maar omdat de
vervaging van normen, het te
gemakkelijk terzijde schuiven
daarvan en het onvoldoende beleven
van persoonlijke verantwoordelijk-
heid een bedreiging vormen voor de
rechtsstaat die de burger juist
vrijheid en bescherming moet
bieden.
Dat ernstige pleidooi hebben wij in
de politieke en publieke discussie
vaak tegen de verdrukking in, maar
altijd met de overtuiging van de
publieke noodzaak daartoe,
volgehouden. En zo, mijnheer de
voorzitter, horen wij de minister van
Justitie, niet van CDA-huize en
zonder dat het CDA deel uitmaakt
van deze regering, bij de behande-
ling van haar begroting in de Tweede
Kamer zeggen dat van opvoeders
mag worden verwacht dat zij hun
kinderen de basisbeginselen leren
van de omgang tussen mensen en
dat de problemen die onmiskenbaar
bestaan op het gebied van de
omgang van mensen met elkaar en
met elkaars bezit, problemen zijn van
de gehele samenleving en dat,
wanneer wij constateren dat in de
praktijk een grote groep mensen in
de samenleving bepaalde normen
niet meer accepteert, wij niet de
illusie moeten hebben dat wij met
het strafrecht alleen deze normen
wel kunnen handhaven, maar dat
daarvoor een bredere inzet nodig is.
Ook staatssecretaris Schmitz laat
zich niet onbetuigd, zo blijkt uit haar
toespraak bij de uitreiking van de
Hein Roethof-prijs op 4 oktober jongstleden in Brussel:
’’Wat leert ons een blik op
relevante maatschappelijke ontwikke-
lingen? Een voortschrijdende
individualisering, ontbinding van
maatschappelijke verbanden en ook
brute uitstoting, dragen bij aan het
ontstaan en de groei van jonge
gemarginaliseerden, die stuk voor
stuk voldoen aan de voorwaarden
die zonder meer criminogeen mogen
worden genoemd. Daarnaast zien wij
maar al te zeer ongunstige ontwikke-
lingen van de ’’klassieke’’ bevorde-
rende factoren. Ik denk dan aan een
afnemend ouderlijk toezicht, de
makkelijke toegankelijkheid van
drugs en alcohol, de vergrote
mogelijkheden om te gokken en
wapens aan te schaffen, en het
overaanbod van voorbeeldstellend
mediageweld. Deze laatste factor
acht ik overigens een tot nu toe sterk
onderbelicht probleem.’’
Aldus de staatssecretaris. Het lijkt
mij goed als dit geluid in deze zaal
weer klinkt.
Mijnheer de voorzitter! Ik kan kort zijn: nu horen politiek en publiek het
ook eens van een ander. Dat is
prima. Daarmee zijn de problemen
niet opgelost. Dit betekent echter wel
een bredere politieke erkenning van
criminele of, beter gezegd, van
criminogene factoren in onze
samenleving, die tot onze eigen
individuele of collectieve verantwoor-
delijkheid gerekend dienen te
worden. Het is u¨berhaupt goed om
te mogen vaststellen dat deze
problematiek kennelijk breder in onze
samenleving bespreekbaar wordt.
Zo schreef gisteren prof. Micha de
Winter, hoogleraar aan de Rijksuni- versiteit in Utrecht, in de Volkskrant:
’’Leerlingen doen op school veel
ervaring op met de manier waarop
volwassenen met elkaar en met
kinderen omgaan, over hoe mensen
ten opzichte van elkaar zijn geor-
dend.’’ ’’Het gaat’’, zo zegt prof. De
Winter, ’’om normen en waarden
zoals democratische gezindheid,
respect, verantwoordelijkheid,
pluraliteit en solidariteit.’’ En dan de meest indringende zin: ’’Een kind
moet hoop kunnen koesteren en
succes kunnen ervaren.’’ Ik voeg hieraan toe: niet alleen kinderen. Het
noodzakelijk debat in de samenleving
lijkt door te breken. Wij moeten dat
debat blijven bevorderen.
Terecht wordt nu sinds een jaar of
tien het accent gelegd op de
preventie van criminaliteit. Daarbij
gaat het dan vooral om de veel
voorkomende criminaliteit die de veiligheid van de burger aantast:
inbraak, diefstal, geweldpleging. In
het kader van die preventiegerichte
aanpak gaat het vooral om het
bewust maken van de burger en het
overheidsbestuur van de eigen
verantwoordelijkheid terzake van de
preventie en het nemen van
adequate maatregelen. Daarnaast
gaat het om preventief toezicht.
Sinds de verschijning van de
justitienota ’’Samenleving en
criminaliteit’’ uit 1985 wordt de
preventieve verantwoordelijkheid,
zoals gezegd, door justitie vooral
gezien als een primaire verantwoor-
delijkheid van het openbaar bestuur,
van burgers en bedrijven. Dat leidt in
toenemende mate tot het verschui-
ven van de politie-inzet naar de inzet
van gemeentelijke toezichthouders
en particuliere beveiligingsdiensten.
Op zichzelf is daar niets op tegen,
maar ik meen dat dit op afzienbare
termijn tot een nadere positionering
van de reguliere politie zal gaan
leiden. Wanneer ik daar in het
navolgende verder over spreek, doe
ik dat niet in het kader van de meer
op het terrein van Binnenlandse
Zaken liggende verantwoordelijkhe-
den ter zake van de politie, maar in
het kader van een nadere verkenning
van de verantwoordelijkheid en wat
hiermee annex is van het ministerie
van Justitie voor de rechts-
handhaving, zoals verwoord in de
door mij eerder genoemde taken-
analyse van het ministerie.
Een aantal jaren geleden is, op
basis van politieke werkdrukmeting,
een herverdeling van de sterkte in
gang gezet die heeft geleid tot een
politie¨le ontvolking van grote delen
van ons land. Interessant is dat die
moeilijke operatie – het moet worden
gezegd of je er nu voor of tegen was
– op een bekwame wijze geleid werd
door degene die nu geacht wordt
voorzitter te zijn of te worden van
een leidinggevend college van
procureurs-generaal. Je zou dus
kunnen zeggen dat hij tegen zichzelf
aanloopt.
Thans worden in toenemende
mate vanuit vele delen van het land
oproepen gedaan voor het beschik-
baar komen van meer politie. Deze
oproepen zijn niet zozeer gebaseerd
op werkdruk, als wel op de
onveiligheidsbeleving van burgers.
Dit duidt op een belangrijk
verschil, mijnheer de voorzitter, in
benadering tussen de rijksoverheid
en de burger. De rijksoverheid
baseert zich bij haar beleid vooral op
feiten en cijfers, terwijl de burger
zich vooral baseert op een niet of
nauwelijks meetbare onveiligheids-
beleving.
Nu kan het zijn dat, gelet op een
altijd te beperkt budget, de sterkte-
verdeling zich met name dient te
richten naar de op feiten en cijfers
gebaseerde werkdruk. Maar de
gesignaleerde onveiligheidsbeleving
is, zoals gezegd, niet of nauwelijks te
relateren aan feiten en cijfers.
Klachten over lawaai buiten de
steden kan men niet afdoen met de
mededeling dat dit komt omdat het
er doorgaans zo stil is.
De minister heeft in de Tweede
Kamer gezegd dat vooral in grote
steden tolerantie en geduld van de
bevolking zwaar op de proef worden
gesteld. Dat is waar. Maar dient dı`t
het criterium te zijn voor het treffen
van voorzieningen, namelijk of de
tolerantie en het geduld hun grenzen
bereiken? Of dient los van de
tolerantie en het geduld, de overheid
zorg te dragen voor datgene waarom
de mens ooit overheidsgezag heeft
aanvaard, namelijk de bescherming
tegen onveiligheid? Daarom kunnen
het beleid en de financie¨le middelen
zich niet met name concentreren op
het doen aanstellen van stadswach-
ten of wijktoezichthouders of
reguliere politie in vooral de grotere
steden.
Meer dan de helft van de
Nederlandse bevolking woont in een
niet-stedelijke omgeving en ook door
hen wordt nadrukkelijk gevraagd om
adequaat toezicht door of vanwege
de overheid, naast uiteraard de
eigen, individuele veiligheidszorg en
de verplichting hiertoe.
Eerder zei ik dat de voortgaande
verschuiving van de politie-inzet naar
de inzet van gemeentelijke toezicht-
houders en particuliere beveiligings-
diensten zal moeten leiden tot een
nadere positionering van de
reguliere politie.
In feite is en wordt de politie in
grote delen van ons land immers tot
een soort ’’tweedelijnsorganisatie’’.
Dat wil zeggen dat de eerste lijn
bestaat uit niet-politieel toezicht, uit
niet-politie¨le veiligheidszorg.
Gelet op de burgemeesterlijke
verantwoordelijkheid voor orde en
rust zullen, naar ik verwacht, bij een
in grote delen van ons land als
ontoereikend ervaren sterktetoe-
deling bij de politie, de gemeentebe-
sturen, op basis van eigen prioritei-
tenafwegingen, komen tot de
organisatie van de eigen veiligheids-
zorg. Natuurlijk gebeurt die
sterkteverdeling via de regiokorpsen,
maar het ligt in beginsel op
rijksniveau waar de sterkteverdeling
over de regio’s plaatsvindt.
Dat is prima, zegt de minister
waarschijnlijk. Zeker, maar daarmee
ontstaat dan uiteindelijk wel opnieuw
een gemeentelijk georganiseerde
politie. Immers het kan niet uitblijven
dat deze ontwikkeling uiteindelijk ook
leidt tot een niet te weerstane drang
tot het doen verlenen van steeds
meer bevoegdheden, ook al wordt
nu in Rotterdam het tegengestelde
traject bewandeld bij het ontnemen
van de wapenstok. Overigens kan ik
me bij die ontwikkeling maar ook
alleen da`n, voorstellen dat er sprake
kan zijn van de bouw van gemeente-
lijke celruimte. Kan de minister
aangeven of ze deze parallelle
ontwikkeling in haar ’’alles is
mogelijk’’-achterhoofd had toen ze
hierover sprak, dat wil zeggen een
verdergaande zelfstandige taak van
gemeenten op het terrein van de
veiligheidszorg? En zo nee, wat dan
wel?
Deze ontwikkeling zal mijns inziens
ook worden bevorderd doordat
onder nog steeds toenemende
werkdruk op het terrein van de grote
en georganiseerde criminaliteit, de
druk van het OM op de inzet van de
politie ten behoeve van de opsporing
in de meest brede zin, verder zal
toenemen.
De politie zelf heeft deze ontwikke-
ling waarschijnlijk reeds in een vroeg
stadium onderkend en daarom
gepleit voor het organisatorisch
onderbrengen van functionarissen
met toezichthoudende taken bij de
regiokorpsen. Daarmee worden deze
toezichthouders echter ingebed in
een organisatie waar de burgemees-
ter – en in het verlengde de
gemeenteraad – slechts in beperkte
mate zeggenschap over heeft. De
realisering van de gewenste inzet
van mensen in de eerste lijn van de
veiligheidszorg zal derhalve leiden
tot aanstellingen in de eigen
gemeentelijke organisatie of tot
contracten met particuliere
veiligheidsbedrijven.
Mijnheer de voorzitter! Bij dit alles
heb ik ook in het achterhoofd dat in
1989 bij het kabinetsbesluit tot
reorganisatie van de politie, met
name in justitiekringen kon worden
gehoord – en dit is daarna niet echt
verstomd – dat de instelling van
regiokorpsen een tussenstap was op
weg naar een landelijk georganiseerd
korps.
Wanneer wij nu zien dat het
streven er nadrukkelijk op gericht is
om het openbaar ministerie tot een
organisatie te maken, als we ons
realiseren dat die ene
OM-organisatie een centrale rol zal
spelen op het terrein van de
strafrechtelijke rechtshandhaving en
als we weten dat de minister van
Justitie van oordeel is dat het OM
daarbij het gezag over de politie
dient waar te maken, dan kan het
toch niet anders dan dat er ook
sprake zal zijn van een organisatie op
het terrein van de politie?
Graag zouden wij hierop in dit
beleidsdebat een gemotiveerde
reactie van de minister vernemen.
Daarbij denken wij niet aan een
reactie in de sfeer van ’’zou kunnen’’
of ’’alles is mogelijk’’, zoals de
minister in de Tweede Kamer
verwoordde. De vraag is welke
ontwikkeling de minister, gelet op
haar verantwoordelijkheden voor de
rechtshandhaving, het meest
wenselijk acht.
Er zijn meerderen die aan het been
van de politie trekken en dat maakt
dat de politie voortdurend in de
positie verkeert dat zij de een te kort
moet doen om de ander ter wille te
zijn. Daarmee verkeert ook het
tweesoortig gezag over de politie in
een voortdurende afhankelijkheid
van elkaar maar – daar zit een
probleem – vooral van de politie zelf.
In tijden van betrekkelijke rust aan
het criminele front was dat accepta-
bel, maar het is de vraag of dat
onder de huidige, ernstig gewijzigde
omstandigheden van de rechts-
handhaving ook nog zo is. Door
allerlei maatregelen wordt de politie
steeds meer vrij gespeeld ten
behoeve van de opsporing en de
opheldering van de misdaad, waarbij
de grote, georganiseerde en
internationale misdaad in toene-
mende mate de aandacht vraagt. De
minister van Justitie wordt politiek
vooral verantwoordelijk gehouden
voor de opsporing en opheldering,
maar heeft in dit geval, afgezien van
het openbaar ministerie en wellicht
van een enkel deel van het landelijk
korps, geen eigen apparaat tot haar
beschikking om die verantwoordelijk-
heid voor de rechtshandhaving ook
daadwerkelijk te kunnen dragen. Er
wordt voortdurend gesproken over
’’meer blauw’’, vooral over ’’meer
blauw op straat’’. Overigens is dit
’’meer blauw’’ een mooi voorbeeld
van verhullend taalgebruik waarbij in
het midden blijft of er sprake is van
echte politie dan wel van andere met
veiligheidszorg belaste functionaris-
sen. Er wordt vaak geen nadere
specificatie gegeven.
Wordt het geen tijd dat de
minister van Justitie aangeeft, welke
politie¨le menskracht zij nodig acht
om haar verantwoordelijkheid ter
zake van de opsporing en ophelde-
ring van de grote en internationaal
georganiseerde criminaliteit in
redelijkheid te kunnen dragen? Ik
herinner hierbij aan mijn woorden
over het streven van de minister om
in lijn van het rapport-Donner het
openbaar ministerie tot een
organisatie te maken en die ene
OM-organisatie een centrale rol te
laten spelen op het terrein van de
rechtshandhaving, waarbij ook het
gezag van de politie dient te worden
waargemaakt. Opnieuw stel ik de
vraag, of de minister het wenselijk
acht dat achter die ene aangestuurde
OM-organisatie niet ook een
politie-organisatie zit.
Op dit moment wordt op
kousevoeten door de politie¨le
porseleinkast gelopen. Misschien
moet het wel zo. De minister spreekt
over het instellen van een landelijk
rechercheteam. Het team, zo heeft de
minister gezegd, zal in de eerste
plaats het financieel rechercheren
verder in de praktijk moeten
brengen. Let op de woorden ’’in de
eerste plaats’’. Een bijkomend
voordeel van zo’n team is volgens de
minister immers dat aan een
beschikbare deskundige landelijke
eenheid noodzakelijk onderzoek kan
worden toevertrouwd indien
prioritaire zaken van nationaal en
internationaal gewicht niet of
onvoldoende passen binnen het
bereik van de regiokorpsen of in het
kernteamconcept. Voor de goede
verstaander merkt de minister
daarover op, dat het nog te vroeg is
om te concluderen dat dit concept
werkelijk effectief en efficie¨nt is. Ik zei het al: op kousevoeten
vooruit. De minister zegt immers ook: ’’er dient zorgvuldig afgestemd
te worden met andere onderzoeken
die bij de politie in behandeling
worden genomen, waaronder die
van de kernteams. Men mag elkaar
absoluut niet voor de voeten lopen...’’. De vraag zal echter blijven:
wie loopt wie nu voor de voeten? In
het regeerakkoord is immers
vastgelegd, dat het landelijk
rechercheteam niet zoals het Korps
landelijke politiediensten beheers-
matig onder de verantwoordelijkheid
van de minister van Justitie staat en
dat derhalve de beheersmatige
zeggenschap over de invulling en
vormgeving van het landelijk
rechercheteam bij de minister van
Binnenlandse Zaken zal berusten.
Ik weet dat de minister van Justitie
niet van ’’als, als’’ houdt, maar mag
ik toch vragen of de minister van
Justitie, gelet op haar verantwoorde-
lijkheid voor de rechtshandhaving,
zelf een dergelijke tekst voor het
regeerakkoord zou hebben geformu-
leerd? En zo ja, waarom? Nederland
is trots op de strijd van Rijkswater-
staat tegen de voortdurende
bedreiging van ons land door het
zeewater. Hoe trots mogen wij zijn
op onze strijd tegen de allerwegen
erkende bedreiging van ons land,
van onze rechtsstaat door de grote
en georganiseerde criminaliteit?
Mijnheer de voorzitter! Als de
minister spreekt over het aantal
heenzendingen, heeft zij het dan over
de heenzending na opsporing en
aanhouding, de heenzending aan de
voordeur, of heeft zij het dan ook
over de thans plaatsvindende
heenzending aan de achterdeur? Met
dit laatste bedoel ik, dat mensen die
nog 90 dagen straftijd in een huis
van bewaring hebben te ondergaan,
op basis van de dagelijkse uitdraai
van het ministerie van Justitie
gewoon naar huis worden gestuurd.
Op welke wettelijke of andere
bevoegdheid zijn deze heenzendin-
gen gebaseerd? Is het juist dat PG’s
het voorstel hebben gedaan om het
wegzenden ook toe te passen bij de
in gevangenissen geplaatste
gedetineerden? Heeft de minister
aanwijzingen dat rechters bij het
bepalen van de strafduur inmiddels
rekening houden met dit wegzend-
beleid aan de achterdeur, zoals ook
de VI-regeling betrokken wordt bij
het bepalen van de lengte van de
straf?
Bij een beperkt budget en een in
principe onbeperkte toestroom van
te detineren verdachten en veroor-
deelden moet het uit de lengte of de
breedte komen. Maar is het dan,
zeker voor een minister die anderen
dient voor te houden zich aan de wet
te houden, niet beter om ten minste
verantwoording af te leggen voor
deze noodtoestand die is gebaseerd
op een kennelijk conflict van
plichten, en niet te wachten tot
bijvoorbeeld de commissie-Korthals
Altes wellicht oplossingen biedt door
middel van alternatieven voor de
vrijheidsstraf?
Ik deel de opvatting van de
minister dat nog los van beschikbare
budgetten een voortgaande
uitbreiding van de celcapaciteit
uitdrukkelijk toe is aan een kritische
heroverweging. Onder andere
ervaringen in de Verenigde Staten
leren dat een voortdurende
uitbreiding van de celcapaciteit het
capaciteitsprobleem niet oplost en de
criminaliteit niet doet afnemen.
Door middel van een aanpassing
van de VI-regeling kan invloed
worden uitgeoefend op de
capaciteitsbehoefte. Maar daarbij zijn
ten minste twee zaken aan de orde
die formeel niet aan de orde mogen
zijn, maar feitelijk wel een rol spelen.
Hiermee bedoel ik dat een aanpas-
sing van de VI-regeling formeel niet
bedoeld mag zijn om de celcapaciteit
te beı¨nvloeden, maar dat die feitelijk
wel een rol speelt bij de gedachten-
vorming daarover. Die aanpassing
mag formeel ook geen rol spelen bij
het bepalen van de strafmaat door
de rechter, maar iedereen weet dat
dit feitelijk wel het geval is. De beide
onbedoelde feiten heffen elkaar in de
praktijk zodanig op, dat een
verondersteld positief capaciteits-
effect, mocht daar al sprake van zijn,
niet of nauwelijks zal optreden.
Hoe denkt de minister in dit
verband over de gedachte van de
oud-president van de rechtbank
Amsterdam, mr. Asscher, dat van de
plicht tot tenuitvoerlegging door het
OM een bevoegdheid tot tenuitvoer-
legging kan worden gemaakt? ’’De
noodsituatie wordt dan omgevormd
tot een normaal bestuursprobleem,
te weten het verdelen van een door
de politiek bepaalde hoeveelheid
schaarse middelen’’, aldus Asscher.
Mijnheer de voorzitter! Het
justitiebedrijf staat onder druk. Wat
is de oplossingsrichting die de
minister voorstaat? Ik vraag niet om
feitelijke oplossingen, maar om
richtingen waarin oplossingen
kunnen worden gevonden. Is dat
versterking van de capaciteit of
uitdunning van het aanbod door
vrijlatingen, generale pardonnering,
materie¨le legalisering en andere
instrumenten? Wij wachten graag het
antwoord van de bewindslieden af.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="13-469">
<spreker pagina="13-469" anker="2" partij="PvdA" naam="Mastik-Sonneveldt">
 Voorzitter! Het begrip
’’evenwicht’’ neemt een belangrijke
plaats in bij de behandeling van de
begroting voor Justitie. Het begrip
zelf komt niet zo vaak voor in de
memorie van toelichting op de
begroting, maar het is de interpreta-
tie die velen van deze eerste
begroting van beide bewindslieden
geven. De Nederlandse orde van
advocaten doet het, enkele fracties in
de Tweede Kamer doen het en ook
de minister stelt dit begrip voorop.
Zij begint hiermee haar mondelinge
antwoord aan de leden van de
Tweede Kamer. Ter geruststelling
merk ik op dat ook wij ons aansluiten
bij deze dominante interpretatie.
Het begrip ’’evenwicht’’ is
aanwezig in de balans tussen
bestrijding van de criminaliteit
versus handhaving van het recht,
hieronder dus ook begrepen de
rechtsbescherming. De minister lijkt
het motto te huldigen dat het doel
niet alle middelen heiligt. Ook de uitspraak: draag zorg dat je zelf niet
in de valkuilen trapt die je wilt
bestrijden, zou op haar beleid, maar
ook op dat van de staatssecretaris
van toepassing kunnen worden
verklaard. De minister heeft daarbij
nadrukkelijk aangegeven dat niet
alleen van conservering sprake is.
Het bewaren van dit evenwicht in
een zich voortdurend wijzigende
samenleving vraagt ook om
creativiteit.
Er lijkt ook evenwicht te ontstaan
tussen het maken van nieuwe wetten
enerzijds en het uitvoeren en
evalueren van bestaande, soms net
ingevoerde wetten anderzijds. Beide
bewindslieden brengen praktisch
inzicht mee, aandacht voor datgene
wat er al is en derhalve een gezonde
relativering van wat het nieuwe
allemaal zou kunnen brengen.
Uiteraard betekent dit niet dat
vervolgstappen in wetgeving die al
waren voorgenomen, niet worden
gezet. Ik denk daarbij aan de tweede
fase van de herziening van de
rechterlijke organisatie en aan de
vierde fase van de Algemene wet
bestuursrecht.
Er bestaat ook evenwicht tussen
datgene wat je met regels kunt
afdwingen en datgene wat via
waardeoverdracht, bijvoorbeeld via
gezin of school wordt gegarandeerd.
Regels zijn uiteraard belangrijk, zij
vormen mede het fundament van
onze samenleving, maar zij zijn niet
het enige.
Ook de staatssecretaris willen wij
een compliment maken met
betrekking tot het evenwicht dat lijkt
te ontstaan in het meest omvangrijke
onderdeel van haar portefeuille, te
weten het vreemdelingenbeleid. Ik
bedoel daarmee het evenwicht om te
kunnen scheiden in vluchtelingen,
asielzoekers en economische
vluchtelingen enerzijds, en de
opstelling en humane invulling van
deze regels anderzijds. Wij realiseren
ons dat beiden het met deze filosofie
van evenwicht niet altijd even
gemakkelijk zullen hebben. Immers,
resultaten op korte termijn tellen
voor veel mensen, ongeacht de
effecten op langere termijn. Ons past
het echter, hier en nu te zeggen dat
wij deze filosofie en deze aandacht
voor de effecten van maatregelen op
middellange en langere termijn
steunen. Wij wensen de bewindslie-
den veel succes toe bij het uitdragen
en uitvoeren van dit beleid.
Tot zover deze filosofie die als een
rode draad door het beleid van
beiden heen loopt. Ik kom nu toe aan
de rafels. Ik wil het eerst hebben
over de portefeuille van de minister,
daarna over enkele aspecten van de
portefeuille van de staatssecretaris.
Met betrekking tot de reorganisatie
van het OM heeft de minister in een
brief van 14 december jongstleden
aan de Tweede Kamer aangegeven,
zich vooralsnog te beperken tot
enkele hoofdpunten. In het voorjaar
van 1995 wordt aan de Tweede
Kamer een volledig uitgewerkt
kabinetsstandpunt over de reorgani-
satie van het OM met inbegrip van
een invoeringsplan voorgelegd. Veel
is in beweging. De voorzitter van het
PG-overleg en speciaal aanspreek-
punt voor de minister van Justitie is
net in functie. Daarom kiezen wij
ervoor, hierop nu niet al te uitgebreid
in te gaan. Een opmerking moet mij
echter van het hart.
De minister bedoelt in haar brief
toch niet te zeggen dat zij de
aanbeveling van de commissie-
Donner met betrekking tot voortge-
zette behandeling en hoger beroep
van een officier van justitie bij een
zeer complexe zaak en/of een zaak
die een lange voorbereidingstijd
kent, afwijst vanwege strijd met de
magistratelijke signatuur van het
OM? Als dat haar redenering zou
zijn, begrijpen wij dit absoluut niet.
Respect voor deze magistratelijke
signatuur behoeft toch niet te
betekenen, dat niet efficie¨nt,
doeltreffend en met gebruikmaking
van de aanwezige deskundigheid
wordt gewerkt? Bovendien is het OM
toch een? Gaarne krijgen wij hierop
een reactie van de minister,
vooruitlopend op het concrete plan
van aanpak.
Op 1 januari jongstleden is de
dienst justitie¨le inrichtingen van het
ministerie verzelfstandigd, intern
verzelfstandigd om precies te zijn. Dit
is met name gebeurd om gelden te
kunnen reserveren van niet bestede
middelen en ontvangsten ten
behoeve van voorgenomen
toekomstige investeringen. Het is
ook gebeurd om exploitatie-
voorzieningen bij de inrichtingen
voor groot onderhoud te kunnen
vormen, alsmede om verzekeringen
te kunnen afsluiten en risico’s te
kunnen dekken die dan niet ten laste
van de begroting van Justitie
behoeven te komen. Hoofdzaak is dat
de dienst op basis van vooraf
vastgestelde managementafspraken
over kaders, doelen en resultaten de
uitvoering van taken ter hand neemt.
Hoe is het dan mogelijk, zo vragen
wij ons af met deze doelstelling in
het achterhoofd, dat de Algemene
Rekenkamer in het decemberverslag
zoveel omissies moet constateren?
Wij weten dat het onderzoek zich
voltrok in 1993. Na die tijd zal er het
een en ander verbeterd zijn.
Niettemin zijn de conclusies
dusdanig en is de omvang van de te
besteden middelen bij de dienst
dusdanig, te weten 1,4 mld., dat wij
de conclusies van de Algemene
Rekenkamer toch voor het voetlicht
brengen.
Geconstateerd wordt door de
Algemene Rekenkamer dat nog
nauwelijks sprake is van aansturing
op hoofdlijnen. Voor de goede orde
merk ik op dat ook wij niet pleiten
voor gedetailleerde sturing op
komma’s en punten. De aard van de
materie verzet zich hiertegen. Echter,
bij een dergelijke project waarbij
planning en controle zeer belangrijk
zijn, is aansturing op hoofdlijnen
natuurlijk een zeer belangrijk
gegeven. Verder wordt opgemerkt
dat de jaarafspraken met de
inrichtingen amper taakstellend
waren en niet gekwantificeerd. Ook
dit komt ons, gegeven de taakstelling
van de verzelfstandiging, voor als
een grote leemte.
Aansluitend en als vervolg hierop
wordt geconstateerd dat bij de
bespreking van de jaarverslagen te
weinig rekening werd gehouden met
beleidsinhoudelijke zaken. Ook
periodieke doorlichting door het
ministerie vond niet plaats, waardoor
een toets op de kwaliteit van de
beleidsuitvoering ontbrak. De reactie
van de minister op dit alles was dat
het om een groeimodel gaat en dat
voor 1995 een efficiencytaakstelling
van 22 mln. zal worden gerealiseerd.
Deze opvatting komt de fractie van
de PvdA nog niet geheel als
geloofwaardig voor. Bovendien, hoe
denkt de minister dat deze 22 mln.
kunnen worden gerealiseerd?
Het onderdeel deregulering door
het ministerie lijkt in samenwerking
met het minister van Economische
Zaken nogal marktgericht te worden
ingevuld. Nu hebben wij niets tegen
het afschaffen van regels, wanneer
dit gericht is op een betere werking
van de markt. Van belang is echter
wel dat ook hierbij een evenwicht in
acht wordt genomen. Dit dient een
evenwicht te zijn tussen de afschaf-
fing van regels en het handhaven
van andere belangen, waaronder de
bescherming van bepaalde groepe-
ringen in deze maatschappij. In die
zin is de markt niet heilig.
Wij denken overigens dat wij
hierbij de minister aan onze kant
vinden. Zij heeft immers verklaard
tijdens een mondelinge behandeling
in de Tweede Kamer dat de
verzorgingsstaat en het recht in ieder
geval dit gemeen hebben dat zij
opkomen voor de zwakkeren in de
samenleving. Daarom begrijpen wij
niet helemaal waarom de deregule-
ring tot nu toe slechts economisch
en gericht op de markt wordt
ingevuld. Dat de minister meewerkt
aan het plan van aanpak van de
minister van Economische Zaken om
te komen tot een vermindering,
respectievelijk vereenvoudiging van
de concurrentiebeperkende en
belastende regelgeving, kunnen wij
ons voorstellen, ten minste als
andere belangen zich daartegen niet
verzetten. Maar waarom worden
andere onderdelen van de bestaande
regelgeving niet aan vergelijkbare
toetsen onderworpen? Zo zou er
gedacht kunnen worden aan een
samen met Binnenlandse Zaken op
te zetten project, gebaseerd op de
vraag welke regels beter kunnen
worden afgeschaft c.q. veranderd om
te bereiken dat lagere overheden een
meer samenhangend beleid op
bepaalde onderdelen kunnen
realiseren. Graag verkrijg ik hierop
een reactie van de minister.
Voorzitter! Vervolgens richt ik mij
op enkele hieraan verwante
onderwerpen. De Commissie voor de
toetsing van wetgevingsprojecten
lijkt ook geheel in de genoemde, wat
beperkte economische toetsing te
worden opgenomen. Wij hebben
altijd veel waardering gehad voor het
werk van deze commissie, juist
vanwege het brede, onafhankelijke
karakter van haar werkzaamheden.
Hoe ontwikkelt dit zich nu verder, zo
vragen wij de minister.
De handhaafbaarheid van wetten
is van groot belang. In bredere zin
verdient de afweging van de
beginselen die bij nieuwe wetgeving
worden gehanteerd, veel aandacht. Is
nieuwe wetgeving noodzakelijk, is
die wetgeving uitvoerbaar en kan de
desbetreffende wet worden
gehandhaafd? Het zijn zeer belang-
rijke vragen, waarvoor wij al vaak de
aandacht hebben gevraagd. Ook wij
weten dat de minister geen
superminister is en dat zij het moet
doen in samenwerking met haar
collega’s. Dit geldt mutatis mutandis
ook voor haar ambtenaren. Echter,
de minister van Justitie heeft samen
met haar ambtenaren we`l een
bepaalde verantwoordelijkheid in
dezen, gelet op haar verantwoorde-
lijkheid voor de wetgeving in het
algemeen maar zeker ook vanwege
haar financie¨le verantwoordelijkheid.
Kunnen de rechterlijke macht, de
politie en het OM een en ander wel
behappen of zijn hierdoor weer extra
financie¨le middelen nodig? Wij
worden gerustgesteld door de
aandacht die de minister toont voor
alternatieve sancties. Desalniettemin
blijft een aantal vragen bestaan. Ons
vallen enkele zaken op en wij
verwachten in dat verband een
reactie van de minister.
De taakstelling van de stafafdeling
wetgevingsbeleid lijkt zich te
ontwikkelen van een meer brede
aandacht – daarbij stonden de
hierboven aangegeven uitgangspun-
ten centraal – naar een meer
beperkte aandacht voor specifieke
wetgevingsprojecten. Is deze analyse
juist?
De minister geeft in haar
mondelinge antwoord in het kader
van de behandeling van haar
begroting in de Tweede Kamer aan,
dat handhaafbaarheid een belangrijk
onderdeel is waarop onder meer in
de ministerraad wordt gelet. Maar
waarom, zo vragen wij ons af,
komen wij dit kopje dan nog steeds
niet permanent tegen bij nieuwe
wetsvoorstellen? Dat zou zeer nuttig
zijn.
Ook valt ons op dat het instrumen-
tarium, door de Inspectie voor de
rechtshandhaving ontwikkeld met
betrekking tot de handhaafbaarheid
en de uitvoering van regelgeving,
nog steeds niet breed wordt
toegepast. Hoe komt dit?
Voorzitter! Over het evenwicht dat
de staatssecretaris hanteert met
betrekking tot de vreemdelingen-
wetgeving hebben wij het al gehad.
Ook over andere taakonderdelen van
haar portefeuille hebben wij enkele
vragen en opmerkingen. Wij kijken
met belangstelling uit naar haar nota
over leefvormen. Dat geldt ook voor
eventuele nieuwe voorstellen ter
vereenvoudiging van het
echtscheidingsprocesrecht.
Het terrein van de jeugd-
hulpverlening blijft problematisch.
Wij duiden in dit verband ook op de
samenwerking met het ministerie
van WVS. Bij de vorige begrotings-
behandeling vroegen wij hiervoor
ook al de aandacht. Tot onze niet
geringe verbazing is de samenwer-
king van Justitie en VWS met
betrekking tot de evaluatie van de
Wet op de jeugdhulpverlening eerst
gestagneerd en uiteindelijk verbro-
ken. Weliswaar is er sinds juli 1994
een nota ’’Regie in de jeugdzorg’’,
maar wij zouden graag van de
staatssecretaris vernemen hoe zij nu
concreet tegen de mogelijkheden
voor de samenwerking van de twee
ministeries aankijkt in het licht van
concrete oplossingen op het terrein
van de jeugdbescherming, dat toch
ook een belangrijk onderdeel van
haar portefeuille is. Meer in het
bijzonder zouden wij daarnaast graag
vernemen welke ontwikkelingen zich
thans voordoen bij de instituten voor
zeer intensieve behandeling en de
daar thans nog aanwezige onderwijs-
instituten.
HALT-bureaus kunnen naar ons
oordeel worden beschreven als
succesvolle samenwerkingsprojecten
van gemeente, politie en OM, gericht
op preventie en bestrijding van veel
voorkomende jeugdcriminaliteit. Een
evenwichtige financiering door
gemeenten en Justitie lijkt dan ook
op haar plaats. Nu door de uitbrei-
ding van de delicten die voor
HALT-afdoening in aanmerking
komen, het aantal zaken voor deze
bureaus toeneemt, dringt zich de
vraag op of ook de bijdrage van het
ministerie niet moet worden
verhoogd. Wij hebben begrepen dat
een groot aantal bureaus op dit
moment al met deze delicts-
uitbreiding doende is, zulks in het
vertrouwen dat daar extra middelen
tegenover staan. Wij vragen de
staatssecretaris om een expliciete
reactie op dit punt.
Voorzitter! Wij hebben kennis-
genomen van het feit dat door het
WODC van het ministerie van Justitie
twee onderzoeken worden verricht in
het kader van de Wet op de
rechtsbijstand. Het ene onderzoek
heeft betrekking op de vraaguitval;
het andere betreft de vraag welke
alternatieven mensen hebben
gezocht. De staatssecretaris zal niet
aarzelen om snel met conclusies te
komen, zo hebben wij begrepen,
wanneer de onderzoeksresultaten
daartoe aanleiding geven. De vraag,
gesteld in de Tweede Kamer, of de
differentiatie van de tarieven ook kan
worden betrokken bij deze onderzoe-
ken, werd door de staatssecretaris
bevestigend beantwoord. Onze vraag
is, of hierbij ook kan worden
meegenomen het ontbreken van een
min- en onvermogendenregeling in
verband met de betaling van
griffierechten voor bestuurszaken.
Wij menen dat de Nederlandse Orde
van Advocaten hiervoor terecht
aandacht heeft gevraagd. Ook op dit
punt verkrijgen wij graag een
duidelijke reactie van de staatssecre-
taris.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="13-471">

 
<spreker pagina="13-471" anker="3" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">

Mijnheer de voorzitter! In onze
beoordeling van dit kabinet, dat door
GroenLinks hard en neo-liberaal
wordt genoemd omdat het teveel
bezuinigt op collectieve voorzienin-
gen om lastenverlaging te financie-
ren, valt de benadering van wat door
sommigen al de ’’vrouwenvleugel’’
wordt genoemd, voorlopig gunstig
uit. Uit interviews en kamerdebatten
blijkt dat de minister vraagtekens zet
bij het beleid van haar voorganger;
dat doet zij ons inziens terecht. De
	
sterk moralistische toonzetting is
thans vervangen door een meer
pragmatische terwijl de wapenwed-
loop met de georganiseerde
criminaliteit ter discussie wordt
gesteld. In een evenwichtige
benadering, waarbij niet het zwaard
maar de weegschaal als symbool
geldt, wordt het belang van de
rechtsbescherming sterker bena-
drukt. Het zaaien van morele paniek,
waarmee allerlei repressie-
maatregelen moesten worden
gerechtvaardigd, wordt wellicht door
’’paars’’ vervangen door zakelijke
discussies, te voeren op basis van
argumenten. Ik gebruik het woord
’’wellicht’’ omdat het de vraag is of
de VVD bij de benadering van dit
onderwerp aan het CDA blijft
vastklitten of dat zij in het paarse
elan haar eigen goed verborgen
liberale waarden weer weet te
vinden. Zeer benieuwd ben ik naar
het betoog van de heer Talsma.
Voorzitter! In het debat aan de
overzijde sprak de minister over de
noodzaak van creativiteit, maximale
denkkracht en verantwoorde
gedurfdheid. Waar het ging om het
onderwerp dat wij vandaag centraal
willen stellen, het drugsbeleid, wordt
een ’’stapsgewijze, open discussie’’
aangekondigd, waarbij zoveel
mogelijk ideee¨n besproken moeten
kunnen worden. Deze invitatie kan
mijn fractie niet voorbij laten gaan,
vooral niet omdat GroenLinks over
het drugsbeleid altijd heldere
opvattingen heeft gehad en op dit
gebied ook een voortrekkersrol heeft
gespeeld. Zo heeft eerder in dit huis
mijn fractievoorzitter, Wim de Boer,
in een algemene beschouwing de
toenmalige minister-president
Lubbers een redenering voorgehou-
den waarop deze geen tegenargu-
ment wist te verzinnen.
Natuurlijk zijn we op de hoogte
van het feit dat er een drugsnota of
-notitie is aangekondigd voor het
voorjaar. Het lijkt mij echter van
belang, ook om de inhoud van de
nota misschien nog wat te beı¨nvloe-
den, om vandaag fundamenteel over
dit onderwerp van gedachten te
wisselen, al was het maar ter
aanmoediging om de aangekondigde
nieuwe wegen echt in te slaan en als
een bijdrage ter weerlegging en
wellicht ter neutralisering van de
enorme conservatieve en ideologi-
sche weerstanden die er in de
maatschappij nog steeds tegen zijn.
Ongetwijfeld zullen die ook op het
ministerie van Justitie aanwezig zijn.
De opvattingen van GroenLinks
inzake het drugsbeleid zijn tot nu toe conform het voorstel van de NIAD:
softdrugs te legaliseren en harddrugs
te decriminaliseren en ze gecontro-
leerd te verstrekken. Vaak hebben wij
gewezen op voorbeelden in
Liverpool. Recentelijk kunnen we
daar de Zwitserse steden aan
toevoegen.
Inzake de softdrugs, de cannabis-
produkten, is de situatie zeer helder.
De enorme hypocrisie van politici die
met een sigaret c.q. sigaar in de ene
hand en een glas bier c.q. wijn in de
andere hand tegen het legaliseren
van softdrugs zijn, kan niet vaak
genoeg aan de kaak gesteld worden.
Uit alle overzichten blijkt dat alcohol
en tabak veel schadelijker zijn voor
de volksgezondheid dan cannabis-
produkten. Nicotine en alcohol
scoren zowel op punten als
gewenning, psychische afhankelijk-
heid, lichamelijke afhankelijkheid en
kortere- en langere-termijneffecten
op de gezondheid allemaal negatie-
ver dan hennepprodukten. Voor de
geı¨nteresseerde woordvoerders en
de bewindslieden heb ik een kopie
gemaakt van een vergelijkend
overzicht. Ik vraag de voorzitter om
dit aan de Handelingen toe te
voegen. 

</spreker>
<spreker pagina="13-472" anker="4" naam="De voorzitter">
 Ik neem aan, dat
tegen het opnemen van een noot in
de Handelingen inzake een vergelij-
king van drugs, alcohol en tabak
geen bezwaren bestaan.
(De noot is opgenomen aan het eind
van deze editie.)
2 

</spreker>
<spreker pagina="13-472" anker="5" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">

Voorzitter! Ik vraag de minister of zij
deze gegevens kent. Wat is haar
reactie? Deelt ze onze conclusie over
’’hypocrisie’’?
Ook de cijfers over alcohol-
misbruik en -verslaving spreken
boekdelen. Er zijn maar liefst 325.000
probleemdrinkers (meer dan 12
glazen per dag) die een enorme
maatschappelijke schade veroorza-
ken. Ik noem alleen maar de
verkeersdoden.
Je kunt van mening zijn dat
alcohol dus ook uitgebannen moet
worden. Sommige islamitische
landen doen daar nogal autoritaire
pogingen toe. Maar sinds de
drooglegging in Amerika (1919-1932)
heeft de mensheid wel een lesje
geleerd. De mafia werd hier
gecree¨erd en het leidde tot meer
alcoholconsumptie. De enig zinvolle
nevenprodukten van deze totalitaire
regeringspolitiek waren de span-
nende films en boeken, dat wel.
Zelfs de meeste geheelonthouders
in Nederland staan en stonden op
het standpunt dat verbieden alleen
maar averechts werkt. Ik weet dat,
want ik kom uit zo’n gezin. Zelfs bij
de meest radicale stroming in de
blauwe beweging die meent dat het
allemaal begint met de eerste drup,
bestaat het inzicht dat verbieden
averechts werkt.
Welk argument kan de regering
noemen om de softdrugs niet
volledig te legaliseren in plaats van
voortzetting van het huidige
halfslachtige gedoogbeleid? Nu wil ik
wel toegeven dat het halfslachtige
Nederlandse beleid steeds meer
navolging krijgt op een actie na van
de Franse communistische partij die
in Nederland nota bene door het
GPV werd gesteund. Maar goed,
kennelijk kan zoiets gebeuren. Maar
steeds meer ziet men in dat dit
beleid veel verstandiger en humaner
is dan dat in vele andere landen.
</spreker>
<spreker pagina="13-472" anker="6" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">

Voorzitter! Het is natuurlijk een zegen
dat onze minister van Justitie in
interviews in Nederland gewoon kan
zeggen dat ze wel eens een stickie
heeft gerookt. Ik geloof echter niet
dat zij ervan genoten heeft. Zij hoeft
in ieder geval niet te liegen over het
inhaleren. Het blijft wel vreemd dat
er enerzijds een cannabismuseum in
Amsterdam floreert, die voor
Amerikaanse toeristen een openlijke
bezienswaardigheid vormt, en
anderzijds koffieshophouders en
telers steeds bedreigd kunnen
worden door politieoptreden. Je mag
het wel roken, maar niet kweken en
verhandelen!
Extra argumenten voor legalisatie
zijn de mogelijkheid van kwaliteits-
controle, het beter scheiden van de
markt van hard- en softdrugs en het
kunnen incasseren van BTW en
belasting. Ook voor minister Zalm
zijn de 600.000 tot 1 miljoen
gebruikers in Nederland een niet te
versmaden inkomstenbron! Ik hoop
overigens dat hij deze suggestie eens
onder ogen krijgt.
Zoe¨ven sprak ik over het concept-
voorstel van de NIAD, dat Groen-
Links grotendeels steunt, grotendeels
omdat enkele reacties nopen tot
nadere discussies over de uitwerking
en de detaillering. Hoewel het in die
kringen niet gebruikelijk is om
achternamen te noemen, komt
Wernard aan het woord. Hij was van
1973 tot 1978 de eerste eigenaar van
de koffieshop moderne stijl in
Amsterdam en is voorzitter van de
Sinsemilla Fanclub. In de brochure
’’De Groene Middenweg’’, die ik in
de aandacht van de minister
aanbeveel, somt hij namelijk een
aantal bezwaren op tegen de
beperking om voor eigen gebruik
slechts vijf planten te mogen
kweken. Hij beschouwt dit als een
ondeskundige norm omdat, als je
cannabis kweekt uit zaad, een
veelvoud aan planten nodig is om op
kwaliteit te selecteren. Op een
vierkante meter gaan gemakkelijk
100 plantjes waaruit een selectie
wordt gemaakt.
Naast deze serieuze kritiek, die wij
bij de uitwerking kunnen bespreken,
komt hij nog met een zeer verras-
send pleidooi tegen legalisatie. Dat
heeft mij overigens niet weten te
overtuigen. De commercialisatie van
tabak waardoor de vredige,
filosofische toegevoegde waarde is
vervangen door het flirten met de
dood, is zijn historische voorbeeld. In
zijn ogen veranderen mensen
positief door cannabisgebruik en
wordt dit door commercie verstoord.
Maar het lijkt mij, dat het middel
(verbod van cannabis) erger is dan
de kwaal.
Er bestaat in Nederland trouwens
een bond voor cannabisdetaillisten,
die de bonafide sector vertegenwoor-
digt. Is de minister bereid om, mede
in het kader van de voorbereiding
van de drugsnota, met hen te
overleggen en onder andere het
knelpunt van de 30-gram-voorraad-
regel serieus te bespreken?
Het doorbreken van het taboe op
cannabis leidt er wellicht toe dat
hennepteelt in de landbouw, vooral
op braakliggende gebieden,
gemakkelijker wordt. Dat lijkt grote
perspectieven te hebben.
Zoals gezegd, heeft GroenLinks tot
nu toe gecontroleerde verstrekking
van harddrugs aan geregistreerde
verslaafden voorgesteld. Dit gebeurt
in het buitenland met goede
resultaten. Bovendien propageren
vele grote gemeenten dat nu. De
Gezondheidsraad zal er waarschijnlijk
een verdeeld advies over uitbrengen.
De politiek zal er vervolgens een
besluit over moeten nemen.
Deze gecontroleerde verstrekking,
waar ik een voorstander van ben,
roept toch wel een aantal vragen op.
Aan wie moet het verstrekt worden?
Moeten artsen dat doen? Voor mij
was het rapport Drugsbeleid door
legalisatie van een werkgroep, die
bestond uit personen uit allerlei
sectoren, van bedrijfsleven tot
politie, dan ook zeer interessant.
Daarin werden allerlei vragen, ook
dit soort vragen, adequaat beant-
woord. Opmerkelijk is trouwens dat
de woordvoerder van deze werk-
groep, mr. R. Dufour, in allerlei
media, ook op de Belgische televisie,
uitgebreid aan het woord komt, daar
nauwelijks tegenspraak krijgt,
meestal bijval, maar dat tot nu toe
de politieke partijen en de regering,
die het rapport aangeboden hebben
gekregen, erover zwijgen als het
graf. Dat kan toch niet de bedoeling
zijn van een minister die alle ideee¨n
aan bod wil laten komen en die voor
een open discussie is? Daar dit zeer
gedegen rapport mij aansprak, leek
het me de moeite waard om hier
aandacht aan te besteden.
Ik sprak al over discussies in de
media waar nog geen serieus
argument tegen het plan kon worden
ingebracht. In de nota staat dat er in
de komende maanden op grond van
de reacties een tweede versie wordt
uitgebracht. Ik heb begrepen dat er
niet zoveel veranderd hoeft te
worden. Misschien slaagt de
regering erin om volgende week
serieuze bezwaren naar voren te
brengen. Ik ben benieuwd.
De hoofdlijn van het rapport is de
analyse dat de drugsoorlog niet te
winnen is, nog sterker, dat de
criminaliteit ten gevolge van het drugsverbod enorm is: 50% van het
aantal cellen wordt bemand door
drugsdelinquenten. Dat kost
politie/justitie de helft van haar
capaciteit. Vechten tegen de
criminaliteit op de traditionele
manier is dweilen met de kraan
open. Die open kraan is het
drugsverbod, goudmijn en motor
van de misdaad. Als het verbod er
niet was, zou de mafia er actie voor
gaan voeren!
Dit wordt in politiekringen ook
steeds openlijker geconstateerd.
Toen ik tien jaar geleden als
gemeenteraadslid in Groningen een
pleidooi voor legalisering hield,
kwam de toenmalige hoofdcommis-
saris in de pauze me nog besmuikt
vertellen het er helemaal mee eens
te zijn. Later in Amsterdam had hij
wat minder moeite om de publiciteit
te vinden... Maar nu laat ook een
braaf CDA-lid, om hem zo te
noemen, als de Rotterdamse
hoofdcommissaris Hessing in een
interview in Vrij Nederland weten dat
hij deze mening is toegedaan. Hij
meldt dat hij hierin is gesterkt, toen
hij in een vliegtuigje boven de
papavervelden in Zuid-Amerika zat.
Hij kreeg toen het inzicht dat deze
oorlog niet te winnen is, dat het
vechten tegen de bierkaai is en dat
het slechts contraproduktieve
effecten heeft.
Het leidt ertoe dat de 20.000 tot
30.000 verslaafden via de zogeheten
verwervingscriminaliteit hun
verslaving moeten financieren. Het
gaat hierbij om enorme bedragen. Zo
rekende de Groningse politie
recentelijk uit dat per dag in
Nederland voor 2,5 mln. verhandeld
wordt. Voor Groningen betekent dit
dat er per dag een financierings-
behoefte van ƒ 100.000 bestaat, die
naast de uitkering, de prostitutie en
het bestelen van de familie vooral
via inbraak in auto en woning en via
straatroof gefinancierd moet worden.
Aan de vele slachtoffers – zelf
behoor ik er ook toe – van deze
distributie via de mafia is het goed
uit te leggen dat we op een
dwaalspoor zitten.
Naast deze verwervings-
criminaliteit is er sprake van grote
criminaliteit via de produktie en met
name de tussenhandel. Zonder
overdrijving zou je kunnen stellen
dat dit een ondermijning van de
rechtsstaat tot gevolge kan hebben.
Die enorme sommen geld zoeken
eenvoudigweg hun uitweg. Deelt de
minister de stelling dat de totale
criminaliteit voor minstens de helft
aan het criminaliseren van drugs
verbonden is en dat dus legalisering
tot enorme daling van de criminali-
teit kan leiden? Niet alleen direct,
maar ook indirect omdat de
vrijgekomen capaciteit van politie en
justitie aan zaken als milieu-
criminaliteit of fietsendiefstal – dat is
een plaag en een rem op het
fietsgebruik – besteed kan worden.
In het rapport ’’Drugsbeheersing
door legalisatie’’, van mr. Dufour,
wordt ervoor gekozen om een
Nationaal Drugsbureau 150
drugswinkels te laten oprichten. Het
personeel krijgt een vast salaris en
de winkels zijn niet op winst gericht.
Voor elke drugssoort wordt een
maximum vastgesteld dat men per
week kan kopen. Als men meer wil,
richt men zich tot de hulpverlening.
Die kijkt of er niet illegaal wordt
doorverkocht en adviseert over een
veilig(er) gebruik. Elke ingezetene in
Nederland kan een drugspas krijgen
waarmee hij of zij de drugs tot de
vaste plafonds kan kopen. De
drugspas is niet overdraagbaar en
wordt met inachtneming van
privacybescherming geregistreerd.
Dit gaat de aanzuigende werking op
toeristen tegen. De prijzen gaan
omlaag naar een normaal econo- misch niveau: voor ongeveer
ƒ 10-ƒ 20 per dag is men ’’binnen’’,
aldus het voorstel. Daarmee vervalt
de verwervingscriminaliteit. De voordelen van dit systeem zijn:
- het merendeel van de celruimte
voor handelaren en verwervings-
delinquenten komt vrij;
- door verdwijning van het cellen-
tekort daalt de overige criminaliteit
met 10 tot 20%;
- door verdubbeling van de capaciteit
van politie en justitie ontstaat er een
verdere daling van de criminaliteit.
Zelfs 50 tot 80% is de verwachting;
- de jaarlijkse gezondheidswinst
wordt geschat op 1500 zware
geweldsdelicten per jaar minder;
- boven is sprake van 4 tot 6 mld.
lastenverlichting per jaar voor de
samenleving! Alweer, minister Zalm
luistert u mee?
Deze stap naar de 150 drugs-
winkels in plaats van de gecontro-
leerde verstrekking aan bepaalde
verslaafden wordt in het rapport ook
beargumenteerd door erop te wijzen
dat artsen in een rolconflict komen
als ze geen medicijnen maar
genotmiddelen moeten voorschrijven
waarvan het gevolg kan zijn dat de
verslaafde naar alle waarschijnlijk-
heid niet alles krijgt wat hij wil, zodat
de verwervingscriminaliteit niet
geheel wordt opgelost. Voor
gebruikers van harddrugs die niet in
het opvangcircuit zitten – slechts een
minderheid zit daarin – zal gecontro-
leerde verstrekking geen soelaas
bieden en blijft de zwarte markt dus
bestaan. Ook leidt het tot discussies
over de vraag wat ’’terminale’’ of
uitzichtloze gevallen zijn. Die
discussie zijn ook vrij ingewikkeld.
Bovendien is het de vraag of
verstrekking aan deze ’’gevallen’’ wel
voor de grootste criminaliteitsdaling
zal zorgen.
Toen ik dit pleidooi had gelezen,
kwam natuurlijk ook bij mij de vraag op: het klinkt wel mooi, maar wat
zijn de bezwaren? Laten we er eens
een paar nalopen.
Het eerste dat onmiddellijk bij mij
opkwam, is dat het leidt tot een
lagere drempel en dus tot meer
verslaafden. Dit is maar zeer de
vraag. De romantiek van het
verbodene – verboden vruchten
smaken immers nog steeds het
lekkerst – vervalt en compenseert
waarschijnlijk de verlaagde drempel.
Bovendien is de drempel nu al heel
laag. Bij een openbare discussie-
bijeenkomst over dit rapport in het
stadhuis te Apeldoorn stelde de
drugsadviseur August de Loor dat hij
binnen 5 minuten aan alle drugs kon
komen die men maar wilde, ook in
Apeldoorn. Het huidige intensieve en
fijnvertakte netwerk van gebruikers
en dealers is al zeer laagdrempelig!
Een parallel is wellicht nog nuttig.
Nederland heeft met zijn liberale
abortusbeleid de laagste cijfers in de
wereld.
Het tweede bezwaar is dat het
gebruik van harddrugs leidt tot
verloedering, tot euthanasie (op
termijn), zei zelfs CDA-woordvoerder
Koekkoek in de media. In het
parlement trok hij die opmerking
overigens in. Het was een prachtig
voorbeeld van het zaaien van morele
paniek. Maar juist de huidige
toestand, met de illegaliteit, de vuile
naalden en daarmee de grotere kans
op AIDS, de hoge prijzen en de
criminaliteit, leidt tot verloedering.
Het gebruiken van zuivere heroı¨ne is
weliswaar zeer verslavend, maar
leidt niet tot ernstige gezondheids-
problemen en dus ook niet tot een
’’verwoestend effect op het menselijk
lichaam’’, zoals de heer Koekkoek
van de CDA-fractie ons wilde laten
geloven. Zo konden artsen die het uit
hun eigen medicijnkast haalden en
verslaafd waren, er oud mee worden.
Ook blijkt uit onderzoek dat 40% van
de gebruikers van harddrugs, vaak
weekendgebruikers, helemaal niet op
het criminele pad is en zonder al te
grote problemen in de maatschappij
functioneert.
Voor de duidelijkheid, ik bepleit
geen verslaving. Integendeel, de
aloude leuze ’’Elke verslaving meer is
een vrijheid minder’’ zou mijn
levensmotto zijn. En dat geldt voor
alle verslaving, van alcohol tot
televisie of autogebruik. De romans
die ik heb gelezen van verslaafde
artsen, hebben mij geleerd dat een
leven van een verslaafde geen pretje
is. In het algemeen vind ik het
dempen van je emoties en gevoelens
– men noemt dat wel het zombie-
effect – niet de beste manier om met
problemen in het leven om te gaan.
Daarom is een actief voorlichtings-
en ontmoedigingsbeleid nodig en
noodzakelijk. En net als bij alcohol en
tabak ben ik een voorstander van het
verbieden van reclame ervoor.
Maar er moet geen demagogie
bedreven worden inzake de
verslaving aan harddrugs. Merkwaar-
dig is ook dat het voorschrijven van
kilo’s valium en het verstrekken van
methadon niet dit soort paniek-
reacties oproept.
Dan het derde bezwaar, namelijk
dat internationale verdragen en de
Opiumwet het verbieden. In het
rapport wordt dit argument in mijn
ogen overtuigend weerlegd.
Trouwens, ook de verstrekking in
Zwitserland en Liverpool vindt
ondanks deze internationale
verdragen plaats. Bovendien kun je stellen: als het zo is, kun je de
verdragen opzeggen. Maar goed, dat
hoeft niet eens. De aanzuigende
werking, ook zo’n geliefkoosd
argument van de tegenstanders,
blijkt in Liverpool en Zwitserland niet
plaats te vinden. Het voorstel van de
drugspas maakt dit ook onmogelijk.
Ten vierde. Als harddrugs
gelegaliseerd worden, wijkt de
criminaliteit uit naar andere
terreinen. De vorige minister van
Justitie hanteerde vaak dit argument.
De criminoloog Frank Bovenkerk
heeft dit argument in mijn ogen
overtuigend weerlegd door te
verwijzen naar de drooglegging in
Amerika. Toen die werd stopgezet,
schakelde slechts een derde van de
criminelen over op andere takken.
Maar het is nu al een tendens dat de
drugsmafia ook in vrouwenhandel,
wapenhandel, orgaanhandel en
dergelijke actief is. Bij de legalisering
van de drugs kan dan ten minste alle
capaciteit van de politie en justitie
hierop gericht worden.
Mijn conclusie is dat het rapport
van mr. R. Dufour politieke aandacht
verdient. Mijn vraag aan de minister
is of zij dit met mij van mening is en
of in de aangekondigde drugsnota
uitgebreid aandacht geschonken gaat
worden aan dit rapport. Ik verwacht
een positief antwoord, want er is
toch ’’verantwoorde gedurfdheid’’
aangekondigd?! Wat vindt de
minister van het idee om een
symposium over dit rapport te
organiseren of, indien dit te ver gaat,
discussiedagen met beleidsmakers,
politici en deskundigen? Mijn
eindconclusie is dat de toekomst ligt
in het drugspacifisme, als de oorlog
tegen de drugs toch niet te winnen
is.
Omdat legalisering van drugs tot
zulke enorme veranderingen in het
hele justitiebeleid zal leiden en het
geroep om meer cellen, langere en
strengere straffen en meer politie
grotendeels overbodig maakt, heb ik
verder geen aandacht besteed aan
de rest van de begroting.
Over het asiel- en vluchtelingen-
beleid en het wetsvoorstel veilige
derde landen komen we binnenkort
met de regering uitgebreid aan de
praat. Voor de tweede schriftelijke
vragenronde is zonet door onze
fractie al een flink pakket vragen
ingeleverd.
Op een punt wil ik nog de
aandacht vestigen en dat is de
kwestie van de eigen bijdrage in de
rechtshulp en de positie van de
sociale advocatuur. In de Tweede
Kamer hebben allerlei partijen
aandacht gevraagd voor deze
problematiek. GroenLinks en de SP
deden dit zeer uitgebreid. Ook de
Eerste Kamer heeft de brieven en
signalen ontvangen. De staatssecre-
taris heeft in het debat aan de
overzijde een onderzoek naar de
consequenties aangekondigd. Als
uitgangspunt stelde ze dat ook de
minder draagkrachtige rechtzoekende
geen onoverkomelijke belemmerin-
gen mag ondervinden om zijn zaak
voor de rechter te brengen. Dat is
mooi – dat schept een band, zou je
kunnen zeggen – maar de vraag is of
ze nu bereid is om op basis van het
onderzoek de wetgeving bij te
stellen. Wil ze de enorme vraaguit-
val, ver boven wat werd beoogd,
voorkomen? Toegezegd werd begin
volgend jaar – dat is het vandaag –
met conclusies en maatregelen te
komen. Kan zij er al wat over
meedelen?
Ook de problemen van de
voorschotten bij de sociale advoca-
tuur, die te laat worden uitgekeerd
en te laag zijn, waardoor allerlei
bureaus in grote financie¨le proble-
men komen, zullen de staatssecreta-
ris bekend zijn. Vooral kleine
kantoren en advocaten hebben soms
achterstanden van ƒ 50.000 tot
ƒ 80.000. Zijn hiervoor al praktische
oplossingen gevonden?
</spreker>
</blok>
<blok pagina="13-475">

 
<spreker pagina="13-475" anker="7" partij="D66" naam="Glastra van Loon">

Mijnheer de voorzitter! Het zal u niet
verbazen dat het mijn fractie
verheugt, met deze bewindsvrouwen
de begroting en het beleid voor 1995
te kunnen bespreken. De reden voor
onze vreugde is mede, maar zeker
niet alleen gelegen in de politieke
kleur die zij vertegenwoordigen. Zij
berust vooral op hetgeen wij tot nu
toe hebben kunnen waarnemen van
de wijze waarop deze bewindsperso-
nen hun taak opvatten en aanpakken.
Hieruit spreekt een weldadige
zakelijkheid en een helder besef van
de beperkingen waaraan ook de
uitvoering van de taken van Justitie
is onderworpen. Ik sluit overigens
niet uit dat het laatste, die taak-
opvatting, iets met het eerste, de
politieke kleur van de bewindsvrou-
wen, te maken heeft.
Hoezeer wij ons ook op deze
gelegenheid tot een gedachtenwisse-
ling met deze minister en deze
staatssecretaris verheugen, wij zullen
daar vandaag toch maar een beperkt
gebruik van maken. Hiervoor zijn
twee redenen. De eerste, meest voor
de hand liggende is dat zij nog maar
kort geleden aan de slag zijn gegaan.
De tweede reden is dat hun begin
ons voldoende vertrouwen geeft om
het vervolg ervan met dezelfde
evenwichtige, ontspannen rust af te
wachten als deze bewindspersonen
in de uitvoering van hun taken
uitstralen.
Die ontspannen, evenwichtige
aanpak van de problemen moge
sommigen een kwestie van louter
formele betekenis lijken, maar wij
menen dat hiermee een kwestie van
substantieel belang aan de orde is.
Meer nog dan voor enige andere
overheidstaak geldt voor Justitie,
zoals ook door de minister is
opgemerkt, dat de weegschaal
voorop staat en het zwaard alleen in
dienst daarvan mag worden gebruikt.
Ik citeer in dit verband een passage
uit de memorie van toelichting die
bij mijn fractie zeer positief is overgekomen: ’’Om aan de sterk
toenemende druk op de rechts-
handhaving – meer en ernstiger
vormen van criminaliteit – tegemoet
te komen heeft het kabinet in 1993
besloten om de bestaande detentie-
capaciteit uit te breiden. Ik teken
daarbij aan dat intensiveringen
weliswaar gedragen worden door de
wens onrecht te bestrijden, maar dat
deze bestrijding ook zelf haar
grondslag en grenzen dient te vinden
in het recht en derhalve waarborgen
moet bevatten die richting geven aan
opsporing, vervolging, berechting en
aan de executie van straffen.’’
In de Tweede Kamer heeft de
woordvoerder van het CDA, die er in
het algemeen niet op gebrand leek te
zijn subtiliteit tot een kenmerk van
zijn interventies te verheffen,
gevraagd wat dit betekent. Was het
een open deur? Als ik zijn vraag moest beantwoorden, zou ik zeggen:
het is een open deur noch een
omkering van het beleid, maar een
accentverschuiving. Die verschuiving
kan echter van even essentie¨le
betekenis zijn als de verplaatsing van
een komma in een zin.
Een andere opmerking van de
minister die ons heeft getroffen, is
de volgende. In haar beantwoording
van vragen van de Tweede Kamer
over haar begroting wijst zij erop dat
Justitie de vraag naar haar diensten
slechts in zeer beperkte mate kan
beı¨nvloeden. Dat is, meen ik, over
het algemeen juist, maar in
voldoende mate niet juist om erbij
stil te staan. Er zijn namelijk twee
opzichten waarin Justitie de vraag
naar haar diensten in significante
mate kan beı¨nvloeden. Dat is in de
eerste plaats het geval wanneer zij
zich opwerpt als hoedster van de
moraal in een samenleving en het
recht beschouwt als het machts-
instrument waarmee de overheid die
taak moet waarmaken. Het is in de
tweede plaats het geval, wanneer het
recht wordt gebruikt om de
ongewenste gevolgen van bepaalde
gedragingen op zo’n manier te
bestrijden, dat daardoor een
exclusieve mogelijkheid wordt
geschapen door crimineel gedrag
grote financie¨le winsten te boeken.
Het recht als dienstmaagd van de
moraal leidt niet alleen tot een
overbelasting van het recht, maar
roept ook weerstanden op en
ondermijnt zo zijn eigen functione-
ren. Het scheppen van een lucratief
monopolie voor criminele activiteiten
is als het op het spek binden van
ratten en muizen. De combinatie van
het een en het ander levert een
uiterst krachtig brouwsel van eigen
makel op dat Justitie het leven heel
zuur kan maken.
Ik sta bij deze kwestie stil omdat
wij, niet alleen in Nederland maar
ook op mondiale schaal, met de
zogenaamde oorlog tegen drugs
midden in zo’n situatie van zelf-
verdrukking en zelfondermijning van
Justitie zijn terechtgekomen. In een
fase waarin crimineel gedrag ook
door andere, niet door Justitie zelf
beı¨nvloedbare oorzaken toeneemt en
ernstigere vormen aanneemt, is dit
een luxe die wij ons niet kunnen
veroorloven.
Er heerst over de verhouding
tussen recht en moraal, in het
bijzonder die tussen strafrecht en
moraal, een misverstand dat uit de
weg moet worden geruimd. Dat
misverstand houdt in dat al degenen
die zich tegen een gebruik van het
recht als een instrument van de
moraal verzetten, geen enkele band
tussen beide erkennen. Er zijn aan
het uiterste van het spectrum
inderdaad mensen die er zo over
denken. Voor hen is het recht niets
anders dan een middel in handen
van degenen die het maatschappelijk
voor het zeggen hebben om anderen
hun wil op te leggen. Ik behoor niet
tot hen; mijn fractie en mijn partij
behoren niet tot hen.
Voor mij is er geen twijfel over dat
het positieve recht van een samenle-
ving moet rusten op de moraal van
die samenleving. Het recht rust
echter nog op een andere pijler,
namelijk op wat onze gereformeerde
collega’s zo beeldend de zwaard-
macht van de overheid noemen. Dat wil zeggen: op de exclusieve macht
en bevoegdheid van de overheid,
geweld te gebruiken tot handhaving
van de openbare orde en het recht.
Die exclusiviteit is allesbehalve een
natuurlijk gegeven. Zij is een
cultuurhistorische verworvenheid,
die alleen in stand kan worden
gehouden wanneer bepaalde
voorwaarden worden vervuld. Een
van de belangrijkste voorwaarden is
dat het overheidsoptreden onpartij-
dig en rechtvaardig is. Een andere
voorwaarde is dat het effectief is. Die
rechtvaardige onpartijdigheid of
onpartijdige rechtvaardigheid en die
effectiviteit van het overheids-
optreden vormen een onverbrekelijk koppel: het ontbreken of te kort
schieten in het ene opzicht doet
afbreuk aan het andere. Dat geldt het
meest in het oog lopend voor de effectiviteit: een overheid die haar
macht niet effectief kan uitoefenen,
kan ook geen onpartijdigheid in haar
machtsuitoefening betrachten. Haar
eigen ingrijpen zal niet aan die eis
voldoen of zij zal door niet in te
grijpen beslissingen overlaten aan de
willekeur van in de samenleving
heersende machtsverhoudingen. Ook het omgekeerde is echter waar: een
niet als onpartijdig herkenbaar
optreden van de overheid zal
weerstanden oproepen; het zal
bovendien de neiging tot eigenrich-
ting vergroten en op beide manieren
de effectiviteit van de uitoefening
van de zwaardmacht ondermijnen.
Tot zover maakte ik enkele kant- en
aantekeningen bij de verhouding
tussen recht en moraal en de
misvatting waartoe een opvatting
van het recht als middel tot het
handhaven van de moraal kan
leiden. Hoezeer het recht ook mede
rust op de moraal en de handhaving
van de moraal dus mede een belang
van het recht is, het mag niet
worden gezien als een instrument
dat op een zo effectief mogelijke
manier die moraal moet steunen,
handhaven of herstellen. Zo
rechtlijnig bepaald is de verhouding
tussen beide niet. Helaas is de
neiging die rechtlijnige gedachten-
gang te volgen des te groter,
naarmate men sterker overtuigd is
van de morele waarde van wat men
wil bereiken. Dat geldt het tegengaan
van overspel niet minder dan dat van
vrijwillige levensbee¨indiging of dat
van het gebruik van drugs.
Ons bezwaar tegen het in dienst
van de moraal stellen van het recht
is niet een kwestie van beginsel-
loosheid of van onverschilligheid ten
aanzien van zedelijke normen en
waarden. Juist wie zijn normen en
waarden moreel hoog wil houden
zal, meen ik, ervoor moeten waken
de zwaardmacht van de overheid te
snel als middel te beschouwen voor
de handhaving of bevordering van
die normen en waarden.
Hier past een subtielere, genuan-
ceerdere zienswijze, een zienswijze
die meer te maken heeft met het
balanceren van een koorddanser dan
met het optreden van een meetlat en
weegschaal hanterende zedenmees-
ter. Hierbij komen namelijk nog
andere waarden in het spel dan
primair aan de orde worden gesteld,
waarden zoals onpartijdigheid en
’’fairness’’ in de beoordeling van
anderen, van het als gelijkwaardigen
aanvaarden van andersdenkenden,
het vreedzaam kunnen samenleven
en -werken met mensen die een
andere opvatting huldigen over de
zin van hun bestaan.
Het verheugt ons niet alleen, het
geeft ons ook vertrouwen in de
manier waarop de niet geringe
problemen waarmee wij worden
geconfronteerd, zullen worden
aangepakt, dat de minister er blijk
van geeft in haar uitspraken en in
haar optreden de zojuist geschetste
zienswijze op de verhouding tussen
moraal, recht en macht te delen.
In die visie behoort ook thuis de
overtuiging, dat de macht van de
overheid over meer dan een orgaan
behoort te zijn verdeeld, zodat haar
uitoefening steeds aan controle is
onderworpen. Het door het huidige
kabinet en de regeringspartijen
betrachte (maar niet door alle
parlementaire commentatoren steeds
even goed begrepen) dualisme van
regering en parlement is daarvan
samen met de onafhankelijkheid van
de rechterlijke macht een van de
voornaamste voorbeelden. Mijn
fractie zal die aan de overzijde
getrokken lijn voortzetten. Wij zullen
het daarbij mede tot onze taak
rekenen na te gaan, of en in
hoeverre door regering en Tweede
Kamer geaccordeerde, op actuele
problemen inspelende, maatregelen
op de langere termijn averechtse
gevolgen hebben. Dat doet niets af
aan de politieke voorrang van de
besluitvorming aan de overzijde, het
markeert slechts een verschil van
invalshoek in de oordeelsvorming.
Een sprekend voorbeeld van een
proces waarin deze kwestie aan de
orde is, is de bestrijding van
drugsgebruik en -handel. In het kader
van dat beleid, zoals dat internatio-
naal is overeengekomen, moet een
maximale inspanning worden
geleverd om de illegale handel de
kop in te drukken. Het ontwikkelen
van nieuwe opsporingsmethodes,
het stroomlijnen van het strafproces-
recht, het reorganiseren van de
politie om haar beter in staat te
stellen de georganiseerde criminali-
teit aan te pakken, het zijn in het licht
van die actualiteit bezien evident
noodzakelijke maatregelen. Het
bedenken, invoeren en toepassen
ervan wordt vrijwel een automa-
tisme.
Toch zijn er ernstige redenen om
bij deze ontwikkeling vraagtekens te
zetten. Die redenen hebben echter
niets te maken met de actuele stand
van zaken of met actuele ontwikkelin-
gen in de oorlog tegen de drugs, zij
betreffen de niet bedoelde uitkom-
sten van het bestrijdingsproces in
zijn geheel.
Het scheppen van voorwaarden
voor uiterst lucratieve criminele
activiteiten door het invoeren van
strafrechtelijke verbodsbepalingen
betreffende gebruik en handel van
drugs, is een in al zijn droevigheid
schitterend voorbeeld van het door
Justitie zelf verhogen van de
behoefte aan haar diensten. Dat is
uiteraard een onbedoeld gevolg. Het
is een zozeer bezijden de moreel
geladen bedoelingen van de makers
van dit beleid vallend gevolg, dat het
die makers niet of nauwelijks lukt het
een met het ander in verband te
brengen en daar consequenties uit te
trekken. Zij zien die ongewenste
gevolgen uitsluitend en alleen als te
bestrijden criminele activiteiten en
richten hun inspanningen op die
bestrijding daarvan.
Degenen bij wie de schellen het
eerst van de ogen zullen vallen, zijn
zij voor wie de onbedoelde gevolgen
het eerst en het meest zichtbaar
worden, omdat zij met de uitvoering
van het beleid zijn belast, zoals de
lokale politiefunctionarissen, de
maatschappelijke werkers en
therapeuten en nog anderen die bij
die uitvoering zijn betrokken. Voordat
dezen gehoor krijgen bij de hogere
echelons, moeten echter de nodige
weerstanden worden overwonnen.
Krijgen zij dat gehoor, dan is de kans
groot dat hun rapporten zo worden
gelezen dat zij aansporingen
bevatten om de bestrijding van de
handel en het gebruik van drugs te
intensiveren.
Zo verharden en vernauwen zich
de standpunten van de beleids-
makers eerder dan dat zij worden
versoepeld en verruimd. In het
algemeen zullen zij daarin door de
slachtoffers van de door het beleid
veroorzaakte overlast worden
gesteund. Een directe, frontale
bestrijding van het beleid op het
niveau van de beleidsmakers zal
daarom vrijwel zeker onbedoelde
effecten hebben, zelfs averechts
uitpakken.
Zo staan wij voor een dilemma.
Toegeven en meegaan met degenen
die de drugs met de grootst
mogelijke inzet van mensen en
middelen willen bestrijden, komt ons
duur te staan en wel op twee manieren: door de kosten verbonden
aan die inzet en door de onbedoelde
gevolgen daarvan. Als wij ons echter
met kracht tegen de voortzetting van
deze heilloze oorlog keren, bereiken
wij op onze beurt het tegendeel van
wat wij beogen. De makers van het
beleid verstrakken en verharden in
hun eenmaal gevormde meningen.
Wij Nederlanders zullen in het
bijzonder boze blikken op ons gericht
krijgen vanuit de Verenigde Staten,
de Verenigde Naties en vermoedelijk
ook Frankrijk. En aangezien een
verandering van het beleid alleen
kan slagen als ze internationaal
wordt doorgevoerd, raken wij zo
alleen maar verder van huis.
De conclusie lijkt onontkoombaar.
Wij zullen met ons drugsbeleid
moeten balanceren tussen twee
uitersten en intussen onze hoop
moeten vestigen op de werking van
zachte overredingskracht op de
langere baan. Die conclusie is in mijn
ogen echter te pessimistisch. Er is
meer te doen, alleen voorlopig niet
op het niveau van de nationale
beleidsmakers, maar op dat van
degenen die op lokaal niveau de
rommel voor hen moeten opruimen.
Wanneer een frontale aanval
gedoemd is te mislukken, is het
geraden met een omtrekkende
beweging te proberen je doel te
bereiken. In dit geval betekent dit
vooral het stimuleren en steunen van
internationale contacten en overleg,
eventueel samenwerking, tussen
steden die worstelen met de
drugsproblematiek. Geen enkele
vorm van contact en overleg van die
soort zou moeten worden verwaar-
loosd.
Daarbij staan mij geen congressen
voor ogen van wetenschaps-
beoefenaren, al mogen die er
natuurlijk ook zijn. Het gaat nu om
uitwisseling van ervaringen, overleg
en waar mogelijk wederzijdse
ondersteuning van degenen die met
de uitvoering van het drugs-
bestrijdingsbeleid zijn belast, of die
anderszins direct met de gevolgen
daarvan in aanraking zijn. Het is
hoog tijd, dat de beleidsmakers die
hun doelstellingen op grote afstand
van die ervaringen formuleerden en
formuleren, meer van hen te horen
krijgen.
Mijnheer de voorzitter! Het lijkt zo
vanzelfsprekend dat de mate van
eensluidendheid van de meningen
over een bepaalde kwestie een
indicatie is voor de gegrondheid van
die meningen. De geschiedenis leert
ons echter iets anders. Ik behoef
maar te herinneren aan de tot voor
betrekkelijk kort door vrijwel
iedereen, ook door een meerderheid
van de vrouwen zelf, onderschreven
opvatting over de rol die de vrouw
van nature in de samenleving zou
toekomen als een voorbeeld van een
in eensgezindheid beleden vooroor-
deel. Met de meningsvorming over
drugs is mijns inziens iets overeen-
komstigs aan de hand. Des te
opmerkelijker is het, dat onlangs een
officie¨le instantie, nog wel een uit
het land van minister Pasqua, daar
uitdrukkelijk een ander licht op heeft
laten schijnen. Blijkens berichten in
Le Monde van vrijdag 23 december
jongstleden heeft een comite de la
consultation nationale des jeunes in
zijn rapport aan de regering onder
meer de twee volgende aanbevelin-
gen gedaan. Aan de ene kant stelt
het een experimentele opheffing
voor de duur van achttien maanden
voor van de strafbaarheid van het
gebruik van cannabis. Aan de andere
kant stelt het voor een verbod in te
voeren van alle verkoop van alcohol
aan minderjarigen. De combinatie
van deze twee voorstellen is
bijzonder pikant, omdat zij precies
die relatie legt die de architecten en
protagonisten van de oorlog tegen
drugs ontkennen en steeds uit hun
gezichtsveld weren.
Mijnheer de voorzitter! Ik besef dat
de minister voortdurend te maken
heeft met de bestrijding van al dan
niet georganiseerde criminaliteit, met
de ontwikkeling van nieuwe
opsporingsmethoden en de
reorganisatie van het OM en de
politie ten behoeve van een
effectievere criminaliteitsbestrijding.
Ik besef dat de minister van Justitie
heel andere dingen aan haar hoofd
heeft dan het bevorderen van
internationale contacten tussen
uitvoerders van het drugs-
bestrijdingsoverleg en degenen die
daar directe bestuurlijke verantwoor-
delijkheid voor hebben. Ik besef
bovendien, dat de uitvoering van
mijn suggestie meer op het terrein
ligt van enkele van haar collega’s
dan op dat van de minister van
Justitie. Toch zou ik haar, aangezien
het idee alles te maken heeft met de
gevolgen van het onder haar
verantwoordelijkheid gevoerde
drugsbestrijdingsbeleid, willen
vragen mijn suggestie met een
zekere warmte bij haar collega’s van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport en
van Binnenlandse en Buitenlandse
Zaken aan te kaarten en het te
steunen. Ik vrees namelijk, dat
wanneer zij niet bereid is in dezen
het initiatief te nemen en zelfs een
zekere spilrol te vervullen, de
aandacht voor deze zaak even
versnipperd zal blijven als zij nu is.
Iedereen kijkt naar de problemen en
de beleidsresultaten op zijn/haar
eigen terrein, maar de causale
samenhang tussen het een en het
ander blijft verborgen. Voor alle duidelijkheid nog dit: ik
heb hier niet een bepaald alternatief
voor het huidige drugsbestrijdings-
beleid bepleit. Niet alleen is een kant
en klaar, het hele terrein bestrijkend
alternatief voor dat beleid niet achter
de schrijftafel te bedenken; het
propageren van zoiets zou bovendien
contraproduktief werken, doordat het
te veel beleidsmakers op de kast
jaagt. Ik heb wel een methode
bepleit die ertoe moet leiden, dat de
ree¨le gevolgen van dat beleid een
grotere betekenis krijgen in de
besluitvorming van de beleids-
makers. Dat laatste is – ik zeg dat
met groeiende overtuiging –
dringend nodig. Er worden bij de
bestrijding van de drugshandel en de
drugsverslaving heus wel telkens
successen geboekt. Zij zijn het
waarom het in de dagelijkse gang
van zaken vooral te doen is. Zij lijken
daarom ook de weg aan te geven
waarop men verder moet.
Mijnheer de voorzitter! In dit
verband mag ik u niet een kleine
anekdote onthouden die eveneens
betrekking heeft op het kiezen van de
juiste weg. Zij is mij voor de val van
de Berlijnse muur verteld door een
Oosteuropese diplomaat. Churchill,
Roosevelt en Stalin reden in een taxi
door de nachtelijke duisternis toen zij
ontdekten, dat zij werden gevolgd
door de duivel. Dit begon hen
stierlijk te vervelen en het hinderde
hen. ’’Ik los dat wel op’’, zei
Churchill, pakte een velletje papier,
schreef daar iets op en gooide dat uit
het raam. De duivel las het,
verscheurde het en bleef hen volgen.
’’Wat heb je daarop geschreven,’’
vroegen de anderen. ’’Ik zet de hele
Britse luchtmacht tegen je in als je
ons blijft volgen’’, antwoordde
Churchill. ’’Dan weet ik wel iets
beters’’, reageerde Roosevelt, pakte
een stukje papier, schreef daar iets
op en gooide het uit het raam. De
duivel las het, verscheurde het weer
en bleef hen volgen. ’’Wat heb je
hem geschreven,’’ vroegen de
anderen.’’ Je krijgt 10 miljoen dollar
als je een andere weg gaat dan wij’’,
zei Roosevelt. Daarop pakte Stalin
zonder iets te zeggen ook een stukje
papier dat hij na er iets op te hebben
geschreven uit het raam gooide. De
duivel pakte het op, las het en
maakte rechtsomkeert! ’’Wat heb jij
hem geschreven,’’ vroegen Churchill
en Roosevelt in koor. ’’Ik heb daarop
geschreven’’, antwoordde Stalin,
’’dat dit de weg is naar het socia-
lisme’’.
Mijnheer de voorzitter! Wat
zouden we niet kunnen bereiken, als
we een soortgelijk spookbeeld
hadden waarmee we de gelovigen
van de oorlog tegen de drugs aan
het denken zouden kunnen zetten.
Met belangstelling wacht ik de
reacties van de minister af.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="13-478">

 
<spreker pagina="13-478" anker="8" partij="SGP" naam="Holdijk">
 Voorzitter!
Zoals dat voor alle begrotingen voor
het dienstjaar 1995 geldt, geldt ook
voor de justitiebegroting dat de
bewindsvrouwen hun eerste
begroting van deze kabinetsperiode
bespreken met een Kamer die zich
voor het laatst in de huidige politieke
samenstelling met de departemen-
tale begrotingshoofdstukken zal
bezig houden. Wat de bijdrage van
mijn fractie betreft, zal dit feit met
zich brengen dat ik een enkele keer
aan voorafgaande begrotings-
debatten zal herinneren, soms om te
constateren dat zich een verandering
in de door ons bepleite richting heeft
voltrokken of zich lijkt te voltrekken,
een andere keer om vast te stellen
dat het blijkbaar nodig is op
hetzelfde aambeeld te blijven
hameren.
Voorzitter! De minister en de
redactie van het Nederlands
Juristenblad hebben ons een
genoegen gedaan door ons juist
voor deze begrotingsbehandeling in
het eerste nummer van dit pas
begonnen jaar te verrassen met een
interview met de minister. In het
vervolg van mijn bijdrage zal ik daar
meer dan eens aan refereren. Een
aantal punten voor deze bijdrage die
al weken geleden waren genoteerd,
sluiten aan bij diverse passages van
dat interview.
Aangezien ik mij dit keer op de
strafrechtelijke handhaving van de
rechtsorde zal concentreren, zullen
de beleidsterreinen van de staatsse-
cretaris niet of nauwelijks aan de
orde komen. Dat betekent uiteraard
niet, dat er geen onderwerpen zijn
op de beleidsterreinen van de
staatssecretaris waarover iets gezegd
zou kunnen worden. Ik denk nu met
name aan het personen- en
familierecht en aan de rechtshulp-
verlening. Daarover heeft overigens
de heer Pitstra al enkele opmerking
gemaakt. Wat het vreemdelingen-
beleid betreft, hebben wij gaarne
tegen het eind van deze maand nog
een intensieve gedachtenwisseling
met haar.
Voorzitter! Mijn eerste punt betreft
de magistratuur in brede zin. Het
deed mij goed via het NJB-interview
van de minister te vernemen, dat zij
het uitdrukken van de ’’bedrijfsresul-
taten’’ van de magistratuur in cijfers
wat relativeert en dat zij benadrukt
dat het uiteindelijk gaat om de
kwaliteit van het werk. Voor die
zienswijze heb ik meer dan eens het
pleit gevoerd. Het is voor mij de
vraag of langzamerhand niet de
grenzen van efficiency in relatie tot
kwaliteit bereikt zijn. Of het zou
moeten zijn dat er echt een eind
komt aan het verschijnsel dat zich
nog altijd, ook na drie of vier
begrotingsbehandelingen waarin ik
het noemde, voordoet, namelijk dat
rechters zelf hun supplementen
invoegen bij gebrek aan adequate
ondersteuning! Produktiviteits-
verhoging in een zeer arbeidsinten-
sieve organisatie als het OM en bij
de rechterlijke macht is toch geen
panacee?
Voorzitter! Het deed mij eveneens
goed, dat de minister duidelijk oog
blijkt te hebben voor het magistrate-
lijk karakter van het OM. Het OM is
in de visie van mijn fractie voluit
deel van de rechterlijke macht. Het
staat niet tegenover de rechter, maar
bevindt zich op hetzelfde podium, zij
het dat zij niet aan een tafel zitten.
Het OM is evenals de onafhankelijke
rechter essentieel voor en bij het
functioneren van de rechtsstaat. Het
is voor ons nog wel de vraag wat de
nieuwe procureur-generaal van Den
Haag, tevens voorzitter van de
PG-vergadering, bedoelde toen hij in
de Justitiekrant van 24 november
jongstleden meedeelde – ik citeer
hem bijna letterlijk – dat het OM niet
moet vervreemden van de rechter-
lijke macht. Misschien is het mogelijk
om die uitspraak, die op mijn fractie
wat cryptisch overkomt, wat toe te
lichten.
Veel minder kan ik mij voorstellen
bij de verwachtingen die de minister
blijkbaar heeft omtrent een of andere
vorm van buitengerechtelijke
geschillenbeslechting anders dan het
arbitrage-instituut dat wij reeds lang
kennen en dat nog niet zo lang
geleden is vernieuwd. De minister is,
zo begrijp ik, voornemens om wat
dat betreft in ieder geval initiatieven
in te wachten. Mogelijk denkt zij zelfs
aan experimenten. De voornaamste
vraag van mijn fractie lijkt ons hoe
de minister aan voldoende en
bekwame rechters of arbiters denkt
te komen. Ik blijf, nadenkend, achter
met de vraag of hier van iets anders
sprake is dan van het verleggen van
problemen.
In haar NJB-interview signaleert
de minister dat het OM te weinig
financie¨le expertise in huis heeft. Ik
ben geneigd dat toe te stemmen. In
dat kader zou ik willen vragen naar
c.q. aandringen op het ontwikkelen
van wat ik nu maar even aanduid als
een forensische accountancy. In
verband met de pluk-ze-wetgeving –
een woord dat ik met de minister
overigens nauwelijks over mijn
lippen kan krijgen, omdat het mij
fysieke rillingen bezorgt – lijkt mij die
forensische accountancy relevanter
dan de forensische psychiatrie. Is het
gat bij de CRI, ontstaan doordat in de
afgelopen jaren accountants zich
hebben geprivatiseerd of ’’overgelo-
pen’’ zijn naar commercie¨le
instellingen, inmiddels gedicht? Zijn
bijvoorbeeld de arbeidsvoorwaarden
bij justitie concurrerend mede met
het oog op de grote schaarste op de
arbeidsmarkt voor dergelijke
functies? Wil de minister misschien
zelfs eens nadenken over het stichten
van een academische leerstoel
forensische accountancy?
De recente geruchtmakende
affaires rond het OM in Amsterdam,
waarover wij via het verslag van de
enqueˆtecommissie nog wel het een
en ander zullen vernemen, doen mijn
fractie op voorhand evenwel enkele
opmerkingen maken en vragen
stellen. Als eerste noem ik de rol van
gevangenbewaarders die nota bene
wellicht met verschaffing van
explosieven gevangenen hebben
geholpen om te ontsnappen. Dat
roept de vraag op in welke mate
sommige van onze cipiers corrupt
zijn. In elk geval wil ik in dit verband
nog eens nadrukkelijk afstand nemen
van gedachten in de richting van
privatisering van het gevangeniswe-
zen, van gevangenissen of van
gevangenbewaring. Mijns inziens
bestaat er een relatie tussen
privatiseren en de kwetsbaarheid van
een organisatie. Bij privatisering
dreigt de overheid haar grip op en
gezag over die organisatie te
verliezen.
In de tweede plaats bleek in deze
affaires sprake van wat genoemd kan
worden psychologische oorlogvoe-
ring tegen justitie. Dat gegeven doet
de vraag stellen of en zo ja, hoe
daarmee bij de selectie en training
van officieren van justitie rekening
valt te houden.
Als derde punt stel ik de vraag aan
de orde of niet dringend een andere
veiligheidsattitude bij het OM vereist
is. Moeten er geen cursussen komen
waarin de vraag centraal staat hoe
met gevoelig materiaal moet worden
omgegaan? Bestaat er geen
dringende behoefte aan procedure-
regels wat dit aspect betreft? Het zal
duidelijk zijn dat ik hierbij niet zozeer
op de materie¨le veiligheid doel, zoals
materie¨le voorzieningen ten behoeve
van de veiligheid, maar meer op de
instelling van personen.
In de vierde plaats noem ik de rol
van de media in deze affaires. In het
interview lijkt de minister daar niet
zoveel moeite mee te hebben.
Althans, zij spreekt daarin uitsluitend
over de kranten, als ik het mij goed
herinner. Mijnerzijds heeft de rol van
de media bij mij toch de vraag doen
rijzen of er in ons rechtsbestel
werkelijk behoefte bestaat aan een
verschoningsrecht voor ieder die zich
journalist noemt, zoals dat in een
initiatiefwetsvoorstel thans aan de
overzijde aan de orde is.
Voorzitter! Ik stap over op de
aanpak van de al dan niet georgani-
seerde misdaad. Daarbij lijken politie
en justitie zich meer en meer van
informanten te voorzien, al dan niet
tegen contraprestatie. Ik wil hier nog
eens herinneren aan de waarschu-
wende geluiden die ik wat dit betreft
vorig jaar liet horen. Diverse
berichten van het afgelopen jaar
doen mij die waarschuwing –
misschien moet inmiddels van een
vermaning worden gesproken –
herhalen dat justitie toch moet
oppassen met welke ’’partners’’ men
in zee gaat. Justitie en politie moeten
hun eigen blazoen bewaken.
Misschien mag ik hier nog eens een
uitspraak aanhalen van procureur-
generaal Gonsalves uit het Reforma-
torisch Dagblad van 22 november jongstleden:
’’Zou een overheid toelaten dat de
georganiseerde misdaad met de
methoden van de georganiseerde
misdaad wordt bestreden, dan is
uiteindelijk het recht de verliezer.’’
’’Crime control by due process’’,
zo herhaal ik bij deze laatste
begrotingsbehandeling tijdens deze
kamerperiode. Eerlijk duurt het
langst.
Over het terrein waartoe het
onderzoek van de parlementaire
enqueˆtecommissie zich uitstrekt wil
ik niet veel zeggen. Wel wil ik iets
zeggen over de vraag hoe justitie de
geest weer in de fles krijgt wat
betreft onrechtmatige inkijkoperaties,
afluisterpraktijken, infiltratie,
enzovoorts. Ik ben van mening dat
het gerechtshof Amsterdam een
goed begin heeft gemaakt. De
desbetreffende zaak – de minister
weet waar ik op duid – is weliswaar
helaas over de kop, zoals dat heet,
maar het recht heeft gewonnen. Hier is in praktijk gebracht het devies: ’’let
justice be seen to be done’’. Niet vol te houden is de stelling: wat ik,
officier van justitie of strafrechter,
niet lees in een proces-verbaal is dus
niet gebeurd. Hoe pro-actiever er
wordt opgespoord, des te actiever
moeten de rechter en de officier van justitie – ik herhaal het: de magis-
traat – controleren.
Over de misdaadbestrijding wil ik
nog enkele opmerkingen maken naar
aanleiding van de studie ’’Van
misdaad tot straf’’ waarop de heer
Van Tulder op 25 oktober jongstleden
aan de Universiteit van Amsterdam
promoveerde en die ook als
SCP-studie is uitgegeven. Ik doe dat
mede in het licht van de opvatting
van de minister dat er op den duur –
zij zal waarschijnlijk denken aan na
deze kabinetsperiode, maar dat blijkt
wel – meer geld moet komen voor
de zittende magistratuur, het OM en
het gevangeniswezen. De studie van
Van Tulder vormt een economische
benadering van de strafrechtelijke
keten. Een van de conclusies die uit
het onderzoek van Van Tulder
getrokken wordt, is dat in het
algemeen een via extra middelen
gerealiseerde verhoging van de
produktie effectiever lijkt naarmate
deze later in de strafrechtelijke keten
plaatsvindt. De criminaliteit wordt
dus het sterkst teruggebracht bij een
uitbreiding van rechtbanken en
gevangeniswezen, aanzienlijk minder
bij een uitbreiding van parketten en
het minst bij een uitbreiding van de
politie. Deze uitkomst betekent
natuurlijk niet dat de verhoging van
de pakkans, door bijvoorbeeld een
verhoging van de doelmatigheid van
de politie, niet zinvol zou kunnen
zijn.
Natuurlijk besef ik dat de extra
guldens nog verworven moeten
worden, maar om ze te verwerven is
het wellicht raadzaam een maximaal
effect van iedere extra te investeren
gulden in het vooruitzicht te kunnen
stellen. Ik hoop op deze wijze de
minister een handreiking te kunnen
doen.
Bovendien sluit de conclusie van
Van Tulder aan bij het bekende
gegeven dat uitbreiding van de
politie thans leidt tot meer
processen-verbaal, die niet te
verwerken zijn vanwege de
bottlenecks bij het openbaar
ministerie en de rechtbank. Dat
vergroot het gevoel van frustratie bij
de politie en niet te vergeten de
slachtoffers, terwijl de overtreder geneigd is te denken: ach, daar hoor
je toch nooit meer iets van. Graag zie
ik op dit punt een reactie van de
minister tegemoet.
Ik kom op de rol van de fiscus als
het gaat om criminele inkomsten en
vermogens. Eind vorig jaar ontstond
enige commotie toen bleek dat de
fiscus de aanschaf van een wapen
met munitie en het onderhoud van
een pitbull-terrie¨r als een legitieme
aftrekpost beschouwt voor een
handelaar in softdrugs. Na interven-
tie van de Tweede Kamer heeft de
staatssecretaris van Financie¨n een
onderzoek aangekondigd. Ofschoon
het hier niet een eerste verantwoor-
delijkheid van Justitie betreft, heb ik
er niettemin behoefte aan namens
mijn fractie te verklaren dat hier niet
van een amorele, maar van een
immorele situatie gesproken moet
worden.
Naar mijn mening staat de politiek in dezen voor een principie¨le keus: of
het huidige stelsel wordt in stand
gelaten, maar dan moet ook niet
meer worden ’’gezeurd’’ over de
aftrekbare kosten, of het roer wordt
omgegooid. Dat zou mijns inziens
moeten betekenen dat aan de ene
kant ’’verwerpelijke’’ verwervingskos-
ten niet meer aftrekbaar zijn, maar
aan de andere kant ook geen
belasting meer wordt geheven over
’’verwerpelijk’’ verkregen inkomen of
winst van criminele bedrijven en
personen. Mijn duidelijke voorkeur
gaat uit naar de laatstbedoelde
aanpak. Criminelen moeten
uitsluitend door middel van het
Wetboek van Strafrecht c.a. worden
aangepakt. ’’Pluk ze’’ zoveel als
wettelijk mogelijk is. De fiscus mag
in mijn opvatting over de status en
het ambt van de overheid niet
profiteren van criminele winst. Wie
dat blijft verdedigen, verdedigt mijns
inziens een soort opzet-heling. Graag
zie ik een reactie van de minister,
voor zover er aspecten zijn die haar
departement betreffen, tegemoet.
Voorzitter! Aan het slot van mijn
bijdrage zeg ik nog dat ik er geen
behoefte aan heb, bij deze gelegen-
heid uit te nodigen tot een abstracte
discussie over de principie¨le,
inclusief levensbeschouwelijke,
uitgangspunten van het beleid. Voor
mijn fractie staat vast dat niemand,
ook de bewindsvrouwen niet, aan
morele keuzen bij hun beleid
ontkomen. Het lijkt mij dat zij dat
zullen beamen. Mijn fractie hoopt het
doen en het laten van de bewinds-
vrouwen mede te toetsen aan wat
organisatiedeskundigen wel noemen
een ’’comprehensive approach’’, die
wij vinden in het Woord van onze
God. Wij wensen de bewindsvrou-
wen van het ministerie van
gerechtigheid Zijn Zegen toe!
</spreker>
</blok>
<blok pagina="13-480">

 
<spreker pagina="13-480" anker="9" partij="VVD" naam="Talsma">
 Mijnheer de
voorzitter! Ook mijn fractie begroet
beide bewindspersonen van harte bij
dit eerste begrotingsdebat. Ik zal het
niet hebben over de op zichzelf zeer
belangrijke problemen van
criminaliteitsbestrijding, drugsbeleid
en andere dingen die aan de orde
zijn geweest. Enerzijds omdat ik mij
in mijn spreektijd moet beperken,
anderzijds omdat dit onderwerpen
zijn waarop ik eerst meer van het
beleid van beide bewindspersonen in
ontwikkeling wil zien komen. Dat zal
in de eerste plaats in de Tweede
Kamer dienen te gebeuren. Ik zal ook
niet het woord voeren over het
asielbeleid. Dat komt hier aan de
orde bij een gespecialiseerde
behandeling van de Vreemdelingen-
wet inzake het beginsel van de
veilige derde landen. Over dit
onderwerp zal ook in de Tweede
Kamer binnenkort nog worden
gesproken. Ik zal spreken over een
aantal andere punten.
Er moet minder regelgeving
komen en er moet minder geregeld
worden. Er is een notitie verschenen
van de ministers van Justitie en van
Economische Zaken over onderwer-
pen die voornamelijk op het terrein
van laatstgenoemd departement liggen: de winkelsluiting, het
taxibedrijf, de notarie¨le tarieven, enz.
Ik zou het verwoorde uitgangspunt,
dat ik van harte onderschrijf, nu
meer willen betrekken op het
departement van Justitie. Er worden
in de laatste jaren steeds meer
wetten en regelingen ingevoerd, ook
op specifiek justitieel terrein. In de
praktijk is dat een nauwelijks meer
bij te houden en te overziene zaak.
De ons allen bekende serie uitgaven
van de wetten, enerzijds die van de
staats- en administratief-rechtelijke
wetten en anderzijds die van de
Nederlandse wetboeken, is erg
uitgebreid. In twaalf maanden tijd
zijn er op de ene serie twaalf vrij
dikke supplementen verschenen en
op de andere serie veertien. Sinds ik
mijn rechterlijk ambt niet meer actief
beoefen, maar slechts vanuit de
gepensioneerde staat bekijk, heb ik
geprobeerd dit aan te houden. Het is
mij gebleken dat alleen deze
supplementen bijna ƒ 3000 per jaar
kosten. Nu gaat het mij niet in de
eerste plaats om het financie¨le
aspect, maar om het nauwelijks meer
in de praktijk hanteerbare karakter.
De supplementen moeten worden
ingevoegd. Sommigen hebben daar
assistentie bij en dan loopt het vlot,
maar bij de meesten loopt dit vrij
traag. Al deze problemen worden
mede veroorzaakt doordat wij veel te
veel wetswijzigingen hebben die op
allerlei verschillende data in werking
treden.
Met name de wijzigingen in de
wetboeken en in de grote wetten
zouden een keer per jaar in werking
moeten treden, bij voorkeur op 1
januari. Ze moeten dan een
voorbereidingstijd hebben gehad van
drie maanden, zodat de wetten op 1
oktober tot stand moeten zijn
gekomen. Dat lijkt misschien wat
vreemd of ondoenlijk, maar ik heb
deze gedachte al eerder, in 1979,
geuit in de vergadering van de
Nederlandse Juristen-Vereniging en
toen, en ook nog daarna, duidelijke
bijval gekregen van de vroegere
hoogleraar en oud-lid van de Raad
van State J.M. Polak. Hij heeft er met
mijn instemming nog aan toege- voegd: Als er zo’n datum ligt, kan dat
alleen maar stimulerend werken op
de departementen om extra voor een
spoedige afwerking te zorgen. Als
overgang zou ik er best voor te
vinden zijn om het twee keer per jaar
te doen, bijvoorbeeld ook per 1 juli.
Ik zie de minister van Justitie lachen
en het zou ook een vreugdevolle
zaak zijn als zij met mij mee zou
willen denken. In de praktijk zal dit
niet alleen veel goedkoper, maar ook
veel overzichtelijker zijn. Dan kan de
gebruiker zich een of desnoods twee
keer per jaar echt concentreren op
hetgeen er gaat veranderen. Dan kan
iedere praktijkjurist het in een keer
tot zich nemen. Als dat zo’n 20 keer
per jaar is – ik heb lijstjes met nog
hogere getallen – is dat niet meer te
doen. 

</spreker>
<spreker pagina="13-480" anker="10" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 Voorzitter! De
heer Talsma merkt op dat ik zit te
lachen, maar dat komt voort uit het
volgende. In het begin van de jaren
tachtig hadden wij het genoegen om
samen zitting te hebben in de
bibliotheekcommissie van de
rechtbank in Almelo. In die commis-
sie heeft de heer Talsma meermalen
hetzelfde pleidooi gehouden. 

</spreker>
<spreker pagina="13-480" anker="11" partij="VVD" naam="Talsma">
 Ik heb
geleerd dat je lang niet altijd meteen
je zin krijgt, ook al heb je gelijk.
Desalniettemin vind ik toch in de
door mij gesignaleerde, steeds
toenemende ontwikkeling aanleiding
om in volle ernst, maar ook wel met
vreugde, hierop nog eens aan te
dringen. Wij hebben de laatste twee,
drie jaar zo’n 17 wijzigingen in het
Wetboek van Strafvordering gehad.
Die waren allemaal wel nuttig en
misschien op den duur onmisbaar,
maar zij zijn op allerlei verschillende
tijdstippen ingevoerd. In de praktijk
blijkt dat zelfs mensen die er
regelmatig mee werken het overzicht
niet meer hebben.
Hieraan koppel ik nog iets anders.
Er is naar mijn mening in de
justitiewereld, in de rechtspraktijk te
veel geleerdheid, te veel wetenschap
en te weinig praktische zin. In de
praktijk is alles wat uit de weten-
schap komt iets dat – terecht – met
grote eerbied wordt bekeken en daar
is tot nog toe niet zo heel veel kritiek
op uitgeoefend. Ik zou dat nu wel
eens willen doen. Ik ga niet zo ver
om, zoals sommigen, te zeggen dat
de rechtswetenschap eigenlijk geen
wetenschap is, maar een soort
praktijkcursus instrumentmaken,
maar dan in het justitie¨le. Het is wel
een wetenschap, maar het is geen
wetenschap in zichzelf. In de vorige
eeuw heeft een jurist eens gezegd
naar aanleiding van bepaalde justitie¨le kwesties: Ein Wort des
Gesetzgebers und ganze Bibliotheken
werden zu Makulatur. Met andere woorden: veel van wat er geschreven
is blijkt achteraf niet meer nodig te
zijn, als je de wet maar eens goed en
duidelijk maakt of, waar dat nodig is,
tijdig verandert.
Nogmaals, ik wil zeker niet
beweren dat wij de wetenschap
kunnen missen. Maar dat er te veel
wordt gepubliceerd, dat zeg ik niet
alleen. Dat zeggen ook belangrijke
juristen, zoals H. van Maarseveen. Hij
heeft een jaar geleden in het
Juristenblad heel duidelijk en
klagend gezegd wat er allemaal
verscheen en hoe weinig daarvan
echt wat nieuws bevatte. W.J.
Slagter heeft dat onlangs ook gezegd
over de steeds toenemende
hoeveelheid tijdschriften. Bij het
nieuwe Burgerlijk Wetboek heeft een
actieve uitgever 80 monografiee¨n
doen verschijnen. Ik heb die ten dele
bekeken. Mijn oude, goede en
voortdurend gerenoveerde Asser-
serie bevat alles over het nieuwe
BW, zowel in de overgangstijd als
nu. Die 80 monografiee¨n zijn volgens
mij dan ook alleen maar voer voor
uitgevers en verminderen ons
overzicht. Een voorbeeld: Ik heb mij eens
verdiept in hoe het gaat bij de Hoge
Raad en met name de snelheid
waarmee die werkt. Ik heb uit een
lang verleden ervaringen, toen ik zelf
als junior werkte op een cassatie-
kantoor. De uitspraken werden toen
mondeling voorgelezen. De
conclusies van de PG werden ook
mondeling voorgedragen. De junior
moest dat op de rolzitting allemaal
noteren, want fotokopiee¨n waren er
nog niet bij. Zijn senior verwachtte
op kantoor echter wel heel precies te
horen wat er was beslist respectieve-
lijk wat de PG had geconcludeerd.
De cassatieprocedure verliep op
zeer korte termijn. Men kon
dagvaarden en dan verscheen de
wederpartij bijna altijd meteen op de
dag waarop de zaak voor het eerst
diende. Dan werd pleidooi gevraagd,
toen nog de enige manier om de
zaak toe te lichten. Dat werd altijd
verleend op een termijn van twee,
drie weken. Na dat pleidooi werd
twee weken later de conclusie van de
procureur-generaal mondeling
voorgedragen. Zes weken later deed
de Hoge Raad dan uitspraak. Dat lijkt
in verhouding lang, maar daar zitten
vijf raadsheren, die de stukken
moeten kunnen laten circuleren.
Alles met elkaar had men een totale
cassatiezaak in drie maanden gereed.
De procureur-generaal had toen
nog geen assistentie. Dezelfde J.M.
Polak, die ik zojuist noemde en die
toen werkte bij de Haagse rechtbank,
werd toen als eerste jurist voor twee
dagen uitgeleend aan de toenmalige
PG Eggens om hem wat te assiste-
ren.
Hoe is het nu? Er zijn uiteraard
meer leden in de Hoge Raad en er
zijn ook meer mensen op het parket
werkzaam als advocaten-generaal.
Dat betekent echter niet dat de zaak
ongeveer gelijk verloopt. Een zaak
wordt nu aangebracht. Maar er
wordt niet meer gepleit. Er is een
schriftelijke toelichting. De weder-
zijdse partijen krijgen daar maar
liefst vier maanden de tijd voor, zo is
mij uit een praktijkonderzoek
gebleken. De procureur-generaal
krijgt daarna een maand om te
bepalen wanneer hij zijn conclusie
gereed zal hebben. Dat is thans in de
praktijk een datum die zes tot acht
maanden later ligt. Daarna wijst de
Hoge Raad nog steeds zes weken
later arrest! Wat is er gebeurd? Het
ligt kennelijk niet aan de leden van
de Hoge Raad. Het zou mij ook niet
passen mij over de zittende
magistratuur uit te laten, maar bij het
parket is dan toch wel iets heel
merkwaardigs aan de gang. Er zijn
vele advocaten-generaal bij
gekomen, maar ook enige tientallen
andere juristen. Wat doen die? Die
zijn bezig met eenzelfde vicieuze
cirkel van veel publikaties met ook
weer publikaties van anderen, die
weer rubriceren wat er allemaal
gepubliceerd is. Leest u Van
Maarseveen er maar op na, hoe
weinig inhoudelijk nieuws er
eigenlijk is. Dat leidt ertoe dat de
conclusies van de PG niet zoals
vroeger kort en bondig en bijzonder
helder waren, een, anderhalf of twee
kolommen in de jurisprudentie, maar
nu vaak een omvang hebben van 15
tot 20 kolommen met zeer veel
literatuur- en jurisprudentie-
vermelding. De totale procesduur is
nu 13 tot 14 maanden.
Wat kan de minister daar nu aan
doen? Ik wil de suggestie doen om
ergens te beginnen. Zij zou een
gesprek kunnen hebben met de
procureur-generaal over de vraag of
het niet mogelijk is het wetenschap-
pelijk gehalte te handhaven zonder
die eindeloze conclusies. Er is mij in
de praktijk gebleken dat bijna
niemand ze helemaal leest. Wij
moeten die weg terug volgen. In dit
verband wijs ik er nog eens op dat
Freek Bruinsma een proefschrift
heeft geschreven over de rechtsgang
bij de Hoge Raad. Hij heeft daarnaast
een soort romanachtige beschrijving
gegeven van wat de partijen die
destijds met name werden genoemd
bij de fameuze arresten, zoals
Cohen-Lindenbaum en de Goudse
bouwmeester, zelf hebben ervaren
van hun proces. Het is werkelijk
meer dan verschrikkelijk om te lezen
wat die partijen daarvan hebben
geweten. Ze heffen de handen ten
hemel. Het enige wat ze kunnen
zeggen is dat het jaren heeft geduurd
en dat ze van de uitspraak niets
hebben begrepen.
Naar mijn mening – ik zeg dat met
grote nadruk – is het in het belang
van partijen dat er een snelle
beslissing over hun geschillen komt
en dat er bij voorkeur niet wordt
geprocedeerd. Het is tegenwoordig
veelal gebruikelijk om zo veel
mogelijk mensen erop te wijzen dat
ze in beroep kunnen gaan tegen
allerlei beslissingen, dat men kan
gaan procederen en dat daar
rechtsbijstand voor beschikbaar is.
Als het nodig is moet het natuurlijk
ook, maar in de praktijk moet
procederen niet als het hoogste goed
worden gezien, maar als een
noodzakelijk kwaad. Waar een
procedure nodig is, hebben de
rechtzoekenden het allergrootste
belang bij een spoedige beslissing. Ik
wil te zijner tijd graag vernemen of
de minister van Justitie hier iets mee
heeft kunnen doen.
Nu enkele zeer concrete punten. Ik
hoop dat de minister haar reputatie
van het snel knopen doorhakken
eens op het volgende wil loslaten.
De kantongerechtsprocedure is een
paar jaar geleden gewijzigd in die zin
dat de rechtzoekende ook zonder
officie¨le rechtshulp zelf zou moeten
kunnen procederen. De rechtzoe-
kende kan nu bij de kantonrechter
procederen via een formulier. De
praktijk heeft daar destijds sterke
bezwaren tegen geuit, maar het
moest en het zou. Het was op dat
moment mode, zou ik haast willen
zeggen. Uit een recent rapport van
het WODC blijkt echter nu dat deze
nieuwe procedure slechts in 4% van
de gevallen wordt gebruikt en dat in
alle andere gevallen de ouderwetse
dagvaardingsprocedure via de
deurwaarder met zijn vakkennis en
zijn juridische kennis nog steeds
wordt toegepast. De nieuwe
procedure heeft een belangrijke
verlenging van de termijnen tot
gevolg gehad. Het blijkt een
volslagen mislukking te zijn geweest.
Gaarne zou ik zien dat de minister de
zaak terugdraaide en dat zij de oude
procedure met de korte termijn
opnieuw instelde, desnoods naast de
nieuwe. Ik weet dat eraan gewerkt
wordt in het kader van de herziening
van het Wetboek van burgerlijke
rechtsvordering. Dat kan echter nog
een tijdje duren. Ik vind het jammer
als daarop gewacht moet worden.
Gaarne zie ik dat er een wetsvoorstel
komt waarmee dit weer mogelijk
wordt gemaakt.
Voorzitter! Vervolgens wil ik
ingaan op de wijze van tenuitvoer-
legging van strafuitspraken en
soortgelijke regelingen. In dit
verband geef ik een aantal voorbeel-
den. Om te beginnen noem ik de
terbeschikkingstelling. Ik was
uitgenodigd voor een discussie in
het radioprogramma Kort geding,
waarin ik geconfronteerd werd met
niemand minder dan Frank Beyaert,
de eminente vroegere directeur-
psychiater van het Pieter Baan-
centrum. Daarbij was de vraag aan
de orde of iemand die een gevange-
nisstraf opgelegd heeft gekregen en
daarnaast een terbeschikkingstelling,
vervroegd in die terbeschikkingstel-
ling kan worden gebracht. Toen was
aan de orde het geval, dat ik niet
anders dan uit de publiciteit ken, van
de persoon die 20 jaar gevangenis-
straf had gekregen voor de ontvoe-
ring van en moord op Gerrit Heijn.
Betrokkene had in kort geding
geprobeerd uit de gevangenis
overgeplaatst te worden naar een
inrichting voor een verpleging in het
kader van de terbeschikkingstelling.
Ik meen dat hem dat toen niet is
toegewezen. Mij is gevraagd wat ik
daarvan vond. De heer Beyaert zei
dat het belang van de betrokkene
meebrengt dat men zo snel mogelijk
met de tenuitvoerlegging van de
terbeschikkingstelling begint. In dit
geval was de redenering als volgt.
Betrokkene komt na 13 2/3 jaar vrij
met vervroegde invrijheidstelling. De
behandeling duurt zo’n zes jaar. Als
hij nu na een derde van de straf te
hebben ondergaan in de fase van
terbeschikkingstelling terechtkomt,
zou hij na 13 jaar ook de
verplegingsfase achter de rug
hebben en kan hij op vrije voeten
komen.
Ik noem echter dit voorbeeld om
aan te geven dat het naar mijn
mening niet juist is – dat heb ik ook
tijdens de radio-uitzending gezegd –
dat een minister en een departement
op zodanige wijze toepassing geven
aan een rechterlijke uitspraak.
Het is niet voor het eerst dat de
rechters zich kritisch hebben
opgesteld. Er is tot en met de Hoge
Raad over geprocedeerd. Ik doel op
het geval van de fameuze zwarte
ruiter. De rechters waren toen
voorstander van een gevangenisstraf
en niet van terbeschikkingstelling.
Om die reden hadden zij een extra
lange gevangenisstraf opgelegd. Dat
werd toen door de Hoge Raad als
een geldige reden erkend. Al sinds
geruime tijd worden veroordeelden
reeds voordat de effectieve duur van
hun gevangenisstraf is verstreken, in
daarvoor in aanmerking komende
gevallen in de tbs-verpleging
gebracht. Aanvankelijk kregen zij –
zolang de tijd van hun gevangenis-
straf nog liep – geen begeleid of
onbegeleid verlof buiten de
inrichting. Geleidelijk aan is ook dit
verruimd onder het op zichzelf
respectabele motief dat uit verpleeg-
kundig opzicht geen onderscheid
tussen de ene en de andere groep
gemaakt mocht worden.
Een ander voorbeeld is het
gevangenisregime. In de wet staat
dat de gevangenisstraf met
handhaving van het karakter van de
straf zo humaan mogelijk en gericht
op resocialisatie ten uitvoer wordt
gelegd. Ik heb er al eerder in deze
Kamer op gewezen dat het karakter
van de straf nooit in de wet is
vastgelegd. Staatssecretaris Kosto
was het daarmee eens en hij zei dat
dit alsnog zou worden vastgelegd in
de nieuwe wet op het gevangeniswe-
zen. In het verschenen voorontwerp
ben ik dit punt echter niet tegengeko-
men. Ik heb er moeite mee dat de
uitvoerenden, de directeuren van
gevangenissen en huizen van
bewaring en de ambtenaren op het
departement, op zichzelf volstrekt te
goeder trouw met grote aandacht
speciaal de kant van de betrokken
veroordeelde bekijken en dit
inpassen in een humaniserings-
beleid, maar daarbij niet afwegen
wat er eigenlijk afgewogen had
moeten worden.
Over het karakter van de straf
kunnen allerlei theoriee¨n ontstaan.
De een vindt dat het louter en alleen
om vrijheidsbeneming moet gaan,
waarbij betrokkene allerlei dingen
mag, zoals telefoneren, cheques
uitschrijven etcetera. Anderen, onder
wie de heer Kosto, vinden dat het
karakter van de straf meer omvat. Ik
pleit ervoor om dat nu eens duidelijk
te regelen. Ook wat dit betreft is er
sprake van een niet goed gecontro-
leerde praktijktoepassing.
Het laatste voorbeeld betreft een
lange tijd geleden opgenomen
bepaling, waarbij vreemdelingen die
veroordeeld zijn tot een gevangenis-
straf van zes maanden of meer
onvoorwaardelijk, na afloop daarvan
het land worden uitgewezen. Mij is
gebleken dat de termijn die in deze
regel gesteld wordt in de praktijk
steeds meer verlengd is. Ik heb in
mijn laatste praktijkjaren herhaalde-
lijk vreemdelingen meegemaakt die
straffen van twee of drie jaar hadden
uitgezeten, en bij de berechting van
nieuwe delicten steeds in Nederland
bleken te zijn gebleven. Ik wijs erop
dat ook hier een wettelijke regeling
nodig is en dat het niet alleen maar
in de praktijk mag worden geregeld,
hoezeer men ook te goeder trouw is.
Ik stel het op prijs als de minister
eens wil laten uitzoeken wat er
gewijzigd is sinds de instelling van
die termijn van zes maanden. Zij zal
er waarschijnlijk verbaasd over zijn.
Dit alles leidt mij tot de conclusie
dat dit soort zaken bij een executie-
rechter terecht moeten komen.
Nogmaals, dit zeg ik niet omdat ik
twijfel aan de goede trouw van de
huidige betrokken beslissers. De
rechter heeft nu eenmaal meer
afstand en kan beter de andere kant
van de zaak meewegen. Naar mijn
mening zou dat de oorspronkelijke
rechter moeten zijn, die ook het
vonnis gewezen heeft, zoals ook bij
gratieverlening gebeurt. Er zou ook
een aparte rechter kunnen worden
ingeschakeld.
Wat is nu de achtergrond van dit
alles? De rechtsstaat die wij in
Nederland allemaal willen is er niet
alleen aan de bovenzijde, ter
bescherming van de burger tegen
een te ver ingrijpende overheid. De
rechtsstaat kent ook een afgrenzing aan de onderzijde: de overheid mag
niet op zichzelf duidelijke wetten dan
weer wel en dan weer niet toepassen
of daar eigen regelingen voor
cree¨ren.
Voorzitter! Ik sluit af met nog een
paar korte opmerkingen. Twee
punten heb ik al eens eerder
aangekaart, maar ik heb hiermee tot
nu toe geen succes kunnen behalen.
Het eerste is de hoogst noodzake-
lijke wijziging in het BW in het
huurrecht van woningen. Ik heb dit
reeds enige malen bepleit. De
noodzaak ervan is door bewindsper-
sonen van vorige kabinetten wel
erkend, maar ’’men was ermee
bezig’’, en ’’het zou worden
gekoppeld aan de liberalisatie van de
huren’’. Deze is er ondertussen
gekomen, maar er is niets aan
gekoppeld. Ik hoor nu dat het in het
nieuwe BW zal worden geregeld. Ik
zou graag zien dat dit op korte
termijn werd aangepakt.
Ik baseer mij mede op het boek
van de vroegere kantonrechter A.
Bockwinkel uit Rotterdam, die maar
liefst dertig praktische punten van
kritiek heeft genoemd op het
toenmalige nieuwe huurrecht. Deze
zakelijke opsomming van punten die
in de praktijk tot bijzonder veel
verwarring, extra procederen en
onduidelijkheden leiden, is nog
steeds onweersproken overeind
gebleven. Ik zou graag zien dat de
minister op korte termijn een
wijzigingsvoorstel ter tafel brengt.
Ik heb indertijd de suggestie
gedaan om hiertoe een opdracht te
geven aan de heer Bockwinkel. Het antwoord hierop was toen: ’’Nee, dit
hoeft niet, wij hebben juristen
genoeg op het departement’’. Hier
stagneert het dus kennelijk niet door.
Laat het daarom dan eens een keer
gebeuren.
Het tweede punt is van minder
grote betekenis, maar ik zou graag
zien dat de minister een bepaalde
’’stroperigheid’’ enigszins weet weg
te werken. Het gaat om een in de
praktijk belangrijk punt, namelijk dat
ons BW nog steeds op een andere
manier genummerd is dan de
praktijk doet. We hebben een aantal
boeken. De nieuwe artikelen worden
in de praktijk steeds aangeduid als (bijvoorbeeld): ’’art. 7:123 BW’’. In de
wettelijke regeling die minister
Hirsch Ballin heeft gemaakt, is dit
niet opgenomen. Het gevolg is dat
alle wetboeken van conscie¨ntieuze
uitgevers deze artikelnummering niet
kennen. Als je dus in zo’n wetboek
bladert, moet je steeds naar de
nummeringen en tegelijkertijd ook
naar de bovenzijde van de bladzijde
kijken. De minister heeft erkend dat
Hoge Raad, kantongerecht, rechtbank
en hof de nummering in de praktijk
toepassen, maar hij vond veranderen
niet nodig.
Hier is een druk op de knop
voldoende. Het gaat om een
uitvoeringsbesluit, waarbij de
minister gemachtigd is om de
nummering aan te brengen. Volgens
mij impliceert dit ook de bevoegd-
heid om dit alsnog te veranderen.
Het is een klein punt, maar het lijkt
mij een ideaal terrein om de
daadkracht eens te laten zien.
Voorzitter! Ik maak nog twee korte
opmerkingen over de politie. Ik
begrijp dat wij vandaag alleen zaken
behandelen die met justitie te maken
hebben. Welke bevoegdheden heeft
het openbaar ministerie tegenover
de politie op justitiegebied? Doordat
de politie nu organisatorisch is
ingedeeld in regio’s met een
korpsbeheerder per regio – ressorte-
rend onder het departement van
Binnenlandse Zaken – hebben
ambtenaren van Justitie wat moeite
met het inschakelen van de politie
voor justitie¨le taken. Ik hoor dat van
verschillende kanten uit de praktijk.
Ik heb echter ook een uitstekende
officie¨le bron, namelijk de heer
Docters van Leeuwen. Hij is door de
minister pas benoemd tot voorzitter
van de vergadering van de
procureurs-generaal. In een interview
met de NRC van 13 december 1994
zegt hij dat justitie meer de baas
moet kunnen spelen over de politie.
Dit staat zowel in de kop als in de
tekst van het artikel. Ik ga er nu niet
verder op in, maar ik stel het op prijs
als de minister enigszins schetst hoe
deze kant van het politiebeheer er
naar haar mening op korte termijn
kan uitzien.
Mijn slotopmerking handelt over
Europol, het Europese instituut voor
internationale samenwerking in de
politiesfeer. Dit instituut is in
Nederland gevestigd, maar het komt
nog niet goed van de grond. Ik heb
begrepen dat Frankrijk en Engeland
het aanvankelijk alleen maar wilden
zien als een soort informatiecentrum
voor de verschillende nationale
politiekorpsen. Nederland wilde, naar
ik meen terecht, verder gaan en daar
een eigen Europees politieapparaat
in zien. Vooral in Duitsland was men
daar ook voor. Als ik het goed heb
begrepen, heeft minister-president
Kohl onlangs in Essen bij het
Europees overleg bereikt dat de
eigen taak van Europol nu door de
Europese partners is vastgesteld.
Nederland had dat graag nog in een
verdrag vastgelegd gezien. De heer
Kohl voelde daar niet voor en in de
krant lees ik dat Nederland zich
daarbij heeft neergelegd. Naar mijn
mening is het uiterst belangrijk dat
dit goede instituut zo gauw mogelijk
goed gaat werken. Het moet nog
veel ervaring opdoen. In dat verband
wil ik nog eens als voorbeeld wijzen
op het meer dan uitstekende
Bundeskriminalamt, dat in Wies-
baden voor Duitsland werkt en over
de verschillende La¨nder een eigen
coo¨rdinerende taak had. Kan de
minister nader aangeven, hoe de
regeling voor Europol er nu precies
uitziet? Wanneer kan zij volledig in
werking treden?
De beraadslaging wordt geschorst. 

</spreker>
<spreker pagina="13-483" anker="12" naam="De voorzitter">
 De regering zal
volgende week antwoorden. Dan
zullen ook de re- en duplieken
plaatsvinden.Besluiten en ingekomen stukken Lijst van besluiten:
De voorzitter heeft na overleg met
het College van senioren besloten
om het voorbereidend onderzoek van
het volgende wetsvoorstel door de
vaste commissie voor Onderwijs te</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


