<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2050]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Voortzetting van de behandeling van de wetsvoorstellen: Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 1995 (23900-VI); Wijziging van hoofdstuk VI (ministerie van Justitie) van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten voor het jaar 1993 (Slotwet; rekening) (23834)</item>
<item attribuut="Bestand"> 110 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Overheidsfinanciën (Algemeen)
Rijksbegrotingen (Algemeen)
Rijksbegrotingen (Justitie)</item>
<item attribuut="Dossiernr">23900, 23834, 23900 VI</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 11, Eerste Kamer, pag. 490-512</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">17-01-1995</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2050</item>
<item attribuut="Omvang">23 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Eerste Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Justitie</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Besluiten en ingekomen stukken</item>
<item attribuut="doccode">EK 14</item>
<item attribuut="voorzitter">Heijne Makkreel</item>
<item attribuut="voorzitter">Tjeenk Willink</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="14-490">

Aan de orde is de voortzetting van
de behandeling van de wetsvoorstel- len:
- Vaststelling van de begroting
van de uitgaven en de ontvang-
sten van het Ministerie van
Justitie (VI) voor het jaar 1995
(23900-VI);
- Wijziging van hoofdstuk VI
(ministerie van Justitie) van de
begroting van de uitgaven en de
ontvangsten voor het jaar 1993
(Slotwet; rekening) (23834).
(Zie vergadering van 10 januari
1995.) 
<spreker pagina="14-490" anker="1" naam="De voorzitter">
 Voordat ik het woord
geef aan de regering, wijs ik nog
even op het volgende. Vorige week
was er enige verwarring over de
behandeling van het onderdeel
politie. Het beheer en de organisatie
van de politie komen aan de orde bij
de behandeling van de begroting van
Binnenlandse Zaken. Dat is zo
afgesproken. Dit sluit niet uit dat de
taken van de politie die binnen het
beleidsveld van Justitie vallen,
vandaag aan de orde kunnen zijn.
De beraadslaging wordt hervat.</spreker>
<blok pagina="14-490">

 
<spreker pagina="14-490" anker="2" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 Ik dank de
leden van de Kamer voor hun
bijdragen. Ik vind het heel plezierig
dat ook zij in hun bijdragen hebben
gerefereerd aan het werk dat is
gedaan door onze voorgangers, de
heren Hirsch Ballin en Kosto. Ook mij
past het om daarover enkele
opmerkingen te maken. Het beleid
dat wij nu voeren, is nu eenmaal
voor een groot deel gebouwd op
datgene wat onze voorgangers
hebben gedaan. Het kabinet streeft
immers continuı¨teit in het beleid na.
Daarnaast zijn ontwikkelingen in
gang gezet die het kabinet gaarne
overneemt. In hun bijdragen in
eerste termijn zijn de heren Fleers en
Glastra van Loon ingegaan op een thema dat ik maar aanduid als:
moraal en justitie. De heer Fleers
constateerde terecht, dat wij,
staatssecretaris Schmitz en ik, het
belang van versterking van de
beleving van normen en waarden,
versterking van niet alleen de
persoonlijke vrijheid, maar ook de
persoonlijke verantwoordelijkheid
onderschreven. De heer Glastra van
Loon ging fundamenteel in op de
relatie tussen moraal en recht. Ik
herken veel in het betoog van beide
heren.
Het positieve recht, zo citeer ik de
heer Glastra van Loon, met
instemming, van een samenleving
moet rusten op de moraal van die
samenleving. Verwaarlozing van het
besef van normen en waarden tast
een samenleving en daarmee ook
het recht in die samenleving aan.
Vanzelfsprekend impliceert dit nog
niet, dat het afdwingen van die
samenlevingsmoraal een dwingende
overheidstaak is, die met behulp van
– ik ontleen het woord aan het
betoog van de heer Glastra van Loon
– haar zwaardmacht kracht moet
worden bijgezet.
Naar mijn overtuiging behoort het
verkondigen van morele waarden,
behoudens dan waar het om de
waarden van de rechtsstaat gaat, in
de eerste plaats tot het domein van
de gemeenschap. Het hoort thuis in
de opvoeding en het onderwijs. Ook
voor levensbeschouwelijke organisa-
ties is hier een taak weggelegd.
De terughoudendheid van de
overheid inzake morele aangelegen-
heden is het historisch resultaat van
het geleidelijk gerijpte inzicht, dat
eigen overtuigingen niet dwingend
aan anderen mogen worden
opgelegd, ook niet van overheids-
wege. Dat wil echter niet zeggen dat
de overheid geen morele taak heeft.
In de eerste plaats bestaat deze
eruit, dat zij moet zorgen dat de
burgers hun leven naar hun eigen
opvattingen kunnen inrichten. Deze
beschermingstaak heeft haar beslag
gekregen in de verschillende vormen
van het recht, het staats- en
bestuursrecht, het burgerlijk recht en
het strafrecht. De vrijheid van de een
mag niet ten koste gaan van de
vrijheid van de ander, zo luidt een
van de minimale morele codes die
hieraan ten grondslag liggen. In de
loop van deze eeuw is de morele
taak van de overheid gaandeweg
ruimer opgevat dan dit minimale
pakket. Om een gelijke toegang tot
vrijheid mogelijk te maken, moeten
bepaalde materie¨le voorwaarden
vervuld zijn. Deze democratisering
van de vrijheid heeft onder meer
geresulteerd in de verzorgingsstaat.
Het is de taak van de overheid, de
samenleving zo te ordenen dat de
vrijheid ook daadwerkelijk inhoud te
geven is en echte keuzen voor de
burger mogelijk zijn. Het publieke
belang is daarmee een veelzijdige
aangelegenheid geworden. Het
tegengaan van milieuvernietiging
bijvoorbeeld, maar ook de bescher-
ming van zowel traditionele als
alternatieve samenlevingsvormen
waarin kinderen opgroeien en het
behoud van een cultuur die niet
volledig in het teken staat van
overwegingen van praktisch nut,
vallen alle binnen het bereik van de
overheidstaak.
Het strafrecht geeft op hoofdlijnen
uitdrukking aan een diep geworteld
rechtsbewustzijn van onze cultuur.
Criminaliteitsbestrijding staat terecht
hoog op de politieke en maatschap-
pelijke agenda. Een helder en
krachtig overheidsoptreden is hierbij
een voorwaarde, maar ook een brede
betrokkenheid van burgers en
instellingen bij de rechtsstaat.
Medeverantwoordelijkheid en
gemeenschapsvorming, waar ook
prof. De Winter over schreef in het
door de heer Fleers geciteerde artikel
in de Volkskrant, zijn noodzakelijk
voor een vitale samenleving.
Werkelijke autonomie reikt verder
dan slogans als ’’gewoon jezelf
kunnen zijn’’. Werkelijke autonomie is niet: doen waar je zelf zin in hebt.
Werkelijke autonomie behelst het
vermogen om soms afstand te
nemen van wensen en behoeften die
zich onmiddellijk aandienen. De rol
die de overheid daarbij speelt is
betrekkelijk klein, en moet dat ook
zijn. Vorming van mensen vindt
uiteraard vooral plaats op jonge
leeftijd, in opvoeding en onderwijs.
Kinderen volgen daarbij het
voorbeeld dat hun door volwassenen
wordt gegeven, thuis, op school en
later ook in de mate van respect
waarmee mensen in het algemeen
met elkaar omgaan. Daar kunnen wij
in de politiek ook iets aan doen.
Ik ben blij dat ook in deze Kamer
wordt bijgedragen aan de discussie
over het drugsbeleid, maar het is
voor mij de vraag of dit nu het
moment is om daarover in volle
omvang te discussie¨ren. De primaire
doelstelling van de Opiumwet is,
zoals de Kamer weet, de bescher-
ming van de gezondheid. Dat is het
beleidsterrein waarop mijn collega
van VWS de verantwoordelijkheid
draagt. Het kan duidelijk zijn dat ik
als minister van Justitie een debat
over wijzigingen in die wet of het
beleid daaromheen niet in mijn
eentje kan voeren.
Dat geldt in het bijzonder voor de
vraag naar de schadelijkheid van de
diverse middelen. Het drugsbeleid is
buitengewoon gecompliceerd. Ook
op het terrein van het veiligheids- en
grote-stedenbeleid alsmede op het
terrein van Buitenlandse Zaken zijn
er verantwoordelijkheden voor
andere collega’s.
Door de minister van VWS en mij
is aangekondigd, dat aan de
Staten-Generaal voor het zomerreces
van 1995 een systematisch overzicht
van het huidige beleid en de opties
voor nieuw beleid wordt aangebo-
den. Zorgvuldig beleid vraagt een
zorgvuldige voorbereiding en een
weloverwogen standpuntbepaling.
Veel meer dan hetgeen ook in deze
Kamer over drugsbeleid naar voren
wordt gebracht aanhoren, daar
goede nota van nemen en nieuwe
elementen laten opnemen in het
systematisch overzicht kan dan nu
ook niet. Het nu innemen van
standpunten die afwijken van de
pijlers van het tot dusverre gevoerde
beleid zou tekort doen aan de
informatieronden die worden
georganiseerd in het kader van de
voorbereiding van de beleidsnotitie.
Deze gesprekken met mensen die bij
de praktijk betrokken zijn, gaan
binnenkort plaatsvinden; een manier
van het betrekken van de praktijk bij
de vormgeving van een nieuw
drugsbeleid, zoals ook de heer
Glastra van Loon eigenlijk bepleitte
in zijn bijdrage.
De door de heer Pitstra genoemde
voorbeelden van heroı¨neverstrekking
in Liverpool en Zwitserse steden
verdienen goede bestudering. Over
Liverpool kan gezegd worden, dat de
resultaten ervan wetenschappelijk
gezien niet onomstreden zijn en over
Zwitserland, dat het experiment, dat
tot eind 1996 duurt, nog niet is
gee¨valueerd. De eerste resultaten
laten weliswaar verbetering van de
gezondheid bij de gebruikers zien,
maar geen vermindering van
criminaliteit of overlast. Bijgebruik
van andere middelen zoals cocaı¨ne
blijft een groot probleem.
Het plan ’’drugsbeheersing door
legalisatie’’, in de wandeling het
rapport-Dufour genoemd, is mij
bekend. Het is mij als concept, onder
de mededeling dat het nog om een
onvoldragen plan ging, ter kennisne-
ming toegezonden. Ik acht het dan
ook voorbarig om er nu op te
reageren.
In het algemeen wil ik er wel over
kwijt, dat de drugsproblematiek
gecompliceerder is dan het rapport
schetst. Zo is er geen aandacht
besteed aan de internationale,
sociale en economische gevolgen
van legalisering door ons land
alleen. Bij veel van de in het rapport
genoemde cijfers dienen vraagtekens
te worden geplaatst.
De heer Glastra van Loon wil ik
nog antwoorden, dat met betrekking
tot de uitvoering van het drugsbeleid
in verschillende internationale
gremia afstemming plaats heeft
tussen de ministers van justitie, de
politie en de magistratuur. Er is
bijvoorbeeld sinds 1992 een geregeld
overleg, het zogenaamde Hazeldonk-
overleg, tussen Franse, Belgische en
Nederlandse magistraten, politie-
functionarissen en voor het
drugsbeleid verantwoordelijke
ambtenaren, waarin nu plannen
worden ontwikkeld om ook de
bestuurlijke en de hulpverlenings-
component te integreren. Belgie¨,
Luxemburg en Nederland hebben op
dat terrein al een eerste stap gezet.
De heer Holdijk vroeg aandacht
voor versterking van de rechterlijke
macht en in het bijzonder de
strafsector. Ik onderschrijf het belang
dat moet worden gehecht aan een
consequente en voortvarende
afhandeling van geconstateerde
strafbare feiten. Dat betekent dus dat
ook de rechterlijke macht over
voldoende mogelijkheden moet
beschikken om ingezonden
processen-verbaal adequaat af te
doen. Het niet of met zeer aanzien-
lijke vertraging geven van een
strafrechtelijk vervolg aan een
ingezonden proces-verbaal doet
afbreuk aan de effectiviteit van de
justitie¨le reactie. In dat opzicht
verdient vooral versterking van de
zwakkere schakels in de strafrechte-
lijke keten de aandacht, waartoe
zeker ook het gevangeniswezen
behoort. Gelet op de diversiteit van
mogelijke reacties op criminaliteit,
waaronder zeer nadrukkelijk
niet-strafrechtelijke afdoeningen, en
de organen die belast zijn of kunnen
worden belast met die afdoeningen
of het treffen van preventieve
maatregelen, meen ik echter dat een
eenzijdige accentuering van een
afdoening door de rechter e`n
toepassing van een vrijheidsstraf
geen recht doet aan de breedte van
het scala van interventie-
mogelijkheden.
De middelen die vrij zullen komen
door efficiencyverhogende maatrege-
len, zullen bij de huidige budgettaire
kaders moeten worden ingezet om
de nodige kwaliteit van de rechtsple-
ging vast te houden. De grenzen van
de efficiency zijn in de rechterlijke
organisatie immers nog niet bereikt.
Vooral in de ondersteuning van
rechters en officieren liggen nog
mogelijkheden om zaken efficie¨nter
af te doen. Daar wordt hard aan
gewerkt, zowel bij het openbaar
ministerie als de zittende magistra-
tuur. Alleen, de effecten zullen pas
op langere termijn zichtbaar worden.
De heer Holdijk relativeerde de
mogelijkheid van besturing op
cijfers. Ik ben het met hem eens dat
die mogelijkheden beperkt zijn, zeker
waar het gaat om de kwaliteit van de
rechtspleging.
De heer Holdijk haalde een
uitspraak aan van de heer Docters
van Leeuwen, namelijk dat het OM
niet moet vervreemden van de
rechterlijke macht. Ik moet hierbij
vooropstellen dat het niet een
uitlating van mijzelf betreft. Het lijkt
mij dat de opmerking van de huidige
procureur-generaal in Den Haag
aldus moet worden begrepen dat hij
van mening is dat het vertrouwen en
het aanzien dat het openbaar
ministerie bij de zittende magistra-
tuur geniet, een noodzakelijke
voorwaarde vormen voor een
succesvol functioneren van het
openbaar ministerie. Anders gezegd,
met verwijzing naar mijn brief van 14
december 1994 aan de Tweede
Kamer, de magistratelijke signatuur
van het openbaar ministerie en zijn
dienovereenkomstig optreden
legitimeren het OM in zijn verhou-
ding tot de rechter. Bij de komende
reorganisatie van het openbaar
ministerie mag dit aspect dus niet
worden vergeten.
In dat kader plaats ik ook de vraag
van mevrouw Mastik over de
voortgezette behandeling in hoger
beroep door de officier van justitie in
eerste aanleg. In de al door mij
genoemde brief aan de Tweede
Kamer, over de reorganisatie van het
openbaar ministerie, is vermeld dat
ik niet de aanbevelingen van de
commissie-Donner deel die afbreuk
zouden kunnen doen aan de
magistratelijke signatuur van het OM
en de relatie van het OM met de
rechter. Welke aanbevelingen dat
precies zijn, heb ik nog niet bepaald.
Maar ten aanzien van het optreden
van officieren van justitie in hoger
beroep, moet ik mededelen dat het
volgens de Wet op de rechterlijke
organisatie mogelijk is dat officieren
van justitie worden benoemd tot
waarnemend advocaat-generaal bij
een ressortsparket. Van deze
mogelijkheid wordt incidenteel
gebruik gemaakt, enerzijds om
officieren van justitie kennis te laten
maken met het werk in hoger beroep
en anderzijds in heel speciale
gevallen om de officier van justitie in
eerste aanleg te betrekken bij de
behandeling in hoger beroep.
Uiteraard is de professionele
onafhankelijke blik van de tweede lijn
bij het openbaar ministerie van
onmisbaar belang.
In het betoog van de heer Fleers
trof mij zijn tot twee keer toe
gestelde vraag of ik het wenselijk zou
vinden dat achter die ene
OM-organisatie die wordt beoogd,
niet ook een politieorganisatie zou
moeten bestaan. Ik heb al aangege-
ven dat er geen plannen zijn – nu,
nog geen jaar na de inwerkingtre-
ding van een spiksplinternieuwe
Politiewet – te komen tot een nieuwe
discussie over het bestel. Ook is
medegedeeld dat in de tweede helft
van deze kabinetsperiode een
evaluatie tot stand zal komen van de
Politiewet. Met mijn collega Dijkstal
overleg ik over de manier waarop
dat het beste kan gebeuren. Wel
heeft de heer Fleers er gelijk in dat
vanuit de verantwoordelijkheid van
de minister van Justitie landelijke
kaders kunnen worden gesteld. Maar
het kan inderdaad niet zo zijn dat van
Justitie een krachtig en eensgezind
OM wordt verwacht en overigens
ook van de justitie¨le organen
eenheid van beleid wordt gee¨ist,
terwijl tegelijkertijd de bestuurlijke
organisatie en de verdeling van
bevoegdheden daarbij tot grote
versnippering c.q gebrek aan
coo¨rdinatie kunnen leiden. Ik denk
dan met name aan de discussie over
het OOR en het ROA.
De heer Talsma maakte melding
van de gezagsuitoefening over de
politie door het openbaar ministerie,
en wel in het kader van de discussie
over de bijzondere opsporings-
methoden. Naar aanleiding van deze
discussie, waarbij bijzondere
opsporingsmethoden worden
vermeld die een aantal malen buiten
het OM om door de politie zijn
gehanteerd, is bij sommigen het
beeld ontstaan dat het openbaar
ministerie zijn greep op de politie
zou zijn kwijtgeraakt. Dat is een
onjuist beeld. Dat er sprake zou zijn
van een politie die over de brede
linie haar eigen gang gaat, is niet
juist. Enkele de aandacht trekkende
incidenten zijn dan ook niet meer
dan – weliswaar ernstige – inciden-
ten. Ten aanzien van dit verschijnsel
heb ik het openbaar ministerie
opdracht gegeven, tot een snelle
doorlichtingsoperatie te komen van
alle zaken waarin eventueel sprake is
van bijzondere opsporingsmethoden.
Deze doorlichtingsoperatie is nu in
volle gang. 

</spreker>
<spreker pagina="14-492" anker="3" partij="VVD" naam="Talsma">
 Ik hoor de
minister mijn naam noemen.
Hetgeen zij daarna zei, is niet door
mij gezegd. Ik kan zo gauw niet
zeggen wie het we`l heeft gezegd,
maar het is niet in mijn betoog aan
de orde geweest. 

</spreker>
<spreker pagina="14-492" anker="4" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 U wilt zich niet
vereenzelvigen met die uitspraak? 

</spreker>
<spreker pagina="14-492" anker="5" partij="VVD" naam="Talsma">
 De woorden
die u citeerde, zou ik niet uitgespro-
ken hebben. Dat heb ik dus ook niet
gedaan. 

</spreker>
<spreker pagina="14-492" anker="6" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 Dan heb ik mij
daarin vergist. Neemt u mij niet
kwalijk.
Voorzitter! Ter beantwoording van
de vraag van de heer Holdijk of niet
dringend een andere veiligheids-
attitude bij de officier van justitie
vereist is en of daartoe geen
cursussen moeten worden opgezet,
kan ik het volgende zeggen. Er wordt
op dit moment door de recherche-
school, in samenwerking met de
Nederlandse politieacademie en de
Stichting studiecentrum rechtsple-
ging, een cursus ’’Corruptie en
persoonlijke veiligheid’’ georgani-
seerd, alsmede een cursus over
informatie en gegevensbeveiliging
en een cursus over de organisatie
van fysieke beveiliging. Natuurlijk is
ook dit niet iets wat op zich zelf staat
en wat los van feitelijke ingrepen
wordt georganiseerd. Maar als het
gaat over de attitude van mensen die
erbij betrokken zijn, zullen deze
cursussen daaraan een bijdrage
geven. Verder wordt er gewerkt aan
de uitwerking van de aanbevelingen
van de werkgroep-Van Capelle,
genoemd naar de officier van justitie
Van Capelle, die een rapport heeft
gemaakt onder de titel Preventie en
afweer. Het rapport handelt over het
opstellen van een beveiligingsplan
en een beveiligingsbewustzijnspro-
gramma in elk arrondissement.



</spreker>
<spreker pagina="14-493" anker="7" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 Voorzitter! De
heer Fleers maakte enige opmerkin-
gen over het beheer van het landelijk
rechercheteam, daarbij refererend
aan het regeerakkoord. Hij stelde de
vraag of ik, verantwoordelijk voor de
rechtshandhaving, zelf zo’n tekst als
door hem aangehaald zou hebben geschreven. Het antwoord is: nee.
Sterker nog, zoals de heer Fleers het
heeft aangegeven, staat het ook niet
in het regeerakkoord. In het
regeerakkoord is uitermate helder
aangegeven dat het landelijk
rechercheteam tot mijn beleids-
verantwoordelijkheid behoort. Dat
omvat ook het beheer. Het team zal
beheersmatig worden ondergebracht
bij het korps landelijke politiedien-
sten en gezagsmatig valt het onder
het OM. De mede-
verantwoordelijkheid van de minister
van Binnenlandse Zaken, zoals in het
regeerakkoord aangegeven, is nader
uitgewerkt door het plaatsen van het
budget voor het landelijk team op de
begroting van Binnenlandse Zaken
en door het deelnemen aan een
overleg analoog aan de zogenaamde
regionale driehoek, bestaande uit in dit geval vier deelnemers: de DG
openbare orde en veiligheid van het
ministerie van Binnenlandse Zaken,
de portefeuillehouder strafrechtelijke
keten van de bestuursraad van het
ministerie van Justitie, de hoofdoffi-
cier van justitie belast met de leiding
van het landelijk OM-bureau, en ten
slotte de korpschef van het Korps
Landelijke Politiediensten.
De heer Fleers spreekt voorts van
een voortgaande verschuiving van
politie-inzet naar de inzet van de
gemeentelijke toezichthouders en
particuliere beveiligingsorganisaties.
Zijns inziens zal dat moeten leiden
tot een nadere positionering van de
reguliere politie. De heer Fleers stelt
verder dat de reguliere politie in feite
steeds meer een tweedelijns zorg
gaat verlenen. Met zijn stelling over
die tweedelijns zorg ben ik het niet
eens. Opsporing en hulpverlening
door de politie zijn en waren vormen
van eerstelijns veiligheidszorg die
door de reguliere politie worden
behartigd. Burgers kunnen direct een
beroep doen op de politie. Zij doen
dit ook en dat moet ook zo blijven.
Daarbij komt dat, in het verlengde
van het beleidsplan Samenleving en
criminaliteit, in de afgelopen jaren
hard is gewerkt aan de versterking
van het functioneel toezicht. Dat
functionele toezicht, onder andere
door stadswachten, komt echter niet
in de plaats van politieel toezicht
maar het is een aanvulling daarop.
De heer Fleers signaleert een
tendens in de richting van een
ontwikkeling dat er opnieuw een
gemeentelijk georganiseerde politie
zou kunnen ontstaan omdat de
gemeenten de behoefte voelen om
datgene wat ze missen door de
regionalisering, zelf aan te vullen.
Een dergelijke ontwikkeling spoort
niet met de recente wijziging van het
politiebestel. In het kader van de
noodzakelijke schaalvergroting is nu
immers een in regio’s georgani-
seerde politie-organisatie ontstaan.
Wanneer een dergelijke tendens
inderdaad werkelijkheid wordt, zal
dat bij de evaluatie van de Politiewet
ongetwijfeld nader tot uiting komen.
Het probleem, door verschillende
fracties aangegeven, van de geringe
mate van beschikbaarheid van
politiefunctionarissen in de landelijke
gebieden is vooral naar voren
gekomen als gevolg van de
samenloop van de zogenaamde
PKP-herverdelingsoperatie en de
reorganisatie van de politie. In 1996
zal voor het laatst bij de verdeling
van de politie op basis van de
PKP-normen worden gewerkt. Ter
vervanging daarvan wordt conform
de toezegging aan de Tweede kamer,
onder verantwoordelijkheid van de
minister van Binnenlandse Zaken en
in overleg met korpsbeheerders en
het hoofdofficierenberaad een nieuw
budgetverdeelsysteem ontwikkeld.
Dat systeem beoogt een instrument
te zijn op grond waarvan middelen
aan de regio’s worden toebedeeld.
Hoe vervolgens de interne verdeling
binnen die regio’s tot stand komt,
behoort binnen de huidige Politiewet
tot de verantwoordelijkheid van de
regionale colleges.
De heer Fleers signaleert een
spanningsveld tussen de noodzake-
lijke mankracht in de sfeer van
’’meer blauw op straat’’ en opspo-
ring van georganiseerde criminaliteit.
Het antwoord op de vraag welke
menskracht voor opsporing van
georganiseerde criminaliteit voor dit
moment noodzakelijk is, is al
gegeven. Voor de zes kernteams
wordt in beginsel uitgegaan van 1%
van de totale politiesterkte. Dat wil
zeggen, ongeveer 400 personen.
Daarnaast is een landelijk recherche-
team in oprichting dat onder meer
zal worden belast met omvangrijke
en complexe opsporingsonderzoeken
naar georganiseerde misdaad via de
financieel economische invalshoek
en het verrichten van opsporings-
activiteiten naar aanleiding van
internationale rechtshulpverzoeken.
Het landelijk team zal ongeveer 60
budgetverdeeleenheden omvatten.
Hierbij moet worden opgemerkt dat
de inspanningen van politie en
justitie ter bestrijding van de
georganiseerde misdaad aanvulling
behoeven. Door een verdere
ontwikkeling van de financie¨le
recherchemethodieken zal zicht
kunnen worden verkregen op
criminele netwerken. Voor die
aanvulling van kennis en capaciteit is
samenwerking met de bijzondere
opsporingsdiensten zoals de FIOD
van buitengewoon groot belang.
Overigens dient te worden opge-
merkt dat, aangezien de vraag naar
politie¨le menskracht ter bestrijding
van de georganiseerde misdaad in
beginsel geen bovengrens kent, de
uitbreiding op dit gebied niet mag
worden los gezien van de beschik-
bare capaciteit in de overige
geledingen van de strafrechtelijke
keten. Om die reden zal ook het OM
en de zittende magistratuur extra
worden versterkt om de door het
landelijk rechercheteam aan te vatten
opsporingsonderzoeken adequaat te
kunnen opvangen.
Ten aanzien van de forensische
accountants is de formatie bij de
divisie CRI van het korps landelijke
politiediensten op dit moment nog
niet volledig op sterkte. Deze
formatie is nog niet zo lang geleden,
gezien het belang van de forensische
accountancy, nogal uitgebreid.
Politie en justitie kunnen in
toenemende mate een beroep doen
op de diensten van particuliere
dienstverleners. De arbeidsvoorwaar-
den bij justitie en bij de rijksdienst in
het algemeen zijn als regel zodanig
concurrerend te maken dat het wel
aantrekkelijk is om bij de overheid
werkzaam te zijn. Inmiddels wordt
voor de noodzakelijke deskundigheid
met het Instituut voor banken en
effectenbedrijven samengewerkt op
het gebied van cursussen op
financieel-economisch en bancair
gebied. Na een succesvol verlopen
pilotproject zullen de reguliere
cursussen voor leden van het OM en
personeel van de politie binnenkort
starten. Niet uit het oog mag worden
verloren dat in het kader van de
uitvoering van de zogenaamde
pluk-ze-wetgeving voor een deel in
de vraag naar de kennis op financieel
terrein kan worden voorzien door
verdere intensivering van het gebruik
van de deskundigheid die op het
ministerie van Financie¨n aanwezig is.
Op dit moment wordt het interdepar-
tementaal overleg voortgezet over de
wijze waarop de samenwerking
tussen de belastingdienst en de
politie vanaf 1996 in het kader van
de bureaus financieel onderzoek
nadere vorm zou moeten krijgen. Ik
ben voornemens, binnenkort in
overleg te treden met mijn ambtge-
noot van Financie¨n over de inzet van
medewerkers van de belastingdienst
ten behoeve van het landelijk
rechercheteam. Over de suggestie
voor een academische leerstoel
forensische accountancy wil ik zeker
mijn gedachten laten gaan.
De heer Talsma vroeg – ik hoop
dat ik hem nu goed aanhaal – naar
de stand van zaken met betrekking
tot Europol. Er kan worden geconsta-
teerd dat onder het afgelopen Duitse
voorzitterschap vooruitgang is
geboekt. Er resteren nog enkele
belangrijke punten waaromtrent de
opvattingen van de lidstaten
uiteenlopen. Daarover zijn de leden
van de Tweede en de Eerste Kamer
bij brief van 27 oktober 1994 door de
regering vertrouwelijk geı¨nformeerd.
De Europese Raad van Essen heeft
uitgesproken dat het verdrag dat
moet leiden tot de formele instelling
van Europol voor de komende
Europese Raad van Cannes van 26
en 27 juni aanstaande moet worden
vastgesteld. Daarop zal het streven
van het huidige Franse voorzitter-
schap moeten zijn gericht.
Zoals bekend, liggen de verschil-
len van opvatting vooral op het
gebied van het aan Europol initieel toe te kennen takenpakket: de voor
Europol beoogde systeem-
architectuur, de uitoefening van het
recht op kennisneming van bij
Europol voorhanden zijnde persoons-
gegevens en ten slotte de institutio-
nele aspecten. Intussen heeft de
Europese Raad van Essen besloten
dat aan de Europol drugseenheid, in
afwachting van de totstandkoming
van het verdrag, ook bevoegdheden
op het gebied van informatie-
uitwisseling ter zake van illegale
handel in radionucleair materiaal,
mensensmokkel en autodiefstallen
kunnen worden toegekend. Daartoe
is voorgesteld om het bestaande
ministerie¨le akkoord om te zetten in
een gemeenschappelijk optreden,
zoals bedoeld in artikel k.3, tweede
lid, van het Verdrag betreffende de
Europese Unie. Een dergelijke
omzetting biedt het voordeel dat de
drie nieuwe lidstaten erbij betrokken
kunnen worden. Instemming met dit
besluit van de Europese Raad
betekent geenszins dat aan een
spoedige totstandkoming van het
Europol-verdrag minder prioriteit
wordt toegekend.
De heer Holdijk informeerde naar
de ’’verwerpelijk’’ verkregen
inkomsten of winst in verband met
de belastbaarheid daarvan. Hij vroeg
ook welke kosten de particulier of de
ondernemer als aftrekposten voor de
belasting zou mogen opvoeren. Die
vraag is niet primair aan de minister
van Justitie ter beoordeling. Een
discussie over dit onderwerp, dat
overigens aanzienlijk meer haken en
ogen heeft dan men in eerste
instantie vermoedt, dient allereerst
gevoerd te worden met de minister
van Financie¨n, in het bijzonder met
de staatssecretaris van Financie¨n. Er
is al een begin gemaakt met die
discussie. In de Tweede Kamer zijn
namelijk vragen gesteld over dit
onderwerp. Die zijn reeds beant-
woord. De inhoud daarvan is dat die
aftrekmogelijkheid niet meer bestaat.
Mevrouw Mastik heeft het rapport
van de Rekenkamer aangehaald over
de verzelfstandiging van de DJI van
het ministerie van Justitie. Deze
dienst is op 1 januari jongstleden
intern verzelfstandigd tot het
agentschap dienst justitie¨le
inrichtingen. Het doel van de
instelling van dat agentschap is om
de doelmatigheid van de bedrijfsvoe-
ring te verbeteren. Ik ben van
mening dat DJI, zoals wij dat nu
noemen, aan de voorwaarden
voldoet voor de instelling van een
agentschap. Zo is er sprake van een
goedkeurende accountantsverklaring
en van meetbare produkten in de
vorm van harde en controleerbare
kengetallen. Ik noem het aantal
cellen, de bezetting van de cellen,
het aantal ontvluchtingen, een
toereikende informatievoorziening en
een aantoonbaar doelmatig beheer.
De door de Rekenkamer in het
december-verslag van 1994
geconstateerde knelpunten moeten
beschouwd worden als kanttekenin-
gen bij de interne bedrijfsvoering in
1993. Men kan zich voorstellen dat er
in 1993 bij de voorbereidingen voor
de instelling van een agentschap
juist op dat punt de nodige
verbeteringen zijn aangebracht.
Een belangrijke doelstelling bij de
vorming van het agentschap DJI is,
zoals aangegeven, een doelmatiger
beheer. DJI heeft een efficiency-
taakstelling van 22 mln. gekregen.
Deze taakstelling zal gerealiseerd
worden door de te verdelen
budgetten aan de inrichtingen in
1995 te verlagen. De inrichtingen
zullen deze korting zelf door
efficiency-maatregelen opvangen.
Het is moeilijk, maar niet irree¨el;
bovendien moet het bewaren van
een hoog kwalitatief niveau wel tot
de mogelijkheden blijven behoren.
De heer Holdijk heeft een
opmerking gemaakt over de
privatisering van gevangenissen. De
executie van vrijheidsstraffen reken
ik evenwel tot de kerntaken van de
overheid. Slechts bij de vormen van
vrijheidsbeneming waarbij er sprake
is van expliciete behandelings- of
opvoedingsdoelstellingen en waarbij
de vrijheidsbeneming in zekere zin
als randvoorwaarde geldt voor het
bereiken van deze doelstellingen,
acht ik tenuitvoerlegging door een
particuliere instelling binnen
contractueel overeengekomen kaders
mogelijk. Ik refereer hierbij aan
jeugdinrichtingen en TBS-
inrichtingen. Ik kan mij daarbij ook
eventueel nog iets anders voorstel-
len.
De celcapaciteit blijft een
probleem vormen. De vraag is, hoe
ver wij moeten gaan met het
bouwen van nieuwe cellen.
Momenteel wordt de celcapaciteit
nog uitgebreid volgens eerder
vastgestelde begrotingen. De
begroting voor 1995 voorziet niet in
extra uitbreiding van de celcapaciteit.
Wel zoeken wij naar allerlei
mogelijkheden om de celcapaciteit te
vergroten of differentiatie aan te
brengen in de strafmodaliteiten. Een
commissie onder leiding van de heer
Korthals Altes zal mij nader
adviseren over onder meer de
mogelijkheden tot ombuiging van de
groeiende behoefte aan celcapaciteit.
Toch is het duidelijk dat een
verdergaande, meer structurele
vergroting van de capaciteit van het
gevangeniswezen is aangewezen.
Over de implicaties daarvan beraad
ik mij nog. Zodra ik daaromtrent
meer duidelijkheid heb, zal ik de
Kamer daarvan in kennis stellen.
In elk geval wordt er gezocht naar
verdere mogelijkheden tot beperking
van de instroom en bevordering van
de uitstroom. In dit verband vormen
de heenzendingen een verschijnsel
dat wij al een aantal jaren kennen.
De Tweede Kamer heeft daarover
een aantal vragen gesteld. Ik ben
bezig met de beantwoording
daarvan. Onder meer komt daarbij
het verschijnsel aan de orde van
heenzendingen aan de voordeur en
van heenzendingen aan de achter-
deur. Onder heenzendingen aan de
voordeur wordt verstaan heenzendin-
gen van verdachten die preventief
gehecht zijn en heenzendingen aan
de achterdeur zijn heenzendingen
van veroordeelden die nog in een
huis van bewaring een straf uitzitten.
De reeds gepubliceerde cijfers over
de heenzendingen betreffen beide
vormen. Naar dat probleem doen wij
nog een nader onderzoek.
De heer Fleers vraagt zich af of de
rechters op het ogenblik bij het
bepalen van de strafduur al rekening
houden met het wegzendbeleid. Ik
heb zojuist gesproken over heenzen-
dingen aan de voordeur en
heenzendingen aan de achterdeur.
Wanneer rechters ermee rekening
houden, slaat dat op het heenzenden
nadat een straf is uitgesproken.
De huidige richtlijnen van de
procureurs-generaal gaan over
heenzendingen van alleen afgestraf-
ten die nog in een huis van bewaring
zitten. Deze richtlijnen zijn iets meer
dan een jaar oud. Dus van een
wegzendbeleid in die zin dat rechters
daarmee rekening houden, is naar
mijn weten nog geen sprake, ook al
omdat het in feite gaat om vier
weken van een gevangenisstraf in
incidentele gevallen, oplopend tot
ongeveer zes weken en eventueel
acht weken. Dit gebeurt echter alleen
onder de voorwaarde dat de
betrokkene al driekwart van de straf
heeft uitgezeten.
Wanneer iemand beweert dat deze
situatie niet geheel wenselijk is, ben
ik het daar helemaal mee eens. Ik
zoek ook liever naar mogelijkheden
om de zogeheten VI-regeling in die
zin te veranderen dat er flexibeler
omgegaan kan worden met het
laatste deel van de straf, waarbij ook
voorwaarden kunnen worden
verbonden aan het vervroegd
heenzenden van mensen. Dan heeft
Justitie nog enige greep op het
verdere verloop van de tenuitvoer-
legging. Uitgangspunt is en blijft dat
er een aanvaardbare verhouding
moet zijn tussen het niet-
gee¨xecuteerde strafrestant en de
reeds uitgezeten straf. Dat geldt voor
beide mogelijkheden.
In het voorjaar van 1994 heeft een
ambtelijke werkgroep advies
uitgebracht over preventie van
corruptie en andersoortig ontoelaat-
baar gedrag in gevangenissen door
gevangenispersoneel. De heer
Holdijk heeft daarover een vraag
gesteld. In dat advies wordt geen
uitspraak gedaan over de exacte
omvang van de problematiek. Een
indicatie voor de omvang van de
corruptie is het aantal rijksrecherche-
onderzoeken dat naar dit fenomeen
jaarlijks verricht wordt. Op grond
hiervan kan worden geconcludeerd
dat corruptie slechts zeer incidenteel
voorkomt. Het beleid ten aanzien van
het voorkomen van corruptie zal
mede naar aanleiding van de
aanbevelingen van deze werkgroep
de komende tijd geı¨ntensiveerd
worden. Zo zullen gedragscodes
worden geformuleerd voor de
verschillende beroepsgroepen en zal
de mogelijkheid voor het doen van
een antecedentenonderzoek worden
verruimd.
Mevrouw Mastik vroeg naar de
ontwikkelingen bij de instituten voor
zeer intensieve behandeling en de
daar thans nog aanwezige onderwijs-
instituten. Intern hebben de
betrokken zeer intensieve
behandelingsinstituten, namelijk De
Marke, de Nederlandse Mettray, de
OGH en De Dreef een onderzoek
gestart naar de mogelijkheden om
tot samenwerking te komen. Daarbij
wordt in eerste instantie gedacht aan
een bestuurlijke samenwerking van
zelfstandige scholen. Hierover is
inmiddels contact geweest tussen de
ministeries van OCW en Justitie.
De heer Talsma heeft een aantal
opmerkingen gemaakt over de
tenuitvoerlegging van een combina-
tie van een lange gevangenisstraf en
de maatregel van TBS met verple-
ging. Over onder meer dit onderwerp
heeft destijds de staatssecretaris van
Justitie naar aanleiding van het
advies van de commissie-Fokkens bij
brief van 4 maart 1994 een zeer
uitvoerige standpuntbepaling van de
regering aan de Tweede Kamer van
de Staten-Generaal gezonden. De
commissie stelde voor, de volgorde
van de executie van straf en
maatregel om te keren. In het
standpunt wordt het uitgangspunt
van de commissie dat een behande-
ling zo snel mogelijk moet worden
aangevangen, onderschreven. Wel
wordt voorgesteld, toch de huidige
executievolgorde in stand te houden
en periodiek te bekijken of een
veroordeelde voor plaatsing in een
TBS-inrichting in aanmerking komt.
Na het verstrijken van een nog nader
te bepalen deel van de vrijheidsstraf
komt de veroordeelde in beginsel in
aanmerking voor een dergelijke
overplaatsing. Hiermee wordt de
reeds vele jaren bestaande praktijk
ten aanzien van de executie van deze
combinatie bevestigd. Thans worden
gedetineerden met een lange
gevangenisstraf en TBS met bevel
tot verpleging vaak na een derde van
de straf in een TBS-inrichting
geplaatst ten einde aan te vangen
met de behandeling. Deze vroegtij-
dige aanvang van de behandeling
spoort vaak ook met de bedoeling en
verwachting van de rechter die een
dergelijk vonnis wijst.
Er is niet voor het eerst opge-
merkt, en ook niet voor het eerst
door de heer Talsma, dat de
invoering van nieuwe wetten voor de
praktijk soms niet meer is bij te
benen. Inderdaad is er nog steeds
sprake van veel, soms te veel,
regelgeving. Daarom ook heeft het
kabinet de deregulering een nieuwe
impuls gegeven in de vorm van het
project Marktwerking, deregulering
en wetgevingskwaliteit. Op deze
commissie kom ik zo dadelijk nog
even terug. Gesuggereerd is om alle
wetswijzigingen jaarlijks op 1 januari
in werking te laten treden. Dat lost
natuurlijk het probleem van het
teveel aan wetgeving niet op, maar
het maakt de zaak misschien wel wat
overzichtelijker. Ik kan mij daar ook
wel iets bij voorstellen. Het ’’frappez
toujours’’ van de heer Talsma heeft
ook wel tot ı`ets geleid. Uit het
wetgevingsoverzicht blijkt dat van de
34 justitiewetten die in de tweede
helft van 1993 in het Staatsblad
verschenen, er 14 per 1 januari in
werking zijn getreden.
Terecht is opgemerkt dat er steeds
genoeg tijd moet zijn voor een goede
voorbereiding en invoering van
nieuwe wetgeving. Dat is een actueel
onderwerp, want juist vorige week
heeft de interdepartementale
commissie voor de harmonisatie van
wetgeving hierover een advies
uitgebracht, waarmee ik het zeer
eens ben. Dit advies was door de
ministerraad gevraagd naar
aanleiding van een rapport van de
nationale ombudsman over een te
korte invoeringstermijn bij een
bepaalde regeling. Het advies bevat
tal van praktische aanbevelingen, die
vooral het belang van een goede
planning van wetgeving benadruk-
ken. Uit het advies blijkt ook dat een
vaste voorbereidingstijd voor alle
wetgeving niet efficie¨nt is. Soms is
veel tijd nodig, soms ook kunnen
wetswijzigingen zonder bezwaar
meteen in werking treden.
De heer Talsma refereerde aan de
nieuwe kantongerechtsprocedure.
Inderdaad wordt slechts in beperkte
mate gebruik gemaakt van de
mogelijkheden die de nieuwe
procedure biedt aan partijen om zelf
procedures bij de kantonrechter aan
te brengen. Intussen is in het
wetsvoorstel Tweede fase van de
herziening van de rechterlijke
organisatie, dat op dit moment bij de
Raad van State ligt, een groot aantal
voorstellen opgenomen die leiden tot
verdere modernisering, verbetering,
versnelling en harmonisering van het
burgerlijk procesrecht. Daarnaast
worden verbeteringsvoorstellen in
deze zin betrokken bij de activiteiten
die thans door advocatuur, rechter-
lijke macht en het departement zijn
gestart om de doelmatigheid in
civiele procedures te bevorderen.
Voorshands zal ik dus niet meteen
teruggrijpen naar de oude procedure.
Het is in het belang van partijen
dat rechterlijke uitspraken zo snel
mogelijk beschikbaar zijn, dat ben ik
geheel met de heer Talsma eens. Dat
geldt uiteraard ook voor uitspraken
van de Hoge Raad. Dat college is
zich daarvan ook bewust. Overigens
is ook ondanks de jaarlijkse toename
van het aantal ingeschreven zaken bij
de Hoge Raad de gemiddelde
doorlooptijd bij de afhandeling van
strafzaken in de afgelopen jaren niet
toegenomen. Het ligt niet op mijn
weg om een oordeel te geven over
de lengte van de conclusies van het
openbaar ministerie bij de Hoge
Raad.
Ik ben het ook eens met de heren
Talsma en Holdijk dat het in het
belang van partijen is dat geschillen
zo veel mogelijk door henzelf worden
opgelost. Het beroep op de rechter
moet een ultimum remedium zijn. Ik
ben echter van mening dat in
Nederland, ook in vergelijking met
andere landen, geen sprake is van
procedeerlust in de zin die de heer
Talsma noemde. Evenmin is sprake
van het aanwakkeren van procedeer-
lust, noch van de zijde van de
advocatuur of andere rechtskundige
adviseurs, noch door een te
laagdrempelige toegang tot de
rechter. Wel ben ik het met de heer
Talsma eens dat, gegeven het
toenemende beroep dat op de
rechter wordt gedaan, de mogelijkhe-
den tot het benutten van buitenge-
rechtelijke geschillenbeslechting
meer moet worden gestimuleerd. Op
basis van een analyse van het
huidige zaaksaanbod en na overleg
met de advocatuur en rechterlijke
macht, zal ik met voorstellen komen
over de meest wenselijke vormen
van buitengerechtelijke geschillen-
beslechting. Ook over eventuele
personele voorzieningen zal ik dan
pas definitieve uitspraken kunnen
doen.
Ten behoeve van het project
Marktwerking, deregulering en
wetgevingskwaliteit is, zoals ik al zei,
een nieuwe ministerie¨le commissie
ingesteld, die de politieke regie over
het project voert. Tevens is een
ambtelijke commissie ingesteld die
als voorportaal functioneert en die
de ambtelijke verantwoordelijkheid
voor de voortgang van de advisering
draagt. De werkzaamheden die door
de commissie voor de toetsing van
wetgevingsprojecten werden
verricht, kunnen in deze nieuwe
structuur worden voortgezet, al
wordt de commissie zelf opgeheven.
De nieuwe constructie beoogt de
nadelen van de oude structuur te
ondervangen zonder de voordelen te
verliezen. Ik ben het niet met
mevrouw Mastik eens dat deze
commissie te veel marktgericht is.
Het project is gericht op verminde-
ring en vereenvoudiging van de
regelgeving. Daarbij ligt wel een
bijzonder accent op de marktwerking
en de bevordering van de economi-
sche dynamiek. Maar ook de
bevordering van de wetgevings-
kwaliteit in bredere zin, zoals de
verbetering van de uitvoerbaarheid
en handhaafbaarheid van regels en
de vermindering van de regeldruk
voor burgers, bedrijven en overhe-
den, maken alle deel uit van het
project. Ook hierbij blijft het streven
gericht op het vinden van een
evenwicht tussen alle in het geding
zijnde belangen. Het recht heeft en
behoudt daarbij de functie van
bescherming van kwetsbare
belangen, zowel als het gaat om
zaken zoals het milieu, als wanneer
het gaat om de positie van de
zwakkeren in de samenleving.
De accentverschuiving in de
werkwijze van de stafafdeling
Algemeen wetgevingsbeleid betekent
geen beperking van de taakstelling
van die afdeling, zoals mevrouw
Mastik misschien vreesde, maar
veeleer een verdieping. Justitie toetst
nog steeds alle ontwerpwetgeving,
maar omdat er heel veel ontwerp-
wetgeving is, kan die toets niet altijd
zeer diepgaand zijn. Dat hoeft ook
niet, want niet alle wetsvoorstellen
roepen belangrijke handhavings- en
uitvoeringsproblemen op. Zo erg is
het gelukkig ook weer niet. Daarom
is de algemene wetgevingstoets
aangevuld met gerichte en diep-
gaande advisering over speciaal
daartoe gekozen wetgevings-
projecten. Die projecten zijn gekozen
omdat zij belangrijke maatschappe-
lijke implicaties hebben of ingewik-
kelde vragen oproepen of omdat zij
een belangrijk leereffect kunnen
opleveren. Bij de advisering over
wetgevingsthema’s gaat het erom,
voor vraagstukken die zich bij veel
wetgeving voordoen – ik denk aan de
bestuurlijke boete als alternatief voor
strafsancties of certificering van
produkten als alternatief voor
gedetailleerde technische voor-
schriften – algemene oplossingen
aan te reiken. Dat is beter en
efficie¨nter dan een aanpak per
wetsvoorstel.
In de memorie van toelichting bij
veel wetsvoorstellen wordt een
aparte paragraaf opgenomen waarin
de uitvoerbaarheid en de handhaaf-
baarheid van het desbetreffende
voorstel worden toegelicht. Het
opnemen van een dergelijke
paragraaf is echter niet de enige
manier waarop aandacht kan worden
besteed aan de handhaafbaarheid en
de uitvoerbaarheid. Wij moeten
ervoor waken, dat het opnemen van
een dergelijke paragraaf geen doel
op zichzelf en daarmee een dode
letter wordt. Het is naar mijn mening
belangrijker, dat de aandacht voor de
handhaafbaarheid een vanzelfspre-
kend onderdeel wordt van het
wetgevingsproces, resulterend in
evident handhaafbare regelgeving.
Het moet niet alleen maar gaan om
een paragraaf in de toelichting.
Door de ministeries van VROM,
Justitie, Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij, Verkeer en Waterstaat en
Economische Zaken is de
uitvoerbaarheids- en handhaafbaar-
heidstoets milieubeleid en milieu-
regelgeving ontwikkeld. Deze toets is
inmiddels toegepast bij een aantal
concrete projecten, onder andere bij
een onderdeel van de mest-
wetgeving en het mineralenafgiften-
systeem. Ook worden op de
betrokken departementen verschil-
lende activiteiten ondernomen, om
de toets verder te implementeren.
Hierbij gaat het echter niet eenvou-
digweg om het aanreiken van een
aantal concrete instrumenten die het
toepassen van de toets mogelijk
maken, maar meer om het initie¨ren
van een cultuuromslag in het denken
over beleid en regelgeving. Men
moet echter beseffen, dat het
bewerkstelligen van een verandering
in denk- en werkwijze enig tijd in
beslag zal nemen. Deze toets, die nu
voor het milieubeleid is ontwikkeld,
is mutatis mutandis toepasbaar bij
andere gebieden van wetgeving.
Mevrouw Mastik stelde een vraag
over de regeling van het griffierecht
in bestuursrechtelijke procedures.
Dat is een van de onderdelen van het
binnenkort beginnende evaluatie-
onderzoek naar het ingevoerde
nieuwe uniforme bestuurs-
procesrecht. Het onderzoeksrapport
zal uiterlijk 1 september 1996
beschikbaar zijn. Overigens worden
in het thans bij de Tweede Kamer
aanhangige wetsvoorstel Leemtewet
algemene wet bestuursrecht al
enkele aanpassingen voorgesteld die
met name zijn gericht op het verder
tegengaan van cumulatie van
griffierechten bij met elkaar
samenhangende zaken.
De heer Holdijk vroeg of er
behoefte is aan een journalistiek
privilege, zoals dat is aangegeven in
een initiatiefwetsvoorstel dat thans in
behandeling is bij de Tweede Kamer.
Dit initiatiefwetsvoorstel zal door mij
zorgvuldig op alle inhoudelijke
merites worden bekeken en ik zal
hierover een standpunt innemen
wanneer dat in het kader van de
behandeling in de Tweede Kamer
aan de orde is. Ik vind dan ook dat ik
daarop op dit moment niet kan
vooruitlopen.
De heer Talsma ging in op het
wijzigingsvoorstel Woonruimte-
huurrecht. Dit wordt bezien in het
kader van de onderbrenging van de
huurregels in Boek 7 van het nieuw
Burgerlijk Wetboek. Het wetsvoorstel
inzake het bedrijfsruimtehuurrecht is
voor advies naar de Raad van State
gezonden.
Ten slotte wil ik iets zeggen over
de hartekreet van de heer Talsma,
een hartekreet die hij vast niet voor
de eerste keer slaakte. Het betreft de
nummering van de artikelen van het
Burgerlijk Wetboek. In het verleden
heeft mijn ambtsvoorganger deze
kwestie ook met u besproken. Ik ben
het met hem eens, dat de gedachte
om in de wetboeken thans op een
ander systeem van aanhaling over te
gaan, niet uitgevoerd moet worden.
Uit de praktijk en uit de universitaire
wereld zijn geen geluiden ontvangen
die erop duiden, dat men moeite
heeft met de nummering in de
officie¨le wetstekst. Men werkt er al
mee sinds de invoering van Boek 1
in de jaren zeventig. Het nu overgaan
op een ander systeem, zou met zich
brengen, dat de gehele wetgeving
zou moeten worden aangepast aan
een ander systeem van aanhaling.
Dit zou niet alleen een enorme
wetgevingsoperatie inhouden, maar
ook voor de praktijk tot aanzienlijke
kosten leiden in verband met de
noodzakelijke aanschaf van nieuwe
wetgevingsedities.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="14-497">

 
<spreker pagina="14-497" anker="8" soort="Staatssecretaris" naam="Schmitz">
 Voorzitter!
Op het terrein van mijn portefeuille
waren niet erg veel vragen aan de
orde. Dat is ook begrijpelijk, gelet op
het feit dat een belangrijk deel van
mijn portefeuille betrekking heeft op
vreemdelingenzaken en het
vreemdelingenrecht. Wij zijn al in de
gelegenheid geweest om daarover
hier te spreken. Zeer binnenkort
zullen wij daarover wederom
uitvoerig spreken. Daarom ga ik nu
graag in op de opmerkingen over de
andere onderwerpen die door
sommigen van de sprekers aan de
orde zijn gesteld.
Ik ben blij dat mevrouw Mastik
heeft gezien en herkend, dat in ieder
geval de minister en ik zoeken naar
een evenwicht. Wij gaan dus na, in
welke gevallen echt nieuwe wetten
nodig zijn en in welke gevallen je het
accent moet leggen op de uitvoering
en evaluatie van het bestaande
beleid. Dit thema komt in de stukken
over de vreemdelingenzaken
uitdrukkelijk aan de orde. De
uitvoering zal veel accent moeten
hebben. Er zijn al nieuwe wetten en
wellicht moeten er nog bij komen.
Toch zullen wij slechts mondjesmaat
nieuwe wetten aan de bestaande
moeten toevoegen. Nu gaat het
namelijk vooral om de huidige
praktijk.
Mevrouw Mastik heeft gezegd,
met belangstelling uit te zien naar de
behandeling van een aantal
onderwerpen in het kader van het
personen- en familierecht. Ik herhaal
dat een notitie Leefvormen uitge-
bracht zal worden en dat nieuwe
voorstellen gedaan zullen worden
met betrekking tot het
echtscheidingsprocesrecht en het
naamrecht. Daarnaast zullen nog een
aantal andere thema’s aan de orde
komen. De notitie Leefvormen zal
waarschijnlijk als eerste in deze serie
verschijnen.
Mevrouw Mastik sprak haar
bezorgdheid uit over de ontwikkelin-
gen op het terrein van de jeugd-
bescherming. Zij sprak van een
problematische situatie. Naar mijn
mening was dat een juiste typering.
Het gaat hierbij om een omvangrijk
beleidsterrein, dat buitengewoon
gecompliceerd is, met name door de
vele actoren die op dat terrein
werkzaam zijn. Op dit terrein is dus
’’samenwerking’’ cruciaal, wil je ook
die hulp kunnen bieden die
uitdrukkelijk noodzakelijk is. Daarom
hebben staatssecretaris Terpstra en
ik van meet af aan afgesproken op
fundamentele wijze met elkaar te
zullen samenwerken en alle
departementale scheidslijnen
hiervoor te zullen overschrijden. Ik
meen dat wij hiertoe ook alle
gelegenheid krijgen in het kader van
het project Regie in de jeugdzorg.
Hierover is halverwege het voorjaar
een nota verschenen en op grond
daarvan is een stuurgroep gevormd
waarin zowel staatssecretaris
Terpstra als ik zitting hebben. Op die
manier zullen wij dit project kunnen
’’trekken’’. Het gaat hierbij niet alleen
om een samenwerking tussen de
betrokken departementen, maar ook
uitdrukkelijk om samenwerking
tussen de provinciale en de
grootstedelijke overheden.
Deze stuurgroep is al diverse
malen bijeen geweest en er is bij de
leden duidelijk sprake van elan. Ik
heb er dan ook zeker vertrouwen in
dat de verschillende instanties met
elkaar zullen samenwerking,
uiteraard met erkenning van ieders
verantwoordelijkheid voor de eigen
werksoort en met het doel om alles
zo goed mogelijk op elkaar af te
stemmen. Ik verwacht in ieder geval
– ik vind dat wij ons dat zelf ook als
opdracht moeten stellen – belang-
rijke resultaten op het terrein van de
toegang tot de jeugdzorg, juist
vanwege de regionale visie-
ontwikkeling en de prioriteit die
daarbij zal worden gegeven aan
behandeling van de zwaarste
probleemgevallen. Voor informatie
over een groot aantal concrete
stappen moge ik verwijzen naar het
gepubliceerde rijksplan Jeugd-
hulpverlening. Daarin komt het
gehele terrein en de samenhang
tussen jeugdbescherming, jeugd-
hulpverlening en jeugd-
gezondheidszorg aan de orde.
Mevrouw Mastik heeft gesproken
over de HALT-bureaus. Ik onderschrijf
haar visie volledig dat deze bureaus
het resultaat zijn van een duidelijk
succesvolle samenwerking tussen
het openbaar ministerie, de politie en
het binnenlands bestuur, in dit geval
de gemeenten. HALT-bureaus
verrichten belangrijk werk op het
terrein van preventie en bestrijding
van veel voorkomende jeugd-
criminaliteit. In dit verband heeft zich
de afgelopen jaren de ontwikkeling
voorgedaan dat de afdoening van
lichte vermogensdelicten tot het
reguliere werkterrein van HALT is
gaan behoren. Wat de formele
aanwijzing bij algemene maatregel
van bestuur betreft van de delicts-
groepen – ik denk aan winkeldiefstal
– kan ik u meedelen dat het advies
van de Raad van State daarover
recentelijk is ontvangen en dat de
tekst van deze AMvB onder de titel
Besluit aanwijzing HALT-feiten dezer
dagen aan de koningin zal worden
aangeboden.
Dan kom ik bij de financiering van
de HALT-bureaus, ook door
gemeenten. Per 1 januari 1993
geschiedt die financiering uit het
Fonds sociale vernieuwing. Mede ter
realisatie van de uitbreiding van de
delictsgroepen heeft met ingang van
1993 ten laste van de begroting van
Justitie een uitbreiding plaatsgevon-
den van het beschikbare budget met
een bedrag van 4 mln. Thans resteert
op de begroting van Justitie nog een
bedrag van 1,25 mln. dat is
gereserveerd voor landelijke
HALT-activiteiten, waaronder de
subsidie¨ring van de Stichting HALT
Nederland.
Bij de formulering van het besluit
tot uitbreiding van de groepen
delicten waarmee HALT zich zal
bezighouden, is gekozen voor de
aanwijzing van strafbare feiten die
thans als het landelijk gangbare
pakket HALT-delicten kunnen worden
aangemerkt. De vraag is of met de
inwerkingtreding van dat besluit ook
een ophoging van het Fonds sociale
vernieuwing noodzakelijk is. De
minister van Binnenlandse Zaken en
ikzelf hebben daarover advies
gevraagd aan de Raad voor de
gemeentefinancie¨n. Deze raad is tot
de conclusie gekomen dat het
formeel niet noodzakelijk is extra
middelen vast te stellen, maar dat de
verwachting toch gerechtvaardigd is
dat er wel extra kosten zullen zijn.
Alleen kunnen die verwachting en
die extra kosten op dit moment nog
niet kwantitatief worden onder-
bouwd. Om daarover helderheid te
krijgen, heeft de minister van
Binnenlandse Zaken zich in
samenwerking met mij voorgenomen
om in 1995 een onafhankelijk
onderzoek te laten verrichten naar de
financie¨le situatie rond de HALT-
bureaus in relatie tot door hen
verrichte taken en de aangewezen
delictscategoriee¨n. Het was ook een
aanbeveling van de Raad voor de
gemeentefinancie¨n om een dergelijk
onderzoek in te stellen. Aan de hand
van de uitkomsten van dat onderzoek
zal worden bezien of en zo ja, hoe
extra middelen voor HALT beschik-
baar kunnen worden gesteld. Daarbij
denk ik overigens wel aan een
blijvende evenwichtige verdeling van
de financie¨le inzet tussen het Rijk en
de betrokken gemeenten. Ik zal daar
in de toekomst nog duidelijk op
terugkomen. Op dit moment is een
verhoging van het Fonds sociale
vernieuwing nog niet aan de orde,
maar het is niet uitgesloten voor de
toekomst.
De heer Pitstra heeft een
tweeledige vraag gesteld over het
steeds weer naar voren komende
thema van de vraaguitval in de
rechtsbijstand en ook over de
bevoorschotting bij de sociale
advocatuur. Hij heeft gewezen op
een onderzoek dat gaande is op het
terrein van de vraaguitval in de
gefinancierde rechtsbijstand. Dat
onderzoek wordt verricht onder de
verantwoordelijkheid van de raden
voor de rechtsbijstand. Die hebben
mij meegedeeld dat de eerste
uitkomsten eind januari van dit jaar,
dus al heel aanstaande, te verwach-
ten zijn. Dat is het eerste deel van
het onderzoek, dat inderdaad is
gericht op kwantificering van de
vraaguitval. Een vervolg daarop
wordt in de tweede helft van dit jaar
verwacht. Daarbij wordt ook
onderzocht welke alternatieven men
heeft gezocht voor de gefinancierde
rechtsbijstand. Hebben zij gebruik
gemaakt van vakbondsjuristen,
hebben zij andere vormen aangetrof-
fen of vallen zij inderdaad uit de
boot? Dat is natuurlijk de kern van de
vraag. Ik zeg in ieder geval toe – dat
heb ik ook in de Tweede Kamer
gedaan – dat, zodra de resultaten
van de eerste fase van het onderzoek
er eind januari zijn, ik mij erop zal
beraden wat daarvan de consequen-
ties zullen moeten zijn. Ik zal in de
Tweede Kamer terugkomen op
eventuele consequenties. Uiteraard
wordt ook uw Kamer daarover
geı¨nformeerd.
De frequentie en de hoogte van de
bevoorschotting bij de sociale
advocatuur zijn geregeld bij
algemene maatregel van bestuur. De
heer Pitstra heeft volstrekt gelijk dat
daar vorig jaar wel het een en ander
is misgegaan. De hoogte van de
bevoorschotting sluit overeenkom-
stig dit besluit aan bij de praktijk-
situatie van de toegevoegde
advocaten. Met name in het eerste
halfjaar van 1994 zijn er bij de raden
voor de rechtsbijstand aanzienlijke
achterstanden ontstaan in de
afhandeling van de declaraties. In de
loop van het tweede halfjaar van
1994 is de situatie overigens duidelijk
verbeterd, zodanig dat de gemid-
delde termijn van afhandeling thans
op een aanvaardbaar niveau is
gekomen. In de regel worden de
door advocaten ingediende
declaraties thans binnen een maand
afgehandeld. In een betrekkelijk
gering aantal gevallen waarin deze
termijn nu nog niet wordt gehaald,
wordt voor een individuele benade-
ring gekozen. Daarbij worden de
negatieve effecten voor de
liquiditeitspositie van de advocaat
zoveel mogelijk weggenomen. Ik heb
goede hoop dat die problematiek
bijna verleden tijd is en dat, voor
zover dat nog niet helemaal het
geval is, de laatste inhaalslag wordt
geleverd.
De heer Talsma heeft gesproken
over de relatie tussen de strafmaat
en de consequenties voor de
verwijdering van vreemdelingen. Hij
vraagt zich af hoe die zich eigenlijk
tot elkaar verhouden. De relatie
tussen het strafvonnis en de
eventuele gevolgen daarvan voor de
verblijfsstatus van een vreemdeling
is geregeld in de Vreemdelingen-
circulaire. Daarbij is uitgangspunt dat
naarmate vreemdelingen langer
legaal in Nederland verblijven, dus
een duidelijk langere binding
hebben, zij daarmee ook een sterkere
rechtspositie verkrijgen. De regeling
voorziet erin dat, naarmate de
banden van de vreemdeling met
Nederland sterker zijn, de inbreuk op
de openbare orde derhalve ernstiger
dient te zijn alvorens maatregelen
genomen kunnen worden. De ernst
van de inbreuk op de openbare orde
wordt bepaald door de strafmaat.
Om te beoordelen of een vreemde-
ling het voortgezet verblijf kan
worden ontzegd, wordt de hoogte
van de opgelegde straf gerelateerd
aan de duur van het verblijf van de
vreemdeling in Nederland op het
moment dat het misdrijf werd
gepleegd. Een veroordeling die
daarboven uitgaat, zal steeds tot
ongewenstverklaring en ontzegging
van voortgezet verblijf leiden. Zo’n
ongewenstverklaring heeft een duur
van vijf tot tien jaar, het laatste
natuurlijk bij ernstige delicten,
gedurende welke termijn een
vreemdeling geen verblijfstitel in
Nederland meer kan verkrijgen.
Indien een ongewenst verklaarde
vreemdeling zich toch daadwerkelijk
in Nederland ophoudt, maakt hij zich
schuldig aan een strafbaar feit en
kan hij in de zin van artikel 197 van
het Wetboek van Strafrecht worden
aangepakt. Na afloop van de termijn
van de ongewenstverklaring kan de
vreemdeling om een toelating
verzoeken. Dat verzoek zal worden
behandeld als een eerste toelating,
dus met voorbijgaan aan een eerder
toegestaan verblijf in Nederland. Dat
is de relatie tussen strafmaat en
verblijfsstatus van een vreemdeling. 

</spreker>
<spreker pagina="14-499" anker="9" naam="De voorzitter">
 Ik heb inmiddels
reeds geconstateerd dat er behoefte
is aan repliek. Dat betekent dat het
woord is aan de heer Fleers.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="14-499">

 
<spreker pagina="14-499" anker="10" partij="CDA" naam="Fleers">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik dank de bewindslieden
voor hun beantwoording. Inderdaad
zijn wij rondom deze begrotings-
behandeling zodanig nadrukkelijk in
gesprek over het vreemdelingen-
beleid dat wij dat onderwerp hier
ondanks het grote belang buiten
haken hebben geplaatst.
In eerste termijn hebben wij erop
gewezen dat christen-democraten in
hun politieke verantwoordelijkheid
bij voortduring hebben gepleit voor
een versterking van de beleving van
normen en waarden in onze
samenleving en voor een versterking
van niet alleen de persoonlijke
vrijheid, maar ook de persoonlijke
verantwoordelijkheid. Uit het
antwoord van de minister mogen wij
begrijpen dat zij dat verhaal
onderschrijft. Zij vindt dat wij ons
inderdaad moeten richten op een
versterking van de persoonlijke
vrijheid, maar ook de persoonlijke
verantwoordelijkheid. Zij geeft aan
dat er zeker een morele taak van de
overheid is, een taak die met name
in wetgeving tot uitdrukking wordt
gebracht.
De conclusie die ik vorige week
trok, was dat het noodzakelijke debat
in onze samenleving over deze
belangwekkende onderwerpen
daadwerkelijk lijkt door te breken.
Vanuit de politiek moeten wij dat
blijven bevorderen. Uit het antwoord
van de minister concludeer ik dat zij
tot die verdere bevordering bereid is.
Mijnheer de voorzitter! De
juistheid van het antwoord van de
minister inzake het landelijk
rechercheteam betwist ik volstrekt
niet. Ook aan de overzijde is er
uitgebreid over gesproken. Ik moet
hierbij wel denken aan datgene wat
een vooraanstaand politicus in de Tweede Kamer mij ooit eens leerde:
iets wat zoveel toelichting behoeft,
kan niet deugen. Enfin, het gaat om
de werking in de praktijk. Wij
wachten het af.
In tweede termijn wil ik enige
nadere lijnen trekken over de
veiligheidszorg buiten de grootstede-
lijke gebieden en over de bestrijding
van de grote en georganiseerde
criminaliteit. Je zou kunnen zeggen
dat ik zal spreken over zaken aan
weerszijden van het spectrum dat
lange tijd tot de taken van de politie
heeft behoord en er qua intensiteit
aan is toegevoegd. Van oudsher
behoort tot de taken van de reguliere
politie het voorkomen van criminali-
teit, de opsporing van criminaliteit,
hulpverlening en handhaving van de
openbare orde. Bij dat laatste zou je
ook nog allerlei zaken van criminali-
teit kunnen tegenkomen.
Welnu, in het midden van de jaren
tachtig is vanuit Justitie een
beweging op gang gekomen ter
beteugeling van de toenemende
politie¨le en justitie¨le werklast,
waarbij gemeentebesturen er
nadrukkelijk op is gewezen dat zij
mogelijkheden hebben om naast
vandalismebestrijding ook een
bestuurlijke bijdrage te leveren aan
de voorkoming van wat men toen
kleine criminaliteit noemde. Omdat
deze term tot het misverstand zou
kunnen leiden dat het dus niet erg is,
is later voor de term ’’veel voorko-
mende criminaliteit’’ gekozen. Het
ging en het gaat daarbij om strafbare
gedragingen, zoals diefstal,
mishandeling en verkeersdelicten.
Gemeentebesturen hebben hierop
in de loop der jaren positief
gereageerd. In toenemende mate is
de primaire verantwoordelijkheid
voor tal van oorspronkelijk politie¨le
taken verschoven naar niet-politieel
personeel. Ik noem stads- en
dorpswachten, toezichthouders en
andere zogenaamde veiligheids-
functionarissen. In zijn algemeenheid
kun je toch vaststellen dat in de
praktijk een vorm van eerstelijns
bestuurlijke veiligheidszorg is gaan
ontstaan. De behoefte aan een
verdere uitbreiding van die
veiligheidszorg kan allerwegen
worden geconstateerd. De daarvoor
benodigde financie¨le middelen
worden echter slechts beperkt
beschikbaar gesteld. Wij hebben in
eerste termijn aangedrongen op
aandacht hiervoor. Kennelijk was de
echo van deze inbreng zodanig –
misschien is dat het voordeel van het
vergaderen in deze zaal – dat
minister Dijkstal zaterdag onmiddel-
lijk extra politie ten plattelande heeft
toegezegd.
Ook van de zijde van Justitie
mogen die extra middelen worden
verwacht, omdat de bestuurlijke
activiteiten een gunstig effect hebben
op de politie¨le en justitie¨le werklast
en daar dus ook tot besparingen
leiden en verder kunnen leiden.
Tevens hebben de uitgaven op het
terrein van bestuurlijke preventie
positieve effecten op de veiligheids-
beleving van burgers.
Deze ontwikkeling heeft er wat de
politie betreft toe geleid dat daar een
voortgaande concentratie is gaan
ontstaan op zwaardere vormen van
criminaliteit. De opsporing en
opheldering van deze criminaliteit is
vaak ingewikkeld en vraagt veel
mensuren en menskracht. Het betreft
veelal de voor het publiek niet
zichtbare inzet van mensen en
middelen, die wel degelijk belangrijk
is. Indien door de bevolking
gevraagd wordt om meer politiezorg,
betreft dit vooral meer toezicht in het
publieke domein, meer beschikbaar-
heid en betere bereikbaarheid.
Echter, als door politieke besluit-
vorming meer politiemensen in
opleiding worden genomen, dan
worden deze met name ingezet voor
de voor de bevolking minder direct
zichtbare en meetbare behoefte aan
politiefunctionarissen ten behoeve
van de opsporing en opheldering
van zwaardere vormen van
criminaliteit. Dat leidt er gemakkelijk
toe dat de burger wel hoort over
meer politie, maar er niet of
nauwelijks iets van ziet. De onvrede
die dat onder de bevolking veroor-
zaakt, richt zich ten onrechte tegen
de politie. Anders gezegd, de politie
wordt door de bevolking nog steeds
gezien als het apparaat dat het
gehele terrein van de veiligheidszorg
dient te coveren. De werkelijkheid zit
zo echter niet meer in elkaar.
De vraag dringt dan ook steeds
meer of een belangrijke oorzaak van
vermeende te kort schietende
politie-activiteit niet is dat wij allerlei
activiteiten nog steeds afficheren als
politie-activiteiten, terwijl het in feite
bestuurlijke preventie-activiteiten zijn
geworden. De vraag die daarbij hoort
is of wij niet veel helderder moeten
aangeven wie voor welk takenpakket
verantwoordelijk is en welke inzet
van mensen en middelen voor ieder
takenpakket beschikbaar wordt
gesteld. Op dit moment lopen de
agenten, surveillanten, stadswachten
en toezichthouders op een voor de
burger onheldere manier door elkaar
heen. Dat is vooral onhelder, omdat
steeds wanneer er over meer blauw
of meer blauw op straat gesproken
of beslist wordt, niet duidelijk is wie
de beschikking daarover krijgt en aan
welk takenpakket dit ten goede komt.
Ik stel hier met nadruk vast dat ik
bij dit alles uitga van de reorganisa-
tie van de politie zoals deze thans
vorm gekregen heeft en verder dient
te worden uitgebouwd. Laat daar
voorshands geen misverstand over
bestaan. Ik houd dus geen pleidooi
voor een ander model. De minister
heeft terecht gewezen op de
komende evaluatie. Nee, het gaat mij
om een nadere bezinning op de
vraag hoe wij in het kader van de
rechtshandhaving qua vormgeving
en qua inzet van mensen en
middelen dienen om te gaan met het
qua intensiteit betrekkelijk nieuwe
fenomeen van de bestuurlijke
preventie als remplac¸ant van dat wat
van oudsher tot het politie¨le
takenpakket behoorde in relatie tot
de thans bestaande organisatie en
taken van de politie.
Een ander betrekkelijk nieuw
fenomeen is de bestrijding van de
grote en georganiseerde criminaliteit.
Deze ook internationale criminaliteit
vormt, zo is meermalen van
kabinetszijde betoogd, een bedrei-
ging voor de Staat, voor onze
nationale samenleving. Wij praten
dan dus niet over de veelal
individuele burgers rakende en
bedreigende criminaliteit in
algemene zin, waarvan de voorko-
ming en opsporing van oudsher aan
de politie zijn opgedragen, maar over
ernstiger vormen van criminaliteit
die de Staat en het geheel van de
samenleving kunnen bedreigen. Als
de Staat en de samenleving als
zodanig daadwerkelijk in het geding
zijn – wij horen dat geluid meerdere
malen – roept dit onontkoombaar de
vraag op waar de eerste verantwoor-
delijkheid daarvoor politiek en
bestuurlijk dient te liggen. In mijn
eerste termijn heb ik gewezen op de
ter zake lopende discussie en op een
aantal uitlatingen van de minister,
mede naar aanleiding van de
oprichting van het landelijk
rechercheteam. Tevens heb ik daarbij
gewezen op de kamerbrede steun
aan de overzijde voor een reorgani-
satie van het openbaar ministerie en
een sterkere gezagsuitoefening door
het openbaar ministerie ten aanzien
van de politie. Wederom ter
vermijding van een misverstand wijs
ik erop dat ik dat laatste vooral heb
verstaan in relatie tot de opsporing
van de grote, georganiseerde en
internationale criminaliteit. Geı¨ntensi-
veerde aandacht voor de opsporing
van die grote, georganiseerde en
internationale criminaliteit zal
onvermijdelijk leiden tot de inzet van
meer politie. Gegeven de beperking
van de beschikbare budgetten en de
dienovereenkomstige totale
politiesterkte, zal dat leiden tot een
verschuiving van politiemensen van
de algemene criminaliteitsbestrijding
naar de bestrijding van de grote
georganiseerde misdaad en daarmee
samenhangende activiteiten. De
minister heeft in antwoord op mijn
vraag daarover aangegeven welke
inzet van mensen en middelen zij
voor dit onderdeel van de rechts-
handhaving nodig acht om haar
verantwoordelijkheid ter zake te
kunnen dragen. Zij gaf daarvoor
indicaties, maar zij bood ook ruimte
voor het verder denken in getallen. Ik
heb hiernaar gevraagd omdat, als wij
over de inzet niet helder zijn, een
sluipende verschuiving van mensen
en middelen plaatsvindt die haar
repercussies heeft voor de algemene
inzet van de politie bij de
criminaliteitsbestrijding en ook voor
het publieke oordeel over de
beschikbaarheid van politie. Ook
hierbij is dus de noodzaak aan de
orde om zo helder mogelijk aan te
geven welke financie¨le middelen en
welke beschikbare menskracht voor
welke taken worden ingezet, opdat
een publiek en politiek oordeel over
de verdeling van die middelen
mogelijk is en meer dan tot nu toe
helder is aan welke verantwoordelijk-
heden op het terrein van de
rechtshandhaving een eventuele
uitbreiding van ’’blauw’’ ten goede
komt.
Tot slot kom ik op de heenzendin-
gen, de celcapaciteit. De minister
deelt onze uitdrukkelijke zorgen over
het grote aantal heenzendingen,
althans dat begrijp ik uit haar
antwoord. Die heenzendingen
frustreren politie en justitie, maar
vooral ook de burger. Het beeld is bekend: op het moment dat politie
en slachtoffer nog druk bezig zijn
met het proces-verbaal zit de dader
alweer hoog en droog thuis. Voor het
vertrouwen van de burger in politie,
justitie en de rechtsstaat, voor de
geloofwaardigheid van de rechts-
handhaving en ook voor het
vertrouwen binnen de justitie¨le keten
zelf is het absoluut noodzakelijk dat
er voldoende celcapaciteit beschik-
baar is. Daar moet en mag geen
enkel misverstand over bestaan. Ik
heb met instemming vastgesteld dat
de minister deze nog steeds zwakke
schakel uitdrukkelijk wil versterken.
Een goede rechtshandhaving maakt
het noodzakelijk dat mensen
onmiddellijk uit de vrije samenleving
kunnen worden verwijderd als dat
geboden is. Gebeurt dat niet, dan
tast dat op een onaanvaardbare wijze
het rechtsgevoel van mensen en het
vertrouwen in de overheid aan.
In het strafrecht wordt het
openbaar ministerie geacht namens
de samenleving op te treden. Welnu,
dat moet ook kunnen worden
waargemaakt. Anders dan bij de
tenuitvoerlegging van vrijheidsstraf-
fen zijn er bij de preventieve
hechtenis in feite geen modaliteiten mogelijk: het is plus of het is min. De
rechtshandhaving in ons land eist plus: vasthouden en niet heenzen-
den. Dit betekent dat meer cel-
capaciteit beschikbaar dient te zijn
voor een onmiddellijke en adequate
reactie op criminaliteit. Om dat te
bereiken, kunnen en moeten, naast
uitbreiding van de celcapaciteit in het
kader van de tenuitvoerlegging van
straffen, meer middelen worden
ingezet. De minister sprak daar in
haar antwoord over. Ik sprak in
eerste termijn, in navolging van de
minister, over een heroverweging die
zich naar mijn mening zowel moet
richten op de differentiatie en de
modaliteiten van de straf als op de
geloofwaardigheid van de rechts-
handhaving.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="14-501">
<spreker pagina="14-501" anker="11" partij="PvdA" naam="Mastik-Sonneveldt">
 Voorzitter! Wij zijn er
verheugd over dat de minister
vanmiddag niet heeft gezegd dat het
optreden van een officier van justitie
eventueel in hoger beroep in strijd
zou zijn met de magistratelijke
signatuur van het OM. De minister
heeft eigenlijk nog niets over dit
onderwerp gezegd. Misschien is dat
wel een winstpunt. Namens mijn
fractie wil ik er wel iets over kwijt.
Uit mijn inbreng in eerste termijn
heeft men al begrepen dat wij de
mogelijkheden die de WRO op dit
moment al biedt, gunstig vinden
voor een doeltreffend en doelmatig
optreden van het OM. Ik wil nog wel
verklaren waarom wij dit punt aan de
orde hebben gesteld. Een landelijk
ochtendblad heeft, meen ik, op 14
december 1994 gesuggereerd dat de
minister wel de zoe¨ven door mij
gememoreerde uitspraak zou hebben
gedaan. Voor alle duidelijkheid
wilden wij in dit debat verifie¨ren of
dat het geval was. De minister heeft
nu gelukkig geen uitspraak gedaan,
dus dat is een winstpunt.
Vervolgens kom ik op de interne
verzelfstandiging en de deregulering.
Ik geloof dat de minister hierbij op
een iets ander spoor zit dan de
PvdA-fractie in deze Kamer. De
minister zei dat het bij de interne
verzelfstandiging gaat om een
bedrag van 1,4 mld. voor de justitie¨le inrichtingen. Daarbij stelde zij: waar
maak je je eigenlijk zorgen over,
want wij hebben toch een goedkeu-
rende accountantsverklaring en
kengetallen, dus wij kunnen meten.
Ik weet dat je kwantitatief kunt
meten. Ik wil niet zeggen dat dit
onbelangrijk zou zijn, maar bij de
justitie¨le inrichtingen is natuurlijk ook
een aantal beleidsinhoudelijke
ontwikkelingen van belang. Besturen
op afstand is in dit verband niet
alleen het kwantificeren, maar ook
het bijhouden en sturen van
beleidsinhoudelijke ontwikkelingen.
Dat moet dan niet op punten en
komma’s gebeuren, want de
instellingen zijn zelf verantwoordelijk
voor de dagelijkse praktijk. Het gaat
natuurlijk wel aan om beleidskaders
aan te geven en na te gaan of de
beleidsinhoudelijke ontwikkeling na
een jaar in de richting verloopt die
de minister zich had voorgesteld.
Zoiets stellen wij ons althans bij de
interne verzelfstandiging voor.
Wij hebben beslist niet uitgespro-
ken dat het doorlichten van regels
ten aanzien van eventuele beperkin-
gen die zij opleggen aan de markt,
niet gunstig zou zijn. Wij hebben
alleen gezegd dat dit niet het enige
aspect is waarop je regels moet
doorlichten. Wat dat betreft, hebben
wij de minister geciteerd. Zij heeft
namelijk ooit gezegd dat de
rechtsstaat en de verzorgingsstaat
met elkaar gemeen hebben dat zij
opkomen voor de zwakkeren in de samenleving. Vrij vertaald: regels zijn
er niet alleen voor de markt, maar zij
hebben in ons geheel ook een
andere functie.
Daarmee kom ik op het
dereguleringsproject waarop de
minister doelde, waarbij met name
wordt gekeken naar de markt. Dat is
nuttig. Wij kunnen ons ook voorstel-
len dat de minister hieraan graag
meedoet, samen met haar collega
Wijers. Maar daarnaast kunnen wij
ons ook andere manieren voorstellen
om regels door te lichten, naast dat
project. Welke regels moeten wij
bijvoorbeeld handhaven of afschaf-
fen om het meer zelfstandig kunnen
opereren van gemeenten op een
aantal beleidsterreinen mogelijk te
maken, wat hard nodig is? Wij
vinden het dus logisch dat de
minister in dat project met Economi-
sche Zaken zit. Maar daarnaast
kunnen wij ons dus ook andere
dereguleringsprojecten voorstellen,
onder andere met Binnenlandse
Zaken voor een meer autonome
manier van werken van gemeentebe-
sturen op een aantal belangrijke
beleidsterreinen.
Wij begrijpen dat de commissie
voor de toetsing van wetgevings-
projecten is betrokken bij het project
voor de doorlichting van regels op
economisch gebied. Maar deze
commissie deed vroeger wat meer
onafhankelijk werk op het terrein van
de totale wetgeving. Wij vinden het
jammer als de commissie alleen
wordt ingezet op het specifieke
terrein van de deregulering in relatie
tot Economische Zaken.
Over de taakstelling van de
stafafdeling wetgevingsbeleid zei de
minister dat ik het eigenlijk iets te
beperkt zie. Beperking kan namelijk
verdieping zijn. Ja, dat kan, maar dat
hoeft niet altijd zo te zijn, dus wij
wachten dat met ontzettend veel
belangstelling af.
Over de handhaafbaarheid zei de
minister dat dit meer is dan het
zetten van een kopje in een
wetsvoorstel, want dat wordt al snel
een ijzeren formule. Voor iets wat
niet substantieel leeft, zijn andere
manieren mogelijk en nodig. Ja, dat
is zeker waar, maar het is natuurlijk
toch wel ontzettend handig om dat
op te nemen in die wetsvoorstellen,
omdat ook parlementarie¨rs er belang
bij hebben om te zien, welke taken
uit het geheel voortvloeien en welk
beslag het legt op het OM, de politie
en de rechterlijke macht. Aan de
hand daarvan kan de politiek haar
eigen afweging maken.
Als ik het goed begrepen heb, is
het instrumentarium van de Inspectie
voor de rechtshandhaving, ontwik-
keld in het kader van VROM, ook
toepasbaar op andere terreinen,
waarbij ik doel op middelen die in
ieder geval de handhaafbaarheid en
de uitvoerbaarheid van regelgeving
toetsen. Wij zouden erg graag zien
dat de minister bevordert dat het ook
inderdaad op andere terreinen wordt
toegepast.
Tegen de staatssecretaris zeg ik
dat wij niet konden weten dat het
hele terrein van de jeugd-
hulpverlening en de rechtsbescher-
ming vandaag zo actueel zou zijn,
want ongetwijfeld heeft zij direct of
indirect kennis genomen van recente
uitzendingen – onder andere NOVA
van gisterenavond – over de
jeugdhulpverlening en rechtsbe-
scherming. Ik zie de staatssecretaris
’’nee’’ schudden. In ieder geval was
daar aan de orde het gebrek aan
financie¨le middelen bij het komen tot
een uitbreiding van het aantal
pleegouders, wat in sommige regio’s
vrij knellend is, onder andere in de
provincie Overijssel. Daarnaast kwam
natuurlijk ook het algemene
probleem van het tekort aan plaatsen
in tehuizen naar voren. Maar met
name het tekort aan pleegouders en
het gebrek aan middelen waren
gisterenavond vanaf tien voor elf ’s
avonds vrij pregnant op TV
aanwezig. De staatssecretaris is in
haar beantwoording ingegaan op de
nota Regie in de jeugdzorg, die
samen met departement, provincies
en grote steden wordt voorbereid in
haar uitvoering. Als ik het goed heb,
moet het geheel per 1 maart van
start gaan aan een loket, maar op dit
moment zijn er ten aanzien van de
jeugdhulpverlening en de jeugd-
bescherming heel nadrukkelijke
probleempunten aan de orde. Als ik
het goed begrepen heb, is de
registratie van het aantal hulpzoekers
op dit moment een probleem. Er is
een stichting die dat zou doen, maar
die doet dat niet. Wij hebben dus
niet het aantal jeugdigen in beeld,
dat hulp zoekt. Wij hebben eigenlijk
onvoldoende gegevens over het
geheel aan instellingen, dat zich
hiermee bezighoudt. In ieder geval
lijken er op dit moment onvoldoende
financie¨le middelen voor het
uitbreiden van het aantal pleeg-
ouders te zijn. Met name over deze
drie punten, die voor de praktijk op
dit moment en voor het zicht krijgen
op het probleem van veel belang
zijn, zouden wij de staatssecretaris
om een reactie willen vragen.
Verder hebben wij de brede uitleg
van de staatssecretaris over de
financiering van de HALT-bureaus
met plezier aangehoord. Wij gaan
daar op dit moment niet verder op
in.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="14-502">

 
<spreker pagina="14-502" anker="12" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">

Voorzitter! Ook ik was vorige week
getroffen door het verhaal van de
heer Fleers, dat ook de landelijke
media heeft gehaald. In mijn ogen
volkomen terecht heeft hij in zijn
verhaal getwijfeld aan het steeds
maar meer cellen bouwen. Ander-
zijds is hij ook ambivalent, want om
het heenzenden te voorkomen, wil
hij juist wel de capaciteit opvoeren,
maar terwijl hij daarmee bezig is,
stelt hij daarbij de fundamentele
vraag of het eigenlijk wel de goede
weg is. Dat is natuurlijk toch een
beetje rare politiek. Opmerkelijk is
overigens dat de media dat eerste
gedeelte vooral hebben opgepikt. Ik
vind het volkomen terecht dat hij
zichzelf die vraag stelt. Je kunt in de
Verenigde Staten zien dat er steeds
meer cellen worden gebouwd, die
ook allemaal vol komen, maar je
kunt natuurlijk niet zeggen dat daar
de criminaliteit afneemt. Hetzelfde
geldt voor de roep om steeds
strengere straffen, wat allemaal heel
effectief lijkt, maar dat blijkt het in de
praktijk helemaal niet te zijn.
Over de discussie over de normen
en waarden wil ik niet te veel
zeggen. Het valt mij op dat, als je het
maar abstract genoeg houdt,
iedereen het er wel over eens is. We
zijn allemaal voor vrijheid, maar ook
voor verantwoordelijkheid en
natuurlijk, de overheid heeft zelf ook
normen en waarden, maar de crux is
natuurlijk, welke normen en welke
waarden dat zijn. Laten we het
concreet maken, dan weten we ten
minste waar wij het over hebben.
Zodra het gaat over prostitutie,
06-nummers of abortus, duikt al heel
snel de kreet op dat de staat geen
zedenmeester moet zijn. Ik roep de
mensen die deze discussie willen
voeren op, dit concreet te maken,
zodat we daarover ten minste een
politieke discussie kunnen voeren.
Als we dat te algemeen en te
abstract houden, is iedereen het
altijd erg met elkaar eens. Hoewel
dat wel wat heeft, schiet de
maatschappelijke werkelijkheid
daarmee weinig op.
In de NRC van vorige week
dinsdag stond dat een lid van de
Eerste Kamer staatswinkels bepleit voor drugs. Ik dacht: dat is juist, ik
heb dat inderdaad bepleit. Toen
bleek echter dat ze daarmee de heer
Glastra van Loon hebben bedoeld.
Niet dat hij dat in de Eerste Kamer
heeft gemeld – integendeel, hij heeft
hier juist gezegd dat hij geen
alternatief heeft bepleit – maar
kennelijk houdt hij op de KRO-radio
gans andere betogen dan hier een
paar uur later. Hoe het ook gaat in de
publiciteit doet er allemaal niet zo
veel toe. We kunnen concluderen dat
de heer Glastra van Loon en ik
globaal dezelfde grondhouding
hebben inzake dit thema. Wij
twijfelen er beiden aan dat die
drugsoorlog u¨berhaupt wel te
winnen is. Hij meldt daar zelfs
volkomen terecht bij dat het leidt tot
zelfondermijning van justitie.
Bij zijn verhaal in de Eerste Kamer
wil ik een paar kanttekeningen
maken. Hij heeft gezegd dat we niet
moeten kiezen voor een frontale
aanval op beleidsmakers. Ik vroeg
mij af of hij daarmee mijn verhaal
bedoelde, maar beleidsmakers
maken niet het beleid, dat doet de
politiek. Wij zijn toch wetgever? Als
de politieke meerderheid zegt dat
drugs gelegaliseerd moet worden,
hebben de beleidsmakers, de
notaschrijvers, dat maar uit te
voeren. Ik vond het heel merkwaar-
dig dat we geen frontale aanval op
beleidsmakers mogen uitvoeren. Als
er allerlei fabels en mythen over dit
onderwerp systematisch worden
verspreid, dan is het toch ter wille
van de waarheid noodzakelijk om die
frontaal te bestrijden?
Verder heeft de heer Glastra van
Loon, en eigenlijk ook de minister,
gewezen op de internationale
reacties in met name Frankrijk en de
Verenigde Staten. Aan de andere
kant moet je er ook niet te negatief
over zijn. Zelf wees hij er al op dat
men vanuit Frankrijk komt kijken hoe
het hier gaat met de softdrugs, en
dat de communistische partij aldaar
hier acties voert. Je kunt in Liverpool
en in Zwitserland zien dat Nederland
niet zo erg vooroploopt inzake dit
thema, en dat wij ons best moeten
doen om de Zwitsers en de Engelsen
nog een beetje bij te benen.
De heer Glastra van Loon sprak
van een zachte overredingskracht op
langere termijn. Ik denk dat het daar
wel op uit zal draaien, maar in dat
internationale debat moet Nederland
wel een duidelijke uitgangspositie
hebben. Je bereikt natuurlijk pas wat
als je zelf een goed verhaal hebt.
Mijn verhaal over hoe het moet, is
geen strategieverhaal, maar meer
een oproep om te bekijken wat het
verstandigste beleid is, en hoe we
dat verder implementeren, is vers
twee. Daar ging mijn verhaal ook
niet over.
Over de reactie van de minister op
mijn verhaal over drugs ben ik toch
wel erg teleurgesteld. In vlot tempo
werden allerlei sterk defensieve
zinnen, die allemaal klopten maar
waarschijnlijk door ambtenaren zijn
geschreven, voorgelezen. Ik moet
zeggen, woorden van verantwoorde
gedurfdheid, veel creativiteit,
maximale denkkracht, heb ik in de
antwoorden tot nu toe niet kunnen
vinden. Natuurlijk zeg ik niet dat de
minister van Justitie dit beleid alleen
moet maken, maar zij heeft natuurlijk
wel een heel belangrijke verantwoor-
delijkheid, die zij uiteraard draagt
samen met Buitenlandse Zaken,
Binnenlandse Zaken en Volksgezond-
heid. Dat is allemaal waar, maar zij
heeft zelf ook een verantwoordelijk-
heid.
De minister zei over het verhaal
van de werkgroep-Dufour dat zij het
concept heeft gekregen, maar dat zij
het voorbarig vindt om daar nu op te
reageren. Ik heb de heer Dufour
gebeld en ik heb gemeld dat hij in
allerlei media en gremia discussie
heeft gevoerd over zijn rapport en
dat hij nog nergens een serieus
tegenargument heeft gekregen.
Nergens is het verhaal onderuit
gehaald. Het definitieve rapport zal
niet veel worden gewijzigd, aldus de
heer Dufour. Ik vind het dan ook
jammer dat de minister vandaag
geen bijdrage wil leveren aan de
inhoudelijke discussie. Het is
natuurlijk heel gemakkelijk om te
zeggen dat er vraagtekens kunnen
worden gezet bij de cijfers. Dat kan
altijd, maar het gaat om globale
cijfers. In het rapport wordt
bijvoorbeeld gesteld – ik heb de
minister gevraagd of zij het daarmee
eens is – dat 50% van de cel-
capaciteit aan drugs is gerelateerd.
50% van de mensen die in de cellen
zitten, hebben dus met drugs te
maken. En minstens de helft van de
politie- en justitiecapaciteit wordt
vermorst aan het najagen van een
hersenschim, namelijk de oorlog
tegen drugs. Dat zijn feitelijke
vragen, die de minister nu kan
beantwoorden.
Ik heb ook gevraagd welke
aandacht dit rapport verder gaat
krijgen. Is de minister bereid om in
het kader van haar Drugsnota, die
kennelijk voor het zomerreces zal
verschijnen, met deze mensen
serieus te overleggen en hun
rapport, in een gesloten of openbare
discussiebijeenkomst, fundamenteel
te bespreken? Ik heb de minister
uitgedaagd om wat bezwaren tegen
het rapport te noemen. Ik heb die
eigenlijk niet gehoord, behalve dan
wat open deuren, zoals de reacties
van de internationale gemeenschap
en de cijfers, die voor discussie
vatbaar zouden zijn. Echt fundamen-
tele bezwaren heb ik echter niet
gehoord. Dat verheugt mij natuurlijk,
want ik neem aan dat het verhaal nu
blijft staan en zijn invloed zal
hebben.
Inzake de softdrugs heb ik
gevraagd of de minister wilde
reageren op de enorme hypocrisie
van allerlei lieden die met een
sigaret in de ene hand en een glas
wijn in de andere hand, tegen de
legalisering van softdrugs zijn. Is de
minister het met mij eens dat dat
een enorme vorm van hypocrisie is,
gezien de schadelijke gezondheids-
effecten van cannabisprodukten
enerzijds en tabak en alcohol
anderzijds? Er is op dit moment een
bond van cannabisdetaillisten, de
bonafide wereld in de softdrugs. Is
de minister bereid, met hen overleg
te voeren over met name die eis van
30 gram? Misschien dat de minister
in tweede termijn nog wat creativiteit
en verantwoorde gedurfdheid zal
tonen.
Kennelijk ben ik wat te vroeg met
mijn opmerkingen over de rechts-
hulp, want het onderzoek is nog niet
afgerond. Eind januari zal een
rapport verschijnen. De staatssecre-
taris heeft gezegd dat zij dat dan zal
beoordelen. Ik ga ervan uit, gezien
het feit dat wij een gezamenlijk
uitgangspunt hebben, namelijk dat
het onaanvaardbaar is dat er mensen
uit de boot vallen, dat zij bereid zal
zijn concrete maatregelen te treffen.
Over de bevoorschotting van de
advocatenbureaus het volgende. Ik
moet eerlijk zeggen dat mijn brief en
het dossier dateren van september
1994. De staatssecretaris zegt dat de
situatie thans aanvaardbaar is. Dat
zou kunnen. Er is sprake van een
inhaalslag, waarbij allerlei bureaus
individueel worden geholpen. Ik ga
er maar van uit, dat inderdaad aan
die laatste inhaalslag krachtig wordt
gewerkt en dat niet allerlei kleine
advocatenbureaus op de fles hoeven
te gaan.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="14-503">

 
<spreker pagina="14-503" anker="13" partij="D66" naam="Glastra van Loon">

Mijnheer de voorzitter! Ik heb in
eerste termijn gezegd dat, hoe
gaarne wij ook met deze bewinds-
vrouwen van gedachten wisselen, wij
dat vermoedelijk in zeer beperkte
mate zouden doen. Dit is gebaseerd
op het feit dat hun begin nog maar
kort geleden ligt, maar ook en vooral
omdat dat begin ons voldoende
vertrouwen geeft om het vervolg af
te wachten. De beantwoording op de
kwesties die ik aan de orde heb
gesteld, heeft die verwachting
allerminst beschaamd. Ik heb de
indruk dat wat betreft de verhouding
tussen moraal en recht en tussen
normen en waarden en recht, de
minister en mijn fractie langs
dezelfde lijn denken en dat wij ons
wat meer ontspannen kunnen
opstellen dan in het verleden wel
eens het geval is geweest.
Ik heb er behoefte aan om het
volgende te zeggen tegen de heer
Fleers. Wij zijn het niet oneens, zo
heeft ook hij geconstateerd. Maar als
ik hem zo over de kwestie hoor
spreken, krijg ik de indruk dat hij
voor het CDA niet een monopolie,
maar toch een heel bijzondere
aanspraak op het aan de orde
gesteld hebben van deze problema-
tiek, claimt. Ik meen dat hij de zaak
daar geen goed mee doet. Het is
duidelijk dat iedereen tegen het
kwade en voor het goede is. Op dat
punt verschilt in deze ruimte
niemand van mening. Het wordt
echter het bagatelliseren van het
probleem wanneer wij deze kwestie
van de verhouding tussen normen
en waarden en recht bezien in het
kader van wat iedereen vindt of
behoort te vinden. Het is een
bagatellisering van de problematiek,
omdat de maatschappelijke oorzaken
van deze problematiek hier zelfs niet
bij hun staartje aan de orde worden
gesteld. Zolang wij niet daarover
praten en niet over concrete zaken,
zoals de heer Pitstra eerder al zei, is
het een beetje praten voor de vaak.
Dit moest mij even van het hart.
Ik ben verheugd dat de minister
overleg voert met andere nationale
overheden en degenen die in andere
landen, zoals Frankrijk, Belgie¨,
Duitsland en Luxemburg, belast zijn
met de uitvoering van het drugs-
beleid, zoals in het Hazeldonk-
overleg. Maar hoe nuttig dat ook kan
zijn voor de uitleg van ons beleid,
voor het afstemmen van het beleid
van de een op dat van de ander en
dergelijke, ik denk niet dat de kans
groot is dat langs die weg er een
echt fundamentele verandering zal
optreden, ook internationaal, in de
bestrijding van drugshandel en
drugsgebruik. Ik wil uitdrukkelijk
herhalen dat mijn vrees dat met die
oorlog tegen drugs niet alleen maar
geld verspild wordt, maar maat-
schappelijk grote schade wordt
aangericht en ook schade wordt
aangericht aan de uitvoering van wat
justitieel moet gebeuren, de laatste
jaren niet is gedaald, maar aanzien-
lijk gestegen. Ik hoop dan ook dat
mijn suggestie om ook langs andere
wegen dan overleg op nationaal
niveau te proberen iets te bereiken,
namelijk door de mensen die op
stedelijk niveau met die zaken te
maken hebben, wat meer met elkaar
in contact te brengen, niet voor
dovemansoren is gezegd. Het is niet
mijn hoop dat dat opeens grote
veranderingen teweeg zal brengen,
maar ik meen wel dat dat meer kans
heeft dan – ik herhaal nu die ene
term om ook de heer Pitstra van
repliek te kunnen dienen – de
frontale aanval.
Voorzitter! Tot de heer Pitstra zou
ik via u willen zeggen dat ik meen
dat hij gelijk heeft, maar nu moet hij
het ook nog krijgen. Hij gaat aan dat
laatste probleem gewoonweg voorbij
en daarmee gaat hij ook voorbij aan
de dingen die ik erover zeg. 

</spreker>
<spreker pagina="14-504" anker="14" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">
 Mijn
stelling is dat er eerst brede politieke
overeenstemming moet zijn over
legalisering van drugsgebruik. Pas
als wij het daarover eens zijn, wordt
het zinnig om te bezien hoe een en
ander internationaal moet worden
uitgevoerd. Ik weet helemaal niet of
deze regering op dit standpunt staat.
Dat vraag ik mij af. In deze fase lijkt
het mij belangrijk om eerst over dit
vraagstuk te discussie¨ren. 

</spreker>
<spreker pagina="14-504" anker="15" partij="D66" naam="Glastra van Loon">
 U
heeft een fundamenteel andere
opvatting over de manier waarop je
maatschappelijk iets kunt bereiken
dan ik. U wilt dat er eerst overeen-
stemming is en dan pas wilt u
stappen nemen. Ik denk echter dat
de overeenstemming al doende
komt. Mijn ervaring leert mij dat dit
laatste in de praktijk beter werkt. In
ieder geval zal het internationaal zo
moeten. In Nederland is er al in zo’n
hoge mate overeenstemming over
deze problematiek, dat wij daar nu
niet allereerst onze energie in
hoeven te steken. U presenteert de
zaak alsof een en ander pas sinds het
verschijnen van het rapport-Dufour
aan de orde is. Nu wil ik mijzelf niet
op de borst slaan, maar u was nog
geen lid van deze Kamer toen ik dit
onderwerp al aan de orde heb
gesteld. Er is echter een frappant
verschil tussen toen en nu. Toen ik
het onderwerp de eerste keer naar
voren bracht, vielen er stiltes of
maakte men afkeurende opmerkin-
gen. Tot mijn grote verrassing heb ik
deze keer uit zeer verschillende
hoeken te horen gekregen dat men
het volstrekt met mij eens was. Dat
betekent niet dat ik gelijk heb, maar
wel dat er een verandering in het
maatschappelijk denken over deze
problematiek plaatsvindt en dat wij
moeten voorkomen dat die dynamiek
verloren gaat.
Graag maak ik gebruik van de
gelegenheid om mevrouw Mastik te
steunen in haar appel aan de
staatssecretaris om uit te zien naar
meer middelen voor jeugdzorg en
inrichtingsplaatsen. Toen ik
staatssecretaris van Justitie was – en
dat is toch al een hele tijd geleden –
werd ik al opgebeld door kinderrech-
ters met noodkreten over het gebrek
aan inrichtingsruimte. In al die jaren
is dit een even groot probleem
gebleven. Deze staatssecretaris valt
niets te verwijten. Het is echter
belangrijk om het oog op de
toekomst te houden. Ik wil de
staatssecretaris daarom graag
steunen bij iedere stap en poging die
zij doet om hiervoor meer middelen
te krijgen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="14-504">

 
<spreker pagina="14-504" anker="16" partij="SGP" naam="Holdijk">
 Voorzitter! Ik
dank de minister voor haar reactie
op mijn inbreng in eerste termijn. Op
menig punt heeft zij mijn fractie
gerustgesteld. Dat klinkt misschien
wat merkwaardig, aangezien er op
justitiegebied tal van ontwikkelingen
zijn die ons grote zorgen blijven
baren. Die geruststelling mag dus
niet uitgelegd worden alsof ik denk
dat het allemaal wel los zal lopen. Ik
moet ook constateren dat de minister
op vrijwel alle door mij in eerste
instantie aangeroerde punten is
ingegaan. Heel kort zal ik enkele
punten nog nalopen.
In de eerste plaats noem ik de
veiligheid bij het openbaar ministe-
rie, zowel wat het personeel als wat
het materieel betreft. Ik heb
begrepen dat er op dit punt
maatregelen genomen worden. Dat
lijkt mij een noodzakelijke stap die
kan leiden tot een reductie van het
aantal onaangenaamheden dat zich
in het recente verleden heeft
voorgedaan.
Een ander punt is de kwestie van
het verschoningsrecht voor
journalisten. Ik begrijp heel goed dat
de minister daar wat gereserveerd
op ingaat, te meer daar het een
initiatiefontwerp van de Tweede
Kamer betreft. Het verheugt mij te
kunnen vaststellen dat dit ontwerp,
mocht het de parlementaire
behandeling overleven, niet aan haar
aandacht zal ontsnappen.
Dan kom ik bij de alternatieve
geschillenoplossing. Ik blijf daar wat
sceptisch over. Ik begreep van de
minister dat er voorstellen zullen
worden gedaan in overleg met onder
andere de advocatuur. Ik ben
sceptisch omdat ik met de heer
Talsma moet constateren dat
initiatieven tot vereenvoudiging van
bijvoorbeeld de kantongerechts-
procedure maar zeer matig aan
blijken te slaan. Dat is de ene kant
van de zaak. Aan de andere kant kijk
ik naar het palet van alternatieve
geschillenbehandeling die ons land
al kent, inclusief het arbitrage-
instituut dat ik in eerste instantie
noemde. Misschien loop ik wat te
hard van stapel, maar ik blijf
aankijken tegen de vraag hoe men in
de behoefte aan mensen, arbiters wil
voorzien. Een mogelijkheid is het
privatiseren van een gedeelte van de
rechterlijke macht. Dat schijnt in de
Verenigde Staten met oud-rechters te
gebeuren.
Vervolgens kom ik bij de aspecten
van de bijzondere financie¨le
onderzoeken. Ik begrijp dat de
voorziening in de behoefte aan
expertise gegarandeerd is, al vindt er
nog overleg plaats met onder andere
de belastingdienst. Ik ga ervan uit
dat wij niet geconfronteerd zullen
worden met onverwachte tekorten
op dat punt.
Het laatste punt dat ik in eerste
instantie aan de orde heb gesteld,
betreft de aftrekposten bij crimineel
verkregen inkomsten. Het antwoord
van de minister is mij niet geheel
duidelijk. Ik begreep dat het aan de
ene kant geen probleem meer is,
omdat die aftrek passe zou zijn. Aan
de andere kant heb ik begrepen dat
er zo nodig met de staatssecretaris
van Financie¨n overleg zal plaatsvin-
den over eventuele nieuwe wetge-
ving. Ik kan het een niet met het
ander rijmen. Zou de minister dat
willen verduidelijken?
Dan is er nog een punt dat ik in
eerste instantie niet aan de orde heb
gesteld, namelijk de kwestie van de
drugsproblematiek. Met name de
heren Pitstra en Glastra van Loon
hebben dit punt naar voren gebracht.
Ik noem deze heren in een adem,
omdat geconstateerd kan worden dat
zij dit punt samen naar voren hebben
gebracht. 

</spreker>
<spreker pagina="14-504" anker="17" partij="D66" naam="Glastra van Loon">
 U
denkt toch niet dat het een samen-
zwering was? 

</spreker>
<spreker pagina="14-504" anker="18" partij="SGP" naam="Holdijk">
 Dat heb ik
zelfs niet gedacht. Het was een
feitelijke constatering, meer niet. Ik
heb in tweede termijn vast kunnen
stellen dat beide medeleden
verschillen in optiek en ook wat hun
geduld betreft als het gaat om de
vraag welke kant het precies uit
moet.



</spreker>
<spreker pagina="14-504" anker="19" partij="SGP" naam="Holdijk">
 In elk geval
bepleiten beiden een ander beleid
zonder een concreet alternatief voor
te leggen. Dat laatste geldt dan
vooral voor de heer Glastra van
Loon. De een heeft wat meer oog
voor de wetten en de praktische
bezwaren dan de ander, maar beiden
plaatsen hun pleidooi tegen de
achtergrond van de maatschappelijke
overlast en de enorme belasting van
politie, justitie en gevangeniswezen.
Enerzijds is er sprake van gebrek aan
beoogde effectiviteit op dit punt en
anderzijds van juist niet bedoelde
effecten. De heer Glastra van Loon
heeft expliciet op dit punt de relatie
tussen recht en moraal ter sprake
gebracht, terwijl de heer Pitstra van
conservatief ideologische weerstan-
den tegen legalisering sprak.
Hierop wil ik als volgt reageren.
Mijn fractie heeft op morele gronden
vanuit een bijbels mensbeeld
bezwaren tegen drugsgebruik. Dit
heeft de minister van Justitie
aangeduid als het volksgezondheids-
belang. Het moge echter duidelijk zijn, wat ons daarbij drijft: de zorg
voor het welzijn van de naaste, en
dus niet alleen de maatschappelijke
schade. 

</spreker>
<spreker pagina="14-505" anker="20" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">
 Het
gaat nu eerst over de softdrugs. Dat
is het makkelijkst. Heeft de heer
Holdijk echter dezelfde morele
bezwaren tegen alcohol en tabak? En
vindt hij dat het gebruik daarvan ook
moet worden verboden? De effecten
van het verbod op alcohol in de
Verenigde Staten zijn bekend. 

</spreker>
<spreker pagina="14-505" anker="21" partij="SGP" naam="Holdijk">
 Ik was nog
niet uitgesproken. Ik had mijn
bijzondere reden om dit punt,
hoewel het niet in eerste instantie is
besproken, toch in tweede instantie
te noemen. Ik meen dat de heer
Pitstra het antwoord op zijn vragen
ook in de enkele zinnen die ik nog
hoop uit te spreken, zal aantreffen. Ik
heb duidelijk willen maken, welk
motief mijn fractie had om in elk
geval het gebruik van drugs niet
positief tegemoet te treden. Ik doelde
daarbij onder andere op de
verslavende effecten ervan. De heer
Pitstra bleek daarvan ook een van de
tegenstanders te zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="14-505" anker="22" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">
 Van
alle verslaving. 

</spreker>
<spreker pagina="14-505" anker="23" partij="SGP" naam="Holdijk">
 Inderdaad.
De zorg voor de naaste lijkt mij op
z’n minst ook als een humanitair
motief te kwalificeren. Hoever de
overheid moet en kan gaan in het
stellen van verboden op het gebruik
en in het handhaven van die
verboden, is een andere kwestie. Ligt
daarbij een parallel met alcohol niet
voor de hand?
Ik ben het eens met de heer
Pitstra, dat de overheid sinds de
wijziging van de Opiumwet, naar ik
meen in 1974, een halfslachtig beleid
voert. Wellicht vul ik dat woord
’’halfslachtig’’ iets anders in dan hij.
Het beleid is halfslachtig omdat de
overheid het gebruik van softdrugs
niet strafbaar stelt, maar de handel
erin wel. Dat is voor mij nooit echt te
rijmen geweest. Zowel tegen die
achtergrond als tegen de achter-
grond van de kolossale inspanningen
van het politie¨le en justitie¨le
apparaat en het matig succes
daarvan, ben ik geneigd te zeggen
dat een onderzoek naar de pro’s en
contra’s van een andere aanpak in
internationaal verband overweging
verdient. Ik zie dan ook met
belangstelling uit naar de voor het
zomerreces te verschijnen beleids-
notitie van de minister.
Voorzitter! Zo ziet u maar, hoe een
onderlinge gedachtenwisseling in dit
huis toch tot nadenken kan stem-
men. Dat mag niet schokkend
klinken, maar ik had er wel behoefte
aan, daar melding van te maken.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="14-505">

 
<spreker pagina="14-505" anker="24" partij="VVD" naam="Talsma">
 Voorzitter! Ik
dank beide bewindspersonen voor
de door hen gegeven antwoorden. Ik
heb met genoegen kunnen constate-
ren, dat veel van de door mij
aangevoerde punten zijn behandeld.
Aan het slot van mijn betoog kom ik
nog terug op een paar punten
waarover ik minder tevreden ben.
Ik ga eerst in op het antwoord van
de staatssecretaris over de relatie
tussen strafvonnis en eventuele
uitzetting van vreemdelingen. Ik
begrijp de algemene uiteenzetting
die zij gaf, maar ik zou graag
preciezer willen weten hoe zich deze
relatie heeft ontwikkeld. Die
ontwikkeling zal wel op de laatste
twintig jaar betrekking hebben. Ik
herinner mij, dat men vroeger werd
uitgezet na een gevangenisstraf van
zes maanden of meer. Ik heb
begrepen dat die periode nu veel
langer is. Hoewel de informatie al
een week geleden is gevraagd, kan
zij nu waarschijnlijk niet meer een
twee drie worden versterkt. Ik vraag
de staatssecretaris mij deze
schriftelijk te doen toekomen en
daarin de data te vermelden. Een en
ander is vermeld in de
vreemdelingencirculaires, maar die
vullen volgens mij zes onoverzien-
bare en onwerkbare ordners. Haar
departement kan deze informatie
snel leveren en die zie ik dan ook
graag tegemoet.
Ik kom toe aan de onderwerpen
die zijn besproken met de minister
van Justitie. Op twee daarvan, die
zijn aangevoerd door leden van de
Kamer, ga ik kort in. Het drugsbeleid
is al vaker in discussie geweest. Mijn
fractie kan zich in grote lijnen vinden
in de bedoelingen van de heer
Glastra van Loon, die hij al vaker
heeft uiteengezet. Hij heeft er
natuurlijk volstrekt gelijk in dat de
zeer zware criminaliteit een gevolg is
van het feit dat drugs niet gemakke-
lijk te verkrijgen zijn. Daardoor zijn zij
zeer kostbaar en worden grote
winsten behaald. Wij zijn het erover
eens dat dit effect zou vervallen als
drugs vrij te verkrijgen zouden zijn.
De stap die de heer Glastra van Loon
vervolgens zet, gaat mijn fractie
voorshands iets te ver. Maar mijn
fractie zal elke poging om met
proeven te werken van harte
ondersteunen, ook al omdat er op dit
terrein eindelijk eens iets moet
gebeuren. Speciaal tegen de heer
Glastra van Loon zeg ik nog even dat
wij daarbij de internationale aspecten
niet moeten verwaarlozen. Ik vrees
dat ons landje alleen niet heel veel
kan bereiken. De minister van
Justitie zal samen met haar collega
van Volksgezondheid op korte
termijn voorstellen in deze richting
doen. Mijn fractie wacht die
voorstellen met grote belangstelling
af.
Met heel veel instemming heb ik
gehoord wat met name de heer
Fleers in de tweede termijn heeft
gezegd over het vraagstuk van de
celcapaciteit. Ik onderschrijf elk
woord dat hij heeft gezegd over de
consequenties van rechterlijke
vonnissen en de geloofwaardigheid
daarvan. Natuurlijk moet de
genoemde commissie onderzoeken
of er niet nog meer andere straffen
mogelijk zijn. Ik vind dat een zeer
goed streven. Maar daaruit zal toch
resulteren dat er een bepaalde
hoeveelheid gevangenisstraffen
overblijft. Dat heeft de geschiedenis
van vele eeuwen wel aangetoond.
Voor dat overblijvende gedeelte van
voorlopige hechtenissen en
veroordelingen dient de celcapaciteit
een gevolg van de vonnissen te zijn.
Het mag niet zo zijn dat vonnissen
niet in hun volle omvang ten uitvoer
kunnen worden gelegd en dat allerlei
andere instanties dat maar gaan
verdelen. De heer B.J. Asscher heeft
hierover onlangs voorstellen gedaan.
Dit verdelen is goed als noodmaatre-
gel maar niet als systeem. Ik heb
begrepen dat de minister het
daarmee in principe eens is.
Ik kom toe aan de terbeschikking-
stelling en de inwerkingtreding
daarvan nadat een derde van de straf
is ondergaan. Ik begrijp dat nadere
voorstellen daarover dezer dagen
naar de Tweede Kamer gaan en
daarom wil ik er niet te diep op
ingaan. In de door mij genoemde
radio-uitzending heb ik mij echter
een tegenstander van de grote lijn
daarvan betoond. Daarom wil ik er
nu wel iets over zeggen. De vorige
week heb ik gesproken over het
ernstige geval van de ontvoerder van
een belangrijke persoon. Die
ontvoerder is tot twintig jaar
gevangenisstraf veroordeeld.
Volgens de minister moeten wij
hierbij de bedoeling van de rechter
nagaan. De rechter heeft daaraan
inderdaad een terbeschikkingstelling
verbonden. Ik zeg met nadruk dat ik
over dit geval helemaal niets meer
weet dan wat ik uit de pers, dus uit
vrije nieuwsgaring heb vernomen.
Anders zou ik ook niet over een
concrete zaak willen spreken. Ik heb
gelezen wat het gerechtshof over dat geval heeft gezegd: Er is hier sprake
van een ontvoering en een na twaalf
uur in koelen bloede gepleegde
moord. Daarna is de familie
afgeperst met verregaande, kennelijk
weldoordachte wreedheid.
De opgelegde straf van twintig
jaar komt gelukkig bijna nooit voor.
Ik vind het niet vanzelfsprekend dat
de rechter in dit geval zou hebben
bedoeld dat al na 6 2/3 jaar de
verpleging zou aanvangen. Ik pleit in
elk geval voor een buitengewoon
grote voorzichtigheid.
Ondanks alle goede bedoelingen
zijn de uitvoerende ambtenaren niet
degenen die deze zaken in volle
omvang kunnen beoordelen. Ten
minste zal in ieder concreet geval het
nadere advies van de rechter die het
vonnis heeft uitgesproken moeten
worden gevraagd, zoals ook bij
gratie gebeurt, of anders zal een
executierechter moeten worden
ingeschakeld.
Het is mij nog niet helemaal
duidelijk hoe het regime wordt bij de
mogelijke plannen van de minister.
Aanvankelijk mocht een gestrafte die
een behandeling in het kader van
een terbeschikkingstelling mocht
ondergaan desalniettemin niet met
weekendverlof. Hij kreeg dus geen
extra vrijheden. Daarmee bleef de
gevangenisstraf in stand. Een van
mijn voorbeelden hoe zoiets verglijdt
en verwordt is, dat dit later, met de
beste bedoelingen, zodanig werd
veranderd dat men vaststelde dat
allerlei anderen die dezelfde
behandeling ondergingen wel naar
huis mochten. Men vond het
storend, onrechtvaardig en onjuist
om dat aan de betrokkene dan niet
toe te staan. Op zichzelf is dat
misschien wel waar, maar is dat dan
hier ook de bedoeling?
Ook allerlei vonnissen waarbij
geen terbeschikkingstelling is
uitgesproken kunnen, zo staat in de
gevangenismaatregel, in bijzondere
gevallen alsnog in een dergelijke
inrichting ten uitvoer worden gelegd.
Is het de bedoeling om dat er ook in
te betrekken? Zo ja, dan zou ik zeker
de mening van de rechter daarover
willen horen.
Ik kom tot een paar kleinere
punten, waarvan wij de betrekkelijk-
heid wel een beetje kunnen inzien en
waarover ik ook wel eens wil lachen.
Ik ben echter niet bevredigd door het
antwoord van de minister, waar-
schijnlijk doordat zij nog maar kort in
het vak zit en een en ander zelf niet
voldoende heeft kunnen bekijken. Ik
sloot mij aan bij het welkom aan de
minister en anderen rondom haar in
het kabinet door de heer Glastra van
Loon, vanwege de weldadige
zakelijkheid van hun optreden en het
heldere besef van de beperkingen bij
de uitvoering van de taken. Ik vind
daarvan echter nog niets terug bij de
gevallen die ik noemde.
Ik heb uitvoerig uiteengezet hoe
de praktijk zucht onder de inwerking-
treding van wetten. Als ik de minister
goed heb begrepen, zijn van 34
wetten er 14 per 1 januari in werking
getreden, dus nog niet de helft. Ik
blijf dat jammer vinden. Een tweede
essentieel punt van mijn voorstel is,
dat wetten ten minste drie maanden
van tevoren moeten zijn vastgesteld.
Alle praktijkmensen, boekdrukkers en
supplementenverschaffers hebben ze
dan tijdig ter beschikking en kunnen
ze dan op de datum van inwerking-
treding in hun uitgaven gedrukt
hebben. Dat is niet in het antwoord
van de minister begrepen.
De heer Holdijk sprak al over de
kantongerechtsprocedure. Volgens
het eigen WODC van de minister is
het slechts in 4% van de gevallen
gelukt om een verkorte procedure
voor de rechtzoekende, zonder
rechtshulp, tot stand te brengen. Het
is dus praktisch niet gelukt. Ik hoor
dan dat er in de tweede fase van de
herziening van de rechterlijke
organisatie wel voorstellen komen,
om het verloop in het algemeen
vlotter te laten zijn. Voorshands, zo
zegt de minister, is het niet de
bedoeling om terug te grijpen naar
de oude procedure.
Voorzitter! Ik zou wel eens willen
weten waarom niet. Het hoort toch
juist bij een weldadige zakelijkheid
en een frisse aanpak dat je kleine
fouten herstelt? Het liegt er
waarachtig niet om dat een paar zeer
achtbare kantonrechters in het
Juristenblad schrijven over de
verschrikkelijk onpraktische
wetswijzigingen die op hun terrein
vanuit het departement op hen
neerdalen. Nu signaleer ik dat een
bepaalde procedure drie jaar na
invoering totaal niet werkt. Ik
verwacht van de minister alsnog, dat
een initiatief wordt genomen om dit
op korte termijn te herstellen. Er is
een doodsimpel wetswijzigingetje
voor nodig. Laat voor mijn part de
hele nieuwe procedure voor die 4%
voortbestaan, maar voer opnieuw de
oude dagvaardingsprocedure, met de
daarbij behorende korte termijn, in.
Ik heb lang gesproken over de
Hoge Raad, in een kader waarop ik
later misschien nog wel eens wat
breder terugkom. Het werk in de
rechtspraktijk wordt veel te weten-
schappelijk benaderd. Het ging niet
om de Hoge Raad, maar wel om het
parket van de procureur-generaal. Ik
blijf dat belangrijk vinden. Vroeger
gaf de procureur-generaal in twee
weken zijn conclusie en nu duurt het
zeven tot negen maanden. Na de
vorige week zagen wij dit weekend
weer zo’n arrest, kolommen lang en
voetnoten lang. Ik meen dat er zo
tegen de twintig waren. In die
voetnoten staat alles wat over het
betrokken gebied is geschreven,
beslist, besloten en gepreadviseerd,
net alsof de leden van de Hoge Raad
dat allemaal gaan nalezen. Dat ma`g
van mij wel. Die noten zijn prachtig,
maar de rechtspleging wordt er
zeven tot negen maanden mee
vertraagd. De minister hoeft geen
oordeel uit te spreken over de lengte,
maar ik vind dat het zeker op haar
weg ligt om de procureur-generaal,
die zij toch wel eens vaker zal
spreken, informeel eens te zeggen
dat zij ermee werd geconfronteerd.
Zij kan hem vragen of niet wat meer
aan rechtspleging kan worden
gedaan en minder aan rechtsgeleerd-
heid.
Over de nummering van het BW
kan ik eigenlijk niet anders dan
lachen. Het is natuurlijk een
onbenullig gevalletje. Sommigen zeggen tegen mij: waar ben je toch
mee bezig? Hoor ik echter het
antwoord, dan rijzen mij de haren,
voor zover nog aanwezig, ten berge.
In vele wetten moet dan wijziging
worden gebracht, zo zegt de
minister, maar ik zou niet weten
waarom. Bij het nieuwe BW heeft de
minister van Justitie een machtiging
om de wijze van plaatsing, de
volgorde en de nummering te
regelen. Dat is op een hoogst
ongelukkige wijze gebeurd. De
voorganger van de minister heeft
erkend, dat van kantonrechter tot
Hoge Raad niemand de systemen
volgt. De minister kan voor mijn part
de nu geldende wijze handhaven,
maar met toevoeging van de nieuwe
formulering. Zij kan dan stellen, dat
artikel 123 van boek 7 ook mag worden aangegeven als: ’’art. 7:123
BW’’. Alle uitgevers zijn blij dat zij de
nummering dan aldus kunnen
verwerken. Er hoeft geen enkele wet
voor te worden gewijzigd. Er is
slechts een pennestreek van de
minister voor nodig.
Waarom zijn deze kwesties voor
mij toch wel belangrijk? Ik heb het
gevoel dat hier hardnekkige
problemen aan de orde zijn. Er is een
commissie-Deetman geweest, die
heeft gezegd dat veel in het
openbaar bestuur slecht functioneert.
Er moest heel veel veranderen. De
commissie kwam met soms zeer
vergaande voorstellen. De commissie
is buitengewoon kritisch over wat
heet ’’stroperigheid’’ en ’’verkoke-
ring’’, vooral in het ambtelijk
apparaat. Dat zijn dus geen woorden
van mij, maar van de commissie. De
Tweede Kamer heeft ze kamerbreed
onderstreept. De commissie-
Deetman kwam met vele voorstellen, waarvan ik altijd zeg: verbeter de
wereld, maar begin bij jezelf. Begin
met de kleine dingen die vandaag de
dag voor de hand liggen. Dat mis ik
in de beantwoording van mijn laatste
vier vragen door de minister. Zoals
de minister zei, heb ik die vragen al
vaker gesteld. De toon en de inhoud van de antwoorden is: ’’wij doen het
goed en in elk geval wordt er niets
veranderd’’. Ik vind dat buitenge-
woon jammer. Ik heb het gevoel dat
de minister zich hier meer aan zal
moeten ontworstelen.
Terwijl ik luisterde moest ik
denken aan de actuele strip van Tom
Poes in NRC Handelsblad, die de
minister misschien ook volgt. Dezer
dagen is daar veel belangrijks aan de
orde. Een groep kleine mannetjes is
bezig met een zogenaamde
kwintenstraler, die een kleverige
substantie uitstort over allerlei
personen, om tijdens hun daardoor
veroorzaakte tijdelijke onbewegelijk-
heid hun kukel te kunnen meten. Dat
laatste is de geestigheid van de
serie, maar in mijn voorbeeld verder
niet aan de orde. Ik heb begrepen
dat Tom Poes voor de kleverigheid
een oplossing in petto heeft. Ik hoop
dat de minister zich daaraan de
komende dagen zal willen spiegelen
en de kwintenstralers op haar
departement zal uitschakelen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="14-507">

 
<spreker pagina="14-507" anker="25" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 Voorzitter! Ik
probeer de door de verschillende
woordvoerders gestelde overeen-
komstige vragen in een keer te
behandelen. Dit heeft het risico dat
niet iedereen aan zijn trekken komt,
maar dat hoor ik dan wel.
De meeste woordvoerders zijn al
dan niet kort ingegaan op de vraag
in hoeverre normen en waarden in
deze samenleving besproken moeten
worden en in hoeverre de overheid,
wellicht in het bijzonder de minister
van Justitie, daarin een rol moet
spelen. In eerste termijn heb ik
daarvan een indicatie gegeven. De
heer Pitstra zegt terecht dat, als je
daar abstract over praat, eigenlijk
alle weldenkende mensen het
ongeveer met elkaar eens zijn. Het
hangt ook een beetje af van de
lading die je het geeft, maar
inhoudelijk komen wij een heel eind
in elkaars richting.
Ik meen ook dat iedereen ervan
overtuigd is dat een maatschappij
alleen als samenleving kan functio-
neren wanneer men daarin met
respect met elkaar omgaat. Dit geldt
ook voor de normen en waarden en
de discussie daarover. Die moeten
wij niet uit de weg gaan. Het gaat
om de vraag of de overheid een
bepaalde moraal aan de samenleving
wil opleggen dan wel dat een
patroon van normen en waarden uit
de samenleving zelf moet komen en
daarin moet leven. Ik ben dus een
voorstander van het laatste.
Ik ben het eigenlijk ook helemaal
eens met wat de heer Pitstra heeft
gezegd over het leven van normen en waarden in de samenleving: in
feite moet je dat toepassen op
concrete situaties. Bij concrete
wetsvoorstellen of concrete
maatschappelijke problemen moet
het aspect van normen en waarden
betrokken worden. In dat verband
moet daarover van gedachten
gewisseld worden. Vandaar dat ik in
de Tweede Kamer bij de begrotings-
behandeling heel duidelijk heb
gezegd dat ik het buitengewoon
moeilijk vind om algemene normen
en waarden en algemene ijkpunten
aan te geven. Ik wil dat punt liever
betrekken bij de bespreking van
dergelijke kwesties. Daarbij ging het
in het bijzonder om medisch-ethische
kwesties, zoals euthanasie. Daar
moet je dus niet in het algemeen
over van gedachten wisselen, maar
concreet. Dat zal in de toekomst wel
een aantal keren gebeuren, wanneer
dat soort onderwerpen aan de orde
zijn.
Ik kan mij voorstellen dat de heer
Pitstra wat teleurgesteld is over mijn
antwoord inzake de drugs. Misschien
geldt dit ook voor de heer Glastra
van Loon. Ik heb ook een beetje de
neiging moeten weerstaan om er
toch op in te gaan en dat debat hier
te voeren. Ik heb het niet gedaan,
omdat ik het debat wil voeren naar
aanleiding van de notitie die wij nu
opstellen. Daarin proberen wij dit
probleem uit zoveel mogelijk
gezichtshoeken te bekijken.
De heer Pitstra meent dat mijn
antwoord uit een aantal defensieve
zinnen bestaat waarmee goede
ideee¨n worden afgekapt, vooruitge-
schoven of hoe dan ook. Hij ziet dat
toch niet goed. Ik heb alleen enkele
problemen willen noemen van een
discussie over drugsbeleid.
Bovendien moet daarbij een
onderscheid worden gemaakt tussen
softdrugs en harddrugs. Ook dan
moeten een aantal aspecten aan de
orde komen. Om die reden zijn wij
thans op het departement ook bezig
met scenariostudies. Mogelijkheden
die misschien nooit werkelijkheid
worden, worden in elk geval
onderzocht. Daarover kan gediscussi-
eerd worden. Bovendien gaat het om
de beantwoording van de vraag
waarom je iets niet wilt en waarom
je iets wel wilt met het bijbehorende
risico. Vandaar dat ik mij nu wellicht
wat terughoudend opstel. Mijn
uitgangspunt van verantwoorde
gedurfdheid en creatief nadenken
daarover handhaaf ik. Dat blijkt ook
uit de manier waarop wij een en
ander voorbereiden. Dat vindt men
nu eventueel wat mager, maar men
zal toch enkele maanden moeten
wachten. Uiteraard krijgt ook dan de
Eerste Kamer de notitie.
Ik moet de heer Glastra van Loon
gelijk geven, wanneer hij zegt dat
drugshandel in de steden tot
wasdom komt. Natuurlijk kan de
rijksoverheid, zeker op het gebied
van Justitie, een aantal kaders
aangeven en een en ander stimule-
ren, wat vervolgens op stedelijk en
lokaal niveau ingevuld moet worden.
Wij moeten ook niet de pretentie
hebben dat wij het in Den Haag
allemaal even regelen. Het gaat er
dus om dat de gemeenten de
mogelijkheid en de vrijheid krijgen
om dingen naar eigen behoefte in te
vullen.
In dat verband is het internationale
contact tussen steden buitengewoon
belangrijk. Misschien is het wat
opportunistisch, maar internationaal
contact op stedelijk niveau over
experimenten is een andere
benadering en is kennelijk internatio-
naal minder bedreigend dan
wanneer dat op regeringsniveau
gebeurt. Eerlijk gezegd, geef ik de
voorkeur aan contact tussen
stedelijke bestuurders. Op die manier
kan men van elkaars ervaringen
leren. Bovendien kan in het landelijke
kader op stedelijk niveau een beleid
gevoerd worden.
Inderdaad kan er met het
Hazeldonk-overleg niet van interna-
tionaal wezenlijke beı¨nvloeding
sprake zijn in die zin dat wij ons
denkbeeld over het drugsbeleid
kunnen uitdragen. Mij is wel
gebleken dat zeker de bestuurders
die zich hiermee bezig houden, meer
begrip krijgen voor datgene wat wij
op dit punt in Nederland doen. Juist
het betrekken van bestuurders bij dit
overleg is nogal nieuw. Wij
constateren dat men steeds meer
belangstelling krijgt voor de
preventie-activiteiten in Nederland.
Het gaat weliswaar heel langzaam,
maar het is wel de manier om
mensen geleidelijk ervan te
overtuigen dat wat wij hier denken
nog zo gek niet is.
In dit kader kan ik melden dat een
aantal functionarissen uit het
noordwesten van Frankrijk, onder
leiding van de burgemeester van
Lille, ons een bezoek heeft gebracht.
Nadat zij kennis hadden genomen
van een aantal preventieprojecten in
Nederland, zijn zij redelijk enthou-
siast teruggegaan. In Frankrijk ligt
deze kwestie heel gevoelig. Toch
heeft men uitgesproken dat men nog
wel wat kan leren van ontwikkelin-
gen in Nederland. Ik zie dat wel
komen, maar het kan niet van
vandaag op morgen op een andere
manier gerealiseerd worden.
Ik heb ontdekt dat er internationaal
een groot aantal misverstanden leeft
over wat er in dit opzicht in
Nederland gebeurt. Zo hoorde ik
onlangs dat men zelfs in Belgie¨ denkt
dat in Nederland bijna alle heroı¨ne-
verslaafden gratis drugs door de
overheid verstrekt krijgen. Op het
ogenblik is dat echter zeker nog niet
het geval. De mythevorming over
Nederland als drugsparadijs stemt
dus absoluut niet overeen met de
werkelijkheid. Daar moeten wij iets
aan doen. Dat gebeurt ook.
Nogmaals, ik wacht met verdere
uitspraken hierover op het debat ter
zake in de Tweede Kamer.
De heer Fleers heeft gesproken
over de taak van de politie ter zake
van de veiligheidszorg in het
algemeen. Hij heeft dat toegespitst
op het preventiegedeelte van twee
pijlers, enerzijds de georganiseerde
criminaliteit en anderzijds de veel
voorkomende criminaliteit. In de
jaren tachtig hebben wij een enorme
aandacht gezien voor veel voorko-
mende criminaliteit, zoals wij het
maar zullen noemen. Daarbij gaat
het om het rapport Samenleving en
criminaliteit, van de commissie-
Roethof. Daarbij wordt gekeken naar
manieren waarop door samenwer-
king van politie en bestuur iets tot
stand kan worden gebracht dat men
met een afzonderlijk beleid niet tot
stand kan brengen. In mijn optiek is
het niet zo – nu` zeker niet – dat de
gemeentebesturen iets moeten
bijdragen ter ontlasting van politie
en justitie. In mijn optiek is er sprake
van een aanvulling. In die zin kun je
spreken van een integraal
veiligheidsbeleid, waarbij iedere
overheidsinstantie haar eigen
inbreng kan hebben. Op die manier
krijg je door samenwerking een
meerwaarde. Hier komt bij dat de
laatste jaren de aandacht in het
bijzonder is komen te liggen op het
verschijnsel van de georganiseerde
misdaad. Het lijkt alsof de politie zich
met bijna niets anders meer
bezighoudt, althans als men ziet
welke aandacht aan dit verschijnsel
wordt besteed in de media. In eerste
termijn heb ik een indicatie gegeven
van de capaciteit die de politie
besteedt aan de bestrijding van de
grote georganiseerde misdaad, die
wordt bestreken door de kernteams
en, in de naaste toekomst, het
landelijk rechercheteam. Relatief
gezien is dat maar een klein gedeelte
van de capaciteit van de politie. Het
allergrootste deel is gericht op de
lokale criminaliteit, in haar verschil-
lende verschijningsvormen.
Ik begrijp dat de heer Fleers zich
niet zozeer zorgen maakt over het
feit dat er op het preventievlak
andersoortige organisaties bezig zijn
met het houden van toezicht, met
stadswachten, etcetera, als wel over
de onhelderheid die is ontstaan over
verantwoordelijkheden en taken. Ik
kan mij daar wel iets bij voorstellen.
Ik denk dan ook dat het goed dat
juist de integrale veiligheidsplannen
tot uitdrukking brengen wie wat doet
en wie uiteindelijk waarvoor
verantwoordelijk is. Dat gebeurt ook
steeds meer. Het zal ook uiteindelijk
op deze manier moeten gebeuren.
Het is waar dat de bevolking
vraagt om meer zichtbare politie. Ik kan het ook breder zeggen: de
bevolking vraagt om veiligheid. Het
zal de bevolking waarschijnlijk niet
eens zoveel kunnen schelen wie voor
de veiligheid zorgt, als er maar voor
gezorgd wordt. Ik wil niet zeggen dat
wij het dan maar op een of andere
manier moeten doen. Er moet
natuurlijk duidelijk zijn wie wat doet.
Of er een toezichthouder loopt die
een zelfde effect heeft als een full
dressed politieman, zal waarschijnlijk
niet erg veel uitmaken in de beleving
van de mensen. Het gaat er meer om
dat men een vergroting van het
veiligheidsgevoel krijgt doordat men
ziet dat er toezicht wordt uitgeoe-
fend, dat er preventie is, maar ook
dat er wordt ingegrepen op de
momenten waarop dat nodig is.
Meer blauw op straat, is er gezegd.
Ik pleit er ook voor dat het blauw dat
er is, wat meer op straat te zien is.
Misschien is dat ook een overwe-
ging. Binnen de politie wordt
daaraan gewerkt, ook in het kader
van de altijd beperkte middelen.
Hoeveel geld je er ook in stopt, de
middelen zullen altijd te beperkt
blijven. Er wordt bekeken hoe je met
die beperkte middelen zo goed
mogelijk kunt omgaan en hoe je
daarmee datgene kunt bereiken wat
je wilt bereiken.
In een aantal bijdragen kwam naar
voren de mogelijkheid van een
gemeente om aan rechtshandhaving
en misschien aan nog meer beleid
op het gebied van leefbaarheid te
doen. Die mogelijkheden zijn beperkt
door het feit dat er kokers en regels
zijn. Men vindt zich dan onvoldoende
vrij om een eigen beleid te voeren
zonder gehinderd te worden door
allerlei regelgeving. Ik ben het daar
geheel mee eens. Mevrouw Mastik wees er heel gericht op. Zij zei: je
moet niet alleen marktgericht werken
aan deregulering, maar je moet dat
ook op een heel ander gebied doen,
namelijk op het gebied van het
binnenlands bestuur. Ik ben dat met
haar eens. Er is een kleine start mee
gemaakt bij experimenteer-
mogelijkheden in de Algemene
bijstandswet. Dat is nog maar een
bescheiden begin. Ik zal met mijn
collega van Binnenlandse Zaken nog
eens verder kijken naar de mogelijk-
heden. Dat is ook heel duidelijk de
wens van de steden. Ik heb toevallig
vanmorgen een overleg met de
driehoek van de gemeente Den Haag
– de burgemeester, de hoofdofficier
en de korpschef – gehad, waarbij
men duidelijk de wil heeft aangege-
ven om een integraal beleid te
voeren. In dat beleid voelt men zich
echter gehinderd door de kokers
waarin verschillende gelden tot de
stad komen en waarin heel duidelijk
en specifiek bepaald is welk geld
voor welk doel gebruikt mag worden.
Dat geeft de steden een keurslijf. Wij
moeten er nog maar eens over
praten of dat wel zo goed is.
In hetzelfde overleg hebben wij
het gehad over de celcapaciteit. De
heer Pitstra, de heer Fleers en
anderen hebben de cellen-
problematiek hier aan de orde
gesteld. Zij constateerden een
spanningsveld – ik voel dat ook heel
duidelijk – tussen enerzijds de
noodzaak van het hebben van
celcapaciteit, dus de noodzaak om
criminelen die voor niks anders in
aanmerking komen dan voor
detentie, daadwerkelijk te kunnen
insluiten, en anderzijds de behoefte
om te zoeken naar mogelijkheden
om ervoor te zorgen dat zo weinig
mogelijk mensen tot die categorie
behoren. Dit spanningsveld is er. Wij
proberen, zoveel mogelijk mensen in
een ander circuit te krijgen dan in de
specifieke detentie. Maar soms heb
je detentie nodig om mensen in een
ander circuit te krijgen. Dat is een
invalshoek die ik met de grote steden
bespreek. Daarbij wordt gedacht aan
mogelijkheden waarbij de gemeen-
ten zelf, samen met justitie, een
beleid kunnen voeren. Je kunt dan
kijken naar een vorm van in eerste
instantie voorlopige hechtenis, met
daarna gedifferentieerde mogelijkhe-
den van een behandelgevangenis,
taakstraffen en alles wat men op dat
gebied kan bedenken. De gedachten
daarover zijn tot nu toe heel positief.
Ik denk dat wij op dit punt tot
bespreking van mogelijkheden
kunnen komen. Als je voor dit soort
mensen celcapaciteit wilt hebben
voor een kort durende detentie, dan
kunnen en moeten aan die mensen
andere eisen gesteld worden dan
aan mensen die na zwaardere
delicten voor langere tijd moeten
worden ingesloten. Dit zijn gedach-
ten die wij aan het ontwikkelen zijn.
Wij hopen dat wij daarbij door
samenwerking goede resultaten
kunnen boeken. 

</spreker>
<spreker pagina="14-509" anker="26" partij="CDA" naam="Fleers">
 De minister
sprak over gemeentelijk beleid dat
zich kan richten op het benutten van
celcapaciteit. Heb ik dat goed
verstaan? 

</spreker>
<spreker pagina="14-509" anker="27" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 Het is
misschien een beetje kort door de
bocht geformuleerd. 

</spreker>
<spreker pagina="14-509" anker="28" partij="CDA" naam="Fleers">
 Kunt u het wat
uitwerken? 

</spreker>
<spreker pagina="14-509" anker="29" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 In eerste
instantie is het zorgen voor detentie,
als reguliere uitkomst van een
strafproces, natuurlijk een taak van
de rijksoverheid. Het kan echter zo
zijn dat gemeenten in het kader van
de bestrijding van overlast etcetera
behoefte hebben aan een eigen
contingent cellen, voor een eigen
beleid dat zij willen voeren op het
gebied van de bestrijding van
overlast. Bij de ’’rijkscellen’’ zitten wij
met een tekort aan plaatsen. 

</spreker>
<spreker pagina="14-509" anker="30" partij="CDA" naam="Fleers">
 Ik snap het al.
Als men over een contingent wil
beschikken, is het de vraag wie de
rekening betaalt. 

</spreker>
<spreker pagina="14-509" anker="31" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 Het zou best
eens kunnen zijn dat wij dat samen
betalen, dus dat het Rijk een deel
van de kosten voor zijn rekening
neemt en dat de gemeenten ook een
deel voor hun rekening nemen. Wij
hebben er nog niet concreet over
gesproken wie wat betaalt. De
bereidheid om erover na te denken,
stemt mij heel positief. Ik begrijp wat
de heer Fleers bedoelt. Hij wil zeggen: het Rijk verzint leuke dingen
en de gemeenten moeten voor de
kosten opdraaien. 

</spreker>
<spreker pagina="14-509" anker="32" partij="CDA" naam="Fleers">
 Het was de
gemeente Den Haag die als eerste in
negatieve zin reageerde op uw
creatieve suggestie. 

</spreker>
<spreker pagina="14-509" anker="33" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 Ja, maar de
gemeente Den Haag is vanmorgen
bij mij op bezoek geweest en zij was
buitengewoon positief over de
suggestie. 

</spreker>
<spreker pagina="14-509" anker="34" partij="CDA" naam="Fleers">
 Ik wens u
geluk. 

</spreker>
<spreker pagina="14-509" anker="35" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 Dank u wel. Ik
hoop overigens niet dat de VNG op
dit punt een bepaalde tegenwerking
gaat organiseren. Dat zou ik
buitengewoon jammer vinden. 

</spreker>
<spreker pagina="14-509" anker="36" partij="CDA" naam="Fleers">
 Het standaard-
antwoord is dat de VNG hier niet
aanwezig is. 

</spreker>
<spreker pagina="14-509" anker="37" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 Ik zeg dit over
het hoofd van de Kamer heen.
Voorzitter! De heer Holdijk toont
zich sceptisch over de ideee¨n over
alternatieve geschillenbeslechting. Er
is behoefte aan mensen, zegt hij.
Waar komen die mensen dan
vandaan, vroeg hij. Het is de vraag
over wat voor manier van geschillen-
beslechting je denkt. Als het een
arbitragevorm is dan heeft men er
een ander soort mensen voor nodig
dan wanneer men een geschillen-
beslechting organiseert op bijvoor-
beeld het gebied van consumenten-
zaken, waarbij je niet uitsluit dat
mensen zich na een dergelijke
procedure nog eens tot een rechter
kunnen wenden. Er is dus een
differentiatiemogelijkheid al naar
gelang het soort van geschillen.
Vandaar dat wij zoeken naar
mogelijkheden en alternatieven, in
eerste instantie samen met de
Vereniging voor rechtspraak en de
advocatuur en in tweede instantie
ook met consumentenorganisaties,
voor de manier waarop dat
georganiseerd kan worden.
Voorlopig willen wij nog geen enkele
mogelijkheid uitsluiten. Wij kijken
bijvoorbeeld naar de Algemene wet
bestuursrecht waar je eerst de
bezwaarschriftenprocedure hebt,
waarvan blijkt dat een groot deel van
de bezwaren wordt weggenomen
doordat men toch een keer een
oordeel heeft gekregen. Dat is dan
niet zozeer een alternatieve
geschillenbeslechting als wel een
stap, een zeef, voordat men naar een
rechter gaat. Een geschillen-
beslechting waarbij je spreekt van
arbitrage is de meest vergaande
vorm.
De heer Holdijk vroeg zich af hoe
het zit met de inzet van de fiscus bij
de BFO’s, de bijzondere financie¨le
onderzoeken. Wij sluiten een nieuw
convenant met het ministerie van
Financie¨n over de te leveren inzet.
Dan staat vast welke capaciteit het
ministerie van Financie¨n daarbij zal
leveren.
Over het probleem met betrekking
tot de criminele winsten kan ik
zeggen dat de kosten om die
criminele winsten te maken bij de
belasting niet meer tot een aftrekpost
kunnen leiden. Ik weet dat dit heel
merkwaardig overkomt, maar men
moet zich aan de andere kant
realiseren dat er wel belasting wordt
geheven over iets dat illegaal
verkregen is. Dat is een spannings-
veld in deze hele situatie. Dit hangt
natuurlijk samen met de Wet tot
verruiming van de toepassing van de
maatregel van ontneming van
wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dat is een hele mond vol, vandaar
dat in de wandeling het woord
plukze zo lekker ligt. In elk geval zijn
in de memorie van toelichting bij dit
wetsvoorstel nogal wat beschouwin-
gen gewijd aan de verhouding
tussen deze strafrechtelijke maatre-
gel en het fiscale recht. Kern van het
betoog was dat de strafrechter bij de
oplegging van de maatregel van
ontneming van wederrechtelijk
verkregen voordeel, fiscale voordelen
voor de veroordeelde kan tegengaan
door het te ontnemen voordeel te
bepalen op een bruto bedrag. Dat wil
zeggen, het bedrag aan voordeel
voor de aftrek van eventueel
daarover verschuldigde of al
betaalde belasting. Ik ben het eens
met de stelling dat degenen die
wederrechtelijk verkregen voordeel
hebben genoten, dit in beginsel via
het strafrecht moet worden
ontnomen en niet met fiscale of
andere middelen. Alleen zie je vaak
in de praktijk dat de fiscus er eerder
bij is dan het strafrecht omdat die
procedure gewoon veel langer duurt.
Dat is ook de reden waarom de
opbrengsten uit deze nieuwe
wettelijke mogelijkheid wat
achterblijven omdat er vaak niets
meer te halen is omdat de fiscus het
een en ander al heeft afgeroomd. Dat
vereist nog wel wat aan overleg en
overeenstemming maar ook vereist
dat ervaring met de procedures op
het strafrechtelijk gebied, want dat is
buitengewoon ingewikkeld. Met
andere woorden, het is nog niet
uitgekristalliseerd en wij zullen er
nog op moeten terugkomen.
Ik ben al even ingegaan op
datgene wat mevrouw Mastik zei
over de deregulering. Zij gaat daarin
verder door te zeggen dat het niet
alleen om de deregulering op zichzelf
gaat maar dat aan het project
marktwerking, deregulering en
wetgevingskwaliteit nu ook is
opgehangen datgene wat vroeger
behoorde tot de taak van de
commissie toetsing wetgevings-
kwaliteit, de CTW. Zij vraagt zich af
of dit op een onafhankelijke en wat
meer algemene manier voldoende
wordt behartigd dan alleen in het
kader van de marktwerking. Ik denk
dat wij daar voldoende waarborgen
voor hebben omdat deze poot van
die MDW-operatie een afzonderlijke
invalshoek heeft, namelijk juist die
van de wetgevingskwaliteit. Ik wil het
graag zo houden omdat dit ons bij
Justitie nogal ter harte gaat. De hele
kwestie van handhaafbaarheid en
uitvoerbaarheid is natuurlijk een
primair belang waar Justitie mee te
maken heeft. Ik denk ook niet dat het
opnemen van een verplichting tot
een handhaafbaarheidstoets en een
verplichte vermelding in de memorie
van toelichting bij een wetsontwerp,
alleen maar een dode letter is. Ik wil
proberen te voorkomen dat het tot
een dode letter wordt door aan die
handhaafbaarheidstoets werkelijk
inhoud te geven. In dat kader zal ik
zeker bevorderen dat de toets die
voor de milieuwetgeving is
ontworpen, wordt overgezet op
andere gebieden van wetgeving. Op
dit moment wordt dat nog onder-
zocht en ik zal het nog eens met
kracht bevorderen. Bij alle wetsont-
werpen wordt ook een door-
berekening gemaakt voor de
eventuele te verwachten lasten voor
de rechterlijke macht. Het is mogelijk
om te verwachten gevolgen aan te
geven en wanneer die inderdaad van
substantie¨le aard zijn, wordt het
meegenomen in de beschouwingen
over een dergelijk wetsontwerp.
De heer Talsma komt terug op een
aantal punten dat hij ook in eerste
instantie heeft genoemd. Het gaat in
de eerste plaats over de TBS.
Wanneer een lange gevangenisstraf
wordt opgelegd in combinatie met
TBS, dan leid ik daaruit af dat het de
bedoeling van de rechter is dat
iemand voor een bepaalde tijd
gedetineerd blijft maar dat hij ook
behandeld wordt. Als je iemand eerst
opsluit en niets met hem doet, terwijl
je in de aanvang zegt dat hij eigenlijk
behandeld moet worden, dan zou het
volgens de commissie-Fokkens
logisch zijn om die volgorde om te
draaien. Dat gaat ons wat ver omdat
je dan de hele gevangenisstraf min
of meer gratuite maakt. Wij hechten
wel aan het eerst ten uitvoer leggen
van de gevangenisstraf maar wij
willen wel officieel de mogelijkheid
invoeren van een eerdere behande-
ling, waarbij natuurlijk het feit dat
iemand gedetineerd is en niet met
proefverlof mag gaan, een uitgangs-
punt is. In feite is dit een formalise-
ring van wat nu op basis van artikel
47 van de gevangenismaatregel
praktijk is geworden. Ik denk dat dit
best goed kan werken maar het moet
inderdaad niet leiden tot het feit dat
iemand die tot twintig jaar is
veroordeeld na een derde van de
werkelijk uit te zitten straf in feite al
in aanmerking komt voor proefverlo-
ven. Dat is niet de bedoeling want
dan zou ook het vonnis van de
rechter niet effectief zijn.
De nieuwe kantongerechts-
procedure is goed doordacht tot
stand gekomen in overleg met de
Nederlandse vereniging voor
rechtspraak. Ik ben het met de heer
Talsma eens dat zij op dit moment in
de praktijk nog niet zo werkt als wij
hadden gedacht. Maar ik vraag mij af
of het nu het moment is om terug te
gaan naar de oude procedure terwijl
er andere vernieuwingen in de maak
zijn in de tweede fase van de
herziening van de rechterlijke
organisatie. Ik wil er in ieder geval
nog even mee wachten om te bezien
of het dan wel werkt. Zo niet, dan
zullen wij inderdaad maatregelen
moeten nemen, want wij moeten niet
iets in stand houden dat niet werkt.
Dat zal ik nooit bepleiten. Maar ik zal
ook niet te vroeg concluderen dat
iets inderdaad niet werkt.
Ik kom nu toe aan de vraag van de
heer Talsma over het parket van de
procureur-generaal. De heer Talsma
denkt dat ik iets kan doen aan de
lengte van de conclusies. Het spijt
mij enorm maar ik vind dat dit niet
op mijn weg ligt. De advocaten-
generaal bij de Hoge Raad hebben
hun eigen professionele verantwoor-
delijkheid en ik wil, als minister, niet
tegen de procureur-generaal bij de
Hoge Raad zeggen dat het korter
moet. Ik denk niet dat de verhoudin-
gen zo geregeld zijn.
Op de stroperigheid en de
verkokering ben ik al enigszins
ingegaan. Het is iets dat de regering
zeer ter harte gaat; het komt nogal
eens aan de orde in de ministerraad.
Met Tom Poes en heer Bommel zou
ik willen zeggen dat wij proberen een
list te verzinnen. Wij hopen in elk
geval daar iets aan te doen. Het is
iets dat irriteert, maar er is ook zo
veel dat geregeld is en dat geadvi-
seerd wordt. Wat dat betreft ben ik
het wel met de heer Talsma eens.
Mevrouw Mastik heeft gesproken
over de interne verzelfstandiging van
het gevangeniswezen. Ik neem aan
dat de geest van haar betoog is dat
het om ontzettend veel geld en om
ontzettend grote belangen gaat,
waaraan zij de vraag koppelt hoe
zicht wordt gehouden op de
beleidsontwikkeling en op de
kwaliteit. Voorts maak ik uit haar
betoog op dat zij wil weten of het feit
dat er een interne verzelfstandiging
plaatsvindt een ontwikkeling is
waarbij verlies van kwaliteit optreedt.
Ik denk dat dat niet het geval is.</spreker>
<spreker pagina="14-511" anker="38" partij="PvdA" naam="Mastik-Sonneveldt">
 Voor alle goede begrip: die
interne verzelfstandiging behoeft
daarbij niet in de weg te staan. Wij
zijn niet tegen die interne verzelfstan-
diging, mits de zaak zowel op
kwantitatief terrein, zoals u al hebt
aangegeven, als op kwalitatief terrein
goed geregeld is. U mag niet na een
jaar tot de ontdekking komen dat
bijvoorbeeld in bepaalde typen van
diezelfde justitie¨le inrichtingen een
ontwikkeling heeft plaatsgevonden
die u beleidsmatig wat minder juist
vindt. Dus u zult toch een vinger aan
de pols moeten houden, zonder op
alle komma’s en punten in te gaan of
de dagelijkse praktijkvoering te
belemmeren. Want dat willen wij
natuurlijk ook niet. Wij willen
gewoon periodiek een verantwoorde,
goede kwalitatieve toets. 

</spreker>
<spreker pagina="14-511" anker="39" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 Voorzitter! Ik
geloof dat mevrouw Mastik en ik het
hierover geheel met elkaar eens zijn.
De bedoeling is ook dat het beleid
voor het gevangeniswezen ontwik-
keld wordt in samenwerking tussen
de beleidsafdelingen van het
departement en de uitvoerings-
organisaties en dat gezamenlijk
kaders worden gemaakt, waarna
gecontroleerd wordt hoe die kaders
in de werkelijkheid tot uitvoering
komen. Daarbij zullen kwaliteitstoet-
sen aangelegd blijven worden, die
ervoor moeten zorgen dat er niet
allerlei bloempjes gaan groeien die
je eigenlijk niet gewild had.
Mevrouw Mastik haalde een
bericht aan dat in een van de
ochtendkranten is verschenen over
de positie van de officier van justitie
in hoger beroep. Dat was inderdaad
een fout bericht. Ik heb op dit punt
nog geen definitief standpunt
ingenomen. Het gaat mij er alleen
om dat, dat wil ik hier wel uitspre-
ken, niet structureel altijd een officier
van justitie met zijn zaak meegaat in
hoger beroep. Want dan maak je in
feite de ressortparketten overbodig,
wat in elk geval niet iets is dat wij op
dit moment nastreven. Wel moet het
in ingewikkelde zaken mogelijk zijn
dat er sprake is van een voortzetting
van de behandeling en van de
deskundigheid, omdat je anders wel
tot heel erg veel capaciteitsverlies
komt. Daar moet een zeker even-
wicht in komen, waarbij naar mijn
idee de toets van de tweede lijn
buitengewoon belangrijk blijft. Wij
zoeken naar een mogelijkheid om dat
met elkaar te integreren.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="14-511">

 
<spreker pagina="14-511" anker="40" soort="Staatssecretaris" naam="Schmitz">
 Voorzitter!
Mevrouw Mastik is naar aanleiding
van een televisieuitzending van
gisteravond nog ingegaan op het
onderwerp jeugdhulpverlening,
jeugdcriminaliteit en vooral
jeugdzorg. Ik moet bekennen dat ik
die uitzending niet heb gezien. Maar
het probleem kan ik mij ook zo wel
voor de geest halen. Als er een ding
is waarover ik mij verbaasd heb, om
geen sterker woord te gebruiken, is
dat dat op dit gehele terrein vraag en
aanbod nog zo bitter weinig op
elkaar zijn afgestemd. Er is sprake
van een heel beperkte registratie, om
niet te zeggen van een volstrekt
onvoldoende registratie. Dat lijkt mij
dan ook precies de kern van het
probleem, waarvoor wij de samen-
werking van departementen en
provinciale overheden en grootstede-
lijk overheden zo dringend nodig
hebben.
Over twee of drie weken zullen
mevrouw Terpstra en ik een
werkbezoek aan Overijssel brengen,
bij welke gelegenheid wij de
concrete situatie aldaar zeker zullen
vernemen, waarbij het tekort aan
pleegouders zeker aan de orde zal
komen. Hoe dan ook, de situatie zal
zo moeten zijn dat de regie in de
jeugdzorg straks oplevert dat er
inderdaad een duidelijk loket is, dat
er inderdaad een duidelijke
afstemming is van vraag en aanbod.
Ook zullen de middelen die er zijn,
die toch altijd aan de beperkte kant
zullen zijn, zo goed mogelijk worden
aangewend, nog los van de
noodzaak van en het gebrek aan
meer middelen. Dat laatste zullen wij
natuurlijk wel in het kader van de
begroting onder de aandacht moeten
nemen. Ik zie de heer Glastra van
Loon een diepe zucht slaken.
Ik zeg de heer Pitstra toe dat ik
zeker op de vraaguitval zal terugko-
men. Overigens was de bedoeling
van het wetsvoorstel wel het
terugbrengen van enige toeloop. Wij
moeten er echter wel voor waken dat
degenen uitvallen die niet mogen
uitvallen.
Ten aanzien van de bevoorschot-
ting heb ik al opgemerkt dat de
zaken nu gemiddeld binnen een
maand worden afgewerkt. In een
enkel geval schijnt dat dan nog
individueel te moeten worden
aangepakt. Maar ik ga ervan uit dat,
tenzij er contra-indicaties zijn, dat nu
echt in orde is en blijft.
De heer Glastra van Loon heeft
eerder deze middag een debat
gevoerd met de heer Pitstra, waarbij
hij een opmerking maakte in de trant van: ’’Toen jij nog niet in deze Kamer
zat, heb ik dat onderwerp drugs al
aan de orde gesteld’’. Ik begon mij
toen heel oud te voelen. Eerst vroeg
ik mij af hoe lang de heer Glastra
van Loon al in deze Kamer zat. 

</spreker>
<spreker pagina="14-511" anker="41" partij="D66" naam="Glastra van Loon">
 Al
lang! 

</spreker>
<spreker pagina="14-511" anker="42" soort="Staatssecretaris" naam="Schmitz">
 Maar in
ieder geval heb ik tegen de twintig
jaar geleden dezelfde discussie
gevoerd over wel of niet experimen-
teel drugs verstrekken. Dat ging toen
tussen twee grote steden, met
mevrouw Vorrink als wethouder van
Amsterdam en ikzelf vanuit diezelfde
positie in Rotterdam. Ik zou dit niet
gezegd hebben, ware het niet dat de
heer Glastra van Loon bij het
onderwerp jeugdhulpverlening en
het gebrek aan financie¨le middelen
daarbij ook in de historie dook en zei: ’’Toen ik nog staatssecretaris
was, had ik al een tekort aan
middelen en slaakte ik al die
noodkreten’’. Dan weet ik nooit wat
ik moet doen, of ik daar moed uit
moet putten en moet denken dat het
toen ook al ellende was, zodat ik het
niet kan helpen, of dat ik daar
somber van moet worden en moet denken: zou het mij lukken er verder
iets aan te doen? In ieder geval zal ik
pogen flink aandacht te besteden aan
de middelen voor de jeugd-
hulpverlening. Ik dank de heer
Glastra van Loon wat dat betreft
voor de morele steun, hetgeen nog
niet hetzelfde is als het genereren
van financie¨le middelen. Maar
vooruit, ik zal ermee moeten leven.
En dan over geschiedenis
gesproken. Mijnheer Talsma heeft
mij gevraagd de verhouding
strafmaat en ontzegging van langer
verblijf van de vreemdeling nog eens
op een rij te zetten. Ik zeg hem graag
toe dat hij dat tegemoet kan zien.
De beraadslaging wordt gesloten.
Beide wetsvoorstellen worden
zonder stemming aangenomen.Besluiten en ingekomen stukken Lijst van besluiten:
De voorzitter heeft na overleg met
het College van senioren besloten om:
a. de openbare behandeling van de
volgende wetsvoorstellen te doen plaatsvinden op 24 januari 1995:
Wijziging van de Algemene
burgerlijke pensioenwet en de Wet
uitkering wegens vrijwillig vervroegd
uittreden (Vut-wet) in verband met
de verhoging van de pensioen-
opbouw bij afzien van het recht op
vut en wijziging van het begrip
bezoldiging (23763);
Vaststelling en invoering van titel
15 (Het luchtvaartuig) van Boek 8 van
het Burgerlijk Wetboek (23814);
Wijziging van hoofdstuk II (Hoge
Colleges van Staat en Kabinet der
Koningin) van de begroting van de
uitgaven en de ontvangsten voor het
jaar 1994 (wijziging samenhangende
met de Najaarsnota) (24001);
Wijziging van hoofdstuk III
(Ministerie van Algemene Zaken) van
de begroting van de uitgaven en de
ontvangsten voor het jaar 1994
(wijziging samenhangende met de
Najaarsnota) (24002);
Wijziging van hoofdstuk IV
(Kabinet voor Nederlands-
Antilliaanse en Arubaanse Zaken)
van de begroting van de uitgaven en
de ontvangsten voor het jaar 1994
(wijziging samenhangende met de
Najaarsnota) (24003);
Wijziging van hoofdstuk V
(Ministerie van Buitenlandse Zaken)
van de begroting van de uitgaven en
de ontvangsten voor het jaar 1994
(wijziging samenhangende met de
Najaarsnota) (24004);
Wijziging van hoofdstuk VI
(Ministerie van Justitie) van de
begroting van de uitgaven en de
ontvangsten voor het jaar 1994
(wijziging samenhangende met de
Najaarsnota) (24005);
Wijziging van hoofdstuk VII
(Ministerie van Binnenlandse Zaken)
van de begroting van de uitgaven en
de ontvangsten voor het jaar 1994
(wijziging samenhangende met de
Najaarsnota) (24006);
Wijziging van hoofdstuk IXA
(Nationale Schuld) van de begroting
van de uitgaven en de ontvangsten
voor het jaar 1994 (wijziging
samenhangende met de Najaarsnota)
(24007);
Wijziging van hoofdstuk IXB
(Ministerie van Financie¨n) van de
begroting van de uitgaven en de
ontvangsten voor het jaar 1994
(wijziging samenhangende met de
Najaarsnota) (24008);
Wijziging van hoofdstuk X
(Ministerie van Defensie) van de
begroting van de uitgaven en de
ontvangsten voor het jaar 1994
(wijziging samenhangende met de
Najaarsnota) (24009);
Wijziging van hoofdstuk XI
(Ministerie van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieube-
heer) van de begroting van de
uitgaven en de ontvangsten voor het
jaar 1994 (wijziging samenhangende
met de Najaarsnota) (24010);
Wijziging van hoofdstuk XIV
(Ministerie van Landbouw, Natuur-
beheer en Visserij) van de begroting
van de uitgaven en de ontvangsten
voor het jaar 1994 (wijziging
samenhangende met de Najaarsnota)
(24012);
Wijziging van hoofdstuk XV
(Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid) van de begroting
van de uitgaven en de ontvangsten
voor het jaar 1994 (wijziging
samenhangende met de Najaarsnota)
(24013);
Wijziging van de begroting van de
uitgaven en de ontvangsten van het
Infrastructuurfonds voor het jaar
1994 (wijziging samenhangende met
de Najaarsnota) (24015);
Wijziging van de begroting van de
uitgaven en de ontvangsten van het
Landbouw-Egalisatiefonds, Afdeling
A, voor het jaar 1994 (wijziging
samenhangende met de Najaarsnota)
(24016);
Wijziging van hoofdstuk XIII
(Ministerie van Economische Zaken)
van de begroting van de uitgaven en
de ontvangsten voor het jaar 1994
(wijziging samenhangende met de
Najaarsnota) (24017);
Wijziging van de begroting van de
uitgaven en de ontvangsten van het
Gemeentefonds voor het jaar 1994
(wijziging samenhangende met de
Najaarsnota) (24019);
Wijziging van de begroting van de
uitgaven en de ontvangsten van het
Provinciefonds voor het jaar 1994
(wijziging samenhangende met de
Najaarsnota) (24021);
Wijziging van hoofdstuk VIII
(Ministerie van Onderwijs en
Wetenschappen) van de begroting
van de uitgaven en de ontvangsten
voor het jaar 1994 (wijziging
samenhangende met de Najaarsnota)
(24022);
b. het voorbereidend onderzoek van
de volgende wetsvoorstellen door
de vaste commissie voor Europese
Samenwerkingsorganisaties te doen plaatsvinden op:

Goedkeuring van het op 20
november 1992 te Rome tot stand
gekomen Protocol inzake toetreding
van de Helleense Republiek tot de
West-Europese Unie, met een bijlage
(23312);
de vaste commissie voor Binnen-
landse Zaken en de Hoge Colleges
van Staat te doen plaatsvinden op:

Gemeentelijke herindeling in het
samenwerkingsgebied
’s-Hertogenbosch (23712).
Lijst van ingekomen stukken,
met de door de voorzitter ter zake gedane voorstellen: 1. de volgende regeringsmissives:</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


