<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2057]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van de wetsvoorstellen: Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 1995 (23900-XIII); Wijziging van hoofdstuk XIII (Ministerie van Economische Zaken) van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten voor het jaar 1993 (Slotwet; rekening) (23849); Wijziging van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Fonds Investeringsrekening voor het jaar 1993 (Slotwet; rekening) (23841)</item>
<item attribuut="Bestand"> 181 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Overheidsfinanciën (Algemeen)
Rijksbegrotingen (Algemeen)
Rijksbegrotingen (Fonds Investeringsrekening)
Rijksbegrotingen (Economische Zaken)</item>
<item attribuut="Dossiernr">23900, 23849, 23841, 23900 XIII</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 12, Eerste Kamer, pag. 516-552</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">24-01-1995</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2057</item>
<item attribuut="Omvang">37 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Eerste Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Economische Zaken</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Besluiten en ingekomen stukken</item>
<item attribuut="doccode">EK 15</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="15-516">

Aan de orde is de behandeling van de wetsvoorstellen:
- Vaststelling van de begroting
van de uitgaven en de ontvang-
sten van het Ministerie van
Economische Zaken (XIII) voor
het jaar 1995 (23900-XIII);
- Wijziging van hoofdstuk XIII
(Ministerie van Economische
Zaken) van de begroting van de
uitgaven en de ontvangsten voor
het jaar 1993 (Slotwet; rekening)
(23849);
- Wijziging van de begroting
van de uitgaven en de ontvang-
sten van het Fonds Investerings-
rekening voor het jaar 1993
(Slotwet; rekening) (23841). 
<spreker pagina="15-516" anker="454" naam="De voorzitter">
 Voor de eerste
termijn is voor twee uur spreektijd
ingeschreven. Met de hulp van
eenieder wil ik proberen rond half
zeven deze behandeling af te ronden.
De beraadslaging wordt geopend.</spreker>
<blok pagina="15-516">

 
<spreker pagina="15-516" anker="455" partij="CDA" naam="Vermaat">
 Voorzitter!
Bij een beleidsdebat gaat het
doorgaans niet om allerlei finesses
van de voorliggende begroting. Dat
is meer het handwerk van de Tweede
Kamer.
Toch wil ik namens de fractie van
het CDA een enkele opmerking
maken over de begroting 1995 van
het ministerie van Economische
Zaken. Wij gaan met verreweg de
meeste onderdelen akkoord. Dat zal
ook niet verbazen, gezien het
stempel dat het kabinet-Lubbers III
hierop heeft gedrukt. Weinig is nog
nieuw. Een uitzondering hierop zijn
de bezuinigingen die via de bekende
nota van wijziging zijn aangebracht.
Wij zijn het eens met onze collega’s
in de Tweede Kamer dat deze
wijzigingen onnodig en op een
verkeerd moment zijn aangebracht,
waardoor met name in de richting
van milieu en duurzame energie een
verkeerd signaal is afgegeven. Dit
klemt te meer nu het kabinet met
onnodig veel extra middelen heeft
meegedaan aan de symboolpolitiek
rondom Borssele.
Voorzitter! In het regeerakkoord
wordt gesproken over een post van
500 mln. voor lastenverlichting voor
het MKB die echter nog niet in de
begroting 1995 tot uitdrukking is
gebracht. Kan de minister nu reeds
aangeven wanneer en met welke
speerpunten zal worden gekozen
voor de invulling van dit bedrag? Wil
de minister daarbij het commentaar
en de voorstellen van het bedrijfsle-
ven zelf betrekken? Kan dit bedoelde
beleid tevens in samenhang worden
ontworpen met het terugdringen van
de administratieve-lastendruk van
het bedrijfsleven? Volgens de
memorie van toelichting gaat het
maar liefst om een bedrag van 13
mld. Volgens een recent proefschrift
van de heer Allers van de Rijksuni-
versiteit Groningen bedragen
bovendien de directe kosten van
alleen al het rondpompen van
belastingen en subsidies ten minste
15 mld. per jaar. Wat denken de
bewindslieden van EZ aan dit
probleem te doen?
Wat is in dit verband het oordeel
van de bewindslieden van EZ over
de wens van VROM om voor elke
onderneming een milieujaarverslag
in te voeren? Betekent dit geen extra
administratieve-lastendruk? Wie zou
overigens op dit moment voor een
dergelijke certificering de kwaliteit in
huis hebben? Zou de overheid niet
eens moeten overwegen, te gaan
betalen voor verrichtingen die het
bedrijfsleven ter wille van de
overheid moet uitvoeren? In welke
zin wordt met deze problematiek
rekening gehouden bij de uitvoering
van de bedrijfseffectentoets bij de
nieuwe wetgeving?
Voorzitter! Voor de concurrentie-
positie van het MKB is niet alleen de
functionele invalshoek van belang
maar ook de regionale. Vooral voor
de grensregio’s moet nauwkeurig
gelet worden op de distorsies die ten
gevolge van bijvoorbeeld
investeringssubsidies in andere
landen optreden. Ook de effecten
van nationaal beleid, zoals bijvoor-
beeld de komende CO
2
-heffing, zijn
daarbij van groot belang. Wat is
overigens het oordeel van de
Europese Commissie over de
Nederlandse programma’s in het
kader van het Europese regionale
beleid?
Voorzitter! Sprekende over de
hoofdlijnen van het beleid zoals dat
voor de komende vier jaren wordt
voorgesteld en daarbij de discussie
over de Winkelsluitingswet nadrukke-
lijk betrekkend, komt de fractie van
het CDA tot het voorlopige oordeel
dat er nu nog geen echte voldoende
af kan. Dat lijkt in contrast te staan
met de in het algemeen niet
ongunstige bejegening van minister
Wijers in de pers. Ik denk dat dit
voor een groot deel te maken heeft
met de grote PR-capaciteiten van de
minister en wellicht met zijn
pleidooien pro marktwerking en
de-bureaucratisering die op het
moment erg in de mode zijn. Echt
inhoudelijk nieuw beleid moet nog
geformuleerd worden. Dat blijkt ook
wel uit het lijstje van toegezegde
notities aan de Tweede Kamer.
Misschien kan dit als noot aan de
Handelingen worden toegevoegd,
voorzitter? 

</spreker>
<spreker pagina="15-517" anker="456" naam="De voorzitter">
 Ik neem aan, dat
tegen het opnemen van een noot in
de Handelingen inzake aan de
Tweede Kamer toegezegde notities
geen bezwaren bestaan.
(De noot is opgenomen aan het eind
van deze editie.)
1 

</spreker>
<spreker pagina="15-517" anker="457" partij="CDA" naam="Vermaat">
 Uit de
invulling van die notities zal moeten
blijken, of de minister naast een
goede PR ook een goede RP heeft!
Voorzitter! Hoofddoelstelling van het kabinetsbeleid is het adagium:
Werk, Werk, Werk! Hoewel het motto
van het CDA bij de laatste verkiezin-
gen ’’Werk, Veiligheid en Milieu’’
was, kunnen wij ons goed vinden in dit adagium. De vraag is echter:
hoe?!
Macro-economisch is er duidelijk
sprake van een conjunctureel herstel.
Qua werkgelegenheid is daarvan
echter nog weinig te zien. Zo laat de
recente CBS-enqueˆte over de
beroepsbevolking niet alleen zien dat
de werkgelegenheid in 1994 met
5000 personen is afgenomen, maar
ook dat een hoog percentage
bedrijven overweegt om een deel
van de produktie te verplaatsen naar
het buitenland. Nu beroepen in elk
geval minister Zalm en minister
Wijers zich op de bekende vertragin-
gen van het werkgelegenheidsherstel
in de conjuncturele fase. Maar hoe
hard is zo’n extrapolatie? En waarom
zakt het consumentenvertrouwen in?
En hoe komt het dat onze Rijnmond-
economie van slag is? En hoe ernstig
is de inmiddels verwachte groei-
daling in Duitsland voor ons land?
Kan de minister op deze punten een
betere fundering geven voor het
optimisme van het kabinet?
In de memorie van toelichting
wordt terecht gesteld dat de
Nederlandse economie nog op te
weinig cilinders loopt; en vermoede-
lijk ook op te zwakke cilinders, zo
voeg ik daaraan toe. De heer
Geelhoed, de secretaris-generaal van
het departement, heeft ongetwijfeld
met instemming van de minister in
zijn traditionele nieuwjaarswensen in
ESB alle registers nog eens open
getrokken. Heel goed! Naast een
gezond macrobeleid, blijvend gericht
op sanering van de overheids-
financie¨n en gelukkig gebaseerd op
het behoedzame CPB-scenario en de
conservatieve Zalm-norm (prima,
doorgaan) en naast een goed
arbeidsmarktbeleid, moet er een
structureel herstelbeleid komen met
betrekking tot de structuur van de
Nederlandse economie.
Tussen haakjes stel ik nog een
concrete politieke vraag over het
arbeidsmarktbeleid van dit kabinet.
Gezien de uitlatingen van minister
Wijers over zaken als het basisinko-
men, het algemeen verbindend
verklaren van CAO’s en het
ministelsel, rijst de vraag of de ’’W’’
van SZW volgens hem niet beter
naar EZ terugkan. Immers, de
minister ziet zijn eigen departement
toch als het coo¨rdinerende departe-
ment op het terrein van economisch
herstel, dat moet leiden tot meer
werk? Dat lijkt mij een logische
vraag.
Bestaat er momenteel misschien
een tegenstelling in het kabinet
tussen enerzijds de ’’flexi’s’’, zoals
minister Wijers, en anderzijds de
’’solidario’s’’ onder leiding van
minister Melkert? Misschien wil de
minister daarop ingaan en uitleggen
dat deze meningsverschillen geheel
overdreven zijn en dat er helemaal
niets aan ten grondslag ligt.
Is de minister het eens met onze
fractie dat pleidooien tegen een
gematigde loonontwikkeling, zoals
van prof. Kleinknecht van de VU of
van de FNV, niet alleen voor veel
sectoren de concurrentie met
buitenlandse bedrijven ernstig
verzwaren, maar met name ook de
werking aan de onderkant van de
arbeidsmarkt verder blokkeren? Prof.
Heertje schrijft dat minister Wijers
een gewonnen race loopt tegen de
vakbeweging. Prof. Heertje is
natuurlijk een knap econoom, maar
politiek zat hij er wel eens naast.
Dat er in Nederland heel wat moet
gebeuren, blijkt ook uit de instem-
mende opsomming van doeleinden
die in de memorie van toelichting is
verbonden aan het gehouden
Globaliseringsplatform van oud- minister Andriessen: (a) meer
flexibiliteit, (b) minder knelpunten
vanwege de overheidsregelgeving,
(c) verlaging van de collectieve-
lastendruk, (d) een lager kosten-
niveau met het oog op de internatio-
nale concurrentiekracht, (e) meer
investeren in technologie en het
technisch beroepsonderwijs en (f)
meer durf en ondernemerschap. Dat
is nogal wat. In het voorgenomen
EZ-beleid vinden wij dat terug in aan
aantal wenselijkheden, maar die zijn
nog niet instrumenteel ingevuld.
In de stukken van het departement
of het kabinet is nog maar weinig te
lezen over het hoe van zo’n
verfrissend en grensverleggend
beleid. Daar wordt aan gewerkt, zij
het dat het regeerakkoord daarvoor
weinig aanknopingspunten biedt. In
dat verband kom ik ook op een punt
dat vaag, zo niet geheimzinnig, is
gebleven, namelijk het zogenaamde
FES-avontuur (fonds economische
structuurversterking). In het
voorlopig verslag van deze Kamer op
het oorspronkelijke wetsvoorstel is
door de CDA-fractie nogal kritisch
commentaar gegeven, met name gericht tegen: (1) het extra fonds-
karakter als zodanig, (2) de vage
bestedingscriteria en (3) de
rommelige voeding van het FES. Inmiddels komen hier nog bij: het
kabinetsvoornemen om de
bestedingscriteria verder op te
rekken en de merkwaardige
procedure met betrekking tot het jaar
1994. Misschien bewijst dit laatste
wel dat dit fonds helemaal niet nodig
is. Wil de minister daar nu wat over
zeggen?
Daarmee kom ik terug op het
economisch structuurbeleid dat dit
kabinet zal gaan voeren. Mag ik deze
dialoog wat parafraserend beginnen
met de centrale filosofie van het
EZ-beleid? Ik doe dat door bepaalde
uitlatingen van de minister in diverse
interviews aan de halen. Typerende steekwoorden daarbij waren:
marktwerking, minder knellende
regels, dynamisering, meer durf bij
het nemen van risico’s en meer
accent op de internationale
concurrentiekracht. Dat is heel mooi.
Op het eerste gezicht lijkt deze
centrale filosofie nogal liberaliserend.
Is het puur pragmatisme van een
no-nonsense bewindsman van
socio-liberale huize? Sluit het aan op
het beleid van Andriessen, dat met
name gericht was op meer gezonde
marktwerking binnen een voorwaar-
denscheppend en stimulerend
overheidsbeleid? Of is het een ruk
naar rechts, zoals Bolkestein in
Brugge moet hebben beweerd? Het
oogt in ieder geval niet naar het
ouderwetse steun-industriebeleid van
de jaren zeventig of het MIP-beleid
van oud-minister Terlouw.
Wellicht is het voor onze dialoog
van vanmiddag dienstig, toch even
stil te staan bij ideee¨n uit het
proefschrift van de ’’jonge Wijers’’.
Daarin toonde de minister zich een
voorstander van een economisch
structuurbeleid door de overheid. Hij
werkte dat met name uit voor de
industrie¨le sectoren. Voor de
vorming van zijn oordeel over de
instrumentele opportuniteit van zo’n
structuurbeleid in Nederland werd
een soort van matrixbeschouwing gebruikt. Ik vat die kort samen: in de
’’breedte’’ de vraag naar de sectorale
compositie en in de ’’diepte’’ de
vraag naar de institutionele
organisatie van de samenwerking
tussen overheid en bedrijfsleven op
micro-, meso- en macroniveau. Dat
laatste betreft het ordenings-
vraagstuk.
Uit de ’’breedtediscussie’’ trok
Wijers de conclusie dat er alle
aanleiding is voor een beleid dat
differentieert naar de diverse
sectoren, al zijn de vormgeving en
de praktische uitvoering van zo’n
sectorstructuurbeleid nogal
kwestieus. Het meer generieke
structuurbeleid kent dezelfde
spanning tussen wenselijkheid en
uitvoerbaarheid. In dit laatste geval
wordt overigens slechts een pleidooi
gehouden voor een positief
structuurvormend of -verbeterend
beleid door de overheid. Wijers was
en is, zo hoop ik, immers een
verklaard tegenstander van
zogenaamd structuuraanpassend of
structuurconserverend beleid. Dat
noemt hij stervensbegeleiding.
De vraag hoe zo’n wenselijk
structuurvormend overheidsbeleid
moet worden georganiseerd, vloeit
voort uit de ’’dieptediscussie’’ in zijn
dissertatie. Wijers achtte de ordening
via de mesobenadering, dat wil
zeggen via zelfregulering op
bedrijfstakniveau, ideologisch
verwerpelijk en niet uitvoerbaar,
gezien de Europese en mondiale
concurrentieverhoudingen. Vindt hij
dat nog steeds?
Een microbenadering, dat wil
zeggen via meer algemeen voor-
waardenscheppend beleid via de
individuele ondernemingen, achtte
hij op zichzelf juist, maar nog
onvoldoende effectief. Daarom vond
hij aanvulling noodzakelijk met een
macrogestuurde structuurpolitiek,
waarbij een centrale rol moest
worden gespeeld door een soort
rijksdienst voor het industriebeleid in
de vorm van een zelfstandig
bestuursorgaan (op afstand van de
ambtenaren), dat zowel de beleids-
voorbereiding als de beleids-
uitvoering als taken krijgt toebe-
deeld.
Met deze samenvatting in vier
alinea’s van een proefschrift van 459
bladzijden doe ik de auteur natuurlijk
ernstig onrecht. Maar het gaat er mij
alleen om, de minister te prikkelen
iets meer te zeggen over zijn
denkbeelden van vandaag inzake de
instrumentele vormgeving, inclusief
de ordeningsvraagstukken, van het
economisch structuurbeleid dat in
Nederland moet worden gevoerd.
Welke centrale desiderata zullen
richtinggevend zijn voor de
uitwerking van al die detailnota’s
waaraan ik zoe¨ven refereerde?
Een dialoog vereist uiteraard ook
een bijdrage van onze kant. Het CDA
meent dat de overheid op grond van
haar roeping om te streven naar
publieke gerechtigheid in de
samenleving, zich ook daadwerkelijk
dient te bemoeien met het econo-
misch leven. Aan vanzelfsprekende
overheidstaken, zoals het voeren van
een gezond macro-economisch
beleid, ga ik gemakshalve voorbij.
Het gaat immers op dit moment over
de ordeningsfilosofie. Dan heeft het
CDA een behoorlijke dosis wantrou-
wen ten opzichte van de mogelijkhe-
den van de intervenie¨rende overheid,
namelijk als het gaat om het directe,
dirigerende ingrijpen in markt-
processen. Niet omdat dit ten
principale niet zou mogen – in
bepaalde omstandigheden is het
zelfs onvermijdelijk – maar vooral
omdat het niet echt goed werkt.
Zowel de efficie¨ntie als de effectivi-
teit van zo’n beleid en dus ook van
de marktprocessen zelf waarin wordt
ingegrepen, schiet op termijn
substantieel te kort.
Het CDA is daarom voorstander
van het leggen van economische
verantwoordelijkheid en dus ook van
aansprakelijkheid en risico op
microniveau, dat wil zeggen bij de
ondernemer, de werknemer, de
consument, enzovoorts. De renovatie
van de samenleving moet erop
gericht zijn om de last die op de
overheid drukt vanuit de zekerheid
zoekende en de calculerende burgers
te reorganiseren tot een rechtvaar-
dige, evenwichtige en effectieve
herverdeling van verantwoordelijkhe-
den. Hierbij kan overigens een
volwassen overlegeconomie een
prima katalysatorfunctie vervullen.
Het voorgaande houdt in dat het
CDA het op zichzelf van harte eens is
met het streven van dit en het vorige
kabinet om de werking van de markt
te bevorderen. Dit moet echter niet
gebeuren met absolutistische
juridisch geı¨nspireerde denkbeelden
welke gebaseerd zijn op het ideaal
van de marktvorm van de volledige
mededinging. Er moet juist gemikt
worden op de dynamisch-efficie¨nte
resultaten van markten met een
werkzame concurrentie. Meestal is
dat de vorm van monopolistische
concurrentie. Dit houdt ook in een
positieve instelling ten opzichte van
de werking van zelfregulering in de
sector, groep of bedrijfstak, mits het
gaat om een door de overheid
toetsbare zelfregulering. Hieronder
vallen bijvoorbeeld convenanten,
eventueel verbindend te verklaren
CAO’s en dergelijke privaatrechtelijke
overeenkomsten. Ook tripartiete
overeenkomsten en zelfs publiek-
rechtelijke varianten daarop kunnen
echter instrumenteel dienstig zijn.
Wat vindt de minister van een
actieve rol van het sociaal-
economische middenveld op dit
terrein? Wat is in dit verband zijn
oordeel over de nieuwe richting in
Amerika? Ik doel dan op het
zogenoemde Communitarisme. Dat
is een pleidooi voor herstel van wat
wij vroeger de ’’civil society’’
noemden.
Voorzitter! Wellicht is op het punt
van de werking van markten
respectievelijk de kritische CDA-
houding ten opzichte van de
aspiraties van een dirigistische
overheid het onderscheid met de
PvdA en D66 – minus minister
Wijers? – groter dan dat met de VVD.
Daar staat echter tegenover dat de
CDA-filosofie over de positieve rol
van het maatschappelijk middenveld,
maar ook over de ideale vormgeving
van de markt afwijkt van de ideee¨n
van de VVD, die doorgaans
voorstander is van de klassiek-
liberale markt. Naar onze mening
heeft de overheid op dit punt van de
organisatie van het marktsysteem
een zeer belangrijke constituerende
verantwoordelijkheid. Daarmee
bedoel ik niet alleen de zorg voor
een werkzame mededinging, maar
ook voor het zoveel mogelijk
incorporeren van de niet-
economische dimensies. Naast
sociale rechtvaardigheid van de
uitkomsten van het economische
proces gaat het hierbij vooral om het
realiseren van een duurzame
economie. Door een herdefinie¨ring
van de marktorde kan daar met
name veel aan gedaan worden,
zonder dat men direct moet vervallen
in dirigerend overheidsintervenie¨ren.
Zo’n herdefinie¨ring van wat de markt
nu eigenlijk is, kan zelfs gedifferen-
tieerd per markt geschieden. Ik meen
dat een grotere inzet van het
instrument van de eigendomsrechten
– ik bedoel dan niet alleen rechten,
maar ook plichten – hierbij van groot
belang kan zijn. Voor de helderheid: het gaat niet
om ’’of-of’’-, maar om ’’en-en’’-
beleidskeuzes. Langs deze weg kan
het begrip marktwerking ontdaan
worden van een eendimensionale
economistische inslag. Ook bij
actuele onderwerpen als de
Winkelsluitingswet en de Vestigings-
wet is dat aan de orde. Een echt
gezond MKB heeft daar ook recht op.
Het CDA is bepaald geen voorstan-
der van de zogenaamde
24-uurseconomie. Trouwens, ook
godsdienstige rechten dienen in dit
land gerespecteerd te worden,
anders dan de holle man wellicht
oordeelt. Het is langs deze weg dat
men kan uitkomen bij de ’’plus-
onderneming’’. Dit is een term van
CNV-voorzitter Westerlaken. Daarmee
wordt gedoeld op de onderneming
die wat meer maatschappelijke kleur
doet in de economische was. In dit
korte bestek kan ik uiteraard niet
diep ingaan op deze dialoog, want ik
moet ook nog een paar andere
punten aan de orde stellen. 

</spreker>
<spreker pagina="15-519" anker="458" naam="De voorzitter">
 Denkt u om uw tijd?
U hebt nu 19,5 minuut gesproken. 

</spreker>
<spreker pagina="15-519" anker="459" partij="CDA" naam="Vermaat">
 Dat is veel,
voorzitter!
Als wij alle publikaties over het
technologiebeleid lezen – ik zie af
van een opsomming daarvan – is de conclusie duidelijk: daar moet meer
aan gedaan worden, zeker voor een
goed middellange-termijnbeleid. Wij
betreuren dus het signaal bij de
bezuinigingen in de begroting voor
1995. Hoe verenigt de minister deze
bezuinigingen met de noodzaak tot
structurele aanpassingen? Ik verwijs
in dit verband naar de aanbevelingen
van de secretaris-generaal. Geeft de
minister met deze bezuinigingen niet
het verkeerde signaal? Wat gaat de
minister de komende tijd doen om
ervoor te zorgen dat de beschikbare
technologiebudgetten maximaal
benut worden? Heeft het ministerie
het Nederlandse bedrijfsleven goed
geı¨nformeerd over de mogelijkheden
die het vierde kaderprogramma van
de EG biedt? Uit steekproeven blijkt
namelijk een grote onbekendheid
daarmee. Wat gaat de minister doen
om met name het MKB meer aan
deze projecten te laten deelnemen?
Hoe moeten TNO en de grote
technische instituten, de GTI’s,
grotere bijdragen uit het vierde
kaderprogramma krijgen, terwijl
tegelijkertijd hun eigen middelen
afnemen? Ook bundeling en
samenwerking over de grenzen heen
zijn sleutelwoorden. Is de minister
van plan om taakafspraken en
werkverdelingen te bevorderen
tussen de technologische instituten
in West-Europa? Ligt hierin een kans,
juist voor de Nederlandse instituten?
Voorzitter! Ten slotte wil ik in dit
kader nog even verwijzen naar het
actieprogramma ’’Van metafoor naar
actie’’ dat in december 1994 is
verschenen. Ik vraag de minister om
nog eens in te gaan op de kritiek die
daar inmiddels op geuit is. Ik doel
dan met name op het commentaar
van de zijde van prof. Smits van de
Technische Universiteit Eindhoven.
Het energiebeleid en het interna-
tionale economische beleid sla ik van
mijn kant over. Dat wil echter niet
zeggen dat de bewindslieden van mij
niet op die vragen die niet gesteld
zijn, zouden mogen antwoorden.
Voorzitter! Het beleid samenvat-
tend, gebruikt men een nieuwe slogan: secuur, snel en slagvaardig.
Dit spreekt mij aan. Ik zal vanmiddag
aan de lippen van de bewindslieden
hangen. Misschien kan er echter nog
een vierde ’’S’’ bij, namelijk van
substantie. 

</spreker>
<spreker pagina="15-519" anker="460" naam="De voorzitter">
 Van mijn kant wil ik
de bewindslieden aanraden om zich
wel te beperken tot de beantwoor-
ding van de vragen die gesteld zijn.
Dit sluit overigens niet uit dat zij zelf
hun algemene beschouwing houden.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="15-519">

 
<spreker pagina="15-519" anker="461" partij="PvdA" naam="Pit">
 Voorzitter! Het is
ongeveer tien jaar geleden dat in de
Grondwet een aantal sociale
grondrechten is opgenomen. Deze
leggen de verantwoordelijkheid van
de overheid vast voor onder andere
de bevordering van voldoende
werkgelegenheid. Voldoende
werkgelegenheid mocht toen en
mag, zo neem ik aan, ook nu nog
niet worden uitgelegd als werk voor
iedereen. Het mocht echter wel
verstaan worden als volledige
werkgelegenheid met een beperkte
frictiewerkloosheid. Er zou in ieder
geval een minimumgrens gesteld
moeten worden aan de werkgelegen-
heid en derhalve een maximumgrens
aan de werkloosheid. Duidelijk is dat
die minimumgrens voor de
werkgelegenheid in de afgelopen
jaren en ook nu nog niet is bereikt. In
de samenleving zijn al enige tijd
opvattingen te horen dat wij die
grens ook in de komende tien jaar
niet zullen bereiken. Afgelopen
zaterdag – collega Vermaat zal dat
wel weten, ook al heeft hij dit niet
gezegd – heeft het CDA-bestuur
besloten om te onderzoeken of het
wel een realistische doelstelling is,
om daar in het kader van zijn
verkiezingsprogramma op terug te
komen. Immers, een niet haalbare
doelstelling leidt eigenlijk per
definitie tot verkeerd beleid.
Het kabinet en de beide bewinds-
lieden van Economische Zaken
kennen in dezen kennelijk geen
twijfel. Werk, werk en nog eens werk
is de rode draad die door het
kabinetsbeleid loopt. Dat is ook het
centrale thema, als je de begroting
van EZ bekijkt. Het lijkt mij van
belang om vast te stellen dat het
kabinet en beide bewindslieden geen
twijfel kennen om de effectiviteit van
hun beleid en de voorliggende
begroting te kunnen beoordelen. Het
mag niet twijfelachtig zijn dat
voldoende werkgelegenheid de
volledige en warme instemming van
mijn fractie heeft. De bewindslieden
zullen dat begrijpen. Wij zijn er
echter niet zeker van of de gekozen
middelen ook tot het gewenste
resultaat leiden. Is er met het beleid,
zoals nu voorgesteld, niet sprake van
meer van hetzelfde als in de
afgelopen tien jaar? Vorige kabinet-
ten zijn er niet in geslaagd om die
minimumgrens te bereiken; hoe zou
dit kabinet dat nu dan wel kunnen?
Markt, markt en nog eens markt is
een van de middelen. Is het echter
niet zo dat de marktwerking op dit
moment feitelijk alleen maar afbraak
van werkgelegenheid te zien geeft?
Hoe moet je dat dan met elkaar
rijmen? Naast markt, markt en nog
eens markt is het deregulering,
deregulering en nog eens deregule-
ring als instrument dat de bewinds-
lieden, dit kabinet overigens in zijn
geheel, kiezen. Namens mijn fractie
nodig ik beide bewindslieden
nadrukkelijk uit, ieder op hun eigen
beleidsterreinen, om uiteen te zetten
op grond waarvan zij veronderstellen
dat het beleid nu wel succes zal
hebben en dat de gestelde doelen in
de komende periode wel worden
bereikt. Wij doen dat met des te
meer nadruk na het lezen van het
artikel in de Volkskrant van afgelopen
zaterdag met als kop ’’Marktmafia’’.
Dat zullen de bewindslieden zonder
twijfel ook hebben gelezen. Daarin
wordt de nodige twijfel geuit of het
wel mogelijk is om de gestelde
doelen met de huidige ingezette
middelen te bereiken.
Ik vertrouw erop dat beide
bewindslieden zich zullen bedienen
van de taal die zij tot nu toe ook
hebben gebruikt, geen politieke taal,
niet de taal van politici, verhullend,
wollig, maar liever rechttoe,
rechtaan, want dan weten wij
tenminste waarover wij praten en
waarover wij discussie¨ren. Dat geldt
overigens niet alleen voor dit punt,
maar ook voor de volgende.
Waar consensus over bestaat, is
dat de broodnodige groei van de
werkgelegenheid vooral moet komen
van het midden- en kleinbedrijf. De
grote bedrijven zullen – zo is
algemeen de verwachting – het
beleid van de achterliggende jaren
voortzetten en door middel van
nieuwe technologie en andere
efficiencymaatregelen, maar ook
door verplaatsing van produktie of
delen van produktie naar elders,
personeel laten afvloeien. De vraag
die daarbij aan de orde is of je wat
betreft het midden- en kleinbedrijf
geen onderscheid ter zake moet
aanbrengen, nader moet specifice-
ren. Natuurlijk, kleinere bedrijven zijn
meer plaats- en regiogebonden. Als
je echter kijkt naar de ontwikkeling
van de technische apparatuur in
garagebedrijven, dan kan ik mij niet
voorstellen, ook niet bij een stijgende
verkoop van het aantal auto’s, dat
daar de komende jaren sprake zal
zijn van veel groei in de werkgele-
genheid. Industrie¨le bedrijven in het
midden- en kleinbedrijf zullen
vroeger of later dezelfde ontwikke-
ling doormaken als de grotere
bedrijven. In mijn omgeving – ik
woon in Gelderland – reizen heel
veel directeuren van MKB-bedrijven
haast wekelijks naar het oosten om
te bekijken of zij daar produkten
kunnen afzetten en of zij daar
produktie kunnen onderbrengen.
Dergelijke ontwikkelingen moet je
niet per se willen tegenhouden.
Hogere koopkracht daar kan
exportmogelijkheden voor Neder-
landse bedrijven bieden.
Het is echter wel van belang om te
anticiperen op mogelijke ontwikkelin-
gen die ons staan te wachten. Doen
wij dat in voldoende mate, vraag ik
beide bewindslieden. Is de Economi-
sche Voorlichtings Dienst in staat om
vragen te beantwoorden als – niet in
algemene zin, maar zo concreet mogelijk –: Welke werkgelegenheid is
hier wel of niet te houden? Welke
bedrijven gaan toch naar elders?
Welke bedrijven kunnen beter in
Nederland blijven? Bestaat inzicht in
of een overzicht van toeleveringsbe-
drijven in het buitenland? Ik zie wat
dat betreft twee bewegingen. Ik zie
dat produktie naar buiten gaat, naar
de toeleveringsbedrijven. Gazelle –
dat bedrijf is gevestigd in het mooie
dorp waar ik woon – haalt echter uit
het buitenland halffabrikaten naar
Nederland, omdat men dan een
betere greep op de kwaliteit heeft.
Dat zijn twee bewegingen. Ik vraag
de bewindslieden of dat is opgeno-
men in het voorlichtingsbeleid, zodat
ondernemers die over dat terrein wat
willen weten voldoende inzicht
kunnen krijgen.
De minister zal erkennen, om een
inmiddels bekend en hier al eerder
geciteerd wetenschappelijk werk aan
te halen, dat ’’het karakter van de
internationale concurrentie een
anticiperend industrieel structuur-
beleid noodzakelijk maakt. Een
beleid, waarbij de overheid
onderzoek naar en ontwikkeling van
nieuwe goederen en diensten
coo¨rdineert.’’ In hoeverre is daarvan
nu sprake, of in hoeverre mogen wij
dat op korte termijn tegemoet zien?
Er komt geen specifiek MKB-
beleid, heeft de staatssecretaris
kenbaar gemaakt. Het MKB is zo
belangrijk dat dit beleid als een rode
draad door het geheel heen loopt. De
meer industrie¨le bedrijven maken
echter een andere ontwikkeling door
– en hebben ook een andere positie –
dan bedrijven in de zakelijke en de
persoonlijke dienstverlening. Voor
zover ik het heb begrepen, is het met
name in deze branches dat de groei
van de werkgelegenheid moet
plaatsvinden. Ik noem daarbij
bedrijven die actief zijn in de
beveiliging. Ik noem de catering, de
schoonmaak, de administratie, de
accountancy en de advocatuur. Dat
soort bedrijven groeit op dit
moment. Een deel van de groeiende
werkgelegenheid moet daar vandaan
komen. Ik meen echter ook te weten
dat een deel van die groei te maken
heeft met het terugkeren tot de
kerntaken door grotere bedrijven en
het afstoten van dit soort activiteiten.
Dan gaat het dus om verplaatsing
van werkgelegenheid in plaats om
groei. Ik hoor graag of die ontwikke-
ling zich doorzet, want ik meen ook
al waar te nemen dat sommige grote
bedrijven dit soort activiteiten toch
weer naar zich toe trekt, omdat dit
beter beheersbaar en bestuurbaar is.
Een belangrijk deel moet komen van
het groeiende aantal starters en het
groeiende aantal kleinere bedrijven,
die kwesties als de administratie, de
catering en de beveiliging niet zelf
voor hun rekening kunnen nemen en
die dus uitbesteden. Op dat punt
kwam bij mij een vraag op toen ik
hoorde dat in de top van Economi-
sche Zaken het idee leeft om starters
extra faciliteiten te geven door
bijvoorbeeld een vermindering van
sociale lasten, het niet laten betalen
van sociale belasting en vrijstelling
van belasting. Kan de minister of de
staatssecretaris daar wat over
zeggen?
Hoe beoordelen de bewindslieden
bijvoorbeeld de kleinverbruikers-
heffing die ook op kleinere bedrijven
en niet op alleen de startende van
toepassing is? Tast dit de concurren-
tiepositie van dit soort bedrijven niet
aan? Een deel van het midden- en
kleinbedrijf, te weten de detailhandel,
de horeca, de recreatie en het
toerisme, is weliswaar voorzichtig
positief wat betreft de verwachtin-
gen, maar heel bescheiden als het
gaat om uitspraken over groeiende
werkgelegenheid. Zij zijn ook niet
zonder zorg. Dat heeft te maken met
de ontwikkeling van de binnenlandse
koopkracht. Met andere woorden, de
groeimogelijkheden worden in deze
sectoren en branches beperkt of
teniet gedaan door het volgehouden
inkomensmatigingsbeleid. Is dat uit
een oogpunt van werkgelegenheids-
beleid een gewenste ontwikkeling?
De vraag of wij de loonmatiging
nog lang vol kunnen houden, staat
ook op een andere manier ter
discussie. Tot nu toe heeft de
loonmatiging niet geleid tot de
veronderstelde, zo men wil, in het
vooruitzicht gestelde en noodzake-
lijke groei in de werkgelegenheid. De
FNV heeft aangekondigd dat, als de
loonmatiging in 1995 niet tot een
duidelijk zichtbare groei in de
werkgelegenheid leidt, forse
looneisen en forse loonsverhogingen
in 1996 niet zijn te voorkomen.
Misschien heeft de voorzitter van het
VNO wel gelijk als hij stelt dat forse
loonsverhogingen zeker niet tot meer
werkgelegenheid leiden, maar dat is
niet de vraag. Als loonmatiging ook
niet tot meer werk leidt, waarom
zouden werknemers dan geen
hogere eisen stellen om op die
manier de binnenlandse koopkracht
te doen stijgen? Ik heb uit een artikel
in het blad van het NCW begrepen
dat de minister de enige ondernemer
in dit kabinet is. Ik kan hem uit eigen
ervaring verzekeren dat werknemers
wat dat betreft net mensen zijn. Die
kijken gewoon naar wat het een en
het ander oplevert. Als loonmatiging
dan geen werk oplevert, dan maar
looneisen. Dat levert ook geen werk
op, maar via koopkrachtverhoging
helpt dat binnenlandse kleine
bedrijven wellicht wel. Ik vraag beide
bewindslieden om hun visie op dit
probleem. Naar mijn gevoel is dat
namelijk een van de spanningsvel-
den het komende jaar, die volgend
jaar wellicht tot explosies zal leiden.
Het streven is om te komen tot
een meer dynamische, flexibele,
geschakeerde economie. De vraag
die niet gesteld wordt, maar die naar
mijn gevoel wel gesteld behoort te
worden, is of daarbij ook niet een
dynamische, flexibele en gescha-
keerde regelgeving hoort. Hoort er
niet een beleid bij dat zeer flexibel
inspeelt op veranderingen; op
hetgeen er op microniveau aan
behoeften is? Hier zit naar mijn
gevoel de crux. Het gaat erom dat de
nationale algemene maatregelen op
een goede manier worden vertaald
naar de werkvloer. Het gaat erom dat
bewust wordt gekozen voor
toepassing van regelgeving die recht
doet aan de gekozen doelstelling. Zo
nodig moet die regelgeving
bijgestuurd worden. Dit stelt
specifieke eisen aan generieke
maatregelen. Worden maatregelen
getoetst op hun werkgelegenheids-
effecten? Graag nodig ik beide
bewindslieden uit, in te gaan op
bijvoorbeeld de volgende vraag. De
bewindslieden van EZ hadden als
eersten de in het regeerakkoord
opgelegde bezuinigingen gereali-
seerd. Zijn die bezuinigingen niet
alleen op hun milieu-effecten, maar
ook op de gevolgen voor de
werkgelegenheid getoetst? Ik vraag
ook naar de negatieve en positieve
effecten op de werkgelegenheid van
de voorgestelde verruiming van de
winkelsluiting. Het gaat niet alleen
om de kwantiteit maar ook om de
kwaliteit van de werkgelegenheid die
wellicht wordt afgebroken of
opgebouwd.
Kan de minister nader ingaan op
de gevolgen op de arbeidsmarkt van
het invoeren van het basisinkomen?
In mijn fractie en in mijn partij wordt
overigens zeer verschillend over het
basisinkomen gedacht. Sommigen
zijn daar een warm voorstander van
en anderen hebben daar grote
bezwaren tegen. Sommigen denken
dat het er eerder is dan zij vrezen en
anderen hopen dat. Weer anderen
denken dat het er toch niet komt. De
discussie zou naar mijn gevoel
zakelijker en ook effectiever gevoerd
kunnen worden als wij weten bij
welk niveau van het basisinkomen de
werkgelegenheid eventueel zou
worden bevorderd. Kort door de
bocht geformuleerd, heb ik tot nu toe
het volgende meegekregen. Er zullen
bij de uitkeringsinstanties banen
verdwijnen. Mensen die een
basisinkomen ontvangen zullen erbij
gaan werken. Betekent dit dat wij
eigenlijk baantjes cree¨ren in het
grijze en zwarte circuit, terwijl wij
reguliere banen laten verdwijnen? Ik
hoop dat de bewindslieden hier
uitgebreid op in willen gaan.
Aansluitend bij deze vraag, ga ik in
op de consistentie van het kabinets-
beleid. Als onze waarneming goed is,
dan propageert het ministerie van EZ
– met vele anderen overigens – dat
wij moeten proberen, latent
aanwezige vacatures, vooral in het
midden- en kleinbedrijf, naar het
reguliere circuit te brengen. Het gaat
dan grotendeels om banen in het
grijze en zwarte circuit. Tegelijkertijd
is het ministerie van VWS echter
bezig via clie¨ntgebonden budgetten
in de thuiszorg regulier werk af te
breken en te vervangen door zwarte
en grijze baantjes. Is dat nu
consistent? Ik vraag dit aan deze
minister omdat hij de coo¨rdinerend
minister op dit punt is. Vindt er over
dergelijke maatregelen geen
coo¨rdinerend overleg tussen de
bewindslieden plaats?
Op 13 januari jongstleden heeft de
Europese Commissie voorstellen
bekend gemaakt voor een systeem
waarbij plannen en ontwikkelingen
op het gebied van economie,
landbouw, energie en transport
worden doorgelicht op hun
verenigbaarheid met het milieubeleid
van de Europese Unie. Mijn fractie
gaat ervan uit dat de Nederlandse
regering positief staat ten opzichte
van dergelijke voorstellen. Het lijkt
mij echter goed om een dergelijke
toetsing toe te passen op het punt
van het werkgelegenheidsbeleid. Dan
wordt duidelijk welke maatregelen
goed zijn in het kader van de
werkgelegenheid. Willen de
bewindslieden daarop reageren?
Tot slot maak ik nog enkele korte
opmerkingen. Voorzitter! Eerst was
er sprake van de ’’Koos Clinton-
show’’, vervolgens werd dit het
’’economendebat’’ genoemd en ten
slotte het ’’platform globalisering’’. Is
de naamswijziging karakteristiek voor
de inhoud? Heeft dit te maken met
de uitkomsten van het debat? Geeft
de minister gehoor aan een oproep
in de ’’Werkgever’’ van 12 januari
jongstleden om meer met de
resultaten de boer op te gaan? Die
aanbevelingen zijn vooral deregule-
ring, marktwerking en het wegnemen
van knelpunten. Naar mijn gevoel
wordt aan deze punten al voluit
aandacht besteed in het beleid. Als
de aandacht hiervoor wordt vergroot,
vraag ik mij af waar wij terechtko-
men. Wil de minister hierop
reageren?
Ik kom terug op het witboek van
Delors. Zijn de bewindslieden van
plan, voorstellen tot het bevorderen
van het sociaal ondernemerschap
en/of tot modelontwikkeling voor
mogelijke vormen van partnerschap
in te dienen? Zijn zij van plan, een
nieuw evenwicht tussen het
economisch noodzakelijke en het
sociaal wenselijke te bevorderen?
Vorig jaar heb ik gesproken over
de rol van EZ in het CBA. Ik kreeg
toen als reactie dat het ministerie
van EZ het tot zijn taak rekende, na
te gaan op welke wijze inhoud en
vorm wordt gegeven aan het
benutten van de voordelen van de
decentralisatie voor optimale
prestaties voor arbeidsvoorziening. Ik
hoor nu voornamelijk geluiden over
centralisatie bij arbeidsvoorziening.
Hoe verdragen die zich met de
reactie van vorig jaar? Vorig jaar heb
ik geen bevredigend antwoord
gekregen op de vraag of het niet op
de weg van EZ ligt, als kenner van
het bedrijfsleven, om het bedrijfsma-
tiger functioneren van het bestuur te
bevorderen. Het bestuur kan als een
soort raad van commissarissen en
het landelijk bureau als het bureau
van een holding functioneren. Vorig jaar zei de toenmalige minister: wij
hebben de arbeidsvoorziening
verzelfstandigd en nu moet men het
zelf maar doen. De overheid is echter
nog altijd zeer dominant in het
bestuur aanwezig. Ik heb ervaren dat
zij een zeer bepalende rol heeft.
Ik heb nog een vraag over de
coo¨rdinerende rol van EZ. Ik meen
waar te nemen dat er voortdurend
eilandjes van ontwikkeling zijn, zowel
nationaal als internationaal. De
knooppunten zoals Twente,
Arnhem/Nijmegen, Venlo/Eindhoven
richten zich allemaal op hetzelfde. Zij
willen meer transport, meer
distributie en meer overslag. Er
wordt niet beoordeeld welke regio
hiervoor het best toegerust is, zodat
de andere regio’s zich op andere
aspecten kunnen richten. Kan dit niet
beter? Moet er niet meer samenwer-
king worden gezocht in plaats van
concurrentie?
Mijn laatste vraag betreft het
internationale beleid. Als ik mensen
spreek die bezig zijn met de
programmering en stimulering van
Oost-Europa, hoor ik voortdurend dat
zij de Fransen, de Engelsen en de
Italianen achterna reizen voor het
maken milieuplannen of voor het
realiseren van bedrijfsterreinen.
Iedereen brengt precies hetzelfde
naar voren dat is geldverspilling. Is
dat nu nodig, zo vraag ik de
staatssecretaris?
</spreker>
</blok>
<blok pagina="15-522">

 
<spreker pagina="15-522" anker="462" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">

Voorzitter! Vorige week zag ik een
televisieprogramma, waarin wat men
’’de onderkant van de arbeidsmarkt’’
is gaan noemen, aan de orde werd
gesteld. Ik weet niet of de minister
het programma heeft gezien of dat
hij van de inhoud ervan op de
hoogte is gesteld. Dit programma
richtte zich namelijk nogal op het
paarse economische beleid en de
naam van de minister viel nogal
eens, overigens niet op een erg
positieve manier. Er werd gezegd dat
minister Wijers, in feite de totale
politiek niet zou weten waar ze het
over had als zij praatte over ’’de
onderkant van de arbeidsmarkt’’ en
de noodzaak tot flexibilisering van
deze markt.
De aanleiding tot dit programma
en deze kritiek was het boek van
Stella Braam, getiteld ’’De blinde vlek
van Nederland’’. Deze journaliste
heeft zich jarenlang ’’undercover’’ op
de flexibele arbeidsmarkt begeven,
via uitzendbureaus en koppelbazen.
Zij werkte in de kassen, op de
veiling, in schoonmaakbedrijven, in
illegale naaiateliers, in de horeca en
zelfs achter de koffiekar bij notaris-
sen en accountants. Zij beschrijft
indringend de ellende van deze
onderkant van de arbeidsmarkt.
In het nawoord van haar boek schrijft ze: ’’Eigenlijk is het niet de
ellende aan de onderkant waar ik aan
onderdoor ga, maar de onverschillig-
heid van boven’’.
Omdat ik mij deze woorden
aantrek, lijkt het mij nodig vandaag
bij de behandeling van de begroting
van EZ aandacht te vragen voor deze
publikatie.
Als je de verhalen hebt gelezen
over situaties waarin voor soms
minder dan ƒ 5 per uur gewerkt
wordt onder mensonterende
omstandigheden, terwijl men de
CAO niet kent en zeker niet uitvoert,
of over situaties waarin de ARBO-wet
een vodje papier blijkt te zijn en de
macht van de advocatuur en de
vakbonden zeer beperkt, of waarin
gewerkte uren, overuren of
vakantiegeld niet volledig worden
betaald, dan komt de tekst bij de
begroting van EZ bijna komisch en
zeker wereldvreemd over.
De roep om ’’economische
dynamiek’’, ’’meer marktwerking en
concurrentie’’, ’’tegengaan van
beperkende en belastende regelge-
ving’’, ’’meer flexibiliteit op de
arbeidsmarkt’’, is volstrekt overbodig
voor de onderkant van de arbeids-
markt. Dat is hier namelijk de
dagelijkse realiteit. Als je ziek wordt,
hoef je niet meer te komen, want op
een advertentie van een arbeidsbu-
reau komen zeker 70 reacties.
In plaats van overregulering is er
sprake van rechteloosheid. Met de
mensen die Stella Braam heeft
aangemoedigd om voor hun recht op
te komen, liep het door represailles
van de werkgever, meestal slecht af.
Ook de vakbond heeft nauwelijks
greep op de onderkant van de
arbeidsmarkt, bijvoorbeeld in de
catering, de schoonmaaksector, de
tuinbouw, de visindustrie, de
leerindustrie, de bloemenveiling, de
snackfabrieken, de pluimveesector of
de wasserijen. In deze sectoren is
slechts zo’n 5% van de mensen
georganiseerd. Het blijkt dat ook de
arbeidsinspectie niet echt tegen de
misstanden optreedt. En dan gaat
het niet om marginale aantallen,
maar om naar schatting een half tot
een miljoen mensen met pulp-
contracten.
En de overheid? De paarse
overheid wil verdere flexibilisering,
geen belemmeringen, zoals
maximale termijnen voor uitzend-
krachten, geen algemeen-verbindend
verklaren meer van CAO’s, een
nieuwe arbeidstijdenwet met
flexibele werktijden en dispensatie
van de Wet op het minimumloon.
In het boek wordt trouwens zeer
helder beschreven dat de bazen om
wie het gaat lang niet altijd ploerten
zijn. De opdrachtgevers nodigen tien
cateraars of schoonmaakbedrijven uit
om een offerte te maken en kiezen
dan de goedkoopste. De creatieve
oplossingen voor de te lage prijzen
worden gevonden door het
personeel op te jagen. De ARBO-wet
wordt een spoedcursus om mensen
zo snel mogelijk in de Ziektewet en
de WAO te doen belanden, waarbij
met milieunormen de hand wordt
gelicht, zeker als deze geld kosten.
Het lijkt mij dat er na het
globaliseringsdebat dat wij met de
vorige minister van EZ gevoerd
hebben – de Koos Clinton-show –
een debat gevoerd moet worden met
de direct betrokkenen over de
rechteloosheid aan de onderkant van
de arbeidsmarkt, en vooral over het
pakket maatregelen dat genomen
moet worden om hier iets tegen te
doen. Is de minister hiertoe bereid?
Ik vraag de minister in ieder geval
om het boek van Stella Braam eens
te lezen en een gesprek te voeren
met deze journaliste.
Het zou verrassend maar eigenlijk
niet meer dan normaal zijn dat een
D66-minister die toch open en
communicatief wil zijn, vandaag een
toezegging zou doen op dit punt en
dat hij vervolgens het parlement van
zijn bevindingen op de hoogte zou
stellen. Ik ben benieuwd.
Verder blijkt uit berichten uit
’’economenland’’ dat de diagnose
van paars dat er grote problemen
zouden zijn met de niet flexibele
arbeidsmarkt, niet klopt. In ESB van
11 januari jongstleden schrijft de
Groningse econoom Paping dat de
toename van het aantal inactieven
helemaal niet wordt veroorzaakt door
de negatieve ontwikkelingen op de
arbeidsmarkt maar door culturele
veranderingen, zoals het verdwijnen
van het traditionele kostwinnerschap,
de gezinsverdunning en de indivi-
dualisering. Omdat de diagnose niet
klopt, wordt de therapie ook in de
verkeerde richting gezocht. Kent de
minister dit artikel en wat is zijn
reactie hierop?
Voorzitter! Het zou wel eens zo
kunnen zijn dat de minister helemaal
niet zo neo-liberaal is als de tekst
van de oude begroting van EZ ons
wil laten geloven. Omdat ik in
interviews regelmatig berichten heb
gelezen over het proefschrift van de
minister waarin hij voor een actief
overheidsbeleid zou hebben gepleit, dacht ik: laat ik dat eens lezen. Ik kan
zeggen dat ik een rijke ervaring heb
opgedaan met studenten uit
Groningen. Hoe vaak heb ik niet
moeten horen van afdelings-
secretarissen van een van de
voorgangers van GroenLinks dat de
radicale standpunten van deze
studenten snel verdwenen waren als
ze geı¨soleerd in de harde, weerbar-
stige praktijk aan het werk waren
gegaan. Maar het wilde toch nog wel
eens lukken om deze mensen aan te
spreken op de gedachten en ideee¨n
die ze in hun studietijd hadden
ontwikkeld en waardoor hun
politieke identiteit vaak was
gevormd. Mensen kunnen natuurlijk altijd zeggen: Ik ben niet stil blijven
staan en ik mag toch wel van
mening veranderen? Dat is natuurlijk
waar, maar het lijkt me dat een debat
met het in het openbaar uitwisselen
van argumenten hier vandaag dan
wel op zijn plaats is.
Voorzitter! Ik moet zeggen dat ik
het proefschrift met plezier heb
gelezen. Het lijkt me hier nu niet de
plaats om een debat over dit
proefschrift te houden. Ongetwijfeld
zijn in de tijd dat het proefschrift
verscheen de economen die ik kende
met inhoudelijke kritiek gekomen,
bijvoorbeeld over de conclusies
inzake de onmogelijkheden om op
het mesoniveau in het sectorstruc-
tuurbeleid actief te intervenie¨ren. De
minister noemde in het proefschrift
onder anderen de econoom H.
Vrolijk, maar ook meer linkse
economen waren actief bezig met
industriepolitiek en sectorstructuur-
beleid in een tijd dat er in de textiel
en in de scheepsbouw veel
bedrijfssluitingen waren. Deze linkse
economen lieten het trouwens niet
bij de vaststelling dat de overheid
niet de verliezen moet socialiseren;
zij zetten ook de socialisering van de
winsten op de agenda. Zover is de
jonge Wijers, dacht ik, nooit gegaan.
Ook over de interessante
aanbeveling van een anticiperend
industriebeleid zouden stevige
debatten te voeren zijn. Maar daar
gaat het mij nu niet om. Het gaat mij
erom dat de econoom Wijers in de
traditie van Keynes, Galbraith en Pen
het neo-liberalisme afwijst en
gedachtig zijn studie in Engeland ook
laat zien, dat een terugtredende
overheid op economisch gebied
helemaal niet zo gewenst is. Het
woord ’’actieve overheid’’ heb ik
zeker tien keer in het proefschrift
gelezen. Op pagina 9 staat zelfs, dat
’’het verheffen van de markt als he`t
natuurlijke coo¨rdinatiemechanisme
onjuist en gevaarlijk is’’. In het
proefschrift is de minister ook op
zoek naar overheidsinstrumenten
voor een doelmatig beleid op het
sectorale mesoniveau van de
economie. Overheidsinstrumenten,
een gruwel voor de huidige
neo-liberalen, of ze nu bij de PvdA,
de VVD of D66 – of het CDA – zitten.
Op pagina 366 wordt zelfs
geconcludeerd dat het Nederlandse
cultuurpatroon onder bepaalde
voorwaarden geen belemmering
hoeft te zijn voor een beleid waarin
de overheid een belangrijke rol
speelt!
Maar toen kwamen de barre jaren
tachtig met politici die spraken over
de onmaakbaarheid van de
samenleving, maar ondertussen die
samenleving naar hun eigen wensen
gingen boetseren en zo het
bestaande cultuurpatroon diepgaand
hebben gewijzigd. Mijn vraag aan de minister is:
Staat hij nog steeds achter zijn
opvattingen uit 1982 en als dit
inderdaad zo is, wat gaat hij dan
doen om het actieve overheidsbeleid
weer in het Nederlandse cultuur-
patroon te verankeren?
In hetzelfde kader wil ik graag een
aantal opmerkingen maken over de
deregulering en het aanpakken van
beperkende en belastende regelge-
ving. Aan de overzijde heeft Ruud
Vreeman, een van de laatste der
Mohikanen binnen de PvdA die de
tradities van de vakbeweging op een
moderne en intelligente manier naar
voren brengt, hier ook over
gesproken. De minister zei dat het
hem er niet om ging om in de
deregulering het kind met het
badwater weg te gooien. Dat zal nog
moeten blijken.
In mijn ogen is het ’’onjuist en
gevaarlijk’’ om regulering en
regelgeving als een last en een
beperking voor een economische
dynamiek te zien. Neem het
voorbeeld van de verkeersregels.
Juist door de verkeersregels en de
regelgeving functioneert het systeem
en hoeft er niet bij elk kruispunt te
worden onderhandeld over het
antwoord op de vraag wie voorrang
heeft. Daardoor wordt de verkeers-
veiligheid gediend. Regelgeving als
produktiefactor.
Natuurlijk moet steeds worden
bekeken of de regels nog wel werken
en of de omstandigheden niet
veranderd zijn. Moeten er bijvoor-
beeld nieuwe of andere regels
komen? GroenLinks doet vaak niks
anders dan het aanzwengelen van dit
debat, over het bevorderen van
tegengesteld fietsverkeer, over
opstelstroken voor fietsers bij
stoplichten, over alle stoplichten op
groen en wel eerst voor openbaar
vervoer en fietsers, over een
snelheid van 30 km per uur in de
bebouwde kom en ga zo maar door.
Deregulering is daarbij nooit het
doel, maar wel herregulering. In een
discussie in de gemeenteraad van
Groningen heb ik wel eens gezegd
dat ik als libertair socialist tegen deze
neo-liberale dereguleringsdrift ben,
maar dat wij, als wij bijvoorbeeld de
Algemene politieverordening zouden
mogen herschrijven, de helft als
overbodige onzin zouden weggooien.
Op de arbeidsmarkt en in
arbeidsverhoudingen is regulering
even nuttig en zinnig als in het
verkeer. Het geeft enorme arbeidson-
rust als er steeds individueel
onderhandeld moet worden over
CAO’s of ARBO-richtlijnen. De
stakingen in het streekvervoer geven
toch aan, dat deze flexibilisering en
marktwerking niet gepikt worden.
Daarom rijden de bussen op dit
moment niet. De Utrechtse hoogle-
raar F. van Waarden noemt de
beleidstheorie die achter de wens tot
minder regelgeving zit, een klinkklare
mythe. Markten kunnen niet bestaan
zonder organisaties en juridische
inkadering. Hij verwacht dat het niet
zo’n vaart zal lopen. Zodra de eerste
bejaarde aan met salmonella
besmette produkten bezwijkt, zal de
Warenwet weer worden opgetuigd
en na het eerste verhaal in de
kranten over het oplichten van
toeristen door taxichauffeurs zal de
vrijmaking worden teruggedraaid.
Ik vraag de minister het eerste
deel van mijn betoog over de rauwe
werkelijkheid van de onderkant van
de arbeidsmarkt samen met deze
kritiek op zich te laten inwerken, het
neo-liberale pad van zijn voorganger
te verlaten en terug te keren naar zijn
proefschrift, waarin de markt met
haar genadeloze concurrentie-
mechanisme van kritiek wordt
voorzien. Ik vraag hem vandaag ook
te reageren op de terechte kritiek van
Wouter van Dieren – deze werd
gisteren in de Volkskrant op de
pagina Forum gepubliceerd – op
Rinnooy Kan, die zijn ’’dwaze
balladen over de vrije markt zingt’’.
Van Dieren spreekt van een
’’triomfalistische arrogantie’’ en een
’’klaarblijkelijke afwezigheid om de
schrille tonen van de mondiale
achteruitgang te horen’’. Dank zij de
dominantie op de wereldmarkt, is de
schuldenlast van de Derde Wereld
opgelopen tot 1600 miljard dollar.
Daardoor verkeren 112 landen in een
permanente schuldencrisis. Het is
niet ondenkbaar dat in relatief rijke
landen zoals Indonesie¨, Nigeria en
Taiwan of andere economische
tijgers de schaarste aan water,
bodem, schone lucht en gezondheid
tot een catastrofe leidt, dat de
leegroof van de natuur het succes
van de vrije markt vormt, dat rond
de eeuwwisseling nog steeds 750
miljoen mensen in erbarmelijke
omstandigheden wonen en ook in
het rijke Nederland 800.000 mensen
in armoede leven en afhankelijk zijn
van uitkeringen, omdat zij zo stom
zijn niet te horen bij al die sterke
vrije mensen van Rinnooy Kan. Ook
maakte hij opmerkingen over het
mondiale flitskapitaal, dat zorgt voor
volstrekt onbeheersbare processen,
gestuurd door een kleine, ongrijp-
bare elite. Per dag wordt op de
valutamarkt 1000 miljard dollar
verhandeld, zonder enige fiscale
sturing of democratische zeggen-
schap. Volgens Van Dieren faalt niet
alleen de dictatoriale planeconomie,
maar ook de vrije markt. Het
probleem is alleen, dat het falen van
de planeconomie als een bewijs van
het succes van de vrije markt wordt
gezien. Maar de vuile Wolga wast de
vuile Rijn niet schoon!
Voorzitter! Deze D66-minister van
Economische Zaken staat voor de
uitdagende opdracht om economie
en ecologie met elkaar te binden.
Onze eerste ervaring op dit gebied –
ik doel nu op het boren in de
Waddenzee – werd meteen een
confrontatie.
Ik keer nog even terug naar het
proefschrift. Over het milieu werd
daarin niet veel geschreven. Op
pagina 203 stond een zinnetje met
daarin zelfs een uitroepteken en dat wil ik nu citeren: ’’Daarnaast kan de
overheid door regulering (milieu en
grondstoffengebruik!) pull-impulsen
veroorzaken’’. Dat uitroepteken gaf al
een beetje de betrokkenheid aan. Het
verbaal geluid dat wij nu horen, is
anders dan het geluid dat de vorige
minister deed klinken. Hij zag zich
vooral als een vooruitgeschoven post
van het bedrijfsleven. Nee, zegt
minister Wijers in interviews, ik zit
hier niet als vertegenwoordiger van
het bedrijfsleven; er kunnen
milieuvraagstukken zijn waarbij ik
eerder geneigd ben het met mijn
collega De Boer eens te zijn. Prima,
maar gebeurt dat nu ook echt?
Natuurlijk is er een nota aangekon-
digd en daarop kunnen wij wachten.
De minister zegt dat hij het milieube-
leid als een kans voor het bedrijfsle-
ven ziet en niet als een bedreiging.
Geen economie zonder ecologie. Zou
er in die nota eindelijk eens worden
gebroken met de illusie dat je een
economisch paradijs op een
ecologisch kerkhof kunt bouwen?
Wordt in die nota ook ingegaan op
de discussie over het groene BNP en
op de kritiek van de econoom
Hueting, dat het nogal idioot is om
vernietiging van het milieu en de
natuur niet in het BNP te vertalen,
dat het dwaas is dat het BNP groeit
als door de slachtoffers in het
verkeer meer werkgelegenheid in de
gezondheidszorg ontstaat of dat zelfs
de produktie van lijkkisten dit BNP
positief beı¨nvloedt? Wordt in deze
nota ook ingegaan op de noodzaak
van een fundamenteler discussie
over een duurzame kringloop-
economie, een helikoptereconomie,
die kan stoppen? Een straaljager-
economie moet maar doorvliegen
om niet neer te storten en tijdens dit
doorvliegen veroorzaakt zij grote
schade aan mensen, milieu en
natuur. Wordt er gezocht naar
mechanismen die deze blinde
groeieconomie weer onder mense-
lijke controle krijgen of blijft het bij
wat heffingen hier en daar?
Omdat wij die nota op dit moment
niet echt kunnen beı¨nvloeden, stel ik
een aantal concrete vragen over het
energiebeleid. Over kernenergie zal
ik het nu niet hebben, hoewel ik het
niet met de minister eens ben dat die
optie open moet blijven. Als gevolg
daarvan wordt nog steeds veel
onderzoeksgeld daaraan besteed,
ondanks de bezuinigingen. Over
Borssele is voldoende gediscussieerd
tussen GroenLinks en deze minister.
De verschillen zijn duidelijk. Mijn
fractie wilde dat Borssele onmiddel-
lijk zou dichtgaan in plaats van in
2000, en zij wilde zeker niet dat de
levensduur zou uitlopen tot 2007. Het
gaat mij nu om de bezuinigingen op
de energiesubsidies.
Bij de warmtekrachtkoppeling zijn
eigenlijk geen problemen. Al tien jaar
geleden diende ik initiatiefwets-
voorstellen in om de warmtekracht-
koppeling te stimuleren, overigens in
gemeentelijk beheer, om naast de
kosten ook de opbrengsten eerlijk te
verdelen. Het beleid van de vorige
minister van Economische Zaken
heeft gefaald. Hij schatte permanent
de toekomstmogelijkheden van
warmtekrachtkoppeling te laag in en
kwam daarover met GroenLinks
stevig in aanvaring. Door mis-
investeringen bestaat er overcapaci-
teit in de elektriciteitssector,
waardoor de warmtekrachtkoppeling
wordt geremd. Er wordt zelfs vanuit
de elektriciteitssector voor betaald
om geen warmtekrachtkoppeling op
te stellen, terwijl die een veel hoger
rendement heeft – namelijk 80% in
plaats van 40% – en veel minder
CO
2
-uitstoot en dus bijdraagt aan het
halen van doelstellingen die nu niet
worden gehaald. Volkomen
belachelijk! Net als minister De Boer
vraag ik aan de minister van EZ om
zo snel mogelijk de meest vervui-
lende elektriciteitscentrales te sluiten
en de warmtekrachtkoppeling stevig
te blijven ontwikkelen. Ook om deze
reden trouwens mocht Borssele van
mijn fractie dicht.
De bezuinigingen op subsidies
voor windenergie hoeven geen ramp
te zijn, als een hoger terugleverings-
tarief wordt berekend. De minister
heeft daarover toezeggingen gedaan
in het debat aan de overkant. Hoe
staat het daarmee? Volgens een
artikel in de landbouwpers wordt
windenergie afgeschreven, omdat
energiebedrijven niet meer dan
negen tot vijftien cent per kilowatt-
uur stroom willen betalen. Het
landelijk bureau windenergie gaat
ervan uit dat 20 cent nodig is om
zonder subsidie rendabel te kunnen
draaien. Op toplocaties kan dat twee
tot vier cent minder zijn. Hoe gaat de
minister ervoor zorgen dat met
hogere terugleveringstarieven de
zeer bescheiden doelstelling van
1000 megawatt in het jaar 2000
wordt gehaald?
Bij de zonne-energie is iedereen
het erover eens dat bezuinigingen op
subsidies en onderzoek fataal zijn.
Misschien geldt dat niet voor de
zonneboilers. Staatssecretaris
Tommel doet er goed aan te
verplichten dat in elke nieuwbouw-
woning een zonneboiler wordt
aangebracht. Als daarnaast een
programma wordt opgezet om zulke
boilers in de bestaande woning-
voorraad in te bouwen, zal de prijs
ongetwijfeld dalen en waarschijnlijk
zodanig dat terugverdientijden
mogelijk zijn van vijf tot zeven jaar.
Problemen maar ook enorme
kansen doen zich voor bij de
omzetting van zonne-energie in
elektriciteit, de zogenoemde
foto-voltaı¨sche energie. Hier ligt
bijvoorbeeld de kans om internatio-
naal het broeikaseffect aan te pakken
met een Nederlands produkt. Het
verbaast mij dat ik wel lees dat een
projectje in Indonesie¨ rendabel en
succesvol is en dat niemand op het
idee komt dit grootschalig aan te
pakken. Daarvoor zijn enorme
markten in allerlei landen waar de
zon bij wijze van spreken twintig uur
per dag schijnt. Nederland kan in een
klap wereldleider op deze markt
worden. Als een land 470 mln. kan
stoppen in een dwaze, dure en
gevaarlijke kerncentrale, moet dit
toch ook kunnen. Wat is de reactie
van de minister? Kan hij ons
informeren over zijn plannen op dit
gebied?
Als de minister een voortvarend
energiebeleid wil voeren, kan ik hem
nog een idee aan de hand doen, dat
ik overigens al jaren tevergeefs aan
de orde stel. Veel energiebesparings-
maatregelen zijn gewoon rendabel.
Isolatie onder houten vloeren, om
een concreet voorbeeld te geven,
verdient zich binnen vijf tot tien jaar
terug. Het kan milieuvriendelijk met
folie. Nederland staat vol met oude
huizen, vaak in bezit van particulie-
ren, waar die isolatie kan worden
aangebracht. Maar het gebeurt
gewoon niet. Vaak komt dat door
onwetendheid of laksheid, vaak ook
door gebrek aan organisatievermo-
gen; het is lastig om zelf onder de
vloer isolatie aan te brengen.
Waarom wordt het niet maatschap-
pelijk georganiseerd, vergelijkbaar
met de renovatie van vooroorlogse
coo¨peratieve woningen, via een
straatsgewijze aanpak, project-
organisaties, inspraak en subsidie of
andere financieringsmogelijkheden?
Er kan meteen meer gebeuren als
het gemeentelijk nutsbedrijf toch in huis is: de hele woning isoleren,
waterbesparende maatregelen
treffen, bijvoorbeeld met een
douchekop of een spoelstoptoets op
het toilet. Men kan spaarlampjes
meenemen voor oudere mensen. Dat
kan allemaal in een keer gebeuren.
Waarom wordt dat niet gedaan? Dit
idee kan trouwens gekoppeld
worden aan dat van Vreeman die aan
de overzijde heeft voorgesteld,
stedelijke werkmaatschappijen op te
richten. Ik weet niet precies hoe de
discussie aldaar is afgelopen. Ik
meen dat de staatssecretaris
daarmee bezig is geweest. Ik vind die
stedelijke werkmaatschappijen een
goed idee.
Op die manier kan meteen een
probleem van de energieheffing bij
kleinverbruikers worden opgeheven.
In slecht geı¨soleerde woningen kan
men door een zuiniger stookgedrag
moeilijk de woonlasten beı¨nvloeden.
Ik vraag de minister, die eens pleitte
voor een actieve overheid en voor
regelgeving ter wille van het
milieubeleid, zich creatief met dit
vraagstuk bezig te houden en de
doelstellingen van werkgelegenheid
en milieupolitiek met elkaar te
verbinden. Wat mij betreft, kan dit
gebeuren als onderdeel van die grote
nota dan wel als een apart discussie-
stuk.
Als laatste punt bij het energiebe-
leid zou ik de koelkasten willen
noemen. Er zijn koelkasten die maar
100 kWh per jaar verbruiken en geen
CFK bevatten. Het is natuurlijk leuk
dat via het labelsysteem de
consument kan kiezen. Maar bij de
CFK-houdende spuitbussen kreeg de
consument toch ook niet de keuze
tussen goedkopere spuitbussen met
CFK en dure zonder? In elke auto zit
toch ook verplicht een katalysator?
Waarom is er bij die koelkasten dan
wel een keuze mogelijk? Waarom zijn
er niet alleen maar koelkasten met
een verbruik van 100 kWh? Leidt de
overcapaciteit in de elektriciteits-
sector ertoe dat deze simpele en
uiterst effectieve maatregel niet
genomen wordt?
Hoeveel centrales kunnen er
trouwens dicht als pakweg binnen
vijf jaar elke Nederlander een
koelkast heeft van 100 kWh? Ik heb
met Kees Zijlstra een rekensom
proberen te maken. Misschien
kunnen de ambtenaren van EZ dit
voor mij doen. Wij konden het niet
zo snel. Ik dacht dat minstens een
grote centrale dicht zou kunnen.
Voorzitter! Naast het scheppen van
nieuwe, zinvolle werkgelegenheid is
arbeidsduurverkorting ook een zeer
belangrijk instrument om tot werk,
werk en nog eens werk te komen.
Als in vier jaar tijd een 32-urige
werkweek werd ingevoerd, zou dit
maar liefst 600.000 banen extra
opleveren. Dat is andere koek dan
stabilisatie van de massa-
werkloosheid waarvoor paars feitelijk
heeft gekozen. Is het niet vreemd dat
in micro-crisissituaties in het
bedrijfsleven oplossingen gekozen
kunnen worden om tot een
vierdaagse werkweek te komen? Dit
was mogelijk bij Volkswagen in
Duitsland, bij de NS en bij de
Bijenkorf. Waarom wordt dit niet op
macroniveau doorgevoerd? Ook daar
is immers sprake van een enorme
crisis. Iedereen ziet de enorme
negatieve consequenties voor de
hele maatschappij van die massa-
werkloosheid.
Ik vraag de minister het volgende.
Is hij bereid al die regelingen die de
afgelopen tijd in binnen- en
buitenland zijn getroffen te analyse-
ren en daaruit een pakket aan
maatregelen te distilleren die op
macroniveau ingevoerd kunnen
worden? Is hij bereid daarover een
maatschappelijk debat te voeren? De
minister heeft gewild en naar mijn
mening vooral ongewild een
discussie over winkelsluitingstijden
en basisinkomen aangezwengeld.
Deze discussie kan er dan ook nog
wel bij. Uit onderzoek blijkt trouwens
dat veel mensen willen inleveren
voor korter werken, met name door
mensen die het kunnen betalen. Voor
inkomens onder modaal moeten
fiscaal of anderszins oplossingen
worden gevonden.
Tot slot wil ik iets zeggen over het
regionaal beleid. Dat blijft bestaan.
Voor het noorden is dat ook terecht.
In het noorden groeit de werkloos-
heid harder dan in de rest van
Nederland. Over het instrument IPR
wil ik iets zeggen en een voorstel
doen. De huidige IPR is niet echt
effectief. Insiders kunnen dat
allemaal vertellen. Ondernemers
krijgen vaak een subsidie, terwijl zij
zonder die subsidie ook wel zouden
investeren. Zij krijgen als het ware
een douceurtje. Waarom wordt die
IPR niet gerichter ingezet? Koppel die
premie aan het aantal nieuwe
arbeidsplaatsen dat door die
investering wordt geschapen. Koppel
de premie ook aan milieu-
investeringen, bijvoorbeeld
energiebesparende en schone
technologie. Deze milieu-
investeringen moeten natuurlijk niet
voortvloeien uit wettelijke verplich-
tingen. Het is een bescheiden, maar
wel helder voorstel. Het is goed voor
het milieu en goed voor de
werkgelegenheid. Ik ben benieuwd
naar de reactie van de staatssecreta-
ris op dit voorstel tot hervorming
van de IPR.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="15-526">

 
<spreker pagina="15-526" anker="463" partij="D66" naam="Mertens">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik wil beginnen met twee
opmerkingen vooraf. Ik heb met
genoegen de schriftelijke discussie
en het verslag van het debat aan de
overzijde gevolgd. Het mag zo zijn
dat deze begroting voor een groot
deel het erfstuk is van de voorgan-
gers van deze bewindslieden, maar
ik moet zeggen dat met name uit de
discussie op een aantal punten ten
minste het vermoeden en zelfs hier
en daar de hoop is gerezen dat het
op een bepaalde manier ook anders
kan. Dat die hoop werkelijkheid
moge worden.
Al weer wat langer geleden, heb ik
al eens tegenover een D66-minister
van Economische Zaken gestaan. Ik
bedenk mij nu dat hij ook doctor in
enigerlei wetenschap was, zij het niet
de economische. Een belangrijke
uitspraak van hem is mij bijgebleven. De heer Terlouw zei: er is een kracht
die je genadeloos kunt uitbuiten,
uitbuiten en uitbuiten in onze
economie en dat is de technologie.
Die behoeft niet te slapen, die
behoeft niet beloond te worden, die
moet alleen maar onderhouden
worden. Die uitspraak wordt
gesteund in de punten die ik
vandaag met deze minister over de
begroting voor economische zaken
wil doornemen. Omdat de discussie
in de Tweede Kamer zo uitvoerig is
geweest, heb ik mijn punten beperkt.
Ik heb een en ander samengevat in
een achttal stellingen. Ik heb
geprobeerd mij te focussen op die
zaken die de casuı¨stiek te boven
gaan en die iets te zeggen hebben
over de structurele ontwikkelingen.
Mijn eerste punt betreft de
concurrentiekracht van de Neder-
landse economie. Er bekruipt mij en
met mij meer mensen een gevoel
van een zeker onheil als wij de
gegevens van de laatste jaren op een
rijtje zetten, daaraan een prognose
proberen te verbinden en die
prognose van curerende maatregelen
proberen te voorzien. Nog maar een
paar jaar geleden heeft een peiling
plaatsgevonden in de onderscheiden
landen van de Europese Unie waarin
aan de mensen gevraagd werd hoe
zij aankijken tegen de betekenis van
technologie voor de economische
welvaart in hun land. Welnu, landen
als Duitsland en Frankrijk scoorden
daarin 70% positief, terwijl 30%
dacht dat dit er niet veel toe deed. In
Nederland was dat helaas precies
andersom.
Bij de eerder genoemde behande-
ling in de Tweede Kamer noemde de
minister het World Competitive
Record, waarin Nederland in een
betrekkelijk gering aantal jaren van
de zesde naar de veertiende plaats is
gezakt. In het VNO-blad van vorige
week zagen wij dat Nederland niet
meer op de lijst met welvaartslanden
staat en dat wij ons nu bevinden in
het gezelschap van Singapore en
Hongkong. Deze landen werden nog
kort geleden ontwikkelingslanden
genoemd. Dit alles voert mij naar stelling 1:
het beleid zou gericht moeten
worden op meer publieke aandacht, sterker nog: publieke doordrenking
van de betekenis die technologie en
innovatie hebben op ons economi-
sche welbevinden. Dat beleid dient
minder gericht te zijn op de
voortdurend allesbeheersende
loonkostendiscussie. Met name de
heer Vreeman en de minister hebben
daarover aan de overzijde uitvoerig
van gedachten gewisseld. Ik vond
dat een stimulerende discussie. Ik
laat het bij de vaststelling dat de
aangekondigde concurrentietoets
hierbij van groot belang is, al was
het alleen maar om de mensen
duidelijk te maken dat het niet alleen
gaat om Chriet Titulaar-achtige
voorbeelden, hoe interessant deze
misschien op de televisie ook zijn.
Kan de minister al iets meer zeggen
over die concurrentietoets?
Wat is hierbij de taak van de
overheid? Hoe pakken wij de
structurele zwakte van de Neder-
landse economie aan? Ik som die
zwakke punten nog even op. Te veel
inactieven. De macro-economische
kerngegevens, met name het
financieringstekort, tonen op centraal
niveau volledig uit het lood geslagen
te zijn. Verder noem ik als punt te
weinig dynamiek in ons
ondernemingsland. De oplossing is,
als ik deze onvriendelijk en kort
samenvat, minder regels en meer
markt. Goed, maar de overheid heeft
een taak die daar boven uitstijgt. De
overheid heeft verantwoordelijkheid
op het gebied van regelgeving en
van wetgeving. Zij kan stimuleren in
een richting die zij wenst door eigen
participatie met geld en anderszins in
projecten, met name op het gebied
van de infrastructuur. Verder zie ik
haar als grote gebruiker van
wetenschap en technologie, als een
zogenaamde leading edge customer.
De overheid kan leiding geven aan
een bepaalde, kan het zijn gewenste,
ontwikkeling.
Nu lijkt het erop dat het stimule-
ren, bijvoorbeeld door middel van
een subsidie, maar ook door een
anderszins actieve participatie in
’’public private partnerships’’-
projecten, sterk aan het teruglopen
is, evenals de omvang van de wet-
en regelgeving, althans als men dat
globaal formuleert als ’’minder
regels en meer markt’’. Overigens
betekent ’’minder regels’’ niet ’’geen
regels’’; het is de overdaad die vaak
schaadt. Tot slot valt ook de rol van
de overheid als ’’leading edge
customer’’ niet bepaald op.
De tweede stelling is dat de
overheid er is om het zwakke te
beschermen, zowel het zwakke in de
marktsectoren, zoals cultuur,
wetenschap en gezondheidszorg, als
de zwakken op de arbeids- of
inkomensmarkt. Ik kan niet anders
zeggen dan dat ik blij verrast was
toen een paar weken geleden zowel
door deze minister als door zijn
collega van Financie¨n filosofiee¨n ten
beste zijn gegeven om via de
negatieve inkomstenbelasting iets
aan het basisinkomen te gaan doen.
Op zichzelf hebben wij daar nog
geen eindoordeel over. Mijn partij
gaat een van de komende weekein-
den daarover vergaderen. Het feit dat
juist deze twee ministers daar hun
gedachten over hebben laten gaan,
vond ik een buitengewoon positief
teken. Wij hebben echter zorgelijke
gedachten over de deregulering die
ook in geheel andere sectoren,
varie¨rend van taxichauffeurs tot
advocaten, aanstaande lijkt te zijn.
Ook de kwaliteitsgarantie bij
dienstverlening wil immers wel eens
een zwakke stee zijn die bescherming
behoeft. Daar zou de overheid
middels goede regelgeving
misschien toch voor moeten staan.
Hoe dan ook: laten wij de derde
stelling eens geven. De eerste en de
derde van de genoemde structurele
zwakten – het te grote aantal
inactieven en de te geringe dynamiek
van de Nederlandse economie –
kunnen niet alleen met een paar
grove macromaatregelen worden
gesaneerd. Daar is zorgvuldigheid,
precisie en een redelijke tijd voor
nodig. Roel in ’t Veld duidde in zijn
oratie aan dat als men grote, lijvige
en zeker ook financieel sterke
organisaties van koers wil doen
veranderen, men er rekening mee
moet houden dat een maatregel pas
jaren later misschien een effect heeft
en bovendien veel bijverschijnselen
teweegbrengt. Hij herhaalde dit later,
bij een speech over de terugtredende
overheid op 9 december 1982, in
verband met de bezuinigingen op het
hoger onderwijs.
Een derde punt wordt gevormd
door het technologiebeleid. Er is
zojuist uitgebreid over het debat van
24 maart 1994 gesproken. Dat debat
is in mijn herinnering blijven leven
als het globaliseringsdebat, maar in
plaats van de conclusies die toen
formeel zijn getrokken en die ik
eerlijk gezegd nauwelijks in een
overtuigend verband vond staan met
de toen gevoerde discussie, zijn mij
twee dingen bijgebleven die ik
interessant vond en die ik positief
beoordeelde. Het eerste was dat er
een roep kwam om meer onderne-
mingszin, entrepreneurship, binnen
ondernemingen en binnen instellin-
gen, ook bij werknemers, in de
non-profitsector en bij de overheid.
Het tweede onderwerp is wel menigeen bijgebleven: er moet veel
beter gebruik worden gemaakt van
de aanwezige kennisinfrastructuur.
Dit leidt tot mijn vierde stelling. Er
moet meer direct contact en
samenwerking komen tussen
bedrijven en kennisinstituten. In dit
verband wachten wij met smart op
voorstellen ter zake van de aange-
kondigde technologische structuur-
nota. De vijfde stelling: bij dit toene-
mende contact moet gewaarschuwd
worden voor een clustervorming die
zou neerkomen op een afscherming
van de markt. Ik denk aan de
geschiedenis van de innovatieve
onderzoeksprogramma’s, de IOP’s.
Veel onderzoek van redelijke tot zeer
goede kwaliteit zijn competitief in
Europees verband, maar de
marktresultaten zijn betrekkelijk
gering. Volgens mij is deze opmer-
king ook van toepassing op de brief – datum est omen: op de feestdag
der ’’onnozele kinderen’’ – die de
minister op 28 december 1994 over
strategische samenwerkingsprojecten
naar ons heeft gestuurd. Een
afscherming van de markt door
samenwerking en clustervorming lijkt
ons een verkeerde zaak. De overige
voorstellen die in de brief staan,
lijken mij een goed begin. De zesde stelling: vooral de
middelgrote en grote ondernemin-
gen en organisaties, inclusief de
overheid, moeten worden gestimu-
leerd om hun intern aanwezige, maar
verspreide kennis niet langer
onbenut te laten. De trefwoorden zijn
dan ’’professionaliseren’’ en ’’lerende
organisaties’’. ’’Lean and mean’’
worden is mooi, maar niet ’’lean and
mean and stupid’’, zoals men
tegenwoordig tamelijk veel hoort,
maar – als het even kan – ’’lean and
mean and clever’’. Nu wij het daar toch over hebben: het is onafwend-
baar dat wij het over hoger
onderwijs en onderzoek hebben.
Onder verwijzing naar mijn stelling
over de drievoudige verantwoorde-
lijkheid van de overheid moet
worden gesteld dat ons systeem van
hoger onderwijs en onderzoek
opnieuw aan verandering toe is. Het
aantal voor iedereen zichtbare
absurditeiten wordt langzamerhand
te groot. Binnenkort staan wij voor
de situatie dat de studenten
gemiddeld gesproken evenveel aan
studiefinanciering krijgen als zij
meteen aan het begin van het jaar
mogen afdragen aan collegegeld.
Men vraagt zich langzamerhand af
waar het nog voor nodig is om dit
vestzak-broekzak-gebeuren op deze
manier te organiseren. De ambtelijke
bureaucratie wordt erdoor in leven
gehouden. Een tweede element is de
quasi-uniformiteit van het doctoraal-
diploma. Dat is al heel lang voor ons
een bezwaar. Een derde element is
dat het hoogst noodzakelijk is dat de
ontwikkeling in de gedachten-
vorming over de betekenis van de
propaedeuse en over de relatie
tussen het wetenschappelijk
onderwijs en het hoger beroepson-
derwijs dringend aan concretiserin-
gen en concrete maatregelen toe is.
De zevende stelling luidt dan ook
dat het hoger onderwijs en onder-
zoek eigenlijk te belangrijk is om
alleen aan OCW over te laten.
Economische Zaken dient met name
voor het beroepsonderwijs en het
technologisch onderzoek meer
verantwoordelijkheid te krijgen.
Tot slot de elektronische snelwe-
gen en de nieuwe informatie-
technologische revolutie. Er zitten
veel goede zaken in dat actie- programma: de bewustwording van
de economische betekenis ervan, de
zeven actielijnen en de brede, hier en
daar wellicht te ambitieuze aanpak.
Als kritiek zou ik naar voren willen
brengen dat de rol van de overheid
wordt onderschat en dat er, ook in
financie¨le zin, te veel wordt gekeken
naar wat het bedrijfsleven doet.
Gelukkig heeft een van de vorige
sprekers – ik meen de heer Pitstra –
al verwezen naar de jonge Wijers en
diens proefschrift. Een tweede punt van kritiek: er ontbreekt een achtste
actielijn. Hoe krijg je de toekomstige
gebruikers, zowel ondernemers als
individuele gebruikers, gesensibili-
seerd? Is er geen taak voor voorlich-
ting en onderwijs? Is die taak zelfs
niet zodanig dat er een heel aparte
actielijn voor moet worden inge- steld? Een derde punt: door de
recente ontwikkelingen op
informatietechnologisch gebied –
men zou die ontwikkelingen, aan de
hand van de publikaties van Mari Pijnenborg, in driee¨n kunnen delen:
de Power PC, de multimedia-
dynamiek en de interactieve
netwerken – doemen enorme nieuwe
mogelijkheden op, maar ook nieuwe
eisen ter zake van markten en ter
zake van beroepen. Er zijn bijvoor-
beeld nieuwe manieren om
decision-supportsystemen in grotere
organisaties op te zetten en er is een
andere relatie tussen de gebruiker en
de aanbieders van kennis, omdat de
gebruiker veel meer in staat zal
worden gesteld om datgene wat hij
wil kopen, te preciseren. Dat
bedoelen wij met dynamisering van
het produkt informatie/kennis.
Dit leidt tot mijn achtste stelling.
De overheid – met name EZ – draagt
een grote verantwoordelijkheid, met
name op het gebied van de
infrastructuur, voor de relatie tussen
de kennisinstituten en de markt-
partijen, zeker nu die via de
elektronische snelwegen naar
nieuwe, veelbelovende, maar ook
veeleisende marktposities kunnen
leiden. Als voorbeeld voor de
ondernemingen zal de publiek
gefinancierde R en D-inspanning
echter duidelijk omhoog moeten. Het
zou een grove inconsequentie zijn als
de gelaakte teruggang van R en
D-bestedingen bij het bedrijfsleven
van 1,4% naar onder de 1% en bij de
overheid zelfs tot duidelijk onder de
1% niet zou kunnen worden
omgebogen. Ik ben benieuwd naar
de reactie van de regering.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="15-528">

 
<spreker pagina="15-528" anker="464" partij="VVD" naam="Verbeek">
 Mijnheer de
voorzitter! Vandaag is het de eerste
keer dat minister Wijers en zijn
staatssecretaris, mevrouw Van Dok,
hun begroting in deze Kamer
verdedigen. De minister heeft een
flitsende start gemaakt. De voortva-
rende indruk die wij kregen tijdens
een overleg met hem in onze vaste
commissie voor Economische Zaken
lijkt bevestigd door zijn beleids-
daden. Binnen acht weken werd de
300 mln. aan bezuinigingsopdrachten
uit het regeerakkoord ingevuld.
Daarvoor een compliment.
De stemming met betrekking tot
de Nederlandse economie lijkt ten
positieve gekeerd. Voor dit jaar
wordt gerekend op 3% groei, mede
als gevolg van de sterk aantrekkende
wereldhandel. Hopelijk zet het
conjuncturele herstel door en brengt
dit ’’Werk, werk en nog eens werk’’ –
de hoofddoelstelling van het
kabinetsbeleid – dichterbij. Onze
beroepsbevolking groeit sneller dan
in de ons omringende landen en er
moeten vele honderdduizenden
mensen aan het werk die nu nog op
de sociale-zekerheidsregelingen zijn
aangewezen.
De minister communiceert veel. In
de talrijke interviews erkent hij dat
de toeneming van de werkgelegen-
heid alleen mogelijk is als wij meer
bedrijven hebben met een hogere
toegevoegde waarde en als deze
bedrijven een hoog groeitempo
hebben. Dat vereist investeren in
technologie. De cijfers leren echter
dat onze R en D-uitgaven helaas zijn
gedaald tot ongeveer 1% van het
BNP. In de ons omringende landen
ligt dat cijfer op 2%. Dat is een
verontrustende ontwikkeling. Zou de
minister op deze ontwikkeling willen
reageren en willen proberen aan te
geven hoe hij haar denkt te keren?
Daarbij vraag ik hem nadrukkelijk zijn
reactie te plaatsen in een internatio-
nale context. Het lijkt erop dat een
mondialisering van de economie het
kapitalisme een nieuw gezicht geeft.
Schumpeter regeert weer, oordeelde
de NRC onlangs. Ik denk dat deze
conclusie juist is. Wij moeten deze
ontwikkeling echter niet te snel
ontkennen en de gevaren die de
Westerse economiee¨n bedreigen
weldegelijk trachten te onderkennen.
Politiek was 1989 het jaar van ’’Die
Wende’’. Ook in economisch opzicht
ben ik geneigd om dit jaar als een
belangrijk keerpunt te zien. De
economiee¨n van de Verenigde
Staten, Europa en Japan werden
getroffen door een recessie. De
politieke gebeurtenissen hadden
verstrekkende gevolgen. Het besef
groeide dat er meer aan de hand
was dan een gewone, periodieke
inzinking die weer snel gevolgd zou
worden door een krachtig herstel.
Dat herstel kwam er wel, doch de
groei was te gering om de toene-
ming van de werkloosheid tot staan
te brengen. Alleen in Azie¨ werden
hoge groeicijfers gerealiseerd. De
industrielanden kwamen voor
ingrijpende hervormingen te staan.
Markeerde de malaise de verschui-
ving van het economisch zwaarte-
punt van het Westen naar Oost-Azie¨?
Of was het ook denkbaar dat de
vooral op de industrie gebaseerde
groei zijn economische en natuurlijke
grenzen had bereikt? Moest de
toekomstige welvaart worden
gevonden in nog onvermoede
toepassingen van de informatica, in
nieuwe vormen van dienstverlening
of in belangrijke doorbraken in de
milieutechnologie of in de technolo-
gie in het algemeen?
De opkomende economiee¨n
kennen nieuwe rijkdom en nieuwe
consumenten, maar er zijn ook
bedreigingen. Een ervan heb ik van
nabij kunnen aanschouwen. Vorig
jaar heb ik op uitnodiging van de
Chinese regering met een delegatie
van de Raad van Europa een
omvangrijke rondreis gemaakt in dat
land. Ik heb mij daar, meer in het
bijzonder, kunnen verdiepen in de
’’Special Economic Zones’’, die
temidden van een overigens strak
geleide economie zijn gecree¨erd
door de Chinese overheid als een
soort vrijplaats voor een volstrekt
kapitalistische economische
bedrijvigheid. Men lokt daar
Westerse ondernemingen naar toe
met vergaande fiscale tegemoetko-
mingen, ook voor de derwaarts
uitgezonden managers en het hogere
kader. De beslissende
vestigingsplaatsfactor is de zeer lage
prijs van arbeid bij werkweken van
zestig uur. De aanblik van grote
montagehallen met lopende banden
en rijen kinderen, van twaalf tot
zestien jaar, deed denken aan de
beschrijving van de kinderarbeids-
omstandigheden van Europa rond de
eeuwwisseling.
De globalisering van bedrijfs-
activiteiten leidt vooral in West-
Europa, en tot op zekere hoogte ook
in de Verenigde Staten, tot een
uittocht van veel industrie¨le
bedrijvigheid naar lage-lonenlanden zoals China, maar ook naar elders:
Azie¨, Latijns-Amerika en, niet te
vergeten, Oost-Europa. Betekent de
verschuiving van markten en
economische machtsverhoudingen
slechts het einde van het zoge-
naamde Rijnlandse model, zoals
Michel Aubert, de oud-directeur van
het Franse planbureau, dat omschrijft
in zijn lezenswaardige, zij het
enigszins zelfgenoegzame boek
’’Capitalisme contra capitalisme’’? Of
gaat achter deze ontwikkeling een
grote economische en sociale
tijdbom schuil? Verplaatsing van
produktie leidt tot uitstoot van arbeid
in de geı¨ndustrialiseerde landen met
hoge lonen en dito sociale voorzie- ningen. Gevolg aldaar: omvangrijke
werkloosheid. Het is te hopen dat het
leger van honderden miljoenen zeer
goedkope en voor een deel zeer
hoog geschoolde arbeidskrachten
zich relatief snel ontwikkelt tot
koopkrachtige consumenten. Anders
moet in de geı¨ndustrialiseerde
landen voor sociale ontwrichting van
ongekende omvang worden
gevreesd.
Vernieuwing is niet tegen te
houden. Het is een onvermijdelijk
proces dat de industrie met minder
mensen meer produceert. Daar komt
bij dat de internationale concurrentie
verhardt. Om daaraan het hoofd te
bieden, nemen bedrijven drastische
besluiten. Zo heeft een Zweeds-
Zwitserse multinational dezer dagen
een machinefabriek in haar geheel
verplaatst van Duitsland naar Polen.
Als dit geen uitzondering blijft, maar
regel wordt, is er sprake van
ingrijpende ontwikkelingen waar
werkgevers, werknemers en de
politiek diep over moeten nadenken.
Er zijn geen eenvoudige recepten.
Misschien kunnen wij het debat
daarover vandaag al beginnen.
Nederlandse ondernemingen
scheppen wel werk, maar vooral in
het buitenland. Volgens het
Financieele Dagblad van 17 januari
jongstleden overwegen twee op de
vijf internationaal actieve Neder-
landse ondernemingen binnen vijf
jaar een gedeelte van hun activiteiten
naar het buitenland te verplaatsen.
De belangrijkste redenen zijn
kostenvermindering en de mogelijk-
heid voor een globale aanpak door
het wegvallen van de grenzen.
Daardoor behoeven niet in elk land
aparte vestigingen te worden
onderhouden. Bedrijven kiezen voor
de goedkoopste oplossing, geholpen
door transport en door betere
telecommunicatie. Volgens een
onderzoek van de Vrije Universiteit
en de exportorganisatie Fenedex
overwegen de Nederlandse bedrijven
die activiteiten naar het buitenland
willen verplaatsen, gemiddeld een
vijfde van hun activiteiten over te
brengen. Als de verwachtingen
worden waargemaakt, zal Nederland vooral produktie verliezen: 38% van
de bedrijven in produktiesectoren
overweegt deze te verplaatsen,
terwijl 25% van de bedrijven in de
dienstverlenende sectoren overweegt
hun produktie, casu quo ’’back-
office’’-activiteiten, naar het
buitenland over te brengen.
Voorwaar een ontwikkeling die
aandacht behoeft tegen de achter-
grond van de grote werkloosheid.
Bovendien bedreigt een dergelijke
versmalling van onze industrie¨le
basis de Nederlandse economie. Hoe
kan Nederland en vooral de
Nederlandse overheid concurreren-
der worden?
Terug naar het beleid. De minister
heeft aangegeven waar hij de
komende jaren beleidsaccenten wil
leggen. Behalve op een industriebe-
leid, gericht op het versterken van
clustervorming rond bepaalde
’’centers of excellence’’ en hoog-
waardige bedrijven, wenst de
minister de marktwerking op velerlei
gebied te verbeteren, te beginnen
met de liberalisering van de
Winkelsluitingswet. Ik ben er niet
zeker van of dit voldoende is, maar
een goede aanzet is het zeker.
Het proces van mondialisering
heeft verstrekkende gevolgen voor
de Nederlandse economie en de
werkgelegenheid in het bijzonder. In
het CPB-rapport ’’Scanning the
Future’’ worden vier toekomst-
scenario’s geschetst. Het is moeilijk
te zeggen welk scenario het dichtst
bij de realiteit komt te liggen. Na de
recente verkiezingen in de Verenigde
Staten lijkt het niet uitgesloten dat
het zogenaamde ’’Europese
Renaissance’’-model aan kracht wint.
Kernelementen daarvan zijn een
voltooiing van de Europese markt en
een protectionistische politiek van de
Verenigde Staten. Reden genoeg om
nog eens goed naar de sterkten en
zwakten van de Nederlandse
economie te kijken. De dalende
tendens in de R en D-uitgaven die ik
in het begin van mijn bijdrage heb
gesignaleerd, geeft te denken.
Nederland moet weer aantrekkelijk
worden als investeringsland. Moeten
wij daarbij weer terugvallen op de
traditionele instrumenten als
verkleining van de wig, verlaging van
de lastendruk, loonmatiging,
bevordering materie¨le infrastructuur,
een goed fiscaal investeringsklimaat,
bijvoorbeeld door herinvoering van
de VAIA, de vervroegde afschrijving
en investeringsaftrek, die in de
praktijk minder fraudegevoelig was
dan de WIR bleek te zijn? Of leven er
ter departemente op dit punt
creatievere ideee¨n? Het is de
onvervreemdbare plicht van de
ondernemer om via het winststreven
de continuı¨teit van zijn bedrijf veilig
te stellen. Daarbij heeft hij rekening
te houden met de internationale
concurrentieverhoudingen op het
gebied van arbeidskosten, fiscaliteit,
infrastructuur alsmede met
rentabiliteitseisen van aandeelhou-
ders en banken. Derhalve wordt
zoveel mogelijk gemechaniseerd en
geautomatiseerd. Overtollig
personeel wordt afgestoten. Het
bedrijf wordt geoptimaliseerd. Een
pijnlijk maar vaak onvermijdelijk
proces.
De uitruil van loonmatiging voor
werkgelegenheid heeft tot nu toe te weinig opgeleverd. Sterker nog:
ondanks het aantrekken van de
economie is volgens recente
CBS-cijfers de werkgelegenheid in
het afgelopen jaar licht gedaald,
vooral onder de 15- tot 34-jarigen.
Het aantal werklozen stijgt derhalve
mede door het groeiende legioen
van middelbaar, hoger en universitair
geschoolden die met grote inzet
proberen een baan te bemachtigen,
vaak beneden hun opleidingsniveau
en zelfs dat lukt lang niet altijd. Er
dreigt een maatschappelijk verspil-
ling van relatief grote omvang.
Wordt in deze situatie de winstmaxi-
malisatie waarnaar een onderneming
geacht wordt te streven de vijand
van de werkgelegenheid? Zou dit een
onderwerp zijn voor een hernieuwde,
maar meer dan een filosofische
discussie? De Nederlandse bedrijven
beschikken over ruime liquiditeiten.
Medio 1994 hadden zij 140 mld. bij
de banken op deposito uitstaan. Met andere woorden: voldoende direct
beschikbare middelen om te
investeren. Dat gebeurt ook wel,
maar vooral in het buitenland en dat
levert in ons land geen arbeidsplaat-
sen op.
Voorzitter! Het bedrijfsleven erkent
zijn maatschappelijke verantwoorde-
lijkheid. Een probleem daarbij is
echter, dat een directie wordt
beoordeeld op het bedrijfsresultaat.
Zou een versoepeling van het
ontslagrecht als ook een systeem
van royale fiscale tegemoetkomingen
bij investeringen in Nederland,
waarbij nieuwe en bij voorkeur
hoogwaardige arbeidsplaatsen
worden gecree¨erd uitkomst kunnen
bieden? Bij de kwaliteit van het
bestaan hoort zinvol werk, niet in de
eerste plaats als inkomensbron, maar
als middel tot zelfexpressie,
zelfontplooiing en maatschappelijke
integratie.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="15-529">

 
<spreker pagina="15-529" anker="465" partij="RPF" naam="Schuurman">
 Mijnheer
de voorzitter! De minister van
Economische Zaken heeft reeds
veelvuldig van zich laten horen. Het
is goed te weten welke ideee¨n hij
heeft. In de pers zijn er ook al heel
wat discussies over onze economie
gestart in de hoop – althans daar ga
ik van uit – daarmee de minister van
dienst te zijn. In een aantal van die
discussies wil ik mij mengen.
De secretaris-generaal van
Economische Zaken heeft recent in
zijn nieuwjaarsartikel in het weekblad
Economische statistische berichten
de stelling verdedigd dat het
aantrekken van de economie op dit
moment de structurele problemen
van de Nederlandse economie
verhult. Die problemen betreffen het
nog altijd te grote financierings-
tekort, het ontijdig aanpassen van de
sociale zekerheid en niet te vergeten
de problemen van de arbeidsmarkt.
Langdurige werkloosheid vormt een
blijvend probleem. Geelhoed meent
dat een aanpassing van de sociale
zekerheid met minder kosten de
werkgelegenheid zal verruimen. Ik
vermoed dat daarin in elk geval
ruimte zit, zij het maar een geringe
ruimte voor de uitbreiding van
werkgelegenheid. Maar wil dat
bereikt worden, dan zal duidelijk
moeten zijn hoe de vernieuwing van
de sociale zekerheid eruit ziet en
wanneer die zal worden gerealiseerd.
Alhoewel wij hier een beleidsdebat
over Economische Zaken houden,
mag toch ook aan de minister van
Economische Zaken naar zijn mening
en visie op dit punt gevraagd
worden, vooral ook omdat hij tot nu
toe niet geschroomd heeft over
allerlei politieke onderwerpen zijn
licht te laten schijnen. Hij heeft zelfs
al eens gepleit voor een basisinko-
men voor iedere burger.
In het verlengde daarvan zouden
wij ook graag zijn visie vernemen
over de ontwikkeling van werkgele-
genheid als zodanig bij een
aantrekkende economie. ’’Werk, werk
en nog eens werk’’ is het devies van
dit kabinet. Maar is het wel zo zeker
dat bij aantrekkende economie en
daarmee ruimte voor meer investe-
ringen, de werkgelegenheid ook fors
zal toenemen? Zal die toename niet
juist daarom gering zijn omdat de
investeringen zich vooral richten op
technische vernieuwingen, waardoor
juist opnieuw uitstoot van arbeid zich
zal gaan voordoen? Wie dagelijks
naar de media luistert of ernaar kijkt,
zal toch vooral door die ontwikkeling
onder de indruk komen. Is de
conclusie juist dat het structurele
probleem van werkgelegenheid bij
economische groei niet echt wordt
opgelost? En welke maatregelen
moeten naast een vernieuwing van
de sociale zekerheid worden
genomen om dat structurele
probleem grondig aan te pakken?
Het zou ook kunnen zijn dat de
minister met zijn suggestie van een
basisinkomen de moed om tot
volledige werkgelegenheid te komen
al heeft opgegeven. Is dat juist?
Geelhoed suggereert opnieuw
’’flexibilisering en deregulering’’. Om
eerlijk te zijn, zie ik niet goed hoe dat
de structurele problemen van onze
economie echt verbetert. Ik kan me
zelfs voorstellen dat tijdelijk werk
door dergelijke maatregelen wordt
bevorderd – kijk naar de bloei en
groei van uitzendbureaus – maar dat
blijvende werkgelegenheid eerder af-
dan toeneemt. Dat Geelhoed de
echte problemen signaleert lijkt mij
juist, maar zijn therapie wekt geen
vertrouwen, behalve wanneer hij
pleit voor het drastisch terugdringen
van het financieringstekort en de
staatsschuld. Wat is de visie van de
minister? Welke maatregelen staan
hem voor ogen om aan de structu-
rele problemen echt iets te doen?
Merkwaardig genoeg gaat
Geelhoed niet erg overtuigend in op
begeleidende verschijnselen bij
economische groei, namelijk de
ontwikkeling van nieuwe technologie
die werk in lage-lonenlanden
voordeliger maakt en onze arbeids-
markt blijvend onder druk zet. Dit
geldt te meer, daar uit recent
onderzoek bleek dat eenvierde van
de Nederlandse ondernemingen een
dergelijke verplaatsing van arbeid
overweegt.
In de NRC van 22 november
jongstleden leverde Van der Zwan
een heel andere bijdrage aan het
economiedebat. Hij is van mening
dat we in de politiek, in de economie
zo moeilijk tot noodzakelijke
vernieuwingen komen, omdat die
terreinen in de greep zijn van een
’’kartel van machthebbers’’. Dat
kartel is volgens Van der Zwan
gericht op steeds dezelfde thema’s
als loonmatiging en sanering als
vermeende remedies voor alle
economische kwalen. Voor vernieu-
wing van de industrie wordt veel te
weinig initiatief genomen. Alhoewel
ik niet met alles wat Van der Zwan
zegt, instem – bijvoorbeeld om het
loonmatigingsbeleid los te laten –
denk ik dat hij gelijk heeft als hij voor
onze economie het vooral verwacht
van het midden- en kleinbedrijf. Elke
vernieuwing daar zal tot meer werk
leiden en omdat het om een grote
sector gaat zal uitbreiding van
geringe werkgelegenheid per bedrijf
voor het geheel tot enorme
resultaten leiden. Bij de grote
nationale en multinationale
ondernemingen openbaart zich
daarentegen een tegengestelde
tendens. Die tendens wordt versterkt
door saneringen bij banken en
verzekeringsmaatschappijen. Naar
analogie van nieuwe ontwikkelingen
in het midden- en kleinbedrijf zou
vergroting van de werkgelegenheid
zich dan ook kunnen voordoen in
kleinschalige sectoren van de
dienstverlening. Maar om zowel het
een als het ander tot ontwikkeling te
brengen moet de overheid een
stimulerend beleid voeren. Is de
minister het met Van der Zwan eens,
dat wij in het verleden vele
industriee¨n hebben weggesaneerd,
zonder aandacht voor vernieuwing
en vervanging te hebben? Denk
daarbij aan bedrijfstakken als de
meubel-, textiel-, confectie- en
leerindustrie. De vraag is of alsnog
nu initiatieven voor vernieuwingen
van produkten en diensten genomen
kunnen worden die in het verleden zijn nagelaten. Met andere woorden:
hoe staat het met een vernieuwd
herindustrialisatiebeleid dat echt
zoden aan de dijk zet? Om elk
misverstand uit te sluiten, zou ik niet
willen pleiten voor een
24-uurseconomie, zoals wel
gesuggereerd wordt dat de minister
die voorstaat. Heeft hij met zijn
voorstellen over verruiming van de
winkelsluitingstijden aan die
suggestie geen voet gegeven? Zo’n
economie zal met behulp van
bepaalde technologiee¨n onze cultuur
opzwepen in een richting waaraan
steeds minder mensen deel zullen
hebben en waarvan steeds meer
mensen de dupe zullen worden,
vooral internationaal gezien.
Grootschaligheid, intensivering en
een opgezweepte dynamiek zouden
minder aandacht moeten krijgen dan
kleinschaligheid, extensivering en
stabilisering, wat overigens
vernieuwing in het geheel niet
uitsluit, zoals ik zojuist heb laten zien
in het verband van het midden- en
kleinbedrijf. Deze trend is vooral
nodig, omdat – zoals ik zoe¨ven al zei
– grote ondernemingen zichzelf wel
kunnen redden en zich in dat redden
vaak niet bekommeren om wat we
werkelijk nodig hebben, namelijk de
levensvervulling van velen in werk.
In een interview met NRC Handels-
blad van 17 december jongstleden
zegt de minister terecht dat we een
onderklasse moeten voorkomen. Is
dat mogelijk in een 24-uurseconomie
waaraan naar mijn overtuiging
sociale destructie inherent is? Of
zullen we juist naast vernieuwingen
ons ook beperkingen in de schaal en
in de intensiteit moeten opleggen?
Daarmee ben ik toegekomen aan
de vraag welke visie het kabinet op
de economie heeft. Hoe zou het
kabinet het economisch beleid dat
het voorstaat, willen karakteriseren?
Uit het interview in NRC Handelsblad
van 17 december jongstleden geeft
de minister er blijk van, niet veel op
te hebben met de ’’economie van het
genoeg’’. Maar hij geeft van die visie
wel eerst een karikatuur door te
zeggen dat hij niet gelooft dat er
economische groei zal zijn door
banen te schrappen. Dat zou, zegt
hij, het fundamentele geloof zijn van
de ’’economie van het genoeg’’. Als
je zoiets leest, wrijf je je ogen wel
even uit. Afgezien van de vraag of ik
zonder meer een aanhanger van die
visie van de ’’economie van het
genoeg’’ zou willen of kunnen zijn –
ik sta liever een rentmeester-
economie voor – zit de minister er
met zijn karakterisering in elk geval
helemaal naast. De ’’economie van
het genoeg’’ is juist van mening dat
de opgezweepte economische
ontwikkeling door de motor van de
moderne technologie tot grote
uitstoot van banen leidt en dat we
daarom bij economische groei een
jobless growth krijgen. In zekere zin
verwijt de pot hier dus de ketel dat
hij zwart ziet. Maar ondertussen
heeft de minister zich daarmee wel
heel duidelijk uitgesproken voor het
economisch groeigeloof. Hij zegt
immers dat hij niet gelooft dat het nu
maar eens uit moet zijn met het
almaar meer consumeren en
produceren. Ik weet niet of de
minister het met mij eens is wanneer
ik daaruit de conclusie trek dat hij
zich rekent tot diegenen die een
materialistische groei-economie
voorstaan; een economie waarin het
erom gaat, op een zo efficie¨nt
mogelijke wijze effectieve produkten
te leveren. Anderen hebben dat in
een beeldspraak ook wel een
’’tunneleconomie’’ genoemd. Men
staart zich blind op de economische
doelen die men wil bereiken, zonder
aandacht te hebben voor de weg
waarlangs of de manier waarop dat
produceren gebeurt. Het is mogelijk
dat ondertussen die weg onder druk
van allerlei problemen, zoals het
milieuprobleem, is aangepast. Maar
de oude visie van de materialistische
economie is dezelfde gebleven.
Wanneer we toch in beeldspraak of
metaforen over economie spreken,
heb ik het liever hebben over een
’’boomeconomie’’. Dan komen de
juiste proporties meer aan de orde,
is groei niet uitgesloten, maar blijkt
die groei niet desastreus voor natuur
en maatschappij te kunnen worden,
zoals bij de tunneleconomie we`l het
geval is. In die tunneleconomie
draagt men als het ware oogkleppen.
Het accent op groei van de materie¨le
– met name particuliere – welvaart
en de stijging van de arbeidsproduk-
tiviteit en de dominantie van het
marktdenken leiden tot een
erodering van het cement van de
samenleving. In het beleid is er een
eenzijdige gerichtheid op het
subsysteem economie, met
verwaarlozing van de samenhang
met de andere subsystemen.
Ondertussen ben ik daarmee
aangekomen bij de vraag welke
waarden en normen de minister voor
ogen houdt bij de ontwikkeling van
zijn beleid. Het is toch van het
grootste belang om in onze
democratie te weten welke visie en
welke uitgangspunten aan een beleid
ten grondslag liggen. Uit wat de
minister tot nu toe gezegd heeft in
allerlei interviews, kunnen wel wat
conclusies worden getrokken, maar
liever hoor ik in dit beleidsdebat de
minister zelf zijn visie op economie
en haar ontwikkeling duidelijk en
samenhangend uitspreken. Bij dezen
dus een uitnodiging daartoe.
Zoe¨ven zei ik al dat de RPF pleit
voor de rentmeestereconomie. Dat is
onzes inziens een gezonde econo-
mie, omdat ze dienstbaar is aan de
realisering en instandhouding van
een duurzame samenleving, in
ecologische en maatschappelijke zin.
Het denken in samenhangen tussen
de verschillende sectoren van de
samenleving is voorwaarde voor een
beleid, gericht op de gezondmaking
van de economie. Die verschillende
sectoren zijn de politiek, de
economie, de technologie, de
cultuur, de natuur en de samenle-
vingsverbanden. Daartussen moet
zich een evenwichtige wisselwerking
voltrekken. Momenteel zijn die
verbanden ernstig, zo niet zeer
ernstig verstoord.
Laat ik me in dit debat verder
beperken tot de wisselwerking
tussen economie en technologie en
daarmee tot de wisselwerking tussen
economisch en technologisch beleid.
Vanuit welke culturele orie¨ntatie
moet die wisselwerking worden
gezien? Alhoewel de subsidies voor
technologiebeleid zijn verminderd,
wordt de vernieuwing terecht als
voorwaarde gezien voor meer
economische activiteiten. Maar welk
motief en welke normen zijn daarbij
belangrijk? Ik heb het vermoeden dat
op die vragen geen eenduidig
antwoord wordt gegeven. Meestal
beoordeelt men de nieuwe techniek
alleen, mijns inziens dus te eenzijdig
en te beperkt, op de normen van
effectiviteit en efficie¨ntie. Ik zou
vanwege het concept van de
rentmeestereconomie, waarin zorg
om de natuur, om de cultuur en om
de mens en zijn gemeenschappen tot
uitdrukking komt, veel meer normen
van meet af aan in rekening willen
brengen. Zoals die van communica-
tie en informatie van iedereen die
erbij betrokken is, die van recht doen
aan de schepping in allerlei variatie,
de norm van harmonie, de norm van
zorg voor alles en iedereen die bij de
nieuwe technologie betrokken zijn of
ermee te maken krijgt. Binnen een
dergelijk raamwerk van normen een
technologie-ontwikkeling bevorderen
en een technologiebeleid uitstippe-
len, betekent de economie niet
isoleren en verengen en daarin
losmaken van de samenhang van de
werkelijkheid, maar juist daarin, in
die samenhang en in dat geheel van
de werkelijkheid, opgenomen zien.
Dus het gaat niet alleen om een
efficie¨nte transformatie van
grondstoffen en vormen van energie
met het oog op de behoefte-
bevrediging en de welvaart van de
consument. Rentmeester-economie
is een verruimde economie,
waarbinnen aan de schepping, aan
de werknemer, aan de consument en
niet te vergeten aan de potenties van
arme volkeren en aan toekomstige
generaties wordt recht gedaan. Zo’n
economie gaat alle roofbouw en
uitbuiting tegen en wordt geken-
merkt door wijsheid en door
rechtvaardigheid. Technologie
binnen dat beleid is niet gericht op
machtsconcentraties – dus geen
centralisme – maar op een diverge-
rende beweging. Vandaar ook mijn
eerdere pleidooi, meer aandacht te
geven aan het midden- en kleinbe-
drijf en aan startende ondernemers.
Ook zou bij de steun aan de
ontwikkeling van multimedia, van de
digitale snelweg, enz. van meet af
aan aandacht geven moeten worden
aan het voorkomen van een
mogelijke tweedeling in haves en
have-nots, in werkenden en
werklozen. De overheid behoort te
anticiperen op mogelijk onrecht dat
met nieuwe technologiee¨n kan
ontstaan en zij behoort tegen dat
onrecht de gee¨igende maatregelen te
nemen.
Van harte hoop ik dat de minister
in dit huis van reflectie op de inhoud
van mijn beschouwing zal willen
ingaan. Ik wacht met spanning af.
De vergadering wordt van 15.32 uur
tot 16.00 uur geschorst. 

</spreker>
<spreker pagina="15-531" anker="466" naam="De voorzitter">
 Wij zijn toe aan het
antwoord van de regering in eerste
termijn. Naar het zich laat aanzien,
zal dat in ieder geval tot half zes of
kwart voor zes duren. Het is, zoals al
gezegd, mijn voornemen om te
proberen tussen kwart voor zeven en
zeven uur deze begrotings-
behandeling te bee¨indigen. Dat heeft
consequenties voor de tweede
termijn van de zijde van de Kamer.
Enige selectie lijkt mij daarom op
haar plaats.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="15-531">

 
<spreker pagina="15-531" anker="467" soort="Minister" naam="Wijers">
 Voorzitter! Ik wil in
de eerste plaats alle afgevaardigden
danken voor hun bijdragen, die door
de reflectieve inhoud aanleiding
geven tot een discussie, die wij
echter niet in een uur en kwartier in
alle diepgang kunnen afdoen. Ik
garandeer echter, dat de signalen bij
mij zullen doorklinken, ook na dit
debat. Ik zal proberen een aantal
elementen zoveel mogelijk te
behandelen, maar vele zullen in dit
debat niet kunnen worden afgedaan.
De vraag is gesteld of de
staatssecretaris en ik de context rond
de cijfers nog eens helder kunnen
maken. Het beeld is dat van een
oplevende economie. De groei in
1994 bedroeg 2,2%, veel hoger dan
wij in het begin van dat jaar dachten
en in de bijstellingen meenden te
mogen verwachten. De heer Verbeek
wees er al op, dat wij in 1995 een
groei van 3% verwachten. Zeker, en
ook is waar dat de export tot nu toe
verreweg de belangrijkste motor
achter die opleving is. De prognoses
voor 1995 en 1996 zijn in die zin wel
degelijk hoopgevend, omdat een
traditioneel conjunctureel beeld is te
zien waarin na de export ook de
binnenlandse investeringen fors
expanderen. Uit een recente
CBS-enqueˆte blijkt, dat voor 1995
25% groei van de investeringen van
industrie¨le bedrijven wordt verwacht.
Dat is weliswaar na een daling, maar
25% is toch heel fors. Daarna zal,
zoals klassiek het geval is, op een
gegeven moment de binnenlandse
consumptie daarin een rol spelen. De
heer Vermaat vraagt wat de reden is
van dit extrapolerende gedrag van
mij en hij noemde daarbij cijfers, die
ik toch wel erg somber vond. Ik
herkende ze niet helemaal. De
arbeidsmarkt is nu al aan het
aantrekken. Dat is ook te zien aan de
activiteiten van de uitzendbureaus,
die heel snel gegroeid zijn. Ook dat
is een normaal beeld in een
aantrekkende conjunctuur. Wij
verwachten in 1995 wel degelijk al een groei van de werkgelegenheid:
53.000 arbeidsjaren en 74.000
personen. De heer Vermaat sprak
over het consumentenvertrouwen. Laten wij wel zijn: het consumenten-
vertrouwen ligt in 1994 ruim boven
dat in 1993. In het laatste kwartaal
van 1994 is het iets afgezwakt ten
opzichte van het derde kwartaal,
maar het is nog altijd veel hoger in
vergelijking met het vierde kwartaal
van 1993. Gezien de internationale
context is het mijn verwachting – ik
kan dat natuurlijk niet aantonen want
het bewijs ligt in de toekomst – dat
het laatste kwartaal van 1994 eerder
een uitzondering op de trend zal zijn
dan het begin van een daling. Alle
klassieke indicatoren wijzen de
goede kant op.
De heer Vermaat sprak over de
situatie in Duitsland. Er is geen
sprake van een daling van de
economische groei in Duitsland. In
1995 wordt een groei van 3%
verwacht en in 1996 van zelfs 3,5%.
Wat betreft de conjunctuur is er dus
wel zeker reden tot optimisme en dat
helpt ons in het oplossen van het
werkgelegenheidsvraagstuk. Ik geloof
persoonlijk niet in het fenomeen van
jobless growth; die discussie hebben
wij twee jaar geleden in de Vere-
nigde Staten kunnen horen en die is
nu verdwenen, omdat de cijfers zich
ontwikkelen zoals dat in het verleden het geval is geweest: weliswaar met
een zekere vertraging maar wel
degelijk in een groei van de
werkgelegenheid. Dat wil absoluut
niet zeggen, dat er niet allerlei
redenen zijn om ons grote zorgen te
maken over de achterliggende,
structurele tendensen.
Het gevaarlijkste is, dat wij ons
door deze conjunctuurontwikkeling in
slaap laten wiegen, wat ik overigens
bij geen van de afgevaardigden heb
gemerkt. In de langere-
termijnontwikkeling zien wij, dat
Nederland bijvoorbeeld vergeleken
met Duitsland en Frankrijk relatief
terugzakt in zijn welvaarts-
ontwikkeling, al jaren lang. In 1970
zaten wij nog 13 punten boven het
gemiddelde van de Europese Unie
en nu nog maar 2 punten. De heer
Mertens heeft daar terecht op
gewezen. We zien dat het begrip
’’globalisering’’, dat het goed doet op
fora e.d., een heel vervelende kant
heeft en wel in die zin, dat in een
internationale economie op het
scherp van de snede wordt
geconcurreerd op vestigingsplaats.
Niet alleen hele bedrijven maar ook
stukjes bedrijven zoeken hun
vestigingsplaats op basis van een
complex van overwegingen en niet
alleen meer in Noord-West-Europa,
maar gedeeltelijk – zoals de heer
Verbeek terecht opmerkte – in
Midden- en Oost-Europa, Latijns-
Amerika, Zuid-Oost-Azie¨ en ga zo
maar door. Het feit dat 40% van de
bedrijven op het ogenblik overweegt
zijn activiteiten in de komende vijf
jaar te verplaatsen, is op zichzelf niet
verontrustend als daartegenover een
beeld zou staan van even veel
internationale ondernemingen die
overwegen om Nederland als
vestigingsplaats van hun activiteiten
te nemen. Dan zou je over een
gebalanceerd proces kunnen
spreken, maar niets wijst daarop. Er
is dus sprake van een onbalans.
Als wij kijken naar de verhouding
tussen uitkeringsgerechtigden en
werkenden, zien wij dat sinds 1970
die verhouding bijna ieder jaar is
gestegen en dat los van de conjunc-
turele ontwikkelingen van de
afgelopen jaren. Het is weliswaar
verzacht door die conjuncturele
ontwikkelingen maar zelfs in de
tweede helft van de jaren tachtig,
toen de werkgelegenheid toch heel
snel groeide, is er geen daling
opgetreden in die ratio. In de huidige
situatie neemt maar de helft van de
bevolking tussen 15 en 65 jaar deel
aan betaald werk – in volle banen
gemeten – terwijl er in 1970 nog
sprake was van 60%. Is het een
natuurverschijnsel? Moeten wij ons
hierbij neerleggen? Ik geloof daar
niets van want Duitsland, dat wij in
het algemeen als een beschaafd land
beschouwen, zit net als 14 of 15 jaar
geleden nog steeds op ongeveer
60% en dat land heeft toch ook te
maken met een forse instroom van
ongeschoolde beroepsbevolking en
daardoor met een grote discontinuı¨-
teit in zijn structuur. Kortom, de
achterliggende trends zijn bijna
beangstigend, zeker als wij rekening
houden met het specifiek Nederlands
vraagstuk van een buitengewoon
sterke groei van het arbeidsaanbod.
Sinds 1985 groeit in Nederland de
beroepsbevolking met ongeveer
1,5% per jaar. De heer Verbeek
verwees daarnaar. Dat is drie keer zo
hoog als het gemiddelde in de
Europese Unie. De komende jaren
komen er ook weer eens 80.000 tot
90.000 mensen op de arbeidsmarkt
bij. Dat weten we nu al. Ik geloof
persoonlijk, dat die hoge inactiviteit
niet alleen een economisch maar ook
een sociaal probleem is. Ik zie het
vooralsnog in deze omvang niet als
een kans; ik zie het als een bedrei-
ging die het economische verre te
boven gaat maar die door het
verschijnsel van desocialisering, door
het ontstaan van randgroepen met
name in de grote steden, moet
worden beschouwd als he`t probleem
van onze tijd. Als wij dat niet op een
goede manier oplossen, zal het de
fundamenten van de verzorgings-
staat ondergraven. Het zal mensen
isoleren en het zal aan onze
beschaving gaan knagen.
Vanwege die groei van het
arbeidsaanbod, maar ook vanwege
het hoge aantal uitkeringstrekkers
dat wij nu al hebben, moeten wij het
dus in de creatie van de formele
werkgelegenheid veel en veel beter
doen dan de ons omringende
landen. Dat is eigenlijk waarover wij
de facto spreken. Zowel de heer Pit,
de heer Schuurman als de heer
Vermaat heeft gevraagd, om welke
omvang het eigenlijk gaat. Ik sprak
reeds over 80.000 a` 90.000 mensen
extra per jaar erbij. Als gevolg van
de arbeidsongeschiktheidsmaatre-
gelen is er een influx in de
werkloosheidsregelingen van
ongeveer 20.000 a` 30.000 personen
per jaar. Het gaat daarbij om mensen
die uit dat traject komen, maar wel
perspectief moeten hebben op werk.
Daartegenover staat nu vanuit het
gunstigste scenario plus het
kabinetsbeleid een resultaat van
ongeveer 110.000 banen per jaar. Als
je die getallen in hun samenhang
ziet, betekent dit dat, wanneer wij het
beleid integraal uitvoeren zonder
teveel tegenslagen en met de
conjuncturele wind in de rug, wij erin
slagen om met deze berekeningen
een daling van de werkloosheid te
realiseren, doch geen substantie¨le.
Het is ook niet eenvoudig. Als wij
even de recente geschiedenis nemen
en kijken naar het werkgelegenheid-
cree¨rend vermogen van onze
economie en wij nemen daarbij het
topjaar 1990, zien wij dat er 125.000
personen aan een baan konden
worden geholpen bij 4% groei. Dat is
zoals het nu in elkaar steekt. De
opdracht is helder. Als er kabinet
zegt ’’werk, werk, werk’’, moeten er
dus nog meer banen bij. Dan moeten
wij de concepten c.q. de ideee¨n die
in het regeerakkoord liggen of die in
de filosofie van het regeerakkoord
passen tot in hun essentie uitwerken.
Wij moeten proberen die ook zo snel
mogelijk in te voeren als zij bijdragen
aan het cree¨ren van meer werkgele-
genheid. Wij hebben het over een
mix van instrumenten. Er zijn geen
eenvoudige recepten. Ik ben het
geheel eens met hetgeen de heer
Verbeek daarover zei. Wie de
pretentie heeft nu een scenario te
hebben dat in al zijn effecten
doordacht is en dat op zeer
afzienbare termijn leidt tot volledige
werkgelegenheid, daarmee zou ik
graag een uitgebreid gesprek
hebben. Het is namelijk een traject
van jaren. Het is een geen traject van
vier jaar, het is waarschijnlijk een
traject van acht jaar. Een aantal
afgevaardigden heeft gevraagd, wat
dan nog het concept van volledige
werkgelegenheid is. Wanneer bereik
je dat? Waaraan moeten wij dan
denken? Moeten wij dan terug naar
de jaren zeventig of moeten wij aan
andere zaken denken?
Ik ben er persoonlijk van overtuigd
dat de frictiewerkloosheid in deze
periode van discontinuı¨teiten, van
korte lifecycles, van grote verande-
ringen in de economische structuur
maar ook van evidente aansluitings-
problemen op de arbeidsmarkt met
name in het nieuwe arbeidsaanbod
maar ook bij de langdurig werkloos-
heid, veel hoger zal zijn. Vraag mij
niet dat precies te kwantificeren,
maar 5% lijkt mij ree¨el, ook op basis
van schattingen die in het buitenland
bestaan. Misschien is het wel hoger.
Als wij van dat getal uitgaan, denk ik
dat wij sommen kunnen maken die
het in principe mogelijk maken dat er
een beleid wordt ontwikkeld dat
uiteindelijk leidt tot een benadering
van volledige werkgelegenheid. Ik
sluit dat niet uit. Ik geloof niet dat
het werkloosheidsvraagstuk
beleidsresistent is. Wij moeten echter
wel de moed hebben om steeds de
grenzen van beleid te verkennen en
te bekijken, of wij op een aantal
punten een stapje verder kunnen
gaan. Wij spreken daarbij over een
mixture van instrumenten. Het
macro-economisch beleid is een
absolute conditie. Een aantal
afgevaardigden heeft daarover
instemmend gesproken. Ik wil niet te
lang stilstaan bij de noodzaak het
financieringstekort te verlagen en
dergelijke. Ik wil wel graag op een
thema ingaan, namelijk de loonmati-
ging. Daarover is een aantal
opmerkingen gemaakt. Die vragen
om een reactie.
Heeft de loonmatiging van de
afgelopen jaren een bijdrage
geleverd aan de oplossing van het
werkloosheidsvraagstuk en moet
daarmee worden doorgegaan, zo
vroegen verschillende afgevaardig-
den. Mag ik in de eerste plaats
vaststellen dat, wanneer je gelooft in
marktwerking, het blote feit van de
huidige verhouding tussen vraag en
het aanbod op de arbeidsmarkt het
heel eigenaardig maakt dat er sprake
zou kunnen zijn van een loon-
explosie. In die zin is de loonmati-
ging van de afgelopen decennia niet
alleen een succes dat kan worden
toegeschreven aan onze overlegeco-
nomie, doch ook gewoon het
resultaat van de marktverhoudingen.
Ik geloof niet dat, als de verhouding
tussen vraag en aanbod anders had
gelegen, onze institutionele
voorzieningen u¨berhaupt in staat
zouden zijn geweest tot loonmatiging
aanzet te geven. Er is sowieso een
element van vraag en aanbod. 

</spreker>
<spreker pagina="15-533" anker="468" partij="D66" naam="Mertens">
 Is van de
1,5% waarmee wij zo uit de Europese
pas lopen, te voorspellen hoe lang
dat zo blijft? Ik neem aan dat het
geen endemisch gegeven is. 

</spreker>
<spreker pagina="15-533" anker="469" soort="Minister" naam="Wijers">
 Dat hangt af van
een aantal factoren. Er zijn demogra-
fische factoren die begin van het
volgend decennium hun grote
uitwerking zullen hebben gehad. Ik
denk daarbij aan 2003 en 2005. Ik
noem nu bewust niet het jaar 2004.
Daarachter zitten andere factoren die
minder goed voorspelbaar zijn. Die
hebben namelijk te maken met
vraagstukken als de komst van
mensen uit het buitenland naar
Nederland; het vraagstuk van de
instroom uit andere landen. Die is
moeilijk te voorspellen, doch speelt
daarbij zeker een rol. Ik zal hierop
wat specifieker terugkomen in een
schriftelijk antwoord. Het is geen
natuurverschijnsel dat maar blijft
hangen. Het heeft met specifieke
Nederlandse demografische factoren
te maken en met internationale
factoren.
Ik ben ervan overtuigd dat de
loonmatiging wel degelijk een
bijdrage heeft gegeven aan het
behoud van werkgelegenheid in onze
samenleving. Er kan geen sprake van
zijn dat deze tegenovergesteld heeft
gewerkt. Er wordt gesuggereerd –
onder meer de heer Kleinknecht
heeft die discussie aangekaart – dat
de jarenlange loonmatiging ertoe
geleid heeft dat ondernemers minder
innovatief zouden zijn geweest
omdat zij in een soort beschermd
klimaat hebben geleefd. Ik geloof
daarvan persoonlijk helemaal niets.
Het veronderstelt namelijk dat het
gedrag van ondernemers bepaald
wordt door hun loonkosten.
Ondernemers worden in hun gedrag
primair gedreven door hun concur-
renten. Concurrenten zijn internatio-
naal. Ik denk het tegenovergestelde
van hetgeen de heer Kleinknecht
beweert. In principe is het zo dat als
een deel van je kostprijs zich gunstig
ontwikkelt – in dit geval de arbeids-
kosten – het mogelijk is een deel van
het geld dat wordt gerealiseerd te
investeren in kwaliteit en in research
and development. Als er maar
voldoende concurrentie is – dat geldt
zeker voor de exposed sectoren,
misschien wat minder voor de
binnenlandse sectoren – worden
daarmee in principe condities voor
vernieuwing gecree¨erd. Ik ben het
overigens wel met de heer Van der
Zwan eens dat wij in Nederland een
natuurlijke neiging hebben om het
belang van industrie en innovatie
met name te benadrukken als een
aantal bedrijven in nood zich
verdringen op de stoepen van
Economische Zaken. Het is dan ook
een taak van het gehele kabinet om
juist in deze periode waarin de
economie aantrekt, erop toe te zien
dat die onderliggende structurele
problemen van de Nederlandse
economie voldoende in het
schijnwerpers blijven, ook in de
discussies over de allocatie van de
middelen. Er zal voldoende geld en
tijd moeten worden geı¨nvesteerd in
het benadrukken van het belang van
innovatie en vernieuwing. Ik kom
daarop straks uitgebreid terug naar
aanleiding van de vragen die zijn
gesteld over industrie- en
technologiebeleid.
Een aantal afgevaardigden hebben
opgemerkt – ook naar aanleiding van
berichten in de pers – dat deze
minister de oplossing erg zoekt in
ongeclausuleerde groei en markt-
werking. Slaat hij daarin niet een
beetje door, zo vroegen zij zich af. Ik
zou met de heren Vermaat en
Schuurman vrezen voor een
een-dimensionale visie op de
economie; een visie die de markt als
coo¨rdinatiemechanisme van
economisch handelen juist bij dit
soort vraagstukken centraal stelt. In
die zin vind ik het nog leuk om
citaten uit mijn proefschrift te horen.
Ik neem geen enkele afstand van die
citaten, in de juiste context en op de
juiste plaats.
Ik constateer wel dat de economie
zelfs bij een behoorlijke groei
onvoldoende banen oplevert en dat
wij ons niet op een eiland bevinden.
De wereldeconomie verandert snel.
Ik ben ervan overtuigd dat een goede
werking van markten een bijdrage
kan leveren aan werk en welvaart,
maar dan wel in evenwicht met
aandacht voor het milieu en voor de
sociale bescherming. Dat zijn
overigens allemaal zaken die ook
keurig in het regeerakkoord zijn
opgeschreven. Die zijn niet alleen
voor de vorm opgeschreven, maar
ook in de ’’software’’ van de
verschillende ministers opgeslagen.
Ik houd dan ook geen pleidooi voor
een ’’tunneleconomie’’. Ik denk
echter wel degelijk dat wij in een
aantal markten en situaties zoveel
regels en voorschriften hebben
gemaakt dat het, met behoud van de
oorspronkelijke doelstellingen die
achter die regels zitten, mogelijk is
om meer dynamiek in de economie
te brengen en op die manier ook
meer werkgelegenheid te cree¨ren.
Voor de globaliseringsdiscussie is
het van belang om op te merken dat
wij de discussie over onze economi-
sche orde niet kunnen voeren met
ons gezicht gericht op de geschiede-
nis en op de klassieke Nederlandse
normen en waarden en met de rug
naar de internationale samenleving.
Ons bedrijfsleven concurreert met
het bedrijfsleven uit Zuid-Oost-Azie¨,
de Verenigde Staten en de andere
Europese landen. Dit betekent dat,
als wij het hebben over het
werkgenererend vermogen van onze
economie, wij moeten kijken naar
wat in die samenlevingen aan
dynamiek optreedt en wat dit
inhoudt voor de afweging van onze
eigen klassieke normen en waarden.
Dat is eigenlijk het enige dat ik in die
discussie wil zeggen. Ik pleit daarbij
niet voor een ’’free for all’’, voor het
’’laat de markt het werk maar doen’’
in het concept van volledig vrije
mededinging. Ik weet namelijk, net
als de heer Vermaat, dat dit een
theoretisch concept is waaraan
waarschijnlijk niet een markt voldoet.
In die filosofie behoudt de
overheid wel degelijk een ordenende
rol. Zij moet zorgen voor de juiste
spelregels en voor een gezonde
marktwerking binnen een voorwaar-
denscheppend en stimulerend
overheidsbeleid. Het overleg kan in
een aantal gevallen als katalysator
dienen. Ik zie mijzelf dan ook niet als
een ’’flexi’’ of een ’’solidario’’. Als
men dan toch een etiket wil
opplakken, dan zie ik mij als een
’’socioflexi’’, whatever that may be.
Ik denk dan aan iemand die
flexibiliteit benadrukt vanuit een zeer
grote zorg over de sociale vraagstuk-
ken die samenhangen met de hoge
inactiviteit in onze samenleving. Ik
vind het onze plicht om constant
afwegingen te maken ten aanzien
van de potentie die flexibiliteit biedt
tegenover andere doelstellingen die
ook belangrijk zijn, die te maken
hebben met ecologie en sociaal
beleid. Dat is geen gelopen
discussie, daarin bestaat geen
natuurlijk primaat. Wij zullen daarbij
van geval tot geval afwegingen
moeten maken. Wij dienen ons
daarbij te realiseren dat hetgeen wij
misschien 10 of 15 jaar geleden
hebben bedacht, op een aantal
gebieden toe is aan vernieuwing en
aanpassing.
Ik kan mij dan ook goed vinden in
het beleid dat dit kabinet voorstaat,
waarbij sprake is van een mix van
macro-economisch beleid voor het
gezond maken van de macro-
economische verhoudingen en de
overheidsfinancie¨n, beleid gericht op
het stimuleren van meer dynamiek in
bestaande markten, inclusief de
arbeidsmarkt, en beleid gericht op
vernieuwing van onze bedrijvigheid.
Ook dat laatste vereist wel degelijk
een actieve rol van de overheid. In
die zin heeft de tegenstelling die
sommigen menen te bespeuren
tussen mijn verleden en mijn heden
meer te maken met het op wisse-
lende momenten benadrukken van
verschillende elementen uit die
beleidsmix dan met een soort
fundamentele of ideologische
standpuntbepaling. Ik geloof
persoonlijk niet dat ideologie ons in
deze discussie veel verder zal helpen.
Ik geloof in een brede aanpak op een
aantal terreinen. Over al die terreinen
zal men de komende periode van
ons horen. Er is daarover inderdaad
een aantal nota’s aangekondigd.
Nota’s zijn nu eenmaal noodzakelijk
om op een gegeven moment
enigszins geordend je voornemens te
communiceren.
Ik heb nu niet veel meer gedaan
dan formuleringen uit het regeerak-
koord herhaald en op een aantal
punten van toelichting voorzien. Er
bestaat bij mij geen twijfel over, dat
dit gevoel van urgentie en het geloof
in deze beleidsmix niet alleen bij mij
maar bij alle leden van het kabinet
bestaat. Tegen die achtergrond
herhaal ik graag dat de publieke
discussie van de laatste weken mij
de wenkbrauwen wat heeft doen
fronsen. Sommigen zien in de
conjunctuur blijkbaar een alibi om al
bij voorbaat van aangekondigde
structuurverbeteringen af te zien. Ik
ben het heel erg eens met wat de
heer Geelhoed in ESB schreef,
namelijk dat wij deze tijd van een
aantrekkende economie juist moeten
gebruiken om hard te werken aan
structurele verbetering van onze
economie. Ik sta, voor zover
daarover nog twijfel bestaat, dan ook
geheel achter de strekking van dit
artikel van de heer Geelhoed.
Het kabinet is druk bezig inhoud te
geven aan dat beleid. Een aantal
afgevaardigden sprak over de
coo¨rdinatie van dat beleid, in het
bijzonder van het werkgelegenheids-
beleid. Ik heb geen enkele behoefte
aan een discussie over de vraag, wie
coo¨rdinerend is voor het
werkgelegenheidsbeleid. Van mij
mag de ’’W’’ volmondig bij Sociale
Zaken en Werkgelegenheid blijven
staan. De heer Melkert, de overige
leden van het kabinet en ik zijn het
immers volstrekt met elkaar eens,
dat wij dit soort vraagstukken in
goede samenwerking met elkaar
zullen moeten oplossen. Er zijn
allerlei prachtige coo¨rdinatie-
mechanismen bij de overheid, zoals
niet in het laatst de ministerraad, om
voorstellen en ideee¨n met elkaar te
wisselen. Persoonlijk heb ik geen
enkele behoefte aan discussies over
de organisatie tussen departemen-
ten. Ik heb veel meer behoefte aan
goede plannen van de gezamenlijke
departementen om vraagstukken op
te lossen. Het feit dat het grootste
deel van de werkgelegenheid de
komende jaren uit de marktsector
moet komen, is een inzicht dat ook
de heer Melkert deelt. Ik ben er dan
ook van overtuigd, dat wij goed met
elkaar zullen samenwerken.
In het kader van het gezond
maken van de overheidsfinancie¨n
passen ook de bezuinigingen die
binnen het departement van
Economische Zaken conform het
regeerakkoord zijn doorgevoerd. Wij
hebben die ombuigingen snel
ingevuld, mede omdat wij de
mentale ruimte wensten te hebben
om goed na te denken over de
vernieuwing van onze economie en
daaraan onze bijdrage te leveren. Ik
accepteer het compliment van de
heer Verbeek over het snel invullen
van die bezuinigingen overigens wel
met gemengde gevoelens. Wij
zouden een aantal bezuinigingen op
de begroting van Economische
Zaken immers niet hebben doorge-
voerd als de overheid in de middelen
had gezwommen. Zij zijn immers
gedeeltelijk het resultaat van de
noodzaak tot sanering van de
overheidsfinancie¨n. Dan moet je
posterioriteiten stellen. Wij hebben
nu de consequenties getrokken uit
het stellen van dat soort posteriori-
teiten. Wij hebben dat zo zorgvuldig
mogelijk gedaan, waarbij met name
is gekeken naar mogelijkheden die
het minst schade berokkenen aan de
economische structuur, aan
technologisch onderzoek en aan
energiebesparing. Voor zover het om
energiebesparing ging, hebben wij
met name gekeken of bezuinigingen
mogelijk waren die zouden worden
gecompenseerd door andere typen
maatregelen die per saldo min of
meer hetzelfde effect zouden hebben.
Ik heb er nog steeds vertrouwen in
dat wij dat kunnen realiseren. Dat zal
niet makkelijk gaan, althans
moeilijker dan met de desbetreffende
begrotingsposten mogelijk was.
Maar wij moeten natuurlijk ook niet
denken dat alles alleen maar met
geld kan worden gerealiseerd.
De heren Verbeek en Pit spraken
over het thema ’’globalisering’’. Zij
stelden de volgende belangrijke ordeningsvraag aan de orde: kun je
nu in een globaliserende economie
met ondernemingen die winst
maximaliseren, verwachten dat daar
de oplossing vandaan komt voor het
cree¨ren van werkgelegenheid? Ik wil
dan allereerst een kanttekening
plaatsen bij het concept van
winstmaximalisatie. Mijn eigen
ervaring is in ieder geval dat dit een
theoretisch concept is en dat
ondernemingen in de praktijk
helemaal niet zo werken. Daar komt
nog bij dat winstmaximalisatie
natuurlijk ook een tijdsdimensie heeft: op welke termijn optimaliseer
je dan de winst? Ik ken nauwelijks
ondernemingen die zich zo gedra-
gen. Ik zie wel dat ondernemingen
die willen overleven, voldoende
winst moeten zien te maken om
aldus continuı¨teit te realiseren.
Continuı¨teit kun je alleen realiseren
als je de kapitaalmarkt, onder meer
je aandeelhouders, tevreden kunt
stellen. Zo simpel is het. In die zin
past volgens mij geen nuance. Het is van tweee¨n een: of je kiest
voor een geı¨soleerde economie,
waarbij je het kapitaal dat verdiend
wordt, zoveel mogelijk in Nederland
probeert te houden; of je zit in een
internationale economie en je
concurreert eigenlijk met andere
vestigingsplaatsen op basis van alle
criteria die de aantrekkelijkheid van
een land bepalen. Je kunt zeggen dat
er ongelofelijk veel geld is bij
ondernemingen in Nederland en dat
dit op basis van balansoverwegingen
voor een belangrijk deel wordt
geı¨nvesteerd in het buitenland. Dit
betekent voor mij echter niet dat
ondernemingen niet hun bijdrage
zullen leveren aan de oplossing van
het werkgelegenheidsvraagstuk. Ik
ben er persoonlijk van overtuigd dat,
als wij ons huiswerk goed doen en
als wij Nederland aantrekkelijk
houden met het hele scala dat ons
hiervoor ter beschikking staat – de
tijd ontbreekt mij om hier nu
uitgebreid op in te gaan, maar
Nederland is op heel veel gebieden
een aantrekkelijk land voor vestiging
– het in principe mogelijk is om in
het kader van een internationale
economie voldoende werkgelegen-
heid aan te trekken in de markt-
sector. Dit vraagt echter heel veel. Ik
noem flexibiliteit, het vermogen om
je in te stellen op veranderingen,
forse investeringen, ook van de
overheid in de infrastructuur, en een
goed opgeleide beroepsbevolking die
zijn talen spreekt. Kortom, het gaat
om al die dingen die eerder zijn
genoemd. Het zal dan waarschijnlijk
zo zijn dat een groot deel van de
werkgelegenheid uit het midden- en
kleinbedrijf komt.
De heer Pit heeft gezegd dat de
grote ondernemingen voor een groot
gedeelte zullen vertrekken, dat zij in
ieder geval geen werkgelegenheid
zullen cree¨ren en dat wij het dus van
het midden- en kleinbedrijf zullen
moeten hebben. Hij vroeg in dit
verband of ik hem duidelijk kan
maken waar die werkgelegenheid
dan zit. Ik vind het buitengewoon
gevaarlijk om hierover te speculeren.
Ik wil er echter een ding over
zeggen, ook naar aanleiding van de
vrij recente opmerkingen van de heer
Kamminga. Er wordt bijna antithe-
tisch gedacht over grote en kleine
ondernemingen. Ik vind dat een
grote denkfout. De filosofie achter
ons clusterbeleid is ook juist dat je in
een economie een mix van typen
ondernemingen hebt. Deze hangen
allemaal met elkaar samen in allerlei
relaties die heel moeilijk te kwantifi-
ceren zijn. Voor een gedeelte gaan
die zelfs over de grens heen. Wij
moeten in Nederland de grote
internationale concerns koesteren, al
was het alleen maar vanwege de
technologische potenties en ambities
die wij hebben. Grote ondernemin-
gen bepalen zich in toenemende
mate tot hun ’’core’’. Zij besteden
steeds meer dingen uit; gedeeltelijk
in het buitenland en gedeeltelijk in
het binnenland. Een groot deel van
de groei van de werkgelegenheid zit
in zakelijke dienstverlening. Zakelijke
dienstverlening is redelijk taal- en
cultuurgebonden. Wij kunnen een
verdere groei van de zakelijke
dienstverlening in Nederland wel
vergeten, als de grote internationale
ondernemingen zich in toenemende
mate verplaatsen naar het buiten-
land. In die zin hangen de dingen
dus allemaal samen. Een groot deel
van de industrie¨le werkgelegenheid
in het midden- en kleinbedrijf heeft
te maken met toelevering aan grote
industrie¨le ondernemingen in
Nederland en in het buitenland.
Vraag mij niet om op sectorniveau
een voorspelling te doen waar het
precies zal gebeuren. Alle voorspel-
lingen die wij daar in het verleden
over hebben gedaan, zijn tot nu
gefalsifieerd, zeker omdat wij niet
precies weten welke sectoren snel
gaan groeien en welke krimpen op
middellange termijn. Dat de
economie zo werkt, is echter iets wat
ik geloof.
In dit verband kom ik bij de
opmerking over de economie van het
genoeg. Ik herkende mij niet in het
krantecitaat dat de heer Schuurman
zojuist gaf. Ik heb het volgende
bedoeld met mijn kanttekening bij de economie van het genoeg: ik zie in
onze samenleving geen algehele
verzadiging van de behoefte aan
produkten en diensten. Als er nog
zeer veel behoefte bestaat aan
produkten en diensten in de ruimste
zin van het woord, dan betekent dat
dat de economie van het genoeg,
waarmee een soort limitatie gesteld
wordt aan de behoeftebevrediging
van de consument, een zeer diep
ingrijpen van de overheid vereist als
ware het een oorlogseconomie. Ik
geloof niet dat dit nodig is, ook niet
om onder meer de ecologie-
doelstelling te realiseren. Ik geloof
ook niet dat het een ree¨le weergave
is van de behoefte van onze
bevolking. Zolang er behoefte
bestaat aan produkten en diensten –
zo simpel is het eigenlijk in onze
samenleving; er is nog lang geen
sprake van verzadiging – is er voor
mij geen reden om te veronderstel-
len dat er niet voldoende bedrijvig-
heid zal ontstaan die ook leidt tot
voldoende werkgelegenheid. Ik
realiseer mij dat ik wat micro-
economisch denk. Een en ander
vraagt wel een redelijk goed werken
van markten en de flexibiliteit van
markten om op allerlei discontinuı¨tei-
ten in te spelen. Ik geloof dus wel
degelijk dat een goed werkende
markteconomie die wordt gecorri-
geerd en waar vernieuwing wordt
gestimuleerd, in principe in staat is
om werkgelegenheid te cree¨ren. Dat
vraagt echter nogal wat. Daarbij
moeten wij bovendien erkennen dat
alle ons omringende landen met
hetzelfde vraagstuk te kampen
hebben.
Misschien mag ik hier ook even
het thema basisinkomen aan de orde
stellen. Ik zeg dit eigenlijk mede naar
aanleiding van hetzelfde interview. Ik
wil graag nog eens de context
aangeven waarin ik gesproken heb,
toen ik dat basisinkomen aan de
orde stelde. Ik had het toen over de
problematiek van wat de onderkant
van de arbeidsmarkt wordt
genoemd. De heer Pitstra heeft het
daar ook over gehad. Het vraagstuk
van de onderkant van de arbeids-
markt zal niet worden opgelost door
de aantrekkende conjunctuur,
gegeven ook de getallen die ik net
genoemd heb. Gezien de ervaringen
die wij hebben opgedaan, kan ik
zeggen dat nieuwe toetreders het
eerst in aanmerking komen voor een
baan, als de economie aantrekt.
Mensen die langdurig werkloos zijn
of die, gegeven hun kwalificaties,
aan de onderkant van de arbeids-
markt zitten, zullen niet snel voor een
baan in aanmerking komen om de
eenvoudige reden dat de produktivi-
teit van de betrokkenen niet opweegt
tegen de loonkosten. Ik heb het dan
echt over de integrale loonkosten;
niet over wat zij verdienen. In
Nederland bestaat op dit ogenblik de
situatie dat de laagste loonschalen
ongeveer beginnen bij 120% van het
wettelijk minimumloon. De ruimte
daaronder hebben wij tot een soort
zwart gat gemaakt in onze economie.
Daarin bestaan geen banen; zij
worden daar ook niet gecree¨erd. Ik vind dit een geweldige paradox: het
is toch nauwelijks voorstelbaar dat
daar geen werk zou zijn.
Ik kan dan met de heer Pitstra in
discussie gaan – die discussie wil ik
best een keer aangaan – over de
vraag of banen voor minder dan
120% van het minimumloon of zelfs
minder dan het minimumloon
slechter zijn dan een uitkerings-
situatie. Dat is een heel interessante
discussie die je niet op basis van
puur economische argumenten kunt
voeren. Daar zitten normatieve
opvattingen achter. Het kabinet heeft
in ieder geval een aantal aanzetten
gegeven om die ruimte te gebruiken,
omdat het zich er niet bij neer wil
leggen dat daar geen werkgelegen-
heid zou zitten. Daar zit een afweging
in, al is die in het regeerakkoord
nooit expliciet gemaakt. Ik neem die
nu dus even voor mijn eigen
rekening. Op basis van mijn eigen
persoonlijke opvattingen geloof ik in
sociale participatie, eigenwaarde en
dergelijke. Ik heb dat ook eerder in
een interview gezegd. Daarom vind
ik ook dat het beter is om een baan
te hebben voor bijvoorbeeld 90% van
het minimumloon dan om de rest
van je leven afhankelijk te zijn van de
uitkeringsinstanties in Nederland. Als
je dat gelooft en ook gelooft dat er
allerlei activiteiten zijn, dan zou je
moeten nadenken over mogelijkhe-
den in dat zwarte gat op de
arbeidsmarkt. Dat zwarte gat bestaat
eigenlijk tussen het sociale
minimumniveau e`n het wettelijke
minimuminkomen en de feitelijke
invulling die daaraan wordt gegeven
in het kader van de CAO’s. En daarin
zit heel veel verborgen werkgelegen-
heid. Naar mijn vaste overtuiging zit
daar een mogelijkheid voor het
opvullen van het gat tussen de
plannen die wij hebben voor 110.000
arbeidsplaatsen, en de 130.000
arbeidsplaatsen die wij per jaar
nodig hebben. Ik wil deze discussie
graag aangaan; dat is ook de
achtergrond geweest van mijn
opmerking.
Ik heb een aantal kanttekeningen
geplaatst bij het basisinkomen. Ik
heb dit geschetst als een mogelijke
uitkomst van een proces. De
discussie die ik graag wil voeren en
die ik de komende periode zeker in
verschillende gremia zal voeren,
betreft de vraag hoe wij de arbeids-
markt aan de onderkant zodanig
kunnen activeren dat die verborgen
werkgelegenheid tot stand komt en
hoe wij vraag en aanbod daar beter
met elkaar in contact kunnen
brengen. Het is natuurlijk niet zo dat
ik het fantastisch vind dat mensen
voor de rest van hun leven veroor-
deeld zouden zijn tot een laag
inkomen en een baan die misschien
niet zo aantrekkelijk is. Ik geloof
echter wel dat mensen die participe-
ren in het maatschappelijk leven,
zelfs al is dat met een baan als
kamermeisje in de hotelsector, een
grotere kans hebben om door te
stromen op de arbeidsmarkt. Zij
maken dan immers deel uit van onze
sociale structuur. Ik stel vast dat veel
mensen in de grote steden, die niet
in zo’n situatie zitten, in toenemende
mate de-socialiseren, met alle
gevolgen van dien in onze binnenste-
den. In die zin vind ik er een paradox
in zitten. Degenen die deze discussie
niet aan willen en zeggen dat wij
naar Amerikaanse toestanden
toegaan, houd ik voor dat Ameri-
kaanse toestanden ook dreigen, als
wij deze toestanden, met name in de
binnensteden, niet met een heel
ruime manier van kijken durven aan
te pakken.
Ik kom nu op een thema waarover
terecht een aantal vragen is gesteld,
zowel in filosofische als in praktische
uitwerkingszin. Dat heeft te maken
met het technologie- en industriebe-
leid. Naar aanleiding van deze
discussie ben ik voornemens om nog
eens met de uitgever van mijn
proefschrift te gaan praten over een
nieuwe uitgave daarvan. De heer
Pitstra had het over de jonge
econoom uit Groningen, maar toen
ik het proefschrift schreef, zat ik in
Rotterdam. Ik heb weinig neiging om
afstand te nemen van de algehele
filosofie van mijn proefschrift. Ik vat
die filosofie nog een keer kort
samen. Men moet die wel plaatsen
in de tijd waarin die is geschreven,
begin jaren tachtig.
In die tijd werd heel veel
gesproken over steun aan individuele
ondernemingen en over de vraag of
op sectorniveau, met name via
tripartiete structuren als de NEHEM,
herstructureringen moesten worden
gerealiseerd. Er was sprake van een
situatie waarbij, als je naar de
allocatie van de middelen keek, het
overgrote deel van het geld dat de
overheid ter beschikking stond, werd
besteed aan ondernemingen als RSV
en ondernemingen in sectoren die in
diepe structurele problemen zaten,
zoals de ijzergieterijen en de
leerindustrie.
De analyse luidde toen, in lijn met
een aantal andere studies – ik noem
het rapport-Van der Zwan – dat het
onverstandig en gevaarlijk is, juist op
momenten dat de economie grote
discontinuı¨teiten kent, om te
vertrouwen op het zelfregenererende
vermogen van de markteconomie. In
die periode was sprake van een
allocatie van middelen, met name
gericht op bedrijven en bedrijfstak-
ken in hun laatste fase, in hun
neergangsfase. De facto betekende
dat een socialisatie van de verliezen.
Zowel financieel als institutioneel
was er heel weinig aandacht voor
vernieuwing, onder meer vanwege
het feit dat in de besluitvorming
politiek-electorale overwegingen een
zwaardere rol speelden dan de
strategische toekomstperspectieven
van de bedrijven en de bedrijfstakken
in kwestie. De conclusie van het
proefschrift was – los van alle mitsen
en maren in het proefschrift, die
overigens nog steeds overeind staan
– dat het uitermate onverstandig is
om de middelen structureel aan te
wenden voor steun aan individuele
bedrijven met problemen, zeker als
die geen toekomstperspectief
hebben, en dat het ook onverstandig
is om te proberen sectoren met
internationale specialisatiepatronen
overeind te houden, omdat dan per
saldo een heleboel geld in een zwart
gat wordt gegooid. De conclusie was
verder dat het veel verstandiger is
om het geld met name in te zetten
voor technologische vernieuwing.
Welnu, dat is nog steeds de
filosofie. Ik heb wel eens eerder met
enig genoegen vastgesteld dat een
groot deel van die filosofie is
neergeslagen in het beleid van EZ,
inclusief de splitsing tussen
beleidsvorming en -uitvoering. Kijk
maar hoe het gaat met de steun aan
individuele bedrijven. Kijk maar naar
de wet- en regelgeving. Kijk maar
naar de subsidieregelingen van EZ.
Het technologie- en innovatiebeleid
is na de start in het begin van de
jaren tachtig, in het kader van de
conjuncturele opleving in toene-
mende mate omgeslagen in een
generiek macro-economisch beleid. 

</spreker>
<spreker pagina="15-537" anker="470" partij="CDA" naam="Vermaat">
 Voorzitter! Zegt de minister nu: Wat ik toen heb
geschreven, dat vind ik nu nog
steeds een beetje? Kortom, wat vindt
de minister nu van de rijksdienst
voor het industriebeleid, die in de zin
van de MIP later, niet de NEHEM, tot
stand is gekomen? Ik dacht dat de
minister daar nu wel wat afstand van
zou willen nemen. 

</spreker>
<spreker pagina="15-537" anker="471" soort="Minister" naam="Wijers">
 De heer Vermaat
snijdt daar een terecht punt aan. Ik
had het over de filosofie van het
beleid en hoe je je geld zou moeten
aanwenden. Mijn voorstel over de
organisatie van het beleid betekende
de facto het integraal onderbrengen
van de uitvoering van het
technologie- en industriebeleid in
een zelfstandig bestuursorgaan. Ik
denk daar nu wat genuanceerder
over. Ik ben het wat dat betreft met
de heer Vermaat eens. Als je naar de
uitvoering van de verschillende
vormen van het beleid kijkt, dan zie
je dit soort discussies overigens
vaker. Later dit jaar komen wij nog te
spreken over de nieuwe wet
economische mededinging. In dat
kader is de vraag belangrijk hoe de
uitvoering van het mededingings-
beleid vorm wordt gegeven. Die
dimensies spelen dan steeds een rol.
Ik heb het proberen op te lossen
vanuit de abstractie van een
academicus die de veelvormigheid
van het ministerie niet kent. Dat is
misschien wat erg simpel geweest. Ik
streef op korte termijn dus niet naar
een grote organisatie, op afstand van
EZ, die het industrie- en technologie-
beleid gaat uitvoeren. Ik zie daar ook
geen noodzaak toe. Ik hoop hiermee
enige antwoorden te hebben
gegeven over de vragen over de
filosofie achter de kwestie van de
aanwending en de rol van de markt
en de niet-markt.
Het gaat dus niet om een
dirigerende overheid, om de
woorden van de heer Vermaat te
gebruiken, maar om een stimule-
rende overheid. Naar mijn vaste
overtuiging moet de overheid er wel
vreselijk voor uitkijken om iets te
stimuleren waar geen fors commit-
ment van het bedrijfsleven uit blijkt.
Dan proberen wij namelijk tegen een
touw aan te duwen. De historie heeft
geleerd dat dit in het algemeen niet
de beste zaken zijn om te stimuleren.
Per saldo staat de overheid dan vaak
alleen en dan is zij hobby’s aan het
bedrijven.
Wat is de rol van maatschappelijke
organisaties, het maatschappelijk
middenveld, in dat soort zaken? Op
dat punt neem ik ook geen afstand
van mijn proefschrift. De ervaringen
met de NEHEM, maar ook andere
ervaringen, hebben geleerd dat het
levensgevaarlijk is om deelbelangen
bij de uitvoering van overheidsbeleid
een rol te laten spelen, in die zin dat
die prioriteiten mogen afwegen. Wij
hebben gezien dat dit niet heeft
bijgedragen tot een heldere
besluitvorming en een effectieve
aanwending van middelen. Ik heb
het regeerakkoord niet zelf geschre-
ven. Ik was er niet bij betrokken. Ik
heb er zelfs geen invloed op kunnen
uitoefenen, maar de formuleringen in
het regeerakkoord over die zaken
onderstreep ik, want daarin wordt
het belang benadrukt van het helder
onderscheiden van de verantwoorde-
lijkheden. Bij dit type beleid is dat
heel belangrijk. De uitvoering van het
beleid en de vorm waarin dit wordt
gegoten, moeten plaatsvinden in
nauwe samenspraak met bedrijven,
het bedrijfsleven. Het georganiseerde
bedrijfsleven is echter niet altijd het
beste aanspreekpunt. Het is heel wat
anders als wat betreft de communi-
catie over het beleid en het praten
over wat er moet gebeuren, een
intensieve discussie plaatsvindt met
de organisaties uit het maatschappe-
lijk middenveld, want die zijn niet
voor niets ontstaan. Wij zijn de
communicatiefunctie van die
organisaties naar mijn persoonlijke
overtuiging op een gegeven moment
gaan verwarren met verantwoorde-
lijkheden en representatie-achtige
elementen. Dat vind ik onwenselijk.
Convenanten worden in het
algemeen ook met bedrijven
gesloten en niet met branche-
organisaties sec. Dat was iets over
de algehele filosofie, waarbij de
jonge econoom uit Groningen niet al
te veel afstand neemt van de man
van middelbare leeftijd in Den Haag.
Het ambitieniveau is om van de
Nederlandse economie een moderne
economie te maken, gericht op
produkten en diensten met een hoge
toegevoegde waarde. Dat wordt heel
veel gezegd. Toch is het essentieel,
want wij kunnen wat betreft de
loonkosten niet concurreren met al
die nieuwe landen en gebieden die
steeds ontstaan. Wij kunnen
onmogelijk concurreren tegen
loonkosten van een dollar per uur.
Dat is ondenkbaar. Dat laat onverlet
dat je wel op je kosten, zeker op je
loonkosten moet letten. Aan die
loonkosten zitten overigens twee
kanten. Ik heb het niet over het loon
dat de mensen mee naar huis
nemen, want op dat punt doet
Nederland het helemaal niet zo goed.
Ik heb het dan over de wig. Daarmee
heb je het inactiviteitsvraagstuk weer
aan de orde. Als wij dat vraagstuk in
Nederland niet oplossen, dan is er
maar een manier om de wig op te
lossen, namelijk door aan de
prijzenkant te gaan zitten. Dat
betekent dat je het niveau van de
uitkeringen moet aanpakken. Ik zou
veel liever de volumekant aanpakken
dan de prijskant. Willen wij
voorkomen dat wij in een
concurrentieslag komen te verkeren,
alleen op basis van kosten – dat is
dus onhaalbaar, gegeven ons
welvaartsniveau – dan zullen wij
produkten met een hoge toege-
voegde waarde moeten realiseren.
Dit betekent dat wij over een
breed terrein van technologie,
kwaliteit en opleiding fors zullen
moeten investeren. Dit geldt niet
alleen voor de overheid maar juist
ook voor het bedrijfsleven. Wij zullen
onze kennis en inventiviteit moeten
gebruiken om de kloof tussen
economie en ecologie te overbrug-
gen. Ik geloof niet in de natuurlijke
strijdigheid van deze twee verschijn-
selen. Ik zie wel degelijk dat er op
individuele beslissingen afwegingen
te maken zijn, maar ik pleit voor
integratie van het denken over
economie en ecologie. Ik geloof ook
niet in het materialistische in de
enge zin van het woord. Er wordt
door EZ hard aan deze integratie
gewerkt. Wij zijn bezig met milieu-
gerichte produktontwikkeling en op
dat gebied zijn fantastische
resultaten geboekt. Ik heb vooral
behoefte aan concrete maatregelen
en niet zozeer aan een algemene
discussie waar je in de praktijk toch
niet mee uit de voeten kan.
Onze uitgangspositie stemt ons
absoluut niet vrolijk. Ik ben het met
de analyses op dit punt geheel eens.
Het gaat niet goed. De heer Mertens
heeft er terecht op gewezen dat
Nederland op het gebied van
wetenschap en technologie in twee
jaar van de zesde naar de veertiende
plaats is gezakt. Grote landen zoals
de VS en Japan gaan ons vooraf,
maar ook kleinere zoals Finland,
Belgie¨, Denemarken en Noorwegen
investeren meer en soms ook
effectiever. Dan heb ik het nog niet
eens over de enorme dynamiek in
Azie¨. Singapore staat nu op de
achtste plaats van de wereldranglijst.
Taiwan staat vlak in onze buurt en
dat geldt ook voor Korea en Hong
Kong. Een paar jaar geleden hadden
wij dat niet kunnen denken. In
sommige gevallen overwegen
bedrijven uit Taiwan zelfs om in
Nederland te investeren. Dat is de
wereld waarin wij leven en dit zal
ook zo doorgaan.
De R en D-investeringen in
Nederland lopen terug van 1,36%
BBP in 1988 tot 0,96% nu. Kortheids-
halve verwijs ik naar de analyse van
de AWT ter zake. Het is niet alleen
een kwestie van volume, maar er
spelen ook sectorspecifieke factoren
een rol, zoals het investeringsgedrag
van multinationale ondernemingen.
Het feit dat een bedrijf zoals Philips
in zijn activiteiten heeft moeten
snijden, heeft een zeer sterk effect op
dit soort getallen. Het is echter waar
dat Nederlandse bedrijven – ook in
het midden- en kleinbedrijf – te
weinig in research en development
investeren. Er is sprake van een
conjunctureel maar ook van een
structureel element. Het gaat om
kosten maar ook om het klimaat. Het
bedrijfsleven zou zich meer op
technologische vernieuwing en
kwaliteit moeten richten en minder
op de kosten. De overheid kan alleen
maar indirect optreden op dit punt.
Zij kan de condities cree¨ren maar
uiteindelijk moeten de bedrijven het
doen. Wij zijn er overigens nog lang
niet. Het huidige instrumentarium is
qua omvang en kwaliteit nog niet
optimaal. Daar zal hard aan gewerkt
worden.
Daarnaast kennen wij een
omvangrijke kennisinfrastructuur in
ons land. Vergelijking met andere
landen geeft een lichte daling te zien,
maar daarbij moet opgemerkt
worden dat de landen om ons heen
een zeer sterke militaire sector
hebben. Nederland investeert fors in
de kennisinfrastructuur, maar het
grote probleem is dat die investerin-
gen een soort pilaar vormen die los
staat van hetgeen er in het bedrijfsle-
ven gebeurt. De aansluiting is
buitengewoon beperkt. Je krijgt bijna
tranen in je ogen als je ziet wat er
door de grote technologisch leidende
ondernemingen uitbesteed wordt
aan de verschillende universiteiten
en instituten. Niet meer dan 1 of 2%
van de grote technologische
ondernemingen bepaalt de omzet
van bijvoorbeeld TNO. Hieruit blijkt
dat wij met een fundamenteel
vraagstuk te maken hebben. Dit
zelfde geldt voor onze universiteiten.
Er is een aansluitingsprobleem maar
ook een volumeprobleem. Daarnaast
maken wij te weinig gebruik van
mogelijkheden die concepten zoals
de elektronische snelweg bieden.
Europese concurrenten hebben
fors geı¨nvesteerd in de kennis-
infrastructuur en in de samenwerking
tussen bedrijven en kennis-
instellingen. Zij benutten de
mogelijkheden voor nieuwe diensten
in de telecom- en de mediasector
beter. Wij zullen daar iets aan
moeten doen en niet alleen maar
vanuit de markt. Het technologie-
beleid is veel breder. Technologie
kan een buitengewoon belangrijke
bijdrage leveren aan het oplossen
van brede maatschappelijke
vraagstukken. Ik noem de
criminaliteitsbestrijding, de zelfstan-
digheid van ouderen, de communica-
tie tussen overheid en burgers en de
verhouding tussen economie en
ecologie. Er zijn uitgebreide
programma’s voor ontwikkeld, zoals
’’technologie en samenleving’’. Dit is
een geı¨ntegreerd onderdeel van ons
denken en daarom komt dit aspect
misschien te weinig over het
voetlicht. Ik zal de komende periode
– ook via de communicatie vanuit het
departement – duidelijk maken dat
wij niet alleen maar bezig zijn met
een technologiebeleid ten behoeve
van het bedrijfsleven, maar ook met
het denken over economie en
samenleving.
In het voorjaar zal een nota
verschijnen waarin een samenhan-
gende visie op het technologisch
structuurbeleid uiteengezet zal
worden. De boodschap zal ongeveer
zijn dat de technologische structuur
meer moet worden gee¨nt op de
economische structuur. Dit betreft de
concurrentiekracht van bedrijven,
maar ook van Nederland als
vestigingsland. Een en ander moet
uitmonden in een beleidsvisie van
het kabinet, want ook andere
ministeries zoals die van LNV en
OCW zijn hierbij betrokken. De heer
Mertens wacht met belangstelling
deze nota af. Zij heeft te maken met
het rendement van de huidige
investeringen in onze technologie en
met de richting en de omvang van
de overige investeringen. Wij zullen
een aantal oplossingen aangeven.
Er is gevraagd of er wel genoeg
wordt gedaan op het gebied van
Europa. Voorzitter! Op het ogenblik
geven wij een bedrag aan het Bureau
EG-liaison van 2 mln. per jaar om
ook het MKB beter voor te lichten
over de Europese programma’s.
Daarnaast zijn er allerlei maatregelen
genomen om de programma’s
toegankelijker te maken voor het
MKB, onder andere als gevolg van
Nederlandse interventies. Er worden
haalbaarheidsstudies verricht en er
wordt nagegaan of er voldoende
programma’s zijn die typische
MKB-componenten bevatten. Het
MKB krijgt een bedrag van
ƒ 30.000 om een voorstel ter zake uit
te werken. Er doen nu ongeveer 150
kleine en middelgrote bedrijven mee
aan deze programma’s. Onze ambitie
is, dit aantal te verdubbelen in de
komende jaren.
Grote instituten zoals TNO zijn erg
actief op dit gebied. Wij willen graag
ondernemingen zelf betrekken bij die
programma’s. Als dit enigszins ten
koste gaat van de instituten – wat
natuurlijk jammer zou zijn – zouden
wij dat ervoor over hebben. Wij
hebben natuurlijk liever dat het
aandeel van Nederlandse bedrijven
en instituten in totaliteit toeneemt,
maar er wordt in Brussel sterk op
gelet dat landen niet te veel uit die
programma’s halen. Als het gaat om
een mix, denken wij eerder aan
bedrijven dan aan grote instituten,
die al redelijk actief bezig zijn.
Een van de thema’s die in de nota
technologisch structuurbeleid aan de
orde komen, is onze ambitie om in
Nederland een aantal topinstituten te
realiseren. Wij staan voor de
noodzaak om eerst in Nederland
prioriteiten te stellen. Een top-
instituut betekent wat ons betreft een
Europees topinstituut. Internationale
Nederlandse ondernemingen
besteden onderzoek uit, maar dat
geldt ook voor Duitse en Franse
ondernemingen. Ik noem in dit
verband de onderzoeksinstituten in
Leuven en in Aken. Er wordt in
Brussel wel aan deze kwestie
gewerkt, maar ik ben daar een beetje
sceptisch over. Al heel snel gaat de
discussie dan over een rechtvaardige
verdeling. Ik ben er niet van
overtuigd dat dit zonder meer de
goede invalshoek is als het om
specialisatiepatronen gaat. Mijn
prioriteit ligt in ieder geval bij een
aantal gespecialiseerde topinstituten
in Nederland, maar daarnaast
moeten we goed meedenken met de
ideee¨n van commissaris Ruberti, die
hierover nu een notitie heeft
ingediend.
Er zijn een aantal vragen gesteld
over het actieprogramma electronic
highways. De heer Vermaat heeft
gesproken over het artikel van de
heer Smits en de hierin geuite kritiek.
Wij vinden deze kritiek enigszins
onevenwichtig. De boodschap was
dat we te veel aan het bedrijfsleven
overlaten en dat de rol van de
overheid onvoldoende is uitgewerkt.
Het is natuurlijk nooit genoeg, maar
wij zijn op een breed terrein bezig.
Op 1 februari gaat het eerste digitale
overheidsloket open. Dit gebeurt
toevallig bij EZ. Wij verwachten dat
andere departementen snel zullen
volgen. Er lopen een aantal
gemeentelijke pilots om te komen tot
een loket 2000, bijvoorbeeld in
Alphen aan de Rijn. We proberen de
informatietechnologie ook in te
zetten voor andere zaken. Hier is
naar gevraagd met het oog op de
verlaging van de administratieve
lasten. De staatssecretaris zal hier
straks nog over spreken. De heer
Mertens heeft hier vragen over
gesteld.
Zoals gezegd, zijn wij dus bezig op
een aantal terreinen. Het gaat echter
om een actieplan en niet om een
nota waarin alles concreet geregeld
is. We proberen dus wel degelijk de
rol van de overheid op een breed
terrein uit te werken. We zijn er
namelijk van overtuigd dat de
overheid als launching customer,
zoals de heer Mertens ook heeft
gezegd, juist in dit soort situaties een
belangrijke rol speelt. Ook hier
geloven we dus niet alleen maar in
de heilzame werking van de
markt.Dit is ook de boodschap van
het actieplan.
De heer Smits noemt verder het
gevaar van concentraties, keten-
macht. Wij proberen niet alleen in
deze sector maar over de gehele
breedte vanuit het mededingings-
beleid, concurrentie en concentratie
zoveel mogelijk te toetsen op
ongewenste effecten. Ik zeg hier toe
dat we dit intensief zullen doen.
Ik kom vervolgens bij het thema
energie. De heer Pitstra heeft een
opmerking gemaakt over energie-
zuinige en milieuvriendelijke
koelkasten. Ik weet niet of zijn
opmerking werd ingegeven door de
klimatologische omstandigheden in
deze vergaderruimte. Vanaf 1 januari
1995 is er een energielabel voor
koelkasten. Vanaf deze datum mogen
er geen CFK’s meer in nieuwe
koelkasten zitten.
Ik vergelijk het ook met auto’s. Er
is geen verbod op minder zuinige
auto’s. Er bestaat een keuzevrijheid
voor de consument, maar op een
aantal gebieden worden er wel
degelijk regels gesteld.
De heer Pitstra heeft verder een
vraag gesteld over een plan voor
vloerisolatie, een onderwerp dat hij
al eerder aan de orde had gesteld. Ik
zeg hem graag toe dat we hier eens
goed naar zullen kijken en dat we
hier vervolgens op terug zullen
komen.
In verband met de tijd stap ik nu
over op een thema waarover
uitgebreid is gesproken door een
aantal geachte afgevaardigden,
namelijk marktwerking en deregule-
ring. Om te beginnen wil ik afstand
nemen van de karikatuurvorming
over de bijdrage van het ministerie
van EZ. Ik vind dit buiten proporties.
Er wordt gedaan alsof het de inzet
van EZ is om alle regels af te
schaffen, of dat EZ als een wilde te
keer te gaat om al datgene wat in
vele jaren is gerealiseerd om een
beschaafde samenleving op te
bouwen, af te breken. Ik begrijp in
redelijkheid niet waar dit vandaan
komt.
Wat is er de facto gebeurd? Er is
een discussie geweest over de
Winkelsluitingswet. Over dit
onderwerp kun je met elkaar
inderdaad van mening verschillen.
Maar je kunt toch niet beweren dat
hier de regelgeving in de samenle-
ving ter discussie staat.
Er is een door het kabinet breed
gesteund plan voor marktwerking en
deregulering ingediend. Dit plan
verkeert in de studiefase. In dit plan
wordt buitengewoon zorgvuldig met
steun van de ministers die verant-
woordelijk zijn voor de betreffende
beleidsgebieden, geprobeerd op een
aantal vlakken te bekijken of de
huidige regelgeving, zo mogelijk met
behoud van de intenties, zodanig kan
worden aangepast dat hierdoor meer
marktwerking en meer werkgelegen-
heid ontstaat.
Verder heeft deze minister ooit de
euvele moed gehad om in het kader
van een discussie over startende
ondernemingen de gedachte te
opperen om startende ondernemin-
gen in de regelgeving wat vrijheid te
geven, zodat ze makkelijker kunnen
starten. Om het in deze context te
hebben over een ’’dereguleringsma-
fia’’ of een ’’olifant in de porselein-
kast’’ is buiten proporties. Het doet
geen recht aan de intenties en is ook
niet gebaseerd op de feiten. Ik heb
hier overigens in de discussie
vandaag niets van geproefd. Ik wil
het echter even zeggen, want er
ontstaat geleidelijk een klimaat alsof
we niets anders voor ogen hebben.
Waarom hebben we het hierover?
In verband met het cree¨ren van werk,
werk en nog eens werk. Ik wil niet
berusten in een aantal van 2,5
miljoen uitkeringsgerechtigden
beneden de 65 jaar. In die zin is het
te verdedigen dat we belemmeringen
en regelgeving wegnemen die
bedrijven verhinderen hun kansen op
de eigen markt en de wereldmarkt te
benutten, die ondernemers doen
twijfelen of het wel verstandig is vast
personeel aan te nemen, die het
mensen moeilijker maken om aan de
slag te komen of een baan te
accepteren, of die verbieden dat er
banen worden geschapen die door
uitkeringsgerechtigden graag zouden
worden bezet. Het doel is de
economie beter te laten functioneren.
Dit is niet het gedachtengoed van
een kleine mafia binnen EZ. Hierover
wordt door zeer honorabele
economen ook internationaal in
toenemende mate gesproken in het
kader van de OECD en de Europese
Unie. Het betekent flexibeler,
goedkoper, sneller. Dit is niet
modieus. Het past in het kader van
de doelstellingen waar dit kabinet
voor staat.
Is het uit de lucht gegrepen?
Absoluut niet. Misschien mag ik nog
een studie noemen van het bureau
McKinsey, die recent is uitgekomen.
Dit bureau heeft in zes landen
werkgelegenheidsprestaties
onderzocht. Een van de belangrijkste
conclusies is dat landen die veel
regulering hebben in goederen- en
dienstenmarkten minder goed
performen in het cree¨ren van banen
dan landen die hier ruimhartiger mee
omgaan, zonder dat het meteen een
’’free for all’’ wordt. Ik verwijs naar
een onderzoek van Van Sinderen. Hij
laat zien dat de arbeidsmarkt in 1984
en in 1990 als deze flexibeler was
geweest een produktie- en
werkgelegenheidsgroei had vertoond
van 1% meer. Ik weet natuurlijk best
dat het om modelberekeningen gaat,
die op basis van bepaalde veronder-
stellingen bepaalde effecten
voorspellen. Deze modellen komen
nooit helemaal uit, omdat er
bepaalde gedragsveronderstellingen
achter zitten die verdere nuancering
behoeven. Maar ze doen in ieder
geval een poging om aannemelijk te
maken dat er positieve
werkgelegenheidseffecten achter
zitten. Degenen die het tegenoverge-
stelde beweren, blijven in mijn
waarneming tot nu toe vooral steken
in verbale analyses. Ik vind een
poging om dingen aannemelijk te
maken, te kwantificeren, belangrijk.
Ik geloof er persoonlijk in dat
genuanceerde ontstopping,
verhoging van het marktwerkings-
rendement, duizenden banen kan
opleveren en dat hier een enorme
potentie in zit. De heer Geelhoed
heeft ooit gezegd – het is een
paradox – dat we, als we het
werkgelegenheidsvraagstuk willen
oplossen, hoogwaardige groei zullen
moeten hebben, maar dat de groei
ook ’’werkgelegenheidsrijker’’ zal
moeten zijn. Dit is de paradox.
’’Werkgelegenheidsrijker’’ betekent
dat de gemiddelde arbeidsproduktivi-
teit omlaag gaat bij een hoger
groeipercentage. Dit kun je onder
meer bereiken met minder regelge-
ving.
Ik wil in dit kader ook iets zeggen
over de 24-uurseconomie. Deze is
om een of andere reden aan mijn
persoon verbonden. Ik weet niet
precies waar dit vandaan komt. Ik
heb hier zelfs nooit in een interview
voor gepleit. Ik geloof er niet in. Voor zover mijn mening ertoe doet: ik zou
dat zelf ook helemaal niet willen.
Misschien helpt het als ik dat zeg. Ik
stel overigens vast, dat segmenten
van de economie een 24-uurskarakter
hebben. Ik noem bijvoorbeeld de
gezondheidszorg. Wij kunnen wel
vaststellen dat de economie zich
ontwikkelt buiten de grenzen van
negen tot vijf. Als dat de boodschap
is, ben ik het er wel mee eens. In
veel sectoren – gezondheidszorg,
industrie, politie, brandweer, horeca,
toeristische sector, enz. – verloopt
dat probleemloos omdat het moet,
omdat er een reden voor is. Ik geloof
niet in winkels die 24 uur open zijn in
Nederland. Ik geloof ook niet in
winkels, behoudens nachtwinkels,
die tot 12 uur ’s nachts open zijn. Ik
geloof wel dat het goed is om
winkels de mogelijkheid te geven, in
te spelen op veranderende patronen
in onze samenleving. Ik geloof er ook
heel erg in dat wij ons in die zin niet
over de kop zullen laten jagen en in
de 24-uurseconomie terecht zullen
komen. Dat vertrouwen in onze
samenleving, in de individuen en in
de instituties heb ik. Maar dan
moeten wij wel goed investeren in
kennis. In die zin spreekt de
’’economie van het genoeg’’ mij
misschien niet zozeer aan, maar de
’’economie met de boom’’ wel. Dat
was heel mooie beeldspraak.
Ik realiseer mij dat ik lang niet alle
vragen voldoende heb beantwoord.
Om wille van de tijd wil ik het hier
toch bij laten. Ik hoop dat ik deze
Kamer in de mix van reflectie en
specifieke vragen enigszins tegemoet
ben gekomen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="15-540">
<spreker pagina="15-540" anker="472" soort="Staatssecretaris" naam="Van Dok-van Weele">
 Voorzitter! Mijn aandeel in
dit debat zal zich vooral richten op
aspecten van het ruimtelijk econo-
misch beleid, de administratieve
lasten, de ruimte voor het MKB en,
uiteraard, op het buitenland.
De leden hebben hun zorg over de
concurrentiepositie van Nederland
uitgesproken, evenals hun zorg over
de werkgelegenheid en de harmonie,
het evenwicht, tussen onze sociale
structuur, de ecologie en de
economie. Deze zorg is goed
gehoord. Ik zal proberen op die zorg
te antwoorden in de thema’s die ik
behandel.
Ik wil beginnen met het ruimtelijk
economisch beleid in relatie tot de
zorg over de concurrentiepositie van
Nederland, de zorg over de
werkgelegenheid. Nog deze week
krijgt de Tweede Kamer de nieuwe
nota over ruimte voor regio’s en
ruimtelijk economisch beleid
aangeboden. Deze nota sluit aan bij
het beleid dat de minister uiteen
heeft gezet. Daarin wordt ingegaan
op voorwaarden en beleids-
instrumenten die je moet stellen en
inzetten om de werkgelegenheids-
doelstelling waar te maken. Als mij
wordt gevraagd, waarom ik meen
dat het in deze kabinetsperiode wel
zal moeten lukken, is het enige
antwoord daarop dat de concurren-
tiepositie en de globalisering het zeer
noodzakelijk maken, de doelstelling
te halen. Behalve de elementen die
de minister heeft genoemd, is het
ook noodzakelijk dat wij in de gaten
houden of er in Nederland vol-
doende ruimte is voor het ontwikke-
len van nieuwe economische
bedrijvigheid. Daarnaar is in de
afgelopen jaren onderzoek gedaan
en daaruit is gebleken, dat wij ook
inzake de ruimtelijke mogelijkheden
alles op alles moeten zetten om die
bedrijvigheid gerealiseerd te krijgen.
Het gaat hierbij om een tekort van
zo’n 1600 ha, en dat in een land
waarin er al zoveel is. Het beleid zal
er de komende tijd dus op gericht
zijn, de concurrentiepositie van
Nederland te verbeteren door
aandacht te besteden aan de
ruimtelijke mogelijkheden. Daarbij zal
het evenwicht tussen economie en
ecologie voortdurend een punt van
zorg en afweging zijn. Ook dit heeft
de minister al genoemd.
Ik ga nu kort in op de verplaatsing
van bedrijven en de concurrentiepo-
sitie. Terecht is gesignaleerd dat dit
geen specifiek Nederlands probleem
is maar dat het zich in nagenoeg alle
landen voordoet. Natuurlijk moet de
zaak niet worden gebagatelliseerd.
Door versterking van de concurren-
tiepositie moet ervoor worden
gezorgd dat Nederland het nieuwe
beeld van verplaatsingen aankan. Ik
noem enkele cijfers. De heer Pit heeft
terecht gezegd dat er niet alleen
verplaatsingen naar buiten zijn maar
ook naar binnen. Het buitenlandse
bedrijfsleven in Nederland is goed
voor 300.000 banen. In het afgelopen
jaar hebben de vestigingen van
buitenlandse bedrijven in Nederland
gezorgd voor een groei met zo’n
3000 banen. De Nederlandse
investeringen in het buitenland
bedragen ongeveer 18 mld., terwijl
vanuit het buitenland in totaal
ongeveer 13 mld. in Nederland wordt
geı¨nvesteerd. Het is dus nodig de
vinger aan de pols te houden. Hierop
ga ik straks nog in.
In het kader van het ruimtelijk
economisch beleid is een heel
duidelijke vraag gesteld over de
functie van de instrumenten voor het
noorden van het land, met name van
de IPR. Als ik het goed heb begre-
pen, wil de heer Pitstra dat er een
nauwere relatie ontstaat tussen
banenopbrengst en instrumenten.
Het door de heer Pitstra genoemde
instrument is gee¨valueerd, vooral op
effectiviteit. Daarbij is niet alleen
gekeken naar de onmiddellijke
realisatie van banen maar ook naar
de andere doelstellingen. Zo’n
doelstelling is het verstevigen van de
economische structuur in het
noorden van het land. Wij moeten
ervoor zorgen dat, als er iets gebeurt
in de economie, daar niet de klappen
het hardst aankomen en de zaak
weer terug is op slopershoogte. Ook
zulke elementen zijn gewogen. Het
directe effect van dit instrument was
in de periode 1986-1993 ongeveer
13.000 banen. Het indirecte effect
was 36.000 banen. Nogmaals, er
moet niet alleen worden gekeken
naar het onmiddellijke rendement
maar ook naar de doelstellingen die
betrekking hebben op de toekomst
en het voorkomen van erger.
Overigens ben ik het met de heer
Pitstra erover eens dat een relatie
moet worden gelegd tussen
instrumenten en rendement in
werkgelegenheid. Een mooi
voorbeeld is het subsidiemiddel dat
bij de nieuwe nota gaat horen.
Daarbij zal in sterkere mate dan tot
nu het geval is, worden gekeken naar
het verwachte rendement en de
mogelijke ondersteuning die
daarvoor wordt verleend. Hiermee
ondersteun ik enigszins het betoog
van de heer Pitstra.
Vragen over het ruimtelijk
economisch beleid laat ik even
terzijde. Vanwege de tijd probeer ik
eerst een grote lijn uit te zetten.
Vervolgens ga ik, waar nodig, in op
details.
Ik meen dat de heer Vermaat
vroeg hoe het staat met de beslissin-
gen in Brussel over de ondersteu-
ning van fondsen. De beslissingen
over doelstellingen 1, 2 en 5b zijn
genomen. Die goedkeuring is dus
binnen. Naar verwachting zal in het
voorjaar een beslissing worden
genomen over de communautaire
programma’s.
Een tweede onderdeel van mijn
portefeuille heeft betrekking op het
midden- en kleinbedrijf. Het gaat dan
om de kansen van het MKB op
vergroting van de afzet, dus grotere
exportmarkt, en de daarmee naar ik
hoop gepaard gaande groei van de
werkgelegenheid. Maar dat is ook
een kwestie van ijken.
Ik wil daarin enkele thema’s
onderscheiden. Dat is in de eerste
plaats de noodzaak om het bedrijfsle-
ven aan te moedigen, risico’s te
nemen en beslissingen te nemen die
leiden tot het in dienst nemen van
personeel. Daarvoor is het nodig dat
er meer ruimte wordt geschapen in
het lastenpatroon van het midden-
en kleinbedrijf. Ik wil wel een kleine
correctie maken op het overigens
uitstekende betoog van de heer Pit,
namelijk dat het niet mijn bedoeling
is, geen MKB-beleid te voeren. Mijn
bedoeling is, het midden- en
kleinbedrijf niet als een grote grijze
massa te zien. Ik wil meer kijken naar
sectoren waarop thematisch beleid
gericht kan worden. Gezien de
huidige taakstellingen lijkt mij dat
een realistischer benadering. Het lijkt
mij ook beter dan steeds te spreken
over het totale midden- en kleinbe-
drijf. Sommige sectoren zijn geschikt
voor exportbevordering. Andere zijn
meer geschikt voor andere middelen.
Ik denk daarbij aan het toerisme, om
maar eens een stokpaardje te
berijden. Door onderscheid te maken
in verschillende mogelijkheden
kunnen meer specifieke maatregelen
genomen worden.
Als wij kijken naar de mogelijkhe-
den om het midden- en kleinbedrijf
meer ruimte te geven, dan komen
wij als eerste bij de administratieve-
lastenverlichting. Bijna iedereen
heeft dit punt genoemd. Overigens
staat administratieve-
lastenverlichting niet op zichzelf. Zij
maakt onderdeel uit van het totale
pakket van de ministerie¨le commissie
die zich bezighoudt met verbetering
van de kwaliteit van wetgeving,
deregulering en marktwerking.
De administratieve-
lastenverlichting is een belangrijk
item omdat de kosten die daarmee
gemoeid zijn, dus ook de mogelijke
ruimte die je kunt cree¨ren, wordt
becijferd op ongeveer 13 mld. Die
kosten drukken vooral op het
midden- en kleinbedrijf. Juist voor
dat midden- en kleinbedrijf willen wij
zo graag ruimte cree¨ren voor wat
extra dynamiek. Wij praten dan over
80% van de administratieve lasten
die op de ondernemingen in het
midden- en kleinbedrijf drukken.
Dat lijkt een aantrekkelijke taak.
Het is al gesignaleerd dat je deze
klus moet aanpakken met een zekere
nuchterheid. Wij leven in een druk
land, met hoge kwaliteitseisen. Veel
regels zijn daarop gericht geweest.
De heer Pitstra haalt als voorbeeld
de verkeersregels aan. Ik vond dat
een aardig voorbeeld. Op veel
plaatsen in het land is gekeken naar
de mogelijkheid, het bordenwoud te
schonen. Gebleken is dat dit niet
leidt tot grotere onveiligheid, maar
tot grotere overzichtelijkheid. Ik was
daarom blij met dat voorbeeld. Het
geeft precies weer wat ik bedoel.
Ik ben het wel eens met de heer
Pitstra als hij zegt dat er soms sprake
zal zijn van herregelgeving. Wij
moeten niet te gretig ingaan op hele
nauwkeurige kwantitatieve doelstel-
lingen. Dat zal pas blijken als het
proces in gang is gezet. Op dit
moment inventariseren de departe-
menten op welke terreinen wij onze
prioriteiten moeten stellen en
waarop wij onze energie moeten
richten. Dan is het pas mogelijk met
enige betrouwbaarheid een goede
kwantitatieve doelstelling te
formuleren.
Wij moeten dus goed in de gaten
houden dat het hierbij om drie
onderdelen gaat. Ik noem in de
eerste plaats het doorlichten van
regelgeving op effectiviteit in relatie
tot de kosten. Op de tweede plaats
komt de mogelijkheid van her-
regelgeving. Je zou dit ook kunnen
noemen het efficie¨nter omgaan met
systemen waarbij je de regels wel
handhaaft. In de derde plaats dienen
wij ervoor te zorgen dat er geen
nieuwe belastende regelgeving bij
komt. Wij moeten niet dweilen met
de kraan open. Wij hebben reeds de
bedrijfseffectentoets. Mij is gevraagd
of bijvoorbeeld het wetsvoorstel
Milieujaarverslag niet behoort tot de
maatregelen die weer extra
administratieve lasten veroorzaken.
Ik wil deze vraag heel procedureel
beantwoorden. Dit verslag moet
getoetst worden aan de bedrijfs-
effectentoets.
De heer Vermaat heeft voorts
gevraagd of de commissie-Van
Lunteren reeds is ingesteld. Deze
commissie is inderdaad ingesteld. Zij
richt zich vooral op de fiscale
administratieve lasten. Ik heb
inmiddels een eerste screening
gekregen. Daaruit blijkt dat op het
fiscale terrein 100 mln. aan admini-
stratieve lasten kan worden
bespaard.
Hiermee kom ik op het vergroten
van de ruimte door het terugdringen
van andere lasten. Een bedrag van
500 mln. is daarvoor bestemd. Dit
bedrag kan worden benut voor
specifieke doelstellingen. Een aantal
voorbeelden is reeds genoemd,
zowel door het bedrijfsleven zelf, als
door het eigen ministerie in overleg
met het ministerie van Financie¨n.
Daarbij wordt gedacht aan de
verruiming van de vrijstelling van
ondernemingsvermogen, verhoging
van de investeringsaftrek, verruiming
van de WBSO voor het midden- en
kleinbedrijf en aan fiscale stimulering
voor starters. Je zou ook kunnen
denken aan fiscale ondersteuning
van doorstarters die voor de
moeilijke beslissing staan, personeel
in dienst te nemen. Voor diegenen
die voor de moeilijke stap staan, zich
buiten Nederland te begeven om de
afzet te vergroten, wordt gedacht aan
een fiscale exportreserve.
Deze speerpunten zijn geformu-
leerd voor het overleg dat moet
plaatsvinden tussen de ministeries
van Economische Zaken en van
Financie¨n. Het is de bedoeling om in
het voorjaar in de beleidsnotitie over
het MKB aan de Tweede Kamer te
rapporteren welke speerpunten en
beleidsvoornemens ree¨el in werking
zijn gezet.
Ik zal heel kort iets zeggen over
het startersbeleid. Ik heb al iets
gezegd over een mogelijke lasten-
verlichting. Belangrijk is, het aanbod
aan informatie en kennis die
noodzakelijk zijn voor startende
ondernemers om die stap welover-
wogen te doen, doorzichtig te
maken. Dat is een van de belangrijke
speerpunten. Daarnaast blijft de
mogelijkheid van bijzondere
garantiekredietverstrekking bestaan.
Ik wil nu graag ingaan op de
vragen en opmerkingen over het
buitenland. Een vraag was hoe het
staat met de voortgang in Brussel
met betrekking tot de GATT. De heer
Vermaat was net in Brussel geweest.
Hij wilde graag weten hoe de zaak
daar loopt en wat de pijnpunten zijn.
Ik ben de afgelopen twee weken nog
niet in Brussel geweest. Mijn
bedoeling is, de informatie wat
overzichtelijker aan te bieden aan de
Tweede Kamer. Als de Eerste Kamer
daar prijs op stelt, wil ik haar deze
informatie graag toesturen. Zij krijgt
dan in de loop van het voorjaar
brede informatie over het vervolg-
traject na de ratificatie. Er is namelijk
meer aan de hand dan alleen de
GATT-verdragen. De effecten op het
landbouwbeleid moeten goed
doorgesproken worden. De
milieunorm en de problematiek van
de kinderarbeid moeten eveneens
goed aan de orde gesteld worden.
Deze onderwerpen komen dus nog
bij de Kamer terug.
Ik wil deze Kamer graag nogmaals
bedanken voor de snelle afhandeling
van de WTO. Dat heeft ertoe
bijgedragen dat Nederland een van
de landen was die op tijd klaar
waren.
Er is gevraagd naar de mogelijk-
heid van een betere coo¨rdinatie
inzake binnenlands beleid, econo-
misch beleid en buitenlands
economisch beleid. Daarbij werd
vooral gewezen op de manier
waarop wij werken in Oost-Europa. Ik
denk dat de vragensteller niet de
bedoeling had om de vraag alleen te
richten op het PSO en dat de vraag
betrekking had op onze algemene
activiteiten in Oost-Europa. Daar wil
ik iets over zeggen. De samenwer-
king en afstemming tussen interna-
tionale en nationale donoren vindt
plaats in bijeenkomsten van de
Wereldbank en de G24. Daarnaast
maakt EZ gebruik van de deskundig-
heid en ervaringen van internationale
organisaties. Natuurlijk is er altijd de
mogelijkheid van verbetering. Daar
ben ik ontvankelijk voor. Op
nationaal niveau heeft met name
mijn voorgangster gezorgd voor
enige stroomlijning op het punt van
de procedures. Ik wil heel kort
aangeven hoe zo’n procedure met
betrekking tot een PSO-project
verloopt. Daarbij wijs ik erop dat EZ
in het hulpbeleid niet de enige
budgethouder is en dat er nog twee
andere budgethouders zijn, te weten
Buitenlandse Zaken en Financie¨n, die
gezamenlijk met andere vak-
departementen hun inhoudelijke
bijdragen leveren. Per land wordt het
aanbod van andere donoren
geı¨nventariseerd en wordt jaarlijks
overleg gepleegd met de ontvanger.
Daarbij worden ook de ambassades
en de diverse departementen
betrokken. De Kamer krijgt in het
voorjaar een voortgangsnota waarin
kan worden bezien hoe effectief deze
procedure heeft gewerkt. Dat zal ook
dit voorjaar weer gebeuren. Het is
dus goed om die nota af te wachten
om te bekijken of er wellicht nog
knelpunten zijn. Ik kan al wel zeggen
dat er sprake is van enige opschui-
vende werking naar de oostelijke
landen en dat met name in de
Visegrad-landen een vervanging van
de hulpgelden door investeringen
plaatsvindt. Het gaat dus goed en
langzaam kan het budget opschuiven
naar oostelijke landen die dat geld
nu harder nodig hebben.
Voorzitter! Ik wil zelf even nalopen
of ik misschien nog vragen heb laten
liggen. Als u denkt dat dit er niet
veel zijn, kan ik ook de tweede
termijn afwachten, gelet op de tijd. 

</spreker>
<spreker pagina="15-543" anker="473" naam="De voorzitter">
 Dat laatste verdient
de voorkeur, want dan kunnen de
kamerleden zelf bepalen op welke
vragen zij nog willen ingaan.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="15-543">

 
<spreker pagina="15-543" anker="474" partij="CDA" naam="Vermaat">
 Voorzitter!
Mag ik beginnen met een woord van
dank voor de beantwoording van de
vragen? Wellicht is een enkele vraag
niet beantwoord, maar er zijn meer
vragen die ik niet gesteld heb, wel
beantwoord. Daar ben ik de
bewindslieden heel erkentelijk voor.
In alle objectiviteit – ook al ben ik
van de oppositie – vond ik de
antwoorden in het algemeen heel
verstandig en wijs. De minister mag
er, wat mij betreft, een meer
ideologisch gehalte in leggen. Het
lijkt wel alsof hij daar bang voor is,
maar misschien is hij er zich niet van
bewust dat er ook in zijn antwoorden
veel meer ideologie zit dan hij denkt.
Ik ga in op drie punten, allereerst
op de baanloze groei. Is de baanloze
groei een natuurwet? Nee, zeker niet.
Dat ben ik met de minister eens.
Bedreigt de baanloze groei ons? Ja,
volgens mij nog meer dan de
minister denkt. Ik heb ook wat
gee¨xtrapoleerd, ik heb de conjunc-
tuur de conjunctuur gelaten en ik
heb, om gelijke perioden te krijgen,
gekeken naar de periode van 1950
tot en met 1975 en de periode van
1970 tot en met 1995. Van de groei
van het nationaal produkt in de
eerste periode met gemiddeld 4,5%
per jaar viel bijna de helft, namelijk
twee procentpunten, toe aan de
werkgelegenheid, gemeten in
arbeidsjaareenheden. In de laatste
periode had van de 2,5% groei van
het nationaal inkomen slechts een
vijfde, namelijk een half procentpunt,
een groei-effect op de werkgelegen-
heid. Laten wij met dit kabinet nu
eens een krachtig beleid voeren en
daarmee het resultaat verdubbelen.
Dan is het nog veel te weinig.
Vandaar dat ik inzake het structuur-
beleid heb gezegd dat er echt meer
moet gebeuren dan het kabinet nu
voornemens is.
De minister sprak in het verband
van het beleidsinstrumentarium over
een mix van instrumenten. Dat is op
zichzelf verstandig, maar een
invalshoek is daarbij onderbelicht.
Die invalshoek wil ik de minister,
voor zijn verdere denkontwikkeling,
nog eens meegeven. Als wij het
hebben over marktwerking, moeten
wij niet alleen denken aan de hekjes
eromheen om de effectieve
concurrentie niet onnodig te
belemmeren, maar met name aan de
’’onderbouw’’ van de markt. Waarop
is die gebaseerd? Daar moet de
marktwerking immers voor een deel
vandaan komen. Als men echt
ecologie en economie wil integreren,
zal men in de eerste plaats daar
moeten zoeken, want men moet
marktwerking behouden en andere
effecten, die nu nog ’’buitenmarkt’’-
effecten zijn, trachten te integreren.
Dat geldt ook voor de arbeidsmarkt.
Eerst wil ik echter nog reageren op
een opmerking van mijn collega
Pitstra. Ik ben zeker geen neo-
liberaal. Het is ook zeker geen
discussie voor of tegen markt-
werking. Die discussie is voorbij. Het gaat om de vraag: wat voor markt?
Op dat punt hebben christen-
democraten – men kan vele decennia
teruggaan – andere ideee¨n dan de
ideee¨n die men normaal onder
’’liberalisme’’ pleegt te verstaan. Mijn
collega heeft inderdaad een paar
goede boeken gelezen, maar lees er
nog eens een paar bij!
De arbeidsmarkt is een van de
markten waar wij goed naar moeten
kijken, met behoud van de sociale
dimensie. Daarbij is het probleem
dat wij ten aanzien van de ontwikke-
ling van het loonniveau ’’matiging’’
met hoofdletters roepen, zeker met
een harde gulden. Wij moeten echter
met name kijken naar de problemen
van de loonverhoudingen. Daarom
was ik het eens met het pleidooi van
de minister over het zwarte gat, dat
helaas op dit moment een ander
soort zwart gat is. Ik zal de eerste zijn
om te zeggen dat wij daar zeker het
basisinkomen – of hoe men dat wil
noemen – bij moeten betrekken. Dat
gaat tegelijkertijd gepaard met een
discussie over het sociale-
zekerheidsstelsel. Ook in dat kader
moeten wij nadrukkelijk spreken over
het basisstelsel. Vandaar dat mijn
vraag over de wellicht bestaande
tegenstelling tussen EZ en Sociale
Zaken en Werkgelegenheid niet
helemaal overbodig was.
Voorzitter! Ik sluit af met een open
vraag over het MKB. Ik was het
globaal met de antwoorden eens. Wij
moeten daar veel van verwachten. Dat wil zeggen: daar moet het, wat
de werkgelegenheid betreft, voor een
groot deel vandaan komen. Die
sector is echter nogal heterogeen.
Wordt het niet tijd om wat meer
analyse te plegen over de differentia-
tie daarvan? Dan praat ik niet alleen
over de omvang, want die kan men
misschien wel statistisch meten,
maar ook over marktconstellatie, de
levensfase en de kennisfase. Mijn vraag luidt dan ook: als wij dat
hebben gedaan, moeten wij dan het
beleidsinstrumentarium differentie¨-
ren of juist niet? Ik weet zelf het
antwoord niet en het is dus echt een
open vraag. Ik ben benieuwd naar
het antwoord van de bewindslieden.
Dat komt wellicht niet nu, maar later
in de notities die wij in de loop van
1995 tegemoet kunnen zien.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="15-543">

 
<spreker pagina="15-543" anker="475" partij="PvdA" naam="Pit">
 Voorzitter! Ook ik
zal mij beperken en ook ik begin met
het uitspreken van dank aan de beide
bewindslieden voor hun reactie en
antwoorden. Het is zeker zo dat niet
alle vragen beantwoord zijn, maar
wellicht kan aan de hand van het
nalezen van de Handelingen door de
ambtenaren nog een aantal vragen
schriftelijk worden beantwoord. Het
heeft mij goed gedaan dat uit de
antwoorden een grote betrokkenheid
en bevlogenheid sprak. Het betoog
was voor een part-time-politicus
zoals ik ook verstaanbaar en moedig.
Als ik de minister hoor zeggen dat hij
ernaar streeft om in 2003 en 2004 –
sorry, ik bedoel 2003 en 2005, want
de minister wilde het jaar 2004 niet
uitspreken – op 5% werkloosheid te
zitten, terwijl de werkloosheid zich
tot nu toe, na elke dip in de
economische ontwikkeling, op een
hoger niveau voortzet dan voorheen,
moet ik zeggen dat ik hem graag
steun om dat te bereiken. Dat vind ik
heel moedig.
Ik zal mij beperken tot mijns
inziens drie dilemma’s.
Mijn eerste dilemma betreft de
internationale concurrentie. Ook ik
vind dat wij niet met de rug naar de
werkelijkheid moeten staan. Het
verhaal van de boze buitenwereld
tegenover wij die het allemaal zo
goed doen, is hier niet van toepas-
sing. Ik wil ook nog aannemen dat
de conjunctuurberichten van
november geen structurele verbete-
ring aangaven. Er stond echter wel in
dat de omzet van de export meer
groeide dan de omvang. Er zat een
heel nadrukkelijke waarde- en
prijsstijging in. Daar is kennelijk de
ruimte voor. Dat is hoopgevend. Wat
dat betreft leven er echter wel een
paar vragen. Met wie willen wij
concurreren? Gaan wij de concurren-
tie aan met landen die aan kinderar-
beid doen en die het milieu en de
sociale verhoudingen op een niveau
handhaven dat wij niet aanvaarden?
Willen wij, kort en duidelijk gezegd,
toestaan dat Oost-Europa zich
economisch versneld ontwikkelt – dat
kan zeker ook in ons belang zijn – ten
koste van een aantal milieu-aspecten
en de sociale verhoudingen zowel
daar als hier, in ons land? Hoe ga je
met dat dilemma om? Een volgende
vraag is of je niet tot een betere mix
aan bedrijven moet komen. Deze
vraag is in deze Kamer in de
voorgaande jaren al eerder aan de
orde geweest. In Nederland hebben
wij een aantal heel grote bedrijven
en veel kleine bedrijven. In het
tussengebied, waar vaak een heel
grote dynamiek in zit, is Nederland
niet zo sterk. Duitsland stelt
voorwaarden ten aanzien van
lastechnieken die gebruikt worden bij
produkten die ingevoerd worden.
Moeten wij ook niet denken aan dit
soort drempels als het gaat om een
aantal andere zaken? Mijn laatste
opmerking over internationale
concurrentie en het technologie-
beleid is het volgende. Moeten wij
niet zoeken naar een dynamisch-
flexibel geschakeerde regelgeving,
bijvoorbeeld bij het subsidiebeleid
ten aanzien van technologie? Daarbij
moet men veel meer denken aan
vormen van co-financiering en het
ondersteunen van, met name, de
kleine bedrijven.
Mijn tweede dilemma ligt in de
economie van het genoeg. Ik meen
te moeten constateren dat er
behoefte is aan een groot aantal
produkten en diensten. Een aantal
daarvan werden tot nu toe verzorgd
door de collectieve sector. Wij willen
de collectieve lasten verminderen.
Zijn wij op dit moment echter niet
verkeerd bezig? Wij gaan via een
U-bocht-constructie banen met
behoud van uitkering scheppen in de
collectieve sector en brengen dus in
feite conjuncturele collectieve lasten
naar de structurele collectieve lasten.
Wij moeten hierover de discussie
aangaan en niet almaar roepen dat
de collectieve lasten omlaag moeten.
Dat leidt immers per definitie tot
afbraak van diensten waar behoefte
aan is.
Mijn derde dilemma is de
arbeidsmarkt. Die arbeidsmarkt is
heel wat flexibeler dan wordt
verondersteld. Ik heb dat in eerste
termijn al gezegd. Als de minister
zelf de groei van de uitzendbureaus
ten tonele voert, is dat een bewijs
van die flexibiliteit. Daar kun je
mensen op detacheringsbasis krijgen
en mensen op tijdelijke basis. Dat
levert een veel grotere instroom op.
Dat is ook een van de problemen van
de arbeidsvoorziening. Die ziet
nauwelijks kans om mensen weg te
zetten in vaste of reguliere banen.
Dat is echter wel de opdracht. De
minister praat ook over de onderkant
van de arbeidsmarkt en de lage
lonen. Dat vind ik belangrijk. Ik neem
weer het voorbeeld van de thuiszorg
en de gezinsverzorging. Daar kennen
wij straks drie soorten gezins-
verzorgers en gezinsverzorgsters. Ten
eerste de CAO-werknemers, ten
tweede de alfa-hulpen en ten derde
de mensen uit het grijze en zwarte
circuit via het clie¨ntgebonden
systeem. Die doen voor een
belangrijk deel allemaal hetzelfde
werk. Natuurlijk verdedigen de
mensen die op CAO-basis werken
zich met het argument dat zij
opgeleid en dus gekwalificeerd zijn.
In feite gaat het echter om dezelfde
soort arbeid. Een en ander is nog
veel duidelijker merkbaar bij
banenpoolers die ingezet worden als
vuilophalers, tramconducteurs,
etcetera. Moeten wij dan niet, veel
structureler, praten over het totale
loongebouw? Ik weet dat dit bij
zowel werkgevers als werknemers
eigenlijk onbespreekbaar is.
Misschien is het dan juist een taak
voor de overheid om hier baanbre-
kend op te treden. Anders beklijft het
ook niet. Je kunt mensen niet
hetzelfde werk laten verrichten als
anderen voor structureel, op de
langere termijn, lagere lonen en
slechtere arbeidsvoorwaarden.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="15-544">

 
<spreker pagina="15-544" anker="476" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">

Mijnheer de voorzitter! Er wordt, ook
door onszelf, heel veel overhoop
gehaald. Dat is interessant. Wij
moeten een en ander echter weer
afraffelen. Misschien is dat het
karakter van het debat in de Eerste
Kamer. 

</spreker>
<spreker pagina="15-544" anker="477" naam="De voorzitter">
 Vijf en een half uur
uittrekken voor een begrotings-
behandeling in deze Kamer lijkt mij
niet extreem weinig, ook in
vergelijking met de Tweede Kamer.
Het gaat natuurlijk om het maken
van een keuze. Dat is altijd het geval
in de politiek. Als dat niet kan, wordt
het lastig. 

</spreker>
<spreker pagina="15-544" anker="478" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">
 Tot het
maken van keuzes wordt je nu wel
gedwongen.
Mijn eerste opmerking betreft,
misschien verrassend, de woordvoer-
der van de VVD. De heer Verbeek
stak aan het einde van zijn betoog
een ontroerend verhaal af over zinvol
werk en de expressiemogelijkheden
binnen werk. Hij vroeg zich in paniek
af of dat nog wel mogelijk is als wij
de internationale concurrentie
bekijken, die wij nog willen
verscherpen, en als daarvoor
continuı¨teit van de winstmaximalisa-
tie nodig is. Dat is immers het
economische systeem. Nederland en
Europa willen concurreren ten
opzichte van Japan en de Verenigde
Staten. Daar gaat het allemaal om.
Daarom komt de heer Verbeek aan
het eind van zijn betoog in de knoei.
Dat is ook precies de kritiek die ik
altijd op zijn partij heb gehad. Zijn
partij wil een systeem in stand
houden dat echter de dingen die
men kennelijk echt belangrijk vindt in
de knel laat komen.
Ik kom toe aan de concurrentieslag
met Japan en de Verenigde Staten. Ik
ben blij dat de minister aangeeft dat
wij de concurrentieslag met landen
waar men tien tot honderd keer
minder verdient niet kunnen winnen.
Dat moeten wij gewoon vergeten.
Het draait om de gewenste
concurrentieslag met Japan en de
Verenigde Staten. Daar praat men op
dezelfde manier. Men kan zich
afvragen of wij elkaar niet vreselijk
lopen op te zwepen, ten koste van
allerlei dingen. In die landen roept
men ook om meer concurrentie. Wij
jagen elkaar op in een soort van
race. Dan komt de vraag van de heer
Pit aan de orde. Willen wij wel
concurreren met een maatschappij
als die van Japan, waar men leeft
om te werken en het leven weinig
kwaliteit kent? Willen wij wel een
maatschappij als die van de
Verenigde Staten, waar een neger in
de Bronx een even hoge levensver-
wachting heeft als iemand in
Bangladesh, namelijk dertig jaar?
Willen wij met dat soort landen
concurreren, ten koste van milieu en
sociale structuren?
De minister werd aangesproken
door het beeld van de economie als
boom. Die duurzame-
kringloopeconomie en die helikopter-
economie van mij, die ook eens kan
stoppen, wil ik afzetten tegen de
straaljager-economie. Wat vindt hij
van dat idee? Komen dat soort meer
fundamentele ideee¨n ook aan de
orde in de nota?
Ik ga in op de vragen die ik in
eerste instantie heb gesteld. Ik zal
maar weinig reageren op wat er
gezegd is. Ik heb in mijn betoog
aandacht gevraagd voor de
onderklasse, naar aanleiding van het
boekje van Stella Braam. Ik heb de
minister gevraagd om daar een
debat over te organiseren of
minimaal deze dame uit te nodigen
en te laten interviewen door het blad
van zijn departement. Daar is alleen
algemeen op gereageerd in de zin
van een discussie over een basisin-
komen of een negatieve inkomsten-
belasting.
Ik heb naar een artikel in de ESB
verwezen van de econoom Paping.
Hij stelde dat de IA-ratio vooral
wordt bepaald door een veranderend
cultuurpatroon en niet door de
inflexibele regels op de arbeids-
markt. Het traditionele kostwinner-
gezin is aan het verdwijnen. Ik wil
daar graag een reactie op horen.
Ik kom toe aan de discussie tussen
Van Dieren en Rinnooy Kan. Rinnooy
Kan behoort, met Geelhoed, tot de
’’marktmafia’’. Het verbaast mij dan
ook dat de minister zegt het geheel
eens te zijn met de heer Geelhoed.
Die doet immers uitspraken die
allemaal haaks staan op die ene zin
in het proefschrift van de minister en
wel dat het een gevaarlijk idee is om
de markt te kiezen als hoofd-
mechanisme van coo¨rdinatie. Mag ik
concluderen dat de minister het in
deze discussie meer eens is met Van
Dieren dan met zijn snurkende
partijgenoot, Rinnooy Kan, die
immers wel een pure markt-
propagandist is?
Ik heb een vraag gesteld over de
studies van Hueting over het groene
BNP. Daarover zijn ook in de Tweede
Kamer vragen gesteld, ik dacht door
D66. Wordt dat ook betrokken bij de
nota over milieu en economie?
Op energiegebied heb ik de vraag
gesteld welke centrales gesloten
kunnen worden en ook of de WKK
niet afgeremd moet worden. Ik heb
ook gevraagd hoe het zit met de
terugleveringstarieven voor
windenergie en of zonne-energie,
met name foto-voltaisch, wel
voldoende gestimuleerd wordt.
Wat de koelkasten betreft, houdt
de consument een keuze. De CFK
gaat eruit; dat is op zich zelf een
goede zaak. Ik heb toch vraagtekens
bij die keuzevrijheid. Er kunnen
koelkasten worden gemaakt, die
maar 100 kWh gebruiken. Waarom
zou je dan koelkasten op de markt
toestaan, die vier keer zoveel
verbruiken? In de nota Ecologie en
economie zou dat soort fundamen-
tele zaken aan de orde gesteld
moeten worden.
Wat de vloerisolatie betreft, heb ik
in eerste instantie gevraagd of het in
de stedelijke werkmaatschappij kan
worden ondergebracht. Wellicht kan
de staatssecretaris hierover wat
zeggen. Het gaat om een krachtige
opzet van een energiebesparings-
beleid.
Uit mijn lijst van 20 punten zal ik
er nog drie uitpakken. Het verheugt
mij dat geen afstand wordt genomen
van het proefschrift. De minister
begrijpt niet dat Economische Zaken
een beeld om zich heen krijgt van
marktmafia, terwijl hij wil deregule-
ren. Dat komt door de tekst van de
memorie van toelichting bij de oude begroting. De minister roept wel:
met behoud van doelstellingen. Wij
zijn het daarmee eens, als het goede
doelstellingen zijn. Als de minister
wil dereguleren of minder regels,
dan vind ik dat prima. Uit de uitspraak: met behoud van doelstel-
lingen en alleen overbodige of
onzinnige regels spreekt de visie, dat
regels in het algemeen een
belemmering vormen voor het
economisch functioneren. Mijn
stelling is, dat het een produktiefac-
tor is. Ik verwijs naar de verkeersre-
gels. Als er geen verkeersregels
waren dan zou het verkeer ontwricht
worden.
Voorzitter! Ik wil nog iets zeggen
over de economie van het genoeg en
de behoeften. Die behoeften zouden
nog lang niet bevredigd zijn. Ik raad
de minister aan toch nog eens de
nieuwe uitgave van Galbraith te
lezen, die aangeeft dat die behoefte
door onder meer reclame en
begeerte gekweekt wordt. Is een
steeds grotere materie¨le consumptie
wel gewenst?
De IPR wordt meer gericht op
werkgelegenheid. Dat is een goede
zaak. Mijn voorstel was om het meer
te richten op milieu-investeringen.
Zou dit in de nota meegenomen
kunnen worden? 

</spreker>
<spreker pagina="15-545" anker="479" naam="De voorzitter">
 Wij hebben tot nu toe
in deze Kamer – en ik hoop dat het
zo blijft – bij afzonderlijke begrotings-
hoofdstukken geen spreektijdtoe-
deling naar rato van de omvang van
de fracties. Ik wijs de heer Pitstra
erop, dat hij namens een fractie van
vier leden in eerste termijn de
meeste spreektijd heeft gebruikt. Ik
vind dat dit moet kunnen. Ik vind het
dan wel wat bezwaarlijk, als hij
opmerkingen maakt over limitering.
Daarop was mijn opmerking van
zoe¨ven gericht.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="15-545">

 
<spreker pagina="15-545" anker="480" partij="D66" naam="Mertens">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik dank de minister en de
staatssecretaris hartelijk voor de
beantwoording van de vragen. Ik
wacht de schriftelijke antwoorden
met spanning af.
Ik wil nog aandacht vragen voor
een tweetal tritsen. Naar mijn
mening is hier het brede gevoelen
terecht, dat ondanks een conjunctu-
rele opleving er wel degelijk plaats is
voor zorg. Hoe kan hiermee het
beste worden omgegaan? Bij de
structurele maatregelen zal de
technologie een buitengewoon
belangrijke plaats moeten innemen.
Hoe kunnen wij ervoor zorgen dat dit
tot het bewustzijn van burgers en
bedrijven doordringt? Ik heb het
sombere gevoel, dat onze inspannin-
gen tot nu toe – hoe fraai de
voorbeelden ook zijn geweest – niet
tot goede resultaten hebben geleid.
Ik noemde schertsenderwijs het
Chriet Titulaar-gevoel. Ik meen, dat
wij de mensen dit meer duidelijk
moeten maken. Zij moeten het als
het ware aan den lijve ondervinden.
De concurrentietoets zou hierbij van
belang kunnen zijn. Heeft de minister
nog andere plannen op dit punt? Ik
ben geschrokken van het verschil
tussen Nederland en de landen om
ons heen, als het gaat om het
publieke inzicht in de betekenis van
de technologie voor ons economisch
welbevinden.
Voorzitter! De tweede trits betreft
onze kenniseconomie en de wijze,
waarop wij al dan niet via de
elektronische snelwegen proberen de
wijsheden van de kennisinstituties
ten nutte van onze economie te laten
komen. Ik ben, terugkijkend naar de
laatste 15 jaar buitengewoon
bezorgd over het betrekkelijk geringe
effect dat de stimulerings-
programma’s hebben gehad. Bij het
woord ’’cluster’’ ben ik op voorhand
enigszins sceptisch, maar ik laat mij
graag ervan overtuigen, dat het
thans geheel anders gaat. Ik ben zeer
bezorgd over een eventuele
afscherming van de markt, die
ervoor heeft gezorgd, dat wij wel
goede R en D hebben gepleegd,
maar dat dat betrekkelijk weinig
marktresultaten te zien heeft
gegeven.
In het hoger onderwijs wordt veel
research verricht. Daar is van alles
gaande. Is Economische Zaken
daarbij op de een of andere wijze
betrokken? Wij zouden graag zien dat
de minister een forse inspanning
levert in de richting van het
beroepsonderwijs en het technolo-
gisch onderzoek, opdat toepassing
van de technologie ten behoeve van
onze economie wordt bevorderd. Dat
zou een structureel element in de
stelselherziening kunnen zijn.
Voorzitter! Tot mijn verbazing is in
het kader van de elektronische
snelwegen gezegd hoe verontrustend
het was dat de R en D-inspanningen
van overheidszijde en van de kant
van het bedrijfsleven zo omlaag
waren gegaan. Die constatering kan
natuurlijk niet zonder gevolgen
blijven. Het laken van een ontwikke-
ling doet de vraag rijzen, of de
minister daaraan wat wil doen. Wat
gaat hij daaraan doen? Heeft hij
ruimte in de beleidsintensiveringen?
</spreker>
</blok>
<blok pagina="15-546">

 
<spreker pagina="15-546" anker="481" partij="VVD" naam="Verbeek">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik schaar mij in de rij van
degenen die de bewindslieden
hebben bedankt voor het antwoord.
Wat de daling van de R en
D-uitgaven betreft, heb ik nogal
geworsteld met mijn oordeel over
het snel aanbrengen van de
bezuiniging van 300 mln. Aanvanke-
lijk wist ik niet of ik de minister
moest beknorren of complimenteren.
Ik heb uiteindelijk voor complimente-
ren gekozen, omdat ik het van
politieke moed vond getuigen dat de
minister snel na het regeerakkoord
deze bezuinigingen invulde, wetend
dat hij daarover gekapitteld zou
worden. Ik begrijp heel goed dat de
minister dat deed met een bloedend
hart.
De minister spreekt een tikkeltje
eufemistisch over de onbalans
tussen bedrijfsvestigingen en
bedrijfsverplaatsingen naar het
buitenland. Als ik het goed heb
begrepen, is het saldo negatief.
Kunnen wij een effectief instrumenta-
rium ontwikkelen om deze ontwikke-
lingen te keren? Ik noemde de
versoepeling van het ontslagrecht,
de VAIA tegenover de fiscale franjes
in het buitenland die bedrijven
verleiden om zich daar te vestigen. Ik
denk niet dat deze minister een
tekort aan creativiteit heeft om
aantrekkelijke instrumenten voor
Nederland te ontwikkelen.
Ik ga nog even in op de loonmati-
ging in ruil voor arbeidsplaatsen. Het
verraste mij eerlijk gezegd een
tikkeltje – het was een blijde
verrassing – dat de minister zei dat
de loonmatiging naar zijn oordeel
het resultaat was van de verhoudin-
gen op de arbeidsmarkt. Betekent dit
in zijn visie dat het moeizame
akkoord tussen werkgevers en
werknemers achteraf bezien eigenlijk
onnodig is geweest omdat de markt
haar werk toch wel zou hebben
gedaan?
Dan nog even iets over winstmaxi-
malisatie als vijand van de werkgele-
genheid. Dit is een heel oud thema.
Het is niets nieuws. Ik heb het heel
bewust zwart-wit geformuleerd om
een discussie los te maken, hoewel
ik natuurlijk goed begrijp dat het
genuanceerd moet worden bena-
derd. Als ik zijn woorden goed
begrijp, zwakt de minister de kracht
van het winstdenken in ondernemin-
gen af. Hij mitigeert het wat. Als
deze constatering juist is, moet ik dit
als oud-ondernemer tegenspreken. Ik
weet maar al te goed hoezeer het
rendementsdenken in een onderne-
ming centraal staat. Winst is nodig
voor de continuı¨teit van de onderne-
ming. Men moet aandeelhouders
belonen. Men moet bankiers
geruststellen, want die beginnen
altijd naar ratio’s te kijken. Enfin, dat
hoef ik de minister allemaal niet uit
te leggen. Het rendementsdenken is
een conditio sine qua non voor het
verkrijgen van financieringsmiddelen.
Als de minister heeft gezegd wat ik
heb verstaan, veroorloof ik mij, op
dit punt met hem van mening te
verschillen. Het winstdenken staat in
een onderneming heel centraal. Het
is niet primair het werkgelegenheids-
denken dat vooropstaat.
Ik kan mij vinden – helaas – in de
opmerkingen van de minister over
de werkgelegenheid, met de
achterliggende structurele tendensen
die door de hem zijn geschetst. Er is
sprake van een sterke groei van het
arbeidsaanbod. Ik ben het met hem
eens dat dit een heel beangstigende
ontwikkeling is. Dat geldt zeker voor
de hoge inactiviteit. De minister zei
dat dit de fundamenten van de
samenleving bedreigt. Ik vind dat
niet een te zware uitspraak. Hoe
keren wij deze situatie? In eerste
termijn heb ik al gezegd dat er geen
eenvoudige recepten zijn. Op dit
punt heb ik al een paar thema’s
genoemd, zoals de VAIA. Deze
instrumenten zou misschien opnieuw
leven moeten worden ingeblazen. De
minister is er in eerste termijn niet
op ingegaan. Ik hoop dat dat geen
verkeerde bescheidenheid was. Het
instrument als zodanig heeft altijd
heel goed gewerkt.
Aan het slot van de opmerkingen
over de werkgelegenheid zei de minister: ik geloof niet dat het
werkloosheidsvraagstuk beleids-
resistent is. Kan hij mij uitleggen
welke prikkels hij dan wel ziet om de
werkgelegenheid zich we`l verder te
laten ontwikkelen? Op welke prikkels
reageert de werkgelegenheids-
problematiek we`l? Welke instrumen-
ten heb je daarvoor nodig?
</spreker>
</blok>
<blok pagina="15-546">

 
<spreker pagina="15-546" anker="482" partij="RPF" naam="Schuurman">
 Mijnheer
de voorzitter! Ook ik spreek mijn
dank voor de beantwoording uit aan
het adres van de minister. Ik heb mij
in eerste termijn niet gericht tot de
staatssecretaris. Dat deed ik niet
omdat ik geen belangstelling voor
haar beleidsterrein heb, maar omdat
wij hier kortgeleden nog twee
wetsvoorstellen uitvoerig met elkaar
hebben besproken.
Ik zei al dat ik de minister dank
voor de beantwoording. Het beeld
dat uit de beantwoording naar voren
komt, is wel wat genuanceerder dan
het beeld dat tot nu toe uit de media
naar voren kwam.
Ik vraag nog aandacht voor enkele
punten. De minister zegt dat hij het
helemaal eens is met de heer
Geelhoed. Ik had niet anders
verwacht. De heer Geelhoed zegt
heel nadrukkelijk dat wij snel moeten
werken aan de herstructurering van
de sociale zekerheid. Wanneer en
hoe moet dat gebeuren, gelet op de
suggesties van de minister inzake het
basisinkomen? De minister zei op dat punt: wij moeten naar zo’n basisinko-
men toe. Omdat dan een stuk
verborgen werkgelegenheid aan het
licht treedt, ben ik het met hem eens
dat wij onze aandacht daarop
moeten concentreren. Wel vraag ik
mij af of dit mogelijk is binnen de
constellatie van dit kabinet, gezien
recente uitspraken van de minister
van Sociale Zaken en Werkgelegen-
heid. Ik zou het zeer betreuren als
door de economische opbloei
herstructurering van de sociale
zekerheid niet nodig zou zijn. Het
laatste is immers door minister
Melkert gezegd.
Het tweede punt betreft de
technologie en economie. Het
verraste mij dat de minister zei dat
technologie meer inhoudt dan alleen
het nieuw leven inblazen van
ondernemingen. Hij wees daarbij op
technologie in verband met
criminaliteit, op de ouderenzorg en
op de relatie tussen overheid en
maatschappij. Is dat niet juist de
technologie die door het midden- en
kleinbedrijf gestimuleerd zou moeten
worden? Dat gebeurt toch niet
vanzelf? Overigens heb ik erg veel
waardering voor de aandacht die aan
het midden- en kleinbedrijf en ook
aan de starters gegeven wordt. Als
de minister met betrekking tot de
starters lastig gevallen wordt met
deregulering, vraag ik hem om
zoveel mogelijk door te gaan met
deregulering, teneinde startende
ondernemers kansen te geven.
Het derde punt hangt enigszins
samen met de technologie. Dat
betreft de invloed die van de
informatietechnologie uitgaat op
ondernemingen en dienstverlenende
instellingen, zoals banken en
verzekeringsmaatschappijen. Nog
niet zo lang geleden hoorde ik het
verhaal dat door de informatietech-
nologie de tendens is om te
concentreren en om grootschaligheid
na te jagen. Iemand die daarin zelf als informaticus werkzaam was, zei:
bij die bedrijven worden wij steeds
meer geconfronteerd met structure-
ren die wij zelf niet meer kunnen
begrijpen, de structuur wordt
incomprehensible. Ik vraag de
minister of hij op grond van zo’n
gegeven – dat gegeven kan ons heel
duur komen te staan als het werkelijk
een keer tot een uitbarsting komt –
niet meer aandacht zou moeten
geven aan de informatietechnologie
die richting kleinschaligheid en
decentralisatie gaat. Als ik door de
Randstad Holland rijdt, denk ik af en toe: het lijkt wel alsof er nog geen
informatietechnologie is. De
informatietechnologie maakt het juist
mogelijk om richting kleinschaligheid
en decentralisatie te werken. Dat
blijkt ook duidelijk uit het feit dat wij
vandaag hebben gesproken over
globalisering van de arbeid. Daarbij
past men het principe in zekere zin al
toe. Wij kunnen dat ook binnen onze
nationale economie doen.
Dan het laatste punt. Ik vond de
beschouwing van de minister
consistent. Op een punt vroeg ik mij
af of hij niet te` consistent was, of hij
geen ruimte wilde laten voor heel
fundamentele vragen die elke keer
worden aangedragen in onze
discussie over onze economische en
technologische ontwikkeling. De
minister zei bijvoorbeeld dat
economie en ecologie niet met elkaar
in strijd hoeven te komen. Maar alle
analyses van het complex van
wetenschap, technologie en
economie laten toch dreigende
scenario’s voor de toekomst zien.
Gisteren las ik nog een artikel waarin stond: zelfs als wij werkgelegenheid
najagen – dat moet ook, denk ik –
moeten wij ons realiseren dat bij een
toenemende werkgelegenheid de
belasting van natuur en milieu
toeneemt. Dat is een proces dat je
niet zo gemakkelijk keert. Ik plaats
daar dus toch wat vragen bij, ook
naar aanleiding van de opmerkingen
die collega Verbeek vanmiddag
maakte over de tendensen in de
wereldeconomie. Ik heb de indruk
dat de onrechtvaardigheden die wij
vanuit het Westen hebben geı¨ntrodu-
ceerd, op wereldniveau in zekere zin
enigszins hersteld worden. Er wordt
ons iets afgenomen wat zij van ons
overnemen. Het is best mogelijk dat
dit ons pijn doet. Ik heb de indruk dat men denkt: laten wij maar wat
harder gaan lopen, dan ontlopen wij
de problemen die ermee samenhan-
gen. Zonder dat ik in alle opzichten
afwijs dat er iets gebeurt – je moet
zeker iets doen aan de hoogwaardige
technologiee¨n – benadruk ik dat het
ook tijd wordt, te bekijken hoe wij de
pijn met elkaar kunnen verwerken en
hoe wij daarbij de sociale rechtvaar-
digheid in onze eigen maatschappij
vorm en inhoud kunnen geven. Wat
het complex van wetenschap,
techniek en economie betreft denk ik dat wij niet kunnen zeggen: na ons
de zondvloed. Misschien dat het in
de regeerperiode van deze minister
nog goed gaat, maar wij moeten ook
naar de periode na 2005 kijken. Het
jaar 2005 was immers het maximum
dat de minister vanmiddag in zijn
beschouwingen betrok. Ik vraag dus
of het niet goed is, de problemen
van de toekomst alvast te actualise-
ren. Wij moeten met elkaar nadenken
over de maatregelen die genomen
moeten worden. Daarbij zeg ik heel
nadrukkelijk dat ik geen pasklare
eenvoudige recepten heb. Dergelijke
recepten zijn er overigens nooit als
er iets dreigt waarvan wij heel wat
pijn zullen ondervinden. Wij moeten
echter niet met oogkleppen op
rondlopen. Wij moeten de realiteit,
die op ons afkomt, onder ogen zien
en wij moeten in alle opzichten
verantwoorde maatregelen nemen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="15-547">

 
<spreker pagina="15-547" anker="483" soort="Minister" naam="Wijers">
 Voorzitter! De heer
Vermaat heeft een aantal thema’s
aangestipt zonder rechtstreeks
vragen te stellen. Ik zie het als een
agenderen van toekomstige
discussies. Ik ben het eens met zijn
opmerkingen over de performance
van de Nederlandse economie en de
creatie van werkgelegenheid over de
jaren 1950-1970 en 1970-1990. Het is
nogal wat wat wij moeten doen. Het
is heel ambitieus en het is ook de
vraag of het te realiseren is. Dat
moet worden bezien tegen de
achtergrond van de analyse van hoe
erg het vraagstuk kan zijn. Als wij het
niet oplossen, gaat het goed fout. Ik
ben er namelijk diep van overtuigd
dat dan onze beschaving ter
discussie staat. Het moet dus en ik
verheug mij op verdere discussies
daarover. Dat is geen lege frase; ik
meen dat oprecht.
In antwoord op de opmerkingen
van de heer Schuurman merk ik op,
dat die fundamentele vragen er wel
degelijk achter zitten zowel ten
aanzien van de ecologische
dimensies als ten aanzien van de
sociale dimensies. Ik vergelijk het
met de positie van de steile-
wandrijder. Als hij gas terug neemt
om eens rustig na te denken, valt hij
omlaag. Als hij tijdens het steile-
wandrijden niet goed nadenkt, kan
hij grote fouten maken. Ik zie het
dilemma wel degelijk. Ik weet wat de
vragen zijn, zeker als wij spreken
over economie en ecologie. Die
vraagstukken zie je ook steeds weer
terug als beslissingen moeten
worden genomen over bijvoorbeeld
de infrastructuur van ons land. Daar
moet je namelijk erkennen, dat
ecologie en economie ook met de
beste technologie niet altijd met
elkaar in harmonie te brengen zijn.
Dat zijn grote dilemma’s. Ik erken,
dat ik op al die dilemma’s ook geen
antwoord heb en dat zij mij bezig
houden. Tegelijkertijd heb je een
aantal lijnen waarlangs je probeert te
werken bij het oplossen van die
vraagstukken die wat mij betreft niet
ter discussie staan. Een aantal
zorgen die vanmiddag zijn uitgespro-
ken, deel ik echter wel, hoewel ik
daar geen oplossing voor heb.
De heer Vermaat heeft een vraag
gesteld over de arbeidsmarkt. Hij
merkte op, dat wij ook naar de
loonverhoudingen aan de onderkant
van de arbeidsmarkt moeten kijken.
Als ik hem goed begrepen heb,
pleitte hij voor het internaliseren van
de externe effecten in onze markt-
werking zodat wij zonder het
effectieve en democratische
instrument van de marktwerking die
effecten meer en meer merken. Ik
ben het daar zeer mee eens; het zal
een geleidelijk proces moeten zijn.
Er is een vraag gesteld over het
MKB. De analyse moeten wij
sowieso maken en die kunnen wij
dan ook toezeggen. De staatssecreta-
ris heeft een aantal opmerkingen
gemaakt over wat het precies
betekent voor differentiatie van
beleid. Zij sprak over sectoren op het
gebied van toerisme. Daar kan een
gedifferentieerde aanpak ten opzichte
van geheel andere sectoren van het
midden- en kleinbedrijf op zijn plaats
zijn. Er moet echter geen misver-
stand over bestaan, dat je niet
bijvoorbeeld binnen de metaalsector
verder zou differentie¨ren om daar
apart beleid te voeren. Dat hebben
wij niet bedoeld te zeggen. Laten wij
de notitie inderdaad maar afwachten.
De staatssecretaris en ik hebben ook
nog wel het nodige te doen. Het
centrale thema van het MKB als
banenmotor met op een aantal
specifieke gebieden ook specifiek
beleid, staat en daar willen wij graag
ook aan vasthouden. Wij willen
daarover graag de discussie voeren,
ook in het kader van het stimuleren
van nieuwe bedrijvigheid.
Ik zeg de heer Pit graag toe, dat de
vragen van een meer technisch
karakter die niet beantwoord zijn,
alsnog schriftelijk zullen worden
beantwoord. De staatssecretaris zal
overigens terugkomen op de vragen
over internationale concurrentie als
wij spreken over milieu en sociale
dumping.
Het vraagstuk van de mix van
ondernemingen is een thema dat mij
ook buitengewoon bezighoudt. Het
gaat om vele kleine en vele grote
ondernemingen. In Duitsland worden
zij zo mooi die mittelsta¨ndische
Unternehmungen genoemd,
ondernemingen waar juist vrij veel
technologie en veel werkgelegenheid
zijn. Dat hebben wij in Nederland
weinig en er vindt op het ogenblik
wat onderzoek plaats, ook naar
aanleiding van een discussie in de
Tweede Kamer. Het heeft iets te
maken met doorstarters, maar het
gaat waarschijnlijk verder dan dat. Er
zullen waarschijnlijk ook fiscale
kanten aan zitten. Wij zijn er dus mee
bezig want het is een belangrijk
thema.
De heer Pit heeft gevraagd of het
instrumentarium niet verder
gedynamiseerd en geflexibiliseerd
moet worden en of niet meer in
termen van cofinanciering moet
worden gedacht. Zonder daar nu
verder op in te gaan, wil ik opmerken
dat dit nu precies de thema’s zijn
waarover wij hard nadenken in het
kader van de nota Technologisch
structuurbeleid. Flexibilisering moet
overigens niet zo ver gaan, dat het
niet meer controleerbaar wordt voor
de Tweede Kamer en andere
toezichthoudende organen. Er moet
dus iets van een structuur in zitten.
Echter, de gedachte om instrumenten
veel meer toe te spitsen op
samenwerking tussen het bedrijfsle-
ven – misschien ook iets minder
technologie-gedreven en iets meer
strategisch gericht – houdt ons erg
bezig en wij zijn er al helemaal van
overtuigd, dat er in termen van
cofinanciering moet worden gedacht.
Die thema’s zullen aan de orde
komen in de nota Technologisch
structuurbeleid.
De heer Pit heeft een opmerking
gemaakt die mij uit het hart is
gegrepen. Zowel ten aanzien van de
collectieve sector als ten aanzien van
de marktsector begreep ik de boodschap als: waar zijn we nu
eigenlijk mee bezig? Wij hebben
allerlei regels waar wij ons aan vast
houden. Deze leiden tot eigenaardige
verschijnselen als werken met
behoud van een uitkering. Er is
sprake van allerlei gedwongen
constructies met mensen die
enerzijds uit een reguliere baan
worden gedreven en anderzijds in de
uitkeringssfeer al dan niet via
prachtige plannen van de overheid of
via het informele traject aan werk
komen. Ik heb daar geen oplossingen
voor en ik heb daar zeker geen
kabinetsbeleid te verdedigen. Onze
perceptie van de produktiviteit van
die mensen die dat werk doen is in
ieder geval zodanig, dat de beloning
die wij daarvoor over hebben – 120%
van het wettelijk minimumloon, enz.
– daarmee niet in overeenstemming
is. Daarna bedenken wij dingen
waarmee die mensen alsnog aan het
werk komen. Daar zit iets buitenge-
woons gewrongens in, en ik vind het
soms een paradox, dat diegenen die
experimenten met werk met behoud
van een uitkering van harte
verdedigen daar niet het eigenaar-
dige van zien. Zij denken namelijk
niet tegelijkertijd na over het
wettelijk minimumloon. Zij willen dat
zwarte gat niet aan, maar in feite
hebben ze het over precies hetzelfde.
Het is allemaal gebaseerd op een
notie, namelijk dat er werk is
waarvoor wij in onze samenleving –
right or wrong – geen beloning over
hebben die deze mensen een
reguliere baan geeft. Dan zit er dus
iets fout in de manier waarop wij
delen van de arbeidsmarkt – of het
nu om de collectieve sector of de
marktsector gaat – hebben georgani-
seerd. Dan zit er gewoon iets scheef.
Die discussie moeten wij afmaken. In
die zin voel ik mij erg aangesproken
door die opmerkingen.
Aan het adres van de heer Pitstra
merk ik op, dat ik inderdaad een
aantal specifieke vragen niet
rechtstreeks heb beantwoord. Excuus
daarvoor.
Hij heeft een vraag gesteld over de
onderklasse en het boekje daarover.
Ik heb erover gelezen. Ik zal het boek
zelf zeker lezen en ik wil ook zeker
een keer met de schrijfster ervan
spreken. Het lijkt mij erg interessant
als ik haar ervaringen lees. Of wij
vanuit die invalshoek zo’n discussie
willen, lijkt mij echter de vraag. Ik
heb al een paar keer duidelijk
gemaakt dat ik erg in ben voor een
discussie over de onderkant van de
arbeidsmarkt met alle dimensies die
daarbij horen. Daar spelen deze
ervaringen ook een rol in. De
boodschap van het boekje is
overigens dat er, ondanks al onze
regelgeving ten aanzien van de
arbeidsmarkt, deze vormen van werk
ontstaan, formeel en half-formeel. Je
moet dus vaststellen dat er dus
allerlei werk is, waar misbruik van de
mensen wordt gemaakt dan wel
waar mensen niet op die manier
worden behandeld die ons als
normaal voorkomt, ondanks hetgeen
wij in elkaar hebben gestoken. Dat
heeft dus op zichzelf weinig met
regelgeving te maken. Het heeft te
maken met de effectiviteit van
regelgeving en je ziet dat dergelijke
verschijnselen zich bij heel veel
aanbod voordoen. Dan probeer ik
toch liever die goede kaders te
scheppen dan te ontkennen, dat wij
dit vraagstuk hebben.
Het artikel van de heer Paping is
ter sprake gekomen. Ik probeer ESB
nog af en toe te lezen, maar ik moet
in het weekeinde grote tassen vol
lezen. Ik moet met het schaamrood
op mijn kaken bekennen, dat ik het
artikel niet heb gelezen. Ik zal dat
alsnog proberen te doen. Ook in de
discussie tussen de heer Rinnooy
Kan en de heer Van Dieren in de
NRC zie ik wederzijds neigingen de
nuance uit het oog te verliezen en
elkaar kwalificaties te geven die naar
mijn mening niet helemaal recht
doen aan de discussie. De een geeft
de ander een kwalificatie, dat lokt
een reactie uit en voordat je het weet
heb je een soort principie¨le
ideologische discussie die helemaal
voorbijgaat aan datgene waarover
partijen het hebben. Ik vond het
artikel van de heer Van Dieren goed
en interessant. Dat vond ik ook van
het artikel van de heer Rinnooy Kan,
zonder dat ik mij altijd kan vinden in
de hoge toontjes die af en toe in de
artikelen zitten.
Ik vind hetgeen de heer Geelhoed
geschreven heeft niet strijdig met
mijn opvatting over regelgeving. Ook
de heer Geelhoed heeft het over
regelgeving die onnodig economi-
sche dynamiek belemmert. Het is in
het kader van de operatie markt-
werking en deregulering onze taak
de komende jaren aan te tonen, dat
er een soort regelgeving bestaat die
probeert de verkeersborden
waarover mevrouw Van Dok sprak te
minimaliseren en toch het verkeer
goed te laten doorstromen.
Op de vraag over het groene bruto
nationaal produkt zal ik graag
schriftelijk antwoorden. Ik heb geen
idee waar die discussie staat. Ik weet
dat die 50 jaar geleden ook al werd
gevoerd.
Wij hebben geen enkele reden te
veronderstellen, dat wij de doelstel-
ling ten aanzien van de warmte-
krachtkoppelingcapaciteit in
Nederland niet zouden halen. U weet
dat er een heel traject loopt onder
leiding van mevrouw Epema. Er
wordt met de sector bekeken, hoe
een explosie van capaciteit voorko-
men kan worden. Dat loopt allemaal
heel goed. Ik heb geen enkele reden
te veronderstellen, dat wij de
geplande capaciteitsontwikkeling met
warmtekracht niet zullen halen. Dat
zit redelijk goed. 

</spreker>
<spreker pagina="15-549" anker="484" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">
 De
warmtekrachtcapaciteit wordt op dit
moment afgeremd vanwege het
overschot bij elektriciteitscentrales.
De oplossing kan zijn een paar van
die vervuilende krengen te sluiten en
de warmtekrachtontwikkeling
gewoon door te zetten. 

</spreker>
<spreker pagina="15-549" anker="485" soort="Minister" naam="Wijers">
 De meest vervui-
lende centrales worden de komende
jaren afgebouwd. Over een paar jaar
zijn de grote viezerikken, als ik het zo
mag zeggen, verdwenen. Wij kunnen
echter niet ontkennen dat er in de
loop van de jaren een capaciteit aan
energieopwekking is opgebouwd, die
nog niet afgeschreven is. Als je dat
in een keer wilt afschrijven, geef ik u
te raden wat dat betekent voor de
elektriciteitstarieven. Dat brengt een
ongelooflijke kostenpost met zich. Je
kunt nu eenmaal niet je hele install
base in een keer afschrijven omdat
een andere technologie wat
effectiever is op een bepaald gebied.
Dat is onbetaalbaar. Wij streven
echter wel na, een en ander in
redelijkheid te bereiken. Nogmaals,
de warmtekrachtkoppelingcapaciteit
in Nederland groeit fantastisch. Wij
zijn alleen op een gegeven moment
aan het ’’overbemesten’’ geslagen.
Daarom had ik bij het invullen van
mijn bezuinigingen geen enkele
twijfel over het stoppen van die
subsidiemaatregel.
Over de terugleververgoedingen
voor windenergie zijn wij nog in
gesprek met de sector. Ik heb geen
redenen te veronderstellen dat wij
daar niet uitkomen. Het is nog niet
helemaal rond. Ik ben echter redelijk
optimistisch daarover. De vorm van
energie uit zonvoltagecellen is wat
lastiger. Er zijn ook wat tegenslagen
in de ontwikkeling van de desbetref-
fende technologie. Wij proberen een
en ander nog eens goed te bekijken
maar vanuit andere programma’s
dan die wij oorspronkelijk hadden.
Bij deregulering gaat het niet om
het afschaffen maar om ineffectieve
of niet handhaafbare regelgeving aan
de orde te stellen.
De heer Pitstra haalde Galbraith
nog eens te voorschijn. Ja, wij
kunnen hele discussies voeren over
consumentensoevereiniteit en de
impact die reclame heeft op
consumentenvoorkeuren. Tegelijker-
tijd moet ik zeggen dat wij ook met
ons debat invloed hebben op
consumentenvoorkeuren. Ik heb ook
twijfels over de impact van sommige
vormen van commercie. Echter, het
verbieden of het bemoeilijken
daarvan door overheidsnormen, is
naar mijn mening niet beter. Ik maak
mij zorgen over de effecten daarvan.
Het heeft ook met decentralisatie te
maken.
De heer Mertens is in eerste
termijn niet helemaal goed aan bod
gekomen bij het beantwoorden van
zijn vragen. Hij pikte er twee uit. Ik
zal daarover kort iets zeggen. In het
voorjaar hoop ik met een voorstel te
komen ten aanzien van de concur-
rentie. Het is een buitengewoon
lastige exercitie, omdat je op niveau
van landen of delen van landen
probeert te benchmarken. Het gaat
niet alleen over kosten, het gaat veel
breder. Wij proberen Nederland met
hele actuele cijfers op een aantal
belangrijke kwaliteits- en kosten-
parameters met een aantal andere
landen en staten te vergelijken op
het gebied van performance. Daarbij
zitten ook kwaliteitsdimensies.
Misschien mag ik het nu daarbij
laten? De technische uitwerking is
best lastig. Ik denk zeker dat die
concurrentietoets kan helpen het
outsight-in-perspectief – dus het van
buiten naar binnen kijken in plaats
van binnen naar buiten – te
bewerkstelligen en een goed gevoel
te krijgen voor hetgeen in al zijn
nuances in de buitenwereld gebeurt.
In die zin willen wij de samenleving
sensibiliseren voor hetgeen er
gebeurt met technologie. Daarnaast
lopen er reeds verschillende
programma’s vanuit EZ. Die moeten
hun impact nog krijgen. Ik wijs
bijvoorbeeld op programma’s op
lagere scholen, die kinderen gevoelig
proberen te maken voor wat
technologie is en kan. Dat zijn
jarenlange programma’s; dat zijn
echte diepte-investeringen. Ik heb
daarin heel veel vertrouwen.
Misschien moeten die programma’s
nog wat uitgebreid worden. Daaraan
moeten wij nog werken.
De heer Mertens is bang dat het
clusterbeleid een afscherming van de
markt tot gevolg zal hebben. Het
clusterbeleid wordt op het ogenblik
vormgegeven vanuit strategische
noties van het bedrijfsleven. Wij
zullen hierin alleen investeren als
ook het bedrijfsleven zelf daaraan
geld wil committeren. Daarom is de
zorg dat wij in wat marginale
programma’s komen te zitten die
meer technology driven zijn dan dat
zij marktstrategisch gedreven zijn,
wat kleiner. Het moet nog gestalte
krijgen, maar ik heb daar wel
vertrouwen in. Een koppeling van het
clusterbeleid aan de topinstituten is
in dit kader niet uitgesloten.
Een andere vraag was, wat wij
met betrekking tot het technologie-
beleid doen op het gebied van hoger
onderwijs. Wij zijn met de minister
van Onderwijs, Cultuur en Weten-
schappen in een goede discussie om
de koppeling tussen universitair
onderzoek en hetgeen in het
bedrijfsleven gebeurt te verstevigen.
Er wordt een notitie ’’Wisselwerking’’
voorbereid.
Het is natuurlijk belangrijk dat de
heer Mertens constateert dat de
investeringen voor research and
development omlaag gaan, maar hoe
brengen wij die omhoog? Dat wordt
een boeiende discussie. Het is
natuurlijk wel zo dat dit kabinet staat
voor een zeer forse lastenverlichting
voor het bedrijfsleven. Het gaat
daarbij om een bedrag van 9 mld.
Het zou hoogst eigenaardig zijn als
niet een substantieel deel van die
lastenverlichting zich zou vertalen in
verdere investeringen in research
and development. Verder is er
WBSO. Dat loopt uitermate goed. De
staatssecretaris heeft zojuist gezegd
dat een van dingen waaraan wij
denken in het kader van de
lastenverlichting van 500 mln. voor
het MKB, is het verder toegankelijk
maken van die WBSO. Daarnaast
krijgen wij in het kabinet nog een
boeiende discussie over de
beleidsintensiveringen. Ik begrijp dat
u het ministerie van Economische
Zaken van harte steunt bij het
verkrijgen van additionele middelen
voor het stimuleren van research and
development.
Nog een laatste opmerking
hierover. Ik denk dat de effectiviteit
net zo belangrijk is als de omvang
van de middelen. Ik spreek dan met
name over de koppeling van de
technisch-wetenschappelijke
infrastructuur aan hetgeen gebeurt in
het bedrijfsleven. Dat is een van de
belangrijkste uitdagingen van de
nota die wij aan het schrijven zijn.
Wat betreft de winst van bedrij-
ven, is wellicht sprake van een
misverstand. Ik heb het gehad over
de winstmaximalisatie. Met de heer
Verbeek weet ik, hoe belangrijk het
voor een onderneming is om winst
te maken. Ik ben het ook met hem
eens dat de werkgelegenheid niet als
het primaire doel van ondernemin-
gen wordt gezien. Wel ben ik er blij
om dat ik ook bij ondernemers in
toenemende mate bezorgdheid
constateer over de ontwikkeling van
de werkgelegenheid. Zij zijn in
toenemende mate bereid om
daarover na te denken. Ik ben het
evenwel met de heer Verbeek eens,
dat ondernemingen uiteindelijk
denken aan de marktwerking en hun
kostenpositie. Het aanknopingspunt
om bij ondernemingen meer
werkgelegenheid te cree¨ren, is dan
ook juist in die factoren te vinden. Dan gaat het om vragen als: welk
risico loop je als je mensen
aanneemt, hoe vast zijn deze kosten,
hoe hoog zijn deze kosten en wat
levert de kostenpost mij op? Dat
laatste heeft met de kwaliteit van het
arbeidsaanbod te maken, waarmee je
de opleidingskant te pakken hebt. Zo
simpel is het.
Ik heb niet gereageerd op de
suggesties van de heer Verbeek over
de VAIA en andere instrumenten. Ik
denk dat wij in het kabinet nog wel
de nodige discussies zullen krijgen
over lastenverlichting en de
mogelijkheden om het fiscale
concurrentievermogen van Neder-
land tegelijkertijd te verbeteren. In
die zin neem ik de suggesties van de
heer Verbeek graag mee. Wij zullen
er nog eens naar kijken. De fiscale
infrastructuur is evenwel zeker een
thema dat onze aandacht heeft, met
name van staatssecretaris Vermeend.
Hem kan, zoals men weet, niet
bepaald een MKB-vijandige houding
worden verweten.
Verder is gevraagd waar nu de
creatie van de werkgelegenheid
vandaan komt. Ik heb gezegd dat het
hierbij gaat om een mix van
instrumenten. Ik noem dan het
macro-economische beleid. Ook de
kostenverlichting zal daarop zeker
haar impact hebben. Voorts hebben
wij het over structuurbeleid gehad,
waar ook veel zaken achter zitten. Ik
heb het ook gehad over de onder-
kant van de arbeidsmarkt, alsmede
over de deregulering waarvan ik wel
degelijk werkgelegenheidseffecten
verwacht. Een punt dat nog niet aan
de orde is gekomen maar dat ik toch
even wil noemen, is de herverdeling
van werk. Nederland is er in een jaar
of 10 a` 12 in geslaagd om van een
achterblijver in het peleton van
deeltijdwerk en verkorting van de
arbeidsduur de absolute koploper
van Europa te worden. Nederland is
bij deeltijdarbeid de absolute
koploper. Ik ben ervan overtuigd dat
een verdere produktiviteitsgroei,
gegeven het karakter van het aanbod
van werk, gedeeltelijk zal worden
geconverteerd in een voortzetting
daarvan. Zoveel geloof heb ik
immers wel in economische
wetmatigheden. Ik denk dat dit ook
een bijdrage kan leveren. Wel
moeten wij er erg voor uitkijken om
niet alleen maar in ’’koekdenken’’ te
gaan denken. Ik geloof dat wij het
werkgelegenheidsvraagstuk primair
moeten oplossen door vergroting
van de koek. Parallel daaraan,
aansluitend op individuele behoeften
van mensen die zich aanbieden,
moeten wij doorgaan met het
cree¨ren van mogelijkheden om delen
van je leven in deeltijdwerk door te
brengen. De ’’40-40-40’’ is natuurlijk
al lang achterhaald, zo heb ik wel
eens in een ver verleden gezegd.
De heer Schuurman vroeg of er
nog een discussie komt over de
sociale zekerheid. In het regeerak-
koord is een soort adempauze
ingebouwd halverwege de regeer-
periode, waarbij wij nog eens goed
kijken naar de sociale zekerheid. Ik
heb de opmerkingen van minister
Melkert in dat kader opgevat als zijn
mening over een mogelijke
specifieke oplossingsrichting. Los
daarvan zullen wij zeker nog een
discussie hebben over de arbeids-
markt c.q. over de vraag hoe wij erin
kunnen slagen om meer mensen bij
het arbeidsproces te betrekken. Voor
zover de sociale zekerheid daarin een
rol speelt, wat natuurlijk het geval is,
zal daarover nog een discussie
worden gevoerd.
De heer Schuurman maakte ook
een opmerking over de grootschalig-
heid en de informatietechnologie. Ik
kan zijn observatie, in tegenstelling
tot een paar jaar geleden, thans niet
helemaal volgen. Voor zover ik deze
sector ken, is men thans, mede door
de lessen die uit het verleden met
onbeheersbare systemen zijn
getrokken, steeds meer in kleine
systemen aan het denken in plaats
van in grote systemen. Ik zie dat men
liever decentrale systemen aan
elkaar koppelt dan heel grote
systemen toepast. De technologie
maakt dat ook mogelijk. Daarnaast is
het vermogen van de kleine
systemen sterk toegenomen. Wel
ben ik met de heer Schuurman van
mening dat in organisaties de
voordelen van grootschaligheid – de
back-office-gedachte – vaak nogal
overschat zijn. Ik ben er ook van
overtuigd dat men daarvan aan het
terugkomen is. Dat is eigenlijk al een
aantal jaren aan de gang. Er is al een
aantal jaren sprake van een
herorie¨ntatie ten aanzien van de
efficiencyvoordelen van decentralisa-
tie ten opzichte van dit soort
voordelen van grootschaligheid. In
die zin helpt de informatietechnolo-
gie daar eerder bij dan dat zij
daarvoor belemmeringen oproept.
Dat is althans mijn observatie.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="15-551">
<spreker pagina="15-551" anker="486" soort="Staatssecretaris" naam="Van Dok-van Weele">
 Voorzitter! In tweede termijn
zijn nog vijf thema’s aan de orde
gesteld. Het eerste thema betreft de
differentiatie in de categorie midden-
en kleinbedrijf. Er is gevraagd wat
wij daarmee bedoelen en hoever wij
daarin wensen te gaan. Het gaat
hierbij om het sorteren van middelen
voor de doelen die je in bepaalde
categoriee¨n wenst te bereiken. De
minister sprak al over de sector
toerisme. Het is duidelijk dat deze
sector specifiek beleid vergt. Je kunt
dit ook thematisch aanpakken.
Waarom zijn bijvoorbeeld veel
bedrijven uit het MKB wel in een
handelsmissie geı¨nteresseerd en
doen zij niet de stap om dan
inderdaad te gaan exporteren?
Waarom is er zo ontzettend veel
belangstelling voor een beurs over
Oost-Europa (700 mensen) en wat
komt eruit voort voor met name het
midden- en kleinbedrijf dat daar op
bezoek is geweest? Dat soort
analyses zou je over het thema
’’export’’ kunnen maken. Dat geldt
bijvoorbeeld ook voor het thema ’’werkgelegenheid bij groeiers’’:
welke specifieke problemen zijn er
als een bedrijf, dat bijvoorbeeld wil
exporteren, daarvoor personeel in
dienst moet nemen? Ik weet dat dit
een heel moeilijke stap is die veel
betekent voor de organisatie en de
toekomst van een klein bedrijf. Op
die manier kun je gedifferentieerd
naar een aantal thema’s en
doelstellingen kijken.
De heer Pit vroeg in eerste termijn
naar het beleid dat binnen de EVD
ter zake wordt gevoerd, waarbij
wordt geselecteerd op exportlanden.
Als je wilt differentie¨ren, het pakket
exportartikelen bijvoorbeeld wilt
verbreden en meer kleinere bedrijven
uit het MKB voor export wilt
interesseren, dan zul je in je
voorlichtingsbeleid maatwerk
moeten leveren. Dan zul je inderdaad
door je kniee¨n moeten gaan en aan
die specifieke sectoren moeten vragen: wat is het probleem, hoe kan
ik u helpen? In ons beleid inzake
exportmissies moeten wij dan ook
niet alleen kijken naar de klassieke
scheiding tussen moeilijke en
makkelijke exportlanden. Het is
immers best mogelijk dat bijvoor-
beeld Beieren voor een groot deel
van het MKB, dat wel geı¨nteresseerd
is in exportmogelijkheden, nog een
heel moeilijk exportgebied is, terwijl
het in het EZ-beleid niet onder die
classificatie valt. Ik ga trouwens nog
naar Beieren toe. Dit is dus meteen
een goede onderbouwing voor die
keuze.
Dan kom ik op de concurrentie
met landen die qua arbeids- en
milieunormen van Nederland
afwijken. Dat is een groot probleem,
dat overigens in de nabije toekomst
uitvoerig aan de orde komt op de
vervolgagenda voor de WTO. Ik stal
het even daar, want daar vindt die
discussie plaats. Maar ik wil het daar
niet bij laten. Ik wil nog een kleine
inhoudelijke beschouwing op dit
punt geven. Kinderarbeid vindt over
het algemeen alleen nog in heel
arme landen plaats die nog geen
economische groei hebben doorge-
maakt om u¨berhaupt iets te kunnen
doen aan sociaal beleid. Ik geef toe
dat het de situatie is van de kip en het ei. De argumentatie is: geef een
beetje ruimte; kom niet meteen met
handelsprotectie en belemmeringen
en dergelijke in bestraffende zin.
Daarmee klem je namelijk meteen de
economische groei mee af die het
mogelijk moet maken om u¨berhaupt
iets te hervormen op het terrein van
armoede in zo’n land.
Wat het milieu betreft, heb ik het
gevoel dat wij veel meer kunnen
doen, ook als wij kijken naar landen
die willen toetreden tot de Europese
Unie. Ik denk dat er een belangrijke
taak ligt voor de landen van de Unie
in het ondersteunen van het
milieubeleid van die landen. Er moet
niet meteen begonnen worden met
belemmerende maatregelen. Wij
moeten er eerst voor zorgen dat
landen in staat zijn om dat milieube-
leid te voeren. 

</spreker>
<spreker pagina="15-551" anker="487" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">
 Ik trek
even een parallel met het tropische
hardhout. Het begon met een verbod
op tropisch hardhout. Dat was een
heel harde inzet. Dit heeft evenwel
geleid tot de import van duurzaam
geproduceerd tropisch hardhout. Zo
zal het dus gaan; je zult eerst even
een stevige opstelling moeten kiezen.</spreker>
<spreker pagina="15-551" anker="488" soort="Staatssecretaris" naam="Van Dok-van Weele">
 Ik sluit niet uit dat je aan het
einde sancties in zicht brengt. Je
moet daar echter niet mee beginnen.
Je moet beginnen met aan te geven
hoe je een land in zijn ontwikkeling
wilt steunen. Dat er aan het einde
een sanctie gloort, kan inderdaad
buitengewoon stimulerend werken.
Dat ben ik met u eens.
Voorzitter! Ik ben het ook met de
heer Pitstra eens op het terrein van
de stadsontwikkelingsmaatschap-
pijen. Ik ben alleen niet van plan om
een en ander op te leggen. Volgens
mij moet het uit de steden zelf
komen. Ik ben wel van plan om het
deze week aan de orde te stellen, als
wij gesprekken hebben met de grote
steden. Ik vind het namelijk een
ontzettend goed idee. Ik meen
overigens dat het een idee van de
Vreeman was. Ik vind het echter
goed dat de heer Pitstra dit nog een
keer naar voren brengt.
Over de IPR bestaat een misver-
stand. De IPR-evaluatie levert
rechtstreeks een inzicht op in het
aantal banen en geeft inzicht in de
structuurversterking en in projecten
die op termijn werkgelegenheid
opleveren. Die evaluatie ligt er. De
Kamer moet maar bekijken of die
voldoet aan haar interesse. Hetgeen
ik daarna heb gezegd in eerste
termijn, was niet gericht op de IPR,
maar op een nieuw instrument in het
kader van het ruimtelijke beleid. In
dat kader gaan wij het geld richten
op verbetering van de bedrijfs-
omgeving. Dit wordt sterk getoetst
aan rendementsvraagstukken, dus
met name de werkgelegenheids-
opbrengst.
Het spijt mij dat ik niet ben
ingegaan op het milieu-
investeringsverhaal. In het kader van
de IPR is sprake van een vervroegde
afschrijving van milieu-investeringen.
Er wordt dus al ingespeeld op
investeringen die betrekking hebben
op bescherming van het milieu of die
zelfs nog verder gaan.
Tot slot ga ik nog even in op het
saldo van binnenlandse investerin-
gen en buitenlandse investeringen. Ik
moet hier wat completer over zijn.
Het is inderdaad een punt van zorg.
Het gaat zowel om het vestigings-
klimaat voor de eigen bedrijven om
ervoor te zorgen dat zij hier blijven,
als om het wervend gebruiken van
ons vestigingsklimaat voor buiten-
landse bedrijven. Ik wil echter wel
een nuancering aanbrenging. Wij
moeten goed in de gaten houden dat
er in Nederland heel veel door
buitenlandse bedrijven wordt
geı¨nvesteerd, namelijk tweemaal
zoveel als in Belgie¨ en Frankrijk. Het
resultaat is dus niet bepaald negatief.
Als wij kijken naar de totale
investering van het bedrijfsleven in
Nederland, dan is dat zo’n 70 mld.
per jaar. Van dat bedrag loopt naar
ruwe schatting 9 mld. via reeds in
Nederland gevestigde dochters van
buitenlandse ondernemingen. Dat
geeft dus ook een aardig beeld.
Verder is het nog zo dat een aantal
van de Nederlandse bedrijven die in
het buitenland investeren, dit doet in
de vorm van joint ventures. Dit
betekent dat het moederbedrijf, het
Nederlandse bedrijf, profiteert van
een vergroting van de afzet-
mogelijkheden in andere landen. Dit
neemt echter niet weg dat wij de
vinger aan de pols moeten houden,
als het gaat om het vestigingsklimaat
voor bedrijven die zich helemaal uit
Nederland terugtrekken. Ook moeten
wij aandacht houden voor het
vestigingsklimaat in verband met de
werving van buitenlandse bedrijven.
Tot op heden hebben wij dit zeer
actief gestimuleerd. Het afgelopen
jaar heeft dit 3000 banen opgeleverd.
En dat is niet niks!
De beraadslaging wordt gesloten.
De wetsvoorstellen worden zonder
stemming aangenomen. 

</spreker>
<spreker pagina="15-552" anker="489" naam="De voorzitter">
 Ik dank u voor uw
hartverwarmende medewerking aan
de tijdige afronding van dit debat.
Die medewerking stond in schrille
tegenstelling tot de kilte in deze zaal.Besluiten en ingekomen stukken Lijst van besluiten:
De voorzitter heeft na overleg met
het College van senioren besloten om:
a. de openbare behandeling van de
volgende wetsvoorstellen te doen plaatsvinden op:

Wijziging van hoofdstuk XII
(Ministerie van Verkeer en Water-
staat) van de begroting van de
uitgaven en de ontvangsten voor het
jaar 1994 (wijziging samenhangende
met de Najaarsnota) (24011);
Wijziging van de Wet op de
jeugdhulpverlening en enige andere
wetten (22060);

Wijziging van de Auteurswet 1912
inzake het reprografisch verveelvou-
digen van geschriften (22600);

Verlaging van de verschuldigde
pensioenbijdrage als bedoeld in de
Algemene burgerlijke pensioenwet
over de jaren 1991-1992, alsmede
verlaging van de verschuldigde
wachtgeldtijdbijdrage over de jaren
1991 en 1992 (23246);
Notitie Overgangsrecht (EK nr.
46j);
b. het voorbereidend onderzoek van
de volgende wetsvoorstellen door de
vaste commissie voor Volksgezond-
heid, Welzijn en Sport te doen plaatsvinden op 7 februari 1995:
Wijziging van de Wet uitkeringen
burgeroorlogsslachtoffers 1940-1945
(geweld tegen derden) (23654);
Wijziging van hoofdstuk XVI
(Ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport) van de begroting
van de uitgaven en de ontvangsten
voor het jaar 1994 (wijziging
samenhangende met de Najaarsnota)
(24014).
Lijst van ingekomen stukken,
met de door de voorzitter ter zake gedane voorstellen: 1. de volgende regeringsmissives:
een, van de minister van
Buitenlandse Zaken a.i., ten geleide
van het op 17 juni/26 november 1992
te Windhoek tot stand gekomen
verdrag tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en de Republiek
Namibie¨ inzake technische samen-
werking (Trb. 1993, 73, en 1994, 272),
alsmede een toelichtende nota bij dit
verdrag (griffienr. 114580);
een, van de minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap-
pen, ten geleide van het advies van
Coopers &amp; Lybrand, ’’Opstarten
Participatiefonds’’ (griffienr.
114433.3);
een, van de minister van
Financie¨n, inzake toetreding van
Oostenrijk tot het wisselkoers-
arrangement van het Europese
Monetaire Stelsel (griffienr. 114588);
een, van de minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer, ten
geleide van de algemene maatregel
van bestuur, houdende wijziging van
het Lozingenbesluit bodem-
bescherming en het Besluit
horecabedrijven milieubeheer
(griffienr. 114540);
een, van de minister van Verkeer
en Waterstaat, ten geleide van een
ontwerp van een algemene
maatregel van bestuur, houdende
nadere regels met betrekking tot de
loodsplicht (Loodsplichtbesluit 1995),
met nota van toelichting, alsmede
een ontwerp van een algemene
maatregel van bestuur, houdende
nadere regels met betrekking tot
verklaringhouders (Besluit verklaring-
houders), met nota van toelichting
(griffienr. 114589);
een, van de minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, ten
geleide van een uiteenzetting van de
selectiecriteria voor de experimenten
in het kader van artikel 144 van de
nieuwe bijstandswet (het zgn.
experimenteerartikel) (griffienr.
114086.4);
een, van de minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
ten geleide van een Nota van
wijziging, waarmee het voorstel van
Wet op de kwaliteit van zorg-
instellingen (23633) wordt gewijzigd
(griffienr. 114585).
De voorzitter stelt voor, deze
missives voor kennisgeving aan te
nemen. De bijlagen zijn neergelegd
op het Centraal Informatiepunt ter
inzage voor de leden; 2. de volgende geschriften:
een, van A.M. Dellemijn te
Amsterdam, ten geleide van een
artikel van de Raad van Kerken
inzake spijtbetuiging over het
koloniale verleden (griffienr.
114608.2).
Dit geschrift wordt van belang
geacht voor de leden en plv. leden
van de vaste commissie voor
Algemene Zaken en Huis der
Koningin;
een, van de Diakonie der
Hervormde Gemeente te Amsterdam,
inzake het wetsvoorstel 23807
(Veilige derde landen) (griffienr.
114310.12);
een, van de secretaris van het
Gereformeerde Deputaatschap voor
Diakonaat en Samenleving van de
Particuliere Synode Groningen te</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


