<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2064]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Regeling van werkzaamheden (dinsdag 24 januari 1995)</item>
<item attribuut="Bestand"> 43 Kb</item>
<item attribuut="Inhoud">
Mevrouw Sipkes (GroenLinks) stelt de regering vragen over het bezoek van Koningin Beatrix aan Indonesië.
De heer Heerema (CDA) vraagt de minister van SZW om een brief over de toekomst van de sociale zekerheid. Ten tweede vraagt de heer Heerema wanneer er duidelijkheid zal komen over de Betuwelijn.
De heer Van Camp (CDA) verzoekt het kabinet om het standpunt van de minister inzake het drugdbeleid toe te lichten.
De heer Verhagen (CDA) vraagt om notitie inzake wetgevingsoverleg over wetsvoorstel Wijzging van de Auteurswet 1912 en Wet op de naburige rechten.
</item>
<item attribuut="Rubriek">Staats- en bestuursrecht (Parlement)</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 15, Tweede Kamer, pag. 2698-2704</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">24-01-1995</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2064</item>
<item attribuut="Omvang">7 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Tweede Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Regeling van werkzaamheden</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Comptabiliteitswet</item>
<item attribuut="doccode">TK 39</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="39-2698">

Regeling van werkzaamheden 
<spreker pagina="39-2698" anker="397" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, dinsdag
31 januari bij het begin van de vergadering te behandelen:
- de Voordrachten ter vervulling van
twee vacatures in de Hoge Raad
(23967).
Daartoe wordt besloten. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2698" anker="398" naam="De voorzitter">
 Op verzoek van de
PvdA-fractie benoem in de vaste
commissie voor Sociale Zaken en
Werkgelegenheid het lid Vliegenthart
tot lid in de bestaande vacature.
Op verzoek van de fractie van D66
benoem ik in de algemene commis-
sie voor Europese Zaken het lid
Ybema tot lid in plaats van het lid
Hoekema en het lid Hoekema tot plv.
lid in de bestaande vacature.
Het woord is aan mevrouw Sipkes. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2698" anker="399" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">

Voorzitter! Op 17 augustus a.s. wordt
in Indonesie¨ 50 jaar onafhankelijk-
heid gevierd. Ter gelegenheid
daarvan zal Koningin Beatrix een
staatsbezoek brengen. Het gaat om
gebeurtenissen die niet onopgemerkt
aan de samenleving voorbijgegaan
zijn. De afgelopen weken is een zeer
brede discussie gevoerd over de
onafhankelijkheid en het beleid in de
daarop volgende jaren, 1945-1949.
Het is een maatschappelijk debat dat
naar onze mening niet aan de
politiek voorbij mag gaan. Daarom
vraag ik de regering om een brief
waarin zij antwoord geeft op de
volgende voor ons belangrijke
vragen.
Hoe kijkt de regering nu, 50 jaar
na dato, aan tegen de onafhankelijk-
heidsverklaring van Indonesie¨?
Wanneer zal Hare Majesteit
inderdaad een bezoek afleggen, wat
is de inzet van het bezoek, en wat
gaat zij daar precies doen? 

</spreker>
<spreker pagina="39-2698" anker="400" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Mijnheer
de voorzitter! Als een van de
collega’s inlichtingen van de regering
wil vragen, verzetten wij ons daar
niet tegen, maar ik hecht er wel aan,
een enkele opmerking te maken.
Het is van groot belang dat in de
afgelopen weken en maanden in de
media en op tal van andere plekken
een grondige gedachtenwisseling
heeft plaatsgevonden, terugkijkend
naar de situatie vlak na de oorlog in
het toenmalige Nederlands-Indie¨. In
de wetenschap en de journalistiek is
en wordt de geschiedenis onder
ogen gezien. Dat gebeurt permanent,
maar het gebeurt nu met verhoogde
aandacht. De vraag wat een
parlementair debat daaraan kan
toevoegen, vraagt een afzonderlijke
serieuze afweging hier. De PvdA-
fractie kijkt daar met grote terughou-
dendheid naar, maar wij zullen een
definitief oordeel pas geven op het
moment dat de brief waarom
mevrouw Sipkes vraagt, door de
regering is gezonden. Terughoudend-
heid, omdat de risico’s van wijsheid
achteraf, na een halve eeuw, hun
eigen vragen oproepen.
In deze Kamer heeft in 1969 een
uitvoerig debat plaatsgevonden, dat
heeft geresulteerd in zeer grondig en
uitvoerig wetenschappelijk onder-
zoek. De Kamer heeft bij die
gelegenheid, veel dichter bij de
oorspronkelijke periode, afgewogen
of een zelfstandig onderzoek en een
zelfstandig oordeel van haar gewenst
was. Daar is toen in meerderheid
negatief op gereageerd. Fractievoor-
zitter Den Uyl heeft indertijd een
indringender rol van het parlement
bepleit, maar het parlement besliste
in meerderheid anders.
Ik maak deze opmerkingen niet om
een van de collega-fracties het recht
te ontzeggen om dit debat hier wel
te willen voeren. Na ommekomst van
de brief van het kabinet zullen wij
een zorgvuldige, grondige afweging
maken.
Het geeft mij wel de gelegenheid
om nog een enkele opmerking te
maken over het staatsbezoek,
waaraan wij buitengewone betekenis
toekennen. Allereerst omdat het in
deze tijd plaatsvindt, maar ook
omdat het de mogelijkheid geeft om
de nieuwe, volwaardige relatie
tussen Nederland en Indonesie¨ te
onderstrepen. De Kamer heeft
natuurlijk de mogelijkheid om tal van
opvattingen te ventileren over een
staatsbezoek, maar ook in dit geval
bepleit ik de grootst mogelijke
terughoudendheid. De regering
draagt voor het optreden van het
staatshoofd de verantwoordelijkheid;
de minister-president kan daarop
worden aangesproken. Maar het lijkt
ons passend dat dat gebeurt nadat,
onder verantwoordelijkheid van het
kabinet, dit staatsbezoek heeft
plaatsgevonden. Van onze kant uit is
er dus geen behoefte om vooraf-
gaand daaraan als het ware in
politieke zin duiding aan dat bezoek
te geven. Dat laten wij graag over
aan het kabinet. Wij zijn er vast van
overtuigd dat de gelegenheid
gebruikt zal worden om niet alleen
de nieuwe gelijkwaardige betrekkin-
gen tussen Nederland en Indonesie¨
te benadrukken, maar zeker ook op
een verantwoorde wijze terug te zien
op dat buitengewoon moeizame
proces van dekolonisatie. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2698" anker="401" partij="VVD" naam="Bolkestein">
 Voorzit-
ter! Mijn fractie verzet zich niet tegen
het verzoek dat zojuist is gedaan
door onze collega Sipkes, hoewel wij
op een dergelijke brief ook niet zitten
te wachten. In de tweede plaats heeft
mijn fractie geen behoefte aan een
debat over het dekolonisatieproces in
deze zaal. De redenen daarvoor zijn
drieledig. In de eerste plaats heeft
een dergelijk debat al plaatsgehad.
Collega Wallage heeft daarnaar
verwezen. Zowel in de late jaren
zestig als daarna is er een stroom
van publikaties geweest over dat
proces, maar men moet natuurlijk
wel kennis willen nemen van
datgene wat gepubliceerd is om tot
de erkenning te komen dat het debat
inderdaad heeft plaatsgehad. Een
tweede reden is dat er geen
buitenlandspolitieke reden is om tot
een dergelijk debat over te gaan.
Immers, in Indonesie¨ zit men op dit
debat geenszins te wachten. De
ambassadeur van dat land heeft dat
ook volstrekt duidelijk gemaakt. De
derde reden is, dat naar onze mening
politici zich behoren bezig te houden
met vandaag en morgen, met het
heden en met de toekomst, en dat zij
het debat over het verleden behoren
over te laten aan historici. Dat zijn de
drie redenen, waarom mijn fractie
van mening is dat een debat over dat
dekolonisatieproces in deze zaal niet
behoeft te worden gevoerd.
Het koninklijk bezoek valt uiteraard
onder verantwoordelijkheid van het
kabinet. Wij wachten de beslissing
daarover af, en wij verwachten niet
dat de beslissing van het kabinet
aanleiding zal geven tot een nader
	
debat daarover. Overigens is mijn
fractie van mening dat de
onafhankelijkheidsdatum van
Indonesie¨ erkend behoort te worden
als vallende op 17 augustus. Ik weet
uit eigen waarneming dat op die dag
de ambassadeur van Nederland in
Jakarta deelneemt aan de plechtighe-
den die dan plaatshebben. De
kamerdelegatie naar Indonesie¨ heeft
ook haar vertrek vervroegd, om op
die dag in Jakarta aanwezig te zijn. Ik
denk dat het onverstandig zou zijn
om van die constante beleidslijn af te
wijken. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2699" anker="402" partij="D66" naam="Wolffensperger">

Voorzitter! Ook de D66-fractie zal zich
niet verzetten tegen het vragen van
een brief, zoals door mevrouw
Sipkes onder woorden gebracht. Ook
ik zeg daar in alle eerlijkheid bij, dat
het voor mijn fractie niet op
voorhand duidelijk is, tot welke
nadere actie een dergelijke brief hier
in deze Kamer zou moeten leiden.
Wij hebben er geen behoefte aan,
een debat te voeren waarin inhoud
of opzet van het staatsbezoek van de
Koningin bij voorbaat aan dat debat
worden onderworpen, en evenmin
menen wij dat een dergelijke brief
aanleiding zou moeten zijn tot een
politiek debat in dit huis over de
gebeurtenissen destijds, in de jaren
veertig. Ik onderlijn wat door eerdere
sprekers is gezegd. Dat daarover een
maatschappelijke discussie wordt
gevoerd, is een goede zaak. Ik hoop
dat wij als politici uit de conclusies
van de discussie lessen kunnen
trekken voor de toekomst, maar een
politieke discussie hier moet
toegespitst zijn op beslissingen die
wij gaan nemen en niet op beslissin-
gen die wij in 1945 genomen
hebben.
Ik zou mij daarom kunnen
voorstellen – ik geef dat mee voor
het stenogram – dat mijn fractie,
waar mevrouw Sipkes vraagt aan het
kabinet hoe het aankijkt tegen de
onafhankelijkheidsverklaring in het
verleden, een terughoudende
beantwoording door het kabinet van
die vraag zou begrijpen. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2699" anker="403" partij="CDA" naam="Heerma">
 Mijnheer de
voorzitter! De CDA-fractie verzet zich
niet tegen het verzoek van Groen-
Links om de regering om een nadere
brief te vragen. Overigens verwacht
ik dat het antwoord in de brief van
de regering gelijkluidend zal zijn aan
de uitlatingen van de minister-
president eerder over deze zaak. Dat
lijkt ons ook gewenst. De CDA-fractie
steunt op dit punt de opvatting van
de minister-president. Hij stelde dat
het kabinet geen behoefte heeft aan
een politiek debat. Dat geldt ook
voor ons en wel om meerdere
redenen. Men kan de geschiedenis
en een politiek debat niet overdoen.
De geschiedenis heeft haar loop
gehad. Natuurlijk kun je daar
oordelen over uitspreken, maar ik
denk dat de taak van de volksverte-
genwoordiging is, te oordelen over
het heden en de toekomst. Ik heb uit
de woorden van de kamervoorzitter
begrepen dat hij daar ook niet toe
opgeroepen heeft, maar dat hij sprak
over een maatschappelijk debat. Ik
wijs erop dat in mijn ogen dat
maatschappelijk debat naar de
uitlatingen van minister Pronk amper
meer mogelijk is.
Wat het staatsbezoek betreft, wil ik
er formeel en materieel op wijzen dat
dat de verantwoordelijkheid van de
regering is. Daar wil ik het bij laten. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2699" anker="404" partij="SGP" naam="Van der Vlies">

Mijnheer de voorzitter! Het is
gewoonte in dit huis om, als een lid
van de Kamer of een fractie om een
brief vraagt, daar niet al te gemakke-
lijk van te zeggen dat dat maar beter
niet kan gebeuren. Maar als de
bedoeling uiteindelijk zal zijn – dat is
niet onwaarschijnlijk – dat er naar
aanleiding van die brief een
parlementair debat wordt gevoerd,
dan is de SGP-fractie daar geen
voorstander van. Het publieke debat
wordt heftig gevoerd, ook inhoude-
lijk. Een parlementair debat is niet
nodig, er is immers enkele decennia
terug een debat gevoerd. Alle
betrokkenen in dat debat hebben
toen naar eer en geweten een
oordeel geveld. De geschiedenis kun
je niet herhalen, die heeft haar loop
gehad en is studie-object voor
historici. Een volgende generatie
politici in het parlementaire debat
moet op geen wijze aan de verlei-
ding komen bloot te staan om de
geschiedenis met een andere bril te
bezien, zodat de geschiedenis als het
ware anders zou zijn in de perceptie
van mensen die in een bepaalde
traditie staan. De SGP-fractie zou
daar geen voorstander van zijn.
Daar komt nog iets bij. De ervaring
leert toch dat wat er over het
oorlogsverleden, met alles erop en
eraan, in dit huis in bespreking komt,
heel gemakkelijk de emoties van de
lijfelijk betrokkenen aanspreekt. Ik wil
erop wijzen dat dat een groot gevaar
is. Degenen die toen uitgezonden
werden, gingen toch rechtens.
Incidenten die er mogelijk geweest
zijn, zou ik niet willen verdedigen,
maar de grote lijn was toch dat zij in
opdracht van onze regering daar
waren. Het was op zich een
rechtmatige zaak. De gevoelens die
wij mogelijk weer wakker roepen
door ons opnieuw ermee te
De heer Heerma (CDA)bemoeien, zouden door ons betreurd
moeten worden, als dat inderdaad
personen in hun integriteit treft. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2700" anker="405" partij="GPV" naam="Schutte">
 Mijnheer de
voorzitter! Ook onzerzijds bestaat er
geen behoefte aan de brief waar
mevrouw Sipkes om heeft verzocht.
Wij zullen ons uiteraard niet
verzetten tegen het schrijven van die
brief. Mocht de regering een
dergelijke brief schrijven, waarin zij
ongetwijfeld in wijsheid op de
gestelde vraag zal antwoorden, dan
betekent dat voor ons niet dat wij die
brief onmiddellijk moeten bediscus-
sie¨ren. Daarover zal een afzonderlijke
beslissing genomen moeten worden,
waaraan, voor zover ik het nu kan
bezien, onzerzijds geen behoefte
bestaat. De vraag hoe wij nu denken
over de onafhankelijkheidsverklaring
van Indonesie¨ heeft geen politieke
relevantie op dit moment. Zodra dat
het geval is, kan een discussie
opnieuw overwogen worden.
Het bepalen van de datum van het
staatsbezoek van Hare Majesteit de
Koningin aan Indonesie¨ is de
verantwoordelijkheid van de
regering. Daarover is overigens in dit
huis gesproken bij de behandeling
van de begroting van Algemene
Zaken voor 1995. Toen is door de
minister-president gezegd dat de
regering op het standpunt stond dat
niet op 17 augustus een officieel
bezoek zou plaatsvinden maar
spoedig daarna. Daar is toen niet
meer op gereageerd. In die zin is het
geen verrassing voor de Kamer als
de regering zich nu op een soortge-
lijk standpunt stelt. De regering is
daarvoor verantwoordelijk. Hooguit
zou de regering daarover achteraf ter
verantwoording geroepen kunnen
worden. Daar zie ik geen aanleiding
toe. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2700" anker="406" partij="AOV" naam="Van Wingerden">

Mijnheer de voorzitter! Ik heb sterk
geageerd tegen het verlenen van een
visum aan Poncke Princen in het
voor het kerstreces gehouden debat
daarover, omdat ik een van de
100.000 dienstplichtigen was die
destijds uitgezonden waren. Bij mij
kwam toen weer van alles boven.
Dat bleek bij vele Indie¨-veteranen,
die mij naar aanleiding van het debat
gebeld hebben, ook het geval te zijn.
Bij de veteranen is er in het
algemeen geen behoefte aan een
discussie, al zou men het wel op
prijs stellen als er sprake was van
enige erkenning. Dit alles in
aanmerking nemend, heeft het AOV
geen behoefte aan een politiek debat
over dit onderwerp. Wij laten het aan
de regering over om op dit punt
stelling te nemen. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2700" anker="407" partij="Centrum Democraten" bronpartij="CD" naam="Janmaat">
 Mijnheer de
voorzitter! De CD-fractie zal zich niet
verzetten tegen de brief die door
GroenLinks is aangevraagd.
Desalniettemin menen wij dat de
minister-president in het verleden al
op de gestelde vragen heeft
geantwoord. De CD ontgaat de reden
om deze zaak opnieuw naar voren te
brengen. Welke partijpolitieke
belangen zijn daar nu mee gediend?
Voor het reces heeft de Kamer het
verlenen van een visum aan de heer
Princen behandeld. Het leek er toen
al sterk op dat dit debat een vervolg
zou krijgen. Dat bezoek was een
aanleiding om het Nederlands beleid
dat is gevoerd in de jaren vijftig wat
ruimer in de belangstelling te
brengen. Toch meent de CD dat er
voor een parlementaire behandeling
volstrekt geen plaats is. Politici die
daarom vragen, maken een ernstige
beoordelingsfout als het gaat om de
functie van ons parlement. Ons
parlement oordeelt niet over daden
van vorige regeringen en van vorige
fracties. Dat hoort niet aan het
parlement. Bovendien klonk er bij de
politici die om een debat hebben
gevraagd een ernstige afkeuring
door van het door Nederland
gevoerde beleid. Het in het parle-
ment scherp naar voren brengen van
die punten kan de kloof met de
democratie vergroten. Ik denk daarbij
vooral aan de mensen die zich met
lijf en leden hebben ingezet voor het
land op basis van in het parlement
genomen democratische besluiten. In
dat opzicht vindt de CD het een
buitengewoon ongelukkig besluit van
de fractie van GroenLinks om dit
beleid opnieuw middels een brief
naar voren te brengen. Wij wachten
de brief af en zien de antwoorden
van de minister-president met
vertrouwen tegemoet.
Mijnheer de voorzitter! Ik rond af.
Wij achten, ondanks alle kritiek op
het regeringsbeleid, de regering en
het staatshoofd meer dan voldoende
capabel om in Indonesie¨ de
contacten te leggen en te onderhou-
den waarmee ons land gebaat is. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2700" anker="408" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Mijnheer
de voorzitter! De SP-fractie onder-
steunt het verzoek van de fractie van
GroenLinks om twee redenen van
harte. De eerste reden is dat het
bezoek van het staatshoofd aan
Indonesie¨ ook een bijzonder actueel
aspect heeft. Indonesie¨ houdt
Oost-Timor bezet, zet een onafhanke-
lijke vakbondsbestuurder gevangen
en schendt op grote schaal de
mensenrechten. De SP-fractie is
buitengewoon benieuwd welke
boodschap de regering het staats-
hoofd zal meegeven indien het
Indonesie¨ bezoekt.
Om te benadrukken hoe dubbel
Nederland in dezen opereert,
memoreer ik dat de heer Tandjung,
bevelhebber van het Indonesische
leger, op dit moment in Nederland is. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2700" anker="409" naam="De voorzitter">
 Wilt u wel bij het
verzoek van mevrouw Sipkes blijven? 

</spreker>
<spreker pagina="39-2700" anker="410" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Ik wil
alleen illustreren hoe belangrijk en
actueel deze kwestie naar ons idee
is. Wanneer het de heer Tandjung
wordt toegestaan, kennis te nemen
van de wijze waarop de luchtmobiele
brigade in ons land opereert, maak ik
daar ernstig bezwaar tegen.
De tweede reden waarom wij het
verzoek van de fractie van Groen-
Links ondersteunen is dat de
SP-fractie geen enkel bezwaar heeft
tegen een eventueel Indonesie¨-debat
in 1995. De SP-fractie is namelijk van
mening dat er langzamerhand een
einde moet komen aan de verwar-
ring over de verantwoordelijkheid
waarvan steeds sprake is. Het gaat
daarbij om de verantwoordelijkheid
van enerzijds de overheid, de
regering en het parlement, c.q. de
politieke partijen destijds en
anderzijds van de mensen die zijn
uitgezonden. De SP-fractie vindt het
hoognodig dat er opheldering komt
over dit vraagstuk. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2700" anker="411" partij="RPF" naam="Van Dijke">
 Mijnheer
de voorzitter! De brief waarom
gevraagd wordt, kan op zichzelf niet
veel nieuws brengen. Hij kan
uitsluitend dienen als kapstok voor
een politiek debat in dit huis. Een
debat in dit huis over de kwaliteit
van het werk van de toenmalige
regering lijkt ons niet zo waardevol.
Het is ook weinig elegant ten
opzichte van de toenmalige regering
en het toenmalige parlement. Het
risico van herschrijving van de
geschiedenis dient zich aan en dat
willen wij graag vermijden.
Het staatsbezoek is uitdrukkelijk
een verantwoordelijkheid van de
regering. Wij achten haar daartoe
capabel. Indien er redenen zijn, is er
de mogelijkheid om daarover
achteraf met de verantwoordelijk
minister te debatteren. Dat geldt
uiteraard ook voor de datum. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2701" anker="412" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">

Voorzitter! Vanwege de grote
aarzelingen die naar voren zijn
gebracht, maak ik nogmaals helder
wat de inzet van de fractie van
GroenLinks is. In de richting van de
heer Heerma merk ik op dat ook wij
weten dat de geschiedenis niet kan
worden overgedaan en dat het
moeilijk is, oordelen te vellen. Als de
heer Bolkestein zegt dat politici zich
bezig hebben te houden met het
heden en met de toekomst en hij
vervolgens aangeeft dat er geen
redenen zijn van buitenlandspolitieke
aard, kan ik niet anders zeggen dan
dat het nu vragen om een brief –
afhankelijk van de inhoud zullen wij
het vervolg daarop bezien – te
maken heeft met het heden en de
toekomst. Het verzoek heeft niet te
maken met buitenlandse, maar met
binnenlandse politiek. Het debat over
Indonesie¨ en voormalig Indie¨ en over
het gevoerde beleid komt in de
politiek telkenmale terug. In de
Kamer hebben wij de afgelopen
twee, drie jaar bij herhaling gezegd
dat wij op een uiterst zorgvuldige en
terughoudende manier – ik ben het
op dat punt volledig met de heer
Wallage eens – daarmee moeten
omgaan. Tijdens twee debatten
hebben twee achtereenvolgende
ministers van Buitenlandse Zaken gezegd: wij moeten niet van incident
naar incident, maar wij moeten
verder gaan. Dat was in het kader
van de visumverlening aan Poncke
Princen. Er moet een zorgvuldig
debat worden gevoerd met
inachtneming van alle gevoelens. Dat
zijn wij – politici die zich bezighou-
den met het heden en de toekomst –
inderdaad verplicht.
Voorzitter! Het staatsbezoek dat dit
jaar zal plaatsvinden, maakt dat
debat des te dringender. Wij moeten
de precieze inzet daarvan bezien. Ik
ben mij ervan bewust dat een
staatsbezoek de verantwoordelijkheid
van de regering is. De Kamer
overlegt niet over ieder staatsbezoek
van de Koningin, maar wel bijvoor-
beeld over een staatsbezoek aan
Japan. Dit is echter een ander
staatsbezoek. Het is, met alle respect,
voorts niet te vergelijken met het feit
dat Harer Majesteits ambassadeur
ook regelmatig de viering van de
onafhankelijkheid bijwoont.
Voorzitter! Omdat wij zorgvuldig,
terughoudend, maar ook gericht op
de toekomst met dit verleden willen
omgaan, hoop ik dat de regering ons
een brief zal doen toekomen waarin
zij uitvoerig op de door mij gestelde
vragen zal ingaan. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2701" anker="413" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, het
stenogram van dit deel van de
vergadering door te geleiden naar de
regering.
Daartoe wordt besloten. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2701" anker="414" naam="De voorzitter">
 Het woord is aan de
heer Heerma. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2701" anker="415" partij="CDA" naam="Heerma">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik wil graag over enkele
punten nadere informatie van de
regering.
In de eerste plaats betreft het een
punt waarover de coalitiepartijen het
bij de totstandkoming van het
regeerakkoord in de afgelopen zomer
niet eens konden worden, namelijk
de sociale zekerheid. Minister
Melkert heeft in FNV-Magazine een
aantal belangwekkende uitspraken
gedaan over de toekomst van het
sociale stelsel; daarop spits ik mijn
vragen toe. Aan de minister werd
voorgelegd dat de heer Bolkestein
blijft pleiten voor een ministelsel in
de sociale zekerheid, waarbij de
laatste ervan uitgaat dat een
dergelijk stelsel de uitkomst zal zijn
van de hervorming van de sociale
zekerheid waarop de minister aan
het studeren is. Deze geeft als reactie
dat hiervan geen sprake is en dat dit
volstrekt niet aan de orde is. Hoe
verhouden deze uitspraken zich tot
de afspraken in het regeerakkoord?
De minister wijst er voorts op dat
er nadere voorstellen zullen komen.
Wanneer zal dit het geval zijn?
Tot slot zei de minister dat de
uitkeringen weer gekoppeld kunnen
worden aan de loonontwikkeling, dat
de overheidsfinancie¨n nu eindelijk op
orde zijn en dat het mogelijk moet
zijn om in deze kabinetsperiode weer
te koppelen. Hoe verhouden deze
uitspraken zich tot de afspraken in
het regeerakkoord, waarin sprake is
van een halve koppeling?
Voorzitter! Deze discussie, waarin
door de VVD in verkiezingstijd in het
bijzonder werd gepleit voor een
ministelsel, en waarin ook door
andere partijen visies over de
duurzaamheid en haalbaarheid van
de sociale zekerheid werden
gegeven, hoort in de Tweede Kamer
thuis. Tegen die achtergrond ontvang
ik van de minister van Sociale Zaken
graag een nadere brief over de
punten die ik heb genoemd. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2701" anker="416" partij="VVD" naam="Bolkestein">
 Mijnheer
de voorzitter! Mijn fractie moet de
heer Heerma hetzelfde antwoord
geven als zojuist aan mevrouw Sipkes: wij verzetten ons niet tegen
zijn verzoek, maar zitten niet op die
brief te wachten. De reden is duidelijk: wat het regeerakkoord
hierover bevat, is volstrekt helder. In
het regeerakkoord is een pakket aan
maatregelen vastgelegd, dat in totaal
een bezuiniging van 18 mld. in 1998
moet opleveren. Verder is afgespro-
ken dat er, ter gelegenheid van de
begrotingsvoorbereiding voor het
jaar 1997, dus in mei of juni 1996,
een ijkpunt komt om te bezien of de
maatregelen al genomen zijn of
zullen worden genomen, en of deze
de te verwachten sommen aan
ombuigingen zullen opleveren. Is dit
niet het geval, dan zal dan worden
bekeken of er nadere maatregelen
nodig zijn, waarbij niets is uitgeslo-
ten. Dat is de defensieve kant van
het ijkpunt volgend jaar mei/juni.
Daarnaast is er een offensieve kant.
Die houdt in dat zal worden gekeken
naar de toekomst van onze sociale
zekerheid na 1998 en in de volgende eeuw. De vraag is daarbij: welk
stelsel van sociale zekerheid heeft
Nederland nodig en kan het zich
veroorloven na deze kabinets-
periode?
Voorzitter! Ik breng dit naar voren,
omdat wij zoals gezegd geen
behoefte hebben aan de brief
waarnaar de heer Heerma vraagt.
Het regeerakkoord spreekt volstrekt
heldere taal daarover. Wij houden
ons daaraan. De discussie die zal
komen, in ieder geval over de
toekomst, vindt over ruim een jaar
plaats.
Ten slotte nog het volgende,
voorzitter. Blijkens een bekend
avondblad heeft de heer Heerma
hierover gezegd dat ik gas terug zou
hebben genomen. Mijn vraag aan de heer Heerma is: over welk gas heeft
hij het? 

</spreker>
<spreker pagina="39-2701" anker="417" partij="CDA" naam="Heerma">
 Voorzitter! Ik
handhaaf mijn verzoek aan de
minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. Welke lijn het is,
maakt mij niet uit; laat ik het maar de
lijn-Bolkestein noemen. De heer
Bolkestein heeft bij de algemene
beschouwingen een vijftal uitgangs-
punten geformuleerd over de
herziening van het stelsel van sociale
zekerheid. Het viel mij toen op dat de
minister-president daarop niet of
nauwelijks heeft geantwoord. Ik
leidde daaruit af dat de prioriteiten-
stelling van de heer Bolkestein van
dien aard was dat hij tijdig de
discussie wilde beginnen. Ik wil hem
daarbij helpen door middel van deze
brief.
Ik begrijp uit de uitspraken van de
minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid dat het in deze
kabinetsperiode eigenlijk niet nodig
is, gezien het perspectief dat er
conjunctureel-economisch is. Ik wil
weten of ik dat goed begrepen heb.
Wij willen dit als CDA-fractie nader
beschouwen aan de hand van de
brief waarom ik heb gevraagd. Of dit
offensief of defensief is, laat ik in het
midden. Ik wil de afspraken in het
regeerakkoord serieus nemen. Ik heb
dat ook te doen vanuit de rol van
oppositiepartij. De discussie over een
en ander hoort in het parlement
thuis. Nogmaals, ik handhaaf mijn
verzoek om een brief, voorzitter.
Of het gas, diesel of olie is, het is
energie erop gericht om problemen
in dit land op te lossen. Ik kan mij
niet aan de indruk onttrekken dat de
heer Bolkestein verschillende
snelheden in acht neemt. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2702" anker="418" partij="VVD" naam="Bolkestein">
 Mijnheer
de voorzitter! Ik heb daarnet
gesproken over het debat dat tussen
de coalitiepartners en wellicht ook in
dit huis volgend jaar mei/juni
gevoerd zal worden over de
toekomst op langere termijn van de
sociale zekerheid. De opmerkingen
die ik heb gemaakt tijdens de
algemene beschouwingen slaan op
die discussie. Dat komt dus bij
uitvoering van het regeerakkoord
volgend jaar automatisch aan de
orde. Verder is er niets aan de hand.
Ik constateer dat er niet zozeer
sprake is van gas alswel van hete
lucht, maar dan van de heer Heerma. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2702" anker="419" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, het
stenogram van dit deel van de
vergadering door te geleiden naar de
minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Daartoe wordt besloten. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2702" anker="420" naam="De voorzitter">
 Het woord is
wederom aan de heer Heerma. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2702" anker="421" partij="CDA" naam="Heerma">
 Voorzitter!
De verleiding is groot om nu over
heteluchtballonnen te beginnen,
maar ik zal die verleiding weerstaan.
Mijn tweede verzoek betreft ook
een punt uit het regeerakkoord
waarover de coalitiepartijen in
augustus jongstleden geen overeen-
stemming konden bereiken, namelijk
de Betuwelijn. In het regeerakkoord staat daarover onder meer: ’’Binnen
een halfjaar zal het kabinet aan het
parlement duidelijkheid geven over
de vraag...’’. Het gaat mij over dat
’’binnen een halfjaar’’. Gisteren heeft
de commissie-Hermans de besluit-
vorming van het vorige kabinet en
de toenmalige coalitiepartijen inzake
de Betuwelijn herbevestigd, heb ik
begrepen. Tegen deze achtergrond
moet het het kabinet toch mogelijk
zijn om snel en daadkrachtig met een
helder kabinetsstandpunt te komen,
hetgeen in de zomer van 1994 niet
mogelijk was. Ik heb begrepen dat de
minister van Verkeer en Waterstaat
gisteren de indruk heeft gewekt dat,
zoals eerder door haar bij brief aan
de Kamer werd meegedeeld, dit in
maart zal gebeuren, zij het na 8
maart. Wij zouden met die gang van
zaken moeite hebben. Het gaat toch
om een zaak die een belangrijke rol
heeft gespeeld bij de vorige
verkiezingen. Er is een tijdverlies
opgetreden van een halfjaar als
gevolg van de studie. Als men het
regeerakkoord serieus neemt, geldt
de termijn ’’binnen een halfjaar’’.
Welnu, 22 augustus 1994 plus zes
maanden e`n de inhoud van het
rapport van commissie-Hermans
leiden ertoe dat men mag vermoe-
den dat het kabinet binnen enkele
weken met een standpunt zal kunnen
komen. Ik wijs er nog eens op dat de
minister-president dit, desgevraagd,
in het debat over de regeringsverkla-
ring op 31 augustus en 1 september
1994 heeft bevestigd. Ik vraag het
kabinet om de Kamer inzicht te
verschaffen in het tijdstip waarop het
met zijn standpunt komt. Graag geef
ik het signaal dat dit wat ons betreft
voor 1 maart zou moeten gebeuren.
Als dat niet het geval zal zijn, hebben
wij er behoefte aan om hierover aan
de hand van de brief met het kabinet
van gedachten te wisselen. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2702" anker="422" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, het
stenogram van dit deel van de
vergadering door te geleiden naar de
regering.
Daartoe wordt besloten. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2702" anker="423" naam="De voorzitter">
 Het woord is aan
mevrouw Vos. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2702" anker="424" partij="GroenLinks" naam="Vos">
 Mijnheer
de voorzitter! Ook het onderwerp
waarover ik nu wil spreken, heeft iets
met gas te maken. Het gaat namelijk
over de mestproblematiek. Op 3
november 1994 hebben de ministers
van VROM en LNV met de Kamer
over dit vraagstuk gesproken,
waarbij werd toegezegd dat in het
voorjaar van 1995 een notitie zou
kunnen worden verwacht. Ook werd
toegezegd dat, in afwachting van
deze notitie, stappen zouden worden
gezet in verband met de afspraken,
gemaakt in het kader van de notitie
Derde fase mestbeleid. Een van die
afspraken voorziet erin dat per 1
januari 1996 de gebruiksnormen voor
mest worden aangescherpt. Het
kabinet gaf aan dat het, om dit op
voldoende wijze te kunnen voorbe-
reiden, voor 1 januari 1995 een brief
aan de Kamer zou sturen waarin het
voorstellen zou doen. Welnu, die
brief hebben wij niet ontvangen en ik
hecht eraan dat de Kamer nu met
spoed wordt ingelicht over deze
kwestie. Zoals ook het kabinet ze`lf
heeft gezegd, is het nodig om op dit
terrein met spoed te handelen, wil
men de genoemde aanscherping
volgens afspraak ook werkelijk
gestalte geven. Ik verzoek de
regering, de Kamer met betrekking
tot deze kwestie zo spoedig mogelijk,
liefst de volgende week, een brief toe
te zenden. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2702" anker="425" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, het
stenogram van dit deel van de
vergadering door te geleiden naar de
regering.
Daartoe wordt besloten. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2702" anker="426" naam="De voorzitter">
 Het woord is aan de
heer Van de Camp. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2702" anker="427" partij="CDA" naam="Van de Camp">

Mijnheer de voorzitter! Afgelopen
zaterdag heeft de minister van
Justitie in de Volkskrant een op z’n
zachtst gezegd opmerkelijk interview
gegeven over het te voeren
drugsbeleid, in het bijzonder over de
aanvoer van verdovende middelen
naar coffeeshops. De minister
slalomde vaardig langs de beladen
termen ’’legalisering’’ en ’’liberalise-
ring’’, om vervolgens uit te komen
bij de term ’’reguleren’’. Als
eenvoudig jurist vraag ik mij af, wat
de minister nu precies bij die term
voor ogen staat.
Uit het interview leid ik af dat de
kabinetsnota over het drugsbeleid
inmiddels zo ver is gevorderd dat de
minister deze fundamentele keuze nu
al openbaar wil maken. De nota kan
blijkbaar spoedig aan de Kamer
worden voorgelegd en wij verzoeken
de regering dan ook om dit te doen.
Om er zeker van te zijn dat de Kamer
snel weet waar zij aan toe is, verzoek
ik het kabinet om in een brief het
standpunt van de minister toe te
lichten.
In deze brief zouden naar ons
oordeel de volgende vragen aan de
orde moeten komen. Worden de
opvattingen van de minister
onderschreven door de ministerraad,
in het bijzonder door de minister van
VWS? Wat verstaat het kabinet onder
’’reguleren’’? En hoe verhoudt deze
liberalisering zich tot de steeds
breder levende opvatting dat de
overlast door de omvang van de
handel in softdrugs onaanvaardbaar
is geworden? Ik denk hierbij met
name aan het duidelijke advies van
de commissie-Blok, een commissie
die samengesteld is uit leden van het
openbaar ministerie.
Voorzitter! Vervolgens nog enkele
vragen naar aanleiding van de
uitgelekte, sterk politiek getinte
notitie van de Utrechtse hoofdcom-
missaris Wiarda. Wie heeft opdracht
gegeven tot het opstellen van deze
notitie? Welke rol speelt deze bij de
voorbereiding van de nota van het
kabinet? En is er in de notitie van de
heer Wiarda sprake van uitbreiding
van de verstrekking van harddrugs?
Tot slot zou de CDA-fractie in de
brief opgenomen willen zien, op
welke wijze de minister overleg heeft
gevoerd met haar Europese
collega’s. Is dit overleg reeds
afgerond? En hoe verhoudt de
uitspraak van minister Sorgdrager in
de Volkskrant van afgelopen zaterdag
zich tot de geruststellende woorden
tot de Franse minister Pasqua naar
aanleiding van zijn oppositie tegen
het bestaande beleid? 

</spreker>
<spreker pagina="39-2703" anker="428" partij="D66" naam="De Graaf">
 Voorzitter!
Het is een ieder bekend dat de
ministers van Justitie en van
Volksgezondheid bezig zijn met de
voorbereiding van een drugsnota. In
dat kader zijn er in de afgelopen
weken van verschillende kanten
gedachten geopperd, ook door mijn
fractie, die betrokken kunnen worden
bij de voorbereiding van die nota. Ik
meen dat de heer Van de Camp in de
pers heeft aangegeven dat hij het
allemaal voorbarig vond en dat hij
rustig op de nota wilde wachten. Het
verbaast mij dan ook hogelijk dat hij
nu direct tekst en uitleg wil hebben,
als de minister in reactie op
suggesties aangeeft dat het beleid
inderdaad inconsistenties bevat en
dat de regering erover nadenkt, hoe
die er uitgehaald zouden kunnen
worden. Het lijkt mij verstandig om
de nota af te wachten die over twee
a` drie maanden zal verschijnen. Het
is beter om de regering een paar
weekjes extra te geven om een goed
afgewogen verhaal op te stellen dan
de minister nu met spoed te
ontbieden om haar te laten
aangeven, wat zij precies met
bepaalde termen heeft bedoeld.
Als ik de heer Van de Camp goed
begrijp, zouden de ministers in hun
brief ook nog moeten ingaan op
uitlatingen van een hoofdcommissa-
ris. Ik heb er geen behoefte aan, die
woorden een extra dimensie te
geven door de ministers te verzoe-
ken, precies uit te leggen wat hij
daarmee bedoelt. Hoofdcommissaris-
sen zijn vrij om gedachten naar
voren te brengen, maar wij oordelen
op basis van de voorstellen van de
ministers. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2703" anker="429" partij="GPV" naam="Schutte">
 Mijnheer de
voorzitter! Wij weten allen dat wij
over enige tijd een nota kunnen
verwachten van beide bewindslieden
die met het drugsbeleid te maken
heeft. De heer De Graaf spreekt van
twee a` drie maanden; ik weet het
niet, hij kan het weten. In normale
gevallen zouden wij daar nog wel
even op kunnen wachten, maar de
minister van Justitie, direct
betrokken bij de voorbereiding van
deze nota, heeft er een aantal
opmerkelijke uitspraken over gedaan.
Ik vind het dan ook terecht dat de
heer Van de Camp vraagt om in het
licht van de te verwachten nota met
name over die uitspraken duidelijk-
heid te verschaffen.
Voorzitter! Ik zou aan de vragen
van de heer Van de Camp nog de
vraag willen toevoegen, waarom de
minister het opportuun vond om op
dit moment die uitspraken te doen.
Je bent immers niet verplicht om
een inhoudelijk antwoord te geven
op vragen van journalisten. De
minister had kunnen volstaan met
een verwijzing naar de komende
nota, zoals verleden week bij de
begrotingsbehandeling in de Eerste
Kamer, toen er ook vragen over die
nota werden gesteld. Waarom heeft
zij dan de pers antwoorden gegeven
die zij de Eerste Kamer onthouden
heeft? En hoe is dit te rijmen met de
zorgvuldigheid die ook een minister
van Justitie in acht dient te nemen
met het oog op de effecten in het
buitenland? Zij wil niet spreken van
legalisering, omdat zij bang is dat
haar woorden dan in het buitenland
verkeerd begrepen worden. Welnu,
gelet op de reacties tot nu toe denk
ik dat zij toch het omgekeerde heeft
bereikt van wat zij heeft beoogd,
want er is in het buitenland op z’n
minst een indruk ontstaan die wij
niet graag gewekt zien. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2703" anker="430" partij="PvdA" naam="Dijksman">

Voorzitter! Ik heb niet zo’n behoefte
aan een debat over een notitie die er
nog niet is. Het is dapper van de
minister dat zij het heeft aangedurfd
om de discussie aan te zwengelen
over het beleid ten aanzien van
drugs in coffeeshops en de aanvoer
van softdrugs naar Nederland. Ik
meen dat de heer Stoffelen van de
PvdA eerder heeft aangegeven dat
het hypocriet is om de voordeur van
de coffeeshops open te houden en
de achterdeur gesloten. De discussie
daarover moet ook gevoerd worden.
Het is een beetje van de gekke dat
de heer Van de Camp hier nu zoveel
vragen heeft gesteld. Hij kan hierover
beter schriftelijke vragen aan de
minister stellen.
De PvdA-fractie wil ook graag
wachten op de behandeling in de
Kamer van de notitie van de
minister. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2703" anker="431" partij="RPF" naam="Rouvoet">
 Voorzitter!
Uit de uitlatingen van de minister
van Justitie heb ik opgemaakt dat wij
het over een ding eens zijn, namelijk
dat het gedoogbeleid voor coffees-
hops op zijn grens is gestuit. Wij
verschillen evenwel in ernstige mate
over de consequenties daarvan en de
volgende stappen die gezet moeten
worden.
Ik steun het verzoek van collega
Van de Camp graag voor een brief
van de minister waarin zij nader
ingaat op haar uitlatingen.
Collega De Graaf vraagt zich af of
het niet beter is om te wachten op
de notitie van de minister, opdat wij
een afgewogen oordeel krijgen. Ik
had ook graag dat de regering deze
weg had gevolgd. Nu dit punt door
de media in discussie is gebracht,
lijkt het mij goed dat de Kamer
precies weet waar zij over spreekt en
dat zij haar zegje kan doen,
vooruitlopend op de desbetreffende
notitie.
Ik wil graag dat de minister in die
brief ook ingaat op het reguleren van
de markt voor softdrugs via de
coffeeshops. Daarbij kan zij
aangeven welke mogelijkheden zij
ziet om de harddrugs dan geheel
buiten beschouwing te laten. Ik
verwijs naar de opmerkingen
hierover van de Belgische minister.
Hij voorziet namelijk ook ernstige
problemen in dit opzicht. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2704" anker="432" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, het
stenogram van dit deel van de
vergadering door te geleiden naar de
minister van Justitie.
Daartoe wordt besloten. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2704" anker="433" naam="De voorzitter">
 Het woord is aan de
heer Verhagen. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2704" anker="434" partij="CDA" naam="Verhagen">
 Voorzitter!
In december van het afgelopen jaar
is er een wetgevingsoverleg geweest
over het wetsvoorstel Wijziging van
de Auteurswet 1912 en de Wet op de
naburige rechten (23247). In dat
overleg is door de bewindslieden
een notitie toegezegd waarin nader
wordt ingegaan op de vragen die in
dat overleg gerezen zijn. Deze notitie
zou verschijnen voor de plenaire
behandeling van het genoemde
wetsvoorstel. Volgende week is die
plenaire behandeling voorzien. Ik
verzoek u dan ook om de bewindslie-
den te vragen om die notitie zo snel
mogelijk naar de Kamer te sturen,
opdat wij een zinvol debat kunnen
voeren. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2704" anker="435" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, het
stenogram van dit deel van de
vergadering door te geleiden naar
het kabinet.
Daartoe wordt besloten. 
</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="39-2704">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Comptabiliteitswet
verband houdende met onder
andere de introductie van
agentschappen, de integratie van
de begrotingsartikelen ’’perso-
neel’’ en ’’materieel’’ en een
nadere aanpassing van de
financie
¨ le verantwoordings-
procedure (zesde wijziging van
de Comptabiliteitswet) (23796).
De algemene beraadslaging wordt
geopend.

<blok pagina="39-2704">

 
<spreker pagina="39-2704" anker="436" partij="CDA" naam="De Jong">
 Mijnheer de
voorzitter! Sedert het verschijnen
van het heroverwegingsrapport
’’Verder bouwen aan beheer’’ in
september 1991 hebben wij
meermalen met de minister van
Financie¨n overlegd over de
voorgestelde wijzigingen van de
beheersregels. Dat overleg zal wat
onze inbreng betreft niet worden
herhaald. Ik kan dus ook kort zijn. De
nu voorliggende wetswijziging is in
wezen een vastlegging in de wet van
de resultaten in genoemde overleg-
gen.
Op een punt wil ik nu terugkomen.
In het wetsvoorstel wordt de
mogelijkheid open gehouden dat een
agentschap zowel via een baten-
lastenstelsel als via een kas-
verplichtingenstelsel kan worden
geadministreerd. In eerdere
overleggen en ook in de schriftelijke
voorbereiding hebben wij er steeds
op aangedrongen duidelijkheid te
verschaffen over het administratie-
systeem dat bij het agentschap zou
behoren. Steeds hebben wij
benadrukt dat een eenduidig
systeem de voorkeur verdient, dit
zowel om te voorkomen dat het
agentschap een hybride systeem zou
worden alsook ter voorkoming van
wildgroei.
Onze voorkeur gaat uit naar het
verbinden van het lasten- en
batenstelsel aan het agentschap. Dat
vereist dat het door het agentschap
geleverde ’’produkt’’ duidelijk
kenbaar en meetbaar is en dat
daarvoor een kostprijs, zo men wil
interne verrekenprijs, kan worden
berekend. Onderdelen van de
departementen met een duidelijk
bedrijfsmatig karakter kunnen
hiervoor in aanmerking komen. Het
agentschap wordt zodoende
verbonden met een specifiek
beheersregime. Dat bevordert de
duidelijkheid. Bovendien wordt zo
aansluiting gevonden bij de discussie
over de kapitaaldienst. In die
discussie heeft het vorige kabinet het
standpunt ingenomen dat niet voor
de gehele begroting, maar wel op
onderdelen van de rijksbegroting die
zich daarvoor lenen, introductie van
een lasten-batenstelsel mogelijk zou
zijn. Op die manier zou ervaring
kunnen worden opgedaan met een
scheiding tussen lasten en kapitaal-
uitgaven.
Mijn fractie heeft er van begin af
aan voor gewaarschuwd, niet al te
enthousiast van start te gaan met de
instelling van agentschappen. De
reeds jaren lopende discussie in de
jaren tachtig over verzelfstandiging
en zelfbeheer geven alle aanleiding
tot een dergelijke voorzichtigheid.
Mevrouw Dijksman (PvdA)

</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


