<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2065]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Comptabiliteitswet verband houdende met onder andere de introductie van agentschappen, de integratie van de begrotingsartikelen "personeel" en "materieel" en een nadere aanpassing van de financiële verantwoordingsprocedure (zesde wijziging van de Comptabiliteitswet) (23796)</item>
<item attribuut="Bestand"> 74 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Overheidsfinanciën (Comptabiliteitsvoorschriften)</item>
<item attribuut="Dossiernr">23796</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 15, Tweede Kamer, pag. 2704-2718</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">24-01-1995</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2065</item>
<item attribuut="Omvang">15 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Tweede Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Comptabiliteitswet</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Ingekomen stukken</item>
<item attribuut="doccode">TK 39</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="39-2704">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Comptabiliteitswet
verband houdende met onder
andere de introductie van
agentschappen, de integratie van
de begrotingsartikelen ’’perso-
neel’’ en ’’materieel’’ en een
nadere aanpassing van de
financie
¨ le verantwoordings-
procedure (zesde wijziging van
de Comptabiliteitswet) (23796).
De algemene beraadslaging wordt
geopend.

<blok pagina="39-2704">

 
<spreker pagina="39-2704" anker="652" partij="CDA" naam="De Jong">
 Mijnheer de
voorzitter! Sedert het verschijnen
van het heroverwegingsrapport
’’Verder bouwen aan beheer’’ in
september 1991 hebben wij
meermalen met de minister van
Financie¨n overlegd over de
voorgestelde wijzigingen van de
beheersregels. Dat overleg zal wat
onze inbreng betreft niet worden
herhaald. Ik kan dus ook kort zijn. De
nu voorliggende wetswijziging is in
wezen een vastlegging in de wet van
de resultaten in genoemde overleg-
gen.
Op een punt wil ik nu terugkomen.
In het wetsvoorstel wordt de
mogelijkheid open gehouden dat een
agentschap zowel via een baten-
lastenstelsel als via een kas-
verplichtingenstelsel kan worden
geadministreerd. In eerdere
overleggen en ook in de schriftelijke
voorbereiding hebben wij er steeds
op aangedrongen duidelijkheid te
verschaffen over het administratie-
systeem dat bij het agentschap zou
behoren. Steeds hebben wij
benadrukt dat een eenduidig
systeem de voorkeur verdient, dit
zowel om te voorkomen dat het
agentschap een hybride systeem zou
worden alsook ter voorkoming van
wildgroei.
Onze voorkeur gaat uit naar het
verbinden van het lasten- en
batenstelsel aan het agentschap. Dat
vereist dat het door het agentschap
geleverde ’’produkt’’ duidelijk
kenbaar en meetbaar is en dat
daarvoor een kostprijs, zo men wil
interne verrekenprijs, kan worden
berekend. Onderdelen van de
departementen met een duidelijk
bedrijfsmatig karakter kunnen
hiervoor in aanmerking komen. Het
agentschap wordt zodoende
verbonden met een specifiek
beheersregime. Dat bevordert de
duidelijkheid. Bovendien wordt zo
aansluiting gevonden bij de discussie
over de kapitaaldienst. In die
discussie heeft het vorige kabinet het
standpunt ingenomen dat niet voor
de gehele begroting, maar wel op
onderdelen van de rijksbegroting die
zich daarvoor lenen, introductie van
een lasten-batenstelsel mogelijk zou
zijn. Op die manier zou ervaring
kunnen worden opgedaan met een
scheiding tussen lasten en kapitaal-
uitgaven.
Mijn fractie heeft er van begin af
aan voor gewaarschuwd, niet al te
enthousiast van start te gaan met de
instelling van agentschappen. De
reeds jaren lopende discussie in de
jaren tachtig over verzelfstandiging
en zelfbeheer geven alle aanleiding
tot een dergelijke voorzichtigheid.
Mevrouw Dijksman (PvdA)Ook in het jongste decemberverslag
van de Rekenkamer staan weer
waarschuwingen dat zorgvuldig
moet worden omgegaan met de
instelling van agentschappen en dat
deze zorgvuldigheid niet vanzelfspre-
kend is. Dit brengt mijn fractie ertoe,
enige sympathie te koesteren voor
voorstellen, die ons hedenmiddag
nog zullen bereiken of die al zijn
ingediend in de vorm van amende-
menten, die een nauwere betrokken-
heid van de Kamer ten gevolge
hebben bij de instelling van een
agentschap.
Tegen die achtergrond lijkt het mij
verstandig om kalmaan te beginnen
met de instelling van enkele
agentschappen, dus dienst-
onderdelen die een bedrijfsmatig
karakter hebben en waarop de
toepassing van een lasten-
batenstelsel tot voordelen kan
strekken. Voordat kan worden
ingegaan tot de instelling van een
agentschap wordt de Kamer ingelicht
en het liefst op een manier die de
goedkeuring van de Rekenkamer kan
wegdragen. Laten wij eens een paar
jaar ervaring opdoen met dergelijke
agentschappen en dan een evaluatie
uitvoeren om te kunnen beoordelen
of wij op dit pad verder moeten
gaan. Een wildgroei zoals in
Engeland, met honderden agent-
schappen, is geen nastrevenswaar-
dige zaak, zoals de ervaring aan de
overkant van de Noordzee ons ook
leert.
Ik merk op, ook ten behoeve van
de discussie in een vervolgstadium
aan de overkant van het Binnenhof,
dat mijn standpunt nauw aansluit bij
hetgeen hierover reeds is opgemerkt
door de hoogleraren Boorsma en
Mol. In antwoord op de vraag van de
commissie voor de Rijksuitgaven
inzake de wenselijkheid van een
kapitaaldienst, hebben zij in
overweging gegeven om voor
daarvoor in aanmerking komende
onderdelen van de rijksdienst een
baten-lastenstelsel in te voeren en
daarbij streven zij ook geenszins een
al te uitbundige ontwikkeling na. Wat
dat betreft verwijs ik ook met
instemming naar de bijdrage over
differentiatie van beheersregels, die
Boorsma in het eerste nummer van
het blad Openbare Uitgaven van
1991 heeft geschreven.
Ten slotte spreek ik de wens uit
dat de constructie van het agent-
schap tot een succes mag uitgroeien,
in de zin dat de rijksdienst effectief
en efficie¨nt ten behoeve van burgers
kan optreden.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="39-2705">

 
<spreker pagina="39-2705" anker="653" partij="PvdA" naam="Liemburg">

Mijnheer de voorzitter! Terwijl wij
bezig zijn met de behandeling van de
zesde wijziging van de Comptabili-
teitswet blijkt de zevende zich al aan
te dienen. Het is immers niet
uitgesloten dat de adviezen van de
Raad van State naar aanleiding van
de zaak Vie d’Or en van de werk-
groep die de Tweede Kamer heeft
ingesteld, zullen leiden tot wetswijzi-
ging. Daarin zal de reikwijdte van de
controlebevoegdheden van de
Algemene Rekenkamer duidelijker
vastgelegd moeten worden om het
risico van verschillen van interpreta-
ties zoveel mogelijk uit te sluiten.
Ook heeft de minister van Binnen-
landse Zaken laten weten dat het
kabinet nadenkt over de financie¨le en
comptabele regelgeving ten aanzien
van zelfstandige bestuursorganen.
Ook dat zal het begin kunnen zijn
van een nieuwe aanpassing van de
Comptabiliteitswet. Wij zijn
benieuwd naar het standpunt van de
minister van Financie¨n. Streeft hij
naar een feestelijke indiening van de
tiende wijziging te zijner tijd, of heeft
hij liever een algehele herziening van
de Comptabiliteitswet op een eerder
tijdstip? Wij kunnen ons voorstellen
dat voor het laatste wordt gekozen,
niet zozeer omdat een zoveelste
wijziging zo slordig staat of omdat
wij de tel kwijtraken – de Comptabili-
teitswet is immers op zichzelf
duidelijk genoeg –, de complexiteit
van de overheid heeft echter geleid
tot een woud aan afgeleide en lagere
regelgeving. Het lijkt ons geen
overbodige luxe dat alles eens tegen
het licht wordt gehouden. De
zekerheid dat alle wezenlijke regels
in de Comptabiliteitswet zijn
opgenomen en dat overige voor-
schriften tot het uiterst noodzakelijke
zijn beperkt, maakt de parlementaire
controle ook gemakkelijker. Wij
horen graag de mening van de
minister hierover.
Datzelfde geldt voor de aanpas-
sing van een financie¨le
verantwoordingsprocedure. Die is
voor ons aanleiding om een
discussie te vragen over de wijze
waarop die financie¨le verantwoor-
ding wordt gegeven. In september
komen er veel financie¨le stukken op
ons af, waarbij de begrotingswetten
het recht van de sterksten aan hun
kant lijken te hebben en de meeste
aandacht krijgen. Dat kan ten koste
gaan van de aandacht voor de
verantwoordingsstukken. Het
ongeveer gelijktijdig verschijnen van
de slotwet, de rijksrekening, de
begroting en de rapporten van de
Algemene Rekenkamer in september,
vraagt om een nadere bezinning.
Voelt de minister voor een overleg
hierover in dit voorjaar?
Naarmate de financie¨le ruimte van
de overheid afneemt, wordt de
aandacht voor de effecten van het
overheidsbeleid groter, wordt het
schaarse geld ook inderdaad besteed
voor het doel waarvoor het bestemd
is. De output is even relevant als de
input. Onze vraag over de overlap
aan informatie tijdens de schriftelijke
behandeling had niet alleen
betrekking op de kwantiteit. Het
technische karakter van sommige
stukken maakt de informatie moeilijk
toegankelijk en niet altijd politiek
relevant. Dat kan anders, zonder de
kwaliteit geweld aan te doen.
Vandaar ons verzoek om daar in het
voorjaar op terug te komen.
Tijdens de schriftelijke behande-
ling hebben wij al laten weten dat
wij er geen bezwaar tegen hebben
dat agentschappen worden ingesteld
bij AMvB in plaats van bij wet. Wel
hebben wij gewaarschuwd voor het
risico dat het instellingsbesluit
verwordt tot een formaliteit. In de
nota naar aanleiding van het verslag
wordt de verantwoordelijkheid
daarvoor eenzijdig bij de Kamer
gelegd. Wij blijven van mening dat
het departement wat meer zijn best
mag doen om het besluit gelegiti-
meerd te krijgen. Wij stellen daarom
voor, artikel 70, lid 2, in die zin te
wijzigen. Het ter kennis brengen
alleen is ons niet genoeg.
De heer De Jong sprak zoe¨ven al
over de invoering van het baten-
lastenstelsel, waarvoor ook wij bij de
financie¨le beschouwingen hebben
gepleit. Wij hebben het amendement
van het CDA dan ook medeonderte-
kend. Voor het overige sluit ik mij op
dit punt aan bij de woorden van de
heer De Jong.
In een eerder stadium hebben wij
vraagtekens geplaatst bij het wijzigen
van artikel 29, eerste lid, waarbij uit
de wet verdwijnt dat voor mede-
oprichting van privaatrechtelijke
rechtspersonen machtiging bij wet
nodig is. Door de nota naar
aanleiding van het verslag zijn onze
bezwaren echter grotendeels
weggenomen. Wel stellen wij voor
om de termijn van 14 dagen te
verlengen tot 30 dagen, zodat beter
wordt aangesloten bij de procedure
tot het instellen van agentschappen.
Ik wacht het antwoord van de
minister af.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="39-2706">

 
<spreker pagina="39-2706" anker="654" partij="GPV" naam="Schutte">
 Mijnheer de
voorzitter! De Comptabiliteitswet
bevat voorschriften waarbij het met
name gaat om het algemene
financieel beleid en het doelmatige
beheer van de gelden van het Rijk.
Dat de controlerende en ook de
medewetgevende taak van de
Staten-Generaal hiermee onlosmake-
lijk zijn verbonden, is duidelijk. In het
thans voorliggende wetsvoorstel
worden wij hier nogmaals in het
bijzonder bij bepaald. Hierin wordt
onder meer de introductie van
agentschappen wettelijk geregeld. De
algemene regel dat voor oprichting
of mede-oprichting van privaatrech-
telijke rechtspersonen machtiging bij
wet nodig is, verdwijnt uit de wet.
Voor beide zaken zal een voorhang-
procedure gaan gelden. En toch gaat
het in beide voorstellen om sterk
verschillende zaken. De keuze voor
een bepaalde vorm van verzelfstandi-
ging heeft belangrijke gevolgen voor
aard en omvang van de ministerie¨le
verantwoordelijkheid en voor de
positie van de Staten-Generaal
daarbij. De Staten-Generaal moeten
mede kunnen beslissen over de
keuze van een vorm van verzelfstan-
diging welke de aard en omvang van
de ministerie¨le verantwoordelijkheid
beı¨nvloedt. Voorhangprocedures
vormen een regelmatig toegepaste,
maar wel omstreden wijze van
betrokkenheid van de Staten-
Generaal. Het is zeker geen
gelijkwaardig alternatief voor
wetgeving, zoals de minister op
bladzijde 15 van de nota naar
aanleiding van het verslag lijkt te
suggereren. Het rapport van de
commissie-Deetman bevat in dit
verband behartigenswaardige
voorstellen.
In het geval van de agentschappen
kan ik mij de voorgestelde voorhang-
procedure wel voorstellen. Een
agentschap blijft immers deel
uitmaken van de rijksdienst.
Weliswaar krijgt een organisatie-
onderdeel een afzonderlijke status,
maar het blijft een vorm van interne
verzelfstandiging, waarvoor de
minister primair verantwoordelijk
blijft. Het sturen van tijdige
informatie aan de Staten-Generaal
lijkt dan voldoende mogelijkheden te
bieden. Bovendien kan de Kamer
naar aanleiding van de jaarlijkse
begroting en financie¨le verantwoor-
ding van het desbetreffende
ministerie controle uitoefenen op het
functioneren van agentschappen.
Anders ligt dit bij het voorgestelde
artikel 29, eerste lid. Ik kan mij
voorstellen dat de stroman-
constructie onder de wet wordt
gebracht, omdat het hier om de
oprichting of mede-oprichting van
een rechtspersoon gaat die in ieder
geval in strijd is met de geest van de
wet. Het gaat mij echter te ver om
vervolgens de gehele wettelijke
machtiging voor de oprichting of
mede-oprichting van privaatrechte-
lijke rechtspersonen eruit te halen.
Dat is toegeven aan een verkeerde
ontwikkeling. Ik vind het ronduit
geˆnant dat het onvermogen van de
regering om individuele bewindslie-
den en hun ambtenaren te laten
blijven binnen de strekking van de
wet als argument moet dienen om
de wet te wijzigen. De wet is niet
verkeerd, maar de mensen deugen
niet. Daaraan moet wat worden
gedaan.
Het vereiste van een wettelijke
machtiging is tot nu toe juist
gehandhaafd vanuit het argument
dat de Staten-Generaal vooraf een
oordeel konden geven over de
voorgenomen privatisering. Dit
wordt met name staatsrechtelijk
wenselijk geacht in die gevallen
waarin het activiteiten betreft waarop
het Rijk uit het oogpunt van
algemeen belang invloed uitoefent.
Ik ga er, zeker na de principie¨le
discussie welke wij hierover hadden
tijdens de algemene financie¨le
beschouwingen, van uit dat de
minister dit argument nog steeds
onderschrijft. Die discussie voerden
wij toen mede omdat de laatste tijd
van diverse zijden op de risico’s van
externe verzelfstandiging en
privatisering is gewezen. Zo speelt
de verwevenheid van publieke en
private belangen, waarmee
bovendien aanzienlijke financie¨le
risico’s gemoeid kunnen zijn. Ik vind
het dan een verkeerd signaal om in
het wetsvoorstel de machtiging bij
wet te vervangen door een
voorhangprocedure. In de nota naar
aanleiding van het verslag was de
argumentatie van de regering
minimaal. Geconstateerd wordt dat
de wettelijke machtiging in een
aantal gevallen als een te zware
procedure wordt aangemerkt. Het
zou veelal slechts gaan om voorstel-
len die niet meer bevatten dan een
enkele machtiging. Maar aan die
enkele machtiging kan toch de
politieke betekenis van een
privatiseringsplan niet worden
afgemeten? Kenmerkend bij elke
privatisering is, om de eigen
woorden van de minister te
gebruiken, dat de ministerie¨le
verantwoordelijkheid geheel en al
verdwijnt. Waar dat aan de orde is, is
het zaak dat de Staten-Generaal
expliciet een oordeel uitspreken.
Ik vind het ook een verkeerde
ontwikkeling, als de ministerraad
vervolgens gaat bepalen om in
sommige gevallen bij voorbaat te
opteren voor een wettelijke
machtiging in plaats van voor een
voorhangprocedure. Daarmee gaat
de ministerraad op de stoel van de
Kamer zitten in haar beoordeling of
de politieke functie van de Staten-
Generaal bij een vorm van privatise-
ring wordt aangetast. Voor elke
externe verzelfstandiging is een
machtiging van de wetgever, dus ook
van de Kamer, nodig. Dat geldt ook
bij deelneming aan privaatrechtelijke
rechtspersonen. De huidige wettekst
laat al voldoende ruimte om in
spoedeisende gevallen hiervan af te
wijken. Ik heb daarom een amende-
ment ingediend dat de oorspronke-
lijke situatie moet herstellen, met
dien verstande dat de stroman-
constructie ook wordt geregeld.
Een extra argument om niet tot de
voorgestelde versoepeling over te
gaan is ten slotte het feit dat er op
dit moment wordt nagedacht over de
financie¨le en comptabele regelgeving
ten aanzien van zelfstandige
bestuursorganen. Ook de
verantwoordingsprocedures bij deze
vorm van externe verzelfstandiging
komen daarbij aan de orde. Ik neem
aan dat de discussie die hierop volgt
ook repercussies zal hebben voor de
Comptabiliteitswet, als andere
onderwerpen niet al nopen tot een
spoedige zevende wijziging van deze
wet, zoals mevrouw Liemburg zei.
Het lijkt mij verstandig eerst meer
ten principale hierover te praten
voordat tot een versoepeling van de
verantwoordingsprocedure conform
het voorgestelde artikel 29 wordt
besloten.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="39-2706">

 
<spreker pagina="39-2706" anker="655" partij="VVD" naam="Kamp">
 Voorzitter! Het
ambitieniveau van deze zesde
wijziging is niet hoog. Oorspronkelijk
gaf het kabinet aan dat het er bij
deze wijziging slechts om ging, iets
wat feitelijk al gebeurde in regels
vast te leggen. Verder zouden enige
redactionele wijzigingen worden
aangebracht. In onze schriftelijke
inbreng hebben wij al aangegeven
dat wij iets anders voor ogen
hadden. Volgens ons is er wat meer
nodig. Wij hebben moeten constate-
ren dat dat de minister niet erg in
beweging heeft gezet. Het lijkt mij
goed om tijdens deze behandeling
wat dieper op een aantal punten in
te gaan en hier en daar een
aanscherping tot stand te brengen. Ik richt mij op twee hoofdpunten:
een betere regeling van de agent-
schappen en een aanzet tot een
betere algemene aanpak van
verzelfstandigingen. Ik begin met dit
laatste punt.
Verzelfstandigingen zijn een eigen
leven gaan leiden. Het idee bestaat
dat je, als je naar een doelmatig
beheer en een doelmatige organisa-
tie van overheidsonderdelen toe wilt,
altijd op verzelfstandiging moet
uitkomen. Dat is onjuist. Verzelfstan-
diging moet nooit doel op zich zijn.
Het doel is resultaatgericht sturen.
De gewenste produkten moeten zo
goedkoop mogelijk geleverd worden.
Daarmee moeten de gewenste
effecten worden bereikt. Dat kan heel
goed binnen de bestaande
overheidsorganisatie, mits daarvoor
de goede managementtechnieken
worden ingezet, zelfbeheer en
contractmanagement. In een goede
organisatie kan heel goed binnen de
bestaande overheidsonderdelen tot
een meer resultaatgerichte besturing
worden gekomen.
Dat neemt niet weg dat het in een
aantal gevallen, als sprake is van
bijzondere redenen, goed kan zijn
om over te gaan tot enigerlei vorm
van verzelfstandiging. Daarvoor bestaan verschillende mogelijkheden:
interne verzelfstandiging, externe verzelfstandiging, nader toegespitst:
agentschappen, zelfstandige
bestuursorganen en geprivatiseerde
bedrijven. Wij zijn nagegaan hoe het
kabinet in de afgelopen periode
hiermee is omgegaan. Op welke
wijze is men vanuit de ministeries
met voorstellen tot verzelfstandiging
gekomen?
Bij het tegen het licht houden van
deze zaak moeten twee punten worden onderscheiden: de procedure
en de uitvoering. Als men op een
departement bezig gaat met een idee
om tot verzelfstandiging te komen,
moet dezelfde lijn worden gevolgd
als op andere ministeries. Dat wil
absoluut niet zeggen dat dit altijd tot
dezelfde uitkomst moet leiden. Het
gaat om de specifieke omstandighe-
den. Afhankelijk daarvan kunnen
andere uitkomsten bereikt worden.
De manier waarop de zaak wordt
doorlopen, moet in ieder geval
steeds gelijk zijn. Dat bevordert de
inzichtelijkheid en de duidelijkheid.
Het maakt zaken goed onderling
vergelijkbaar en de resultaten goed
te beoordelen. Het is belangrijk dat
een vaste procedure wordt gevolgd
in de voorbereiding van een
verzelfstandiging.
Waarop moet tijdens de uitvoering
worden gelet? Waaraan moet een
voornemen worden getoetst? De
onderzoeken van de Rekenkamer
hebben geleerd dat het heel
belangrijk is dat in ieder geval de volgende criteria worden gehanteerd:
soberheid en gezonde concurrentie-
verhoudingen. Te denken valt aan
onderzoeken van de Rekenkamer
inzake de Staatsloterij, het Centrum
voor arbeidsverhoudingen overheids-
personeel, de Luchtverkeersleiding,
waar zich een loonexplosie heeft
voorgedaan, en het Loodswezen,
waar geen concurrentie bestaat. Met
name het punt van de soberheid is
onvoldoende in beeld geweest. Het
lijkt erop dat verzelfstandigingen
gebruikt zijn om van de soberheid
die voor de overheid kenmerkend
moet zijn, af te komen. Dat is iets
waarvoor de VVD de verzelfstandi-
gingen absoluut niet wil gebruiken.
Wij willen ook als het gaat om de
uitvoering dat iedere keer toetsings-
criteria worden gehanteerd, die ertoe
leiden dat als een activiteit binnen de
overheid blijft, al is het in verzelf-
standigde vorm, de soberheid die de
overheid hoort te kenmerken
aanwezig blijft. Als een activiteit
buiten de overheid komt te staan,
moet altijd gekeken worden naar
gezonde, eerlijke concurrentie-
verhoudingen, naar het niet
verstoren van de natuurlijke correctie
via concurrentie, die in de markt
aanwezig hoort te zijn. Wij denken
dat het belangrijk is dat het kabinet
deze zaken meer gestructureerd
aanpakt. Wij willen de minister
daarom uitnodigen, met een notitie
te komen waarin hij aangeeft dat in
het vervolg volgens een vaste
procedure en vaste inhoudelijke
criteria, onder andere gericht op
soberheid, zal worden gewerkt aan
verzelfstandigingen.
Voorzitter! Dat wat betreft het
algemene punt van de verzelfstandi-
gingen. Ik kom nu meer in detail toe
aan de punten die betrekking hebben
op de agentschappen. Ik denk dat we
die agentschappen moeten zien in
een wat breder verband, namelijk dat
van het essentie¨le budgetrecht van
de Kamer. Je kunt namelijk twee
wijzigingen uit deze zesde wijziging
halen, die allebei het budgetrecht
van de Kamer raken. De eerste
wijziging is de samenvoeging van de
posten materieel en personeel tot
een post. Dat is een wijziging die
heel goed is voor het management
van overheidsorganisaties, om tot
een adequate, efficie¨nte en doelma-
tige wijze van beheer van de
organisatie te komen. Maar het heeft
ook het nadeel in zich dat het
mogelijk wordt, vast personeel uit
materieelbudgetten te gaan
aanstellen. De Kamer wordt daarmee
dan achteraf geconfronteerd, en zij
kan dat moeilijk en tegen heel hoge
kosten terugdraaien. Wij nemen als
VVD aan dat dit niet zal gebeuren.
Wij zijn op dat punt vol vertrouwen
in wat de komende jaren zal blijken,
maar we zullen het wel kritisch
blijven volgen. Als blijkt dat er op dit
punt misbruik wordt gemaakt van die
samengevoegde post materieel en
personeel, zijn wij van plan om de
ruimte die nu wordt gegeven weer
ter discussie te stellen.
Het tweede punt dat het budget-
recht van de Kamer raakt, is het
agentschap op zichzelf. Heel
essentieel bij een agentschap is dat
men niet meer in de loop van het
jaar bij gewijzigde voornemens wat
betreft inkomsten en uitgaven met
een begrotingswijziging bij de Kamer
hoeft te komen, maar dat men dat
zelf kan regelen en achteraf bij een
slotwijziging na afloop van het jaar
pas met de verantwoording naar de
Kamer toe komt. Dat betekent dat de
Kamer alleen achteraf kan constate-
ren, wat er is gebeurd en kan
proberen, voor het daarop volgende
jaar de zaken anders te organiseren.
Hier wordt dus ook weer dat
budgetrecht geraakt. Ook vanuit deze
invalshoek moeten wij dus heel
kritisch zijn als het gaat om het tot
stand komen van nieuwe agent-
schappen. Ik heb al gezegd dat die
kritische houding nodig is als het
gaat om de algemene aspecten van
verzelfstandigingen, maar dit is een
typisch aspect wat het agentschap
aangaat.
Als wij kijken naar wat nu
geregeld is met betrekking tot de
agentschappen, zien we dat er heel
verstandige voorstellen zijn gedaan
door mevrouw Liemburg om de
Kamer daar meer bij te betrekken. Er
zijn ook voorstellen gedaan door de
heer De Jong, die vindt dat zo’n
agentschap moet worden vastgepind
op doelmatiger werken en resultaat-
gericht sturen, wat je kunt doen door
een lasten-batenstelsel voor te
schrijven. Wij denken dat dat een
heel goed voorstel is; wij horen
graag van de minister, hoe dat op
een redelijke wijze kan worden
ingepast als het gaat om de
agentschappen die per 1 januari van
dit jaar al zijn gerealiseerd. Op welke
wijze kan dat eventueel in een
voorgeschreven lasten-batenstelsel
nog op een redelijke wijze ingepast
worden? Die beide punten vinden wij
van belang, maar er zijn andere
punten die wij evenzeer van belang
vinden, en dan gaat het met name
om het schetsen van een compleet
beeld aan de Kamer, als het kabinet
met een voorstel komt om een
agentschap in te gaan stellen. Wij
zijn van mening dat dat goede beeld
voor de Kamer kan in de vorm van
een statuut, zoals de minister dat in
de nota naar aanleiding van het
verslag heeft voorgesteld. Wij weten
niet of het woord ’’statuut’’ het
ideale woord is, maar waar het ons
om gaat, is dat wij bij de schriftelijke
aankondiging van het voornemen
een stuk krijgen, waarin alle
afwijkende beheersregels die gelden
voor het agentschap worden
opgesomd, zodat wij een compleet
inzicht krijgen in alle bijzonderheden
die dat agentschap aangaan. Wij
hebben die gedachte van dat statuut
en de nadere uitwerking die wij
daaraan hebben gegeven in de vorm
van een compleet overzicht van de
afwijkende beheersregels, vastgelegd
in de vorm van een amendement,
dat inmiddels is ingediend.
Ik wil nu nog een aantal andere
punten uit de zesde wijziging halen,
die niet specifiek betrekking hebben
op verzelfstandiging of agentschap-
pen. Het eerste punt is het punt van
de stromanconstructie, die de heer
Schutte ook heeft genoemd. Ik wil
het alleen op een wat andere wijze
benaderen. Het gaat mij vooral om
het verleden. Ik heb vanmiddag van
de heer Bolkestein gehoord dat het
hier vooral gaat om het heden en de
toekomst, maar hij is er nu toch niet,
dus ik kan het nu wel even over het
verleden hebben. Dat verleden
betreft dan een aantal situaties die
zich hebben voorgedaan, waarbij
ministeries gebruik hebben gemaakt
van de mogelijkheid om een
rechtspersoon tot stand te laten
komen, zonder dat de Staat daar
formeel bij betrokken is en zonder
dat de formele procedure via de
Tweede Kamer doorlopen is,
namelijk door een ambtenaar als
privepersoon daarvoor in te zetten.
Wij menen dat het heel belangrijk is
dat de Kamer ervan op de hoogte is
in welke en in hoeveel gevallen zich
dat heeft voorgedaan. Wij moeten
ook kunnen beoordelen of daar
risico’s aan zijn verbonden voor de
Staat. Iedereen weet namelijk dat die
ambtenaar niet voor zichzelf of zijn
familie bezig is, maar dat hij daar
vanwege zijn ambtelijke functie mee
bezig is. De rechtspersoon die tot
stand is gekomen, is dan ook een
rechtspersoon waar de Staat
nadrukkelijk verantwoordelijk voor is.
Wij willen van de minister graag een
volledig overzicht ontvangen van alle
rechtspersonen die via de stroman-
constructie tot stand zijn gekomen.
Daar hebben in onze schriftelijke
inbreng ook naar gevraagd, maar de
minister heeft het toen niet
toegezegd. Als hij dat zelf kan
opvragen bij de ministeries is dat
prima, anders zal de Rekenkamer
maar een onderzoek moeten doen op
dit punt. Wij achten het van belang
dat er een volledige beeld van de
risico’s op dat punt komt.
Het volgende losse punt met
betrekking tot de zesde wijziging,
betreft de verklaring van goedkeu-
ring, zoals die volgens artikel 67, lid
3, van de zesde wijziging gegeven
moet worden door de Algemene
Rekenkamer als het gaat om de
financie¨le verantwoording, verslag-
legging, rekening en bijkomende
stukken van het Rijk. Dat sluit aan bij
artikel 105, lid 3, van de Grondwet.
Ook daarin is ervan uitgegaan dat de
Algemene Rekenkamer altijd met een
verklaring van goedkeuring komt.
Het is een bepaling in de Grondwet
waar veel om te doen is geweest,
ook bij de vijfde wijziging van de
Comptabiliteitswet. Wij denken dat
dat terecht is geweest. De uitkomst
was echter geen terechte uitkomst.
Het Rijk schrijft op allerlei manieren
aan provincies, gemeenten,
subsidie-ontvangers en bedrijven
voor dat er onafhankelijke
accountantscontrole moet plaatsvin-
den en dat er verklaringen moeten
worden afgegeven, die vervolgens
beoordeeld zullen worden door het
Rijk. Alleen voor zichzelf heeft het
Rijk geregeld, dat er bij voorbaat een
goedkeurende verklaring van de
Rekenkamer moet komen. Ik weet
dat daar de procedure van de
indemniteitswet aan is gekoppeld.
Toch is het voor de inzichtelijkheid
van de systematiek, wat betreft de
kritische controle, die wij van
anderen vragen, niet goed als wij dit
voor onszelf anders geregeld
hebben. Wij hebben dan ook
gekeken of het mogelijk is om op
een verstandige manier tot een
wijziging te komen. Het is onmisken-
baar dat je dan vastzit aan een
grondwetswijziging. De zaak is de
vorige keer zo nadrukkelijk in de
beschouwing meegenomen, dat wij
nu niet willen vragen om op dit punt
een grondwetswijziging voor te
bereiden. Wij willen er wel voor
zorgen dat die bepaling van een
goedkeurende bepaling niet te veel
kwaad kan. Dat betekent dat wij het
tweetal voorbehouden dat in de wet
is geformuleerd, met een derde
willen aanvullen. Dat betreft het
voorbehoud dat als de Rekenkamer
constateert dat een administratief
systeem bij een ministerie fouten
vertoont, van zo’n ministerie
gevraagd mag worden om met
maatregelen te komen om die fouten
in dat systeem te corrigeren. Als dat
gebeurt is er niets aan de hand,
maar als het niet gebeurt, maakt
deze bepaling het de Rekenkamer
mogelijk om geen goedkeurende
verklaring af te geven, in afwachting
van hetgeen alsnog noodzakelijk
wordt geacht. Daartoe hebben wij
een amendement geformuleerd.
Voorzitter! Mijn fractie heeft er in
de schriftelijke inbreng op aange-
drongen om de jaarlijkse rapportage
over het financie¨le beheer dat door
de ministers in het afgelopen jaar is
gevoerd, een basis te geven in de
Comptabiliteitswet. De minister van
Financie¨n heeft een coo¨rdinerende
en toezichthoudende verantwoorde-
lijkheid op het door de ministers
gevoerde beleid met betrekking tot
het financie¨le beheer. In de afgelo-
pen jaren is daar een goede invulling
aan gegeven met betrekking tot de
operatie comptabel bestel. Er was
sprake van scheefgroei. Een en ander
is via die operatie rechtgezet. De
Kamer kreeg elk jaar voortgangs-
rapportages over het financie¨le
beheer. De minister overweegt daar
in de komende jaren mee door te
gaan. Ter voorkoming van het
opnieuw ontstaan van scheefgroei
lijkt het mij van belang als de Kamer
ieder jaar een uiteenzetting krijgt van
de minister van Financie¨n over het in
het afgelopen jaar door de ministers
gevoerde beleid met betrekking tot
het financie¨le beheer. Het lijkt ons
het beste om een en ander te
realiseren door een aanvullend stuk
op de rekening, dat voor 1 septem-
ber in handen van de Kamer moet
zijn. Wij hebben een amendement
geformuleerd, waarin staat dat voor
1 september als een van de bijlagen
bij de rekening een uiteenzetting
over het financie¨le beheer van de
minister van Financie¨n aan de Kamer
wordt gepresenteerd.
Dan kom ik bij het politieke
gewicht dat de rekening heeft voor
dit huis. Ik heb de afgelopen zestien
jaar bij verschillende overheden
meegemaakt welk gewicht de
rekening kan hebben. In de Kamer is
dat niet gelukt. De rekening en de
slotwet, het geheel van de financie¨le
verantwoordingsstukken, hebben
weinig politieke relevantie. Er zijn
wel degelijk mogelijkheden om dat
voor elkaar te krijgen. Belangrijk is
dat er politieke aandacht komt voor
die verantwoordingsstukken. Het
accent moet niet liggen op het
verzamelen van zoveel mogelijk
cijfers. Het moet liggen op heldere
politieke teksten, waarbij aangegeven
wordt waar het om gaat en die een
aanknopingspunt kunnen zijn voor
de Kamer om op de punten in te
gaan die werkelijk van belang zijn.
Een mogelijkheid om die rekening
meer politiek gewicht te geven heb ik
zojuist al aangegeven, namelijk het
in relatie tot de rekening brengen
van de jaarlijkse rapportage over het
financie¨le beheer. Vervolgens zouden
van de slotwetten hamerstukken
gemaakt kunnen worden. Die
slotwetten komen absoluut niet uit
de verf bij de behandeling. Dat is ook
niet nodig, want wij hebben met
elkaar afgesproken dat er bij die
slotwetten geen inhoudelijke
begrotingswijzigingen meer aan de
Kamer gepresenteerd worden. Het
zou ook belachelijk zijn om na afloop
van een jaar met inhoudelijke
begrotingswijzigingen te komen voor
een jaar dat al achter de rug is. Bij
die slotwetten mag het alleen maar
gaan om zaken van technische aard.
Dat maakt het niet noodzakelijk dat
die slotwetten een inhoudelijke
behandeling krijgen. Een enkele keer
kan een inhoudelijke wijziging in een
slotwet nodig zijn. In zo’n geval moet
er een toelichting op de wijziging
gegeven worden die verdere
discussie overbodig maakt. Wij
kunnen ernaar streven om de
rekeningprocedure te ontlasten van
de behandeling van de slotwetten.
De slotwetten kunnen dan omgezet
worden in stukken die de kwalificatie
hamerstuk verdienen.
Voorzitter! Over het meer politiek
gewicht geven aan de rekening leven
bij de commissie voor de Rijks-
uitgaven concrete gedachten. Ik
verwijs naar de discussie over de
kapitaaldienst en over de verbetering
van de staatsbalans en naar de
discussie over de produktinformatie.
Die punten zijn heel goed met de
commissie voor de Rijksuitgaven
door te spreken. De minister kan op
basis van die discussie een notitie
schrijven die erop is gericht de
rekening meer politiek gewicht te
geven.
Voorzitter! De produktinformatie
wordt bij de rekening en de
begroting van het Rijk nog wat
stiefmoederlijk behandeld. Wij
kennen hier en daar algemene
bepalingen met betrekking tot
produktinformatie. Zij is een
essentieel handvat voor de Kamer
om de politieke sturing inhoud te
geven. Het is van belang dat alle
onderdelen van de rijksoverheid de
produkten formuleren die zij leveren.
Ik heb het dan niet alleen over
materie¨le produkten, maar ook over
diensten. Wat door een onderdeel
van de rijksoverheid wordt gedaan,
moet nauwkeurig worden geformu-
leerd. Vervolgens moet worden
vastgelegd aan welke eisen dat produkt moet voldoen: welke
kwaliteit het produkt moet hebben, in
welke kwantiteit het geleverd moet
worden en welke effecten er met die
produkten worden beoogd. Ook
moet worden aangegeven op welke
wijze de effecten gecontroleerd
kunnen worden.
Als dat allemaal wordt vastgelegd
in de begroting en in de rekening,
kan de Kamer bij de begroting ten
aanzien van de te onderscheiden
onderdelen van de rijksoverheid
aangeven wat men verwacht en kan
bij de rekening worden gecontro-
leerd wat er is gepresteerd. In het
amendement betreffende het statuut
dat gaat gelden voor agentschappen
heb ik namens mijn fractie een
bepaling opgenomen die inhoudt dat
voor agentschappen aangescherpte
regels moeten gelden voor produkt-
informatie. Ik heb ervan afgezien om
een en ander in detail te formuleren,
want de minister kan beter een
regeling ter zake uitwerken. Het
begrip ’’produktinformatie’’ is daarin
aangebracht. Het is de bedoeling dat
er aangescherpte produktinformatie
komt, die in eerste instantie gaat
gelden voor agentschappen, maar in
latere instantie ook voor de andere
onderdelen van de rijksoverheid. Op
een of andere wijze zal in de
toekomst meer resultaatgericht
gestuurd moeten worden.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="39-2709">

 
<spreker pagina="39-2709" anker="656" partij="D66" naam="Van Walsem">

Mijnheer de voorzitter! Het is
plezierig, te kunnen constateren dat
er een grote mate van overeenstem-
ming is in de Kamer. Ik zal dan ook
trachten, niet langer te spreken dan
strikt noodzakelijk.
Voorzitter! Het streven van het
parlement om de overheid tot betere
prestaties te brengen, krijgt onder
andere gestalte in de voorgestelde
wijzigingen van de Comptabiliteits-
wet. Doel van de wijzigingen is
immers betere dienstverlening door
het instellen van agentschappen en
doelmatiger controle op het beheer.
Agentschappen krijgen meer
bevoegdheden en verantwoordelijk-
heden ten aanzien van de bedrijfs-
voering dan de beleidsdirecties.
Er kan alleen sprake zijn van het
instellen van agentschappen als er
meetbare produkten dan wel
diensten worden aangeboden
waarover vooraf duidelijke afspraken
zijn gemaakt met het moederdeparte-
ment. Hiervoor zijn objectieve criteria
nodig, te meer daar de controle
achteraf geschiedt. Het voorhanden
hebben van kengetallen is mede
voorwaarde hiervoor. Agentschappen
kunnen alleen aan de orde zijn als
externe verzelfstandiging niet
geschikt is, dus met name als de
ministerie¨le verantwoordelijkheid
sterk gewenst is. Vooraf dient
duidelijkheid te bestaan over
verbetering van de organisatie in
dier voege dat kwalitatief en
kwantitatief meetbare produkten of
diensten op doelmatiger wijze zullen worden geproduceerd. Dus: sneller,
goedkoper en beter; dat telt voor de
burger.
Het meer op afstand komen van
de minister en ook van het parle-
ment vergt extra alertheid en
waakzaamheid. Voorgaande
verzelfstandigingen – de heer Kamp
heeft een aantal voorbeelden
genoemd – hebben aangetoond dat
duidelijke afspraken over de output
blijkbaar niet zo gemakkelijk te
maken zijn. Vandaar onze zorg
hierover, neergelegd in het amende-
ment van de heer Kamp op stuk nr.
15, dat door ons is medeonderte-
kend. Het is mij bekend dat ook in
overleg met de commissie voor
Binnenlandse Zaken hiervoor
aandacht is gevraagd. Daar zou de
minister nog nader op reageren;
gezien de ontwikkeling van de
verzelfstandigde onderdelen van het
Rijk, vinden wij toch dat ook deze
minister daar maar een duidelijk
antwoord op moet geven. De heer
Kamp had reeds gevraagd om een
notitie hierover. Hoewel wij weten
dat deze discussie ook is gevoerd bij
Binnenlandse Zaken, schaar ik mij
achter het verzoek van de heer
Kamp. Weliswaar kan de minister of
de regering bij agentschappen ook
achteraf ingrijpen of bijsturen, maar
het is uiteraard beter om problemen
te voorkomen.
Het voorstel inzake het overleg
voorafgaande aan het instellen van
een agentschap bij de Algemene
Rekenkamer vind ik, vergeleken bij
het concept-voorstel, een goede
verbetering. Echter, alle goede
bedoelingen van nadere regels met
betrekking tot het instellen van een agentschap ten spijt: indien het
personeelsbeleid ongewijzigd blijft,
zal het beoogde doel van het
agentschap moeilijk te bereiken zijn.
Men kan immers niet verwachten dat
de organisatie en dus de medewer-
kers die jarenlang op een ambtelijke
wijze gewerkt hebben, van de ene op
de andere dag anders zullen werken,
misschien afgezien van de verhoging
van hun salarissen. De minister moet
zich ervan bewust zijn dat er niet
zomaar een knop omgedraaid hoeft te worden: een cultuuromslag – en
die is nodig – zal alleen bereikt
worden als het management daarop
getraind wordt en ook alle medewer-
kers begeleiding en/of training
krijgen. Alleen dan kan er in principe
sprake zijn van een succesvolle
verzelfstandiging. Gaarne hoor ik of
de minister mijn zienswijze deelt en,
zo ja, hoe hij daarin denkt te
voorzien.
Mijnheer de voorzitter! Het
samenvoegen van de personeels- en
materieelposten is voor ons akkoord,
daar wij begrepen hebben dat de
afzonderlijke volumes per begroting
en jaarrekening voor ons volgbaar
zullen blijven.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="39-2710">

 
<spreker pagina="39-2710" anker="657" soort="Minister" naam="Zalm">
 Voorzitter! Deze
zesde wijziging van de Comptabili-
teitswet is een rijdende trein waar ik
op gesprongen ben. Ik heb het geluk
dat ik vroeger ook al eens in die trein
heb gezeten, zij het op een andere
plaats, maar de trein is nu heel
anders dan op het moment waarop
ik hem verliet.
Er zijn veel opmerkingen gemaakt
over het agentschap. De heer De
Jong heeft ervoor gepleit, voor te
schrijven dat ook baten en lasten bij
het agentschap verplicht worden
gesteld. Ik zal nog een keer proberen
uit te leggen waarom in het voorstel
zoals het er lag de keuzevrijheid
open is gelaten. Er zijn verschillende
typen agentschappen. Als men op de
markt kostprijzen in rekening moet
brengen of intern aan andere
overheidsdiensten moet doorbereke-
nen, is het essentieel dat er sprake is
van een goede kostprijscalculatie. In
die gevallen ligt het voor de hand
dat baten en lasten worden
voorgeschreven. Bij andere typen
agentschappen hoeft echter geen
sprake te zijn van doorberekening.
Zo is het gevangeniswezen een
nieuw agentschap, waarvan de
kosten niet werden doorberekend. In
zo’n situatie gaat het niet zozeer om
de exacte kostprijs, maar moet wel
de eis gesteld worden dat er
meetbare produkten en diensten
worden geleverd en verleend. Het
gaat daarbij bijvoorbeeld om de
capaciteit, de capaciteitsbezetting en
het aantal ontvluchtingen. Dit soort
kengetallen proberen wij in zo’n
systeem te introduceren. Voor een
beoordeling van een transparant
beheer is het dan niet strikt nodig
om een baten-lastensysteem door te
voeren.
Ik moet erkennen dat ook een
dienst die, intern of extern, geen
prijzen doorberekent, natuurlijk ook
met een baten-lastensysteem kan
werken. Het gaat dus niet om een
soort onmogelijkheid. De gedachte
was dat er een zekere keuzevrijheid
gelaten moest worden, zodat
agentschappen waarbij het doorbere-
kenen van kosten niet rechtstreeks
speelde, iets meer vrijheid hebben
om het bestaande begrotings-
systeem te continueren en zich meer
te richten op allerlei interne
organisatorische aanpassingen en
niet zozeer op een aanpassing van
de boekhouding. Als er in de Kamer
een breed draagvlak voor is om
gewoon toch standaard baten en
lasten voor te schrijven onder het
motto ’’het kan zeker geen kwaad om
kostenbewustzijn en kostprijsdenken
te bevorderen, zelfs in het gevange-
niswezen’’ heb ik daar geen
De heer Kamp (VVD)overwegende bezwaren tegen. Ik kan
dus met het amendement leven. Wij
hebben daarover intern op het
ministerie overigens uitvoerig
gediscussieerd.
Dan komt de vraag aan de orde
hoe het zit met diensten die nu op
kas- en verplichtingenbasis werken
en wel al de agentschapstatus
hebben. Daar hebben wij er twee
van, namelijk de Immigratie- en
naturalisatiedienst en de Dienst
justitie¨le inrichtingen. Deskundigen
hebben mij verteld dat dit geen
probleem hoeft te zijn, omdat wij dit
kunnen regulariseren. Dit betekent
dat wij in een begrotingswet de
afwijking opnemen die wij ten
opzichte van de Comptabiliteitswet
toestaan. Het is uiteraard de
bedoeling dat dit slechts tijdelijk
geldt. Men zal bij de twee diensten
die ik net noemde zo mogelijk op 1
januari 1996 ook op basis van baten
en lasten moeten werken. De andere
vijf agentschappen werken al op die
manier. De overgangsproblematiek
lijkt mij niet onoverkomelijk.
Of dit de entree moet zijn voor de
grote kapitaaldienst behoeven wij nu
niet te bediscussie¨ren. Dat staat
verderop in het programma voor
deze kabinetsperiode.
Ik kom tot de nauwere betrokken-
heid van de Kamer bij het instellen
van een agentschap en de amende-
menten die op dat vlak zijn inge-
diend. Het expliciteren van wat aan
de Kamer aan informatie moet
worden verschaft, zoals nu al in de
nota van antwoord staat, dit ook
opnemen in de wet en het additio-
neel toevoegen van produktinforma-
tie in de wet, lijken mij goede zaken.
Hetzelfde geldt voor het gelijktrekken
van de termijnen en de procedure,
zoals voorgesteld door mevrouw
Liemburg ten aanzien van de
oprichting van rechtspersonen aan
de ene kant en agentschappen aan
de andere kant.
Daarmee kom ik automatisch bij
het voorstel van de heer Schutte. Hij heeft gezegd: dit zijn in mijn ogen
volstrekt verschillende zaken; aan het
oprichten van een rechtspersoon
moet je zwaardere eisen stellen dan
aan het oprichten van een agent-
schap, met name in verband met de
ministerie¨le verantwoordelijkheid;
een privatisering is iets ingrijpends.
Wat wij hebben voorgesteld is, te
vermijden dat bij de oprichting van
bijvoorbeeld stichtingen – waaraan
de overheid nogal eens meewerkt –
de procedure van wetsvoorstel, Raad
van State, etc. moet worden gevolgd,
omdat anders de tijdsduur nogal
lang is en het allemaal nogal
omslachtig gaat. De voorhang-
procedure biedt een mogelijkheid,
zeker als wij de 14-dagen-termijn
veranderen in een 30-dagen-termijn
en met inachtneming van de
formulering van artikel 29, om de
Kamer hierbij voldoende tot haar
recht te laten komen. Ik heb eens
laten nagaan wat er in de afgelopen
tien a` vijftien jaar aan rechtsperso-
nen is opgericht door de Staat. Het
zijn er een stuk of twaalf. Daarbij zijn
er, waarbij ik mij afvraag of er wel
een wet voor nodig was. Ik wijs op
de Stichting Instituut Clingendael, de
Stichting Nederlands interdisciplinair
demografisch instituut en de
Stichting State Foundation, waarvan
ik echt niet weet wat zij doet, maar
dat vast wel een mooie stichting is.
Voor de oprichting daarvan vind ik
een wetsprocedure wel erg zwaar.
Als het gaat om zaken, waarbij
bevoegdheden gaan verschuiven en
dergelijke, kom je automatisch in de
wetsformule terecht. Ik doel op meer
fundamentele zaken en geen zaak
van een of twee artikelen. Dan doen
wij het sowieso niet via een
voorhangprocedure, maar na een
wettelijke machtiging. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2711" anker="658" partij="VVD" naam="Kamp">
 Het laatste
begrijp ik niet. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2711" anker="659" soort="Minister" naam="Zalm">
 Voorzitter! Ik geef het
voorbeeld van de privatisering van
het ABP. Dat betreft de oprichting
van een rechtspersoon. In dat geval
komen wij met een uitgebreid
wetsvoorstel, omdat allerlei zaken in
de sfeer van de bevoegdheden
verdwijnen. De gedachte is dat, als
voor het oprichten van het Instituut
Clingendael de stichtingsvorm wordt
gekozen, dit via de voorhang-
procedure kan. Dat hoeft niet per se
via een wetsvoorstel. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2711" anker="660" partij="GPV" naam="Schutte">
 De idee
achter mijn amendement is dat de
Kamer dit mede moet kunnen
beoordelen omdat he`t kenmerkende
punt is dat hiermee een zaak, die tot
nu toe onder de ministerie¨le
verantwoordelijkheid valt, niet meer
onder die verantwoordelijkheid valt.
Als het om een eenvoudige zaak gaat
– in een beperkt aantal gevallen komt
dat voor – zal ongetwijfeld de Kamer
niet veel tijd nodig hebben om de
procedure af te ronden. Bovendien,
als een en ander spoedeisend is,
biedt de wet de mogelijkheid om
toch nog de weg van de voorhang-
procedure te volgen. Naar mijn
gevoelen zijn er geen echt inhoude-
lijke argumenten waarom dit toch
vrij principie¨le punt zou moeten
worden gepasseerd. Laat de Kamer
ze`lf beoordelen of de zaak belangrijk
is of niet. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2711" anker="661" soort="Minister" naam="Zalm">
 Die mogelijkheid
heeft de Kamer altijd omdat de
voorhangprocedure, zeker in de
verruimde opvatting zoals voorge-
steld door mevrouw Liemburg, de
gelegenheid biedt om de regering ter
verantwoording te roepen. Zodra de
Kamer de regering om nadere
informatie vraagt, wordt er niets
opgericht voordat het groene licht
van de Kamer is verkregen. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2711" anker="662" partij="GPV" naam="Schutte">
 Voorzitter!
Als de minister bij mij aankomt met
de ’’gelijkwaardigheid’’ van
mogelijkheden, verbonden aan de
voorhangprocedure, zal iedereen die
mij een poosje kent, weten dat ik dat
geen goed argument vind. Immers,
deze procedure is in feite een
noodmaatregel die niet moet worden
toegepast tenzij er geen andere
mogelijkheden zijn of de zaak zo
onbelangrijk is dat het weinig
uitmaakt. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2711" anker="663" soort="Minister" naam="Zalm">
 Voorzitter! De Staat
heeft ook meegewerkt aan de
oprichting van de Stichting Groen
Label; ik noem maar eens wat. Moet
daarvoor nu een wetsvoorstel
worden gemaakt? Moet dat gebeuren
voor een Stichting Clingendael? Het
zijn vrij lichte vormen en men heeft
de mogelijkheid willen openhouden
om, als het niet spoedeisend is, voor
dergelijke gevallen te volstaan met
een voorhangprocedure. Als het
zwaardere, meer principie¨le zaken
betreft, moet er sprake zijn van een
wetsvoorstel, behoudens spoedei-
sende gevallen. Als de voor de lichte
gevallen voorgestelde werkwijze niet
wordt gevolgd, moet er voor e`lke
zaak een wetsvoorstel worden
gemaakt. Overigens valt spoed-
eisendheid niet automatisch samen
met ’’licht’’. Het door mij zojuist
genoemde lijstje van twaalf gevallen
is geen complete lijst; het gaat om
voorbeelden van gevallen waarvoor
de voorhangprocedure onzes inziens
vrij ideaal is. Wij vinden het prettig
om die mogelijkheid te handhaven. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2711" anker="664" partij="GPV" naam="Schutte">
 Blijft over
dat wij pas in 1988 om principie¨le
redenen hebben gekozen voor
goedkeuring bij wet. Een betrekkelijk
gering aantal jaren later zeggen wij
dat het niet altijd zo hoeft. Waarom
gebeurt dit? Eigenlijk is he`t argument
van de minister dat er stroman-
constructies zijn geweest omdat er
collega’s waren die zeer weinig
begrip hadden voor de strekking van
de wet. Voorzitter! Dit maakt mij
extra argwanend om terug te komen
op een besluit dat wij om principie¨le
redenen hebben genomen. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2712" anker="665" soort="Minister" naam="Zalm">
 Het is voor mij geen
halszaak. Als de Kamer per se alles
bij wet wil hebben, kan de Kamer
alles bij wet krijgen. Het is op grond
van pragmatische overwegingen dat
de mogelijkheid van de voorhang-
procedure voor lichtere gevallen
wordt voorgesteld.
Mevrouw Liemburg vraagt of wij
in het voorjaar van gedachten
kunnen wisselen over de structuur
van de financie¨le verantwoording en
de documenten. Ik ben daartoe graag
bereid. Met de suggesties inzake het
agentschap, gedaan door mevrouw
Liemburg, heb ik al ingestemd. Ook
het synchroniseren van de
rechtspersoonoprichting in de tekst
van de artikelen lijkt mij een
verbetering.
De heer Schutte moet ik zeggen
dat de stromanconstructies vaak
lastig te achterhalen zijn. De heer
Kamp vraagt mij om een lijst van alle
stromanconstructies. Vaak gaat het
om het grijze gebied, bijvoorbeeld
als het departement in overleg is met
een instelling over het verlenen van
subsidie, waarbij het departement
aangeeft dat het ervan uitgaat dat
die instelling een stichting opricht.
Welnu, heeft de overheid dan die
stichting doen oprichten of kan het
toch als een spontane actie gezien
worden? Ik denk dat het buitenge-
woon lastig is om dergelijke
stromankwesties te achterhalen.
Vooral als er nog een heel wetsvoor-
stel nodig is, is men al snel geneigd
om de betrokken instelling te vragen,
even een stichting op te richten om
die wettelijke procedure te kunnen
vermijden en zo tijd te besparen. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2712" anker="666" partij="VVD" naam="Kamp">
 Voorzitter!
Toch was het kabinet niet zo blij met
die stromanconstructies, want het
stelt nu voor om er een andere
regeling voor te treffen. En aan de
hand van voorbeelden kun je je ook
wel voorstellen dat er het een en
ander mis kan gaan. De minister
noemde zelf al de Stichting Groen
Label. Stel dat de rijksoverheid
aangeeft dat zij het heel belangrijk
vindt dat de boeren investeren in
hun stallen om ervoor te zorgen dat
de ammoniakuitstoot verminderd
wordt. Als de boeren ervoor zorgen
dat zij in aanmerking komen voor
een groen label, dan kunnen zij
ervan op aan dat zij in de komende
jaren niet te maken krijgen met
volumebeperkingen, zodat zij gerust
kunnen investeren. Welnu, de boeren
doen dit, maar na een paar jaar blijkt
dat zij ondanks het groene label van
de stichting met maatregelen te
maken krijgen waardoor zij hun
investeringen niet kunnen terugver-
dienen. Die stichting wordt daar dan
mogelijk op aangesproken; de
overheid krijgt daar dan als
mede-oprichter mee te maken,
zonder dat de Kamer er op de een of
andere wijze formeel bij betrokken is
geweest. De Kamer heeft dit nooit
gewild, maar men heeft de wet
ontweken. Ik vind dan ook dat de
Kamer er nu, achteraf, recht op heeft,
te weten wat er is gebeurd en wat de
risico’s zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2712" anker="667" soort="Minister" naam="Zalm">
 Voorzitter! Ik zal
proberen om te achterhalen wat
mogelijk is.
De heren Schutte en Kamp hebben
nog gesproken over externe
verzelfstandiging. Er is gevraagd om
een notitie over de criteria en de
procedure in dit verband. Binnenkort
zal ik met de minister van Binnen-
landse Zaken het rapport-Sint aan de
Kamer aanbieden, waarin vrij
uitvoerig ’’denkstappen’’ voor allerlei
vormen van verzelfstandiging
worden geschetst. Er is nog geen
integraal regeringsstandpunt over dit
rapport, maar wij zullen in ieder
geval wel de criteria uit dit rapport
gaan hanteren bij de toetsing van
verzelfstandigingsoperaties. Daarbij
zal een commissie met twee mensen
van Financie¨n en twee van Binnen-
landse Zaken toezicht houden op een
goed verloop van de procedures. Zij
zal ook departementen behulpzaam
zijn bij het nadenken over verzelf-
standiging van bepaalde onderdelen.
Zo ontstaat de uniforme procedure
die gewenst wordt geacht, evenals
duidelijkheid omtrent de criteria voor
interne of externe verzelfstandiging.
Daarbij komen ook aspecten als
concurrentie en de ministerie¨le
verantwoordelijkheid aan de orde.
Ik weet niet of dit stuk al een
afdoende antwoord biedt op de
vragen van vooral de heer Kamp. Als
dit niet zo is, kunnen wij er nog wel
een aanvullende notitie over
schrijven. En misschien is het hoe
dan ook wel goed om in relatie met
het rapport te schetsen, hoe wij de
criteria bij verzelfstandiging zullen
gaan hanteren.
De heer Kamp heeft ook nog
gesproken over wat er in de
afgelopen tijd al aan verzelfstandi-
ging is gedaan. Ik moet zeggen dat
alle voorbeelden waarover hij zich
kritisch uitgelaten heeft, in ieder
geval van voor mijn tijd zijn, zoals de
Staatsloterij, de Luchtverkeersleiding,
het Loodswezen etc. Het is nu
allereerst belangrijk om voor de
toekomst goede spelregels, goede
criteria te hanteren. Het zal een stuk
lastiger zijn om alles wat al vorm
heeft gekregen, binnen de perken te
brengen, dus ik denk dat het goed is
om onze aandacht nu te richten op
de criteria voor nieuwe verzelfstandi-
gingen, wat mij betreft ook in de
sfeer van de soberheid.
Wat het budgetrecht van de Kamer
betreft, biedt de samenvoeging van
de begrotingsartikelen ’’personeel’’
en ’’materieel’’ inderdaad het
management wat meer beleids-
vrijheid. De heer Kamp vreest dat er
personeel wordt geworven met
middelen uit ’’materieel’’. Dit is in
het verleden op een verkeerde
manier gebeurd. Daar toen het
personeelsartikel ook in aantallen
afgegrensd was, ging men op een
dure wijze via het materieelbudget
derden inhuren die men liever in
vaste dienst had. Mijns inziens is de
doelmatigheid gediend bij het
samenvoegen van deze artikelen. Dit
is ook door niemand ontkend.
Uiteindelijk worden ’’personeel’’ en
’’materieel’’ ook zo goed mogelijk
apart verantwoord.
Over enkele jaren zijn wij zeker toe
aan een evaluatie van de agent-
schappen. Dan hebben wij daarmee
ook wat ervaring opgedaan. Tevens
kan bekeken worden of het wat mij
betreft in het vervolg voorgeschre-
ven baten- en lastensysteem lekker
loopt, of er ook doelmatigheidswinst
geboekt wordt en of er gewenste dan
wel minder gewenste verschijnselen
zijn.
Het enige amendement waar ik
een probleem mee heb, gaat over de
goedkeuringsverklaring. Dat wil dat
aan de criteria voor goedkeuring
wordt toegevoegd de aankondiging
van maatregelen tot verbetering van
geconstateerde tekortkomingen in
het administratieve systeem. Op zich
ben ik er natuurlijk voor dat, als de
Rekenkamer bepaalde gebreken
constateert in het administratieve
systeem, die verholpen moeten
worden.
Maar gesteld dat de Rekenkamer
tot de conclusie komt dat er iets mis
is en dat zij alleen maar een
goedkeurende verklaring geeft, als
de minister aangeeft dat hij hetgeen
er mis is in de toekomst verhelpt,
dan is de vraag of de Rekenkamer al
dan niet goedkeurt. Wanneer kan er
dus geconstateerd worden of er is
voldaan aan de via het amendement
toegevoegde voorwaarde in lid b?
De gang van zaken bij de
indemniteitswet is helder. De Rekenkamer zegt: dit deugt niet en
wij keuren dit af; de Tweede Kamer
kan het uiteindelijk toch goedkeuren.
Het stellen als voorwaarde voor
goedkeuring dat de minister verklaart
dat hij van plan is om er iets aan te
doen, is niet objectief. Met het eisen
van een dergelijke verklaring schiet
je niet zoveel op. In het amendement
wordt zelfs gesproken over het
aankondigen van maatregelen.
Gesteld dat de minister dergelijke
maatregelen aankondigt en het
vervolgens niet doet, is de rekening
dan goedgekeurd of niet? Dit brengt
dus een zekere vaagheid met zich. Ik
meen dat de Rekenkamer nu al
voldoende mogelijkheden heeft,
mede op grond van artikel 56, derde
lid, om, als zij iets goedkeurt en toch
nog zaken veranderd wil hebben,
daar opmerkingen over te maken.
Het is vervolgens aan de minister om
die zaak in orde te krijgen. De Kamer
kan daarover ook nadere vragen
stellen aan de minister. Het lijkt mij
dus moeilijk om dit te introduceren
in de goedkeuringsverklaring. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2713" anker="668" partij="VVD" naam="Kamp">
 Het is niet
nodig om je achter de brede rug van
anderen te verschuilen, maar over de
bij voorbaat goedkeurende verklarin-
gen is heel veel gepubliceerd. Zo is
ter gelegenheid van het 175-jarig
bestaan van de Rekenkamer een
bundel gepubliceerd met daarin ook
een bijdrage van de oud-president de
heer Kordes. Daarin schrijft hij dat dit
onderdeel zo geregeld moet worden
als ik in mijn amendement heb
voorgesteld. De rijksoverheid heeft
dus niet 100% zekerheid over ieder
onderdeeltje van de financie¨le
verantwoording, maar zij vertrouwt
erop dat het systeem goed werkt. Dit
is heel belangrijk. Zodra er fouten in
het administratieve systeem
geconstateerd worden, moet men
erop kunnen vertrouwen dat die
fouten er zo gauw mogelijk
uitgehaald worden. Het kan dan een
of twee jaar duren voordat het
gewenste resultaat bereikt wordt,
maar het is heel essentieel dat zodra
de Rekenkamer een fout constateert
in het administratieve systeem, de
minister aangeeft op welke manier
en op welk tijdstip de zaak geregeld
is. Dit is heel essentieel en vergelijk-
baar met de indemniteitswet, alsook
met de inhoud van de slotwetten.
Door het amendement wordt dit een
mooi geheel. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2713" anker="669" soort="Minister" naam="Zalm">
 Over de materie zijn
wij het niet oneens. Als er gebreken
worden aangetroffen in de admini-
stratie, moeten die verholpen
worden. Daarover zijn wij het eens.
Wij zijn het misschien ook eens over
hetgeen Kordes indertijd heeft
gezegd, maar wat vervolgens door
de Rekenkamer niet is bevestigd,
namelijk dat die goedkeuring iets
anders had kunnen zijn. Maar goed,
de Grondwet is de Grondwet en daar
leven wij mee. Indertijd is gepoogd
om de Grondwet op dit punt te
herzien, maar de Raad van State en
de Algemene Rekenkamer wilden die
goedkeuringssystematiek in de
Grondwet houden.
Het huidige artikel kent twee
voorwaarden. De Kamer moet een
slotwet aannemen. Dat ligt voor de
hand, anders kan de Rekenkamer het
niet goedkeuren. Wat de Rekenkamer
heeft afgekeurd, op onderdelen,
wordt alsnog door de Kamer via de
indemniteitswet hersteld. Dat zijn
dus heel technische voorwaarden.
Als daaraan is voldaan, kan de
rekening worden goedgekeurd. Het
introduceren van een soort van
subjectieve wilsverklaring van een
minister in zo’n goedkeurings-
procedure lijkt mij heel moeilijk. Los
daarvan ben ik het materieel met de
heer Kamp eens. Het is echter de
vraag of een materieel aspect moet
worden geı¨ntroduceerd in de
grondwettelijk vereiste goedkeuring,
die min of meer formeel van aard is
in de zin dat de Kamer een slotwet
respectievelijk indemniteitswet moet
hebben goedgekeurd, waarmee de
totale rekening is goedgekeurd. Het
is de vraag of dat moet worden
geı¨ntroduceerd, in de zin dat er ook
aangekondigde maatregelen moeten
zijn ter verbetering van geconsta-
teerde tekortkomingen. Als er
tekortkomingen worden geconsta-
teerd, is de minister gehouden om
die te verhelpen. Ik zou dat niet in
deze goedkeuringsprocedure voor de
rekeningen willen introduceren. Dat
lijkt mij het verkeerde entreepunt
voor de Comptabiliteitswet. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2713" anker="670" partij="CDA" naam="De Jong">
 Ik herinner
mij dat bij de vijfde wijziging van de
Comptabiliteitswet een nogal
indringende discussie is gevoerd
over de indemniteitswet. De heer
Kamp overvalt mij nu enigszins met
zijn amendement, omdat hij daarmee
die hele discussie weer aanzwengelt.
Ik zou het op prijs stellen om voor
zo’n wijziging het advies van de
Raad van State en de Algemene
Rekenkamer te vernemen. Collega
Liemburg heeft al gezegd dat er
misschien nog een achtste tot een
tiende wijziging van de Comptabili-
teitswet komt. Aangezien ik de
voorgestelde wijziging dieper op mij
zou willen laten inwerken en zou
willen laten voorzien door adviezen
van de genoemde instanties, is het
misschien goed om dit punt aan te
houden tot een volgende wijziging. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2713" anker="671" soort="Minister" naam="Zalm">
 Tenzij ik de heer
Kamp ervan kan overtuigen dat dit
niet het goede amendement is.
Anders zouden wij dat misschien
moeten doen. Ook de Algemene
Rekenkamer moet hiermee werken
en moet dus haar oordeel geven of
dit in haar ogen een werkbare optie
is. Op ambtelijk niveau is hierover
contact geweest. Ik meen dat men
het daar ook als een problematisch
punt zag in de gehele systematiek.
Nu is er de kwestie hoe en op
welke plaats je zaken in een wet
formuleert en de kwestie wat de heer
Kamp ermee beoogt te bereiken. Hij
poogt ermee te bereiken – daarmee
ben ik het eens – dat de commenta-
ren van de Rekenkamer op gebreken
in de administratie serieus worden
genomen en dat de minister
gehouden is die te verhelpen. Ook in
een ander amendement is erin
voorzien om dit goed voor ogen te
houden, in de zin dat bij wet wordt
vastgelegd dat de minister van
Financie¨n voortaan jaarlijks moet
rapporteren. Er zijn dus ook andere
mogelijkheden om dit doel te
bereiken dan door het vastleggen
van dit punt in dit artikel. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2713" anker="672" partij="VVD" naam="Kamp">
 Overeind blijft
dat de rijksoverheid van veel
instanties dingen vraagt. Van hen
moet niet alleen het systeem goed
zijn, maar ook de uitkomst. Als dit
niet via een accountantsverklaring is
aangetoond, is de zaak voor ons niet
acceptabel. Voor het Rijk accepteren
wij dat er behalve uitkomstfouten
ook fouten in het systeem zitten. In
de Grondwet en in een wet ligt bij
voorbaat vast dat er een goedkeu-
rende verklaring moet komen. Er is
zo’n discrepantie tussen de regels
voor onszelf en de regels voor
anderen, dat het toch goed is om dat
af te zwakken. En dat is de bedoeling
van het amendement. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2714" anker="673" soort="Minister" naam="Zalm">
 Er staat niet in de
Grondwet dat de Rekenkamer maar
raak moet goedkeuren. Als de
Rekenkamer heeft gezegd dat iets
niet door de beugel kan, moet de
betrokken minister de Kamer ervan
weten te overtuigen dat ondanks dit
oordeel van de Rekenkamer toch een
indemniteitswet moet worden
aangenomen. Dat is geen gemakke-
lijke procedure. Dan zal die minister
zich hier in de Kamer moeten
verantwoorden voor zo’n indemni-
teitswet. Als de Kamer vervolgens
daarmee akkoord is gegaan, gaat het
plaatje weer kloppen. Want dan zijn
de slotwetten door de Algemene
Rekenkamer geaccordeerd, niet
acceptabel verklaarde onderdelen
van de begroting zijn niettemin toch
door de Kamer geaccepteerd. Dan
klopt het totaal en dan kan de
Algemene Rekenkamer de rekening
goedkeuren. Dat is het methodiekje
dat erachter zit en waar wel degelijk
een behoorlijke inbreng van de
Kamer bij is. En waarbij wel degelijk
een zware verantwoording van de
minister geldt die met een indemni-
teitswet komt aanzetten. Zo zie ik het
tenminste.
Daarnaast kan iedere minister
worden aangesproken op gebreken
in het systeem. En de minister van
Financie¨n kan in zijn coo¨rdinerende
rol worden aangesproken als
departementen in gebreke blijven. Hij
kan er dan achteraan zitten dat het
systeem correct wordt toegepast.
Gelukkig is er in de afgelopen jaren
veel vooruitgang geboekt, denk aan
de goedkeurende accountants-
verklaring. Ik denk dat wij op die weg
moeten voortgaan. Zoals gezegd heb
ik met de geest van het amendement
geen probleem. Maar ik denk wel dat
dit nu net de verkeerde entree is om
dit doel te bereiken. In technisch
opzicht lijkt het mij een betere
versterking een jaarlijkse rapportage
inzake het financieel beheer en de
resultaten van de accountants-
controle aan de Kamer voor te
leggen.
Wij hebben het al gehad over de
produktinformatie. Het andere
amendement, het amendement over
de informatie die de Kamer moet
krijgen voordat het agentschap wordt
ingesteld, lijkt mij uitstekend. Daar
heb ik dus geen problemen mee.
De vragen van de heer Van
Walsem heb ik goeddeels al
behandeld. Meetbare produkten en
diensten zijn eisen die wij aan de
agentschappen stellen. Ik heb de
Kamer een notitie toegezegd over de
criteria voor een verzelfstandiging.
Ik denk dat het personeelsbeleid
bij een verzelfstandiging een
belangrijke rol speelt. Het hangt er
een klein beetje vanaf of het
ambtelijk werken echt zo ingesleten
is. Ik stel mij zo voor dat er als het
CPB verzelfstandigd zou worden, niet
zo gek veel veranderd behoeft te
worden. Maar voor andere diensten
kan dat misschien anders liggen. Los
van allerlei juridische en wettelijke
zaken is het vaak heel belangrijk dat
er ergens een cultuuromslag wordt
bewerkstelligd. Maar als er iets is dat
moeilijk bij wet kan worden
geregeld, dan is het dat wel, zeker in
de Comptabiliteitswet. Dat is toch
vooral de verantwoordelijkheid van
het management.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="39-2714">

 
<spreker pagina="39-2714" anker="674" partij="PvdA" naam="Liemburg">

Mijnheer de voorzitter! Ik heb de
minister gevraagd of zijn voorkeur
uitgaat naar een opeenstapeling van
wijzigingen of naar een totale
herziening van de Comptabiliteitswet
op een gegeven moment, zodat wij
opnieuw kunnen beginnen. Ik hoor
nog graag zijn standpunt daarover.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="39-2714">

 
<spreker pagina="39-2714" anker="675" partij="GPV" naam="Schutte">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik dank de minister voor
zijn beantwoording. Ik vind het
plezierig te horen dat wij binnenkort
het rapport-Sint mogen verwachten,
dat al eerder was aangekondigd. Ik
denk dat wij dan een heel fundamen-
tele discussie kunnen voeren over de
zaken die nu wat meer zijdelings aan
de orde zijn.
In reactie op mijn amendement
heeft de minister gezegd dat er in
een reeks van jaren een stuk of
twaalf gevallen zijn geweest waarbij
het plezierig geweest was als ze via
een AMvB tot een oplossing hadden
kunnen komen. Ik geef toe dat het
geen enorm aantal is, het gaat dus
niet om numeriek geweldig
ingrijpende problemen. Toch wil ik
vasthouden aan het principie¨le punt.
Wij gaan ervan uit dat bij externe
Mevrouw Liemburg (PvdA)verzelfstandiging de wetgever
daarover altijd een beslissing zal
moeten nemen, vanwege de
verandering in ministerie¨le verant-
woordelijkheid die plaatsvindt als er
extern verzelfstandigd wordt. Nu
wordt er niet extern verzelfstandigd,
nu wordt er zelfs geprivatiseerd,
misschien de ene keer een belangrijk
onderwerp en de andere keer een
minder belangrijk onderwerp. Maar
goed, je haalt het buiten de
overheidssfeer, terwijl de overheid
zelf wel betrokken is bij die
privatisering. Is het dan niet volstrekt
logisch dat je ten minste dezelfde eis
stelt aan de totstandkoming als bij
verzelfstandiging het geval is en dus
de wetgever daarin een beslissende
stem geeft? Nogmaals, de bekende
uitzonderingen van spoedeisende
gevallen zijn prima. Als het een heel
simpele zaak is en iedereen ervan
overtuigd is, zal het ook geen jaren
kosten. De praktijk zal zich ongetwij-
feld ermee weten te redden. Het gaat mij primair hierom: als wij enigszins
kunnen vasthouden aan principieel
juiste zaken in het kader van de
verantwoordelijkheid van de
wetgever, laten wij dat dan doen en
er op een praktische wijze mee
omgaan.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="39-2715">

 
<spreker pagina="39-2715" anker="676" partij="VVD" naam="Kamp">
 Voorzitter! Ik
moet constateren dat er door de
andere woordvoerders geen inbreng
is geleverd op het punt van de
stromanconstructies. Dat betekent
dat hetgeen ik naar voren heb
gebracht redelijk is beantwoord met
de reactie die het gekregen heeft. De
minister heeft gezegd dat hij naar
vermogen een overzicht zal opstellen
van alle gevallen waarin een
stromanconstructie is gebruikt. Wij
kunnen dan aan de hand van dat
overzicht proberen de risico’s voor
het Rijk in te schatten. Ik zal daar
genoegen mee nemen.
Wat de aankondiging van de
minister betreft over het rapport-Sint,
kan hij mij misschien op een punt uit
de droom helpen. Het betreft de
vraag of er in dat rapport nog
wijzigingen mogelijk zijn dan wel of
het een afgerond stuk betreft.
Gesteld dat het geen afgerond stuk
betreft, dan is het mogelijk dat, zoals
de minister heeft gezegd, wij dit stuk
binnenkort krijgen en aan de hand
daarvan onze inbreng leveren.
Gesteld dat het wel een afgerond
stuk is waar de minister niets meer
aan kan doen. Op dit moment
worden wij met veel feiten rond
verzelfstandigingen geconfronteerd.
De minister kan wel zeggen dat alles
uit het verleden komt, maar hij heeft
toch ook onlangs een rapport van de
Rekenkamer gezien waarin over het
CAOP nogal interessante dingen zijn
vermeld. Het CAOP wordt in zijn tijd
een agentschap. Hij zal dat rapport
van de Rekenkamer ook met de
Kamer moeten behandelen. Deze
zaak speelt nog steeds. Ook de
Rekenkamer is weer bezig met een
onderzoek in de sfeer van verzelf-
standigingen. Ik meen dan ook dat
het heel goed is dat wij onze
uitgangspunten aangeven voor het
werken aan verzelfstandigingen door
het kabinet. Ik stel dan ook de
volgende motie voor.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
van oordeel, dat het wenselijk is te
streven naar het meer resultaat-
gericht sturen van de te onderschei-
den onderdelen van de departemen-
ten;
voorts van oordeel, dat het wenselijk
is daarbij naast zelfbeheer en
contractmanagement ook de
mogelijkheden om over te gaan tot
interne en externe verzelfstandiging
te betrekken;
constaterende, dat echter tot nu toe
bij het komen tot besluiten over
verzelfstandigingen niet steeds
dezelfde procedure en inhoudelijke
criteria zijn aangehouden;
voorts constaterende, dat uit recente
rekenkameronderzoeken naar voren
kwam dat bij een aantal verzelfstan-
digingen onvoldoende soberheid is
betracht en dat zich ook andere
ongewenste effecten hebben
voorgedaan;
overwegende, dat uit de opgedane
ervaringen lering getrokken kan
worden;
van oordeel, dat verzelfstandigings-
voorstellen binnen de rijksdienst
volgens een vaste procedure getoetst
moeten worden aan vaste inhoude-
lijke criteria gericht op soberheid en
het voorkomen van ongewenste
effecten;
verzoekt de regering de Kamer in
een notitie te informeren over de
aanpak die het kabinet vanaf nu wil
volgen om te komen tot besluiten
over verzelfstandigingen,
en gaat over tot de orde van de dag. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2715" anker="677" naam="De voorzitter">
 Deze motie is
voorgesteld door de leden H.G.J.
Kamp, Liemburg en Van Walsem.
Naar mij blijkt, wordt zij voldoende
ondersteund.
Zij krijgt nr. 19 (23796). 

</spreker>
<spreker pagina="39-2715" anker="678" partij="GPV" naam="Schutte">
 Voorzitter!
Mag ik, ook gehoord hebbende wat
de minister nu gezegd heeft over de
inhoud van de notitie-Sint en
uiteraard het regeringsstandpunt
daarop, de heer Kamp vragen of hier
iets anders, iets meer gevraagd
wordt dan hij heeft kunnen horen uit
de mond van de minister over de
inhoud van de notitie? Ik kreeg de
indruk dat het praktisch parallel liep. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2715" anker="679" partij="VVD" naam="Kamp">
 Het is mijn
intentie, met de motie aan te geven
dat de zaken vanaf het begin heel
gestructureerd aangepakt moeten
worden. Ik wil niet aangeven wat
mevrouw Sint, de minister van
Binnenlandse Zaken en de minister
van Financie¨n in een breder verband
als belangrijk zien, maar wat wij als
Kamer als belangrijk zien. Dat is dat
er slechts een procedure wordt
gevolgd, dat het een van tevoren
vaststaande procedure is en dat de
uitkomsten alleen verschillend
kunnen zijn afhankelijk van omstan-
digheden en niet afhankelijk van de
procedure waarvoor gekozen is.
Bovendien moeten bij het volgen van
die procedure steeds vaste inhoude-
lijke toetsingscriteria worden
gehanteerd die heel specifiek de
soberheid in beeld brengen. Naast
hetgeen de minister heeft gezegd, is
het van belang dat wij als Kamer
aangeven welke vaste lijn wij
gevolgd willen zien. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2715" anker="680" partij="GPV" naam="Schutte">
 Dat zijn veel
woorden, maar de motie eindigt in
een verzoek aan de minister. De
Kamer moet in een notitie worden
geı¨nformeerd over de aanpak die het
kabinet wil volgen om te komen tot
besluiten over verzelfstandiging. De
minister heeft zojuist gezegd dat de
Kamer binnenkort een notitie-Sint zal
ontvangen die dat beoogt weer te
geven. Of het voldoende is, zal
blijken als wij de notitie bespreken. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2716" anker="681" partij="VVD" naam="Kamp">
 De mededeling
van de minister bracht geen nieuws.
Het was bekend dat de minister van
Binnenlandse Zaken deze notitie
heeft toegezegd. Het gaat ons om
het aangeven van de lijn die de
Kamer belangrijk vindt. Het kabinet
wordt gevraagd, deze lijn in een
notitie vast te leggen. De motie is
dus een poging om in de notitie te
sturen. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2716" anker="682" partij="GPV" naam="Schutte">
 Dan stel ik
nog een vraag, die de minister straks
wellicht kan beantwoorden. Leest hij
in deze motie iets wat aanleiding kan
geven om te komen tot een
andersoortige notitie dan al is
toegezegd? 

</spreker>
<spreker pagina="39-2716" anker="683" partij="D66" naam="Van Walsem">
 Ik vraag
mij af of ik de heer Kamp goed
begrijp. Als het een afgeronde notitie
is, heeft hij zeker behoefte aan zijn
motie, om de eigen regels nog eens
vast te leggen. Als het geen
afgeronde notitie is, kan er aanlei-
ding zijn om er verder in de Kamer
over te debatteren. In dat geval heeft
de heer Kamp minder behoefte aan
de motie. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2716" anker="684" partij="VVD" naam="Kamp">
 Zo is het
precies. Als de minister de gelegen-
heid heeft om deze lijn in de notitie
in te brengen, is er een andere
situatie.
Mijn laatste punt is de bij voorbaat
goedkeurende verklaring van de
Rekenkamer inzake de financie¨le
verantwoording van het Rijk. De
minister zegt dat ik de verkeerde
entree heb gekozen. De stukken
kennende zal de minister weten dat
dit probleem algemeen erkend
wordt. Al vanaf 1990 is men bezig
om een entree te vinden. Iedere keer
komt men tot de conclusie dat de
perfecte entree niet gevonden is. Ik
denk dat deze ook niet te vinden is,
omdat het stelsel van goedkeurende
verklaringen in beginsel verkeerd is.
Je bent altijd enigszins in de marge
bezig als je dit vervolgens via een
wet gaat proberen te verzachten.
Mijn entree is naar mijn mening
redelijk. De goedkeurende verklaring
moet niet al te veel beschadiging
aanrichten. Wij nuanceren haar
enigszins. De twee formele voorbe-
houden vullen wij aan met een
derde, materieel, voorbehoud.
Daarmee trekken wij de zaak wat
meer recht. De inbreng van de
andere fracties aanhorend, lijkt het
mij niet verstandig om mij te
verzetten tegen de opmerkingen van
de heer De Jong. Het oordeel over
dit punt moet van de Raad van State
en de Rekenkamer worden gevraagd.
Vervolgens kunnen wij bezien wat
wij daarmee gaan doen. Er zal nog
wel een zevende wijziging komen. In
dat verband kan dit punt worden
meegenomen. Het lijkt mij heel
zinvol om het nu te doen, maar als
het niet anders kan, dan moet het
volgens de methode die de heer De
Jong heeft voorgesteld.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="39-2716">

 
<spreker pagina="39-2716" anker="685" partij="D66" naam="Van Walsem">

Voorzitter! Ik ga nog even in op die
goedkeurende verklaring. Materieel
zijn wij het met elkaar eens. De angst
is dat wij in een vacuu¨m terechtko-
men, afhankelijk van de hardheid van
de toezegging. Als wij niet meer
weten waar wij aan toe zijn, is het
middel erger dan de kwaal.
Het tweede punt is dat de minister
over het amendement van de heer Schutte heeft gezegd: in de
afgelopen jaren zijn tien tot twaalf
stichtingen opgericht, waarbij het
veel te omslachtig was om dat via de
wet te laten verlopen. Maar bij
grotere instellingsbesluiten zal die
weg wel gevolgd worden. Kan de
minister aangeven, wanneer die weg
wel en wanneer niet wordt gevolgd?
</spreker>
</blok>
<blok pagina="39-2716">

 
<spreker pagina="39-2716" anker="686" soort="Minister" naam="Zalm">
 Voorzitter! Ik was
inderdaad vergeten, in te gaan op
het grote concept van een nieuwe
Comptabiliteitswet en de vraag of er
nog een zevende, een achtste en een
negende wijziging komen. In de loop
der jaren lopen we tegen dingen aan
waarvan wij vinden dat daarin iets
veranderd of verbeterd moet
worden, iets wat wij met een
wetswijziging proberen te bereiken.
Als je een grote revisie van de
Comptabiliteitswet wilt, moet je dus
ook een diepgewortelde onvrede
hebben. Wij hebben zo’n grote
revisie in 1976 gehad, terwijl de
laatste echte wet dateerde van 1927.
We hebben het oude fraimwork dus
zo’n 50 jaar laten liggen, met hier en
daar wat wetswijzigingen. Voor een
echt grote revisie zie ik op dit
moment geen aanleiding. Ik denk dat
het ook geen schande is om, als
maatschappelijke, technologische en
andersoortige politieke omstandighe-
den zich wijzigen, hier en daar
bijstellingen aan te brengen. Ik denk
aan de agentschappen die wij nu
hebben. Als we een andere
verantwoordingsprocedure willen
hebben, heb ik er geen bezwaar
tegen om dat via een aparte
wetswijziging te doen. Ik heb geen
ideee¨n over een fundamentele
wijziging van de wet – daar praat je
over als je het hebt over een totale
revisie – en ik denk dat wij met de
wet zoals we die nu bijgesteld
hebben, behoorlijk uit de voeten
kunnen. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2716" anker="687" partij="PvdA" naam="Liemburg">
 Ik kan
mij bij die redenering wel wat
voorstellen, maar de wijzigingen
stapelen zich wel in een heel hoog
tempo op. We zijn nu met de zesde
wijziging bezig, en in feite heeft de
zevende zich al aangediend. Ik snap
wel dat we dat probleem niet
oplossen door de zaak totaal te
herzien, want de maatschappij blijft
zich natuurlijk ontwikkelen. Maar je
komt toch een keer voor de vraag te
staan of we op deze manier op de
goede weg zijn. Het blijft natuurlijk
een vreemd gezicht als je op een
gegeven moment met de zoveelste
wijziging wordt geconfronteerd. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2716" anker="688" soort="Minister" naam="Zalm">
 Misschien moeten we
de nummering achterwege gaan
laten! Dan heb je gewoon een
wijzigingsvoorstel van de Comptabili-
teitswet. Zes wijzigingen in zo’n
twintig jaar is niet geweldig
overdone. Het is ook een beetje een
kwestie van onderhoud van je
comptabele infrastructuur. Als we dat
nummer de volgende keer dus
weglaten, ontstaat dat stapeleffect
misschien niet.
De heer Schutte stelt tegenover
mijn pragmatiek een principe, en dat
is altijd moeilijk discussie¨ren. Hij
heeft gezegd dat het hier gaat om
externe verzelfstandigingen of zelfs
om privatiseringen, maar dat is lang
niet altijd het geval. Het gaat er soms
ook om dat de overheid eens iets
aardigs doet. De overheid had
vroeger geen groen label, maar ze
heeft wel meegewerkt aan het
oprichting van zo’n stichting.
Clingendael was vroeger geen 100%
overheidsactiviteit, maar de overheid
heeft wel meegewerkt aan de
oprichting van de stichting. Het is
dus niet altijd een principie¨le zaak in de zin van: extern verzelfstandigen of
privatiseren, maar meer een zaak van
meewerken van de overheid aan iets
wat nuttig is. Het hoeft dus niet altijd
zo zwaar in de principie¨le sfeer te
liggen. Ik laat het oordeel op dit punt
aan de Kamer, maar ik wil wel
zeggen dat ik denk dat we de
opening naar een lichtere procedure
moeten houden.
De heer Kamp sprak over
stromanconstructies. ’’Stroman’’
klinkt natuurlijk lelijk, want zo
iemand gebruikt een crimineel die
zich ergens achter wil verschuilen.
Het kan ook gaan op de manier dat
de overheid tegen een andere partij
zegt, ervan uit te gaan dat die partij
een stichting opricht. Dat is dus het
doen oprichten. Als bijvoorbeeld de
Rijksarchiefschool geen Rijksarchief-
school meer is, gaat de minister
ervan uit dat het schoolbestuur een
stichting opricht. Is dat dan het mede
doen oprichten, of is dat het
gebruiken van een stroman? Dat ligt
dus genuanceerd. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2717" anker="689" partij="VVD" naam="Kamp">
 Het gaat er mij
uitsluitend om dat men bij het ministerie kan hebben gedacht: wij
moeten een rechtspersoon hebben;
als wij de formele weg gaan volgen,
duurt het erg lang en moet de Kamer
erbij worden betrokken, daarom
zullen wij iemand vragen om als
stroman te functioneren voor ons om
een rechtspersoon tot stand te
brengen, die wij dan als overheid
kunnen gebruiken. Mijn vraag heeft
uitsluitend op die situatie betrekking. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2717" anker="690" soort="Minister" naam="Zalm">
 Het begrip ’’stroman’’
klinkt echter heel lelijk en louche.
Voorzitter! Het rapport-Sint is een
ambtelijk rapport dat aan de Kamer
wordt aangeboden ter informatie.
Daar komt een heel beknopt
standpunt van de regering bij. Het
rapport ligt nu nog bij de drukker.
Verder is er een ministerie¨le
commissie Staatkundige vernieu-
wing, de commissie-Dijkstal, die
meer ten principale gaat bekijken wat
er allemaal nog veranderd moet
worden, ook in de overheidsdienst.
Er ligt wel het concrete kabinets-
standpunt dat bij verzelfstandigings-
operaties deze criteria en de stappen
uit het rapport-Sint de leidraad zullen
zijn. In die zin is er helderheid met
betrekking tot dit vraagstuk in het
rapport-Sint. Op dat punt heeft het
kabinet dus een expliciet standpunt,
zij het enigszins voorlopig, want als
de commissie-Dijkstal met nadere
ideee¨n komt, die misschien ook hier
gevolgen voor zouden moeten
hebben, moeten wij dat natuurlijk
ook op de weegschaal leggen. Vanuit
de optiek van Binnenlandse Zaken en
Financie¨n en ook van mij zijn dat
heel goede en stringente voorwaar-
den om een goede procedure te
kunnen ontwikkelen voor verzelfstan-
digingen, intern en extern, en de
vormgeving daarvan. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2717" anker="691" partij="GPV" naam="Schutte">
 Is de
minister bereid om, als dat ambte-
lijke stuk wordt toegestuurd, het
debat met de Kamer aan te gaan,
met alle voorbehouden die daaraan
verbonden kunnen zijn? 

</spreker>
<spreker pagina="39-2717" anker="692" soort="Minister" naam="Zalm">
 Heel graag. Ik vind
het erg leuk om een debat met de
Kamer aan te gaan. Er ligt alleen wel
het probleem van die commissie, die
nog allerlei verregaande ideee¨n op
tafel kan leggen. Voor zover er een
regeringsstandpunt in staat, is het
helder op het punt van het omgaan
met verzelfstandiging en de
procedure. Daarover wil ik graag met
de Kamer in discussie gaan. Ik heb
het idee dat de Kamer redelijk
tevreden kan zijn omtrent de
stringente criteria die worden
toegepast. De dubbele commissie
vanuit Financie¨n en Binnenlandse
Zaken zal ervoor zorgen dat het goed
toegepast wordt.
De heer Kamp heeft zijn amende-
ment voorlopig aangehouden. De
kwestie van de Grondwet speelt
daarbij een rol. Ik kijk nu even naar
mijn ambtenaren en vraag hen of wij
dat zullen voorleggen aan de
Rekenkamer. Er wordt ’’ja’’ geknikt.
Wij vragen de Rekenkamer dus om
een oordeel en daar zal ik dan
mededeling van doen aan de Kamer.
Dan hoor ik wel of deze lijn nog
verder wordt vervolgd en de Raad
van State ook nog moet worden
ingeschakeld. Dat is misschien wel
de kortste weg, want de Raad van
State is al zwaar belast, gezien de
spoedadviezen en dergelijke.
De heer De Jong heeft gelijk. Het
is mijn vrees dat er een soort
vacuu¨m kan ontstaan, omdat niet
duidelijk is of iets nu wel of niet
goedgekeurd is. De procedure dat
een goedkeuring moet worden
afgegeven door de Algemene
Rekenkamer is al heel oud, al van ver
voor de Comptabiliteitswet. Daar zit
dus een hele historie achter. Men
moet op een gegeven moment een
goedgekeurde rekening hebben en
het moet dan ook glashelder zijn dat
die rekening is goedgekeurd. Dat is
het probleem dat ik daarmee heb.
De heer Van Walsem heeft ten
slotte nog gevraagd wanneer sprake
moet zijn van een voorhang-
procedure bij het oprichten van
rechtspersonen. Het moeten lichte
zaakjes zijn. Zodra de Kamer van
mening is dat iets geen licht zaakje is, kan zij tegen de regering zeggen:
moet je eens horen, dit is geen licht
zaakje, dus je had een wetsvoorstel
moeten indienen; ga dus maar weer
naar huis en kom maar met een
wetsvoorstel. Als een minister denkt
dat hij het wel even met een
voorhangprocedure kan doen, omdat
dat lekker vlot gaat, terwijl het wel
een principie¨le zaak is, een grote
verzelfstandiging of een grote
privatisering, dan moet hij er
rekening mee houden dat hij
uiteindelijk nog meer tijd kwijt is,
omdat hij zijn werk moet overdoen
en via de ministerraad naar de Raad
van State moet en dan pas bij de
Kamer kan komen met een wetsvoor-
stel. Zoals ik al zei, ik laat het oordeel
over dit punt aan de Kamer. Ik meen
dat nog nooit het onaanvaardbaar is
uitgesproken met betrekking tot de
Comptabiliteitswet. Het is een
pragmatische kwestie die de heer
Schutte graag wat principie¨ler
beschouwt. Ik wacht op dit punt het
oordeel van de Kamer af. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2717" anker="693" naam="De voorzitter">
 Alvorens de
beraadslaging te sluiten, heb ik een
mededeling. De minister heeft
gezegd dat hij het oordeel van de
Rekenkamer over het amendement-
H.G.J. Kamp op stuk nr. 13 zal
vragen en dat hij de Kamer daarvan
op de hoogte zal stellen. Dat
betekent dat wij over het wetsvoor-
stel pas kunnen stemmen nadat wij
de informatie hebben ontvangen. Is
die conclusie een ieder helder? 

</spreker>
<spreker pagina="39-2717" anker="694" partij="VVD" naam="Kamp">
 Voorzitter! Als
u een beter voorstel hebt, luister ik
daar graag naar. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2717" anker="695" naam="De voorzitter">
 U zou het amende-
ment kunnen intrekken. Een andere
procedure is er niet. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2717" anker="696" partij="VVD" naam="Kamp">
 Ik trek het
amendement in en ik verzoek de
minister om het concept-
amendement, zoals het hier ter
discussie is geweest, ter advies aan
de Rekenkamer voor te leggen. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2717" anker="697" naam="De voorzitter">
 Aangezien het
amendement-H.G.J. Kamp (stuk nr.
13) is ingetrokken, maakt het geen
onderwerp van beraadslaging meer
uit.
De algemene beraadslaging wordt
gesloten. 

</spreker>
<spreker pagina="39-2718" anker="698" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, aan-
staande dinsdag over het wetsvoor-
stel te stemmen.
Daartoe wordt besloten.</spreker>
</blok>
<blok pagina="39-2718">Lijst van ingekomen stukken,
met de door de voorzitter ter zake gedane voorstellen:
1. tien koninklijke boodschappen, ten
geleide van de volgende voorstellen van (rijks)wet:
Wijziging van de Wet milieubeheer
(milieuplanbureau) (24031);
Wijziging van de Wet op de
studiefinanciering in verband met
onder meer de harmonisatie van de
maximale rentedragende lening in
het hoger beroepsonderwijs en in
het wetenschappelijk onderwijs
(24039);
Regels inzake de verstrekking van
subsidies door de Minister van
Justitie alsmede wijziging van enige
wetten in verband met de subsidieti-
tel in de derde tranche van de
Algemene wet bestuursrecht (Wet
Justitiesubsidies) (24040);
Goedkeuring van de op 26 april
1994 te Charleville-Mezie`res tot stand
gekomen verdragen inzake de
bescherming van de Maas respectie-
velijk de Schelde (Trb. 1994, 149 en
150) (24041);
Aanpassing van de Spoorwegwet
en de Wet personenvervoer aan
Richtlijn nr. 91/440 EEG en Verorde-
ning (EEG) nr. 1893/91 (24042);
Goedkeuring van het op 26 april
1994 te Bonn tot stand gekomen
Protocol betreffende de gevolgen
van de inwerkingtreding van de
Overeenkomst van Dublin voor een
aantal bepalingen van de Overeen-
komst ter uitvoering van het Akkoord
van Schengen (24046);
Wijziging van de Luchtvaartwet
(24047);
Wijziging van de Luchtvaartwet
(mogelijkheid tot vaststelling van een
gereserveerde geluidszone) (24049);
Herziening van de bepalingen over
het toezicht op gemeentelijke en
provinciale belastingvorderingen
(24051);
Samenvoeging van de gemeenten
Cothen, Langbroek en Wijk bij
Duurstede (24053).
Deze koninklijke boodschappen, met
de erbij behorende stukken, zijn al
gedrukt en rondgedeeld;
2. achttien brieven van de voorzitter
van de Eerste Kamer der Staten-
Generaal, met de mededeling, dat zij
in haar vergadering van 19, 20 en 21
december 1994 de haar door de
Tweede Kamer toegezonden
voorstellen van wet, gedrukt onder
de nummers 22849, 22851, 23023,
23046, 23178, 23218, 23486, 23574,
23598, 23600, 23681, 23782, 23784,
23793, 23820, 23822, 23842, 23843,
23844, 23900-IXA, 23900-IXB, 23935,
23940, 23941, 23942, 23943, 23952,
23957, 23961 (R1525), 23962, 23964,
23978, 23980, 23981, 23985, 23992,
24024 en 24028, heeft aangenomen.
De voorzitter stelt voor, deze brieven
voor kennisgeving aan te nemen;
3. een brief van de voorzitter van de
Eerste Kamer de Staten-Generaal,
met de mededeling, dat zij in haar
vergadering van 17 januari 1995 de
haar door de Tweede Kamer
toegezonden voorstellen van wet,
gedrukt onder de nummers 23900-VI
en 23834 heeft aangenomen.
De voorzitter stelt voor, deze brieven
voor kennisgeving aan te nemen;
4. een brief van de Wnd. Directeur
van het Kabinet der Koningin, met de
mededeling, dat Hare Majesteit de
haar door de Staten-Generaal
toegezonden voorstellen van
(rijks)wet, gedrukt onder de
nummers 23722, 23831, 23568,
21561, 21202, 23553, 23588, 23847,
23900-II, 23776, 23664, 23794, 22855,
23900-I, 22885, 22671 (R1442), 23801,
23867, 23981, 23952, 23777, 23964,
23820, 23775, 23862, 22849, 22851,
23935, 23023, 23046, 23782, 23865,
23483, 23781, 23941, 23942, 23071,
23940, 23943, 23962, 23980, 23486,
24028, 23218, 23992, 23793, 23978,
23961 (R1525), 24024, 23985, 23784,
23957, 23822, 23574 en 23600, heeft
goedgekeurd.
De voorzitter stelt voor, deze brief
voor kennisgeving aan te nemen; 5. de volgende brieven:
een, van de ministers van
Algemene Zaken, van Economische
Zaken, van Verkeer en Waterstaat en
van de staatssecretarissen van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap-
pen en van Binnenlandse Zaken,
over elektronische snelwegen (23900,
nr. 20);
een, van de minister voor
Nederlands-Antilliaanse en Aru-
baanse Zaken, over een kustwacht-
organisatie voor de Caraı¨bische
delen van het Koninkrijk (23900-IV,
nr. 7);
vijf, van de minister van Buiten- landse Zaken, te weten:
een, over het verlenen van een
visum aan P. Princen (23268, nr. 2);
een, ten geleide van een lijst van in
voorbereiding zijnde verdragen
(23530, nr. 10);
een, ten geleide van een Verdrag
tussen de Regering van het
Koninkrijk der Nederlanden en de
Regering van de Republiek Albanie¨
inzake samenwerking tussen de
Nederlandse Organisatie voor
Ontwikkelingssamenwerking SNV en
de Republiek Albanie¨ (24037);
een, over Uniforme Regelingen
betreffende de overeenkomst van
internationale spoorwegvervoer van
reizigers en bagage (CIV) (24048);
een, ten geleide van het Verdrag
tussen het Koninkrijk der Nederlan-
den en de Republiek Namibie¨ inzake
technische samenwerking; Wind-
hoek, 17 juni/26 november 1992
(24050);
drie, van de minister voor
Ontwikkelingssamenwerking, te weten:
een, ten geleide van de ontwerp-
agenda van de Raad van ministers
voor ontwikkelingssamenwerking op
25 november 1994 (21501-04, nr. 32);
een, ten geleide van het verslag van
de vergadering van de Raad van
ministers voor ontwikkelingssamen-
werking van 25 november 1994
(21501-04, nr. 33);
een, over nog in 1994 te realiseren
mutaties binnen de in het
OS-plafond beschikbare middelen
(24004, nr. 6);
drie, van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, te weten:
een, ten geleide van het verslag van
het Uitvoerend Comite van Schen-
gen, 22 december 1994 te Bonn
(19326, nr. 100);
een, ten geleide van Ontwerp-
richtlijnen Europese Commissie
(22112, nr. 43);
een, over de positie van de
overzeese rijksdelen met het oog op

</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


