<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2071]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet op de studiefinanciering inzake verlenging cursusduur technische opleidingen en opleidingen op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving in het wetenschappelijk onderwijs (23703)</item>
<item attribuut="Bestand"> 146 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Hoger onderwijs (Studiefinanciering)
Hoger onderwijs (Universiteiten en hogescholen)</item>
<item attribuut="Dossiernr">23703</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 15, Tweede Kamer, pag. 2724-2755</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">25-01-1995</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2071</item>
<item attribuut="Omvang">32 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Tweede Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Verlenging studieduur technischeopleidingen</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Huisvesting verblijfsgerechtigden</item>
<item attribuut="doccode">TK 40</item>
<item attribuut="voorzitter">Zijlstra</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="40-2724">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek en de Wet op de
studiefinanciering inzake
verlenging cursusduur techni-
sche opleidingen en opleidingen
op het gebied van landbouw en
natuurlijke omgeving in het
wetenschappelijk onderwijs
(23703).
De algemene beraadslaging wordt
geopend.

<blok pagina="40-2724">

 
<spreker pagina="40-2724" anker="506" partij="CDA" naam="Lansink">
 Voorzitter!
Het hoger onderwijs beleeft boeiende tijden: een regeerakkoord
met een forse ombuiging van 1500
mln. (te fors); de aankondiging van
een stelselwijziging; de latere
Procesbrief, met enige ruimte voor
overleg; geheime, besloten en
andersoortige bijeenkomsten over de
financie¨le taakstelling, collegegelden,
studeerbaarheid en kwaliteit.
Boeiende tijden voor de eensgezinde
en creatieve studentenbeweging en
voor de verdeelde universiteiten, de
verenigde samenwerkende Neder-
landse universiteiten, die elkaar tot
overmaat van ramp in de haren zijn
gevlogen, naar aanleiding van dit
wetsvoorstel. Boeiende tijden ook,
omdat de Kamer nu een wetsvoor-
stel behandelt dat verlenging van de
cursusduur beoogt voor een aantal
studies aan de technische universitei-
ten, de Landbouwuniversiteit
Wageningen en de Rijksuniversiteit
Groningen. Cursusduur en studie-
duur zijn natuurlijk niet identiek,
maar deze verlenging van de
cursusduur zal een van de doelstel-
lingen van het regeerakkoord, de
verlaging van de gemiddelde
studieduur, bemoeilijken. Dat is op
zichzelf terecht, want de stelsel-
wijziging is in de zomer van 1994 al
te gemakkelijk opgeschreven, als ik
wel ben ingelicht, mede door de heer
Nuis.
Het wetsvoorstel is een gevolg van
het in het najaar van 1991 tussen de
Raad van centrale ondernemersorga-
nisaties, de technische universiteiten
en minister Ritzen gesloten
convenant. Het wetsvoorstel is door
het vorige kabinet pas op de valreep
ingediend, op 2 mei 1994. De Kamer
bracht zeer snel, al op 29 juni 1994,
dus voor de afronding van de
kabinetsformatie, een tamelijk
kritisch verslag uit. De wisseling van
de wacht blijkt uit de ondertekening
van de nota naar aanleiding van het
eindverslag. Deze nota verscheen op
14 november van het afgelopen jaar,
ondertekend door staatssecretaris
Nuis en minister Van Aartsen. Het is
opmerkelijk dat het kabinet het
wetsvoorstel onverkort handhaaft,
terwijl de paarse coalitie een
stelselwijziging wil met een verlaging
van de gemiddelde studieduur. Hoe
kan dat, zo vraagt menigeen zich af,
te meer daar uit het kritische verslag
blijkt dat de Kamer als mede-
wetgever van oordeel was dat het
kabinet eigenlijk kiest voor een
incidentele, fragmentarische aanpak.
Ik stel voorts vast, kijkend naar het verslag, dat:
- het kabinet de suggestie van de
PvdA, een aardige suggestie
overigens, om in het kader van de
twee-fasenstructuur knipvarianten mogelijk te maken niet overneemt:
- de gemengde gevoelens van de
VVD – die moeten er zijn – niet zijn
weggenomen; of doorkruist het
wetsvoorstel de discussie over de
stelselwijziging niet?;
- D66 blijft hameren op differentiatie
in en verlaging van de gemiddelde
studieduur voor het gehele HBO en
WO.
Het CDA steunt het wetsvoorstel
om zakelijke en politieke redenen. De
toelichting op zichzelf is duidelijk.
Amendering in de richting van meer
autonomie van instellingen en
toevoeging van enkele universitaire
studies is overigens nuttig en nodig.
Maar zelfs een ongewijzigd
wetsvoorstel verdient steun, omdat
daarmee de weg naar kwaliteits-
verbetering wordt ingezet en omdat
op termijn de economie en de
werkgelegenheid worden bevorderd.
Al geruime tijd betogen de
technische universiteiten, daarin
bijgevallen door de RCO, een
gezelschap dat wij gisteren hier nog
mochten ontvangen, dat de wettelijk
toegestane cursusduur van vier jaar
ontoereikend is om kwalitatief goede
ingenieurs af te leveren. In vergelij-
king met de kerngetallen van
buitenlandse instellingen ligt enige
verruiming van de cursusduur voor
de hand. Een prealabele vraag is wel
waarom de mogelijkheden van de
Wet twee-fasenstructuur destijds en
ook nu nog niet goed benut zijn. De
Raad van centrale ondernemings-
organisaties sloot immers jaren
geleden een akkoord dat niet of
nauwelijks de tweede fase heeft
gestimuleerd. De instellingen gaan
overigens ook niet vrij uit, te meer
daar zij bij de behandeling van de
Wet twee-fasenstructuur – ik doel
dan vooral op de technische
universiteiten – met verve de
ontwerper als tweede-fase-opleiding
hebben bepleit. Aan herziening van
de curricula en aan studeerbaarheid
– een dubieuze term – is te weinig
gedaan. Het viel gisteren bij de
hoorzitting, overigens op dat de RCO
van oordeel is dat de ontwerper wel
in de wet moet blijven staan.
De kwaliteit van de opleidingen
wordt niet uitsluitend bepaald door
de cursusduur, maar ook door de
inhoud, de herkenbaarheid en de
effectiviteit van de
studieprogramma’s. Kennis, ervaring
en inzet van de staven van de
instellingen tellen ook, naast de
wisselwerking met het fundamentele
en toegepaste wetenschappelijk
onderzoek. Het wetsvoorstel verdient
een positief kritische benadering
vanwege de risico’s van een al te
geı¨soleerde aanpak en van een
zekere precedentwerking. Natuurlijk
moet en kan rekening worden
gehouden met de ontwikkeling op de
arbeidsmarkt en met de noodzaak
van diepe, ook gespecialiseerde
opleidingen, maar een consistent
beleid vergt ook dat uitgegaan blijft
worden van een nota Hoger
onderwijs, autonomie en kwaliteit.
Mijn fractie is daarom van oordeel
dat de instellingen zelf in staat
moeten worden geacht en gesteld
om binnen het gestelde financie¨le
kader zelf de cursusduur te bepalen.
Dat moet eigenlijk de hoofdlijn van
dit debat zijn.
Ik ga nu in op het wetsvoorstel
zelf. De meer algemene benadering
die ik zojuist bepleitte, is in
overeenstemming met de beschou-
wing van de bewindslieden in de
nota naar aanleiding van het verslag.
Zij stellen terecht dat de huidige
uniforme programmalengte
onvoldoende recht doet aan de
capaciteiten van studenten en aan de
verschillen in motivatie en belang-
stelling. Ook de noodzaak van meer
gedifferentieerde instroom-
kwalificaties wordt erkend. Die lijnen
gelden echter voor het gehele
wetenschappelijk onderwijs. Nu de
Tweede Kamer voor de politieke
keuze staat van een incidentele
goedkeuring van dit wetsvoorstel,
dan wel afwijzing, staat volgens mij een aantal wegen open, te weten:1. amendering van het wetsvoorstel,
zodat alle instellingen zelf kunnen
bepalen voor welke opleidingen een
verlenging dan wel verkorting van de
studieduur nodig en haalbaar is;
2. amendering van het wetsvoorstel,
opdat ook enkele daartoe aan te
wijzen studies aan de niet-technische
universiteiten een verlengde
cursusduur krijgen;
3. aanvaarding van het wetsvoorstel,
met de aantekening dat latere
inpassing van andere studies
mogelijk is, dit voorzien van een
evaluatiebepaling, die toetsing
mogelijk maakt;
4. aanhouding van het wetsvoorstel
tot meer duidelijkheid is verkregen
over de koers en inhoud van de
zogenaamde stelselwijziging. Deze
route bepleit ik overigens niet.
De CDA-fractie heeft een sterke voorkeur voor de eerste route:
binnen vaste bekostigings-
voorwaarden moet aan de instellin-
gen de vrijheid worden gegeven om
de cursusduur vast te stellen. In
VSNU-kringen wordt die weg de
dereguleringsoptie genoemd. De
eigen verantwoordelijkheid van de
universiteiten wordt daarmee
vergroot, zeker wanneer de
bekostiging niet op voorhand wordt
aangepast of aangetast. Blijft voor de
studiefinanciering de oude formule –
cursusduur plus 1 (plus 2 leenjaren)
– uitgangspunt, dan kan de
verruiming met een halfjaar
daarbinnen worden opgevangen. Bij
een grotere verlenging kunnen de
instellingen via daartoe in te richten
fondsen bijdragen aan de studie-
financiering. Is het kabinet bereid om
deze lijn over te nemen of is
amendering daartoe de aangewezen
weg? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2725" anker="507" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Het is
mij opgevallen dat de CDA-fractie in
het verslag dit stellige uitgangspunt
niet heeft ingenomen. Betekent dit
dat de heer Lansink van opvatting is
veranderd en een wezenlijke bijdrage
wil leveren aan de brede discussie
over de stelselwijziging, of ligt er iets
anders aan ten grondslag? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2725" anker="508" partij="CDA" naam="Lansink">
 Een verslag
kent bijdragen van talloze fracties en
ik heb goed gekeken naar wat de
anderen hebben ingebracht. Verder
heb ik kennis genomen van hetgeen
er daarna is gebeurd. In ons
verkiezingsprogramma van 1994
staat, dat wij voor een verlenging
van de cursusduur voor technische
studies zijn. Daarnaast is keer op
keer door mij en door mevrouw
Boers bepleit dat de zaak ruimer
wordt gezien. Deze inbreng moet
men dus zien in lijn met hetgeen wij
de afgelopen jaren rond autonomie
en kwaliteit naar voren hebben
gebracht. In het verslag is inderdaad
niet gewerkt aan het bouwen aan
een wetsvoorstel dat een heel andere
ingang heeft. Dat neemt echter niet
weg, dat de behandeling pas is
afgerond als wij de stemming achter
de rug hebben. Ik ben gerechtigd om
alles wat ik van belang vind, in te
brengen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2725" anker="509" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Ik vind
het prettig dat de heer Lansink de
opvatting heeft, dat wij voor de
discussie over de stelselwijziging een
veel breder draagvlak hebben dan ik
tot voor kort dacht. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2725" anker="510" partij="CDA" naam="Lansink">
 De heer Van
Gelder haalt de woorden heel
gemakkelijk naar zich toe. Dat is nu
volstrekt ten onrechte. Zojuist heb ik
immers van het bedoelde afstand
genomen. Mijn collega Van de Camp
heeft dat al eerder gedaan. Vlak voor
kerst hebben wij al afstand genomen
van hetgeen in het regeerakkoord
over de stelselwijziging is vastge-
legd. Aanvankelijk was dat een heel
rigide structuur. Wees nou eerlijk en
let eens op wat er in augustus is
opgeschreven over bachelors en
masters en al die dingen meer. Dat is
al versoepeld. Wat uit de Procesbrief
blijkt, is al heel anders.
Dat wij dit wetsvoorstel behande-
len, vinden veel mensen al vreemd.
Je kondigt immers een stelsel-
wijziging aan en behandelt dit
wetsvoorstel toch. Dat vind ik een
goede kapstok om een betere route
te nemen. Daarom stelde ik vragen
over de amendering. Ik heb
overigens een amendement
ingediend, maar daarop kom ik
dadelijk terug. Als wij geen
principieel andere lijn kunnen kiezen,
ben ik voornemens te kiezen voor
een initiatiefwetsvoorstel. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2725" anker="511" partij="SGP" naam="Van der Vlies">
 De
gedachte van de heer Lansink komt
mij op voorhand sympathiek over.
Maar hoe werkt het nu precies? De
heer Lansink heeft natuurlijk niet ten
onrechte voorgesteld, universiteiten
binnen budgettaire kaders de ruimte
te geven. Het lijkt mij ook redelijk
essentieel om dat binnen budgettaire
kaders te houden. Het is volgens mij
redelijk in te schatten, wat er gebeurt
als je die niet meegeeft. Maar hoe
kan ik de budgettaire kaders nu zo
vaststellen, dat kwalitatiefinhoudelijk
hetzelfde wordt bereikt als bij de
gewenste nominale cursusduur-
verlenging voor de opleidingen waar
wij thans over spreken? De heer
Lansink wil hier een aantal opleidin-
gen aan toevoegen. Dat heb ik best
wel onderkend. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2725" anker="512" partij="CDA" naam="Lansink">
 In ben
erkentelijk voor de vraag en voor de
steun aan de gedachte. De bewinds-
lieden stellen in de nota naar
aanleiding van het verslag dat de
verlengde cursusduur mogelijk is
binnen een bepaald financieel kader.
Ik kies voor dezelfde lijn. Wat dat
betreft, is er geen aanpassing van
het wetsvoorstel nodig. Er is wel een
aparte discussie nodig over de
bekostigingsvoorwaarden, de
inputfinanciering en meer output-
financiering. Daarbij kunnen de
voorstellen van het ISO worden
betrokken. Dat moet toch gebeuren.
Ik kies dus dezelfde route als de
bewindslieden. Zij komen tot de
opvallende constatering dat dit
wetsvoorstel alleen op het terrein
van de studiefinanciering wat kost,
namelijk 11 mln., en dat pas in het
jaar 2000 of daaromtrent. Ik vind het
een laag bedrag, maar goed. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2725" anker="513" partij="SGP" naam="Van der Vlies">
 Juist
omdat de regering die mededeling in
de stukken deed, stelde ik de vraag
of het zo inderdaad mogelijk is. Ik
heb de indruk dat het niet mogelijk
is. Er moet niet alleen iets aan de
studiefinanciering worden gedaan.
Ook de budgetten van de instellingen
zouden moeten worden verhoogd,
althans, dat moet worden gepro-
beerd. Verlenging van de cursusduur
heeft nu eenmaal ook consequenties
voor personeelslasten en dergelijke. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2725" anker="514" partij="CDA" naam="Lansink">
 Ik begrijp
het. Maar, nogmaals, hetzelfde geldt
voor het wetsvoorstel. Er zijn nu
twee amendementen mogelijk. In het
ene amendement wordt uitgegaan
van de echte dereguleringsoptie.
Daarvoor heb ik nog niet gekozen,
omdat daaraan de problemen zijn
verbonden die de heer Van der Vlies
schetste. Ik kies nu voor een vrijheid
van instellingen, maar met aandui-
ding van de studies. Dit blijkt uit het
amendement dat zojuist is rondge-
deeld.
Indien de bewindslieden zouden
uiteenzetten dat de meer principie¨le
weg van dereguleringsoptie nu
onbegaanbaar is, lijkt het mij een
goed idee om dat zelf verder uit te
werken. Ik verzoek de bewindslieden
om dat te doen. Doen zij het niet,
dan kan de Kamer het initiatief ertoe
nemen. Ik heb de bereidheid daartoe
uitgesproken.
Is het kabinet bereid deze lijn over
te nemen? Of is amendering de
aangewezen weg? Stuit de globale
amendering, de dereguleringsoptie,
op bezwaren, bijvoorbeeld van
wetgevende en financie¨le aard, dan
kan een wetsvoorstel worden
ingediend door het kabinet.
Eventueel kan het een initiatiefwets-
voorstel zijn. Gelet op de systematiek
van het wetsvoorstel heb ik een
amendement ingediend dat een
verbinding legt tussen de eerste en
tweede route.
De tweede route is amendering
van het voorstel, op grond waarvan
meer studies voor verlenging in
aanmerking komen. Deze is mogelijk
en voorlopig minder ingrijpend.
De derde route, evaluatiebepaling,
is ook mogelijk en nuttig. Maar een
horizonbepaling is ongewenst en een
evaluatiebepaling wordt pas na
geruime tijd effectief. Ik heb
niettemin een amendement
ingediend, omdat het hoe dan ook
nuttig is als wij achteraf, na vijf jaar
bijvoorbeeld, kunnen toetsen of dit
instrument voldoende heeft gewerkt.
Voorzitter! Ik heb een vierde route aangeduid: de aanhouding van het
wetsvoorstel. Die route is onge-
wenst, niet alleen omdat het
volstrekt onduidelijk is of en op
welke termijn een stelselwijziging
haalbaar is en haar beslag zal
krijgen, maar ook en vooral omdat
de betrouwbaarheid en de geloof-
waardigheid van de overheid in het
geding zijn. Ik wijs op het destijds
afgesloten convenant, ook al is de
Kamer daar natuurlijk op zichzelf niet
aan gebonden.
Wel is de volgende vraag relevant.
Wat vinden de bewindslieden van de
recente stellingname van de
niet-technische universiteiten, die de
medewerking aan de discussie over
de stelselwijziging niet alleen
afhankelijk maken van het afzien van
een financie¨le taakstelling, maar ook
van het punt van de gelijkwaardig-
heid? Anders gezegd, zij maken het
zelfs afhankelijk van de behandeling
van dit wetsvoorstel. Een aantal
leden van de VSNU heeft via een
brief van enkele dagen geleden een
dreigement aan ons kenbaar
gemaakt. Dat acht ik ongepast, zeker
na de belevenissen van de afgelopen
weken. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2726" anker="515" partij="PvdA" naam="Van Gelder">

Voorzitter! Ik wil de heer Lansink een
vraag stellen over de derde weg.
Mijn vraag heeft betrekking op het
amendement op stuk nr. 9. Ik vind
het opvallend dat de heer Lansink
een evaluatiebepaling wil, waarbij hij
binnen vijf jaar tot een oplossing
komt. Uit de Procesbrief die door het
kabinet is rondgestuurd, blijkt dat
men op zeer korte termijn een
discussie wil starten waarin het
element dat de heer Lansink naar
voren brengt, juist een van de
uitgangspunten is. Ook ligt vast
wanneer de wetgeving moet worden
afgerond. Als de heer Lansink met
een initiatiefwetsvoorstel zou komen,
dan zou hij dat dus pas over een jaar
of vijf zijn beslag willen laten
krijgen? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2726" anker="516" partij="CDA" naam="Lansink">
 Nee, het
initiatiefwetsvoorstel gaat over de
algemene deregulering. Dat gaat
over alle faculteiten, ook over de
alfa- en de gammafaculteiten. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2726" anker="517" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Maar
dat staat ook in die Procesbrief
aangekondigd. Ik snap dus niet
waarom de heer Lansink denkt dat
het nog vijf jaar zal duren. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2726" anker="518" partij="CDA" naam="Lansink">
 Ik heb
voorlopig niets met die Procesbrief
te maken, want ik weet helemaal niet
of het wel iets oplevert. Wij zijn hier
nu met wetgeving bezig. Dan had de
heer Van Gelder moeten kiezen voor
uitstel van de behandeling. Maar als
hij dit wetsvoorstel wil behandelen,
heb ik het recht om alles in te
brengen wat daarbij hoort. Dat is
naar mijn mening dus ook een
dereguleringsoptie.
Voorzitter! Ik wil nog enkele
nadere opmerkingen over het
wetsvoorstel zelf maken. Wat voor
een reeks opleidingen aan de
technische universiteiten geldt, geldt
ook voor enkele landbouwkundige
studies, ook al is de situatie in
Wageningen niet in alle opzichten
vergelijkbaar met die van de
technische universiteiten in Delft,
Eindhoven en Enschede. De
CDA-fractie heeft geen bezwaar
tegen een selectieve verlenging van
de cursusduur van technisch gerichte
studies in Wageningen, omdat in
voldoende mate is aangetoond dat
een dergelijke verlenging in
vergelijking met de opleidingen
elders noodzakelijk en verantwoord
is. De bewindslieden hebben dat dus
voldoende kenbaar gemaakt. Het
amendement van D66 verdient
daarom geen steun, nog afgezien
van het feit dat de natuurlijke
omgeving toch ook D66 zou moeten
aanspreken.
De selectiviteit geldt al in mindere
mate voor de technische studies
mechanica, natuurkunde en
scheikunde aan de universiteit te
Groningen. Willen de bewindslieden
nog eens aangeven waarom het
onderscheid tussen de studies in
Groningen en die aan de andere
niet-technische universiteiten een
uitzonderingspositie zou rechtvaardi-
gen?
De consistentie van het wetsvoor-
stel laat trouwens toch al te wensen
over. Immers, de studies bedrijfs-
kunde in Twente vallen niet onder
het wetsvoorstel, de technische
opleidingen in Groningen wel, maar
die in Amsterdam weer niet. Het
antwoord op de vragen van de
VVD-fractie over de verschillen
tussen technische en natuurweten-
schappelijke opleidingen is onthul- lend. De bewindslieden schrijven:
’’het verschil tussen de twee
genoemde opleidingen technische
natuurkunde is dat de opleiding te
Delft tot de ingenieurskwalificatie
leidt en de opleiding te Amsterdam
tot de doctoranduskwalificatie’’. Met
een dergelijke antwoord wordt elke
discussie natuurlijk overbodig.
Voorzitter! Ik vind het teleurstel-
lend dat pleidooien vanuit de
algemene universiteiten – zelfs
Groningen – en vanuit verschillende
fracties in de Kamer om een aantal
be`tastudies eveneens voor een
verlenging van de cursusduur in
aanmerking te laten komen, door de
bewindslieden niet zijn gehonoreerd.
Het staat buiten kijf dat de studies
natuurkunde, scheikunde en biologie
in zwaarte en intensiteit ten minste
gelijkwaardig zijn aan de opleidingen
aan de technische universiteiten. Ik
sluit niet uit dat ook enkele alfa- en
gammastudies gediend zouden zijn
met een beperkte verlenging van de
cursusduur. De civiele effecten van
de ingenieurs- en doctoraal-
opleidingen wijzen niet op de
noodzaak van een ongelijke
behandeling. Ook buiten de
technische universiteiten komen de
gesignaleerde discrepanties tussen
de wettelijke en de feitelijke
studielast voor. Ik pleit daarom,
wanneer de overdacht van bevoegd-
heden naar de instellingen nog niet
mogelijk zou zijn, voor verlenging
van de studieduur van enkele studies
in de be`tafaculteiten. Ik verwijs
hierbij naar het desbetreffende
amendement.
De bewindsman wijdt in de
toelichting een uitvoerige maar
onvolledige en, gelet op het verslag,
voor de Kamer nog niet overtui-
gende beschouwing over de
verschillen tussen de algemene
natuurwetenschappelijke opleidingen
en de technisch-wetenschappelijke
studies. De selectieve behandeling
van de laatste groep wordt verde-
digd met de aanduiding van
essentie¨le aanvullende elementen die
naast de inderdaad noodzakelijke
stages een verlenging rechtvaardi-
gen. Het gaat om kennis en
vaardigheden voor ontwerp en
constructie van processen, produkten
en installaties. Voorts noem ik de
niet-specifieke kennis, zoals budget-
en tijdbeheersing, project-
management en kennis van
regelgeving en markt. Ten slotte
noem ik de communicatieve
vaardigheden. Voor de eerste groep
geldt het argument van het kabinet
zeker, maar ten aanzien van de
tweede en derde groep moet ik
opmerken dat het ook voor andere
studies geldt. Bij een kwalitatieve en
kwantitatieve analyse van de
arbeidsmarkt zal ongetwijfeld
duidelijk worden dat een aantal van
de genoemde elementen vrijwel
’’universeel’’ zijn. De technische
hogescholen zijn destijds niet voor
niets de naam universiteiten gaan
dragen.
Voorzitter! De vraag naar de voors
en tegens van de stimulering van
bepaalde opleidingen in reactie op
de wisselingen van vraag en aanbod
op de arbeidsmarkt is onvolledig
beantwoord. De bezwaren zijn niet
aangeduid. Evenmin zijn de extra
elementen van de niet-technische
natuurwetenschappelijke studies
aangegeven. De indruk is in elk geval
gewekt dat de vooraf via het
convenant vastgelegde uitkomst hoe
dan ook bereikt moest worden. Enig
doel is kennelijk voor een aantal
technische opleidingen de wettelijke
cursusduur in overeenstemming te
brengen met de feitelijke studielast
die nodig is om aan de te stellen
eisen te kunnen voldoen.
De genoemde eisen zijn van belang, maar:
- een hoog abstractieniveau geldt
ook voor niet-technische, fundamen-
tele studies;
- een brede technische basiskennis is
nuttig voor alle experimentele
studies, ook die aan de universitei-
ten; kijk maar wat er gebeurt op de
laboratoria voor natuurkunde,
scheikunde, biologie, enz.;
- het beroep op vermogen tot
analyse en synthese is aan de orde
bij alle wetenschappelijke opleidin-
gen.
Daarbij komt nog dat de arbeids-
markt op weg naar 2000 en na 2000
zich sterk zal ontwikkelen in de
dienstensector, de informatica, het
milieu en de gezondheidszorg. De
grote Nederlandse ondernemingen
hebben heel wat academici in dienst
die geen ingenieursopleiding hebben
gevolgd. Ik houd dus staande dat
meer studies recht hebben op een
beperkte verlenging.
De verdediging van het wetsvoor-
stel is vooral gebaseerd op gegevens uit een aantal rapporten: het advies
inzake de technische universiteiten
van de AWT en de ARHO, het
IRP-EE-rapport inzake electrical
engineering, het AWT-advies
’’Technici en Onderzoekers’’, de
adviezen van de RCO en het rapport
van de CSHOB uit 1993. Vrijwel al die
rapporten gaan geheel of groten-
deels over technische studies. De
vraagt klemt of vergelijkbare cijfers
beschikbaar zijn voor de natuurwe-
tenschappelijke richtingen. Sommige
rapporten, met name het IRP-EE-
rapport, tonen dat de effectiviteit van
de Nederlandse programma’s te
wensen overlaat. Ik wijs op de
cijfertabellen die daarin zijn
weergegeven. Verder verschilt de
inzet van studenten van land tot
land. Bovendien leren de rapporten –
de minister erkent dit – dat de
Nederlandse ingenieursopleidingen
’’aan de maat zijn’’, dus ook zonder
die verlenging.
Voorzitter! De precedentwerking
vergt nog een nadere stellingname,
niet alleen een verwijzing naar
Wageningen. De bewindslieden
beweren al te gemakkelijk dat voor
precedentwerking niet behoeft te
worden gevreesd, lees ik in het
verslag. Verwijzing naar multidiscipli-
naire studies in Wageningen sluit
helemaal niet uit dat ook elders
dergelijke opleidingen een forse
studielast kennen. Milieukunde is
niet het enige voorbeeld. Ik noem
trefwoorden als ketenbeheer,
materiaalkunde, informatica en
procesbeheersing. Wetenschap en
techniek vloeien steeds meer ineen.
Ik heb onlangs deel mogen uitmaken
van de jury voor de toekenning van
stipendia voor een aantal STW-
projecten. Die projecten zijn lang niet
allemaal afkomstig van de technische
universiteiten.
Voorzitter! Blijkens de nota naar
aanleiding van het verslag heeft
minister Ritzen in juni 1994 nieuwe
afspraken gemaakt met de techni-
sche universiteiten over rendement
en studieduur. De tekst van het
convenant is overigens niet erg
dwingend. Het is natuurlijk mooi dat
de universiteiten het werk aan de
studeerbaarheid haalbaar achten,
maar feitelijk is er slechts sprake van
een inspanningsverplichting. Het
resultaat kan pas beoordeeld worden
wanneer de nieuwe vijfjarige cursus
volledig is afgerond. Het rendement
van 80% na propaedeuse en de
gemiddelde studieduur van vijfenhalf
jaar zijn op zichzelf redelijk te
noemen, maar zijn pas toetsbaar na
ommekomst van die termijnen. Ik
vraag de bewindslieden hoe zij
daarmee willen omgaan.
Ik kom tot mijn laatste punt.
Verlenging van de cursusduur
impliceert vanzelfsprekend verlen-
ging van het recht op studie-
financiering met een jaar. Opvallend
is dat gekozen is voor de voorwaar-
delijke toekenning van een toelage in
het zesde inschrijvingsjaar. De
regeling – anderen hebben dit in het
verslag al opgemerkt – oogt tamelijk
ingewikkeld. Is het werkelijk nodig
om de Wet op de studiefinanciering
ook aan te passen, of kan de
bestaande systematiek beter
volstaan, mede gelet op het feit dat
het kabinet voornemens is de
studiefinanciering tegen het licht te
houden binnen de termijn die te
voorzien is?
De CDA-fractie komt tot de
conclusie dat de rapporten en de
adviezen, alsmede een vergelijking
met studies in het buitenland,
verlenging van de cursusduur voor
een aantal niet uitsluitend technische
studies rechtvaardigen. Vergroting
van de eigen verantwoordelijkheid
van instellingen verdient daarbij de
voorkeur boven een wettelijke
regeling van bovenaf.
Wanneer zo’n regeling vooralsnog
nodig blijft, moeten overeenkom-
stige, voornamelijk be`tastudies aan
algemene universiteiten, een
gelijkwaardige behandeling kunnen
krijgen, even gelijkwaardig aan de
technische opleidingen die in het
wetsvoorstel geregeld zijn. Daartoe is
amendering van het wetsvoorstel
eigenlijk noodzakelijk, ook in het
geval van een latere in- en aanpas-
sing.
Niettemin zal de CDA-fractie het
wetsvoorstel steunen, ook wanneer
de discussie over enkele amende-
menten niet volledig afgerond kan
worden.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2728">

 
<spreker pagina="40-2728" anker="519" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">

Voorzitter! Aan de vooravond van de
discussie over de stelselherziening,
welke discussie een dezer dagen
begint, zo is te hopen, en die moet
leiden tot een stelsel van hoger
onderwijs met een grote differentia-
tie in studierichtingen in inhoud en
in lengte met als doel een gemiddeld
kortere studieduur, is thans een
wetsvoorstel aan de orde waarbij
voor een aantal ingenieurs-
opleidingen aan de technische
universiteiten en aan de Landbouw-
universiteit Wageningen een
verlenging van de studieduur nodig
is.
Los van de argumentatie voor
deze verlenging vindt de VVD-fractie
het jammer dat de verlenging van
een aantal technische studies niet in
het kader van de hele stelsel-
herziening behandeld wordt. Wij
kunnen er weliswaar begrip voor
opbrengen dat de discussie over de
verlenging van de ingenieurs-
opleidingen reeds enige jaren speelt
en met inbedding in de discussie
over de stelselherziening wederom
vertraging zal oplopen, maar
verlenging legt op voorhand een last
op de nog te voeren discussie over
gemiddeld kortere studieduur.
De achtergrond van het wetsvoor-
stel wordt gevormd door de eisen
die aan een universitair opgeleide
ingenieur gesteld moeten worden,
namelijk enerzijds een wetenschap-
pelijke achtergrond en anderzijds een
beroepskwalificatie. Sinds 1991 is
een groot aantal rapporten tot stand
gekomen, wat heeft geleid tot de
conclusie dat de eisen waaraan een
ingenieursstudie moet voldoen, om
meer dan de thans geldende vier jaar
vragen. Het meest relevante in dat
kader is het rapport RCO-enqueˆte
ingenieursopleiding uit 1993, waarin
de vaardigheden zijn beschreven
waarover afgestudeerde ingenieurs
moeten beschikken.
In de memorie van toelichting
wordt uitgebreid ingegaan op de
verschillende andere rapporten en
internationale vergelijkingen waarbij
voor de landbouwopleidingen de
onderzoeksrapporten van het NILI
betrokken zijn. De inhoud van die
rapporten en de tekst van de
RCO-rapporten vormen de basis voor
de argumentatie in de memorie van
toelichting.
Voor de verlenging van de
verschillende ingenieursopleidingen zijn drie elementen relevant: hoog
abstractieniveau, gekoppeld aan een
brede technische basiskennis en aan
het vermogen tot analyse en
synthese. De heer Rinnooy Kan heeft dat gisteren als volgt gedefinieerd:
veel hogere eisen aan integratie en
synthese ten behoeve van ontwerpen
en construeren, kunnen omgaan met
ook niet-technische randvoorwaar-
den van bedrijfskundige en
commercie¨le aard en op het gebied
van veiligheid en milieu, vaardighe-
den op het punt van communicatie
en presentatie van ontwerpen en
voorstellen, zowel intern als extern,
en het opdoen van praktische
vaardigheden. Toepassing van die
elementen op de opleiding leidt tot
de conclusie dat in de huidige
studieduur van vier jaar het niet
mogelijk is om de benodigde kennis
en vaardigheden te verwerven.
Over de ingenieursopleidingen aan
de Landbouwuniversiteit is het
oordeel van de internationale
visitatiecommissie van juni 1993 duidelijk (vertaald uit het Engels): de
Landbouwuniversiteit Wageningen
streeft ernaar een opleiding te
verschaffen die een beroepsmatig
gekwalificeerde wetenschapper op
ingenieursniveau aflevert; de
opleidingseisen zijn zeer ambitieus;
echter, moderne wetenschap en
technologie zijn te complex om dit
ideaal eenvoudig in vijf of zes jaar te
comprimeren, laat staan in vier jaar,
zoals thans de officie¨le doelstelling
is. Het resultaat is dat de Landbouw-
universiteit Wageningen nu relatief
beperkte technologische en
wetenschappelijke opleidings-
trajecten en veel hoog-
gespecialiseerde trajecten biedt.
Los van de principie¨le vraag –
willen wij nu, vooruitlopend op de
stelselherziening die als marsroute
aangeeft gemiddeld kortere trajecten
– rijzen bij mijn fractie nog een
aantal vragen. Welke garantie is er,
na eventuele aanneming van dit
wetsvoorstel, dat het slagings-
percentage onder studenten voor de
technische opleidingen ten opzichte
van de huidige situatie verbetert?
Hebben de minister en staatssecreta-
ris ook onderwijskwaliteitsgaranties
ingebouwd? Zal de gemiddelde
verblijfsduur van studenten, die nu
5,8 jaar bedraagt, dalen naar de
nominale studieduur van vijf jaar?
Kunnen de bewindslieden aangeven
op grond waarvan zij denken dat de
universiteiten dit vijfde jaar zelf
kunnen financieren? En wordt
hiermee al een trend gezet voor de
komende structuurdiscussie?
Is de staatssecretaris het met ons
eens dat het wetsvoorstel, gelet op
de verkorting van de studie-
financiering van ’’C+1’’ naar ’’C’’, de
student per saldo niet extra’s
oplevert en aan studiefinanciering
ten opzichte van de huidige situatie
niets extra’s kost? Waarop is de
schatting van 3 mln. extra studie-
financiering voor het jaar 2000
gebaseerd? Denkt de staatssecretaris
op grond van dit wetsvoorstel meer
studenten voor technische studies te
interesseren, vooral nu in het
wetsvoorstel staat dat het wetsvoor-
stel geen invloed zal hebben op het
arbeidsmarktperspectief van
afgestudeerden?
Vervolgens bevat het wetsvoorstel
nog twee andere aspecten waarop ik
kort wil ingaan. Het eerste betreft het
reeds vooruitlopen op de systema-
tiek van de prestatiebeurs. De Kamer
heeft nog geen inzicht in het
wetsvoorstel. Nog niet duidelijk is
welk model voor de prestatiebeurs
uiteindelijk gekozen gaat worden en
volgens welke criteria de lening
achteraf zal worden omgezet in een
beurs. Kan de staatssecretaris
hierover meer duidelijkheid
verschaffen?
Het tweede aspect betreft het
tegengaan van de zogenaamde
Schopenhauer-route. Wij hebben
daar geen probleem mee, omdat ook
de creativiteit financieel haar grenzen
kent. Wij vinden het echter niet fraai
dat deze wijziging op de Wet op de
studiefinanciering zo en passant nog
wordt meegenomen. Het leidt tot een
rommelige wijze van wetgeving, daar
waar de duidelijkheid met een
afzonderlijk traject zou zijn gediend.
Ik kom tot een afronding.
Inhoudelijk is de VVD-fractie wel
overtuigd van de noodzaak om te
komen tot verlenging van een aantal
ingenieursopleidingen. Wij blijven er
echter bij dat wij dit wetsvoorstel
liever hadden behandeld in het kader
van de totale stelselherziening en het
wetsvoorstel inzake de prestatie-
beurs.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2729">

 
<spreker pagina="40-2729" anker="520" partij="GPV" naam="Schutte">
 Mijnheer de
voorzitter! Het beleid op het gebied
van het hoger onderwijs begint zo
langzamerhand de vorm van een
soapserie aan te nemen. Dit is een
vergelijking die de staatssecretaris
zeker zal aanspreken. Er valt weinig
lijn meer in te ontdekken en er
ontstaan vooral veel nieuwe
problemen. Telkens duiken weer
nieuwe scenario’s op, die even in
beeld komen om daarna snel te
vervagen. Wie denkt er op dit
moment bijvoorbeeld nog aan de
plannen uit het regeerakkoord, toen
er sprake leek van een soort
twee-fasenstructuur? Niemand. In het
wetsvoorstel dat nu voorligt, wordt
met een dergelijk idee in de vorm
van een knipconstructie de vloer
aangeveegd. Hetzelfde geldt voor de
betrokken spelers. Bewindslieden die
met hun aantreden een verantwoor-
delijkheid op zich namen, zonder een
duidelijk idee of zij die gezien het
provisorische karakter van de
plannen ook maar enigszins konden
waarmaken. Tegenspelers die niet
meer wilden praten, dat vervolgens
toch deden om weer door hun
achterban te worden teruggefloten.
Het kon allemaal niet op. Het was iedereen inmiddels wel duidelijk: dit
stuk behoefde een strakke regie en
een duidelijk scenario. In dat licht
was de keuze voor een overlegronde
verstandig en begrijpelijk.
In hetzelfde licht vind ik het niet zo
verstandig, thans een besluit te
nemen over verlenging van de
cursusduur voor een aantal
technische opleidingen en opleidin-
gen op het gebied van landbouw en
natuurlijke omgeving. De discussie
over de cursusduur maakt een
integraal onderdeel uit van de
discussie over de stelselherziening
van het hoger onderwijs, getuige ook
de opmerkingen die de staatssecreta-
ris onlangs maakte over een
gedifferentieerd stelsel. Door op dit
moment voor een aantal opleidingen
een vijfjarige cursusduur mogelijk te
maken, wordt op zijn minst de indruk
gewekt dat op de uitkomsten van het
overleg wordt vooruitgelopen en dat
het toekomstig stelsel al voor een
deel wordt vormgegeven.
Ik vind dat geen goed signaal. In
de eerste plaats dreigt de discussie
over de toekomst van het hoger
onderwijs daardoor te worden
versmald tot een strijd over de
cursusduur van opleidingen. Vanuit
die gedachte kan ik de reactie van de
algemene universiteiten dan ook wel
begrijpen. Verlenging van de
technische opleidingen en een aantal
opleidingen voor landbouw en
natuurlijke omgeving heeft, zeker als
bedacht wordt dat er in de toekomst
nog besparingen zullen moeten
worden bereikt, bijna automatisch
studieduurverkorting van andere
opleidingen tot gevolg. De algemene
universiteiten staan daarbij dan op
achterstand en stellen natuurlijk de
vraag, waarom de ene opleiding wel
en de andere niet voor verlenging
van de cursusduur in aanmerking
komt. Als de discussie hiertoe wordt
beperkt, is zij vrijwel oeverloos. Er
zijn immers altijd wel argumenten te
vinden waarom iedere studie vijf of
in ieder geval niet korter dan vier
jaar moet duren om aan een bepaald
wetenschappelijk niveau te voldoen.
Dat geldt niet alleen voor technische
opleidingen, maar voor alle
opleidingen.
Anders dan een discussie over de
cursusduur van opleidingen, ben ik
van oordeel, dat de discussie zich
ook dient uit te strekken over
differentiatie binnen opleidingen. Het
is niet denkbeeldig dat die weg nu
geblokkeerd wordt. In de nota naar
aanleiding van het verslag wordt in
dit verband opgemerkt dat de
aanneming van dit wetsvoorstel niet
betekent dat de discussie en
besluitvorming over de herstructure-
ring van het hoger onderwijs zich
niet over de betrokken universitaire
technische opleidingen zouden
mogen en kunnen uitstrekken. Dat is
een prachtig voornemen, maar is het
ook realistisch om aan te nemen dat
de universiteiten de verlenging van
de cursusduur na een jarenlange
strijd binnen enkele jaren weer zullen
prijsgeven? Dat lijkt mij niet.
Ik plaats in dit verband een
vraagteken bij de efficiency van de
huidige procedure. Ik neem aan dat
de universiteiten hun programma’s
naar aanleiding van dit wetsvoorstel
zullen aanpassen. Als zij daarmee
klaar zijn, is de kans groot dat zij
opnieuw moeten beginnen.
Is de regering er overigens niet
bang voor dat de cursusduur-
verlenging voor de technische
opleidingen ten koste gaat van de
be`ta-opleidingen? In de nota naar
aanleiding van het verslag wordt
opgemerkt dat de cursusduur in dit
verband niet van doorslaggevend
belang is. Misschien is dat niet zo,
maar wat mij wel van aanzienlijk
belang lijkt, is het feit dat studenten
met technische opleidingen een jaar
langer recht op een uitkering in het
kader van de Wet op de studie-
financiering krijgen. Zal hiervan niet
een aanzienlijke aanzuigende
werking uitgaan?
Door deze gang van zaken staan
wij voor een dilemma. Dat er iets
moet gebeuren in de richting van
verlenging van de cursusduur van
een aantal technische opleidingen,
staat ook voor mij vast. Al heel lang
is ook door onze fractie twijfel geuit
over de haalbaarheid van een
vierjarige cursusduur voor deze
opleidingen. De uitgebrachte
rapporten waarop de regering haar
wetsvoorstel nu baseert, bevestigen
dit alleen maar. Als wij, door nu aan
een gebleken behoefte tegemoet te
komen, een meer samenhangende
herziening van de structuur van het
hoger onderwijs belemmeren, kan
het resultaat echter per saldo
negatief zijn voor de kwaliteit van
ons hoger onderwijs. Dat moet
worden voorkomen.
Daarom stel ik enkele concrete
vragen met het oog op de uiteinde-
lijk te maken afweging. Durft de
regering het aan, nu een inschatting
te maken van de tijd die nodig zal
zijn voordat de discussie over de
structuur van het hoger onderwijs tot
resultaten zal leiden? Is mijn
inschatting juist dat ook als dit
kabinet nog tot besluiten ter zake
komt, de effectuering ervan in
wetgeving een zaak voor een
volgend kabinet is? Met andere woorden: als wij nu ertoe besluiten,
de cursusduurverlenging te koppelen
aan het resultaat van de veel bredere
discussie, betekent dit dan dat de
huidige cursusduur nog ten minste
vijf jaar blijft bestaan?
Vervolgens meen ik dat geen
enkele onduidelijkheid mag bestaan
over de gevolgen van een
cursusduurverlenging op dit moment
voor de discussie over de meer
algemene structurele wijzigingen
binnen het hoger onderwijs. De
verzekering dat aanneming van het
wetsvoorstel niet betekent dat de
discussie en besluitvorming over de
herstructurering zich niet over de
betrokken opleidingen mogen en
kunnen uitstrekken, is mij te
	
vrijblijvend. Het moet vaststaan dat
deze opleidingen voluit hierbij
betrokken blijven en dat zij aan
eventuele aanvaarding van dit
wetsvoorstel geen rechten voor de
toekomstige discussie kunnen
ontlenen.
Een helder antwoord op deze
vragen is voor mij essentieel om te
kunnen meewerken aan aanvaarding
van het wetsvoorstel.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2730">
<spreker pagina="40-2730" anker="521" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Mijnheer de voorzitter! Dit
wetsvoorstel kan op twee manieren
benaderd worden, ten eerste als het
eindpunt van een weg die al enige
tijd geleden is ingezet en ten tweede
als het begin van de voorgenomen
differentiatie van de studieduur in
het hoger onderwijs. Beide benade-
ringen geven er volgens mijn fractie
aanleiding toe, dit voorstel snel te
behandelen.
De eerste hangt samen met het
feit dat het proces dat tot dit
wetsvoorstel heeft geleid, al in 1991
begonnen is. Er zijn gedurende dit
proces verwachtingen gewekt.
Langer uitstel door op de afronding
van de discussie over de stelsel-
herziening te wachten, zou uiterst
onzorgvuldig zijn. Bovendien moeten
wij onderkennen dat het aanpassen
van de curricula een werk van jaren
is, dat ook niet op de lange baan kan
worden geschoven.
Wat de tweede benadering betreft,
is er niets op tegen, langs de
ingezette lijn als het ware een
voorschotje te nemen om goed
onderbouwd enkele geselecteerde
studierichtingen een wettelijke
studielast te geven die gelijk is aan
de feitelijke studielast. In het
onderhavige geval speelt ook de
studeerbaarheid een rol bij de
aanpassing van de wettelijke situatie
aan de feitelijke situatie.
Alles bij elkaar is het een goede
vingeroefening, waarbij de noodzaak
is aangetoond om niet te wachten op
de voorgenomen stelselherziening
van het hoger onderwijs. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2730" anker="522" partij="GPV" naam="Schutte">
 Moet ik
hieruit afleiden dat mevrouw
Jorritsma vindt dat de aanvaarding
van dit wetsvoorstel in de verdere
discussie als een gegeven moet
worden beschouwd? Als dit niet het
geval is, zegt zij wel erg gemakkelijk
dat er geen bezwaar tegen is om een
voorschot te nemen.</spreker>
<spreker pagina="40-2730" anker="523" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Ik kom er straks nog op terug.
Hierbij hoort de opmerking dat wij
nu heel zorgvuldig moeten bekijken,
welke studierichtingen in dit
wetsvoorstel worden opgenomen. De
noodzakelijkheid ervan moet worden
aangetoond en het moeten er ook
niet te veel zijn. Ik denk dat er in
eerste instantie moet worden
bepaald wat onaantastbaar is. Ook
moeten wij ervan uitgaan dat de zaak
niet binnen zeer korte tijd weer op de
schop moet worden gegooid.
Daarom spreek ik van een voor-
schotje. Gezien de andere benade-
ring die ik eerst genoemd heb, denk
ik dat wij dat voorschotje op een
verantwoorde wijze kunnen nemen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2730" anker="524" partij="GPV" naam="Schutte">
 Maar vindt u
het dan niet wat vreemd dat, als je
een algemene discussie gaat voeren,
waarvan naar de mening van deze
coalitie een resultaat zal zijn dat de
gemiddelde studieduur omlaag gaat,
nu al een voorschot wordt genomen
die uitsluitend bestaat uit een
verlenging van de cursusduur van
een aantal opleidingen?</spreker>
<spreker pagina="40-2730" anker="525" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Nogmaals, het mogen er niet
te veel zijn, het moet heel zorgvuldig
worden bekeken. Bovendien geldt de
gemiddelde verkorting natuurlijk
voor alle HBO- en universitaire
opleidingen. Dat is dus een veel
breder geheel. Ik ga er vooralsnog
van uit dat het zeer wel mogelijk is
om die gemiddelde verblijfsduur te
verkorten, ondanks het feit dat wij dit
nu inzetten. Want de kwestie van de
verlenging van de cursusduur was al
lang aan de orde voordat de
daadwerkelijke inzet van de
stelselherziening in beeld kwam.
Daarom vind ik dat wij daarop best
een voorschot kunnen nemen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2730" anker="526" partij="GPV" naam="Schutte">
 De discussie
was inderdaad al aan de gang. Maar
naar mijn oordeel werd de discussie
gecompliceerd door de afspraken die
gemaakt zijn bij de totstandkoming
van dit kabinet. Daarbij is namelijk
afgesproken dat er een uitgebreide
discussie zou plaatsvinden over een
stelselherziening, die uiteindelijk zou
moeten resulteren in een verkorting
van de cursusduur. En u zegt nu met een zeker gemak: als wij maar goed
uitkijken dat het er niet al te veel zijn,
kunnen wij nu wel vast besluiten om
van vier vijf te maken. Maar daarmee
maakt u de discussie toch weer
gecompliceerder?</spreker>
<spreker pagina="40-2730" anker="527" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 De discussie is toch al
buitengewoon gecompliceerd.
Wellicht zal dit ook nog een
complicerende factor zijn. Maar dat
Mevrouw Jorritsma-van Oosten (D66)wil dan nog niet zeggen dat wij het
dan maar niet moeten doen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2731" anker="528" partij="CDA" naam="Lansink">
 Voorzitter!
Mevrouw Jorritsma heeft nu al twee
keer gezegd dat het er niet te veel
moeten zijn. Houdt dit in dat zij al
aan een begrenzing van het aantal
denkt?</spreker>
<spreker pagina="40-2731" anker="529" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Nee. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2731" anker="530" partij="CDA" naam="Lansink">
 Stel dat er
een aantal opleidingen zijn – ik heb
er een aantal genoemd – die wel
degelijk voldoen aan de criteria die
gelden voor dit wetsvoorstel. Hoe wil
mevrouw Jorritsma dan voorkomen
dat in die gevallen verlenging van de
cursusduur plaatsvindt? Omdat het
er dan niet te veel mogen zijn, kan
toch niet zomaar ergens de bijl
vallen, zonder dat daarvoor enig
criterium geldt. Is dat trouwens de
reden waarom mevrouw Jorritsma
de opleidingen aan de Landbouw-
universiteit schrapt?</spreker>
<spreker pagina="40-2731" anker="531" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Ik denk niet aan een bepaald
aantal. Ik ben ervan uitgegaan dat de
opleidingen zorgvuldig zijn geselec-
teerd. In de nota naar aanleiding van
het verslag staat hierover ook het
een en ander genoteerd. Dat was
voor mij zeer acceptabel. Ik ga er dan
ook van uit dat het vooralsnog geldt
voor deze studierichtingen. De heer
Lansink heeft ongetwijfeld mijn
amendement gezien. Ik vind de
onderbouwing van de keuze van de
studierichtingen aan de Landbouw-
universiteit niet voldoende. Mede
daarom heb ik gezegd dat er sprake
moet zijn van een beperkt aantal.
Maar ik herhaal dat ik er daarbij niet
van uit ben gegaan dat er nu ineens
weer andere studierichtingen bij
komen die aan precies dezelfde
criteria voldoen. Want naar mijn idee
heeft er een buitengewoon zorgvul-
dige selectie van de studierichtingen
plaatsgevonden. De selectie is
onderbouwd en in de nota naar
aanleiding van het eindverslag extra
toegelicht. Ik vind dat acceptabel. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2731" anker="532" partij="CDA" naam="Lansink">
 Wat betekent dan de zin: het moeten er
niet te veel zijn?</spreker>
<spreker pagina="40-2731" anker="533" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Ik heb net al gezegd dat ik
daarbij niet aan een bepaald aantal
denk. Maar wij moeten zorgvuldig
zijn bij de selectie van de opleidin-
gen die hiervoor in aanmerking
komen. Dat houdt automatisch in dat
het aantal niet met een zeker gemak
moet worden uitgebreid, zoals de
heer Lansink in zijn amendementen
heeft gedaan voor een aantal andere
opleidingen. Ik vind dat je je zoveel
mogelijk moet beperken tot die
opleidingen waarvan duidelijk is
aangetoond dat verlenging van de
cursusduur op dit moment noodzake-
lijk is. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2731" anker="534" partij="CDA" naam="Lansink">
 Ik bestrijd
dat ik dat met een zeker gemak heb
gedaan. Ik verwijs in dit verband
naar de stukken die de VSNU de
afgelopen jaren heeft aangeleverd.
De discussie loopt al veel langer dan
de laatste dagen en weken. Ik heb
ook aangetoond waarom de studies
in de scheikunde, de natuurkunde en
de biologie een zelfde zwaarte
hebben. Kijk ook naar de arbeids-
markt enzovoort.</spreker>
<spreker pagina="40-2731" anker="535" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Voor mij geldt dat dus niet. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2731" anker="536" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Mevrouw Jorritsma, het is van twee dingen een: o`f u aanvaardt de
criteria, wat betekent dat elke
opleiding die aan de criteria voldoet
op de lijst wordt opgenomen, o`f u
schrapt de criteria die de bewindslie-
den hebben gekozen voor de selectie
van de opleidingen en dan bent u
duidelijk. Maar u kunt niet de criteria
aanvaarden en vervolgens zeggen
dat het eigenlijk een onsje minder
mag zijn.</spreker>
<spreker pagina="40-2731" anker="537" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Uit de criteria die door de
regering zijn gehanteerd, volgen
enkele bij naam genoemde studie-
richtingen. Dat is wat mij betreft een
afgesloten geheel. Ik ga ervan uit dat
er nu niet uit de hoge hoed allerlei
andere studierichtingen komen die
ook exact aan die criteria voldoen. Ik
ben natuurlijk wel bereid om
daarnaar te kijken. Dat moet echter
heel zorgvuldig en selectief
gebeuren, zodat wij niet op een hellend vlak komen van: steeds
meer, steeds meer, steeds meer. Dat
lijkt mij vrij duidelijk. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2731" anker="538" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Ik begrijp het. U zegt: de criteria zijn
duidelijk, maar er moet zorgvuldig
worden gekeken naar de opleidingen
die daar wel en die daar niet onder
vallen.</spreker>
<spreker pagina="40-2731" anker="539" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 En dat is naar mijn idee ook
door de regering gedaan in dit
wetsvoorstel.
Voorzitter! Ik vervolg mijn betoog.
Wat willen wij nu eigenlijk met ons
hoger-onderwijsstelsel? Het is nu
niet de tijd en dit is niet de plaats om
dat uit te werken. Toch wil ik een
paar opmerkingen maken over de
toekomst in samenhang met het
wetsvoorstel. Heel kort samengevat,
streven wij naar een cursusduur die
per opleiding past bij de inhoud van
de studie, zowel qua zwaarte als qua
hoeveelheid, die een diploma levert
dat zo goed mogelijk aansluit op de
arbeidsmarkt en dat internationaal de
concurrentie aankan met vergelijk-
bare studies. Bovendien moet de
studie ook binnen de afgesproken
tijd studeerbaar zijn. Naar de
opvatting van D66 voldoet dit
voorstel aan al deze voorwaarden.
Hoe wordt een en ander onder-
bouwd? Gebaseerd op een indruk-
wekkende reeks adviezen en
rapporten, te beginnen in 1991,
worden in de memorie van
toelichting eisen genoemd waaraan
technische ingenieurs moeten
voldoen, samengebald in de formulering: een hoog abstractie-
niveau, gekoppeld aan een brede
technische basiskennis en gekoppeld
aan het vermogen tot analyse en
synthese. Dat houdt dus in dat pas
afgestudeerde ingenieurs onmiddel-
lijk niet alleen technisch-
wetenschappelijk op het hoogste
niveau moeten functioneren, maar
daarnaast ook vaardigheden moeten
hebben op het gebied van manage-
ment, budgetbeheersing, milieu,
veiligheid en andere niet-technische
beleidsvelden. Deze eisen onder-
scheiden de ingenieursopleidingen
van alle andere wetenschappelijke
opleidingen, ook de natuurweten-
schappelijke opleidingen bij de
algemene universiteiten.
In dit verband wijs ik er nogmaals
op dat ik dit wetsvoorstel niet los zie
van wat er nog gaat komen over de
cursusduur van alle studies. Ik zie het
als een vooruitgeschoven post. Voor
andere opleidingen is er nog alle
mogelijkheid om over de cursusduur
te praten. Het gaat daarom niet aan
om uitstel te eisen van de behande-
ling van dit wetsvoorstel tot de
stelselherziening aan de orde is,
mede gezien de eerder aangehaalde
voorgeschiedenis. De manier waarop
dit kortgeleden door een aantal
algemene universiteiten is aange-
kaart, is dan ook op mijn fractie als
buitengewoon onplezierig over-
gekomen.
Voorzitter! Dan kom ik bij de
internationale component. Mijn
fractie is van mening dat deze een
steeds belangrijkere rol gaat spelen.
De constatering dat de diepte van de
Nederlandse opleidingen de toets
der vergelijking kan doorstaan, maar
dat de breedte beter kan, leidt in de
richting van de verlengde cursus-
duur. Bovendien blijkt uit de
verstrekte informatie dat de
cursusduur van universitaire
ingenieursopleidingen in verschil-
lende Europese landen ook langer is
dan vier jaar. Het feit dat een
adequaat curriculum dat past in een
cursusduur van vijf jaar een betere
concurrentiepositie oplevert voor de
Nederlandse ingenieurs op de
buitenlandse markt, is voor ons een
steekhoudend argument.
Ik kom nu te spreken over de
selectie van de opleidingen. Uit het
voorgaande moge blijken dat de
voorgestelde studierichtingen aan de
technische universiteiten van Delft,
Eindhoven en Twente, aan de
universiteit van Groningen en aan de
Open universiteit voor ons volstrekt
aannemelijk zijn gemaakt. Dat is
echter vooralsnog niet het geval voor
de voorgestelde ingenieurs-
opleidingen op het gebied van
landbouw en natuurlijke omgeving
aan de Landbouwuniversiteit
Wageningen. In tegenstelling tot de
brede onderbouwing en het lange
traject voor de andere opleidingen
vind ik hier het aanvullend advies
van de RCO, gebaseerd op rapporten
van het NILI en van wat men zou
kunnen noemen andere branche-
organisaties, naast een toevoeging in
het advies van de AWT. Bovendien
zijn de bedoelde opleidingen aan de
Landbouwuniversiteit Wageningen
pas in een later stadium aan de reeks
studierichtingen toegevoegd. Deze
magere inhoudelijke onderbouwing
op dit moment brengt mijn fractie tot
de conclusie, dat de bedoelde
studierichtingen heel goed aan de
orde kunnen komen tijdens de brede
discussie over de stelselherziening
die wij over enige tijd gaan voeren.
Om te bereiken dat dit ook gebeurt,
hebben wij een amendement
ingediend. Wij staan evenwel open
voor steekhoudende, inhoudelijke
argumenten van de minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2732" anker="540" partij="SGP" naam="Van der Vlies">

Voorzitter! Ik wil een zeer praktische
vraag stellen. Wat is het verschil
tussen een Wagenings ingenieur
milieutechniek en een Delfts
ingenieur milieutechniek?</spreker>
<spreker pagina="40-2732" anker="541" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Als daartussen geen verschil
zou zijn, zouden beiden op dezelfde
universiteit kunnen studeren. Ik wil
echter herinneren aan de onderbou-
wing voor de opzet van deze
studierichtingen en aan de opmerkin-
gen van de RCO. De heer Van der
Vlies was op de bijeenkomst met de
RCO aanwezig. De opmerkingen van
de RCO hebben mij gesterkt in mijn
mening. De puur technische
ingenieurs moeten, gelet op de
opleiding die zij hebben genoten en
de zaken waarmee zij te maken
krijgen, toch op een andere manier
gaan functioneren dan zij hadden verwacht. Nogmaals: over die
Wageningse ingenieur heb ik
nauwelijks iets inhoudelijks gehoord.
Daarom vraag ik nu heel uitdrukkelijk
aan de minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij, mij op dit
punt nog het een en ander te
verduidelijken. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2732" anker="542" partij="SGP" naam="Van der Vlies">

Voorzitter! Ik stelde een praktische
vraag en misschien was die te
simpel. Ik heb deze vraag echter
bewust gesteld. Ik heb het beraad
met de RCO ook bijgewoond. Tijdens
dat beraad werd, met redenen
omkleed, op de Kamer een dringend
beroep gedaan om de Landbouw-
universiteit Wageningen niet buiten
te sluiten. Daarbij werd het amende-
ment van mevrouw Jorritsma dus krachtig ontraden. Toch zegt zij nu:
denk eens aan hetgeen de RCO heeft
gezegd. Het een is toch volstrekt
strijdig met het ander. Daarom heb ik
een uitleg gevraagd en een simpele
vraag gesteld.</spreker>
<spreker pagina="40-2732" anker="543" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Op het punt van de puur
technische ingenieur is de uitleg van
de RCO voor mij duidelijk geweest. Ik
ben het met u eens, dat is gezegd
dat de landbouwopleidingen ook aan
de orde moeten komen. Daarbij heb
ik niet uitdrukkelijk inhoudelijke
argumenten gehoord. Nu vraag ik
aan de minister of die er zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2732" anker="544" partij="SGP" naam="Van der Vlies">

Voorzitter! Ik heb begrepen dat de
karakteristieken die voor de RCO
aanleiding waren om bij de Kamer
krachtig te pleiten voor een gunstige
bejegening van dit wetsvoorstel, niet
alleen betrekking hadden op die
Delftse ingenieur en enkele anderen,
maar ook op de Wageningse. Dat is
nou net het punt. De kenmerken van
de Delftse ingenieur worden ook
vereist volgens het profiel dat voor
de Wageningse ingenieur geldt.
Blijkbaar heeft mevrouw Jorritsma
een andere visie. Graag hoor ik hoe
zij tot die andere visie komt.</spreker>
<spreker pagina="40-2732" anker="545" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Ik heb in mijn betoog gezegd
dat ik ten aanzien van de technische
punten voldoende onderbouwing
voor mijn bewering heb gekregen.
Inderdaad, het gaat om een andere
universiteit en een ander soort
opleiding. Daarom had ik voor de
opzet hiervan graag een aparte
onderbouwing gekregen. Die heb ik
tijdens dat beraad niet gekregen en
die aparte onderbouwing, die dus
gaat over het afzonderlijke, op de
landbouw gebaseerde gedeelte,
vraag ik nu van de minister en ik ben
daar zeer benieuwd naar. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2732" anker="546" partij="CDA" naam="Lansink">
 Voorzitter!
Misschien zal de minister erin slagen
om mevrouw Jorritsma ervan te
overtuigen dat zij met een onzinnig
amendement komt. Ik wil nu nog
even terugkomen op de discussie
met de heer Rabbae, die zojuist is
gevoerd. De heer Rabbae zei het
volgende tegen mevrouw Jorritsma. Het is van tweee¨n een: ofte wel u
aanvaardt de criteria en dan moet
men vervolgens toetsen en de
uitslag afwachten, ofte wel u laat die
criteria weg en noemt een cijfer. In
de toelichting van het wetsvoorstel
staan de criteria. Als de opleiding in
Wageningen nu wordt beoordeeld
aan de hand van deze criteria, kan
mevrouw Jorritsma toch niet in
gemoede volhouden dat de
milieutechnicus waarover de heer
Van der Vlies het had, de zoo¨techni-
cus, de levensmiddelentechnoloog
en alle anderen die worden
genoemd, niet aan de criteria
voldoen. Waarom moet zij zich dan
toch nog door de minister laten
overtuigen.</spreker>
<spreker pagina="40-2732" anker="547" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Ik heb gezegd dat twee zaken aan de orde zijn: de criteria en het
aantonen door de verschillende
studierichtingen dat zij aan die
criteria voldoen. Wat die criteria
betreft, ben ik overtuigd; daar sta ik
achter. Wat het tweede punt betreft,
heb ik echter op het gebied van de
landbouwopleidingen nog behoefte
aan een expliciete uitleg. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2733" anker="548" partij="CDA" naam="Lansink">
 Maar u hebt
een wijzigingsvoorstel ingediend.
Natuurlijk, u kunt iets aan de
minister vragen. Dat doen wij
allemaal wel eens. U komt echter
met een wijzigingsvoorstel dat ertoe
strekt om de Landbouwuniversiteit
uit de systematiek te halen. Ik doel
nu op de opleidingen die in het
bewuste artikel staan. Dit betekent
toch, dat u over deze zaak moet
hebben nagedacht en dat u de
toetsing aan de criteria zelf al heeft
uitgevoerd. Die toetsing moet dan tot
een negatieve uitkomst hebben
geleid, anders zou u dat amende-
ment niet hebben ingediend. Daarom
wil ik graag van u horen waarom de
genoemde opleidingen niet aan de
bedoelde criteria voldoen. Blijkbaar
kunt u dat niet aangeven.</spreker>
<spreker pagina="40-2733" anker="549" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Neen, daar wacht ik nog op,
dat moet ik nog horen. Wij blijven nu
almaar in een kringetje ronddraaien. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2733" anker="550" partij="CDA" naam="Lansink">
 Mijn laatste
punt, althans in uw richting, is dat
wij medewetgever zijn. Als u een
wijzigingsvoorstel indient, hebt u ook
aan te tonen waarom u vindt dat het
kracht van wet zou moeten krijgen.
Maar goed, het kan best zijn dat de
minister u overtuigt dat het niet
hoeft.</spreker>
<spreker pagina="40-2733" anker="551" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Ja, wie weet? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2733" anker="552" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Misschien een andere variant: als u
de minister nog niet hebt aange-
hoord over de inhoudelijke onder-
bouwing van die andere ingenieurs-
opleidingen, waarom heeft u dan
alvast een amendement uitgewerkt?</spreker>
<spreker pagina="40-2733" anker="553" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Ik ga ervan uit dat ik mede
door dit amendement in ieder geval
een buitengewoon krachtige
argumentatie van de minister van
Landbouw krijg. Als ik het gewoon
vraag, zou dat misschien minder
goed lukken. Vandaar dat ik dit toch
zodanig ernstig vind dat ik hier een
heel toegespitste discussie wil. Ik ga
ervan uit dat die komt. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2733" anker="554" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Dus u
gebruikt het amendement niet zozeer
om als het ware overtuigd te
worden, maar meer als een soort
chantagemiddel in de richting van de
minister van Landbouw om aan te
geven hoe ernstig de zaak is. Dan
bent u bereid om dit amendement in
te slikken.</spreker>
<spreker pagina="40-2733" anker="555" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Zeker niet, want dan had ik het
natuurlijk niet gedaan. Ik vind het
een belangrijk punt. Wij hebben hier
een discussie, waarin ik goede
argumenten wil horen die mij
overtuigen. Dat is zeker niet gebeurd
als chantagemiddel. Kom nu toch. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2733" anker="556" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Maar
dan gaat u toch niet serieus te werk?
U springt gewoon in de duisternis; of
u eruit komt, is afhankelijk van wat
de minister van Landbouw gaat
zeggen.</spreker>
<spreker pagina="40-2733" anker="557" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Dat is toch een normale gang
van zaken om met elkaar te
discussie¨ren? Waarom zou ik niet
zeggen dat ik het op dit moment
nodig vind nodig om die wijziging
via een amendement voor te stellen?
Waarom zou ik daar niet bij zeggen
dat ik opensta voor argumenten? Dat
is toch een normale manier om met
elkaar in debat te treden? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2733" anker="558" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Dat
mag. Het geeft alleen aan dat u
eigenlijk niet zo sterk staat in uw
argument wat de andere ingenieurs-
opleidingen betreft.</spreker>
<spreker pagina="40-2733" anker="559" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Voorlopig vind ik het nog sterk
genoeg.
Voorzitter! Ik wil enkele opmerkin-
gen maken over de vormgeving en
de studeerbaarheid van de opleidin-
gen. Datgene wat wordt aangeduid
als de ’’knipconstructie’’ heeft de
D66-fractie nooit aangesproken. Juist
omdat vanaf het begin van de studie
aandacht wordt besteed aan de
specifieke eisen die worden gesteld
aan technische opleidingen en
technisch ingenieurs, moet er een
doorlopende lijn van vijf jaar zijn. Als
dat niet zou gebeuren, zou ook een
deel van de argumenten voor de
verlenging worden ondergraven.
Hierop aansluitend is het ook
volstrekt ondoelmatig en kwaliteits-
verarmend om de mogelijkheid te
scheppen om na een gewoon
doctoraal door middel van een
kopstudie alsnog een ingenieurs-
diploma te halen. Het verheugt ons
derhalve dat de regering deze variant
niet heeft gekozen.
Dat de universiteiten bij de
opleidingen waarvan de cursusduur
wordt verlengd tot vijf jaar per saldo
geen extra studiestof zullen
toevoegen aan de desbetreffende
curricula, stemt ons tot tevredenheid.
Indien dat wel zou gebeuren, zou de
ontworsteling aan het knellende
keurslijf van de uniforme cursusduur
immers weer teniet worden gedaan.
Wij gaan ervan uit dat de universitei-
ten zich hieraan ook daadwerkelijk
zullen houden.
Ten slotte kom ik bij het geld. De
voorgestelde vorm van studie-
financiering loopt vooruit op en sluit
zelfs ten dele aan bij de voorgeno-
men plannen voor de prestatiebeurs,
voor zover wij dat op dit moment
tenminste kunnen beoordelen. Ik
vraag mij af waarom dan toch zo’n
afwijkende en vrij ingewikkelde
regeling moet worden getroffen voor
het zesde studiejaar. De veronder-
stelde mogelijkheden tot oneigenlijk
gebruik wegen mijns inziens niet op
tegen de omvang van de verande-
rende regels.
Ook het op dit moment decentrali-
seren van dit deel van de studie-
financiering naar de instellingen lijkt
inefficie¨nt. Mijn voorstel zou zijn, de
huidige regelingen voor de desbe-
treffende studierichtingen gewoon
met een jaar te verlengen totdat een
nieuwe vorm van studiefinanciering
operationeel wordt.
Mijnheer de voorzitter! Ik rond af.
Mijn fractie staat positief tegenover
het wetsvoorstel, maar wacht met
belangstelling de antwoorden van de
staatssecretaris en de minister af.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2733">

 
<spreker pagina="40-2733" anker="560" partij="SGP" naam="Van der Vlies">

Mijnheer de voorzitter! Als Delfts
ingenieur die in de politiek terechtge-
komen is, lever ik graag een bijdrage
aan dit debat. Het wetsvoorstel is
ingediend door het vorige kabinet op
een moment dat dit al min of meer
demissionair was. De datum van de
koninklijke boodschap bij welke ons
het wetsvoorstel is aangereikt, is 2
mei 1994. De verkiezingen werden
een dag later gehouden.
Intussen is er weliswaar feitelijk
nog niets veranderd in het hoger
onderwijs, maar er is door het
huidige kabinet al heel wat in
beweging gezet, althans er zijn heel
wat tongen en pennen los gekomen.
De heer Schutte heeft daar zojuist
een karakteristiek van gegeven; ik
hoef deze niet te herhalen. De
ontstane situatie roept natuurlijk de
vraag op of het wel wijs is, dit
wetsvoorstel nu zonder meer af te
handelen. Sprekers voor mij hebben
die vraag ook gesteld en beantwoord
in de zin dat dit toch moet. Dat is
ook de visie van de SGP-fractie.
Er is een proces begonnen gericht
op herstructurering van het hoger
onderwijs. Differentiatie en flexibili-
sering zijn daarbij belangrijke
trefwoorden. Ook de SGP-fractie pleit
daar op inhoudelijke gronden al
langere tijd voor. Per studie moet
bezien worden welke cursusduur
ree¨el is. Dit is nu eenmaal niet in een
eenheidsworst te proppen. Dat is in
het verleden te vaak geschied.
Vanuit deze stellingname hebben
wij positief gereageerd op de
voorgestelde verlenging van de
cursusduur van technisch-
wetenschappelijke en een aantal
landbouwopleidingen tot vijf jaar.
Het zou niet wijs zijn om de
voorliggende wijziging op te houden
tot het moment van stelselherziening
in het hoger onderwijs. Daarbij gaat
het niet alleen om de besluitvorming,
maar ook om de implementatie. Ik
schat dat wij dan gemakkelijk een
jaar of acht verder zullen zijn.
Dergelijk tijdverlies moet niet worden
ingeboekt. Het zou schade doen.
Immers, de aanpassing van de
cursusduur is urgent in een toets van
internationale vergelijking en met het
oog op de industrie¨le toekomst van
ons land. Daarvoor is een adequate
opleiding van wetenschappers en
toegepaste wetenschappers uiterst
belangrijk.
Om deze positieve stellingname te
kunnen handhaven, moeten nog wel
enige vragen worden beantwoord.
Zowel in de voorlopige discussie
over het hoger onderwijs, die nu
loopt, als in de schriftelijke behande-
ling van dit wetsvoorstel is de
zogenaamde knipconstructie aan de
orde geweest. Aanvankelijk leek dat
zelfs de oplossing van het kabinet
voor de financie¨le problemen. Alle
hoger-onderwijsstudenten zouden
een soort algemeen vormende
basisopleiding krijgen en voor een
deel van hen zou er een kop op
worden gezet in de vorm van een
soort mastersopleiding.
In het voorliggende wetsvoorstel
wordt zo’n constructie afgewezen,
omdat een knip na vier jaar
kunstmatig zou zijn als het feitelijk de
bedoeling is dat 100% doorstroomt.
De specifieke kenmerken van de
ingenieursopleiding dienen van meet
af aan in het curriculum te zijn
verwerkt, zo luidt de motivering
terecht. Het gaat mij er niet om dat
alsnog wordt besloten tot het
aanbrengen van een knip in de te
verlengen ingenieursopleidingen.
Wel lijkt het mij van belang dat deze
discussie in principe open blijft.
Anders zou dit de bredere discussie
over het totale hoger-
onderwijsstelsel belasten. Ook mijn
fractie beraadt zich nog over de
toekomst van de structuur van het
hoger onderwijs. Dit wetsvoorstel
mag op geen enkele wijze een
belemmering zijn voor die totale,
integrale discussie.
De mislukking van de huidige
twee-fasenstructuur is wel duidelijk.
De vraag blijft echter staan in
hoeverre alle technische en
landbouwkundige studenten het
volledige curriculum dienen te
doorlopen. In de komende discussie
over het hoger onderwijs dient deze
vraag ook ten aanzien van de
ingenieursopleidingen gesteld te
kunnen worden. Of is de vraagstel-
ling een heel andere – dat klonk ook
wat door in het gesprek dat
kamerleden hadden met de RCO gisteren – in de trant van: alle
onderzoeken hebben uitgewezen dat
de ingenieursopleidingen moeten
worden verlengd, ter wille van de
kwaliteit en de inzetbaarheid van de
opgeleide ingenieurs, nationaal en
internationaal; deze opvatting over
de noodzaak van verlenging wordt
breed gedragen; verlenging is
gewoon nodig, maar voor specialisa-
ties zou er mogelijk nog een kop op
moeten, een knip als het ware, niet
van 4 plus 1, of 3 plus 2, zoals die tot
nu toe in de discussies aan de orde
zijn geweest, maar de 5 waarover wij
het nu hebben plus 1 tot 2. Daar wil
ik graag de visie van de staatssecre-
taris op vernemen. Als het waar is
wat in de onderzoeksrapporten is
bloot gelegd, lijkt de discussie niet
eens te zijn 4 plus 1 of 3 plus 2, maar
5 en 5-plus, wat die plus ook is.
Vervolgens kom ik op de
landbouwuniversiteitsopleidingen. Er
zijn allerlei argumenten genoemd ter
ondersteuning van het voorstel tot
verlenging van de ingenieurs-
opleidingen. Ze staan in de
rapporten. Ik herken mij daarin. Ik ga
dan ook niet op de inhoudelijke
argumenten in. Wel is ook voor mijn
fractie de argumentatie voor
verlenging van alle opleidingen van
de LU iets minder helder dan die
voor alle technische opleidingen. Het
generieke karakter hier, of het
generieke karakter daar zou wat ons
betreft nog kunnen worden bezien,
maar het op dit punt ingediende
amendement van mevrouw
Jorritsma-van Oosten gaat ons dus
te ver. Wij zijn daar na al het
onderzoek en de ontwikkeling tot nu
toe, zie het HOOP 1994, niet voor.
Het is eigenlijk ook een merkwaardig
amendement, niet vanwege de
inhoud, maar vanwege de kleur van
de fractie die het amendement hier
verdedigt. Als ik mij realiseer dat
juist D66 altijd heeft gepleit voor
verdieping en innovatie van kennis
en onderzoek op het punt van
milieubeheer en natuurbeheer, en
dus meer algemeen om hoogwaar-
dige alertie en geavanceerdheid
vraagt op de spanningsvelden
landbouw en milieu, economie en
ecologie, is het niet goed te
begrijpen dat dit amendement nu
juist uit die hoek komt. Vergun mij
die opmerking.
De be`tastudies, vooral een punt
van de heer Lansink dat ik op zichzelf
ondersteun. Er zijn pleidooien
gevoerd voor het eveneens
verlengen van be`tastudies, met
name de mathematische en
natuurwetenschappelijke doctoraal-
opleidingen. In de nog te voeren
discussie over de structuur van het
hoger onderwijs moeten deze studies
beslist aan de orde zijn. Collega
Lansink heeft de Kamer op dat punt
een amendement voorgelegd. Daarin
worden ze aan de orde gesteld. Er
zijn inderdaad studies – de heer
Lansink heeft ze genoemd –
waarover dezelfde verhalen zijn te
houden als over de ingenieurs-
opleidingen. Wetenschap en techniek
en wetenschap en toegepaste
wetenschap zijn onmiskenbaar naar
elkaar toegegroeid. Dat is een door
ons gewenste ontwikkeling geweest.
Die hebben wij ook in de Wet op het
hoger en wetenschappelijk onderwijs
en onderzoek met elkaar bediscussi-
eerd. Er zijn allerlei velden van
wetenschap en techniek en toege-
paste wetenschap en techniek te
vinden in allerlei technologiee¨n,
waarbij ingenieurs en doctoraal
opgeleiden inzetbaar zijn vanuit
dezelfde kwalificatie en op hetzelfde
terrein, van meet af aan. Dat zou iets
te betekenen moeten hebben. Bij de
ene instelling zal het misschien een
studierichting zijn vanaf de propae-
deuse tot aan de einddiplomering,
terwijl het bij de andere een
specialisatie in de doctoraalfase is.
De kwalificatie is dan dezelfde. Daar
kunnen wij toch niet omheen? Dat
kunnen wij toch niet onbeantwoord
laten? Kortom, ik heb sympathie
voor de gedachte in het amende-
ment van de heer Lansink. Hij heeft
immers zelf de vraag in discussie
gebracht of het langs de ene route
moet, dan wel langs de route van
zijn amendement. Dat wacht ik in
deze discussie verder met hem af.
Het plan is dat per 1 augustus a.s.
het principe ingaat van beperking
van de duur van de studie-
financiering tot de duur van de
cursus. Door velen is dit als extra
argument aangevoerd tegen het
uitstellen van de nu voorgestelde
verlenging. Dat argument spreekt
mijn fractie aan. De studenten aan de
desbetreffende opleidingen zouden
anders immers door deze maatregel
onevenredig zwaar worden getroffen,
gezien hun al bestaande feitelijke
studieduur van gemiddeld meer dan
vijfenhalf jaar. Ik neem aan dat de
duur voor wat betreft de gemengde
studiefinanciering gewoon op vijf
jaar wordt gesteld. Overigens
verneem ik graag een nadere
toelichting op de wijze waarop een
en ander wordt afgestemd op en
geı¨ntegreerd in het totale stelsel van
studiefinanciering, mede gelet op
rechtsgelijkheid. Op welke grond
geef je, algemeen maatschappelijk
gesproken, de ene jongere vier en de
andere vijf jaar recht op studie-
financiering? Gaat het dan alleen om
de studiekeuze en het civiele effect
van zijn diploma, een afgeronde
studie dus, of al van meet af aan?
Daar zit een wezenlijk punt van
rechtsgelijkheid – ik heb dat al eerder
in het politieke debat ingebracht –
waar wij in het kader van de
studiefinanciering en de differentiatie
van het studiefinancieringsrecht
daarbinnen, een antwoord op
moeten vinden. Een complicatie zou
dan ook nog kunnen zijn dat je van
de ene studie overstapt op de andere
studie waar verschillende cursus-
duren aan verbonden zijn. Die
complicatie hoeven wij nu niet op te
lossen. Dat vraag ik ook niet van de
staatssecretaris. Dat betreft
overigens de portefeuille van de
minister van OCW. Ik wil dit punt
echter wel genoemd hebben.
Als ik toch spreek over de
studiefinanciering, wil ik kort nog het
volgende naar voren brengen.
Onlangs verschenen er berichten
over studenten die om de laatste
lichtingen van de dienstplicht te
ontlopen, langer ingeschreven
blijven staan bij een hoge school of
universiteit. Wat kan het ministerie
daartegen doen?
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2735">

 
<spreker pagina="40-2735" anker="561" partij="PvdA" naam="Van Gelder">

Mijnheer de voorzitter! Voor ons ligt
een wetsvoorstel met een behoorlijke
voorgeschiedenis. Voor mij is echter
belangrijker dat er een duidelijke lijn
in zit. Die lijn is dat het niet goed
mogelijk lijkt of zelfs onmogelijk is
om een studie aan een technische
universiteit in vier jaar te voltooien.
Hierover is in de loop van de tijd
nogal wat overleg gevoerd, zijn
convenanten afgesloten en onderzoe-
ken verricht. Desondanks roept het
op de valreep, nu besloten moet
worden, nogal wat, soms forse
reacties op, wellicht heftiger dan
ooit. Duidelijk is echter – daar is
iedereen het toch wel over eens –
dat de beschikbaarheid van
voldoende en goed opgeleide
technici en onderzoekers van
doorslaggevend belang is voor onze
samenleving, in kwantitatief en
kwalitatief opzicht. Het is terecht dat
daar in de loop van de tijd veel
discussie aan gewijd is en beleid
voor is ontwikkeld. Ik wil nadrukkelijk
stellen dat voor mij en voor mijn
fractie dit wetsvoorstel niet anders is
dan een schakel in een keten om een
probleem van bredere strekking aan
de orde te krijgen. Wij weten
namelijk dat er wat betreft de
toekomst voor technisch opgeleiden
kwantitatieve problemen zijn en er
dus het vraagstuk is hoe je de
studies aantrekkelijker kunt maken.
Er zijn ook kwalitatieve problemen,
maar die gelden niet alleen voor de
technische universiteiten, maar net
zo hard voor het hoger technisch
onderwijs en voor de algemene
universiteiten.
Steeds komt uit alle rapportages
over dit vraagstuk – dat meestal in
bredere zin aan de orde is gesteld –
een punt naar voren en dat betreft
de cursusduur voor ingenieurs. De
opleiding moet veranderen, beter
worden en aansluiten op de
behoeften, nationaal en internatio-
naal. Dat wordt concreet vertaald in
de opzet om tot een langere
studieduur te komen. Uit alle
adviezen en rapporten blijkt dat die
wettelijke studielast te hoog is en dat
de discrepantie tussen de wettelijke
en feitelijke studielast niet is te overbruggen. In normaal Nederlands:
je kunt geen ingenieur worden in
De heer Van Gelder (PvdA)vier jaar; de feitelijke studieduur is
eigenlijk vijf jaar en daar moet je je
dan maar bij neerleggen.
Dat leidt toch wel tot de vraag –
naar ik meen, heeft de heer Lansink
hetzelfde gevraagd – wat de
technische universiteiten in de loop
van de jaren hebben gedaan om hun
eerste fase tot vier jaar te beperken.
Ik vind die vraag ree¨el, omdat vooral
door de algemene universiteiten naar
voren is gebracht, dat zij zich
ontzettend hebben ingespannen om
de be`ta-opleidingen tot vier jaar te
beperken en dat de inspanningen
van de technische universiteiten wat
dat betreft niet gelijkwaardig zijn
geweest. Voor het vormen van een
oordeel is het volgens mij ook van
belang, te weten wat naar de mening
van de staatssecretaris specifiek is
gedaan om die studieduur te
beperken. Het oordeel van de
minister is natuurlijk ook van belang.
Hij gaat immers over de Landbouw-
universiteit. Dat de studieduur bij de
technische universiteiten langer is
dan die bij de be`tafaculteiten is nog
geen reden om direct de conclusie te
trekken dat je de studieduur voor de
ingenieursopleidingen moet
verlengen. Ik wil dus graag weten
wat in het verleden is gedaan.
Op grond van de informatie die ik
heb gekregen, moet ik vaststellen dat
ook mijn fractie een probleem ziet.
Zij denkt daarbij niet zozeer aan de
programma’s als wel aan de manier
waarop het programma gestalte
krijgt en de organisatie van het
programma. Wij zijn wat dat betreft
overtuigd van de noodzaak om nu al
een discussie te starten over een
verlenging van de cursusduur voor
ingenieurs. Die mag overigens niet
per definitie een verzwaring
inhouden. Ik vind het heel essentieel
dat de minister en de staatssecretaris
daarop letten. Die verzwaring klonk
iets te gemakkelijk door in de
opmerkingen die de RCO gisteren
tijdens een gesprek met de commis-
sie maakte. Zij zag graag dat een
aantal specifieke elementen aan die
cursus werd toegevoegd. Ik meen
echter dat die elementen beter in het
bedrijf aan de desbetreffende
jongeren geleerd kunnen worden.
Het moet gaan om een gewone,
goede ingenieursopleiding waarmee
je je nationaal en internationaal kunt
presenteren.
Er rijst natuurlijk wel een
probleem, want deze discussie kan
inmiddels niet meer los worden
gezien van de stelselwijziging. Hoe je
het ook wendt of keert, er wordt een
precedent geschapen. Dit wetsvoor-
stel is gericht op verlenging. De
discussie die wij willen voeren, is
gericht op verlenging en verkorting,
dus op differentiatie. Die is gericht
op andere uitstroommogelijkheden.
Niet iedere student hoeft een
volledige ingenieursopleiding te
voltooien. Niet iedere student hoeft
doctorandus te worden. Sommige
studenten zijn daartoe niet in staat.
Dat kan duidelijker worden als de
student een aantal jaren rondloopt
op de universiteit. Vooral in de
discussie die volgde op het
regeerakkoord heeft mijn fractie
ervoor gepleit, verschillende
mogelijkheden te ontwikkelen die
aansluiten op de behoeften van de
student en, in een aantal opzichten,
van de maatschappij. Daarom was
het voor mijn fractie ook aardiger om
het model 4 plus 1 in de beschou-
wing te betrekken. Volgens dit model
wordt de student na vier jaar
technisch doctorandus. Op dat
niveau kan hij uitstromen. Hij kan de
opleiding vervolgen met een jaar
ontwerpersopleiding. Dit idee is niet
zomaar uit de lucht komen vallen.
Het is voorgesteld door enkele
gerenommeerde organisaties als de
Adviescommissie voor wetenschap
en technologiebeleid. Een aantal
leden daarvan heeft ongetwijfeld in
Delft gestudeerd. Overigens stelden
zij een model 4 plus 2 voor, maar dit
terzijde. Een dergelijke keuze hoeft
geen precedentwerking te hebben.
De staatssecretaris bleek ertegen te
zijn. Het argument dat 100% van de
jongeren zou doorstromen, vind ik
eerlijk gezegd niet overtuigend. Dat
zou nu aan de orde kunnen zijn.
Maar als de bredere discussie wordt
gevoerd, kan ook blijken dat er een
plaats op de arbeidsmarkt is voor
een technisch doctorandus. Vanuit
een bredere optiek van differentiatie
vond mijn fractie dat dus een
aantrekkelijker opzet.
Er is nog een andere zaak aan de
orde gekomen en daar ben ik niet
goed uitgekomen. Eerlijk gezegd heb
ik mij daardoor wel laten overtuigen.
Stel je wilt een programma starten
waarin de ingenieursopleiding niet
zwaarder is, maar wel effectiever.
Dan is het, gelet op de criteria
waaraan een ingenieur moet
voldoen, verstandiger om het
ontwerperselement niet in het laatste
jaar toe te voegen aan de opleiding.
Het kan dan beter een geı¨ntegreerd
onderdeel van de opleiding zijn. Dit
uitgangspunt leidt tot een andere
programmering van de studie. Het
model 4 plus 1 wordt dan moeilijker
hanteerbaar. Zoals gezegd, ben ik
niet overtuigd door het argument
van de staatssecretaris dat 100% van
de studenten doorstroomt en dat er
dus geen reden voor dat model is. Ik
vind het zeker niet overtuigend als
het model wordt afgezet tegen de
discussie over differentiatie, die wij
op langere termijn willen voeren.
Maar ik heb mij dus wel laten
overtuigen door het onderwijskun-
dige argument, dat het steeds
moeilijker zal worden om het
ontwerperselement te scheiden van
andere elementen van de opleiding.
Ook mijn fractie staat dus toch voor
de vraag of wij voor een vijfjarige
opleiding kunnen kiezen. De
afspraken die in het verleden zijn
gemaakt en hetgeen al in werking is
gezet, zijn voor mijn fractie van
doorslaggevend belang. Die zaken
vind ik essentieel. Er is een
onderscheid tussen de discussie met
de technische universiteiten en die
met de algemene universiteiten. Met
de technische universiteiten zijn
afspraken gemaakt over de manier
waarop zij de programmering nu
verder gestalte wil geven. Men
bekijkt ook samen met het bedrijfsle-
ven of die programma’s goed
aansluiten op de praktijk. Bovendien
heeft men toezeggingen gedaan over
de manier waarop men in de
toekomst een verantwoordelijkheid
voelt voor jongeren die in die
trajecten hun plaats zullen vinden.
Dat neemt echter niet weg dat ik
daar nog niet tevreden mee ben. Ik
zou op dit moment de discussie over
langere en kortere trajecten en over
differentiatie in trajecten aan de
technische universiteiten nog open
willen houden. Ik stel de staatssecre-
taris heel nadrukkelijk de volgende
vraag. Als wij deze discussie
vandaag afronden, is dat dan het
einde van de discussie wat de
technische universiteiten betreft? Of
is hij ook van mening dat er daarna
nog een wat bredere discussie met
de technische universiteiten gevoerd
kan worden?
Ik vind dat van belang. Ook al zeg
je dat er een verantwoordelijkheid is
voor 80% van de jongeren, dan is het
die 80% die zijn propaedeuse
gehaald heeft. Ik vind dat ook de
technische universiteiten moeten
nagaan hoe er voor die 20% al dan
niet een oplossing kan worden
gevonden. In de brief van de
technische universiteiten werd een
onderzoek naar eerdere uitstap-
mogelijkheden genoemd. Dat vind ik
een goede handreiking, maar die
moet dan wel handen en voeten
krijgen. Ik kan mij ook voorstellen dat
degenen die er niet in slagen om in
een of anderhalf jaar hun propae-
deuse te halen, eerder zullen worden
geleid naar dat hoger technisch
onderwijs. Zoals gezegd, er is niet
alleen een kwalitatief maar ook een
kwantitatief probleem. Ik zou dus
willen dat vanuit die bredere optiek,
vanuit die bredere aanpak voor
differentiaties en dergelijke, ook voor
dat technische onderwijs nog een
aantal thema’s aan de orde kan
komen. Ik hoop dat de technische
universiteiten zich zullen inspannen
om op dat terrein te voldoen aan het
normale bredere patroon, dat wij op
een aantal terreinen ter discussie
willen krijgen.
Nogmaals, ik heb de indruk dat de
technische universiteiten op dat vlak
in ieder geval hun inspanningen op
papier hebben gezet, maar het zou
nog beter zijn als zij ook duidelijk en
daadwerkelijk uitwerking willen
geven aan die voorstellen. Ik heb een
concrete vraag. Ook al nemen wij
deze wet aan, blijft de staatssecreta-
ris dan toch van mening dat er op
het terrein van de differentiatie in het
technische onderwijs nog een wereld
te winnen is?
Voorzitter! Ik heb al gezegd dat ik
dit voorstel vooral aantrekkelijk vind,
omdat er afspraken met de techni-
sche universiteiten zijn gemaakt en
omdat men zich op een aantal
terreinen ook een inspanning heeft
voorgenomen. Van belang is voorts
dat er geen financie¨le consequenties
aan dit wetsvoorstel vastzitten. Men
accepteert in feite een vijfjarige
opleiding waarvan vier jaren betaald
worden.
De vraag is aan de orde geweest
of het ree¨el is om op dit moment
alleen een uitspraak te doen over de
technische opleidingen en een aantal
ingenieursopleidingen aan de
Landbouwuniversiteit. Ik kan niet
ontkennen dat er bij het voorlig-
gende wetsvoorstel van enige
willekeur sprake is. Waarom noemen
wij wel de technische opleidingen en
niet die van de algemene universitei-
ten? Ik kan mij op een aantal
terreinen voorstellen wat de
staatssecretaris naar voren heeft
gebracht, maar ik vind de argumen-
ten niet in alle gevallen even
duidelijk.
De positie van de algemene
universiteiten is ook niet langer
eenduidig, waardoor exact is aan te geven: dat zijn de universitair
opgeleide natuurkundigen en
scheikundigen en dat zijn de
opgeleiden aan de technische
universiteiten. Zijn op een aantal
terreinen niet heel duidelijk
overlappende situaties aan de orde,
op grond waarvan het te rechtvaardi-
gen is dat cursusduurverlenging ook
voor de meer exacte opleidingen aan
de algemene universiteiten kan
gelden?
Ik vind het van belang dat wij nu
praten over iets wat een aantal jaren
geleden in werking is gezet. Voor de
technische universiteiten is in
belangrijke mate aangetoond dat er
een conflict ligt dat men niet zonder
meer kan oplossen door maar even
wat te rommelen in de programma’s.
Men heeft bovendien een aantal
uitspraken gedaan en inspanningen
ondernomen. Dat is op dit moment doorslaggevend om te zeggen: oke,
wij kunnen akkoord gaan met het
voorstel voor de technische
universiteiten, maar in feite zeggen
wij daarmee heel weinig over de
ontwikkeling aan de algemene
universiteiten. Ook daarvoor geldt
immers dat de programma’s
inmiddels zijn uitgekristalliseerd.
Ik heb er dan ook geen bezwaar
tegen dat daar vergelijkbare
operaties aan de orde komen als nu
aan de orde zijn bij de technische
universiteiten. Ik heb er geen
bezwaar tegen als er vanuit de
algemene universiteiten voorstellen
gedaan worden om tot een
verbreding te komen. In het kader
van de discussie die wij op langere
termijn willen voeren, is het dan wel
raadzaam dat zij die voorstellen van
meet af aan indienen, waarin niet
alleen de verlenging maar met name
ook de verkorting aan de orde is.
Daarom heb ik toch wat moeite met
het voorstel van de heer Lansink. Er
heeft immers nog geen enkel overleg
plaatsgevonden. Wij hebben nog
geen zicht op de afspraken die over
en weer te maken zijn. Bovendien
lijkt nu de enige optiek te zijn die
iedereen voor ogen heeft dat
gekomen moet worden tot een
verlenging van opleidingen en niet
tot een verkorting. Ik vind het laatste
noodzakelijk in de richting van de
technische universiteiten, ook al
accepteer ik dit wetsvoorstel. Ik vind
dit te meer noodzakelijk nu wij elk
nieuw voorstel moeten zien in relatie
met de stelselwijziging. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2737" anker="562" partij="CDA" naam="Lansink">
 Laat ik
vooropstellen dat ik waardering heb
voor de genuanceerde benadering
van dit vraagstuk door collega Van
Gelder. Dit doet ook recht aan de
werkelijkheid. Hij heeft gezegd: de universiteiten
zouden mee moeten kunnen doen
door voorstellen in te dienen, gericht
op verlenging maar ook op
verkorting. Hetzelfde zou men
kunnen vragen aan de technische
universiteiten, omdat er enkele
studies zijn waarvoor dit wellicht
geldt, zeker bij toepassing van de
bestaande criteria. Mijn punt is dat
dit niet heeft gegolden en dat er nu
sprake is van een zekere mate van
ongelijkwaardige behandeling. Dat
zal de heer Van Gelder moeten
erkennen.
Als ik de heer Van Gelder zo
aanhoor, denk ik dat hij van oordeel
is dat hier en daar ruimte bestaat
voor verlenging, ook bij de algemene
universiteiten. Hoe moet ik dat
rijmen met de stelling in het
regeerakkoord dat gekomen moet
komen tot een gemiddelde studie-
duurverkorting? Weliswaar gaat het
om de studieduur en er is een
verschil tussen studieduur en
cursusduur, maar als dat het geval is,
kan men veel beter pleiten voor het
starten van overleg met de universi-
teiten over de studeerbaarheid en
dat soort zaken, een inspannings-
verplichting die ook voor de
technische universiteiten geldt. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2737" anker="563" partij="PvdA" naam="Van Gelder">

Voorzitter! In het regeerakkoord
stond eerst een aantal opmerkingen
over een soort nieuwe blauwdruk,
waarbij het ging om een bachelor-
master-model. Daar zijn wij vrij snel
van afgestapt, zoals de heer Lansink
wel zal zijn opgevallen. Wij willen nu
een open overleg. Het kernbegrip is
’’verkorting van de gemiddelde
verblijfsduur’’. De gemiddelde
verblijfsduur kun je verkorten door
cursussen te verkorten en ook door
een effectievere aanpak van de
studie. Ik vind dit wetsvoorstel
aantrekkelijk, omdat de technische
universiteiten gezegd hebben dat zij
zich met een verlenging van de
cursusduur willen inspannen om tot
een gemiddelde verlaging van de
verblijfsduur te komen. In die zin ligt
er zelfs een relatie tussen dit voorstel
en wat in het regeerakkoord staat.
Ik had het heel verstandig
gevonden als de algemene universi-
teiten een zelfde aanpak zouden
hebben gevolgd als de technische
universiteiten. Mij is echter geen
rapport bekend waarin op een
vergelijkbare manier is aangetoond
wat de problemen zijn. Ik vind wat
dit betreft de creativiteit van de
algemene universiteiten niet hoog
ontwikkeld. Het enige wat men
gedaan heeft, is voortdurend
proberen aan te tonen dat een
afgestudeerde aan een algemene
universiteit een zelfde soort
programma had als een afgestu-
deerde aan een technische universi-
teit. Ik had dit liever vanuit hun eigen
optiek wat beter onderbouwd willen
hebben. De ruimte daarvoor krijgen
zij wat mij betreft. Ik vind dat wij in
het kader van een acceptatie van een
verlenging en tegelijkertijd van
verkorting op een aantal terreinen
ruimte moeten geven om een
verdere discussie aan te zwengelen.
Ik voeg eraan toe dat het mij een lief
ding waard is als wij dit niet langer
uitsluitend in de politiek beslissen. In
dit opzicht heeft de heer Lansink een
uitspraak gedaan die uitstekend
spoort met de inzet van het kabinet inzake de stelselwijziging, namelijk:
het kan niet zo zijn dat wij in de
toekomst bepalen of een opleiding
168 of 210 studiepunten heeft. Dat is
een van de hoofdelementen van de
discussie over de stelselherziening.
Daarom zei ik aan het begin van de
bijdrage van de heer Lansink dat ik
het prettig vind dat hij ook wat dit
betreft nu aan onze kant staat. Wij moeten discussie¨ren over de vraag:
hoe kun je de ruimte voor de
universiteiten en hogescholen
vergroten om dit binnen een aantal
bandbreedten zelf te kunnen
bepalen? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2738" anker="564" partij="CDA" naam="Lansink">
 Ik heb geen
behoefte aan een nietes-welles-spel
betreffende de interpretatie van het
regeerakkoord. 

</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="40-2738">

Aan de orde is de
vraag of er voldoende rapporten zijn
op grond waarvan de algemene
universiteiten claims op tafel kunnen
leggen inzake de verlenging van de
studieduur. Er is niet zo’n indrukwek-
kende reeks als waarop dit wetsvoor-
stel is gebaseerd, maar er hebben
wel studies plaatsgehad. Met name
de studie inzake de deregulerings-
optie wijst uit dat je, als je aan de
algemene universiteiten overlaat om
de cursusduur vast te stellen, tot
heel verstandig beleid kan komen.
Dat is de eerste lijn die ik heb
uitgezet. Dit mag men overigens niet
verwarren met de strekking van het
regeerakkoord op dit punt. Die is
veel te star, hoewel zij via de
Procesbrief wat losser is geworden.
Ik moet echter nog zien wat eruit
komt. Wij zijn nu bezig met de
behandeling van het onderhavige
wetsvoorstel. Met het oog op de
gelijkwaardigheid lijkt het mij goed
dat wij de algemene openbare
universiteiten de ruimte geven om
voor die studies waarvoor dat nodig
is tot enige verlenging te komen
binnen gegeven financie¨le kaders. Ik
beluisterde in het betoog van de
heer Van Gelder enige waardering
voor mijn stellingname. Wellicht ziet
hij na enige nachtjes slapen meer
dan nu in ons amendement. 
<spreker pagina="40-2738" anker="565" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Ik wil
de algemene universiteiten uitdagen
om ook een verhaal op tafel te
leggen dat een vergelijkbare
onderbouwing heeft als dat van de
technische. In dat geval wil ik echter
wel een directere relatie gelegd zien
met de discussie over de stelsel-
wijziging. Ik wil dus harder op tafel
hebben dat op een aantal terreinen
een versnelde uitstroom of verkor-
ting mogelijk is. Een ding moet overeind staan: als de gezamenlijke
universiteiten accepteren dat de
gemiddelde verblijfsduur naar
beneden gaat, kan dit niet alleen
maar inhouden dat de cursusduur
verlengd wordt.
Dit brengt mij op de volgende
vraag. Als dat soort verhalen op tafel
liggen, moeten wij weer wachten en
vervolgens een wetswijziging
doorvoeren zoals het onderhavige?
Eerlijk gezegd, gruw ik daar een
beetje van. Ik vind het heel wat
waard als de stelselwijziging van de
zijde van de overheid, dus de
minister, alsook van de politiek wat
sneller gestalte kan krijgen.
Ik vraag de staatssecretaris of het
niet mogelijk is om een wetsvoorstel
voor te bereiden, een soort
experimenteerregeling, in het kader
van de WHW, waardoor als er
beargumenteerde verhalen op tafel
komen voor enerzijds verlenging en
anderzijds verkorting van
programma’s, daarop sneller
ingespeeld kan worden zonder dat
dit een wetswijziging tot gevolg heeft
zoals die nu aan de orde is. Dit is
een andere oplossing dan die van de
heer Lansink. Ik bepleit dit met
name, omdat de` stelselwijziging niet
iets is wat begint op bijvoorbeeld 1
oktober 1996. Het is een traject dat
afhankelijk van het verloop van de
discussie op een aantal terreinen
gestalte moet krijgen.
Nogmaals, deze concrete
uitdaging aan de staatssecretaris is
om te voorkomen dat, als de
algemene universiteiten met een
goed onderbouwd verhaal komen,
wij hier weer een vergelijkbare
weging moeten maken. Is het
bovendien niet mogelijk om
gaandeweg dat proces wat meer met
experimenteerartikelen te werken? Ik
weet dat dit enige tijd kost, maar ik
hoop dat dit vrij snel kan.
Ik vind het in beperkte mate onze
taak om hier alle studieduren
wettelijk te regelen en om daarover
te oordelen. Maar als dat in deze
situatie toch nodig is, blijft voor ons
de vraag of de argumenten voor
verlenging van de studieduur aan de
Landbouwuniversiteit een vergelijk-
bare basis hebben als die voor de
technische universiteit. In het verslag
is al te lezen dat die vraag ook bij
mijn fractie gerezen. De argumenta-
tie van de minister daaromtrent is
niet altijd even sterk. RCO heeft een
enqueˆte gehouden inzake de
technische universiteiten en de
technische opleidingen. Helemaal
aan het eind van het rapport daarover wordt opgemerkt: eigenlijk
geldt dat ook voor de Landbouw-
universiteit; kijk maar naar dat en dat
rapport; daar wordt ook een vijfjarige
opleiding wenselijk gevonden, dus
de onderbouwing is net zo hard.
Men heeft dat soort vergelijkbaar
onderzoek echter niet zelf gedaan. Is
het volgens de minister echt
aantoonbaar dat voor de landbouw-
kundige opleidingen een vergelijk-
baar probleem als voor de techni-
sche opleidingen geldt?
Het is mij opgevallen dat in alle
rapportages daarover een heel
uitgebreid verhaal staat over de
technische opleiding en de relatie
daarvan met de toekomst van ons
land (kennisintensiviteit, enzovoorts) en dat er elke keer zoiets staat als: de
(advies)raad is van mening dat het
voor de technische universiteiten,
met inbegrip van de Landbouw-
universiteit, van belang is (...). Maar
het begrip landbouwingenieur komt
in dat hele verhaal niet voor! Ook uit
de RCO-enqueˆte blijkt dat er
ontzettend veel onderzoek is gedaan
naar de technische universiteiten, de
technische ingenieurs, maar heel
weinig naar de landbouwkundige
ingenieursopleidingen. Met name
ook in de richting van de algemene
universiteiten moet gelden dat de
onderbouwing voor de landbouw-
kundige ingenieurs van een
vergelijkbare strekking is als die voor
de technische ingenieurs. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2739" anker="566" partij="CDA" naam="Lansink">
 Ik wil nu
niet dezelfde opmerkingen maken
over de Landbouwuniversiteit als ik
in de discussie met mevrouw
Jorritsma heb gemaakt. Zij heeft een
amendement ingediend en wij
wachten op dat punt het antwoord
van de minister maar af.
Ik wil een verduidelijking over de
beschouwing van de heer Van
Gelder, waar hij sprak over het
experimenteerartikel. Ik vind het een
interessante suggestie. Hoort daar
volgens zijn opvatting ook bij wat ik
heb gezegd over de deregulerings-
optie voor de studierichtingen die
daarvoor in aanmerking zouden
kunnen komen? Dat betekent dat de
instellingen zelf binnen het financie¨le
kader kunnen aangeven wat zij
willen. Als dat ook de gedachte van
de heer Van Gelder is, kunnen wij
elkaar wellicht vinden. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2739" anker="567" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 U wilt
geen ja/nee-spelletje, maar dit is ook
een van de uitgangspunten van de
discussie, zoals bedoeld in de
Procesbrief. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2739" anker="568" partij="CDA" naam="Lansink">
 U heeft
gezegd – en het blijkt ook uit het
tijdschema van de Procesbrief – dat
het allemaal erg lang duurt en dat
wij sneller moeten kunnen werken.
Het gaat erom of wij op korte termijn
aan de bewindslieden een wetsvoor-
stel kunnen vragen met
experimenteermogelijkheden voor de
algemene universiteiten, los van de
Procesbrief. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2739" anker="569" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Het kan
zelfs op meer terreinen noodzakelijk
zijn. Ik vind het echt van den gekke,
als je zo’n proces ingaat, dat er dan
een keer een datum zou zijn waarop
een fanfare komt aanlopen en de
stelselwijziging begint. Ik geloof daar
niet in, want volgens mij is die
stelselwijziging iets van tien, twintig
of dertig verschillende regelingen en
maatregelen. Als dit overleg met de
universiteiten en hogescholen begint,
zou ik het een goede zaak vinden als
zou blijken dat op korte termijn een
aantal zaken in gang gezet moet
kunnen worden. Als daar dan allerlei
wettelijke regelingen beperkend voor
zijn, zou het verstandig zijn dit alles
niet in een keer te regelen, maar te
zien hoe je gaandeweg het proces dit
ook van onze kant kan stimuleren om
daarmee een grotere mate van
flexibiliteit en zelf-
verantwoordelijkheid gestalte te
geven. Dit is daar een voorbeeld van.
Over de studiefinanciering kan ik
kort zijn. Daarover zijn al een groot
aantal opmerkingen gemaakt. Ook
mijn fractie is van mening dat de
aanpak enigszins ingewikkeld is.
Zeker nu op dit moment aangekon-
digd is dat er verschillende wijzigin-
gen komen, is het de vraag, als
studiefinanciering wordt gegeven
voor de cursusduur, of dat op
zichzelf al niet voldoende basis is en
of dit wetsvoorstel niet weer
veranderd moet worden. Dit los van
de vraag die de heer Van der Vlies
naar voren heeft gebracht. Als de
cursusduur gaat varie¨ren, geformali-
seerd of praktisch, hoe verhoudt dit
zich dan tot de rechten van
studenten?
Als de ondertekenaars adequaat
antwoord geven op de door mijn
fractie gestelde vragen, is er wat ons
betreft geen belemmering om
akkoord te gaan met dit wetsvoor-
stel. In die situatie hebben wij ook
geen behoefte om het amendement
van mevrouw Jorritsma te onder-
steunen. Daarvoor moet de minister
echter toch nog even zijn best doen.</spreker>
<blok pagina="40-2739">

 
<spreker pagina="40-2739" anker="570" partij="AOV" naam="Verkerk">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik wil erop wijzen dat het
AOV in zijn programma uitvoerig
aandacht besteedt aan het universi-
tair onderwijs. Wij zijn voor
differentiatie van het hoger
onderwijs, vooral ook gezien de
ontwikkelingen in onze samenleving
en in Europa. Het is van het grootste
belang dat de universiteiten in de
pas blijven lopen bij de ontwikkelin-
gen in onze samenleving en Europa.
Wij hopen op meer eigen verant-
woordelijkheid en op nog meer elan
van de universiteiten, studie-
zekerheid voor de studenten en
vertrouwen in de toekomst.
Het is begrijpelijk dat wij daarom
dit voorstel van de regering positief
benaderen. Wij zien het als een
aanloop op de door ons verbond
beoogde stelselherziening, waarbij
wij overigens wel verwachten dat de
discussie daarover niet alleen zal
gaan over de cursusduur. Wij menen
dat er voldoende onderbouwing is.
Wij hebben begrepen dat de
financie¨le consequenties gene zijn en
dat de studiefinanciering ook is
gedekt.
Wat de Landbouwuniversiteit
Wageningen betreft achten wij het
van belang dat de zaak die is
opgenomen in het wetsvoorstel
doorgaat, omdat de Landbouw-
universiteit de enige in ons land is
met een hoog kennisniveau op dit
gebied, met een goede naam in het
buitenland en met een goed
activiteitenpakket in vooral ook de
Derde-Wereldlanden. Deze ervaring
moet worden veilig gesteld.
Wij hebben over de amendemen-
ten nog wel een paar vragen. Ik
vraag mij af hoe de studenten, van
wie er nogal wat op D66 schijnen te
hebben gestemd, zullen aankijken
tegen het amendement van D66.
Voor het amendement van het CDA
wachten wij het antwoord van de
staatssecretaris af.
Voor de staatssecretaris zelf heb ik
nog de vraag hoe hij de evaluatie
van dit wetsvoorstel, als het eenmaal
is ingevoerd, heeft gedacht. Ik wil
dus wat nader over de evaluatie
worden geı¨nformeerd.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2739">

 
<spreker pagina="40-2739" anker="571" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Voorzitter! Gisteren stond op deze
plaats de heer Bolkestein van de
VVD, naar aanleiding van de vraag of
er wel of niet een debat over
Indonesie¨ moest worden gehouden.
Toen zei hij dat de politiek eigenlijk
geen taak heeft om achteruit te
kijken en alleen vooruit moet kijken,
voor nu en de toekomst. Ik meen dat
het een wezenlijke verarming van de
politiek en de politici betekent,
wanneer je niet de tijd neemt om
achteruit te kijken. In de politiek geldt hierbij hetzelfde als in het verkeer:
alleen door de buitenspiegel te
gebruiken kan een automobilist zich
zonder ongelukken te veroorzaken,
redelijk in het verkeer gedragen.
Ik neem enkele seconden te baat
om naar het afgelopen decennium te
kijken en constateer dat onder druk
van de krappe kassa van de
verschillende coalities verschillende
ministers van Onderwijs in het nauw
zijn gebracht. Zij zijn in een spanning
gebracht tussen de werkelijkheid en
het wekken van de schijn, een
oplossing voor diezelfde werkelijk-
heid te treffen. Hierdoor zijn er
maatregelen getroffen waarmee de
politiek op dat moment genoegen
moest nemen of tevreden was, maar
waarvan je toen al in alle wijsheid
kon zeggen dat zij geen langere duur
dan een paar jaar of een paar
maanden zouden hebben. Zo hebben
wij in de afgelopen jaren gezien dat
het onderwijsbeleid continu aan
heftige schommelingen onderhevig
is geweest, juist om een evenwicht
te vinden tussen de keurslijven van
de verschillende coalities en de
harde werkelijkheid.
Ik ben er blij om dat dit wetsvoor-
stel is ingediend, omdat het recht
doet aan de werkelijkheid. Toen de
twee-fasenstructuur werd ingevoerd,
wisten wij dat zij problemen zou
geven. Op dat moment was de
structuur voldoende, maar op een
gegeven moment zou zij bijgesteld
moeten worden. Een reactie kon niet
uitblijven. Welnu, wij hebben die
reacties gekregen en de discussie
heeft nu een paar jaar geduurd. Mijn
fractie is er blij om dat nu eindelijk
een correctie wordt aangebracht,
omdat het, zeker gelet op de
infrastructuur van een aantal
universiteiten, voor studenten niet
mogelijk is, binnen vijf jaar een
technische opleiding af te ronden.
Deze bijstelling kan natuurlijk tot
allerlei willekeurige beslissingen van
de politiek leiden. De vraag is, van
welke opleidingen wel en van welke
niet de cursusduur verlengd moet
worden, voor de Wageningse en
Delftse ingenieurs, zoals de heer Van
der Vlies hen noemde. Ik ben er blij
om dat het kabinet heeft geprobeerd,
een aantal criteria te formuleren. Het
lijkt mij een voldoende kapstok om
de selectie van opleidingen te lijf te
kunnen gaan en politieke willekeur te
bestrijden. Als de criteria niet scherp
genoeg zijn, is het goed om ze aan te
scherpen. Wanneer wij de criteria
vastgesteld hebben, lijkt het mij goed
dat wij ons niet meer bemoeien met
de discussie over de vraag of een
opleiding erbinnen of erbuiten
gehouden moet worden. Ik zeg dit in
de richting van mevrouw Jorritsma.
Enerzijds constateer ik dus een
bevredigende ontwikkeling, die gaat
in de richting van datgene wat onze
fractie altijd heeft gevonden. Aan de
andere kant ben ik nieuwsgierig naar
de positie van staatssecretaris Nuis
in dit geval. Want in dit wetsvoorstel
staat dat de cursusduur van een
aantal technische opleidingen
verlengd moet worden tot vijf jaar.
Dit is echter volledig in strijd met het
standpunt dat de staatssecretaris in
de zomer van 1994 heeft geopperd,
dat de studieduur tot drie jaar,
respectievelijk vijf jaar zou moeten
worden teruggebracht. Kort daarvoor
zat de staatssecretaris nog in deze
Kamer. Hij wist dat deze discussie
binnen redelijke tijd zou worden
gevoerd. Maar toch heeft hij het idee
geopperd dat dit kabinet een schaar
zou moeten zetten in alle opleidingen
tussen de drie en vier jaar.
De staatssecretaris zit nu achter de
regeringstafel om dit wetsvoorstel te
verdedigen. Maar dat houdt dus wel
in dat hij een wetsvoorstel moet
verdedigen dat volledig in strijd is
met zijn ideee¨n over de herinrichting
van het hoger onderwijs. Hoewel ik
blij ben met dit wetsvoorstel, ben ik
dus wel nieuwsgierig naar de positie
van de staatssecretaris hierin. Hoe
ziet hij zijn positie zelf, waar hij zelf
voorstander is van verkorting van de
studieduur, terwijl dit wetsvoorstel
zich richt op verlenging van de
cursusduur van een aantal opleidin-
gen, een wetsvoorstel waarvoor naar
mijn oordeel een kamermeerderheid
te vinden zal zijn? Ik had mij namelijk
ook kunnen voorstellen dat de
staatssecretaris met het oog op de
tegenstrijdigheid tussen dit
wetsvoorstel en zijn standpunt in
deze zaak gepoogd had, het
wetsvoorstel in te trekken. Waarom
heeft de staatssecretaris dit niet
gedaan? Betekent dit dat hij
overtuigd is van de wijsheid van de
werkelijkheid en dat hij inziet dat zijn
ideee¨n achterhaald zijn, zowel door
de werkelijkheid als door de politieke
werkelijkheid? Want beide werkelijk-
heden gaan niet altijd parallel, zoals
wij weten.
Betekent dit dat de staatssecretaris
zich overtuigd voelt door deze
ontwikkeling? Betekent het ook dat
hij deze lijn in de toekomst wil
inbrengen in zijn discussie met alle
betrokkenen over de stelsel-
herziening? Vindt hij dan ook dat het
beter is, zoals ook de heer Lansink
heeft bepleit, een pleidooi dat ik
ondersteun, dat wij dit soort
exercities overlaten aan de universi-
teiten? Want anders komen wij
elkaar toch elke keer tegen als wij
denken ons te moeten bemoeien met
zaken waarvan wij eigenlijk niet zo
veel verstand hebben. Daarom
kunnen wij dit beter overlaten aan de
universiteiten zelf, maar dan wel met
een budgetteringssysteem die dat
toelaat en die de rijksfinancie¨n onder
controle houdt. Want dat is in feite
de bron van alle schommelingen die
wij in de afgelopen jaren hebben
gezien.
Een tweede onderwerp waaraan ik
in verband met dit wetsvoorstel
aandacht wil besteden, is de
financiering van dat extra jaar, als de
verlenging is doorgevoerd. Uit het
wetsvoorstel en de toelichting
daarop begrijp ik dat de bewindslie-
den ervan uitgaan dat het zesde jaar
pas achteraf gefinancierd zal worden,
conform een gemengde financiering,
wanneer blijkt dat de student of
studente dat extra studiejaar met
succes heeft afgerond. Waarom is dit
nodig? Verschillende collega’s
hebben gewezen op de complice-
rende elementen van deze construc-
tie. De bewindslieden hebben gezegd
dat dit gedaan is om oneigenlijke
effecten te bestrijden. Wat zijn dan
die oneigenlijke effecten? Ik kan mij
moeilijk voorstellen dat een student
zomaar op avontuur gaat in de
richting van een studie waarvan
bekend is dat die heel moeilijk is.
Natuurlijk moet er voor die 20% een
oplossing worden gevonden. Maar ik
kan mijn moeilijk voorstellen dat
men na het tweede en het derde jaar
nog volhardt in het studeren, terwijl
de resultaten van tevoren bekend
zijn, dus in negatieve zin. Dus ik zie
die oneigenlijke effecten niet.
Misschien kan de staatssecretaris
hierop ingaan?
Bovendien is dit als het ware een
voorschot op de prestatiebeurs. Dat
is weer een andere kwestie. Als pas
achteraf een lening wordt omgezet in
een gemengde financiering, is dat
overeenkomstig de filosofie van de
prestatiebeurs. En dat is een
voorschot op wat wij nog van de
kant van de bewindslieden moeten
krijgen. Het is dus een soort
prestatiebeurs avant la lettre! Ik
vraag mij af of het wel wijs is om dat
te doen. Is het niet beter om de
huidige systematiek te hanteren?
Dan ben je af van alle complicaties.
Als er een nieuw systeem moet
worden ingevoerd, kan dat gebeuren
na gemeen overleg met elkaar.
Uiteraard wacht ik het antwoord van
de staatssecretaris af, maar ik
overweeg om op dit punt een
amendement in te dienen. Het betreft
hier een gecompliceerde constructie
voor de studenten. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2740" anker="572" naam="De voorzitter">
 Hiermee zijn wij
gekomen aan het einde van de
eerste termijn van de kant van de
Kamer. Ik schors de vergadering voor
ongeveer vijftien minuten. Daarna zal
het antwoord van de regering
volgen.
De vergadering wordt van 14.57 uur
tot 15.18 uur geschorst.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2741">

 
<spreker pagina="40-2741" anker="573" soort="Staatssecretaris" naam="Nuis">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik dank de geachte
afgevaardigden voor hun bijdragen
alsmede voor hun steun en al was
die hier en daar nog wat voorwaar-
delijk, toch is die ’’breed’’ te noemen.
De heer Lansink dank ik voor zijn
buitengewoon vruchtbare bijdrage
die hij nu reeds leverde voor het
diepergaande stelseldebat. Ook dank
ik de heer Rabbae voor zijn terugblik
op de woelige baren waarvan in het
verleden sprake was. Een dergelijke
terugblik zorgt altijd voor een
relativering van de discussie. Als je
voor je kijkt, zie je woelige golven,
maar als je achterom kijkt, zie je die ook. Dan zeg ik: toch ben je er
gekomen. Ik dank de heer Rabbae
ook omdat hij mij de gelegenheid
geeft, iets recht te zetten. Dat wil ik
aan het begin van mijn betoog doen.
Blijkbaar heeft bij de heer Rabbae,
maar ook bij anderen, de gedachte
postgevat dat ik persoonlijk geneigd
ben tot een speciale vorm van
differentie¨ren, namelijk een die
bestaat uit het knippen van elke
studie in stukjes van drie en twee
jaar. Het gewone differentie¨ren van
studieduur zou overigens terecht zijn.
Die speciale vorm van differentie¨ren
wordt in het regeerakkoord genoemd
als een van de mogelijkheden.
Gelukkig kan ik aan de hand van de
stukken aantonen dat men mij ten
onrechte dit ’’knippen’’ verwijt.
Allereerst denk ik dan aan het
verkiezingsprogramma van D66.
Daarin wordt gesproken over een
waaier van lange en korte opleidin-
gen en niet van een knip. Vervolgens
gaat er een rechte lijn naar de
Procesbrief. Daarin is evenzeer
sprake van een waaier van opleidin-
gen, maar daarin wordt niet specifiek
gezegd dat er een knip moet zijn.
Tussen het uitkomen van de
genoemde stukken is er ook iets
gebeurd. In de periode waarop ik nu
doel, was de heer Rabbae, zoals hij
zelf zegt, nog geen lid van de Kamer.
Ik herinner mij echter dat in de tijd
dat ik zelf nog kamerlid was hier een
debat is gehouden over gedachten
die in verband met de studieduur
naar voren waren gebracht. Tijdens
dat debat heb ik mij geen voorstan-
der getoond van een knip, maar van
het verwezenlijken van de gedachte
die ook nu is geuit. Ik weet nog heel
goed, dat ik toen heb gezegd, dat ik
wel voor deze vorm van differentiatie
was, maar op voorwaarde dat wij
ons ernstig zouden bezig gaan
houden met studiedifferentiatie en
de stelselherziening in het algemeen.
Welnu, wie schetst onze verbazing
dat ik op dit punt aardig mijn zin heb
gekregen?
Ik hoef nu dus gelukkig niet
plotseling van gedachten te
veranderen. Zoiets is altijd lastig.
Hoewel, soms kan zoiets ook gunstig
zijn. Zoals ik aangaf is er in mijn
denken op dit punt sprake van
consistentie en daardoor kan ik dit
wetsvoorstel met volle overtuiging
en rechtlijnig verdedigen.
Voorzitter! Wij staan aan het begin
van een proces van herziening van
het stelsel van hoger onderwijs. De
heer Lansink is begonnen met
hierover opmerkingen te maken,
maar de anderen hebben zich er ook
over uitgelaten. Wij gaan hierover in
de komende maanden met alle
betrokkenen spreken. Na de zomer
komt er een ontwikkelingsplan. Er is
nog geen blauwdruk, maar er is een
program van eisen en er zijn
randvoorwaarden. We hebben ook
hier duidelijke afspraken gemaakt
over de tijd. Voor het eind van de
kabinetsperiode moet het hele
gebouw er staan en moet ook de
wetgeving gereed zijn. Dat hebben
we afgesproken en ik zal er alles aan
doen om me aan die afspraak te
kunnen houden.
Bij die grote stelselherziening is
differentiatie, ook naar cursusduur,
een belangrijk element. Toch sta ik
hier met volle overtuiging een
wetsvoorstel te verdedigen dat voor
een beperkt aantal ingenieurs-
opleidingen de wettelijke cursusduur
alvast op vijf jaar brengt. Daarom zal
ik allereerst de vraag moeten
beantwoorden waarom wij dit nu
doen en waarom ik dit onderdeel
niet tijdens de complete verbouwing
behandel. Als ik dat zou doen, zou ik
nog eens rustig na kunnen denken
over de modaliteiten en over de
samenhang. De urgentie van mijn
verklaring hiervoor is iets afgenomen
vanwege het feit dat alle leden het
kennelijk met mij eens zijn, dat
gehandeld moet worden als nu is
aangegeven. Toch hecht ik eraan,
nog even aan te geven waarom we
deze verandering nu moeten
aanbrengen.
Ik herinner de leden aan de
situatie van een jaar geleden. Het
lijkt erop dat die tijd heel lang achter
ons ligt. Een jaar geleden hadden wij
te maken met de conclusies van het
HOOP 1994. In dat plan werd
namelijk vastgelegd dat er een
discussie zou moeten komen over
onder andere de flexibilisering van
de studieduur en daarin werd ook
vastgelegd dat er een duidelijk
omschreven en onderzochte
categorie was – ik leg de nadruk op
’’onderzochte’’; wij wisten dus
precies waarom het ging – waar de
klem van die korte studieduur zo
aantoonbaar was en de verandering
zo urgent, dat de behandeling van dit
punt niet tot het einde van de
discussie kon wachten. Dat kun je
vinden in het HOOP. Welnu, dat is
nog steeds zo. Een jaar en een
kabinet later heeft de algemene
discussie duidelijkere contouren
gekregen – dat is winst – en is ze ook
dichterbij gekomen. Daarbij is ook
gebleven, zo zeg ik in de richting van
de heer Schutte, dat je dat beslag
niet binnen een paar jaar volledig
hebt. Wij hebben weliswaar de
afspraak gemaakt dat het in deze
kabinetsperiode gebeurt, maar niet in
de eerste helft, niet in zijn finale
vorm.
De urgentie van de knelpunten die
wij hebben geconstateerd en die hier
zijn neergeslagen, is natuurlijk niet
minder geworden. Integendeel, er
was aanvankelijk bij de indiening van
dit wetsvoorstel hoop dat wij het
reeds tot stand gebracht zouden
hebben. Dat is niet gelukt. De situatie
is dezelfde en daarom nog een jaar
nijpender. Ik zou liever de redenering
omkeren. Als er al mensen zijn – die
zijn er; dat heb ik ook gehoord – die
denken dat de grenzen ruimer
getrokken moeten worden, dan
hebben zij in ieder geval de troost
dat het geen sintjuttemis wordt met
die eventuele uitbreiding, dat die ook
dichterbij is gekomen en dat wij aan
die uitbreiding kunnen beginnen in
het kader van de stelselherziening. Ik
kom er nog op terug in verband met
de beantwoording van concrete
vragen van de heer Lansink.
Ik wil nog iets zeggen over de andere kant van de zaak: het is goed,
het is urgent en het moet gebeuren,
maar waarom precies deze en niet
andere opleidingen? Dat spits ik nu
maar toe op die algemene be`ta-
opleidingen, waarvan hier en ook in
de algemene discussie sprake is
geweest. De argumenten zijn hier
welsprekend naar voren gebracht. Bij
die welsprekendheid reken ik niet
zozeer de brief van de zes colleges
van bestuur die ons daarover hebben
aangeschreven, want de argumenten
die daarin stonden, kenden wij reeds.
Voor zover er een suggestie van
uitgaat dat verdere discussie over
het stelsel zinloos zou zijn als er niet
naar de argumenten zou worden
geluisterd, moeten wij dat maar
beschouwen als een moment van
onbedachtzaamheid. Dat kan nu
eenmaal voorkomen als je geweldig
van iets overtuigd bent. Ik maak mij
er ook niet echt zorgen over dat het
de discussie over de stelsel-
herziening werkelijk zou blokkeren.
Wat is het verschil met de keuze
voor deze ingenieursopleidingen?
Het staat in de memorie van
toelichting. Mevrouw De Vries heeft
het kernachtig samengevat. Zij heeft
daarbij de heer Rinnooy Kan
geciteerd. Dan heb ik die ook weer
even gehoord, al mocht ik er
eigenlijk niet bij zijn. Ik vat het nu
maar even samen in de ontwerpers-
functie van die opleiding. Dat is het
verschil. Dat is hier ook nader
uiteengezet. Er is ook werkelijk nog
verschil – dat is hier en daar in
twijfel getrokken – tussen de
algemene be`ta-opleidingen en de
hier genoemde ingenieurs-
opleidingen. Dat komt bijvoorbeeld
wel sprekend tot uiting in het feit dat
die algemene be`ta-opleidingen
onderzoekersopleidingen zijn en
geen ontwerpersopleidingen.
Onderzoekers moeten promoveren. Dat zie je ook gebeuren: 50% van de
algemene be`tastudenten gaat na het
doctoraal door met een promotie-
onderzoek. Bij de ingenieurs is dat
maar de helft. Dat geeft een verschil
aan.
De heer Lansink heeft gevraagd of
er studies zijn waarin die zaken naast
elkaar zijn gelegd. Ik ken in ieder
geval een recente, te weten van de
visitatiecommissie scheikunde en
scheikundige technologie. De
visitatiecommissie komt tot de conclusie: technologie/
ingenieursopleiding vijf jaar,
scheikunde vier jaar. Wij hebben het
niet over de hele linie, maar wij
hebben wel een duidelijk, helder en
recent rapport op dat punt. Ik
constateer dus dat er verschil is. Er
moet ook verschil zijn.
Er waren nog een paar specifieke
punten. De heer Lansink vroeg
bijvoorbeeld hoe het zat met de
Groningse opleiding. Het is
misschien een beetje vreemd, maar
er zijn inderdaad drie ingenieurs-
opleidingen in Groningen. De heer
Lansink vroeg ook naar de situatie in
Amsterdam en Delft. De ene is een
doctorandus en de andere is een
ingenieur. Dat achtte hij een
cirkelredenering. Dat is niet helemaal
juist. Wij spreken hierbij ook over
een ingenieursprofiel. De opleiding
in Groningen is gericht op het
ingenieursberoep ontwerper. In
Amsterdam is sprake van een
onderzoekersopleiding. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2742" anker="574" partij="CDA" naam="Lansink">
 Ik beluister
dat de ontwerpersgedachte in de
opleiding van ingenieurs alle jaren
meetelt. Het oude ideaal van de Wet
twee-fasenstructuur is daarmee
eigenlijk ter ziele. Men wilde dat
gisteren op de hoorzitting niet zo
prijsgeven, maar op zichzelf is dit het
geval. Voor de onderzoekers geldt dit
natuurlijk in mindere mate. Uit een
oogpunt van gelijke behandeling kan
worden gepleit voor het tegen het
licht houden van de Wet twee-
fasenstructuur. Omdat er natuurlijk
ook geen 100% doorstroming is,
moeten wij ons afvragen of wij dan
ook niet de specifieke kenmerken in
de doctoraalopleidingen verwerken.
Dat staat nog los van het feit dat een
rapport van een visitatiecommissie
niet heilig verklaard mag worden. Ik
wijs ook op rapporten van de VSNU
en andere organisaties over de
overeenkomsten tussen ingenieurs
en doctorandi. Verder wijs ik op het
argument van het in elkaar schuiven
van wetenschap en techniek. Als wij
gaan kijken in de laboratoria van
Philips en AKZO, zullen wij zien dat
er heel wat doctorandi en doctores
werken. Die moeten dezelfde
vaardigheden hebben op het gebied
van procestechnologie en weet ik
wat. Ik houd dus staande dat een
aantal be`tastudies gelijk behandeld
moet worden. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2742" anker="575" soort="Staatssecretaris" naam="Nuis">
 Ik ben het
ermee eens dat in de stelseldiscussie
van de komende jaren alle ruimte
moet zijn om alles tegen het licht te
houden en zeker ook de twee-
fasenstructuur. Het lijkt mij zelfs
onmogelijk om een beetje fundamen-
tele discussie te houden zonder dat
dat gebeurt. Ik heb het voorbeeld
gegeven, omdat ik het een sprekend
voorbeeld vond. Een aantal zaken
geeft aan dat er op het ogenblik wel
degelijk verschil is. Er zijn heel goede
redenen om dat verschil te handha-
ven en wellicht zelfs te versterken.
Daarvoor verwijs ik naar rapporten
als dat van de OCV ’’Koersen op
kennis’’ inzake natuurkunde. Het is
echt goed om de onderzoekers- en
de ontwerperskant van de studie
goed uit elkaar te houden. De RCO
heeft een vergelijkbaar standpunt
ingenomen. Ook voor de arbeids-
markt is differentiatie nuttig.
Stel dat je de ingenieursopleiding
vijf jaar en de be`ta-opleiding vier jaar
maakt. Daarmee wordt de laatste
relatief lastiger; als je er tenminste
van uitgaat dat ze nu allebei even
zwaar zijn. Zou dit geen aanzuigende
werking op de ingenieursopleidingen
hebben – dat zou nog tot daar aan
toe zijn – en een afzuigende werking
op de algemene be`ta-opleidingen,
die wij ook zo belangrijk vinden?
Deze gedachte is geopperd. Ik meen
dat er geen reden is om dat te
denken. Het gaat om studenten met
een verschillend profiel. Wij hebben
ook een chemie-opleiding van vier
jaar en een farmacie-opleiding van
zes jaar. Niemand heeft het gevoel
dat dat betekent dat iedereen
farmacie gaat studeren. Ik heb dat
argument althans nog nooit gehoord.
Het is mijn conclusie dat het op dit
moment onverantwoord is om het
aantal richtingen uit te breiden
voorbij dat goed onderzochte
gedeelte dat wij nu bij de kop
hebben, zonder dat wij duidelijke
nadere indicaties hebben uit nader
onderzoek, uit een aanpak van de
studies zelf of uit internationale
vergelijkingen. Ook in dat laatste
opzicht krijg ik geen echt duidelijke
aanwijzingen dat dit noodzakelijk zou
zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2742" anker="576" partij="CDA" naam="Lansink">
 Voorzitter!
Vorige week heeft de VSNU in grote
eensgezindheid haar 10-jarig bestaan
gevierd. Ter gelegenheid daarvan
werd een aantal voortreffelijke
redevoeringen gehouden. Ik heb daar
gehoord hoe de heer De Moor, de
voorzitter van de commissie die de
VSNU de stukken voor de stelsel-
wijziging gaat aanleveren, uit een
vergelijking met het buitenland
concludeerde dat de doctoraalstudies
in Nederland korter zijn dan elders.
Die gegevens zijn er dus wel. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2742" anker="577" soort="Staatssecretaris" naam="Nuis">
 Ik heb daar
ook met belangstelling kennis van
genomen. Op bepaalde onderdelen
heb ik zelfs onmiddellijk gereageerd.
Ik bewonder overigens de onstuimig-
heid waarmee de heer Lansink zich
midden in de stelseldiscussie werpt.
Hij kan daar eigenlijk niet mee
wachten, maar ik ben wel gedwon-
gen om dat te doen, omdat ik het
rapport van de VSNU nog wil
afwachten en omdat ik mij moet
houden aan de door mij gevraagde
afspraken om er niet op vooruit te
lopen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2743" anker="578" partij="CDA" naam="Lansink">
 Even over
die onstuimigheid, hoewel ik dat
geen slecht verwijt vind. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2743" anker="579" soort="Staatssecretaris" naam="Nuis">
 Dat is het ook
niet. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2743" anker="580" partij="CDA" naam="Lansink">
 De heer De
Moor had zijn idee over de tweeja-
rige uitstroom nog niet naar voren
gebracht of de staatssecretaris
veegde het al van tafel. Over
onstuimigheid gesproken. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2743" anker="581" soort="Staatssecretaris" naam="Nuis">
 Ik had, eerlijk
gezegd, al enige voorinzage gehad.
Als je dan moet reageren op iemand,
dan weet je wel een beetje wat je
moet zeggen. Op dat ene punt heb ik
overigens niets van tafel geveegd.
De heer Lansink was daar zelf bij. Hij
kan dat dus bevestigen. Ik heb
gezegd dat op dat punt misschien
nog wat scherper kon worden
nagedacht. Ik beschouw dat niet als
van tafel vegen. Mijn voorlopige
indruk over die specifieke gedachte
heb ik dus wel gegeven. De heer Lansink zei in feite: het
stuk ligt er nu, moeten wij niet
meteen verder. Zijn eerste optie had
betrekking op de deregulering. Daarover zei hij: zullen wij die maar
meteen voortzetten. Als ik dacht dat
dit nu al kon, had ik de Procesbrief
niet geschreven. Dan hadden wij
sneller zaken kunnen doen. De
gedachte om de zaken zoveel
mogelijk aan de instellingen zelf over
te laten – dat is het voortbouwen op
de HOAK-gedachte – is buitenge-
woon waardevol. Dat kan men ook
terugvinden in de Procesbrief. Het is
een buitengewoon belangrijke optie
om in dat kader te bespreken.
Tegelijkertijd lijkt het mij onver-
standig om dat nu al te doen. De
discussie daarover moeten wij de
komende maanden voeren. Ik nodig
de heer Lansink en zijn partijgenoten
van harte uit om daaraan mee te
doen. Ik kan mij bijna niet voorstel-
len dat zij zich daarvan zouden
kunnen onthouden als ik dit zo hoor.
Ik heb beloofd dat er in het najaar
een ontwikkelingsplan komt. Daarin
zullen wij de werkelijke koers
uitzetten. Ik verzeker de heer Lansink
dat de vraag in hoeverre wij de zaak
in autonomie kunnen beslissen zeer
grondig zal worden bekeken, als een
soort voorkeur zelfs. Zo staat het ook
in de Procesbrief. Als het even kan,
doen wij het zo. Blijkt dat dit om
allerlei redenen te ingewikkeld is of
op te veel moeilijkheden stuit, dan
zullen wij het hernemen, maar dat is
dus de opzet. In het ontwikkelings-
plan zal er dus een duidelijke
standpuntbepaling op volgen.
In het ontwikkelingsplan zal ook
worden aangegeven hoe wij met de
wetgeving voort zullen gaan. In dit
verband reageer ik meteen op de
suggestie van de heer Van Gelder.
Hij vroeg zich af, als wij tot de
conclusie komen dat de zaak toch
moet worden verbreed en als wij de
instellingen de ruimte willen geven,
of het niet zinnig is om een
experimenteerartikel in de wet op te
nemen, zodat niet behoeft te worden
gewacht totdat het hele gebouw
klaar is, getekend en gebouwd. Zo
heb ik hem verstaan. Ik vind dat een
waardevolle gedachte. Ik zal die
zeker meenemen in het kader van
het ontwikkelingsplan. Dat is
misschien ook de plek waarin dat
wordt neergelegd, want dan hebben
wij immers bekeken hoe de zaak ligt.
Maar de gedachte dat je niet alles tot
het laatst laat wachten, maar als er
kans is om al tijdens het proces
dingen die heel waardevol lijken te
beginnen, zonder dat je de samen-
hang verbreekt, lijkt mij een nuttige
gedachte. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2743" anker="582" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Wil de
staatssecretaris proberen om deze
aantrekkelijke gedachte van de heer
Van Gelder nu reeds uit te werken in
wetgeving, of zal hij daar pas in het
ontwikkelingsplan op ingaan? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2743" anker="583" soort="Staatssecretaris" naam="Nuis">
 Een ontwikkelingsplan doet twee dingen:
het geeft een koers aan en het geeft
een volgorde aan. In zo’n plan staat
waar wij heen willen, dat wij niet
alles tegelijk doen, maar dat wij
bepaalde onderdelen al vast kunnen
uitzetten. Over een onderwerp als de
bestuursstructuur zal bijvoorbeeld
kunnen worden gepraat en dan zou
kunnen worden bekeken of je dat
niet eerst moet doen om andere
dingen te kunnen doen. In datzelfde
kader zou je zo’n experimenteer-
artikel voorop in de rij kunnen zetten
en daar vast mee beginnen.
De heer Lansink heeft gezegd dat
er op zijn minst een evaluatie-
bepaling in de wet zal moeten staan
om de zaak goed onder druk te
houden. Ik begrijp die gedachte en ik
zou het ook de moeite waard vinden,
maar ik geef een paar overwegingen.
Als je een evaluatiebepaling in de
wet zet, moet je een vrij laat jaartal
kiezen, omdat het eerste cohort dat
deze langere studie heeft voltooid,
klaar moet zijn om te weten hoe het
is gelopen. Als het idee van de heer
Lansink is om door het opnemen van
een evaluatiebepaling te laten zien
dat wij flink de klem erop houden,
zou dat dus averechts kunnen
werken. Er wordt in de wet dan
namelijk een heel laat jaar genoemd,
terwijl wij al veel vroeger aan de slag
gaan om te kijken of het werkt. Hoe
kunnen wij zien of de ree¨le studie-
duur afneemt? Wat voor garantie
hebben wij dat die afspraak met de
technische universiteiten echt wat
voorstelt? Welnu, de technische
universiteiten hebben beloofd dat het
in de ontwikkelingsplannen komt te
staan. Wij kunnen dus van jaar tot
jaar zien of er inderdaad sprake is
van een ree¨le vermindering van de
verblijfsduur en of die de vijfenhalf
jaar nadert. Wij hebben wat dat
betreft dus al een middel in handen.
Als de Kamer van mening zou zijn
dat het geen kwaad kan om
daarnaast een algemene evaluatie in
de wet op te nemen, laat ik dat graag
aan de Kamer over, maar ik wijs wel
op het gevaar dat het averechts zou
kunnen werken en precies het
omgekeerde zou kunnen bewerkstel-
ligen dan wat de heer Lansink en ik
graag zouden zien. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2743" anker="584" partij="CDA" naam="Lansink">
 Ik heb dat
gevaar zelf aangeduid. Vandaar die
termijn van vijf jaar. Wij kunnen
natuurlijk kiezen voor een kortere
termijn en een verslaggeving om
bijvoorbeeld de drie jaar. Het gaat
daarbij niet alleen om de uitstroom,
maar ook om de instroom. Het gaat
om de vraag of er sprake is van een
aanzuigende of juist afstotende
werking. Tegen de tijd dat de zaak
echt draait, zouden een aantal studenten kunnen zeggen: laat ons
toch maar het doctoraal examen
halen, want dat kan korter en dan
kunnen wij eerder op de arbeids-
markt instromen. Het gaat dus om
instroom, uitstroom, verschuivingen
en studieprogramma’s. Er kunnen
ook zaken tussentijds worden
getoetst. In mijn amendement spreek
ik over vijf jaar, omdat ik dacht aan
een overall toetsing na een cohort
van vijf jaar. Er is echter geen
bezwaar tegen een tussentijdse
toetsing. Als je dit instrument
selectief, voor een aantal studies,
toepast, moet je kunnen toetsen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2744" anker="585" soort="Staatssecretaris" naam="Nuis">
 Ik heb
aangegeven dat die toets er al in zit.
Wij hebben de afspraak gemaakt dat
de technische universiteiten daarover
jaarlijks zullen rapporteren. Als
daarvoor aanleiding is, kan de Kamer
vragen hoe het ermee staat. De
vraag is alleen of het zinvol is om
een extra evaluatie-artikel in de wet
op te nemen. Is het niet genoeg als
wij afspreken dat het op deze wijze
in de gaten wordt gehouden?
De heer Van Gelder en ik hebben
elkaar toch gevonden op het punt
van de knip, zij het langs een andere
weg. Het hoofdargument is de
verwevenheid van de ontwerpers-
leerweg in het gehele proces. Ik
dacht dat je daarom aan die 100%
zou vastzitten. De heer Van Gelder
heeft gelijk. Je kunt namelijk ook
omgekeerd redeneren. Het is een
beetje een cirkelredenering.
Voorzitter! Mevrouw De Vries,
mevrouw Jorritsma en anderen
hebben gevraagd, of de universitei-
ten nu te veel of te weinig geld
hadden. De universiteiten hadden
geld voor vier jaar en dat hebben ze
nu voor vijf jaar. Hoe zit dat nou?
Hadden de universiteiten geld over,
zodat de duur best vijf jaar kon zijn?
Ik meen dat het antwoord hierop
simpel is. In werkelijkheid was de
studielast al een last van vijf jaar. Wij
hebben alleen de wetten aangepast
aan de geaccepteerde werkelijkheid.
Wij hebben geconstateerd dat die
feitelijke studielast ook nodig is om
het internationale peil te handhaven.
Er zijn dan twee wegen. Je kunt
alsnog schrappen. Daarmee tast je
de kwaliteit echt aan. Dan zit je echter met een probleem: iets wat in
feite vijf jaar duurt en duren moet,
wring je dan in een rooster voor vier
jaar. Dat brengt inefficie¨ntie met zich.
Dan kun je niet echt goed roosteren.
Je mag het programma dan niet
over vijf jaar verspreiden, hoewel dat
voor de indeling van de studie veel
efficie¨nter zou zijn. Dat is de winst.
Het hoeft niet echt meer te kosten.
Wij hebben gezegd dat wij per
ontwikkelingsplan controleren of het
echt lukt die vermindering tot stand
te brengen. Een ander argument is
de waarschijnlijkheid dat het
inderdaad lukt. Het is waarschijnlijk
dat een betere organisatie van de
studie, dus een betere studeerbaar-
heid, het voor studenten mogelijk
maakt er korter over te doen. De
ree¨le gemiddelde studieduur is nu
5,8 jaar en wij zeggen dat die vier is.
In het vervolg zeggen wij eerlijk dat
die vijf jaar is en vergroten daarmee
de ree¨le kans om de studie in de
buurt van vijf jaar te laten eindigen.
Uiteindelijk zit daarin de winst.
Financieel is er geen ree¨el probleem.
Enige verbetering is mogelijk omdat
het efficie¨nter kan. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2744" anker="586" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Geldt
datgene wat de staatssecretaris heeft
gezegd over de technische universi-
teiten ook voor de algemene
universiteiten? Was men als het ware
infrastructureel voorbereid op vijf
jaar, terwijl de zaak alleen boekhoud-
kundig werd beperkt tot vier jaar?
Verlenging van dat ene jaar levert
dan geen probleem voor de
universiteiten op. Geldt dat ook voor
andere universiteiten? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2744" anker="587" soort="Staatssecretaris" naam="Nuis">
 Dat weet ik
niet zeker. Voor de technische
opleidingen weet ik het zeker, omdat
wij het hebben nagegaan. Daar zijn
de problemen immers veel klemmen-
der dan bij de be`ta-opleidingen. Ik
ben het met de heer Rabbae eens
dat het argument een algemenere
geldigheid heeft. De vraag was nu gericht op die vijf jaar: kost dat niet meer? Het antwoord daarop is: nee.
Later komen wij opnieuw in de
discussie over de be`ta-opleidingen
terecht. Ik heb voortdurend het
gevoel dat ik langs de rand van een
grote zee loop en de neiging heb om
erin te stappen, maar dat moet ik
nog maar even uitstellen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2744" anker="588" partij="CDA" naam="Lansink">
 De
staatssecretaris antwoordt op de zeer
terechte vraag van de heer Rabbae
over de be`tafaculteiten dat hij het
niet zeker weet. Is hij bereid om het
uit te zoeken, voordat de Kamer over
het wetsvoorstel stemt? Als daarover
zekerheid ontstaat, is weer een
argument weggenomen tegen
verruiming naar de be`tastudies zoals
bepleit in mijn amendement. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2744" anker="589" soort="Staatssecretaris" naam="Nuis">
 Ik wil best
nagaan of het zo is en dat aan de
Kamer laten weten. Ik wijs er wel op
dat het natuurlijk geen doorslagge-
vende factor is. Ik heb zoe¨ven een
hele reeks van argumenten van
inhoudelijke aard genoemd, op
grond waarvan het naar mijn mening
niet goed is om te doen wat de heer
Lansink vraagt. Ik wil het wel laten
nagaan, maar als het zo zou blijken
te zijn, doet dat naar mijn mening
niet de hele zaak omslaan. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2744" anker="590" partij="CDA" naam="Lansink">
 Ik maak die
opmerking omdat ik die argumenten
Mevrouw J. M. de Vries (VVD)niet overtuigend vond. Het enige
waar ik mee zit, zou het financie¨le
argument kunnen zijn, omdat ik ook
af en toe van de eigen achterban
zuinig moet zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2745" anker="591" soort="Staatssecretaris" naam="Nuis">
 U moet dat
ook zijn, dat begrijp ik.
Ik wil niet zozeer iets over
Schopenhauer zelf zeggen, want ik
denk dat hij heel woedend zou zijn
als hij wist dat zijn naam aan deze
verderfelijke praktijken zou worden
gekoppeld. De vraag van mevrouw De Vries was eigenlijk: waarom komt
u er nu mee, en niet bijvoorbeeld in
dat zoveel ordelijker proces van
prestatiebeurzen? De reden is eenvoudig: omdat wij het zo gauw
mogelijk wilden doen. Het gaat om
een gaatje dat op dit moment nogal
duidelijk blijkt. Het gaat om
studenten van voor 1991, die deze
uitweg hebben om op oneigenlijke
manier hun beurs te verlengen. Dat
is ons eigenlijk pas afgelopen
september duidelijk geworden. Toen
kregen wij ineens een veelvoud van
het normale aantal studenten aan de
universiteit van Groningen die zich
voor filosofie aanmeldden. Wij
redeneerden toen dat wij dit met de
Kamer zouden regelen bij de
eerstvolgende gelegenheid dat de
wet aan de orde is. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2745" anker="592" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">
 Het
ging mij niet zozeer om het
onderwerp, maar meer om het
rommelige geheel. Wij praten hier
over de verlenging van technische
studies en de implicaties daarvan.
Het geeft zo’n beetje de volgende indruk: als wij nu toch in die Kamer
staan, kunnen wij dan nog onderwijl
niet een paar andere oneffenheden
uit die wet halen, wat hebben wij
nog meer op de rol? Het is eigenlijk
een wezenlijk ander onderwerp. Ik
had gewoon liever een aparte
wetswijziging gezien. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2745" anker="593" soort="Staatssecretaris" naam="Nuis">
 Ik begrijp het.
Die opmerking over de rommelige
aanblik accepteer ik ook op zichzelf.
Maar als je zoiets ziet, wil je er zo
snel mogelijk iets aan doen. Elke
andere weg had de mogelijkheid in
zich gehad dat het nog een jaar zou
gebeuren. Dat is de reden voor de
rommeligheid. Maar die ontken is
dus niet.
Voorzitter! De heer Schutte was de
eerste die de volgende vraag principieel ter discussie stelde: je
loopt nu wel vooruit, maar betekent
het ook dat dit stuk af is? Nee, dat
stuk is niet af, principieel niet.
Wanneer je het stelsel als geheel ter
discussie stelt, moeten de technische
opleidingen daar natuurlijk weer
opnieuw bij ter discussie worden
gesteld. Het zou vreemd zijn om dat
niet te doen. Er is ook een praktische
kant aan de zaak. Die heeft de heer
Van Gelder genoemd. Ik wijs
bijvoorbeeld op de 20% die het niet
haalt. Hoe doen wij dat? Wij moeten
ook nog heel concrete dingen met de
technische universiteiten bespreken.
Ik wil wel een pragmatische
aanvulling geven. Wij hebben nu iets
geregeld voor die vijfjarige cursus-
duur. Het lijkt mij hoogst onwaar-
schijnlijk dat wij voor die geconsta-
teerde knelpunten een oplossing
zouden kiezen, die als het ware
diezelfde knelpunten weer doet
ontstaan. Als ik dat gevoel had, zou
ik hier vandaag niet staan. Wij
constateren wel degelijk met z’n
allen dat er een ernstig knelpunt is.
Dat zal ook onder het nieuwe stelsel
bestaan. Ik sluit niet uit dat de
precieze vormgeving van de
oplossing van zo’n knelpunt enige
verandering zou kunnen ondergaan,
maar het is natuurlijk niet zo dat ik hier vrolijk zeg: wij regelen het nu
even zo, maar het kan ook iets heel
anders worden in een volgende
periode. Daarvoor neem ik het
probleem dat wij hier vandaag
behandelen, te serieus. De hoofdzaak
is dat de stelseldiscussie over het
stelsel gaat en niet over het stelsel
minus drie technische universiteiten.
Dat was de teneur van de opmerking
van de heer Schutte.
De heer Van Gelder heeft nog naar
voren gebracht dat de be`ta- opleidingen hebben gezegd: wij
hebben ons best gedaan, wij hebben
er vier jaar van gemaakt, de
technische universiteiten hebben dat
niet gedaan en worden daarvoor nu
beloond. Ik moet erop wijzen dat
door de technische universiteiten
veel gedaan is. Zij hebben hun best
gedaan, ook in het verlengde van het
eerste convenant. Ik verwijs in dit
verband naar de rapportage van
minister Ritzen van december 1992.
Daarin is uiteengezet wat al niet
gedaan, geschrapt en geprobeerd is
om de technische opleidingen ook
binnen het keurslijf te krijgen. Wij
moeten constateren dat dit niet is
gelukt. Als je het ABET-rapport leest,
krijg je daar een aardige indruk van.
Men vond het overigens geen
verbetering.
De heer Verkerk heeft naar de
evaluatie gevraagd. Ik heb zojuist
geprobeerd, een zo goed mogelijke
uitleg te geven.
Ik kom tot slot bij het chapiter van
de studiefinanciering. Verschillende
sprekers hebben geklaagd over de
ingewikkeldheid. Ik vrees dat ik die
klacht niet helemaal ongedaan kan
maken, omdat er iets ingewikkelds zit
in de situatie. Laat ik proberen, het
zo eenvoudig mogelijk te houden en
de studiefinancieringsalgebra tot een
minimum te beperken.
Wij denken in de studie-
financiering – en hadden gedacht dat
te blijven doen – in cohorten. Dat wil
zeggen dat wij proberen om voor
een nieuwe jaargang studenten de
omstandigheden rond de studie-
financiering zoveel mogelijk
ongewijzigd te laten tijdens de
studie. Men heeft gezegd: er is iets
ingewikkelds gedaan. Als dit
wetsvoorstel tot wet wordt verheven,
krijgen de studenten die in septem-
ber met hun studie beginnen te
maken met een wat apart regime. De
cursusduur wordt vijf in plaats van
vier jaar. De verlengde opleiding
geeft recht op zes jaar – 5 plus 1 –
gemengde studiefinanciering en nog twee jaar een lening. Men vraagt:
waarom maakt u het zo ingewikkeld
door het zesde jaar niet een gewone
beurs te geven, maar er iets
voorwaardelijks aan te verbinden
door te zeggen dat men moet laten
zien dat men het ook echt doet of,
twee jaar later, gedaan heeft;
waarom wordt niet gekozen voor de
situatie zoals die voor tandarts-
studenten geldt? Dat is trouwens het
enige voorbeeld waarbij het om die
verlenging van de studieduur gaat. Ik
zal zeggen wat de redenering van het
kabinet is geweest om voor deze
variant te kiezen.
Het gaat naar menselijke
berekening om een cohort, want wij
streven ernaar om het wetsvoorstel
inzake de prestatiebeurs zo snel
mogelijk aan de Kamer voor te
leggen. De zaak verandert dan weer
in het jaar erop, in welke zin dan
ook. Wat wij ook doen, in een jaar
geldt een wat afwijkende regeling.
Als de weg van de heer Rabbae
gevolgd wordt, geldt voor dat jaar
nog een keer, afwijkend van ervoor
en erna, deze regeling. Als mijn weg
gevolgd wordt, is precies hetzelfde
het geval. Het is dus een wat
uitzonderlijk jaar.
Wij komen met een wetsvoorstel
inzake studiefinanciering en wij
hopen dat wij de zaak voor het
volgend jaar rond krijgen. Ik weet dat
het ontzettend ambitieus is, maar dat
hopen wij in elk geval. Als dat
gebeurt, is er niets aan de hand. Dan
sluit het gat geruisloos en zal de
nieuwe Wet op de studiefinanciering
in feite gelden en antwoord geven
op de vraag wat er met het cohort
volgend jaar gebeurt.
Wij hebben het dus over de vraag
wat wij doen met de studenten die
geconfronteerd worden met de
situatie als het niet lukt en een uitstel
van een jaar noodzakelijk is. Voor dat
cohort wordt het een beetje anders. Mijn suggestie is: laten wij een
beetje naar voren stappen en de
gedachte die al verwoord is door het
kabinet om meer te gaan in de
richting van een prestatiebeurs-
achtige constructie alvast op dat
tussenjaar van toepassing verklaren.
Het voordeel daarvan is in ieder
geval dat eventueel Schopenhauer-
achtige elementen voorkomen worden, dus dat studenten denken:
wij schrijven ons in voor de moeilijke
ingenieursopleiding van vijf jaar,
want dan zijn wij daar nog even van
verzekerd. Ik kan mij voorstellen dat
wij daar te zwaar aan tillen. Immers,
het is mogelijk, maar je weet maar
nooit. Bovendien is het voor een jaar.
Ik heb evenwel aangegeven waarom
ik de voorkeur geef aan die lichte
stap naar voren in dit toch uitzonder-
lijke jaar en niet aan het aanpassen
bij een regeling voor opleiding tot
tandarts. Overigens is dat een
numerus-fixus-regeling en de
onderhavige niet. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2746" anker="594" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Ik
weet wel dat Schopenhauer een heel
sombere filosoof is, maar ik wist niet
dat hij een route had. De uitleg van
de staatssecretaris is voor mij niet
overtuigend. Hij neemt alvast een
voorschotje op de discussie die wij
hierover nog dit jaar voeren en
waarvan de resultaten naar ik hoop
volgend jaar vorm krijgen. Dat
overleg moet hij eerst met de Kamer
voeren. Weliswaar staat dat in het
regeerakkoord en kan hij daarvoor
rekenen op een meerderheid in deze
Kamer, maar de uitwerking staat nog
niet vast. Waarom kiest de staatsse-
cretaris voor een heel onberekenbare
weg? Is het niet beter om deze ronde
af te maken en aan te sluiten op de
huidige systematiek? Als de nieuwe
weg is aangelegd, kan die weg
gevolgd worden. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2746" anker="595" soort="Staatssecretaris" naam="Nuis">
 Ik probeer u
nog een keer te overtuigen. Ik heb al
laten merken dat ik best wel iets zie
in uw redenering, maar volgens mij
is de andere manier beter. Er zijn nu
technische universiteiten die het via
een ontwikkelingsplan op zich
hebben genomen om in de nieuwe
situatie met een langere studieduur
en studiefinanciering niettemin
stevig de vaart erin te houden. Zij
hebben ons beloofd dat de ree¨le
verblijfsduur van de student omlaag
gaat.
Als wij uw redenering volgen, is er
in dat jaar geen sprake van een extra
stimulans om de studenten te
pressen tot een wat kortere
verblijfsduur. Het verschil met het
huidige systeem is dat er een premie
geldt om binnen zes jaar af te
studeren. Men is zeker van het
voordeel dat je dat jaar terugkrijgt
als je dat doet. Dit gebeurt niet als
men dat niet doet. Er is dus sprake
van een soort stimulans, een soort
hulp, voor de technische universitei-
ten om in dit jaar werkelijk aan hun
belofte te voldoen inzake verminde-
ring van de ree¨le verblijfsduur.
U zegt dat ik met mijn andere
opmerkingen een voorschotje op de
toekomstige discussie neem. Goed,
die neem ik terug. Wat daarna
gebeurt, is geheel in de schoot der
goden verborgen. In ieder geval
weten wij zeker dat wij voor het
eerste jaar dat wij de verlengde
studieduur toepassen, de technische
universiteiten een hulpmiddel geven om te zeggen: jongens, meisjes er
moet opgeschoten worden met de
studie, want anders weet je niet
zeker of je in het zesde jaar een
beurs krijgt. Ik meen dat hiermee de
argumenten voldoende zijn
uitgewisseld.
Een vraag van mevrouw De Vries
is niet zozeer moeilijk om te stellen
als wel om te beantwoorden zonder
geheimtaal te gebruiken. Met deze
vraag wordt overigens ook een
beetje op de eigenlijke discussie
vooruitgelopen, maar goed,
kamerleden mogen dat inderdaad
meer doen dan bewindslieden. De vraag is: als je de volgende keer met
de prestatiebeurs komt en je gaat,
wat tenslotte ook een regerings-
voornemen is, van ’’C+1’’ naar ’’c’’,
dan geef je daarmee eerst de
technische studenten als het ware
een jaar meer studiefinanciering en
vervolgens weer een jaar minder,
dus wat schiet je daarmee op? De
snelste en naar ik hoop duidelijkste manier waarop ik het kan zeggen, is:
omdat de ’’C’’ voor de technische
studenten van vier naar vijf gaat,
maar niet voor de andere studenten;
er blijft dus altijd een relatief
voordeel.
Mevrouw De Vries vroeg hoe ik
kwam aan die 3 mln. voor extra
studiefinanciering in het jaar 2000.
Structureel zou het dan wat meer
worden. Als je het wetsvoorstel
neemt, komen studenten van
technische opleidingen en landbouw-
opleidingen in aanmerking. Wij
kunnen nu vaststellen dat het gaat
om ongeveer 3700 studenten. Wij
gaan er dus van uit dat er geen
geweldige veranderingen naar boven
of beneden optreden. In het
convenant met de technische
universiteiten staat dat het streven is
gericht op een gemiddelde studie-
duur van vijfenhalf jaar. Dat is dus
het ree¨le verblijf. Dat is dus een
halfjaar langer dan nu. Als je uitgaat
van het aantal studenten en dit
koppelt aan een extra studie-
financieringsperiode van een halfjaar,
betekent dit 11 mln. op jaarbasis. In
2000, het eerste jaar, heb je echter
alleen van september tot en met
december extra kosten. Daardoor
kom je voor dat jaar op een bedrag
van 3 mln., waarna het oploopt tot
11 mln. per jaar. Wij gaan ervan uit
dat het aantal studenten constant
blijft.
Mevrouw De Vries heeft ook
gevraagd wat dit betekent voor het
arbeidsmarktperspectief voor die
studenten. Mijn uitgangspunt is dat
de studie even goed blijft als zij was,
maar dat zij alleen korter duurt. De
afgestudeerden zijn even goed als
nu, wij leveren ze alleen sneller af.
Dat is de winst. Op zichzelf is dat
geen winst in arbeidsmarkt-
perspectief. Je kunt wel zeggen dat
het arbeidsmarktperspectief
verslechtert als wij dit niet doen. Dan
kom je namelijk in een situatie dat
het op den duur onvermijdelijk wordt
dat de kwaliteit van de afgestudeer-
den omlaag moet.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2746">

 
<spreker pagina="40-2746" anker="596" soort="Minister" naam="Van Aartsen">
 Mijnheer de
voorzitter! Herinnerend aan het
aardige interruptiedebat tussen
mevrouw Jorritsma en de heer Van
der Vlies, vind ik het prettig om hier
als niet-Wageninger en niet-
ingenieur iets te kunnen zeggen over
de landbouwopleidingen. Ik heb
overigens van de heer Lansink
begrepen dat hij het allemaal zo
evident vond dat het voor hem niet
zozeer nodig was dat de minister van
LNV hier nog zou verschijnen. Ik ben
echter blij dat ik hier nu toch sta,
want ik ben ook blij met de steun die
ik van de Kamer voor dit onderdeel
van het wetsvoorstel heb gekregen.
Ik heb steun gekregen van de
afgevaardigden de heer Lansink,
mevrouw De Vries, de heer Rabbae
en de heer Verkerk. Er zijn echter ook
twijfels geuit. Mevrouw Jorritsma en
de heer Van Gelder hebben dat
gedaan.
Het is goed dat ik eerst een paar
algemene opmerkingen maak, dan
iets zeg over de internationale positie
van Nederland in dit kader. Ik wil ook
de criteria, die hier vanmiddag een
rol hebben gespeeld, langs lopen.
Ook is het misschien goed om kort
nog iets te zeggen over een
inhoudelijke vergelijking van een
aantal van deze opleidingen, mede
naar aanleiding van een verzoek van
de heer Van Gelder op dit punt.
Evenals bij de technische
opleidingen wordt het hoog tijd dat
de wettelijke studielast van de
landbouwopleidingen wordt
aangepast aan de feitelijke studielast.
Algemeen is men het erover eens
dat de feitelijk bestaande studielast
vijf jaar bedraagt. De studies worden
aangeboden in een programma van
vier jaar. Daardoor ontstaat eigenlijk
alleen maar extra vertraging. Ook de
gemiddelde studieduur van de
studenten die de in het wetsvoorstel
genoemde ingenieursopleidingen
volgen, loopt tegen de zes jaar, even
goed als dit geldt voor de technische
opleidingen. De stof is in wezen te
omvangrijk om die in de wettelijk
toegestane tijd te kunnen bestude-
ren. Vermindering van de studielast
is niet mogelijk zonder het niveau
van de opleidingen te verlagen. Dat
zou ik zeer onverstandig vinden.
Het is ook voor andere opleidin-
gen niet verstandig, maar zeker niet
voor de landbouwopleidingen, juist
in een tijd waarin er binnen deze
opleidingen meer aandacht nodig is
voor andere dan typische landbouw-
onderwerpen. Ik hoef maar te
herinneren aan diverse debatten die
in deze Kamer zijn gevoerd, onlangs
nog over de landbouwbegroting, in
november van het vorige jaar. Ik doel
vooral op aspecten van milieu,
duurzaam gebruik van natuurlijke
grondstoffen en de produktie van
hoogwaardig materiaal. Het gaat mij
voor de komende jaren om de
creatie van een duurzamere
landbouw in Nederland. Ik heb de
indruk dat dit ook de geachte
afgevaardigde van D66 moet
aanspreken. De aspecten van milieu
en duurzaamheid vragen om extra
integrale aandacht binnen de
landbouwopleidingen. Niveau-
verlaging zou hiervoor funest zijn.
Hierbij komt dat de afgestudeer-
den van deze opleidingen minder
goed inzetbaar worden in het
landbouwbedrijfsleven. Het gevolg
hiervan is dat bedrijven personeel uit
het buitenland gaan halen. Buiten-
landse afgestudeerden voldoen
immers aan hoge eisen. De
landbouwopleidingen in de Europese
Unie zijn vaak vijfjarig of langer. Dit
heeft de internationale visitatie-
commissie in een rapport uit 1993
vastgesteld, toen zij de opleidingen
aan de universiteit had gevisiteerd.
Deze commissie adviseerde met het
oog op de concurrentiepositie, een
aspect dat mevrouw Jorritsma in
haar betoog als een van de normen
noemde, een cursusduur van vijf tot
zes jaar. De concurrentiepositie van
de Nederlandse landbouwingenieurs
zal naar mijn mening verminderen,
wanneer wij de studielast verlagen.
Nederland heeft wat dit betreft ook
een naam hoog te houden. Gistera-
vond was er voor de Belgische
televisie een uitzending over een
aantal landbouwonderwerpen,
waarin zeer veel aandacht werd
gegeven aan alternatief gebruik van
akkerbouwgewassen. Het ging om
non-food-toepassingen, zoals
bioplastics. De gegevens hiervoor
kwamen uiteraard allemaal uit
Wageningen. Daarom lijkt het mij
goed dat de internationale compo-
nent, die mevrouw Jorritsma
expliciet heeft genoemd, in dit kader
een belangrijke rol speelt. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2747" anker="597" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Ik krijg
hiervan tranen in mijn ogen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2747" anker="598" soort="Minister" naam="Van Aartsen">
 Dat was ook
de bedoeling. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2747" anker="599" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Het is
wel essentieel dat je tegenover de
algemene universiteiten redelijk kunt
onderbouwen waarom deze
opleidingen echt niet in vier jaar
kunnen worden gegeven. Het moet
dan wel breder onderbouwd zijn dan
uitsluitend door de sector zelf en op
grond van het economische belang,
want zo’n verhaal kan ook worden
gehouden voor technische opleidin-
gen aan algemene universiteiten. U
zegt dat een visitatiecommissie
inzicht hierin heeft gegeven. Het
rapport van die commissie is mij
ontgaan. Kunt u aangeven welk
rapport dat was? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2747" anker="600" soort="Minister" naam="Van Aartsen">
 Zoals u weet,
worden de opleidingen van
Wageningen, evenals die van andere
universiteiten, internationaal
beschouwd en gevisiteerd. Dit is
voor de laatste keer in 1993 gebeurd.
Uit het rapport van die internationale
visitatiecommissie put ik dit element.
Het belang van verlenging van de
landbouwopleidingen heeft in wezen
al jarenlang aandacht, niet alleen van
het bedrijfsleven, maar ook van
onafhankelijke adviescolleges. Ook zij
hebben verlenging van de landbouw-
opleidingen bepleit. Ik herinner niet
alleen aan het rapport en de
adviezen van het NILI en het
Koninklijk genootschap van
landbouwwetenschappen, waarop in
de stukken al wordt gewezen, maar
ook aan de onafhankelijke adviezen
van de Adviesraad voor
wetenschaps- en technologiebeleid
en de Adviesraad voor het hoger
onderwijs. De argumenten voor de
verlenging van de landbouw-
opleidingen zijn in wezen dan ook
dezelfde als die voor de technische
opleidingen. Ik verwijs in dit verband
naar de opmerkingen die op dit punt
zijn gemaakt door de geachte
afgevaardigden De Vries, die daarbij
een Engels rapport aanhaalde, en
Lansink.
Ook de Raad voor de centrale
ondernemersorganisaties is in wezen
een onafhankelijke instantie. Ook
deze raad heeft exact dezelfde
criteria gehanteerd als bij de
beoordeling en selectie van de
landbouwopleidingen in vergelijking
tot de technische opleidingen. Want
ook voor de in het wetsvoorstel
opgenomen landbouwopleidingen
gelden het hoge abstractieniveau, de
noodzaak van een brede, technische
basiskennis en het beroep dat moet
worden gedaan op het vermogen tot
analyse en synthese.
De opleidingen voldoen derhalve
aan de gestelde criteria van de raad.
Het gaat daarbij om criteria die
algemeen werden gesteld en die dit
voorstel dan ook tot resultaat
hadden. Het RCO-advies vind ik dus
niet mager, maar aanvullend. De
argumenten die voor de niet-
landbouwopleidingen zijn opge-
voerd, gelden ook hierbij. Want
dezelfde brede onderbouwing is op
dit punt van toepassing. Wat dat
betreft is er sprake van gelijke
uitgangspunten en van een gelijke
beoordeling van de verschillende
opleidingen. Dit brengt naar mijn
mening bij een gelijke uitkomst mee,
dat er sprake zal moeten zijn van een
gelijke behandeling van de opleidin-
gen. Want voor een ongelijke, in
wezen discriminerende behandeling,
zie ik eigenlijk geen enkele noodzaak.
Laten wij ons even verdiepen in
het type opleidingen. Voor alle
opleidingen gelden dezelfde
algemene criteria. Maar voor zes van
die elf landbouwopleidingen geldt
daarnaast dat ze inhoudelijk direct
vergelijkbaar zijn en naar mijn
mening ook concurrerend zijn met de
in het wetsvoorstel genoemde
technische opleidingen. Op dit
laatste, in mijn ogen zeer belangrijke
argument kom ik zo dadelijk nog
terug. Levensmiddelentechnologie en
bioprocestechnologie zijn in wezen
inhoudelijk vergelijkbaar met
scheikundige technologie. De
landbouwtechniek is vergelijkbaar
met werktuigbouwkunde. De studies
milieuhygie¨ne, bodem, water en
atmosfeer, zijn vergelijkbaar met
civiele techniek en geodesie. De
landinrichtingswetenschappen
vertonen in wezen grote overeen-
komsten met het industrieel
ontwerpen en bouwkunde. Dat
benadrukt het argument dat niet
alleen vanuit gelijkheids-
overwegingen – wat ik overigens een
sterk punt vind – maar ook inhoude-
lijk en rustend op inhoudelijke
argumenten de opname van de
landbouwopleidingen in het
wetsvoorstel geheel terecht heeft
plaatsgevonden.
Zoals ik al opmerkte, concurreren
de opleidingen ook met elkaar. De
opleidingen zijn namelijk vergelijk-
baar. Dat betekent dat een student de
keuze zal hebben tussen opleidingen.
Een dergelijke keuze zal, naar ik
vermoed, uitvallen in het voordeel
van de opleiding waarvoor een
langere studieduur mogelijk is. Het
gevolg laat zich raden. Want niet
alleen zullen dan de opleidingen aan
de Landbouwuniversiteit in een
mindere positie worden gebracht, er
kan zelfs een situatie ontstaan van
het wegconcurreren van deze
opleidingen. Gegeven mijn opmer-
kingen over de internationale positie
van de Landbouwuniversiteit, zou dat
een zeer slechte ontwikkeling zijn.
Staatssecretaris Nuis is al
ingegaan op de algemene problema-
tiek, die onder anderen door de heer
Van Gelder naar voren is gebracht.
De heer Van Gelder vroeg in zijn
eerste termijn wat eraan gedaan is
om de studielast feitelijk ook bij de
Landbouwuniversiteit Wageningen te
beperken. Evenals bij de technische
universiteiten, zijn alle programma’s
kritisch doorgelicht. Ook is er de
afgelopen jaren zeer veel energie in
studiebegeleiding gestoken. Verdere
verkorting acht ik niet mogelijk. Ik
verwijs opnieuw naar datgene wat
de internationale visitatiecommissie
op dit punt in 1993 heeft gezegd.
Mijn conclusie is, dat een verlenging
van de landbouwopleidingen pure
noodzaak is. Ik zie geen inhoudelijke
argumenten om met betrekking tot
de cursusduur onderscheid te maken
tussen technische opleidingen en
landbouwopleidingen. Zij voldoen
aan dezelfde criteria. En er is het
argument van de internationale
positie. Het moge dan ook duidelijk
zijn dat ik aanvaarding van het
amendement van mevrouw
Jorritsma aan de Kamer niet kan
aanbevelen. Maar ik heb begrepen
dat haar amendement ook min of
meer was bedoeld om in ieder geval
hier een krachtig pleidooi voor de
Landbouwuniversiteit Wageningen te
houden.</spreker>
<spreker pagina="40-2748" anker="601" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Het was daar natuurlijk niet
alleen voor bedoeld. Het was
duidelijk ook bedoeld om de zaak om
te buigen in de richting die onze
fractie beter leek. Maar ik heb al
gezegd dat wij altijd voor goede
argumenten gevoelig zijn. De
minister heeft dus voor de zes
opleidingen die hij bij naam noemde
een duidelijke vergelijking getrokken
met de technische opleidingen. Maar
hoe zit het dan met de andere vijf? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2748" anker="602" soort="Minister" naam="Van Aartsen">
 Voor de
andere vijf geldt de algemene
conclusie die is getrokken door de
RCO en die ook is getrokken in de
andere rapportages waarover wij
hebben gesproken, dat de criteria
van abstractie, analyse en synthese
volstrekt vergelijkbaar zijn met die
van andere technische opleidingen.
Waarom zou ten aanzien van dit type
opleidingen een zwaardere bewijslast
moeten gelden dan ten aanzien van
opleidingen aan andere universitei-
ten? Dat is in wezen het punt. Ik acht
die gedachtengang ten aanzien van
Wageningen geen juiste. De
algemene criteria, zeker voor deze
opleiding, zijn gewoon toepasbaar.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2748">

 
<spreker pagina="40-2748" anker="603" partij="CDA" naam="Lansink">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik wil nog slechts enkele
korte kanttekeningen plaatsen bij de
beantwoording van de bewindslie-
den. Ik begin met de minister van
Landbouw, die het kleinste deel van
de beantwoording voor zijn rekening
moest nemen. Ik begin met de
minister, niet omdat hij een hogere
positie inneemt dan de staatssecreta-
ris, maar omdat ik vanwege de
taakverdeling binnen mijn fractie nog
nooit het genoegen heb gehad om
met hem te debatteren. Dus de
enkele keer dat dat wel gebeurt, zeg
ik hem al op voorhand dank voor de
beantwoording. Ik heb misschien de
suggestie gewekt dat hij voor mij
niet had hoeven komen. Zo bar is het
niet, natuurlijk! Ik deelde al de
beschouwing op voorhand. Vandaar
dat ik die opmerking in de richting
van D66 heb gemaakt. De minister
heeft nog eens overtuigend
aangetoond dat het amendement
eigenlijk niet past in het geheel. Ik
neem aan dat mevrouw Jorritsma
het amendement zal intrekken, gelet
op de argumenten die vanuit de
Kamer zijn aangedragen. Het is
natuurlijk ook mogelijk dat zij het
amendement niet intrekt. Dat tekent
dan enigszins de achtergrond.
Dan kom ik bij staatssecretaris
Nuis. De onstuimigheid is misschien
te verklaren uit het feit dat ik bij dit
soort toestanden moet terugdenken
al datgene wat hier in de afgelopen
jaren al is gebeurd. Waarom sluiten
wij niet gewoon aan op hetgeen al
op tafel ligt? Waarom worden hele
toestanden gemaakt? Waarom wordt
er gesproken van een stelselwijziging
als je een goede wet hebt, namelijk
de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek? Deze
wet vindt haar oorsprong in de nota
Hoger onderwijs, autonomie en
kwaliteit en is destijds voortgebracht
door minister Deetman. Hij kan nu
op zeer korte afstand volgen wat wij
ermee doen en ervan terecht
brengen. Die wet biedt een gewel-
dige kapstok om tot flexibilisering te
komen, om tot differentiatie te
komen. Daarvoor hoeft niet het hele
huis overhoop gehaald te worden.
De werkelijkheid van dit wetsvoorstel
– zoals de heer Rabbae terecht
opmerkte – bewijst al dat het ook
kan. Daarvoor zijn niet een Proces-
brief, een ontwikkelingsplan etcetera
nodig. Dus vandaar wellicht die
onstuimigheid! In de eerdere
opvattingen over de procesbrief was
een wetgevingstraject voorzien dat te
nauwer nood klaar kon komen in
deze periode. En wij moeten nog
maar zien of het lukt. Dat is ook de
reden waarom ik de bewindsman
erkentelijk ben voor het antwoord op
het punt van de dereguleringsoptie.
Daarbij doet zich de mogelijkheid
voor van het kiezen voor een sneller
traject. Als kapstok daarbij geldt de
eigen verantwoordelijkheid en de
bevoegdheid van de universiteiten.
Een experimenteerartikel is in dit
verband misschien iets te licht, maar
ik wil erop wijzen dat deze mogelijk-
heid een betere weg is dan het
kiezen voor het traject dat in de
Procesbrief is aangegeven. Misschien
dat wij het nog met de regering eens
worden over deze kwestie. Het CDA
zal dan de aangegeven lijnen
vergelijken met datgene wat is
vastgelegd naar aanleiding van
eerdere discussies, zoals is gebeurd
in de HOAK-nota en in de WHW. Als
zij daarbij passen, zullen wij met het
voorgestelde akkoord gaan, zoals
ook moge blijken uit de behandeling
van dit wetsvoorstel. Ik ben nu
echter al blij, dat de staatssecretaris
onze ideee¨n goede gedachten heeft
genoemd en dat de regering die
grondig wil bestuderen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2749" anker="604" partij="PvdA" naam="Van Gelder">

Voorzitter! In artikel 7.4 van de WHW
staat exact omschreven wie
verantwoordelijk is voor het bepalen
van het aantal studiepunten. Als er
iets is wat geen enkele speelruimte
toelaat, is het wel dit artikel. Zulke
artikelen zijn er legio. Ik kan mij niet
goed voorstellen, dat bij de
stelselherziening niet alles aan de
orde hoeft te komen, omdat de WHW
zo flexibel is. Wij zijn allemaal
verantwoordelijk voor deze wetge-
ving, maar wat de heer Lansink nu
zegt, kan hij toch niet volhouden. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2749" anker="605" partij="CDA" naam="Lansink">
 Mag ik nu
nog eens vragen om behoorlijk te
luisteren? Ik heb gezegd, dat dit
wetsvoorstel flexibilisering mogelijk
maakt. Het artikel dat u noemt, is te
star. Wij hoeven echter niet de
gehele wet te veranderen om dit ene
artikel een andere vorm te geven. Ik
heb al een poging gedaan en daarbij
een mengvorm aangegeven van de
verruimde en de be`tastudies. Kijkt u
de tekst er nog eens op na. Wij
zouden het artikel nu kunnen
omvormen en wel in die zin, dat de
studiepunten met inachtneming van
bepaalde marges door de instellin-
gen worden vastgesteld. Dat vergt
een simpele wetswijziging. Eigenlijk
moet daarbij een artikel worden
herzien en moet iets nader worden
bepaald omtrent zaken in verband
met het financie¨le kader. Daarover
heeft de heer Van der Vlies zojuist
terecht gesproken. Hiervoor is echter
niet de hele toestand van de
stelselwijziging nodig. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2749" anker="606" partij="PvdA" naam="Van Gelder">

Voorzitter! Er staan meer artikelen in
deze wet. Je moet dus consequent
zijn en ook op andere terreinen voor
wijziging zorgen. Een vraag is hierbij
wel wezenlijk. Als je wilt differentie¨-
ren, kun je niet alleen differentie¨ren
naar boven. Je moet dus de garantie
hebben en de afspraak met het veld
dat niet alles weer van vier naar vijf
jaar gaat. Daarvoor ben ik op dit
moment namelijk benauwd en
daarom vind ik de aangekondigde
discussie zo belangrijk. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2749" anker="607" partij="CDA" naam="Lansink">
 Jazeker, dit
is allemaal van belang. Wij zouden in
dit verband ook weer terug moeten
komen op de allereerste discussie
over de vier en vijf jaar. Ik denk in dit
verband aan het amendement-
Kolthoff dat in 1975-1976 is
ingediend en aan de wet over de
twee-fasenopleidingen. Een gevolg
daarvan was dat de instellingen
allemaal een duur van vijf jaar
gingen aanhouden. Al die kwesties
zouden weer aan de orde gesteld
kunnen worden. Echter, als differen-
tiatie na drie en vijf jaar het
uitgangspunt is, moet je kiezen voor
een bandbreedte. Dat heb ik ook
gedaan met het ingediende
amendement. Je hebt echter niet de
toestand nodig die volgt uit de eerste
versie van het regeerakkoord en uit
alles wat daarna kwam. Daar komt
nog iets bij. De opwinding die de
instellingen al vele maanden kennen,
brengen zij in verband met de zeer
zware financie¨le taakstelling, maar
aan dat punt wil ik nu voorbijgaan.
Niet voor niets is zojuist in een
interruptiedebat tussen mevrouw
Jorritsma en de minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
even naar voren gekomen, dat de
opstelling van het amendement
mede was ingegeven door de zorg
dat bij te veel studies sprake zou zijn
van verlenging. Het vaste uitgangs-
punt was destijds namelijk dat de
gemiddelde verblijfsduur korter zou
moeten worden. Dat uitgangspunt
geldt volgens de stukken nog steeds.
Dat roept natuurlijk weer vragen op,
want er is verschil tussen studieduur,
cursusduur en verblijfsduur. Als men
de uitstromers na twee jaar gaat
meerekenen en in de statistieken
opneemt, komt men natuurlijk
gemakkelijk tot een kortere verblijfs-
duur. Daarbij wordt dan niet de
vraag gesteld wat er van die mensen
terechtkomt. Maar, voorzitter, laat
ons het debat daarover maar voeren
als wij wat verder zijn met de
stukkenwisseling. Ik zeg nu alleen,
dat het mogelijk moet zijn om op
korte termijn tot flexibilisering en
differentiatie te komen. Als globale
kapstok kan daarbij dan dienen de
WHW. Die moet dan wel op een
bepaald punt gewijzigd worden en
daarom ligt er ook een voorstel van
mijn hand.
Voorzitter! Ik kom nog even te
spreken over de evaluatie. Ik zal nog
eens nadenken over de vraag of het
inderdaad nodig is het bewuste
artikel op te nemen. Dat is mogelijk,
maar dit is niet de moeilijkste
kwestie. Wij zouden ook kunnen
afspreken dat wij van tijd tot tijd een
verslag krijgen over de facetten die ik
zojuist heb genoemd. Als ik op dat
punt een toezegging heb gekregen,
kan het amendement wellicht
worden ingetrokken. Daarover zal ik
dan nog nadenken.
Het amendement met betrekking
tot de be`tastudies is natuurlijk van
andere aard. Dat blijkt ook uit de
opmerking die ik zojuist heb
gemaakt. Ik heb goed gehoord wat
de minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij over de
Landbouwuniversiteit Wageningen
heeft gezegd. Ik blijf van oordeel dat
je voor een aantal studies aan de
algemene universiteiten niet een
straf mag laten gelden vanwege het
feit dat bij die studies al iets is
gedaan aan de herkenbaar, de
studeerbaarheid enzovoorts. Ik
geloof toch dat er te opportunistisch
is geredeneerd door nu uitsluitend
naar de technische studies te kijken.
In het betoog van zowel de heer Van
Gelder als de staatssecretaris
beluister ik dat daar wel enig begrip
voor is. De argumenten zijn afgeleid
van het convenant, van de arbeids-
markt en van de beschouwingen van
de RCO. Daar zegt men: over de
ingenieurs kunnen wij oordelen, over
de anderen veel minder. Een en
ander heeft geleid tot deze systema-
tiek. Ik wil dat wijzigingsvoorstel toch
handhaven.
Ten slotte kom ik bij de Wet op de
studiefinanciering. Algemeen is hier
de klacht geuit dat de benadering
toch ingewikkeld is en vooruitloopt
op de prestatiebeurs, waarover een
debat ten principale moet plaatsvin-
den. Het is nog maar de vraag of een
prestatiebeurs in de vorm zoals nu
wordt gedacht zal doorgaan. Dat
geldt niet alleen voor de Tweede
Kamer. Er is altijd ook een behande-
ling in de Eerste Kamer. Wij zijn daar
nog helemaal niet aan toe. Ik heb
een zekere sympathie voor de
benadering van de heer Rabbae, die eigenlijk hierop neerkomt: haal die
artikelen nu uit dit wetsvoorstel. Uit
de eerste termijn heb ik begrepen
dat vrijwel iedereen daar sympathie
voor zou hebben en het zou
koesteren. Ik wacht af of hij een
wijzigingsvoorstel op dat punt
indient. De Kamer zou natuurlijk ook,
als men dat wil, tegen de desbetref-
fende artikelen kunnen stemmen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2750">

 
<spreker pagina="40-2750" anker="608" partij="GPV" naam="Schutte">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik dank beide bewindslie-
den voor hun antwoord. Ik heb in
mijn eerste termijn de nadruk gelegd
op het dilemma waarvoor wij staan
bij dit wetsvoorstel. Moet je nu,
terwijl je start met een discussie over
een stelselherziening, in feite het
stelsel al op een onderdeel gaan
wijzigen? Enerzijds zijn wij overtuigd
van de urgentie om de cursusduur
van een aantal opleidingen te
verlengen. Anderzijds moeten wij
voorkomen dat wij door deze greep
nu te doen straks in een situatie
komen dat wij niet meer op een
goede wijze tot een stelselherziening
kunnen komen.
De staatssecretaris heeft daar
breedvoerig op geantwoord. Toen hij
antwoordde in de richting van mevrouw De Vries, dacht ik even: het
is allemaal kennelijk nogal betrekke-
lijk. Toen kwam de vraag aan de orde: hoe kan dat nu allemaal binnen
een budgettair-neutrale of een
kosten-neutrale verhouding? Toen zei hij: eigenlijk is het nu al vijf jaar
respectievelijk 5,8 jaar. Het gaat nu
alleen om een betere organisatie. In
het kader van die discussie begrijp ik
dat wat de financie¨le benadering
betreft, maar dat laat natuurlijk
onverlet dat de problemen waarvoor
dit wetsvoorstel een oplossing
beoogt te bieden veel verder gaan
dan alleen een kwestie van organisa-
tie. Ik neem aan dat de staatssecreta-
ris dat zal willen bevestigen. Anders zou je zeggen: als het zo betrekkelijk
is, kunnen wij nog wel een paar jaar
wachten. Dat lijkt mij niet de juiste
conclusie.
De staatssecretaris heeft met
verwijzing naar de Procesbrief
gezegd dat het de bedoeling is dat
de discussie in deze kabinetsperiode
kan worden afgerond inclusief de
wetgeving. Dat is mooi, maar ik blijf
op dat punt toch nog enige
voorbehouden maken. Je moet
natuurlijk afwachten hoe lang deze
kabinetsperiode zal duren. Het is
ietwat optimistisch om dat nu al in te
schatten op de volledige vier jaar.
Wij hebben nogal wat ervaring, juist
met stelselherzieningen op het
gebied van het onderwijs, met name
het hoger onderwijs. Wij blijven toch
afhankelijk van de vraag of er
spoedig een basis gelegd kan
worden om tot goed overleg te
komen met de belanghebbenden.
Kortom, het zou mooi zijn als het zou
lukken. Wij moeten evenwel ook
rekening houden met de ree¨le
mogelijkheid dat het over vier jaar
nog niet zover is. Dan geldt te meer
wat ik in eerste termijn zei, namelijk
dat dan de urgentie zoveel groter is
om nu te doen wat gedaan kan
worden.
Een tweede toetsingspunt was
voor mij dat, als wij nu deze
maatregel nemen voor een aantal
technische opleidingen, daarmee de
discussie niet af kan zijn. De
staatssecretaris heeft dat met zoveel
woorden bevestigd. Ik dacht dat hij
het wat harder had geformuleerd
dan in de schriftelijke voorbereiding. Toen was het negatief geformuleerd:
het mag geen reden zijn tot. Nu zegt hij: neen, daarmee is de discussie
niet af; de discussie over de
stelselherziening gaat over het hele
stelsel. Dat is voldoende duidelijk om
ook in de richting van de betrokken
universiteiten een signaal af te geven
dat men hieraan geen argument kan ontlenen om te zeggen: wij hebben
onze portie gehad, laat ons er nu
buiten. Dat kan toch niet het geval
zijn.
Alles afwegende is onze conclusie
dat wij medewerking behoren te
verlenen aan dit wetsvoorstel. De
urgentie onderkennen wij. Onze
steun geldt inclusief de Landbouw-
universiteit. De minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
heeft op heldere wijze aangetoond
dat het bepaald verkeerd zou zijn om
binnen het geheel van de technische
opleidingen een kunstmatige
scheiding aan te brengen, die
bovendien concurrentievervalsing
De heer Schutte (GPV)tussen gelijkwaardige opleidingen
teweeg zou brengen. De amende-
menten van D66 op stuk nr. 7 zullen
wij derhalve niet steunen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2751">
<spreker pagina="40-2751" anker="609" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Mijnheer de voorzitter! Ik dank
beide bewindslieden voor hun
beantwoording en ga allereerst in op
de opmerkingen van staatssecretaris
Nuis over de bekostiging en
studiefinanciering. Ik blijf het een vrij
ingewikkelde zaak vinden. Het was
mijn idee om, zolang wij nog niet
werken met de nieuwe studie-
financiering, de oude situatie met
een jaar te verlengen. Het argument
om daarmee enige druk op de ketel
te zetten om snel af te studeren
spreekt mij wel aan. Ik ben niet zo
bang voor oneigenlijk gebruik. Het
gaat met name om de technische
universiteiten. Het oneigenlijk
gebruik zal daar vrij gering zijn.
Ik kom op de beantwoording van
de minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij. Hij heeft
duidelijke parallellen getrokken
tussen een aantal opleidingen in
Wageningen en een aantal opleidin-
gen aan de technische universiteiten.
Ik heb mij laten overtuigen. De
Wageningse opleidingen passen
duidelijk in het geheel. In de nota
naar aanleiding van het verslag heb
ik meer nadruk gemist op datgene
wat door de internationale visitatie-
commissie is gezegd. De internatio-
nale component is erg belangrijk in
de argumentatie. Hij is gisteren ook
in het overleg met de RCO naar
voren gekomen. Het zou plezierig zijn
geweest als er wat meer nadruk op
was gelegd in de beantwoording van
de schriftelijke inbreng. Ook het
argument van de voorhoedepositie
van Nederland inzake duurzame
landbouw en milieu sprak mij aan. Ik
trek mijn amendementen op dit punt
dan ook in. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2751" anker="610" naam="De voorzitter">
 Aangezien de
amendementen-Jorritsma-van
Oosten (stuk nr. 7, I en II) zijn
ingetrokken, maken zij geen
onderwerp van beraadslaging meer
uit.</spreker>
<spreker pagina="40-2751" anker="611" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Voorzitter! Ik maak enige
opmerkingen over de amendemen-
ten van de heer Lansink. Het moge
duidelijk zijn dat wij natuurlijk niet
zijn voorstel steunen om een aantal
studierichtingen van de algemene
universiteiten te betrekken bij de
verlenging van de cursusduur. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2751" anker="612" partij="CDA" naam="Lansink">
 Als het
enige argument is dat het aantal te
groot wordt...</spreker>
<spreker pagina="40-2751" anker="613" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Nee, dat is niet juist. Ik ben in
eerste termijn heel duidelijk geweest.
Ik heb gewezen op de argumenten in
de memorie van toelichting en de
nota naar aanleiding van het verslag.
Ze zijn ook gisteren in het overleg
met de RCO naar voren gekomen. Er
worden opleidingen qua studieduur
uitgetild boven andere. Dat is geen
waardeoordeel over de opleidingen
als zodanig. Een aantal opleidingen
behoort daartoe. Daarvoor zijn veel
argumenten aangegeven. De heer
Lansink ondersteund die ook. Het feit
dat het er niet te veel moeten zijn,
was een zijargument dat een rol
speelde, maar dat moet niet als
hoofdargument worden gebruikt. Het
hoofdargument heeft betrekking op
de criteria en die gelden voor de met
name genoemde opleidingen en niet
voor een heleboel andere. Dat is
door allerlei mensen, in dit huis en
daarbuiten, duidelijk gemaakt. Bij de
discussie over de stelselherziening
zullen wij daar nog uitvoerig over
praten. Wellicht komen er nog
studierichtingen bij, maar op dit
moment heb ik daar geen onderbou-
wing van gehoord. Dat heeft dus
niets te maken met het aantal. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2751" anker="614" partij="CDA" naam="Lansink">
 Ik heb alle
begrip voor het feit dat het geven
van steun aan een ander amende-
ment, nadat mevrouw Jorritsma het
amendement over Wageningen heeft
ingetrokken, een al te forse stap is. Ik
heb de criteria echter op een rij gezet
en die vervolgens getoetst. Dan kom
ik tot deze uitbreiding. Ik vind
overigens dat degenen die dit anders
zien wel degelijk een waardeoordeel
over die studies uitspreken.</spreker>
<spreker pagina="40-2751" anker="615" partij="D66" naam="Jorritsma-van Oosten">
 Dat vind ik absoluut niet. De
kwestie van de lengteduur heeft niets
te maken met een waardeoordeel.
Dan kom ik op een ander gedeelte
van het amendement van de heer
Lansink, daar waar het betreft het
vaststellen van de studieduur door
de instellingen. Wij staan zeker niet
onwelwillend tegenover een grotere
autonomie van de instellingen, maar
dat is wel heel gecompliceerd.
Daarom kan het beter worden
meegenomen in de komende
discussie over de stelselwijziging dan
dat het via een amendement wordt
ingebracht in dit wetsvoorstel.
Wat betreft de evaluatie stem ik in
met de opmerkingen van de
staatssecretaris. Wij nemen
genoegen met de toezegging dat wij
gaande het proces verslag krijgen
over hoe het loopt.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2751">

 
<spreker pagina="40-2751" anker="616" partij="SGP" naam="Van der Vlies">

Voorzitter! Ik dank de bewindslieden
voor hun beantwoording. Zij hebben
uit mijn eerste termijn al begrepen
dat de fractie van de SGP dit
wetsvoorstel steunt. De urgentie van
de aanpassing van de cursusduur is
duidelijk. De argumenten zijn
gewisseld. Ik heb er niet een meer
aan toe te voegen. Uiteraard moeten
wij een open discussie hebben over
de inrichting van het stelsel van
hoger onderwijs. Ik ben het met
staatssecretaris Nuis eens dat die
discussie straks zal gaan over alle
instellingen en niet over de
instellingen min drie. Dat is duidelijk.
Ik dank de minister van Landbouw
voor zijn overtuigende inbreng op
het punt van de landbouw-
opleidingen. Ook voor mevrouw
Jorritsma was die overtuigend. Ik
vind het verstandig dat zij haar
amendement heeft teruggenomen.
Dan de kwestie van de be`ta-
opleidingen. Ik heb sympathie
betuigd voor het amendement van
de heer Lansink. Staatssecretaris
Nuis erkent dat sprake is van een
discussiepunt, maar hij is er nog niet
aan toe om conclusies te trekken.
Daar is de tijd nog niet rijp voor. De
heer Van Gelder oppert de gedachte
om zo snel mogelijk een
experimenteerartikel in de wet op te
nemen dat het de instellingen
mogelijk maakt, met eigen ideee¨n te
komen. Die zouden dan, uiteraard
onder allerlei voorwaarden, kunnen
worden gehonoreerd. Ik vraag mij
echter af waar wij het nu precies
over hebben. De heer Lansink stelt
namelijk voor om in de wet in te
brengen dat de instellingen zelf,
binnen een bandbreedte, aan de
gang kunnen. Daar hebben zij
overigens ook wat tijd voor nodig.
Als het amendement wordt
verworpen, vind ik de suggestie van
de heer Van Gelder over het
experimenteerartikel op z’n minst
een te overwegen route, maar het
plan van de heer Lansink schuift qua
tijd als het ware in de wet in. Je kunt
het natuurlijk ook omkeren. Wat is
dan precies wat ons dwars zou
moeten zitten? Is dat dan alleen nog
de vraag of de opsomming in het
amendement van de heer Lansink
limitatief en voor ons toereikend is?
Is het compleet? Ik wil graag van de
staatssecretaris vernemen of men zo
toch niet heel praktisch en ook zo
snel mogelijk naar elkaar toe kan
komen.
Voor mij zijn de begrippen
’’differentiatie’’ en ’’flexibilisering’’ de
scharnierpunten in de discussie over
het nieuwe stelsel en de inrichting
ervan. Dat gaat uiteraard twee
kanten op. Als je daar niets aan doet,
meen ik dat het systeem er snel toe
leidt dat de zaak dichtslibt aan de
bovenkant van de band. Dat moeten
wij echter niet hebben. Het moet op
inhoudelijke gronden te motiveren
zijn, zowel naar de ene als naar de
andere kant. Enige sturing via de
budgettaire kaders is daarbij nodig. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2752" anker="617" partij="CDA" naam="Lansink">
 De heer Van
der Vlies sprak over flexibilisering
naar beide kanten. Dit wetsvoorstel
staat niet apart. Ik kan mij niet
voorstellen dat wij over twee of drie
jaar tegen de technische universitei-
ten zullen zeggen dat men weer
terug moet gaan. Deze lijn staat dus
wel vast en wat mij betreft is die
zelfs maatgevend. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2752" anker="618" partij="SGP" naam="Van der Vlies">
 Wij
regelen dit nu, omdat het geregeld
moet worden. Daar hebben wij
inhoudelijke redenen voor. Ik kan mij
inderdaad niet voorstellen dat het
over twee jaar anders is, maar dat
heeft de staatssecretaris ook gezegd.
Daar hoef ik dus niet meer op te
repliceren. Ik was het daar namelijk
mee eens. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2752" anker="619" partij="CDA" naam="Lansink">
 U zei dat u
het eens was met het feit dat deze
later weer mee doen met de hele
discussie. Dat lijkt mij echter
uitgesloten. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2752" anker="620" partij="SGP" naam="Van der Vlies">
 In
instellingsverband moet het
denkbaar zijn dat naast cursusduur-
verlenging er ook, op inhoudelijke
gronden, tot cursusduurverkorting
zou kunnen worden besloten. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2752" anker="621" partij="CDA" naam="Lansink">
 Gelet op
hetgeen wij hebben gehoord van de
RCO en andere niet genoemde
studierichtingen, die echter wel tot
de technische universiteiten behoren,
lijkt het mij uitgesloten dat wij voor
de technische universiteiten tot een
studieduur van drie jaar komen.
Laten wij dat maar vergeten. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2752" anker="622" partij="SGP" naam="Van der Vlies">

Daarover hebben wij geen verschil
van opvatting.
Voorzitter! Wat betreft de
studiefinanciering wacht ik even af
wat de heer Rabbae op dit punt zal
zeggen. Hij heeft namelijk een
suggestie gedaan en ik wil weten
hoe hij reageert op de inbreng van
de staatssecretaris op dit punt.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2752">

 
<spreker pagina="40-2752" anker="623" partij="PvdA" naam="Van Gelder">

Mijnheer de voorzitter! Het is wat
ons betreft duidelijk dat wij er met
het aanvaarden van dit wetsvoorstel
niet zijn en dat dus ook met
betrekking tot de technische
universiteiten nog een discussie gaat
plaatsvinden. Dit niet om de
afspraken over die vijf jaar te
herzien, maar wel om in te steken op
een voorstel dat de technische
universiteiten zelf gedaan hebben in
een brief die ons heeft bereikt. Zij
willen nagaan of er een maatschap-
pelijk plaatsbare uitstap mogelijk is
voor diegenen waarvoor een
vijfjarige opleiding te hoog is
gegrepen. Ik ga er dus niet van uit
dat er driejarige ingenieurs-
opleidingen komen, maar ik ga er
wel van uit dat ook de technische
universiteiten de opdracht krijgen om
de 20% die niet in de afspraak die is
gemaakt met de minister en de
staatssecretaris, zijn begrepen, niet
aan hun lot over te laten, maar te
bekijken of een specifieke aanpak
mogelijk is. Dat kan bijvoorbeeld
betekenen dat iemand na enige tijd
de universiteit verlaat, een aantal
jaren gaat werken en dan weer
terugkomt. Om dan een soort civiel
effect te ontwikkelen, opdat iemand
na twee of drie jaar toch met iets
naar buiten gaat en terug komt, dat
vind ik de opdracht waar wij met
elkaar voor staan. Er moet dus geen
driejarige opleiding sec komen om
de ingenieursopleiding straks met
terugwerkende kracht terug te
dringen. Ik vind dat wij daar de
technische universiteiten op aan
kunnen spreken. Sterker nog, zij
hebben zelf al een aanbod gedaan. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2752" anker="624" partij="CDA" naam="Lansink">
 Daar ben ik
het volstrekt mee eens. De discussie
ging echter ook over cursusduren en
dergelijke en niet alleen over
uitstroom tussentijds en een goede
opvang. De discussie gaat ook over
de studiepunten en dus over het hele
zaakje. Het beeld dat nu een beetje
wordt opgeroepen, is dat men
gemakkelijk aan de universiteiten, de
algemene en technische, tot een
kortere cursusduur kan komen en dat
bestrijd ik. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2752" anker="625" partij="PvdA" naam="Van Gelder">
 Ik zeg
nu niet dat er geformaliseerde
cursussen van drie jaar moeten
komen aan de technische universi-
teit. Dan kan zeker niet als wordt
vastgesteld dat de opleiding
uiteindelijk vijf jaar zal moeten
duren. Dat betekent echter niet, dat
de technische universiteiten niet op
een aantal terreinen worden
betrokken bij een verdergaande
discussie. Dat wil ik nog eens
nadrukkelijk vaststellen. Zij dienen
niet buiten schot te blijven.
Voorzitter! Ik heb nog een vraag
over de tweede fase, de ontwerpers-
opleiding. Nu is er sprake van een
normale, vierjarige ingenieursoplei-
ding. Daarna is het mogelijk een
tweejarige ontwerpersopleiding te
volgen. Indien de ontwerpers-
activiteiten directer en integraler in
de opleiding worden verweven, is
dan een aparte discussie te
verwachten over die tweede-fase-
opleiding? Dat lijkt mij, zeker gelet
op de vragen uit het bedrijfsleven,
een nuttig instrument. Ik maak deze
opmerking tegenover de staatssecre-
taris.
Bij het experimenteerartikel gaat
het er mij om, dat wij nu niet
formeel vastleggen wat de heer
Lansink wil, namelijk de ruimte
cree¨ren voor de universiteiten om
daarvan zonder meer af te wijken. Ik
ken het stelsel voldoende om te
weten dat je de discussie voor een
deel kunt vergeten als je niet de
concrete medewerking hebt van de
instellingen om tot verdergaande
differentiatie over te gaan. Dat heeft
het verleden ook bewezen. Ik meen
daarom dat wij de afspraak die nu
voorligt, moeten accepteren. De
algemene universiteiten mogen dan
voorstellen doen als zij onderbouwd
kunnen aangeven dat hun opleiding
niet in vier jaar voltooid kan worden.
De kracht ligt dan juist in andere en
verdergaande voorstellen, voorstel-
len om op bepaalde terreinen het
programma te verkorten. Als er dan
voorstellen komen, eventueel uit een
andere hoek dan de be`ta-
opleidingen, moeten wij daarvoor
openstaan. Dan stuit je op het
wetgevingsproces dat, zoals is
gebleken, erg veel tijd kost. Mijn
vraag is dus of de staatssecretaris in
het overleg met instellingen heel
gericht wil nagaan op welke
terreinen al op korte termijn
problemen kunnen rijzen. Dat kunnen
ook problemen zijn rond de
bestuursstructuur, zoals de staatsse-
cretaris zelf naar voren heeft
gebracht. Ik denk dat hij er goed aan
doet om na te gaan hoe in het
proces dat wij dan ingaan, zo snel
mogelijk kan worden ingespeeld op
mogelijkheden om een grotere
vrijheidsgraad aan de instellingen te
laten en het niet allemaal uit te
stellen tot moment X.
Voorzitter! Ik maak nog enkele
opmerkingen over de Landbouw-
universiteit. Natuurlijk legt mijn
fractie aan de Landbouwuniversiteit
geen zwaardere bewijslast op dan
aan de technische universiteiten.
Daarvan is geen sprake. Het moet
wel op z’n minst een evenwichtige
bewijslast zijn. Ik moet eerlijk zeggen
dat mij de kracht van de internatio-
nale visitatie was ontgaan. Dat
rapport had ik niet gezien. Mevrouw
De Vries was zo vriendelijk om het
even te laten zien. Er staat inderdaad
een aantal opmerkingen in die
vergelijkbaar zijn. De opmerkingen
tegenover mevrouw Jorritsma over
duurzaamheid en de rol van de
landbouw daarin vind ik niet zo
overtuigend. Dan lust ik er nog wel
een paar in de richting van de
be`ta-universiteiten. Op basis van
redelijk objectieve argumentatie
moet worden aangetoond dat de
studie niet in vijf jaar kan worden
voltooid. Ik heb mij laten overtuigen
door het rapport van de internatio-
nale visitatiecommissie, dat mij was ontgaan. Dan geldt echter: gelijke
monniken, gelijke kappen. Het valt
mij op dat technische universiteiten
in een brief aangeven dat zij willen
nagaan of, zoals het netjes wordt
genoemd, een ’’maatschappelijk
plaatsbare uitstroom’’ mogelijk is.
Men voelt dus de verantwoordelijk-
heid voor die jongeren. Men heeft
ook de afspraak met de staatssecre-
taris om 80% van de jongeren in vier
jaar te doen slagen. Die afspraak is
volgens mij in mindere mate met de
Landbouwuniversiteit gemaakt. Ik
verzoek de minister om met de
Landbouwuniversiteit in elk geval net
zulke afspraken te maken, omdat die
beter zijn ingebed in de discussie
over de stelselwijziging. Volgens mij
wil Landbouw net zo graag als OCW
aan die discussie meedoen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2753">

 
<spreker pagina="40-2753" anker="626" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Voorzitter! Ik dank de staatssecretaris
voor zijn enthousiaste antwoord en
de minister voor zijn overtuigende
antwoord. En dat geldt zeker voor
het antwoord op de vragen van
mevrouw Jorritsma. Zij heeft zich bij
de minister aangesloten. Dat is te
waarderen en dat mag ook worden
gezegd.
De redenering van de staatssecre-
taris inzake de implicaties voor de
studiefinanciering heeft mij niet
overtuigd. Noch de Schopenhauer-
route, noch de omzetting achteraf
van een lening in gemengde
financiering heeft mij overtuigd.
Daarom heb ik twee amendementen
ingediend, die juist dat effect moeten
wegwerken.
Welke gevolgen zijn er als wij de
universiteiten zelf de studieduur
laten vaststellen? Ik constateer dat er
op dat punt sprake is van een
tegenstelling tussen de heren Van
Gelder en Lansink. Ik vraag mij af in
hoeverre die tegenstelling wezenlijk
is. Beiden willen eigenlijk hetzelfde.
Dat geldt ook voor de staatssecreta-
ris. Zij willen namelijk dat er
gee¨xperimenteerd wordt met een
dynamische benadering. Tegen de
heer Van Gelder zeg ik dat daarbij
natuurlijk niet vaststaat dat alleen
maar een aanpassing naar boven
mogelijk is en dat een aanpassing
naar beneden wordt uitgesloten. Die
aanpassing naar beneden sluit de
heer Lansink ook niet uit.
Wij willen dus allemaal graag een
flexibel systeem. Dat systeem zou
ook door de staatssecretaris kunnen
worden gehanteerd in het kader van
zijn beleidsbrief en Procesbrief en de
toekomstige onderhandelingen met
de instellingen. Ik vraag mij dan af
waarom de heer Van Gelder zich
daartegen verzet. Hij heeft tot nu toe
niet kunnen aangeven dat het
wetstechnisch zeer ingewikkeld is.
Waarom gaat hij eigenlijk niet met
de heer Lansink en de staatssecreta-
ris mee om te proberen toch een
flexibel artikel in de wet op te
nemen. Dat beantwoordt aan zijn
eigen wens om, afhankelijk van hun
argumenten, gaandeweg nog zaken
te doen met de universiteiten. Op die
manier kan hij de staatssecretaris
helpen in de richting van zijn
Procesbrief en de besprekingen in
dat kader met de instellingen. Dan
hebben wij daarmee in ieder geval
ook een goede aansluiting gevonden
bij de wens van de heer Lansink. Ik
wil daar dus eigenlijk voor pleiten. Ik
ben benieuwd naar de reactie van de
heer Van Gelder. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2753" anker="627" partij="PvdA" naam="Van Gelder">

Voorzitter! Het zal wetstechnisch
ongetwijfeld heel ingewikkeld zijn,
maar voor mij is ’’eerst zien en dan
geloven’’ doorslaggevend. Ik ben zo
benauwd voor het volgende. Wij
hebben ontzettend veel ervaring met
het universitaire bestel. Er zijn al
stelselwijzigingen doorgevoerd. Ik
wijs bijvoorbeeld op de twee-
fasenstructuur. Het heeft vijftien jaar
geduurd voordat er op basis van die
uitgangspunten een feitelijke
doorwerking is gekomen. Als je de
garantie zou hebben dat de
instellingen e`n naar boven maar ook
fors naar beneden een inzet willen
plegen, kan het amendement van de
heer Lansink inderdaad een nuttig
hulpmiddel zijn. Maar ik wil eerst,
geplaatst in die procesgang, de
garantie hebben dat de instellingen
ook op die wijze willen gaan werken
en dat zij zich straks niet zullen
verschuilen achter de mogelijkheid
dat zij het zelf kunnen bepalen en dat
de overheid het vervolgens kan
bekijken. Dat is in feite het probleem. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2753" anker="628" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Voorzitter! Ook door de heer Lansink
wordt gepleit voor een flexibele
benadering. De studieduur kan zowel
naar boven als naar beneden worden
gewijzigd. Dat is natuurlijk afhanke-
lijk van de kracht van de argumenten
van de kant van de universiteiten.
Dat wil de heer Van Gelder eigenlijk
ook. Ik vraag mij dan af waarom wij
dat kader niet kunnen scheppen. Wat
allemaal in dat kader gaat gebeuren,
is afhankelijk van de argumenten en
de tegenargumenten. Maar het gaat
erom dat wij nu een wettelijk kader
scheppen om die mogelijkheden te
verankeren.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2753">

 
<spreker pagina="40-2753" anker="629" soort="Staatssecretaris" naam="Nuis">
 Voorzitter! Ik
dank de heer Lansink voor zijn
verklaring van inzet voor het proces
van differentiatie en flexibilisering.
Zo ken ik hem weer! Ik was het
natuurlijk niet helemaal met hem
eens, vooral niet als hij zegt: het
wetgevingsproces is simpel, en wel
zo simpel dat wij het als het ware nu
vanmiddag ook even kunnen doen.
Het verschil van mening zit in het
volgende. Ik denk dat het proces dat
voor ons ligt, toch echt iets
ingewikkelder is, niet alleen omdat je
het niet bij een artikel kunt laten en
de zaak in haar geheel moet
bekijken, maar ook omdat het
overtuigen van de mensen die het
moeten doen, zowel het verlengen
als het verkorten, een proces is waar
even iets meer voor nodig is dan de
heer Lansink suggereert.
Hij heeft gesproken over een hele
toestand. Dat was het ook. Maar hij
heeft zelf ook al opgemerkt dat dat
voor een belangrijk deel te maken
had met het financie¨le kader. Komen
wij daar doorheen – en ik sta hier
omdat ik denk dat wij daar doorheen
komen – dan kan in het vervolg-
proces het groeien naar de consen-
sus over de manier waarop die
stelselherziening moet worden
aangepakt, vrij snel gebeuren. Je
moet hierover echter niet alleen in
deze Kamer van gedachten wisselen,
je moet het ook bespreken met de
direct betrokkenen en degenen die
daar omheen staan. Daarom hebben
wij wat meer tijd nodig. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2754" anker="630" partij="CDA" naam="Lansink">
 Het
wetsvoorstel dat er nu ligt, kent geen
financie¨le consequenties, omdat
aanvaard is dat het financie¨le kader
voor de bekostiging hetzelfde blijft.
Als men een soortgelijke benadering
kiest voor het geheel, in lijn
overigens met wat de heer Rabbae
zojuist heeft gezegd over het
amendement – een volstrekt juiste
interpretatie – hoeft het niet zoveel
jaar te duren. Het probleem zit in de
koppeling van die 500 mln., maar dat
is uw politieke verantwoordelijkheid,
aan de discussie over de stelsel-
wijziging. Als de minister en u
tijdens het begrotingsdebat hadden
ingestemd met de suggestie van de
heer Rabbae en andere collega’s om
een verlaging te bewerkstelligen tot
een aanvaardbaar bedrag, misschien
100 mln. of 200 mln., en als zij
vervolgens de discussie hadden
aangegaan over de stelselwijziging
volgens de eigen-
verantwoordelijkheidslijnen, zoals
neergelegd in dit amendement,
zouden wij veel sneller hebben
kunnen werken. Ik ben daar vast van
overtuigd. Het is ook gebleken uit de
ervaringen, opgedaan met dit
wetsvoorstel. Daar gaat het om. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2754" anker="631" soort="Staatssecretaris" naam="Nuis">
 Dat is
duidelijk, voorzitter. Daarmee is ook
duidelijk wat mijn antwoord daarop
moet zijn. Wij verschillen van
mening over de inzet. Het is onze
inzet en het onze verantwoordelijk-
heid om het proces te laten
plaatsvinden zoals wij hebben
gepland.
</spreker>
<spreker pagina="40-2754" anker="632" soort="Staatssecretaris" naam="Nuis">
 Voorzitter! Het
is duidelijk dat het amendement, dat
een verbreding inhoudt van het
aantal studierichtingen, niet mijn
steun kan hebben. Ik vind het een
brug te ver. Ik ben het ermee eens
dat wij door moeten gaan met de
discussie en dat er mogelijkheden
zijn – die zijn aangegeven in dit
debat – om een en ander niet als het
ware tot geheel en al het eind van de
weg te laten duren. Ook ten aanzien
van de be`ta-opleidingen moet sneller
wat gedaan worden. Daarom was het
ook zo onverstandig van die zes
algemene universiteiten om te
zeggen dat zij met de discussie niet
wilden doorgaan. Wij zijn het er
ongetwijfeld over eens dat zij er zo
snel mogelijk mee moeten doorgaan.
Voorzitter! Ik doe graag de
toezegging dat wij verslag doen van
de voortgang van het proces in de
hoop dat wij daarmee als het ware
de doelstelling van de evaluatie beter
tot stand brengen dan door het
aannemen van een amendement aan
het eind. Wij kunnen dit koppelen
aan de ontwikkelingsplannen die wij
krijgen. Zodra wij weten hoe een en
ander zich ontwikkelt, zullen wij dat
de Kamer laten weten. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2754" anker="633" partij="CDA" naam="Lansink">
 Gelet op
deze toezegging, voorzitter, kan het
amendement op stuk nr. 9 worden
ingetrokken. Dat maakt de
stemmingslijst nog iets korter. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2754" anker="634" soort="Staatssecretaris" naam="Nuis">
 Dank u.
Voorzitter! Ik kom tot de opmerkin-
gen van de heer Schutte. Hij heeft onder meer gezegd: ik dacht even
dat de staatssecretaris zei dat het
eigenlijk nergens over gaat. Dat was
natuurlijk niet de bedoeling. De
opmerking van mevrouw De Vries
had betrekking op een heel specifieke vraag, namelijk: als een
vijfjarige opleiding te betalen is voor
hetzelfde geld als een vierjarige
opleiding, hadden de instellingen
dan veel geld voor die vier jaar?
Daarop paste het specifieke antwoord: nee, want eigenlijk
hadden de technische universiteiten
al te maken met hetzelfde probleem.
Voor het overige geldt natuurlijk de
hele inhoudelijke argumentatie die
wij daarvoor hebben gegeven.
De heer Schutte heeft ook nog een
opmerking over de tijd gemaakt en relativeerde dit wat: duur van
kabinetsperioden en hoe snel je
ergens komt. Dat schatten wij bijna
functioneel verschillend in. Waarom
het gaat, is – en daarover zijn wij het
eens – dat het enige tijd kost om de
zaak rond te krijgen. Daarom is het
ook urgent, vindt ook de heer
Schutte, om dit eerst te regelen en
het niet nog een paar jaar op zijn
beloop te laten.
De heer Van der Vlies ging wat uitvoeriger in op de vraag: als je een
experimenteerartikel wilt maken in
het ontwikkelingsplan, is er dan wel
zo geweldig veel verschil tussen wat
de heer Lansink heeft gezegd en wat
het uiteindelijk wordt? Wat het
amendement betreft, vroeg de heer Van der Vlies ook al: is dat nu
volledig of niet, dus is dat het aantal
opleidingen dat er dan moet zijn? Dit
vergt een inhoudelijke discussie.
Belangrijker is echter de vraag of het
op deze manier mogelijk is dan wel
dat deze wijziging van de wet moet
samengaan met een aantal andere
zaken, zoals ook de heer Van Gelder
aangeeft, die maken dat het binnen
bestuurlijke en budgettaire kaders
ook werkelijk plussen en minnen
worden. Om die reden zijn wij daar
nu nog niet aan toe. Maar, zoals ik al
heb gezegd, de discussie wordt
voortgezet.
De heer Van Gelder heeft
geı¨nformeerd naar de tweede-fase-
ontwerpersopleiding. Misschien staat
in de stelselherziening alles ter
discussie, maar het is nu absoluut
niet de bedoeling van de regering
dat die opleiding moet vervallen,
omdat het ontwerpen een onderdeel
is van de ingenieursopleiding. Dat is
een constatering waarmee een
kopopleiding voor de tweede fase
voor een beperkt aantal mensen
absoluut niet ter discussie gesteld
wordt.
Ik preciseer nog even de aanpak in
het ontwikkelingsplan. Als het goed
is, wordt daarin een marsroute in
etappes uitgezet. Daarin wordt dus
niet alleen aangegeven welke kant
wij op willen, maar ook wat wij eerst
doen en wat daarna. Wij hebben
vandaag vastgesteld dat de kwestie
van het experimenteerartikel over de
lengte van de studies en de vrijheid
van de instellingen ter zake heel
hoog op het lijstje met urgentie-
punten staat. In dat verband komt
ook de kwestie van de bestuurs-
structuur aan de orde. Zo stel ik het
mij dus voor. In het ontwikkelings-
plan wordt ook aangegeven met
welke snelheid wij een en ander
denken te bereiken.
De heer Rabbae zei aan het eind
van zijn bijdrage iets waarvan ik toch
een beetje schrok. Wij hadden zo’n
aardige discussie over de vraag of
het wel zo verstandig is om het voor
het ene jaar met de studie-
financiering zus of zo te regelen.
Voor allebei is overigens wat te
zeggen. Maar ineens zegt hij dat de
Schopenhauer-route gewoon open
moet blijven. Daar ben ik het totaal
niet mee eens. Aanvaarding van dat
amendement moet ik dan ook zeer
sterk ontraden. Er is namelijk echt
alle reden om een dergelijk
oneigenlijk gebruik tegen te gaan. Ik
doel op de situatie waarin een
student zich inschrijft voor studie die
hij wil volgen en voor een andere
studie die hij niet wil volgen om
daarmee alleen maar een jaar extra
beurs te verkrijgen. Dat is gewoon
een maas in de wet en als blijkt dat
daarvan gebruik wordt gemaakt,
moeten wij die dichten, zo is mijn
vaste overtuiging.
Eerlijk gezegd, wordt mijn neiging
sterker om het andere amendement
peinzend te gaan bezien vanwege
het standpunt dat de mogelijkheden
tot dit soort oneigenlijk gebruik
afgesloten dienen te worden. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2755" anker="635" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Het is
niet mijn bedoeling om oneigenlijk
gebruik te stimuleren. Ik heb evenwel
begrepen dat u een systeem wenst
waarin bij het tonen van een behaald
diploma achteraf voor het zesde jaar
een lening omgezet wordt in een
gemengde financiering. Houdt een
ander systeem de mogelijkheid in
dat een student in twee studierichtin-
gen een diploma behaalt, zonder dat
hij ’’gepakt’’ wordt? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2755" anker="636" soort="Staatssecretaris" naam="Nuis">
 Het gaat niet
om een Schopenhauer-route, maar
om keurig werken. Het gaat niet om
de situatie waarin een student echt
probeert om twee studierichtingen te
voltooien. Maar er blijken studenten
te zijn die zich voor een studie
inschrijven zonder dat zij de
werkelijke bedoeling hebben om die
te halen om daarmee een extra jaar
voor een andere studie binnen te
halen. Dat is oneigenlijk gebruik. Dit
kan door de onderhavige bepaling
onmogelijk gemaakt worden. Wij
kijken namelijk eventjes of die
andere studie wel serieus is. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2755" anker="637" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Waarom haalt u dat erbij? Dit geldt
ook in de huidige praktijk. Ik begrijp
dat het element van verlenging
aantrekkelijk is voor de student,
omdat je dan een jaar langer kunt
doen over de eigenlijke studie. Maar
ik neem aan dat de staatssecretaris
creatief genoeg is om dat met
andere middelen tegen te gaan. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2755" anker="638" soort="Staatssecretaris" naam="Nuis">
 Het is
misschien wat jammer dat dit punt
zo laat in de discussie aan de orde
komt. Op de schriftelijke gedachten-
wisseling heb ik geen commentaar
vernomen. Ik had ook niet het idee
dat iemand protesteerde tegen dat
afdekken. Nu komt u er op het
laatste moment mee. Die
Schopenhauer-route gaat niet meer
op voor studenten die nu beginnen
te studeren. Het is een mogelijkheid
die is ontstaan voor studenten die
voor 1991 zijn begonnen. Wij hebben
gemerkt dat die deze weg kiezen met
de filosofiestudie, om een beetje
extra beurs te sprokkelen op een
manier die niet nodig is. Daarop is
het gericht. Misschien kan nog eens
worden bekeken of het amendement
niet beter kan worden ingetrokken,
want dit kan toch nauwelijks de
bedoeling zijn. Als het een misver-
stand is, geef ik de indiener daartoe
graag de gelegenheid. Als het anders
is, moet ik het echt ontraden. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2755" anker="639" naam="De voorzitter">
 Aangezien het
amendement-Lansink (stuk nr. 9) is
ingetrokken, maakt het geen
onderwerp van beraadslaging meer
uit.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2755">

 
<spreker pagina="40-2755" anker="640" soort="Minister" naam="Van Aartsen">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik ben mevrouw Jorritsma
dankbaar dat zij bereid is gebleken,
haar amendement op stuk nr. 7 in te
trekken. Ik wijs er overigens op dat in
de laatste nota naar aanleiding van
het verslag van dat rapport van die
internationale visitatiecommissie
gewag is gemaakt. Ik geef mevrouw
Jorritsma echter terstond toe, dat het
wellicht verstandiger zou zijn
geweest om wat uitvoeriger in die
nota op dit rapport in te gaan. Ik heb
dat niet gedaan, niet om iets achter
de mouw te hebben of om het
argument als een duveltje uit een
doos te laten komen, maar waar-
schijnlijk omdat ik het zo evident
vond dat deze opleidingen ook tot
verlenging van de studieduur zouden
mogen overgaan, dat ik dit element
met alleen de vermelding van dat
rapport voldoende achtte. Ik wil
mevrouw Jorritsma echter zeker
toezeggen dat ik in de toekomst op
dit soort rapportages uitvoeriger zal
ingaan, als dit zich voordoet. Er
worden echter vele rapporten
geschreven en vele rapporten
moeten ook naar de Kamer.
Ik ben overigens ook gelukkig dat
het element van duurzaamheid en
milieu, dat de heer Van Gelder er
met de haren bij gesleept achtte, ook
voor mevrouw Jorritsma een
element was dat haar overtuigde. Ik
vind dat in het kader van de
Nederlandse landbouw en de
landbouwopleidingen een zeer
wezenlijk element.
De heer Van Gelder heeft mij nog
gevraagd of ik een afspraak zou
willen maken over de maatschappe-
lijk plaatsbare uitstroom en het
rendement, zoals ook voor de
technische universiteiten geldt. Het
lijkt mij de overweging waard om
daarover met de Landbouw-
universiteit te gaan praten.
De algemene beraadslaging wordt
gesloten. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2755" anker="641" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, aan-
staande dinsdag over het wetsvoor-
stel te stemmen.
Daartoe wordt besloten.
De vergadering wordt enkele
minuten geschorst. 

</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="40-2755">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Huisvestingswet (voorzie-
ning in de huisvesting van
bepaalde categoriee
¨ n verblijfs-
gerechtigden) (23930);
- het wetsvoorstel Bepalingen
inzake gemeentelijke zorg voor
houders van een voorwaardelijke
vergunning tot verblijf (Wet
gemeentelijke zorg voor houders
van een voorwaardelijke
vergunning tot verblijf) (23966).
</onderwerp>
</text>

</handeling>


