<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2072]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Huisvestingswet (voorziening in de huisvesting van bepaalde categorieën verblijfsgerechtigden) (23930); het wetsvoorstel Bepalingen inzake gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf) (23966)</item>
<item attribuut="Bestand"> 185 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Welzijn (Vreemdelingen en asielzoekers)
Volkshuisvesting (Overig)
Staats- en bestuursrecht (Gemeenten)</item>
<item attribuut="Dossiernr">23930, 23966</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 15, Tweede Kamer, pag. 2755-2793</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">25-01-1995</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2072</item>
<item attribuut="Omvang">39 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Tweede Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Huisvesting verblijfsgerechtigden</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Ingekomen stukken</item>
<item attribuut="doccode">TK 40</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="40-2755">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Huisvestingswet (voorzie-
ning in de huisvesting van
bepaalde categoriee
¨ n verblijfs-
gerechtigden) (23930);
- het wetsvoorstel Bepalingen
inzake gemeentelijke zorg voor
houders van een voorwaardelijke
vergunning tot verblijf (Wet
gemeentelijke zorg voor houders
van een voorwaardelijke
vergunning tot verblijf) (23966).
De algemene beraadslaging wordt
geopend.

<blok pagina="40-2756">

 
<spreker pagina="40-2756" anker="226" partij="CDA" naam="Gabor">
 Mijnheer de
voorzitter! Ons land heeft een grote
traditie op het punt van het opnemen
van mensen die van huis en haard
verdreven zijn en vervolgd worden
om politieke redenen, geloofs-
redenen of andere redenen. Door de
eeuwen heen heeft dit zeer verrij-
kend gewerkt voor de Nederlandse
samenleving. Hierbij bleek het
integrerende vermogen van onze
samenleving groot te zijn.
De bereidheid om ontheemden op
te vangen en gastvrijheid te bieden,
staat vandaag de dag echter onder
zware druk, deels door de enorme
omvang van de groep mensen die
terecht in ons land een veilig
heenkomen zoeken en deels door de
grote verscheidenheid van culturen
die tegelijk een beroep op ons doen.
Burgers en overheden worstelen met
dit vraagstuk. Goede wetgeving en
stipte uitvoering ervan kunnen ertoe
bijdragen dat opnieuw draagvlak
wordt gecree¨erd. In dit verband
verwijs ik naar een artikel in NRC
Handelsblad van gisteren, waaruit
weer eens duidelijk blijkt dat
draagvlak wezenlijk is. Voorbeelden,
zoals in Losser, in Overdinkel, wijzen
erop dat wij het soms verkeerd
aanpakken. Ik doel hiermee uiteraard
op het COA.
Het kabinet heeft de fractie van het
CDA overtuigd van de wenselijkheid
van de nu aan de orde gestelde
wetgeving. Wij hebben met een
structureel vraagstuk te maken en
dienen het beleid derhalve in de
wetgeving te verankeren.
Op een aantal wensen van ons is
het kabinet reeds ingegaan. Wij
spreken hierover erkentelijkheid uit
aan het adres van het kabinet. De
twee wetsvoorstellen worden nu
gelijktijdig behandeld – de samen-
hang is evident – zodat de bepalin-
gen gelijkluidend kunnen worden
geregeld. De werkingsduur van de
Stimuleringsregeling wisselwoningen
kon worden verlengd, doordat per
november nog 25 mln. beschikbaar
was. De beroepsprocedure die nu
door het kabinet voorgesteld wordt,
sluit weer aan bij wat de Algemene wet bestuursrecht vraagt: niet een
beroep, maar beroepsmogelijkheid in
twee instanties. Ook dit vinden wij
juist. Het doet ons deugd dat bij nota
van wijziging de rol van de gemeen-
ten is versterkt, door de inlassing
van verplicht vooroverleg met
burgemeester en wethouders
alvorens een provinciale maatregel
wordt opgelegd. Uiterste zorgvuldig-
heid is geboden, zoals ik al zei.
Daarom stond de fractie van het CDA
bij de vaststelling van het verslag
verplicht vooroverleg voor. Met
instemming hebben wij kennis
genomen van het antwoord op onze
vraag, dat het kabinet nog in het
voorjaar van 1995 de Regeling
rijksvoorkeurwoningen 1989 definitief
intrekt. Het is altijd goed, regelingen
die achterhaald zijn af te schaffen.
Er zijn dus vier onderwerpen om nader te bespreken: de verandering
van de grondslag ter vaststelling van
de gemeentelijke taak, de rol van de
gemeente in relatie tot de provinciale
rol, dus de provinciale bevoegdheid,
de kwartaaltaakstelling voor de
huisvesting van verblijfsgerechtigden
en de vraag of de gekozen financie¨le
invulling van de wettelijke zorg van
gemeenten toereikend is. Ik begin
met de verandering van de grond-
slag.
Reeds tijdens de voorbereiding
van deze wetsvoorstellen bleek dat
velen zich afvragen of het verlaten
van het criterium beschikbare
huurwoningen wel wijs is. Het
kabinet heeft de Raad van State op
dit punt niet kunnen overtuigen. In
het antwoord op de vele vragen
wordt de stelling geponeerd dat voor het nieuwe systeem bepalend was:
’’eenvoud, rechtvaardigheid en
rechtszekerheid’’. Dat lijkt mij
uitstekend, maar de vraag is of het
werkelijk zo is. Achter de mathema-
tisch en rechtvaardig lijkende
verdeling doen zich soms situaties
voor die niet zo zijn. De werkelijkheid
kan soms heel anders zijn dan de
formule doet vermoeden. Wat te
zeggen van een regio waarin de
gemeenten maar liefst 40% van het
totale aantal beschikbare, betaalbare
huurwoningen jaar in jaar uit met
voorrang voor statushouders moeten
reserveren. Dat leidt tot een
ondergraving van het draagvlak. Wij
kunnen dat niet van de burgers
vragen. Deze overvraging gaat de
grens van de rechtvaardigheid ver te
boven. Bovendien biedt het ook niet
de rechtszekerheid waar het kabinet
over schrijft, omdat het praktisch
onuitvoerbaar is. Ik wijs in dit
verband naar de heldere brief van
het gewest Zuid-Kennemerland van 9
december. Wij moeten oog hebben
voor de realiteit. Hoe denkt het
kabinet een dergelijke situatie, die ik
een overmachtssituatie zou willen
noemen, op te lossen? De CDA-
fractie heeft een mogelijke oplossing
achter de hand, die wij in de vorm
van een amendement hebben
gegoten. Dit amendement zullen wij
mogelijk in tweede termijn indienen.
Ik denk dat het antwoord van het
kabinet straks zal zijn een verwijzing
naar de wijzigingsmogelijkheid van
de gemeentelijke taakstelling door
gedeputeerde staten, zoals voorzien
in artikel 60c, lid 1. In vele gevallen
kan dat werken. Maar wat te doen
als een provincie niet handelend
optreedt, terwijl de taakstelling
onuitvoerbaar is. De taak van de
provincie is immers vrijblijvend. Mij
lijkt dat van de gemeenten slechts
gevraagd kan worden een bepaald
percentage huurwoningen te
reserveren die voor dit doel
beschikbaar komen. Ons amende-
ment voorziet daarin.
Maar ook dan kunnen zich
situaties voordoen waarbij men er
binnen een provincie niet uitkomt.
Laat ik de Randstad als voorbeeld
nemen. Na de vorming van de
stadsprovincies zal het nieuwe
provinciale bestuur over de rest van
Zuid- en Noord-Holland niet veel aan
die bevoegdheid hebben. Er is in dat
restgebied namelijk een buitenge-
woon restrictief bouwbeleid. U kent
ongetwijfeld de woningbouw-
problematiek in de Leidse en de
Haarlemse regio. Met het nu gekozen
verdeelmechaniek, met als criterium
uitsluitend het inwonertal, loopt men
dan vast. Men zal dan naar een
gebied moeten zoeken waar een
verhoogde bouwtaakstelling is. En
dergelijke gebieden liggen allemaal
buiten de restprovincie.
Dit probleem doet zich ook voor
op de Veluwe. Hoe denken de
bewindslieden dit ree¨le probleem op
te lossen? Het zou mij niet juist lijken
als men zou verwijzen naar een
mogelijke oplossing in de toekomst,
als de problemen zich werkelijk
voordoen. Regeren is immers
vooruitzien. Mocht het kabinet geen
bevredigend antwoord kunnen
geven, dan overweeg ik om ook
daarover een uitspraak aan de Kamer
te vragen.
Het tweede punt waaraan ik
aandacht wil besteden, is de rol van
de gemeenten in relatie tot de
provinciale bevoegdheid. Het kabinet
vermeldt in de nota naar aanleiding
van het verslag dat de gemeenten
primair verantwoordelijk zijn voor de
huisvesting van alle ingezetenen. Dat
is juist. Dat is altijd al zo geweest en
het is goed om dat andermaal in de
wetgeving vast te leggen. Bovendien
zijn de gemeenten als enige in staat
om een integraal beleid op het punt
van de inburgering van status-
houders te voeren, veelal in
samenspraak met andere gemeenten
en in regioverband. Ik denk hierbij
aan WGR-gebieden. Daar ligt dus de
verantwoordelijkheid, de kennis en
de ervaring om dit werk te doen. Het
is dan ook volstrekt ree¨el om de
gemeenten het initiatief te laten, als
men voor het oplossen van de
knelpunten flexibilisering van de
taakstelling wenselijk acht. Een
hiertoe strekkend amendement heb
ik ingediend. De rol van de provincie
wordt dan meer ondersteunend en er
ontstaat ruimte om op regionaal
niveau lokale spanningen op te
vangen. Mijn tweede amendement
voorziet daarin en stelt daarbij de
WGR-gebieden centraal.
Mijn derde punt is de taakstelling
op het punt van verblijfsgerechtigden
en daarbij met name de termijn.
Vanuit het standpunt van de regering
is het begrijpelijk dat gekozen wordt
voor een kwartaalsgewijze benade-
ring. De uitvoering hiervan stelt de
gemeente echter voor een onmoge-
lijke taak. Dit zal leiden tot een
verder bureaucratische rompslomp.
De taakstelling van slechts drie
maanden biedt immers de gemeen-
ten geen enkele garantie om de
instroom op een goede wijze op te
kunnen vangen en aan te kunnen
sluiten op de eigen huisvestings- en
inburgeringsprogramma’s. De
gemeentelijke planningspraktijk is
gebaseerd op jaarlijkse prestatie-
afspraken met instellingen die
betrokken zijn bij de opvang, zoals
woningcorporaties, de instellingen
voor volwasseneneducatie en de
plaatselijke afdelingen van Vluchte-
lingenWerk. Het tijdig en tegelijk
beschikbaar komen van diverse
voorzieningen is dus absoluut
noodzakelijk voor een goed en
geslaagd opvangbeleid. De CDA-
fractie bepleit derhalve invoering van
een halfjaarlijkse taakstelling. Ook
hiertoe heb ik een amendement
ingediend.
Voorzitter! Ik kom bij het laatste
punt. Is de financie¨le invulling
voldoende voor de taakvervulling?
Deze nieuwe wetgeving betekent een
zekere taakverzwaring voor de
provincies. Het kabinet kondigt aan,
met verwijzing naar artikel 105 van
de Provinciewet, hiervoor een
vergoeding te zullen regelen. De
CDA-fractie wacht met belangstelling
het overleg met het IPO af en hoopt
dat men in gezamenlijkheid tot een
akkoord komt. Op het punt van de
zorgplicht van de gemeente voor
mensen met een voorwaardelijke
vergunning tot verblijf heeft
VluchtelingenWerk in een brief van
18 januari de stelling geponeerd dat
er onduidelijkheid is ontstaan over
de vraag wie onder deze categorie
zullen vallen. Kunnen de bewindslie-
den een nadere toelichting op deze
problematiek geven? Is er sprake van
een misverstand of kan men
inderdaad de formulering verschil-
lend interpreteren? Zo ja, wat is daar
dan de consequentie van voor de
cijfermatige schatting van de
omvang van deze groep?
Over de vergoeding aan de
gemeenten voor de zorgplicht is
helaas geen overeenstemming
bereikt. Over een aantal onderwer-
pen inzake de inburgering voert het
kabinet nog overleg. Over een aantal
andere zaken wordt vandaag een
uitspraak gevraagd. Dat gebeurt
helaas zonder dat partijen overeen-
stemming hebben bereikt. De
CDA-fractie heeft haar zorg uitge-
sproken in het verslag of de
financie¨le facilitering voor de
gemeenten wel toereikend zal zijn.
Wij vroegen een nadere toelichting.
Het gaat dan met name om de
vergoeding van de kosten van
jongeren onder de 18 jaar. Het
kabinet stelt ƒ 125 per maand voor.
Ook gaat het om het volledig
ontbreken van een vergoeding voor
de inrichting en het gebruiksklaar
maken van opvangplaatsen. In de
nota naar aanleiding van het verslag
antwoordt de minister van Binnen-
landse Zaken dat het kabinet om een
aantal redenen besloten heeft, af te
zien van een afzonderlijke vergoe-
ding voor inrichting en leegstand.
Allereerst maken dergelijke
vergoedingen het systeem nodeloos
ingewikkeld en bovendien leveren zij
extra handhavingsvraagstukken op, aldus de minister. Ik zou zeggen: het
valt te prijzen dat het kabinet geen
nodeloos ingewikkeld systeem wil
maken. Dat is altijd goed. Het wordt
wat minder aantrekkelijk als men die
redenering in een adem noemt met
het lager vaststellen van het bedrag
dan juist lijkt. Weliswaar valt wat in
de nota ’’het koppengeld’’ heet – ik
heb veel innerlijke weerstand te
overwinnen om dat uit te spreken –
ƒ 30 hoger uit dan in de ROA-
regeling, maar ik zie niet goed hoe je
met maandelijks een bedrag van
ƒ 30 moet kunnen sparen om in het
begin van de huisvesting een
inrichting te realiseren die uiteraard
ineens moet worden betaald.
Immers, een huis moet in het begin
worden ingericht. Daar zit dus een
spanning in. De VNG noemt deze
benadering van het kabinet op
pagina 3 van haar reactie van 22
november 1994 onaanvaardbaar. Dat
geldt ook voor het bedrag van
ƒ 125 per jongere per maand. Over
dat laatste lees ik in een schrijven
van het Nationaal instituut voor
budget en voorlichting van 30 november 1994 onomwonden: de
ƒ 125 die per kind wordt verstrekt, is
niet toereikend om de meerkosten
van een kind te bekostigen. Dat is
dus duidelijk. De brief van de
gemeente Gorinchem van 23 januari
spreekt op dat punt ook boekdelen.
Het gestelde in de brief is gebaseerd
op ree¨le ervaringscijfers. Wat is het
oordeel van de bewindslieden over
de inhoud van de brief, zowel wat de
cijfers als de argumentatie betreft?
Misschien kan het kabinet een en
ander nog rechtzetten. Er zijn immers
nog gesprekken met de VNG gaande.
Ik heb er geen enkel bezwaar tegen
als, wanneer men de andere
onderdelen van de inburgerings-
kosten in de loop van het jaar met de
VNG bespreekt, dit punt ter sprake
zou worden gebracht. De CDA-fractie
betreurt het dat, terwijl het overleg
tot eind augustus uitstekend verliep
en overeenstemming als het ware
binnen handbereik was, dat overleg
niet is bekroond met een akkoord.
Het zou het kabinet sieren om alsnog
te trachten tot overeenstemming te
komen. Dat vraagt de CDA-fractie
zeer uitdrukkelijk. Wij vragen dit te
meer, omdat de ROA-regeling tot het
eind van dit jaar is verlengd. Er is
dus ruimte om in de tussenliggende
tijd met elkaar tot nadere afspraken
te komen. Zo nodig kom ik in tweede
termijn met een voorstel voor een
uitspraak op dit punt.
Mijnheer de voorzitter! De
huisvesting van burgers die in ons
land zullen blijven omdat zij terecht
kunnen rekenen op onze sympathie
en handreiking, de huisvesting van
mensen die voorlopig in ons land
een veilig heenkomen vinden en de
humane opvang van asielzoekers is
een gezamenlijke verantwoordelijk-
heid, een verantwoordelijkheid voor de gehele Nederlandse samenleving:
burgers en overheid. De taak in
dezen dient met grote zorg te
worden uitgevoerd. Hulde aan de
mensen en de organisaties die zich
hiervoor blijvend inzetten! Hulde aan
de gemeentebesturen die in de hitte
van alle dag vooraan staan. Het
kabinet kan rekenen op een
CDA-fractie die de zwaarte van het
probleem volledig onderkent en die
zich met de gedachte van solidariteit
en gevoel voor rechtvaardigheid
inzet voor alle burgers van onze
samenleving. Ieder mens telt.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2758">

 
<spreker pagina="40-2758" anker="227" partij="PvdA" naam="Van der Burg">

Voorzitter! De Partij van de Arbeid
vindt het essentieel dat mensen die
in Nederland zijn toegelaten, zo snel
en zo goed mogelijk integreren in onze samenleving. Dit houdt in: zo
snel mogelijk beschikken over
huisvesting, de Nederlandse taal
leren, kennis opdoen over de
Nederlandse samenleving en
vervolgens een plek op de arbeids-
markt vinden. Dat integratie van
verblijfsgerechtigden niet vanzelf
gaat, is een open deur. Voor de
uitvoering van deze bij uitstek
gemeentelijke taak, is een voorwaar-
denscheppend rijksbeleid onmisbaar.
Alleen als er sprake is van echte
samenhang van verschillende
regelingen, kan het integratieproces
goed verlopen. Ontbreekt een
samenhangend pakket, dan levert dat
spanningen op in onze samenleving,
met name in gemeenten en in
wijken. Er treedt dan spanning op
tussen verblijfsgerechtigden en de
bestaande bevolking en daardoor
kan het zo noodzakelijke draagvlak
afnemen. In NRC Handelsblad van
gisteren is dat nog eens nadrukkelijk
gezegd. Natuurlijk beseffen wij, dat
het uitbannen van spanningen
moeilijk is. Daarvoor is het gehele
proces van integratie te complex.
Volgens de Partij van de Arbeid moet
er echter wel alles aan gedaan
worden om spanningen zoveel
mogelijk te voorkomen, te vermijden
en te beheersen. Daarvoor is het
essentieel dat zoveel mogelijk een
gelijkmatige doorstroom wordt
verkregen van verblijfsgerechtigden
en voorwaardelijk verblijfs-
gerechtigden van de asielzoekers-
centra naar de gemeenten. Daarvoor
is nodig dat geschikte woningen ook
beschikbaar zijn en dat het scheppen
van financie¨le en organisatorische
randvoorwaarden voor opvang, zorg
en inburgering van definitief en
voorwaardelijk verblijfsgerechtigden
goed is geregeld.
De problematiek van integratie is
natuurlijk niet nieuw, maar naar
verwachting heeft de asielstroom
een structureel karakter. Dat vereist
verbetering, verduidelijking en vooral
ook een wettelijke verankering van
de huidige verantwoordelijkheids- en
taakverdeling voor het voorzien in
reguliere huisvesting. Een heldere
ordening van verantwoordelijkheden
in de laatste schakel van de
asielketen is essentieel voor het
verloop van de hele asielketen.
Beide voorliggende wetsvoorstel-
len hebben onder andere dat als
doel. De PvdA-fractie kan dan ook op
hoofdlijnen met beide wetsvoorstel-
len instemmen. Wij hebben wel
bedenkingen bij een aantal onderde-
len van deze wetsvoorstellen.
Allereerst heeft de PvdA nog niet het
vertrouwen dat de gemeenten de
uitvoering van de wettelijke plichten
adequaat ter hand kunnen nemen.
Wij achten daarvoor op dit moment
nog te weinig garanties aanwezig.
Met het scheiden van de verantwoor-
delijkheden van het Rijk voor de
opvang en toelating van asielzoekers
en die van de gemeenten voor het
huisvesten, de opvang en de
inburgering van verblijfsgerechtigden
kan de PvdA-fractie op zichzelf
instemmen. Deze waterscheiding is
helder. Een voorwaarde hierbij is dat
de gemeenten ook werkelijk de zorg
en de opvangplicht kunnen
waarmaken. De middelen die de
gemeenten krijgen, moeten
voldoende zijn.
Het grote probleem acht de Partij
van de Arbeid dat op dit moment
nog niet duidelijk is of de bedragen
toereikend zullen zijn. Een aantal
bijdragen is opgenomen in het
wetsvoorstel VVTV; daar kom ik nog
op terug. Voor een belangrijk deel is
dit ook afhankelijk van het pakket
met voorstellen voor inburgering
voor de periode na 1 juli 1995,
waarmee het kabinet eind maart naar
buiten komt in een overleg met de
VNG. Op dat moment zijn de
voorliggende wetsvoorstellen al
behandeld in beide Kamers en zo
mogelijk al aanvaard. De PvdA vindt
het onjuist dat op deze manier de
wettelijke plicht tot realisatie van de
taakstelling en de zorg is losgekop-
peld van de duidelijkheid over het
niveau van de voorzieningen en de
omvang van de geldstromen. Het
kan volgens de PvdA-fractie niet zo
zijn dat de kosten als het ware
worden doorgeschoven naar
gemeenten. Dat geldt niet alleen
voor de financie¨le kosten, maar ook
voor de maatschappelijke kosten.
Invoering van een nieuwe regeling
vergt op zichzelf al heel veel van de
gemeenten. De PvdA wil daarom
zekerheid hebben omtrent de
uitvoeringsmogelijkheden, alvorens
de wetsvoorstellen in werking
treden. Op dit moment spoort het
niet met elkaar. Op 1 april treden
beide wetsvoorstellen in werking,
hoewel in de nota naar aanleiding
van het verslag wordt gesproken
over 1 juli, terwijl het overleg met de
VNG eind maart plaatsvindt. Zijn de
bewindspersonen het met de
PvdA-fractie eens dat beide moeten
sporen; met andere woorden, dat de
inwerkingtreding van de wetsvoor-
stellen op een zodanig tijdstip moet
plaatsvinden dat afspraken met de
gemeenten en de VNG afgerond zijn?
Zijn zij ook van oordeel dat het
eventueel nodig zou kunnen zijn dat
de inwerkingtreding wordt uitge-
steld?
Naar ik heb vernomen, is de
ROA-regeling tot 1 januari 1996
verlengd door Justitie. Als de
noodzaak tot uitstel er is, is een deel
van het probleem daarmee opgelost. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2758" anker="228" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">

Wanneer de wet formeel ingaat per 1
april a.s., betekent dat drie maanden
voorbereidingstijd voor de gemeen-
ten en hoe dan ook uitvoering en
start per 1 juli. Dan heb je daadwer-
kelijk geld nodig. Ik geef toe dat je
een beetje geld nodig hebt voor de
voorbereiding, maar dat staat niet in
verhouding tot de feitelijke uitvoe-
ring. Ik hoop dat het niet nodig is om
de termijn daarvoor te verschuiven.
Als het onvoldoende geld is en de
gemeenten er niet mee uit kunnen
komen, vind ik dat de situatie zich
wijzigt. Dat vind ik echter iets anders
dan in het algemeen het uitstel te
bepleiten. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2758" anker="229" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 Ik
bepleit het niet in zijn algemeenheid,
maar wel als het niet voldoende is.
Alleen is het probleem dat wij dat op
dit moment niet weten. Het overleg
is pas in maart. Als het allemaal
goed is, zal het ook in maart zijn
afgerond. Dan is er geen probleem.
De kans is natuurlijk ook groot dat
die afronding dan niet kan plaatsvin-
den, maar eventueel een maand
later. Voor de Partij van de Arbeid is
het belangrijk dat niet begonnen
wordt met de uitvoering van de wet
op een moment dat de bedragen
ontoereikend zijn of zelfs nog geen
overeenstemming is bereikt. Daar ligt
een koppeling. Ik leg haar nu even
op het bordje van beide bewindsper-
sonen. Het gaat mij te ver om nu te
verklaren dat de wet in werking moet
treden zonder dat er enige garantie
is op toereikende bedragen.
Mocht uitstel noodzakelijk zijn, dan
is er in ieder geval een voordeel,
namelijk dat de kabinetsreactie op
het rapport van de commissie-Ter
Veld nog kan worden meegenomen.
Overigens hoor ik graag wanneer
deze reactie voorzien is.
Wij willen de vinger aan de pols
houden en vragen de bewindsperso-
nen daartoe om de Kamer in ieder
geval binnen een week na het
overleg met de VNG op de hoogte te
stellen van het verloop, de resultaten
en de afspraken van dit overleg.
Ik kom op het tweede punt dat
naar onze mening met het oog op
een adequate integratie aanpassing behoeft: de taakstellingstermijn, de
termijn waarbinnen verblijfs-
gerechtigden moeten worden
gehuisvest. Volgens de voorliggende
wetsvoorstellen zal de minister van
Justitie telkens een raming voor het
komende jaar geven, een voortschrij-
dende twaalfmaandsprognose. Er zal
sprake zijn van een driemaandelijkse
actualisering. Het zou goed als deze
niet van elkaar zouden verschillen,
maar dat is een moeilijke kwestie.
Als gevolg van de ervaringen en de
nieuwe wetgeving zou het echter
toch langzamerhand mogelijk
moeten zijn om een betrouwbare
raming te maken.
De termijn van drie maanden blijkt
te kort te zijn. Bij de keuze van een
termijn staan wij voor een moeilijke
afweging. Een vlotte uitstroom uit
asielzoekerscentra is voor de mensen
zelf en voor de doorstroming binnen
de asielketen van groot belang. Het
is echter eveneens van groot belang
dat het inburgeringsproces goed
verloopt. De instroom van verblijfs-
gerechtigden moet zo gelijkmatig
mogelijk plaatsvinden. Er moet een
zodanige termijn worden gesteld dat
huisvesting en inburgering in
onderlinge samenhang kunnen
worden geregeld. Aangezien het bij
deze wetsvoorstellen in wezen gaat
om een adequaat inburgeringsproces
kiest de PvdA-fractie voor een
uitvoeringstermijn van zes maanden.
Daartoe heeft zij te zamen met de
fracties van de VVD, D66 en de RPF
een amendement ingediend.
Het kabinet komt met het
argument dat de prognose van zes
maanden minder betrouwbaar is dan
die van drie maanden. Dat lijkt voor
de hand liggend, maar langzamer-
hand zou op basis van de ervaringen
tot meer betrouwbare prognoses
moeten kunnen worden gekomen.
Indien zich bijzondere situaties
voordoen, is natuurlijk sprake van
overmacht.
Een ander argument van het
kabinet is de angst dat de gemeen-
ten pas aan het einde van deze
termijn aan hun taakstelling zullen
voldoen. In theorie is dit denkbaar,
maar het lijkt mij niet in het belang
van de gemeenten. Ook voor de
gemeenten, voor de situatie in de
wijken, is een gelijkmatige instroom
belangrijk. Ik deel de angst van het
kabinet dus niet. Bovendien is er nog
de rapportagetermijn. In ons
amendement hebben wij deze op
een halfjaar gesteld, ook omdat een
en ander met elkaar samenhangt.
Wat betreft die termijn van zes
maanden zal niet vier weken voor
het aflopen daarvan, maar acht
weken daarvoor, dus twee maanden,
gerapporteerd moeten worden over
de stand van zaken. Dat staat
overigens verkeerd in het amende-
ment. Daarover heb ik al overlegd
met de andere ondertekenaars. Wij
zullen het gestelde over vier weken
wijzigingen in acht weken, omdat het
dan mogelijk is, in overleg met GS,
tot een versnelling te komen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2759" anker="230" partij="CDA" naam="Gabor">
 Voorzitter! In
het wetsvoorstel worden diverse
rapportagetermijnen van vier weken
aangegeven. Wordt het amendement
nu gecorrigeerd, in die zin dat de
termijn onder punt VI wordt
teruggebracht tot vier weken? Dat
spoort namelijk met de andere data
waarbinnen wordt gerapporteerd. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2759" anker="231" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 De
rapportagetermijn is nu gesteld op
vier maanden voor het eind van het
halfjaar, maar dat is foutief. Het moet
acht weken zijn. Een periode van vier
weken lijkt mooi, vergeleken met
andere artikelen in het wetsvoorstel,
maar die periode lijkt mij te kort. Op
dat moment kan nauwelijks meer
correctie plaatsvinden. Dat is niet
goed. De voorkeur van de onderteke-
naars gaat uit naar een termijn van
acht weken voor afloop van het
halfjaar. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2759" anker="232" naam="De voorzitter">
 Even voor de goede
orde. Mevrouw Van der Burg dient
nu een gewijzigd amendement in? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2759" anker="233" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 Ik
heb het amendement al doorgege-
ven aan het Bureau wetgeving. Het
komt er dus aan.
Het derde punt, essentieel voor
een goede opvang en integratie van
verblijfsgerechtigden en voorwaarde-
lijk verblijfsgerechtigden, is de
beschikbaarheid van geschikte
woningen. Voor 1995 is bij de
verhoging van het bouwprogramma,
met name wat betreft het bedrag
voor woninggebonden subsidies,
rekening gehouden met een groei
van het aantal asielzoekers en
statushouders. Er is toegezegd dat
volgend jaar opnieuw zal worden
bekeken of een verhoging nodig. In
de nota naar aanleiding van het
eindverslag staat echter dat dit niet
meer hoeft te gebeuren. Is sprake
van een beleidswijziging op dat punt,
of houden de bewindslieden zich aan
de toezegging dat ook volgend jaar
wordt bekeken of een verhoging in
aantallen en of budget nodig is?
Is de noodzakelijke verhoging van
het aantal woningen ook meegeno-
men in de tussentijdse behoefte-
raming van 55.000 extra woningen
die onlangs bekend is gemaakt? Een
probleem, ook in dit kader, blijft het
woningtekort, met name rond de
grote steden. Die kwestie is al vaak
aan de orde geweest, maar bij de
bespreking van de PKB-herziening in
het kader van de Vinex komt die
opnieuw aan de orde. Dit blijft voor
de fractie van de PvdA een punt van
zorg. Wij komen er in een ander
kader nog op terug, maar ik wilde
het ook in dit kader nog eens
benadrukken.
De PvdA-fractie stemt in met het
voorgestelde verdeelmechanisme.
Naar onze mening is terecht
afgestapt van het verdelings- criterium: het aantal mutaties in
betaalde huurwoningen. Dit leidde
immers tot een niet gelijkmatige
verdeling van verblijfsgerechtigden
over alle gemeenten in het land. De
gemeenten die al zwaar zijn belast
met een grote vraag naar sociale
huurwoningen worden momenteel
nog eens extra belast. Dat geldt met
name voor de grot steden. Die
hebben hierover geklaagd. Op grond
van het voorgestelde criterium, de
relatieve bevolkingsomvang, wordt
iedere gemeente terecht aangespro-
ken op het opvangen van verblijfs-
gerechtigden. Waar dit volkshuisves-
telijke en ruimtelijke-
ordeningsproblemen leidt, kan onder
leiding van de provincie, samen met
de omliggende gemeenten, tot een
andere verdeling worden gekomen.
Naar onze mening is dus sprake van
een rechtvaardige verdeling op deze
wijze. Zo nodig kan daarvan op maat
worden afgeweken. Wezenlijk voor
een goede opvang en inburgering
van statushouders zijn natuurlijk ook
de elementen die de gemeente
Rotterdam noemt een brief die wij
gisteren hebben ontvangen, namelijk
het volgen van een opleiding en het
hebben van werk. Van belang is dat
ook in onderlinge samenhang wordt
bekeken hoe men de verdeling
oplost. Overigens zijn wij met VVD
en D66 van oordeel dat een
’’ingrijpen’’ door provincie in de
verdeling alleen moet plaatsvinden
als een of meerdere gemeenten
daarom vragen. Waarom zou de
provincie actie moeten ondernemen
als alle gemeenten akkoord gaan met
de verdeling?
Naar onze mening ligt dit voor het
bestuur van de grote steden,
waarvoor speciale wetgeving in
voorbereiding is, een slag anders.
Daar gaat het om een echte
bestuurlijk eenheid, een stadsbe-
stuur, die veel taken van gemeenten,
deelgemeenten overneemt. Hoe zal
in de eerste lex specialis voor
Rotterdam dit verdelingsmechanisme
worden opgenomen? Zou het niet in
de rede liggen om een taakstelling
op te leggen aan de stadsprovincie?
Na deze onderwerpen die op beide
wetsvoorstellen van toepassing zijn,
kom ik toe aan specifieke onderwer-
pen ten aanzien van het wetsvoorstel
Gemeentelijke zorg VVTV. Dit
wetsvoorstel bevat een voorstel voor
fasegewijze integratie voor voor-
waardelijk verblijfsgerechtigden. Ik
wil mij graag aansluiten bij de vraag
van de heer Gabor van het CDA over
de brief van VluchtelingenWerk. Mijn
fractie kan instemmen met een
fasegewijze integratie, met name
omdat mede op ons aandringen
enige flexibiliteit is geı¨ntroduceerd,
waardoor meer rekening kan worden
gehouden met persoonlijke
omstandigheden. Met andere
woorden, meer mogelijkheden voor
maatwerk. Over de wijze waarop
invulling wordt gegeven aan de
verplichte arbeidsinschakeling in de
tweede fase van de integratie,
bestaat voor zover mij bekend nog
geen duidelijkheid. Nader overleg, zo
staat in de nota naar aanleiding van
het verslag, zal nog plaatsvinden met
de VNG en mijn vraag is of daarover
al duidelijkheid is. Hoe wordt
invulling gegeven aan verplichte
arbeidsinschakeling?
De hoogte van de rijksbijdrage
voor houders van een voorlopige
verblijfsvergunning is vergeleken van
de ROA-regeling sterk gewijzigd. De
bijdrage is enigszins verhoogd voor
volwassenen, maar zeer sterk
verlaagd voor minderjarigen. Helaas
is daarover geen overeenstemming
bereikt met de VNG. Het systeem
van een standaardbedrag per
persoon, per plaats spreekt ons aan.
Het woord ’’koppengeld’’ spreekt ons
overigens absoluut niet aan. Ik denk
dat wij daar ook gewoon van af
moeten.
De Partij van de Arbeid heeft
moeite met de verlaging van het
geld voor jongeren onder de 18 jaar.
De persoonlijke toelage blijft
weliswaar gelijk, maar de hele
vergoeding van gemeentelijke kosten
gaat fors omlaag. Op zich vindt de
PvdA-fractie een verlaging wel
terecht. Het was ƒ 720 en het gaat
naar ƒ 145. Dat kan, maar over de
zeer forse verlaging hebben wij grote
twijfels. Waarop is dat bedrag nu
precies gebaseerd en hoe is het
samengesteld? De Raad voor de
gemeentefinancie¨n heeft hierover om
procedurele redenen niet geadvi-
seerd. Is dat inmiddels wel gebeurd?
Ik hecht daar namelijk waarde aan.
Graag krijg ik een heldere toelichting
op de samenstelling van het bedrag
voor jongeren. Zijn er geen
mogelijkheden om alsnog in overleg
met de VNG tot eventueel een ander
bedrag per persoon te komen?
Overigens gaan wij ten aanzien van
de bedragen die worden genoemd in
de wet ervan uit, dat voor gemeente-
lijke vergoedingen jaarlijks een
indexering plaatsvindt.
De vergoeding voor de inrichtings-
kosten van ƒ 2000 per woning en
voor het gebruiksklaar maken, is
vervallen met als argument dat deze
bedragen verdisconteerd zijn in het
vaste bedrag per persoon. Aangezien
in zijn totaliteit sprake is van een
sterke afname van de standaard-
bedragen, kan ik deze argumentatie
niet goed volgen. Bovendien kan de
verhoging van ƒ 30 per maand per
volwassene eerder gezien worden als
een verlate indexering dan als een
werkelijke verhoging. Hoe doet men
dat dan? Haalt men die ƒ 30 er in het
begin dan automatisch van af? Graag
krijg ik een nadere toelichting op dit
punt. Ik zie graag dat hierbij ook
wordt ingegaan op de vraag waar de
budgetten zijn gebleven die hiervoor
waren gereserveerd op de begroting
van Sociale Zaken.
Cijfers van verschillende gemeen-
ten en van de VNG tonen aan, dat
inzake de ROA-regeling en de
VVTV-regeling van een forse
achteruitgang sprake is. Er lijkt een
discrepantie te ontstaan. Mensen
met een voorwaardelijke vergunning
krijgen een betere rechtspositie,
maar financieel gaan zij erop
achteruit. Dat kan niet de bedoeling
zijn. Daarom vraag ik nogmaals een
nadere onderbouwing van de
bedragen, met name voor jongeren
onder de 18 jaar.
Het lijkt de fractie van de PvdA
juist om voor de gewijzigde
Huisvestingswet eerder dan na vier
jaar – dat staat nu in het wetsvoor-
stel – over te gaan tot een evaluatie.
Er moet snel zicht komen op het
verloop van de systematiek in de
praktijk. Samen met de VVD en D66
hebben wij daartoe een amendement
ingediend.
Ik verneem graag van de
staatssecretaris hoe het staat met de
evaluatie van de Stimulerings-
regeling wisselwoningen. Wanneer
kunnen wij de resultaten verwachten
en wanneer vernemen wij het
kabinetsstandpunt over de voortgang
van deze regeling?
Het gaat erom, een goede
integratie in de samenleving te
realiseren van de personen die in
ons land zijn toegelaten. Beide
wetsvoorstellen kunnen daaraan een
goede bijdrage leveren, mits
gemeenten voldoende mogelijkhe-
den en middelen krijgen voor de
opvang van en de zorg voor de
mensen die gerechtigd zijn om hier
te blijven, al dan niet voorwaardelijk.
Alleen dan is het zo noodzakelijke
draagvlak in onze samenleving
hiervoor te behouden of te krijgen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2760">

 
<spreker pagina="40-2760" anker="234" partij="GPV" naam="Schutte">
 Mijnheer de
voorzitter! Na veelvuldig overleg
tussen betrokken bewindslieden,
provincies en gemeenten en na
verschillende bestuursakkoorden en
circulaires spreken wij vandaag over
het vervolg daarop in de vorm van
twee wetsvoorstellen, die de opvang
van verblijfsgerechtigden en
VVTV’ers in een wettelijk kader
gieten. Aanvankelijk werd er nog van
uitgegaan dat de opvang van deze
mensen een tijdelijke aangelegen-
heid zou zijn, maar de praktijk was
anders. Conflicten en brandhaarden
zorgden en zorgen nog steeds voor
overvolle asielzoekerscentra. Nu de
regering allerlei maatregelen op de
rol heeft staan om de instroom te
beperken en de procedures te
versnellen, dient geen verdere
vertraging op te treden in de
huisvesting van toegelaten status-
houders, de laatste stap in de
opvangketen.
Met beide wetsvoorstellen worden
de verantwoordelijkheidsverdeling
tussen Rijk, provincies en gemeenten
en de taakstelling van gemeenten
wettelijk verankerd. Mijn aanvanke-
lijke scepsis tegen een aparte
wettelijke regeling is weggenomen
door de antwoorden van de
bewindslieden in de nota’s naar
aanleiding van de verslagen. Nu de
huisvesting van statushouders een
meer permanent karakter heeft
gekregen, rechtvaardigt dit een
structurele inbedding van de
huisvesting van statushouders in het
woningtoewijzingsbeleid.
Deze redenering onderschrijf ik.
Toch moeten wij ons realiseren dat
zij meer zekerheid lijkt te suggereren
dan in werkelijkheid kan worden
geboden. De wetsvoorstellen zijn
duidelijk gedateerd, geı¨nspireerd
door de situatie die in de afgelopen
jaren is ontstaan. Hoe deze situatie
zich echter op middellange termijn
zal ontwikkelen, is onbekend. Wij
mogen de hoop niet opgeven dat,
ondanks het wegvallen van grenzen
en de toegenomen mobiliteit, het
mogelijk zal worden het aantal
brandhaarden en landen waar
mensenrechten worden vertrapt,
terug te dringen. Herstel van de
vrede op ons eigen continent zal
daarop van grote invloed kunnen
zijn. Opvang van en hulpverlening
aan vluchtelingen in de eigen regio
verdient veelal veruit de voorkeur
boven vlucht naar verre werelddelen.
Of de onderhavige voorstellen een
adequaat antwoord zullen vormen op
de problemen rond opvang en
huisvesting is verder ook afhankelijk
van factoren die niet bij wet te
regelen zijn. Ik denk aan de
beschikbaarheid van bouwlocaties en
aan bouwprogramma’s, waarvoor de
heer Gabor terecht de aandacht
vroeg, maar ook aan voldoende
maatschappelijk draagvlak voor het
toelatings- en huisvestingsbeleid. Het
is nu niet het moment om hierover
uitvoerig in discussie te gaan. Wel
wil ik mij graag aansluiten bij het
pleidooi van de RAVO om onderzoek
te doen naar de gevolgen van de
toestroom van asielzoekers voor de
woningbehoefte op de wat langere
termijn en daarbij aandacht te
schenken aan de terugkeermogelijhe-
den van bepaalde groepen verblijfs-
gerechtigden en aan de mate waarin
in de toekomst eventuele gezins-
hereniging een rol kan spelen. Een
maatschappelijk draagvlak is wel te
cree¨ren voor de opvang van
asielzoekers in acute situaties, maar
het kan ook beı¨nvloed worden door
de wijze waarop wij daarna omgaan
met hun integratie in onze samenle-
ving.
De onderhavige wetsvoorstellen
willen vooral een basis bieden voor
de verdeling van verantwoordelijkhe-
den tussen overheden in het
algemeen en gemeenten in het
bijzonder. Blijkens de wettekst vormt
een neutrale verdeelsleutel geba-
seerd op CBS-gegevens over de
bevolkingsomvang van de gemeen-
ten, de basis voor de taakstellingen.
Deze kunnen waar nodig gecorri-
geerd worden door de provincie, die
zelf dan wel op initiatief van
gemeenten tot herverdeling van de
taakstellingen kan overgaan. Een
dergelijke rol van de provincies kan
kennelijke onbillijkheden corrigeren
en past ook bij de verantwoordelijk-
heid van de provincies in het
regionale ruimtelijk en
volkshuisvestingsbeleid. Amende-
menten met de strekking, het
initiatief tot herverdeling van
taakstellingen uitdrukkelijk bij de
gemeenten te leggen, doen hieraan
mijns inziens niet af, omdat een
verzoek van een gemeente al
voldoende is om de provincie in te
schakelen.
Reeds bij de schriftelijke voorbe-
reiding heb ik mijn zorg uitgesproken
over de haalbaarheid van taakstellin-
gen voor gemeenten die slechts over
een zeer geringe sociale
huurwoningenvoorraad beschikken.
Zelfs nu de Stimuleringsregeling
wisselwoningen verlengd is tot 1 juli
1995 ben ik er niet gerust op dat
deze gemeenten voldoende
mogelijkheden hebben om toch aan
hun taakstelling te voldoen. Tot 25
november van het vorige jaar zijn
slechts 547 aanvragen voor
wisselwoningen ingediend, terwijl
maximaal 2500 wisselwoningen voor
een stimuleringsregeling in
aanmerking komen. Mag ik hieruit
afleiden dat gemeenten kennelijk in
staat zijn de taakstelling binnen de
bestaande woningvoorraad te
realiseren, of speelt tevens een
gebrek aan geschikte locaties een
rol?
De provincies krijgen een sturende
rol bij de uitvoering van beide
wetsvoorstellen. Zij kunnen
wijzigingen aanbrengen in de
taakstellingen van gemeenten door
zes weken voor de aanvang van het
kwartaal een herverdelingsbesluit te
nemen. Provincies zijn voor een
besluit om al dan niet tot herverde-
ling van taakstellingen over te gaan,
afhankelijk van de informatie die hun
door gemeenten wordt verstrekt. Het
rapportagemoment van de gemeen-
ten aan de provincies over de
realisatie van de taakstelling is
gesteld op vier weken voor het einde
van het desbetreffende kwartaal. Mij
is niet duidelijk hoe provincies zes
weken voor het begin van het
volgende kwartaal tot herverdeling
van taakstellingen kunnen besluiten,
terwijl de daarvoor noodzakelijke
informatie pas twee weken later door
de desbetreffende gemeenten wordt
toegestuurd. Een andere vraag is of
de kans bestaat dat een provincie,
wanneer een groot aantal gemeenten
binnen haar grenzen niet in staat is
woningzoekenden binnen een
aanvaardbare termijn aan een
woning te helpen, onvoldoende
ruimte zal hebben om tot een
herverdeling van taakstellingen over
te gaan. Mijns inziens gaat het hier
geenszins om een theoretische
mogelijkheid als wij bedenken dat
hele regio’s niet of nauwelijks voor
de eigen woningbehoefte kunnen
bouwen.
De voorgestelde kwartaal-
systematiek zal zich in de praktijk
moeten bewijzen. De prognoses die
als basis dienen voor de taakstellin-
gen, vormen een centraal maar ook
onzeker element in beide wetsvoor-
stellen. Voor gemeenten en
toegelaten instellingen hangt veel af
van de juistheid van de prognoses.
Zij moeten immers binnen korte tijd
deze prognoses doorvertalen in hun
woonruimteverdelingsbeleid. De
regering gaat ervan uit dat zij
daartoe voldoende mogelijkheden
hebben. Zij heeft verschillende
argumenten aangevoerd om niet te
kiezen voor halfjaarlijkse taakstellin-
gen of een 10%-norm.
Ik onderken dat er argumenten zijn
om te pleiten voor een halfjaarlijkse
taakstelling. Dat is ook door vorige
sprekers uitvoerig gebeurd. Daar
staat wel tegenover dat het van
groot belang is, dat het aanbod van
woningen die nodig zijn voor het
huisvesten van statushouders, zo
precies mogelijk afgestemd wordt op
de uitstroom van statushouders uit
de centra. Daarom spreekt mij
vooralsnog de voorgestelde
kwartaalsystematiek het meest aan.
In dat verband is het een goede zaak
dat maandelijks een ’’voortschrij-
dende twaalfmaandsprognose’’
wordt gepubliceerd, waarmee
gemeenten in staat moeten worden
geacht, vraag en aanbod nauw op
elkaar af te stemmen binnen de voor
hen geldende taakstelling.
Gelet op de genoemde onzekere
factoren wil ik wel een goede
monitoring van de nieuwe verdeel-
systematiek bepleiten, zodat
problemen die gemeenten hiervan
ondervinden op tijd onderkend en
opgelost kunnen worden. Dit laatste
is mede van belang, omdat een
inadequate aansluiting van aanbod
en vraag kan leiden tot leegstand
van woningen waarvoor, anders dan
in de ROA, geen afzonderlijke
vergoedingen worden toegekend.
Om die reden zal ik het amendement
dat de verkorting van de evaluatie-
termijn van vier naar twee jaar
beoogt, graag steunen. Die evaluatie
zal tevens duidelijk moeten maken
hoeveel statushouders met een VVTV
binnen de driejarige integratietermijn
teruggekeerd zijn naar hun land van
herkomst.
Bij de huisvesting van elke
statushouder zijn minimaal twee
ministeries, het COA, een provincie
en een gemeente betrokken. Een
slechte communicatie tussen
betrokkenen is de bijl aan de wortel
van het nieuwe uitplaatsingssysteem.
In dit verband wil ik een artikel van
mevrouw De Water in het Woning-
raad Magazine aanhalen. Zij
beschrijft in dat artikel de resultaten
van een onderzoek onder de leden
van de Nationale woningraad en het
NCIV. Uit dit onderzoek blijkt dat
ruim een derde van de problemen,
die sociale verhuurders ervaren bij
de huisvesting van statushouders,
betrekking heeft op communicatie-
problemen met diverse overheden.
Zijn deze problemen ook bij de
bewindslieden bekend en zien zij
mogelijkheden knelpunten in die
communicatie te helpen oplossen?
Uit de nota naar aanleiding van
het verslag leid ik af dat ongeveer
7% van de vrijgekomen woningen in
de betaalbare voorraad dient te
worden toegewezen aan in het kader
van de taakstelling te huisvesten
verblijfsgerechtigden. Is dan, zo
vraag ik de staatssecretaris, rekening
gehouden met de aantallen VVTV’ers
die de gemeenten moeten huisves-
ten?
Voorzitter! De groep statushouders
die een voorwaardelijke vergunning
tot verblijf bezitten, bestaat kort
gezegd uit beleidsmatig niet
verwijderbaren en ontheemden. Deze
VVTV’ers komen in een driejarig
integratietraject terecht waarvan het
wetsvoorstel Gemeentelijke zorg een
uitwerking is. Tijdelijkheid is hierbij
het sleutelwoord. Maar hoe tijdelijk
is het verblijf van VVTV’ers die
vanwege hun individuele vlucht-
motieven niet kunnen worden
teruggestuurd naar het land van
herkomst? De ervaringen tot nu toe
met de verstrekking van VVTV’s
wijzen er niet op dat de prognoses
zullen worden gehaald. De nota naar
aanleiding van het verslag spreekt
van 10.000 VVTV’s in 1995 en 6400 in
1996. Als het mogelijk is, daar
duidelijk onder te blijven kan dat een
positieve zaak zijn. Maar het is wel
zaak de afstand tussen prognoses en
werkelijkheid zo gering mogelijk te
laten zijn en dus de prognoses bij te
stellen zodra de feitelijke ontwikkelin-
gen daartoe aanleiding geven.
De koppengeldsystematiek, om dat
woord nog maar even te blijven
gebruiken, kent verschillende
bedragen voor volwassenen, waarbij
is uitgegaan van het cree¨ren van een
sobere voorziening. Uit het koppen-
geld dienen alle voorkomende kosten
te worden voldaan. De hoogte van
het bedrag voor persoonlijke
uitgaven is blijkens de memorie van
toelichting gebaseerd op de door het
Nibud gegeven normbedragen voor
variabele noodzakelijke kosten,
vermeerderd met het bedrag van het
zakgeld dat in de centrale opvang
voor asielzoekers wordt gehanteerd.
De voorbeeldbegrotingen van het
Nibud waarop deze bedragen zijn
gebaseerd, laten echter zien wat
mogelijk is met een uitkering. Het
zijn dus geen normbedragen. Zo zijn
voor een aantal uitgavenposten geen
bedragen opgenomen. Ik noem extra
voeding voor opgroeiende kinderen,
telefoon en vervoer. Ik meen dat in
individuele gevallen die kosten
onvermijdbaar zullen zijn. Is hiermee
voldoende rekening gehouden en
hoe worden eventuele financie¨le
knelpunten opgelost?
Het koppengeld voor kinderen
onder 18 jaar is belangrijk lager
vastgesteld dan het koppengeld voor
volwassenen. Ouders moeten uit hun
eigen bijdrage meebetalen aan de
kosten van hun kinderen. Maar wat
te doen als het gezin een meer dan
gemiddeld aantal kinderen telt? Naar
mijn inschatting is een bedrag van
ƒ 125 voor persoonlijke uitgaven dan
volstrekt onvoldoende. Een
vergelijking met de kinderbijslag-
discussie dringt zich op. Ik vraag dan
ook om een nadere uiteenzetting op
dit punt.
Voorzitter! De effectieve integratie
van statushouders kan bespoedigd
worden door hen adequaat te
huisvesten in de gemeenten en door
deelname aan het arbeidsproces. Het
drie jaar durende integratieproces
met groeiende mogelijkheden voor
VVTV’ers om deel te nemen aan het
arbeidsproces biedt mogelijkheden
de integratie goed te laten verlopen.
Veel zal afhangen van de gemeente-
lijke inspanningen om de VVTV’ers
aan kort of langer durend werk te
helpen. Dat de inkomsten uit die
arbeid ten goede komen van de
gemeenten zal voor hen een
belangrijke prikkel kunnen zijn om
samen met anderen de integratie van
VVTV’ers voortvarend ter hand te
nemen. Daar zijn zowel de status-
houders als de gehele Nederlandse
bevolking mee gediend. In dit
verband wil ik aandacht vragen voor
het vele ondersteunende werk dat
vrijwilligersorganisaties, zoals
VluchtelingenWerk, verrichten.
Kunnen zij ook na 1 juli 1995 rekenen
op bekostiging van hun activiteiten
die gericht zijn op een soepele
integratie van deze nieuwkomers?
Tot slot nog een opmerking over
de financie¨le mogelijkheden voor
gemeentelijke integratie-
programma’s. In het voorjaar zal
nader overleg plaatsvinden tussen de
regering en de VNG over een
regeringsvoorstel voor een structu-
rele systematiek van financie¨le
tegemoetkomingen aan gemeenten.
Kan de minister reeds enige
helderheid verschaffen over de
uitgangspunten voor dit overleg?
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2762">

 
<spreker pagina="40-2762" anker="235" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">

Voorzitter! De grondgedachten voor
deze wetsvoorstellen zijn door mijn
fractie altijd ondersteund. Ik noem
het simpele feit dat hier veel mensen
naar toe komen en terecht een
beroep doen op onze bescherming
en onze zorg. Dat beroep ligt niet
alleen op het bordje van de centrale
overheid, maar ook op dat van de
gehele samenleving, dus ook van
lokale en regionale overheden. In de
afgelopen jaren heeft mijn oud-
collega Peter Lankhorst erop
aangedrongen om zeker in het
volkshuisvestingsbeleid rekening te
houden met nieuwkomers. Wij zijn
blij dat dit uiteindelijk een wettelijke
verankering krijgt.
Toch heb ik ietwat moeite met de
onderhavige voorstellen. De basis
van het beleid voor een gedeelde
verantwoordelijkheid moet bestaan
uit een aantal heldere afspraken. Per
slot van rekening zijn er twee gelijkwaardige partners: het Rijk en
de gemeente. Beide moeten ook
precies weten waar zij aan toe zijn.
Onzes inziens zal een heel helder
beleid het draagvlak in de samenle-
ving in ieder geval ten goede komen.
Een waterscheiding is alleen maar
mogelijk als het op lokaal niveau
werkt en op het niveau van de
rijksoverheid, waar het voortraject
loopt. In de afgelopen periode
hebben wij over deze waterscheiding
van gedachten gewisseld, alsmede
over het geheel nieuwe toelatings-
en opvangmodel met gescheiden
verantwoordelijkheden. Daarbij zijn
wij er eigenlijk altijd van uitgegaan
dat er in de toekomst nog OC’s
(opvangcentra) zijn, AZC’s en
voorkeurwoningen. De gemeentelijke
voorkeurwoningen zijn er nu
overigens niet meer. Wij zijn er dus
steeds van uitgegaan dat de hele
ROA zou verdwijnen. Dat is echter
niet het geval. Het lijkt mij dat er
door dit wetsvoorstel, mede gezien
de onduidelijkheden die er toch nog
in het centrale beleid zijn, in de
toekomst bij de gemeenten
problemen kunnen ontstaan.
De keuze van de regering is om de
ROA 1 januari 1996 te bee¨indigen.
Na die datum gaat er dus niemand
zonder status meer naar de ROA. Dat
klinkt positief en vooral erg
optimistisch. Nu, januari 1995, zitten
er namelijk nog steeds mensen in
ROA-woningen die op een nader
gehoor wachten. Verandert dat niet,
dan kan er niet echt gesproken
worden van een effectieve water-
scheiding van verantwoordelijkhe-
den. Er verblijven nu nog 8000
mensen onterecht in de ROA. Wij
hebben daarover regelmatig in de
Kamer gesproken. Welke garanties
zijn er dat dit echt verandert? Dit is
voor de gemeenten heel belangrijk.
In de toekomst worden de
gemeenten in dit verband eigenlijk
met drie problemen geconfronteerd.
Zij krijgen te maken met verschil-
lende benadering, verschillende
behandeling en verschillende
zorgtaken voor verschillende
groepen mensen. Een probleem doet zich voor bij de ROA: wanneer is die
precies afgelopen? Op papier staat
weliswaar dat er niemand meer
onder die regeling komt te vallen,
maar voor degenen die nu onder de
ROA vallen, is een aparte benadering
nodig. Een ander probleem is dat er
mensen zijn met een VVTV-status,
dus als het ware nog steeds
voorwaardelijk. Ter zake moet een
apart beleid gevoerd worden. Het
derde probleem is dat er echt
onduidelijkheid is over de
inburgeringscontracten, iets wat
straks ook op het bordje van de
gemeente komt, omdat het bij haar
zorgtaken hoort.
Er wordt nu dus in een vrij
onduidelijke situatie een wet
ingevoerd. Dat is het probleem van
mijn fractie. Het gaat hierbij namelijk
niet alleen om de huisvesting, maar
ook om het onderwijs en het werk.
Het is nog niet duidelijk wat er
precies in de inburgeringscontracten
komt te staan. In ieder geval zal het
iets te maken hebben met taalonder-
wijs. Als ik het goed heb begrepen,
zal het ook met werk te maken
hebben. Dit geldt ook voor de VVTV.
In een gesprek met een vertegen-
woordiger van de VNG is mij
gisteren overigens gebleken dat hij
er nog niet van op de hoogte was
dat het in de toekomst niet na drie
jaar, maar in het tweede jaar
verplicht werken is. Uit de discussie
over het verplicht werken herinner ik
mij dat er in dat opzicht nogal een
rol is weggelegd voor de overheid, in
dit geval de gemeente, inzake het
verschaffen van werk.
Kortom, het lijkt mij dat een goed
en zorgvuldig beleid op dit moment
door de gemeenten moeilijk te
voeren is. De ROA tot eind van dit
jaar, dan geen nieuwe toewijzing
meer, de inburgeringscontracten die
nog komen en de financie¨n die
onduidelijk zijn. Wij gaan akkoord
met het principe van het wetsvoor-
stel, maar als wij een echte
waterscheiding willen, moeten wij
die ook invoeren op het moment dat
het mogelijk is en waarop een en
ander wordt geregeld. Dan moet er
echt zicht op zijn dat in de ROA geen
mensen meer zitten die daarin
misschien nog een jaar moeten
wachten tot zij duidelijkheid krijgen
of zij een status hebben. Dan moet
ook duidelijk zijn of de centrale
opvang voldoende is, zodat de
gemeenten niet weer met een en
ander worden geconfronteerd.
Daartoe heb ik ook een amendement
ingediend, eigenlijk om druk te
leggen op beide partners, om de
gemeentelijke overheden te laten
zien dat het ernst is en dat er een
wettelijke maatregel komt, maar ook
om het Rijk te verplichten dit voor 1
januari duidelijk te krijgen en om de
wet eigenlijk pas een paar maanden
later in werking te laten treden. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2763" anker="236" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">

De afspraken met de VNG over de
25.000 lopen tot 1 juli. U wilt de wet
laten ingaan op 1 januari 1996 en
pas per 1 april de feitelijke uitvoe-
ring. Dan heeft u driekwart jaar geen
enkele invulling van de taakstelling
voor gemeenten. Is dat ook de
bedoeling van het amendement? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2763" anker="237" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Nee,
de bedoeling is om de verplichting
naar twee kanten te laten werken.
Wetend dat er vanaf 1 januari een
aantal zaken nog geregeld moeten
worden, vind ik dat er nog zoveel
onduidelijkheden zijn. Stel dat u in
een gemeenteraad zit. Welke zorg
heeft u dan straks, welke zorg moet
u precies geven aan mensen die
worden opgevangen? Dat is volstrekt
onduidelijk. U weet niet hoe het zit
met de inburgeringscontracten. U
weet niet hoe het zit met de ROA. U
kunt daar geen beleid op afstemmen.
Dan zou ik die wet willen vaststellen.
Je weet gewoon dat je je eraan moet
houden. De ROA en andere dingen
gaan gewoon door. En ga dan
zorgvuldig in overleg met elkaar,
zodat de voorbereidingen er zijn. Een
en ander gaat dan straks pas echt
van start. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2763" anker="238" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">

Wat doet u dan in die driekwart jaar
met mensen die in de ROA zitten, die
in opvangcentra zitten? Daar hoopt
het zich op. Niemand kan eruit,
omdat er geen overeenkomst is met
de VNG en omdat de wet nog niet in
werking is. Dan heeft u toch een
probleem. En dat is misschien nog
wel groter dan wanneer het wel zou
lukken om inburgeringscontracten te
regelen voor de feitelijke uitvoering
en daarover overeenstemming te
bereiken met de VNG. Ik heb nog
steeds de hoop dat dit lukt en ik ga
er ook van uit dat dit lukt. Ik vind dat
u dan wel heel ver gaat door de
feitelijke doorstroming naar
gemeenten voor driekwart jaar op
non-actief te zetten. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2764" anker="239" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Nee,
ik vind dat wij tot die tijd gewoon
kunnen doorgaan, ook financieel,
met het beleid dat op dit moment
wordt gevoerd. Het knelpunt zit naar
mijn gevoelen eerder in het
voortraject dan in hetgeen daarna
komt. Er wordt steeds gezegd dat het
’’en/en/en’’ is. Als de gemeenten
moeten doorgaan met de huisvesting
binnen de ROA, hebben zij dus die
woningen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2764" anker="240" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">
 Ik
bedoel dus de reguliere huisvesting
van mensen die een verblijfstitel
hebben, die uitgeplaatst worden uit
de centrale opvang. Die moeten in
een gemeente terecht. Daarvoor zijn
de afspraken met de VNG gemaakt.
Daarvoor is de taakstelling. Die is
gewijzigd, die is nota bene vermin-
derd. Iedereen rekent erop dat tot 1
juli aan die norm van 25.000 moet
worden voldaan. Vervolgens komt er
driekwart jaar waarin er geen
afspraak is met de VNG. Er zou dus
een nieuwe taakstelling afgesproken
moeten worden voor de tussenlig-
gende driekwart jaar. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2764" anker="241" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Ja. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2764" anker="242" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">

Ga daar maar aan staan. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2764" anker="243" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Ik
ben daar optimistischer over dan u,
mevrouw Versnel.
Over de financie¨n is al eerder
gesproken. Bij een aantal zaken is
het gewoon een kwestie van een
ordinaire bezuiniging. Het bedrag
voor inrichtingskosten voor mensen
die helemaal niets hebben, lijkt mij
echt te laag. Ik hoop ook dat de
regering daarop wil terugkomen en
daarvoor meer middelen beschikbaar
wil stellen.
De bezuiniging op de toelage voor
jongeren tot 18 jaar lijkt mij echt
onverantwoord. Je kunt niet zeggen
dat jongeren minder geld gaan
kosten. Ik hoop dat de regering
hieraan een andere invulling wil
geven.
De rol van de provincies die nu
voorgesteld wordt, lijkt onze fractie
goed. De mogelijkheid van een
verzoek van een gemeente, zoals in
een amendement wordt beoogd, lijkt
mij ook goed. Er wordt nu geregeld
dat provincies kunnen ’’ingrijpen’’
waar het huisvestingsbeleid in de
knel komt. Rotterdam heeft er
aandacht voor gevraagd dat daar een
stadsprovincie komt. Omdat datgene
wat wij van de gemeenten en de
provincies vragen meer betreft dan
huisvesting, kan ik mij voorstellen
dat men daar in het kader van een
breder integratiebeleid zal zeggen
dat de problemen niet zozeer in de
huisvesting als wel op andere
terreinen liggen. Men wil immers
integratie en niet segregatie
bevorderen. Zal hieraan speciale
aandacht gegeven worden bij de lex
specialis die er aankomt?
Als reactie op het voorstel van de
vereniging VluchtelingenWerk
Nederland om een en ander te
vereenvoudigen en de centrale
opvang tot vier maanden te
beperken, lees ik op pagina 4 van de
nota naar aanleiding van het verslag
dat dit niet is overwogen, omdat het
een aanzuigende werking heeft. Ik
word daar langzamerhand allergisch
van en vraag mij af of er nog iets is
wat geen aanzuigende werking kan
hebben.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2764">

 
<spreker pagina="40-2764" anker="244" partij="SGP" naam="Van den Berg">

Mijnheer de voorzitter! Het is goed
dat wij vandaag deze twee wetsvoor-
stellen, die zo nauw met elkaar
samenhangen, gezamenlijk behande-
len. Dit wil niet zeggen dat de fractie
van de SGP in alle opzichten
gelukkig is met beide wetsvoorstel-
len.
Ik wil in de eerste plaats iets
zeggen over de noodzaak van
wetgeving. Over de gemeentelijke
zorg in brede zin voor houders van
een voorwaardelijke vergunning tot
verblijf kan ik in het algemeen
zeggen dat wij het tot stand brengen
van een afzonderlijke wet positief
beoordelen. Mijn twijfel ligt bij de
noodzaak van afzonderlijke regelge-
ving voor de huisvesting.
Wij beseffen dat de wijziging van
de Huisvestingswet voortvloeit uit de
wens van de regering, de met de
gemeenten afgesproken taakstellin-
gen een formeler karakter te geven.
Wij onderstrepen dat de gemeenten
op grond van de verdeling van
verantwoordelijkheden op het terrein
van de volkshuisvesting en de
ruimtelijke ordening, in het kader van
de Huisvestingswet en andere
wetgeving, de primaire verantwoor-
delijkheid hebben voor toewijzing
van woonruimte. Hoewel dit
uitgangspunt met de onderhavige
wijziging formeel niet wordt verlaten,
roept het bij ons vragen op over de
noodzaak van aanvullende wetge-
ving. Er is regelmatig bestuurlijk
overleg met de VNG en het IPO,
problemen uit de aanloopfase lijken
te zijn overwonnen en er is een
heldere toedeling van verantwoorde-
lijkheden tussen Rijk, provincies en
gemeenten. Voor ons blijft het dan
de vraag of er nog behoefte is aan
specifieke wettelijke regelingen op
het terrein van de huisvesting van
verblijfsgerechtigden. Hiervoor moet
een duidelijke rechtvaardiging zijn.
Beoordeeld moet worden of het
bestaande wettelijke instrumenta-
rium al dan niet toereikend is. Wij
vragen de regering, nader hierop in
te gaan, want de schriftelijke
voorbereiding heeft ons op dit punt
niet volstrekt overtuigd.
Voor de inhoud van de wetgeving
begin ik bij de huisvesting. Het
cruciale punt voor onze fractie is de
wijze waarop de taakstelling van de
gemeenten wordt vastgesteld. Dit
gaat via een rekenkundige formule.
In de nota naar aanleiding van het
verslag wordt weliswaar opgemerkt
dat zo’n formule veelal niet bij de
regionale omstandigheden aansluit
en dat er in de praktijk misschien
andere taakstellingen kunnen worden
vastgesteld, maar dit laat onverlet
dat de formule niet wordt genuan-
ceerd en dat ook niet wordt
aangegeven dat van toepassing
ervan kan worden afgeweken. Voor
onze fractie zit de kern van het
probleem dat wij hiermee hebben,
erin dat hantering van een wiskun-
dige formule niet of onvoldoende
rekening houdt met de specifieke
woningmarktsituatie van een
gemeente. Laat ik dit concretiseren.
Voor sommige delen van het land
geldt een restrictief ruimtelijk beleid,
bijvoorbeeld in het Groene Hart en
op de Veluwe. De heer Gabor wees
er in zijn betoog ook op. Gemeenten
worden in die situatie soms stringent
beperkt in hun woningbouw-
mogelijkheden en kunnen vaak zelfs
niet voorzien in de huisvesting van
de eigen bevolking als gevolg van
autonome groei. De spanning op de
lokale of regionale woningmarkt
wordt alleen maar groter door de
gemeenten te confronteren met een
taakstelling voor de huisvesting van
verblijfsgerechtigden. Het kan toch
niet de bedoeling zijn dat lokale
woningzoekenden jarenlang op een
wachtlijst staan en blijven staan voor
een woning, terwijl verblijfs-
gerechtigden bij voorrang worden
behandeld? En dat waar misschien
elders in het land sprake is van
leegstand en waar dus ruimschoots
aan de taakstelling zou kunnen
worden voldaan.
Ik moet toch zeggen dat strak
vasthouden aan de formule
genoemd in artikel 60b, tweede lid,
naar ons oordeel het gevaar oproept
dat het noodzakelijk maatschappelijk
draagvlak voor een rechtvaardig en
humaan toelatingsbeleid voor
vreemdelingen, wat wij steunen,
onmiskenbaar zal worden aangetast.
In dit verband wijs ik erop dat de
psychologie van het beleid ook veel
aandacht verdient, meer dan de
regering nu vaak weet op te
brengen. Hier weegt dat heel zwaar.
Ik heb daar vanochtend in ander
verband ook al op gewezen, in een
andere discussie over het
vreemdelingenbeleid, met name ten
aanzien van de illegalen. Ik ben goed
op de hoogte van de problemen die
op dit punt spelen, vooral ook op de
Veluwe, waar ik zelf woonachtig ben.
Wat onze fractie betreft zou er een
soort hardheidsclausule in de wet
moeten worden opgenomen, waarbij
de staatssecretaris (formeel
gesproken de minister) de mogelijk-
heid heeft om in bepaalde gevallen
op grond van ruimtelijke overwegin-
gen een gemeente of een regio
geheel of gedeeltelijk vrijstelling te
verlenen van het voldoen aan de
taakstelling.
Een andere mogelijkheid, die ook
door de heer Gabor is geopperd, is
dat de omvang van de taakstelling
wordt gekoppeld aan het aantal
nieuw beschikbare woningen in de
sociale sector, met tot een bepaald
percentage een verplichting. Een en
ander heeft uiteraard als consequen-
tie dat de taakstelling voor andere
gemeenten of regio’s met een
bepaalde marge moet kunnen
worden verhoogd om de totale
behoefte te blijven dekken. Maar dat
kan dan ook in gebieden waar de
woningmarkt veel ruimer is. Ik wil
graag een reactie van de regering op
deze suggesties vernemen.
Ik voeg hier nog het volgende aan
toe. Mocht het zo blijven dat een
gemeente moet voldoen aan de
berekende taakstellingen, ondanks
bepaalde lokale, ruimtelijke
omstandigheden, dan vind ik dat
deze gemeente ook moet worden
gecompenseerd voor de eigen
behoefte. Het mag dus niet
voorkomen dat eigen woningzoeken-
den in een bepaalde regio niet aan
de beurt komen, of jarenlang op
wachtlijsten staan. Dat is slecht voor
het draagvlak van het beleid. Als er
dan meer behoefte is aan woning-
bouw ten behoeve van allochtonen,
dan ook extra ruimte voor de
autochtonen. Ik heb daar meermalen
met staatssecretaris Heerma over
gediscussieerd, die zich op dat punt
in die zin wel gewillig heeft betoond,
dat hij het ook met de provincies
wilde bespreken. Ik verneem graag
hoe staatssecretaris Tommel hierover
denkt. Ik hoor graag van hem of hij
het probleem onderkent en of ook hij
bereid is daarover met ons mee te
denken.
In beide wetsvoorstellen wordt
een nieuwe rol aan de provincie
toegekend, als het ware een soort
toezichts- en coo¨rdinatierol. Op
zichzelf zijn wij hierover positief. Het
sluit aan bij de taken die de provincie
op ruimtelijk en volkshuisvestingster-
rein al heeft.
Maar wij zijn niet volstrekt
tevreden over de wijze waarop aan
gedeputeerde staten de bevoegdheid
wordt toegekend, de taakstelling van
gemeenten ongevraagd te wijzigen.
In de nota naar aanleiding van het
verslag is gesteld dat gedeputeerde
staten dat niet zullen doen, dan na
overleg met of op initiatief van de
desbetreffende gemeente. Als dat
inderdaad de bedoeling is, kan het
maar beter ook zo in de wetgeving
worden neergelegd. Het zou niet juist
zijn als de provincie eigenmachtig
taakstellingen gaat wijzigen. Wij
vinden artikel 60c respectievelijk
artikel 3 op dit punt wat te rigide
geformuleerd. Het is goed dat een
verzoek tot wijziging van de
taakstelling uitgaat van een of meer
gemeenten. Er liggen al een aantal
amendementen op dat punt. Ik wacht
de reactie van de staatssecretaris op
de amendementen van deze
strekking af.
Ook op het punt van de kwartaal-
systematiek zijn al amendementen
ingediend. Daarom kan ik daarover
nu kort zijn. Ik wijs erop dat
eventuele nieuwe wettelijke regels in
de praktijk ook goed hanteerbaar en
uitvoerbaar moeten zijn. Wij
betwijfelen of de termijn van een
kwartaal bijdraagt aan een efficie¨nte
uitvoering van de regelgeving.
Ik erken het gevaar dat oprekken
van de termijn bepaalde gegevens
minder betrouwbaar zou maken.
Anderzijds moet het met de huidige
manier van informatievoorziening
toch mogelijk zijn om een betere
aansluiting te maken op gangbare
planningstermijnen. Ik denk dan ook
aan een termijn van minstens zes
maanden. Wij steunen dus amende-
menten in die richting.
Voorzitter! De beroepsprocedure is
inmiddels bij nota van wijziging weer
gewijzigd. Wij hebben daar geen
bezwaar tegen, want wij hadden toch
al twijfels over de oorspronkelijke
voorstellen. Ik wil vervolgens nog
iets opmerken over de rapportage-
plicht. Natuurlijk moeten de nieuwe
wettelijke regels zorgvuldig worden
uitgevoerd. Daarbij hoort, gezien de
aard van de materie, een bepaalde
rapportage over de voortgang. Wij
willen er ook in dit verband op
wijzen dat moet worden voorkomen
dat gemeenten, waarvan toch al een
extra beleidsinspanning wordt
gevraagd, worden opgezadeld met
overtollige administratieve romp-
slomp. Een rapportageplicht moet
dan ook tot het strikt noodzakelijke
beperkt blijven en kan zeker eens per
halfjaar plaatsvinden.
Wij zijn niet gelukkig met het
toekennen van rechtstreekse
bevoegdheden aan een regionaal
openbaar lichaam. Dat is een
algemeen discussiepunt dat ook in
andere verbanden al eens aan de
orde is geweest. In onze opvatting is
ook het regionaal openbaar lichaam
in feite een gemeenschappelijke
regeling en derhalve een bijzondere
vorm van verlengd lokaal bestuur.
Dat moet ook zo blijven. Wij zijn dus
niet gelukkig met het toekennen,
rechtstreeks bij wet, van bevoegdhe-
den aan het regionaal openbaar
lichaam. Dat is in feite toch weer de
bekende kop-constructie. Wij zouden
graag beargumenteerd willen
vernemen waarom dat in dit geval
wel zou moeten.
Voorzitter! Ik kom te spreken over
het andere wetsvoorstel, met name
de gemeentelijke zorg voor degenen
die een voorwaardelijke vergunning
tot verblijf hebben. Ik heb al gezegd
dat ik een afzonderlijke regeling op
dit punt toejuich. Het voorzien in
huisvesting en sociale zorg in brede
zin moet adequaat worden geregeld.
Wij hebben echter twijfels op het
punt van het voorgestane integratie-
model. Is het niet zo dat er in het
geval van de categorie VVTV’ers
sprake is van een voorwaardelijke
vergunning tot verblijf? Dat zegt de
naam immers al. Waarom is die
vergunning voorwaardelijk? De
mogelijkheid is er dat men na een
zekere termijn terugkeert naar het
eigen land. Een en ander is gericht
op terugkeer naar het land van
herkomst. Je moet er niet bij
voorbaat van uitgaan dat deze
gehele categorie hier altijd zal
blijven. Onze vraag aan met name de
minister van Binnenlandse Zaken, die
de integratie van dit beleidsterrein
behartigt, is of het werken aan
integratie in de Nederlandse
samenleving in die fase niet teveel is
gericht op een definitief verblijf in
Nederland. Dat kan in het geval van
deze categorie niet de bedoeling zijn.
Ik wil een vraag stellen die hiermee
verband houdt. Daarmee kom ik
terug bij de huisvesting. Moet de
categorie van VVTV’ers altijd
gehuisvest worden in woningen van
het normale bestand? In de stukken
wordt daarvan uitgegaan. Mijn vraag is dan: waarom? Zijn voor deze
categorie vormen van gezamenlijke
huisvesting of tijdelijke woningen,
zoals wisselwoningen, uitgesloten? Ik
neem aan dat dit niet impliciet de
bedoeling is. Zelfstandige huisves-
ting veronderstelt de mogelijkheid
tot zelfstandig maatschappelijk
functioneren. Ik heb al gewezen op
de problematiek van de integratie.
Deze categorie is niet bij voorbaat
ertoe bestemd om altijd in Nederland
te blijven. Daarmee kan bij
huisvestings- en integratieprocessen
toch rekening worden gehouden.
In dit verband wijs ik ook op het
probleem rond de arbeid. Ter
vergelijking wijs ik op de problemen
rond de centra voor asielzoekers.
Daar ontstaan vaak problemen
omdat mensen veroordeeld zijn tot
niets doen. Maar de problematiek
van de asielzoekers is natuurlijk
vandaag in engere zin niet direct aan
de orde. Reguliere arbeid is in die
fase niet toegestaan. Toch vind ik dat
moet worden overwogen of in de
sfeer van publieke nuttige werkzaam-
heden, in de sfeer van de werkvoor-
ziening of anderszins wellicht
projecten te bedenken zijn. Dan
kunnen deze mensen zinvol worden
beziggehouden. Een andere vraag is
wat er, wanneer de periode van drie
jaar VVTV-status is verstreken, uit
een oogpunt van huisvesting
gebeurt. Moeten VVTV’ers dan
verhuizen naar een woning die
gereserveerd is voor verblijfs-
gerechtigden? Met andere woorden,
zijn dat twee volstrekt gescheiden
marktsegmenten? Hoe zit dat
precies? Dat is ons niet helemaal
duidelijk geworden.
Tot slot kom ik bij de financie¨n.
Een belangrijk knelpunt in de Wet
gemeentelijke zorg voor houders van
een voorwaardelijke vergunning tot
verblijf is de financiering. Weliswaar
is in principe aansluiting gezocht bij
de ROA-regeling, maar toch is er
sprake van een andere financie¨le
uitkomst. Dat is ons ook uit
gemeentelijke kring gemeld. Met
name het achterwege laten van een
vergoeding voor leegstand en
inrichtingskosten voor gemeenten
kan leiden tot behoorlijke financie¨le
gevolgen. Het niet vergoeden van
leegstand kan ik nog enigszins
billijken, maar ik zie niet in op welke
manier inrichtingskosten uit het
beschikbare budget kunnen worden
voldaan. Dat zullen de gemeenten
zelf moeten bijpassen. Ik heb van
gemeenten een berekening gezien
dat per woning zeker ƒ 640 voor
inrichtingskosten uit eigen middelen
moet worden bijgefinancierd. Wat
dat betreft vond ik ook de reactie in
de nota naar aanleiding van het
verslag op de brief van de VNG van
22 november 1994 aan de magere
kant. Wij willen dat graag meer
onderbouwd zien. Ik zeg niet direct
dat de vergoedingen gelijk zouden
moeten zijn aan die in de ROA-
regeling. Ik merk ook op dat juist
voor de categorie van VVTV’ers een
sobere uitvoering van voorzieningen
acceptabel is, gezien de beperkte
periode. Toch moeten de gemeenten
hier ook bij sobere voorzieningen
niet aan te kort komen. Is het
trouwens de bedoeling dat bij de
komst van nieuwe bewoners in een
bestaande woning die voor deze
categorie beschikbaar wordt gesteld
weer wordt gezorgd voor een
volledig nieuwe inrichting? Ik heb
begrepen dat dit in de praktijk nogal
eens gebeurt. Dat lijkt mij toch niet
te stroken met de hier passende
soberheid. Het lijkt mij ook niet echt
nodig. Wat kan het Rijk daaraan
doen?
Wat is overigens het geraamde
macrobudget van de regeling in
totaliteit? Wat betekent in dit
verband de recente informatie dat de
aantallen asielzoekers, die op een
gegeven moment toch doorstromen,
althans een deel ervan, misschien
minder hoog zijn dan tot voor kort
werd verwacht? Hoe werkt dat
precies door, al of niet in positieve
zin, in de middelen voor deze
regeling en het budgettaire beslag?
Voorzitter! Zoals u uit mijn
bijdrage hebt kunnen afleiden, geef
ik nu nog geen eindoordeel over de
voorliggende wetsvoorstellen. Veel
zal afhangen van de beantwoording
van onze vragen door de regering. Er
liggen ook nog amendementen. Wij
zien de beantwoording met grote
belangstelling tegemoet.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2766">

 
<spreker pagina="40-2766" anker="245" partij="VVD" naam="Verbugt">
 Voorzitter!
Ik zal mij beperken tot het wetsvoor-
stel Wijziging Huisvestingswet. Mijn
collega Kamp zal vervolgens de Wet
gemeentelijke zorg voor houders van
een VVTV bespreken.
De huisvesting van verblijfs-
gerechtigden blijft een maatschappe-
lijk vraagstuk, hoewel er de laatste
tijd grote inspanningen zijn verricht
en ook resultaten zijn geboekt.
Gezien de politieke instabiliteit in
veel delen van de wereld zullen wij
ook in de komende jaren in
internationaal verband onze
verantwoordelijkheid moeten nemen
voor mensen die in hun eigen land
vervolgd worden. Mijn fractie ziet
daarom de noodzaak van gericht
beleid om in de huisvesting te
voorzien van diegenen die volgens
de wet als erkend vluchteling zijn
toegelaten of om redenen van
humanitaire aard worden opgeno-
men. Dat beleid zal in onze ogen
waarborgen moeten bieden voor een
structurele en effectieve aanpak
zonder dat daarbij het maatschappe-
lijk draagvlak wordt aangetast. Een
dergelijke aanpak kan daarom in
onze ogen niet zonder een heldere
verantwoordelijkheidsverdeling
waarbij ook rechten en plichten
worden vastgelegd, niet alleen wat
de rol van de overheid betreft, maar
ook wat de verblijfsgerechtigden
betreft. Ik kom daar later op terug.
De eerste vraag die wij ons
hebben gesteld is of de huidige
Huisvestingswet voldoende
instrumenten biedt om de huisves-
ting van houders van een A-status of
een VTV structureel in te bedden in
het normale woningtoewijzingsbeleid
van gemeenten. Over die vraag heeft
de Kamer in het voortraject al
uitvoerig van gedachten gewisseld
met het kabinet. Wij zijn het met het
kabinet eens dat de aard van het
probleem vraagt om een meerjarige
en heldere vastlegging van verant-
woordelijkheden en procedures.
Daarbij moet uitgegaan kunnen
worden van een gestroomlijnd
proces en moeten stagnaties met
incidentele aanjaag- en inhaalacties
vermeden worden. Wat de uitvoerig
van de voorgestelde wetswijzigingen
betreft, zien wij nog een aantal
struikelblokken op het pad liggen die
wij in de loop van het debat graag
uit de weg willen ruimen.
Mijn fractie wil niet voorbijgaan
aan de gevolgen van de wetswijzi-
ging voor gemeenten die nu reeds
problemen hebben met de capaciteit
van hun woningvoorraad. Het
werken met een uitsluitend
algemene verdeelsleutel door het
Rijk gaat in principe voorbij aan een
op de lokale situatie toegesneden
taakverdeling. Het is daarom ook
goed dat het wetsvoorstel voorziet in
de mogelijkheid om via een
provinciaal besluit te komen tot een
regionale herverdeling van de
taakstelling die beter is afgestemd op
de regionale c.q. lokale woningmarkt.
Mijn fractie kan zich daarom ook
vinden in een taak voor de provin-
cies om tot gerichte oplossingen te
komen, wanneer zich bij bepaalde
gemeenten knelpunten dreigen voor
te doen. Daarbij past een provinciale
bevoegdheid om knopen door te
hakken en toezicht uit te oefenen op
de taakuitoefening van gemeenten.
Tot zover vinden wij dat de provin-
cies een prima taak kunnen
vervullen. Mijn fractie heeft echter
twijfels over de wenselijkheid van
verder reikende provinciale
bevoegdheden op dit punt. Zo
plaatst mijn fractie vraagtekens bij
een bevoegdheid van GS om zelf
initie¨rend op te treden bij het
herverdelen van taken. Met een
dergelijke rol voor de provincies
wordt naar onze inzichten afbreuk
gedaan aan het voordeel van een
eenvoudige formule. Het vertroebelt
de in principe heldere taakverdeling
tussen Rijk en gemeenten. Daarom
hebben wij het amendement van
mevrouw Versnel medeondertekend
waarin de bevoegdheden van de
provincies zodanig worden ingeka-
derd, dat de provincies hun
ondersteunende rol kunnen
vervullen, passend in de huidige
verhoudingen in de volkshuisvesting
en ruimtelijke ordening, zonder dat
daarbij sprake is van een vertroebe-
ling van de door het wetsvoorstel
beoogde taakverdeling.
Verder vinden wij dat de gemeen-
ten bij de invulling van hun
taakstelling een zo groot mogelijke
beleidsvrijheid moeten krijgen om
aan hun verplichtingen te kunnen
voldoen. Wij hechten eraan dat
gemeenten zo creatief en verant-
woord mogelijk kunnen omspringen
met de mogelijkheden die de lokale
woningvoorraad biedt. Alleen zo kan
voorkomen worden dat op de
woningmarkt verdringing van andere
groepen in de samenleving optreedt.
In dit verband vindt mijn fractie de
stimuleringsregeling wisselwoningen
ook na de onderhavige wijziging van
de Huisvestingswet van belang. Wij
zouden het betreuren indien deze
extra mogelijkheid binnenkort
afgesloten zou worden. Hoe denkt
het kabinet hierover?
Voor alleenstaanden zou kamerge-
wijze verhuur van woonruimte voor
ons in principe ook als passend
aangemeten kunnen worden. Uit de
memorie van antwoord hebben wij
begrepen dat het kabinet hier niet
afwijzend tegenover staat. Heeft het
kabinet zicht op de wijze waarop de
verhuurders, bijvoorbeeld de
woningcorporaties, hiermee willen
omgaan?
Ik wil ook de regio’s noemen ten
aanzien waarvan een restrictief
ruimtelijke-ordeningsbeleid wordt gevoerd: het Groene Hart, de
Veluwe, enz. Hoe stelt het kabinet
zich in deze gevallen voor dat
herschikking een oplossing kan
bieden? Wordt gedacht aan een
aanpassing van de taakstelling of
aan een verruiming van de planolo-
gische mogelijkheden?
Het wijzigingsvoorstel van de
Huisvestingswet voegt aan de
wettelijke basis ook een verplichte
termijn toe waarbinnen de gemeen-
ten de aan hen toegewezen
verblijfsgerechtigden moeten
huisvesten. Mijn fractie heeft al
eerder kenbaar gemaakt dat zij vreest
dat de voorgestelde korte
taakstellingstermijn zich in de
uitvoering te krap zal tonen. Bij het
zoeken naar een oplossing zullen wij
ons dan ook niet alleen moeten laten
leiden door wat wenselijk voor het
Rijk is, maar ook door wat uitvoer-
baar voor de gemeenten is. Wij
moeten ervoor waken dat door een
te korte voorbereidings- en
uitvoeringstijd de huisvestings- en
inburgeringsmogelijkheden die de
gemeenten kunnen bieden, worden
overschreden. Mijn fractie heeft
daarom het amendement van
mevrouw Van der Burg medeonder-
tekend. Een halfjaarlijkse taakstellings-
termijn biedt de gemeenten in
principe meer flexibiliteit dan een
kwartaalsystematiek.
De VVD-fractie is van mening dat
de huisvesting van verblijfs-
gerechtigden meer vraagt dan de
normale taken van een gemeente
met betrekking tot woningzoekenden
met een relatief laag inkomen, de
zogenaamde doelgroep. Huisvesting
van verblijfsgerechtigden vraagt ook
om een ondersteunend beleid gericht
op integratie in de samenleving. Wij
betreuren het dat het kabinet de
Kamer thans nog geen voorstellen
kan doen over het nieuwe integratie-
beleid waarmee het voorliggende
wetsvoorstel duidelijk raakvlakken
vertoont. Het een hangt zelfs met het
ander samen. Het kabinet mag in de
memorie van antwoord dan wel
verwijzen naar de bijdrageregeling
integratieprogramma’s verblijfs-
gerechtigden, maar deze regeling
geldt slechts tot 1 juli 1995. Op het
moment van de voorgestelde
wetswijziging is er dus nog weinig
zekerheid en dat betreuren wij.
De VVD-fractie hecht eraan dat
verblijfsgerechtigden die deel
uitmaken van de Nederlandse
samenleving ook in onze samenle-
ving integreren. Het stimuleren van
integratie door middel van een
inburgeringscontract met rechten en
plichten inzake het leren van de
Nederlandse taal, het volgen van
onderwijs en het actief deelnemen
aan het arbeidsproces verdienen
volgens ons alle aandacht in het
beleid. Waarom is het kabinet er niet
in geslaagd, te komen met een
integrale aanpak van de huisvesting,
opvang en inburgering? Wij hechten
eraan, zo snel mogelijk duidelijkheid
te krijgen over de aard en het niveau
van de voorzieningen die moeten
bijdragen aan de beoogde integratie,
alsmede over de hieraan te
verbinden rechten en plichten, die
zowel voor de overheid als voor de
groep van verblijfsgerechtigden
moeten gaan gelden. Mijn fractie
hecht eraan dat deze duidelijkheid
wordt geboden voor de inwerkingtre-
ding van de wetswijziging. Hoe denkt
het kabinet hierin te voorzien?
Afgezien van het feit dat het
wetsvoorstel gemeenten met weinig
opvangcapaciteit in de lokale
voorraad tegemoet kan komen door
middel van een gemeentelijke
herschikking van taken, geeft de
voorgestelde aanpassing van de
Huisvestingswet ons toch reden tot
zorg. Die zorg komt voort uit het
oplopend woningtekort, dat op dit
moment al op meer dan 200.000
woningen wordt becijferd.
Dit brengt mij tot de vraag, of het
kabinet niet van te veel optimisme
getuigt, als het stelt dat het oplopend
woningtekort slechts tijdelijk van
aard zal zijn en dat door een
aanpassing van het woningbouw-
programma de zaak wel wordt
rechtgetrokken. Wij weten dat
ondanks versterkte inspanningen het
woningtekort met name in en om de
Randstad hoog zal blijven. In de
memorie van toelichting wordt
verwezen naar de op handen zijnde
herziening van de PKB-Vinex, waarbij
de asielmigratie wordt meegewogen
in de bijstelling van de aantallen te
bouwen woningen. Nu heeft de
minister van VROM in haar brief van
12 januari laten weten dat de
actualisering van de PKB Nationaal
ruimtelijk beleid bij de Vinex
betrekking zal hebben op de periode
na 2005, met een doorkijk naar 2015.
Dit brengt mij tot de vraag, of deze
bijstelling niet te ver buiten het
bereik wordt gezocht. Graag een
reactie van de staatssecretaris.
De nieuwe, hogere woning-
behoeftecijfers plaatsen het tekort
aan bouwrijpe locaties nog meer op
de voorgrond. Ook het moeizaam
van de grond komen van het
Vinex-beleid maakt dat voor een
aantal regio’s een uiterste inzet
gevraagd zal worden om aan de
taakstelling te kunnen voldoen.
Voorzitter! Ik wil de begrotings-
behandeling van VROM niet
overdoen, maar ik wil alleen
aangeven dat mijn fractie groot
belang hecht aan een onderzoek naar
de gevolgen van de asielmigratie
voor de woningmarkt. In dit verband
zou ik graag van de staatssecretaris
vernemen, wat zijn beleids-
voornemens zijn met betrekking tot
het opzetten van een monitoringsys-
teem. Ik denk overigens ook dat het
ruimtelijke-ordeningsbeleid
aanpassingen zal moeten ondergaan.
Mijn fractie wil daar graag op korte
termijn op terugkomen bij de
bespreking van de zojuist genoemde
brief van de minister van VROM over
de toekomst van het Vinex-beleid.
Met de beoogde wetswijziging
behoeft het kabinet straks niet langer
via de weg van bestuurlijk overleg te
komen tot een taakstelling en het
verkrijgen van medewerking van de
gemeenten. De nieuwe wettelijke
regeling maakt dat er minder
maatschappelijke terugkoppeling
plaatsvindt. Daarom hecht mijn
fractie eraan, inzicht te krijgen in de
doeltreffendheid, waarmee deze
wetswijziging het huisvestings-
probleem voor de betreffende groep
verblijfsgerechtigden oplost, hoe de
doorstroming uit de asielcentra
verloopt en hoe een en ander
uitwerkt op de woningmarkt, en ook
uitwerkt op andere woningzoeken-
den. Mijn fractie stelt daarom een
evaluatie voor. De periode van vijf
jaar, die reeds in de Huisvestingswet
is voorzien, achten wij te lang. Wij
geven de voorkeur aan een evaluatie
over twee jaar zodat, indien nodig,
bijsturing kan plaatsvinden. Ik heb
daaromtrent een amendement
ingediend, dat is medeondertekend
door de PvdA en D66. Verder lijkt het
mij voor de hand liggend om bij de
evaluatie van de gewijzigde
Huisvestingswet tevens de
huisvestingscomponent van de
VVTV-regeling te betrekken. Hoe kijkt
de staatssecretaris hiertegen aan?
Afrondend wil ik nog even
stilstaan bij de
verantwoordelijkheidsverdeling
binnen het kabinet. De indiening van
het voorstel tot wijziging van de
Huisvestingswet heeft plaatsgevon-
den door de staatssecretaris van
VROM. Kan van de zijde van het
kabinet een nadere toelichting
worden gegeven op de
verantwoordelijkheidsverdeling
tussen VROM en BiZa als het gaat
om de huisvesting van enerzijds
verblijfsgerechtigden en anderzijds
VVTV’ers?
Tot slot wil ik nog even stilstaan
bij de invoering van de wetswijzi-
ging. Op dit moment lopen nog
afspraken op basis van het bestuurs-
akkoord. Mogen wij ermee rekenen
dat partijen hun afspraken tot 1 juli
kunnen nakomen, waarna in een
vloeiende lijn overgestapt kan
worden op de nieuwe regeling, of is
nog te rekenen met een overgangs-
fase, waarin oude en nieuwe taken
elkaar mogelijk overlappen? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2768" anker="246" partij="CDA" naam="Gabor">
 Ik heb
begrepen dat uw fractie oog heeft
voor de problematiek van gemeen-
ten, waar zich een haast niet uit te
voeren taak via het normale
verdeelmechanisme voordoet. U
vertrouwt op ingrijpen van de
provincie om dat probleem op te
lossen, wat op zichzelf nog allemaal
te volgen en te begrijpen is, en in
vele gevallen zal het ook zo werken.
Maar hoe lost u dat probleem in de
Randstad op? Want als we straks
drie stadsprovincies hebben, ziet de
restprovincie absoluut geen
mogelijkheid om dat soort vraagstuk-
ken in provinciaal verband op te
lossen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2768" anker="247" partij="VVD" naam="Verbugt">
 Er is in de
wet een regeling opgenomen met
betrekking tot de nieuwe vormen, die
wij hebben geregeld in de nieuwe
kaderwet. Verder zit het probleem in
en om de Randstad voor een
belangrijk deel in het al of niet
beschikbaar zijn van woningen en
woningbouwlocaties. Dat is iets, wat
we in een andere discussie bij VROM
al meermalen onder de aandacht
hebben gebracht, en wij zullen dat
ook blijven doen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2768" anker="248" partij="CDA" naam="Gabor">
 Mevrouw
Verbugt volgt die kwestie. Als zich
dus problemen voordoen, dan wil
mevrouw Verbugt er constructief aan
meewerken om die op te lossen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2768" anker="249" partij="VVD" naam="Verbugt">
 Wij
hebben de afgelopen jaren al
herhaalde malen aanzetten gegeven
om verandering aan te brengen in
situaties die tot tekorten voor
woningbouwmogelijkheden leiden. Ik
had toen heel graag steun van het
CDA gehad. Die kwestie stellen wij
dus niet voor het eerst aan de orde.
Wij volgen het al lang. Wij zullen in
ieder geval proberen om een
oplossing te bewerkstelligen via onze
inbreng. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2768" anker="250" partij="CDA" naam="Gabor">
 Misschien dat
mevrouw Verbugt mijn motie
daaromtrent kan steunen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2768" anker="251" partij="VVD" naam="Verbugt">
 Misschien
had de heer Gabor mijn moties
eerder kunnen steunen. Dan hadden
wij eerder kunnen beginnen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2768">

 
<spreker pagina="40-2768" anker="252" partij="VVD" naam="Kamp">
 Voorzitter! Het
uitgangspunt van het wetsvoorstel
Gemeentelijke zorg voor houders van
een voorwaardelijke vergunning tot
verblijf is de bekende waterschei-
ding. Het Rijk doet de opvang van
asielzoekers. De gemeenten doen de
huisvesting van en de zorg voor
verblijfsgerechtigden. Die categorie
verblijfsgerechtigden kunnen wij
weer in drie categoriee¨n opdelen: de
vluchtelingen, de mensen met een
vergunning tot verblijf en de mensen
met een voorwaardelijke vergunning
tot verblijf. Dit wetsvoorstel ziet juist
op die laatste groep. Dat is een heel
moeilijke groep, want een deel van
die mensen zal naar het eigen land
teruggaan – dat is althans voor hen
te hopen – en een deel zal hier
blijven. In het beleid voor de groep
mensen met een voorwaardelijke
vergunning tot verblijf moet met die
beide aspecten rekening worden
gehouden. Ik ben van mening dat het
model voor een fasegewijze
integratie dat de bewindslieden
hebben gekozen heel evenwichtig is.
Dat verdient de steun van de fractie
van de VVD.
De voorgestelde regeling om de
VVTV’ers te verdelen over de
gemeenten in Nederland naar rato
van het aantal inwoners is heel
eenvoudig en doorzichtig. Die
regeling, met de nuancering die
mevrouw Verbugt heeft aangebracht,
kan onze steun ook krijgen. Wij zijn
blij dat de bewindslieden erin zijn
geslaagd om over de hoofdlijn van
het gevoerde beleid met betrekking
tot de VVTV’ers overeenstemming te
bereiken met de gemeenten, via de
VNG. Ik ben daar met name blij om,
omdat de inhoudelijke verantwoor-
ding voor het opvangen van die
mensen, ook wat betreft de
huisvesting, bij de gemeenten is
gelegd.
Het is begrijpelijk dat de gemeen-
ten niet met alle details van de
uitwerking helemaal tevreden zijn.
De financie¨le vergoeding aan de
gemeenten voor volwassen VVTV’ers
bedraagt ƒ 1160 per maand en voor
VVTV’ers, jonger dan 18 jaar,
ƒ 270 per maand. Dat is een heel
lage vergoeding. Als de gemeenten
vervolgens een optelsom maken van
de kosten van de huisvesting
waarvoor moet worden gezorgd, gas,
water, elektriciteit, verwarming,
stoffering, meubilair, ziektekostenver-
zekering, WA-verzekering, persoon-
lijke uitgaven (ƒ 410 per maand voor
volwassenen en ƒ 125 voor kinderen)
en de buitengewone kosten die
moeten worden gemaakt en als ze
vervolgens ook nog eens denken aan
de kosten van de inzet van hun eigen
organisatie, dan ligt de conclusie
voor de hand dat deze kosten
moeilijk zijn af te dekken uit de
vergoeding van het Rijk. Toch bepleit
de VVD geen verhoging van die
bedragen van ƒ 1160 en ƒ 270 per
maand.
Wij hebben in december getracht
om goed in beeld te brengen wat
voor de Nederlandse samenleving
indirect en direct de totale kosten
zijn, drukkende op de rijksbegroting,
van de groep asielzoekers, waar de
VVTV’ers onderdeel van uitmaken.
Wij zijn toen uitgekomen op een
bedrag van 4,5 mld. Dat bedrag drukt
op de begroting voor 1995. Het loopt
jaarlijks op met 0,5 mld. tot 6 mld. in
1998. Wij hebben toen gezegd – wij
zeggen dat nu opnieuw – dat een
beperking van die kosten hard nodig
is. Dit voorstel kan ook aan een
beperking van die kosten bijdragen.
Dat houdt in de praktijk in dat de
gemeenten moeten uitgaan van het
bedrag dat het Rijk hen maandelijks
per VVTV’er, volwassene of kind, ter
beschikking stelt. Op basis daarvan
moeten zij proberen om zo goed
mogelijk voor de VVTV’ers te zorgen
als het gaat om de huisvesting en de
zorg. Omdat met name de directe en
indirecte kosten van huisvesting heel
erg hoog zullen worden als de
gemeenten uitgaan van woningen
voor de VVTV’ers met twee of drie
bewoners per woning, is het goed
dat in het voorstel uitdrukkelijk de
mogelijkheid gegeven wordt om in
plaats van woningen uit te gaan van
kamergewijze bewoning. Ik denk dat
het over de hele linie gedaan zal
moeten worden. Dan kan men
namelijk ook uitgaan van grotere
panden die al verdeeld zijn in kamers
of die verdeeld kunnen worden in
kamers. Gemeenten zullen gedwon-
gen worden om op dit punt heel
creatief naar sobere oplossingen te
zoeken.
Als ik praat over het verdelen in
kamers, is het duidelijk dat daar
investeringen voor nodig zijn. De
gemeenten die mogelijk voor zo’n
investeringsbeslissing staan, horen
van VluchtelingenWerk dat de groep
die het kabinet verwijst naar de
VVTV, zich de komende tijd niet of
nauwelijks zal aandienen. Er zullen
niet of nauwelijks VVTV’en gegeven
worden aan de groep mensen die
niet direct uitgezet kunnen worden
naar hun eigen land vanwege die
algemene situatie aldaar. Dan zullen
de gemeenten toch enigszins
terughoudend zijn bij het doen van
investeringen voor die groep,
waarvan er volgens het kabinet in
1995 maar liefst 10.000 door de
gemeenten zullen moeten worden
opgevangen. Het is goed als namens
het kabinet op dit punt duidelijkheid
zal worden gegeven, zodat wij
kunnen bekijken of de risico’s die de
gemeenten lopen, redelijk zijn.
Over het punt van de ziektekosten
het volgende. De gemeenten moeten
ervoor zorgen dat de VVTV’ers in het
ziekenfonds komen. De gemeenten
worden bovendien geacht, zo blijkt
uit de memorie van toelichting, om
voor de extra medische kosten, die
mogelijk gemaakt moeten worden
voor de VVTV’ers, een collectieve
verzekering af te sluiten. Het is dan
de vraag of de bijstandsgerechtigden
nog steeds in de juiste verhouding
staan tot de VVTV’ers. De bijstands-
gerechtigden moeten namelijk een
deel van de medische kosten zelf
dragen. Ik denk hierbij bijvoorbeeld
aan de kosten van tandartshulp. Is de
totale regeling voor de VVTV’ers
beter dan de regeling voor de
bijstandsgerechtigden of zien wij dat
verkeerd? Op dit punt krijgen wij
graag een nadere verduidelijking van
de bewindslieden. Met die nadere
verduidelijking en de vraag die ik
zojuist heb gesteld, kunnen wij al
met al als VVD concluderen dat het
wetsvoorstel een evenwichtige
regeling bevat die uitblinkt door
eenvoud. De regeling maakt een
sobere zorg mogelijk en verdient dus
ook in hoofdlijnen onze steun. Wat
de details betreft, hopen wij er
vandaag met de bewindslieden uit te
komen.
De vergadering wordt van 18.55 uur
tot 20.25 uur geschorst.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2769">

 
<spreker pagina="40-2769" anker="253" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">

Voorzitter! Ik zal van de twee
wetsvoorstellen dat over de
Huisvestingswet voor mijn rekening
nemen. De heer Dittrich zal het
wetsvoorstel over de gemeentelijke
zorg behandelen.
De regering ging er eerst van uit
dat het leggen van noodverbanden
door jaarlijkse afspraken met de
vertegenwoordigers van gemeenten
en provincies, vastgelegd in
circulaires, voldoende zou zijn. Nu is
het tijdstip gekomen om de opvang
en de inburgering van grote
aantallen ex-asielzoekers structureel
te regelen door middel van
wetgeving. Dat is de motivering van
de regering in de nota naar
aanleiding van het verslag. Het had
overigens niet misstaan als deze
redengeving om tot wetgeving over
te gaan duidelijk in de memorie van
toelichting had gestaan. Dan hadden
wij niet allemaal met dezelfde vragen
hoeven komen.
De fractie van D66 is het ermee
eens dat afspraken en circulaires
mooi zijn voor snelle oplossingen
van plotselinge problemen, maar niet
voor de lange duur. In dit geval gaat
het om een inspanning van alle
gemeenten en provincies en
evenzeer van allen die in deze
gemeenten en provincies wonen.
Laat daarover geen misverstand
bestaan. Het is daarom noodzakelijk
het bestaande draagvlak voor deze
voorgestelde maatregelen ten minste
te koesteren en liefst te bevorderen.
Ik kom later terug op het draagvlak.
Het voordeel van het inzetten van
de voorafgaande structuur van
overleg, afspraken en circulaires is
dat op grond van praktische
ervaringen een regeling kan worden
ontworpen die helder en uitvoerbaar
is. Zo was de regeling gebaseerd op
het aantal vrijkomende woningen
binnen de betaalbare sector in een
woningmarktgebied. De nu voorge-
stelde verdelingsformule gaat uit van de vaste verhouding: aantal
inwoners van een gemeente gedeeld
door het totaal aantal inwoners van
Nederland vermenigvuldigd met het
aantal te huisvesten ex-asielzoekers.
Daardoor kan geen misverstand over
de taakstelling ontstaan.
In de loop van de tijd is het belang
uitgekristalliseerd van een aantal
onderscheiden. Ik noem het
onderscheid tussen taken en
verantwoordelijkheden van het Rijk
enerzijds en van gemeenten en
provincies anderzijds en het
onderscheid in de huisvesting van
verblijfsgerechtigden en van mensen
met een voorwaardelijke vergunning
tot verblijf. De verdeelsystematiek
van beide categoriee¨n is echter weer
gelijk. Voorts zal de huisvesting van
asielzoekers die nog niet uit-
geprocedeerd zijn, in de zogenaamde
ROA-woningen worden bee¨indigd als
de oorspronkelijke taakstelling is
vervuld. Dat is de zogenoemde
waterscheiding, die nu is gesteld op
1 januari 1996.
Een dak boven het hoofd en de
plaats waar dat dak kan worden
gevonden, vormen de invalshoek van
beide wetsvoorstellen. Maar er is een
verschil tussen de status van dat dak,
evenzeer als er verschil is tussen de
status van beide categoriee¨n. De
kern van het onderscheid is dat de
verblijfsgerechtigden een zelfde
positie op de woningmarkt hebben
als alle ingezetenen in Nederland. Er
is dan sprake van een zelfstandig
huurcontract, waarbij alle rechten en
plichten van huurders van toepas-
sing zijn. Daarom ligt die regeling in
de Huisvestingswet voor de hand.
Het is natuurlijk het mooiste als er
meteen een passende woning
gevonden kan worden. Dat geeft de
beste kansen op snelle inburgering.
Maar het is ook aanvaardbaar dat
verblijfsgerechtigden vanuit tijdelijke
woonruimte op gelijke voet
meedingen op de woningmarkt,
waarbij vanzelfsprekend de aard van
hun tijdelijke onderdak een argument
is bij de toewijzing.
Dat brengt mij op het punt van de
wisselwoningen. Dat is hier eerder
ter sprake gekomen. Ik wil die
opmerking steunen. De verlenging is
er nu tot 1 juli. Hoe gaat het daarna?
Je kunt je daarbij twee modellen
voorstellen. Het ene model gaat
ervan uit dat het contingent dat
indertijd is gesteld, nog niet op is.
Dan is verlenging natuurlijk
eenvoudig. Maar het zou ook heel
goed kunnen dat het pakket
wisselwoningen nog een keer wordt
uitgebreid. Dat is natuurlijk ook
afhankelijk van de stromen die zich
zullen voordoen. Ik hoor daarover
graag enige uitleg van de regering.
Voorzitter! Voor degenen met een
voorwaardelijke verblijfsvergunning
geldt een andere situatie. Voor hen is
geen huisvestingsvergunning vereist
voor het in gebruik nemen van
woonruimte. Er is ook geen
zelfstandig huurcontract. Zij vallen
onder de zorgplicht van de
gemeente. In het verslag heeft de
fractie van D66 gesteld dat er naar
haar inzicht dus ook geen recht op
individuele huursubsidie zou kunnen
zijn. De regering heeft daar eigenlijk
niet op gereageerd. Daaruit zou je
kunnen afleiden dat onze vraagstel-
ling juist was. Maar ik vraag toch
maar even expliciet om een reactie,
aangezien de gemeente Utrecht bij
brief van 24 januari diezelfde vraag
opnieuw stelt. De duidelijkheid van
de regelingen kan niet groot genoeg
zijn. Dus als er geen recht is op
individuele huursubsidie in een
situatie van een VVTV’er, dan moet
dat duidelijk worden en ook duidelijk
meegedeeld worden. Iedereen is
gebaat bij helderheid daarover.
Ik kom te spreken over het
draagvlak. Het systeem van
verdelende rechtvaardigheid, zoals
de regering dat noemt, draagt mijns
inziens bij tot de instandhouding van
dat draagvlak. Immers, alle gemeen-
ten dragen hun steentje bij naar rato
van het aantal inwoners, ook als er
vanwege het restrictieve beleid maar
weinig of niet gebouwd kan worden.
Ook in die gemeenten komen
immers huizen vrij, waarvan een deel
ter beschikking kan komen van
verblijfsgerechtigden of van mensen
met een voorwaardelijke status.
Natuurlijk ligt het daar moeilijker,
vooral als er nauwelijks verhuisd
wordt. Dan komen er in feite
nauwelijks woningen vrij. Dat is dan
ook de reden dat de taakstelling
gewijzigd kan worden.
Voorzitter! Met het oog op de
bevordering van het gemeentelijke
draagvlak hebben de drie paarse
partijen een drietal amendementen
ingediend. Ik loop die na en begin
met een eerste punt.
Het wetsvoorstel geeft aan dat de
provincie het initiatief neemt tot
wijziging van de taakstelling. Dat
gebeurt uiteraard na overleg. Gezien
de primaire verantwoordelijkheid van
de gemeenten voor de huisvesting
lijkt het ons beter om dit initiatief bij
de gemeenten zelf te leggen. De
provincie beoordeelt dan dat initiatief
en zoekt oplossingen bij andere
gemeenten. Het kan ook zo zijn dat
er slechts een tijdelijk probleem is en
ook dan is de gemeente daar eerder
en beter van op de hoogte dan de
provincie. Bovendien loop je het
risico dat, als een provincie zelf met
een voorstel komt, de desbetreffende
gemeente dat wel wil, maar dat er
eigenlijk onvoldoende reden is
waardoor de andere gemeenten dat
weer niet accepteren. In zo’n situatie
moet de provincie als beoordelaar
van het eigen voorstel optreden. Dat
kunnen wij beter vermijden. Wij
hebben daartoe een amendement
ingediend met steun van de overige
paarse partijen.
Voorzitter! Ik vraag nog de
aandacht voor de mogelijke
toekomstige situatie van de
stadsprovincie Rotterdam, waar men
niet zozeer vanwege de huisvesting
maar juist vanwege de overige
activiteiten als inburgering, opleiding
en het vinden van werk, een
taakstelling voor het totale gebied
zou willen hebben, opdat van daaruit
de verdeling naar gemeenten zou
kunnen plaatshebben. Ik kan niet
helemaal beoordelen hoe verstandig
dat is. Als dat wel verstandig zou
zijn, dan is het misschien beter om
dat in de lex specialis te regelen. Ik
wil daar graag een reactie op horen.
Ik ben toe aan mijn tweede punt.
Om het draagvlak te kunnen
behouden en zo nodig te vergroten,
is het ook van het grootste belang
dat gemeenten het gevoel hebben
dat zij de taakstelling goed kunnen
verwerken. Daarom wordt er terecht
eerst een jaarlijkse raming aangege-
ven, waarvan de zekerheid met
opschuivende kwartalen groter
wordt. Dat gebeurt zodanig dat een
kwartaal voor de uitvoering de
raming voor dat kwartaal overgaat in
een prognose. Uit die prognose
wordt de taakstelling per gemeente
afgeleid. Het wetsvoorstel geeft aan
dat de uitvoering van die taakstelling
binnen een kwartaal gerealiseerd zal
moeten worden. Daar nu kunnen zich
problemen voordoen.
Normaal gesproken is de
beleidscyclus, dus de planning en
organisatie binnen een gemeente,
gericht op een jaarproduktie. De
regelgeving van het Rijk houdt daar
ook in het algemeen rekening mee.
Drie maanden van tevoren worden
de wijzigingen bekend bij de
gemeenten. Voor alle gemeenten,
vooral voor de kleinere gemeenten –
en daar hebben wij er 500 van – is
het moeilijk om een produktie binnen
het kwartaal altijd te kunnen halen.
Als wij dat vooraf al kunnen
voorzien, dan is het verstandig om
daar rekening mee te houden.
Daarom stellen wij voor om de
uitvoeringstermijn op een halfjaar te
stellen. Dat is volgens de VNG wel
uitvoerbaar. Dat is van belang, juist
om het draagvlak binnen de
gemeenten en binnen het uitvoe-
rende apparaat van de gemeenten in
stand te houden. Het meest
wezenlijke punt in het wetsvoorstel is
immers dat de vele actoren in dit
veld bijeen worden gebracht en
zodanig samenwerken dat opvang en
inburgering van asielzoekers die – na
een zorgvuldige beoordeling – een
vergunning tot verblijf hebben
gekregen, voor alle betrokkenen zo
soepel mogelijk verlopen, dus zowel
voor de nieuwkomers als voor de
ontvangers.
Het systeem van de prognose per
kwartaal kan dan in stand blijven. De
voorbereidingstijd blijft een kwartaal.
Alleen de uitvoering duurt een
halfjaar. De verschillende termijnen
zullen dan in een continu proces
dakpansgewijs over elkaar komen te
liggen. Daarbij komt dat in het
amendement-Van der Burg dat ik heb
medeondertekend de rapportage aan
de provincie na vier maanden
worden vereist, zodat niet alles op
het laatste moment zal aankomen.
Bovendien kan het COA, conform de
huidige praktijk, op elk moment de
stand van zaken in de gemeenten
inzien.
Een goed contact tussen COA en
gemeenten is trouwens van groot
belang, al was het maar om met de
informatie van VluchtelingenWerk
een juiste beoordeling te kunnen
geven van het soort mensen dat je
dicht bijeen brengt. In het bijzonder
moet vermeden worden politieke
tegenstanders bijeen te huisvesten.
Anders krijgen wij klein-Somalie¨ of
klein-Bosnie¨ binnen een gemeente.
Voorts moet men zich aan de
afspraken houden. Men moet niet
meer mensen willen plaatsen dan de
taakstelling aangeeft en ook niet
minder. Daartoe dient ook het
stroomlijnen van het uitplaatsings-
beleid uit de asielzoekerscentra, zoals
de minister van Binnenlandse Zaken
met de VNG heeft afgesproken.
Overigens zijn wij verheugd over
de bepaling in de nota van wijziging
dat blijkens artikel 60f het verslag
wordt uitgebracht aan gedeputeerde
staten met een afschrift aan de
minister van Binnenlandse Zaken. Zo
zitten de bestuurlijke verhoudingen
weer netjes in elkaar. Als de minister
van Binnenlandse Zaken dan als
postadres het COA neemt, hebben
wij daar geen bezwaar tegen.
Het bevalt ons zeer dat de
bureaucratie tot een minimum wordt
teruggebracht, doordat de rappor-
tage niet meer dan een pagina tekst
is. Ik houd de regering daaraan. En
met ’’een pagina’’ doel ik op een
A4’tje.
Voorzitter! De provincie als
boeman is nu wat soepeler en
bestuurlijker uitgedost in het
gewijzigde artikel 60e, doordat een
provincie bij nalatigheid van een
gemeente eerst overleg pleegt met
die gemeente en vervolgens een
termijn stelt alvorens zelf tot
uitvoering over te gaan.
Ik kom tot het derde punt. De
fractie van D66 heeft tevens een
amendement, ingediend door
mevrouw Verbugt, ondersteund om
binnen twee jaar na de inwerkingtre-
ding tot een evaluatie te komen. Dat
vinden wij zinvol, omdat de
doeltreffendheid van de regeling en
de effecten op de woningmarkt niet
geheel op voorhand zijn te voorzien.
Wij gaan ervan uit dat tegelijkertijd
met deze evaluatie het woondeel van
wetsvoorstel 23966, de Wet
gemeentelijke zorg voor houders van
een voorwaardelijke vergunning tot
verblijf, kan worden meegenomen,
juist omdat er sprake is van ’’het dak
boven het hoofd’’ en van een zelfde
verdeelsystematiek voor alle
gemeenten. Voor de overige
onderdelen van dat wetsvoorstel ligt
een evaluatie na vier jaar meer voor
de hand.
Ik heb nog een resterend
probleem. In artikel 60a, onder b,
wordt aangegeven dat het gaat om
verblijfsgerechtigden die verkeren in
opvangcentra of in gemeentelijke
opvangplaatsen. Op zichzelf is dat
een goede en sluitende aanduiding
voor diegenen, die onder de
taakstelling vallen. Wanneer echter
een eenmaal gehuisveste verblijfs-
gerechtigde naar een andere
gemeente wil verhuizen, bijvoorbeeld
omdat familieleden of vrienden daar
verblijven, vervalt zijn specifieke
positie, ook ten aanzien van de
inburgering. Is het niet veel logischer
als gemeenten de mogelijkheid
krijgen een verblijfsgerechtigde, op
zijn verzoek, uit gemeente A te laten
verhuizen naar gemeente B, na
goedkeuring van die gemeente, met
medeneming van zijn overige
rechten, waarbij dan de taakstelling
van gemeente B met een vermindert
en die van gemeente A met een
vermeerdert? Zouden daaraan
nadelen verbonden kunnen zijn? Ik
hoop dat men dit begrijpt. Het klinkt
ingewikkeld, maar het is heel simpel.
Een verblijfsgerechtigde wil uit
gemeente A verhuizen naar
gemeente B. Er zitten allerlei
inburgeringssituaties aan zijn status
en positie. Hij wil verhuizen naar
gemeente B omdat hij daar
familieleden of vrienden heeft. Dat
zou men moeten willen, want dat
helpt bij het zich prettig voelen in
een dergelijke toestand. Het
wetsvoorstel sluit in feite uit dat
betrokkene zijn status meeneemt
naar de gemeente B, want hij komt
niet meer direct uit een opvangcen-
trum. Dat is de voorwaarde. In die
situatie kan ik mij voorstellen dat
gemeente A, die dus een persoon
minder heeft, een taakstelling plus 1
krijgt en gemeente B een taakstelling
min 1.
Ik vraag de bewindslieden om
daarover duchtig na te denken en ter
zake zo mogelijk met een nota van
wijziging te komen.
Een min of meer vergelijkbare
situatie doet zich voor bij de zorgwet.
Ik wil graag dat de bewindslieden
ook hierop een reactie geven. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2772" anker="254" partij="VVD" naam="Verbugt">
 Hoe stelt
mevrouw Versnel zich de administra-
tieve afhandeling hiervan voor? Zij
geeft een voorbeeld, maar dat kan
zich straks massaal door heel
Nederland voordoen. Ik ben bang dat
de informatie dan niet meer op een
A4’tje past. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2772" anker="255" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">

Dat is inderdaad een praktisch
probleem. Daar moet altijd over
nagedacht worden. Maar ik heb toch
wel een praktische en ree¨le wens
verwoord. Wanneer twee gemeenten
ermee instemmen, neem ik aan dat
zoiets geregeld kan worden. Daar het
om mensen gaat, vind ik het toch
wel heel ernstig, als de administratie
het verbiedt. Ik weet ook niet of dit
verschijnsel zich massaal zal
voordoen, zoals mevrouw Verbugt
zegt. In ieder geval wil ik graag dat
de bewindslieden hierop ingaan.
Voorzitter! In de considerans van
dit wetsvoorstel wordt de minister
van Binnenlandse Zaken voor het
eerst uitdrukkelijk als coo¨rdinerend
minister genoemd. Dit is weliswaar
pas bij nota van wijziging gebeurd,
maar toch. Wij vinden deze
uitwerking van een onderdeel van
het regeerakkoord belangrijk. Wij
feliciteren de minister daar dan ook
mee.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2772">

 
<spreker pagina="40-2772" anker="256" partij="D66" naam="Dittrich">
 Voorzitter! Ik
richt mij op slechts vier aspecten van
de Wet gemeentelijke zorg voor
houders van een VVTV. Bijna alle
woordvoerders voor mij hebben min
of meer over dezelfde onderwerpen
gesproken. Ik ga in op de verant-
woordelijkheid bij de gemeenten,
ook voor de financie¨n, de huisves-
ting, de integratiemogelijkheden van
VVTV’ers en de evaluatie.
In de schriftelijke voorbereiding
heeft D66 al te kennen gegeven in
grote lijnen te kunnen instemmen
met dit wetsvoorstel. Wij onderschrij-
ven dat voor houders van een VVTV
een aparte wet gemaakt wordt.
Immers, hun positie is in Nederland
per definitie tijdelijk. Zij kunnen niet
van voorzieningen gebruik maken
zoals onder anderen houders van de
A-status en houders van een
verblijfsvergunning dat wel kunnen.
Kernpunt van het voorstel is dat
de verantwoordelijkheid voor de zorg
van VVTV’ers bij de gemeenten
komt. De minister zegt in de stukken
dat de wet de juridische kaders
aangeeft en dat de gemeenten die
verder kunnen invullen. Maar bestaat
dan niet het gevaar dat verschillende
gemeenten hun verantwoordelijkheid
verschillend invullen, waardoor er
voor individuele VVTV’ers, die
overigens in een gelijke positie
verkeren, rechtsongelijkheid kan
ontstaan? Dit is mogelijk ondanks het
feit dat persoonlijke uitgaven
landelijk genormeerd zijn. Hoewel dit
punt in de schriftelijke voorbereiding
al enigszins aan de orde is geweest,
wil ik graag dat de minister hierop
een nadere reactie geeft.
Overigens onderschrijft D66 dat de
bedragen niet al te gedifferentieerd
zijn en dat bijvoorbeeld in de
bijdrage voor een kind geen
onderscheid in leeftijd gemaakt
wordt. Dat komt een soepele
uitvoering van de regeling ten
goede. Ik wil graag dat de minister
ingaat op de vraag of die vastge-
stelde bedragen wel toereikend zijn.
Ik kom te spreken over de
vergoedingen van het Rijk aan de
gemeenten. De VNG en diverse
individuele gemeenten hebben ons
laten weten dat de vergoedingen
ingevolge het voorstel een enorme
aanslag op het gemeentelijk budget
zullen doen, omdat de bedragen
ontoereikend zullen zijn, zo is de
verwachting. Ons zijn ook allerlei
rekenvoorbeelden voorgehouden,
waarin de ROA is afgezet tegen het
voorstel. De gemeenten vrezen dat
de minimale en acceptabele opvang
en huisvesting van VVTV’ers in
sterke mate in het gedrang komt.
Wat is de opvatting van de minister
hierover? Graag een reactie.
Wat de rol van de provincie betreft
lijkt het D66 verstandiger dat ook in
deze wet in de tekst wordt opgeno-
men dat de provincie alleen op
verzoek van een of meer gemeenten
wijzigingen in de taakstellingen kan
aanbrengen. De provincie zou van
een dergelijke bevoegdheid niet
zelfstandig gebruik moeten maken.
Een amendement van deze strekking
is ingediend op stuk nr. 12. Het heeft
wel als kop ’’amendement van
mevrouw Versnel-Schmitz’’, maar
waarschijnlijk waarde haar geest nog
rond bij het Bureau wetgeving toen
het amendement moest worden
opgesteld. Het is een amendement
van de drie paarse partijen.
Wat de huisvesting betreft is het
voor een draagvlak echt nodig dat er
een goede doorstroming is uit de
asielzoekerscentra naar de gemeen-
ten en dat zonder horten en stoten,
dus zonder leegstaande woningen.
Vanuit de praktijk hebben mij
geluiden bereikt dat de huisvesting
van alleenstaande vreemdelingen
nogal eens voor problemen kan
zorgen bij gebreke aan passende
huisvesting. Ik heb vernomen dat
niet alle eengezinswoningen geschikt
zijn voor meer VVTV’ers en dat
sommige woningcorporaties uit
angst voor uitwoning minder
mensen in een woning plaatsen dan
er kamers zijn. Ik hoorde de heer
Kamp van de VVD hier ook over
spreken, zij het met een ietwat
andere gedachte erachter. Is dit
probleem ook bij de staatssecretaris
bekend en kunnen hiervoor
maatregelen worden genomen? Het
gaat dus om de problemen van de
alleenstaanden bij huisvesting.
Het COA zorgt voor plaatsing van
de VVTV’ers bij de gemeenten. Het
COA dient hierbij de aanwijzingen
van de minister van Binnenlandse
Zaken te volgen. Welke criteria
worden daarbij aangelegd? Houdt
het COA bijvoorbeeld ook rekening
met de kans op werk van een
VVTV’er bij het plaatsen in een
bepaalde gemeente? Houdt het COA
ook rekening met eerdere plaatsing
van gezinsleden? Ik acht het van
belang dat het COA rekening houdt
met die verblijfplaats van familie- of
gezinsleden, omdat het een VVTV’er
wel is toegestaan om gedurende de
driejaarsperiode van de zorg-
verlenende gemeente te verhuizen
naar een andere, maar het is nog
maar de vraag of de nieuwe
gemeente bereid is die zorg-
verplichting over te nemen,
aangezien de bewuste VVTV’er niet
tot de taakstelling van die gemeente
gerekend wordt. U heeft mijn collega
Versnel daar ook al het een en ander
over horen zeggen. Mocht het COA
niet met verhuisredenen zoals
familiehereniging of werk-
aanvaarding rekening kunnen
houden, is de minister dan bereid
om bij de VNG aan te dringen op
een overeenkomst tussen de
gemeenten dat in elk geval die
zorgverplichting makkelijk wordt
overgenomen? Omdat de stukken
hierover niet geheel duidelijk waren,
zou ik hierop graag een heldere
toelichting krijgen.
Wat de integratiemogelijkheden
betreft heeft mevrouw Van der Burg
van de PvdA-fractie al uiteengezet
dat een samenhangend beleid
bevorderlijk is voor de integratie.
Daar zijn wij het geheel mee eens.
Een belangrijk aspect van het beleid
ten aanzien van die VVTV’ers is dat
zij tijdens de driejaarsperiode aan
hun integratie kunnen werken door
onder andere arbeid te verrichten,
kortdurend werk in de eerste twee
jaar en werk zonder beperkingen in
het derde jaar. Toch heeft de
vereniging VluchtelingenWerk
Nederland wel enigszins gelijk in
haar recente commentaar op het
voorstel. Zij zegt dat nog veel
onduidelijk is over die scholings- en
werkaspecten voor VVTV’ers. Ik
neem aan dat zij worden gerekend
onder de nieuwkomers, waarvoor de
minister van Binnenlandse Zaken
bezig is ten aanzien van de inburge-
ring afspraken met de VNG te
maken. Het is in het belang van de
gemeenten dat de VVTV’ers gaan
werken en inkomsten uit arbeid
ontvangen. De gemeente mag
namelijk die inkomsten op de
uitkering in mindering brengen,
terwijl het Rijk aan de gemeente wel
een koppengeldvergoeding geeft. Als
wij het woord ’’koppengeld-
vergoeding’’ willen vermijden, is het
misschien handiger om te spreken
van ’’personengeldvergoeding’’. Voor
een gemeente kan het dus een
aardig centje opleveren als veel
VVTV’ers werk vinden. Het moet de
gemeenten dan ook stimuleren om
zich intensief met de integratie van
de VVTV’ers te bemoeien.
Kan de minister duidelijkheid
geven over de mogelijkheden tot het
verrichten van kortdurend werk en
de verhouding tot de inburgerings-
trajecten? Voorgaande sprekers
hebben al gezegd dat ook hierin de
gemeenten een centrale rol moeten
spelen. Het was mijn fractie veel
waard geweest, in dit debat tevens
inhoudelijk te hebben kunnen ingaan
op een uitgewerkt voorstel van de
minister voor de inburgerings-
trajecten. Ik hoor graag van hem hoe
het overleg met de VNG hierover
staat. Wordt in de scholings-
activiteiten onderscheid gemaakt
tussen de VVTV’ers en de status-
houders of krijgt iedereen hetzelfde
programma? D66 hoopt dat er
maatwerk kan worden geleverd,
bijvoorbeeld in die zin dat degenen
die vlug leren, sneller kunnen
doorstromen. Wij hopen niet dat het
mogelijk wordt dat een VVTV’er die
een inburgeringstraject doorloopt,
halverwege afhaakt omdat hij werk
heeft gevonden. Naast dat werk zou
de inburgering moeten doorgaan.
Wij menen dat snelle duidelijkheid
hierover geboden is. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2773" anker="257" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 De
heer Dittrich vraagt om informatie
over het overleg tussen de regering
en de VNG over de inburgerings-
trajecten. Ik ben maar een eenvoudig
lid van een oppositiepartij en
misschien heeft hij meer informatie.
Die inburgeringscontracten zijn toch
niet duidelijk? Hoe kan er dan
overleg over plaatsgevonden
hebben? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2773" anker="258" partij="D66" naam="Dittrich">
 Het gaat om
overleg over de invulling. Wij
hebben eind november in de
commissie voor Binnenlandse Zaken
algemeen overleg met de minister
gehad over de inburgeringstrajecten
en -contracten. Toen heeft de
minister gezegd dat hij, omdat de
gemeenten een centrale rol hierin
vervullen, verder met de VNG van
gedachten wil wisselen om tot
voorstellen te komen. Nu wij dit
wetsvoorstel behandelen. is het
belangrijk om te weten, ook voor de
gemeenten, hoe de huisvestings-
aspecten en de inburgeringsaspecten
zich tot elkaar verhouden. Ik meen
dat u er zelf ook een opmerking over
hebt gemaakt. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2773" anker="259" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Het
is dus meer een consultatieronde. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2773" anker="260" partij="D66" naam="Dittrich">
 Ja. Mis-
schien heb ik mij onzorgvuldig
uitgedrukt, maar mijn vraag aan de
minister is of hij ons over de stand
van zaken kan berichten.
Voorgaande sprekers hebben al
over de evaluatie gesproken. Anders
dan bij de wijziging van de
Huisvestingswet heeft de minister op
vragen van D66 argumenten
gegeven waarom de zorgwet pas na
vier jaar kan worden gee¨valueerd.
Deze argumenten kan ik mij goed
voorstellen. Wil de minister
toezeggen dat de huisvestings-
aspecten parallel aan de evaluatie
van de Huisvestingswet worden
gee¨valueerd? Dit zou je een
aanzuigende werking van de
evaluatie van de Huisvestingswet
kunnen noemen; ik kijk hierbij naar
mevrouw Sipkes. Ik hoop dat ik de
term ’’aanzuigende werking’’
hiermee op een andere manier heb
gebruikt.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2773">

 
<spreker pagina="40-2773" anker="261" partij="RPF" naam="Rouvoet">
 Voorzitter!
De problematiek van de asielzoekers
blijft onze aandacht houden. In dit
debat staat een niet onbelangrijk
element in de asielketen centraal,
namelijk de huisvesting van
statushouders die (tijdelijk) in ons
land vertoeven. Aan de huisvesting
van deze doelgroep wordt nu een
wettelijke basis gegeven door
enerzijds de Huisvestingswet te
wijzigen en anderzijds de gemeenten
een zorgplicht toe te kennen.
Ik steun de bewindslieden in hun
streven naar structurele inbedding
van de huisvesting van verblijfs-
gerechtigden in het normale
woningtoewijzingsbeleid van
gemeenten. Nu huisvesting van deze
groep een structurele taak voor de
gemeenten is geworden, verdient
volgens mijn fractie een wettelijke
regeling de voorkeur boven het na
bestuurlijk overleg bij circulaire
steeds vaststellen van nieuwe
taakstellingen. Gemeenten dienen
immers rekening te houden met een
voortdurende stroom verblijfs-
gerechtigden die opgenomen
moeten worden in de lokale
samenleving. Een dergelijke
structurele aanpak vraagt inderdaad
om een meerjarige en heldere
vastlegging van verantwoordelijkhe-
den en procedures.
De regering heeft gekozen voor
een afzonderlijk wetgevingstraject
voor de huisvesting van vergunning-
houders die in het bezit zijn van een
voorwaardelijke verblijf tot vergun-
ning, omdat deze groep geen
volledige toegang tot alle collectieve
voorzieningen heeft. Ik kan daar in
komen omdat, zoals de regering in
de toelichting opmerkt, voor deze
groep het recht op vrije vestiging
feitelijk beperkt wordt. De gemeente
waarnaar betrokkene na de eerste
huisvesting wenst te verhuizen, zo
schrijven de bewindslieden, dient
namelijk in te stemmen met de
overname van de zorgplicht van de
eerste gemeente. Dit past niet in de
systematiek van de Huisvestingswet,
omdat het recht op vrije vestiging en
het zelfstandig wonen juist uitgangs-
punten van de Huisvestingswet zijn.
Wel komen in de schriftelijke
voorbereiding van de beide
wetsvoorstellen grotendeels dezelfde
onderwerpen aan de orde, terwijl de
bewindslieden bij de beantwoording
van de vragen in sommige gevallen
ook dezelfde formuleringen hanteren. Met andere woorden: er bestaat,
zelfs tekstueel, een grote overlap. Ik
ben niet de eerste die dit vanavond
heeft geconstateerd.
De RPF-fractie stemt met de
hoofdlijnen van beide wetsvoorstel-
len in. Laat ik de spanning er maar in
het begin al uit halen. Toch wil ik in
het kort nog enkele kanttekeningen
plaatsen. In de wijziging van de
Huisvestingswet, met name in de
ingevoegde artikelen 60a t/m g,
wordt gesproken over de taakstelling
voor gemeenten en de rol van de
provincies. De provincies hebben tot
nu toe geen grote rol gespeeld bij de
realisatie van de taakstelling
huisvesting verblijfsgerechtigden. Zij
krijgen nu echter een nieuwe taak,
namelijk de bevoegdheid om te
komen tot een herverdeling van
taakstellingen van gemeenten.
Een belangrijk punt hierbij is de
vastgestelde verdeelsleutel. Volgens
de regering is voor de verdeling van
de landelijke taakstelling een
eenvoudige en neutrale verdeelsleu-
tel gehanteerd door te kijken naar de
factor ’’bevolkingsomvang’’ en niet
naar ’’beschikbaarheid betaalbare
huurwoningen’’. Als belangrijkste
argumenten worden genoemd het
motief van verdelende rechtvaardig-
heid op grond waarvan dit goed te
verdedigen valt, en het feit dat met
een verdeelsleutel nooit zal worden
bereikt dat aan alle lokale differentia-
ties op de woningmarkt recht wordt
gedaan.
Deze argumentatie kan ik goed
volgen. Er kunnen echter tegenargu-
menten worden genoemd, die
vandaag ook al door anderen naar
voren zijn gebracht. Ook de Raad van
State heeft zich in zijn advies kritisch
uitgelaten over de gekozen grond-
slag. Gelet op het feit dat het
grootste deel van de taakstelling in
de betaalbare huurwoningen-
voorraad moet worden opgevangen,
is het volgens de Raad van State
nodig dat een koppeling met dit deel
van de woningvoorraad aanwezig
blijft. Als namelijk de verdeelsleutel
op basis van inwonersaantal zal
worden toegepast, zal dit in
sommige regio’s een groot beslag op
de vrijkomende goedkopere
huurwoningen leggen. Er zijn door
verschillende sprekers regio’s
genoemd waarin dit speelt, zoals het
Groene Hart en de Veluwe.
Ik realiseer mij dat het moeilijk is
om een ideale situatie te bereiken.
Toch vraag ik de staatssecretaris of
hij niet met mij van mening is dat
voordelen verbonden zijn aan het
betrekken van juist de sociale
huurwoningenvoorraad bij de
vaststelling van de verdeelsleutel.
Als hij hierop wil ingaan, kan hij mij
dan ook zegen of hij nog mogelijkhe-
den ziet om tot een flexibele
systematiek met meer differentiatie-
mogelijkheden te komen? Met
andere sprekers vind ik dit van
belang, gelet op de lokale situatie en
het draagvlak voor het huisvestings-
beleid voor deze doelgroep.
Ik waardeer het dat de bewindslie-
den tegelijkertijd de provincie de
mogelijkheid bieden om tot een
nadere verfijning te komen via het
instrument van herverdeling van de
gemeentelijke taakstellingen. De
provinciale bevoegdheid om tot een
herverdeling te komen van taakstel-
lingen tussen gemeenten is immers
ingegeven door de overweging dat
een eenvoudige, landelijke verdeel-
sleutel niet volledig zou kunnen
aansluiten op de situatie op de lokale
woningmarkt. Ik heb zojuist enkele
aanvullingen en mogelijke alternatie-
ven genoemd. Toch wil ik het
zwaartepunt van de besluitvorming
bij de gemeenten laten rusten in
plaats van op het provinciale niveau.
Het amendement van collega Gabor
(stuk nr. 13) heeft derhalve mijn
sympathie.
De gemeenten dienen elk kwartaal
een taakstelling te realiseren. Deze
taakstelling is gebaseerd op een
prognose van de minister van
Justitie. Het is voor gemeenten en
Rijk belangrijk dat de prognose van
het aantal te verlenen statussen zo
ree¨el mogelijk is. Nu stelt de regering: hoe langer de prognose-
termijn, des te onbetrouwbaarder de
prognose en in het verlengde
daarvan des te onbetrouwbaarder de
taakstelling. Dat is een kant van de
zaak. Er kan echter ook frictie
ontstaan tussen enerzijds door het
Rijk in te vullen kwartaal-
taakstellingen en anderzijds het
nogal rigide proces van planning en
programmering van de woningbouw.
Als het gegeven van een lange
voorbereidingstijd van bouw-
projecten wordt gekoppeld aan
wisselende kwartaaltaakstellingen,
komen gemeenten voor een
moeilijke opgave te staan. Waarom
dan niet gekozen voor bijvoorbeeld
een halfjaarlijkse taakstelling? De
door collega Van der Burg inge-
diende amendementen ter zake heb
ik medeondertekend.
Ten slotte nog een vraag. In het
bestuurlijk overleg van 27 oktober jl.
hebben partijen afgesproken dat het
kabinet in het voorjaar van 1995 met
een voorstel zal komen voor een
structurele, voor langere termijn
vastliggende systematiek van
financie¨le tegemoetkomingen aan
gemeenten. Is daar al meer zicht op,
kan daar meer over gemeld worden?
Een enkele opmerking over de
financieringsaspecten van het
wetsvoorstel Gemeentelijke zorg
voor houders van een voorwaarde-
lijke vergunning tot verblijf
(VVTV’ers). Enkele opmerkingen die
ik heb gemaakt over amendementen,
hebben vanzelfsprekend ook
betrekking op dit wetsvoorstel. De
wetsvoorstellen lopen immers
parallel. Een aantal amendementen
betreft beide wetsvoorstellen. Het
lijkt mij niet nodig om op de
desbetreffende punten nog apart in
te gaan. De uitgangspunten ’’sobere
voorziening’’ en ’’handhaafbaarheid’’
spreken mij aan. Dat geldt ook voor
de keuze voor een koppengeld-
systematiek. Ik zal mij niet wagen
aan een alternatieve term. Maar ook
ik ben niet bepaald gelukkig met
deze term. Daarbij wordt per
vergunninghouder een vast bedrag
aan de gemeente toegekend. Alle
kosten moeten uit dit budget worden
betaald. Ik vraag mij af of gemeenten
alle kosten – ik noem de kosten
huisvesting, normbedrag voor
persoonlijke uitgaven, verzekering
ziektekosten en WA, vergoeding
buitengewone kosten en uitvoerings-
kosten gemeente – uit het koppen-
geld kunnen betalen. Komt een
minimale en acceptabele opvang en
huisvesting van VVTV’ers in gevaar,
zoals gemeenten beweren? Zijn de
kosten voor een kind niet te laag berekend: ƒ 575 lager dan in de ROA,
dus van ƒ 845 naar ƒ 270? Met name
de post persoonlijke uitgaven van
ƒ 125 heeft ook bij mijn fractie de
nodige vragen opgeroepen. En ik
heb begrepen dat ook kledinggeld
eronder valt. Ik krijg graag een
nadere onderbouwing.
Voorzitter! Over de amendemen-
ten heb ik al iets gezegd. Ik rond af.
De wetsvoorstellen hebben op
hoofdlijnen onze instemming. Met
belangstelling wacht ik de beant-
woording van onze vragen af, met
name onze vragen over de verdeel-
sleutel.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2775">

 
<spreker pagina="40-2775" anker="262" partij="SP" naam="Poppe">
 Mijnheer de
voorzitter! De SP-fractie vindt een
wettelijke regeling voor huisvesting
en inburgering van verblijfs-
gerechtigden in de gemeenten op
haar plaats. Maar de gemeenten
alleen de taakstelling en niet de
middelen en/of onvoldoende
middelen meegeven, daarmee
schuift de rijksoverheid haar
verantwoordelijkheid af. Opmerkin-
gen van de Raad van State in die
richting zijn dan ook op hun plaats.
Met dit wetsvoorstel worden veel
gemeenten feitelijk verplicht om met
voorrang verblijfsgerechtigden te
huisvesten in woningen waarvan er
veel tekort zijn. Het gaat dan om de
categorie goedkope woningen. De
gemeenten niet gelijktijdig de
mogelijkheid geven voor sociale
betaalbare woningbouw, is vragen
om problemen. Erger, uitbreiding
van al bestaande problemen vindt
plaats als gevolg van het
huisvestingsbeleid van het kabinet,
nog los gezien van de nieuwe
gemeentelijke taak. Het gaat om
mensen die voor dood en verderf
en/of vervolging huis en haard
hebben verlaten. Zij deden dat
beslist niet voor hun plezier. Een
beschaafd land vangt deze mensen
op en helpt deze mensen, maar zorgt
er gelijktijdig voor dat dat dusdanig
gebeurt dat er niet in bepaalde
gebieden schade wordt toegebracht
aan de beschaving waarover ik
zojuist sprak.
Wij moeten vaststellen dat de
woningnood anno 1995 nog steeds
groot is. In het Sociaal en cultureel
rapport 1994 wordt berekend dat tot
2015 meer dan een miljoen
woningen moet worden gebouwd.
Ook staat erin dat er op dit moment
een tekort is van 250.000 woningen
in Nederland. De woningnood doet
zich met name voor in de categorie
goedkope huurwoningen. Ik heb
tijdens de begrotingsbehandeling
schrikbarende cijfers gegeven,
waarmee duidelijk wordt hoe groot
de kwantitatieve woningnood in
Nederland is. Echter, het woord
’’goedkoop’’ in de term ’’goedkope
huurwoningen’’ is al niet meer van
toepassing door de hoge percenta-
ges huurverhogingen van de laatste
jaren. Onder het huidige
volkshuisvestingsbeleid is het niet
meer mogelijk om betaalbare
woningen te bouwen. Nieuwbouw
van betaalbare huurwoningen is
door het praktisch wegvallen van de
objectsubsidies vrijwel onmogelijk
geworden. Op de huursubsidies is
door het kabinet, na de kortingen
door het vorige kabinet, verder
bezuinigd. In de nota naar aanleiding
van het verslag benadrukt het
kabinet dat het beoogt de huisves-
ting van de statushouders structureel
in te bedden in de normale
woningtoewijzing. Daar zijn nu juist
al die grote problemen. In de
groeigemeenten zit 20% van de huurders beneden de armoedegrens:
250.000 Nederlanders lopen bij de
sociale dienst met een budget-
regeling vanwege de enorme
schuldenlast door de hoge huren.
De overheid trekt haar handen af
van de sociale woningbouw en de
corporaties moeten de markt op.
Volgens hetzelfde Sociaal en
cultureel rapport van 1994 zullen die
woningbouwcorporaties zich de
vraag moeten stellen of hun primaire
doelgroep nog wel kan worden
bediend. Volgens het Sociaal en
cultureel rapport kan bouwen en
beheren van woningen voor de
doelgroep nooit een economisch
verantwoorde activiteit zijn zonder
grote concessies te doen aan de
kwaliteit van de woningen. De
toezegging in de memorie van
toelichting is dan ook volstrekt onvoldoende: die 9000 woningen. In
de nota naar aanleiding van het
verslag wordt gesproken over de
woningbouw in de Vinex-gebieden.
Dat is echter volstrekt onvoldoende,
omdat daar geen betaalbare
woningen gebouwd zullen worden.
De vier grote partijen hebben
opmerkingen gemaakt over het
gevaar van verdringing en de
problemen die daaruit voort zullen
komen. Toen ik dat hoorde, bekroop
mij toch een vervelend vlaagje van
boosheid. Juist deze partijen zijn
verantwoordelijk voor de ontsociali-
sering van ons huisvestingsbeleid.
Het gevolg daarvan is dat het nu
dringen is geblazen voor te weinig
betaalbare woningen. Dringen voor
woningen is altijd een voorbode van
verdringen. Het is dus hypocriet om
met de ene hand verder te ontsociali-
seren in de woningbouw en met de
andere hand te wijzen op de gevaren
die daarvan het gevolg zijn.
Mijnheer de voorzitter! Het is niet
niks wat het Sociaal en cultureel
rapport vaststelt. Als gemeenten de
aantallen verblijfsgerechtigden die de
taakstelling hen oplegt willen
huisvesten, dan zal dat blijkens de
brieven die gemeenten hebben
verzonden in een aantal gevallen
betekenen dat 40% a` 50% van de
vrijkomende woningen in de
betaalbare sector met voorrang moet
worden aangewezen aan verblijfs-
gerechtigden. In sommige gevallen
zal het zelfs meer dan de helft van
het aantal vrijkomende woningen
zijn. Andere ingeschreven woning-
zoekenden zullen dus nog langer op
een woning moeten wachten,
waardoor spanningen en onrust
onder de lokale bevolking kunnen
ontstaan of zullen toenemen.
Spanningen en onrust in wijken waar
nu al sprake is van concentratie van
problemen zullen voor een verklei-
ning van het broodnoodzakelijke
draagvlak zorgen. Mevrouw Versnel
wees erop dat mensen met
verschillende politieke opvattingen
niet bij elkaar gezet moeten worden,
omdat wij dan een soort klein-Bosnie¨
zouden krijgen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2775" anker="263" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">

Neen, ik sprak over mensen die tot
strijdende partijen in het land van
herkomst behoren, dus over
klein-Bosnie¨ of klein-Somalie¨. Dat
heb ik zeer duidelijk gezegd. Het is
de bedoeling dat je daar goed op let,
wanneer je mensen bij elkaar in de
buurt neerzet. Dat lijkt mij verstan-
dig. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2775" anker="264" partij="SP" naam="Poppe">
 Ik heb u
kennelijk goed begrepen, want dat
zei ik ook. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2775" anker="265" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">

Ja, maar wel wat anders. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2775" anker="266" partij="SP" naam="Poppe">
 Dat zijn
verschillende opvattingen die dan
niet bij elkaar moeten komen. Maar
goed, dat zien wij dan nog wel.
Ik wil eraan toevoegen dat het ook
noodzakelijk is om voor spreiding in
het algemeen te zorgen. Dit
wetsvoorstel voorziet daarin door
alle gemeenten een taak te geven,
wat voor spreiding over het land
zorgt. Dat vind ik een goede zaak.
Hoe denkt de staatssecretaris de
door mij geschetste problemen te
voorkomen of voor te zijn, gezien de
situatie op het gebied van volkshuis-
vesting en de betaalbare huren?
De SP verlangt van de staatssecre-
taris maatregelen die het mogelijk
maken dat gemeenten ook daadwer-
kelijk aan de hun opgelegde
taakstelling kunnen voldoen. Dat
betekent dat de bouwprogramma’svoor 1995 en volgende jaren in
overeenstemming worden gebracht
met de grote vraag naar betaalbare
woningen voor de totale groep van
woningzoekenden met bescheiden
inkomens, waaronder dus ook de
verblijfsgerechtigden. Dat betekent
naar de mening van de SP ook dat er
teruggekomen moet worden op het
beleid van afbraak van de sociale
woningbouw; ik heb het de ontsocialisering genoemd: de korting
op de individuele huursubsidie en de
buitengewone huurverhogingen,
waarover wij overigens op 9 februari
de degens nog met elkaar zullen
moeten kruisen. Pas dan, met een
dergelijke fundamentele wijziging op
huisvestingsgebied, zal het beoogde
doel, goede huisvesting van
verblijfsgerechtigden en anderen,
echt kunnen worden waargemaakt.
Als dat niet gebeurt, is het niet
moeilijk te voorspellen dat dit beleid
voor vergroting van al bestaande
problemen zal zorgen. Ook gemeen-
ten worden dan in de problemen
gebracht. Zij kunnen dan namelijk
niet goed aan hun taak voldoen. Dat
zal dan weer een onzuivere
uitvoering door of een vluchtgedrag
bij de gemeenten teweeg kunnen
brengen.
Ik maak een aantal opmerkingen
over het andere wetsvoorstel dat aan
de orde is, het wetsvoorstel
Gemeentelijke zorg voor houders van
een voorwaardelijke vergunning tot
verblijf. De SP kan instemmen met
een aparte regeling voor deze groep,
gezien het bijzondere karakter van
hun verblijfsstatus. De SP kan in
grote lijnen instemmen met de taken
en verantwoordelijkheden die de
gemeenten toebedeeld krijgen bij de
invulling van de regeling. Maar
opnieuw zijn de middelen die de
gemeenten krijgen om deze taak uit
te voeren, volstrekt onvoldoende.
Met name het bedrag voor kinderen,
ƒ 270 per maand, is ontoereikend.
Dat wordt in een brief van het Nibud
bevestigd. Juist ook vanwege het
bijzondere karakter van hun
verblijfsstatus kan deze groep of de
gemeente die een woning voor deze
mensen huurt, geen aanspraak
maken op huursubsidie. Tegen deze
achtergrond is het onmogelijk om
een alleenstaande ouder met een
kind voor ƒ 1430 per maand zorg en
huisvesting te bieden. Alleen al het
aandeel van de woonlasten in dit
bedrag zal vooral in de grote steden
al gauw 50% of meer zijn.
Is het de staatssecretaris bekend
dat de gemeente Utrecht al
aangekondigd heeft dat zij met de nu
voorgestelde gemeentelijke
vergoedingen weigert haar taak uit te
voeren? Zo ja, wat gaat de staatsse-
cretaris daarmee doen?
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2776">

 
<spreker pagina="40-2776" anker="267" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Voorzitter! Wij
hebben een onderlinge taakverdeling
afgesproken. Over de Huisvestings-
wet zal vooral de heer Tommel het
woord voeren. Van de andere wet
zullen wij beide ongeveer de helft
behandelen; de huisvestings-
problematiek zal de heer Tommel
voor zijn rekening nemen. Ik zal
daarnaast enige algemene noties
uitspreken.
Wij zijn zeer erkentelijk voor de
wijze waarop de Kamer zich in de
korte tijd die haar gegund is geweest
intensief met het onderwerp heeft
bemoeid. Ik wil allereerst iets zeggen
over de betekenis van de voorstellen
in algemene zin. Daarbij wil ik
aangeven waarom de maatregelen
nu moeten worden getroffen.
Degenen die daarover nog twijfelen
wil ik proberen te overtuigen.
Beide wetsvoorstellen worden
gezien als een essentieel onderdeel
in een beleid dat begint met het
toelatingsvraagstuk, vervolgens in de
fase van de centrale opvang komt en
voor degenen van wie wij vinden dat
zij in Nederland mogen blijven,
uitmondt in huisvesting en inburge-
ring. In dat beleid zijn er wat ons
betreft twee essentie¨le uitgangspun-
ten. Het ene uitgangspunt is datgene
wat in het jargon de keten-
behandeling wordt genoemd. Het
een hoort nadrukkelijk bij het ander.
In het verleden is door velen ook
terecht kritiek geleverd op het
ontbreken van samenhang in de
verschillende fasen van de keten. Wij
willen door het hele beleid heen
trachten de ketenbehandeling
overeind te houden, zij het dat wij
hier vandaag praten over twee
wetsvoorstellen die in het latere deel
van de keten zitten. Het hoort
natuurlijk allemaal bij elkaar.
Een complicerende factor is dat
het beleid in verticale zin door de
overheden heen loopt. Het zou
allemaal misschien iets gemakkelijker
zijn als wij met elkaar hadden
gevonden dat het hele onderwerp
alleen door het Rijk of de provincies
of de gemeenten moet worden
behandeld. Gegeven de
bevoegdheden- en
verantwoordelijkheidsverdeling in dit
land is dat niet wenselijk. Dat vormt
echter een complicerende factor in
dit beleidsonderdeel.
Daarmee kom ik op het tweede
sleutelwoord, dat heel essentieel is
in het beleid wat hierin vorm heeft
gekregen, namelijk de waterschei-
ding. Het gaat om een zo helder mogelijke taakverdeling: het Rijk
voor de centrale opvang en de
gemeenten voor die mensen, die een
status hebben. Dat beleid is ingezet
door het vorige kabinet en het heeft
van lieverlede nader vorm gekregen.
Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat
deze twee wetsvoorstellen de kroon
op dat werk zijn, om te trachten die
verantwoordelijkheden nu zo helder
mogelijk bij wet vast te leggen.
Waarom bij wet? Je zou kunnen
zeggen dat je dat ook op een andere
manier kunt afspreken. Ik ben toch
heel gelukkig dat de vorige regering
dit wetsvoorstel heeft voorbereid,
zodat wij het over konden nemen in
de fase waarin wij het aantroffen,
omdat ik mij zo langzamerhand
afvraag, hoelang we in Nederland
door moeten gaan met convenanten,
afspraken of andere in bestuurlijk-
juridische zin toch vage vormen. Dat
is dus al een reden, waarom het van
belang is dat we daaraan een
heldere wettelijke regeling ten
grondslag leggen. Te meer daar het,
of we dat nu leuk vinden of niet, een
structurele zaak is. We praten
vooralsnog niet over een tijdelijk
probleem, waarvan we volgend jaar
of over drie jaar verlost zijn. Ik denk
dat we er rekening mee moeten
houden, ongeacht de instroom-
aantallen, dat dit vraagstuk for the
time being een structureel karakter
zal houden.
Daarnaast is het van groot belang
dat we met deze beide wetsvoorstel-
len proberen, een eind te maken aan
een met name voor de gemeenten te
lang durende onzekere situatie. Ik
herinner mij nog heel levendig, hoe
mevrouw d’Ancona in de afgelopen
periode bij herhaling de gemeenten
aan tafel moest zien te krijgen om te
proberen, het weer voor elkaar te
krijgen. Dat was niet alleen voor
haar, de toenmalige regering en het
Rijk onzeker, maar het was net zo
onzeker voor de partners aan de
andere kant. Er is met name vanuit
de individuele gemeenten en daarna
vanuit de VNG met nadruk gevraagd
om zekerheden en helderheid over
wat het Rijk en de gemeenten
moeten doen, wat we zo goed
mogelijk met elkaar moesten
afspreken. Hoewel ik dat niet in haar
brieven terugvind, is dit toch
eigenlijk datgene wat de VNG altijd
heeft bepleit. Je kunt praten over de
modaliteiten – we komen nog terug
op enkele punten – maar ik denk dat
er met dit wetsvoorstel in ieder geval
meer zekerheden voor colleges en
voor raadsleden komen. Een van de
sprekers heeft zich verplaatst in de positie van zo’n raadslid: dat weet nu
in ieder geval, waar het tegen aan
moet kijken, wat de gemeente moet
doen, hoe zij zich daarop in moet
stellen en hoe zij van daar uit beleid
moet trachten te voeren.
Maar er staat natuurlijk meer op
het spel. De heer Gabor heeft als
eerste, maar vele anderen hebben
dat daarna gedaan, twee andere
belangrijke begrippen gebruikt. Het
ene is de integratiegedachte die hier
natuurlijk achter zit. Met name in de
VVTV-wet krijgt dat iets meer vorm,
maar uiteindelijk is dat voor alle
statushouders een van de achter-
gronden, waarom we de mensen
regulier willen huisvesten. Het
wetsvoorstel probeert dat te regelen,
maar dan wel werkend aan een
draagvlak. Het woord ’’draagvlak’’ is
een interessant woord, want het
heeft twee betekenissen. Het heeft
om te beginnen een soort letterlijke
betekenis. Als wij een aantal mensen
moeten huisvesten, wordt het
draagvlak gevormd door de
gemeenten, omdat we Nederland
hebben opgedeeld in gemeenten. Je
moet dat dan op een eerlijke manier
spreiden, wat letterlijk het draagvlak
is voor het huisvesten van status-
houders. Mevrouw Versnel wees op
die betekenis van het woord.
De andere betekenis, die door vele
sprekers is gebruikt, is natuurlijk de
maatschappelijke acceptatie. Het is
noodzakelijk dat wij dit doen,
daarvan is iedereen overtuigd, en het
is van groot belang dat het door de
bevolking gedragen kan worden.
Daarom is het zo nuttig dat wij
hierover helder zijn en dat we het
gevoel hebben dat we de zaak eerlijk
verdelen, en daarop is het beleid via
wetgeving of anderszins gericht.
Mevrouw Verbugt heeft daaraan
nog – ik ben het daar zeer mee eens
– de heldere verantwoordelijkheids-
toedeling toegevoegd, wat een
beetje te maken heeft met het
cree¨ren van een draagvlak, zodat het
voor iedereen duidelijk is, wie wat
moet doen. Ik kan mij zeer goed
voorstellen dat burgers in een
bepaalde gemeente, de krant lezend,
kijkend naar de eigen gemeente vragen: waarom doen zij dat zo,
waarom bij ons? Zodra helder is
welke de verantwoordelijkheid is – in
dit geval bijvoorbeeld van gemeen-
ten – is er vanuit de raad te
communiceren met de burgerij, om
duidelijk te maken dat ook die plaats
of dat dorp zijn deel van het
probleem moet oppakken. Daarmee
kom je toch terecht in een situatie
waarin je makkelijker de spanningen
kunt voorkomen en beheersen – ik
gebruik nu letterlijk de woorden die
mevrouw Van der Burg terecht heeft
gebruikt – door aan de mensen
helder te maken dat het moet
gebeuren, dat het gelijkmatig is
gespreid over het land en dat dat
ook eerlijk is. Ik vind dat de meeste
gemeenten zich tot nu toe ordentelijk
hebben gedragen. Aanvankelijk was
dat overigens niet het geval. Het is
begonnen met een aantal gemeen-
ten, terwijl vrij veel andere gemeen- ten zeiden: laat dit maar even aan
mij voorbijgaan. Van lieverlede is het
draagvlak bij de gemeenten de
afgelopen jaren groter geworden, maar een aantal zei altijd: zolang
men ons verder niet zo dwingend
aankijkt, kan deze beker mooi aan
ons voorbijgaan. Dat vind ik niet
rechtvaardig. Ieder zal zijn deel
moeten nemen. Dat bereik je met
deze wetgeving. Daarin is sprake van
een rechtvaardige verdeling.
De heer Van den Berg is van
mening dat te veel sprake is van een
wiskundige benadering in deze
aanpak. Dat is zo. Wij proberen die
eerlijke verdeling tot stand te
brengen langs deze wat geobjecti-
veerde wijze. Je kunt wel praten over
de formule. Je kunt stellen dat
wellicht een andere sleutel had
moeten worden genomen. Akkoord,
daarover kun je praten, maar het is
wat mij betreft wel een hulpmiddel
om te komen tot een eerlijke
verdeling over de gemeenten in het
land. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2777" anker="268" partij="SP" naam="Poppe">
 De gemeenten
die deze beker aanvankelijk aan zich
voorbij wilden laten gaan, zullen
daar ongetwijfeld argumenten voor
hebben gehad. Die zouden wel eens
hebben kunnen luiden dat zij grote
problemen hadden met het
huisvesten van de laagstbetaalden in
hun eigen gemeenten, dat dus een
zekere verdringing dreigde en dat zij
daar bang voor waren. Ik vind het
getuigen van goed bestuur als de
gemeenten daar heel voorzichtig
mee zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2777" anker="269" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Daarop gaat de
heer Tommel straks in detail in, maar
ik wil er volstrekt helder in zijn. De
allereerste vraag is of wij het er met
elkaar over eens zijn dat mensen met
de status waarover wij hier praten
gehuisvest moeten worden. Antwoord: ja. Iedereen vindt dat. Wie
kan daar nu neen op zeggen? Dan
luidt de tweede vraag of wij een
aantal gemeenten daarmee belasten
of dat iedereen in principe zijn deel
neemt, aan de hand van een
bepaalde sleutel. Iedereen stemt er
in het algemeen mee in dat gekomen
moet worden tot een zo rechtvaardig
mogelijke verdeling, aan de hand
van een bepaalde sleutel. Dan kom je
op de sleutel. Daarover kun je
discussie¨ren. Ik vind de aangegeven
sleutel niet onredelijk. De vraag die daarachter zit, luidt: kun je dat
vragen? Kun je aan alle gemeenten
in dezelfde mate vragen om een en
ander te realiseren, met die sleutel in
de hand? Dan ontstaat een aantal
bestuurlijke problemen. Deze hebben
te maken met de woningvoorraad en
met het wel of niet mogen bouwen.
De vraag is hoe je in de wetgeving
met dit soort problemen omgaat. De
heer Tommel zal hier ook op ingaan,
want er zijn veel vragen over gesteld,
ook met betrekking tot de Veluwe en
het Groene Hart. Ook andere, meer
technische vragen zijn gesteld. De
heer Tommel beantwoordt die ook,
maar dat is de lijn die erin zit. Het
zou mij zeer wel zijn als wij het met
elkaar over die hoofdlijnen eens zijn.
Natuurlijk blijft een discussie
mogelijk over de uitwerking, de
techniek, maar daarvoor stellen wij
ons open op. Ik zei dit in reactie op
de opmerking van de heer Van den
Berg over die wiskundige benade-
ring. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2777" anker="270" partij="SGP" naam="Van den Berg">
 Die
kritiek blijf ik vooralsnog houden. De
minister zet ongeveer een ’’is gelijk’’
tussen dit geobjectiveerde systeem
en het begrip ’’eerlijk’’, maar dat is
nog maar de vraag. Is het eerlijk dat
een gemeente die niet eens
woningen heeft voor de eigen
inwoners evenveel woningen moet
leveren als een gemeente die bij
wijze van spreken leegstand heeft? Ik
vind dat niet eerlijk. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2777" anker="271" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Het voorbeeld van
de heer Van den Berg vind ik erg
extreem. Ik ken niet zo heel veel
gemeenten met die gigantische
leegstand. Ik ken wel een hoop
gemeenten met een lijst van
woningzoekenden. Wat dat betreft is
de pijn in Nederland heel aardig over
een hoop gemeenten verdeeld. De
andere kant is – daar kwam
mevrouw d’Ancona in haar vorige
periode in terecht – dat je voortdu-
rend onmogelijke discussies hebt
over appels, peren en ander fruit bij
elkaar en dat je constant moet
overleggen, dan met de ene
gemeente, dan met de andere.
Ondertussen heb je een hoop
mensen onder de arm die je niet
onder dak kunt brengen. Dat is de
realiteit van vandaag. Ik geloof niet
dat wij met dit wetsvoorstel
onmiddellijk in het paradijs van de
huisvesting terecht zijn gekomen,
maar wij zijn wel een stukje verder. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2778" anker="272" partij="CDA" naam="Gabor">
 Ik heb in mijn
betoog de situatie van Zuid-
Kennemerland uitvoerig ten tonele
gevoerd. De exacte gegevens daar
luiden dat, als dit wetsvoorstel wordt
aangenomen, men jaar in jaar uit
40% van de beschikbare woning-
voorraad in de huursector moet
inzetten. Dat is onmogelijk. Als men
daar een oorlog wil vermijden – ik
wil dat en daarom heb ik die kwestie
buitengewoon zorgvuldig behandeld
– moeten wij daar een oplossing
voor bieden. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2778" anker="273" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Ik verzoek u toch
dat nu niet aan mij te vragen. Ik
dreig nu namelijk nog dieper in te
gaan op de huisvesting en de
techniek daarvan, maar daarmee
kom ik op het terrein van collega
Tommel. Daarom kan het gesprek
over deze problematiek beter zo met
hem worden voortgezet.
Voorzitter! Ik heb bij de heer
Rouvoet steun geproefd voor de
aanpak om het op deze manier via
wetgeving te regelen. De heer
Schutte heeft gezegd dat hij
gaandeweg toch overtuigd raakte
van de wenselijkheid om het op deze
manier in de wet te regelen. Hij heeft
daar wel de terechte waarschuwing
bij uitgesproken dat wij niet het idee
moeten hebben dat de geldigheid
voor lange termijn geldt, omdat wij
zeker zouden weten hoe die
processen in de toekomst zullen
verlopen. Dat is natuurlijk niet zo.
Een van de lastige facetten van dit
hele beleidsterrein, het asiel-
vraagstuk en alles wat daaraan
annex is, is de grilligheid waarmee
wij jaar in jaar uit worden geconfron-
teerd en wat waarschijnlijk nog wel
een tijdje zo zal zijn. Dat is volkomen
afhankelijk van ontwikkelingen die
buiten Nederland optreden, waar ook
ter wereld. Ik vind het dan ook
terecht dat de heer Schutte daarvoor
waarschuwt. Mevrouw Sipkes heeft
ook zeer terecht gezegd dat het
succes van het traject dat wij nu
inzetten, voor een deel afhankelijk is
van het succes van het voortraject.
Daar kun je politiek natuurlijk van
mening over verschillen, maar er is
een zekere consensus dat wij in
Nederland een bepaald toelatingsbe- leid moeten voeren: centraal
opvangen, snel behandelen en dan
snel beoordelen of iemand mag
blijven of niet. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2778" anker="274" partij="GPV" naam="Schutte">
 Wil de
minister zijn instemming in
algemene zin ook concretiseren op
de manier, zoals de RAVO dat heeft
gedaan en zoals door mij is
geciteerd? Het is namelijk ook
belangrijk dat wij nu niet alleen
zeggen dat wij moeten zorgen dat er
voor een dusdanige instroom ook
woningen beschikbaar komen, maar
dat wij ook proberen om naar de
mate van de mogelijkheden inzicht te
krijgen in de vraag of dit mensen zijn
die hier zullen blijven en hoe het zit
met het vraagstuk van de gezins-
hereniging. Dat zijn elementen die
wij bij deze categorie mensen nog
wat naar achter hebben geschoven.
Dat is begrijpelijk, want er was
sprake van een acute situatie. Als wij
echter denken aan een draagvlak,
ook op langere termijn, zullen wij
toch moeten proberen om ook op die
vragen antwoord te geven. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2778" anker="275" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Dat zeg ik gaarne
toe, maar dan vanuit een bredere
verantwoordelijkheid dan alleen die
van ons beiden. Hier speelt namelijk
ook de verantwoordelijkheid van de
staatssecretaris van Justitie een rol.
Hoe voorlopig moet de vergun-
ning voor de VVTV’ers zijn? Dat is
afhankelijk van de periode die zij hier
blijven. Kan afhankelijk van de vraag
waar men vandaan kwam, worden
bekeken hoe tijdelijk het verblijf zal
zijn? Dat hangt natuurlijk af van
situaties in de landen van herkomst.
Hoe houden wij het oog op die
landen van herkomst? Wat is de
betekenis daarvan voor de mensen
die hier zitten? Er is nog veel werk te
doen, want daar moeten wij zo goed
mogelijk zicht op krijgen. Dan zijn wij
namelijk beter in staat om het beleid
vorm te geven en zo nodig bij te
sturen. Dat is dus een zeer terecht
punt, maar het is een nogal lastig
vraagstuk. Niettemin zullen wij dat
moeten proberen.
Mevrouw Van der Burg en
mevrouw Sipkes hebben gevraagd
waarom wij zo’n haast hebben,
aangezien er op een aantal onderde-
len nog sprake is van onduidelijk-
heden. Ik zal daar straks nog op
ingaan. Mevrouw Versnel heeft op
dat punt weer een paar vragen aan
mevrouw Van der Burg gesteld. De
vraag is zeer terecht. Zouden wij niet
wachten tot wij aan de hand van
allerlei dossiers die hiermee te
maken hebben, de helderheid
hebben die nodig is en dan met
wetgeving komen? Ik meen dat het
andersom niet geheel abnormaal is.
In dit type wetgeving leg je namelijk
vast wie waarvoor verantwoordelijk
is en van daaruit werk je verder. Er
zijn nog vele vragen ten aanzien van
uitvoering en financiering die nog
antwoord behoeven. Ik vind de
volgorde echter niet onlogisch.
Verder meen ik dat de wetgeving
noodzakelijke duidelijkheid brengt en
voor al degenen met wie wij verder
moeten, precies aangeeft waar wij
het over hebben. Het makke van het
beleid in het verleden was nu juist dat een gemeente zei: wat vraag je
nu van mij; daar doe ik niet aan mee
of ik hoef daar niet aan mee te doen
of het is mijn taak niet. Daarbij houd
ik in gedachte dat de data ten
aanzien van de uitvoering, zowel
voor de huisvesting nieuwe stijl,
waterscheiding per 1 januari 1996,
als voor de zorgkant per 1 juli a.s.,
zeer dichtbij liggen. Het is daarom
dringend noodzakelijk dat deze wet
zo snel mogelijk in het Staatsblad
komt, het liefst voor 1 april, opdat
wij op 1 juli met het zorgdeel aan de
gang kunnen en verder ook
voorbereidingen kunnen treffen. Ik
kom nog op een paar van die
voorbereidingen terug. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2778" anker="276" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 Ik
maak nog een opmerking. Wij komen
er dan zo wel op terug.
De minister zegt dat er over
allerlei dossiers helderheid moet
ontstaan. Ik heb echter heel
nadrukkelijk gedoeld op het overleg
met de VNG, gekoppeld aan de
wettelijke zorgplicht die nu in de
wetgeving is geregeld. Dat gaat over
de uitvoering. Dat is heel concreet. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2779" anker="277" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Daarop kom ik zo
meteen terug.
Als deze wet er is – en wij hopen
dat zij er zo snel mogelijk zal zijn –
kunnen de bestuurlijke en financie¨le
aspecten worden uitgewerkt. Dan
kunnen zekerheden worden
geschapen. Dat is in feite ook de
basis voor de inburgering, in dit
geval van de VVTV’ers. De inburge-
ring heeft ook nog een andere
dimensie, maar daarover spreken wij
vandaag niet.
Ik maak eerst een paar opmerkin-
gen over de financie¨n. Die vormen
een nogal belangrijk onderdeel van
de mogelijkheid voor de gemeenten
om deze wetten naar behoren uit te
voeren. Ik stap nu even over op de
VVTV-regeling. Er is gevraagd
waarom de bedragen zijn zoals ze
zijn. In feite werd gevraagd waarom
deze bedragen lager zijn dan bij de
ROA, bijvoorbeeld voor jongeren tot
18 jaar. Dat was de ondertoon. Voor
de zekerheid zeg ik eerst wat het
uitgangspunt is. Dat is essentieel
voor de keuzen die wij daarna
hebben gemaakt. Wij hebben zeer
bewust gezocht naar een sobere
regeling waarvan geen aanzuigende
werking uit kan gaan. Dat is een
lastige dimensie in het asielbeleid.
De regeling mocht in internationaal
verband niet als te ruim aangemerkt
kunnen worden. Eenvoudig en sober.
Zij moest verder simpel en flexibel
zijn. Ik denk hierbij vooral aan de
flexibiliteit die de gemeente nodig
heeft om de regeling op maat uit te
voeren. Daarom kwamen wij op de
lump sum. De regeling moest verder
uitgaan van een sobere, of soberder,
vorm van huisvesting dan in de
afgelopen jaren gemeengoed was.
Dit alles moet binnen bepaalde
grenzen blijven. De heer Tommel zal
daarop straks terugkomen. Het hoort
allemaal bij elkaar. Ook de heer
Kamp heeft daarop gewezen. Ik ben
er blij mee dat hij instemt met die
soberheid, maar zij mag niet gepaard
gaan met afwentelen. De financie¨le
arrangementen moeten sober zijn en
ruimte bieden aan de gemeenten,
maar het Rijk mag niet gemakzuchtig
zijn financie¨le problemen afwentelen
op de gemeenten. Dat is de andere
kant van de medaille.
Het verschil met de ROA ontstaat
doordat bij die regeling vaak werd
uitgegaan van een duurdere woning,
van een wat ’’luxueuzer’’ vorm van
huisvesting dan ons nu voor ogen
staat, in elk geval voor bepaalde
groepen. De vergoeding voor de
kinderen in de ROA werd vrij
algemeen als te ruim beschouwd.
Dat heeft ook de VNG toegegeven
tijdens de besprekingen in het najaar.
De vergoedingen voor volwassenen
blijven in deze wet ongeveer op
gelijk niveau. Door de bank genomen
is het dus zo slecht nog niet.
De lump-sum-financiering, waarbij
per persoon een bedrag wordt
toegekend, bevat ruimte voor de
gemeenten om maatwerk te leveren.
Zij biedt bovendien een bepaalde
mogelijkheid om ’’winst’’ te behalen.
Hierbij denk ik bijvoorbeeld aan
eigen inkomsten van VVTV’ers, als zij
wat voor werk dan ook gaan doen.
De voorgestelde regeling bevat dus
plussen en minnen.
De regering vindt een leegstands-
vergoeding niet voor de hand
liggend. De wettelijke taakstelling is
nu juist dat leegstand moet worden
voorkomen. De regering gaat er
verder van uit dat de inrichtings-
kosten zijn opgenomen in de
lump-sum-vergoeding. Het is
natuurlijk de vraag hoe je precies
met inrichtingskosten omgaat als een
huis opeenvolgend door verschil-
lende mensen wordt bewoond. Dat is
ook een van de redenen die in dit
debat zijn genoemd.
Er is dus een marge voor de
gemeenten om eigen beleid te
voeren. Ik geef een concreet
voorbeeld. In de oude situatie kwam
het voor dat vier mensen een aparte
woning hadden en daarvoor een
vergoeding kregen. Het is denkbaar
dat zij straks, onder randvoorwaar-
den, in een woning worden
gehuisvest. Dan moet men eens
kijken welke financie¨le ruimte erin zit
als men van die lump-sum-
vergoeding per persoon uitgaat. Dat
moet dus allemaal meegerekend
worden bij de beoordeling of het wel
of niet toereikend is. Dat staat nog
even los van het onderwijs en de
inburgering. Daar kom ik later op
terug. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2779" anker="278" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">

Voorzitter! De minister fietst er wel
ongelooflijk makkelijk overheen. Hij
doet vreselijk optimistisch. Ik haak
even aan bij het laatste wat hij zei. Hij zette dat af tegen de ROA. Hij zei:
je kunt je voorstellen dat er straks
vier VVTV’ers in een woning zitten.
Dat is bij de ROA ook zo! De minister
zegt dat het in de ROA over het
algemeen duurdere woningen zijn
geweest en dat dat straks bij de
VVTV niet hoeft. Ja, dank je de
koekoek, dat is wel heel erg
makkelijk! Dat impliceert immers dat
de gemeenten per 1 januari 1996
ineens die goedkopere woningen
hebben. Men maakte in de ROA niet
van duurdere woningen gebruik
omdat men dacht dat dat wel kon,
maar omdat er niets anders
voorhanden was. Ik vind dus dat de
minister het een beetje al te
gemakkelijk ziet. Hij denkt dat het nu
allemaal maar opgelost kan worden.
Ik ben het ermee eens dat er een
sobere maar nog steeds wel redelijke
vergoeding en opvang moet zijn. De
toekenning voor inrichtingskosten
etcetera vind ik dan ook echt te
weinig. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2779" anker="279" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Natuurlijk moet de
toekenning niet onredelijk zijn. Daar
zijn wij het snel over eens. Maar de
vraag over de redelijkheid is nog niet
zo makkelijk te beantwoorden. Ik heb
het genoegen gehad om als kamerlid
hierover ook het woord te mogen
voeren in een aantal mondelinge
overleggen. Ik heb nog heel vast op
mijn netvlies hoe wij aanvankelijk
een nogal stringent beleid hadden.
Volgens de regels mocht je alleen
maar mensen in een bepaald type
woningen huisvesten. Van lieverlede
is er onder leiding van de heer
Heerma, de toenmalige staatssecre-
taris van Volkshuisvesting, een
versoepeling ontstaan. De discussie
werd mogelijk dat je misschien ook
anders kon huisvesten dan alleen
maar in de doorzonwoning. Dat werd
uiteindelijk ook in het beleid
gee¨ffectueerd.
Mevrouw Sipkes roept het beeld
op dat die overgang naar makkelijker
vormen van huisvesting al lang aan
de gang was. Dat was helemaal niet
al lang aan de gang. In veel
gemeenten is men praktisch nog niet
eens aan die vraag toe. Daarom
heeft de heer Kamp zijn inbreng ook
op dat punt gefixeerd. Ik vind dat hij
daar gelijk in heeft. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2779" anker="280" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Dat
ben ik ook met hem eens. Maar dat
is ook de bestaande situatie. Een
ROA-woning kan gewoon een
doorzonwoning zijn waar vijf
individuen in gehuisvest worden. Dat
is niet zo uitzonderlijk. Er kunnen ook
twintig mensen worden gehuisvest
in een groter huis. Dat komt
eveneens in de ROA voor.</spreker>
<spreker pagina="40-2780" anker="281" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Het is gelukkig
niet meer zo uitzonderlijk als een jaar
of vijf geleden. Ik herinner mij hoe
het toen was. Van lieverlede is er een
versoepeling gekomen. Het gaat in
zo’n lump-sum-beoordeling om plus-
en minposten. Het gaat nu om de
vraag of je ervan uit mag gaan dat
het vanuit die sobere gedachte
grosso modo toereikend is voor het
werk waar gemeenten voor komen te
staan. Wij hebben de stellige indruk
dat het op deze manier kan, waarbij
een paar laatste woorden daar
overigens nog niet over gezegd zijn.
Op het overleg met de gemeenten
kom ik later nog terug. Ik ben dus
niet overtuigd. Ik heb ook geen
rekensommen gezien die erop
neerkomen dat dat niet waar zou
zijn. Nogmaals, de ROA was aan de
ruime kant. Wij moesten een stapje
terug met die vergoedingen. Dat
weet iedereen.
Dan blijft het punt van de
indexeringen staan. Dat is volgens
mij echter een misverstand. Naar
mijn mening voorziet de wet in een
jaarlijkse aanpassing aan de index.
Dat punt van mevrouw Van der Burg
is dus geregeld.
Van belang is de vraag of wij
hiermee alle financie¨le risico’s
hebben afgedekt. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2780" anker="282" partij="CDA" naam="Gabor">
 Voorzitter! Ik
heb de indruk dat de minister de
brief van VluchtelingenWerk
Nederland niet kent. Daar zijn een
heel zorgvuldige berekening, een
advies en een oordeel van het
Nationaal instituut voor budget-
voorlichting bij gevoegd. Die
monden uit in de heldere conclusie
dat die ƒ 125 per kind gewoon echt
niet toereikend is. Het kan zijn dat de
minister het daar niet mee eens is –
dan noteer ik dat – maar er zijn toch
wel degelijk instellingen met een
zeker gezag in dit land, die zeggen
dat dit bedrag per kind absoluut niet
toereikend is. Misschien kan de
minister daar nog iets dieper op
ingaan? Het is immers een cruciale
kwestie.
Er is een algemene beschouwing
over de financie¨n gegeven. Ik hecht
eraan, te stellen dat het bedrag per
kind met ongeveer ƒ 500 wordt
verlaagd. Dat is natuurlijk niet niks.
Voorts heb ik uit de memorie van
antwoord vernomen dat men met
een bedrag van ƒ 30 op de een of
andere wijze de inrichting wil
organiseren. Ik weet niet hoe
gemeenten in staat zijn om met
ƒ 30 in de maand een spaarsysteem
te ontwikkelen aan de hand waarvan
zij woningen kunnen inrichten op
een bescheiden en sobere manier. Ik
heb het niet over kastelen, maar over
woningen die sober zijn ingericht.
Dat kan via een regeling van ƒ 30 in
de maand niet opgebouwd worden.
Daarmee loopt men echt vast. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2780" anker="283" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Voorzitter! Ik denk
dat de heer Gabor een berekening in
het hoofd heeft waarvan het maar
zeer de vraag is, of die voor elke
gemeente geldt. Of je probeert op elk
onderdeel de kosten te berekenen;
dat betreft een veelvoud van
onderwerpen. Of je gaat per persoon
uit van een bepaalde lump sum; dat
betekent dat gemiddeld gesproken
alle plus- en minposten daarin
verrekend zijn en dat de gemeente er
aan het eind van de rit gemiddeld
gesproken mee kan uitkomen. Voor
het laatste is gekozen. De heer Gabor
kiest redelijk selectief voor die
ƒ 30. Ik stel daar het volgende
tegenover. Waarover hebben wij het
als het gaat om de inrichtingskosten
en als men in de nieuwe situatie vier
keer ƒ 750 krijgt voor de kosten van
huisvesting van vier alleenstaanden?
Dat betreft een gigantisch bedrag.
Daar zit winst in. Men kan dus niet
zo gemakkelijk tot de conclusie
komen dat de sommen die zijn
gemaakt niet kloppen. Het probleem
is dat ik niet kan bewijzen dat het
klopt, dat de heer Gabor niet kan
bewijzen dat het niet klopt en dat het
met andere woorden een avontuur
is, waarbij uitgegaan wordt van een
lump-sum-gedachte plus een nadere
uitwerking ervan en vervolgens moet
worden bekeken hoe dat uitpakt.
Dit brengt mij op de gang van
zaken met de VNG, ook al omdat de
heer Gabor naar mijn mening een
kleine vergissing maakte. Hij bleek
nogal verbaasd te zijn dat het
akkoord met de VNG dat eind
augustus voor het grijpen lag niet
met beide handen is aangegrepen.
Een lastig punt was dat de vorige
regering bij het onderhandelen over
al deze lastige financie¨le zaken op
een gegeven moment niet verder is gekomen dan te zeggen: laten wij het
afkopen, wij geven een bedrag en
van daaruit proberen wij de zaken te
regelen. Dat betrof een akkoord met
de VNG met een beperkte werking.
Wij kwamen vervolgens voor de vraag te staan: hoe gaan wij verder?
Het probleem was dat de overgang
van de ROA en alles wat ermee
annex is na de waterscheiding die
wij voor ogen hebben niet klaar op
tafel lag en dat gemeenten nog
steeds mensen aan het huisvesten
waren die eigenlijk in de centrale
opvang hadden moeten zitten; zij
konden echter niet anders. Dat was
allemaal heel ingewikkeld. Wij
hebben toen wederom een akkoord
gesloten met de VNG – volgens mij
is de heer Gabor daarvan op de
hoogte – dat loopt tot 1 juli a.s. De
afspraak is daarbij gemaakt dat wij in
maart met de VNG verder onderhan-
delen over een aantal onopgeloste
financie¨le vraagstukken die hiermee
rechtstreeks te maken hebben. Ik wijs
op het inburgeringstraject inclusief
de commissie-Ter Veld, het tweede-
taalonderwijs en alles wat erbij
hoort. Wij gaan dus in maart om de
tafel zitten met de VNG en dan zal
een heel gevecht ontstaan, wat ook
zo hoort als je aan het onderhande-
len bent, gericht op de afspraken die
na 1 juli vorm moeten krijgen, maar
nu met de wet als basis daarvoor. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2780" anker="284" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">

Waarom is afgesproken om dat in
maart te doen, terwijl u al wist dat u
de wet wilde laten ingaan per 1
april? Het lijkt wel alsof u tevoren de
zaak in een pressure-cooker hebt
willen zetten om ervoor te zorgen dat
er iets uit zou komen. Hebt u dat in
november bedacht? Is de VNG ook
die mening toegedaan? Ik vind het
merkwaardig, dit op zo’n tijdstip te
laten culmineren. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2780" anker="285" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Ik wilde dat ik in
november al had geweten hoe de
processen precies zouden verlopen
en wat voor mij het handigste
moment zou zijn, maar zo is het
helaas niet gegaan. Het is allemaal
veel platvloerser. Het gevecht met de
VNG in het najaar was een lang
gevecht, met uitstel, overleg in eigen
kring enz. Alles wat bij onderhande-
len hoort, hebben wij mee mogen
maken. Uiteindelijk heeft dit in
november geleid tot die afspraak.
Het is duidelijk dat je, als je in
november een afspraak hebt
gemaakt, niet in december al verder
gaat onderhandelen. Dat zit in de
dynamiek van onderhandelen.
Bovendien moesten wij ten
behoeve van een nadere standpunt-
bepaling intern nog discussie¨ren
over de aanbevelingen van de
commissie-Ter Veld. Dit was
gekoppeld aan de discussie over de
inburgering. Zolang die discussie
niet afgerond was, wisten wij niet op
basis waarvan wij verder van
gedachten moesten wisselen. Nadat
wij een en ander in de tijd hadden
uitgezet, kwamen wij op maart uit.
Gezien het feit dat wij daar op 1 juli
mee klaar moesten zijn, leek maart
ook wel voldoende ruimte te bieden.
Immers, je moet zorgen dat je dan
een akkoord bereikt. Op 1 juli lopen
alle afspraken af. Je kunt dan vrolijk
verder. Nogmaals, om die zeer
laag-bij-de-grondse redenen hebben
wij de termijn op maart gesteld. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2781" anker="286" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 Op
welk moment denkt de minister de
onderhandelingen af te sluiten? Gaat
hij uit van een overeenstemming in
maart of later? Kan de minister
toezeggen dat de onderhandelingen
zijn afgerond vier tot zes weken
voordat de desbetreffende artikelen
van kracht worden, opdat de
rapportage over de onderhandelin-
gen in die tijd naar de Kamer
gestuurd kan worden en zij er zo
nodig over van gedachten kan
wisselen? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2781" anker="287" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Ja, als u mij maar
niet houdt aan een weekje meer of
minder. In maart gaan wij om de
tafel zitten en wat mij betreft, zijn wij
er in die maand mee klaar. Het kan
gebeuren dat een en ander moei-
zaam verloopt en dan ben je er in
april mee klaar. Dat moet ook. Wij
hebben absoluut niet de intentie en
evenmin de VNG, haar kennende,
om in maart te beginnen en dan alle
rituele dansen uit te voeren om op
30 juni uiteindelijk onder grote druk
iets tot stand te brengen. Zo zal en
moet het niet gaan. Gesteld dat het
lukt in maart of april, wat ik ook vast
voornemens ben, dan zullen wij de
Kamer daarover onmiddellijk
informeren, opdat zij de gelegenheid
krijgt om na te gaan of zij zich achter
het regeringsbeleid kan stellen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2781" anker="288" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 Het
is prettig dat de minister toezegt dat
wij die informatie direct krijgen.
Maar gesteld dat een en ander
moeizaam verloopt en het inmiddels
27 juni is, dan bestaat die mogelijk-
heid niet. Misschien kan de afspraak
gemaakt worden dat 15 mei, uiterlijk
1 juni de Kamer wordt geı¨nformeerd
over de resultaten van de onderhan-
delingen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2781" anker="289" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Dat zeg ik
volgaarne toe, voor zover u die
berichten dan al niet bereikt hebben.
Immers, zoals zo vaak bereiken
berichten van de VNG de Kamer
rechtstreeks. Ik ken mijn rechten,
maar ik ken die van de Kamer ook.
De Kamer kan inderdaad op elk
moment aan de minister vragen om
te komen uitleggen waarom, gezien
het feit dat de datum erg dichtbij is,
er nog geen akkoord is. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2781" anker="290" partij="CDA" naam="Gabor">
 Aan de hand
van het antwoord op de volgende
twee vragen wil ik graag duidelijk-
heid krijgen over hetgeen waarover
straks wel onderhandeld wordt en
waarover tot nu toe al dan geen
overeenstemming bereikt is. De
minister zei zojuist dat er inmiddels
overeenstemming met de VNG is
bereikt. In mijn bijdrage heb ik al
aangegeven dat op pagina 3 van de
brief van de VNG van 22 november
jl. heel uitdrukkelijk staat dat het idee
voor een wettelijke regeling waarbij
geen vergoeding wordt gegeven
voor de inrichting van een eerste
opvanghuis, onaanvaardbaar is. Is
dat standpunt van de VNG gewij-
zigd?
Bij de onderhandelingen in maart,
wat mij wel bekend is, komen toch
die zaken aan de orde die te maken
hebben met de inburgering, dus over
nog hangende kwesties? De minister
onderhandelt toch niet meer over die
ƒ 125 voor degenen die jonger zijn
dan 18 jaar en evenmin over de
inrichting van een eerste woning-
opvang? Of heb ik het verkeerd
begrepen? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2781" anker="291" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Ik heb het
verkeerd uitgelegd. Misschien lopen
enkele dingen door elkaar. Zonder
wie dan ook daartoe uit te nodigen,
kan men alles in de onderhandelin-
gen inbrengen. Ik weet best wel waar
de VNG in financieel opzicht zeer
tevreden en waar zij niet tevreden
over is. De VNG ken ik goed genoeg
om te weten dat zij geen gelegen-
heid voorbij laat gaan om haar gelijk
te krijgen.
De afspraken van 1994 moesten
een vervolg krijgen. In een akkoord
hebben wij vastgelegd dat die lopen
tot 1 juli 1995. Dan is de vraag, hoe
gelukkig is iedereen met dat
akkoord? Welnu, de VNG is daar niet
gelukkig mee. Bovendien bevatte het
onderdelen die nog niet uitgewerkt
waren. Ik noem het onderwijs en de
inburgering. Op grond van die
overwegingen hebben wij afgespro-
ken dat wij in maart aan tafel gaan
zitten. Met deze wetgeving en de
bedragen die erin staan, zou je
kunnen zeggen dat op een onderdeel
de pas is afgesneden. Ik ga niet in
maart onderhandelen over een wet
waarvan ik hoop dat zij in het
Staatsblad staat. Als men vindt dat
er in die wet iets veranderd moet
worden, als een bedrag omhoog of
omlaag moet, moet men dat wel
vandaag zeggen, want het moet per
amendement gebeuren. In die zin
heeft men gelijk dat het is afgesne-
den. Op de andere punten komen wij
elkaar nog tegen, eerst de VNG en ik
en daarna u en ik.
De heer Schutte heeft gevraagd
welk uitgangspunt ik daarbij kies. Hij
zal begrijpen dat ik nu niet in
financie¨le zin de kaarten op tafel leg,
ook omdat ik het nog niet helemaal
weet wat betreft de inburgering,
tweede-taalonderwijs en dergelijke.
De invalshoek zal echter wel zijn
soberheid, eenvoud, handhaafbaar-
heid en maatwerk, in de lump-sum-
gedachte. Ook in die gesprekken
blijft dat voor ons een van de
leidende beginselen.
De heer Gabor heeft gewezen op
een mogelijke onduidelijkheid over
de categorie VVTV’ers. Hij verwees in
dit verband naar een brief van
VluchtelingenWerk Nederland.
Daarover kan volgens mij geen
onduidelijkheid bestaan. Op 9
november van het vorige jaar heeft u
een brief gehad van de staatssecreta-
ris van Justitie. Op 1 december heeft
u daarover overleg gevoerd. In het
beleid krijgen mensen op een
gegeven moment die status en dan
behoren zij tot die categorie.
Iedereen die die status niet heeft,
behoort niet tot die categorie. Je
kunt discussie¨ren over de vraag of
de mensen die een VVTV verdienen,
die wel krijgen. Die discussie speelt
zich echter niet af in het kader van
deze wetgeving. Die discussie speelt
zich eerder af op het andere dossier.
Voor vandaag lijkt het mij vrij helder. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2781" anker="292" partij="CDA" naam="Gabor">
 Ik ben daar
bijzonder verheugd over, want het is
belangrijk om hierover duidelijkheid
te geven. Ik ben de minister erg
erkentelijk voor dit antwoord. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2781" anker="293" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Mevrouw Van der
Burg en de heer Kamp hebben
gesproken over de instemming met
de fasegewijze integratie van de
VVTV’er. Ik kan de uitwerking nog
niet in detail geven, maar wij praten
hier over een ander tempo van
integratie dan bij de andere
nieuwkomers. Die gefaseerde aanpak
is inderdaad de bedoeling. Dat zou
ertoe kunnen leiden dat ik later de
wet moet wijzigen, namelijk op het
moment dat volstrekt duidelijk is hoe
die inburgering, ook voor deze
groep, gestalte krijgt. Het heeft
echter geen zin om u daarmee nu al
lastig te vallen, omdat ik nog volop
met die inburgering bezig ben.
Los van wat de heer Schutte in
algemene zin heeft gezegd over de
voorspelbaarheid van het beleid voor
de komende jaren, heeft hij
gesproken over de cijfers die nu in
de toelichting figureren over het
aantal VVTV’ers dat wij verwachten.
Die cijfers zijn ook aangepast ten
opzichte van prognoses ervoor. Hij
heeft gemaand tot een zekere
voorzichtigheid, omdat alle progno-
ses nooit gehaald zijn. Nu is dat tot
nu toe altijd in negatieve zin
geweest. Het waren er altijd meer
dan wij dachten. Ik heb nu toch
reden om aan te nemen dat er een
voorzichtige kentering is. Ik heb
echter geen materiaal om dat nu
concreet voor te kunnen leggen. Dit
hangt natuurlijk samen met de
monitoring van ontwikkelingen,
waarmee wij volop bezig zijn, om te
komen tot de meest betrouwbare
prognoses dienaangaande. Je
baseert het beleid op de beste cijfers
die je hebt en je weet dat morgen de
cijfers anders kunnen zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2782" anker="294" partij="GPV" naam="Schutte">
 In algemene
zin is dat natuurlijk waar, maar mijn
opmerking had met name betrekking
op de VVTV’ers. Is het juist dat tot nu
toe de praktijk van de toekenning
van die status minder statussen
oplevert dan verwacht werd? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2782" anker="295" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Ja, dat is zeker op
dit moment het beeld. Ik durf dat
alleen nog niet in getallen uit te
drukken, wetend hoe gevoelig u voor
die getallen bent.
De heer Van den Berg heeft nog
gewezen op het lastige probleem van
het regionaal openbaar lichaam. Dat
heeft ook met de bestuurlijke
vernieuwing te maken. Hoe gaan wij
daarmee om? Vooralsnog is het
noodzakelijk om het te regelen zoals
wij het regelen. Dat komt doordat wij
in voorgaande regelingen die eraan
ten grondslag liggen, de bevoegd-
heid voor de huisvesting ook bij die
openbare regionale lichamen hebben
gelegd. Het lijkt mij logisch dat je dit
daarbij voegt. Ik zeg er wel met grote
nadruk bij dat wij nog een discussie
met elkaar zullen voeren over de
vernieuwing van de bestuurlijke
organisatie van ons land. In dat
kader komen wij natuurlijk te praten
over de plaats van regionale
openbare lichamen. Van daar uit
kunnen wij wel eens tot wijzigingen
van het beleid komen die tot
wijziging moeten leiden van datgene
wat in dit wetsvoorstel staat. In de
volgorde van de zaken kan het niet
anders dan dat het op dit moment
op deze manier wordt geregeld. Wij
komen elkaar bij dat dossier nog
tegen.
Mevrouw Verbugt heeft gezegd
dat zij er inzicht in wil hebben hoe
het integratiebeleid gestalte krijgt.
Dat is een zeer breed terrein, dat veel
meer dan alleen de inburgering
beslaat. Laat ik mij even daarop
concentreren. Het kabinet heeft een
eerste, globale schets van de
inburgering gemaakt, niet alleen
voor de onderhavige groep met een
gefaseerde ontwikkeling. De Kamer
is hiervan per brief op de hoogte
gesteld. Over deze zeer globale
aanduiding wordt op dit moment
overlegd met de gemeenten, omdat
zij het straks allemaal moeten
uitvoeren. Ik hoop dat ik in maart,
april met het definitieve plan naar de
Kamer kan komen. De Kamer moet
op dit punt dus een beetje geduld
hebben. Dat plan betreft de
afspraken die het Rijk over de
voorwaarden en regels voor
inburgering gemaakt heeft, waarmee
de gemeenten aan het werk moeten
gaan. In dat kader zal ik concreet
aangeven hoe wij de gefaseerde
aanpak voor de VVTV’ers zien.
Hieraan zit natuurlijk een financie¨le
dimensie vast, die vooral met het
onderwijs te maken heeft.
Tegen de heer Dittrich zeg ik dat er
voor de VVTV’ers dus inderdaad een
andere aanpak komt dan voor de
andere nieuwkomers. Bij de fasering
kun je globaal aan het volgende
denken. Fase 1 gaat alleen over
basiseducatie, scholing in het
algemeen. Fase 2 betreft beroeps-
orie¨ntatie en beroepsvoorbereiding
voor kort werk. De derde fase wordt
gewoon vrije toegang tot de
arbeidsmarkt. Dat wordt zo’n beetje
het stramien waarlangs de
inburgeringsafspraken voor VVTV’ers
gestalte krijgen.
Mevrouw Verbugt vroeg hoe de
verdeling van de verantwoordelijkhe-
den tussen VROM en Binnenlandse
Zaken precies is. Ik kan verwijzen
naar een brief die ik naar de Kamer
heb gestuurd naar aanleiding van het
overleg waarin dit soort vragen zijn
gesteld. Het is betrekkelijk eenvou- dig: over de huizen gaat de heer
Tommel en niet ik. Alles wat met
huisvesting te maken heeft, is zijn
verantwoordelijkheid als vak-
bewindsman. Daarbij speel ik een
coo¨rdinerende rol. In het kader van
dit wetsvoorstel heb ik nog een
bijzondere rol voor de zorgplicht, dat
wil zeggen het geld, de ziektekosten-
verzekering en al dat soort dingen.
Voor zover het de kant op gaat van
verdere integratie en inburgering ben
ik weer afhankelijk van andere
vakdepartementen, Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen en VWS.
Daarbij treed ik weer op als
coo¨rdinerend bewindsman. Ik
vertoon hierbij dus een soort
bestuurlijk kameleongedrag.
De heer Kamp legde een relatie
tussen de prognoses en de investe-
ringen die gemeenten moet doen om
de sobere huisvesting wat makkelij-
ker ter hand te kunnen nemen. Ik
denk dat hij gelijk heeft, maar de
prognoses hebben nog een heel
andere dimensie. De heer Tommel
zal er straks wel iets over zeggen; ik
laat het dus verder even terzijde. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2782" anker="296" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 Ik
had nog een vraag over het vorige
onderwerp. Is er duidelijkheid over
de arbeidsplicht, die in de tweede
fase wordt ingevoerd? Ik vind dit een
heel moeilijk onderdeel van de
tweede fase van de gefaseerde
integratie. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2782" anker="297" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Het vraagstuk van
de sancties bij de inburgering, zowel
in het algemeen als voor deze groep,
is lastig. Wij hebben met die
algemene inburgering ingezet op een
niet te zware sanctie, een relatie met
de uitkering, en gaan voorlopig niet
veel verder. Bij de uitwerking hiervan
moeten wij heel zorgvuldig bekijken
hoever wij met de verplichting gaan
en wat wij doen wanneer men zich
er niet aan houdt. Ik ben nog niet
zover en kan er dus nog niet veel
over meedelen. Op het moment dat
dit vorm heeft gekregen en de Kamer
geen reden heeft om de regering
hierin niet te steunen, is het mogelijk
dat dit een vertaling in de wet moet
krijgen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2782" anker="298" partij="PvdA" naam="Van der Burg">

Komt dit in maart aan de orde in de
onderhandelingen met de VNG, of
op een ander moment? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2783" anker="299" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Het overleg over
inburgering en sancties is nu al
volop aan de gang. Dit punt zal zeker
ook apart met de gemeenten
besproken worden. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2783" anker="300" partij="VVD" naam="Kamp">
 Voorzitter! Ik
zal straks met plezier naar de heer
Tommel luisteren, maar ik hoor nu
eerst graag het commentaar van de
heer Dijkstal op de stelling van
VluchtelingenWerk Nederland, die
zegt dat de VVTV eigenlijk bedoeld is
voor mensen die in verband met de
algeheel slechte situatie in hun
oorspronkelijke land niet terug-
gestuurd kunnen worden. Nu zou
blijken dat aan die groep mensen
niet of nauwelijks ook maar een
VVTV wordt verstrekt. Kan de
minister hierop reageren? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2783" anker="301" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Nee, daar wil ik in
die zin niet op reageren, dat het
gehele vraagstuk over toelating en
status een vraagstuk is dat ver
uitstrekt boven deze wetgeving en
valt onder de verantwoordelijkheid
van de staatssecretaris van Justitie.
Wij gaan er in deze wet op dit
moment ook ter wille van de tijd van
uit dat mensen of een status als
asielzoeker krijgen, waarna zij in het
traject komen dat onder de ene wet
valt, of die status niet of nog niet
krijgen, maar wel de status dat ze
beredeneerd en beargumenteerd nog
niet naar hun land van herkomst
terug kunnen. Dan ontstaat er een
voorlopige status. Dat noemen wij in
het jargon VVTV’ers. Daaraan ligt
een bepaald beleid ten grondslag. De
gedachte daarbij is dat het gerecht-
vaardigd is om het zo te doen,
omdat men ook teruggaat op het
moment dat de situatie in het land
van herkomst veilig is geworden. Het
is niet te voorspellen wanneer dat zal
zijn, dus dat kan best mislopen. In
die zin zullen VVTV’ers dan later ook
wel weer in een andere status
terecht kunnen komen. Het is
allemaal heel ingewikkeld. Ik heb mij
er ook absoluut niet op voorbereid
om u dat allemaal uit te leggen, voor
zover ik dat u¨berhaupt al zou
kunnen. Dus die voorlopige status is
er en die rechtvaardigt ook een iets
andere aanpak dat die andere status.
Zo kom ik ook bij de inburgering van
de VVTV’ers tot een iets andere
aanpak dan bij de andere groep. Zo
zijn er wel meer verschillen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2783" anker="302" partij="VVD" naam="Kamp">
 Maar er is toch
sprake van een aparte wet inzake de
gemeentelijke zorg. In de stukken
staat vermeld dat het in het jaar 1995
om 10.000 mensen zal gaan. Maar
een instelling die zich met deze
problematiek bezighoudt, zegt dat
niet een van deze mensen een VVTV
zal krijgen. Het verschil tussen nul en
10.000 is zodanig groot, dat het toch
zinvol lijkt dat u ons duidelijk maakt
dat die wet zin heeft, dat het wel
degelijk om relevante aantallen gaat
waarvoor moet worden gezorgd. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2783" anker="303" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 U overvalt mij een
beetje. Volgens mij heeft u daar al
het materiaal voor in huis. Het
gehele toelatingsbeleid en de titels
op grond waarvan mensen die status
krijgen is volop aan u bekend. Dan
kun je natuurlijk een inschatting
maken van het aantal VVTV’ers uit
Kroatie¨ die hier zijn, maar die straks
weer kunnen terugkeren als er weer
vrede is. Maar ik weet eerlijk gezegd
op dit moment niet om hoeveel
mensen dat gaat. Wij praten over die
groepen mensen die tijdelijk hier
moeten zijn, omdat het in hun land
onveilig is, maar die weer teruggaan.
Alleen al het voormalige Joegoslavie¨
lijkt mij een interessant gebied om
met dit soort statussen te werken. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2783" anker="304" partij="VVD" naam="Kamp">
 Als u zegt dat
het om 10.000 mensen gaat, neem ik
aan dat het inderdaad om 10.000
mensen gaat. En dan kunnen het er
ook nog wel wat minder zijn. Daar
kijk ik nu niet naar. Maar als er
gesteld wordt dat het er nul zijn,
denk ik dat het verstandig is daar
commentaar op te geven. Dat
behoeft niet nu te gebeuren, want
wij hebben de brief pas kort geleden
gekregen. Het debat duurt nog tot elf
uur vanavond. Als het niet lukt
vanavond op dit punt helderheid te
verschaffen, kan het ook bij een
andere gelegenheid. Ik wil in ieder
geval graag van u horen of het
redelijke informatie is die wij hebben
gekregen dat het om nul personen
gaat. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2783" anker="305" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Daar kan ik u nu al
wel van zeggen dat het een
onredelijke informatie is. Ik vermoed
dat de oorzaak hiervan is dat
VluchtelingenWerk Nederland vindt
dat niemand zo’n status moet hebben. Dat men zegt: o`f je vindt dat
ze terug moeten, al heeft men daar
waarschijnlijk ook bezwaar tegen, o`f
ze krijgen een hele status, maar niet
zo’n halve. Want het enige dat ik van
VluchtelingenWerk Nederland weet,
is dat deze organisatie niet enthou-
siast is over die voorlopige status-
sen. Maar het lijkt mij wel zeer
bezijden de werkelijkheid om te
denken dat het om nul mensen gaat.
Want u weet beter en ik weet beter
op grond van de informatie die wij
hebben. Het lijkt mij dan ook niet erg
zinvol om daar een heel debat over
te voeren. Maar als hier een
ambtenaar van Justitie zit en als dat
materiaal snel te leveren is, vind ik
het prima. Dan krijgt u die informatie
nog wel. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2783" anker="306" partij="SGP" naam="Van den Berg">
 Er zit
nog wel een ander punt aan vast.
Het gaat mij niet zozeer om de
aantallen, dat wordt wel opgehel-
derd. Maar het gaat dan wel om het
doel, om de reden waarom destijds
deze categorie is ingesteld. De
minister zegt terecht dat deze status
bedoeld is voor vluchtelingen die
nog geen definitieve status hebben
en waarschijnlijk niet permanent hier
behoeven te blijven, maar hier alleen
blijven totdat ze terug kunnen naar
hun land van herkomst. Maar dat
werpt dan wel een ander licht op de
doelstelling van integratie. Ik heb
nog geen reactie van de minister
gehoord op de vragen die ik
daarover heb gesteld. Moet voor
deze groep dan dezelfde integratie-
doelstelling gelden, niet alleen op
het punt van huisvesting, maar ook
op andere punten? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2783" anker="307" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Precies! Er is een
veel interessantere discussie
mogelijk over de vraag wat je moet
doen met een groep mensen bij wie
je ervan uitgaat dat ze na verloop
van tijd, na een paar jaar, weer terug
zullen kunnen gaan naar hun land
van herkomst, terwijl je niet de
zekerheid hebt of en wanneer dat
echt zal gebeuren. Dan zijn er twee
modellen denkbaar. Het ene model is dat je er niets mee doet. Je zegt dan:
als je een echte status hebt, doen wij
wat aan je integratie, maar heb je dat
niet, dan blijf je hier maar een paar
jaar rondhangen en ga je maar wat
op een houtje bijten. En dan hopen
wij dat je weer teruggaat. Dat is de
ene keuze. De andere keuze is dat je
langs een bepaald traject – een
gefaseerd traject, een sober traject,
een ander inburgeringstraject – wel
iets met die mensen doet vanuit de gedachte: zij gaan wel terug, maar
laten wij er ook maar rekening mee
houden dat dat niet gebeurt of in
ieder geval niet zo snel als wij
denken. Dan ontstaat er een
gefaseerde aanpak die ik eerder heel globaal heb aangeduid: basiseduca-
tie, taal, van lieverlede een beetje
mogen werken en uiteindelijk in de
laatste fase, als men niet teruggaat,
aan de arbeidsmarkt mogen
deelnemen. Aan zo’n traject denk ik. Dat kun je in de tijd uitzetten: drie
jaar, vijf jaar of tien jaar. Daarover
kan worden gediscussieerd. Maar dat
is de portee om iets met deze
bijzondere groep te doen. Dat lijkt
mij niet onlogisch. Je moet alleen
oppassen dat je het niet opsiert en
optuigt met heel mooie huisvesting,
mooie banen en allerlei voorzienin-
gen. Dan ontstaat het beeld dat de
heer Kamp schetste, sprekende over
de soberheid. Er zal dan een
aanzuigende werking van uitgaan.
Dan wil men vooral niet terug. Dat is
juist. Er zal een juiste balans moeten
worden gevonden. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2784" anker="308" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">

Voorzitter! Ik wil het niet direct over
de VVTV-status hebben. Die lijkt mij
redelijk helder. Afgesproken is dat er
wordt ingeburgerd, ook in de drie
jaar dat de status geldig is. Immers,
de kans is groot dat mensen blijven.
Ik wil het even over iets anders
hebben. De minister heeft al een paar keer gezegd: dat is een deel
waarover ik niet ga, dat is de
justitiekant. Maar tegelijkertijd is het
een heel belangrijk deel voor dat
deel waarvoor de minister recht-
streeks verantwoordelijk is, namelijk
betreffende de gemeenten. Het gaat
mij om de onhelderheid, de
onduidelijkheid en de traagheid in de
doorstroming. Ik heb het dan niet
over politieke meningsverschillen. Een ding staat vast: hier wordt
kamerbreed gezegd dat het niet kan
dat mensen een jaar of anderhalf
jaar wachten op een eerste verhoor,
statusverlening en dergelijke. Welke
garantie kan de minister geven als
hij in maart met de VNG gaat praten
dat daarover helderheid komt? Welke
garantie kan hij geven dat het vanaf
nu niet meer zal voorkomen dat
mensen een jaar of anderhalf jaar in
de ROA zitten en wachten op een
eerste verhoor? Dat komt voor. En
welke garantie kan de minister geven
dat de centrale opvang voldoende is? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2784" anker="309" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Ik kan die garantie
in absolute zin niet geven. Ik kan wel
de volgende garantie geven. Er
zullen beleidsmatig, dus op diverse
onderdelen van dit beleid, aanscher-
pingen plaatsvinden. Die aanscher-
pingen zijn al bij herhaling in de
Kamer aan de orde geweest. Wij
zullen het beleid er volop op richten
om mensen via de AC-aanpak op te
vangen. De Kamer heeft onlangs
cijfers ontvangen. Dat houdt in dat zij
vervolgens naar de opvangcentra
gaan en dat er een snellere
behandeling zal plaatsvinden. Wij
moeten sneller tot een beoordeling kunnen komen: hij of zij wel, hij of zij
niet. Hoe eerder je weet ’’hij of zij
wel’’ en hoe eerder je de achterstand
hebt ingehaald, hoe gemakkelijker
het is om daarna het traject uit te
zetten naar de decentrale huisves-
ting. Wij hebben in het verleden
natuurlijk heel veel achter de feiten
aangelopen. Dat verklaart waarom
wij de akkoorden met de VNG
hebben gesloten, in 1994 en nu. Wij
hebben enige hoop dat wij met de
instrumenten die wij nu hebben
beter kunnen sturen. Wij hebben dan
meer zicht. Van daaruit kunnen wij
verder werken.
Er is een lastige factor, namelijk
dat het aanbod niet door ons
gereguleerd wordt. Wij kunnen best
een beleid voeren om in het
buitenland de aanzuigende werking
af te remmen. Er is al volop
gediscussieerd over veilige landen
van herkomst, veilige derde landen
en alle andere landen. De discussies
daarover vinden volop plaats. Maar
niemand kan de garantie geven dat
het aantal dat volgende maand komt,
als alle wetten van kracht zijn, X of Y
zal zijn. Die onzekere factor blijft er
altijd in. Dat is ook het lastige in dit
dossier. De heer Tommel zal straks
nog iets zeggen over de prognoses.
Maar ik denk dat wij zo goed en
kwaad als het kan en met de
instrumenten die wij hebben, een en
ander beter kunnen besturen dan tot
nu toe mogelijk leek. Dat zeg ik niet
in verwijtende zin. Ik kan echter niet
de garantie geven die mevrouw
Sipkes en de gemeenten graag
zouden krijgen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2784" anker="310" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">

Voorzitter! Die geeft de minister mij
nu dus niet. Dergelijke argumenten
komen steeds terug. Dat weten de
gemeenten natuurlijk ook. De
minister heeft inderdaad de instroom
van mensen die hierheen komen niet
in de hand. Dat is helder. Maar als
verantwoordelijke voor wat de
gemeenten aan opvang en huisves-
ting kunnen doen, heeft de minister
ook de taak om ervoor te zorgen dat
het sneller gaat. Dat gebeurt nog
steeds niet. Ik kan mij voorstellen dat
die onduidelijkheid in het overleg
met de VNG aan de orde zal komen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2784" anker="311" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Absoluut. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2784" anker="312" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Dan is mijn vraag: in hoeverre voert u
dan overleg met het ministerie van
Justitie om ervoor te zorgen dat dit
nu eindelijk eens definitief wordt
geregeld? De verhalen die u nu naar
voren brengt, hoor ik eens in het
kwartaal. Op het moment dat je even
je neus hier buiten de deur steekt en
in een gemeente terecht komt, blijkt
dat er van alle mooie woorden van
achterstanden inhalen en wegwerken
en sneller afhandelen in de praktijk
niets terecht te komen. U praat dan
met mensen die met de praktijk te
maken hebben. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2784" anker="313" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Dit komt uit uw
mond natuurlijk wel een beetje
vreemd over. U was een van
degenen die de AC’s al niet wilde
hebben. Nu boeken wij daar
resultaten en dan is het verwijt dat
het beleid niet effectief is. Het
toelatingsbeleid wordt om een aantal
zeer dringende redenen terecht
aangescherpt. U bent daar altijd
tegen geweest. Wij zitten nu in de
fase dat sommige wetgeving het
Staatsblad heeft gehaald en dus
effectief kan worden. Andere
wetgeving heeft het Staatsblad
overigens nog niet gehaald. Ik doe
via u een beroep op de Eerste Kamer
om het wetsvoorstel snel aan te
nemen, zodat wij het beleid
daadwerkelijk kunnen uitvoeren door
de regels aan te scherpen. U heeft
daar met uw partij nooit zoveel steun
aan gegeven.
De tweede kant daarvan is de
operationele kant. De mensen komen
in de AC’s, de OC’s of voor mijn part
zo meteen in de decentrale huisves-
ting en in het VVTV-traject. Dan
ontstaan er bestuurlijke vragen van
capaciteit. Hoe snel kun je die
verzoeken behandelen en afdoen,
komt de hele rechtsgang erachter
nog? Er is een grote inspanning op
dat terrein. Dat weet u, want de
staatssecretaris van Justitie heeft u
daar bij herhaling over geı¨nformeerd.
Zij wil proberen de achterstand in te
halen en ervoor zorgen dat wij bij de
nieuwe groepen niet in een
achterstand komen. De inzet is er
dan ook op gericht om te proberen
sneller te beoordelen en sneller
duidelijkheid te hebben over wat
decentraal moet.
De gemeenten zijn het derde deel
van het probleem. Tot nu toe zaten
zij via de ROA-aanpak met een
bepaalde regeling die zij moesten
uitvoeren. Daarvan kennen wij ook
het wel en wee in de praktijk.
Bovenop de achterstand die er was
moesten zij mensen huisvesten die
eigenlijk nog niet bij hen hoorden,
maar het moest, want wij moesten
ze ergens laten. Daar proberen wij
nu samen met de VNG via overeen-
komsten uit te komen. Dat hebben
wij met het laatste akkoord in
november ook gedaan. Er zijn
afspraken over gemaakt. Dat heeft er
ook toe geleid dat data zijn opge-
schoven en andere afspraken zijn
geamendeerd. De heer Tommel kan
u daar nog veel meer over vertellen.
Op dat traject proberen wij voort-
gang te boeken. Ik denk dat er meer
dan genoeg reden is om aan te
nemen dat wij sneller, effectiever en
duidelijker kunnen werken. Misschien
kan het niet in de mate die u en ik
zouden willen, maar ja, je kunt ijzer
ook niet met handen breken. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2785" anker="314" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Wij
hebben ons inderdaad verzet tegen
de verdere aanscherping van het
toelatingsbeleid. Maar al vanaf het
moment dat het nieuwe opvang- en
toelatingsmodel werd ingevoerd, nu
tweee¨nhalf of drie jaar geleden,
hebben wij ervoor gepleit om dat nu
eens echt uit te voeren. Wij denken
dat het effectiever is dan alle andere
maatregelen. Ik kan het niet anders
zien, de dagelijkse praktijk ziende,
dan dat ik daar gelijk in krijg. Als je
echt een waterscheiding wilt
aanleggen, doe ik nogmaals een
pleidooi, nu vanaf de andere kant,
om daar echt alle inspanningen in te
leggen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2785" anker="315" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Ik kan u verzeke-
ren dat het kabinet, meer dan
sommigen lief is, probeert die
inspanningen te verrichten. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2785" anker="316" partij="D66" naam="Dittrich">
 Voorzitter! Ik
ben een beetje verbaasd over de
interruptie van mevrouw Sipkes,
omdat wij eind 1994 met de
staatssecretaris van Justitie een
uitgebreid overleg hebben gehad,
onder andere over de IND. Toen
heeft de staatssecretaris duidelijk
naar voren gebracht dat er tientallen
extra medewerkers door de IND zijn
aangesteld. Zij gingen alle achter-
standen in het eerste gehoor
wegwerken. Als ik het mij goed kan
herinneren, is de uitslag daarvan
uiteindelijk dat die achterstand is
weggewerkt en dat er nu een
normale voorraad is. Nu hoor ik
mevrouw Sipkes zeggen dat er nog
steeds gigantische achterstanden
zijn. Ik begreep dat die achterstanden
enigszins waren ingelopen door de
extra inhaaloperatie met de extra
IND-medewerkers. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2785" anker="317" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Dat
is nu net het punt. Daarom zei ik dat,
zodra je even je neus hier buiten de
Kamer steekt, het in de praktijk
anders blijkt te zijn. Ik moet u
bekennen dat ik dit reces nogal wat
werkbezoeken heb afgelegd bij
verschillende gemeenten. Bij al die knelpunten dacht ik: hoe is het
mogelijk? Wij hebben net al een
gesprek gehad met de IND, wij
hebben alle cijfers, wij hebben
zogenaamd een overzicht van hoe
het nu is en hoe het wordt ingelo-
pen. In de praktijk blijkt dat het toch
weer anders is. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2785" anker="318" partij="D66" naam="Dittrich">
 Dat verklaart
dat u er in dat gesprek met de IND
niet op bent ingegaan. Ik begrijp dat
u daarna werkbezoeken hebt
afgelegd. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2785" anker="319" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Het
gebeurt regelmatig. U heeft het nu in
november met de IND meegemaakt.
Ik heb het twee maanden daarvoor
aangekaart, constant. Wij hebben het
bij de algemene beschouwingen
erover gehad, wij hebben het er bij
de begroting van Justitie over gehad,
wij hebben het er in november over
gehad. Wij zijn er echt iedere keer
mee bezig. Ik ben keer op keer
verbaasd hoe ik hier in de Kamer kan horen: de achterstand is weggewerkt,
het gaat heel goed. Maar op het
moment dat je ergens komt, hoor je
echt weer dat mensen een jaar op
hun eerste gehoor zitten te wachten.
Als je hoort dat er nog steeds zoveel
aanvragen liggen, dan ben ik inderdaad verbaasd. Dan denk ik: de
VNG hoort dergelijke klachten
waarschijnlijk dagelijks. De regering
moet dan toch echt haast maken met
het verder wegwerken van de
achterstanden. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2785" anker="320" partij="D66" naam="Dittrich">
 Mevrouw
Sipkes spoort het kabinet aan om
extra alert te zijn, terwijl wij in het
overleg dat wij bijna elke maand
hebben met onder anderen de
staatssecretaris van Justitie steeds
horen dat het kabinet heel alert met
dit punt bezig is. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2785" anker="321" naam="De voorzitter">
 De minister vervolgt
zijn betoog. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2785" anker="322" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 De heer Kamp
heeft gewezen op het gevaar dat de
regeling voor de ziektekosten voor
de VVTV’ers anders uitpakt dan in de
bijstand. Wij hebben die indruk niet.
De beoordeling ligt bij de gemeente.
De gemeente maakt een beoordeling
inzake de noodzakelijke of buitenge-
wone kosten. Zij zit er zelf bij, ook
vanuit die lump-sum-
financieringsgedachte. Wij hebben
geen enkele reden om aan te nemen
dat de gemeenten in de uitvoering
van dat beleid boven de praktijk van
de bijstand zullen uitkomen. Eerder
bestaat de indruk dat men daar
onder zal blijven. Wij zullen er alert
op blijven.
De heer Dittrich heeft gezegd dat
wij met de wet een juridisch kader
maken dat de gemeenten verder
mogen invullen. Daarmee lopen wij
het risico dat er verschillen tussen
gemeenten gaan ontstaan en dat er
dus rechtsongelijkheid ontstaat. Dat
is inderdaad mogelijk, althans binnen
bepaalde grenzen. In de wet staat
datgene wat in alle gemeenten geldt.
Op dat punt is er gelijkheid. Daarna
is het vanuit de maatwerkgedachte
mogelijk dat het in detail uitgewerkt
voor de een in de ene gemeente
anders uitpakt dan voor de ander in
de andere gemeente. Volgens mij is
dat volstrekt analoog aan de situatie
voor de andere burgers in dit land.
Wonen, werken en weet ik wat niet
meer is in de ene gemeente anders
dan in de andere. Dat is niet erg,
mits er een bepaalde ondergrens is. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2785" anker="323" partij="D66" naam="Dittrich">
 Dat bedoel ik
niet met rechtsongelijkheid.
Rechtsongelijkheid gaat verder dan
lokale verschillen, want die zullen er
bij maatwerk altijd zijn. Mijn vraag is
ergens anders op gericht. Als
geconstateerd wordt dat er rechtson-
gelijkheid is – ik hoor de minister
zeggen dat dat mogelijk is – wie is
dan degene die gaat ingrijpen? Is dat
het provinciebestuur, is dat de
minister? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2785" anker="324" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 De heer Dittrich
moet iets preciezer zijn over wat hij
met rechtsongelijkheid bedoelt.
Binnen de grenzen die verbonden
zijn aan de status die je hebt, is er
een bepaald pakket aan rechten en
plichten. Tot op zekere hoogte geldt
dat in heel Nederland. Daar bovenop
kunnen in de praktijk van het
gemeentelijk beleid op allerlei
terreinen verschillen ontstaan. Doelt
de heer Dittrich erop dat men in de
ene gemeente misschien nog een
nadere cursus Nederlandse taal kan
volgen die men in een andere
gemeente niet aangeboden krijgt? Is
dat de rechtsongelijkheid die hij
bedoelt? Of gaat het meer om de
juridische kant van de zaak, om recht
op huisvesting of iets dergelijks?
Daar zit geen verschil in, omdat de
wet dit regelt. Het hangt ervan af op
wat voor soort rechtsongelijkheid de
heer Dittrich doelt. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2786" anker="325" partij="D66" naam="Dittrich">
 Mijn
opmerking was gericht op een
bepaalde passage in de memorie van
toelichting of in de nota naar
aanleiding van het verslag. Ik kwam
op grond van die passage op het
idee dat sprake zou kunnen zijn van
rechtsongelijkheid. Ik zou hier ter
plekke geen voorbeeld kunnen
bedenken. Als de minister bevestigt
dat er rechtsongelijkheid kan
ontstaan, krijg ik het idee dat ik op
het goede spoor zit. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2786" anker="326" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 U zit letterlijk op
het goede spoor, omdat dat de hele
opzet is. De opzet is om in deze twee
wetten bepaalde dingen te regelen.
Wij hebben geregeld wat wij dachten
te moeten regelen en zijn afgebleven
van datgene wat wij dachten niet te
hoeven regelen. In dat laatste is het
de gemeente die centraal staat. Het
woord ’’maatwerk’’ vindt u overal
terug. Daar ontstaan de marges. Het
ene gemeentebestuur zal daar op
een andere manier mee omgaan dan
het andere. Vooralsnog geloof ik niet
dat dat erg is. Zou het op een
bepaald punt wel erg zijn, dan
moeten wij overwegen of wij dat niet
nader moeten regelen. Ik heb nog
niet echt veel van die punten
aangetroffen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2786" anker="327" partij="D66" naam="Dittrich">
 Laat dit geen
academische discussie worden!
Mocht ik het zelf tegenkomen, dan
trek ik aan de bel. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2786" anker="328" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 De heer Dittrich
heeft gevraagd of het COA ook
rekening houdt met werk en
familieomstandigheden. Er is
geregeld op welke manier men
toewijst, maar ik wil daarover gaarne
met het COA praten, hoe in de
praktijk, bij de aanwijzing, met dit
soort factoren rekening wordt
gehouden. Ik zeg toe dat ik in het
overleg met de VNG zal praten over
het overnemen van mensen van
elkaar. Je kunt je fysiek voorstellen,
hoe dat gaat. We moeten erover
praten, hoe je dat op een ordentelijke
manier voor de gevende en de
ontvangende gemeente verder
regelt.
Ten slotte heb ik een verheugend bericht voor de heer Kamp: ik weet
het, de VVTV-status is in 1994 aan
3500 mensen gegeven, en de
verwachting voor 1995 is 9000 a`
10.000. Ik weet alleen niet, wanneer
de laatste prognose is gemaakt.
Misschien kan de laatste prognose
inmiddels al bijgesteld worden; zodra
we daarover zekerheid hebben,
zullen wij dat melden.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2786">

 
<spreker pagina="40-2786" anker="329" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Voorzitter!
Ik ben de geachte afgevaardigden
erkentelijk voor de aandacht die zij
aan de huisvesting van status-
houders hebben besteed en voor de
vriendelijke woorden die met name
de heer Gabor heeft gewijd aan de
reactie die in de memorie van
antwoord is gegeven op suggesties
die de Kamer heeft gedaan in het
verslag. Die suggesties zijn nauwkeu-
rig bekeken en voor een deel
overgenomen. Ik acht dat overigens
logisch, omdat er een aantal heel
goede suggesties tussen zaten.
Het moeten huisvesten van
statushouders is een continu proces
geworden, dat over een lange reeks
van jaren nodig zal zijn. De laatste
die dat kort en bondig zei is de heer
Rouvoet, en ik heb geen behoefte
om daaraan nog veel toe te voegen.
Als dat breed erkend wordt, betekent
dat dan ook dat je het beleid op dat
punt helder vorm moet geven, dat de
taakafbakening voor de verschillende
overheden goed vast moet liggen,
dat een ieder moet weten waaraan
hij toe is, en dat kan niet met een
circulairebeleid en met regelmatige
onderhandelingen tussen de
rijksoverheid en de VNG. Dan moet
je dan wettelijk vormgeven, en dat
doen wij bij deze wetsvoorstellen. Ik
was enigszins verbaasd dat juist de
heer Van den Berg, van wie ik dat
niet had verwacht, de suggestie
opperde om nog een tijdje met het
circulaire- en onderhandelingsbeleid
door te gaan. Ik dacht dat juist hij
zou moeten pleiten voor het geven
van de goede staatsrechtelijke en
juridische vorm daaraan. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2786" anker="330" partij="SGP" naam="Van den Berg">
 Ik ben
blij met deze woorden, maar mijn
vraag was of het samenstel van
bevoegdheden op volkshuisvesting-
sterrein inmiddels niet zodanig is
uitgekristalliseerd, zeker op het
moment waarop wij deze regeling
willen laten ingaan, dat daarnaast
geen behoefte meer bestaat aan een
extra instrumentarium. Dat zou dus
alleen gaan, zo moet ik althans
concluderen, over aantallen en niet
over bevoegdheden. Ik heb een
fundamentele vraag gesteld over de
aantallen, en die twee opmerkingen
moet u met elkaar in verband zien.
Maar u komt daar nog op terug. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2786" anker="331" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Dat doe ik
zeker.
Als je van mening bent dat een
wettelijk regime noodzakelijk is, zijn
er heel goede redenen om geen
uitstel te betrachten met de
invoering van het wettelijk regime.
Alle betrokkenen, dus gemeentes,
rijksoverheid, de asielzoekerscentra
en de asielzoekers zelf, zijn gebaat bij
duidelijkheid en een goede planning,
wat betekent dat de suggestie van
mevrouw Sipkes om even te
wachten met de invoering van dit
wetsvoorstel, mij heel erg ongelukkig
zou maken, want daarmee is
niemand gebaat. Ik begrijp haar
argumenten heel goed, maar het zou
leiden tot nieuwe onderhandelings-
rondes en nieuwe verhalen over
onderhandelingen tussen de
rijksoverheid en de VNG over
aantallen. Ik moet zeggen dat dat
niet alleen het draagvlak niet ten
goede komt, omdat dan voortdurend
de suggestie naar voren komt dat het
weer gaat om extra stromen
statushouders die gehuisvest moeten
worden. Ook praat je dan voortdu-
rend over mensen en over de vraag
of het er 5000 meer of minder
mogen zijn. Ik vind dat idee in zekere
zin een beetje weerzinwekkend. Het
gaat dus om het zo snel mogelijk
bereiken van heldere taakafspraken;
daar is ontzettend veel voor te
zeggen.
In algemene zin wil ik nog
benadrukken dat statushouders,
behalve op het ene moment dat zij
binnenkomen, uit het asielzoekers-
centrum moeten en dus technisch
gezien dakloos zijn, zoals iemand
wiens huis afbrandt en die dus ook
voorrang krijgt. Zij worden dus
behandeld als alle anderen die in het
huisvestingscircuit zitten. Er is dus
bepaald geen sprake van voortdu-
rende voorrang. Er is slechts op een
moment sprake van voorrang. Die
voorrang geldt ook voor degenen die
op een of andere wijze ineens
dakloos worden. Iemand wiens huis
afbrandt, krijgt ook voorrang.
Daarna, op elk ander moment, zijn er
geen speciale rechten meer. Dan
heeft men te concurreren met
iedereen in het huisvestingscircuit.
Voor de VVTV’ers gelden nog wel
een paar bijzondere regelingen,
omdat ze nu eenmaal geacht worden
hier tijdelijk te zijn. Er is geen recht
op individuele huursubsidie. In de
tweede plaats bestaat de mogelijk-
heid, als zij dat willen, om te
verhuizen naar een andere
gemeente, bijvoorbeeld omdat zij bij
familie willen gaan wonen, mits de
opvangende gemeente daarmee
instemt, want er zit een financie¨le
consequentie aan vast. De gemeente
van aankomst en de gemeente van
vertrek moeten daar toestemming
voor verlenen. Overigens, als men
wil verhuizen, is er geen recht van
voorrang meer. Men is gehuisvest.
Daarna heeft men geen recht meer
op een voorkeursbehandeling. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2787" anker="332" partij="D66" naam="Dittrich">
 Daarom ben
ik zo blij met de toezegging van de
minister van Binnenlandse Zaken om
met de COA te praten over de
mogelijkheid om daar meer rekening
mee te houden, in die zin dat in de
eerste gemeente alvast wordt
bekeken of er familie- of gezinsleden
wonen. Dan voorkom je dit soort
problemen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2787" anker="333" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Je
minimaliseert in ieder geval de
mogelijkheid. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2787" anker="334" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">

Wat betreft de voorrang bij huisves-
ting in het geval van overname door
een andere gemeente van iemand die verblijfsgerechtigd is: ik heb niet
gepleit voor die voorrang. Aan de
positie van iemand die verblijfs-
gerechtigd is, hangen ook nog
andere dingen, zoals bijvoorbeeld
het inburgeringsrecht en de trajecten
die daarin moeten worden doorlo-
pen. Op de manier zoals het nu in
het wetsvoorstel lijkt te zijn
geformuleerd, zou iemand die zaken
verliezen als hij van gemeente A
naar gemeente B gaat. Dat zou ik
buitengewoon betreuren. Daarom
moet je misschien iets aan uitruil
doen. Dat was de vraag. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2787" anker="335" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 De
suggestie dat mevrouw Versnel de
gedachte zou hebben geopperd dat
later sprake zou zijn van voorrang,
heb ik niet willen wekken. Als dat is
gebeurd, dan is dat ten onrechte
gebeurd. Ik heb dat in algemene
termen nog eens willen zeggen,
omdat soms de mening heerst dat,
als iemand eenmaal in dat circuit zit,
er voortdurend sprake is van
voorrang. Die indruk wil ik wegne-
men, omdat dit absoluut niet het
geval is.
De situatie van een VVTV’er die
wil verhuizen als hij ergens woont, is
heel helder. Hij mag verhuizen, mits
de vertrekkende en de aankomende
gemeente daarmee instemmen, want
die zijn er beide financieel bij
betrokken.
Het wetsvoorstel is in goed
overleg met IPO en VNG – ik
onderstreep het laatste – tot stand
gekomen. De VNG heeft ook grote
invloed uitgeoefend op de verdeel-
sleutel, zoals die uiteindelijk vorm
heeft gekregen. Ik vind dat ook goed,
want de gemeenten moeten er in
eerste instantie mee werken. Er zal
nooit een verdeelsleutel te vinden
zijn die voor elke gemeente
maximaal is toegesneden op de
hoeveelheid woningen die in
aanmerking komt voor het huisves-
ten van statushouders. Ik heb geen
enkele illusie op dat punt, maar de
verdeelsleutel is wel helder voor
iedereen. Er kan ook goed mee
worden gewerkt. Wel is sprake van
regionale consequenties, maar
daarop kom ik zo meteen terug. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2787" anker="336" partij="SP" naam="Poppe">
 Voorzitter! Het
is mij natuurlijk duidelijk dat je niet
per gemeente precies kunt zeggen of
de verdeelsleutel overeenstemt met
de voorraad woningen met een huur
die overeenstemt met de mensen die
erin komen te wonen. Ik heb zojuist
vastgesteld – dat is mijns inziens ook
juist – dat er vrijwel geen gemeente
met die woningvoorraad is, als
gevolg waarvan de taakstelling die
nu bij wet wordt opgelegd, kan
worden uitgevoerd, zonder die
verdringing. Toch hebben wij
allemaal vastgesteld dat het slecht
zou zijn als dit gaat gebeuren. Als
sprake is van gemeenten met een
verdringing van 40% tot 50%, dan
moet dat toch betekenen dat daar bij
een heleboel gemeenten in mindere
of meerdere mate sprake van is. Hoe
gaat de staatssecretaris als nationale
huisvester voorkomen dat die
verdringing plaatsvindt? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2787" anker="337" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Ik kom
hier zo meteen op terug, nadat ik een
nog paar algemene opmerkingen
heb gemaakt, maar de constatering
van de heer Poppe is onjuist. Dat zal
ik dadelijk aantonen.
Over de rapportage zijn ook
opmerkingen gemaakt. Het is
inderdaad de bedoeling om een
eenvoudige en beknopte rapportage
te maken. Die kan niet eenvoudig
genoeg zijn. Er zijn een paar dingen
die er helder in moeten staan, maar
dat kan heel kort. Daar wordt de
bureaucratie absoluut niet door
bevorderd. De heer Schutte heeft
gevraagd of er geen onderzoek kan
komen naar de gevolgen van de
huisvesting van statushouders op de
woningbehoefte op wat langere
termijn. De RAVO heeft daarover in
zijn advies gesproken. Kan er geen
goede monitoring komen? Ik zeg
hem dat graag toe. Daar wordt ook
al aan gewerkt.
De heer Poppe heeft zojuist een
aantal opmerkingen gemaakt over de
taakstelling. Er zijn verder opmerkin-
gen gemaakt over het restrictief
beleid, de planning van de woning-
bouw, het aantal te bouwen
gesubsidieerde huurwoningen en
dergelijke. Dat waren allemaal
buitengewoon relevante opmerkin-
gen. Ik wil een paar zaken voorop
zetten. Er gebeurt nu al heel veel. Er
wordt nu net iets teveel gedaan alsof
gemeenten op dit moment geen
statushouders huisvesten. Het
tegendeel is echter het geval. Zij
hebben de afgelopen jaren buitenge-
woon veel statushouders gehuisvest,
ondanks het restrictief beleid en
ondanks het feit dat er een beperkte
hoeveelheid goedkope woningen is.
Er is dus geen sprake van een geheel
nieuwe situatie die het voor
gemeenten buitengewoon moeilijk
maakt om de mensen te huisvesten.
Integendeel, de situatie wordt in
meerdere opzichten eenvoudiger. Er
worden extra gesubsidieerde
huurwoningen gebouwd, er wordt
gezocht naar locaties en waar dat
nodig is naar extra locaties en er
komt een herverdelingsmogelijkheid,
die een zekere souplesse met zich
meebrengt, waardoor het voor
gemeenten gemakkelijker wordt. Er
gebeurt op dit moment dus al heel
veel.
Ik zal een aantal cijfers noemen.
Als je kijkt naar alle statushouders te
zamen, dan had in 1993 7% van de
mutaties in de goedkope huursector
betrekking op de huisvesting van
statushouders. In 1994 is dat gedaald
tot 5,2%. De suggestie dat het
probleem steeds groter en ingewik-
kelder wordt, is dus onjuist. Ik spreek
nu nog niet over de instroom-
beperkende maatregelen waar
minister Dijkstal zojuist over sprak,
maar puur over de cijfers voor 1993
en 1994. Hoe zat dat in de verschil-
lende regio’s? In de meest kwetsbare
regio’s gold een percentage van
maximaal 12. Bij de gemeenten is
men slechts bij hoge uitzondering
boven de 20% gekomen. Dat is
grosso modo het beeld. Hoe ligt dat
in de verschillende regio’s? Het
Groene Hart is natuurlijk kwetsbaar
op dat punt. Daar is namelijk sprake
van een restrictief bouwbeleid. Dat
geldt overigens niet voor elke
gemeente. Er zijn ook snel groeiende
kernen. Ik hoef de voorbeelden
daarvan niet te noemen. De
gemeenten hebben overigens niet
geklaagd, maar werken er loyaal aan
mee. Daar heb ik waardering voor. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2788" anker="338" partij="SP" naam="Poppe">
 De staatssecre-
taris spreekt nu over percentages
van 7 tot maximaal 20. Dat zegt
echter niet zoveel. Ik heb zojuist
cijfers genoemd van mensen die
door de hoge huurlasten op een heel
laag besteedbaar inkomen zitten,
beneden de armoedegrens. Dat zijn
vaak ook de mensen die ingeschre-
ven staan voor een goedkopere
woning, maar die is er niet. Die 7%
of 20% is dus altijd een toevoeging
aan het aantal ’’terugstromers’’. Er
zijn ’’doorstromers’’, dat zijn mensen
die duurder kunnen gaan wonen,
maar je hebt ook ’’terugstromers’’ en
dat zijn mensen die de huur niet
meer kunnen ophoesten en terug
moeten naar een goedkopere
woning. In heel veel gemeenten
vormen zij een grote laag van
woningzoekenden. Er is een groot
gebrek aan zulk soort woningen. Dat
weten wij allemaal en dat zal de
staatssecretaris niet kunnen
ontkennen. Komt er een taakstelling
bij, dan zal verdringing optreden.
Daarom heb ik in mijn bijdrage
gevraagd of de staatssecretaris erop
kan toezien dat aan een taakstelling
een woningcontingent betaalbare
woningen met subsidie wordt
toegevoegd. Is dat niet beter? Dan is
het ook voor de bevolking duidelijk
dat er woningen bij komen. Daar
hebben zij zelf ook behoefte aan. Dan
komt dan goed over. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2788" anker="339" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">
 Ik
heb bezwaar tegen het gebruik van
het woord ’’verdringing’’. Binnen een
gemeente moet een X-aantal mensen
gehuisvest worden. Stijgt dit aantal
en is er een fatsoenlijke woonruimte-
verdeling, dan gaan mensen die
geen dak boven hun hoofd hebben,
gewoon voor. Dat is geen verdrin-
ging, dat heeft te maken met het feit
dat mensen gehuisvest moeten
worden. Anderen moeten dan iets
langer wachten. Dat is vervelend
voor die mensen. Dat is waar. Maar
het is ook ree¨el om hierbij niet te
spreken van verdringing. Dat is een
implicatie die naar mijn mening een
buitengewoon negatieve gedachte
uitstort over dit wetsvoorstel, het
inburgeren, het acceptabel maken en
het draagvlak. Daarom heb ik
bezwaar tegen het gebruik daarvan. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2788" anker="340" partij="SP" naam="Poppe">
 Ons standpunt
over het wetsvoorstel is bekend. Men
heeft gehoord waarom wij dat
noodzakelijk achten. Gelet op het
draagvlak en vooral op de inburge-
ring achten wij het noodzakelijk, dat
het huisvestingsbeleid hierop wordt
aangepast. Het huidige huisvestings-
beleid is niet socialiserend en staat
haaks op deze problematiek. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2788" anker="341" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">

Dat er een gebrek is aan woningen... 

</spreker>
<spreker pagina="40-2788" anker="342" partij="SP" naam="Poppe">
 Betaalbare
woningen! 

</spreker>
<spreker pagina="40-2788" anker="343" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">

Nee, in het algemeen, en vooral in
het westen! In de plaats waar ik
woon, moeten mensen vijf jaar
wachten op een woning. Dat is daar
al jarenlang heel normaal. Dat zal
wellicht nog jaren voortduren. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2788" anker="344" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, dit
tweegesprek nu te bee¨indigen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2788" anker="345" partij="SP" naam="Poppe">
 Met respect: ik
noem dat niet normaal. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2788" anker="346" naam="De voorzitter">
 Ik geef het woord aan
de staatssecretaris. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2788" anker="347" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Ik meen
dat ik duidelijk met getallen heb
aangetoond dat de indruk die de
heer Poppe wil vestigen, namelijk dat
het in veel gemeenten om 40% tot
50% van de mutaties zou gaan,
misleidend is. Dat is onjuist. Er zijn
hooguit enkele gemeenten in
Nederland waarin dat percentage
hoger is dan 20. Dat is het beeld en
dat zijn de getallen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2788" anker="348" partij="SGP" naam="Van den Berg">
 De
heer Tommel wilde voor de
interruptie iets vertellen over de
Veluwe. Daar was ik zo benieuwd
naar en daarover hoor ik nu niets
meer. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2788" anker="349" naam="De voorzitter">
 Daartoe wil ik de
staatssecretaris nu de kans geven. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2788" anker="350" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Die neem
ik graag. Ook op de Veluwe geldt het
percentage van 20 voor de hele
regio. Ik moet alleen tot mijn spijt
constateren dat de medewerking van
de gemeentebesturen op de Veluwe
over het algemeen minder is dan
elders in Nederland. In vergelijking
met gebieden die het ongeveer even
lastig hebben met het restrictief
beleid en dergelijke is de medewer-
king op de Veluwe kleiner. Een aantal
gemeenten daar staat bij het
ministerie van VROM bekend als
notoire niet-meewerkers aan het
huisvestingsbeleid. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2788" anker="351" partij="SGP" naam="Van den Berg">
 Kan
de heer Tommel ook bedenken hoe
dat komt? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2788" anker="352" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Dat berust
dus niet op een bijzondere situatie,
want andere gemeenten die in
precies dezelfde situatie verkeren,
werken wel mee. Daarbij zijn de
gemeenten op de Veluwe ietwat
terughoudender dan de
woningbouwcorporaties in dat
gebied. Heel bijzonder is verder dat
de provincie bereid is om voor de
huisvesting van statushouders een
extra woningbouwcontingent ter
beschikking te stellen, uitgaande van
twee personen per woning. Er is dus
sprake van een royale behandeling.
Desondanks is de medewerking
bepaald teleurstellend.
Anders is de situatie in Zuid-
Kennemerland. Daar doet zich
inderdaad een heel bijzonder
probleem voor. Ik wil er een paar
dingen over zeggen. Na overleg is
men alsnog bereid gebleken om de
huidige taakstelling volledig uit te
voeren, ondanks de moeilijke
situatie. Alle lof daarvoor. Zuid-
Kennemerland heeft bezwaren tegen
de nieuwe verdeelsleutel. Haarlem is
daarbij het knelpunt. Haarlem heeft
namelijk relatief weinig corporatie-
woningen, maar veel particuliere
huurwoningen. Haarlem kan dus wat
minder makkelijk schuiven en heeft
het daardoor op dit punt wat lastiger.
Overigens moeten er wel enkele
kleine kanttekeningen worden
gemaakt bij de brief die hierover op
9 december aan de Kamer is
gestuurd. Haarlem gaat uit van
goedkope huurwoningen, die
bovendien klein zijn. Daardoor is het
bestand verkleind. Dan komt men
wel tot 40%. Men rekent alleen met
kleine huurwoningen, omdat men
zegt dat er zoveel alleenstaande
statushouders moeten worden
opgevangen. Welnu, dat is het oude
misverstand dat elke statushouder
een woning moet hebben. Wij
hebben zojuist uitgebreid met elkaar
besproken dat dat niet nodig is. Als
je met de ’’1 op 1’’-situatie rekent, als
je zegt dat je zoveel statushouders
moet huisvesten en dat je derhalve
de zelfde hoeveelheid woningen
nodig hebt, dan majoreer je
natuurlijk. Dan kom je gemakkelijk op
40%. Enig majoreren is er dus wel
bij. Het is niet ongebruikelijk om een
beetje naar je toe te rekenen. Maar
wij mogen dan ook een serieuze
poging doen om dat weer wat recht
te zetten.
Dat betekent dus, voor zover wij
dat in alle redelijkheid kunnen
beoordelen, dat ook daar geen
sprake is van buitengewoon hoge
percentages. In de buurt liggen
bovendien grote bouwgebieden. Ik
wijs op de IJmond. Er zou dan toch
ook met de regionale herverdeling
een mogelijkheid moeten zijn om in
alle redelijkheid een oplossing voor
dit probleem te vinden.
Men kan uit dit betoog opmaken
dat ik bepaald geen voorstander ben
van een algemeen geldende
bovengrens in de wet. Dat is toch
niet echt nuttig. Ook een hardheids-
clausule lijkt mij e`n niet nodig e`n
bovendien zeer ongewenst. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2789" anker="353" partij="SP" naam="Poppe">
 Voorzitter! Ik
wil iets opmerken over de Vinex-
gebieden in Zuid-Holland. Zoals
bekend, is veel grond al opgekocht
door projectontwikkelaars. Dat
betekent met betrekking tot de
stichtingskosten van die woningen
dat er geen betaalbare woning bij
komt. Die heeft de staatssecretaris
nu juist nodig. Hij kan dan wijzen op
de doorstroming. In Nederland is
echter al gebleken dat die weinig
effect heeft. Ik denk dus dat die
woningbouw waar de staatssecreta-
ris het over heeft, niet voldoende is
en ook niet functioneel is voor de
huisvesting in verband met de
taakstelling die de gemeenten in dat
gebieden zullen krijgen. Ik denk dat
het problemen zal opleveren. Dat is
ook niet ontkend. Ik stel nogmaals de vraag: waarom wordt er geen
koppeling gelegd tussen budget-
woningbouw en de taakstelling? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2789" anker="354" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Voorzitter!
Het is ontzettend aardig om te
constateren dat de heer Poppe al
reageert op iets wat ik misschien nog
zou kunnen gaan zeggen. Dat zal ik
dan ook maar doen. Als je kijkt naar
de taakstelling en de moeilijkheden
om de taakstelling te realiseren, dan
moet in gedachten worden gehou-
den dat wij op dit moment een
buitengewoon hoge woningproduktie
hebben. Ik heb dat al bij de
begrotingsbehandeling aangekon- digd: in 1994 komen wij ruim boven
de 100.000 nieuwe woningen per
jaar. Natuurlijk is er daarbij sprake
van doorstroming. Je hoeft maar in
de krant te kijken. Als in sommige
Vinex-locaties de eerste woningen
worden uitgegeven, dan verblijven
mensen in caravans en tenten voor
het kantoor van de makelaar waar
die woningen worden uitgegeven. En
dat zijn geen goedkope woningen!
Als de heer Poppe daar prijs op stelt,
zal ik hem een kopietje daarvan
sturen. Dat zijn dus dure woningen.
De heer Poppe zegt dat er geen
sprake is van doorstroming. Dat is
dan dus volstrekt bezijden de
werkelijkheid. Natuurlijk komen er
goedkope woningen vrij. Natuurlijk
zullen de mensen die gehuisvest
moeten worden, de statushouders,
afhankelijk zijn van die goedkope
voorraad. Maar gelukkig hebben wij
er daar ook een behoorlijk aantal
van. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2789" anker="355" partij="SP" naam="Poppe">
 Heeft de
staatssecretaris inzicht in het aantal
mensen dat nu te duur woont? Hun
inkomen is door omstandigheden
lager geworden en zij zijn op zoek
naar een voor hen beter betaalbare
woning. Dat is dus de neerstroom. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2789" anker="356" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Natuurlijk,
er zijn allerlei rapporten over
verschenen. Er bestaan ook
rapporten over de voorraad en
dergelijke. Ik vind het ontzettend
prettig om het hele debat over de
begroting van Volkshuisvesting over
te doen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2789" anker="357" naam="De voorzitter">
 Dat vind ik eigenlijk
niet. Ik stel dus voor dat wij ons
weer tot het onderwerp van
vanavond bepalen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2789" anker="358" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Voorzitter!
Ik voeg aan mijn woorden over de
hoge bouwproduktie toe dat het met
het afsluiten van de Vinex-contracten
uitstekend gaat. Ik zal daar binnen-
kort over rapporteren. De Kamer
heeft gevraagd om daarvan op de
hoogte te worden gesteld. Het gaat
daar heel goed mee. Dat betekent
dus dat wij e`n locaties hebben e`n dat
de financiering daarvan geregeld is.
Wij hebben gemerkt dat wij meer
woningen nodig hebben dan tot voor
kort werd aangenomen. In het
regeerakkoord is vastgesteld dat er
28.000 extra sociale woningen
zouden moeten komen, waarvan
15.000 in de gesubsidieerde sfeer.
Daar zit de prognose van de
statushouders voor deze vier jaar in.
Dat is dus de prognose voor de
gehele regeerperiode, voor zover wij
nu althans een inzicht hebben in de
te verwachten instroom. Mochten die
verwachtingen heel anders worden,
dan ben ik uiteraard de eerste om
tegen mevrouw Van der Burg te
zeggen dat wij er dan opnieuw over
moeten praten. Maar dat zit er dus
nu volledig in.
Als je kijkt naar de voorwaarden
die er nu zijn om, wat betreft de
taakstelling, tot een huisvesting in
haar totaliteit te komen, dan kan ik
niet anders zeggen dan dat er aan
alle voorwaarden voldaan in om het
ook te kunnen. Dat het daarmee
makkelijk is, wil ik niet zeggen. Die
verhouding van 5,2% duidt altijd nog
aan dat 1 op de 20 mutaties hiervoor
nodig is. Je kunt je echter afvragen
of een op de twintig echt een drama
is. Die indruk wil ik vermijden. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2789" anker="359" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 Die
9000 zitten erin. Bij de behandeling
van de begroting hebt u toegezegd,
heel goed daarover na te denken,
ook in de sfeer van behoefte-
ramingen en dergelijke. Ik neem aan
dat u dat blijft doen. Ik was nogal
geschrokken door de mededeling in
de nota naar aanleiding van het
verslag dat dit voorlopig niet
gebeurt. Ik begrijp uit uw woorden
dat u nagaat of wij het dit jaar halen
met die 9000 extra woningen in de
subsidiesfeer. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2790" anker="360" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Natuurlijk
blijven wij ernaar kijken, voorzitter.
De gedachte is echter – en die
gedachte berust op berekeningen die
wij gemaakt hebben – dat 9000 nu
voldoende lijkt. Als iets heel
dramatisch gebeurt waardoor de
instroom ineens veel groter wordt, is
het evident dat wij iets moeten doen.
Ik zeg mevrouw Van der Burg graag
toe dat wij er natuurlijk naar zullen
kijken. De tendens is echter eerder
dat de instroom wat lager is en dat
wij misschien een meevaller krijgen.
Dat zou reuze prettig zijn.
Voorzitter! Ik wil er de nadruk op
leggen dat niet voor iedere status-
houder een eigen woning noodzake-
lijk is. Er kan inderdaad per kamer
verhuurd worden. Wij proberen dit te
bevorderen. Het is heel logisch dat
iemand van 23 jaar die hier
binnenkomt uit, ik noem maar wat,
Somalie¨ op een zelfde wijze
behandeld kan worden als een
student die een kamer krijgt. Daar is
niets mis mee. Ik moet erbij zeggen –
daarover zijn opmerkingen gemaakt
door onder meer de heer Dittrich –
dat gemeenten terughoudend zijn
om woningen in welke vorm ook te
verhuren aan alleenstaanden. Er
vindt op het ogenblik overleg plaats
met alle betrokkenen – gemeenten,
VNG, woningbouwcorporaties en
landelijke koepels – om dat probleem
op te lossen. Als die terughoudend-
heid vervalt, wordt extra soelaas
geboden. Het is, denk ik, voor
betrokkenen heel heilzaam om niet in
hun eentje in een groot huis te
verpieteren, maar eens met elkaar te
kunnen praten. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2790" anker="361" partij="VVD" naam="Kamp">
 Maar de
gemeenten hebben de vrijheid om
een leegstaand hotel te huren en de
kamers beschikbaar te stellen. Zij
hebben ook de vrijheid om andere
geschikte gebouwen hiervoor aan te
wenden. Op die wijze kunnen zij
ervoor zorgen dat zij binnen de
bedragen blijven die zij krijgen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2790" anker="362" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Die
mogelijkheid is volledig aanwezig. Er
is overleg gaande, omdat men naar
ons gevoel daarvan te terughoudend
gebruik maakt. Dat kan beter. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2790" anker="363" partij="D66" naam="Dittrich">
 Ik erger mij
er altijd aan dat bij grote steden
kantoorgebouwen vaak jaren
leegstaan, bijvoorbeeld langs
ringwegen. Het gaat in dit geval om
de huisvesting van VVTV’ers,
mensen die hier – dat is de
bedoeling – tijdelijk blijven. Ik kan
mij voorstellen dat gemeenten in
overleg met de eigenaren die
gebouwen tijdelijk geschikt maken
voor het opvangen van deze
mensen. Zij moeten daar uiteraard
een redelijk comfort hebben.
Misschien kan die suggestie
meegenomen worden. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2790" anker="364" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Dat doe ik
graag. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2790" anker="365" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Als
wij toch bezig zijn met het doen van
suggesties, wil ik graag mijn steentje
bijdragen. De staatssecretaris heeft
terecht gezegd dat er vaak een
zekere huiver is om te bouwen voor
en te verhuren aan alleenstaanden.
Als men zich in het overleg met
gemeenten, woningbouwcorporaties
en dergelijke blijft concentreren op
de statushouders denk ik dat wij een
beetje de verkeerde kant uitgaan. Het
is u¨berhaupt noodzakelijk dat wij
andersoortige woningen gaan
bouwen waar meer mensen in
kunnen wonen. Dat lijkt mij een
betere invalshoek. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2790" anker="366" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Voorzitter!
Ik trek het even in de sfeer van de volkshuisvesting in het algemeen:
probeer beter gebruik te maken van
de bestaande voorraad. Dat proberen
wij. Dat is een lastig proces dat wij
met beleid zullen inzetten. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2790" anker="367" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Ik
heb het over wensen en behoefte die
in de samenleving bestaan. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2790" anker="368" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Daar heb
ik andere aarzelingen bij, voorzitter.
De bestaande behoefte betreft heel
vaak a. veel ruimte – dat is de eerste
prioriteit –, b. tuin voor, tuin achter
en c. goedkoop. Die drie zijn
buitengewoon lastig met elkaar in
overeenstemming te brengen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2790" anker="369" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Niet
meer iedereen in Nederland is nog
zo traditioneel. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2790" anker="370" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 U moet de
resultaten van de enqueˆtes er maar
eens op nalezen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2790" anker="371" partij="VVD" naam="Verbugt">
 De
staatssecretaris heeft zojuist gezegd
dat hij bereid is om de suggestie van
de heer Dittrich bij zijn overwegingen
te betrekken om na te gaan of
leegstaande kantoorcomplexen,
vooral die welke recentelijk gebouwd
zijn, in gebruik genomen kunnen
worden voor de huisvesting van
VVTV’ers. Ik voorzie evenwel een
praktisch probleem. Hoe denkt de
staatssecretaris dat namelijk te
financieren? De hoge huren van
ƒ 400 tot ƒ 500 per vierkante meter
vormen vaak de oorzaak van die
leegstand. Bovendien staan
dergelijke kantoorcomplexen langs
autosnelwegen op industrieterreinen.
Wil de staatssecretaris ook in zijn
beleid wijzigingen aanbrengen in die
zin dat mensen tijdelijk dan wel
permanent op industrieterreinen
ondergebracht kunnen worden? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2790" anker="372" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Nee, ik
heb de vraag van de heer Dittrich zo
opgevat dat de gemeenten nog eens
gewezen worden op potentie¨le
huisvesting in kantoren, als die
daarvoor geschikt zijn. Voor de
financiering zal de gemeente moeten
afwegen wat het goedkoopst is.
Misschien is een verbouwing toch
goedkoper of het ter beschikking
stellen van woningen. Die afweging
moet elke gemeente dus zelf maken.
Ik meen hierover nu te moeten
ophouden, omdat ik anders op de
stoel van de gemeenten ga zitten. En
dat is mijn plek niet. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2790" anker="373" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 Ik
heb vernomen dat het bij de
verbouw van kantoren niet alleen om
nieuwe gebouwen gaat, maar ook
om oudere kantoorruimtes. Het grote
probleem daarbij is gelegen in de
voorschriften van het Bouwbesluit. Ik
doe de staatssecretaris de suggestie
om daar eens heel goed naar te
kijken. Ik kan in dit verband verwijzen
naar evaluaties van projecten ter
zake in Rotterdam en Utrecht waarin
de knelpunten naar voren komen. Ik
wil graag dat de staatssecretaris dit
ook aan de gemeentes meedeelt.
Overigens komt de wijziging van het
Bouwbesluit hier nog aan de orde.
Daarbij kan dit onderdeel dan
betrokken worden. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2790" anker="374" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Dat doe ik
graag. Wij werken aan de evaluatie
van het Bouwbesluit. Daarbij gaan
wij zeker de mogelijkheden na voor
deregulering van het Bouwbesluit in
die zin dat onnodige belemmeringen
worden opgeheven. Ik zal dus graag
gebruik maken van de reeds
opgedane ervaringen.
Voorzitter! Een vraag van de heer
Van den Berg is of de VVTV’ers na
drie jaar moeten verhuizen. Welnu,
dat hoeft niet. Zij kunnen desge-
wenst veelal in de woning blijven,
als zij maar de huur kunnen voldoen.
Als VVTV’ers al huurder waren,
verandert er na die termijn van drie
jaar in beginsel dus helemaal niets.
Er is geı¨nformeerd naar de stand
van zaken in de wisselwoningen. De
regeling is verlengd. Het loopt nog
steeds niet storm, om een eufe-
misme te gebruiken. Er wordt met
terughoudendheid van die regeling
gebruik gemaakt. Wij zullen deze
regeling in mei evalueren. Dan is de
gebleken behoefte redelijk te
overzien. Vervolgens komt pas de
vraag aan de orde van onder
anderen mevrouw Versnel of de
regeling verlengd dan wel uitgebreid
moet worden. Gezien de huidige
situatie is er geen behoefte aan
verlenging en zeker niet aan
uitbreiding. Ik geef evenwel een
terughoudend oordeel; bij de
evaluatie in mei zien wij hoe het
ervoor staat. In ieder geval biedt
verlenging van de regeling de
gemeenten een aantal extra
mogelijkheden. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2791" anker="375" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 Een
evaluatie in mei is prima. Die was
overigens al eind verleden jaar
gepland, maar toen was dat niet
mogelijk. Hoe lang denkt de
staatssecretaris over de evaluatie te
doen en wanneer wordt aan ons
daarover verslag uitgebracht? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2791" anker="376" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Direct
daarna moet u erover geı¨nformeerd
worden. Het wordt ook geen
uitvoerige evaluatie. In mei zetten wij
de zaken op een rij en direct daarna
ontvangt de Kamer bericht. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2791" anker="377" partij="PvdA" naam="Van der Burg">

Gebeurt dat voor 1 juli? 

</spreker>
<spreker pagina="40-2791" anker="378" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Jazeker. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2791" anker="379" partij="VVD" naam="Verbugt">
 Wordt er
bij de evaluatie niet alleen teruggeke-
ken, maar ook vooruitgekeken? Ik
kan mij voorstellen dat een reden
voor de gemeenten om zo weinig
gebruik van de regeling te maken, is
dat zij steeds kortlopende taken
hebben die niet structureel zijn
ingebed. Voor de inzet van wisselwo-
ningen zijn wel een structurele
voorbereiding en een planning
nodig. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2791" anker="380" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Het doel
van de evaluatie is vooral om inzicht
te krijgen in de factoren die een rol
spelen bij het gebruik van de
regeling. Dat kan het nogal wisse-
lende karakter van de instroom zijn.
Maar dat willen wij nu juist te weten
komen. Hieruit kan af te leiden zijn
op welke wijze er in de toekomst
omgegaan moet worden met de
regeling inzake de wisselwoningen.
Voorzitter! Dit brengt mij op de
planningsperiode van drie maanden
ingevolge de wet. Ik heb vanavond
ook horen pleiten voor een half jaar.
Ik wil daarbij twee dingen in
aanmerking nemen. Iedereen zegt
dat het van belang is om draagvlak
te houden en dat een regelmatige
instroom van belang is. Die twee
elementen staan centraal in deze
hele operatie. Hoe verloopt nu de
planning? Het belangrijkste is dat er
een voortschrijdend maand-
gemiddelde is over twaalf maanden,
waardoor de gemeente lang van
tevoren kan zien aankomen wat er in
een bepaalde maand aan taakstellin-
gen nodig is. Niet formeel, maar
men kan het lang van te voren per
maand zien aankomen. Verder wordt
de planning beter. De grote
schommelingen gaan eruit. Ook dat
maakt de planning zuiverder en
eenvoudiger.
Wat is nu het gevolg van het
kiezen voor een termijn van zes
maanden in plaats van drie
maanden? Naarmate de termijn
langer wordt, zullen de ramingen
minder nauwkeurig worden. Dat is
ook niet ontkend, onder andere niet
door mevrouw Van der Burg, de
eerste ondertekenaar van het
desbetreffende amendement. Als de
raming minder nauwkeurig wordt,
leidt dat tot twee risico’s, die zich
waarschijnlijk beide in verschillende
gemeenten zullen voordoen.
Het eerste risico is dat van de
leegstand. Er zijn woningen ter
beschikking gesteld en die worden
niet bezet. Dat kan leiden tot een
aantasting van het draagvlak, dat wij
nu juist zo belangrijk vonden. Of er
zijn geen woningen ter beschikking.
Dat betekent dat mensen langer in
het asielzoekerscentrum moeten
blijven, met alle spanningen en alle
kosten die dat oproept. Huisvesting
in een asielzoekerscentrum is
minimaal twee keer zo duur als
huisvesting van mensen in een
gemeente. Dit leidt dus tot behoor-
lijke extra kosten. Verder wijs ik op
de spanningen in de asielzoekers-
centra die daarvan het gevolg
kunnen zijn. Dat is het gevolg van
een minder goede raming.
Een tweede risico is dat gemeen-
ten, als zij dat willen, de taakstelling
kunnen verschuiven naar het laatste
deel van de periode. Dan kun je
vragen welk belang de gemeenten
daarbij hebben. Als vele afgevaardig-
den de zorg uiten of de gemeenten
het wel kunnen betalen en of de
vergoeding die de gemeenten
krijgen, wel voldoende is, zouden de
gemeenten, als het niet voldoende is
of krap is, daarin al een reden
hebben om de taakstelling naar het
laatste deel van dat halfjaar te
verschuiven. Het spaart heel
eenvoudig geld uit. Dat betekent
inderdaad dat mensen veel langer in
het asielzoekerscentrum moeten
blijven. Daarvan heb ik de nadelen al
genoemd.
Daarbij komt bovendien de
waterscheiding die wij hadden
afgesproken, in gevaar. Dan ontstaat
structureel de situatie dat aan het
eind van elke periode van zes
maanden een fors aantal status-
houders nog steeds in de centrale
opvang gehuisvest is, terwijl is
afgesproken dat zij doorgaan naar de
gemeenten als ze een status hebben.
Die verdeling hadden wij ook
gemaakt. Het strijdt dus ook met die
gedachte van de waterscheiding en
zeker met de wens van een
regelmatige doorstroming. Naarmate
die periode langer wordt, ontstaat de
situatie dat aan het eind van die
periode heel veel moet gebeuren en
dat er aan het begin van de volgende
periode heel weinig gebeurt. Dan
ontstaat er dus eerder een soort van
zaagtandbeweging dan dat er een
regelmatige doorstroming is.
Aan het vervangen van een
driemaandelijkse planningsperiode
door een zesmaandelijkse plannings-
periode zijn dus naar mijn oordeel
grote bezwaren verbonden. Als in de
toelichting staat dat er dan een
betere aansluiting is op het
bestaande gemeentelijke plannings-
en programmeringssysteem, zie ik
dat toch niet zo. Ik geloof niet dat er
gemeenten zijn die alles per halfjaar
plannen. Ze plannen een aantal
dingen per jaar. Of je dan de slag
maakt of je het per drie maanden
moet doen of per halfjaar, dat is dan
geen principie¨le kwestie. Dat moet
met een beetje goede wil toch
waarachtig ook wel kunnen. Naar
mijn gevoelen wijst de praktijk daar
ook op. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2792" anker="381" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 De
argumenten van de staatssecretaris
liggen op tafel. Het verbaast mij dat
hij heel nadrukkelijk spreekt over de
spanningen in de asielzoekerscentra.
Hij spreekt niet over de spanningen
die het kan oproepen in gemeenten,
in wijken. Als de afstemming ten
aanzien van huisvesting, ten aanzien
van scholing en ten aanzien van
inburgering niet op een goede
manier plaatsvindt, ontstaan daar
spanningen. Ik vond het zo goed van
de heer Rouvoet dat hij zei dat ook
daar een spanning is. U bent ertoe
geneigd, de spanning aan een kant
te zien. Wij zijn er meer toe geneigd,
de spanning ook aan de andere kant
te zien. Ik vind het jammer dat u dit
element helemaal niet in uw
argumentatie betrekt. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2792" anker="382" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Ik zal dit
graag alsnog doen. Ik ben van
mening dat, wanneer je de
planningsperiode van drie naar zes
maanden verlengt, je ook die
spanning vergroot. De instroom
wordt hierdoor onregelmatiger,
waardoor er in een kortere periode
een grote instroom moet plaatsvin-
den. Als je spanning wilt oproepen,
moet je dat doen. Ook vanuit deze
overweging vind ik het dus
ongewenst, de planningsperiode van
drie naar zes maanden te verlengen.
Het maakt het ook moeilijker voor de
provincie, die moet herverdelen. Zij
kan pas in een heel laat stadium
herverdeling, als dit nodig is. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2792" anker="383" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 Wij
hebben in het amendement gezet dat
die herverdeling moet plaatsvinden
twee maanden voor het aflopen van
de halfjaarlijkse termijn. Dat is een
goede tijd, ook voor de provincie,
om nog tot herverdeling te komen.
Je kunt zeggen dat het twee
maanden na de start van de
halfjaarlijkse periode moet gebeuren,
maar dat lijkt mij onzinnig. Wat wij
voorstellen, lijkt mij een goede
methode. Daarin zit het probleem
dus niet. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2792" anker="384" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Ik denk dat
er wel een probleem is. Er is geen
relatie tussen het rapportagesysteem
en de herverdeling. Een rapportage
is geen verzoek om herverdeling,
absoluut niet. Ik meen dat ook bij de
heer Schutte dit misverstand bestaat.
Aan het begin van de periode, of het
nu een kwartaal of een andere
periode is, krijgt de gemeente een
opdracht. Wanneer de gemeente op
dat moment van oordeel is dat deze
opdracht onmogelijk of onredelijk is,
gaat zij onmiddellijk aan het begin
van de periode naar de provincie
met een verzoek om herverdeling.
Dit is dus niet het gevolg van de
rapportage. Op het moment van de
rapportage kan het goed zijn dat de
gemeente nog nauwelijks iemand
gehuisvest heeft en simpelweg
rapporteert dat zij met de corporaties
heeft afgesproken dat het allemaal in
de laatste twee maanden van uw zes
maanden gebeurt. Ik zou daar heel
ongelukkig om zijn, maar het is op
zichzelf geen reden voor herverde-
ling. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2792" anker="385" partij="CDA" naam="Gabor">
 Ik heb in mijn
betoog al begrip opgebracht voor het
standpunt van het kabinet, omdat de
driemaandelijkse benadering van zijn
kant bekeken buitengewoon redelijk
is. Ik heb er echter iets tegenover
gesteld, waarover ik de staatssecreta-
ris nog niet heb gehoord. De
gemeenten zijn ook verantwoordelijk
voor het integrale beleid, voor het
inburgeren. Daarin zitten plannings-
elementen die niet op een driemaan-
delijkse termijn te sturen zijn. De
vrijwilligersorganisaties, Vluchtelin-
genWerk, de cursussen die georgani-
seerd moeten worden, de planning
hiervan en de afspraken met de
woningcorporaties zijn zaken die een
langere adem hebben dan zo’n
driemaandelijkse flexibiliteit. Op die
manier kan er ook niet op worden
gereageerd. Misschien kan de
staatssecretaris ook op de kant van
de inburgering ingaan en niet alleen
op de cijfermatige en voor mij te
begrijpen argumentatie van de kant
van de rijksoverheid. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2792" anker="386" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 De echte
planning gebeurt op basis van het
voortschrijdende twaalfmaandelijkse
gemiddelde. Je weet over een jaar
van te voren wat de planning is. Dit
schuift elke maand een maand op. Er
is dus niet zomaar een taakstelling
van drie maanden; je ziet deze heel
lang van tevoren aankomen. Naar
mijn gevoel is elke gemeente ertoe
in staat, op zo’n lange termijn te
plannen, wetende dat de taakstelling
over drie maanden gespreid wordt.
Deze taakstelling wordt overigens
niet groter of kleiner als je het over
zes in plaats van drie maanden
spreidt. Per dag of per week moeten
de gemeenten precies evenveel
doen.
De vraag is nu of in redelijkheid
van gemeenten gevraagd kan
worden, de taakstelling over een
periode van drie maanden te zien,
wetende dat zij deze met die
twaalfmaandelijkse voortschrijdende
rapportages al heel lang zien
aankomen. Ik denk dat dit kan. Ik
meen ook dat het grote voordelen
heeft boven die zesmaandelijkse
termijn. Hierop kom ik niet terug; ik
heb dit al uitvoerig uiteengezet. Ik
denk dus dat het kan en weet dat het
grote voordelen heeft. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2792" anker="387" naam="De voorzitter">
 Ik zie de leden in
slagorde voor de interruptiemicro-
foons staan. De vraag die ik hun
voorleg, is of er behoefte is aan een
tweede termijn. Als hieraan behoefte
is, verzoek ik hun, gelet op het
tijdstip waarop wij inmiddels zijn
beland, zich enigszins te beperken en
gebruik te maken van de tweede
termijn. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2792" anker="388" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">

Voorzitter! Ik wil een kleine correctie
aanbrengen om misverstanden te
voorkomen. Volgens mij heeft de
staatssecretaris het steeds gehad
over de planningstermijn van zes
maanden. Maar daartoe hebben wij
geen voorstel gedaan. Wij hebben
een voorstel gedaan dat uitging van
een planning van drie maanden en
een uitvoering van zes maanden. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2792" anker="389" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Het gaat
natuurlijk om de uitvoering. Laten wij
niet in semantiek vervallen. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2792" anker="390" partij="VVD" naam="Verbugt">
 Mag ik
dan nog even heel kort aan de
staatssecretaris vragen of hij het niet
heel bezwaarlijk vindt als er vier keer
per jaar moet worden onderhandeld
over herschikking en vier keer per
jaar moet worden onderhandeld met
corporaties? Je hebt het dan wel
over het twaalfmaandelijks voort-
schrijdend gemiddelde, maar er zit
toch ook een onzekerheidsmarge in.
Ik denk dat op deze manier erg veel
tijd in het jaar verloren zal gaan aan
het onderhandelen met elkaar om
dingen te herschikken. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2792" anker="391" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Ik denk dat
dat meevalt. Er is overigens geen
enkel bezwaar tegen dat gemeenten
over een langere periode met
provincies afspraken maken over
herverdeling. Het behoeft echt niet
per se over drie maanden te gaan.
Als de situatie structureel zo is dat
de gemeente de taakstelling in
redelijkheid niet aankan, is er geen
bezwaar tegen om het over een wat
langere periode te doen. Per slot van
rekening heeft men ook die gehele
periode in het vooruitzicht. Ik geef
toe dat er iets meer aan zit. Je moet
een aantal dingen wat vaker doen,
wat vaker dat ene A4’tje versturen en
dergelijke. Maar ik denk dat het te
overkomen is.
Er is gevraagd naar een evaluatie-
bepaling na twee jaar. Als je na twee
jaar de huisvestingsaspecten gaat
evalueren, doe je dat zowel voor de
Huisvestingswet als voor de VVTV.
Dat lijkt mij evident. Ik denk niet dat
wij er een gewoonte van moeten
maken om als wij op een avond twee
wetsvoorstellen behandelen, daarin
drie verschillende evaluatie-
bepalingen op te nemen met drie
verschillende termijnen, namelijk
twee jaar, vier jaar en vijf jaar. Dat
lijkt een beetje op ’’evaluı¨tis’’. Ik denk
niet dat wij dat moeten doen.
Wij zouden natuurlijk, ook nu er
op dit moment nog geen evaluatie-
bepaling in het wetsvoorstel is
opgenomen, kunnen besluiten dat
wij gedurende een periode van
bijvoorbeeld twee jaar kijken hoe het
loopt. Uiteraard kunnen wij meteen
met elkaar in overleg treden als blijkt
dat er iets niet klopt. Als wij naar die
periode van zes maanden zouden
gaan, wat ik zeer zou betreuren, dan
is mijn behoefte aan een snelle
evaluatie nog veel groter geworden.
Maar of je die evaluatiebepaling nog
eens extra, naast de al voorkomende
evaluatiebepaling in de wet moet
opnemen? Wat mij betreft hoeft dat
niet. Mij lijkt dat overbodig, omdat in
ieder geval vrij continu gekeken gaat
worden hoe de werking van de wet
is. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2793" anker="392" partij="VVD" naam="Verbugt">
 Voorzitter! Er staat in de Huisvestingswet: vijf
jaar. Als wij daaraan vasthouden,
zullen wij echter veel te weinig zicht
hebben op de uitwerking hiervan op
de samenleving. Wij hebben allerlei
problemen en knelpunten naar voren
gebracht. Er moet nog worden
gekeken naar de uitwerking. Wij
kunnen natuurlijk van tevoren niet
zeggen hoe groot de stroom is. De
staatssecretaris denkt nu het hele
probleem te hebben opgenomen in
prognoses. Maar zolang ik in de
Kamer zit, ben ik bij voortduring
geconfronteerd met nieuwe
prognoses over de woningbouw-
taakstelling. Die is steeds verhoogd. Wij moeten niet te makkelijk denken:
wij hebben het nu geregeld. Daarom
is het goed om een en ander
nauwkeurig te volgen. Wij moeten
bezien of wat wij nu regelen in deze
wet, ook echt werkt. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2793" anker="393" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Voorzitter!
Daarover zijn wij het volstrekt eens.
De vraag is alleen of daarvoor een
formele evaluatiebepaling nodig is. Mijn stelling was: wat mij betreft is
die niet nodig.
Dan kom ik bij het laatste punt, de
rol van de provincie. Die moet
terughoudend zijn. Daarover zijn wij
het volstrekt eens. De provincie zal
naar mijn opvatting nooit uit eigen
initiatief gaan herverdelen. Er is geen
reden om te denken dat de provincie
dat zal doen. Bovendien zit er een
heel duidelijk gevaar in voor de
provincie. Als de provincie gaat
herverdelen, komen de gemeenten
wellicht in de verleiding om niet zelf
al meteen te beginnen met de
uitvoering van hun taakstelling, maar
om eerst te wachten of de provincie
zo vriendelijk wil zijn om iets van de
taakstelling te verlichten. Daar heeft
de provincie helemaal geen belang
bij. Ook wij hebben daar geen belang
bij. Ik denk dus dat het niet zal
gebeuren. Naar mijn gevoel is een
amendement in de richting van de
provincie – herverdelen zonder een
gemeentelijk initiatief – niet nodig.
Het zal namelijk niet gebeuren. Het is
overigens wel zinvol dat de
provincie, als zij het gevoel heeft dat
er een probleem dreigt, het initiatief
kan nemen om met een aantal
gemeenten, bijvoorbeeld op grond
van een rapportage en ervaringen uit
het verleden, te praten. Dan kan
worden nagegaan of er wellicht een
probleem dreigt. Dat is iets anders
dan op eigen initiatief herverdelen
zonder een verzoek van de
gemeente. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2793" anker="394" partij="CDA" naam="Gabor">
 Voorzitter! Het
is goed om in dit verband de rol van
de WGR-gebieden behoorlijk in de
gaten te houden. Daar wordt
gelukkig in goede samenspraak
tussen gemeenten heel wat geregeld. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2793" anker="395" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Voorzitter!
Ik hoop dat u het goed vindt dat ik
deze opmerking op dit moment laat
voor wat zij is. Er wordt een aantal
dingen geregeld. Er wordt een aantal
dingen ook niet geregeld. De
provinciale taak op dit punt is helder
vastgelegd.
De algemene beraadslaging wordt
geschorst. 

</spreker>
<spreker pagina="40-2793" anker="396" naam="De voorzitter">
 De behandeling van
beide wetsvoorstellen zal morgen-
ochtend om kwart over tien worden
voortgezet.</spreker>
</blok>
<blok pagina="40-2793">Lijst van ingekomen stukken,
met de door de voorzitter ter zake gedane voorstellen: 1. de volgende brieven:
een, van de staatssecretaris van
Buitenlandse Zaken, ten geleide van
de agenda van de Algemene Raad
d.d. 23/24 januari 1995 (21501-02, nr.
139);
twee, van de staatssecretaris van Justitie, te weten:
een, ten geleide van het concept-
besluit tot wijziging van het
Voorschrift Vreemdelingen (19637, nr.
122);
een, over de toelating van langdurig
in Nederland verblijvende illegalen
(22981, nr. 6);
een, van de staatssecretaris van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap-
pen, over Administratie, Beheer en
Bestuur (ABB) (23900-VIII, nr. 66);
twee, van de minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te weten:
een, ten geleide van de agenda voor
de vergadering van de ministers van
landbouw op maandag 23 januari
1995 te Brussel (21501-16, nr. 115);
een, ten geleide van het verslag van
de Visserijraad van 19, 20 en 21
december 1994 te Brussel (21501-
17,nr. 37);
een, van de minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, over de
toekomst van Arbeidsvoorziening
(21477, nr. 47).
Deze brieven zijn al gedrukt en
rondgedeeld; 2. de volgende brieven:
een, van de minister van
Financie¨n, over de financie¨le
verhouding Nederland/Europese
Unie;

</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


