<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2077]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Voortzetting van de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Huisvestingswet (voorziening in de huisvesting van bepaalde categorieën verblijfsgerechtigden) (23930); het wetsvoorstel Bepalingen inzake gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf) (23966)</item>
<item attribuut="Bestand"> 108 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Welzijn (Vreemdelingen en asielzoekers)
Volkshuisvesting (Overig)
Staats- en bestuursrecht (Gemeenten)</item>
<item attribuut="Dossiernr">23930, 23966</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 15, Tweede Kamer, pag. 2795-2815</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">26-01-1995</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2077</item>
<item attribuut="Omvang">21 pag.</item> 
<item attribuut="vergadering">41ste vergadering</item>
<item attribuut="dag">Donderdag</item>
<item attribuut="datum">26 januari 1995</item>
<item attribuut="aanvang">Aanvang 10.15 uur</item>
<item attribuut="kamer">Tweede Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Huisvesting verblijfsgerechtigden</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Regeling van werkzaamheden</item>
<item attribuut="doccode">TK 41</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="41-2795">

Tegenwoordig zijn 99 leden, te weten:
Adelmund, Augusteijn-Esser, Bakker,
Beinema, Van den Berg, Biesheuvel,
Bijleveld-Schouten, Blaauw, Blauw,
Boers-Wijnberg, Bolkestein,
Boogaard, Van den Bos, M.M. van
der Burg, V.A.M. van der Burg, Van
de Camp, Cherribi, Cornielje, Crone,
Deetman, Van Dijke, Dittrich, Van den
Doel, Doelman-Pel, Van Erp, Esselink,
Gabor, Van Gelder, Giskes, Groen-
man, Van Heemskerck Pillis-Duvekot,
Van der Hoeven, Hofstra, Van Hoof,
Huys, Jorritsma-van Oosten,
Kalsbeek-Jasperse, H.G.J. Kamp,
M.M.H. Kamp, Koekkoek, De Koning,
De Korte, Korthals, Lambrechts,
Lansink, Liemburg, Mateman,
Middel, Mulder-van Dam, Van
Nieuwenhoven, Noorman-den Uyl,
Oedayraj Singh Varma, Van Oven,
Van der Ploeg, Poppe, Rabbae,
Rehwinkel, Reitsma, Van Rey, Van ’t
Riet, Rijpstra, Roethof, Van Rooy,
Rosenmo¨ller, Rouvoet, Scheltema-de
Nie, Schimmel, Schutte, Sipkes,
Smits, Sterk, Terpstra, Ter Veer, Te
Veldhuis, Verbugt, Verhagen, Verkerk,
Versnel-Schmitz, Vliegenthart, Van
der Vlies, Van Vliet, H. Vos, O.P.G.
Vos, Vouˆte-Droste, J.M. de Vries,
Wallage, Van Walsem, Van Waning,
Weisglas, Van Wingerden, Witteveen-
Hevinga, Wolffensperger, Wolters,
Woltjer, Ybema, Van Zijl, Zijlstra,
Zonneveld en Van Zuijlen,
en de heren Dijkstal, vice-minister-
president, minister van Binnenlandse
Zaken, Zalm, minister van Financie¨n,
Voorhoeve, minister van Defensie,
Kohnstamm, staatssecretaris van
Binnenlandse Zaken, en Tommel,
staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieube-
heer.

<blok pagina="41-2795">

 
<spreker pagina="41-2795" anker="109" naam="De voorzitter">
 Ik deel aan de Kamer
mede, dat zijn ingekomen berichten van verhindering van de leden:
Van Heemst, Dijksman, Marijnissen,
Adelmund en Soutendijk-van
Appeldoorn, wegens bezigheden
elders;
Oudkerk en Van Oven, wegens
bezigheden elders, alleen voor de
middagvergadering.
Deze berichten worden voor
kennisgeving aangenomen.</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="41-2795">

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Huisvestingswet (voorzie-
ning in de huisvesting van
bepaalde categoriee
¨ n verblijfs-
gerechtigden) (23930);
- het wetsvoorstel Bepalingen
inzake gemeentelijke zorg voor
houders van een voorwaardelijke
vergunning tot verblijf (Wet
gemeentelijke zorg voor houders
van een voorwaardelijke
vergunning tot verblijf) (23966).
(Zie vergadering van 25 januari
1995.)
De algemene beraadslaging wordt
hervat.

<blok pagina="41-2795">

 
<spreker pagina="41-2795" anker="110" partij="CDA" naam="Gabor">
 Voorzitter! Ik
ben de bewindslieden erkentelijk
voor de beantwoording van de
vragen. Ik hoop dat de enkele vragen
die nog niet beantwoord zijn, in
tweede termijn op de even bekwame
wijze van antwoord voorzien worden.
Ik ben zeer verheugd over het feit
dat op een drietal punten in de
Kamer sprake lijkt te zijn van een
bijna volledige overeenstemming.
Met name denk ik nu aan het
gemeentelijk initiatief bij het
eventueel wijzigen van de taakstel-
ling. Ik verwacht dat de uitspraak op
dit punt straks door bijna de gehele
Kamer zal worden gesteund. Ook ten
aanzien van de vraag hoe straks de
termijnen in acht genomen moeten
worden, lijkt overeenstemming te
bestaan. De termijn van zes
maanden heeft heel uitdrukkelijk de
voorkeur.
Verder denk ik in dit verband aan
de gemeentelijke zorgplicht. Ik heb
het gevoelen dat de overgrote
meerderheid van de Kamer het plan
steunt om aan deze kwestie nog
nader aandacht te besteden. Het is
heel plezierig om voor een wetsvoor-
stel een dergelijk breed draagvlak te
krijgen, want er zijn in dezen zeer
gevoelige zaken aan de orde. Ik hoop
dat de bewindslieden zich in de
uitspraken van de Kamer goed zullen
kunnen vinden, omdat wij toch
gezamenlijk tot een vaststelling van
het beleid zullen moeten komen.
Ik dank in het bijzonder de
staatssecretaris die naar mijn gevoel
buitengewoon precies en helder
antwoorden heeft gegeven op de
opmerkingen over de woning-
voorraad. Ik denk nu aan de
woningen waarop aanspraak
gemaakt zou moeten als wij de
gewenste huisvesting willen
verzorgen. De staatssecretaris heeft
zijn antwoord gepreciseerd door te
spreken over 7%. Dat is ongeveer het
gemiddelde. Af en toe zal sprake zijn
van een uitschieter naar 12%. Dit is
de feitelijke situatie. Ik ben de
staatssecretaris zeer erkentelijk voor
het feit dat hij zo precies is geweest
met dit antwoord, want daarmee
hebben wij in de toekomst een
ijkpunt en kunnen wij zien hoe de
ontwikkeling in dezen zal zijn. In de
stukken heb ik gelezen dat deze
cijfers te verwachten waren.
De staatssecretaris heeft de grens
op ongeveer 20% gezet. Hij zei dat
maar enkele gemeenten boven die
grens uitkomen. Voor het noemen
van die min of meer magische grens
van 20% ben ik de staatssecretaris
zeer erkentelijk. Op dit punt wil ik
met hem echter nog nader van
gedachten wisselen. Naar mijn
gevoel is een taakstelling voor een
gemeente die uitkomt boven de 20%
haast ondraaglijk. De heer Van den
Berg heeft in dit verband het woord
’’hardheidsclausule’’ genoemd. Hij
vond dat voor bepaalde situaties een
oplossing gevonden moest worden.
Soms zou dus niet vrijblijvend, maar
verplichtend een gemeente hulp
moeten worden geboden. Ik vind dat
wij zoiets in de wet moeten regelen,
want je kunt je mijns inziens op dit
punt niet vrijblijvend opstellen. De
huidige teksten voorzien echter niet
in een plicht. Daarom wil ik op dit
punt straks een amendement
indienen. Mijn bedoeling is daarbij
een maximum aan te geven
waarboven men vervolgens tot een
verplichte herverdeling van de
taakstelling komt. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2796" anker="111" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">

Voorzitter! Waarom wil de heer
Gabor met dit wijzigingsvoorstel
komen, gelet op datgene wat al is
bepaald? Volgens de wet hebben de
provincies al de mogelijkheid een
hardheidsclausule toe te passen. De
heer Gabor heeft zojuist naar
aanleiding van een reactie van de
heer Tommel in eerste termijn
aangegeven, dat die 20% een soort
moeilijkheidsgrens is. Als je daarover
een keiharde bepaling wilt opnemen,
zal een bepaald percentage genoemd
worden, bijvoorbeeld 18, 19, 20, 21
of 22. De provincies hebben echter al
een discretionaire bevoegdheid. Zij
kunnen bij moeilijke situaties
inspringen en iets regelen met
anderen gemeenten, waardoor toch
aan het totaal van de taakstelling kan
worden voldaan. Het lijkt mij juist
een goede zaak om ruimte in de
beoordeling te laten en niet een
exact getal te noemen. Wel is er,
zoals de heer Gabor terecht stelt, een
ijkpunt. Dat ijkpunt geeft aan
wanneer men in een echt moeilijke
situatie terechtkomt. Ik vind het uit
bestuurlijk oogpunt veel interessan-
ter om een globale indicatie te
hebben. Het is naar mijn mening dan
ook goed dat die deel uitmaakt van
de wetsgeschiedenis. Zoiets is beter
dan die grens zeer nauwkeurig met
getallen aangeven. Daardoor zou er
altijd sprake kunnen zijn van net
boven of net onder de grens.
Daarom wil ik de heer Gabor
aanbevelen het amendement niet in
te dienen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2796" anker="112" partij="CDA" naam="Gabor">
 Ik begrijp de
redenering heel goed en ik kan mij
voorstellen dat u dat meer aan de
prudentie van de bestuurlijke
instellingen overlaat. Ik voel daar
uiteraard ook heel veel voor. Mijn
zorg is alleen dat de bepaling onder artikel 60c een mogelijkheid inhoudt:
de provincie heeft een bevoegdheid.
Maar ik spreek juist over die
situaties, waarin het draagvlak in een
gemeente eigenlijk volledig wordt
uitgehold als niet wordt ingegrepen.
Ik geef toe dat dit waarschijnlijk
hooguit om enkele tientallen
gemeenten gaat, dus het is geen veel
voorkomend geheel. Men heeft
kunnen lezen dat wij brieven hebben
gekregen, bijvoorbeeld uit Zuid-
Kennemerland, wat ik in dit verband
een vrij duidelijke, heldere en goed
geı¨llustreerde brief vind. Daaruit
blijkt dat er situaties zijn, waarin we
niet meer dat vrijblijvende kunnen
hanteren, maar over moeten gaan tot
het oplossen van het vraagstuk. Dat
kunnen wij bij de vaststelling van dit
wetsartikel goed regelen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2796" anker="113" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">
 Ik
vind dat u de provincies te kort doet.
Deze hebben er namelijk alle belang
bij dat de wet goed wordt uitgevoerd
en dat het draagvlak aanwezig blijft.
Ze zullen op dit soort moeilijke
posities ingaan, tijdelijk of minder
tijdelijk. Ik denk dat het gewoon goed
is om iedereen medeverantwoorde-
lijk te maken, ook in de uitvoering
van dit soort dingen. Ik vraag u
nogmaals, uw amendement niet in te
dienen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2796" anker="114" partij="CDA" naam="Gabor">
 Ook andere
sprekers hebben over het punt
waarover ik sprak, zeer indringend
gesproken, wat zij hebben geı¨llus-
treerd met een aantal gebieden
waarin een buitengewoon restrictief
beleid wordt gevoerd. Ik heb met
name de aandacht gevraagd – helaas
heb ik daarop van de bewindslieden
geen antwoord gekregen, maar
misschien denk ik teveel vooruit en
zijn we nog niet zover om dat in de
volle breedte en diepte te bediscus-
sie¨ren – voor het bestuurlijke
vernieuwingsproces van de inrichting
van de Randstad met stads-
provincies. Het gaat goed met het
traject van de bestuurlijke vernieu-
wing. We moeten de drie stads-
provincies niet tot een beperken in
de discussie, want we moeten een
beetje vooruitdenken. Ik heb het over
Amsterdam, Rotterdam en Den Haag,
en daarbij heb ik ook over de
restprovincie gesproken. Ik ga nu
aangeven, waarom ik persisteer bij
mijn amendement. Provincies zijn
namelijk niet in staat, het probleem
op te lossen. Zo’n restprovincie is
echt niet in staat, met de techniek die
wij nu op tafel leggen, straks de
problematiek goed op te lossen. Men
kan dat simpelweg niet. Ik heb dat
geı¨llustreerd met een verwijzing naar
de woningmarkt in de rest van de
provincie, waarvoor een oplossing
moet worden gevonden, want het
gaat zelfs de provinciale macht te
boven om iets te doen. Dat moeten
we doen in de discussie rond de
Vinex-locaties en de taakstelling.
Vandaar dat ik de eer en het
genoegen heb, op dat punt een
motie in te dienen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende, dat in een aantal
situaties, met name die waarbij
sprake is van restrictief beleid uit
hoofde van de Vinex, de
herverdelingsbevoegdheid van
gedeputeerde staten onvoldoende
soelaas biedt voor het oplossen van
knelpunten bij de huisvestingsmoge-
lijkheden van gemeenten;
verzoekt de regering bij de beoorde-
ling van de in de streekplannen
voorziene bouwcapaciteit voor
gemeenten waarop restrictief beleid
van toepassing is, rekening te
houden met de aan de betreffende
gemeenten op te leggen taakstelling
inzake de huisvesting van status-
houders,
en gaat over tot de orde van de dag.</spreker>
<spreker pagina="41-2797" anker="115" naam="De voorzitter">
 Deze motie is
voorgesteld door de leden Gabor,
Rouvoet en Van den Berg. Naar mij
blijkt, wordt zij voldoende onder-
steund.
Zij krijgt nr. 19 (23930). 

</spreker>
<spreker pagina="41-2797" anker="116" partij="CDA" naam="Gabor">
 Voorzitter! Ik
maak van de gelegenheid gebruik
om tevens het aangekondigde
amendement ter zake in te dienen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2797" anker="117" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">
 Ik
begrijp dat de heer Gabor meer
bouwcapaciteit ter beschikking wil
stellen in gebieden waar een
restrictief beleid geldt. In feite
doorkruist hij met deze motie het
beleid ten aanzien van de ruimtelijke
ordening. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2797" anker="118" partij="CDA" naam="Gabor">
 Ik zoek
oplossingen voor ree¨le vraagstukken.
Ik heb zojuist geschetst welke
problemen zich in de toekomst zullen
voordoen. Ik vind dat het Rijk ervoor
moet zorgen dat de gemeenten de
opgelegde taken ook kunnen
uitvoeren. Daar voorziet deze motie
in. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2797" anker="119" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">

Ruimtelijke ordening is een zeer
veelomvattend proces. Naar mijn
idee is het onverantwoord om per
motie een dergelijke algemene
regeling te treffen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2797" anker="120" partij="CDA" naam="Gabor">
 Voorzitter! De
bewindslieden hebben niet gerea-
geerd op mijn suggestie om de
provincies de gelegenheid te geven,
een aantal zaken in WGR-verband te
regelen. Ik heb op stuk nr. 12 een
amendement van deze strekking
ingediend. Het is belangrijk om te
weten dat men in WGR-gebieden
vaak via onderling overleg oplossin-
gen vindt voor de huisvestings-
problemen. Het overleg tussen
gemeenten op dit punt blijkt zeer
vruchtbaar te zijn. Vooral als het om
zorgafspraken gaat, maakt men
veelvuldig gebruik van elkaars
mogelijkheden. Ik vraag nogmaals de
aandacht voor dit aspect.
Voorzitter! De zorgplicht van de
gemeenten. De minister van
Binnenlandse Zaken heeft mij in
verlegenheid gebracht. Ik had een
motie voorbereid waarin wordt
gevraagd om bij het komend overleg
met de VNG aandacht te besteden
aan de vergoedingen – zoals het
bedrag van ƒ 125 voor jongeren
onder 18 jaar – en ook te spreken
over de inrichting en het gereed
maken van woningen voor verblijfs-
gerechtigden. De minister heeft
gezegd dat dit hoofdstuk nu geregeld
wordt en dat wijzigingen alleen bij
amendement kunnen worden
aangebracht. Hij is niet bereid om
daar in de besprekingen in maart op
terug te komen. Voorzitter! Ik betreur
dat. Ik zal de motie niet indienen,
want ik begrijp dat dat zinloos is. Ik
neem wel de uitnodiging van de
minister aan door op dit punt een
amendement in te dienen. Daarmee
help ik hem om nu duidelijkheid te
kunnen bieden. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2797" anker="121" naam="De voorzitter">
 U kunt op ieder
moment een amendement indienen.
Dat hoeft u niet officieel aan te
aankondigen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2797" anker="122" partij="CDA" naam="Gabor">
 Dan kan het
ook nu. Dit amendement heeft de
volgende achtergrond. Ik heb de
regering gevraagd om te beargu-
menteren waarom zij niet tegemoet-
komt aan het verzoek om op dit punt
overeenstemming met de VNG te
bereiken. De minister van Binnen-
landse Zaken heeft erop gewezen dat
het om een lump-sum-regeling gaat.
Dat is mooi, maar als die regeling
per kind ƒ 500 lager uitvalt en als de
inrichtingsvergoeding vervalt, dan
blijft er niet veel over. Ik ben het
ermee eens dat de regeling sober
moet zijn. Het lijkt mij echter
onmogelijk om een verblijf in te
richten van een maandelijks bedrag
van ongeveer ƒ 30. Ik weet niet hoe
men zich dat voorstelt. Ik verzet mij
dan ook tegen de nulvariant van de
heer Kamp. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2797" anker="123" partij="VVD" naam="Kamp">
 Heeft de heer
Gabor er rekening mee gehouden
dat alle inkomsten van de VVTV’ers
als zij in het derde jaar gaan werken
ten goede komen van de gemeenten
en dat daar ook uit opgebouwd kan
worden? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2797" anker="124" partij="CDA" naam="Gabor">
 Die volgorde
is nu juist het probleem. Er moet in
het begin opgebouwd worden door
betrokkene zelf op basis van een
bedrag van ƒ 30 per maand. Dat kan
mijns inziens niet. Ik kan begrip
opbrengen voor het naar voren halen
van een bedrag ineens, maar niet
voor het bouwen op luchtkastelen,
namelijk de inkomsten in het derde
jaar. Ik zou willen dat die mensen in
het derde jaar inkomsten hadden. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2797" anker="125" partij="VVD" naam="Kamp">
 De heer Gabor
zal het er toch mee eens zijn dat het
principe van de lump sum inhoudt
dat er in het begin sprake kan zijn
van tegenvallers en aan het eind van
meevallers en dat de zaak over de
gehele lijn ongeveer gelijk uit moet
komen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2797" anker="126" partij="CDA" naam="Gabor">
 Toch voorziet
deze regeling er niet in dat de
investering gedaan moet worden op
de eerste dag van de huisvesting of
zelfs een paar dagen daarvoor. Uit
brieven van de gemeenten die met
deze regeling werken, wordt duidelijk
dat dit een geweldig knelpunt is. Om
die reden is de nulvariant voor mij
niet aanvaardbaar.
Ik kom bij de suggestie van de
heer Dittrich om mensen in
kantoorpanden te huisvesten. Om
een aantal redenen ben ik daar fel op
tegen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2797" anker="127" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 Ik
heb nog een vraag aan de heer
Gabor over zijn amendement. Hoe
denkt de heer Gabor het bedrag dat
hij nodig acht voor de inrichtings-
kosten te financieren? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2797" anker="128" partij="CDA" naam="Gabor">
 Als ik achter
de regeringstafel zat, zou ik wellicht
vrij snel antwoord kunnen geven op
die vraag. Nu ik hier sta, wil ik wel
een paar suggesties doen. Bij de
vorming van het kabinet zijn de
hiervoor bestemde bedragen van het
ene departement overgeheveld naar
het andere departement. Dat is
bekend. Derhalve kan de ROA-
regeling tot 1 januari verlengd
worden. Zo simpel is dat. Mijns
inziens moeten die bedragen
beschikbaar gehouden worden voor
het derde jaar, waar het nu om gaat.
Gisteren is ons gebleken dat wij in
het eerste jaar met 3500 betrokkenen
te maken hebben en dat er dit jaar
nog zo’n 9000 bijkomen. In totaal
spreken wij over ongeveer 20.000
mensen. Dus in het derde jaar bereik
je het niveau waarop dit vraagstuk
opgelost is. De oplossing van dit
vraagstuk is dus simpel. De
bedragen moeten ook voor het
komende begrotingsjaar op hetzelfde
niveau gehouden worden. Zo nodig
kan ik nog meer suggesties geven. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2797" anker="129" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 Ik
begrijp dat u vindt dat in 1996 het
bedrag gehandhaafd moet worden
dat in 1995 hiervoor is uitgetrokken.</spreker>
<spreker pagina="41-2798" anker="130" partij="CDA" naam="Gabor">
 Het is nu al
gehandhaafd. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2798" anker="131" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 Dat
klopt en u wilt dat ook voor 1996
handhaven. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2798" anker="132" partij="CDA" naam="Gabor">
 Ja, het is een
structureel bedrag. Ik ben er
uitdrukkelijk op tegen om daarop te
bezuinigen.
Voorzitter! Ik kom terug op de
suggestie van de heer Dittrich voor
huisvesting in kantoorpanden. Uit de
tijd toen ik in grote steden onderzoek
deed naar kantoorvestigingen weet ik
dat de prijsverhouding 1 op 10 is.
Wij hebben het over de particuliere
sector. Dan gaat het dus om een
buitengewoon kostbaar alternatief
dat zelfs tien keer zoveel kost.
Vervolgens speelt hierbij ook het
punt van de bestemmingswijziging.
Ik ben ooggetuige van een betrekke-
lijk zware strijd in de gemeente waar
ik woon. Het gemeentebestuur van
die gemeente heeft de suggestie
gedaan om een woning, die
oorspronkelijk voor een gezin
bestemd was, te bestemmen voor
het huisvesten van vrijgezellen en
derhalve de inrichting van die
woning af te laten wijken van het
bestemmingsplan. Die suggestie
heeft enorm veel bezwaren
opgeroepen. Om iets dergelijks te
kunnen doen, moeten er duidelijk
bestemmingsplannen gewijzigd
worden. Stel je eens voor dat je je in
dit soort procedures begeeft. Dat is
een eindeloze zaak en je komt hier
dus niet veel verder mee. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2798" anker="133" partij="D66" naam="Dittrich">
 Voorzitter!
De heer Gabor doet het nu voorko-
men alsof ik gisteravond laat een
voorstel heb gedaan om VVTV’ers in
kantoorpanden te huisvesten. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2798" anker="134" partij="CDA" naam="Gabor">
 Zo heb ik het
inderdaad beluisterd. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2798" anker="135" partij="D66" naam="Dittrich">
 Ik heb aan
de staatssecretaris gevraagd om, als
hij overleg heeft met de gemeente,
de suggestie mee te nemen om met
de gemeente samen te kijken naar
deze kantoorpanden. Deze staan
soms jarenlang leeg. Ze zijn soms
gebouwd uit beleggingsmotieven. Ik
heb gevraagd om te kijken of het
wellicht mogelijk is om tijdelijk deze
kantoren om te bouwen voor
VVTV’ers of misschien ook voor
studenten.
Ik wil graag op het tweede
bezwaar van de heer Gabor ingaan.
Vaak staat er in bestemmingsplannen
een vrijstellingsbepaling voor het
voor woondoeleinden gebruiken van
kantoorpanden. De heer Gabor doet
het voorkomen of er allerlei zeer
ingewikkelde procedures gevoerd
moeten worden. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2798" anker="136" partij="CDA" naam="Gabor">
 Ik heb het
over een bestemmingswijziging. Dit
is niet zo ingewikkeld. Het wijzigen
van de bestemming van een pand is
een in Nederland al vele jaren
bekende procedure in de praktijk. Ik
ben erg getuige van hoe dit loopt,
als hiertegen bezwaren worden
ingediend, zeker in woonwijken. Ik
weet hier dus iets meer van. Het is
een tijdrovende procedure die zeer
veel emoties oproept en het hele
draagvlak sterk ondergraaft. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2798" anker="137" partij="D66" naam="Dittrich">
 Weet de heer
Gabor hoeveel emoties het oproept
als in woonbuurten kantoorpanden
jarenlang leegstaan? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2798" anker="138" partij="CDA" naam="Gabor">
 Ik ben het met
u eens. Maar noch u noch ik zijn
verantwoordelijk voor het geven van
de juiste bestemming aan kantoor-
panden. Dat valt buiten ons
gezichtsveld. Daar kunnen u en ik
echt niets aan doen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2798" anker="139" partij="D66" naam="Dittrich">
 Daarom is
het zo’n creatieve suggestie om in
samenspraak met de gemeente te
kijken hoe leegstaande, nieuwe of
oude kantoorpanden beter benut
kunnen worden. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2798" anker="140" partij="CDA" naam="Gabor">
 Het lijkt een
creatieve suggestie, maar kijkend
naar het prijsniveau waarover we
spreken, denk ik dat het prijskaartje
ons met beide benen op de grond zal
terugbrengen. Mijn derde argument
is het volgende. Als de heer Dittrich
een kantoorpand wil inrichten om er
mensen in te laten leven – want daar
praten we over – en als hij de
voorzieningen wil gaan wijzigen –
want dat moet hij dan – dan is hij
met een buitengewoon kostbare
operatie bezig. Maar ik denk dat deze
reactie ook wel zal komen, als we
weer bij de realiteit zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2798" anker="141" partij="SGP" naam="Van den Berg">

Voorzitter! Ik heb gisteren gewezen
op het bijzondere karakter van deze
groep VVTV’ers die hier in beginsel
tijdelijk zijn. Is de heer Gabor het met
mij eens dat het uit dien hoofde op
zich niet verwerpelijk is om vormen
van collectieve huisvesting voor deze
groep te zoeken? Ik begreep even uit
zijn woorden dat hij dit helemaal
verwierp. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2798" anker="142" partij="CDA" naam="Gabor">
 Nee,
integendeel. Ik gaf juist aan met een
voorbeeld dat ik het een heel
verstandig besluit van een gemeen-
tebestuur vind om rekening te
houden met de samenstelling van de
groep door een woning eens zo in te
richten dat hierin ook vrijgezellen in
een groter samenlevingsverband
kunnen verblijven. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2798" anker="143" partij="SGP" naam="Van den Berg">
 Het
hoeft dus niet alleen een woning te
zijn? Het zou ook toch een leeg-
staand gebouw kunnen zijn,
bijvoorbeeld een leegstaande
kazerne? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2798" anker="144" partij="CDA" naam="Gabor">
 Natuurlijk. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2798" anker="145" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">

Voorzitter! Ik wil toch nog even iets
zeggen over de kwestie van die
leegstaande gebouwen, of het nu
kantoren of wat dan ook zijn. De
ervaring in grotere steden is dat er
jarenlang kantoorpanden leegston-
den. Wat gebeurde hier dan mee?
Deze werden gekraakt en deze
werden dan door krakers of later
door een gemeente geschikt gemaakt
voor woonruimte. Het was niet zo
dat degene van wie het pand was, er
niet normaal zijn geld voor kreeg.
Maar als een pand jarenlang
leegstaat en niemand er gebruik van
wil maken, dan daalt de markt-
waarde van dit soort panden. Het zijn
feitelijkheden waarmee we al twintig
jaar ten minste ervaring hebben. De
heer Gabor doet nu net alsof het om
iets heel bijzonders gaat en of dit in
feite niet mogelijk zou zijn. Het is een
redelijk normaal verschijnsel. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2798" anker="146" partij="CDA" naam="Gabor">
 Ik zie graag
het financie¨le plaatje tegemoet. Dit
zal dan waarschijnlijk door D66 om
dezelfde redenen waarover ik spreek,
verworpen worden.
Voorzitter! Ik heb de bewindslie-
den gevraagd feitelijk te reageren op
de becijferingen die te maken
hebben met de zorgplicht van de
gemeente. Dat is immers de realiteit.
De cijfers werden opgebouwd vanuit
praktische kennis en ervaring. Ik vind
het wezenlijk om, oog hebbend voor
de zorgen die zijn geuit, van de
bewindslieden te horen of zij zich
daartegen met argumenten kunnen
verweren. Of vinden zij dat er wel
wat in zit en zijn zij alsnog bereid om
er iets aan te doen? Ik verzoek hen
dan ook, hierop in tweede termijn in
te gaan.
Voorzitter! Ik ben heel sterk voor
het beperken van de veelheid aan
stukken waarover wij moeten
beslissen voordat wij tot wetgeving
kunnen komen. In dat verband ben ik
graag bereid om bij te dragen aan
het saneren van het aantal stukken
dat ons reeds heeft bereikt en het
amendement op stuk nr. 13 met
betrekking tot de Huisvestingswet in
te trekken, onder gelijktijdige
ondertekening van het amendement
dat is ingediend door mevrouw
Versnel. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2799" anker="147" naam="De voorzitter">
 Aangezien het
amendement-Gabor (23930, stuk nr.
13) is ingetrokken, maakt het geen
onderwerp van beraadslaging meer
uit. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2799" anker="148" partij="CDA" naam="Gabor">
 Voorzitter!
Ook op het punt van de termijnen wil
ik graag tot een zelfde opstelling
komen, hoewel ik de termijn van
twee maanden, genoemd onder punt
VI, wat moeilijk vind. Als voor een
periode van zes maanden twee
maanden van tevoren gezegd moet
worden hoe het uiteindelijk afloopt,
ben je naar mijn mening ver van
huis. Ter wille van de duidelijkheid
en de gezamenlijkheid ben ik echter
bereid om mijn desbetreffende
amendement op stuk nr. 10 in te
trekken. Ik schaar mij graag in de
praktisch gelijkluidende amendering
van mevrouw Van der Burg. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2799" anker="149" naam="De voorzitter">
 Aangezien de
amendementen-Gabor (23930, stuk
nr. 10, I t/m VIII) zijn ingetrokken,
maken zij geen onderwerp van
beraadslaging meer uit. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2799" anker="150" partij="CDA" naam="Gabor">
 Ook mijn
amendement op stuk nr. 8, beho-
rende bij wetsvoorstel 23966 over de
zorgplicht van de gemeenten, trek ik
in. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2799" anker="151" naam="De voorzitter">
 Aangezien de
amendementen-Gabor (23966, stuk
nr. 8, I t/m VIII) zijn ingetrokken,
maken zij geen onderwerp van
beraadslaging meer uit. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2799" anker="152" partij="CDA" naam="Gabor">
 Voorzitter! Ik
heb nu drie amendementen
gesaneerd en ik nodig mijn collega’s
uit om mijn amendement op stuk nr.
9 mede te ondertekenen en hun
eigen amendement in te trekken,
opdat wij een vierde kunnen
saneren. Dit lijkt mij een aardige
bijdrage om op een lijn te komen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2799">

 
<spreker pagina="41-2799" anker="153" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">

Voorzitter! Ik dank de bewindslieden
voor hun beantwoording. Ik mag van
mijn collega’s overigens even
voordringen omdat ik snel weg moet
voor andere verplichtingen; de
tweede termijn van de regering zal ik
dan ook op een andere manier
vernemen.
Geheel bevredigend vond ik de
beantwoording niet; er zijn nog
steeds erg veel onduidelijkheden. Zo
fietste de minister heel gemakkelijk
heen over het welslagen van het
gehele voortraject. Ik vind dat
onterecht. Als wij een waterscheiding
hebben afgesproken, kunnen wij er
niet zomaar van uitgaan dat het ook
zal lukken.
Er zijn ook nog steeds onduidelijk-
heden over de aard van de zorg,
waarover overleg komt met de
gemeenten. Ook is niet duidelijk wat
er in die tijd precies verwacht wordt van de VVTV’ers: hoe gaat het verder
en wat is de bijdrage van de
gemeenten? Wat mag er voorts op
het terrein van het inburgerings-
contract van de gemeenten worden
verwacht?
De minister stelde gisterenavond
zelf dat hij niet uitsluit dat hij op
enkele punten nog een wijziging in
het wetsvoorstel zou moeten
aanbrengen. Dit gebeurde na afloop
van het overleg met de gemeenten
over het inburgeringscontract en
allerlei andere zaken. Hij gaf echter
niet aan welke punten hij bedoelde.
Ik vraag mij af waarom dit wetsvoor-
stel doorgezet moet worden nu de
minister zelf aangeeft dat hij niet
uitsluit dat na het overleg met de
VNG nog wijzigingen moeten
worden aangebracht. Daarom heb ik
ook een amendement ingediend. Ik
hoop dat de minister daar iets
uitvoeriger op in wil gaan. Het doel
van het amendement is om te
wachten met inwerkingtreding tot na
het overleg. Totdat er echt duidelijk-
heid is, moeten de instrumenten
gebruikt worden zoals wij die nu kennen: afspraken in het kader van
de ROA en afspraken ten aanzien van
de statushouders. Ik ben er vrijwel
zeker van dat het ook zal lukken met
de VNG. Per slot van rekening is de
verminderde taakstelling geen
gevolg van een verzoek van de
gemeenten, maar van een verzoek
van Justitie. Justitie was immers
wederom niet in staat om de
verschillende statussen op tijd te
verlenen.
Ik ben gisteravond ook op een
ander punt niet ingegaan. Wij zijn
hier met zijn allen ervan overtuigd
dat de opvang van vluchtelingen,
asielzoekers en statushouders alleen
maar mogelijk is met de bijdrage en
de grote inzet van vrijwilligers. Als
wij vanaf 1 januari de zaken echt
gaan scheiden en er op gemeentelijk
niveau alleen maar mensen in het
geding zijn die al een status hebben,
valt de taak van de verschillende
groepen vrijwilligers weg. Als ik de
financie¨le middelen van het Rijk en
de gemeentelijk overheden bekijk,
denk ik dat wij hoe dan ook niet
zonder de steun en hulp van
vrijwilligers kunnen. Ik weet dat het
bij VluchtelingenWerk zo is dat zij
principieel alleen mensen steunen
die nog in de procedure zitten. Ik
weet ook dat er nu al een aantal
gemeenten zijn die met de verschil-
lende groepen overleg voeren met
het verzoek de gemeenten ook bij te
staan in de opvang en verdere
inburgering van de statushouders.
Het lijkt mij gewenst dat men de
gemeenten in het overleg suggereert
om in een vroegtijdig stadium met
de vrijwilligers te gaan overleggen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2799" anker="154" partij="D66" naam="Dittrich">
 Zou het niet
mogelijk zijn dat de principes van,
bijvoorbeeld, VluchtelingenWerk
bijgesteld worden in die zin dat zij
zich ook bezig gaan houden met
mensen die al in de gemeente
wonen? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2799" anker="155" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Dat
is mijn punt. Ik weet dat een aantal
groepen dat ook doen. Er zijn
immers ook subsidies voor. Het gaat
dan om betaalde krachten die de
vrijwilligersgroep draaiende houden.
Er zijn gemeenten die nu al
formatieplaatsen verdeeld hebben
aan groepen voor de opvang van
asielzoekers, maar het is nadrukkelijk
de bedoeling dat die groepen zich
ook bezighouden met de status-
houders, ook vanwege alle contacten
en ingangen die deze groepen
hebben. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2799" anker="156" partij="D66" naam="Dittrich">
 Ik dacht dat
u op een waterscheiding doelde en
dat nu bleek dat de vrijwilligers-
organisaties niet adequaat georgani-
seerd zijn. Ik begrijp nu dat u het
anders bedoelt. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2800" anker="157" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Het
ligt anders. De groepen zijn er nu
niet op gericht. Ik denk ook dat het
de landelijke lijn is. Ik hoop echter
dat dit verandert. Dat moet in een
vroeg stadium gebeuren. Als men de
inburgeringsprojecten los gaat
maken van de vrijwilligersgroepen
komt er van die projecten immers
weinig terecht. Ik hoop dat dit
geregeld kan worden.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2800">

 
<spreker pagina="41-2800" anker="158" partij="PvdA" naam="Van der Burg">

Mijnheer de voorzitter! Allereerst
mijn dank voor de beantwoording
van beide bewindspersonen. Ik wil
nog over een paar punten van
gedachten wisselen.
Een principieel punt voor ons is de
koppeling van de wettelijke plicht
van opvang en zorg en de toerei-
kendheid van de financie¨le middelen.
Ik begrijp van beide bewindsperso-
nen dat zij erg veel nadruk leggen op
de snelheid waarmee de wet in
werking treedt. De bewindspersonen
voelen er niet voor om tot een uitstel
te komen. Ik heb begrip voor die
snelheid, met name omdat zo snel
mogelijk duidelijkheid voor de
gemeenten moet worden geschapen.
Die duidelijkheid vind ik belangrijk,
maar duidelijkheid ten aanzien van
het flankerende beleid is echter
minstens zo belangrijk voor de
gemeenten. Daar ligt het dilemma.
Op beide punten moet duidelijkheid
komen. Ik probeer de twee zaken met
elkaar te combineren. Vandaar dat
wij veel belang hechten aan het
overleg met de VNG, eind maart. Ik
hoop dat het overleg goed verloopt
en ik ga ervan uit dat de inzet van
het kabinet is, dat de gemeenten ook
werkelijk die verantwoordelijkheid
ten aanzien van de inburgering
kunnen dragen. Ik ben blij met de
toezegging van de minister, dat wij
hierover half mei duidelijkheid
krijgen. Ik wil hieraan nog een
belangrijk punt toevoegen. Ik heb op
dit punt een motie voorbereid, maar
ik meen dat wij er zonder motie ook
wel uit kunnen komen. Het kabinet
moet op twee punten een duidelijke
toezegging doen. Ik zou een of twee
dagen na het overleg met de VNG
eind maart een brief willen hebben
waarin de resultaten van het overleg
worden aangegeven. Als het overleg
niet in een keer kan worden afgerond
– ik ga daarvan uit – wil ik in ieder
geval half mei van het kabinet horen
wat de resultaten zijn. Mocht het
onderhandelingsproces nog niet zijn
afgelopen, dan wil ik in ieder geval
geı¨nformeerd worden over de stand
van zaken. De Kamer heeft dan de
mogelijkheid daarover met het
kabinet van gedachten te wisselen.
Het is zaak, dat het onderhandelings-
proces voor 1 juli wordt afgerond.
Voorzitter! Ik kom over de
taakstellingstermijn te spreken. Ik
ben blij dat het CDA mijn amende-
ment heeft medeondertekend. Ik heb
van de staatssecretaris begrepen, dat
hij strong feelings heeft over het
amendement. Naar mijn mening is
het geen principie¨le zaak. In feite
gaat het om een logistiek proces dat
vraag een aanbod op elkaar afstemt.
Wij willen dat dat zo goed mogelijk
voor elkaar komt. Wij horen van
gemeenten die het per slot van
rekening moeten uitvoeren dat het
handhaven van die driemaandelijkse
termijn geen enkele zin heeft. Wij
moeten het dan ook niet wettelijk
voorschrijven. Als wij het wel doen,
zijn wij met fake bezig. Het gaat ons
erom dat het logistieke proces zo
goed mogelijk wordt uitgevoerd.
Anders krijgen wij spanning in de
gemeenten en in de samenleving, en
dat willen wij voorkomen. De
staatssecretaris gebruikt als
argument, dat mensen langer in het
asielzoekerscentrum verblijven. In
eerste termijn heb ik ook die
afweging gemaakt. Ik hoop dat het
niet zo is en dat de ramingen steeds
beter worden, dat zelfs de twaalf-
maandelijkse raming zoveel mogelijk
overeenkomt met de werkelijkheid.
Enerzijds gaat het om spanningen,
omdat mensen langer in een
asielzoekerscentrum zitten en
anderzijds kan er spanning ontstaan
binnen de gemeenten. Voor mij slaat
de balans door naar het voorkomen
van spanningen in de samenleving,
de wijken.
Waar komt overigens de werkelijke
grote spanning in het asielzoekers-
centrum vandaan? Het horen van de
asielzoekers laat lang op zich
wachten. Het blijkt steeds anders te
lopen dan wij hier beslissen. Ik dring
er bij het kabinet op aan, dat
betrokkenen op zo kort mogelijke
termijn worden gehoord en dat de
toelatingsprocedure zo snel mogelijk
verloopt.
De prognoses in verband met de
taakstellingstermijn zullen wellicht
iets minder nauwkeurig zijn, maar
veel belangrijker is dat er een
voortschrijdende twaalfmaandelijkse
raming komt. De gemeenten weten
dan ongeveer hoe de situatie is. Er
kunnen zich, door welke oorzaak ook,
natuurlijk gigantische afwijkingen
voordoen. Er kan in de wereld
natuurlijk altijd wat gebeuren
waardoor het aantal asielzoekers veel
en veel groter wordt. Dat is een
bijzondere situatie, waarop inge-
speeld moet worden. In gewone
omstandigheden zullen door de
twaalfmaandelijkse raming, ook al is
het geen officie¨le rapportage, maar
een prognose om de drie maanden,
de gemeenten op de hoogte kunnen
zijn van de ontwikkeling van het
aantal statushouders. Ik zie de
problemen bij het maken van
prognoses om de drie maanden in
plaats van om de zes maanden niet
zo. Ik denk dat het meevalt. Om
genoemde redenen handhaaf ik het
amendement.
De gemeente moet een aantal
plaatsen cree¨ren in de huisvestings-
sfeer. Er is een overgangsartikel in
de wet opgenomen. Wij gaan
immers van het ene systeem naar
het andere. Wordt er rekening mee
gehouden dat een aantal gemeenten
op dit moment een grote, zware
opdracht hebben, die zij misschien
niet helemaal kunnen vervullen en in
iedere geval groter is dan de
opdracht die zij volgens het nieuwe
verdeelsysteem na de inwerkingtre-
ding van de wet krijgen? Is wellicht
enige compensatie mogelijk? Er zijn
verschillen tussen de diverse
gemeenten. Met andere woorden,
kunnen gemeenten die tot nu toe
een zware, misschien wat te zware
taak hadden daarvoor enigszins
beloond worden?
Dat er een lump sum is voor de
vergoeding van de gemeentelijke
kosten geeft de gemeenten veel
mogelijkheden om de huisvesting
goed afgestemd op hun situatie te
regelen. Het totale bedrag gaat
echter behoorlijk naar beneden. Dat
blijft voor mij een moeilijk punt. De
heer Gabor heeft een amendement
ingediend ten aanzien van de
inrichtingskosten. Ik ben daar niet
helemaal ongevoelig voor. De
Regeling opvang asielzoekers gaat
over van VWS en Sociale Zaken en
Werkgelegenheid naar Justitie. Een
deel gaat in de VVTV over naar
Binnenlandse Zaken en vervolgens
naar de gemeenten. Hoe is de
overgang van de ROA financieel
precies geregeld? Welke bedragen
gaan waar naartoe volgens de
nieuwe wetgeving die nu in
bespreking is? Is daarin een
bezuiniging besloten? Welke omvang
heeft die dan?
Ik ben er op dit moment nog niet
van overtuigd dat de bedragen
zodanig worden verlaagd dat
gemeenten daarmee niet uit de
voeten kunnen. Als het wel zo is,
zullen wij daar naar mijn oordeel zo
snel mogelijk een mouw aan moeten
passen door middel van een
wetswijziging. Niets is zo slecht dan
gemeenten een taakstelling opleggen
en vervolgens horen dat zij het
absoluut niet kunnen bolwerken.
Er is een verdelingsmechanisme
voor de grootstedelijke gebieden.
Rotterdam heeft ons daar een brief
over geschreven die mij zeer
aansprak. Er komt een bijzondere
wet voor de stadsprovincies. Ligt het
dan niet in de rede om de stads-
provincies het aantal plaatsen waar
gemeenten opvang en huisvesting
moeten regelen te laten verdelen
over de afzonderlijke gemeenten? Ik
heb daar geen reactie op gehoord;
graag alsnog een antwoord daarop,
want de lex specialis voor de
stadsprovincie Rotterdam wordt op
dit moment voorbereid en ik zou
graag weten hoe de bewindslieden
dit aspect erin verwerken. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2801" anker="159" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Hoe ziet u
in dat voorstel dan de herverdelings-
mogelijkheid? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2801" anker="160" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 De
gemeenten zullen daar natuurlijk
overleg over moeten plegen met de
stadsprovincie. In feite is het een
verdeling en een herverdeling in een.
Het probleem is dat er met de lex
specialis heel veel taken van de
gemeenten aan de stadsprovincie
worden overgedragen. Mocht een
verdeling absoluut niet lukken, dan
draait het er al heel snel op uit dat
het Rijk gaat herverdelen. Dat lijkt
mij een wat zwaar middel en
bovendien niet nodig. De verdeling
gaat immers in overleg met de
gemeenten. De discussie over welke
taken bij de stadsprovincie en welke
taken bij de gemeenten onderge-
bracht moeten worden, is in deze lex
specialis heel moeilijk, maar het lijkt
mij in ieder geval van groot belang
dat die verdelingstaak aan de
stadsprovincie wordt toebedeeld.
De bewindslieden hebben heel
duidelijk gezegd dat vergoeding van
de gemeentelijke kosten jaarlijks
geı¨ndexeerd worden. Ik heb deze
vraag in eerste termijn gesteld,
omdat ik hierover absolute zekerheid
wilde hebben. In de afgelopen jaren
is dit immers niet gebeurd. Ik ben
hier blij mee, want dit is een
verbetering.
Tot slot. De PvdA-fractie hoopt van
harte dat deze wetsvoorstellen als
onderdeel van de totale opvang van
asielzoekers tot en met de integratie
van statushouders ertoe zullen
bijdragen dat de gehele asielketen
goed verloopt. Wij vinden het van
zeer groot belang, aangezien het
structureel is dat er mensen naar ons
land komen, en wij de taak hebben
om dit goed te regelen. Ik hoop van
harte dat er goede afspraken met de
VNG kunnen worden gemaakt, want
als er in dat verband spanningen
ontstaan, rijzen er in mei grote
problemen. Ik zou dus een beroep
willen doen op het kabinet en de
VNG om tot overeenstemming te
komen, want ook al hebben deze
wetsvoorstellen tot doel, de
gemeenten een duidelijke taak te
geven, het blijft ook altijd een
verantwoordelijkheid van het Rijk dat
de inburgering goed wordt geregeld.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2801">

 
<spreker pagina="41-2801" anker="161" partij="GPV" naam="Schutte">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik dank beide bewindslie-
den voor hun antwoorden. Een van
de punten van discussie heeft
betrekking op de vergoeding die in
de vorm van een lump sum aan de
gemeenten wordt verstrekt. Ik denk
dat de gekozen vorm heel wat
knelpunten kan wegnemen, zeker op
termijn, als er ook inkomsten uit
arbeid zullen zijn. Maar de hoogte
van de lump sum wordt natuurlijk
wel bepaald door de samenstellende
delen en ik heb in eerste termijn met
name aandacht gevraagd voor het
bedrag van ƒ 125 per kind wegens
persoonlijke uitgaven. Het is evident
dat dit bedrag veel lager kan zijn dan
volgens de ROA – daar zijn goede
argumenten voor – maar het lijkt mij
toch heel moeilijk te onderbouwen
dat dit een redelijk bedrag zou zijn. Ik
heb er ook op gewezen dat de
situatie voor gezinnen met meer
kinderen extra nadelig kan zijn, wat
in de categorie van de VVTV’ers met
een zekere regelmaat zal voorkomen.
Een te laag bedrag maakt het voor
gemeenten zeer onaantrekkelijk om
medewerking te verlenen aan de
huisvesting van juist deze categorie
VVTV’ers. Waarom is het bedrag van
ƒ 125 redelijk en waarom is het niet
beter de weg te volgen van het
amendement van de heer Gabor
hierover?
Ik heb geen antwoord gekregen op
de vraag naar de communicatie
tussen overheden. Volgens een
artikel in Woningraad Magazine van
november vorig jaar heeft ongeveer
een derde van de problemen die
sociale verhuurders ondervinden, te
maken met communicatieproblemen
met de onderscheiden overheden,
dus zowel de departementen als de
lagere overheden. Is dat bekend?
Zien de bewindslieden, in het
bijzonder de staatssecretaris,
mogelijkheden om daar iets aan te
doen? Niets is zo vervelend als
wanneer je in zaken die toch al
moeilijk liggen, ook nog eens stuit
op communicatieproblemen.
De staatssecretaris heeft uitvoerig
aandacht geschonken aan de
gemeenten en regio’s waar de
huisvestingsproblemen extra groot
zijn. Naar mijn gevoel ging hij echter
wat luchtig over de problemen heen.
Hij heeft zeker goede argumenten
aangevoerd. Hij heeft erop gewezen
dat de voorgenomen herverdeling
nieuwe mogelijkheden biedt. Van de
cijfers die hij noemde, waren er
enkele verontrustend, maar die
vormen niet het algemene beeld. Hij
toonde zich optimistisch over de
mogelijkheden die de bouwproduktie
biedt. Over het algemeen schetste de
staatssecretaris dus een vrij positief
beeld.
Toch blijf ik zitten met vragen over
regio’s die nu al buitengewoon
moeilijk kunnen voorzien in de eigen
woningbehoefte vanwege de
taakstelling die uit de ruimtelijke
ordening voortvloeit. Zijn er nu
voldoende instrumenten? Voor de
gemeenten in die regio’s biedt
nieuwbouw niet veel mogelijkheden,
dunkt mij, omdat deze uit ruimtelijke-
ordeningsoogpunt zeer beperkt is. Is
het dan wel redelijk om van die
gemeenten de oplossing te vragen?
En kan dat worden bereikt met
uitsluitend het middel van de
herverdeling? Die vraag klemt te
meer in het geval van grotere
gebieden, zoals de Veluwe, en waar
de problemen vrijwel identiek zijn. Ik
vind regionale herverdeling wel de
meest aangewezen weg, maar de
regio’s moeten zodanig zijn dat zij
mogelijk is. De koninklijke weg moet
wel begaanbaar zijn. De staatssecre-
taris heeft kritiek geuit op de
medewerking van een aantal
Veluwse gemeenten. Die kan terecht
zijn, maar in dat gebied wordt een
enorme spanning ondervonden
tussen enerzijds de beperkte
mogelijkheden op basis van de
ruimtelijke ordening en anderzijds
legitieme wensen en problemen bij
het voorzien in de eigen woning-
behoefte. Als het een groot gebied
betreft, vraag ik mij af of er
voldoende mogelijkheden zijn.
De minister en de staatssecretaris
hebben beiden positief gereageerd
op mijn verwijzing naar het advies
van de RAVO. De vraag is hoe je
ervoor kunt zorgen dat er voldoende
draagvlak bestaat en ontstaat voor
het minderhedenbeleid, in het
bijzonder het beleid voor asiel-
zoekers. De RAVO heeft concrete
punten genoemd die hiervoor
onderzocht moeten worden. Beide
bewindslieden hebben positief
gereageerd, erop wijzend dat het
geen simpele zaak is en dat het
misschien wat vroeg is om er nu al
iets mee te doen. Ik vraag de
bewindslieden concreet of in de
komende memorie van toelichting op
de begroting of een ander stuk dat
ter gelegenheid daarvan verschijnt,
een indicatie kan worden gegeven
van de wijze waarop de regering met
deze materie denkt om te gaan. Het
moet echt duidelijk zijn, ook naar
buiten toe, dat de regering erkent dat
deze belangrijke categorie mensen
voor problemen voor de samenle-
ving zorgt, dat deze moeten worden
opgelost en dat wij een verantwoor-
delijkheid hiervoor hebben. Dat is
naar mijn mening de strekking van
het advies van de RAVO. Als in die
zin de vinger aan de pols gehouden
wordt, hebben wij in dit stadium het
mogelijke gedaan.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2802">

 
<spreker pagina="41-2802" anker="162" partij="SGP" naam="Van den Berg">

Mijnheer de voorzitter! Ik wil de
bewindslieden graag danken op hun
reactie op onze vragen. Een aantal
punten is daarmee opgehelderd en ik
wil daar dan ook niet op terugko-
men. Voor zover bij onze fractie nog
twijfels bestonden over de noodzaak
van aanvullende wetgeving, met
name op het punt van de huisves-
ting, kan ik melden dat de bewinds-
lieden ons van die noodzaak hebben
overtuigd.
Een enkel inhoudelijk punt vraagt
nog wel de aandacht. Ik wil kort
stilstaan bij de financie¨le problema-
tiek die de gemeenten als gevolg van
deze wet zouden kunnen ondervin-
den. In mijn termijn heb ik aandacht
gevraagd voor de noodzakelijke
soberheid van de voorzieningen,
maar dat betekent niet dat de
bezuinigingen zo ver zouden moeten
gaan dat gemeenten daardoor in
problemen moeten komen en zelf
moeten bijpassen. Dat spanningsveld
is voor mij nog niet helemaal
opgehelderd. Ik heb enerzijds
begrepen, dat in maart nog overleg
plaatsvindt met de VNG waarin ook
de financie¨le aspecten aan de orde
zullen komen, behalve voor zover nu
reeds een aantal zaken in de wet
wordt vastgelegd. Ik mag aannemen
dat de regering er alles aan gelegen
is om overeenstemming met de VNG
te bereiken en dat men de bereidheid
heeft om er samen uit te komen. Ik
ga daar zonder meer van uit. De heer
Gabor heeft namens de CDA-fractie
een amendement ingediend. Ik
verneem daar graag de reactie van
de regering op en ik behoud mij een
oordeel daarover tot op dat moment
voor.
Voorzitter! Ik wil overigens
hoofdzakelijk aandacht besteden aan
de verdelingssystematiek wat betreft
de taakstelling van de gemeenten,
iets wat ik in eerste termijn ook
centraal heb gesteld. Ik heb
inderdaad kritiek geuit op de door
mij als wiskundige formule aange-
duide systematiek, waarvan de
minister van Binnenlandse Zaken
meldde dat dit in zijn ogen toch de
eerlijkste verdeling was. Ik heb daar
bij interruptie al een kanttekening bij gezet: is het eerlijk wanneer
gemeenten die in de grootst
mogelijke spanning ten aanzien van
de voorziening in de woningbehoefte
van eigen inwoners verkeren relatief
een even zware taakstelling krijgen
opgelegd als andere gemeenten
waar dat probleem niet of in veel
mindere mate speelt? Ik kan de
eerlijkheid daarvan op voorhand niet
dienovereenkomstig inschatten.
De heer Tommel is er ook
uitvoerig op ingegaan en hij heeft
een aantal verhelderende gegevens
verstrekt, maar ook dat lost niet alle
problemen op. Hij heeft gezegd, dat
er met de instrumenten in deze wet
een zekere souplesse mogelijk is om
de problemen op te vangen. Ik wijs
er echter op dat het, voor zover het
met name gaat om het instrumenta-
rium van de provincie, gaat om
oplossingen binnen een regio. Mijn
probleem was dat er regio’s zijn die
in totaliteit in precies dezelfde
problematiek verkeren en waar een
herverdeling binnen die regio dus
niets kan oplossen. De heer Schutte
duidde daar zojuist ook op. Ik heb
voorgesteld om voor dat soort
gevallen een hardheidsclausule in de
wet neer te leggen opdat het Rijk
ontheffing van de taakstelling kan
verlenen in verband met overwegin-
gen van ruimtelijke aard. Ik hoor
daar alsnog graag een reactie op.
Een andere lijn zou zijn datgene
wat, overigens met onze steun, de
heer Gabor in een amendement
heeft neergelegd, namelijk om
bepaalde maximeringen aan te
brengen. Dat zou dit probleem
gedeeltelijk kunnen ondervangen. De
problematiek mag namelijk niet
worden onderschat. Ik had toch de
indruk, dat de staatssecretaris in zijn
uithaal naar een aantal Veluwse
gemeenten de problematiek wat
bagatelliseerde. Er is met name op
de Veluwe een zeer stringent
ruimtelijk beleid, met als resultaat
dat de woningbehoefte ook van de
eigen inwoners niet of nauwelijks
kan worden gehonoreerd. Men staat
jarenlang op een wachtlijst. Ik heb
dan ook bij interruptie aan de
staatssecretaris gevraagd of hij zich
kan voorstellen waarom gemeenten
op de Veluwe in eerste aanleg hun
medewerking aan deze operatie
wellicht niet spontaan hebben
geleverd. Daar speelde een bepaalde
opstelling ten opzichte van vreemde-
lingen geen rol bij. Iedereen is
overtuigd van de noodzaak van een
adequate huisvesting voor mensen
die hier rechtmatig mogen verblij-
ven. Echter, het is buitengewoon
triest wanneer je deze taakstelling
moet honoreren terwijl je je eigen
inwoners jarenlang op wachtlijsten
moet laten staan omdat vrijwel geen
huizen worden toegewezen als
gevolg van het stringente beleid van
de provincie. Men kan niet ontken-
nen dat er gemeenten zijn waar de
situatie zo is. Wij mogen het belang
van het maatschappelijk draagvlak
niet onderschatten en juist daarvoor
is deze situatie bijzonder ingrijpend.
De staatssecretaris gaf aan dat de
provincie bereid was om mee te
werken. Dat moet ik toch rectificeren.
Het probleem voor de Veluwse
gemeenten was nu juist dat de
provincie nıet de bereidheid toonde
om mee te werken. Ik behoef hier de
gemeenten niet te verdedigen – ik
heb een andere verantwoordelijkheid
– maar ik vind we`l dat de staatsse-
cretaris de zaken juist moet
weergeven en niet de schijn moet
wekken dat de gemeenten een soort
anti-vreemdelingenbeleid voerden.
Dat heeft er niets mee te maken. Het
gaat om een eerlijke en verant-
woorde opstelling, ook ten opzichte
van de eigen bevolking, mede gelet
op het belang van het draagvlak voor
het beleid. Daarom dring ik er
nogmaals met klem op aan dat men
voor de problematiek van deze
gemeenten voldoende oog heeft. In
mijn ogen betekent dit dat, als er een
taakstelling is voor allochtonen, er
ook mogelijkheden moeten worden
geboden om extra woningen voor
autochtonen te bouwen. Mevrouw
Versnel kan wel zeggen dat dit
onverantwoord is, maar dat begrijp
ik niet. Ik vind het onverantwoord,
ook met het oog op het genoemde
draagvlak, om dit probleem te
miskennen. Bij deze afweging
hebben wij hetzelfde doel voor ogen,
namelijk verantwoorde huisvesting,
ook voor deze categorie allochtonen.
Welnu, wellicht moet daarvoor
inbreuk worden gemaakt op
bepaalde afwegingen in het kader
van het ruimtelijke beleid. Dat mag
toch? Waarom is dat nu ineens
onverantwoord? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2803" anker="163" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">

Niet alleen op de Veluwe bestaan er
spanningen op de woningmarkt
omdat er weinig woningen beschik-
baar zijn. Dat is ook in veel grote
steden het geval. In een dergelijke
situatie komt het inderdaad voor dat
mensen jaren op een woning moeten
wachten. Al jaren worden grote
aantallen asielzoekers, verblijfs-
gerechtigden, herenigde gezinnen
enz. aan het aantal woningzoekenden
toegevoegd. Nu wordt er wat meer
gedaan om te komen tot een over
het hele land verdeelde verantwoor-
delijkheid. Tegen die achtergrond is
het niet irree¨el dat ook andere
gemeenten een zekere taakstelling
krijgen, die verhoudingsgewijze
wordt bepaald. Natuurlijk is het
moeilijk om tegen mensen die al
jaren op een wachtlijst staan, te
zeggen dat zij nog wat langer
moeten wachten. De staatssecretaris
heeft in dit verband aangegeven
welke marges hierbij van belang zijn.
Het gaat hierbij om 1 op 5, ofwel
20%, van belang voor de provincie
om iets te doen op het terrein van
herverdeling. Ik denk dat dit een
mooie indicatie is. Ik vind 1 op 5 niet
zo verschrikkelijk schandalig. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2803" anker="164" partij="SGP" naam="Van den Berg">
 Ik
vraag mij af of voor alle Veluwse
gemeenten die verhouding van 1 op
5 geldt. Ik denk dat enkele gemeen-
ten boven dat niveau uitkomen.
Overigens is hiermee de vraag niet
beantwoord waarom het onverant-
woord zou zijn om in deze afweging,
die wij inderdaad moeten maken,
ook te denken aan de hoofdlijnen
van het ruimtelijke beleid. Dat is toch
geen taboe? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2803" anker="165" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">

Neen, maar dan doen wij niet
eventjes bij deze behandeling. U
weet dat er nog een uitvoerige
discussie volgt over de aanpassing
van de Vinex. Ik vind het prima dat
men dergelijke elementen bij de
discussie van vandaag betrekt om
daarmee bepaalde zwaartepunten
aan te geven, maar ik vind het
onzinnig om deze kwestie hierbij nu,
bij voorrang, als enig punt neer te
leggen. Ik wens dit af te wegen in
het totaal van het handhaven van het
restrictieve beleid, van natuur en
landschap en van open ruimten. U
weet ook wel dat er in de afgelopen
twintig jaren meer in het Groene
Hart is gebouwd dan in alle grote
steden daaromheen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2803" anker="166" partij="SGP" naam="Van den Berg">

Voorzitter! Mevrouw Versnel gebruikt
nu het woord ’’onzinnig’’. Ik begrijp
niet waarom zij dat doet. Wel ben ik
het met haar eens dat wij juist bij het
ruimtelijk beleid op dit punt een
afweging moeten maken. Bij nadere
invulling van het nationaal ruimtelijk
beleid hopen wij op deze kwestie
dan ook terug te komen. Mevrouw
Versnel vindt dat wij ons daar nu niet
mee bezighouden, maar nu stellen
wij wel een taakstelling vast die
consequenties heeft voor de
woningbouw en het ruimtelijk beleid.
Ik vind het dan niet ongepast en
zeker niet onzinnig om vandaag ook
andere aspecten aan de orde te
stellen. Wel ben ik het met mevrouw
Versnel eens dat de afweging ten
aanzien van die andere aspecten op
een andere moment zal moeten
plaatsvinden. Laten wij hier echter
niet woorden gebruiken als
’’onverantwoord’’ en wij moeten
zeker niet spreken van ’’onzinnig’’.
Wij proberen samen een oplossing
voor een probleem te vinden en dan
moeten dit soort zaken toch
bespreekbaar zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2803" anker="167" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">

Voorzitter! Ik neem het woord
’’onzinnig’’ terug, omdat het niet erg
verstandig is dat soort woorden te
gebruiken. Het ontschoot mij. Ik wil
de heer Van den Berg echter
herinneren aan wat in het dictum
van de motie staat. Daarin wordt van
de regering gevraagd bij de
beoordeling van de in de streekplan-
nen voorziene bouwcapaciteit voor
de gemeenten waarop het restric-
tieve beleid van toepassing is, soepel
te zijn. De heer Van den Berg zal zich
herinneren dat in streekplannen,
bijvoorbeeld die voor het Groene
Hart, al een kleine 5000 woningen
boven de toegestane capaciteit van
de Vinex is aangegeven. De minister heeft daarover gezegd: dat doe ik
niet. Dat staat dus vast. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2803" anker="168" partij="SGP" naam="Van den Berg">
 Wij
komen hierop nog terug. Overigens,
ik had het niet over het Groene Hart,
maar over de Veluwe. Voor de
Veluwe is de problematiek van het
restrictief beleid wellicht knellender.
Het lijkt mij echter beter over dit
punt op een later moment met elkaar
door te praten. Daarbij kunnen wij
dan, naar ik hoop, open en zakelijk
zijn.
Voorzitter! Mijn conclusie van dit
betoog blijft, dat er iets moet
gebeuren en dat wij dat nu moeten
onderkennen. Ik vraag mij af of met
het amendement van de heer Gabor,
waar ik achter sta, dit probleem
wordt opgelost. Juist als een hele
regio in een knelsituatie terechtkomt,
vraag ik mij af of het bestaande
instrumentarium, met name wat de
provinciale bevoegdheid betreft,
voldoende is om tot een oplossing te
komen. Zou er geen behoefte
bestaan aan een meer generale
hardheidsclausule? Hierover
verneem ik graag het oordeel van de
regering.
Voorzitter! Bij interruptie is al
gevraagd hoe men met het oog op
de huisvesting met de categorie
VVTV’ers moet omgaan. Dit punt is
nu natuurlijk ook aan de orde.
Hierover heb ik vragen gesteld en de
staatssecretaris heeft daarop
gereageerd. Bij interruptie heb ik
hierover zojuist ook een vraag aan
de heer Gabor gesteld. Ik heb
begrepen dat de regering niet bij
voorbaat de mogelijkheden voor
meer gezamenlijke huisvesting voor
deze categorie ontkent. Er zijn
gebouwen van allerlei aard en die
bieden mogelijkheden. Wij moeten
die mogelijkheden dan ook benutten.
De woningen zijn al schaars en als
wij de woningnood met het gebruik
van andere gebouwen kunnen
ontlasten en – daar ga ik natuurlijk
van uit – daarbij sprake is van een
verantwoorde situatie, moeten wij
dat doen.
Overigens wil ik hier niet verder
ingaan op de meer principie¨le
discussie over de vraag hoe je met
de categorie VVTV’ers moet omgaan
met het oog op de integratie. De
minister is naar aanleiding van
vragen op dit punt nader ingegaan.
Bij de gemaakte opmerkingen heb ik
nog wel kanttekeningen. De discussie
hierover kunnen wij echter beter
voeren als de gedachtenwisseling
over het traject van inburgering aan
de orde is. Wij moeten namelijk nog
bepalen hoe wij de inburgering
verder vorm gaan geven en welke
normen bij de gefaseerde aanpak
van de integratie gehanteerd kunnen
worden.
Voorzitter! Ik wacht graag de
reactie op mijn vragen af. Ik zal ook
de uitslag van de stemming over een
aantal amendementen met belang-
stelling tegemoetzien. Die uitslag zal
voor mijn fractie namelijk mede het
eindoordeel over deze wetsvoorstel-
len bepalen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2804">

 
<spreker pagina="41-2804" anker="169" partij="RPF" naam="Rouvoet">
 Voorzitter! Ik
dank de collega’s die zo genereus
waren om mij even voor te laten
gaan, zodat ik ook mijn andere
verplichtingen na kan komen. In mijn
tweede termijn kan ik heel kort zijn.
Uit de ingediende amendementen
blijkt, dat belangrijke punten die ik in
eerste termijn aan de orde heb
gesteld de aandacht van veel leden
hebben. Ik denk nu aan de wens om
het initiatief bij de gemeenten te
laten als het gaat om de wijziging
van de taakstelling door de
provincie. Verder noem ik het
aanhouden van een termijn van zes
maanden in plaats van een termijn
van drie maanden voor de taakstel-
ling. Daarover bestaan bij de
regering gemengde gevoelens. Het is
duidelijk geworden dat op dit punt in
de Tweede Kamer brede steun voor
de voorstellen bestaat. Mijn
handtekening onder het amende-
ment van collega Van der Burg en
anderen, geeft aan voor welke
stellingname ik op dit punt kies.
Er zijn voor mij nog twee andere
punten te behandelen. Kortheids-
halve kan ik mij daarbij aansluiten bij
de opmerkingen van voorgaande
sprekers. Ik doel vooral op de
hardheidsclausule bij de toepassing
van de verdeelsystematiek, waar het
gaat om de taakstelling voor regio’s
met bijzonder problematische
huisvestingssituaties. We hebben
daarover net een uitgebreid
interruptiedebat gevoerd. Een
belangrijk punt in mijn eerste termijn
was, de sociale huurwoningvoorraad
bij de vaststelling van die verdeel-
systematiek te betrekken. De regio’s
waarin dat in het bijzonder optreedt,
zijn genoemd. Voor mijn fractie is
duidelijk geworden, dat de
herverdelingsbevoegdheid van
gedeputeerde staten op dit terrein te
kort schiet, wat de reden is geweest
dat het amendement van collega
Gabor terzake ook mijn handtekening
draagt, en hetzelfde geldt voor de
motie, die op hetzelfde punt
betrekking heeft. Ik heb dat met
overtuiging gedaan, met het oog op
de werkelijk problematische
huisvestingssituatie in de betreffende
regio’s, zoals de Veluwe, het Groene
Hart en Zuid-Kennemerland.
Het bedrag voor persoonlijke
uitgaven van jongeren, ƒ 125, wordt
vandaag niet voor het eerst
genoemd. Ik heb daarvoor in eerste
termijn een nadere onderbouwing
gevraagd en ik sluit mij aan bij de
vraag van de heer Schutte, of nog
nader ingegaan kan worden op die
onderbouwing, omdat niet overtui-
gend is aangetoond dat dit bedrag
toereikend zal zijn. Ik heb gewezen
op het feit dat daar kledinggeld
etcetera onder vallen. Als we kijken
naar de toelichting, verdient dat toch
een nadere motivering. Ik houd
vooralsnog aarzeling op dat punt.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2804">

 
<spreker pagina="41-2804" anker="170" partij="VVD" naam="Verbugt">
 Voorzitter!
Ik dank de regering voor haar
uitvoerige antwoord in eerste
termijn. Het cree¨ren van een heldere
taakverdeling en duidelijkheid voor
alle betrokkenen, met name Rijk en
gemeenten, zodat ze samen kunnen
toewerken naar een effectieve en
structurele aanpak om mensen die
elders zijn verdreven door politiek of
etnisch geweld een plaats te geven
in onze samenleving, is een
verantwoordelijkheid die we moeten
dragen. Ik proef uit het debat van
gisteren dat er een groot politiek
draagvlak is voor een wettelijke
regeling, in plaats van circulaires.
De minister van Binnenlandse
Zaken is uitvoerig ingegaan op deze
problematiek. Wat ik heel belangrijk
vind, is dat ook de gemeenten zelf de
roep hebben doen klinken om op
termijn meer duidelijkheid te krijgen.
Dat is voor ons een belangrijk punt
in verband met de acceptatie van de
wettelijke regeling. We moeten daar
nu zo snel mogelijk naar toe werken.
Anderen voor mij hebben ook al
aangekaart dat de regering zich in zal
moeten zetten voor het maken van
goede afspraken met de gemeenten
over de inburgeringstrajecten.
De toezegging van de regering is
duidelijk, en wij zullen haar eraan
houden dat er omstreeks april,
uiterlijk begin mei, een definitief plan
bij de Kamer ligt, dus voordat de
gemeenten aan de uitvoering van
hun wettelijke taak beginnen. Het zal
nog een hele klus zijn. Ik vind dat de
procedure hier niet de schoonheids-
prijs verdient. We hebben overwo-
gen, een en ander met een motie
nader in te kaderen, maar de
toezegging van de regering en een
eventueel bevredigend antwoord op
de vragen die zojuist zijn gesteld
door mevrouw Van der Burg van de
PvdA, leiden ertoe dat we daar
wellicht vanaf kunnen zien.
Wat overblijft, is de vraag of de
invoering van het inburgeringstraject
gelijk kan lopen met de invoering
van de wijziging van de
Huisvestingswet, ofte wel met het
moment dat de gemeenten
daadwerkelijk aan de taak moeten
beginnen. Het antwoord op die vraag
is mij nog niet duidelijk. Wat mij ook
nog niet duidelijk is – ik heb daar
althans geen antwoord op gekregen
– is de wijze van invoering van deze
wet. Er lopen op dit moment nog
afspraken in het kader van het
bestuursakkoord, welke afspraken
lopen tot 1 juli a.s. Mogen wij ermee
rekenen dat partijen – ik denk dan
vooral aan Justitie en de gemeenten
– hun afspraak over die datum
kunnen nakomen, waarna in een
vloeiende lijn kan worden overge-
stapt op de nieuwe regeling, of
moeten wij rekenen met een zekere
overlapping van oude taken die nog
niet helemaal zijn ingevuld en
nieuwe taken die eraan komen op
basis van het ingaan van de nieuwe
wet?
Voorzitter! Ook al hebben de
gemeenten het principe van de
wettelijke regeling geaccepteerd en
waren zij in hoge mate betrokken bij
de totstandkoming van de verdeel-
sleutel, toch mogen wij niet uit het
oog verliezen dat de gemeenten een
pittige taak krijgen in de komende
periode. Wij mogen daar zeker niet
lichtvaardig over denken. De wijze
waarop en de mate waarin de
gemeenten deze taken kunnen
uitvoeren, zullen van directe invloed
zijn op het maatschappelijk
draagvlak. Om die reden wil mijn
fractie zicht blijven houden op de
manier waarop gemeenten met deze
regeling werken. Ook willen wij op
de hoogte blijven van de effecten
van een en ander op de woning-
markt en dan met name in relatie tot
andere woningzoekenden. Ik sluit mij
aan bij de opmerkingen van
voorgaande sprekers hierover.
Mijn fractie is blij met de
toezegging dat VROM hiervoor een
monitoringsysteem zal opzetten. Kan
de staatssecretaris in tweede termijn
aangeven wanneer wij dat systeem
kunnen verwachten? De heer Schutte
heeft gevraagd om een verslagleg-
ging in het kader van de begroting.
Kan dit systeem hierbij betrokken
worden of is een andere aanpak
beter?
De staatssecretaris is zeer
optimistisch over de woningbouw-
produktie en over de voortgang van
de Vinex. Wij moeten echter ook
bedenken dat wij nu al behoorlijk
achterliggen op het schema en dat
wij de komende tijd op een krappe
woningmarkt moeten opereren.
Daarom wil mijn fractie vasthouden
aan een evaluatie van de wettelijke
regeling over twee jaar. De staatsse-
cretaris vindt dat wij wellicht teveel
evalueren, maar in dit geval wordt er
een maatschappelijk belang mee
gediend. De politiek moet de vinger
aan de pols blijven houden om, zo
nodig, op een adequate manier te
kunnen bijsturen.
Ik wil graag de problematiek van
de asielmigratie betrekken bij de
discussies over de voortgang en de
toekomst van het Vinex-beleid, maar
het voert te ver om hier in dit debat
verder op in te gaan. Wij komen hier
nog op terug.
In eerste termijn heb ik uiteenge-
zet waarom wij de amendementen
over de rol van de provincies en de
verlenging van de taakstellingster-
mijn steunen. De reactie van de
regering heeft ons niet van stand-
punt doen veranderen. Wij vinden
dat de gemeenten voldoende
armslag en flexibiliteit moeten
hebben om de taakstelling in te
passen in de woningplanning en het
woningtoewijzingsbeleid. Mevrouw
Van der Burg heeft terecht opge-
merkt dat er spanning in de
samenleving optreedt als een en
ander niet goed verloopt. Wij willen
die spanning zeker voorkomen. Wij
zullen ook op dit punt de zaak
kritisch blijven volgen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2805">

 
<spreker pagina="41-2805" anker="171" partij="VVD" naam="Kamp">
 Voorzitter! De
VVD-fractie heeft gisteren haar steun
gegeven aan de wet inzake de
gemeentelijke zorg. Het zal niemand
verbazen dat wij na het antwoord
van de regering onze steun
handhaven.
Ik kom kort terug op enkele
punten. Wij willen allerminst de
bewindslieden aansporen om ervoor
te zorgen dat er dit jaar in ieder
geval 10.000 VVTV’ers komen. Wij
willen echter wel overtuigd worden
van de noodzaak van een nieuwe
wet. Het mag geen ’’flauwekul-
regeling’’ zijn. In de memorie van
toelichting staat dat de wet bedoeld
is voor vreemdelingen die niet in
aanmerking komen voor een
vluchtelingenstatus en die niet in
aanmerking komen voor vergunning
tot verblijf vanwege klemmende
redenen van humanitaire aard, maar
die toch niet uitgezet kunnen worden
vanwege de algemene situatie in het
land van herkomst. De minister schat
in dat er dit jaar ongeveer 10.000
voorwaardelijke vergunningen
verleend zullen worden. De
vereniging VluchtelingenWerk
Nederland schrijft ons echter dat er
niet of nauwelijks voorwaardelijke
vergunningen aan de omschreven
groep worden verleend. Uitgaande
van de juistheid van de informatie
van de minister, moet ik constateren
dat de informatie van Vluchtelingen-
Werk onjuist is en dat betreur ik. Ik
ga er voorlopig van uit dat er op
basis van redelijke inschattingen
rekening mee gehouden moet
worden dat er een aanmerkelijk
aantal van dit soort voorwaardelijke
vergunningen wordt verleend. Zoals
is aangegeven kan dit gaan om een
aantal van 10.000.
Voorzitter! Dan kom ik bij de
ziektekosten. Uit het wetsvoorstel en
uit de memorie van toelichting had ik
begrepen dat er voor de ziektekosten
van mensen met een voorwaardelijke
vergunning een dekkende regeling is
gemaakt. Zij zullen onder het
ziekenfonds vallen en voor de
overige kosten wordt er een
collectieve verzekering afgesloten. Ik
heb gisteren van de bewindsman
begrepen dat ik de stukken niet goed
heb gelezen. Het totaal van die
regeling is niet meer dan de regeling
die geldt voor de bijstands-
gerechtigden. Ik geloof hem wat dat
betreft graag.
Vervolgens ga ik in op de
ingediende amendementen. De
amendementen op de stukken nrs.
12 en 15 zijn door ons medeonderte-
kend. Daar zijn wij dus voor. Wat de
amendementen op de stukken nrs.
16 en 17 van de heer Gabor betreft,
houden wij vast aan het standpunt
dat wij gisteren hebben ingenomen.
Wij zullen die amendementen niet
steunen. Wij willen een sobere
regeling om bij te dragen aan het in
de hand houden van het totaal van
de kosten die op dit punt worden
gemaakt. Wij menen dat de
gemeentelijke zorg aangepast moet
worden, zeker gelet op het gegeven
dat een VVTV’er in de tweede van de
drie te onderscheiden fasen in
aanmerking komt voor twaalf weken
werk en in de derde periode vrije
toegang heeft tot de arbeidsmarkt.
Alle inkomsten die daaruit verworven
worden, komen aan de gemeenten
ten goede. Dit in aanmerking
nemend, vinden wij het een
acceptabele regeling.
Dan kom ik bij het amendement
op stuk nr. 18 van de heer Gabor,
waarin de 20%-regeling is opgeno-
men. Dat amendement ontkent de
mogelijkheden van de provincie om
waar nodig corrigerend op te treden.
Wij zullen ook daar tegen stemmen.
Deze wet zal een goede bijdrage
leveren aan wat gedaan moet
worden voor mensen met een
voorwaardelijke vergunning, namelijk
zorgen voor een veilig tijdelijk
verblijf in ons land.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2805">

 
<spreker pagina="41-2805" anker="172" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">

Voorzitter! Uit het gevoerde debat is
duidelijk geworden dat iedereen
overtuigd is van de noodzaak van
deze wet. Het gaat daarbij om
heldere regelgeving waarmee men
uit de voeten moet kunnen. Het is
daarom belangrijk dat het maat-
schappelijk draagvlak hiervoor groter
wordt. Iedereen ergert zich aan
ingewikkelde onuitvoerbare wetten.
Daar is nu in ieder geval geen sprake
van. Ik wil daarom van mijn
waardering blijk geven, ook voor de
wijze waarop de bewindslieden in
eerste termijn op de vragen hebben
geantwoord. Ik vind het met name
erg belangrijk dat de staatssecretaris
uitstel van de invoering onverstandig
vindt. Er is dan geen duidelijke
structuur voordat er met de
gemeenten gesproken wordt. Als die
structuur er niet is, kan een wet niet
goed uitgevoerd worden. Het is dus
van belang dat wij nu tot een
vaststelling van de zaken komen. Dat
laat onverlet dat wijzigingen op een
later tijdstip altijd mogelijk moeten
zijn als de praktijk er anders uitziet.
Voorzitter! Ik wil mijn tevredenheid
uiten over de mogelijkheid dat
VVTV’ers met instemming van de
gemeente nabij vrienden en familie
in een andere gemeente kunnen
wonen. Ik ga ervan uit dat dit ook
geldt voor de verblijfsgerechtigden,
mits de gemeenten het daarover
eens zijn. Dit laatste heeft natuurlijk
gevolgen voor het inburgerings-
contract. Het lijkt mij goed als de
minister bij de besprekingen hierover
deze kwestie ter tafel brengt.
Uiteraard geldt hiervoor ook dat het
moet gaan om een simpele niet
bureaucratische regeling.
Voorzitter! Ik vind dat de wetten in
het algemeen gericht zijn op de
creativiteit en inventiviteit van de
gemeente. Doordat er voldoende
beleidsvrijheid is gegeven, bestaat
de mogelijkheid hiertoe. Ik vind het
belangrijk om dergelijke constaterin-
gen te doen. Overigens is deze
creativiteit en inventiviteit hard nodig
vanwege de forse spanning op de
woningmarkt, waarover we reeds
uitvoerig gediscussieerd hebben.
Ik wil graag de suggestie die
mevrouw Van der Burg gisteren
deed, ondersteunen om te komen tot
aanpassing van het bouwbesluit. Dit
zou de snelheid van de verbouw van
dit soort grote panden kunnen
bevorderen. Het gaat erom feitelijk te
onderzoeken wat er daadwerkelijk
nodig is om tot deregulering te
komen.
Ook de kwestie van het actief
bevorderen dat er meerdere
personen in een woning kunnen
verblijven, speelt een rol. De
staatssecretaris was reeds bezig om
hierover met corporaties en hun
koepels en met gemeenten over te
praten. Ook de houding ten opzichte
van de wisselwoningen juich ik toe.
Het gebruik maken van artikel 17 van
de Wet op de ruimtelijke ordening is
voor tijdelijke situaties een goede
mogelijkheid.
Kortom, het is moeilijk, maar er
zijn een aantal mogelijkheden
bevorderd in de ’’hardware’’-sector,
namelijk een ’’dak boven het hoofd’’.
Ook de hardheidsclausule is er in
feite al, omdat GS op verzoek van
een gemeente aan deze gemeente
een lagere taakstelling kunnen
opleggen.
Iets minder sterk vond ik het
betoog van de staatssecretaris om in
de wet de initiatief van de provincie
tot vermindering van de taakstelling
te handhaven. Zijn verhaal kwam
erop neer dat een verstandige
provincie geen initiatief neemt. Als
dit zo is, waarom haal je deze
mogelijkheid dan niet uit de wet? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2806" anker="173" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Voorzitter! Voor alle helderheid: Ik heb een
onderscheid gemaakt. Ik heb
gesproken over het nemen van een
initiatief tot overleg over een
dreigende moeilijke situatie. Ik heb
gesteld dat aan de provincie in alle
gevallen dit recht moet gegeven
moet worden. Ook als er nog geen
herverdelingsverzoek ligt, moet de
provincie vanuit haar bestuurlijke
verantwoordelijkheid een dreigende
situatie kunnen aankaarten. De
provincie moet dan het recht houden
om op eigen initiatief met de
gemeenten te gaan praten. Dit is iets
anders dan een officieel
herverdelingsbesluit nemen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2806" anker="174" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">

Wanneer er een echt probleem is,
weet de gemeente dit zelf wel. Laat
deze dan het initiatief nemen en dit
bij de provincie neerleggen. Het lijkt
me onverstandig om dit in de wet te
regelen, omdat er ook een
’’andersomfunctie’’ van uit kan gaan.
Daar ben ik niet voor.
Wij blijven het van groot belang
vinden dat er na twee jaar een
evaluatie plaatsvindt. Wij willen dan
met name kijken of het geheel werkt
en of de gemeenten voldoende
armslag hebben om zaken te
realiseren. Deze evaluatie is
bovendien nuttig om te bekijken of
de wet aanpassing behoeft. Daarom
moet de evaluatie na niet al te lange
tijd plaatsvinden.
De staatssecretaris heeft trouwens
een heel geestige suggestie gedaan.
Hij ziet een evaluatie op korte termijn
juist wel zitten bij handhaving van
het amendement over de uitvoering-
stermijn van een halfjaar. Misschien
blijkt een uitvoeringstermijn van een
halfjaar bij die evaluatie na twee jaar
dan niet meer nodig. Dat zou best
eens kunnen. We moeten deze
opening ook zeker houden, maar we
willen het punt van de evaluatie nu
wel graag opgenomen zien in de
wet. Waarom is dit van belang? Het
gaat bij deze wet om het cree¨ren van
een nieuwe structuur. Als je hierbij
aan de gemeenten voor sommige
situaties een te krappe termijn geeft,
waarbij je er niet zeker van kunt zijn
dat een termijn van drie maanden
haalbaar is, dan komen met name de
kleinere gemeenten in de problemen.
Je moet er dus voor zorgen dat de
gemeenten niet zelf in de knel
kunnen komen en dat ze niet
voldoen aan de wettelijke termijn.
Bovendien is er ook nog een ander
voordeel. De minister van Binnen-
landse Zaken gaat in maart overleg
voeren over de inburgerings-
contracten en wat daar verder bij
hoort, dus de ’’software’’ van deze
wetsvoorstellen. Denkt de minister
niet dat deze onderhandelingen
soepeler, makkelijker, sympathieker,
aardiger zullen verlopen als de
gemeenten het gevoel hebben dat zij
meer ruimte hebben gekregen, dan
wanneer zij zich op voorhand in een
keurslijf gedwongen voelen en
zeggen dat er niet goed naar hen
wordt geluisterd wanneer zij
aangeven dat iets moeilijk uitvoer-
baar is? Nu luisteren wij wel en
daarmee wordt een betere
onderhandelingssituatie met de VNG
gecree¨erd.
Voorzitter! Mevrouw Van der Burg
heeft heel duidelijk aangegeven dat
de resultaten van de onderhandelin-
gen met de VNG tijdig gereed
moeten zijn. Naar mijn mening is het
goed wanneer de regering positief
reageert op alles wat zij hierover
heeft gezegd; ik ondersteun haar
redenering.
Op de amendementen en de motie
van de heer Gabor heb ik bij
interruptie al gereageerd. Het lijkt mij
niet zinvol, dit te herhalen. Ten slotte: tot hetgeen gisteren
door de heer Poppe over de
gemeente Utrecht werd beweerd,
geeft de meest recente brief van
deze gemeente absoluut geen
aanleiding.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2806">

 
<spreker pagina="41-2806" anker="175" partij="D66" naam="Dittrich">
 Voorzitter!
Ook ik dank beide bewindslieden
hartelijk voor hun uitgebreide
antwoord. Hun toelichting heeft de
wet er duidelijker op gemaakt. De
steun van D66 voor beide wetten
wordt dan ook nog groter dan deze
gisteren al was.
Er zijn een paar punten die ik toch
nog aan de orde wil stellen, zoals
voorgaande sprekers ook deden.
Allereerst het bedrag van ƒ 125 voor
persoonlijke uitgaven voor een kind.
Eigenlijk is iedereen het er wel over
eens dat dit bijzonder laag is. Ik vond
echter het antwoord van minister
Dijkstal wel overtuigend. Hij zei dat
gemeenten in deze wetgeving winstmogelijkheden hebben:
VVTV’ers kunnen al in het derde jaar
vrij op de arbeidsmarkt aan het werk
en daarvoor al kortdurend in het
tweede jaar, waardoor wellicht de
pijn enigszins verzacht kan worden.
Daarom denken wij dat het beter is,
deze wet met deze bedragen nu
maar eens in de praktijk te brengen
en te bekijken hoe het daar uitwerkt.
Wij hebben niet voor niets de
evaluatie en wij zullen de vinger aan
de pols houden als het gaat om de
wellicht lastige situatie van sommige
gemeenten. Wij kunnen altijd nog in
het traject ingrijpen.
Een ander punt is de inburgering.
Het is wat lastig dat hierover nog
onderhandelingen gaande zijn. De
minister heeft gisterenavond
meegedeeld dat hij hoopt in maart of
april met de VNG tot een definitief
plan te komen over het onderwijs en
de werkmogelijkheden van nieuwko-
mers in de maatschappij. Ik sluit mij
aan bij de vragen van mevrouw Van
der Burg hierover. Naar mijn mening
is het heel belangrijk dat de Kamer in
overleg kan treden met de minister
nadat er duidelijkheid is gekomen,
kan kijken of zij het eens is met de
afspraken die zijn gemaakt en kan
bezien of er wellicht nog wat
aanpassingen mogelijk moeten
worden gemaakt.
Mevrouw Sipkes, die helaas al is
vertrokken, heeft gepleit voor uitstel
van de wet. Zij wil eerst duidelijk-
heid, om het daarna pas over de wet
te hebben. Wij vinden dit een verkeerde gang van zaken: laten wij
eerst maar eens met de wet komen
en niet blijven wachten op andere
zaken die nog geregeld moeten
worden. Het is inderdaad altijd nog
mogelijk om de wet te wijzigen als
na het overleg over de inburgering
blijkt dat er aanpassingen nodig zijn.
Er is dan in elk geval een uitgangs-
punt, waardoor het voor de minister
ook makkelijker is om te onderhan-
delen.
Voorzitter! Ik was erg blij met de
toezegging van de minister om de
criteria voor het toewijzen van
houders van een voorwaardelijke
vergunning tot verblijf nader te
bespreken met het COA. Ik denk dat
dit belangrijk is, omdat bij de
toewijzing naar bepaalde gemeenten
ook rekening gehouden moet
worden met familieomstandigheden,
mogelijkheden tot werk en met
bepaalde inburgeringstrajecten. Ik
denk dat het ook allerlei verhuizingen
tijdens de duur van de inburgering
zou kunnen voorkomen. Dat bespaart
iedereen rompslomp en voor de
VVTV’ers zelf is dit natuurlijk het
allerbeste. Ik ben heel benieuwd wat
het overleg van de minister met de
COA gaat opleveren. Ik hoop dat hij
ons een kopietje van de afspraken
over de criteria zou willen doen
toekomen. Als wij het daar niet mee
eens zijn, kunnen wij altijd nog aan
de bel trekken.
Tot slot het volgende. Gisteravond
is er in de discussie gesproken over
het feit dat het voor sommige
gemeenten heel moeilijk is om
VVTV’ers te huisvesten. Wij hebben
gesproken over meerdere mensen in
een pand en dergelijke. De staatsse-
cretaris heeft gezegd dat hij daarover
nog overleg ging plegen met de
gemeenten. Ik heb toen de suggestie
meegegeven om ook eens te kijken
naar leegstaande kantoorpanden.
Bespreek eens met de gemeenten of
zij mogelijkheden zien om hier twee
vliegen in een klap te slaan, namelijk
VVTV’ers te huisvesten en het
maatschappelijke probleem van
langdurig leegstaande grote panden
op te lossen. Dat vergroot misschien
het draagvlak vanuit de gemeenten.
De panden moeten natuurlijk zodanig
aangepast worden dat er sprake is
van goede huisvesting voor de
VVTV’ers. Het is absoluut niet mijn
bedoeling geweest om hier een soort
van algemene regeling neer te
leggen dat kantoorpanden bewoond
moeten gaan worden. Mijnheer
Gabor heeft daartegen allerlei
bezwaren ingebracht. Ik denk echter
dat het goed is als de staatssecreta-
ris mijn suggestie als creatieve
oplossing meeneemt in het overleg.
Wellicht reageren sommige
gemeenten daar spontaan op door
overleg te gaan plegen met
eigenaren van kantoorpanden. Het is
echter niet de bedoeling dat wij
mensen gaan herbergen op
industrieterreinen of andere
afgelegen plekken. Dat was absoluut
niet het karakter van deze suggestie.
Ik hoop dat de staatssecretaris ons
over een en ander kan rapporteren
na zijn overleg met de gemeenten.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2807">

 
<spreker pagina="41-2807" anker="176" partij="SP" naam="Poppe">
 Mijnheer de
voorzitter! De bewindslieden hebben
mij in hun beantwoording behoorlijk
teleurgesteld. Ik vond die beantwoor-
ding wat vluchtig en ook oppervlak-
kig omdat er teveel met gemiddelde
cijfers is gegoocheld.
Het wetsvoorstel heeft onze
instemming. Dat heb ik al duidelijk
gemaakt. Ik heb ook duidelijk
gemaakt waarom. Het wetsvoorstel
strookt echter niet met het huidige
huisvestingsbeleid. Als je mensen in
nood wilt opvangen – ik heb gisteren
gezegd dat dit een kwestie van
beschaving is – dien je ook te zorgen
voor passende woonruimte. Dat
gebeurt niet. Om dat probleem draait
de staatssecretaris van Volkshuisves-
ting teveel heen. Hij draait teveel
heen om het feit dat nu al vele
huurders structureel en diep in de
financie¨le problemen zitten. De
grootste schuldeiser daarbij is in het
algemeen de huisbaas. Deze
huurders wachten op voor hen meer
betaalbare huisvesting. Wachttijden
van vijf tot zes jaar zijn normaal,
heeft mevrouw Versnel gisteren
gezegd. Ik vind het niet normaal. Het
kan wel gebruikelijk zijn, maar
gebruikelijk is iets anders dan
normaal, zeker als het gaat om
mensen die iedere maand de helft of
meer van hun besteedbaar inkomen
naar de huisbaas moeten brengen.
Voor die mensen is het zo lang
moeten wachten een werkelijke,
financie¨le ramp. Daar heb ik het
gisteravond over gehad. Wat hebben
deze mensen aan de rooskleurige
cijfers van de staatssecretaris die
zegt dat het allemaal wel meevalt
omdat er bij mutaties gemiddeld
slechts 5,2% aan verblijfs-
gerechtigden wordt geplaatst? Juist
voor dat deel van de woningmarkt,
waar zich de grootste druk voordoet
komen deze mensen in nood in
aanmerking. Daarop zal de taakstel-
ling zich richten. Natuurlijk zijn er
gemeenten waar het geen probleem
is. In gemeenten waar het toch een
probleem is, zal het alleen maar
erger worden. Ik geef het voorbeeld
van Leiden. Tot juli 1995 is de
taakstelling 217 mensen, van wie de
helft eenpersoonshuishoudens. De
gemeente Leiden hoopt die mensen
via kamers onder te kunnen brengen.
In diezelfde periode komen er van de
’’goedkopere woningen’’ tot
ƒ 600 maar 500 per halfjaar vrij. Dan
zit je toch aan die 40% waarover ik
sprak. De gemeente Middelburg schrijft: De huisvesting van status-
houders stagneert echter, doordat
onvoldoende over goedkope
woningen kan worden beschikt. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2808" anker="177" partij="D66" naam="Versnel-Schmitz">
 Er
kunnen meerdere personen in een
huis wonen. Als sprake is van een
huur van ƒ 600, dan betalen vier
mensen ƒ 150. Een huis met een
huur van ƒ 1000 of ƒ 1500 is met z’n
vieren nog redelijk betaalbaar. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2808" anker="178" partij="SP" naam="Poppe">
 Daarin heeft
mevrouw Versnel gelijk. De vraag is
of het kan. Als mensen die elkaar
niet kennen bij elkaar wonen, geeft
dat spanning. Waarschijnlijk hebben
die mensen ook psychische
problemen. Nogmaals, is dat wel
menswaardig? Er ontstaat grote druk
op de markt van woningen met
betaalbare huren. Als wij die
problemen in ogenschouw nemen,
hebben wij niets aan het rooskleu-
rige verhaal over die 5,2%. Wij zeilen
dan om de problemen heen.
Het is des te treuriger dat juist de
staatssecretaris van Volkshuisvesting
kennelijk niet doordrongen is van het
bestaan van deze problemen. Elk
procent huurverhoging maakt de
problemen groter. Zou de staatsse-
cretaris eens een goede analyse
willen laten opstellen over de
huisvestingsproblemen? Ik denk dan
aan de lagere-inkomensgroepen en
de woningvoorraad die voor hen is
bestemd. Hoeveel mensen kunnen
de huur niet meer ophoesten?
Voorzitter! Voor zover ik dat kan
inschatten doet de problematiek zich
voornamelijk voor in de grote en de
middelgrote gemeenten. In een brief
van de regio Kennemerland wordt
een percentage van 40 genoemd. Het
antwoord van de staatssecretaris op die 40% is dan: ja, maar er wordt
rekening gehouden met een
taakstelling in personen, maar er
zitten ook gezinnen bij. Het is dus
geen 40%. Dat kan kloppen, maar
desalniettemin blijft er een grote
druk als gevolg van deze taakstelling.
De staatssecretaris zal ook de brief
van de gemeente Middelburg
hebben gelezen.
Als een gemeente in de proble-
men komt, kan de staatssecretaris
onmiddellijk naar de provincie
stappen en in overleg bekijken of in
een andere gemeente binnen de
regio opvangmogelijkheden
aanwezig zijn. Ik meen dat dit toch
niet de oplossing is. Het is een
kwestie van beschaving om deze
mensen in grote nood op te vangen.
Er moet wel voor huisvesting
worden gezorgd. Voorkomen moet
worden dat mensen die onder grote
druk staan met elkaar in botsing
komen, omdat zij moeten strijden om
hetzelfde optrekje. Ik verzoek de
staatssecretaris dringend om die
gemeenten die niet zonder proble-
men aan de taakstelling kunnen
voldoen meer mogelijkheden te
geven voor de bouw van betaalbare
woningen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2808">

 
<spreker pagina="41-2808" anker="179" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Mijnheer de
voorzitter! Waren wij al dankbaar
voor de bijdrage van de Kamer in
eerste termijn, onze dankbaarheid
neemt alleen maar toe omdat wij het
gevoel hebben dat wij op een aantal
terreinen dichter bij elkaar zijn
gekomen. Ik heb goede hoop dat
beide wetsvoorstellen met grote
steun van de Kamer zullen kunnen
worden aangenomen. Ik doe daarbij
niets af aan een aantal op zichzelf
begrijpelijke opmerkingen. Af en toe
viel er een scherp woord, maar ik
vond dat in die zin niet geheel
terecht, dat er in alle bijdragen
terecht op werd gewezen dat de op
te lossen vraagstukken niet
eenvoudig zijn. Naast een aantal
positieve kanten zitten daaraan ook
negatieve kanten. Het gaat om een
afweging aan de hand van de vraag
of het op deze manier moet of op
een manier die een slagje anders is.
Ik vind het volstrekt legitiem om
daarover met elkaar te discussie¨ren.
Een probleem is dat wij nu een
onderwerp behandelen dat sterk
betrokken is bij andere beleids-
terreinen. Je zou zo graag ook over
al die andere beleidsvelden willen
spreken maar voor je het weet wordt
er over a`lles gesproken. De relatie
tussen beide wetsvoorstellen en het
volkshuisvestingsbeleid is volstrekt
duidelijk maar er is ook een relatie
met het integratiebeleid minderhe-
den, met de werkgelegenheid en met
Justitie waar het om het toelatings-
beleid gaat. Dat is allemaal waar. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2808" anker="180" partij="SP" naam="Poppe">
 Inderdaad
hangt alles met elkaar samen, maar
ik heb mij niet op alles gericht. Ik
heb mij beperkt tot het huisvestings-
beleid. Natuurlijk is er ook een relatie
met het integratiebeleid. Veelal zijn
er te grote concentraties in bepaalde
gebieden waar de goedkopere
woningen staan en daarmee rijzen er
problemen op het terrein van de
integratie. Ik heb er daarom voor
gepleit dat er wordt gestreefd naar
spreiding in de gemeenten.
Nogmaals, ik heb mij beperkt tot het
huisvestingsbeleid en ik krijg graag
een concreet antwoord op mijn
vragen over dit onderwerp. Als even
vluchtig wordt gezegd dat alles met
elkaar samenhangt, worden de
problemen niet opgelost. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2808" anker="181" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Dat wilde ik ook
niet zeggen. Bovendien had ik het
niet alleen tegen u maar ook tegen
anderen die allerlei relaties hebben
gelegd met andere beleidsterreinen.
Het is een probleem dat men nu een
oordeel moet geven over de twee
wetsvoorstellen die aan de orde zijn
gesteld, wetend dat al die interferen-
ties en interdependenties er zijn. Er
moet dan ook een afweging worden
gemaakt.
Voorzitter! Ik denk dat de Kamer,
net zo goed als de regering, op dit
moment niet anders kan doen dan
komen tot een beoordeling tegen de
achtergrond van het geformuleerde
beleid waarover al eerder met de
Kamer overleg is gevoerd. Zo is
enkele maanden geleden het
volkshuisvestingsbeleid uitvoerig in
de Kamer aan de orde geweest, in
het kader van de begrotings-
behandeling. Als de vinger wordt
gelegd op knelpunten, problemen en
verwachtingen, gebeurt dat terecht.
Wij moeten die zaken, zo goed en zo
kwaad als het kan, wegen.
Ik ben mijn betoog met deze
opmerkingen begonnen, voorzitter,
omdat de heer Gabor met een
kwestie is gekomen die wel degelijk
van belang is maar nu niet kan
worden opgelost. Hij sprak over het
vraagstuk van de stadsprovincies en,
als spiegelbeeld daarvan, de
restprovincies. Eerder sprak de heer
Van den Berg over de regionale
openbare lichamen. Ook verwees de
heer Gabor naar de WGR-gebieden,
waarbij ook de amendementen ter
zake werden genoemd. Terecht zijn
hierover vragen gesteld maar wij zijn
niet in staat om op dit moment die
vragen op een bevredigende manier
te beantwoorden.
Het kabinet staat op het punt, te
bevallen van twee standpunten. Het
eerste is neergelegd in het wetsvoor-
stel over Rotterdam. Het is bekend
dat het advies van de Raad van State
binnen is. Het wetsvoorstel is vrijwel
gereed om te worden voorgelegd
aan de ministerraad. Het zal dus over
enkele weken de Kamer worden
toegezonden. Alle vragen over
verantwoordelijkheidsverdeling,
bevoegdheden enz. zullen in dat
kader moeten worden beantwoord. Ik
heb op dit moment eenvoudig niet
de vrijheid om de Kamer mee te
delen wat wij op dit terrein allemaal
gaan doen. Ik weet wel zo ongeveer
waar het met betrekking tot
Binnenlandse Zaken om gaat maar
een en ander moet toch eerst
ordentelijk langs de ministerraad
worden geleid.
Hetzelfde geldt voor het grotere
dossier dat wij graag gelijktijdig met
het zojuist genoemde wetsvoorstel willen uitbrengen: de voortgang in
de bestuurlijke vernieuwing van
Nederland. Ik doel hierbij op de
Kaderwet bestuur in verandering, de
visie op de regionale bestuurslaag en
allerlei andere vraagstukken die
hiermee samenhangen. Ook hiermee
zullen wij binnen enkele weken
komen, hopelijk gelijktijdig met het
OOR-wetsvoorstel. Ik vraag de Kamer
daarom haar, begrijpelijke, vragen
over de verdeling van bevoegdheden
maar een beetje op te zouten. Wij
komen er vanzelf weer over te
praten. Dat kan ertoe leiden dat in
deze en in andere wetten aanpassin-
gen worden aangebracht. Een
nieuwe verdeling van verantwoorde-
lijkheden zal gevolgen hebben in
bestaande wet- en regelgeving,
inclusief deze. Dat spijt mij op
zichzelf, maar ik kan op dit moment
niet anders en vraag daarvoor begrip
van de Kamer.
De heren Gabor en Rouvoet en
mevrouw Van der Burg hebben hun
zorgen uitgesproken over de
toereikendheid van de financie¨n. Alle
woordvoerders hebben er begrip
voor dat een deel van de financie¨le
problematiek dat niet in het
wetsvoorstel geregeld is, maar wel
relevant is, in het zojuist aangeduide
kader wordt besproken. Ik beperk mij
tot de financie¨le vraagstukken die in
het wetsvoorstel worden geregeld.
Er is een amendement over de
inrichtingskosten en een amende-
ment over de toelage voor jongeren
onder 18 jaar. Over de toelage voor
jongeren onder 18 jaar bestaat mijns
inziens een misverstand. De ROA en
de VVTV-wet worden naast elkaar
gezet. In de ROA was voor jongeren
onder 18 jaar een totaal bedrag van
ƒ 845 opgenomen, dat was opge-
bouwd uit ƒ 125 persoonlijke toelage
en ƒ 720 voor huisvesting en andere
kosten. Dat bedrag is aanzienlijk naar
beneden gebracht, maar niet de
persoonlijke toelage voor jongeren
onder 18 jaar, want die is nog steeds
ƒ 125. Voor de VVTV’er verandert er
op dat punt niets. Het amendement
helpt ook niet om de financie¨le
ruimte, niet van de VVTV’er maar
van de gemeente, voor alle kosten
die zij moet maken, te vergroten. Ik
raad het amendement af.
Blijft de vraag of de afname van
de overige kosten van ƒ 720 naar
ƒ 145 niet te groot is. De VNG
antwoordt dat ƒ 145 echt te weinig
is. In het najaar heeft zij een bedrag
van naar ik meen ƒ 260 gesugge-
reerd. Daarover kan worden
gediscussieerd. Ik handhaaf de lijn
die wij in het wetsvoorstel en
vervolgens in eerste termijn hebben
gekozen. Ik begrijp dat de heren
Kamp en Dittrich die lijn ondersteu-
nen. Er is geen zekerheid dat de
gemeenten eruit komen, maar in de
aanpak van de financiering door
middel van een lump sum zit
voldoende ruimte om een eigen
beleid te voeren, maatwerk te
leveren en de zaak toch financieel
rond te krijgen. De heer Dittrich
vraagt of het niet verstandig is, die
zaak in het oog te houden en
bijvoorbeeld in het kader van de
evaluatie zichtbaar te maken. Dat
moeten wij zeker doen. Zou eerder
zeer manifest worden dat het Rijk
zijn lasten aan alle kanten keurig
heeft afgewenteld, dan komt het wel
eerder op tafel ook. Vooralsnog is er
voor ons echter geen reden om aan
te nemen dat men er met die
bedragen niet uitkomt.
Er zijn twee verschuivingsmoge-
lijkheden, tussen de verschillende
kostensoorten en, zoals de heer
Kamp aangaf, door de tijd heen. In
het laatste geval valt het misschien
in het begin wat tegen en later mee,
of andersom. Dergelijke marges
zitten erin. Er lijken mij voldoende
redenen te zijn om op de ingeslagen
weg door te gaan. Ik ontraad de
amendementen dringend.
Mevrouw Sipkes heeft zorgen. Zij
vreest dat wij te vroeg aan de gang
gaan met de nieuwe wet, terwijl er
nog vele onduidelijkheden op andere
onderdelen zijn. Zij verwijst naar het
traject voor de wet, de toelating en
centrale opvang met allerlei
problemen. Dat gaat door tot en met
de inburgering. Op zichzelf kan ik mij
dat best voorstellen, maar de
regering wil nu juist waar dat kan de
duidelijkheid alvast scheppen. Zij
weet dat er daarna ook nog vragen
beantwoord moeten worden. De
meest logische volgorde lijkt mij om
de wetgeving zo snel mogelijk tot
stand te brengen en vandaar uit de
resterende vragen beantwoorden.
Mevrouw Sipkes vraagt welke nota
van wijziging ik voor straks in
gedachten heb. Dat hangt er
natuurlijk vanaf hoe wij de inburge-
ring precies regelen. Ik sluit niet uit
dat er uiteindelijk nog iets veranderd
zal moeten worden, omdat er nog
geen antwoord is op een aantal
nadere vragen, maar ik kan die
veranderingen niet op voorhand
aangeven. Als ik het nu al wist, zou
ik ze ook al aangebracht hebben. Ik
raad de Kamer aanvaarding van dit
amendement dus af.
Mevrouw Sipkes heeft nog een
interessante vraag over vrijwilligers
gesteld. Als ik het goed begrepen
heb, vroeg zij zich af of het niet voor
de hand ligt om de vrijwilligers die
zich via VluchtelingenWerk van
oudsher bezighouden met toelating
en centrale opvang, ook in te
schakelen nu wij het beleid in de
waterscheiding aan de gemeenten
overlaten. Dat is best mogelijk, maar
ik wijs erop dat dit primair een taak
van de gemeenten is. De gemeenten
werken op de onderdelen die met
inburgering te maken hebben, voor
een groot deel ook allang met
vrijwilligers. In vele gemeenten in
Nederland worden vrijwilligers
ingeschakeld, anders dan via
VluchtelingenWerk, op het terrein
van het werken met minderheden,
werken met toegelaten asielzoekers,
taalonderwijs etcetera. Ik kan mij er
dus best iets bij voorstellen, maar als
VluchtelingenWerk iets op dit terrein
zou willen doen, dan zijn de
gemeenten of de VNG de aangewe-
zen gesprekspartner voor deze
vereniging.
Mevrouw Van der Burg, de heer
Dittrich en mevrouw Verbugt hebben
gezegd dat duidelijkheid gewenst is;
niet zozeer om akkoord te kunnen
gaan met de wetsvoorstellen, want ik
heb begrepen dat men daartoe
bereid is, alswel in verband met het
moment waarop de wetten effectief
worden. Dat zou op 1 juli zijn voor
de zorgkant en op 1 januari voor het
waterscheidingsaspect. Deze vraag
om duidelijkheid is terecht en ik zeg
dan ook toe dat ik mij er volledig
voor zal inzetten om daarvoor te
zorgen. Om even precies te zijn, als
wij er in de onderhandelingen met
de VNG in maart of april uitkomen,
dan zullen wij het resultaat zo snel
mogelijk aan de Kamer melden.
Mocht het onverhoopt niet lukken,
dan zullen wij omstreeks half mei de
stand van zaken melden, opdat de
Kamer daarover kan oordelen.
Mevrouw Van der Burg heeft nog
een zeer relevante vraag gesteld over
de overgang van de ROA-bedragen,
om het zo maar even aan te duiden.
De situatie is als volgt. Bij nota’s van
wijziging op de ontwerp-begrotingen
van VWS en Justitie voor dit jaar zijn
de bedragen voor de decentrale ROA
overgeheveld van VWS naar Justitie.
Het gaat hierbij voor 1995 om 63
mln. Dit is bij brief van 9 november
jl. aan de Kamer gemeld, samen met
de mededeling dat de decentrale
ROA gehandhaafd wordt tot 1 januari
1996; dat was een onderdeel van de
deal met de VNG. Welnu, de
financie¨le consequenties van deze
verlenging zijn in die brief geschat
op 250 mln. extra. Daar zijn geen
bezuinigingen in verwerkt en wij
verwachten thans dat wij deze
additionele budgetten nodig zullen
hebben om de handhaving van de
decentrale ROA inderdaad tot het
eind van het jaar te kunnen
financieren. Bij de Voorjaarsnota
zullen wij budgettair de stand van
zaken moeten bepalen.
De budgetten voor het zorgdeel
van de VVTV-wet staan voorlopig
nog op de begroting van Sociale
Zaken; deze wet is immers aanvanke-
lijk door Sociale Zaken voorbereid,
maar op grond van het regeerak-
koord is deze kwestie op grond van
een andere verdeling van de
bevoegdheden als het ware
overgeheveld naar Binnenlandse
Zaken. De bedragen die hierbij
omgaan, zullen bij de Voorjaarsnota
worden overgeheveld, waarbij het in
1995 om 255 mln. zal gaan. Het
bedrag loopt vervolgens op tot 356
mln. in 1996, terwijl het in 1998 zal
dalen tot 236 mln. Ik weet absoluut
niet waardoor deze verschillen
veroorzaakt worden, maar dit zijn in
ieder geval de ramingen. In het
wetsvoorstel dat wij nu behandelen,
gaan wij uit van lagere bedragen,
daar wij denken dat het aantal
VVTV’ers lager zal uitkomen dan wij
geraamd hadden. Ook hierover is de
Kamer in de brief van 9 november
geı¨nformeerd. De oorspronkelijke
budgetten uit de ramingen zijn dus
nog wel beschikbaar, maar zoals ik al
zei, zullen wij bij de Voorjaarsnota de
balans moeten opmaken. Het is
mogelijk dat wij bij deze dossiers
geld overhouden, bijvoorbeeld door
lagere aantallen VVTV’ers, maar wij
moeten ons niet te snel rijk rekenen,
want er zijn nog enkele grote
tegenvallers. In het najaar is de
Kamer erover geı¨nformeerd dat wij
vooralsnog uitgaan van een
bepaalde raming van asielzoekers in
1995 en dat dit zou moeten leiden tot
500 mln. extra, nog bij de Voorjaars-
nota te regelen. Pas later kan aan de
hand van de werkelijke aantallen
worden beoordeeld wat ree¨el is. Dan
moet worden bezien welke bedragen
er in al die dossiers nodig zijn. Wij
kunnen natuurlijk niet de meevallers
uit een dossier meenemen en de
tegenvallers laten zitten. Dat is
vervelend, maar het kan helaas niet
anders.
Ik ga nog even in op de opmerkin-
gen van de heer Van den Berg over
een eerlijke verdeling. Ik heb er geen
bezwaar tegen dat hij wijst op
knelpunten die in een gemeente
optreden. Hij en anderen hebben dat
terecht gedaan. Ik heb wel bezwaar
tegen de suggestie dat slechts een
aantal gemeenten, vooral op de
Veluwe, met ondraaglijke problemen
zitten en dat het niet gepast is deze
last op hun schouders te leggen. De
heer Van den Berg negeert dat het
probleem bij vele gemeenten leeft.
Vele gemeenten kennen tekorten en
wachtlijsten en moeten afwegingen
maken. Het probleem komt niet
alleen op de Veluwe voor, maar in
heel Nederland. Dat is precies de
achtergrond van de wet. De regering
wil naar een feitelijk draagvlak,
namelijk een eerlijke verdeling over
iedereen, zodat iedereen zijn last
draagt. Dat neemt niet weg dat er in
een heel specifieke situatie voorzie-
ningen kunnen worden getroffen met
behulp van de provincie of anders-
zins. De heer Tommel zal erop
ingaan of die specifieke voorzienin-
gen al dan niet toereikend zijn. Het
idee dat het op de Veluwe zoveel
moeilijker is dan elders, is pertinent
onjuist. De problemen in kleinere
gemeenten zijn ongeveer even groot
in het hele land. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2810" anker="182" partij="CDA" naam="Gabor">
 Mijnheer de
voorzitter! Het verleden leert dat dit
proces moeilijkheden oplevert voor
alle gemeenten. Dat is evident. Wij
halen de taakstellingen niet en
moeten voortdurend opnieuw
proberen dat wel te doen. Gisteren
en vandaag is echter wel gebleken
dat er excessen optreden, situaties
waarin de problemen veelvuldig,
ernstig en zwaar zijn. Bij ongeveer
20% van de beschikbaar komende
huurwoningen in de categorie
waarover wij spreken, wordt een
grens bereikt. Daar wordt het wel
heel zwaar. De staatssecretaris heeft
dat gisteren naar mijn gevoel
uitstekend verwoord. In ongeveer
tien gemeenten is de nood hoog. Ik
vraag de bewindslieden om daarvoor
oog en begrip te hebben. Ik voorspel
dat bij de evaluatie glashelder zal
blijken dat daar gigantische
problemen zijn. Ik heb gisteren gezegd: regeren is vooruitzien. Wij
moeten die dus nu al ondervangen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2810" anker="183" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Dit is een wat
ander punt dan ik net bedoelde. Ik
gaf een weerwoord op het belang-
rijkste punt van de heer Van den
Berg. Over het punt van u hebt u
gelijk; de heer Tommel is er al op
ingegaan en zal er straks misschien
meer over zeggen.
Mevrouw Verbugt heeft erop
aangedrongen dat wij de invoering
van het inburgeringstraject zoveel
mogelijk parallel laten lopen met de
tijdstippen waarop deze wet effectief
wordt. Ik ben hierbij een beetje
afhankelijk van anderen, maar zal het
zeker proberen, niet alleen omdat het
parallel moet lopen, maar omdat ik
sowieso haast heb met die hele
inburgering. Ik vind dat wij er zo snel
mogelijk daadwerkelijk mee aan de
slag moeten, voor zover gemeenten
al niet op allerlei manieren ermee
aan de slag zijn. Het moet dan alleen
nog in een wat meer gestructureerde
vorm gebeuren.
Mevrouw Verbugt heeft terecht
gewezen op een lastig, gevoelig
onderdeel van het akkoord met de
VNG dat verlengd is. Dit hangt
samen met de vraag of Justitie er
werkelijk toe in staat zal zijn, in de
centrale opvang haar taakstelling
waar te maken, zodat er niet
wederom een extra probleem voor
de gemeenten ontstaat. Ik heb de
indruk dat de afspraken hierover
helder en duidelijk zijn geweest. Uit
de gegevens waarover ik beschik,
heb ik ook de indruk gekregen dat
iedereen zich aan zijn deel van de
afspraak zal kunnen houden. Ik
voorzie dus geen moeilijkheden op
dit moment.
De heer Kamp kwam terug op het
aantal VVTV’ers. De mystificatie over
de brief van VluchtelingenWerk is
mijns inziens nu wel opgelost. Het
wonderlijke is, dat hij de vraag stelt
vanuit een gedachte die ik zeer goed
begrijp, namelijk over hoeveel mensen we het nu eigenlijk hebben:
waarom halen we dit allemaal
overhoop als het er weinig zijn? Dat
is waar, maar tegelijkertijd spreek ik
toch de wens uit, dat wij deze
wetgeving voor zo weinig mogelijk
mensen hoeven toe te passen. Dat is
de paradox in het geheel. In dit verband geldt: hoe minder asiel-
zoekers en hoe minder VVTV’ers, hoe
beter. Zo weinig mogelijk, zou ik
bijna zeggen. Dat is zo’n beetje de
andere kant van het verhaal. We
moeten proberen om zo ree¨el
mogelijk de inschattingen te maken
om zo effectief en concreet mogelijk
het beleid daarop te richten.
De heer Dittrich heeft gevraagd of
de Kamer over de uitkomsten van
het overleg met het COA over de
plaatsing en het overleg met de VNG
over de verhuizing kan worden
geı¨nformeerd. Ik zeg hem dat graag
toe. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2811" anker="184" partij="CDA" naam="Gabor">
 Voorzitter! Ik
heb de minister tot twee keer toe
gevraagd om in te gaan op de
gegevens in de brief van Gorinchem
en om deze van commentaar te
voorzien. Misschien kan hij dat
schriftelijk doen en ik ben graag
bereid om dat af te wachten. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2811" anker="185" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Daar heeft de heer
Gabor gelijk in, maar ik heb de brief
van Gorinchem niet. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2811" anker="186" partij="CDA" naam="Gabor">
 Dan zorg ik
ervoor dat u die krijgt. Misschien
kunt u hem van commentaar
voorzien. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2811" anker="187" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Schriftelijk, en dat
zeg ik graag toe!
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2811">

 
<spreker pagina="41-2811" anker="188" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Voorzitter!
Evenals de minister van Binnen-
landse Zaken dank ik de Kamer voor
de brede steun voor beide wetsvoor-
stellen. Ik erken volmondig dat, zoals
mevrouw Verbugt terecht consta-
teerde, er voor de gemeenten een
pittige taakstelling ligt wat betreft de
huisvesting. Daarover kan geen
verschil van opvatting bestaan. Het is
een pittige taakstelling. Desondanks
wil ik benadrukken, dat het niet een
selectieve pittige taakstelling is. Hoe
de verschillende regio’s aankijken
tegen de problemen van het
realiseren van die taakstelling is
gisteravond uitvoerig besproken en
ik handhaaf mijn stelling, dat er geen
speciale regio is waar het moeilijker
voor is dan in andere. Het is ook niet
specifiek voor kleinere gemeenten
moeilijker dan voor grote. Er zijn ook
grote gemeenten met nauwelijks of
geen bouwmogelijkheden en er zijn
kleinere gemeenten die wel
bouwmogelijkheden hebben.
Met betrekking tot restrictief beleid
merk ik op, dat het woord ’’restric-
tief’’ altijd tussen aanhalingstekens
moet worden gezet. Ook in gebieden
met restrictief beleid wordt er
natuurlijk nog gebouwd. De
bouwtaakstelling is niet nul. Ik neem
daarom afstand van de suggestie die
naar mijn gevoelen te veel wordt
gedaan, namelijk dat er specifieke
regio’s zijn waarin het tot een
ondraaglijke of bijna ondraaglijke
taakstelling leidt en dat het in andere
regio’s allemaal wel losloopt. Zo
simpel is de situatie niet. Er is een
eerlijke verdeling op grond van
bevolkingscijfers. Op zichzelf
betekent dit al, dat kleine gemeenten
een lage taakstelling hebben. Het is
immers evenredig met het aantal
inwoners en er zijn dus geen
gebieden of gemeenten waar het
zoveel moeilijker is dan elders.
Voorzitter! Ik wil nogmaals op het
heel belangrijke instrument van de
herverdelingsmogelijkheden wijzen.
Daar is misschien toch nog
onvoldoende duidelijkheid over
gekomen. Regionale verdeling
betekent niet, dat de regio dan ook
een beperkte regio is. Ik zeg dit in de
richting van de heer Van den Berg,
die heeft opgemerkt dat een dergelijk
instrument in de Veluwse gemeenten
niets oplost. Daar heeft hij gelijk in.
Dat is grotendeels het geval, maar
dat betekent dat het gebied waarover
je herverdeelt dan groter moet zijn
dan een beperkt gebied op de
Veluwe. GS hebben in hun bevoegd-
heid tot herverdeling geen begren-
zing wat betreft de regio waarover zij
kunnen herverdelen. Het is daarom
wel degelijk mogelijk om te verdelen
over een groter gebied en dat zou
kunnen betekenen een gebied met
meer mogelijkheden tot nieuwbouw
dan in een bepaald en klein gebied.
Het zou dan ook onverstandig zijn als
gemeenten hun mogelijkheid tot
herverdeling zouden delegeren aan
WGR-gebieden, zoals door de heer
Gabor in zijn amendement wordt
voorgesteld. Dat beperkt namelijk de
mogelijkheden van GS tot herverde-
ling voor gebieden met een
restrictief bouwbeleid. Ik zou het
onverstandig vinden als dat werkelijk
gebeurt. Zoiets zou je niet moeten
willen. Daarom ontraad ik nog steeds
aanneming van het desbetreffende
amendement. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2811" anker="189" partij="CDA" naam="Gabor">
 Voorzitter!
Wat de staatssecretaris aangeeft,
gebeurt dan alleen in gebieden waar
GS de bevoegdheid inderdaad
overdragen. Dat doet men dan dus
facultatief. GS doen dat natuurlijk
alleen in gebieden waar alles goed
loopt. Daarmee wordt dan het
probleem iets verminderd. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2811" anker="190" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Nee, het
gaat niet zozeer om het feit dat alles
in een bepaald gebied goed loopt,
maar ook om het cree¨ren van
opvangmogelijkheden in een bepaald
gebied teneinde de druk in andere
gebieden te verminderen. In andere
gebieden kan de druk namelijk heel
groot zijn. Op het moment dat
gedeputeerde staten hun bevoegd-
heid om dat te doen overdragen,
bestaat die herverdelings-
mogelijkheid niet meer. Daarom vind
ik het onverstandig om te handelen
zoals door de heer Gabor is
aangegeven. Er kan zich de situatie
voordoen waarin de druk groot is en
de taakstelling pittig. Dan moet je
niet met veranderingen komen die
het moeilijker maken om de
taakstelling uit te voeren. Daarom
ben ik verbaasd over de indiening
van het amendement op stuk nr. 12
door de heer Gabor. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2811" anker="191" partij="SP" naam="Poppe">
 Voorzitter! Ik
krijg de indruk dat de staatssecretaris
de problemen blijft wegmoffelen met
het aangeven van gemiddelden. Het
mag duidelijk zijn, dat het in de
middelgrote en de grote gemeenten
moeilijk is om aan betaalbare
huisvesting te komen. Daar is het
dus voor de gemeenten ook moeilijk
om te voldoen aan de taakstelling
voor de bevolkingsgroep waarover
wij het nu hebben. Dat zijn de
mensen die straks in Nederland
wonen en ook gerechtigd zijn om
daar te wonen. Dat zijn dus mensen
die bij ons horen. Als de staatssecre-
taris echter door blijft gaan met het
’’wegmiddelen’’ van de problemen,
voorzie ik dat hij in grote moeilijkhe-
den komt. Daarom vraag ik hem nogmaals: wilt u bij de plannen voor
de gebieden waar de problemen
onoplosbaar zijn en waar de nieuwe
problemen tot vergroting van de
bestaande leiden, extra aandacht
besteden aan de mogelijkheden voor
het bouwen van betaalbare huizen?
Dit verzoek past ook bij het voorstel
van de heer Gabor. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2812" anker="192" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Voorzitter!
De heer Poppe heeft nu zijn vraag uit
de tweede termijn herhaald en
daarop krijgt hij antwoord als dit
punt aan de orde is.
Voorzitter! De heer Gabor sprak
van een getal als magische grens.
Daarbij had hij het over 20% van de
betaalbare voorraad. Als dat
percentage nodig is voor de
huisvesting, vindt hij dat sprake is
van een haast ondraaglijke situatie.
Dat zei hij letterlijk. Ik heb het
percentage van 20 gisteravond
echter helemaal niet in deze context
genoemd. Ik heb gezegd dat boven
een dergelijk percentage er bijna
geen gemeente is met een taakstel-
ling. Dit was voor mij dus een
feitelijke constatering en ik heb dit
getal niet aangegeven als een
waterscheiding. Men kan dus niet zeggen: zit men onder de grens van
20%, dan is alles goed en kan men
nog wel wat doen, maar zit men
daarboven, dan heeft men ineens te
maken met een ondraaglijke situatie.
Misschien dat bij een nog hoger
percentage de situatie helemaal
onmogelijk zou worden. Ik vind het
echter heel onverstandig in dit
verband een getal te noemen en te
zeggen, dat wanneer men boven een
bepaalde grens komt, de provincie
haar bevoegdheid verliest. Het gaat
hierbij om een bevoegdheid om te
herverdelen, een bevoegdheid die
wij de provincies heel nadrukkelijk
hebben gegeven. Men moet de
bevoegdheid boven een bepaalde
grens, bijvoorbeeld die van 20%, ook
niet inperken door te zeggen dat
men boven die grens moet her-
verdelen. Daarmee zou men naar
mijn gevoel iets af doen aan de
doelstelling van het wetsvoorstel.
Daarmee wordt de provincie namelijk
de bevoegdheid gegeven om te
herverdelen.
Men zou zich af kunnen vragen of
in het geval waarin de provincie niet
tot herverdeling overgaat, zij de
betrokken gemeente niet met een
zeer lastig probleem laat zitten. In de
eerste plaats wijs ik erop, dat de
provincie een afweging zal maken. In
de tweede plaats herinner ik eraan,
dat het altijd mogelijk is tegen een
besluit van een provincie om niet te
herverdelen, beroep aan te tekenen.
Over die beroepsmogelijkheden heeft
de heer Gabor lovende woorden
gesproken. Ik vind dus dat de heer
Gabor op de verkeerde weg is met
het aangeven van een vaste
bovengrens. Laat de provinciale
bevoegdheid intact, zeg ik, dan kun
je een evenwichtige afweging
maken. Bovendien vind ik een
percentage van 20 redelijk arbitrair,
terwijl het ook in zijn uitwerking
lastig is. Immers, in het amendement
wordt onder andere gesproken over
de voor verdeling beschikbare
woningen, en ook dat is een
arbitraire zaak. Ik heb de situatie in
Haarlem geschetst, waar een heel
grote voorraad particuliere huur-
woningen aanwezig is, die er
volgens het amendement buiten zou
vallen, maar die voorraad is
natuurlijk wel beschikbaar voor de
huisvesting. Ik kom nog even terug op mijn tweede punt: men vond dat
de voor verdeling beschikbare
woningen eigenlijk alleen maar
moest bestaan uit kleine woningen,
wat naar mijn gevoel ook onjuist is.
Er is wel degelijk heel veel discussie
mogelijk over de vraag, wat nu
precies de voor verdeling beschik-
bare woningen zijn. Ik zou niet graag
met elke gemeente dit soort
discussies aangaan, want dan krijgen
we een verschrikkelijk onoverzichte-
lijke situatie, waarbij elke gemeente
die dat wil erop uit zal zijn, het aantal
voor verdeling beschikbare wonin-
gen zo klein mogelijk te maken, hetzij
door de grote woningen uit te
zonderen, hetzij door de particuliere
sector uit te schakelen, hetzij door
andere maatstaven aan te leggen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2812" anker="193" partij="CDA" naam="Gabor">
 Met dat
begrip heb ik aangesloten bij de
gebruikelijke systematiek tot op
vandaag, want tot nu toe heeft het
departement op basis van dat soort
zaken convenanten – er is geen wet,
want die zijn we nu aan het
vaststellen – gesloten. Het is dus
geen nieuw begrip wat ik introdu-
ceer, maar een tot nu toe gehanteerd
en in het beleid toegepast begrip. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2812" anker="194" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Ik ben in
ieder geval blij met deze toelichting,
in die zin dat u daarmee afstand
neemt van een aantal zaken die in de
brief van Kennemerland stonden,
waarin impliciet rekening is
gehouden met een beperking van het
begrip ’’voor verdeling beschikbare
woningen’’. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2812" anker="195" partij="CDA" naam="Gabor">
 Ik heb het
percentage niet op 40 gesteld. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2812" anker="196" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Ook al zou
in het amendement het percentage
van 40 worden genoemd, dan nog
zou ik het ontraden.Ik ontraad dus
het amendement op stuk nr. 18. Het
doet te kort aan de provinciale
bevoegdheid, die bewust is
geı¨ntroduceerd om in lastige
gevallen te herverdelen.
Voorzitter! De heer Gabor heeft
ook aandacht gevraagd voor de
restprovincie. Als de grote stadsge-
westen provincies of stadsprovincies
worden, blijven er grote gebieden
over met heel behoorlijke bouw-
mogelijkheden. In die gebieden
liggen gemeenten met een grote
bouwtaakstelling, ook in Zuid-
Holland. Er blijft dus geen gebied
over met maar nauwelijks bouw-
mogelijkheden. Rijdend door dat
gebied, kijkend naar wat er wordt
gebouwd in Gouda en Alphen aan
den Rijn – ik noem maar een paar
voorbeelden – en kijkend naar de
taakstellingen, zie je dat daar heel
ruime mogelijkheden zijn om nog tot
verdeling en herverdeling over te
gaan. Als de stadsprovincie bestaat,
ontstaat er dus niet ineens een zeer
omvangrijk probleem, ook al omdat
in die stadsprovincies grote
bouwtaakstellingen zijn. Er is dus
niet ineens een heel andere situatie
ontstaan.
Voorzitter! Ik neem de motie op
stuk nr. 19 van de heer Gabor
meteen mee in de beschouwingen.
In de overweging daarvan stelt hij
dat, waar sprake is van restrictief
beleid uit hoofde van Vinex, de
herverdelingsbevoegdheid van
gedeputeerde staten onvoldoende
soelaas biedt voor het oplossen van
de knelpunten bij gemeenten. Die
overweging is onjuist, en alleen al
daarom ontraad ik de Kamer
aanneming van de motie. Ik heb daar
een tweede argument bij. Wat de
heer Gabor koppelt in deze motie, is
de bouwcapaciteit in de streekplan-
nen en de taakstelling inzake de
huisvesting van statushouders. Dat
zou hij niet moeten doen. De
provincie maakt streekplannen, met
daarin een totaalcapaciteit voor de
woningbouwbehoefte. In de
streekplannen wordt dus niet
selectief met dit ene argument
rekening gehouden, omdat dat een
inbreuk zou maken op de totale
ruimtelijke-ordeningssystematiek. Als
de minister van VROM met de
provincies praat over taakstellingen
op het gebied van woningbouw, zit
daarin ook de opvang van status-
houders, niet selectief, maar in het
totale pakket. Dat lijkt mij overigens
het enig juiste uitgangspunt. Ook
daarom ontraad ik aanneming van
de motie op stuk nr. 19.
Voorzitter! De heer Gabor is
sceptisch over de mogelijkheid van
ombouw van kantoren en andere
gebouwen. Ik kies eerder voor de
benadering van de heren Van den
Berg en Dittrich en van mevrouw
Versnel. Zij hebben erop gewezen
dat het niet gaat om gebouwen op
een afgelegen industrieterrein. De
gemeenten moeten gebruik maken
van de mogelijkheden die er op dat
punt zijn. Elke gemeente zal dan
zowel een financie¨le afweging als
een afweging op het gebied van de
ruimtelijke ordening maken. Het
overleg hierover wordt voortgezet.
Als er zinvolle informatie naar voren
komt, zal ik die uiteraard aan de
Kamer doorgeven. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2813" anker="197" partij="CDA" naam="Gabor">
 Wanneer kan
de staatssecretaris ons hierover
informeren? Ik ben buitengewoon
benieuwd naar het resultaat van dat
overleg en ik wil dat graag met de
staatssecretaris bespreken. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2813" anker="198" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Ik kan
geen exact tijdstip noemen. Het gaat
min of meer om een continu proces.
Op een bepaald moment is het
mogelijk om daarover te rapporteren.
Ik zeg overigens met enige nadruk
dat dit geen nieuw punt is. De
gemeenten hadden en houden de
mogelijkheid om op deze wijze
huisvesting te regelen. Misschien is
de begroting een goed moment om
hierover te rapporteren. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2813" anker="199" partij="CDA" naam="Gabor">
 Dat lijkt mij
prima. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2813" anker="200" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Mevrouw
Van der Burg is uitvoerig ingegaan
op de planning. Ik denk dat alle
argumenten op dit punt gewisseld
zijn. Het gaat in wezen om de
spanning tussen de feitelijke
constatering dat er nu eenmaal
planningsmechanismen bij overhe-
den zijn en de maatschappelijke
werkelijkheid die zich niets van deze
mechanismen aantrekt. Dat heeft
niets met principie¨le verschillen van
opvatting te maken, maar alleen met
de vraag in hoeverre de maatschap-
pelijke werkelijkheid zich in een
bureaucratisch systeem laat
dwingen. Ik gebruik het woord
’’bureaucratisch’’ niet denigrerend
want er moet nu eenmaal een
systematiek zijn.
Voorzitter! Ik blijf van mening dat
het verstandiger is om voor een
termijn van drie maanden te kiezen.
Ik ben er niet van overtuigd dat dit
voor de gemeenten niet te realiseren
is. Ik ben er wel van overtuigd dat
een termijn van drie maanden beter
is met het oog op een regelmatige
instroom, het handhaven van de
waterscheiding en het optimaal
benutten van de herverdelingsmoge-
lijkheden van provincies. Mevrouw
Van der Burg maakt samen met de
medeondertekenaars van het
desbetreffende amendement een
andere afweging. Voorzitter! Ik kan
niet anders dan op grond van
inhoudelijke overwegingen aanne-
ming van het amendement op stuk
nr. 17 ontraden. Mevrouw Versnel
heeft er terecht op gewezen dat er
over twee jaar gee¨valueerd zal
worden. Het is heel goed mogelijk
dat wij over twee jaar – of wellicht
eerder – tot een andere conclusie
komen. Wat de evaluatie betreft, stel
ik mij zeer open op.
Mevrouw Van der Burg heeft over
het overgangsartikel gesproken. Zij
heeft gevraagd hoe het gaat met
gemeenten die krachtens de huidige
verdelingssystematiek een zware
taakstelling hebben, maar die op
grond van de nieuwe wet een
lichtere taakstelling krijgen.
Voorzitter! Er is geen vrijstellings-
mogelijkheid voor deze gemeenten.
Die taakstelling is afgesproken en de
desbetreffende gemeenten moeten
daaraan voldoen. Het uitzonderen
van een aantal gemeenten kan tot
lastige situaties leiden, omdat de
totale taakstelling dan niet gehaald
wordt. Gemeenten die een zwaardere
taakstelling krijgen dan zij nu
hebben, zouden dan ook verplicht
moeten worden om hun taakstelling
aan te scherpen. Dat gebeurt ook
niet. Ik begrijp het probleem van
mevrouw Van der Burg, maar ik heb
er geen oplossing voor. Ik wijs er wel
op dat de totale taakstelling
aanzienlijk verlicht is, namelijk van
37.000 naar 25.000. De termijn
waarop de taakstelling gerealiseerd
moet worden is aanmerkelijk
verlengd. Naar mijn mening mag in
alle redelijkheid van iedere gemeente
gevraagd worden om aan de
taakstelling te voldoen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2813" anker="201" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 Er
is een overgangsregeling opgeno-
men in een van de nota’s van
wijziging op de Huisvestingswet. Nu
gaat het er mij om dat het voorkomt
dat gemeentes meer uitvoeren dan
zij volgens de taakstelling behoeven
te doen. Dat is te prijzen. Dat kan wel
in mindering gebracht worden.
Wordt dat door de provincie gedaan? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2813" anker="202" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Ja, dat
wordt verrekend met de formele
taakstelling. Het is natuurlijk zeer te
prijzen als dit gebeurt. Het is
namelijk voor geen enkele gemeente
gemakkelijk om de taakstelling uit te
voeren. Als men dan toch boven de
taakstelling zit, moet zo’n gemeente-
bestuur toch wel zeer worden
geprezen. Gelukkig zijn er zulke
gemeentes.
Voorzitter! Op het verdelings-
mechanisme voor grootstedelijk
gebied is de minister van Binnen-
landse Zaken al ingegaan. Dat laat ik
op dit moment buiten beschouwing.
De heer Schutte heeft aandacht
gevraagd voor het artikel in
Woningraad Magazine, waarin
klachten werden geuit over de
communicatie met overheden. Ik
weet dat dit vaker voorkomt dan
wenselijk is. Het is een lastig
leerproces voor alle partners. Ons
heeft buitengewoon veel parten
gespeeld dat in het verleden de
planning voor het verlenen van het
aantal statussen vaak niet gehaald
werd. Dat heeft voor degenen die
met de opvang werden geconfron-
teerd lastige problemen opgeleverd,
al was het maar dat zij moesten
uitleggen dat voor statushouders
gereserveerde woningen leeg bleven
staan. Onder andere om deze reden
heb ik de nadruk gelegd op een
goede planningssystematiek.
Ongetwijfeld zullen deze problemen
zich in de toekomst nog aandienen,
maar er is gelukkig sprake van
verbetering. Getracht wordt het
verlenen van statussen op regelma-
tige basis plaats te doen vinden. De
wenselijkheid daarvan is zeer groot.
Aan het adres van de heer Schutte
merk ik op dat regionale herverde-
ling een veel groter gebied kan
beslaan dan een regio met alleen
maar restrictief beleid. De colleges
van gedeputeerde staten moeten dit
goed ter harte nemen, omdat er in
elke provincie opvangkernen zijn met
een grote taakstelling die benut
kunnen worden voor de herverde-
ling. Wij moeten zo optimaal
mogelijk gebruik maken van die
mogelijkheden als er knelpunten zijn.
Voorzitter! De heer Schutte heeft
gevraagd naar het RAVO-advies. Wat
het monitoringsysteem betreft, is
uitgezocht of het mogelijk is om
statushouders die zich ergens
gevestigd hebben in hun verdere
huisvestingstraject te volgen. Je kunt
wel monitoren, maar je moet wel
weten of het kan. Het antwoord
daarop is dat het kan. Over de
vervolgfase geef ik graag meer
informatie in de memorie van
toelichting op de begroting voor
1996.
Voorzitter! Ik heb de heer Van den
Berg intussen gedeeltelijk antwoord
gegeven op zijn opmerking over de
herverdeling. Als mijn informatie
over de medewerking van de
provincie op het gebied van
bouwmogelijkheden anders is dan de
zijne, zullen we proberen hier samen
uit te komen. Ik heb hem gisteravond
naar beste weten proberen te
beantwoorden. Uiteraard zal ik
nagaan of de informatie die ik
verstrekt heb, juist is. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2814" anker="203" partij="SGP" naam="Van den Berg">
 Voorzitter! Voor de goede orde: de
situatie is op dit moment wat anders
dan in de tijd dat de problemen in de
Veluwse gemeenten zich voordeden.
Ik heb begrepen dat er inmiddels iets
ten goede veranderd is. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2814" anker="204" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Voorzitter!
Laten we hier dan blij om zijn.
Kennelijk voeren GS hier een beleid
dat mede rekening houdt met de
problemen die er op dit punt
bestaan. Maar ook wat de Veluwe
betreft zijn er natuurlijk buiten de
Veluwe ruime herverdelingsmogelijk-
heden. Deze kunnen benut worden.
Voorzitter! Mevrouw Verbugt heeft
gezegd dat er inderdaad sprake is
van een pittige taakstelling. Zij heeft
voorgesteld om over twee jaar te
kijken hoe het loopt. Ik ben het hier
inhoudelijk mee eens. Zij heeft dit
voorstel gekoppeld aan een
amendement op stuk nr. 14.
Voorzitter! Als wij met elkaar
vinden dat de evaluatie min of meer
een continu proces dient te zijn en
dat er zeker over twee jaar over
gesproken moet worden, is het dan
nodig om dit per se in een wetsarti-
kel vast te leggen? Je krijgt hierdoor
in een wet te maken met twee
verschillende evaluatie-artikelen. Ik
ben het er inhoudelijk dus mee eens,
maar qua vormgeving heb ik geen
behoefte aan het amendement. Ik
laat het oordeel over het amende-
ment op stuk nr. 14 daarom aan de
Kamer over.
Voorzitter! Mevrouw Versnel heeft
een amendement op stuk nr. 8
ingediend. Zij wil de herverdeling-
smogelijkheden van de provincie
beperken tot die situaties waarin een
gemeente hierom vraagt. Ik denk dat
de situatie waarbij de provincie gaat
herverdelen op eigen initiatief zich
niet zal voordoen. Noch de provincie
noch de gemeente heeft enige reden
om dit te doen. Wel lijkt het me
verstandig dat een provincie bij
dreigende moeilijkheden contact
opneemt met de betreffende
gemeente om te zien of het
misschien zinvol is om met elkaar
om de tafel te gaan zitten. Dit lijkt
me een zeer verstandige bestuurs-
praktijk. Ik acht het amendement op
stuk nr. 8 dus overbodig, maar ik laat
het oordeel hierover aan de Kamer
over.
De heer Poppe koppelt een aantal
zaken aan elkaar die je niet aan
elkaar mag koppelen. Hij vindt dat
het wetsvoorstel in strijd is met het
huidige huisvestingsbeleid. Hij zegt
dat wachttijden van vijf a` zes jaar
gebruikelijk zijn, terwijl mensen de
helft van hun beschikbare inkomen
naar de verhuurder moeten brengen.
Voorzitter! Dit is werkelijk een
vertekening van de maatschappelijke
werkelijkheid. De heer Poppe koppelt
dit verder aan de situatie van de
middelgrote en grote gemeenten.
Laten we niet selectief zijn. Ook in
kleinere gemeenten komt het zeer
wel voor dat het heel moeilijk is om
voor mensen met een lager inkomen
geschikte huisvesting te vinden. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2814" anker="205" partij="SP" naam="Poppe">
 Voorzitter! We
moeten niet blijven vertekenen. De
staatssecretaris vertekent nu mijn
woorden weer. Zo wordt het een
ongelukkige discussie.
Ik heb gezegd dat dergelijke
situaties zich in allerlei gradaties
voordoen. Ik heb aangegeven dat er
een groot probleem is. De staatsse-
cretaris kent evenals ik het rapport
van OTB en de gegevens uit het
Sociaal en cultureel rapport. Deze
zijn helder en duidelijk. Ik heb het
over bestaande gegevens. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2814" anker="206" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 De heer
Poppe houdt feitelijk een pleidooi
voor de bouw van goedkope
huurwoningen. Het zou natuurlijk
prachtig zijn, als je zou kunnen
bouwen en hiervoor ook de
financie¨le middelen had. Maar ik wijs
erop – om het probleem binnen de
juiste proporties te houden – dat
Nederland gelukkig een grote
voorraad betaalbare huurwoningen
heeft, en dat Nederland, waar het
gaat om het percentage gesubsidi-
eerde woningen – want daar praten
we in feite over – nog steeds aan de
top van Europa staat. Ik bagatelliseer
het probleem dus niet, maar probeer
het in de juiste context te schetsen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2814" anker="207" partij="SP" naam="Poppe">
 Maar met de
jaarlijkse huurverhogingen wordt het
probleem wel groter. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2814" anker="208" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Daarom
proberen wij de jaarlijkse huur-
verhogingen ook te beperken; wij
praten daarover op 9 februari. Als wij
binnenkort het bruterings-
wetsvoorstel kunnen behandelen en
met elkaar tot de conclusie kunnen
komen dat de brutering een goede
zaak is, dan nog zal dit zeker een
heel heilzame invloed hebben op de
jaarlijkse stijging van de huur-
verhoging. Die kan dan nog verder
naar beneden. Het beleid is ook
nadrukkelijk, te proberen om de
jaarlijkse huurverhogingen minder
groot te laten zijn dan in het
verleden. Het lijkt erop dat dit heel
goed gaat.
Voorzitter! Ik kom op het
amendement op stuk nr. 16 van
mevrouw Sipkes, waarin zij vraagt
om uitstel van invoering van de
wetsvoorstellen. Het zal duidelijk zijn
dat ik uitstel zeer zou betreuren. Ik
heb dat uitvoerig uiteengezet, dus
daar hoef ik niets meer aan toe te
voegen. Ik ontraad dit amendement
dan ook sterk.
De algemene beraadslaging wordt
gesloten. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2814" anker="209" naam="De voorzitter">
 Er komt nog een brief
met het verzoek aan de minister om
nadere informatie te verstrekken.
Betekent dit dat de stemming daarop
moet wachten, of kunnen wij
aanstaande dinsdag stemmen? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2814" anker="210" partij="CDA" naam="Gabor">
 Wat mij
betreft, kunnen wij dinsdag
stemmen, maar ik stel het antwoord
van de minister buitengewoon op
prijs. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2815" anker="211" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, aan-
staande dinsdag te stemmen.
Daartoe wordt besloten.
De vergadering wordt van 12.50 uur
tot 13.35 uur geschorst.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2815">

 
<spreker pagina="41-2815" anker="212" naam="De voorzitter">
 De ingekomen
stukken staan op een lijst die op de
tafel van de griffier ter inzage ligt. Op
die lijst heb ik voorstellen gedaan
voor de wijze van behandeling. Als
aan het einde van de vergadering
daartegen geen bezwaren zijn
ingekomen, neem ik aan, dat de
Kamer zich met de voorstellen heeft
verenigd.</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="41-2815">

Regeling van werkzaamheden 
<spreker pagina="41-2815" anker="213" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, te
behandelen donderdag 2 februari bij het begin van de vergadering:
- de Verslagen van de commissie
voor de Verzoekschriften (23954, nrs.
32 t/m 44).
Ik stel voor, toe te voegen aan de
agenda van 31 januari, 1 en 2 februari:
- het wetsvoorstel Wijziging van de
Wet op de kansspelen in verband
met het instellen van een College
van toezicht op de kansspelen
(23605);
- het wetsvoorstel Wijziging van
Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek
en van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering in verband met de
vaststelling van kinderalimentaties
(23683);
- het wetsvoorstel Wijziging van de
Wet op de rechterlijke organisatie en
enige andere wetten (deeltijd en
ancie¨nniteit) (23764);
- het wetsvoorstel Wettelijke
grondslag wijziging bezoldiging
rechterlijke ambtenaren per 1 april
1993 (23826).
Ik stel voor, te behandelen in de vergaderingen van 7, 8 en 9 februari:
- het wetsvoorstel Regelen omtrent
het ter beschikking stellen van
organen (Wet op de orgaandonatie)
(22358);
- de nota Uitbreiding van de
Europese Unie/ICG-notitie (23987),
met maximumspreektijden van 15
minuten voor de fracties van de
PvdA, het CDA en de VVD, 12
minuten voor de fractie van D66, 10
minuten voor de fracties van
GroenLinks en het AOV, 7 minuten
voor de overige fracties en 3,5
minuut voor de heer Hendriks;
- het wetsvoorstel Wijziging van de
Wet op de omzetbelasting 1968 in
verband met de wijziging van en de
invoering van vereenvoudigings-
maatregelen in de Zesde Richtlijn
(23677);
- het wetsvoorstel Regels ter zake
van de behandeling van klachten van
clie¨nten van uit collectieve middelen
gefinancierde zorgaanbieders op het
terrein van de maatschappelijke zorg
en gezondheidszorg (Wet klachtrecht
clie¨nten zorgsector) (23040);
- het wetsvoorstel Wijziging van de
Ambtenarenwet en andere wetten
inzake de wijze waarop het georgani-
seerd overleg wordt gevoerd (23792);
- het wetsvoorstel Wijziging van de
Brandweerwet 1985, de Wet
geneeskundige hulpverlening bij
rampen en enige andere wetten in
verband met wijziging van de opzet
van de inspectie voor het brandweer-
wezen en regeling van enige andere
onderwerpen (23804);
- het verslag van de commissie voor
de Inlichtingen- en Veiligheids-
diensten over haar werkzaamheden
in 1993 (23956);
- het wetsvoorstel Wijziging van
enige bepalingen in het Wetboek van
Strafvordering en enkele andere
wetten inzake de bewaring en de
teruggave van inbeslaggenomen
voorwerpen (23692).
Ik stel voor, te behandelen in de
vergaderingen van 14, 15 en 16 februari:
- het wetsvoorstel Gemeentelijke
indeling van het tot de provincie
Flevoland behorende zuidelijke deel
van het IJsselmeer en opheffing van
het openbaar lichaam Zuidelijke
IJsselmeerpolders (23816);
- het vervolgingsbeleid inzake
euthanasie (23877), met maximum-
spreektijden van 15 minuten voor de
fracties van de PvdA, het CDA en de
VVD, 12 minuten voor de fractie van
D66, 10 minuten voor de fracties van
GroenLinks en het AOV, 7 minuten
voor de overige fracties en 3,5
minuut voor de heer Hendriks.
Ik stel voor, op verzoek van de vaste
commissie voor Justitie de behande-
ling van stuk 23967 (Voordracht Hoge
Raad) te verplaatsen naar 14 februari
en de wetsvoorstellen 23247
(Wijziging Auteurswet) en 23445
(TBS) voorlopig van de agenda af te
voeren.
Tevens stel ik voor, op verzoek van
de fracties van de PvdA en D66 het
wetsvoorstel 23864 (Lastenvereven-
ing) voorlopig van de agenda af te
voeren.
Ik stel voor, de stukken 21300,
23900-VIII, nr. 50 en 23900-XVI, nr. 49
voor kennisgeving aan te nemen.
Het woord is aan de heer Van der
Vlies. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2815" anker="214" partij="SGP" naam="Van der Vlies">

Mijnheer de voorzitter! U heeft voor
de tweede volle week van februari
een debat aangekondigd ter zake van
enkele kwesties rond het euthanasie-
vraagstuk. Daarbij heeft u een
spreektijdverdeling aangegeven
waarbij aan de SGP-fractie 7 minuten
is toegekend. Een formule die
overigens ook geldt. Ik erken dat. Ik
wil u toch wijzen op het bijzondere
karakter van dit debat. Om hier
inhoudelijk adequaat mee bezig te
zijn, heeft men toch wel wat tijd
nodig. Ik wil een beroep op u doen,
de bodem in de spreektijdverdeling –
waar ik overigens begrip voor heb –
wat naar boven te verleggen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2815" anker="215" partij="GPV" naam="Schutte">
 Voorzitter! Ik
sluit mij graag aan bij de opmerkin-
gen van de heer Van der Vlies. Ook
ik denk aan een bodem van 10
minuten zoals die ook voor iets
grotere fracties geldt. Ik zal hiervan
overigens geen gewoonte maken. Dit
onderwerp leent zich gezien de
samenhang van juridische en
principie¨le zaken moeilijk voor een
discussie van 7 minuten. Het gaat er
toch vooral om dat wij een behoor-
lijke discussie kunnen voeren. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2815" anker="216" naam="De voorzitter">
 Ik ben bereid dat in
dit geval te doen, maar ik wil wel
een kritische kanttekening plaatsen.
Er is een verhouding met de omvang
van de fracties. Men heeft de
consequentie van het feit dat men
klein is, te nemen. Ik heb – het is
overigens een zaak van de wetgever
– nimmer enige kiesdrempel bepleit
die het voor kleine groepen lastiger
maakt om in de Kamer te komen. Het
heeft wel consequenties voor de
werkwijze, ook bij de behandeling
van gevoelige punten, omdat anders

</spreker>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


