<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2079]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van het wetsvoorstel Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf (23688)</item>
<item attribuut="Bestand"> 67 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Bedrijfsleven en industrie (Bank- en verzekeringswezen)</item>
<item attribuut="Dossiernr">23688</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 15, Tweede Kamer, pag. 2817-2829</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">26-01-1995</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2079</item>
<item attribuut="Omvang">13 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Tweede Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Natura-uitvaartverzekering</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Grondwetswijzigingen, tweede lezing</item>
<item attribuut="doccode">TK 41</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="41-2817">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wet
toezicht natura-
uitvaartverzekeringsbedrijf
(23688).
De algemene beraadslaging wordt
geopend.

<blok pagina="41-2817">

 
<spreker pagina="41-2817" anker="84" partij="CDA" naam="Smits">
 Voorzitter! De
Wet toezicht natura-
uitvaartverzekeringsbedrijf heeft een
lange ontstaansgeschiedenis. In de
achter ons liggende jaren heeft zich
een aantal gevallen voorgedaan
waarbij commercie¨le natura-
uitvaartverzekeraars en ook, in een
enkel geval, een plaatselijke
begrafenisvereniging in de proble-
men zijn gekomen. De consequenties
van een deconfiture zijn uiteraard het
gevoeligst voor degenen die zich
verzekerd hebben bij een commer-
cieel uitvaartverzekeringsbedrijf.
Immers, het betalen van premies
leidt tot de contraprestatie van een
uitvaart in natura. Een soortgelijke
situatie doet zich niet voor bij een
deconfiture van een uitvaart-
vereniging. Immers, de doelstelling
van een uitvaartvereniging is om
voor de aangesloten leden een
pie¨teitvolle uitvaart te organiseren.
De deconfiture van een aantal
commercie¨le uitvaartverzekerings-
bedrijven en het ontbreken van een
adequaat toezichtsregime is
aanleiding geweest om ook vanuit de
Tweede Kamer te vragen om het
commercie¨le uitvaartverzekerings-
bedrijf onder het toezicht te brengen
van de Verzekeringskamer. Het
voorliggende wetsvoorstel komt
tegemoet aan de wens van de
Tweede Kamer, zij het dat ook de
plaatselijke uitvaartverenigingen
onder het toezichtsregime worden
geplaatst. Weliswaar is er sprake van
een zogenaamd verlicht toezichts-
regime. Een en ander neemt niet
weg dat plaatselijke begrafenis-
verenigingen dus geconfronteerd
kunnen worden met een aantal
maatregelen die contraproduktief
zullen kunnen werken voor deze
plaatselijke uitvaartverenigingen.
In het wetsvoorstel, de memorie
van toelichting en de nota naar
aanleiding van het verslag blijft de
minister van Financie¨n op zijn
standpunt staan dat er geen
onderscheid gemaakt moet worden
tussen een commercie¨le natura-
uitvaartverzekeraar en een plaatse-
lijke begrafenisvereniging. De
minister motiveert deze weigering er
onder meer mee dat het algemene
civielrechtelijke begrip ’’verzekering’’
als een gegeven wordt beschouwd.
Het kenmerk van een commercie¨le
uitvaartverzekering is, dat de bij de
verzekeraar aangesloten verzekerden
een jaarlijkse premie betalen, waar
een vooraf overeengekomen
contraprestatie in natura tegenover
staat.
Kenmerkend voor een plaatselijke
begrafenisvereniging is dat zij
uiteraard leden kent. Die leden
hebben binnen de vereniging
afgesproken dat zij bemiddelt bij het
verzorgen van een uitvaart. Dit houdt
derhalve niet in dat zij aanspraak
zouden kunnen maken op een
volledig verzorgde uitvaart. Het
lidmaatschap van de uitvaart-
vereniging houdt in dat het bestuur
voor de overledene dan wel voor de
familie bemiddelt bij het doen
organiseren van de begrafenis. In
sommige gevallen bestaat de
afspraak dat er kortingen worden
verleend op bijvoorbeeld de huur
van de lijkwagen, de aanschaf van de
kist, het gebruik van het mortuarium
enz.
Bij de schriftelijke voorbereiding
heeft de CDA-fractie kenbaar
gemaakt dat zij bezwaren heeft tegen
het onder toezicht stellen van
plaatselijke begrafenisverenigingen.
Behoudens een enkel incident heeft
dit soort verenigingen altijd
uitstekend gefunctioneerd. Ze
hebben veelal een traditie die tot in
de vorige eeuw reikt. Een dergelijke
vereniging maakt als vanzelfsprekend
deel uit van veelal kleinere leefge-
meenschappen.
Bij de schriftelijke voorbereiding
hebben wij kenbaar gemaakt dat
alleen al het gerucht dat er een wet
zou komen die de natura-
uitvaartverzekeraars onder toezicht
plaatst, geleid heeft tot een actie van
commercie¨le verzekeraars om die
begrafenisverenigingen over te
nemen. En in een aantal gevallen is
dit ook gebeurd, zoals de minister
weet. Weliswaar staat het partijen
vrij om overeenkomsten aan te gaan,
maar het beleidsvoornemen van de
minister van Financie¨n inzake het
toezicht op het uitvaartwezen is door
een aantal commercie¨le verzekeraars
op een niet correcte wijze opgepakt.
Er mag verwacht worden dat deze
wet, als zij in de huidige vorm de
Staten-Generaal passeert, ertoe zal
leiden dat deze actie van commer-
cie¨le uitvaartverzekeraars in
versterkte mate zal doorgaan. De
vraag rijst of de Verzekeringskamer
in dit opzicht een bepaalde rol zou
moeten spelen. Weliswaar vallen de
commercie¨le natura-
uitvaartverzekeraars niet onder het
toezichtsregime van de Verzekerings-
kamer, maar je zou kunnen denken
aan een model waarbij de kamer zich
met haar morele gezag uitspreekt
over het ongewenste van de
genoemde acties. Ik vraag hiervoor
de aandacht van de minister.
Voorzitter! De minister van
Financie¨n is van mening dat
verenigingen met een beperkt aantal
leden onder het verlicht toezichts-
regime moeten worden geplaatst. Dit
houdt in dat men verplicht wordt,
zo’n vereniging om te bouwen tot
een onderlinge-
waarborgmaatschappij. Vervolgens
zullen deze maatschappijen hun
financie¨le reserves moeten verster-
ken en zullen zij jaarlijks een
actuarieel jaarverslag of een
accountantsjaarverslag aan de
Verzekeringskamer moeten inzenden.
Er wordt aan deze verenigingen, als
zij aan deze voorwaarden voldoen,
weliswaar geen vergunning verleend,
maar het wordt dan gedoogd dat zij
verdere activiteiten ontwikkelen.
Al in een vroegtijdig stadium heeft
het LSUW, het Landelijk samenwer-
kingsverband van uitvaartinstellingen
zonder winstoogmerk, er de
aandacht op gevestigd dat er met dit
wetsvoorstel beoogd wordt, ook de
plaatselijke uitvaartverenigingen
onder toezicht te stellen. Het LSUW
heeft vanaf het begin duidelijk
aangegeven dat er een verschil is
tussen een commercie¨le uitvaart-
verzekeraar en een vereniging die
behulpzaam is bij het verzorgen van
een ’’pie¨teitvolle uitvaart’’. Zowel de
CDA-fractie als andere fracties
hebben in de afgelopen periode
frequent contact gehad met
verschillende landelijke koepels
waarin begrafenisverenigingen
participeren. Er is duidelijk gebleken
dat het verzet tegen dit wetsvoorstel
aanzienlijk is en dat men verwacht
dat bij ongewijzigde aanvaarding van
deze wet de lange traditie van de
plaatselijke begrafenisvereniging in
Nederland tot de geschiedenis zal
gaan behoren.
Namens mijn fractie heb ik mij er
vanaf het begin tegen verzet dat de
definie¨ring van de artikelen in de wet
zo gekozen is dat plaatselijke
verenigingen die in het geheel geen
kenmerken hebben van een
natura-uitvaartverzekeraar, gedwon-
gen worden om zich tegen heug en
meug van een vereniging te laten
omvormen tot een onderlinge-
waarborgmaatschappij. Via deze
constructie zouden zij in het veld van
het verzekeringswezen worden
getrokken.
Een groot deel van de recente
verzekeringswetgeving is tot stand
gekomen op basis van Europese
regelgeving. Er moet evenwel bij
worden aangetekend dat er geen
enkele Europese regelgeving is die
Nederland verplicht tot toezicht-
wetgeving als in dit wetsvoorstel. De
in de nota naar aanleiding van het
verslag genoemde voorbeelden van
Europese lidstaten waarin een
dergelijk toezichtsregime van
toepassing is, zijn niet erg indruk-
wekkend.
Resumerend kan ik zeggen dat het
op zichzelf goed is dat de commer-
cie¨le natura-uitvaartverzekeraars
onder het toezicht van de
Verzekeringskamer komen. Er zij
herhaald dat een uitvaartvereniging
een andere organisatie is en dat zij
een ander doel heeft dan een
commercieel uitvaartverzekerings-
bedrijf. Het onverkort volgen van de
voorstellen in dit wetsvoorstel zal
leiden tot de teloorgang van vele
honderden plaatselijke begrafenis-
verenigingen. Wetgeving die zulke
vormen van gemeenschapszin
onderuit haalt, kan naar mijn inzicht
per definitie geen goede wetgeving
zijn. Daarom heb ik mede namens
mijn collega’s Witteveen, Schimmel
en Van Wingerden een amendement
ingediend waarmee wordt beoogd
om plaatselijke begrafenisonderne-
mingen die voor 1 januari 1995 zijn
opgericht, niet onder de werking van
deze wet te laten vallen.
De behandeling van het wetsvoor-
stel vandaag in de Tweede Kamer
betekent niet dat morgen de wet van
kracht zal zijn. Het duurt nog enige
tijd voordat de wet in het Staatsblad
zal staan. Niet bekend is hoeveel
natura-uitvaartverzekeraars onder het
toezicht van de Verzekeringskamer
komen te staan. Het is wellicht een
aanzienlijk aantal. Het is wenselijk
dat de tijd wordt genomen om de
natura-uitvaartverzekeraars voor te
lichten over de consequenties van de
ondertoezichtstelling. Op welke wijze
gaat dit gebeuren?
Wij discussie¨ren vandaag over de
ondertoezichtstelling van natura-
uitvaartverzekeraars. Die wordt
volgens mij met deze wetgeving en
het door mij voorgestelde amende-
ment adequaat geregeld. Daarmee is
vrijwel het gehele traject van levens-
en schadeverzekeringen onder
wettelijk toezicht geplaatst.
Ik vraag de aandacht voor een
nieuw verschijnsel op de Neder-
landse markt. Nederland kent een rijk
en vol bezit aan dieren. Vooral aan
huisdieren geven Nederlanders
steeds meer geld uit. Een aantal
verzekeraars heeft dat ontdekt. De
consument kan zich op allerlei wijzen
verzekeren tegen allerlei mogelijke
acties en schades die voortvloeien
uit het bezit van een huisdier. Er zijn
zelfs natura-uitvaartverzekeringen
voor dieren. Menig gekooid en
aangelijnd huisdier heeft er geen
weet van dat een en ander commer-
cieel wordt misbruikt, en vaak heeft
de eigenaar er ook geen weet van. Ik
vraag de aandacht voor deze
verzekeringssector. Behoeft ook deze
sector enige vorm van toezicht?
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2819">
<spreker pagina="41-2819" anker="85" partij="PvdA" naam="Witteveen-Hevinga">
 Voorzitter! Meer markt en
minder regels. Dat is een van de
uitgangspunten van het kabinet. Het
proces van herijking is noodzakelijk.
Maar als het aan de Partij van de
Arbeid ligt, moet niet worden
gedereguleerd om de deregulering.
Het gaat om een zorgvuldig proces
waarin heel fijnmazige afwegingen
alle aandacht verdienen. Waar nodig
moet een proces van deregulering
worden ingezet. Een voorbeeld is de
liberalisering van de vestigings-
wetgeving, die is geı¨nitieerd door het
vorige kabinet. Waar meer overheid
nodig is, moet een proces van
regulering gestalte krijgen.
Dat laatste is precies wat met het
onderhavige wetsvoorstel wordt
beoogd. De weegschaal is in dit
geval terecht doorgeslagen naar het
belang van consumentenbescher-
ming. Het beginsel van zelfregulering
van deze bedrijfstak schiet te kort.
Hoe moet de consument zich een
oordeel vormen over de betrouw-
baarheid en financie¨le positie van
een natura-
uitvaartverzekeringsmaatschappij,
wanneer daarbij ingewikkelde
financie¨le berekeningen en allerlei
beleggingsmogelijkheden komen
kijken? De consument kan kiezen uit
meer dan 200 natura-
uitvaartverzekeraars, die hem
allemaal aan zich willen binden. Hier
gaat letterlijk het gezegde op dat de
een zijn dood de ander zijn brood is.
Kortom, de fractie van de Partij van
de Arbeid is er verheugd over dat de
bedrijfstak natura-
uitvaartverzekeringsbedrijven door
dit wetsvoorstel onder toezicht van
de Verzekeringskamer komt te staan.
Twee kritische kanttekeningen
hebben toch geleid tot de formule-
ring van een amendement. Zoals
gezegd is deregulering een proces
van heel fijnmazige afwegingen. De
fractie van de Partij van de Arbeid
vindt dat op een onderdeel van deze
bedrijfstak het beginsel van
zelfregulering afdoende werkt voor
een goed functioneren van de
desbetreffende activiteiten. De
weegschaal is voor kleine begrafenis-
instellingen die in een verenigings-
vorm zonder winstoogmerk
functioneren, te ver doorgeschoten
naar regulering. Het doel van deze
verenigingen is het verlenen van
onderlinge hulp op het gebied van
uitvaartverzorging. Deze verenigin-
gen zetten zich er juist voor in, te
voorkomen dat uitvaartverzorging
een vorm van winstbejag wordt en
dus te voorkomen dat de een zijn
dood de ander zijn brood wordt.
Vooral in plattelandsgebieden
vervullen deze verenigingen van
oudsher een sociale, samenbindende
functie in het kader van de ’’noaber-
hulp’’ in de dorpsgemeenschap.
Sociale cohesie is de grondslag voor
deze verenigingsvorm, een zeer te
waarderen element in onze
samenleving. Ik vind, dat wij daar
oog voor moeten hebben en dat wij
deze kleinere verenigingen met
minder dan 3000 leden niet als
verzekeraars moeten behandelen.
Dat zou mijns inziens dus een vorm
van overmatige regulering en
overbodige bemoeienis zijn. In het
algemeen heeft men bewezen, dat
het beginsel van zelfregulering prima
voldoet. Waarom dan deze verenigin-
gen, die veelal met vrijwilligers
werken, belasten met allerlei vormen
van administratieve rompslomp
richting overheid, terwijl het
verenigingsrecht in onze ogen
voldoende mogelijkheden biedt om
inspraak en betrokkenheid van de
leden te verzekeren? Dat betekent,
dat wij deze kleinere begrafenis-
instellingen buiten de werking van
deze wet willen stellen.
Voorzitter! Als het debat van
vandaag ertoe leidt dat de kleinere
begrafenisverenigingen buiten de
werking van deze wet gaan vallen,
kan naar het oordeel van de
PvdA-fractie ook een einde worden
gemaakt aan het toepassen van een
versnipperd, tweeledig toezichts-
regime. Ik stel met name de
handhaving van het zogenaamde
verlichte regime ter discussie.
Waarom? Ten eerste omdat de
invoering van het verlichte regime
plaatsvond juist ten behoeve van de
kleine verenigingen waarover ik
zojuist sprak. Deze rechtvaardiging
komt dus te vervallen als het aan de
fractie van de PvdA ligt. Ten tweede
is het de vraag of het verlichte
regime moet blijven bestaan voor de
kleinere commercie¨le verzekeraars.
Het laten vervallen van het verlichte
regime zou betekenen, dat alle
commercie¨le verzekeraars onder
volledig toezicht komen te staan, en
dat is wat de fractie van de PvdA wil.
Bij het handhaven van de grens van
3000 verzekerden, welke gehanteerd
wordt bij wel/geen toepassing van
het verlichte regime, zouden namelijk
100 van de 225 commercie¨le
verzekeraars onder volledig toezicht
staan, en dat terwijl veel problemen
zich juist voordoen bij die kleinere
commercie¨le verzekeraars zoals
tijdens de schriftelijke voorbereiding
van het wetsvoorstel is gebleken.
Daarom is het van belang om alle
commercie¨le verzekeraars onder
volledig toezicht te stellen. Dan is
een goede controle mogelijk op de
solvabiliteit en dat is op lange
termijn het beste voor de belangen
van de verzekerden. Ten derde
menen wij dat een versnipperd
toezichtsregime de overzichtelijkheid
en eenvoud niet bevordert, niet
richting consument en ook niet
richting verzekeraars.
Voorzitter! Wij pleiten voor een
toezichtsregime voor alle natura-
uitvaartverzekeraars. Dat betekent
dat wij de door ons oorspronkelijk
gedane suggestie dat deze kleinere
verenigingen zouden moeten kunnen
volstaan met een meldingsplicht niet
meer actueel vinden.
De fracties van CDA, D66, PvdA en
AOV hebben beide elementen, kleine
begrafenisverenigingen buiten het
toezicht van de wet te stellen en de
afschaffing van het verlichte regime,
in een amendement verwoord.
Tevens is er in het amendement
rekening mee gehouden, dat
voorkomen moet worden dat nieuwe
verzekeraars worden opgericht,
uitsluitend om zich te onttrekken aan
het toezicht ingevolge de wet. Ik
verneem graag een reactie van de
minister.
Voorzitter! Tijdens de schriftelijke
voorbereiding is aangekondigd om
vijf jaar na inwerkingtreding van de
wet de uitvoering te evalueren. Die
evaluatie werd ingegeven door het
tweeledig toezichtsregime. Ondanks
mijn pleidooi om het tweeledig
regime te laten vervallen, wil ik toch
vasthouden aan een evaluatie over
vijf jaar. Een evaluatie van het
toezicht als zodanig maar ook om te
bezien hoe de ontwikkelingen
rondom de kleine begrafenis-
verenigingen verlopen. Dat zijn beide
redenen om die evaluatie uit te
voeren. Graag een reactie van de
minister.
Voorzitter! Ik ben mij ervan bewust
dat het wetsvoorstel, wellicht nog
versterkt door ons amendement, op
de korte termijn een sterk sanerende
werking zal hebben onder kleinere
verzekeraars. Wat dat betreft heeft
het wetsvoorstel al zijn schaduw
vooruit geworpen. Er is een tendens
tot concentratie ontstaan naar
grotere ondernemingen met een
landelijk draagvlak. Die tendens zal
zich de komende jaren dus wel
voortzetten. Het wetsvoorstel
voorziet bovendien in een overgangs-
termijn van vier jaar wat betreft de
solvabiliteitseisen die aan de
onderneming worden gesteld. Op de
langere termijn zal volledige
ondertoezichtstelling van alle
verzekeraars naar mijn opvatting tot
gezondere verzekeraars leiden. En
daar is iedereen mee gediend!
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2820">

 
<spreker pagina="41-2820" anker="86" partij="RPF" naam="Van Dijke">
 Mijnheer
de voorzitter! Toezicht op natura-
uitvaartverzekeringen is een goede
zaak voor de verzekeringsnemer,
vanwege de moeilijkheid van het in
te schatten risico en de gebonden-
heid aan een gekozen verzekering.
Dit vraagt om controle waardoor het
consumentenbelang de nodige
bescherming krijgt. Om deze reden
waarderen wij het voorstel voor een
speciale wet voor deze branche.
Echter, de RPF-fractie verbaast zich
over het feit dat onder deze wet ook
uitvaartverenigingen komen te vallen
die zonder winstoogmerk aan het
werk zijn. Vanuit de optiek van het
consumentenbelang – in dat belang
is de reden voor het opstellen van
deze wet gelegen – is dit onbegrijpe-
lijk.
De minister wil deze uitvaart-
verenigingen zonder meer onder
verzekeringen scharen, terwijl het
hoofddoel van deze verenigingen
dienstverlening is en er eigenlijk
geen sprake is van verzekeren.
Immers, de contributie van de leden
is niet te vergelijken met een
verzekeringspremie, omdat deze
bijdrage niet gericht is op de uitvaart
van de leden zelf, maar op de
instandhouding van de vereniging. In
het geval van een eigen uitvaart
krijgen leden korting op grond van
hun lidmaatschap en niet op grond
van de contributie.
Bij deze feiten komt nog dat, zoals
gezegd, de ondertoezichtstelling van
deze verenigingen op de voorge-
stelde wijze geen enkel
consumentenbelang dient. De leden
van de vereniging ondervinden
namelijk geen nadelige gevolgen van
het opzeggen van het lidmaatschap.
Daarbij zijn zij over het algemeen zo
betrokken bij het reilen en zeilen van
hun vereniging, dat er sprake is van
inzicht in de gang van zaken, terwijl
dit bij de uitvaartverzekeringen
geheel anders is.
Mijnheer de voorzitter! Deze wet
dient op dit punt dus niet het belang
van de verenigingsleden, en ik
spreek nu met nadruk over
’’verenigingsleden’’. Sterker nog,
door de ondertoezichtstelling van
deze verenigingen zonder winstoog-
merk is de kans groot dat een aantal
verenigingen ophouden te bestaan,
omdat de meeste zaken op
vrijwilligersbasis gedaan worden. De
eisen die gesteld worden, zelfs bij
het verlichte regime, zijn voor deze
verenigingen immers te hoog. In de
vele reacties van deze verenigingen
wordt daar terecht zorg over
uitgesproken. De eisen doen dus
meer afbreuk aan het belang van de
consument dan dat dit gediend
wordt, terwijl de consumenten op
grond van onderlinge saamhorigheid
deze verenigingen zelf in het leven
hebben geroepen.
Mijnheer de voorzitter! De minister
wijst in zijn nota op het feit, dat
vanaf 1990 ten minste vier verenigin-
gen failliet, bee¨indigd dan wel
overgenomen zijn. Waar baseert de
minister dit gegeven op? Voor zover
mij bekend is, kan op z’n hoogst
sprake geweest zijn van enkele
bedrijfsovernames van verenigingen,
maar dan wel op zodanige wijze dat
de overname voor de leden geen
nadelige gevolgen had, omdat de
dienstverlening door naburige
verenigingen werd overgenomen.
Ook is het mogelijk dat enkele zijn
overgenomen door commercie¨le
verzekeraars vanwege dit wetsvoor-
stel. Anderen hebben daar ook al op
gewezen.
De minister zegt dat het niet
mogelijk is om een uitzondering te
maken voor verenigingen zonder
winstoogmerk in deze branche,
omdat controle daarop niet mogelijk
is. Dat is echter maar zeer de vraag.
De Verzekeringskamer moet bepalen
of een vereniging wel of niet een
verzekeringsbedrijf is. Zij zal bij die
beoordeling ook kunnen bepalen of
er sprake is van een niet-
commercie¨le vereniging en deze
eventueel buiten de wet kunnen
houden. Er bestaat de kleine kans dat
enkele commercie¨le verzekeraars hier
misbruik van maken, maar het
belang om dat tegen te gaan weegt
niet op tegen het verlies van
verenigingen zonder winstoogmerk.
Wanneer het belang van de
verzekeringsnemer werkelijk het
uitgangspunt van deze wet is, dan
kan zij nooit tot gevolg hebben het
opheffen of bedreigen van verenigin-
gen die opgericht zijn door de
consument zelf en die al jaren lang
hun waarde op het gebied van
uitvaartverzorging ruimschoots
hebben bewezen.
Laat duidelijk zijn dat ik, wat de
commercie¨le verzekeraars betreft,
wetgeving nodig vind. Ik zou zelfs op
twee punten nog iets verder willen
gaan. In de eerste plaats wijs ik erop,
dat naast controle op de solvabiliteit
door voorlichting meer inzicht zal
moeten komen voor de consument
in de kwaliteit van de geleverde
diensten. Op deze manier kan de
verzekeringsnemer een meer
verantwoorde keuze doen. Door
voorlichting van bijvoorbeeld de
overheid over de van belang zijnde
bepalingen in de verzekerings-
overeenkomst van de natura-
uitvaartverzekering is het mogelijk
voor de consument een verant-
woorde en passende keuze te maken
en om verzekeringen met elkaar te
vergelijken.
In de tweede plaats wijs ik erop,
dat tot nu toe een onafhankelijk
klachtenbureau voor consumenten
ten aanzien van uitvaartverzorging
en -verzekeringen wordt gemist. Er is
een ombudsman van de Vereniging
van natura-uitvaartverzekeraars en er
is de geschillencommissie van het
uitvaartwezen. Daarnaast is er nog
de ombudsman van levensverzeke-
ringen. Deze mensen behandelen of
verzekeringsklachten of uitvaart-
klachten, maar niet beide tegelijk.
Daarbij komt, dat zij alleen voor
verzekeringsnemers van bepaalde
organisaties toegankelijk zijn. De
Consumentenbond wijst op deze
versnippering en pleit voor een
onafhankelijk klachtenbureau. Wat
vindt de minister hiervan? Heeft hij
ideee¨n om deze lacune op te vullen?
Bovenstaande problemen spelen
nauwelijks een rol bij verenigingen.
Deze werken immers niet vanuit een
commercieel belang. Door de
persoonlijke sfeer wordt het beste
voor elkaar gezocht en worden
problemen in die sfeer ook opgelost.
Mijnheer de voorzitter! Ik kom tot
een afronding. De RPF-fractie vindt
controle voor de commercie¨le
natura-uitvaartverzekeraars noodza-
kelijk. Of daar de grens voor verlicht
regime bij de 3000 of de 1000 leden
ligt, of dat er geen sprake is van
verlicht regime, vindt mijn fractie
arbitrair. Controle van uitvaart-
verenigingen zonder winstoogmerk,
zelfs onder verlicht regime, nu of in
de toekomst, wijzen wij evenwel af.
Ten slotte zou ik graag van de
minister willen horen, of hij wil
werken aan duidelijke voorlichting
over de kwaliteit van de geleverde
diensten aan de consument van de
natura-uitvaartverzekeringen, en
tevens aan een onafhankelijk
klachtenbureau. Dit om, in de lijn van
het voorgestelde wetsvoorstel, de
onderhandelingspositie van de
verzekeringsnemer te verbeteren.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2821">

 
<spreker pagina="41-2821" anker="87" partij="VVD" naam="Van Rey">
 Voorzitter!
Ik wil niet te lang stilstaan bij dit
wetsvoorstel, omdat ik graag terug
wil naar Limburg, waar helaas nog
geen verzekering is, en dus ook nog
geen toezicht.
Dit wetsvoorstel kent een heel
lange voorgeschiedenis. Al lang voor
het amendement-Van Muiden/Van
Rey in 1986 was ingediend, was er
een kamermeerderheid die vond, dat
natura-uitvaartverzekeraars onder
toezicht zouden dienen te worden
gesteld. Ik denk dan ook dat het
motief van die ondertoezichtstelling,
wat in 1986 gold, nu nog steeds
geldt, en dat is dat de verzekerings-
nemer er niet alleen op moet kunnen
vertrouwen bij het sluiten van een
verzekeringsovereenkomst dat de
verzekeraar solide is, maar hij moet
er vooral ook op kunnen vertrouwen
dat de verzekeraar dat gedurende de
hele looptijd van de overeenkomst
zal zijn en blijven. Ik kom dan
meteen bij een onderdeel waar het
eigenlijk allemaal om draait en waar
mijns inziens terecht wordt aangeslo-
ten bij het advies van de
Verzekeringskamer, namelijk om de
grens tussen grote en kleine
nature-uitvaartverzekeraars te leggen
bij 3000 meerderjarige verzekerden,
ofte wel 1500 verzekeringsnemers.
Het 3000-criterium leidt tot toezicht
op circa 75% van het aantal
verzekerden, en als ik goed heb
gelezen houdt 25% van het aantal
instellingen zich daarmee bezig. Bij
gebrek aan objectieve factoren is dat
3000-criterium natuurlijk min of meer
arbitrair. Dat is dan ook hetgeen ik
aan de indieners van het amende-
ment wil vragen, omdat zij dat
3000-criterium hebben meegenomen.
Wat moet er volgens de indieners
gebeuren, wanneer een instelling
boven de 3000 verzekerden komt?
Moet er dan plots toezicht worden
toegepast? Omdat ik dat niet begrijp,
wil ik daar duidelijkheid over krijgen.
Is het de bedoeling om de
onderlinge-waarborgmaatschappijen,
die juist zijn opgericht om verzekerin-
gen te sluiten, uit te zonderen? Het is
misschien goed dat de heer Smits en
de andere indieners dat toelichten.
Terecht heeft de minister in de
nota naar aanleiding van het verslag
op pagina 2 opgemerkt dat je, als je
dat wilt, stil moet staan bij de vraag
of er een meldingsplicht moet zijn.
Moet je andere randvoorwaarden
stellen? Hebben de indieners
daarover nagedacht? Ik ga ervan uit
van wel, dus ik verwacht daar een
antwoord op. Voorzitter! Dit geeft al
aan dat wij daarmee wat zorgvuldi-
ger willen omgaan. Natuurlijk
hebben wij op grond van gesprekken
met het Landelijk samenwerkingsver-
band van uitvaartinstellingen zonder
winstoogmerk (LSUW) ook begrip
voor de daar gehanteerde argumen-
ten. Terecht verdient het LSUW een
compliment voor de manier, waarop
het heeft geprobeerd dat aan ons
kamerleden duidelijk te maken. Maar
ik denk dat juist de eerste les die wij
kunnen trekken uit de kwestie Vie
d’Or is, dat wat er ook gebeurt –
geen toezicht of wel toezicht –
verzekerden altijd naar het parlement
komen om daar te klagen. Dat moet
men zich goed realiseren. De heer
Van Muiden, die helaas veel te vroeg
is overleden, had dat in 1986 ook zo
bedoeld. Wij moeten lessen trekken
uit de affaire die wij met De Wereld
hebben gehad. In de toekomst
mogen geen activiteiten meer in dit
land worden toegelaten die tot
problemen aanleiding geven. Die les
mogen wij niet vergeten.
Het amendement is mij zeer
sympathiek, maar wij hebben onze
eigen verantwoordelijkheid. Dit geldt
nu nog sterker dan een tijdje
geleden. Wanneer er iets verkeerd
gaat, wordt het parlement erop
aangekeken. Helaas – mevrouw
Schimmel kent mij lang genoeg om
te weten dat ik dit meen – moet ik
constateren dat regulering in dit
geval nodig is. Vooral als het gaat
om spaargelden en om verzekerin-
gen die over een periode van
tientallen jaren worden gesloten, is
toezicht absoluut van belang. In de
nota naar aanleiding van het verslag
staat dat het verlichte regime juist is
ingesteld voor de categoriee¨n die de
indieners van het amendement
willen uitzonderen. Ik heb begrepen
dat ook het LSUW met de voorge-
stelde regeling kan werken. Waarom
dan toch dit amendement ingediend?
Ik ben nog niet overtuigd, voorzitter,
maar ik ben uiteraard vatbaar voor
goede argumenten.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2821">

 
<spreker pagina="41-2821" anker="88" partij="SGP" naam="Van der Vlies">

Mijnheer de voorzitter! Lange tijd
heeft het standpunt dat enigerlei
vorm van toezicht op natura-
uitvaartverzekeraars niet nodig is, de
boventoon gevoerd. De natura-
uitvaartverzekering zou zodanig van
de levensverzekering verschillen, dat
toezicht hierop niet nodig en ook
eigenlijk niet mogelijk was. De
SGP-fractie heeft er begrip voor dat
met de behandeling van dit
wetsvoorstel deze periode formeel
wordt afgesloten. Immers, er zijn wel
degelijk argumenten aan te dragen
om ook de natura-
uitvaartverzekeraars onder toezicht te
stellen. Ook voor hen gelden de
argumenten die bij de levens-
verzekeraars naar voren worden
gebracht. Naar de mening van de
SGP-fractie is vooral het toezicht op
de duurzame solvabiliteit van de
natura-uitvaartverzekeraar van
belang. Voor de gemiddelde
consument is het ondoenlijk, zo niet
onmogelijk, om zich een juist beeld
te vormen van het vermogen van
een verzekeraar – en dus ook een
natura-uitvaartverzekeraar – om op
langere termijn aan zijn verplichtin-
gen te kunnen voldoen, zodat de
rechtmatige verwachting van de
consument niet wordt gebruskeerd.
Dit standpunt op zichzelf, het belang
van bescherming van de consument,
vormt voor mijn fractie voldoende
aanleiding om in te stemmen met
het voornemen om de natura-
uitvaartverzekeraars onder toezicht te
stellen.
Voordat ik nog enkele korte
opmerkingen maak, herinner ik aan
de bezwaren die de SGP-fractie op
principie¨le gronden had en heeft
tegen de verzekeringsgedachte, zeker
ook tegen de gedachte van de
levensverzekering. Dit principe
echter, is nu niet werkelijk aan de
orde. Het gaat om toezicht op een
bestaande praktijk.
In het wetsvoorstel wordt een
onderscheid gemaakt tussen grotere
en kleinere uitvaartverzekeraars. De
scheiding tussen beide categoriee¨n
wordt bepaald op het aantal van
3000 meerderjarige verzekerden. De
regering heeft ten opzichte hiervan
het advies van de Verzekeringskamer
gevolgd. Voor de grote verzekeraars
komt er een vergunningsplicht,
terwijl voor de kleine verzekeraars
een zogenaamd verlicht regime van
kracht wordt. Een dergelijke splitsing
met betrekking tot de vorm van
toezicht vindt mijn fractie een
gelukkige aanpak. Mijn fractie had
eerder – tijdens de schriftelijke
voorbereiding – aarzelingen over het
van toepassing verklaren van het
verlichte regime voor de kleinere
uitvaartverzekeraars. De beantwoor-
ding van de regering heeft ons op dit
punt echter overtuigd, althans voor
zover het commercie¨le verzekeraars
betreft.
Van de kant van de niet-
commercie¨le instellingen zijn er –met
name door het LSUW (Landelijk
samenwerkingsverband van
uitvaartinstellingen zonder winstoog-
merk) – bezwaren aangedragen
tegen het toepassingsbereik van het
verlichte regime. Veel plaatselijk
opererende begrafenisverenigingen
en onderlinge-
waarborgmaatschappijen houden
zich bezig met de teraardebestelling
en een gedeeltelijke verzekering
daarvan. Zij zijn vooral ontstaan in
gemeenschappen waarvan degenen
die daarvan deel uitmaken gezamen-
lijk de zorg willen dragen voor het
verzorgen van de begrafenis van een
van hen. Solidariteit op grond van
identiteit en sociale, vaak lokaal-
georie¨nteerde verbondenheid,
gebruik makend van inzet tegen lage
kosten. Veelal gebeurt dit met hulp
en inzet van vrijwilligers. Dit laatste
is zeer te respecteren. Het bezwaar
van deze instellingen is gegrond op
het gegeven dat zij om deze redenen
eigenlijk niet als verzekeraar kunnen
worden aangemerkt, laat staan als
commercie¨le instelling. Daarom
verzetten zij zich tegen het feit dat de
wet ook op hen van toepassing zal
worden. Daar heeft de SGP-fractie
begrip voor. Is er bij de voorberei-
ding van het wetsvoorstel voldoende
aandacht geschonken aan dit
bezwaar? Denkt de regering op
enigerlei wijze aan dit bezwaar
tegemoet te kunnen komen? Zo ja,
op welke wijze dan?
Naast dit principie¨le argument nog
een vraag naar aanleiding van meer
praktische overwegingen. Ook het
verlichte regime zal de nodige
administratieve lasten met zich
brengen. Hoe groot zullen deze
lasten zijn? Worden deze lasten niet
te zwaar, zodat vele instellingen
bee¨indigd zouden moeten worden?
Een vrees die enkele collega’s voor
mij ook hebben geuit.
Naar aanleiding van de grens van
3000 aangeslotenen nog even het
volgende. In hoeverre is het verlagen
van de grens van 3000 aange-
slotenen van invloed op het aantal
commercie¨le instellingen dat onder
het verlichte regime valt? Tevens zou
mijn fractie willen weten of het en,
zo nee, waarom het niet in plaats
van een getalscriterium mogelijk is
om in aanmerking te komen voor
toepassing van een van beide
regimes en daarbij een onderscheid
te maken naar commercie¨le en
niet-commercie¨le instellingen. Dat
lijkt op zichzelf een heldere cesuur,
die ook terug te vinden is in het
amendement van collega Smits c.s.
Voorzitter! Ten slotte nog een
opmerking over het gewijzigde
amendement van de heer Schutte.
De SGP-fractie stelt zich op het
standpunt dat in de memorie van
toelichting voldoende duidelijk is
aangegeven dat er na vijf jaar een
evaluatie komt. Nu wij ons echter in
de voorgestelde zaak kunnen vinden,
zullen wij het amendement steunen.
Een en ander in de wet vastleggen
kan uit een oogpunt van evaluatie
nooit kwaad.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2822">

 
<spreker pagina="41-2822" anker="89" partij="GPV" naam="Schutte">
 Mijnheer de
voorzitter! Of een verzekeringsmaat-
schappij verstand heeft van
verzekeren wordt mede bepaald aan
de hand van het wettelijk geregelde
toezicht door de Verzekeringskamer.
Immers, de belangrijkste reden voor
toezicht is dat het vertrouwen van de
verzekeringsnemer in de verzekeraar
een hechtere basis wordt gegeven.
Het gaat toch veelal om een
complexe financie¨le materie die voor
een leek moeilijk te volgen is en
waaraan diverse financie¨le risico’s
verbonden zijn. Daarom moet een
verzekeringsnemer erop kunnen
vertrouwen dat de verzekeraar solide
is en dat gedurende de gehele
looptijd van de overeenkomst ook zal
blijven. Dit uitgangspunt is naar mijn
mening ook van toepassing op de
natura-uitvaartverzekeringen. Ik kan
de regering daarom volgen als zij
een toezichtsregime invoert voor de
grotere natura-
uitvaartverzekeringsbedrijven in de
vorm van een vergunningsplicht, al
vergt het in een tijd van deregulering
en marktwerking wel een extra
onderbouwing als hiervoor een
wettelijke regeling van maar liefst
108 artikelen nodig is.
Dat ligt anders als het gaat om de
kleinere uitvaartverenigingen. Voor
die gevallen stelt de regering voor
een min of meer willekeurig
criterium van 3000 leden in te
voeren. De verenigingen die minder
leden hebben vallen onder het
verlichte regime. Ik kan hieraan een
beschouwing wijden, maar deze zou
neerkomen op een herhaling van de
argumenten en omstandigheden die
genoemd zijn door vorige sprekers.
Ter wille van de tijd zie ik daarvan af.
Het door de heer Smits en de zijnen
ingediende amendement spreekt mij
aan. Wel wil ik nog een vraag aan de
minister stellen om een definitief
oordeel over het amendement te
kunnen vellen. Is het amendement
naar zijn mening voldoende
handhaafbaar in de praktijk? Heeft
het niet te veel risico’s in zich,
waardoor men de wet zal kunnen
ontduiken? Dat kan namelijk niet de
bedoeling zijn.
Een aandachtspunt is verder het in
artikel 37 voorgestelde verbod op
nevenbedrijf. Een effect hiervan zal
zijn dat de kleine uitvaart-
verenigingen in de vorm van een
onderlinge-waarborgmaatschappij
geen diensten meer kunnen
aanbieden aan niet-leden. Betekent
dit dat familieleden eerst allemaal lid
moeten worden voordat de hele
familie van de diensten gebruik kan
maken, met alle mogelijke financie¨le
consequenties vandien?
Volgens de toelichting bij artikel 37
is het incidenteel mogelijk dat het
verbod op nevenbedrijf niet van
toepassing is. Kan de minister mij
duidelijk maken welke problemen
ontstaan als het verbod van
nevenbedrijf niet zal gelden voor de
natura-uitvaartverzekeraars die onder
het verlichte regime vallen? Ik zie
deze problemen niet. Het lijkt me
daarom een vorm van overregulering
die de onderlinge solidariteit juist
afremt.
Ik zou daarom willen voorstellen,
als deze verzekeraars wel onder de
wet blijven vallen, het besluit dat in
bijlage III is bijgevoegd zodanig aan
te passen dat het verbod op
nevenbedrijf niet van toepassing is
op natura-uitvaartverzekeraars die
onder het verlichte regime vallen. Is
daarvoor een wijziging van artikel 6
van het besluit voldoende, in die zin
	
dat artikel 37 van het wetsvoorstel
hieruit wordt geschrapt? Zo ja, is de
minister hier in voorkomende
gevallen toe bereid?
Terecht heeft de minister
toegezegd binnen vijf jaar te komen
met een evaluatie van de voorge-
stelde regeling. Gezien het feit dat
grotere natura-uitvaartverzekeraars
vier jaar de tijd krijgen aan de
gestelde solvabiliteitseisen te
voldoen, lijkt het mij gewenst deze
evaluatie na vijf jaar te laten
plaatsvinden. Een wettelijke bepaling
ter zake in de wettekst lijkt mij geen
overbodige luxe, te meer omdat over
vijf jaar ook meer inzicht in het
verlichte regime en de onzekerheden
rond het criterium van 3000 leden
kan worden gegeven. Dit geldt
eveneens als het amendement zou
worden aanvaard waarbij het punt
van de handhaafbaarheid ook in de
praktijk getoetst zou moeten worden.
Ik heb een amendement van deze
strekking ingediend. Ik heb begrepen
van mevrouw Witteveen dat zij de
argumenten om de evaluatie ook na
amendering te handhaven, ook deelt.
Mijnheer de voorzitter! Ik vind het
een goede zaak dat de positie van de
verzekeringsnemer wordt versterkt
door een toezichtsregime in te
voeren voor de natura-
uitvaartverzekeraars. De vraag is
echter of de regulering zoals
voorgesteld niet te ver doorschiet.
Wellicht kan de minister mijn
ongerustheid over de consequenties
van dit wetsvoorstel wegnemen.
Anders kan het amendement-Smits
wellicht uitkomst bieden. In ieder
geval lijkt mij een evaluatie van het
wetsvoorstel na vijf jaar zeer
gewenst.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2823">

 
<spreker pagina="41-2823" anker="90" partij="AOV" naam="Van Wingerden">

Mijnheer de voorzitter! Dit kabinet
van liberaal-socialistische signatuur
heeft het begrip ’’deregulering’’ voor
in de mond liggen. Beknellende
regelgeving dient te worden
vervangen door losse kaders en
slechts ’’waar nodig’’ door duidelijke
en universele regels. ’’Waar nodig’’
is de kern van de afweging.
Een argument voor regelgeving
kan het beschermen van de rechten
van de consument zijn tegenover
bedrijfsactiviteiten. Bij dit soort
regelgeving is het vaak moeilijk om
aan de ene kant de financie¨le rechten
van de burger te beschermen, terwijl
de regels aan de andere kant de
bedrijven niet te veel mogen
belemmeren. Redelijkheid moet in
dezen altijd het sleutelbegrip zijn.
Regelgeving moet redelijk zijn voor
de consument en voor het bedrijf.
Ook in het geval van de Wet
toezicht natura-
uitvaartverzekeringsbedrijf is deze
afweging gemaakt. Een aantal
missers van bedrijven en verenigin-
gen die zich bezighouden met het in
natura verzorgen van de uitvaart
heeft de regering tot de conclusie
gebracht dat een strakke controle op
dit soort instanties noodzakelijk is.
Het AOV is het met de basis van
deze gedachte volledig eens. Een
ieder moet kunnen worden
beschermd tegen wanbeleid. De
manier waarop de minister vorm
heeft gegeven aan deze regeling is
echter naar mijn smaak voor
verbetering vatbaar. De minister
heeft logischerwijze ingezien dat het
ondoenlijk is om kleine verenigingen
te dwingen een administratieve
winkel te beginnen om zich te
kunnen verantwoorden. Dit zou een
sanering betekenen die een
onaanvaardbare deuk zou slaan in
deze branche. Mijn fractie is het hier
absoluut mee eens. Voor deze groep
die afgebakend wordt door de grens
van 3000 leden, is dan ook een wat
losser regime bedacht.
Voorzitter! Mijn fractie is het, zoals
gezegd, eens met de noodzaak van
een tweedeling. Of de instelling
commercieel is of niet, maakt in dit
voorstel niet uit. Mijn fractie voorziet
grote problemen bij het slaan van dit
ijkpaaltje. Mijn fractie vindt namelijk
dat er in dit voorstel te weinig
rekening wordt gehouden met de
verenigingen zonder winstoogmerk.
De aard van deze verenigingen
zonder winstoogmerk is in de meeste
gevallen fundamenteel anders. De
controle wordt hier al uitgevoerd
door de leden zelf. Bovendien is mijn
fractie van mening dat de admini-
stratieve belasting die de wet tot
gevolg heeft, onaanvaardbare
consequenties heeft voor een
branche die in veel woon- en
leefgemeenschappen in ons land een
onwrikbaar deel uitmaakt van het
leven van alledag. Met de beant-
woording door de minister van
schriftelijke vragen in die zin heeft hij
ons duidelijk niet overtuigd van het
praktische nut van het belasten van
deze veelal kleine verenigingen. De
consument wordt er niet beter door
beschermd en bovendien wordt er
schade berokkend aan verenigingen
die juist voor die consument een
heel wezenlijk bestanddeel vormen
van een geheel van normen en
waarden.
Voorzitter! In mijn inleiding
refereerde ik al aan het feit dat mijn
fractie begrijpt dat het niet gemakke-
lijk is om een evenwicht te vinden
tussen de bescherming van de
consument en de vrijheid van het
De heer Van Wingerden (AOV)bedrijf. In dit geval menen wij echter
dat de balans naar de verkeerde kant
is doorgeslagen. Het AOV is van
mening dat in het bijzonder de
kleinere verenigingen voldoende
worden gecontroleerd door hun
leden en daarom niet nog eens extra
moeten worden belast. In zo’n geval
is het altijd moeilijk om een grens te
leggen, maar wat ons betreft, is de
grens van 3000 leden ook hier van
toepassing. Het AOV vraagt de
minister dan ook of hij in ieder geval
met die kleine, lokale verenigingen
rekening wil houden. Daarom
hebben wij het amendement dat dit
moet bewerkstelligen, medeonderte-
kend.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2824">

 
<spreker pagina="41-2824" anker="91" partij="D66" naam="Schimmel">

Voorzitter! Voor natura-uitvaart-
verzekeraars gelden nog geen
toezichtsregels zoals die voor andere
verzekeringsmaatschappijen gelden.
Met dit wetsvoorstel wordt het
noodzakelijke toezicht op de
natura-uitvaartverzekeringsbranche
gerealiseerd. Door het tot nu toe
ontbreken van regelgeving is het in
de praktijk mogelijk dat personen of
bedrijven met minder goede
bedoelingen of op onvoldoende
deskundige wijze natura-
uitvaartverzekeringen aanbieden. De
consumenten worden daarvan het
slachtoffer. Ook binnen de vereniging
van natura-uitvaartverzekeraars leeft
de wens om te komen tot toezicht op
de branche.
De vraag bij deze wetgeving is of
de lokale uitvaartverenigingen
zonder winstoogmerk ook onder
toezicht moeten worden gesteld.
Volgens de minister wel, maar
volgens de fracties van CDA, PvdA,
D66 en AOV niet. De fractie van D66
heeft daarover niet alleen, zoals de
meeste fracties, veelvuldig overleg
gepleegd met de heren Vaalt,
Boerma, Seitsma en Plat van het
Landelijk samenwerkingsverband van
uitvaartinstellingen zonder winstoog-
merk, maar wij hebben ook een
bijeenkomst met deze heren en de
Consumentenbond belegd. Ook de
vertegenwoordigers van de
Consumentenbond, de heren Bontje
en Coolen, hebben zich er door de
heren van het LSUW van laten
overtuigen dat deze uitvaart-
verenigingen niet als verzekeraars
’’pur sang’’ kunnen worden
aangemerkt. Dit is een opmerkelijke
wending, gezien het commentaar dat
de Consumentenbond op dit
wetsvoorstel heeft geleverd.
Overigens mag niet onvermeld
blijven dat in het grijze boekje van
het Landelijk samenwerkingsverband
van uitvaartinstellingen zonder
winstoogmerk op pagina 2 wel
melding wordt gemaakt van het feit
dat de instellingen zich bezighouden
met de uitvaartverzorging en een
gedeeltelijke verzekering van die
uitvaartverzorging. Dit neemt niet
weg dat wij van mening zijn dat deze
uitvaartverenigingen niet onder de
voorliggende wet moeten vallen en
daar zijn verschillende argumenten
voor. Het gaat de verenigingen erom,
de culturele en historische achter-
grond van de uitvaartverzorging in
stand te houden. De uitvaart-
vereniging is niet in eerste instantie
een uitvaartverzekeraar. Er is geen
winstoogmerk en de leden bepalen
het beleid rond de uitvaartzorg. De
diensten worden tegen een geheel
andere kostprijs uitgevoerd door de
zelfwerkzaamheid van leden, dragers
en aansprekers. Daarnaast worden
de diensten ook uitgevoerd ten
behoeve van niet-aangeslotenen.
Deze zijn weliswaar geen lid van de
vereniging, maar behoren wel tot de
plaatselijke gemeenschap waarvoor
de vereniging ooit is opgericht en
dienstbaar is gemaakt. De doelstel-
ling van de uitvaartverenigingen is
niet het verzekeren maar verzorgen
van de uitvaarten. De verenigingen
kennen geen polishouders, maar
leden. Zij krijgen in ruil voor een
jaarlijkse contributie een pakket in
natura terug. Bovendien zijn de
verenigingen strikt lokaal bezig en
draaien zij hoofdzakelijk op het werk
van vrijwilligers.
Het amendement van de collega’s
dat ik heb medeondertekend, dient
ertoe, deze uitvaartverenigingen niet
onder de wet te brengen. Er is een
aantal waarborgen opgenomen in
het amendement. De eerste
waarborg is het jaartal, waarmee
wordt voorkomen dat de commer-
cie¨le verzekeraars proberen, het
toezicht te ontlopen. Een andere
waarborg zit in de grens van 3000. Ik
ben het met de heer Van Rey eens
dat dit een arbitraire grens is. Uit de
gegevens die door de studie van de
Vrije Universiteit naar boven zijn
gehaald, is geen argumentatie te
vinden voor een grens van 3000
leden. In het advies van de
Verzekeringskamer wel. Daarin lijkt
meer een link gelegd te worden met
onderlinge schade dan dat er
rekening is gehouden met ontstaan
en achtergrond van de uitvaart-
instellingen zonder winstoogmerk.
Daardoor brengt het wetsvoorstel
toch ten minste zes verenigingen die
zijn aangesloten bij het Landelijk
samenwerkingsverband uitvaart-
instellingen zonder winstoogmerk
onder de wet. De Federatie van
katholieke begrafenisinstellingen
heeft destijds een grens van 5000
leden bepleit. Naar mijn inzicht is
ook bij 5000 leden nog een goede
controle door kascommissie en
kritisch betrokken leden mogelijk.
Wellicht kan bij de evaluatie ook dit
getal nog een rol gaan spelen. Daar
vragen wij ook om.
Voor de financiering en/of regeling
van een uitvaart staan voor de
consument diverse mogelijkheden
open. De Consumentenbond heeft in
haar commentaar op het wetsvoor-
stel aangegeven dat voor een
depositostorting bij een uitvaart-
onderneming geen enkele vorm van
wettelijk toezicht bestaat. Graag een
reactie van de minister op dit punt.
Het laatste punt dat ik wil
aansnijden heeft de heer Van Dijke al
naar voren gebracht. De Consumen-
tenbond vindt dat de klachten-
behandeling over uitvaart en
uitvaartverzekering versnipperd en
onvolledig is. Er bestaan verschil- lende ombudsmannen: de ombuds-
man van de Vereniging natura-
verzekeraars, de ombudsman
levensverzekering en er bestaat een
geschillencommissie uitvaartwezen.
Deze geschillencommissie kan geen
klachten in behandeling nemen
tegen uitvaartondernemers die
werken in opdracht van natura-
uitvaartverzekeraars. Voor consu-
menten is het niet duidelijk bij welke
instantie klachten aanhangig moeten
worden gemaakt. Daarom wil ik aan
de minister vragen of hij bereid is
om te bevorderen dat er een centraal
adres komt waar klachten aanhangig
kunnen worden gemaakt, zowel over
de uitvaartverzorging als over de
uitvaartverzekering in geld en in
natura.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2824">

 
<spreker pagina="41-2824" anker="92" soort="Minister" naam="Zalm">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik dank alle afgevaardig-
den voor de steun die uitgesproken
is voor in ieder geval een groot deel
van het wetsvoorstel en wel dat deel
dat 75% van de materie beslaat.
De heer Van Rey heeft er al aan
gerefereerd dat dit wetsvoorstel zijn
oorsprong in de Kamer vindt. Vanuit
deze Kamer is de gedachte naar
voren gekomen om ook natura-
uitvaartverzekeraars onder toezicht te
stellen. De problemen liggen vooral
bij de vraag uit de Kamer of het
nodig is om plaatselijke verenigingen
onder enige vorm van toezicht te
stellen of dat men dit niet beter aan
de mensen zelf over kan laten.
Ten eerste wil ik toelichten wat de
ratio is achter het verlichte regime.
Wat steekt daar achter? Het komt in
de praktijk voor dat mensen een
tijdlang contributie betalen aan een
vereniging, dat er vergrijzing
optreedt, dat de contributie omhoog
moet om de kosten te dekken en dat
vervolgens de jongere leden
weglopen, met als gevolg een
torenhoge en onbetaalbare premie.
Zo was er op een gegeven moment
nog een vereniging met nog maar
100 leden die allemaal ouder dan 80
jaar waren. Die vereniging kon niet
meer gecontinueerd worden. Het
doel van het verlichte regime is dat
er in ieder geval inzicht aan de leden
wordt verschaft over de toestand van
de financie¨n. Het is een stuk
verslaglegging en controle.
Ten tweede wordt via het verlichte
regime een rechtsvorm voorgeschre-
ven die in ieder geval invloed
mogelijk maakt. Het kan dus geen
eenmanszaak meer zijn. Het moet
een verenigingsvorm hebben. Omdat
het een verzekering betreft, kom je
automatisch terecht in de onderlinge-
waarborgsfeer.
Ten derde regelt het verlichte
regime ten opzichte van de kleinere
verenigingen dat in geval van
financie¨le problemen de solidariteit
tussen de leden door de vereniging
kan worden afgedwongen, hetzij
door het verlagen van rechten, hetzij
door het omslaan van het tekort over
de leden. Het verlichte regime eist
dat dit in de statuten wordt
opgenomen. Het mag niet zo zijn dat
iedereen weg kan lopen als er een
financieel gat dreigt en dat zo
degenen die jarenlang premie
hebben betaald in feite onverzekerd
worden achtergelaten. Het verbod op
nevenbedrijf is er om te voorkomen,
dat als die nevenactiviteiten negatief
zouden uitvallen de verzamelde
middelen die ten behoeve van de
uitvaartverzekering bij elkaar zijn
gebracht teniet worden gedaan. Dit
zijn de achtergronden om toch een
verlicht regime ook voor de kleine
verenigingen in het leven te roepen.
Er is opgemerkt, dat sommige
verenigingen niet echt verzekeren. Er
zijn toch ook verenigingen die een
compleet verzorgde uitvaart
garanderen aan de leden. Er zijn
verenigingen die alleen enkele
diensten verlenen. Het wekken van
de verwachting door de vereniging
van een compleet verzorgde uitvaart
komt ook voor in verenigingsland en
niet alleen per se bij de grotere.
Bij een aantal leden proefde ik de
suggestie dat de problemen vooral
bij de commercie¨le instellingen
bestaan. Ik wijs erop, dat een aantal
niet-commercie¨le in de problemen is
geraakt.
De vraag rijst of een kwantitatieve
grens in de indeling aangehouden
moet worden of dat het alleen maar
gaat om de vereniging versus
commercieel. Het eerste is natuurlijk
arbitrair. Het gaat dan om het aantal
van 3000 leden. Als het ledenaantal
van 3000 wordt overschreden, gaan
de aspecten waarop ik heb gewezen
minder leven. Ik ben zelf lid van een
vereniging voor uitvaart in natura, de
AVVL, maar ik heb geen enkele
binding met deze vereniging. Ik zie
het gewoon als een verzekering. Dat
ligt heel anders in lokale gemeen-
schappen. Die kwantitatieve grens is
toch zinnig. Het niet op winst belust
zijn kan worden vastgesteld uit het
feit, dat sprake is van de vorm van
een onderlinge-
waarborgmaatschappij. Als wij dat in
de bancaire sfeer zouden doen,
zouden wij de Rabobank, zijnde een
coo¨peratieve vereniging uitsluiten
van het toezicht van De Nederland-
sche Bank, want er wordt controle
uitgeoefend en er is sprake van een
verenigingsvorm. Er zijn tal van
soorten verenigingen. Sommige
verenigingen kunnen zo groot
worden – ik denk aan een omroepve-
reniging – dat zij toch commercie¨le
trekken krijgen. In omroepland is het
zelfs mogelijk echt commercieel te
worden. Nogmaals, met die
kwantitatieve grens kan zinvol
worden gewerkt.
Moeten wij voor verenigingen die
kleiner zijn nog een verlicht
toezichtsregime hebben, dat de leden
garandeert dat zij beter worden
geı¨nformeerd? De keuze door mijn
ambtsvoorganger is een verlicht
regime. Ik heb die keuze gesteund.
Als een kamermeerderheid het
anders wil, zal ik geen kabinetsbe-
raad vragen omdat er dan een crisis
ontstaat. Als de Kamer, alles
afwegende voor een andere route
kiest, dan heb ik daarmee geen
problemen.
Voorzitter! De heer Smits heeft als
waardeoordeel gegeven, dat een
deconfiture van een vereniging
minder erg is dan een deconfiture
van een commercie¨le instelling. Dat
hoeft niet zo te zijn. Als die
vereniging waarvan ik lid ben failliet
gaat, dan ervaar ik dat net zo erg als
in het geval ik mijn uitvaart-
verzekering bij een andere grote
landelijke commercie¨le instelling zou
hebben. Wellicht kan dit gevoelsma-
tig anders liggen.
Er is geen Europese regelgeving.
Het is de Kamer die het kabinet
destijds heeft aangemoedigd om op
dit vlak iets te gaan doen.
Ik weet niet of er vele verenigin-
gen verloren gaan, als zij onder het
verlichte regime komen. Wellicht
ontstaan hier en daar fusies. Ik wijs
erop dat de verplichtingen niet zo
verschrikkelijk zwaar zijn. Men wordt
bijvoorbeeld niet gedwongen om de
reserves te versterken, zoals de heer
Smits zei. In feite is men vrij om
reserves aan te houden die men wil,
zij het dat men het wel aan de leden
moet laten zien. Wellicht komen die
leden er in sommige gevallen achter
dat die reserves veel te klein zijn en
dat er dus contributieverhoging moet
plaatsvinden. Het verlichte regime
ze`lf stelt geen eisen omtrent de
omvang van de reserves.
Voorzitter! Voorlopige taxaties
geven aan dat een honderdtal
natura-uitvaartverzekeringen onder
het strenge toezicht komen.
Daarnaast zijn er 500 tot 600
verenigingen die onder het verlichte
regime komen.
De dierenverzekeringen vallen
gewoon onder de schadeverzekering
en dus onder de Wet toezicht
verzekeringsbedrijf. Natura-
uitvaartverzekeringen zijn ons wat dit
betreft niet bekend. Ook de ECD
heeft nog geen enkel verzekerings-
bedrijf kunnen betrappen op het
aanbieden van zo’n verzekering. Het
is mogelijk dat dit nog komt, maar ik
weet niet of het wel zo heel erg zou
zijn wanneer dit ongereguleerd zou
blijven.
Voorzitter! Door alle woordvoer-
ders is de vijfjaarsevaluatie bepleit.
In de memorie van toelichting wordt
dan ook gesteld dat wij het zo zullen
doen. Het lijkt mij prima dat dit ook
in de wet wordt opgenomen; dan
kan het niet worden vergeten.
De heer Van Dijke vraagt aandacht
voor het onafhankelijke klachten-
bureau. Voorzitter! Wij menen dat dit
primair door de bedrijfstak zelf moet
worden geregeld. Er is een ombuds-
man, zij het dat die er is voor
degenen die zich bij de landelijke
vereniging hebben aangesloten. Ik
ben bereid, te vragen of deze
ombudsman ook klachten in
ontvangst wil nemen van niet bij de
vereniging aangeslotenen. Echter,
goed moet worden bedacht dat een
en ander wordt gefinancierd door de
leden van de vereniging. Het ligt dus
voor de hand dat de ombudsman
primair hun klachten behandelt.
Voorzitter! Als wij de zaken wat
vrij willen laten, ook in de sfeer van
het toezicht, dan ligt het niet erg voor de hand dat wij zeggen:
iedereen mag zijn gang gaan en er is
ook in financieel opzicht geen
toezicht, maar wij gaan we`l namens
de overheid een soort klachten-
bureau instellen. Ik denk dat men
wat dit betreft een duidelijke keuze
moet maken en zich desgewenst
dient aan te sluiten bij een vereni-
ging of een verzekeraar die bij de
ombudsmansystematiek betrokken
is.
De heer Van Rey wijst er terecht
op dat bij het 3000-criterium
ongeveer 75% van de verzekerden
wordt gedekt. Het is mogelijk om wat
dit betreft voor een hoger niveau te
kiezen; ook 5000 zou denkbaar zijn
geweest. Ik begrijp dat men
voorlopig de 3000 als criterium wil
handhaven; bij de evaluatie zal
worden nagegaan of 5000 interes-
santer is.
Voorzitter! Het is natuurlijk niet de
bedoeling onderlinge-
waarborgmaatschappijen als
categorie uit te zonderen. Dat kan
absoluut niet. Er zijn heel grote
onderlinge-waarborgmaatschappijen
en ook heel grote coo¨peratieve
verenigingen die door de gewone
man e`cht niet te onderscheiden zijn
van iemand die in de NV- of BV-vorm
opereert en waarbij de afstand met
de leden zodanig groot is geworden
dat er niet meer kan worden
gesproken over een kleine lokale
gemeenschap met effectieve controle
door de leden. Daar ligt dus een
toezichtsfunctie voor de hand. Op
grond hiervan lijkt mij het getals-
criterium een betere optie.
Als het amendement dat door een
groot gedeelte van de Kamer wordt
voorgestaan, ook werkelijk wordt
aangenomen, wordt de systematiek
in die zin veranderd, dat de
meldingsplicht vervalt. Dit houdt in
dat de ECD of de Verzekeringskamer
moet worden ingeschakeld. De
Verzekeringskamer loopt wellicht af
en toe tegen een club aan die
inmiddels zo groot is geworden dat
er sprake moet zijn van toezicht,
terwijl men zich daarvoor niet heeft
gemeld. Tegen die achtergrond
wordt de evaluatie wat lastiger. Er
wordt wat de kleintjes betreft geen
administratie bijgehouden. Financie¨n
zal gewoon de provinciale pers
moeten volgen. Af en toe kom je een
bericht tegen dat er een vereniging
op de fles is gegaan of is overgeno-
men door een andere. Naar ik meen,
voerde de heer Van Dijke aan dat het
nogal eens voorkomt dat de ene
vereniging de andere, in problemen
gekomen, vereniging overneemt.
Omdat er geen registratie is, is de
pers onze informatiebron. Het
amendement brengt met zich dat wij
het ook in de toekomst niet op een
andere manier kunnen nagaan,
omdat de verenigingsvorm beneden
3000 leden vrij wordt gelaten.
De Kamer zal zich met de heer Van
Rey realiseren, dat als er iets misgaat
in Nederland ’’Den Haag’’ de schuld
heeft. Gaat er iets mis bij verenigin-
gen met minder dan 3000 leden dan
heeft, zo moeten wij nu vaststellen,
Den Haag niet de schuld. Wij hebben
er bewust voor gekozen om daar
vrijheid en blijheid te laten. Dat alles
is de consequentie van het amende-
ment. Ik heb er niet zo’n probleem
mee, maar wij moeten ons wel
realiseren dat wij dit aspect aan de
vrije markt, een bijzondere markt,
overlaten.
De heer Van der Vlies sprak in het
algemeen zijn steun uit voor het
wetsvoorstel. Het verlichte regime
brengt lasten met zich. Het is een
kwestie van afweging of die lasten
de moeite waard zijn, in verband met
de inzichtelijkheid voor de leden.
Weten zij waar zij aan beginnen en
waar zij lid van worden? Wij hebben
geen probleem met een evaluatie na
vijf jaar.
De heer Schutte vroeg of het
amendement van de heer Smits
handhaafbaar is. Er is geen complete
dekking meer, want wij weten niet
meer precies hoeveel verenigingen
er zijn. Toch verandert er wel iets in
de sfeer van de ’’kleinere uitvaart’’.
Het eenmansbedrijf is niet meer
mogelijk. Nieuw op te richten
verenigingen vallen per definitie
onder een strenger toezichtsregime.
Het wordt moeilijker om een nieuwe
vereniging op te richten. Alle
commercie¨le activiteiten, of het nu
beneden of boven de grens van 3000
leden is, gaan onder het zware
toezichtsregime vallen. Verenigingen
met minder dan 3000 leden worden
toegestaan, maar moeten zich
omvormen tot een onderlinge-
waarborgmaatschappij. Er wordt
geen toezicht op uitgeoefend. Er
worden geen verplichtingen jegens
de leden vastgelegd, behalve dan die
welke uit de vorm van de vereniging
voortvloeien. Verder zijn commer-
cie¨le eenmansactiviteiten of
eenmansbedrijven verboden.
Iedereen die iets wil starten valt
sowieso onder het zware regime,
hetgeen het starten van een
dergelijke activiteit bemoeilijkt. Ik
denk dat met het amendement meer
de bescherming van bestaande
tradities wordt nagestreefd dan dat
er veel hoop is op het plotseling
opbloeien van allerlei nieuwe
uitvaartverenigingen in den lande.
Dat zal, als ik het amendement goed
interpreteer, niet meer mogelijk zijn.
De heer Van Wingerden heeft
eigenlijk van hetzelfde laken een pak.
Ik voel het onderscheid tussen
commercieel en niet-commercieel
wel aan. De combinatie van een
getalscriterium met een waarborg-
fonds, een verenigingsachtige vorm,
voldoet vrij goed. Gevoelsmatig is er
het verschil tussen commercieel en
niet-commercieel, dat in de praktijk
niet altijd aan de rechtsvorm af te
lezen is. Ook als het amendement
wordt aangenomen is er een
redelijke split tussen groot en klein,
respectievelijk commercieel en
niet-commercieel.
Mevrouw Schimmel heeft er
melding van gemaakt dat zelfs de
Consumentenbond om is. Dan is het
niet erg bezwaarlijk als ook de
minister van Financie¨n zich om laat
praten door de Kamer. Ik bevind mij
in goed gezelschap.
Ik denk dat de AVVL – ik maak nu
geen reclame, want het is een
vereniging, geen commercie¨le
instelling – een van de zes verenigin-
gen is die onder het toezicht zullen
vallen. Ik ben daar persoonlijk, als lid
van deze vereniging, wel gelukkig
mee, want het is zo’n grote
vereniging, a` la de Rabobank, om het
zo maar eens te zeggen, dat de
verenigingsvorm niet zoveel meer
zegt. Het is een enigszins anonieme
organisatie geworden, althans zoals
ik het ervaar. En de kleinere
verenigingen vallen buiten het
toezicht, zeker als het amendement
wordt aangenomen.
Wat de klachten betreft, ik ben
bereid om te vragen of de huidige
ombudsman ook klachten van leden
van niet aangesloten verenigingen
en organisaties zou willen behande-
len. Het van overheidswege
oprichten van een of andere
klachteninstantie lijkt mij wat te ver
gaan. Wij kunnen wel stimuleren dat
er binnen de eigen soevereiniteits-
kring een regeling wordt getroffen,
maar daar zou ik het bij willen laten.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2827">

 
<spreker pagina="41-2827" anker="93" partij="CDA" naam="Smits">
 Voorzitter! Ik
dank de minister voor het beant-
woorden van de vragen die ik
gesteld heb. Hij is blijkbaar een
kenner van de natura-
uitvaartverzorging, wellicht ook door
zijn lidmaatschap van zo’n vereni-
ging. Ik zou zijn kennis van zaken
kunnen testen door hem te vragen
hoe je de actuarie¨le levensduur van
eikehout bepaalt en wat dit eigenlijk
is.
De heer Van Rey heeft nog een
aantal vragen gesteld aan de
indieners van het amendement, met
name over de grens van 3000 leden.
Er is al aangegeven dat er een
onderzoek van de Vrije Universiteit is
geweest waarbij deze grens is
aangegeven. Collega Schimmel heeft
gezegd dat deze grens tamelijk
arbitrair is; ik denk dat zij gelijk heeft,
maar er wordt in het onderzoeks-
rapport ook heel nadrukkelijk
aangegeven dat de onderzoekers een
onderscheid zien tussen het
commercie¨le uitvaartgebeuren en de
begrafenisverenigingen waarover wij
nu spreken.
In het amendement wordt een
cesuur bij 1 januari 1995 aange-
bracht; de minister heeft het heel
goed geı¨nterpreteerd, dit betekent
dat alle verenigingen die na deze
datum worden opgericht, consequent
onder het strenge regime vallen.
Verder is het amendement ook
duidelijk als het gaat om bestaande
verenigingen die niet onder het
toezichtsregime komen te vallen en die de grens van 3000 overschrijden:
deze vallen eveneens onder het
regime.
Voorzitter! De minister heeft
opgemerkt dat bij aanvaarding van
het amendement in de huidige vorm
de meldingsplicht voor de
begrafenisverenigingen waarover wij
spreken, vervalt. Dat is op zichzelf
juist. Ik geef de Verzekeringskamer
een pluim, want die heeft blijkbaar al
enig voorbereidend werk gedaan en
het is haar bedoeling om alle
verenigingen op dit terrein te vragen,
hoeveel leden men heeft, enz. Ik heb
ook begrepen dat het LSUW,
vanmiddag veelvuldig genoemd,
bereid is om hieraan medewerking te
verlenen, zodat wij een adequaat
inzicht zullen kunnen krijgen in wat
er zich op dit terrein voordoet.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2827">
<spreker pagina="41-2827" anker="94" partij="PvdA" naam="Witteveen-Hevinga">
 Voorzitter! Ook ik dank de
minister hartelijk voor zijn antwoor-
den. Het is plezierig dat hij in
verband met het amendement geen
onoverkomelijke problemen ziet,
noch bij een evaluatie na vijf jaar.
De minister opperde, de zaak
onder het motto ’’vrijheid, blijheid’’
maar op z’n beloop te laten. Dit zou
ik niet voor mijn rekening willen
nemen, want ik vind dat daarmee te
weinig recht wordt gedaan aan de
doeltreffendheid en de gewetens-
volle activiteiten van de betreffende
begrafenisverenigingen. Ik benadruk
nog eens dat zij hebben bewezen
hun taak goed te vervullen. De eigen
verantwoordelijkheid van de leden is
belangrijk. Volgens de minister
wijzen de cijfers uit dat er wel eens
iets is voorgevallen. Dat is juist,
maar dan zeg ik dat de leden
kennelijk niet goed hebben opgepast.
Ik vind dat die verantwoordelijkheid
heel goed bij de leden kan blijven en
dat er dus geen overheids-
bemoeienis hoeft te worden bepleit.
Dit brengt mij op de grens van
3000 leden. Ik denk dat het voor de
leden steeds moeilijker wordt
naarmate hun aantal toeneemt.
Nodig zijn overzichtelijkheid, een
goede band met de dorps-
gemeenschap en sociale controle.
Die grens van 3000 past daar naar
mijn gevoel heel goed bij. De
minister heeft tegen de heer Van Rey
iets over die grens gezegd. Als alle
verenigingen erbij zouden worden
betrokken, kom je uit op een
vereniging met 15.000 leden. Dat
past echt niet meer bij onze gedachte
over overzichtelijkheid en binding
met de dorpsgemeenschap. Ik vind
het dan ook terecht dat zo’n
vereniging onder het normale
toezichtstelsel komt.
Het verbaast mij een beetje dat de
VVD-fractie vooralsnog blijft pleiten
voor totale regulering van de
bedrijfstak en vasthoudt aan het
tweeledige regime. In de schriftelijke
voorbereiding heeft de VVD-fractie
toch wel kritische kanttekeningen
gemaakt. Ik hoop dat zij er in deze
tweede termijn ervan overtuigd raakt
dat ons amendement haar steun
verdient.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2827">

 
<spreker pagina="41-2827" anker="95" partij="RPF" naam="Van Dijke">
 Voorzitter!
Onze fractie heeft heel warme
gevoelens voor de verenigingen. Het
verbaast mij een beetje dat de
minister weer teruggrijpt op de vier
verenigingen waar iets fout is
gegaan, maar niet heeft geprobeerd
aan te geven welke vier dat zijn. Ons
zijn die gegevens niet bekend. Ik
verzoek de minister zijn opmerkingen
hierover te onderbouwen.
De minister heeft zijn risico
afgedekt bij de AVVL. Ik was niet van
plan die naam te noemen. Toch wil
ik hebben opgemerkt dat de AVVL nu
juist een commercieel werkende club
is en dus geen vereniging. Praten wij
niet langs elkaar heen?
Voorzitter! Het amendement lijkt
brede steun te krijgen. Mijn fractie
acht het van betekenis dat verenigin-
gen zich ook in de toekomst een
plaats in de samenleving kunnen
verwerven. Daarom dien ik een
motie in.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
van oordeel, dat de uitvaart-
verenigingen die opgekomen zijn uit
en functioneren door onderlinge
solidariteit met als belangrijkste doel
het verlenen van onderlinge hulp bij
de uitvaart, in feite niet op een lijn
kunnen worden gesteld met c.q. zijn
te beschouwen als een bedrijf dat
overeenkomsten van natura-
uitvaartverzekeringen sluit;
overwegende, dat binnen het
systeem van de Wet toezicht
natura-uitvaartverzekeringsbedrijf,
gezien de definitiebepalingen in art.
1a en b, een strikt onderscheid
tussen bovenbedoelde verenigingen
en (commercie¨le) natura-
uitvaartverzekeringsbedrijven niet
goed mogelijk is;
voorts overwegende, dat de
Verzekeringskamer voor de toepas-
sing van de wet beslist of een
samenstel van handelingen al dan
niet uitoefening van een natura-
uitvaartverzekeringsbedrijf vormt
(art. 8.1);
verzoekt de regering te bevorderen
dat de Verzekeringskamer deze
bevoegdheid zodanig hanteert, dat
kenbare en werkzame criteria worden
ontwikkeld, teneinde het voor de
toepassing van deze wet mogelijk te
maken dat bovenbedoelde uitvaart-
verenigingen buiten het bereik van
de Wet toezicht natura-
uitvaartverzekeringsbedrijf vallen,
en gaat over tot de orde van de dag. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2828" anker="96" naam="De voorzitter">
 Deze motie is
voorgesteld door de leden Van Dijke,
Schimmel en Smits. Naar mij blijkt,
wordt zij voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 11 (23688). 

</spreker>
<spreker pagina="41-2828" anker="97" partij="RPF" naam="Van Dijke">
 Voorzitter!
In verband met de geschillencom-
missie merk ik op dat de minister
eraan voorbij is gegaan dat de
verzekerings- en de uitvaartklachten
niet onder een noemer zijn gebracht
en dat de ombudsman ze dus niet
tegelijkertijd behandelt.
Ik heb nog gevraagd om voorlich-
ting vanuit de overheid. De overheid
geeft voorlichting over onderwerpen
die voorwaar minder belangrijk zijn.
Ik bepleit dat de minister zich
hiervoor sterk maakt.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2828">

 
<spreker pagina="41-2828" anker="98" soort="Minister" naam="Zalm">
 Voorzitter! Ik wil
graag bevestigen dat zeer vele
mensen zich op dit vlak vaak om niet
inzetten voor dit soort verenigingen
en ik heb dan ook veel waardering
voor deze kleinschalige verenigingen.
De heer Van Dijke heeft gevraagd
bij welke vier verenigingen het mis is
gegaan. Hij wilde nu wel eens horen
waar de minister het vandaan
haalde. Het gaat om een begrafenis-
vereniging te Kaatsheuvel – die nog
geen 100 leden meer had, maar
allemaal ouder dan 80 jaar – een
begrafenisvereniging te Ambt Delden
– die is overgenomen door een
andere vereniging – een te West-
Graftdijk – die de verplichtingen niet
meer kon dragen en is opgegaan in
een andere verzekeraar – en een
begrafenisvereniging te Bussum,
wegens sterke vergrijzing en niet
meer in staat om aan de verplichtin-
gen te voldoen. Deze vereniging is
gelukkig door een andere verzekeraar
overgenomen. Dit viertal verenigin-
gen is in problemen gekomen en
moest de activiteiten bee¨indigen.
De heer Van Dijke heeft helemaal
gelijk met zijn opmerkingen over
verzekeringsklachten en uitvaart-
klachten. Wij hebben een ombuds-
man voor het verzekeringsbedrijf en
wij hebben een ombudsman voor
het uitvaartbedrijf. Ik wil graag
bevorderen, dat zij een wat ruimer
taakveld krijgen opdat zowel het
verzekerings- als het uitvaartgedeelte
op dit vlak goed wordt afgedekt. Ik
zal bezien of ik daar door middel van
een brief of een gesprek iets aan kan
doen.
Voorzitter! Ik zal proberen te
reageren op de motie. De teneur van
de motie is om in plaats van het
getalscriterium de rechtsvorm als
criterium te hanteren. Ik moet daar
toch kritisch over zijn. De oorspron-
kelijke naamgeving van de AVVL is
de Algemene vereniging voor
lijkverbranding. De verenigingsvorm
was ook daar aanwezig. Inmiddels is
het ook in de ogen van de heer Van
Dijke een commercie¨le club. Als ik de
reclame zie, doet zij overigens ook
niet voor een commercie¨le club
onder. Als wij in de sfeer van het
toezicht te zeer de rechtspersoon als
onderscheidend criterium maken,
komen wij mijns inziens in de
problemen. Zeker in het bank- en
verzekeringsbedrijf is dat een
gevaarlijke en riskante operatie. Men
is vaak gestart in de verenigings-
vorm en dat begint opeens een wat
grotere schaal te krijgen. Zo’n
vereniging onttrekt zich dan de facto
aan de invloed van de leden. Ik
noemde al de Rabobank als
voorbeeld. Dat is ook een
verenigingsvorm, die toch onder het
toezicht van De Nederlandsche Bank
valt. In de reclame-uitingen en
anderszins is de Rabobank ook
moeilijk meer te onderscheiden van
andere banken. Dezelfde ontwikkelin-
gen kunnen zich ook op dit vlak
voordoen. De grens die bij nu bij de
3000 hebben getrokken, waarbij
inderdaad een zestal weliswaar
grootschalige verenigingen onder het
toezicht komen te vallen met de
solvabiliteitseisen, etcetera, lijkt mij
een goede zaak. Ik citeer de woorden
van mevrouw Schimmel, die dat
ongetwijfeld goed heeft nagegaan.
Het lijkt mij gevaarlijk om die split te hanteren: een BV valt onder het
toezicht en een onderlinge waarborg
valt per definitie daarbuiten. Ook in
de schadeverzekering wordt dat
onderscheid niet gemaakt. In de
schadesfeer zijn er natuurlijk erg veel
onderlinge-waarborgmaatschappijen.
Dat toezicht is er, ongeacht de vraag
of het om een onderlinge-
waarborgmaatschappij gaat of een
BV. Ik wil daarom aanvaarding van
de motie ontraden; het getals-
Minister Zalm van Financie¨ncriterium is mijns een betere
onderscheiding, die mijns inziens
toch tegemoetkomt aan het gevoelen
dat hier in de Kamer leeft. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2829" anker="99" partij="RPF" naam="Van Dijke">
 Voorzitter!
Na 1 januari 1995 zouden er geen
verenigingen meer kunnen worden
opgericht, die gelijk als onder het
oude regime zouden kunnen
functioneren. Dat heb ik met deze
motie willen bewerkstelligen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2829" anker="100" soort="Minister" naam="Zalm">
 Dat is de kwestie van
de heer Smits. Ik veronderstel dat de
heer Smits met zijn opmerkingen
tegemoet is gekomen aan de
bedoeling van het oorspronkelijke
wetsvoorstel. Daarmee wilden wij
vrijheid laten bestaan voor wat er nu
was. Het amendement had dan ook
in die zin geformuleerd kunnen
worden, dat op grond van dit
wetsvoorstel nieuwe verenigingen
nog steeds mogen worden opgericht.
Echter, mijn stelling is – en dat is ook
de stelling van de heer Smits – dat
wanneer de 3000-grens wordt
gepasseerd, de vereniging onder het
strenge toezicht van de Verzekerings-
kamer moet vallen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2829" anker="101" partij="RPF" naam="Van Dijke">
 Voorzitter!
Ook volgens mijn motie blijft die
grens gelden. Daarom begrijp ik niet
wat voor de minister het probleem
is. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2829" anker="102" soort="Minister" naam="Zalm">
 Misschien moet ik de
motie beter lezen. Ik zal die nu nog
eens doornemen. Ik zie nu toch, dat
u een ander criterium wilt dan dat
van de 3000, althans u wilt een
onderzoek op dit punt. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2829" anker="103" partij="RPF" naam="Van Dijke">
 Voorzitter!
Ik stel voor dat wij de motie nog
eens nauwkeurig bestuderen en dat
wij vervolgens proberen met elkaar
tot overeenstemming te komen.
Eventueel zal ik de motie amenderen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2829" anker="104" naam="De voorzitter">
 Een motie kan niet
geamendeerd worden. Het lijkt mij
correct als de minister schriftelijk op
de motie reageert alvorens wij over
het wetsvoorstel stemmen. Ik zie dat
de Kamer met dit voorstel instemt.
De algemene beraadslaging wordt
gesloten. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2829" anker="105" naam="De voorzitter">
 Wanneer kan de
minister zijn schriftelijke reactie op
de motie aan de Kamer geven? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2829" anker="106" soort="Minister" naam="Zalm">
 Is aanstaande
maandag vroeg genoeg? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2829" anker="107" naam="De voorzitter">
 Ik neem aan dat
wanneer de reactie van de minister
maandagmiddag uiterlijk 16.00 uur
bij de Kamer is, er geen bezwaar is
om dinsdagmiddag te stemmen over
de aan de orde zijnde voorstellen.
Ik deel aan de Kamer mee, dat
vanwege de tijd die vermoedelijk
nodig zal zijn voor de behandeling
van een aantal grondwetswijzigingen
in tweede lezing, ik voornemens ben
vandaag niet meer te beginnen met
de behandeling van wetsvoorstel
23752, Wijziging Mediawet sponso-
ring. Dat wetsvoorstel zullen wij
volgende week, vermoedelijk
dinsdag, behandelen.</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="41-2829">

Aan de orde is de gezamenlijke behandeling van:
- het wetsvoorstel Aanvulling
van bepalingen in de Grondwet
inzake de verkiezing van de
Tweede Kamer en de Eerste
Kamer der Staten-Generaal, de
provinciale staten en de
gemeenteraden, in verband met
tijdelijke vervanging van een lid
wegens haar zwangerschap en
bevalling (23798);
- het wetsvoorstel Verandering
in de Grondwet strekkende tot
het doen vervallen van de
additionele artikelen die zijn
uitgewerkt (23799);
- het wetsvoorstel Verandering
in de Grondwet van de bepalin-
gen inzake veranderingen in de
Grondwet (23800);
- het voorstel van rijkswet
Verandering in de Grondwet van
bepalingen inzake de verdedi-
ging (23802, R1507);
- het voorstel van rijkswet
Verandering in de Grondwet
strekkende tot het doen
vervallen van de additionele
artikelen betreffende
Koninkrijksaangelegenheden die
zijn uitgewerkt (23803, R1508).
De beraadslaging wordt geopend.

<blok pagina="41-2829">

 
<spreker pagina="41-2829" anker="108" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Mijnheer
de voorzitter! De Kamer behandelt in
tweede lezing een vijftal voorstellen
tot herziening van de Grondwet. De
eerste lezing is voor de verkiezingen
geweest, en van de kant van de
CDA-fractie is toen het woord
gevoerd door mevrouw Van der
Hoeven en de heer Hillen. De
CDA-fractie verkeerde in de gelukkige
omstandigheid dat zij de tweede
lezing door een andere woordvoer-
der kon laten uitvoeren, althans de
bijdrage aan het debat. Ik denk dat
het op zichzelf goed is, op deze
manier gestalte te geven aan de
tweede lezing. Ik wil het woord
voeren over drie van de wetsvoor-
stellen die aan de orde zijn, namelijk
het zwangerschapsverlof voor
kamerleden, de ontbinding van de
Eerste Kamer bij grondwetsherzie-
ning en de opschorting van de
opkomstplicht, waarvoor de minister
van Defensie aanwezig is.
Ik begin met het wetsvoorstel
betreffende de tijdelijke vervanging
van leden van vertegenwoordigende
organen wegens zwangerschap en
bevalling. De CDA-fractie stemt in
met het voorstel om de Grondwet op
dit punt te wijzigen en een artikel 57a
in te voegen. Op dit moment is er
geen regeling voor kamerleden die in
verwachting raken en bevallen.
Daardoor kunnen zij in problemen
komen, en het ontbreken van een
regeling is een belemmering voor
jonge vrouwen om kamerlid te
worden. Dat is de achtergrond van
de regeling, en die heeft onze
instemming. Toch laat de tekst van
het voorgestelde artikel – ’’De wet
regelt de tijdelijke vervanging van
een lid van de Staten-Generaal
wegens haar zwangerschap en
bevalling’’ – een aantal vragen open,
die zullen moeten worden beant-
woord, zij het niet vandaag. Ik wil ze
toch noemen, zodat duidelijk is dat
wij ons als grondwetgever wel
bewust zijn geweest van de op te
lossen problemen. Misschien kan
deze discussie een bijdrage leveren
aan de oplossing daarvan.
Artikel 57a laat open of het gaat
om een facultatieve dan wel een
verplichte vervangingsregeling. Moet
een kamerlid er gebruik van maken
of mag een kamerlid dat doen? Is de
staatssecretaris het ermee eens dat
de Grondwet die mogelijkheid
openlaat? Ik zie even af van de
wenselijkheid, want waar we het oog
op hebben, is toch een regeling die
desgewenst kan worden gebruikt.
Het voorgestelde artikel spreekt van
de tijdelijke vervanging wegens
zwangerschap. De vraag is natuurlijk,
hoelang ’’tijdelijk’’ duurt. Welnu, het artikel geeft zelf het antwoord: de
vervanging moet verband houden
met zwangerschap en bevalling. Een</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


