<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN2080]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Gezamenlijke behandeling van het wetsvoorstel Aanvulling van bepalingen in de Grondwet inzake de verkiezing van de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal, de provinciale staten en de gemeenteraden, in verband met tijdelijke vervanging van een lid wegens haar zwangerschap en bevalling (23798); het wetsvoorstel Verandering in de Grondwet strekkende tot het doen vervallen van de additionele artikelen die zijn uitgewerkt (23799); het wetsvoorstel Verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake de veranderingen in de Grondwet (23800)</item>
<item attribuut="Bestand"> 77 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Inkomen en rechtspositie (Verlof en ATV)
Staats- en bestuursrecht (Gemeenten)
Staats- en bestuursrecht (Parlement)
Staats- en bestuursrecht (Provincies)
Staats- en bestuursrecht (Wetgeving)
Veiligheidsbeleid en defensie (Algemeen)</item>
<item attribuut="Dossiernr">23798, 23799, 23800, 23802, 23803</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1994-1995, nr. 15, Tweede Kamer, pag. 2829-2843</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">26-01-1995</item>
<item attribuut="Document-id">HAN2080</item>
<item attribuut="Omvang">15 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Tweede Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Grondwetswijzigingen, tweede lezing</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Ingekomen stukken</item>
<item attribuut="doccode">TK 41</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="41-2829">

Aan de orde is de gezamenlijke behandeling van:
- het wetsvoorstel Aanvulling
van bepalingen in de Grondwet
inzake de verkiezing van de
Tweede Kamer en de Eerste
Kamer der Staten-Generaal, de
provinciale staten en de
gemeenteraden, in verband met
tijdelijke vervanging van een lid
wegens haar zwangerschap en
bevalling (23798);
- het wetsvoorstel Verandering
in de Grondwet strekkende tot
het doen vervallen van de
additionele artikelen die zijn
uitgewerkt (23799);
- het wetsvoorstel Verandering
in de Grondwet van de bepalin-
gen inzake veranderingen in de
Grondwet (23800);
- het voorstel van rijkswet
Verandering in de Grondwet van
bepalingen inzake de verdedi-
ging (23802, R1507);
- het voorstel van rijkswet
Verandering in de Grondwet
strekkende tot het doen
vervallen van de additionele
artikelen betreffende
Koninkrijksaangelegenheden die
zijn uitgewerkt (23803, R1508).
De beraadslaging wordt geopend.

<blok pagina="41-2829">

 
<spreker pagina="41-2829" anker="1" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Mijnheer
de voorzitter! De Kamer behandelt in
tweede lezing een vijftal voorstellen
tot herziening van de Grondwet. De
eerste lezing is voor de verkiezingen
geweest, en van de kant van de
CDA-fractie is toen het woord
gevoerd door mevrouw Van der
Hoeven en de heer Hillen. De
CDA-fractie verkeerde in de gelukkige
omstandigheid dat zij de tweede
lezing door een andere woordvoer-
der kon laten uitvoeren, althans de
bijdrage aan het debat. Ik denk dat
het op zichzelf goed is, op deze
manier gestalte te geven aan de
tweede lezing. Ik wil het woord
voeren over drie van de wetsvoor-
stellen die aan de orde zijn, namelijk
het zwangerschapsverlof voor
kamerleden, de ontbinding van de
Eerste Kamer bij grondwetsherzie-
ning en de opschorting van de
opkomstplicht, waarvoor de minister
van Defensie aanwezig is.
Ik begin met het wetsvoorstel
betreffende de tijdelijke vervanging
van leden van vertegenwoordigende
organen wegens zwangerschap en
bevalling. De CDA-fractie stemt in
met het voorstel om de Grondwet op
dit punt te wijzigen en een artikel 57a
in te voegen. Op dit moment is er
geen regeling voor kamerleden die in
verwachting raken en bevallen.
Daardoor kunnen zij in problemen
komen, en het ontbreken van een
regeling is een belemmering voor
jonge vrouwen om kamerlid te
worden. Dat is de achtergrond van
de regeling, en die heeft onze
instemming. Toch laat de tekst van
het voorgestelde artikel – ’’De wet
regelt de tijdelijke vervanging van
een lid van de Staten-Generaal
wegens haar zwangerschap en
bevalling’’ – een aantal vragen open,
die zullen moeten worden beant-
woord, zij het niet vandaag. Ik wil ze
toch noemen, zodat duidelijk is dat
wij ons als grondwetgever wel
bewust zijn geweest van de op te
lossen problemen. Misschien kan
deze discussie een bijdrage leveren
aan de oplossing daarvan.
Artikel 57a laat open of het gaat
om een facultatieve dan wel een
verplichte vervangingsregeling. Moet
een kamerlid er gebruik van maken
of mag een kamerlid dat doen? Is de
staatssecretaris het ermee eens dat
de Grondwet die mogelijkheid
openlaat? Ik zie even af van de
wenselijkheid, want waar we het oog
op hebben, is toch een regeling die
desgewenst kan worden gebruikt.
Het voorgestelde artikel spreekt van
de tijdelijke vervanging wegens
zwangerschap. De vraag is natuurlijk,
hoelang ’’tijdelijk’’ duurt. Welnu, het artikel geeft zelf het antwoord: de
vervanging moet verband houden
met zwangerschap en bevalling. Een
vervanging voor een jaar bijvoor-
beeld zou niet kunnen.
Moederschapsverlof valt erbuiten. Er
moet een direct verband zijn met
zwangerschap en bevalling. De
proeve van een wettelijke regeling
van de Kieswet noemde zestien
weken, waarover in de eerste lezing
ook steeds is gesproken. Maar ik zou
enkele weken meer niet willen
uitsluiten; het is denkbaar dat
vrouwelijke kamerleden bevallen van
een meerling, en dan zou het best
kunnen zijn dat er behoefte is aan
wat meer tijd. Ik sluit dat niet uit; ik
wil die ruimte maar aangeven.
Er rijzen allerlei praktische vragen
over de positie van de vervanger,
namelijk wat er gebeurt als tijdens
de vervanging een normale vacature
ontstaat door het vertrek van een lid.
Het kan zijn dat de vervanger die
voor vier maanden komt dan een
meer langdurige periode als kamerlid
aan zijn neus voorbij ziet gaan. De
vraag is dus of zo’n vervanger in
aanmerking komt voor een normale
vacature. Mijn voorlopige antwoord
is dat dat niet het geval is, want zou
die vervanger daarvoor wel in
aanmerking komen, dan zou
vervolgens in plaats van die
vervanger weer een ander moeten
komen, en zo zouden we aan de
gang blijven. Ik denk dat we die weg
niet op moeten.
Ook moet geregeld worden wat er
gebeurt als in de periode van
vervanging het lidmaatschap van de
vrouw met zwangerschapsverlof
eindigt. Het kan zijn dat zij een
andere betrekking gaat vervullen,
maar er zijn ook andere omstandig-
heden die het lidmaatschap kunnen
doen bee¨indigen. Dezelfde vraag kan
gesteld worden met betrekking tot de
vervanger. Ook die kan in de positie
komen dat er een nog aantrekkelijker
post dan het kamerlidmaatschap
beschikbaar is. Komt er bij tussen-
tijds vertrek een nieuwe vervanger?
Die vragen moeten worden
beantwoord in de Kieswet.
De CDA-fractie wil het stelsel van
evenredige vertegenwoordiging
handhaven. Tijdens de eerste lezing
is gezegd dat zo’n stelsel alleen maar
mogelijk is bij een lijstensysteem.
Dat is niet helemaal het geval.
Evenredige vertegenwoordiging is
ook denkbaar bij een andere wijze
van stemuitbrenging, bijvoorbeeld bij
het systeem van de enkele over-
draagbare stem, zoals in Ierland en
aan onze universiteiten geldt. De
Grondwet sluit een andere wijze van
evenredige vertegenwoordiging niet
uit.
Voorzitter! Ik kom toe aan het
wetsvoorstel betreffende de
afschaffing van de ontbinding van de
Eerste Kamer bij grondwetsherzie-
ning. Bij dit wetsvoorstel en ook bij
het wetsvoorstel over de opschorting
van de opkomstplicht is de vraag aan
de orde op welke wijze de Grondwet
uitgelegd moet worden. Het gaat er
nu om dat de vorige Kamer, samen
met de Eerste Kamer en de regering
gekozen heeft voor een niet
gelijktijdige ontbinding van beide
Kamers. Kan dat volgens de
Grondwet? Bij de opschorting van de
opkomstplicht is de vraag gerezen of
wijziging van de Grondwet wel nodig
was. Welnu, bij interpretatie van de
Grondwet kunnen de normale
interpretatiemethoden worden
gehanteerd. Je kunt kijken naar de
letter en de geschiedenis van de
Grondwet. Je moet ook letten op het
stelsel van de Grondwet. Ook het
doel van de grondwetsbepaling en
de belangen die ermee worden
gediend moeten in de beoordeling
betrokken worden. Wij mogen echter
ook niet vergeten dat de Grondwet
geen gewone wet is. De Grondwet
moet over het algemeen langer mee
dan een gewone wet. Dat moet ook
bij de interpretatie betrokken
worden.
Minister Van Thijn had in eerste
lezing de volgende benadering. Als
er sprake is van gerede twijfel of
gemotiveerde twijfel of een bepaalde
ontwikkeling wel toelaatbaar is in het
licht van de Grondwet, is er reden
om de Grondwet aan te passen. Dat
is een verantwoorde benadering. Het
gaat niet om ’’letterknechterij’’. Op
basis van de genoemde interpretatie-
methoden moet men tot de conclusie
komen dat er gerede twijfel is of iets
er wel mee door kan. Als die twijfel
er is, moet je ook zo eerlijk zijn om
de Grondwet aan te passen.
Hiermee kom ik op de vraag die
de CDA-fractie in het verslag heeft
gesteld, namelijk of het wel juist is
dat wij deze voorstellen hier
behandelen terwijl de Eerste Kamer
nog niet ontbonden is, want dat zal
pas in juni van dit jaar gebeuren.
Letterlijke toepassing van de
Grondwet zou dit eigenlijk niet
toelaten. Ik wijs er in dit verband op
dat wij bij herziening van de
Grondwet ook in ander opzicht geen
letterlijke uitleg hebben gehanteerd.
Ik noem de praktijk van het opzouten
van allerlei herzieningsvoorstellen
totdat er nieuwe verkiezingen zijn.
Wij geven dus een ruime uitleg aan
het voorschrift uit de Grondwet dat,
zodra een voorstel tot herziening in
het Staatsblad verschijnt, de Kamers
worden ontbonden.
Waar het om gaat, is dat voldaan
wordt aan de waarborgen die het
bijzondere karakter van onze
Grondwet aangeven, te weten twee
lezingen, ontbinding – dus de
mogelijkheid dat de kiezers zich
erover uitspreken – en een twee
derde meerderheid in tweede lezing.
Als aan die waarborgen wordt
voldaan, wordt recht gedaan aan de
strekking van artikel 137 van de
Grondwet. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2830" anker="2" partij="PvdA" naam="Van Oven">
 Voorzit-
ter! Ik ben het er wel mee eens dat
op die manier aan de waarborgen
van de Grondwet is voldaan, maar is
op die manier ook aan de bedoeling
van de Grondwet voldaan? Het was
toch onmiskenbaar de bedoeling van
de grondwetgevers om de stemmers
in de gelegenheid te stellen zich
inhoudelijk uit te spreken over de
wenselijkheid van de voorgenomen
grondwetswijziging. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2830" anker="3" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Die
mogelijkheid was er. Bij de ontbin-
ding van de vorige Kamer met
ingang van 17 mei 1994 was er in
theorie de mogelijkheid dat de
kiezers zich zouden uitspreken over
de grondwetsherziening. Ik kom hier
straks nog op terug bij de bespreking
van alternatieven voor de procedure
van grondwetsherziening.
Mijnheer de voorzitter! Ik wijs erop
dat de voorgestelde procedure, dus
het achterwege laten van de
ontbinding van de Eerste Kamer, tot
de wat merkwaardige situatie leidt
dat er als het ware twee herzienings-
procedures gevolgd zullen worden.
Het is niet meer nodig om de Eerste
Kamer te ontbinden, maar het geval
kan zich voordoen dat de Eerste
Kamer aan vernieuwing toe is en dat
een nieuwe Eerste Kamer zal
oordelen over de grondwetsherzie-
ning. Dit jaar treedt er in juni een
nieuwe Eerste Kamer aan. Wanneer
je dat weet, kun je daarmee rekening
houden. Wanneer je verwacht dat de
nieuwe Eerste Kamer een twee derde
meerderheid zal hebben voor een
grondwetsherziening en de huidige
Eerste Kamer niet, dan kun je daar
gebruik van maken. Je kunt de
gelegenheid krijgen tot manipulatie.
Ik hoor graag de mening van de
staatssecretaris hierover.
Ook wijs ik erop dat er nu een
discrepantie zal ontstaan tussen het
Statuut voor het Koninkrijk en de
Grondwet als de wijziging doorgaat.
Immers, het Statuut verwijst in
artikel 55, derde lid, naar de
herzieningsprocedure die in de
Grondwet is geregeld en spreekt van
’’de nieuwe Kamers’’. Maar volgens
het voorstel dat wij behandelen, zal
er maar een nieuwe Kamer zijn. Dat
betekent dat het Statuut anders luidt
dan de Grondwet en dat het Statuut
op een gegeven moment in
overeenstemming zal moeten
worden gebracht met de Grondwet.
Nu heeft het Statuut een hogere rang
dan de Grondwet. Het is dus een
weinig fraaie situatie. Mijn vraag is
dan ook wanneer de regering een
voorstel wil doen tot wijziging van
het Statuut om het zo snel mogelijk
in overeenstemming te brengen met
de Grondwet. Nogmaals, het is geen
fraaie procedure, want de Grondwet
schrijft juist voor dat de Grondwet in
overeenstemming moet worden
gebracht met het Statuut en niet
andersom.
Voorzitter! In eerste lezing heeft de
heer Mateman de mogelijkheid
bepleit om te bezien of het referen-
dum kan worden toegepast bij de
procedure van grondwetsherziening.
De nieuwe CDA-fractie wil dat nog
steeds. Inmiddels is er een notitie
geschreven betreffende het
referendum bij grondwetsherziening.
Die notitie zal worden behandeld
wanneer de regering voorstellen
indient betreffende het referendum.
Kan de minister van Binnenlandse
Zaken nu al iets zeggen over het
tijdstip waarop hij, of de ministerie¨le
commissie die zich daarmee
bezighoudt, voorstellen zal indienen?
Ik denk dat het de moeite waard is
om het referendum te beproeven bij
de procedure van grondwetsherzie-
ning. Ik heb zojuist al geconstateerd
dat de huidige manier van raadple-
ging van de kiezers niet goed
functioneert. Wellicht is het mogelijk
om de kiezers bij de hoogste
staatswet, die de grondslag legt voor
ons democratische staatsbestel, te
raadplegen, als het ware in de
tweede lezing, waarbij het referen-
dum in de plaats komt van de
kamerontbinding. Het lijkt mij goed
mogelijk dat de Grondwet dan meer
gaat leven bij de kiezers. Immers, de
Grondwet geeft de wijze aan waarop
het staatsvolk zichzelf organiseert. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2831" anker="4" partij="D66" naam="Scheltema-de Nie">

Voorzitter! Ik ben erg blij dat in de
CDA-fractie het nadenken over het
referendum niet heeft stilgestaan.
Mijn concrete vraag aan de heer
Koekkoek is aan wat voor soort
referendum hij denkt bij de
procedure van de grondwetsherzie-
ning. Denkt hij aan een referendum
waarbij het bestuur aan de kiezers
vraagt om zich uit te spreken over
bepaalde onderwerpen? Of denkt hij
aan een referendum, zoals de
commissie-Biesheuvel voorstelt,
waarbij de kiezers in een concreet
geval om een referendum kunnen
vragen over een onderwerp dat zij
belangrijk vinden? Dit kan natuurlijk
ook een voorstel tot grondwetsher-
ziening zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2831" anker="5" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Eerlijk
gezegd ben ik ook zelf benieuwd
naar het antwoord op deze vraag.
Wij hebben hier in de fractie nog niet
over gesproken. Wij moeten de
notitie over het referendum bij
grondwetsherziening eerst bespre-
ken, omdat deze een hele reeks van
mogelijkheden geeft. Ik heb echter al
iets aangegeven. Als je zegt dat de
huidige procedure van kamerontbin-
ding en nieuwe verkiezingen bij
grondwetsherziening niet functio-
neert, omdat deze altijd samenvalt
met periodieke verkiezingen, dan
moet je hier de consequenties uit
trekken. Als je hier iets anders voor
in de plaats wilt hebben, dan is de
logische consequentie dat je hierbij
denkt aan een verplicht referendum
dat in de plaats komt van de
kiezersraadpleging.
Maar nogmaals, ik denk dat
mevrouw Scheltema aan mij en mijn
fractie de ruimte moet geven voor de
afweging van de mogelijkheden die
de notitie noemt. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2831" anker="6" partij="D66" naam="Scheltema-de Nie">

Dat wil ik heel graag doen. U heeft
alleen in het begin gezegd dat u bij
de huidige grondwetsherzienings-
procedure zoals deze nu gewijzigd
zal worden, ook het gevaar van enige
manipulatie ziet. En als er nu een
bezwaar wordt geopperd tegen een
door het bestuur opgelegd referen-
dum, dan is dit wel de mogelijkheid
van publicitair misbruik. Dit aspect
weegt bij mijn fractie bijzonder
zwaar. Daarom hebben wij grote
bedenkingen tegen het verplicht
voorschrijven, het uitlokken van een
referendum door het bestuur waar
niet door de kiezers om wordt
gevraagd. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2831" anker="7" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Ik denk
dat wij deze discussie later zullen
moeten voeren. Ik wijs er echter op
dat tal van landen in Europa een
verplicht referendum hebben bij
grondwetsherziening. Ik noem
Ierland, Spanje, Italie¨, Frankrijk,
Denemarken, Zwitserland. Er zijn
mogelijkheden genoeg. Wij moeten
hier later over spreken. Ik wil in ieder
geval bij deze gelegenheid graag de
lijn van Mateman voortzetten. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2831" anker="8" partij="PvdA" naam="Van Oven">
 Voorzit-
ter! In aansluiting op wat mevrouw
Scheltema heeft gevraagd, wil ik de
heer Koekkoek voorhouden dat twee
van de vijf nu te bespreken
grondwetswijzigingen betrekking
hebben op het vervallen van
additionele artikelen betreffende de
Grondwet. Is de heer Koekkoek van
mening dat het op enigerlei wijze
enthousiasmerend zou werken,
wanneer er een referendum over
dergelijke onderwerpen sec zou
moeten worden gehouden? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2831" anker="9" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Ik zou
hier de vraag aan vooraf willen laten
gaan of wij zulke gedetailleerde
additionele artikelen in de Grondwet
moeten opnemen en hiervoor de
kiezers enthousiast zouden moeten
maken. We zitten er nu mee. Beter gezegd: we zitten er nu bijna niet
meer mee, want ze zijn uitgewerkt en
ze kunnen dus worden verwijderd.
Op het moment dat je de kiezers
gaat raadplegen over grondwetsher-
ziening, is natuurlijk ook de vraag
aan de orde welke bepalingen zich
ervoor lenen om in de Grondwet
opgenomen te worden. Het is ook
denkbaar dat je additionele artikelen
die het overgangsrecht regelen, niet
aan een referendum onderwerpt. Ik
denk dat we een dergelijke discussie
later zou moeten voeren aan de hand
van de voorstellen die de regering
heeft aangekondigd. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2831" anker="10" partij="PvdA" naam="Van Oven">
 In het
nieuwe systeem zou ook over deze
vraag een referendum moeten
worden gehouden. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2831" anker="11" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Daar
heeft u gelijk in. Het is natuurlijk ook
denkbaar, zoals we nu doen, dat we
een vijftal voorstellen combineren en
met een korte toelichting aangeven
waar het over gaat. Want je moet de
kiezers niet al deze artikelen
voorleggen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2832" anker="12" partij="VVD" naam="Te Veldhuis">

Voorzitter! De heer Koekkoek zei, als
ik hem goed heb beluisterd, dat een
referendum in de plaats kan komen
van een kamerontbinding. Dit zou
dus in zijn visie betekenen dat
dezelfde Kamer na het referendum zij
het dan met een twee derde
meerderheid zou moeten beslissen
over haar eerste besluit? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2832" anker="13" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Ik heb dit
als mogelijkheid genoemd. Als er
kritiek wordt uitgeoefend op de
huidige procedure, die het raadple-
gen van de kiezers als waarborg
heeft, en daar komt iets voor in de
plaats, dan is een mogelijkheid dat
de Kamers zich na het referendum
weer uitspreken. Als er echter sprake
is van een bindend referendum, dan
hoeven de Kamers zich uiteraard niet
meer uit te spreken. Wij moeten over
deze varianten maar eens rustig
praten. Misschien kan de regering
met een voorstel komen.
Voorzitter! Ik kom vervolgens te
spreken over het onderwerp
waarvoor de minister van Defensie
aanwezig is, namelijk de opschorting
van de opkomstplicht. Ik heb al even
gememoreerd dat er in de eerste
lezing en daaraan voorafgaand een
behoorlijke discussie heeft plaatsge-
vonden over de vraag of deze
grondwetswijziging wel nodig was.
De regering heeft de noodzaak
daarvan verdedigd en de CDA-fractie
daarvan overtuigd. Mijn fractie is het
er dan ook mee eens dat, wanneer
de Grondwet zorgvuldig wordt
uitgelegd en de ’’gerede twijfel’’
wordt gehanteerd, inderdaad de
conclusie getrokken moet worden
dat grondwetswijziging noodzakelijk
is. Op deze grond stemmen wij in
tweede lezing dan ook van harte in
met het voorstel tot wijziging van de
Grondwet.
Hier doet zich nog de vraag bij
voor wanneer de regering zal kunnen
komen met een wetsvoorstel dat
nodig zal zijn in verband met het
additionele artikel XXX dat in het
wetsvoorstel is opgenomen. Dit zal
moeten voorzien in de inschakeling
van de Staten-Generaal wanneer de
opkomstplicht wordt opgeschort of
wanneer aan de opschorting een
einde wordt gemaakt. Een en ander
zal moeten worden geregeld; kan de
minister iets zeggen over de termijn
waarop dit wetsvoorstel zal worden
ingediend? Hij zal uiteraard zeggen
dat dit gebeurt nadat de grondwets-
herziening tot stand is gekomen,
maar misschien kan hij er toch iets
meer over zeggen.
Ten slotte laat ik het graag aan
mijn collega Van Oven over, de vraag
te stellen op welke wijze de regering
uitvoering wil geven aan de
motie-Jurgens over de modernise-
ring van de defensiebepalingen. Ik
heb haar in elk geval nu reeds
genoemd.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2832">

 
<spreker pagina="41-2832" anker="14" partij="VVD" naam="Te Veldhuis">

Voorzitter! In het bijzonder twee
wetsvoorstellen wil ik nadere aandacht geven: het wetsvoorstel dat
gaat over de vervanging van een lid
wegens haar zwangerschap en
bevalling, en het wetsvoorstel over
de verdediging. De VVD-fractie stemt
overigens geheel in met de andere
wetsvoorstellen die nu aan de orde
zijn.
Ter zake van wetsvoorstel 23798
over de vervanging van een lid
wegens haar zwangerschap en
bevalling was de VVD-fractie er in
eerste en is zij ook nu in tweede
lezing voor dat er afspraken moeten
kunnen worden gemaakt voor de
vervanging van een vrouwelijke
volksvertegenwoordiger in de laatste
periode van haar zwangerschap, de
bevalling en de periode daarna. Wij
konden bij de eerste lezing van de
grondwetswijziging echter geen
overtuigende noodzaak vinden om
daarvoor de Grondwet te wijzigen.
Ook bij de tweede lezing zien wij het
nut en de noodzaak nog steeds niet
in. De argumenten zijn behoorlijk
uitvoerig gewisseld, zowel in eerste
lezing als in de schriftelijke voorbe-
reiding van deze tweede lezing. Voor
de VVD-fractie komt het nu min of
meer op ’’ja’’ of ’’neen’’ aan en de
opmerkingen die ik nu nog maak,
zijn dan ook te zien als een soort
uitgebreide stemverklaring.
Zoals ik al zei, waren wij bij de
eerste lezing tegen het wetsvoorstel.
Ook nu is dat nog het geval, omdat
wij hier zeven bezwaren tegen
hebben, die soms van principie¨le,
soms van praktische aard zijn. De
cumulatie en combinatie van deze
bezwaren vormden voor ons een
extra aanleiding om niet voor het
voorstel te zijn. Die bezwaren waren
en zijn de volgende.
1. De grondwetswijziging beoogt
de problemen voor een zwangere
vrouw bij het uitoefenen van haar
mandaat als gekozen volksvertegen-
woordiger te verzachten of te
verkleinen. In de praktijk pakt het
echter veel radicaler uit. Zij raakt
tijdens de verlofperiode van zestien
weken immers haar mandaat
helemaal kwijt. Dat is dus geen
verlichting van haar mandaat, maar
zelfs een verlies. Wat dat betreft is
het wetsvoorstel niet doelmatig. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2832" anker="15" partij="D66" naam="Scheltema-de Nie">

Ik meen dat ik goed begrepen heb
dat er bij deze grondwetswijziging
sprake is van de mogelijkheid dat
een zwanger kamerlid ervoor kiest
vervangen te worden. Het enige dat
nu gebeurt, is dat haar de zekerheid
wordt geboden dat zij na haar
zestien weken verlof weer terug kan
komen. Dat is het enige dat nu wordt
geregeld. Daarom hebben wij een
grondwetsherziening nodig. Alle
andere afspraken kunnen zo gemaakt
worden. Alleen de afdwingbaarheid
is een probleem. Daar hoor ik u ook
geen oplossing voor geven. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2832" anker="16" partij="VVD" naam="Te Veldhuis">
 Als ik
mijn zeven punten van bezwaar heb
opgesomd, kom ik daar nog even op
terug.
2. Bij vervanging van een zwanger
kamerlid is er een gerede kans dat er
voor haar een man als plaatsvervan-
ger wordt gekozen. Die kans ligt zelfs
zo rond de 70%. In het kader van het
streven naar participatie van meer
vrouwelijke volksvertegenwoordigers
kan het vervangingsvoorstel in de
praktijk dus ook op dit punt vreemd
uitpakken.
3. Als vervanging mogelijk wordt,
zullen er voortaan twee soorten
volksvertegenwoordigers zijn. Er
bestaan dan tijdelijke volksvertegen-
woordigers voor zestien weken, of
voor nog korter als de zienswijze van
de heer Koekkoek juist is en
vervanging zelfs meer dan een keer
kan plaatsvinden in de bedoelde
verlofperiode. Daarnaast bestaan er
dan de volksvertegenwoordigers
met, in principe, een mandaat voor
vier jaar. Wij vinden dit een vreemde
en ongewenste situatie.
4. De grondwetswijziging is niet
nodig in het licht van het verdrag
inzake de uitbanning van alle vormen
van discriminatie jegens de vrouw.
Het ontbreken van een vervangings-
regeling levert geen discriminatie op
in de zin van artikel 7 van het
bedoelde verdrag, dat gaat over de
deelname van vrouwen aan de
politieke besluitvorming en het
openbaar bestuur. Dat is door de
regering erkend en aldus ook door
de Raad van State uitgelegd. Bij mijn
weten is er ook geen enkel land ter
wereld overgegaan tot een regeling
zoals wij die op dit moment
bespreken.
5. De VVD-fractie ziet nog steeds
niet goed in waarom er wel een
zwangerschapsregeling zou moeten
komen en er geen vergelijkbare
regeling zou moeten zijn voor leden
van wie zeker is dat zij op z’n minst
eenzelfde periode niet in staat zullen
zijn om hun functie van volksverte-
genwoordiger volwaardig en naar
behoren te vervullen. Ik denk hierbij
aan langdurig zieke volksvertegen-
woordigers of vertegenwoordigers
die een tijdlang in het buitenland
moeten verblijven. Voor het niet
vervullen of het niet kunnen
vervullen van hun mandaat gelden
toch vergelijkbare en valide redenen
voor het ontwerpen van een
regeling? Overigens, dit gezegd
hebbende, verklaar ik hiermee
uitdrukkelijk niet dat wij voorstander
zouden zijn van zo’n algemene
vervangingsregeling, al willen wij
daar best over discussie¨ren. Wij zien
ook aan zo’n regeling principie¨le en
juridische problemen kleven. Ik zeg
het dus meer uit het oogpunt van
vergelijkbaarheid van situaties.
6. De grondwetswijziging beoogt
zoiets als een zwangerschapsverlof
te regelen respectievelijk mogelijk te
maken, vergelijkbaar met regelingen
in CAO’s en aanstellingen bij de
overheid. Is dat niet wat vreemd?
Volksvertegenwoordigers kennen
helemaal geen CAO, aanstellings-
regeling of werktijdenregeling. Wij
hebben eigenlijk niks! Wij zijn 365
dagen per jaar en 24 uur per dag
volksvertegenwoordiger. Als wij ziek
zijn, geldt er ook geen ziekteregeling.
Dus ook systematisch gezien, in het
stelsel, plaatsen wij grote vraagte-
kens bij een regeling die een soort
zwangerschapsverlof probeert
mogelijk te maken.
7. Meer praktisch gezien geldt het
bezwaar dat een tijdelijke vervanger
niet of nauwelijks tot wasdom kan
komen als volksvertegenwoordiger.
Wij hebben de indruk, dat althans
zeker in de Kamer nogal wat tijd
nodig is om precies te kunnen weten
hoe hier alles functioneert. In de
praktijk blijkt, dat voor nieuwe leden
het politieke bedrijf wat ingewikkel-
der is dan wordt gedacht. Ook een
tijdelijk lid heeft net zoveel stem
gedurende die periode van maximaal
zestien weken als een gewoon lid,
maar het kamerlidmaatschap omvat
toch meer dan alleen maar stemmen.
Wij hebben de indruk dat een tijdelijk
lid niet of nauwelijks tot een
volwaardig volksvertegenwoordiger
kan uitgroeien, met uitzondering van
vervangers die al eerder ervaring als
kamerlid hebben gehad.
Deze zeven bezwaren en opmer-
kingen afwegend tegen de argumen-
tatie van de regering heeft mijn
fractie tot de conclusie geleid, dat wij
opnieuw tegen deze grondwetswijzi-
ging zullen stemmen. Als deze
wijziging toch voldoende parlemen-
taire steun verkrijgt, dan zullen wij
bij de uitwerking van deze bepaling
in wettelijke regels nader moeten
bezien, hoe de definitieve regeling er
dan uit komt te zien. Ik ga daarop
thans niet in. Ik sluit mij aan bij een
aantal vragen van de heer Koekkoek.
Wij hebben – dit aan het adres van
mevrouw Scheltema – in eerste
termijn wel degelijk een alternatief
geboden. Wij hebben ons openge-
steld om na te denken over een
oplossing van de problemen. Wij
hebben er niet de noodzaak van een
grondwetswijziging voor gezien. Het
is waar, dat het probleem van de
afdwingbaarheid blijft bestaan. Wij
vinden dit niet een zodanig sterk
argument, dat wij daarom maar tot
grondwetswijziging moeten
besluiten.
Voorzitter! Ik kom te spreken over
de verandering van de bepalingen
inzake de verdediging. Wij stemmen
in met het wetsvoorstel. Wij hebben
dezelfde vragen als de heer
Koekkoek. Hoe staat het met de
uitvoering van de motie-Jurgens
c.s.? De minister van Defensie zal
zich herinneren, dat er een stevig
aantal amendementen was ingediend
om de modernisering van de
krijgsmacht grondwettelijk mogelijk
te maken. De verschillende woord-
voerders hebben hun amendemen-
ten ingetrokken ten faveure van deze
motie, in de verwachting dat de
regering binnen niet al te lange
termijn met voorstellen zou komen
om die grondwetsbepalingen
inderdaad te gaan moderniseren. Wij
hebben tot nog toe niets gezien. De
kabinetswisseling is daar ongetwij-
feld mede debet aan. Wanneer
kunnen wij een voorstel van de
regering tot modernisering van de
bepalingen over de krijgsmacht in de
Grondwet tegemoetzien?
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2833">

 
<spreker pagina="41-2833" anker="17" partij="PvdA" naam="Van Oven">
 Mijnheer
de voorzitter! Het gaat om de
behandeling in tweede lezing van
een aantal grondwetswijzigingen.
Daarbij zijn geen amendementen aan
de orde. Dat betekent, dat de Tweede
Kamer in een soort senatoriale rol is
gedrongen. Er is wel een twee derde
meerderheidsvereiste. Dat alles
verplicht tot een sobere behandeling.
Uiteraard moet de besluitvorming
zeer weloverwogen zijn.
Wat deze wetsvoorstellen inzake
het doen vervallen van additionele
artikelen betreft, bestaat er consen-
sus. De fractie van de PvdA ziet geen
enkele aanleiding om daarover
opnieuw in discussie te treden.
Wat de vervanging bij zwanger-
schap betreft, heeft de fractie van de
PvdA in eerste instantie twijfel geuit
over de vraag of dat niet bij gewone
wet had kunnen worden geregeld.
Die twijfels bestaan nog. In eerste
instantie zijn wij desalniettemin om
praktische redenen akkoord gegaan
met de redenering van de toenma-
lige minister van Binnenlandse Zaken
dat het goed was om die bepalingen
voor alle zekerheid aan te nemen.
Daar blijft mijn fractie bij. Overigens
kan men zich afvragen wat dit voor
praktische consequenties kan hebben
voor de desbetreffende wet. Een min
of meer absurde consequentie is de
mogelijkheid dat de vervangster zelf
zwanger blijkt te zijn, op grond
waarvan de regeling in een soort
’’Droste-effect’’ opnieuw in werking
moet treden. Daarbij rijst de vraag of
degene wier vervanging in eerste
instantie aan de orde was, het recht
heeft om binnen de eigen
zwangerschapstermijn terug te keren.
Een andere mogelijkheid zou zijn dat
zij gebonden zou zijn aan de
zwangerschapsperiode van haar
vervangster. Dit is een aspect dat ik
graag toevertrouw aan de wetgever;
wij behoeven dit nu niet af te
handelen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2833" anker="18" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Wat is het
absurde aan het zwanger raken van
kamerleden? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2833" anker="19" partij="PvdA" naam="Van Oven">
 Daar is
niets absurds aan. Wel is de kans dat
de door mij geschetste vervanging
zich voordoet, in de praktijk uiteraard
bijzonder klein. Maar ja, juristerij is
een vreemd vak en wij moeten met
alle theoretische mogelijkheden
rekening houden.
Voorzitter! Over de opschorting
van de opkomstplicht heeft mijn
fractie in eerste instantie gezegd dat
men ook had kunnen proberen om
dit bij gewone wet te regelen. Dit zou
zelfs tot een snellere procedure
hebben kunnen leiden. Echter,
wanneer een dergelijk voorstel niet
zou zijn aanvaard omdat de
meerderheid van de Kamer toch van
mening zou zijn geweest dat
daarvoor een grondwetswijziging
nodig was, zou dit tot vertraging
hebben kunnen leiden. Welnu, dat
wil mijn fractie niet op haar geweten
hebben. Ook aan deze wijziging
zullen wij van harte meewerken.
Al eerder is onvrede uitgesproken
over het in het verleden verwerpen
van voorstellen die ten doel hadden
om grondwetsbepalingen betref-
fende de verdediging bij de tijd te
brengen. Met algemene stemmen
werd een motie van de heer Jurgens
hierover aangenomen. Daarmee
werd de regering verzocht, zodanige
voorbereidingen te treffen dat
wetsvoorstellen zo spoedig mogelijk
zouden kunnen worden ingediend.
De toenmalige minister van
Binnenlandse Zaken heeft die motie
als het ware ’’doorgewuifd’’. Wij
staan nu voor de vraag welke
uitvoering de huidige regering aan
deze motie wil geven. Ik verbind
hieraan de gedachte dat dit ter
sprake zou kunnen komen bij de
bespreking van het rapport over de
bestuurlijke vernieuwing dat ons nog
dit parlementaire jaar te wachten
staat. Dat is althans een minimale
uitleg van de woorden ’’zo spoedig
mogelijk’’.
Vervolgens richt ik mij op de
afschaffing van de verplichte
ontbinding van de Eerste Kamer.
Mijn fractie hecht minder aan de
verplichte ontbinding van Eerste en
Tweede Kamer wanneer dat
samenvalt met de reguliere
verkiezingen. De heer Koekkoek en ik
hebben hierover al een korte
woordenwisseling gehad. Ik ben het
met hem eens dat de waarborg-
functie van volksraadpleging op die
manier overeind blijft. Echter, dat
laat onverlet dat aan de inhoudelijke
bedoeling – de kiezers kunnen zich
inhoudelijk over de voorstellen
uitspreken – afbreuk wordt gedaan.
Daarom gaat onze voorkeur uit naar
een facultatief correctief referendum.
De mogelijkheid van het houden van
een referendum wordt thans
voorbereid. De vraag rijst of dit naar
het oordeel van de regering ook zou
kunnen slaan op grondwets-
wijzigingen en, zo ja, hoe dit zich dan
verhoudt tot artikel 137 van de
Grondwet zoals het nu bestaat. Vloeit
hieruit naar het oordeel van de
regering voort dat de verplichte
ontbinding voor beide Kamers na
invoering van zulk een referendum
zou moeten vervallen? Zo niet dan
voorzie ik grote praktische proble-
men, omdat er strijd kan ontstaan
tussen enerzijds het resultaat van het
referendum en anderzijds het
resultaat van de besluitvorming in
tweede lezing door Tweede en/of
Eerste Kamer. Zou de ministerie¨le
commissie hieraan aandacht willen
geven of is op andere wijze
meningsvorming te voorzien?
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2834">

 
<spreker pagina="41-2834" anker="20" partij="D66" naam="Scheltema-de Nie">

Voorzitter! Van de sprekers die tot nu
toe het woord voeren ben ik de
enige die het genoegen heeft
gesmaakt de voorliggende
wijzigingsvoorstellen ook in eerste
lezing te hebben behandeld. Na mij
komt de heer Van den Berg, die dat
ook heeft gedaan. Voor mij is het wel
de eerste keer in mijn parlementaire
bestaan dat ik een tweede lezing
meemaak, dus dat is wel nieuw.
Bij de eerste lezing hebben wij
indringend gediscussieerd over de
voorstellen zelf en ook over verder in
het verschiet liggende wensen
betreffende ons staatsrechtelijke
bestel. Zowel hier als in de Eerste
Kamer werd behoorlijk bijgedragen
aan nieuwe gedachtenontwikkelingen
op dit punt. Hoezeer ik daarover
verder ook zou willen spreken, dat
lijkt mij bij deze tweede lezing van
een aantal grondwetswijzigingen, die
in hun reikwijdte toch beperkt zijn, te
ver te gaan. Vervangingsregeling bij
zwangerschap, afschaffing opkomst-
plicht en afschaffing gelijktijdige
ontbinding van beide Kamers bij
grondwetsherziening hebben ieder
hun eigen waarde, maar blijven in de
scope van het gehele staatsrecht
beperkt. Ik hoop echter dat wij over
verdergaande voorstellen nog
indringend met dit kabinet van
gedachten zullen kunnen wisselen,
aan de hand van concrete voorstel-
len van de nu ingestelde ministerie¨le
commissie. Ik kom daar nog wel
even op terug.
Wat de fractie van D66 betreft, zou
deze tweede lezing eventueel zelfs
als hamerstuk hebben kunnen
passeren. Mijn fractie is juist ook op
grond van de raadpleging van de
kiezers op 3 mei jl. niet van
gedachten veranderd. Integendeel,
wij zijn daarin zelfs gesterkt en
mogen en zullen ons nu in dubbelen
getale voor de voorliggende
voorstellen uitspreken.
Ik kan er overigens wel enig
begrip voor opbrengen, dat collegae
die nu voor het eerst met deze
voorstellen worden geconfronteerd
aan de uitspraken van hun toenma-
lige fracties nog wat toe willen
voegen. Collega Koekkoek kon die
aandrang om dit staatsrechtelijke
kluifje niet onaangeroerd te laten
liggen ongetwijfeld het moeilijkst
weerstaan. Zeker gezien zijn
achtergrond heb ik daar begrip voor.
Grondwetsherzieningsvoorstellen
maak je nu eenmaal niet zo vaak
mee en voor staatsrecht-
wetenschappers is het toch het
neusje van de zalm, zelfs als het een
tweede lezing betreft en amendering
uitgesloten is. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2834" anker="21" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Ik
waardeer de opmerkingen van
mevrouw Scheltema, maar ik meen
dat de tweede lezing een eigen
waarde heeft, los van de personen
die de tweede lezing behandelen,
juist als waarborg dat wij de tweede
lezing uiterst serieus nemen. Aan de
hand van de discussie die in eerste
lezing heel serieus is gevoerd,
moeten wij alles nog eens op een rij
zetten, om te kijken of wij de
wijzigingen echt willen. Ik heb
daaraan een bijdrage willen leveren. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2834" anker="22" partij="D66" naam="Scheltema-de Nie">

Ik hoop toch dat u uit mijn inbreng
niet de indruk krijgt, dat ik de tweede
lezing niet serieus wil behandelen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2834" anker="23" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 U wekte
even die indruk doordat u zei, dat wij
er eigenlijk niet over hadden hoeven
te spreken. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2834" anker="24" partij="D66" naam="Scheltema-de Nie">

Ik zei dat wat mijn fractie betreft wij
in eerste lezing gezegd hebben wat
wij te zeggen hadden. Niets van wat
zich sindsdien voltrokken heeft geeft
ons aanleiding om daarop terug te
komen. Ons standpunt is sindsdien
niet veranderd. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2834" anker="25" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 U hebt
geconstateerd, dat het standpunt van
de CDA-fractie ook niet veranderd is. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2834" anker="26" partij="D66" naam="Scheltema-de Nie">

Dat doet mij deugd. Toen ik erover
nadacht, schoot mij de fabel van de
koekoek en de nachtegaal in de
herinnering. Beide dieren werden
gesteld voor de prangende vraag wie
het mooist zong. Mag ik u een
gewetensvraag stellen? Vond u dat
uw fractie alles niet tot in de
allerdiepste diepten had doorzien? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2835" anker="27" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Als je de
stukken inzake de grondwetsherzie-
ning doorneemt, dan merk je dat er
nog een aantal vragen niet aan bod
gekomen is. Enkele daarvan heb ik
aan de orde gesteld. En ik heb niet
alleen gelet op de inbreng van de
CDA-fractie, maar ook op de
bijdragen van andere fracties bij de
eerste lezing. Het lijkt mij goed, die
punten bij deze tweede lezing aan de
orde te stellen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2835" anker="28" partij="D66" naam="Scheltema-de Nie">

Ik zal dat zo dadelijk ook nog wel
doen.
Voorzitter! Ik wil geen duit meer in
het zakje doen als het gaat om de
doctrine van de gerede twijfel,
waarover ook in de Eerste Kamer zo
uitvoerig is gesproken. Ik volsta nu
met het duidelijke standpunt van
mijn fractie dat er bij gerede twijfel,
bij verschillen van mening over de
vraag of de Grondwet een overigens
gewenste oplossing toestaat, geen
onthouding moet worden gepredikt,
maar dat de Grondwet aan nieuwe
ontwikkelingen moet worden
aangepast.
Dit betekent dat wij vinden dat een
lid van de Staten-Generaal wegens
haar zwangerschap en bevalling
tijdelijk moet kunnen worden
vervangen en dat het wenselijk is om
de Grondwet ondubbelzinnig en
duidelijk en in goed Nederlands – ik
ben blij dat mijn amendement op dit
punt is overgenomen – te wijzigen.
Grondwet en Kieswet gaan immers
uit van een benoeming voor de duur
van een zittingsperiode en een
afdwingbare tijdelijke vervanging
past daarin niet. Daarom achten wij
deze grondwetswijziging wenselijk
en noodzakelijk, ook al wordt ze niet
door verdragen voorgeschreven.
Maar natuurlijk – dat ben ik met
collega Koekkoek eens – is er een
nadere uitwerking nodig; dat zal
gebeuren in en voor een deel
krachtens de Kieswet. Daarbij zullen
ongetwijfeld ook vragen als de door
hem gestelde worden beantwoord,
maar ik moet zeggen dat enkele
ervan wel degelijk al aan de orde zijn
geweest. Zo is het mij door de
behandeling tot nu toe al duidelijk
dat het gaat om een mogelijkheid
van vervanging, niet om een
verplichting, en voorts om een
vervanging gedurende zestien
weken, niet meer. Dat zijn duidelijke
afspraken, voortgekomen uit het
debat in deze Kamer, die ook in de
Eerste Kamer een rol hebben
gespeeld. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2835" anker="29" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Die
afspraken kunnen wel zijn gemaakt
en die bedoelingen kunnen wel zijn
uitgesproken, maar ze staan niet in
de Grondwet. En ik heb gevraagd
naar de mening van de regering over
de uitleg van de bepaling die wij nu
bespreken en die een verplichte
regeling niet uitsluit. Ze sluit ook niet
uit dat het verlof langer dan zestien
weken zal duren. Daar heb ik op
willen wijzen; de Grondwet geeft
daarvoor de ruimte. En ik neem aan
dat u het daarmee eens bent, ook al
hebt u een regeling voor ogen zoals
u zojuist aangaf. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2835" anker="30" partij="D66" naam="Scheltema-de Nie">

Ik ben het met u eens dat de
Grondwet die ruimte biedt, maar wij
weten allen dat de Grondwet niet
geschikt is om alles uitvoerig te
regelen en dat een en ander in de
Kieswet nog nader uitgewerkt zal
worden. Na de uitspraken in deze
Kamer en in de Eerste Kamer nam ik
aan, dat de regering deze ter harte
zou nemen bij de uitwerking van
deze kwestie in de Kieswet. En als zij
het niet zou doen, zouden wij er bij
die gelegenheid op terugkomen. Zo
heb ik het uitgelegd en dit lijkt mij
ook logisch, maar wij zullen er bij de
wijziging van de Kieswet nog
breedvoerig over kunnen discussie¨-
ren. Ik zie overigens net als u nog
wel wat leeuwen en beren op onze
weg. En in dit licht zou ik de regering
nog willen vragen, wanneer wij het
voorstel tot wijziging van de Kieswet
tegemoet kunnen zien. Kunnen wij
dat al vrij snel verwachten?
Voorzitter! Ik zei het al, het gaat
ons bij dit voorstel om het wegne-
men van belemmeringen voor
gelijkwaardige participatie van
vrouwen in het politieke bedrijf. En ik
hoop van harte dat er hier en aan de
overzijde een twee derde meerder-
heid voor dit wetsvoorstel zal blijken
te zijn. Natuurlijk weet ik dat de
VVD-fractie net als de fracties van
RPF en SGP bij de eerste lezing
tegen het wetsvoorstel hebben
gestemd, maar ik herinner mij ook
dat de fractie van de VVD er bij
monde van mijn gewaardeerde
toenmalige collega Wiebenga wel
mee kon instemmen dat de regering
zou zoeken naar wegen om de
problemen van zwangere volksverte-
genwoordigers te verhelpen of te
verlichten. Dit is in de Handelingen
te vinden. De regering, waarin zelfs
een VVD-minister eerst-
verantwoordelijke is, vindt nu dat
deze grondwetswijziging daartoe
gee¨igend is. Ik kan mij voorstellen
dat de VVD-fractie zich door dit
kabinetsstandpunt alsnog laat
overtuigen. Zou dat onverhoopt niet
zo zijn – en ik krijg een beetje die
indruk uit de bijdrage van collega Te
Veldhuis – dan vraag ik mij af welke
mogelijkheden de VVD-fractie wel
ziet om de problemen van zwangere
volksvertegenwoordigsters te
verhelpen. Vier volks-
vertegenwoordigsters hebben in de
afgelopen tijd aan den lijve
ondervonden dat het een groot
probleem is dat er geen afdwingbare
regeling kan worden getroffen. Je
moet maar zien of het goed gaat.
Voor dat probleem staan wij. Ik ben
het ermee eens dat grondwetswijzi-
ging een zwaar middel is, maar het
moet worden ingezet om de
emancipatie werkelijk haar beslag te
doen krijgen. Problemen onderken-
nen maar er niets aan doen, is de
weg van de gemakzucht. Collega
Wiebenga had het indertijd over ’’de schaamte voorbij’’. Dan zeg ik: niks,
schaamte voorbij. Dan moet je er op
een andere manier iets aan doen,
maar ik denk dat dat onmogelijk is. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2835" anker="31" partij="VVD" naam="Te Veldhuis">
 Dit
vraagt om een reactie. Mevrouw
Scheltema heeft kennelijk niet naar
het slot van mijn betoog in eerste
termijn geluisterd. Ik wil het nog wel
eens herhalen. Mijn fractie onderkent
het probleem. Het bestaat. Alleen
hoeft volgens ons niet dat zware
middel te worden ingezet, omdat het
alleen nog om de afdwingbaarheid
gaat. Wij menen dat er op basis van
vrijwilligheid wel degelijk goede
afspraken kunnen worden gemaakt.
Ik heb van andere fracties geen
mening gehoord die daarvan
structureel afwijkt. Zij hebben
dezelfde twijfels. Mijn fractie heeft
geen enkele oplossing door
vrijwillige regelingen, eventueel
gecombineerd met de
schadeloosstellingsregeling
kinderopvang of welke andere
oplossing dan ook, uitgesloten. Wij
staan volledig open voor discussie
daarover. Maar het zware middel van
grondwetswijziging is volgens ons
als met een kanon schieten op een
mug. Wij hebben dus het probleem
wel degelijk onderkend en aangege-
ven dat wij oplossingen zien en dat
wij bereid zijn die te bespreken. Wij
hebben ook naar de mening van de
regering daarover gevraagd. Wij
hebben alleen niet de behoefte om
de Grondwet te wijzigen en daar heb
ik zeven argumenten voor gegeven. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2836" anker="32" partij="D66" naam="Scheltema-de Nie">

Dat heb ik allemaal heel goed
beluisterd. Wij zijn het oneens over
een punt. Om de problemen van
vrouwen bij zwangerschap en
bevalling te verhelpen, is het volgens
mij noodzakelijk een afdwingbare
regeling te treffen. De heer Te
Veldhuis meent de problemen op
een andere manier een beetje te
kunnen verhelpen en wil geen
afdwingbaarheid. Ik kan alleen maar
constateren dat wij het hierover
oneens zijn.
De defensiebepalingen roepen bij
mij maar een vraag op, die zij ook bij mijn collega’s hebben opgeroepen:
kunnen wij de modernisering ervan
tegemoetzien en wanneer kunnen wij
deze tegemoetzien? Dit betreft de
motie-Jurgens. Worden deze
bepalingen meegenomen bij de
wijzigingen die de ministerie¨le
commissie zal voortbrengen of gaat
het om een apart traject? Graag krijg
ik op dit punt wat nadere informatie.
Tot slot kom ik bij het voorstel tot
wijziging van de procedure tot
herziening van de Grondwet, in het
bijzonder het schrappen van de
gelijktijdige ontbinding van beide
Kamers. Ook hierbij speelt de vraag
van de gerede twijfel een rol. Maakt
de Grondwet gelijktijdige ontbinding
van beide Kamers der Staten-
Generaal noodzakelijk? Mijn fractie
vond en vindt van niet, maar is met
alle andere fracties van mening dat
het nog beter is, de gehele tussen-
tijdse ontbinding van de Eerste
Kamer te schrappen. Zowel uit het
debat in deze Kamer als dat aan de
overzijde bleek overigens, dat het
nadenken over verdergaande
wijzigingen van de procedure tot
herziening van de Grondwet bepaald
niet was verstomd. Verschillende
mogelijkheden zijn daarbij de revue
gepasseerd, zoals het laten vervallen
van de tussentijdse ontbinding in
haar geheel of het vervangen van de
zo langzamerhand toch tot een min
of meer fictieve volksraadpleging
over grondwetsvoorstellen verwor-
den raadpleging van de kiezers via
de reguliere verkiezingen waarbij,
zoals ook nu weer is gebleken, de
voorstellen tot herziening van de
Grondwet geen rol hebben gespeeld.
Collega Mateman lichtte destijds
tot mijn vreugde een heel klein tipje
van de redelijk ondoorzichtige
CDA-referendumsluier op. Het CDA
was aan het nadenken over
mogelijkheden van een referendum
in relatie tot de herziening van de
Grondwet. De inbreng van collega
Koekkoek getuigt ervan, dat het
nadenken nog steeds gaande is en
dat geeft mij hoop voor een goede
ontvangst van een referendum in de
toekomst. Wel wil ik hem vanaf deze
plaats vast zeggen dat, als mijn
fractie ook in dit verband aan een
referendum denkt, zij met collega
Van Oven denkt aan een facultatief,
correctief referendum; dat wil
zeggen, een referendum op verzoek
van de kiezers. Daarbij kunnen de
kiezers vragen om een oordeel aan
hen voorgelegd te krijgen.
Voorzitter! Aan dit kabinet zou ik
mede tegen deze achtergrond willen
vragen hoe het nu toch staat met de
referendumvoorstellen, die zo helder
in het regeerakkoord worden
aangekondigd. Wanneer kunnen wij
die tegemoetzien? Mijn fractie wil op
spoed aandringen. Overal in het land
worden gelukkige en minder
gelukkige voorstellen en initiatieven
voor referenda ontwikkeld. De
praktijk wil kennelijk ontzettend
graag. Is er gewoon aan toe, zou je
haast zeggen. Daarom zou het zo
goed zijn als de regering spoedig
komt met het kader dat haar voor
ogen staat. Dat zou een meer
gerichte discussie dan nu aan de
hand van een incidentele grondwets-
herziening mogelijk is in dit huis en
in het land behoorlijk bevorderen.
Voor de burger wordt het wel wat
erg ondoorzichtig als er gedurende
lange tijd zovele verschillende
referendumbloemen blijven bloeien.
Wanneer denkt het kabinet met die
beloofde referendumvoorstellen te
komen?
Voorzitter! Ik sluit mijn bijdrage af
met het uitspreken van de wens, dat
alle nu voorliggende voorstellen de
benodigde twee derde meerderheid
in beide Kamers zullen verkrijgen en
dat wij gesterkt door deze ervaring
binnen afzienbare tijd over de andere
voorstellen tot wijziging van de
Grondwet zullen mogen spreken.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2836">

 
<spreker pagina="41-2836" anker="33" partij="SGP" naam="Van den Berg">

Voorzitter! De SGP-fractie verkeert
niet in de gelukkige omstandigheid,
dat zij na de verkiezingen in
dubbelen getale is teruggekeerd,
waardoor ik genoodzaakt ben om
ook in tweede lezing namens mijn
fractie het woord te voeren. Dat
neemt niet weg, dat wij een tweede
lezing een buitengewoon belangrijke
zaak vinden waaraan zeer serieus
aandacht dient te worden besteed.
Om die reden heeft mijn fractie dan
ook aan de schriftelijke voorberei-
ding van deze tweede lezing een
bijdrage geleverd. Ik dank de
regering voor de reacties die wij naar
aanleiding daarvan hebben mogen
ontvangen.
Ik constateer dat de regering
voortvarend te werk is gegaan met
deze tweede lezing van de herziening
van de Grondwet. De Kamer is nog
maar net ontbonden of het demissio-
naire kabinet diende de wetsvoorstel-
len in, nog tijdens het zomerreces.
Nog voor de ontbinding van de
Eerste Kamer wordt nu van de
Tweede Kamer gevraagd om in
tweede lezing te beslissen. Men kan
erover twisten of dat een zo juiste
procedure is. Maar dat is een andere
kwestie. Het kan formeel wel, zoals
het nu gaat. Het roept misschien wel
een beetje de vraag op of de
regering soms vreest voor afbrokke-
lende steun. Die vrees leek niet
geheel onterecht, gelet op de recente
in de pers geuite kanttekeningen van
de zijde van het CDA bij een van de
voorstellen. Wij hadden althans een
kleine hoop dat het CDA zich aan
onze zijde zou scharen wat betreft
onze bezwaren tegen de regeling van
het zwangerschapsverlof, maar in dit
debat bleek dat toch een slagje
anders te liggen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2836" anker="34" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Mijnheer
de voorzitter! Wat heeft de heer Van
den Berg gelezen en hem aanleiding
gegeven om te denken, dat het CDA
hiertegen zou zijn? De krante-
publikaties die ik heb gelezen, gaven
absoluut geen aanleiding om dat te
denken. Integendeel, daarin was te
lezen dat de CDA-fractie opnieuw
voor zou stemmen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2836" anker="35" partij="SGP" naam="Van den Berg">
 Ja,
dat weet ik wel, mijnheer Koekkoek,
maar ik heb niettemin toch de indruk
dat zeker uit de persberichten een
aanzienlijk kritischer opstelling ten
opzichte van dit voorstel bleek dan in
eerste lezing het geval was. U hebt
zojuist ook een aantal vragen
gesteld. Dat vind ik op zichzelf
terecht, want het tekent alleen maar
het belang van een tweede lezing.
Voorzitter! Uit onze schriftelijke
inbreng is al gebleken is dat na de
eerste lezing onze opstelling niet is
gewijzigd. Dat betekent dat wij met
een van de voorstellen onoverkome-
lijke moeite blijven houden. De
overige voorstellen zullen wij graag
steunen, maar ik heb er wel een
enkele vraag over.
Voorzitter! Allereerst wil ik bij de
behandeling van de grondwetsher-
ziening in tweede lezing iets zeggen
over het zwangerschapsverlof voor
leden van vertegenwoordigende
organen. Ook bij heroverweging
vinden wij, dat hiervoor geen
gegronde argumenten aanwezig zijn.
Ik heb op dit punt ook geen echt
nieuwe argumenten kunnen
bedenken. Dat lijkt mij ook niet meer
mogelijk. Alle argumenten zijn
uitvoerig gewisseld en ik wil nu dan
ook volstaan met in hoofdlijnen aan
te geven waarom wij grondwetswijzi-
ging op dit punt niet steunen.
Wat was een van onze hoofdpun-
ten? Wij twijfelen niet alleen aan de
noodzaak van de wijziging, maar ook
aan de wenselijkheid en de
uitvoerbaarheid van de voorgestelde
regeling. Ook in eerste lezing hebben
wij uitvoerig gediscussieerd over de
vraag waarom het voorgestelde wel
moet gelden in het geval van
zwangerschap en bevalling, maar
niet in het geval van ernstige ziekte.
Ook die kan ingrijpende gevolgen
hebben, ook voor een kleine fractie.
Onze fractie verkeert helaas in de
omstandigheid dat zij iets dergelijks
in de achter ons liggende periode
heeft meegemaakt. Voor ons is nog
steeds niet overtuigend aangetoond
waarom in het genoemde geval wel
een regeling moet worden getroffen
en niet als het gaat om ernstige
ziekte.
Zoals ik al zei, twijfelen wij ook
aan de mogelijkheid voor de
vervanger om in de bewuste periode
een praktische invulling aan deze
taak te geven. Ook dat punt is eerder
uitvoerig aan de orde geweest. Wij
zijn er niet van overtuigd, dat een
vervanger of vervangster gedurende
een korte periode volwaardig kan
functioneren. Gelet op de praktijk en
onze werkwijze kan ik mij althans
niet voorstellen, dat dit bij deze
Kamer mogelijk is. Voor andere
vertegenwoordigende organen zal de
situatie niet veel anders zijn.
Bij ons blijft ook het bezwaar
gelden, dat leden van vertegenwoor-
digende organen in beginsel gekozen
worden op persoonlijke titel.
Bovendien worden zij gekozen voor
de zittingsduur van de lichamen
waarvan zij deel uitmaken. Kortom,
wij hebben principie¨le en praktische
bezwaren tegen deze grondwetsher-
ziening en ik wil dat bij deze
gelegenheid niet onbesproken laten.
Voorzitter! Dan kom ik te spreken
over de grondwetsherziening op het
punt van de ontbinding van de
Eerste Kamer. Wij hebben in eerste
lezing met het voorstel in dezen
ingestemd. Wij hebben dat vooral
gedaan op grond van de overweging
dat de huidige wijze van samenstel-
ling van de Eerste Kamer met zich
brengt, dat de tussentijdse ontbin-
ding toch niet meer relevant is. Wij
zijn overigens nooit blij geweest met
de nieuwe wijze van samenstellen
van de Eerste Kamer. Naar het
oordeel van onze fractie wordt met
deze manier van samenstellen
onvoldoende recht gedaan aan de
reflectieve functie van de senaat. Die
functie is zeker bij gewichtige
besluiten, zoals de wijziging van de
Grondwet, van belang.
Bij de eerste lezing heb ik er reeds
op gewezen, dat door de ontwikkelin-
gen van de laatste tijd de procedure
voor de grondwetsherziening steeds
meer van zijn bijzondere hoedanig-
heid wordt ontdaan. Eigenlijk wordt
die procedure steeds verder
uitgehold. De ontbinding van de
Tweede Kamer na eerste lezing valt
in het algemeen samen met de
reguliere verkiezingen. Ook andere
woordvoerders hebben daarop
gewezen. Het is dan ook nog maar
de vraag of men kan stellen dat de
kiezer zich uitdrukkelijk kan uitspre-
ken over de voorgestelde grondwets-
herziening.
Nu bovendien de bepaling over de
ontbinding van de Eerste Kamer
vervalt, zijn de enige extra’s in de
procedure nog de tweede lezing als
zodanig – daar zijn wij dus nu mee
bezig – en het vereiste van een
meerderheid van twee derden. Wij
hechten aan een verzwaarde
procedure voor de grondwetsherzie-
ning en daarom hebben wij gepleit
voor een onderzoek naar alternatie-
ven voor een verzwaarde procedure.
Er kan worden gedacht aan de
mogelijkheid van een tweede lezing
in een verenigde vergadering en aan
de instelling van een speciale
grondwetskamer. Wij denken in dit
verband in ieder geval niet aan de
mogelijkheid van referenda. Onze
fractie betreurt het dat het CDA
kennelijk steeds meer neigt naar de
volkssoevereiniteit en ook op dit
punt het referendum als ree¨el
alternatief naar voren brengt. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2837" anker="36" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Voorzit-
ter! Ik heb het woord ’’volkssoeverei-
niteit’’ niet gebruikt. In de democratie
die wij nu kennen, is sprake van een
goed geregelde invloed van de
kiezers. Ik neem aan dat de heer Van
den Berg daar geen verandering in
wil aanbrengen. Die invloed kan
gestalte krijgen bij verkiezingen,
maar ook bij een referendum. Dat
zou gehouden kunnen worden bij
een grondwetsherziening. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2837" anker="37" partij="SGP" naam="Van den Berg">
 U
hebt het woord ’’volkssoevereiniteit’’
inderdaad niet gebruikt, maar ik heb
dat wel gedaan en ik heb dat bewust
gedaan. U weet hoe wij over het
referendum denken. Wij beschouwen
dat als een specifiek instrument en
als een instrument waarmee uiting
wordt gegeven aan de gedachte van
de volkssoevereiniteit. U kent de
geschiedenis in dezen. Ik denk nu
aan namen als Groen van Prinsterer.
In ieder geval namen de voorlopers
van het CDA duidelijk afstand van dit
soort gedachten. Kennelijk heeft bij
het CDA ook de tijdgeest toegesla-
gen. Ik constateer dit alleen maar. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2837" anker="38" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Maar het
woord ’’volkssoevereiniteit’’ in dit
verband laat ik voor uw rekening,
want dat is geen christen-
democratisch gedachtengoed. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2837" anker="39" partij="SGP" naam="Van den Berg">

Daarom juist vind ik het zo jammer
dat u die kant uitgaat. Maar goed,
dat is misschien iets voor een
verdere discussie, als we het hebben
over nadere wijzigingen in ons
staatkundig stelsel.
Waar het mij om ging, is dat ook
tijdens de eerste lezing de regering
reeds een verdere doordenking van
alternatieven heeft toegezegd. Wij,
en ook anderen, vernemen graag iets
meer over de verdere aanpak van de
regering bij de uitwerking van een en
ander. Bij de schriftelijke voorberei-
ding en ook in de vorige ronde
hebben wij reeds naar voren
gebracht, dat wij nog steeds wat
problemen blijven houden – de heer
Koekkoek wees daar terecht op – met
de gang van zaken rond artikel 55, lid
3, van het Statuut. Wij vinden het
niet fraai – ik zeg het nog heel
voorzichtig – dat het Statuut nu in
strijd is met de Grondwet, en dat wij
kennelijk het Statuut moeten
aanpassen. Open blijft de vraag,
wanneer dat in overeenstemming
wordt gebracht met de Grondwet.
Wij vinden dat niet de juiste
procedure.
Wij hebben ingestemd met het
voorstel inzake de opkomstplicht. Ik
hecht eraan, ook in deze tweede
lezing te memoreren dat wij kunnen
instemmen met een regeling, die
ruimte schept voor de mogelijkheid
om de opkomst van de verplicht
dienenden desgewenst op te
schorten. Maar wij achten het wel
van groot belang dat de dienstplicht
als zodanig gehandhaafd blijft. Dat is
voor ons een heel essentieel punt.
De situatie kan zich wijzigen, en wij
weten hoe het wat dat betreft met de
veiligheidssituatie is. Wij moeten
voor de toekomst wat dat betreft
geen al te rooskleurige verwachtin-
gen hebben. Dat betekent dat wij het
van groot belang vinden dat in de
Grondwet de mogelijkheid van
dienstplicht blijft verankerd en dat in
beginsel voor iedere mannelijke
Nederlander een taak in de vorm van
persoonlijke inzet bij de handhaving
van onze nationale soevereiniteit
aanwezig is. Naarmate echter een
geringer aantal jonge mannen
daadwerkelijk wordt opgeroepen, kan
natuurlijk een gevoel van onrecht-
vaardigheid groeien, en ligt
niet-effectuering van de opkomst-
plicht inderdaad voor de hand.
Daarom hebben wij deze grondwets-
herziening gesteund. Wij blijven het
overigens betreuren dat van de
gelegenheid geen gebruik is gemaakt
om in de Grondwet meer expliciet
duidelijkheid te scheppen over de
mogelijkheid van inzet van onze
krijgsmacht ter bescherming van de
internationale rechtsorde. Dat vinden
wij een buitengewoon zwaarwegend
punt, wat ook grondwettelijk
verankerd moet zijn. De regering
maakt melding van het feit dat zij dit
wil meenemen bij de uitvoering van
de motie-Jurgens. Met andere
woordvoerders vraag ik, juist gericht
op dit punt, hoe het daarmee staat
en wanneer wij daarvan iets naders
horen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2838">
<spreker pagina="41-2838" anker="40" partij="GroenLinks" naam="Oedayraj Singh Varma">
 Voorzitter! Een van de
grote verdiensten van mevrouw
Dales is geweest dat zij de deelname
van vrouwen aan de politiek en het
openbaar bestuur met kracht heeft
gestimuleerd. Het voorstel tot
wijziging van de Grondwet in
verband met het bevallingsverlof van
gekozen vertegenwoordigers is
slechts een van de elementen van
dat beleid. Waarom is dat nu zo
belangrijk? Kan een volks-
vertegenwoordigster nu niet gewoon
een paar maanden wegblijven, zich
door een fractiegenoot laten
vervangen en proberen desnoods
toch maar af en toe naar een
belangrijke stemming toe te gaan?
Nee, dat zijn geen oplossingen,
omdat ze onvoldoende recht doen
aan de specifieke positie waarin
vrouwen verkeren, wegens de kans
die zij hebben om wegens bevalling
tijdelijk uit de running te zijn. Alleen
al die kans, zelfs als de situatie van
zwangerschap zich niet voordoet, kan
voor vrouwen een belemmering
vormen om deel te nemen aan de
politieke organen. Het feit dat je je
eigenlijk niet kunt laten vervangen,
tenzij je ontslag neemt, druist in
tegen het beginsel dat gelijke
gevallen gelijk moeten worden
behandeld, maar ongelijke gevallen
ongelijk.
Dat de situatie waarvoor wij nu
een oplossing zoeken zich niet zelden
voordoet, bewijst alleen al het feit
dat drie vrouwelijke kamerleden in
de Kamer in de vorige samenstelling
een kind ter wereld brachten.
Bovendien hebben wij het niet alleen
over deze Kamer. Een paar maanden
geleden werd ik gebeld door een van
onze gemeenteraadsleden, die met
spanning wachtte op deze grond-
wetswijziging. Voor haar komt deze
wijziging te laat. Ook zij heeft met
kunst- en vliegwerk haar raadswerk
in haar kraamperiode zoveel mogelijk
voortgezet. Nog een ander voor- beeld: een allochtone vrouw die zich
kandidaat stelde voor de gemeente-
raad. Zij heeft meer dan twee
kinderen. Aan haar werd de vraag
gesteld of zij, gelet op haar grote
gezin, van plan was weer zwanger te worden. Zij zei: nee. Ik ben benieuwd
wat er gebeurd was als zij ’’ja’’ had
gezegd. Ik vind dat dit soort vragen
’’not done’’ zijn, en ik kan mij
daarover enorm kwaad maken. Als er
een goede regeling is, hoef je als
vrouw dit soort vragen nooit meer te
beantwoorden. Of je kunt dan rustig zeggen: dat gaat je geen donder aan.
Voorzitter! Deze regeling is een
goede uitwerking van het principe
van gelijke behandeling. Er wordt
erkend dat er een politieke cultuur is
waarin vrouwen – naar ik hoop –
steeds meer zullen functioneren als
volksvertegenwoordiger of als lid
van een andere vorm van openbaar
bestuur. Er zijn daartoe specifieke
regelingen nodig.
Voorzitter! De grondwetswijziging
als gevolg van de herstructurering
van de krijgsmacht blijft voor ons
een zeer gekunstelde constructie die
weinig met de realiteit te maken
heeft, niet alleen omdat men iets wil
behouden dat binnenkort niet meer
bestaat – de dienstplicht – maar ook
omdat de vorige regering verzuimd
heeft om deze wijziging te gebruiken
om artikel 98 te moderniseren. De
bescherming van de belangen van
de Staat is een taak die niet
overeenkomt met hetgeen de
krijgsmacht nu doet. De gewijzigde
Grondwet zal eerder de oude dan de
nieuwe situatie weergeven en het
lijkt mij dat dit niet de bedoeling van
een wijziging kan zijn. In heden en
toekomst zullen de internationale
taken van de Nederlandse krijgs-
macht steeds meer op de voorgrond
komen. Dit had een vertaling in de
Grondwet moeten krijgen, ook als
waardering voor het werk dat door
duizenden Nederlandse militairen in
het buitenland wordt verricht.
Voorzitter! Ik kom nu te spreken
over het voorstel tot wijziging van de
grondwetsbepalingen die de
wijziging van de Grondwet zelf
regelen. Voor wijziging van de
Grondwet is – zo wil het voorstel –
geen tussentijdse ontbinding van de
Eerste Kamer meer vereist. Door de
wijze waarop de Eerste Kamer
gekozen wordt, is een dergelijke
ontbinding en herverkiezing eigenlijk
ook een tamelijk onzinnig ritueel. Het
voorstel sluit dan ook beter aan bij
de staatkundige praktijk en stuit naar
mijn smaak niet op inhoudelijke
bezwaren.
De vergadering wordt van 16.30 uur
tot 16.38 uur geschorst.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2838">

 
<spreker pagina="41-2838" anker="41" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Mijnheer de
voorzitter! De heer Koekkoek heeft
enkele woorden gewijd aan het
bijzondere karakter van het behande-
len van een wijziging van de
Grondwet. Ook ik vind het bijzonder
om dit mee te maken. Mij is
opgevallen dat de kamerleden wat
plechtiger kijken dan gewoonlijk. Ik
zal dat ook proberen te doen.
De heer Koekkoek is ingegaan op
de kwestie van de gerede twijfel. In
de Eerste Kamer is daar een
interessante discussie over gevoerd.
Het is inderdaad een interessante
kwestie. De vraag is wat er gedaan
moet worden ’’in dubio’’. Misschien
moet er juist ’’in dubio’’ sprake zijn
van aanpassen, omdat er dan wat
zekerheid kan ontstaan. Hoever ligt
trouwens de gerede twijfel af van
wat je de gerede wenselijkheid zou
kunnen noemen? Per saldo is de
achtergrond van deze voorstellen,
door de vorige regering ingezet, een
gerede wenselijkheid? Terecht is
door de heer Koekkoek en later in
een interruptiedebatje met de heer
Van Oven gesproken over de
waarborgen waarmee dit soort
wijzigingen omringd moeten worden,
omdat het om zeer wezenlijke zaken
gaat. Daarbij laat ik in het midden op
welke wijze de invloed van de kiezer
op alles wat voor die kiezer
belangrijk is het meest effectief
georganiseerd kan worden.
Voorzitter! Ik beperk mij tot de
onderwerpen die kort aan de orde
zijn gesteld. Er is onder andere
gesproken over de opschorting van
de opkomstplicht. Het gaat erom dat
de dienstplicht als zodanig blijft
bestaan, zij het in een slapende
vorm. Minister Voorhoeve zal op de
overige vragen op dit punt nader
ingaan.
De heren Koekkoek en Van Oven
hebben gesproken over de uitvoering
van de motie-Jurgens. Het voorlig-
gende voorstel betreft een beperkte
herziening van de defensieparagraaf.
Dit houdt direct verband met de
voorgeschiedenis van de gestrande
herzieningen van de defensie-
paragraaf in 1979 en 1985. Die motie
is tijdens de behandeling in eerste
lezing aangenomen. In de motie
wordt gevraagd of de regering
voorbereidingen wil treffen voor een
modernisering van de defensie-
bepalingen in de Grondwet. Dat is
door de regering toegezegd in de
schriftelijke voorbereiding. Ik zal die
toezegging gestand doen. De Kamer
zal een voorstel tot grondwetsherzie-
ning ontvangen nadat het nu
voorliggende wetsvoorstel in tweede
lezing door de Eerste Kamer is
aanvaard en in werking is getreden.
Dat is de logische, formeel juiste
volgorde. Dan is het formele
moment daar om voort te gaan met
hetgeen in de motie is gevraagd en
door de regering nader is toegezegd.
Voorzitter! Een ander punt dat
aandacht heeft gekregen, is het
vervallen van de verplichte ontbin-
ding van de Eerste Kamer. Mede op
aandrang van de Eerste Kamer wordt
voorgesteld om de verplichte
ontbinding van de Eerste Kamer
wegens grondwetsherziening te laten
vervallen. Gehandhaafd blijft
overigens het vereiste van een twee
derde meerderheid in de Eerste
Kamer voor aanvaarding van een
voorstel terzake. Bovendien sluit dit
voorstel niet uit dat de tweede lezing
plaatsvindt door een nieuw
samengestelde Eerste Kamer, hetzij
als gevolg van de periodieke
verkiezingen dan wel als gevolg van
een tussentijdse ontbinding om
andere redenen. De heer Koekkoek
heeft in dit verband gewezen op het
ontstaan van twee herzienings-
procedures en de mogelijkheid van
manipulatie. Dit lijkt me in staats-
rechtelijke zin niet geheel correct,
omdat er slechts een
grondwetsherzieningsprocedure blijft
bestaan. Hierin blijven beide Kamers
in twee lezingen een rol spelen met
het vereiste van een tweederde
meerderheid, ook tijdens de tweede
lezing. Ook in politieke zin lijkt het
me onjuist om bij voorbaat te
veronderstellen dat de regering en
de gekozen volksvertegenwoordiging
de grondwetsherzieningsprocedure
zouden manipuleren. Neem alleen
maar het feit dat je dan een twee
derde meerderheid gemanipuleerd
moet hebben. In het Nederlandse
staatsbestel zou je bijna van een
dictatoriale macht gebruik moeten
maken om dit voor elkaar te krijgen.
Tegen die tijd praat niemand meer
over grondwetten en het belang
ervan. Volgens mij is het een zeer
theoretische gedachte dat regerin-
gen, hierin dan ook nog eens
gesteund door een meerderheid van
de Tweede Kamer, aan het manipule-
ren zouden slaan, nog los van de
openbaarheid van dit soort discus-
sies, waarin alles onmiddellijk aan de
kaak wordt gesteld. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2839" anker="42" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Voorzit-
ter! Mag ik een concreet voorbeeld
geven? Stel dat de huidige Eerste
Kamer naar verwachting tegen het
zwangerschapsverlof voor kamerle-
den zou zijn. Er zijn dit jaar verkiezin-
gen voor de provinciale staten. Er
komt een nieuw samengestelde
Eerste Kamer. Het is dan natuurlijk
niet zo vreemd als de gedachte zou
opkomen om met de tweede lezing
in de Eerste Kamer te wachten tot er
een nieuwe Eerste Kamer is, die
mogelijk – het is allemaal theoretisch
– gunstiger denkt over zo’n
wetsvoorstel. Ik heb geduid op de
mogelijkheid dat hier gebruik van
kan worden gemaakt om het in die
richting te sturen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2839" anker="43" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Stel dat de heer
Van den Berg gelijk heeft en dat de
berichten over het CDA die hij
ergens in de krant tegenkwam nog
veel ernstiger zijn dan iedereen
vermoedt en dat het hier strandt.
Het is inderdaad theoretisch.
Natuurlijk staat uiteindelijk elk
parlement, hier of aan de overkant,
voor de keuze wat het ergens van
vindt. Dit leidt tot een bepaalde
uitkomst. Het is de vraag hoe
relevant het is om de verplichte
ontbinding als factor te handhaven,
omdat je bang bent dat regeringen
of anderen anders vanaf het moment
dat je dit loslaat, aan het manipule-
ren slaan. Volgens mij is dit echt
theoretisch.
Je kunt misschien nog andere
overwegingen hebben waarom je
vindt dat het wel of niet moet
gebeuren, maar ik vind dit geen sterk
argument. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2839" anker="44" partij="PvdA" naam="Van Oven">
 Voorzit-
ter! Ik acht het niet geheel theore-
tisch, juist vanwege een omgekeerde
redenering, namelijk dat een
eventueel nieuwe regering inhoude-
lijk tegen de aanneming van
grondwetswijzigingsvoorstellen is.
Als ik de staatsrechtgeleerden in
meerderheid goed begrepen heb, is
een nieuwe regering verplicht om
een in eerste lezing aanvaarde
grondwetswijziging opnieuw bij het
parlement in te dienen. De indiening
zelf zegt dus nog niets over het
standpunt dat de regering met
betrekking tot de grondwets-
wijzigingen heeft. Het zou nu kunnen
voorkomen dat een regering, in
geval een grondwetswijzigings-
voorstel haar onwelgevallig is, wacht
met indiening ervan in de Eerste
Kamer tot na de verkiezingen, in de
hoop dat zich dan een samenstelling
van de Eerste Kamer zal voordoen
die een dergelijk ontwerp zou
verwerpen. Dat is niet volstrekt
theoretisch.</spreker>
<spreker pagina="41-2840" anker="45" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Deze dingen
kunnen allemaal gebeuren, maar los
van de vraag wat een meerderheid
van de staatsrechtgeleerden vindt,
gaat het mij toch iets te ver. Ik
begrijp de suggestie op zichzelf wel.
Ik weet ook wel waarom de heer
Koekkoek dit in discussie brengt. Ik
verwijt hem natuurlijk absoluut niets
op dit punt. Maar ik zie niet dat er
inderdaad manipulatie plaatsvindt.
We hebben spelregels. Soms komen
spelregels slecht uit, soms goed. De
vraag is natuurlijk hoe noodzakelijk
het is om zorgvuldig, met waarbor-
gen omringd, bij gerede twijfel de
grondwetswijziging slechts tot stand
te kunnen brengen als de tweede
lezing pas kan plaatsvinden na een
aparte ontbinding van de Eerste
Kamer. Het lijkt mij allemaal nogal
aan de zware kant. Ik zie absoluut
geen bezwaar om dit nu te verande-
ren zonder dat we te maken krijgen
met zwaar manipulerende regeringen
of parlementen.
Voorzitter! Tijdens de eerste lezing
en door sommigen ook in de tweede
lezing is nog eens ingegaan op
alternatieven voor de
grondwetsherzieningsprocedure. Het
gaat hierbij om voorstellen om het
referendum tot een al dan niet
verplicht onderdeel te maken van de
procedure. De heer Koekkoek heeft
hier opmerkingen over gemaakt.
Voor die discussie verwijs ik naar de
notitie over het constitutionele
referendum die mijn voorgangster,
mevrouw De Graaff-Nauta, op
verzoek van de Kamer heeft
toegezonden. Straks kom ik nog even
op dat referendum terug.
Voorts zijn er allerlei interessante
alternatieven genoemd die betrek-
king hebben op zaken als de positie
van de Eerste Kamer, het vereiste
van de versterkte meerderheid en
verplichte ontbinding. In de
schriftelijke voorbereiding is reeds
door de regering aangegeven dat wij
de toezegging hebben overgenomen
die werd gedaan bij de behandeling in de eerste lezing: de herzienings-
procedure met de mogelijke
varianten daarop – ook de punten die
de heer Van den Berg noemde – zal
nog eens op een rijtje worden gezet
en daarover zal vervolgens met de
Kamer van gedachten worden
gewisseld. Hierover zal zij van mij
een notitie ontvangen. Als het
allemaal lukt, hoop ik dat deze
gedachtenwisseling voor de zomer
kan plaatsvinden. Dit kan dus op
betrekkelijk korte termijn.
Zeer terecht is gewezen op de
wellicht niet geheel correcte gang
van zaken bij de aanpassing van het
Statuut. Wij staan voor de volgende
twee vragen. Gaan wij verder, al was
het alleen maar vanwege het
correctief referendum, met een
nadere wijziging van de Grondwet?
En in hoeverre moeten wij statuut-
wijzigingen aanbrengen? Wij zullen dat zeker doen: bij de volgende
gelegenheid moeten de aanpassin-
gen plaatsvinden, zij het dat de
aanpassing van het Statuut natuurlijk
mede een zaak is van overleg in het
Koninkrijk, dus van overleg met de
Nederlandse Antillen en Aruba. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2840" anker="46" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Wanneer
is die ’’volgende gelegenheid’’ er om
het Statuut aan te passen? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2840" anker="47" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Dat kan ik niet
helemaal overzien in verband met
andere ontwikkelingen. Voor de
Grondwet zou dit kunnen nadat de
wijziging door de Eerste Kamer is
aanvaard. Ik verwijs naar het vorige punt: een discussie over nadere
wijziging van de Grondwet kan in de
periode daarna tot stand worden
gebracht. Met de wijzigingen van de
Grondwet kunnen wij in elk geval na
1995 een begin maken, maar ik weet
nu niet wanneer wij het Statuut in
andere zin nog moeten aanpassen.
De heer Voorhoeve kan hierover
direct nog wat zeggen.
De discussie over het referendum
bij een grondwetsherziening is
interessant, maar ik zal daar nu niet
het mijne over zeggen, want daar
komen wij vanzelf nog wel over te
praten. Voor zover de Kamer het nog
niet wist, moet ik haar het volgende
als een politiek feit meedelen.
Afgelopen zomer is bij de totstandko-
ming van het regeerakkoord door
drie partijen intensief gediscussieerd
over de vraag welke referenda wij in
Nederland wensen. Uit het feit dat
wij een correctief referendum als
doelstelling in het regeerakkoord
hebben opgenomen, kan worden
afgeleid dat er een paar andere
interessante alternatieven in politieke
zin voor ons zijn afgevallen. Hierover
kan natuurlijk altijd gediscussieerd
worden en dat wil ik ook graag doen;
wij praten overal over, maar wat wij
doen, is vers twee. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2840" anker="48" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Bij het tot
stand brengen van het regeerakkoord
is heel goed nagedacht, zoals blijkt
uit allerlei voorstellen, bijvoorbeeld
de onderwijsparagraaf. Is op dit punt
welbewust ’’ja’’ gezegd tegen het
correctief referendum, inclusief de
procedure van grondwetsherziening?
Is daarover nagedacht? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2840" anker="49" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Daarop kom ik
straks terug. Zover is het nog niet.
Op dit moment wordt het correctief
referendum op ambtelijk niveau en
in een ministerie¨le commissie
besproken. Wij zullen tevens moeten
nagaan waarop dit allemaal
betrekking heeft. De vraag of dit ook
van toepassing zou moeten zijn op
grondwetswijzigingen, komt dan
vanzelf aan de orde, in relatie tot
verplichte ontbinding, waarover de
heer Van Oven sprak. In eigen kring
zullen wij over het geheel moeten
praten en een definitief standpunt
moeten innemen. De vraag is
overigens of dit in het tempo gebeurt
waarin de Kamer dat wenst. Willen
wij een correctief referendum,
waarover dan ook, in Nederland
invoeren, dan moet dit in twee fasen
gebeuren. Het zal eerst via de
Grondwet mogelijk gemaakt moeten
worden, om het daarna verder te
kunnen uitwerken. Ik hoop overigens
u daarover voor of vlak na de zomer
te kunnen berichten. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2840" anker="50" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Begrijp ik
de minister goed dat wat betreft de
procedure rond de grondwetsherzie-
ning de plaats van het referendum
daarin nog volledig open is? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2840" anker="51" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Ik weet niet wat u
bedoelt met ’’nog volledig open is’’.
Op het moment dat wij uitvoeren
wat wij in het regeerakkoord hebben
afgesproken, namelijk dat er in
Nederland een correctief referendum
komt, zal daar een nadere uitwerking
aan gegeven moeten worden. De
vraag is dan, waar dat referendum
allemaal op kan slaan. Je kunt naar
de bestuurslagen kijken, naar de
wetten of naar de beleidsterreinen.
Dat staat niet in het regeerakkoord
uitgewerkt. Er is, zoals de Kamer
weet, een ministerie¨le commissie.
Die commissie is bezig om een en
ander uit te werken en zij zal met een
standpunt komen waarop het
correctief referendum van toepassing
is. Zodra wij dat standpunt hebben,
zullen wij dat aan u laten weten.
Daar kunnen wij dan ook over
discussie¨ren. Daarna kan de volgorde
van de gebeurtenissen slechts de volgende zijn: een wijziging van de
Grondwet om een en ander mogelijk
te maken en vervolgens de uitvoe-
ring. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2841" anker="52" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 U sluit
een verplicht referendum bij
grondwetsherzieningen niet uit? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2841" anker="53" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Als ik de woorden
’’correctief referendum’’ uitspreek,
sluit ik daarbij niets uit. Wij moeten
daarop immers nog studeren, los
van wat ik er persoonlijk van vind. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2841" anker="54" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Mijn
vraag was of u het verplicht
referendum bij een grondwetsherzie-
ning niet uitsluit. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2841" anker="55" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Ik ga nu met u
niet een klein stukje van de discussie
over het correctief referendum
voeren, waar ik hem liever eerst met
de collega’s in de ministerraad in het
geheel voer. U hoort het nog wel.
Geduld! 

</spreker>
<spreker pagina="41-2841" anker="56" partij="PvdA" naam="Van Oven">
 Ik begrijp
de reserves van de minister wel. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2841" anker="57" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Ik heb helemaal
geen reserves. Ik leg uit hoe de
procedure werkt. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2841" anker="58" partij="PvdA" naam="Van Oven">
 Ik doel op
de uitspraken die hij er op dit
moment over wil doen. De gedachte
achter het referendum is nu juist om
de bevolking, sterker dan voorheen,
direct te betrekken bij belangrijke
politieke onderwerpen. Wij zijn het
erover eens dat grondwets-
wijzigingen in het algemeen
daaronder vallen. Ik stel de minister
de retorisch bedoelde vraag, dat het
toch bijna ondenkbaar is dat zo’n
referendum nu juist voor wat betreft
grondwetswijzigingen zou worden
uitgesloten. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2841" anker="59" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 U stelt een
retorische vraag. Dat maakt het een
stuk makkelijker, te meer daar uw
inleidende opmerkingen mij
inhoudelijk ook al niet bevielen. Ik ga
er nu niet op in. U kunt fantastische
theoriee¨n ontvouwen over wat u van
referenda vindt, welke dan ook, en
eindigen bij de bedoelde vraag. Als
ik er een verhaal over zou moeten
houden, zou ik heel anders beginnen
en misschien wel eindigen met uw
vraag, maar vervolgens met een
ander antwoord komen. Het is
allemaal vooruitlopen op een
discussie die wij nog intern aan het
voeren zijn. Ik moet ook u om enig
geduld vragen. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2841" anker="60" partij="D66" naam="Scheltema-de Nie">

Dat geduld heb ik heel graag, maar niet te lang. U zei: voor of misschien
na de zomer. Toen schrok ik. Voor de
zomer is prima, maar als er een
uitweg wordt gezocht... 

</spreker>
<spreker pagina="41-2841" anker="61" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Het is geen
uitweg. Ik zal uitleggen waarom ik
dat gezegd heb. Het traject is het
volgende. Een en ander wordt
ambtelijk voorbereid, in een
ministerie¨le commissie besproken en
daarna in de ministerraad. Daarna
wordt het aan de Kamer toegezon-
den. Ik weet natuurlijk niet hoeveel
discussie wij er intern aan moeten
besteden. Ik wil er absoluut geen
poppenkast over spelen. Er zijn drie
partijen die in het verleden eigen
ideee¨n hebben gehad over referenda
in het algemeen en specifieke
referenda in het bijzonder. Die drie
partijen hebben een politiek akkoord
gesloten. Het ligt dan voor de hand
om te verwachten dat er nog enige
interne discussie over plaats zal
vinden. Niet over de vraag ’’of’’,
maar over de vraag ’’hoe’’. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2841" anker="62" partij="D66" naam="Scheltema-de Nie">

Mijn probleem ligt in het land. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2841" anker="63" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Daar kom ik nu
op! Wij zien dat er in het hele land,
onder welke titel dan ook, allerlei
vormen van raadplegingen van het
volk plaatsvinden, tot en met de
enqueˆte waarmee
televisieprogramma’s worden
gevuld. Er zijn allerlei vormen van
raadplegingen. Vanuit onze
bestuurlijke verantwoordelijkheid
vind ik dat wij erop moeten letten
dat wat er aan meer formele
referenda plaatsvindt in ieder geval
conform de Grondwet is. Hier en
daar zijn er redenen om ons daar
zorgen over te maken. Wij bereiden
ons op dit moment voor om een
bericht te doen uitgaan aan de
gemeentebesturen om nog eens te
wijzen op de noodzaak om referenda
binnen de grenzen van de Grondwet
te houden. Dat zal op zeer korte
termijn gebeuren.
Tot slot het volgende. Door
mevrouw Scheltema is de vraag
ingebracht of het feit dat hier een
VVD-minister van Binnenlandse
Zaken staat voor de VVD-fractie niet
het overtuigende argument zou
moeten zijn om uiteindelijk ’’ja’’ te
zeggen. Ik vind dat het in dit
specifieke geval inderdaad zo zou
moeten zijn. Ik geef wel toe – ik
hoorde de heer Te Veldhuis al
spreken over dualisme – dat een
ieder zijn eigen verantwoordelijkheid
heeft. In die zin zal dit argument niet
moeten worden gebruikt. Ik gebruik
liever het argument, dat het nog
liberaler is om een regeling die iets
voor een ander verhindert te
vervangen door een regeling die
iedereen toestaat wat hij wenst. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2841" anker="64" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Wat heeft
bij de minister, nadat hij uit de
liberale fractie is toegetreden tot dit
kabinet, de omslag in het denken
teweeggebracht? Wat heeft hem
ertoe gebracht om met overtuiging
dit wetsvoorstel te verdedigen? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2841" anker="65" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Dat is het
kameleon-achtige gedrag dat je
vertoont, als je Kamerlid bent en in
de minderheid bent en als je minister
bent met een meerderheid achter je.
Dat maakt het een stuk gemakkelij-
ker. Ik ben daar altijd voor geweest. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2841" anker="66" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 U bent
altijd voor geweest? Dank u voor
deze onthulling. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2841" anker="67" soort="Minister" naam="Dijkstal">
 Ik doe die met
genoegen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2841">

 
<spreker pagina="41-2841" anker="68" soort="Minister" naam="Voorhoeve">
 Mijnheer de
voorzitter! In aanvulling op datgene
wat door mijn collega Van Binnen-
landse Zaken is gezegd, wil ik ingaan
op het voorstel tot wijziging van de
grondwetsbepalingen over de
verdediging. Uitgaande van een
voorspoedige parlementaire
behandeling in tweede lezing – en
daar ziet het naar uit – zal naar
verwachting nog dit jaar de
voorliggende grondwetswijziging zijn
gerealiseerd. Als uitvloeisel daarvan
wordt nu op Defensie voortvarend
gewerkt aan de noodzakelijke
herziening van de dienstplicht-
wetgeving. Dezer dagen zal een
voorstel voor een Kaderwet
dienstplicht worden toegezonden aan
de Raad van State, met het verzoek
daarover spoedadvies uit te brengen.
Het nieuwe wetsvoorstel bevat ter
uitvoering van het herziene derde lid
van artikel 98 van de Grondwet een
regeling van de bevoegdheid tot
opschorting van de oproeping in
werkelijke dienst. In dit verband
wordt ook de bee¨indiging van de
opschorting geregeld. Daarmee heb
ik ook de vraag van de heer
Koekkoek beantwoord.
In het nieuwe wetsvoorstel zal een
soortgelijke voorziening worden
getroffen als nu nog in artikel 101
van de Grondwet wordt geregeld,
namelijk de mobilisatieplicht voor
dienstplichtigen die niet in werkelijke
dienst zijn ten tijde van buitenge-
wone omstandigheden. Het huidige
artikel 101 van de Grondwet zal
immers verdwijnen, zodra de inhoud
van dat artikel bij wet is geregeld.
Ik streef ernaar die Kaderwet
dienstplicht in het voorjaar bij de
Tweede Kamer in te dienen. Ik spreek
de hoop uit, dat de Kamer bereid is
om medewerking te geven aan een
snelle behandeling van dat voorstel,
zodat zoals wij beogen per 1 april
1996 de laatste dienstplichtigen
kunnen worden opgeroepen.
Mijnheer de voorzitter! De heer
Koekkoek heeft gevraagd of er naar
aanleiding van een discrepantie
tussen het Statuut en de Grondwet
niet ook een wijziging van het
Statuut tot stand moet worden
gebracht. Modernisering van het
Statuut is onderwerp van gesprek
met de Nederlandse Antillen en
Aruba. Het lijkt mij voor de hand te
liggen dat wij proberen deze zaken
samen te laten vloeien in voorstellen
tot modernisering van het Statuut.
Mocht de discussie binnen het
Koninkrijk over modernisering van
het Statuut veel meer tijd vragen dan
voorzien, dan kunnen wij alsnog
besluiten om de kleine aanpassing
eerder in te dienen. Aangezien de
discussie over modernisering van het
Statuut nog loopt, lijkt het mij nu wat
voorbarig om een precies tijdstip te
noemen. Mocht het meer tijd kosten,
dan kunnen wij die zaken loskoppe-
len.
Mijnheer de voorzitter! De heer
Van den Berg heeft nog eens
benadrukt hoe belangrijk het is dat
de dienstplicht als zodanig gehand-
haafd wordt. Dat is het geval in de
regeling waarover wij vandaag
spreken. Hij heeft ook naar voren
gebracht dat bij modernisering van
de defensiebepalingen de bescher-
ming van de internationale rechts-
orde aan de orde zou moeten
komen. Welnu, de minister van
Binnenlandse Zaken heeft zich al
uitgelaten over de uitvoering van de
motie-Jurgens.
Mevrouw Varma is ingegaan op
het gestelde in artikel 98, waar de
term ’’de belangen van de Staat’’
wordt gebruikt. Die term is al eerder
in de Kamer aan de orde gesteld als
onbevredigend en te vaag. Voorzit-
ter! Ik geloof niettemin dat alle zaken
waarvoor nu de krijgsmacht wordt
ingezet, goed onder dat begrip
’’belangen van de Staat’’ vallen.
Echter, men kan zich heel wel
voorstellen dat dit nader wordt
gespecificeerd bij een toekomstige
wijziging van de Grondwet. Het
belang van de Staat is uiteindelijk
dat wat regering en parlement als
zodanig definie¨ren. Het heeft zich zo
ontwikkeld dat wij vinden dat inzet
ten behoeve van de internationale
rechtsorde, vredesoperaties,
beveiliging van humanitaire hulp en
militaire bijstand, zoals ook vandaag
wordt verleend, allemaal onder
’’belangen van de Staat’’ vallen. Dat
sluit modernisering en specificatie
beslist niet uit.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2842">

 
<spreker pagina="41-2842" anker="69" soort="Staatssecretaris" naam="Kohnstamm">

Mijnheer de voorzitter! Graag ga ik
in op opmerkingen, gemaakt over
wetsvoorstel 23798 dat handelt over
de vervangingsregeling zwangere
volksvertegenwoordigers. Over deze
zaak is al in eerste lezing schriftelijk
en mondeling uitvoerig van
gedachten gewisseld. Dat geldt ook
voor de vraag hoe het wetsvoorstel
zou moeten luiden en wat het intitule
zou moeten zijn. ’’In verband met
tijdelijke vervanging van een lid
wegens haar zwangerschap en
bevalling’’; ik herinner mij dat
daarover in eerste lezing uitvoerig is
gesproken. Die discussie is zo
uitvoerig geweest dat in tweede
lezing tot nu toe niemand nog de
behoefte heeft gevoeld om erop
terug te komen.
Voorzitter! Omdat het om een
tweede lezing gaat, is nu met
betrekking tot de grondwetswijziging
als zodanig geen nieuw argument
naar voren gebracht. Ik neem aan dat
de geachte afgevaardigden de heren
Te Veldhuis en Van den Berg het mij
niet euvel zullen duiden als ik zeg dat
ik ook in hun inbreng, die ik
overigens respecteer, geen nieuwe
elementen heb kunnen ontdekken. Ik
geloof dan ook dat ik mag volstaan
met een verwijzing naar de
schriftelijke en overige gedachten-
wisselingen die over dit onderwerp
al hebben plaatsgevonden. Immers,
hoewel de huidige regering niet zelf
het wetsvoorstel in tweede lezing
heeft ingediend, heeft zij de inhoud
daarvan voor haar rekening
genomen. Sterker nog, voorzitter, zij
is ervan overtuigd dat een afdwing-
bare vervangingsregeling in de
bedoelde gevallen zeer noodzakelijk
is op grond van ook haar politieke
keuze bij deze inkleuring van het
materie¨le gelijkheidsbeginsel. Het is
in alle opzichten, niet alleen
inhoudelijk maar ook qua beeldvor-
ming, van het grootste belang om
ervoor te zorgen dat ook bij tweede
lezing het wetsvoorstel ten slotte met
een twee derde meerderheid door
beide Kamers komt.
Mevrouw Varma heeft er terecht
op gewezen dat het niet gaat om
alleen een vervangingsregeling voor
kamerleden, ook al lijkt het daar in
deze discussie soms op. Het betreft
een vervangingsregeling voor leden
van de Eerste Kamer, de Tweede
Kamer, provinciale staten en
gemeenteraden. Daarmee is de
scope van deze grondwetswijziging
toch wat groter. In dit debat is veel
over kamerleden gesproken – het
bloed kruipt waar het niet gaan kan –
maar het bereik is groter. Ik merk dit
niet op om gemaakte opmerkingen
recht te zetten maar ter aanvulling.
Uiteraard betreur ik het dat de
fracties van VVD en SGP te kennen
hebben gegeven niet van hun eerder
ingenomen standpunt af te wijken. Ik
accepteer dat als een bijna gegeven
feit. De discussie is te intensief
geweest om opnieuw te proberen
elkaar over de streep te trekken.
Dat brengt mij ertoe om te
volstaan met de beantwoording van
de vragen die, misschien wat
prematuur maar niettemin, gesteld
zijn, hoe de Kieswet er straks uitziet,
zouden deze Kamer en de Eerste
Kamer met een twee derde
meerderheid het wetsvoorstel
aannemen. Wat zullen de grove
contouren zijn? Er is al wel eerder
over gesproken, maar een aantal
punten zijn vandaag indringend naar
voren gebracht.
Het wetsvoorstel kan natuurlijk pas
worden ingediend op het moment
dat Tweede Kamer en Eerste Kamer
het huidige wetsvoorstel hebben
aangenomen met twee derde
meerderheid. Met de nodige slagen
om de arm wil ik er wel iets over
zeggen, om te beginnen over de vraag van mevrouw Scheltema:
wanneer?
De voorbereidingen zijn natuurlijk
getroffen. Er wordt hard aan
gewerkt. Ik heb goede hoop dat wij
als deze Kamer en de Eerste Kamer
de grondwetsherziening hebben
aanvaard spoorslags tot de indiening
van de uitvoeringswetgeving kunnen
overgaan.
De heer Van Oven heeft een
interessant probleem, nieuw voor
deze behandeling, geschetst,
namelijk het zogenaamde Droste-
effect in de vervangingsregeling. Dat
probleem heb ik nog niet ten einde
gedacht. Dat is niet zozeer aan mij te
wijten, maar eigenlijk eigen aan
Droste-effecten. Niettemin stel ik vast
dat zijn casuspositie is, dat een
vervanging van een zwangere vrouw
plaatsvindt door een vrouw die al
zeven of acht maanden zwanger is.
Dat is dan iets anders dan de 70%
van de heer Te Veldhuis. Ik zal kijken
of wij ten departemente knappe
statistici hebben die kunnen
uitrekenen wat de kans is dat wij dit
daadwerkelijk ooit tegenkomen.
Daarna zal ik de heer Van Oven
serieus beantwoorden. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2843" anker="70" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Mijnheer
de voorzitter! Misschien is die kans
groter of net zo groot als de kans dat
de SGP-fractie nog eens van de
regeling gebruik zal maken! 

</spreker>
<spreker pagina="41-2843" anker="71" soort="Staatssecretaris" naam="Kohnstamm">
 Dat
sluit ik niet op voorhand uit.
De heer Koekkoek stelde ook een
aantal vragen over de toekomst van
de Kieswet. Het verheugt mij
natuurlijk dat hij in zijn eerste termijn
te kennen heeft gegeven dat hij het
wetsvoorstel tot grondwetswijziging
namens zijn fractie kan ondersteunen
en dat de verandering van positie
van het CDA ten opzichte van het
kabinet niet een afwijking van de
rechte koers teweeg heeft gebracht.
Over een viertal opmerkingen van
hem wil ik kort iets zeggen.
Is er sprake van een facultatieve of
van een verplichte vervanging? Hij
heeft gelijk dat de Grondwet beide
mogelijkheden toelaat. Het is zeker
niet mijn voornemen om de Kamer
voor te stellen er een verplichte
vervanging van te maken.
Zal de tijdelijke vervanging voor
zestien weken zijn of, zoals de heer
Koekkoek bepleit, voor meer dan
zestien weken? Voorshands vind ik
dat de regeling zestien weken moet
betreffen, omdat dit ook de regeling
is die wij overigens kennen. Dat laat
onverlet de mogelijkheid dat iemand
te eniger tijd zou moeten of willen
besluiten, aan die zestien weken nog
enige weken toe te voegen, zoals
overigens ook buiten de sfeer van
volksvertegenwoordigers wel eens
het geval is. Dat is een ander soort
regeling dan de regeling die wij nu
treffen. Ik vind dat wij in eerste
instantie moeten focussen op die
zestien weken. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2843" anker="72" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Ter voorkoming van misverstand: ik heb
niet een ruimere regeling bepleit,
maar ik heb alleen willen aangeven
dat de Grondwet daar op zichzelf
ruimte voor biedt. Wij wachten het
voorstel van de regering verder af. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2843" anker="73" soort="Staatssecretaris" naam="Kohnstamm">
 Dan is
deze gedachtenwisseling niettemin
verhelderend geweest, want nu is
het misverstand dat op basis van uw
inbreng bij mij was gerezen, in ieder
geval weggenomen.
Voorzitter! Dan is er nog de vraag
opgeworpen, wat er gebeurt als in
de periode van de vervanging het
lidmaatschap van de zwangere
volksvertegenwoordiger dan wel dat
van de vervanger zelf vervalt. Ik zal
wat dit betreft nu geen knopen
doorhakken, want er zijn hierbij een
aantal complicaties, waardoor ik vind
dat ik er nu niet al te diep op moet
ingaan. Daar heeft de heer Koekkoek
mij overigens ook niet toe uitgeno-
digd.
Ten slotte nog de kwestie van het
stelsel van de evenredige vertegen-
woordiging. Ik ben het op dit punt
eens met de lezing die ook de heer
Koekkoek in eerste termijn heeft
gegeven. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2843" anker="74" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Voorzit-
ter! Dan blijft nog over het punt van
de vervanger die een ’’reguliere
vacature’’ aan zijn of haar neus
voorbij ziet gaan. Heeft de staatsse-
cretaris daar al een opvatting over? 

</spreker>
<spreker pagina="41-2843" anker="75" soort="Staatssecretaris" naam="Kohnstamm">
 Deze
Kamer moet eerst nog tot stemming
overgaan en daarna de Eerste Kamer
nog, dus ik kan mij nergens aan
binden, maar ik ben geneigd om te
zeggen dat in beginsel de vervanger
in aanmerking moet komen voor een
reguliere vacature. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2843" anker="76" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Maar dan
moet u de consequentie onder ogen
zien dat die vervanger dan ook weer
een opvolger moet hebben voor de
vervanging. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2843" anker="77" soort="Staatssecretaris" naam="Kohnstamm">
 Dat is
zonder enige twijfel juist. Ik denk dat
het verschrikkelijk ingewikkeld zou
worden om te regelen dat degene
die tijdelijk vervangt, nooit ofte
nimmer een reguliere vacature zou
mogen vervullen. Mij dunkt dat dit
een te grote beperking zou zijn, maar
ook daarover komen wij in de
discussie over onder andere de
Kieswet nog nader te spreken. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2843" anker="78" partij="CDA" naam="Koekkoek">
 Voorzit-
ter! Ik doelde uiteraard op de periode
van vervanging. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2843" anker="79" soort="Staatssecretaris" naam="Kohnstamm">
 Dat
spreekt vanzelf, in deze zin.
Voorzitter! Ik heb hiermee
geprobeerd, alle vragen te beant-
woorden, maar ik zou nog een
opmerking over het geheel willen
maken. Ik heb mij de gevaarlijke
vraag gesteld of de huidige
Grondwet ook zo zou luiden als het
baren van kinderen niet sekse-
specifiek was, dus als de voortplan-
ting van man en vrouw te zamen
zestien weken verlof vergde. Ik denk
dat deze grondwetsherziening dan al
veel eerder doorgevoerd zou zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2843" anker="80" naam="De voorzitter">
 Naar mij blijkt is er
geen behoefte aan een tweede
termijn.
De beraadslaging wordt gesloten. 

</spreker>
<spreker pagina="41-2843" anker="81" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, aan-
staande dinsdag te stemmen.
Daartoe wordt besloten.</spreker>
</blok>
<blok pagina="41-2843">Lijst van ingekomen stukken,
met de door de voorzitter ter zake gedane voorstellen:
1. een koninklijke boodschap, ten
geleide van het voorstel van wet
Wijziging van de Wet op de
rechterlijke organisatie en andere
wetten in verband met de opheffing
van de functie van verkeersschout
(24055).
Deze koninklijke boodschap, met de
erbij behorende stukken, is al
gedrukt en rondgedeeld;
2. een afschrift van een koninklijk
besluit betreffende het ontslag van
de heer prof.mr. C.A.J.M. Kortmann,
regeringscommissaris voor de
toetsing van wetgevingsprojecten.

</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


