<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN6514A07]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van: - het wetsvoorstel Aanpassing van de Spoorwegwet en de Wet personenvervoer aan Richtlijn nr. 91/440 EEG en Verordening (EEG) nr. 1893/91 (24042)</item>
<item attribuut="Bestand"> 115 Kb</item>
<item attribuut="Inhoud">Het wetsvoorstel wordt zonder stemming aangenomen.</item>
<item attribuut="Rubriek">Verkeer, vervoer en waterstaat (Openbaar vervoer)
Verkeer, vervoer en waterstaat (Personenvervoer)
Verkeer, vervoer en waterstaat (Spoorwegen)</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Openbaar vervoer
Personenvervoer
Spoorwegen</item>
<item attribuut="Dossiernr">24042</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1997-1998, nr. 5, Eerste Kamer, pag. 152-174</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">11-11-1997</item>
<item attribuut="Document-id">HAN6514A07</item>
<item attribuut="Omvang">23 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Eerste Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Spoorwegwet</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Besluiten en ingekomen stukken</item>
<item attribuut="doccode">EK 5</item>
<item attribuut="voorzitter">Korthals Altes</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="5-152">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Aanpassing
van de Spoorwegwet en de Wet
personenvervoer aan Richtlijn nr.
91/440 EEG en Verordening
(EEG) nr. 1893/91 (24042).
De beraadslaging wordt geopend.

<blok pagina="5-152">

 
<spreker pagina="5-152" anker="129" partij="VVD" naam="Talsma">
 Mijnheer de
voorzitter! Bij de schriftelijke
voorbereiding zijn verschillende
vragen gesteld door de gehele
commissie voor Verkeer en
Waterstaat. Om elk misverstand te
vermijden, wil ik nu opmerken dat ik
uitsluitend namens de VVD-fractie
het woord voer.
De kwestie waar het hier om gaat,
heeft nogal een tijd gespeeld. In de
Tweede Kamer is er een uitvoerige
discussie geweest over het rapport
van de commissie-Wijffels en al wat
daaraan vast zat. Dat heeft, mede
doordat men tussenrapporten heeft
laten uitbrengen, geduurd van juni
tot eind december 1995. Omdat het
toen de bedoeling was om het in te
voeren per 1 januari daarna heeft
mijn fractie – en, naar ik begrijp, ook
meerdere fracties in dit huis – ervan
afgezien om nog weer over dat
specifieke plan hier afzonderlijk het
woord te voeren.
Dat neemt niet weg, dat er toch
wel gedachten en vragen aan de
orde zijn geweest en nog zijn. Naar
onze mening zijn die kwesties nog
wel degelijk bij de huidige wetswijzi-
ging aan de orde. Ik stel dat even
uitdrukkelijk, omdat door het
departement wel gezegd is dat dit
alleen maar een formaliteit, een
hamerstuk is omdat het uit de
richtlijn voortvloeit en de rest
allemaal nog komt. Het is zeker waar,
dat dit voortvloeit uit de richtlijn, die
weliswaar een zeer breed terrein
bestrijkt maar primair het internatio-
naal vervoer regelt. Verschillende
spoorwegondernemingen kunnen
internationaal bij elkaar ’’op bezoek’’
en wat nu geregeld wordt, gaat naar
mijn mening een stuk verder. Met
name in de Spoorwegwet wordt een
vrij groot aantal zeer belangrijke
artikelen in zijn geheel geschrapt;
niet alleen in verband met de
Brusselse internationale contacten
maar ook voor het binnenlands
Nederlands vervoer. Ik noem in dit
verband de bevoegdheid van de
minister om stations en haltes aan te
wijzen, tarieven goed te keuren en
tarieven zelfs te verlagen, de
dienstregeling goed te keuren, het
minimum aantal treinen per dag op
bepaalde trajecten en zelfs het
minimum aantal treinrijtuigen in elke
trein vast te stellen. Dat wordt
allemaal afgeschaft, evenals – en dat
is in mijn ogen het belangrijkste – de
uitdrukkelijke vervoerplicht, die in het
huidige artikel 31 van de Spoorweg-
wet is neergelegd, en die nu vervalt.
Het is dan ook goed en terecht, dat
wij bij het bespreken van dit
wetsvoorstel ook de vele vragen
welke zich omtrent de uitvoering van
de richtlijn en over het plan-Wijffels
voordoen mede aan de orde stellen.
Het departement heeft ook
opgemerkt, dat de Wet personenver-
voer wat betreft het interlokale
vervoer al geschrapt is en wel op
grond van een besluit uit 1993,
gebaseerd op artikel 3 van die wet.
Daarin staat, dat ten behoeve van
experimenten in het interlokale
vervoer gedurende drie jaar van deze
wet kan worden afgeweken. Terecht
is in de schriftelijke gedachte-
wisseling door de PvdA-fractie in de
Tweede Kamer opgemerkt, dat het
een erg onelegante en misschien zelf
juridisch niet helemaal juiste manier
van doen is om een complete wet af
te schaffen en dat allemaal te
brengen onder ’’ten behoeve van
experimenten’’. Ik deel die mening
en ik kan mij voorstellen, dat een
bestuursrechter dit geen geldige
wetgeving vindt.
Dat besluit is van 1993 en geldt
voor maximaal drie jaren. Het besluit
om het op te heffen, is niet meer van
kracht. Het gebeurt nu in deze wet.
Het argument dat er al beslist is, is
maar zeer betrekkelijk. Wij beslissen
nu, en niet voor drie jaren maar
voorgoed.
Voorzitter! De wetgeving op
spoorweggebied vind ik nogal
rommelig. Dat is trouwens erkend. Er
zijn allerlei uitvoeringsbesluiten,
reglementen en wijzigingen in
aanverwante wetten. Bovendien is de
Spoorwegwet vreselijk ouderwets.
De minister heeft al aangekondigd
dat in het vervolgtraject die wet en
de omringende wetgeving verbeterd
worden. Ik juich dat van harte toe.
In artikel 69 van de huidige
Spoorwegwet staat dat die alleen
van toepassing is op de Staats-
spoorwegen – dat zijn dus die
spoorwegen van Thorbecke – en
later bij andere wetten zijn ook de
Hollandsche ijzeren spoorweg en al
die andere daaronder gebracht. Die
wet is niet meer bij de tijd en moet
uitgelegd worden met allerlei
bijkomende maatregelen.
In artikel 45 wordt gesproken van militaire vervoeren. Daarin staat:
’’Krijgsvolk, paarden en oorlogstuig’’
worden voor half geld vervoerd.
Deze bepaling wordt door de
minister geschrapt. Ik denk dat dit
niet gebeurt vanwege die verouderde
tekst, maar vanwege dat halfgeld-
tarief dat nu aan de Spoorwegen ter
beslissing staat. De uitdrukkingen
stammen uit 1870. Als ik de vele
advertenties lees waarin energieke
jongelui worden opgeroepen om
bijvoorbeeld bij de luchtmacht te
gaan dienen en die fraaie machine-
riee¨n en computergestuurde
toestellen te hanteren, dan worden
de jongelui niet aangesproken met
krijgsvolk, heet het mooie vliegtuig
zeker niet oorlogstuig en paarden
zijn er in het leger al helemaal niet
meer! Maar goed, dit even terzijde,
die wetgeving zal nu hoop ik in een
vrij consistent geheel opnieuw onder
ogen worden gezien.
Voorzitter! Ik zeg nu reeds dat mijn
fractie het eens is met het in de
richtlijn en in het rapport-Wijffels
vastgelegde principe, dat wij moeten
komen tot zelfstandige, markt-
gerichte spoorondernemingen. Een
van de belangrijke punten daarbij is
het concurrentiebeginsel. Daarmee
zijn de Nederlandse Spoorwegen het
uitdrukkelijk eens. Dat vinden zij een
goede zaak. Zij hebben het daarbij in
de eerste plaats over wat ik de
’’interne concurrentie’’ noem, de
concurrentie binnen het railbedrijf. Er
zijn al voorbeelden van. Ik doel met
name op de onderneming Lovers die
nu met een grotere Franse club gaat
samenwerken en die zelfstandig
treinen laat rijden op bepaalde
netten. Dat is geen eenvoudige zaak.
Anders dan bijvoorbeeld autobussen
op de autowegen, die ieder met een
eigen chauffeur een eigen koers
kunnen volgen, elkaar kunnen
inhalen en kunnen afslaan en wat
dies meer zij, is het, zoals wij
allemaal weten en begrijpen, op de
spoorwegen een totaal andere zaak.
Daarvoor zijn maatregelen getroffen.
Er is een aparte organisatie
gekomen, RailNed, die tot taak heeft
gekregen de capaciteit ter beschik-
king te stellen. En waar er niet
voldoende capaciteit is, moet
RailNed allerlei Salomonsoordelen vellen: die gaat eerst en dan die, etc.
Ik zie dat als een belangrijke zaak.
Het concurrentiebeginsel is altijd
goed. Zonder onvriendelijk te zijn,
geloof ik inderdaad te mogen zeggen
dat de huidige Nederlandse
Spoorwegen niet altijd voldoen aan
optimale concurrentie-eisen. Ik ben
blij dat zijzelf nu ook die kant uit
willen.
Aan de andere kant moeten wij
daarvan niet al te veel verwachten.
De capaciteit is immers zeer beperkt
en van de kant van de Spoorwegen
wordt dan ook vaak gezegd, dat het
wel een goed uitgangspunt is om
verschillende ondernemingen op een
net toe te laten, maar dat de
mogelijkheden daartoe maar zeer
beperkt zijn.
Een week geleden hoorde ik een
radio-interview met de marketing-
directeur van de NS, de heer Van
Eeghen, die een bezoek had gebracht
aan Japan en met een bevriend
collega-bedrijf uitvoerige besprekin-
gen heeft gevoerd. Hij zegt twee
belangrijke dingen. In Japan heb je
verschillende spoorwegmaatschap-
pijen, die zelfs geld verdienen en aan
de beurs genoteerd zijn. Ik begrijp
dat dit mede komt doordat zij allerlei aangrenzende dingen doen:
winkelbedrijven exploiteren,
amusementsvoorstellingen organise-
ren; enfin, bredere activiteiten dan
alleen het spoorwegvervoer. Maar
ieder van die maatschappijen heeft
een eigen net. Er zou geen sprake
van kunnen zijn, zegt de heer Van
Eeghen, dat maatschappij A ook
maar een kilometer kan en mag
rijden over de rails van maatschappij
B. Dat is toch een niet onbelangrijk
gegeven dat ik hier ook voor
Nederland nog eens op tafel leg.
Veel belangrijker vind ik de
externe concurrentie. Ik heb dat bij
begrotingsbehandelingen wel eens eerder gezegd: de echte concurrent
van de spoorweg op het gebied van
het personenvervoer is de auto. Ik ga
er nu niet al te diep op in; ik heb het
al meermalen bepleit. Men moet de
spoorwegen modern en toekomstge-
richt maken om de automobilist af
en toe de trein te laten nemen. Op
dit moment is ongeveer 8% van het
personenvervoer per spoor. Men
streeft, althans in oudere rapporten,
naar 15%. Dat zou een enorme
vooruitgang zijn, ook in de rentabili-
teit. Het merkwaardige is dat dit dan
nog veel minder is dan in Japan.
Daar is het volgens de heer Van
Eeghen al 30%, maar hij zegt erbij
dat de Japanse geografische
structuur heel anders is. Daar heb je
langgerekte lintbebouwing, waardoor
men eerder in de trein stapt. Dat mis ik in de plannen nogal: wat doen wij
om meer mensen in de trein te
krijgen? Een belangrijk bestanddeel
van het kabinetsbeleid, ook van
vorige en voor volgende kabinetten,
is toch dat men uit allerlei overwe-
gingen, met name milieu-
overwegingen, althans de uitbreiding
van het autovervoer wil afremmen of
stoppen om dat vervoer zoveel
mogelijk via het openbaar vervoer,
met name de spoorweg, te doen
plaatsvinden.
Bij de regeling tussen de NS en de
regering is een enorm groot contract gesloten: Over de wissels naar een
verdere toekomst. Het is een heel
dikke ordner met een contract met
enige tientallen artikelen en een
twintigtal intentieverklaringen. De minister zegt zelf: dat moeten wij
nog allemaal uitwerken. Dat gaan wij
nu ook doen; ik ben het daarmee
eens.
Maar er zijn toch enkele punten,
waarvan ik er nu reeds een wil
noemen; dat is het begrip ’’onrenda-
bele lijnen’’. De Nederlandse
Spoorwegen kunnen op eigen
houtje, zelfstandig die beslissing
nemen. Dat is gebleken bij de
verschillende contacten die wij
hebben gehad. Onder andere is de
raad van bestuur in dit huis bij onze
commissie voor Verkeer en
Waterstaat op bezoek geweest. Toen is dat duidelijk gesteld: wij beslissen
wat onrendabel is, dat leggen wij
voor aan de minister en die kan dan
op contractbasis verder gaan. Wat is
een onrendabele lijn? Dat is een
buitengewoon onduidelijk, althans
veelzijdig interpreteerbaar begrip.
Niet de minsten onder de grote
internationale concerns vinden iets
pas rendabel als je 8 a` 10% of soms
nog meer rendement van je
geı¨nvesteerd vermogen hebt. Als een
bedrijf 4% rendeert, dan is dat te
weinig en wordt het door zo’n
concern afgestoten. Dat zal bij de
spoorwegen zeker niet het geval zijn,
maar het is een interpretatie-
mogelijkheid. Een ander criterium
kan zijn dat je ongeveer quitte speelt,
dat alle inkomsten alle kosten
dekken. Wat de spoorwegen betreft,
is sprake van een onduidelijke
rendementsberekening omdat het
bestaande spoorwegnet nu helemaal
gratis ter beschikking staat en geen
kostenfactor is.
Ik meen dat als laagste grens
onrendabel in elk geval betekent dat
niet ten minste de variabele kosten
worden goedgemaakt. Ik noem dit
alles om de gedachten enigszins
nader te bepalen. Dat staat tot mijn
spijt allemaal niet in het contract.
Wat ik ook mis in het begrip
’’onrendabel’’, is dat geen rekening
wordt gehouden met toekomstige
mogelijkheden. Bij Almelo-
Marie¨nberg wordt gekeken naar de
jaren 1996 en 1997. In die jaren
wordt zo- en zoveel verloren en op
grond daarvan worden beslissingen
genomen. Ik vind dat daarbij horen
de effecten van eventuele toekom-
stige verbeteringsplannen en
uitbreidingsplannen. Je moet een lijn
niet sluiten als je de mogelijkheid
ziet om in de komende vijf jaar tot
een beter resultaat te komen. Zo zal
ieder bedrijf zijn exploitatie inrichten.
Bij de beslissing ’’sluiten of niet’’
kijkt men ook naar de plannen voor
de nabije toekomst. Dat gebeurt op
dit moment dus niet.
Op onze uitdrukkelijke vragen
daarnaar is bevestigd dat evenmin
rekening wordt gehouden met de
wegvallende kosten als ’’feeder’’-
lijnen worden opgeheven. Als de lijn
Harlingen-Leeuwarden wordt
opgeheven, zal iemand die van
Harlingen naar Zwolle wil, als hij
toch eerst met de auto moet,
waarschijnlijk doorrijden per auto
naar Zwolle. Bij een behoorlijke
berekening van de rentabiliteit moet
ook die wegvallende rit van
Leeuwarden naar Zwolle worden
meegeteld. Het departement en de
NS verzekeren dat dat niet gebeurt.
In de toekomst kan dit voortdu-
rende verschillen van inzicht geven.
Dit soort geschillen is er al geweest.
Enkele jaren geleden heeft de
minister voor een paar jaar een
afspraak gemaakt om wat bij te
passen. Prompt kwam de NS met
een eis van 200 mln. Het departe-
ment bood 60 mln. en men is, meen
ik, ergens gee¨indigd bij 120 mln. Het
is makkelijk neergeschreven, maar
zodra het om geld gaat wil de
ontvangende partij het wat omhoog
schroeven en wil de betalende partij
het bedrag verlagen. Volgens het
contract moet men zich bij geschillen
wenden tot de rechter in Den Haag.
Ik vind dat verkeerd. Echte geschillen
leg je aan een rechter voor, maar dit
zijn lopende geschillen van prakti-
sche, technische, financie¨le aard. Ik
pleit voor het instellen van een
commissie van wijze, onafhankelijke
mannen en vrouwen. Deze hoog-
waardige commissie moet beslissen
over kwesties van rentabiliteit en
andere interpretatiekwesties rond de
contracten.
Tot nog toe heb ik gesproken over
de spoorwegen in het algemeen. Ik
spreek niet over alle regionale
sectoren, die nu zo druk in beweging
zijn, ook omdat daar niet alleen de
spoorwegen bij betrokken zijn, maar
ook plaatselijke busmaatschappijen,
taxiondernemingen en soms zelfs
boten. Ik hoop dat men in alle
gebieden een constructieve
oplossing weet te vinden.
Ik spreek nu verder over het
hoofdnet, de hoofdlijnen, het
rompnet, het kernnet, het intercity-
net, allemaal woorden voor
hetzelfde. Ruwweg gaat het hierbij
om de lijnen die de provincie-
hoofdsteden verbinden, met nog een
paar excentrisch liggende delen,
zoals de Twentse lijn en Vlissingen
na Middelburg. Bij het hoofdlijnennet
is er niet alleen sprake van vrije
concurrentie en sluiting als het niet
rendeert. Naar de mening van mijn
fractie is er uiteindelijk ook een
duidelijke openbare taak voor de
regering. Wij hebben dit vragender-
wijze gesteld en daar is toen het
antwoord op gekomen dat dit
misschien wel een beetje zo is, maar
slechts ten dele. Ik heb een en ander
nog eens goed in de verschillende
stukken bekeken. Ik denk aan een
openbare taak om te zorgen voor
een goed, modern en toekomstge-
richt hoofdnet voor het personenver-
voer per spoor. De minister erkent dit
wel een beetje. In de stukken wordt
voortdurend gesteld dat, als een
sluiting maatschappelijk onaanvaard-
bare gevolgen dreigt te gaan
hebben, er dan een taak ligt voor de
regering om iets te gaan doen. Ik
ben van mening dat dit in het
negatieve dezelfde omschrijving is
van wat ik bedoel met die openbare
taak om te zorgen voor goed
vervoer. Als er maatschappelijk
onaanvaardbare gevolgen zijn,
betekent dit dat er een taak voor de
overheid ligt om daar wat aan te
doen.
In dit kader is ook gewezen op
artikel 4 van de overeenkomst. Daarin staat: de Staat kan te allen
tijde regels stellen in het publieke
belang, ook als dat ingrijpt in de
contracten. Ik vind dat nogal wat.
Hierdoor wordt de mogelijkheid
geopend dat, los van deze overeen-
komsten, van regeringswege kan
worden ingegrepen. Ik zeg niet dat
dit gauw zal gebeuren of dat het
moet gebeuren, maar die mogelijk-
heid is uitdrukkelijk in het contract
opgenomen.
Ten slotte is er nog een escape die
al een paar keer door de minister is genoemd. Zij zei toen: uiteindelijk
ben ik ook nog 100% aandeelhouder.
Dat is tot nog toe inderdaad zo. Wij
weten dat de NS-directie naar de
beurs hoopt te gaan, maar dat is nog
toekomstmuziek. Ik vind dit
argument in elk geval ook niet zo
sterk. Het belangrijkste vind ik dat
die directe openbare taak voor met
name het hoofdnet uitdrukkelijk
wordt vastgelegd.
De voorgangster van deze minister
heeft mij, toen ik een soortgelijke
opmerking maakte, wel eens
gevraagd of het een liberaal was die
dat zei. Mijn antwoord was ja, want
niemand minder dan de grote
liberaal Thorbecke heeft in de jaren
zestig van de vorige eeuw de
staatsspoorwegen opgericht, omdat
het particulier initiatief bleef steken
bij de Hollandse ijzeren spoor van
Amsterdam naar Rotterdam en de
Rhijn-spoor van Den Haag en
Amsterdam naar Arnhem en verder
naar Duitsland. Verder waren er nog
een paar kleine maatschappijen. Die
situatie doet zich nu weer voor, zij
het op een andere manier. Toen was
er een openbare taak om spoorwe-
gen aan te leggen in de blijkbaar
minder rendabele gebieden. Nu is er
een openbare taak voor de regering
om bij al deze nieuwe ontwikkelin-
gen haar zorg aan het hoofdnet te
blijven wijden.
De vraag is dan wie houdt zich nu
bezig met de toekomstige ontwikke-
ling. Ik krijg de indruk dat de
Nederlandse spoorwegen – dat
hebben ze ook min of meer ronduit
erkend in dit huis – eigenlijk niet
meer naar de verre toekomst kijken. De president-directeur heeft gezegd:
wij hebben onze doelstelling
veranderd; vroeger was dat zoveel
mogelijk passagiers vervoeren en nu
is dat zo rendabel mogelijk passa-
giers vervoeren, ook als dat zou
betekenen dat wij er minder gaan
vervoeren dan wij technisch zouden
kunnen. Dat is een duidelijk
antwoord dat voortvloeit uit de
commercie¨le taakstelling. In elk geval
is ons duidelijk geworden dat men
helemaal bezig is – dat is op zichzelf
al een grote opgave – om de
rentabiliteit van het huidige
spoorwegbedrijf, met name de
hoofdlijnen, te verbeteren. Men is
echter niet met de toekomst-
ontwikkelingen bezig. Als er niets
aan de hand was, zou je zeggen dat
het ook al een heel verdienstelijke
zaak is om op de winkel te passen. Ik
heb echter al vaker betoogd dat er
een reusachtige ontwikkeling gaande
is in de spoorwegwereld in Europa.
Nederland ligt daarbij achter. Als wij
ons net niet aanpassen, blijven wij
achter en zal het naar mijn mening
mislopen.
Wie is daar nou mee bezig? Dat
zijn dus niet de Nederlandse
spoorwegen. Zij zullen best
meedenken, suggesties doen enz. Zij
zitten echter net als de minister met
de miljarden die een echte moderni-
sering vergt. Ik heb er ook nooit
omheen gepraat dat dit heel veel
extra kost. Wat die moderniseringen
zijn, zal ik om de minister niet te
vervelen niet weer herhalen. Er
kunnen ook andere plannen gemaakt
worden dan die welke ik hier wel
eens heb verdedigd. Er zal echter
meer gedaan moeten worden dan de
huidige winkel gaande houden. Wie
moet het dan doen? Railned? Die
heeft de dankbare taak om de
capaciteit te verdelen. Waar die te
klein lijkt, is het de taak van Railned
– dat staat ook in de verslaggeving –
om voorstellen tot uitbreiding van de
capaciteit te doen. Ik heb de indruk
dat men ook verder denkt, want als
je eenmaal met capaciteit bezig bent,
dan denk je ook in het algemeen aan
de toekomst. Dat is echter geen
uitdrukkelijke taak van Railned. In de
verslaggeving staat voorts dat
Railned is gebonden aan het bedrag
van 6 mld. dat de regering extra
heeft uitgetrokken voor de komende
jaren.
De minister wees al enigszins op
zichzelf. Het is inderdaad de regering
die de taak heeft om echt met de
toekomstige ontwikkelingen bezig te
zijn, ook al zit daar wel een immens
financieel plaatje aan. De minister
kan niet nog meer uitgeven dan zij al
doet. De schatkistregeling zit zodanig
in elkaar dat het daarmee afgelopen
is. Het is dan wel eens ontmoedi-
gend om je al te veel bezig te
houden met toekomstvisies als je
denkt dat er toch geen geld voor is.
Toch pleit ik ervoor dat de minister
zich wel met die visies bezighoudt. Ik
hoop ook dat dit gebeurt op de
aangegeven manier, maar tot nog
toe heb ik niet de indruk gekregen,
ook niet uit de reactie van de
minister zelf, in het kader van de
begrotingsbehandeling, dat dit het
geval is. Er werd namelijk verwezen
naar het Meerjarenplan infrastructuur
en het tweede technisch pakket,
maar dat zie ik, met de beste
bedoelingen, als uitgebreid op de
winkel passen. Er wordt wel iets
verbeterd, maar er worden structu-
reel geen nieuwe dingen gedaan. De
vergelijking met winkels gaat verder
niet op, want anders zou ik zeggen
dat er moet worden nagegaan of het
buurtwinkeltje geen supermarkt moet
worden. Alle vergelijkingen op dit
punt gaan echter mank.
Ik ben blij dat de minister het als
haar taak ziet om toekomstgericht te
denken. In dat kader pleit ik ervoor
een aantal deskundigen, die geen
directe relatie hebben met de
beschikbare miljarden en de
verantwoordelijkheid op het
departement, uit de kringen van de
spoorwegen, Railned en de
vervoerders, de opdracht te geven
om wel met een financieel plaatje,
maar zonder zich af te vragen
wanneer dat kan worden ingevuld,
een toekomstgericht plan te
ontwerpen. Ik ben namelijk van
mening dat wij momenteel achterblij-
ven. Dat is geen verwijt, maar een
simpele constatering. Het loopt bij
ons te langzaam. De HSL-zuid is al in
1987, 1988 aan de orde geweest.
Toen werd er gesproken over
gereedkomen voor 2000. Wij weten
inmiddels dat dit is verschoven, eerst
naar 2003, toen naar 2005 en
misschien al naar 2006.
Er komt voorts een HSL-lijn
Amsterdam-Ko¨ln-Frankfurt. Tot aan
Ko¨ln loopt die lijn, met name in
Nederland, langs bestaand spoor. Er
moet weliswaar veel worden
veranderd, maar er hoeft geen echt
nieuwe spoorlijn te worden
aangelegd. Van Ko¨ln naar Frankfurt
komt er een compleet nieuwe lijn,
door bergachtig terrein. Die lijn
wordt al in 2000 geopend, terwijl de
vernieuwde lijn Amsterdam-Ko¨ln pas
in 2007 gereedkomt. Dan is er wat
mij betreft toch sprake van een groot
probleem. Waarom duurt het in
Nederland zoveel langer dan in
Duitsland? Ik kan er niet op ingaan,
omdat ik de achtergronden niet ken,
maar dit is niet zoals wij het moeten
doen.
Voorzitter! Ik sluit af. Mijn fractie
gaat gaarne akkoord met het
wetsvoorstel. In het wetsvoorstel
24686 over de wijziging van de Wet
personenvervoer betreft komt het
accent op de provincie te liggen. Dat
heeft onze instemming. Ook dat
wetsvoorstel zullen wij gaarne
steunen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="5-156">

 
<spreker pagina="5-156" anker="130" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">

Mijnheer de voorzitter! Deze
aanpassing van de Spoorwegenwet
en de Wet personenvervoer lijkt een
vrij technische aanpassing van een
Nederlandse wet aan de Europese
regelgeving. Aan de overzijde werd
er slechts door de SP enig tegenwerk
verricht. Op zich is dat niet zo
verwonderlijk omdat in de Tweede
Kamer voldoende over dit onderwerp
gesproken kan worden aan de hand
van nota’s, zoals het beleidskader
toelating tot het spoorvervoer en
contracten met de NS. Maar de
Eerste Kamer behandelt geen nota’s,
of slechts bij hoge uitzondering, en
voor ons is het voorliggend
wetsvoorstel het enige formele punt
waarin we onze visie op de
verzelfstandiging en privatisering van
de NS kunnen geven en zo nodig
wat spaken in het wiel kunnen
steken. Ik was dan ook zeer
ingenomen met de opstelling van
collega Talsma, een gepassioneerd
kenner van het spoor, die vaak
namens onze totale commissie dit
wetsvoorstel grondig heeft bestu-
deerd en zeer kritische vragen heeft
gesteld over het begrip rentabiliteit,
het openbare belang en de toekomst-
visie van de NS, waaronder Rail 21.
Zojuist heeft hij dat ook weer
gedaan. Het is een verheugende zaak
dat er ook nog liberalen zijn die het
spoor wel ter harte gaan.
Onderliggend wetsvoorstel regelt
onder meer dat de vervoersplicht
van de NS wordt opgeheven, dat de
minister niet langer de tarieven
vaststelt en dat de minister niet
langer zeggenschap heeft over de
dienstregeling. Dit zijn formele
uitvloeisels van het paarse kabinets-
beleid inzake de verzelfstandiging en
privatisering van de Nederlandse
spoorwegen en dat staat hier
vandaag dan ook ter discussie. Het
hoofddoel van dit wetsvoorstel staat
helder verwoord in de memorie van toelichting: ’’... de spoorweg-
ondernemingen status te geven van
een onafhankelijke onderneming, die
zich richt naar de behoeften van de
markt’’. Exit nutsfunctie. Natuurlijk
worden er nog wel wat sympathieke
frasen richting de nutsfunctie geuit,
maar uit de stukken en de gesprek-
ken, die onze vaste Kamercommissie
heeft gehad, blijkt heel duidelijk wat
de bedoeling is.
De NS moeten meer winst maken.
22 mln. winst op 5,5 mld. omzet
wordt veel te laag gevonden. Er
werd zelfs gesproken over een
rendement van 10% op het geı¨nves-
teerde vermogen. De heer Talsma
dacht dat NS dat niet vonden, maar
dat hebben zij wel degelijk bij ons
naar voren gebracht. De Tweede-
Kamerfractie van de VVD en de NS
willen ze zo snel mogelijk op de
beurs. President Den Besten zegt het
ook helder in een gesprek met onze Kamercommissie: hoofddoelstelling
van de NS is een zo hoog mogelijke
rentabiliteit en na 1999 wordt de
dienstverlening afhankelijk van het
rendement. Een gevoel van
verbijstering kreeg ik en ik niet
alleen, toen heel open en eerlijk de
vragen werden beantwoord over Rail
21, dat nog sprak van verdubbeling
van de reizigersaantallen in het
openbaar vervoer en over de
investeringen in bijvoorbeeld het
15KV-net. De NS zijn daar niet langer
in geı¨nteresseerd, want het zijn geen
primaire doelstellingen van het
bedrijf. Rail 21, dat duidelijk een
toekomstvisie verwoordde, was in de
kast gelegd vanaf het moment dat de
rijksoverheid niet langer 500 mln. per
jaar in de exploitatie van de NS
wilde steken.
Nu zit ik zeker niet op de lijn om
de NS als hoofdschuldige aan te
wijzen van het drama dat zich aan
het ontwikkelen is, hoewel ik een
andere opstelling richting bondgeno-
ten van het openbaar vervoer wel op
prijs had gesteld. Nee, de hoofd-
verantwoordelijke is natuurlijk
minister Jorritsma en de politieke
meerderheid aan de overzijde, die de
NS in deze positie hebben gema-
noeuvreerd. Nu weet ik dat deze
minister altijd heel boos wordt als ze
van marktfundamentalisme
beschuldigd wordt, maar als ik alle
uitspraken van haar over dit
onderwerp op een rijtje zet en als ik
het dossier bestudeer, moet ik tot het
politieke oordeel komen dat dit niet
zo’n gekke typering is van haar
politieke opstelling. Ze schrijft
trouwens ook dat marktwerking een
cruciaal onderwerp in haar gehele
openbaarvervoersbeleid is, zij wenst
een betwistbare markt te cree¨ren en
koerst duidelijk op concurrentie op
het spoor na 2000.
Deze minister gelooft in het
algemeen in marktwerking en
concurrentie en denkt dat dit ook
voor het openbaar vervoer een
heilzaam medicijn is. Nog sterker, ze
zegt dit allemaal te doen in het
belang van de reiziger want die zal
veel voordelen beleven aan de
concurrentie, die zal er uiteindelijk de
vruchten van plukken. Het moet
afgelopen zijn met de ’’eenzijdige en
dwingende overheidsbemoeienis’’,
wij moeten van de NS een zelfstan-
dige marktgerichte onderneming
maken, financie¨le banden moeten
worden doorgesneden en dan breekt
het reizigersparadijs aan. Hoe ver
staat dit alles af van de realiteit? Ik
weet niet of de minister vaak met de
trein reist, maar als grootverbruiker
doe ik dat wel en dan hoor ik de
reizigers alleen maar klagen. ’’Hoe
durven ze tarieven zo te verhogen
met zo’n slechte dienstverlening’’ is
de meestgehoorde klacht. De 100.000
klachten in 1996 spreken boekdelen;
dat aantal zal in 1997 stijgen. Het
bericht vandaag in de krant over
klachten in Oost-Nederland laat aan
duidelijkheid niets te wensen over.
Ook de opiniepagina’s van de
kranten staan vol met bijtende
commentaren op de uitspraken van
president-directeur Den Besten, die
trouwe reizigers geen goede reizigers
vindt en die, geheel logisch in zijn
beperkte visie van bedrijfsecono-
misch rendement, de tarieven
omhoogjaagt en voorzieningen
afbouwt. Zoals vaker met een
dogmatische utopie, deze keer van
liberale snit, worden reizigers in het
hier en nu gezien als mest op de
velden der toekomst. Wouter van
Dieren omschreef het in de
Volkskrant van zaterdag jongstleden
als ’’een bizar ideologisch experi-
ment dat wordt uitgevoerd zonder
dat de politici en hoge ambtenaren
ook maar het flauwste benul hebben
van wat zij aanrichten’’.
Men blijft natuurlijk ijdele
pogingen verrichten om de reizigers
wijs te maken dat marktwerking,
concurrentie, verminderde subsidie,
hogere prijzen en afbouwen van
onrendabele lijnen in diens belang
zijn. Dat ene ludieke, schattige lijntje
van Lovers naar IJmuiden, dat
natuurlijk slechts bedoeld was als
een spiering om een kabeljauw te
vangen, wordt als een worstje
voorgehouden. Lovers is trouwens
helemaal geen klein goudvisje.
Daarachter steken machtige Franse
belangen die als haaien in de oceaan
rondzwemmen.
Interessant vond ik de uitspraak
van Den Besten in het recente
interview in de Volkskrant waarin hij
de massieve kritiek op de spoorwe-
gen probeerde te pareren. Naast
dwaze psychologiseringen – ’’de
reiziger reageert zich op ons af
omdat we zo herkenbaar zijn’’ – doet
hij de interessante uitspraak dat
concurrentie op en om het spoor
duurder is en dat de NS door de
onzekerheid die door de concurrentie
en korte jaarcontracten wordt
opgeroepen, minder onrendabel
durft te investeren in de toekomst
van het bedrijf en in de nieuwe
dienstregelingen op safe speelt met
meer intercity’s ten koste van
stoptreinen. Dat is een merkwaardige
inconsistentie, zeg maar een
paradox. Het hele spelletje is opgezet
om het openbaar vervoer goedkoper
te maken, maar het wordt duurder
en permanente kwaliteits-
verbeteringen en een betere
prijs-kwaliteitsverhouding blijven uit
vanwege de strategische onzeker-
heid; de prijs neemt wel toe, maar de
kwaliteit niet. Wat is de reactie van
de minister hierop?
Ook van klantgerichtheid is nog
weinig te merken. Nog steeds zijn er
op het middenniveau en het lagere
niveau restanten van een bedrijfs-
cultuur waarin reizigers lastig
worden gevonden omdat de treinen
op tijd moeten rijden en waarbij
regeltjes bureaucratisch worden
toegepast. Dit soort problemen moet
aangepakt worden door een
consequent management dat open
staat voor klachten, maatregelen
neemt en het personeel, zo nodig,
stevig aanspreekt.
Een onthullend signaal over het
steeds meer ontbrekende wij-gevoel
van het NS-personeel – vroeger
waren zij trots op hun NS – is de
reactie van conducteurs en perron-
opzichters die klachten van reizigers
steevast pareren met ’’zij beslissen
dit’’ – daarmee bedoelen zij de
burcht in Utrecht – in plaats van ’’ik’’
of ’’wij’’ die de klantonvriendelijke
beslissingen vaak wel degelijk zelf
nemen.
Het management in de burcht te
Utrecht corrigeert onvoldoende en
geeft juist het verkeerde voorbeeld
en het verkeerde signaal. Trouwe
klanten die veel betalen voor hun
OV-kaart, moeten door draconische
maatregelen de spits uitgejaagd
worden. Prijsverhogingen zonder dat
de echte concurrent, de auto, wordt
aangepakt, zijn natuurlijk buitenge-
woon dom. Op dat punt ben ik het
helemaal met de heer Talsma eens.
</spreker>
<spreker pagina="5-157" anker="131" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">
 De
fractie van GroenLinks slaat dit
allemaal met verbijstering, irritatie en
soms woede gade. Wat is dit voor
een vreemde paarse politiek die zegt
het primaat van de politiek te willen
herstellen, maar die slechts het
primaat van de markt weet te
vestigen? Bij de PTT hebben wij al
gezien waar dit toe kan leiden.
Terwijl de politiek ervoor kiest om
het goederenvervoer over het spoor
te stimuleren, schaft de PTT de
posttreinen doodleuk af en heeft de
politiek het nakijken. Terwijl de
politiek voor spreiding van de PTT in
Groningen was, wordt die spreiding
nu teruggedraaid en hebben wij het
nakijken. Terwijl de meerderheid in
het parlement helemaal niet gelukkig
is met het beleid van de NS inzake
fietsen op de trein of met het
opheffen van kaartverkoop via
loketten, heeft de politiek het
nakijken. Minister Jorritsma is door
de Tweede Kamer op pad gestuurd
omdat de tariefsverhogingen terecht
niet worden gepikt. Die zijn een
volstrekt verkeerd signaal, als je
tenminste het openbaar vervoer wilt
stimuleren. Als de minister binnen-
kort met hangende pootjes in de
Tweede Kamer terugkomt en zegt dat
de NS volhardt in haar prijsbeleid,
dan heeft het parlement uiteindelijk,
bij de huidige spelregels, geen biels
om op te staan. De minister is er in
haar hart, en zeker in haar moord-
kuil, gewoon blij mee. Laat de NS
dat toch zelf beslissen, zo vindt zij;
daar moeten wij als politiek ons niet
mee willen bemoeien.
De huidige spelregels, die in
voorliggend wetsvoorstel mee
bepaald worden, houden in dat de
NS geen exploitatiesubsidie meer
krijgt en winst moet maken. NS
wordt gedwongen zich te richten op
het bedrijfseconomische resultaat.
De politiek daarentegen zit vol met
ambitieuze doelstellingen. Die wilde
het openbaar vervoer verdubbelen
en milieudoelstellingen halen. De
politiek heeft een open oor en oog
voor de maatschappelijke nutsfunctie
van het spoor, maar laat zichzelf het
instrument uit handen slaan om deze
politieke doelstellingen te realiseren.
Het is natuurlijk ook wel logisch,
dat de beoogde marktwerking niet
werkt bij de spoorwegen. Het
spoorwegennet leent zich helemaal
niet voor concurrentie. Het is een
aanbod van in de tijd vastgelegde
diensten, die als netwerk worden
aangeboden. Een storing in Utrecht
en we merken het in het hele land.
Nederland heeft het drukst bereden
lijnennet van Europa en van die
dagelijkse 5000 treinen zijn er slechts
elf of twaalf intercity’s rendabel.
Kruisfinanciering, tot een onkies
woord verklaard door de commissie-
Cohen, is dus van absoluut belang,
als wij tenminste meer willen dan
twaalf intercity’s. De NS benadrukt in
onze ogen terecht het behoud en de
versterking van het huidige netwerk
en wil de regie in een hand houden.
Opvallend is het begrip monopo-
lie, dat door de minister als een
besmettelijke ziekte wordt gezien.
Maar op zich hoeft er niets tegen een
nutsvoorziening te zijn die het
monopolie heeft. Er rijdt toch ook
alleen de Thalys naar Parijs? Er is
gelukkig maar een kadaster in
Nederland, er ligt maar een landelijk
koppelingsnet en gelukkig hebben
we ook geen drinkwaterbedrijven die
elkaar met aparte netten beconcurre-
ren en lopen er geen tien rioleer-
systemen door dezelfde straat.
Natuurlijk moeten dit soort
bedrijven wel klantvriendelijk en
efficie¨nt werken, waar dan intelligen-
ter besturingssystemen voor bedacht
en ontwikkeld kunnen worden dan
de dommekracht van marktwerking
en concurrentie. Een gemeentelijke
schouwburg kan heel goed door de
politiek geregeld worden zonder dat
er op detailniveau bureaucratisch
wordt aangestuurd. Er is niets mis
met democratische controle op
nutsbedrijven, waarbij het parlement
de verantwoordelijke minister kan
aanspreken en deze het management
van zo’n dienst op het matje kan
roepen. Zolang de gemeenschap via
de investeringen miljarden in het
openbaar vervoer blijft steken – dat
doen wij terecht en volgens
GroenLinks nog te weinig – is het
toch niet meer dan normaal dat wij
invloed willen hebben op de
bestedingen.
Maar de minister ziet het anders.
Zij wil van de NS ’’een echt bedrijf’’
maken. Een gemeentelijk waterbed-
rijf is in haar ogen kennelijk pas echt
als het winst belangrijker gaat vinden
dan het leveren van betrouwbaar
drinkwater tegen een milieu-
verantwoorde en zo laag mogelijke
prijs. Zouden de geruchten kloppen
dat de privatisering juist wordt
doorgezet omdat de politici een rem
vormen op gewenste tariefs-
verhogingen en men denkt dat
VVD-managers bij de NS deze
boodschap beter kunnen verkopen
dan VVD-politici? Het gerucht is
overigens verspreid door een
CDA-politicus.
De NS moet geen marktpartij
willen zijn die haar blik op de beurs
heeft gericht, maar dient zich als
dienstbare en sociaal ondernemende
bode in dienst van de gemeenschap
te gedragen. ’’Wie betaalt bepaalt’’ is
volgens GroenLinks nog steeds een
goed adagium en zeker bij een
bedrijf waarvan de aandelen voor
100% in eigendom van de Staat der
Nederlanden zijn.
Voorzitter! Er wordt veel
geschermd met de ontwikkelingen in
het buitenland en de druk van de EU.
Engeland wordt als lichtend
voorbeeld genoemd. De minister
jaagt de liberale droom van
mevrouw Thatcher na, al wil zij het
hele proces wel wat geleidelijker
laten verlopen. Dat is ook de prijs die
de VVD voor de Nederlandse
coalitiecultuur wil en moet betalen.
Maar in Engeland loopt het helemaal
niet goed. Ik citeer nog eens Wouter van Dieren: ’’Regelgeving en
overheidscontrole op de Engelse
spoorwegmaatschappijen zijn eerder
toe- dan afgenomen. Liefst 30.000
contracten waren nodig om het
proces van deze pseudo-privatisering
in goede banen te leiden, wat 3 mld.
heeft gekost aan adviseurs en
juristen.’’ Alweer een ironische
contradictie in de paarse utopie. Ze
willen zowel deregulering als
privatisering en blijken dan
tegenstrijdige doelen te hebben. Het
lijkt op de wens om zowel concurren-
tie als kostenbesparingen te willen,
terwijl in de Verenigde Staten blijkt
dat concurrentie in bijvoorbeeld de
gezondheidszorg tot peperdure zorg
heeft geleid. In Engeland is er geen
kaartintegratie en in Nederland
trouwens ook niet. Logisch ook,
omdat Lovers haar eigen inkomsten
wil houden en de NS in haar wens
naar hoge financie¨le rendementen
ook de eigen opbrengsten wil
houden. De consument, waarvan
men zegt dat die centraal staat, is
slechter af. Mis je in Engeland de
Virgin Expres, dan mag je tien
minuten later niet met de paarse
Intercity mee, want daarvoor geldt je
kaartje niet.
In de rest van Europa loopt het
ook helemaal niet zo’n vaart met die
concurrentie. Alleen in Engeland zijn
de spoorwegen geprivatiseerd. Laten
we eens het zo stabiele en bepaald
niet zo linkse Luxemburg nemen.
Volgens drs. Drewin Nieuwenhuis
van Euroteam Brussel in Nederlands
Vervoer van 14 februari 1997 wordt
het openbaar vervoer daar verzorgd
via een openbaar monopolie en is
geen enkele verandering te
verwachten. In de zuidelijke
Europese landen is er toch al een
positievere houding inzake de
sturende rol van de staat, maar ook
in Duitsland is geen concurrentie
voor de Deutsche Bundesbahn,
behalve een uitzondering in
Du¨sseldorf die voortkomt uit
goedkopere CAO’s. Dat is natuurlijk altijd een koud kunstje: het personeel
lager betalen en zo goedkoper
werken. Dat heeft natuurlijk meer
met uitbuiting dan met efficiency te
maken. Het moet voor de minister
toch ook een raadsel zijn dat in Basel
en in Karlsruhe goede succesvolle
OV-bedrijven opereren, steden
zonder marktwerking? Het moeten
voor haar onverklaarbare zaken zijn
uit een wondere wereld, die ze liever
niet leert kennen.
GroenLinks is zeker niet tegen alle
vormen van marktwerking. Het is
heel goed als de NS en OV-bedrijven
hun klanten kennen en op hun
wensen willen inspelen. Er moeten
zelfs veel krachtiger mechanismen
ontwikkeld worden dan de huidige
vrijblijvende consumentenplatforms,
zodat de klant meer koning wordt.
Deze prikkels vanuit de
consumentenmarkt zijn een veel
intelligentere besturingsfilosofie, die
veel directer en preciezer kan werken
dan de botte bijl van concurrentie,
waarbij het cherry picking op de loer
ligt.
Ook richting NS zijn andere
prikkels mogelijk dan het ru¨cksichts-
los bee¨indigen van de exploitatie-
subsidies. De minister staat op het
standpunt dat zonder privatisering en
verzelfstandiging de NS anders
alleen maar achter de staatssubsidies
blijft aanlopen en niet zelfstandig en
actief genoeg opereert om meer
inkomsten te vergaren. Dat moge zo
zijn, maar deze redenering miskent
volledig de verantwoordelijkheid van
de minister om te zorgen dat de echte concurrent wordt aangepakt:
het levensgevaarlijke en milieu-
verwoestende particuliere gaspedaal.
Zij faalt volledig om mensen uit de
auto te halen, terwijl alleen zo het
openbaar vervoer en het spoor, net
als in de jaren dertig, weer rendabel
kunnen worden. Maar paars schuwt
stevige maatregelen, behalve bij
filebestrijding, want files zijn slecht
voor de economie en kosten geld.
Dan is het dus kennelijk wel een echt
probleem.
Volgens de minister ligt het succes
van de auto in het opereren op een
vrije markt; ook alweer een uitspraak
die ik las. Alweer die rare bril die
zorgt voor een onnauwkeurige
analyse. Het succes van de auto ligt
in de individuele voordelen en het
gemak op de korte termijn, ten koste
van enorme maatschappelijke,
collectieve nadelen. De politiek is nu
juist uitgevonden om voor dit soort
vraagstukken oplossingen te
verzinnen en stevig beleid te voeren.
Het lijntje Almelo-Marie¨nberg is
natuurlijk een voorbode van wat ons
na 2000 te wachten staat. Terwijl de
regio met een reddingsplan is
gekomen waardoor de exploitatie
met tweederde is verminderd en
nauwelijks duurder is dan die bus die
er twee keer zo lang over doet, lijkt
de minister hier tot nu toe niet op te
willen inspelen. Of zijn er positieve
ontwikkelingen te melden? 

</spreker>
<spreker pagina="5-158" anker="132" soort="Minister" naam="Jorritsma-Lebbink">
 Ik heb
al veel opvattingen gehoord waar ik
mij niet in herken, maar in deze
laatste herken ik mij zeker niet. U
zegt steeds dat ik dit of dat vind,
maar ik hoor dan graag waar ik dat
zou hebben gezegd en hoe ik het
gezegd zou hebben. Over dit laatste
onderwerp heb ik zeker nooit gezegd
dat ik het niet zou willen. 

</spreker>
<spreker pagina="5-158" anker="133" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">
 In de
Tweede Kamer is hier een debat over
gevoerd en in de notulen daarvan
heb ik niet gelezen dat u enthousiast
het reddingsplan van de regio hebt
omhelsd. Integendeel, u hebt tot nu
toe vastgehouden aan de lijn die u
hebt uitgezet. Maar goed, als er
andere berichten over zijn, hoor ik
die graag. 

</spreker>
<spreker pagina="5-158" anker="134" soort="Minister" naam="Jorritsma-Lebbink">
 Ik zou
toch graag willen dat u wat meer
secuur omgaat met mijn opvattin-
gen. Het is voor mij heel moeilijk om
te reageren als u zegt dat ik een
bepaalde opvatting zou hebben en u
daar vervolgens iets tegenover stelt,
terwijl die door u genoemde
opvatting niet mijn opvatting is. 

</spreker>
<spreker pagina="5-159" anker="135" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">
 Ik heb gezegd: lijkt de minister er niet op te
willen inspelen. Met het woord ’’lijkt’’
heb ik dus nog een slag om de arm
gehouden.
Voorzitter! U zult begrepen hebben
dat wij het beleid van paars, van
deze minister inzake privatisering en
concurrentie om en op het spoor
afwijzen. Met de decentralisatie van
het budget van de regionale
spoorlijnen – het andere wetsvoor-
stel – naar de provincies hebben wij
minder problemen vooral omdat wij
denken dat lokale overheden
gevoeliger zijn voor de mening van
de bevolking die massief de
zogenaamde onrendabele spoorlij-
nen wil handhaven. 

</spreker>
<spreker pagina="5-159" anker="136" soort="Minister" naam="Jorritsma-Lebbink">
 Er ligt
geen wetsvoorstel bij u inhoudende
dat wij onrendabele spoorlijnen
willen decentraliseren. Dat moet een
vergissing zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="5-159" anker="137" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">
 In de
aanpassing van de Wet personenver-
voer wordt het budget voor
regionale spoorlijnen gedecentrali-
seerd. 

</spreker>
<spreker pagina="5-159" anker="138" soort="Minister" naam="Jorritsma-Lebbink">

Uitsluitend het streekvervoer wordt
gedecentraliseerd, niet de spoorlij-
nen. 

</spreker>
<spreker pagina="5-159" anker="139" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">
 Goed.
Het budget voor het streekvervoer
wordt gedecentraliseerd. De regio
maakt in samenwerking met de NS
plannen. Het vervoersvraagstuk
wordt gedecentraliseerd. Wij steunen
dat. Wij menen dat de regionale
overheden dat beter aanpakken. De
aanpassing van de Spoorwegwet kan
niet op onze instemming rekenen. De
minister moet van ons een heel
andere opstelling in Brussel kiezen.
De concurrentie, eens verzonnen en
genoemd in het rapport Wijffels,
levert voor het spoor niets op dan
nieuwe problemen. Opnieuw Wouter van Dieren: ’’Ergens in de lucht
hangt een ballon waaraan een
mandje bungelt met de slogans van
de vrije markt erin. En alles en
iedereen rept zich erachteraan,
hoewel niemand weet wat er in het
mandje zit.’’ Het wordt tijd dat de
bordjes worden verhangen, het spel
en de spelregels opnieuw worden
bepaald en het afstemmen van deze
wet in de Senaat zou daarvoor een
goed signaal afgeven. Als dit beleid
in deze vorm wordt doorgezet durf ik
wel de voorspelling aan dat de
samenleving en de politiek over 10
jaar ach en wee roepen over het
openbaar vervoer schadende
beslissingen die onder paars zijn
genomen. Deze minister zal nooit
ofte nimmer een standbeeld krijgen,
op welk station dan ook.
Wij zijn ons ervan bewust dat we
weinig concrete vragen hebben
gesteld, maar wachten met
belangstelling de antwoorden van de
minister af, zeker als ze bereid en in
staat is om te reageren op onze
kritiek, stellingen en argumentatie.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="5-159">

 
<spreker pagina="5-159" anker="140" partij="SGP" naam="Van den Berg">

Mijnheer de voorzitter! Ik voer mede
namens de fracties van de RPF en
het GPV het woord.
De aanleiding met betrekking tot
de aanpassing van de Spoorwegwet
is in feite de aanpassing van de
nationale wetgeving aan een
Europese richtlijn. Dit wetsvoorstel is
een eerste stap op weg naar
marktwerking, meer niet. Wel komen
er ontwikkelingen op ons af, die ons
nopen tot een kijk in de toekomst.
Bovendien is dit voor de Eerste
Kamer een eerste formele gelegen-
heid – naast de begrotingsdebatten –
om met de minister van gedachten
te wisselen over de toekomstige
marktwerking op het spoor.
De aanpassing in de Spoorwegwet
biedt immers naast toegang tot
internationaal spoorvervoer in
beginsel een opening voor markt-
werking. Er wordt voor de inhoud
van het concurrentieregime
verwezen naar de concessie-
besprekingen met de NS en
wetgeving rond de verzelfstandiging
van de NS. Dit betekent voor
potentie¨le spoorwegbedrijven dat zij
wel weten dat marktwerking in
beginsel mogelijk is, maar niet weten
onder welke voorwaarden en
condities. Voor een gezonde
marktwerking is het wel noodzakelijk.
Een markt, zeker als het gaat om
langetermijninvesteringen functio-
neert immers pas bij volledige
informatie. In de aanpassing zelf
komen enkele artikelen voor – 29.2,
31 en 31 – die om een invulling
vragen. Is daar al een tijdschema
voor vastgesteld?
Voorzitter! De invoering van de
genoemde richtlijn is in lang niet alle
andere lidstaten van de Europese
Gemeenschap al zo ver. Het nadeel
voor Nederland is dat wij geen
spoorwegdiensten binnen de
Europese Gemeenschap exporteren.
Althans, van zulke plannen heb ik
niets gevonden. Maar wij verplichten
ons, zij het beperkt, wel tot de
mogelijkheid om zulke diensten te
importeren. Het blijkt dat de
doelstelling van het kabinet met deze
aanpassing niet alleen invoering van
de genoemde richtlijn is, maar naar
onze mening ook het voor de
toekomst openbreken van de
binnenlandse spoorwegmarkt. Graag
zouden wij hierover met de minister
van gedachten wisselen. Er wordt
een duidelijke stap gezet in de
richting van de introductie van
marktwerking, maar marktwerking is
alleen zinvol als een aantal essentie¨le
zaken geregeld is.
Marktwerking kan op zichzelf in
het spoorvervoer een goede functie
hebben, namelijk verbetering van het
openbaar vervoer. Maar er moeten
dan wel economische prikkels zijn,
zoals kostenefficie¨nte en een
klantvriendelijke exploitatie, optimale
inpassing in verkeers- en vervoersbe-
leidsdoelstellingen, reductie van het
autogebruik en goede bereikbaar-
heid, optimale afstemming met
andere vervoerssystemen, een
prikkel tot innovatie en optimalise-
ring van de totale vervoersketen.
Concurrentie mogelijk maken om en
op het spoorwegnet geeft onzes
inziens vooral prikkels tot kosten-
efficie¨ntie en klantvriendelijkheid,
maar de andere genoemde prikkels
zijn ook nodig om de marktwerking
te optimaliseren; optimalisering zal
niet automatisch gaan. Kan de
minister meedelen of zij deze prikkels
onderdeel zal laten zijn van het te
voeren beleid?
Het onderscheid dat veelal tussen
de spoorwegen en het regionale en
lokale vervoer gemaakt wordt, is in
de praktijk aan het vervagen, zo
vinden wij. Dit kan een bron van
misverstanden en onbedoelde
effecten worden. De huidige situatie
bij de Nederlandse Spoorwegen is
wat dit betreft niet maatgevend. In
vervoerkundig opzicht is er een roep
om een integraal aanbod van
collectief vervoer, bijvoorbeeld voor
stedelijke agglomeraties. Het is
duidelijk dat deze aanpassing van de
Spoorwegwet deze maatschappelijk
gewenste ontwikkeling niet regelt.
Wij vragen de minister, hoe zij
hiermee in de nabije toekomst zal
omgaan.
Deze aanpassing van de
Spoorwegwet is ook relevant voor
het goederenvervoer en de prakti-
sche toepassing ervan is al realiteit
of zal dat binnenkort worden. Wel
vragen wij de minister, wanneer er
het een en ander over de verdeling
van de schaarse railcapaciteit tussen
goederen- en personenvervoer en
ook tussen de verschillende
goederen- en personenvervoerders
zal worden geregeld. Dit zal
natuurlijk in overleg met Railned
moeten gaan. Is er al iets te melden
over een toekomstvisie die Railned
wellicht al heeft ontwikkeld? Wij
moeten voorkomen dat er onzekerhe-
den in het te voeren beleid zullen
blijven bestaan, die ondernemers,
waaronder de NS, verhinderen een
goede strategie te ontwikkelen en het
investeringsbeleid op langere termijn
te voeren.
Voorzitter! Commercie¨le exploita-
tie door spoorwegvervoerders zal
gericht zijn op rendabele dienstverle-
ning. Dit kan veel spanning
opleveren met maatschappelijk
gewenste dienstverlening. Kan de
minister aangeven of zij het
voornemen heeft om bijvoorbeeld
via contracten of anderszins deze
maatschappelijk gewenste dienstver-
lening in te kopen of deze op een
andere wijze goed te regelen? Denkt
de minister dat dit nog extra
problemen zal opleveren? In het
verlengde hiervan hebben wij nog
een aantal vragen. Hoe constant
moet de contractering zijn?
Spoorwegmaterieel gaat circa 30 jaar
mee. Wie bepaalt bij contractuele
dienstverlening voor de overheid de
tarieven etc.? En levert dit voor de
vervoerketen een optimale dienst
op? Is het gevaar niet ree¨el aanwezig
dat een lappendeken ontstaat van
aan elkaar geregen spoorweg-
ondernemingen, al dan niet via
overheidscontracten?
Voorzitter, ik ga afronden. Wij
menen dat er een beweging is om
het korteafstandsvervoer, nu
verzorgd door de NS, voor een deel
af te bouwen. Daarom is het
interessant om nog even de
aandacht te vestigen op de decentra-
lisatie van het streekvervoer. Dit is
voor de bereikbaarheid in zijn
totaliteit erg belangrijk. Inmiddels is
de teerling geworpen. Binnenkort, in
1998 – tenzij er nog vreemde dingen
gebeuren, maar dat zal wel niet – ligt
de bevoegdheid voor het streekver-
voer in handen van de provincie-
besturen. Dit vinden wij belangrijk,
omdat de provincies bijvoorbeeld de
meeste kennis hebben van hun
gebied. Ook zijn zij als midden-
bestuur prima in staat om relaties te
leggen met andere beleidsterreinen.
Denk aan de ruimtelijke ordening.
Dat geeft duidelijk een meerwaarde.
Dit betekent wel dat de provincie als
opdrachtgever zich sterk zal moeten
maken om de vormgeving van het
streekvervoer, inclusief het korte-
afstandsvervoer bijvoorbeeld per rail,
te wijzigen en goed op elkaar af te
stemmen, met als doel te komen tot
een sterk verbindend net van
openbaar vervoer in ons land. Er is
vooral ook veel behoefte aan
aanvullend vervoer. Het moet
mogelijk zijn om zo meer kwaliteit te
krijgen, meer dienstverlening voor
hetzelfde geld.
Voorzitter! Het zal duidelijk zijn dat
wij groot belang hechten aan een
optimaal functionerend openbaar-
vervoernet. Wij willen met nadruk
stellen dat de overheid hierin een
belangrijke taak moet blijven
vervullen. Dit omdat er duidelijk een
publiek belang is. De zorgen die wij
hebben of dat met het beschikbare
instrumentarium bereikt zal worden,
hebben wij met onze bijdrage willen
verwoorden. Wij gaan akkoord met
het voorliggende wetsvoorstel tot
wijziging. Met belangstelling
wachten wij de beantwoording van
de minister af.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="5-160">

 
<spreker pagina="5-160" anker="141" partij="PvdA" naam="Zijlstra">
 Mijnheer de
voorzitter! Dit wetsvoorstel ligt al
ruim anderhalf jaar bij de Eerste
Kamer. De reden daarvoor is niet in
de laatste plaats dat de minister bij
de implementatie van EEG-
wetgeving andere regels in het
voorstel heeft opgenomen dan voor
de implementatie nodig zijn. In de
toelichting op aanwijzing 337, die
hierover gaat, staat dat gelet op de
noodzaak van tijdige implementatie,
moet worden vermeden dat de
implementatie van een com-
munautaire regeling wordt meegeno-
men in een bredere herziening van
de desbetreffende regelgeving of dat
in de implementatieregeling extra
nationaal beleid wordt meegenomen.
Het woord ’’vermeden’’ impliceert
dat het niet verboden is om andere
onderwerpen in een implementatie-
voorstel te regelen. Het wordt slechts
afgeraden.
Wij weten dat de minister zich
hiervan bewust is, maar betreuren
niettemin dat de minister zich niet
aan de geest van die aanwijzingen
heeft gehouden. Wij zouden haar
willen aanraden om dat niet weer te
doen. Wij hebben overigens ter
kennis genomen dat een nieuwe
wijziging van de Spoorwegwet, die
bij de Tweede Kamer ligt, nu ter
implementatie van richtlijnen 95/18
EG en 95/19 EG, uitdrukkelijk niet
verder strekt dan waartoe die
richtlijnen noodzaken.
Mijn tweede opmerking vooraf
heeft te maken met de taakverdeling
tussen de Eerste en de Tweede
Kamer. Ook onvolkomenheden
daarin verklaren de lange periode
van verblijf van dit wetsvoorstel in
de Eerste Kamer. Het komt nogal
eens voor, dat wetsvoorstellen de
uitwerking behelzen van beleidslijnen
die in de Tweede Kamer in extenso
in de vorm van beleidsnota’s en
dergelijke aan de orde zijn geweest.
De Eerste Kamer kan die nota’s,
PKB’s en dergelijke behandelen,
maar rekent dat meestal niet tot haar
eigenlijke taak. Enkele weken
geleden werd hierover nog een
debat in deze Kamer gehouden. Door
de woordvoerder van mijn fractie
werd globale voorbereidings-
wetgeving bepleit om niet voor
voldongen feiten te worden gesteld.
Het extra nationale spoorwegbeleid
dat in dit wetsvoorstel wordt
voorgesteld, is voor een belangrijk
deel een nadere concretisering van
het kabinetsstandpunt over het
advies van de commissie-Wijffels. En
dat is niet als zodanig in deze Kamer
aan de orde geweest. Ons dunkt, dat
onze commissie voor Verkeer en
Waterstaat er zich nog maar eens op
moet beraden of dit een goede gang
van zaken is. Wij kunnen van oordeel
zijn, dat het openbaar-nutskarakter in
dit wetsvoorstel tekort komt, maar
hebben wellicht onze beurt voorbij
laten gaan toen dat aspect ten
principale aan de orde was.
Voorzitter! Wij hebben in
algemene termen moeite met wat in
de intentienotitie van het overgangs-
contract bij de verzelfstandiging van de NS werd aangegeven, te weten:
’’het Nederlandse spoorwegnet is in
principe vrij toegankelijk voor iedere
onderneming die aan de non-
discriminatoire toelatingseisen
voldoet’’. Collega Talsma had – en,
naar ik begrijp, heeft – daar kennelijk
ook moeite mee. Hij verklaarde in de
begrotingsbehandeling van Verkeer
en Waterstaat in 1996 uitdrukkelijk,
dat de openbare taak voor het rendement gaat en zelfs: ’’het heeft
geen enkele zin om de Spoorwegen
te prikkelen tot betere of goedkopere
prestaties door concurrenten op de
rails toe te laten’’. Dat is een heel
opmerkelijke passage, voorzitter. Dat
komt dicht bij het standpunt dat door
de PvdA-fractie in de Tweede Kamer
is verwoord en door ons wordt
gedeeld, dat in ieder geval voorals-
nog concurrentie op het kernnet
ongewenst is.
De openbare taak gaat boven het
rendement. Dat betekent in ieder
geval, dat de NS op het kernnet
beschermd moeten worden tegen
concurrenten die alleen maar de
krenten uit de pap halen en dat
voldoende financie¨n beschikbaar
moeten zijn om onrendabele maar
maatschappelijk onontbeerlijke
nevenlijnen draaiende te houden.
Door de top van de NS is eraan
herinnerd, dat na 1 januari 1999 de
dienstverlening van de NS geheel
afhankelijk zal moeten zijn van het
rendement. Daarom valt ook volgens
de minister de dienstregeling van de
NS alsdan ’’minder nauwkeurig’’ te
voorspellen. De gebruiksheffing voor
de infrastructuur die de NS moeten
betalen, is tot 2000 op nul gesteld.
Ons inziens moet die praktijk ook
daarna voortgezet worden als de
openbare-nutstaak van de NS anders
in gevaar zou komen. Het is naar ons
oordeel van het grootste belang, dat
ondubbelzinnige spelregels worden
opgelegd aan concurrenten van de
NS op het spoor en om het spoor.
Scherpe spelregels moeten ook
gelden voor het afsluiten van
openbare dienstcontracten, dus voor
voorzieningen die niet zonder
subsidie door de markt kunnen
worden geboden. Bij de dienstverle-
ning dienen minimumniveaus
vastgelegd en gegarandeerd te
worden, zowel bij onrendabele lijnen
in het algemeen als voor bijvoor-
beeld frequenties in daluren.
Hetzelfde geldt ook voor tarieven,
overigens ook in de piekuren.
Spoorvervoer behoort in onze
opvatting tot de voorzieningen van
openbaar nut, net als de levering van
elektrische energie, gas en water en
ophalen van afval. De overheid heeft
daarbij een zorgplicht. Het zijn
basisvoorzieningen waarop de
burgers te allen tijde moeten kunnen
rekenen. Als de markt een deel van
die voorzieningen overneemt, moet
die markt ook de zorgplicht
overnemen. De markt zal minimum-
niveaus van dienstverlening moeten
waarborgen. De markt zal onrenda-
bele marktsegmenten mede moeten
financieren. De overheid dient dat
naar ons oordeel spijkerhard op te
leggen.
In een marktmechanisme zonder
enige overheidsinmenging zal een
aanbiedende marktpartij de
marginale kosten van zijn minst
rendabele prestatie minimaal geheel
vergoed willen hebben. De bekende
weduwe in Appelscha zou voor een
brief die bij haar bezorgd wordt, vele
guldens moeten betalen. Hetzelfde
geldt voor het extra kilowattuur
stroom tijdens de absolute piek
ergens ’s morgens vroeg in januari.
Dan moeten namelijk zeer ineffi-
cie¨nte, dus dure centrales extra
ingeschakeld worden. Als er bij wijze
van spreken in de stille avonduren
een hele trein moet rijden voor een
passagier, zou die passagier volgens
de theorie van dekking van de
marginale kosten een fortuin moeten
betalen.
Het kan natuurlijk ook anders.
Daarmee komt meteen het karakter
van openbare dienstverlening aan de
orde. Als het integraal verrekenen
van de marginale kosten per
verbruiker maatschappelijk onaan-
vaardbaar wordt geoordeeld, kunnen
er twee wegen bewandeld worden.
De eerste houdt in dat niet de
marginale kosten maar de gemid-
delde totale kosten van al het
vervoer de prijs bepalen. Het duurste
marktsegment wordt qua kosten als
het ware uitgesmeerd over het
gehele aanbod. De tweede weg
houdt in, dat het dure marktsegment
voor het overschrijdende gedeelte uit
de algemene middelen van de
overheid wordt bekostigd.
Voor de contractsector wordt naar
mijn indruk de tweede weg
bewandeld. Als de minimaal
aanvaardbare kostendekkingsgraad
40% is, past de overheid 60% bij.
Beter zou het zijn als niet alleen het
percentage van kostendekking
bepalend zou zijn, maar ook de vraag
of vervangend vervoer tegen
vergelijkbare prijzen mogelijk is. Kan
tegen de prijs van een treinkaartje
voor bijvoorbeeld het traject
Workum-Stavoren, op datzelfde
traject een bus ingezet worden? Kan
een bus u¨berhaupt wel zonder
problemen op die snelle dyk (de
minister begrijpt mij) verkeren? Of
moeten het taxi’s worden en zo ja,
hoeveel gaan die taxi’s kosten?
Naar onze mening dienen
minimumniveaus van dienstverle-
ning tegen aanvaardbare openbaar-
vervoerprijzen het belangrijkste
uitgangspunt te vormen en niet in de
eerste plaats het niveau van
kostendekking.
De weg van het uitsmeren van de
hoge kosten over het algemene
tarief, is de weg van het kernnet. Als
het licht op groen gaat, zal daar gaan
gelden dat iedere onderneming die
aan non-discriminatoire toelatings-
eisen voldoet, vrije toegang krijgt.
Zoals gezegd, wij vinden dat dit
vooralsnog niet moet gebeuren.
Mocht daartoe echter wel besloten
worden, dan moet het principe
’’gelijke monniken, gelijke kappen’’
streng worden toegepast.
Allereerst dienen naar ons oordeel
minimumniveaus van dienstverle-
ning vastgelegd te worden, net als in
de contractsector. Vervolgens dienen
die minimumniveaus voor eenieder
te gelden, dus zowel voor de NS als
voor eventuele concurrenten. Ten
slotte zullen die concurrenten net zo
moeten opkomen voor de onrenda-
bele marktsegmenten als de NS zelf.
In de toekomst zullen de Neder-
landse Spoorwegen de tekorten op
die delen van de dienstverlening
steeds meer zelf moeten gaan
dekken uit de rendabele activiteiten.
Het totale rendement van de NS
moet immers de doorslaggevende
factor worden, hoewel ik met collega
Talsma zeg dat de openbare taak
voor dat rendement gaat.
Als de NS de financie¨le last van
die onrendabele marktsegmenten
moeten blijven dragen, als die last
wellicht zwaarder wordt omdat de
rijksbijdrage vermindert, zal diezelfde
last ook op de schouders van de
concurrenten moeten drukken. Dat
geldt dan net zo goed de concurren-
tie op het spoor als om het spoor.
Onzes inziens moeten de concurren-
ten van de NS op het kernnet
diezelfde opslag op hun uiteraard
rendabele activiteiten in hun tarieven
verwerken en vervolgens afdragen
dan wel een proportioneel deel van
de onrendabele verbindingen
verzorgen. Dat geldt zowel in de
ruimte als in de tijd. Zodra
minimumniveaus van dienstverle-
ning onrendabele activiteiten met
zich brengen, dienen die activiteiten
linksom of rechtsom door allen
gefinancierd te worden.
Ik wil er uitdrukkelijk bij zeggen
dat dit uitgangspunt van wat in onze
opvatting non-discriminatoire
behandeling is ook voor buiten-
landse concurrenten dient te gelden.
Als de Europese regelgeving zich
daartegen zou verzetten, komt de
toelating van concurrenten nog in
een heel ander daglicht te staan.
Het lijkt erop dat de praktische
uitvoering van ’’gelijke monniken,
gelijke kappen’’ veel tijd en energie
zal vergen van de organen die ermee
belast zullen worden. Als men de
externe maatschappelijke kosten die
voortvloeien uit de nutsfunctie
correct aan concurrenten van de NS
wil toerekenen, zal dat veel
bureaucratie met zich brengen. De
omvangrijke instanties die in het
Verenigd Koninkrijk en in de
Verenigde Staten moeten uitrekenen
hoeveel nieuwkomers moeten
betalen om van het netwerk van gas
of stroom gebruik te mogen maken,
lijken een teken aan de wand. Dat
lijkt bijvoorbeeld ook te gelden voor
de franchising director en de
railregulator bij de geprivatiseerde
Britse spoorwegen. Deze extra
bureaucratie is de keerzijde van de
medaille. Misschien is het toch maar
beter om op zijn minst nog even te
wachten met de concurrentie op het
kernnet.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="5-162">

 
<spreker pagina="5-162" anker="142" partij="Partijloos" naam="Bierman">
 Voorzitter! Bij de
laatste conclusie van de heer Zijlstra
wil ik mij bij voorbaat aansluiten.
Verder wil ik van de gelegenheid
gebruik maken om bij dit wetsont-
werp een paar beleidsarme
kanttekeningen te plaatsen.
Er wordt een beeld geschapen
alsof wij bij NS, die voorlopig het
kernnet en wat er omheen hangt
exploiteert, te maken hebben met
een enorm moloch, zwaar overheerst
door bureaucratie. Ik wil er toch op
wijzen dat nog tot in 1963 winstge-
vend werd geopereerd en wel op een
net dat je het beste kunt vergelijken
met dat uit 1890, want sinds 1930
was de helft van het spoorwegnet
weer opgerold, zo’n 3000 kilometer.
Je kunt tot de conclusie komen dat
wij hier te maken hebben met een
spoorfirma die tot de beste ter
wereld kan worden gerekend. Waar
zit het hem dan in dat wij nu met
een noodlijdend bedrijf te maken
hebben? Is daar een ziekte uitgebro-
ken of moeten wij niet alleen spreken
over concurrentie op en om het
spoor, maar ook over concurrentie
tegenover het spoor? Dat laatste is
natuurlijk het geval, want wij spreken
niet over een markt, maar over een
verknoeide markt door te auto-
vriendelijk flankerend beleid.
Dan valt mij meteen het gebrek op
aan consistentie in het hele beleid
van Verkeer en Waterstaat op dit
moment ten aanzien van verschil-
lende modaliteiten. Ik zie nu
bijvoorbeeld wel haast met het
uitvoeren van dit experiment op het
spoor, maar ik zie geen haast ten
opzichte van BTW op vliegtickets of
belasting op kerosine in de lucht. Ik
zie geen haast op de weg met de
verhoging van de accijns op benzine,
al zie je dan onmiddellijk dat de
pomphouders aan de grens het grote
probleem zijn om daadwerkelijk op
te treden. Het betekent wel dat die
markt tegenover het openbaar
vervoer daardoor verder bederft. Met
andere woorden, er is helemaal geen
sprake van een vette kluif waarop
marktpartijen likkebaardend zullen
afkomen, ook internationaal, maar
van een afgekloven bot waarbij je blij
mag zijn als je straks nog wat
avonturiers aan de deur krijgt om het
spoor te exploiteren. Ik zou toch
willen pleiten voor een andere
financieringssystematiek. Je zou het
weliswaar zo kunnen zien dat wij per
jaar 8% van het totale vervoer met
de trein vervoeren, maar stel je voor
dat dit ook nog eens de weg opgaat.
Wat zou dat niet betekenen voor alle
maatregelen die je moet nemen om
dat op te vangen? Daar kun je een
kostenplaatje aan hangen. Dat
bedrag zou je ter beschikking kunnen
hebben. Je zou eindelijk eens kunnen
kijken naar degenen die geen
probleem veroorzaken door nog met
het openbaar vervoer te gaan, al is
er dan al op bezuinigd, al gaan de
mensen al gebukt onder vertraging
door een grote hoeveelheid uit te
voeren werken. Je zou op deze wijze
eindelijk eens een keer degenen die
de schuld niet hebben, belonen voor
het feit dat zij geen problemen
maken. Je zou naar een verbeterd
openbaar vervoer kunnen streven,
zonder tariefsverhoging. Ik meen dat
dit een uitstekende financierings-
systematiek kan zijn, zeker nu de
verkiezingen naderen.
Ik heb geprobeerd mij in te leven
in een manier om met de concurren-
tie om te gaan. Er is een experiment,
namelijk dat van Lovers. Heeft dat
geleid tot kwaliteitsverbetering?
Heeft dat geleid tot ontvlechting of
zal het tot ontvlechting en minder
bureaucratie leiden? Lovers heeft de
lijn Amsterdam-IJmuiden of eigenlijk
Haarlem-IJmuiden. Als die strand-
verbinding verbeterd wordt, zou je
dus verwachten dat de NS hun
uiterste best zullen doen om van
Haarlem-Zandvoort een route te
maken die klinkt als een klok. Nou,
daar blijkt helemaal niets van, want
tussen Haarlem en Zandvoort rijdt nu
niet eens meer iets wat je een trein
zou kunnen noemen. Het toilet is
eruit gesloopt en er is geen eerste
klas meer, maar niettemin blijf je het
volle tarief betalen. De concurrentie
van Lovers wordt door de NS dus
niet gevoeld. Dat is ook logisch, want
Lovers is niet de concurrent van de
NS, maar van de NZH op het traject
Haarlem-IJmuiden. Wij zien dus een
concurrentie van modaliteiten. Per
trein zal het straks via Railned gaan
lopen. Het regionaal vervoer zal
straks via de provincie geregeld
worden. Ben ik nog even blij dat het
geen verbinding naar Noordwijk is,
want dan zouden er twee provincies
bij betrokken moeten zijn. Ik zie dus
nieuwe concurrentie tussen provincie
en Rijk via aparte kanalen, dus weer
meer bureaucratie. Is dat nu allemaal
nodig? Ik vind het experiment van de
concurrentie dus niet gelukt en ik zie
verschillende niveaus die elkaar in de
weg gaan lopen.
Wat mij ook interesseert, is het
materieelprobleem. Het is duidelijk
dat niet elke paar jaar, wanneer een
nieuwe offerte moet worden gedaan,
de rest van het spul in een loods zal
worden opgeslagen. Er is dus al een
soort idee om te komen tot een
maatschappij van rollend materieel.
Ik denk dat dat een uitstekende
opstap zou zijn. Daarmee gaan wij al
naar iets anders toe, waarbij al een
vorm van regie op het spoor ontstaat
die dicht blijft bij wat wij nu al
hebben.
Wat is het scenario als wij
doorgaan met de marktwerking
tegen de bedorven markt in? In mijn
donkerste gedachten zie ik een
model voor mij waarin er geen
gegadigden meer zijn, waarin
niemand meer interesse heeft in het
rijden op die rails die de overheid
dan in beheer heeft. Misschien stopt
de NS er dan ook nog een keer mee
en gaat het bedrijf over tot het
uitbaten van het onroerend goed.
Men vindt het op een gegeven
moment misschien veel te lastig om
die treinen te exploiteren, om
mensen te vervoeren die altijd
klagen over het beeld van de NS. Dat
uitbaten van de stations is in feite
reeds begonnen. Het kwartje extra
van de eerste tik van de telefoon in
de stationshal is het begin geweest.
Van wie zijn die stations eigenlijk?
Hebben wij daar helemaal niets meer
mee te maken? Wat kunnen
eventuele concurrenten straks gaan
doen? Gaan die er telefoonhuisjes
naast zetten waar je een daalder
voor een tik krijgt? Kortom, je kunt
wel spelregels opstellen, maar het is
allemaal niet praktisch.
In mijn lichtere buien heb ik een
ander scenario gemaakt. Reeds in
1989 is het in opdracht van de NS
ontwikkeld. In dat scenario gaat het
om een scheiding net voorbij
Wijffels. Thans ligt de scheiding
tussen infrastructuur en rollend
materieel. Ik zou liever een andere
scheiding zien. Tractie en infrastruc-
tuur liggen in dit scenario in een
hand en vallen onder een regie.
Daarnaast zijn er op die tractie te
monteren eenheden – ik noem het
maar even het koetswerk – te maken
door autofabrikanten of wie dan ook
en te exploiteren door Lovers, KLM
en misschien zelfs NS Reizigers. Met
deze reiscabines wordt ingespeeld
op de individualisering die het
collectieve vervoer moet hebben als
serieus alternatief voor de auto. Je
hebt dan een speciale te monteren
trein. Je kunt hem ook in elkaar laten
zitten. Wat dat betreft, kun je dus
seizoengevoelig worden. Je kunt
voor elke transportactiviteit
eenheden inzetten op maat. Op die
manier kun je met meer klassen
inspelen op dat hele spectrum van
redenen waarom men nu met de
auto gaat, van een lelijke eend tot en
met een limousine. Het voordeel
hiervan is dat de regie in een hand is
en dat wij op dit punt dus alleen
experimenteren waar dat mogelijk is
en waar wij geen risico’s lopen en
bureaucratie oproepen. En dat is nou juist mijn dilemma: ik zie te veel
risico’s in de experimenten die wij
op dit moment al betrachten.
Daarom kan ik daar niet erg
enthousiast over zijn.
Ik heb nog een vraag aan de
minister. Wij spreken nu in de Eerste
Kamer over deze Europese richtlijn
en wat daar verder aan vastzit aan
beleidsarme complicaties. De richtlijn
is al door de Tweede Kamer
geaccepteerd. Wij zijn daar vrij laat
mee. Er is al van alles in beweging
gezet en gaande. Daarom wil ik
weten of er nog wel een weg terug
is. Ik realiseer mij dat er vermoedelijk
geen weg terug is. Als dat zo is, dan
hebben wij de NS weliswaar prijs
moeten geven, maar het zou goed
zijn dat wij nu toch zoiets als de NS
oprichten. Ik zou dus erg blij zijn met
de oprichting van de staats-
spoorwegen. En daarin is een
liberaal de minister al voorgegaan.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="5-163">

 
<spreker pagina="5-163" anker="143" partij="CDA" naam="Baarda">
 Mijnheer de
voorzitter! Het is in deze Kamer goed
gebruik dat de woordvoerder van de
grootste oppositiepartij als eerste het
woord voert. Ik heb daar vandaag
graag van afgezien om de heer
Talsma, collega van de VVD-fractie,
als eerste het woord te laten voeren,
gezien ook zijn inzet en zijn vele werk
bij de voorbereiding van dit debat. Ik
moet zeggen dat ik mij in grote lijnen
kan aansluiten bij de zorgen die de
heer Talsma namens de VVD-fractie
heeft uitgesproken.
Wij bespreken vandaag een
voorstel dat ruime aandacht heeft
gekregen in de vaste commissie voor
Verkeer en Waterstaat van deze
Kamer. Bij de discussie in onze
commissie stond niet zozeer de
implementatie van de Europese
richtlijn en verordening centraal,
maar meer de mogelijke gevolgen
daarvan voor het personenvervoer
per spoor. Commissiebreed is daarbij
aandacht gevraagd voor de openbare
taak met betrekking tot het personen-
vervoer per spoor. Zoals gezegd, is
het met name onze collega Talsma
van de VVD-fractie geweest die bij
het overleg in de commissie een
doorslaggevende rol heeft vervuld.
Namens de CDA-fractie zeg ik de
heer Talsma dank voor zijn inzet in
dezen.
In de gewisselde stukken heeft de
minister erop gewezen dat dit
wetsvoorstel uitsluitend strekt tot
implementatie van de richtlijn en
aanpassing aan de verordening en
niet het oogmerk heeft om nieuw
nationaal beleid inzake de vormge-
ving van de relaties tussen overheid,
NS en andere spoorvervoerders
wettelijk te verankeren. Bij de
behandeling van dit wetsvoorstel in
de Tweede Kamer op 17 januari 1996
heeft de minister op een vraag of het
Nederlandse parlement nog wel iets
over de richtlijn te zeggen heeft, geantwoord: ’’Nee, de richtlijn is de
richtlijn en die is een wet. Dit
betekent ook dat deze richtlijn al lang
geı¨mplementeerd is. Wij hadden dat
gedaan via het besluit. De Raad van
State had daar bezwaar tegen.
Vandaar dat wij die nu via een
technische wijziging in de Spoorweg-
wet opnemen.’’ Dit staat op blz. 3382
van de Handelingen van de Tweede
Kamer.
In een brief van 20 februari 1997
aan de voorzitter van de Eerste
Kamer schrijft de minister dat het
wetsvoorstel niet vooruitloopt op de
vormgeving van het toekomstige
spoorbestel als uitwerking van het
kabinetsstandpunt bij het rapport van
de commissie-Wijffels en contrac-
tueel verankerd wordt in een
afsprakenpakket met NS onder de
noemer ’’Over de wissel’’. En
vervolgens, dat die toekomstige
vormgeving van het spoorbestel
uiteindelijk ook zal worden verankerd
in een voorstel van wet dat een veel
breder terrein bestrijkt dan het
onderhavige implementatievoorstel.
Dat zal op zichzelf wel allemaal juist
zijn, maar de vraag rijst in hoeverre
reeds nu uitvoering wordt gegeven
aan een toekomstige vormgeving
van het spoorbestel, zonder dat
daarvoor wettelijke regelingen zijn.
Marktwerking, waar de CDA-fractie
op zichzelf niet tegen is, is volop in
discussie. Experimenten met
betrekking tot onrendabele lijnen zijn
in voorbereiding, zoals Noordned in
Noord-Nederland, of worden
binnenkort uitgevoerd, zoals de
aanbesteding van de spoorlijn
Almelo-Marie¨nberg in Twente. Dat
zijn zaken die natuurlijk veel verder
gaan dan het onderhavige wetsvoor-
stel. Wij hebben de stellige indruk
dat reeds een weg is ingeslagen die
onomkeerbaar zal blijken te zijn en
dat de Eerste Kamer bij toekomstige
wettelijke regelingen voor een
voldongen feit zal komen te staan.
Dat geeft precies de kern aan van de
aarzeling van de vaste commissie
voor Verkeer en Waterstaat bij de
behandeling van dit wetsvoorstel.
Veel zaken zijn reeds in nota’s
geregeld, zonder dat daar wetgeving
op is gevolgd. Hoe ziet de minister
het verloop van het wetgevings-
traject? Binnen welke tijdsperiode zal
dat zijn beslag moeten krijgen?
In de nota naar aanleiding van het
verslag, gedateerd op 2 mei 1996,
spreekt de minister de verwachting
uit dat de voordelen van concurren-
tie ook voor het vervoer per spoor
zullen gelden en dat de reiziger/
verlader dus een beter product voor
een betere prijs zal krijgen als er
sprake is van meer dan een
spoorvervoerder. Waarop baseert de
minister deze verwachting? Kan zij
voorbeelden noemen uit andere
Europese landen?
Tijdens het door onze commissie
op 17 juni jongstleden gevoerde
gesprek met de NS-directie werd er
meegedeeld dat van de 5000 treinen
die per dag rijden slechts 12
intercity’s rendabel en winstgevend
zijn. Hoe zou marktwerking en met
name concurrentie hier verbetering
in kunnen brengen? Is marktwerking
op het spoor niet slechts marginaal?
Immers, de echte concurrent van de
trein is de auto. Goed openbaar
vervoer kan niet op een koopje. Ook
de concurrentie met de auto heeft
haar prijs, want in dat kader is ook
de instandhouding van de zoge-
naamde onrendabele spoorlijnen van
belang. In het beleidskader Toelating
tot het spoorvervoer schrijft de
minister dat zij ervan overtuigd is dat
de introductie van concurrentie
uiteindelijk leidt tot betere prestaties
in het openbaar vervoer, waarvan de
reizigers – daar draait het immers
allemaal om – de vruchten zullen
plukken. Dat klinkt heel stellig. Maar
nogmaals, waar zijn deze verwachtin-
gen op gebaseerd?
In hetzelfde beleidskader wordt
ook gesproken over twee concurrentieregimes: concurrentie op
het spoor en concurrentie om het
spoor. Bij lezing van de stukken is
het mij niet duidelijk geworden wat
in de visie van de minister voor de
Nederlandse situatie het beste
concurrentieregime zou kunnen zijn.
Graag ontvang ik daarover nadere
informatie. Wat mij betreft kan dat
ook schriftelijk.
Concurrentie mag niet ten koste
gaan van het dienstbetoon aan de
reizigers. Ik wees al op de plannen
tot oprichting van het vervoersbedrijf
Noordned. Blijkens een artikel in de
Leeuwarder Courant van 24 oktober
jongstleden is het spoorwegperso-
neel daarover ongerust. Men is
inmiddels tot actie overgegaan. Als
Noordned doorgaat, dan zullen
volgens een inmiddels opgericht
comite op de lijn Leeuwarden-
Harlingen buiten de spits geen
treinen meer rijden, waardoor vooral
reizigers uit Deinum, Dronrijp en
Franeker aanmerkelijk langere
reistijden zullen krijgen. Het
wegvallen van conducteurs op de
lijnen naar Groningen, Harlingen en
Stavoren zouden het dienstbetoon en
het toezicht sterk doen verminderen.
Volgens het artikel uit de Leeuwarder
Courant zijn de gevolgen van onderlinge concurrentie: veel
vertragingen en het verdwijnen van
de loketten. Het mag natuurlijk niet
zo zijn dat de gevolgen van
marktwerking en concurrentie een
verslechtering en een teruglopend
dienstbetoon aan de reiziger met zich
brengen. Welke waarborgen kunnen
de overheden naar de mening van
de minister hiervoor geven?
Tijdens de genoemde bespreking
van onze commissie met de directie
van de NS zijn door deze directie ten
aanzien van het reizigersvervoer
door de NS de volgende drie uitgangspunten geformuleerd:
1. de NS zijn de eerste vervoerder op
het kernnet in Nederland en streven
in die rol naar een jaarlijkse groei
van 3%;
2. de NS streven via de oprichting
van regionale vervoerbedrijven,
waarin men een minderheidsaandeel
zal hebben, naar de exploitatie van
regionetten;
3. de NS wensen een actieve en
substantie¨le bijdrage te leveren aan
de ontwikkeling van een groot
Randstadnet of enkele grote
Randstadnetten.
Wat is de mening van de minister
over deze drie uitgangspunten van
NS en ziet zij hierin een basis voor
overeenstemming met NS?
Overigens blijft de centrale vraag
daarbij welk beleid in de toekomst
zal worden gevoerd met betrekking
tot de zogenoemde onrendabele
lijnen en met betrekking tot de
mededinging op de markt van het
spoorvervoer. De heer Talsma heeft
in zijn betoog de vraag gesteld wat
een onrendabele lijn is en wat wij
doen om mensen in de trein te
krijgen. Ik zou daaraan willen toevoegen: en in de trein te houden.
Ik sluit mij graag aan bij die vragen
van de heer Talsma. In het Openbare
dienstcontract overgangsperiode
reizigersvervoer NS – het zoge-
naamde Overgangscontract – is
vastgelegd dat de Staat in ieder
geval tot het jaar 2000 de heffing
voor het gebruik van alle spoorweg-
infrastructuur ten behoeve van het
reizigersvervoer gelijk zal stellen aan
nul. Volgens de NS kan invoering
van een heffing, afhankelijk van de
hoogte en inhoudelijke invulling,
grote gevolgen hebben voor de
financie¨le positie van NS. Een van de
gevolgen kan zijn dat het treinkaartje
duurder wordt, maar ook dat de
contractsector moet worden
uitgebreid. Kan de minister al enig
inzicht geven in aard en omvang van
de gebruiksheffing na 2000 en
eventuele gevolgen hiervan? Zal de
hoogte van de gebruiksheffing en de
wijze waarop bij wet worden
geregeld?
In 1988 is het plan Rail 21 opgezet.
Daarbij gaat het om een forse
uitbreiding van de infrastructuur
waardoor het aanbod van trein-
diensten kan worden uitgebreid en
verder was het uitgangspunt dat de
overheidsbijdrage constant op 500
mln. zou blijven. Dit verbeterde
aanbod zou 40% extra reizigers
trekken en bood daarnaast extra
capaciteit om reizigers op te vangen
die door het verkeers- en vervoersbe-
leid de auto zouden laten staan. Er
werd een toename van 60%
verwacht. Dit zou tot een verdubbe-
ling van de vervoersomvang leiden
van 9 naar 18 miljard reizigerskilo-
meters. Is dit plan Rail 21 nog van
kracht en wordt hier uitvoering aan
gegeven?
Van de zijde van de NS-directie
hebben wij vernomen dat NS niet
beginnen aan Rail 21. De rijksover-
heid heeft een verantwoordelijkheid
voor de infrastructuur. Een heldere
scheiding tussen beheer en gebruik
van infrastructuur is gewenst. Er
moet nog veel gebeuren op het
terrein van de spoorweg-
infrastructuur. Goede aansluitingen
op Europese hogesnelheidslijnen zijn
noodzakelijk. Zowel in zuidelijke, als
in oostelijke richting; maar ook in
noordelijke richting en dan denk ik
natuurlijk aan de Zuiderzeespoorlijn.
Het zou zeer te betreuren zijn als de
aanleg van de Hanzelijn zou worden
vertraagd. Immers het terugdringen
van auto- en vliegtuigverkeer vraagt
om adequate spoorweg-
voorzieningen.
In de begroting van Verkeer en
Waterstaat is op blz. 15 kort iets
opgenomen over spoorvervoer. Er
wordt op gewezen dat in het
spoorvervoer een begin is gemaakt
met de concurrentie door het
toelaten van Lovers op enkele
trajecten in het westen van het land
en dat in een brief aan de Tweede
Kamer de minister de spelregels
voor toelating tot het spoorvervoer
tot het jaar 2000 heeft uiteengezet.
De Tweede Kamer heeft hiermee
ingestemd. Ik ben echter nergens
hiervoor wettelijke regelingen
tegengekomen. Van instemming van
de Eerste Kamer kan dan ook nog
geen sprake zijn. Verder wordt in de
begroting aangekondigd dat voor
eind 1997 de kabinetsvisie zal
worden gepresenteerd op de
gewenste vorm van concurrentie in
het spoorvervoer vanaf 2000. Kan de
minister hierover nadere mededelin-
gen doen en met name aangeven tot
welke wettelijke regelingen dit zal
leiden?
Recent is in de Tweede Kamer bij
de behandeling van de begroting van
Verkeer en Waterstaat gesproken
over de voornemens van NS met
betrekking tot de tarieven voor 1998
die leiden tot forse prijsverhogingen
in de spits. Ik wil dat hier niet over
doen, maar wij hebben over deze
ontwikkelingen wel onze zorgen. Ook
dat is niet goed voor de concurrentie
met de auto. Ook de CDA-fractie in
deze Kamer is zeer benieuwd naar de
resultaten van het gesprek dat de
minister met de Nederlandse
Spoorwegen voor 1 december
aanstaande zal voeren over de
tariefontwikkeling. Ik heb het dan
over de uitvoering van de motie van
de Tweede-Kamerleden Rosenmo¨ller,
Van Gijzel, Reitsma c.s. Wie de
discussie en de persberichten over
het spoorwegvervoer volgt, moet wel
tot de conclusie komen dat de
onderlinge verhoudingen er bepaald
niet beter op zijn geworden. Ook op
dat punt zal in het belang van het
toekomstige spoorwegstelsel aan
verbetering moeten worden gewerkt.
Voorzitter! Veel is reeds in gang
gezet, zonder dat daarvoor een
wettelijk kader aanwezig is. De
CDA-fractie is van mening dat eerst
wetgeving moet zijn gerealiseerd,
alvorens verder wordt gegaan met
marktwerking en concurrentie op of
om het spoor. Ook daarover werd
recent een motie ingediend in de
Tweede Kamer.
Met belangstelling wacht ik de
antwoorden van de minister af.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="5-165">

 
<spreker pagina="5-165" anker="144" partij="D66" naam="Vrisekoop">

Voorzitter! De hier thans in behande-
ling zijnde aanpassing zou normaal
gesproken nauwelijks aandacht
hebben gekregen. De richtlijn had
immers al geı¨mplementeerd behoren
te zijn; dat is ook geprobeerd langs
de weg van het besluit, maar dat
kreeg de goedkeuring van de Raad
van State niet. Daarom behandelen
wij de aanpassing nu met enige
vertraging in deze Kamer. Dat doen
wij eigenlijk vooral – dit is waar-
schijnlijk ook een van de weinige
gelegenheden – om iets te zeggen
over de verzelfstandiging van de NS,
die hiervan het gevolg is. In de
Tweede Kamer is dan ook, met
uitzondering van het Kamerlid
Poppe, geen aandacht aan deze
aanpassing gegeven.
In de voorafgaande schriftelijke
behandeling heeft vooral mijn
VVD-collega Talsma van zich doen
horen. Vaak verwoordde hij daarbij
het standpunt van mijn fractie.
Omdat hij ook bijzonder veel tijd aan
deze materie besteedt en meermalen
het overleg met de NS is aangegaan,
heb ik vooral hem gevolgd. De door
hem gestelde kritische vragen
werden veelal door mijn fractie
onderschreven. Met interesse heeft
mijn fractie in de commissie voor
Verkeer en Waterstaat het overleg
met de hoofddirectie van de NS
bijgewoond. Daardoor heeft zij meer
inzicht gekregen in de feitelijke gang
van zaken en de doelstellingen van
de NS.
In dit wetsvoorstel is de verzelf-
standiging en de privatisering van de
NS aan de orde, onder meer
inhoudende de opheffing van de
vervoersplicht van de NS, de
bepaling van de tarieven en de
invloed van de minister op de
verschillende punten van beleid. Het
zal niemand verbazen dat de fractie
van D66 voorstander is van het
ombuigen van de grote organisatie
NS oude stijl in een moderne
spoorwegonderneming met een
marktgerichte en commercie¨le
aanpak. Dat past ook in de Europese
gedachte om een Europees
spoorwegnet te hebben dat aan die
eisen voldoet. Dat daarbij het
algemeen belang niet uit het oog
mag worden verloren, is een
aandachtspunt dat telkens terugkeert.
Omdat al veel sprekers het woord
hebben gevoerd, zal ik mijn bijdrage
kort houden en slechts een enkel
punt aanstippen. In de loop der jaren
heeft de minister met de voorzitter
van de raad van bestuur van de NS
overeenstemming bereikt over een
pakket van maatregelen waarmee de
bestuurlijke en financie¨le relatie
tussen de overheid en de NS
opnieuw wordt vormgegeven. De
commissie-Wijffels heeft daarover
geadviseerd en de vroegere relaties
zijn sindsdien ingrijpend veranderd.
In de Ontvlechtingsoperatie
rijksoverheid/Nederlandse Spoorwe-
gen, onderdeel van een veel groter
pakket van afspraken onder de titel
’’Over de wissel’’, zijn de vrijheden
van de NS, in combinatie met de
afbouw van de rijksbijdrage voor de
periode 1996-2000, nader uitgewerkt.
Voor de NS werd daarin de
verplichting vastgelegd met
betrekking tot de bandbreedte van de
tarieven. In het slot van die afspraak staat onder punt 7: ’’Met de
afspraken die nu zijn gemaakt, krijgt
de NS de ruimte zijn sterke kanten
uit te bouwen en zich verder te
ontwikkelen tot een klantgerichte
onderneming. Dat past in het
overheidsbeleid ten aanzien van de
totale spoorvervoersector, waarbij
het leidende principe is dat de
reiziger en de verlader centraal
dienen te staan. Meer passagiers,
meer lading en meer omzet zijn voor
de NS van het grootste belang.
Daarom is er aan overheidszijde
geen vrees voor een vergaande
rationalisering van het
voorzieningenniveau dat de NS zijn
klanten biedt. Meer reizigers en
lading sluiten perfect aan bij de
doelstelling van het SVV-beleid het
marktaandeel van het spoorvervoer
te vergroten.’’ Wil de minister
aangeven hoe deze inspannings-
verplichting van de NS nader is
vormgegeven en hoe de nutsfunctie
door de NS in de toekomst gewaar-
borgd wordt?
De fractie van D66 ziet de reactie
van de minister met belangstelling
tegemoet. 

</spreker>
<spreker pagina="5-165" anker="145" naam="De voorzitter">
 De minister heeft mij
meegedeeld dat zij bereid en in staat
is direct te antwoorden. Ik wijs de
leden erop dat als, ten gevolge van
interrupties of anderszins, dat
antwoord uitloopt, wij een diner-
pauze zullen inlassen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="5-165">

 
<spreker pagina="5-165" anker="146" soort="Minister" naam="Jorritsma-Lebbink">

Voorzitter! Ik zal pogen kort te
antwoorden. Over de wetsvoorstellen
zou ik zelfs heel kort kunnen zijn,
want volgens mij heeft geen der
Kamerleden daarover gesproken;
alleen hebben enkelen opmerkingen
gemaakt die berusten op een
misverstand. Zover ik kan overzien,
denkt in elk geval de heer Zijlstra dat
ik de richtlijn nogal extensief heb
vertaald in het wetsvoorstel. Dat is
niet het geval. De heer Talsma denkt
dat trouwens ook. Hij zei letterlijk dat
het wetsvoorstel verder strekt dan de
richtlijn en de verordening. Dat
berust echt op een misverstand.
Ingevolge artikel 5 van de richtlijn
moeten de spoorwegondernemingen
in staat worden gesteld om
zelfstandig dienstregeling en tarieven
vast te stellen, en de verordening
dwingt de nationale overheden tot
het doen vervallen van openbare-
dienstverplichtingen. De vervoer-
plicht kan dan ook niet worden
gehandhaafd. Dat moet dus op een
andere manier worden geregeld en
dat is inmiddels ook gebeurd, maar
dit wetsvoorstel heeft slechts tot doel
het puur en beleidsarm vertalen van
de richtlijn.
Anders dan de heer Talsma
veronderstelt, berust de wijziging
van het besluit personenvervoer uit
1993, waarbij een aantal artikelen
voor interlokaal vervoer per trein
buiten toepassing werden verklaard,
niet op artikel 3, het experimenteer-
artikel, maar op artikel 2, tweede lid,
van de wet. Overigens ben ik het wel
eens met de constatering die de heer
Talsma heeft gedaan, dat de huidige
Spoorwegwet verouderd is, en niet
alleen omdat het krijgsvolk en de
paarden voor half geld reizen. Het is
juist de bedoeling dat wij in deze
periode een nieuwe wet voorberei-
den die bij het aflopen van het
overgangscontract het wettelijke
kader voor de toekomst zal vormen.
De heer Zijlstra maakt mij zelfs
een verwijt. Nu ja, het is niet echt
een verwijt, want hij zegt dat het wel
mag, maar hij zegt toch min of meer
in verwijtende zin dat ik mij niet heb
gehouden aan de aanwijzingen voor
de regelgeving en dat ik het
wetsvoorstel heb aangegrepen om
nationaal beleid te verankeren. Dat is
niet het geval. Kennelijk is dit
misverstand in de wereld gekomen,
omdat de commissie-Wijffels zich
met haar voorstellen natuurlijk niet
geheel buiten de Europees-rechtelijke
kaders heeft begeven, en dat is
logisch. Ik denk dat de Kamer meer
aan Wijffels toeschrijft dan aan de
commissie toekomt. Ik houd staande
dat dit een beleidsarme vertaling is
van een richtlijn in Nederlandse
wetgeving. En dat levert dus een
beetje een probleem op, want alle
leden hebben over het hele
spoorvervoer gesproken, wat ik
buitengewoon interessant vind, maar
ik vraag mij af of wij het zo moeten
doen, temeer omdat ik bij een groot
aantal leden misverstanden heb
bespeurd. Dat kan ook wel geba-
seerd zijn op het feit dat de Kamer
geen stukken heeft.
Er is gesproken over de vergaande
concurrentie op het spoor die nu
voorgesteld zou zijn. Ik heb nog
nergens vergaande concurrentie op
het spoor voorgesteld. Wij hebben
slechts een overgangscontract met
de Nederlandse Spoorwegen
gesloten, waarin heel marginaal en
heel voorzichtig, op z’n egeltjes, een
klein beetje marktwerking wordt
toegelaten, maar alles afhankelijk
van de positie van de Nederlandse
Spoorwegen. Ik zou toch niet willen
spreken van de serieuze concurrent
die Lovers heet. Het spijt mij
ongelooflijk, maar gezien de heel
kleine stukjes waar Lovers nu een
beetje aan het experimenteren is, is
er geen sprake van serieuze
concurrentie op of om het spoor. Het
heeft overigens wel grote gevolgen
gehad. Ik ben er zeer van overtuigd
dat een flink deel van het aantal
extra treindiensten dat NS plotseling
in de dienstregeling voor volgend
jaar heeft opgenomen, waarschijnlijk
te danken is aan het feit dat Lovers
op een paar stukjes ook wil gaan
rijden. In die zin ben ik het wel eens
met de Kamer.
Ik heb nog geen finale beslissin-
gen genomen over hoe het moet met
de concurrentie op of om het spoor,
al lijkt de Kamer te denken van wel.
Dat heb ik niet gedaan omdat ik daar
nog onvoldoende kennis voor heb.
Wij zijn druk bezig om die kennis te
vergaren en daarover een standpunt
te formuleren. Dat doen wij door een
aantal buitenlandse ervaringen te
bestuderen. Groot-Brittannie¨ is er
een van, maar Zweden en Duitsland
hebben ook zeer interessante
ervaringen op stukken van hun
netten. Ook zeg ik nu bepaald nog
niet dat concurrentie op het spoor
moet, zoals de heer Pitstra mij dat in
zijn betoog wel een keer of zes in de
mond heeft gelegd. Ik heb wel
gezegd dat dit instrument niet
weggegooid moet worden voordat
wij zeker weten dat wij het niet
willen gebruiken. Op een aantal
onderdelen kan ik mij heel wel
voorstellen dat op sommige plaatsen
concurrentie op het spoor interessant
kan zijn. Zo is al door een woord-
voerder de KLM-trein genoemd. Dat
heeft te maken met concurrentie op
het spoor, want dit past niet in een
concessiegedachte. De KLM moet
dan echter wel de mogelijkheid
worden gegeven om ergens te gaan
rijden, zonder dat de KLM een
complete concessie krijgt en dus
verplicht zou zijn om een heel gebied
te gaan bedienen.
Ik wil dan ook graag goed nagaan
wat de beste manier is om om te
gaan met marktwerking op of om het
spoor. Een eindstandpunt is daar nog
helemaal niet over geformuleerd,
zoals de heer Baarda ook terecht
heeft opgemerkt. Ik ben alleen nog
bezig met het voorbereiden van
standpunten.
De heer Talsma heeft gevraagd of
er niet eens een groep van wijze
mannen zou moeten komen die over
de toekomst van het spoor op
langere termijn gaat nadenken. Ik
heb buitengewoon veel wijze
mannen – hoewel er ook een aantal
vrouwen onder zijn – binnen mijn
ministerie die hard werken aan de
beleidsvoorbereiding voor de
komende tijd. Daar halen wij
natuurlijk alle kennis bij die wij
extern kunnen verkrijgen. Als het
straks echt om de grote lijnen gaat,
zal ook de Raad voor Verkeer en
Waterstaat nog een belangrijke rol
spelen in de advisering over de
langetermijnproblematiek. Zo zijn wij
bezig met de voorbereiding van de
tractie-energievoorziening, waar de
heer Talsma verleden jaar ook over
gesproken heeft. Verder zijn wij
doende met de nieuwe beheersings-
en beveiligingssystemen. Beide
zaken leiden tot een behoorlijke
versnelling en vergroting van de
capaciteit van het net. Helaas kosten
beide zaken ook veel geld, zodat het
met verstand gedaan zal moeten
worden, waarbij een goede visie op
de langere termijn noodzakelijk is.
Immers, als wij het ene doen en NS
vervolgens niet de kans geven om
haar materieel aan te passen,
hebben wij wel een probleem. Wij
zullen hier voorstellen voor
formuleren, waar het oordeel van de
vervoerders over gevraagd zal
worden. Daarna zullen de beleids-
voorstellen aan de Staten-Generaal
worden voorgelegd.
Over het beruchte of beroemde
onderwerp ’’concurrentie’’ heeft de
commissie-Wijffels geen uitspraak
gedaan. De commissie ging daar ook
in feite niet over en heeft niet goed
nagedacht over de consequenties
van een verzelfstandigde monopolist.
Ik meen dat wij dit nu beter moeten
doen. Er worden hier nadere
voorstellen voor opgesteld en ik
hoop dat deze begin volgend jaar bij
de Kamer kunnen liggen. Op zichzelf
is dat een goed tijdstip, want er kan
dan nog een beleidsdebat in eerste
ronde over plaatsvinden en
vervolgens kunnen de voorstellen
worden omgezet in ontwerp-
wetgeving. Die wetgeving is nodig
voor het jaar 2000, want dan moet
een en ander volstrekt helder zijn.
Ik heb er volledig begrip voor dat
er vele opmerkingen zijn gemaakt
naar aanleiding van het gesprek dat
de Kamer heeft gevoerd met de
NS-directie over de vraag hoe de NS
de toekomst ziet. Ik wil deze
opmerkingen echter op dit moment
toch even laten liggen, totdat wij een
helder beeld hebben over de vraag
hoe wıj de toekomst zien. Ik kan nu
nog niet zeggen of ik het al dan niet
eens ben met NS. Het is ook niet
goed mogelijk om te reageren op
bijvoorbeeld de stelling dat op het
kernnet alles bij NS moet blijven.
Wat is dat kernnet dan? NS heeft mij
dat nog nooit precies kunnen
uitleggen. Is dat alleen het intercity-
net, of ook het stoptreinennet? Gaat
het alleen om de langeafstands-
verbindingen? Er moet eerst een veel
betere omschrijving komen van de
diverse systemen die zich op het
spoor bevinden, of liever nog van de
systemen die zich op het spoor
zouden moeten bevinden, ook in de
toekomst. Immers, hebben wij het in
de toekomst niet veel meer over het
vervangen van het huidige
stoptreinennet door een systeem dat
wij liever integreren met het
stadsgewestelijk openbaar vervoer?
Moet daar niet beter over nagedacht
worden? Kan nu al gezegd worden
dat het ene toch typisch een taak is
voor een monopolist, en het andere
een taak die een monopolist niet zou
mogen uitvoeren en waar de markt
een rol kan spelen? Ik heb daar op
dit moment geen eindoordeel over.
Ik vind het moeilijk. De Kamer vindt
dit ook; dat proef ik uit de verhalen.
De gemakkelijke conclusie dat het
dus maar beter is om niets te
veranderen, zoals ik uit de mond van
de heer Pitstra hoor, vind ik veel te
eenvoudig. Het leidt niet tot een
modern en goed openbaarvervoer-
systeem. Ik ben het met iedereen
eens die zegt dat het vandaag niet
ideaal is en dat het beter moet. Het
laten bij het oude is zeker niet goed.
Voorzitter! Ik proefde enige
somberheid over de NS. De heer
Pitstra maakt het helemaal bont door
een artikel van de heer Van Dieren
aan te halen. Ik heb nog zelden een
artikel in een krant gevonden dat zo
vol onjuistheden zat als dit artikel. Ik
denk ook dat een van mijn ambtena-
ren of een ander daarop binnenkort
een reactie moet schrijven om het
even recht te zetten. Sinds wij met
de verzelfstandiging bezig zijn, is in
de periode 1994-1996 het vervoer
van de NS exclusief de studenten
met 5% gestegen. Waarschijnlijk
komt er dit jaar nog eens 5% bij.
Tussen 1992 en 1994 zakte het met
4%. Zou dat alleen aan rijksbeleid
hebben gelegen? Ik geloof het niet. Ik
denk dat het iets te maken heeft met
een andere positie van de NS. Als ik
de NS mag geloven dan is hun
verwachting voor het volgende jaar,
ondanks de tariefsverhogingen – op
een later moment kom ik hierop
terug naar aanleiding van de
gesprekken die op dit moment
worden gevoerd – dat er sprake is
van een zeer grote groei die
overigens op bepaalde plekken tot
capaciteitsproblemen leidt. Soms is
dat in de spits nu al het geval. Het is
iets te gemakkelijk om te denken dat
het met de NS alleen maar slecht
gaat. Het is op sommige plekken
heel vervelend dat juist door het
overmatige gebruik in de spits
mensen niet meer de kwaliteit
krijgen waarop zij recht hebben,
namelijk een zitplaats. Hieraan
werken wij hard. Wij investeren veel,
niet genoeg. Ik zou nog meer willen,
maar het budget van het ministerie
van Verkeer en Waterstaat is helaas
niet groot genoeg. Wij zien ook de
vervelende gevolgen van veel
bouwen aan het spoor. Er worden
nogal wat vertragingen door
veroorzaakt. Ik vind dat wij beter
moeten communiceren. Dat mogen
de NS zich zelf ook aantrekken.
Sommige vertragingen worden
veroorzaakt door de grote investerin-
gen.
Voorzitter! De heer Talsma heeft
gezegd dat niet de rechter bij
geschillen over de toewijzing zou
moeten beslissen maar een
commissie van wijze mannen. De
partijen zijn van oordeel dat
geschilbeslechting door de rechter
uitsluitend als laatste uitweg zal
moeten worden gezien. Als het gaat
om het afsluiten van aanvullende
openbare dienstcontracten voorziet
het contract in een uitgewerkte
procedure waarin het pad is
aangegeven waarin nadere afspraken
tot stand komen. Op die wijze
kunnen beide partijen volledig hun
eigen verantwoordelijkheid waarma-
ken. De afspraken beletten overigens
niet dat partijen ad hoc voor een
concreet geschilpunt – waarvan
beide partijen vinden dat het raar is
om daarmee naar de rechter te gaan
– een commissie kunnen instellen.
Het moment is niet daar waarop wij
dat zouden moeten doen.
De heer Talsma gaf een interes-
sante definitie van onrendabel. Zoals
wij het nu hebben gedaan is de
rentabiliteit van de treindiensten
vastgesteld aan de hand van het
treinseriemodel dat kosten en
opbrengsten toerekent aan indivi-
duele treinseries. In 1995 is door
McKinsey – een groot deskundige op
het gebied van het spoor – vastge-
steld dat dit in het treinseriemodel
van de NS op een juiste wijze
gebeurt. In aanvulling daarop is door
CampsObers een accountantstoets
uitgevoerd inzake de aansluiting op
onderliggende kwantiteiten. Naast de
nu gecontracteerde onrendabele
lijnen zijn er overigens ook vele
onrendabele lijnen in de letterlijke zin
van het woord die door de NS
worden bereden. Ik denk aan de
filefunctie en de kruissubsidie¨ring.
Het gaat alleen om de super-
onrendabele lijnen die men voor
contractering heeft voorgelegd. Ik
ben overigens van mening dat
contractering van bepaalde diensten
op zichzelf een betere relatie tussen
de overheid en het bedrijf vormt dan
subsidie¨ring volgens een ingewik-
kelde systematiek, niet gebaseerd op
de dienstverlening. Op grond van het
overgangscontract moeten de
Nederlandse Spoorwegen overigens
minimaal een jaar van tevoren
aangeven, welke diensten zij op
grond van bedrijfseconomische
overwegingen zouden willen
bee¨indigen. De overheid kan dan
besluiten om tot contractering van
deze onrendabele diensten over te
gaan, en wel door middel van een
openbare-dienstcontract.
In dit verband kan ik onmiddellijk
zeggen dat er op dit moment volop
onderhandelingen gevoerd worden
over de lijn Almelo-Marie¨nberg, door
een aantal leden genoemd, en dat dit
traject binnenkort aanbesteed zal
worden. Ik vind dit heel interessant;
er zijn afspraken met de regio over
gemaakt en ik heb het gevoel dat er
wel eens iets heel leuks uit zou
kunnen komen, met voortzetting van
een treindienst op dat spoor. En als
het gaat om de spoorlijn Harlingen-
Leeuwarden of de lijn Leeuwarden-
Stavoren, wij hebben een contract
met de NS gesloten en als het
anders moet, dan zal er naar dat
contract gekeken moeten worden.
Als wij er inmiddels samen met de
provincie en natuurlijk met toestem-
ming van in dit geval de Tweede
Kamer en uiteindelijk ook via de
wetgeving in slagen, het railvervoer
te decentraliseren, dan zal men daar
moeten afwegen, welke manier van
openbaar vervoer men de belangrijk-
ste vindt. Ik weet ook wel dat het
heel belangrijk is om het spoor in
stand te houden.
Overigens vond ik het wel aardig
dat iemand sprak van ’’die ene
passagier ’s avonds laat’’. Ik moet
zeggen dat ik toch enige aarzeling
heb of je een trein zou moeten laten
rijden, als er echt maar een
passagier in zit. Je moet je afvragen
of je die ene passagier dan niet beter
met een limousine naar huis zou
kunnen brengen, als je de kosten
afweegt. Ik vind dat je ook bij
openbaar vervoer de kosten en de
baten wel enigszins in verhouding
moet zien, ook al betaalt de reiziger
er niet altijd voor, maar de belasting-
betaler via de overheid. Daar behoort
natuurlijk wel enige afweging bij.
Wij zijn dus met een heleboel
dingen bezig. Ik noemde zojuist al de
voorbereiding van de standpunten
inzake concurrentie op of om het
spoor, de voorbereiding van een
beleidsstandpunt inzake de tractie en
de vernieuwing van de beveiligings-
systemen. Wij zijn ook bezig met de
uitvoering van Rail 21, zij het niet in
het tempo dat in 1989 was voorzien.
Dat is volstrekt terecht opgemerkt,
maar ik wijs er wel op dat Rail 21
ook nooit een plan van de overheid
is geweest. Het waren voorstellen
van de NS, met achteraf bezien iets
te optimistische verwachtingen van
de mogelijkheden om daarmee heel
veel passagiers in de trein te krijgen.
Ik constateer dit, maar wij doen wel
ons best om de beste investeringen
uit Rail 21 in een behoorlijk tempo
uit te voeren. Daarbij worden wij
soms wat gehinderd door de
omvang van het budget. Wij hebben
Prorail gehad, het eerste stukje van
Rail 21, en wij zijn nu bezig met het
tweede tactische pakket, dat een
groot aantal onderdelen van Rail 21
bevat. Wij kunnen binnenkort
hopelijk beginnen met de aanleg van
de HSL-Zuid en wij zijn hard bezig
met de voorbereidingen voor de
HSL-Oost. Er zijn verder heel veel
initiatieven voor light-rail; het is
buitengewoon ingewikkeld om daar
een goed geheel van te maken, het
zijn zo’n tien projecten.
Er is dus heel wat aan de gang en
je kunt bepaald niet zeggen dat er
onvoldoende aan gedaan zou
worden of dat het op een andere
manier zou moeten. Ik wijs de Kamer
er ook nog op dat veel dingen die wij
nu aan het voorbereiden zijn, gezien
moeten worden als een voorberei-
ding van het volgende structuur-
schema Verkeer en vervoer, waarvan
het eerste deel in 1999 gepubliceerd
zal worden. En omdat het een
structuurschema is, is er sprake van
een planologische kernbeslissing,
zodat ook de Eerste Kamer hierbij
ten volle aan bod komt. Tot de heer
Zijlstra kan ik overigens zeggen dat
ik het helemaal geen probleem
gevonden zou hebben als de Eerste
Kamer aan mij gevraagd had, een
keer een beleidsdebat met haar te
voeren over de verzelfstandiging van
de Nederlandse Spoorwegen,
wellicht op basis van een brief naar
aanleiding van het debat in de
Tweede Kamer. Ik zou dat een prima
manier gevonden hebben; daarom
was ik ook wat verbaasd dat nu
Wijffels en nog een heleboel andere
dingen bij dit wetsvoorstel aan de
orde kwamen.
Dan heeft de heer Pitstra zich
afgevraagd of de regie over het
spoor niet in een hand gehouden zou
moeten worden, namelijk door die
bij de NSR onder te brengen. Maar
over die unieke regie zijn wij nu juist
niet helemaal tevreden.
De NS moeten beter presteren. Ik
verwacht dat dit echt alleen maar
kan door enige concurrentie. Ik
orie¨nteer mij dus op dat regime en
daar krijgt u op enige tijd mededelin-
gen over. Daarbij zeg ik onmiddellijk
dat het nooit zal gaan om simpelweg
marktwerking of de vrije markt of dat
men maar doet wat men wil. Juist bij
deze infrastructuur, juist bij de
Spoorwegen is het uitermate van
belang dat een groot aantal van de
criteria die misschien nog wel het
best verwoord zijn door de heer Van
den Berg meegenomen worden in de
afwegingen. Natuurlijk gaat het erom
dat een product geboden wordt dat
goed is voor de klant en dat
meehelpt in de concurrentie met de
auto. Misschien mag ik erop wijzen
dat op dit moment de Nederlandse
Spoorwegen het in de spits dik
winnen van de auto. Er zit geen groei
in het woon-werkverkeer per auto in
de spits. Er zit wel groei in het
vervoer van de NS in de spits. Dat is
dus mooi. Wij proberen dat zelf ook
te ondersteunen door in de sfeer van
het reiskostenforfait meer aandacht
te geven aan het openbaar vervoer
en overigens ook bedrijven te
stimuleren om de openbaarvervoers-
ondersteuning voor hun werknemers
te verbeteren.
De heer Pitstra zei nog eens dat de
opheffing van de vervoerplicht en
het vervallen van ministerie¨le
bevoegdheden ten aanzien van
tarieven en dienstregelingen
uitvloeisels zijn van het paarse
kabinetsbeleid. Ik ben het daar wel
mee eens, maar het zijn geen
uitvloeisels van het paarse kabinets-
beleid. Het zijn simpelweg maatrege-
len die voortvloeien uit Europese
regelgeving, die al zeer geruime tijd
voordat dit kabinet tot stand kwam,
werd vastgesteld. Ik was er niet eens
bij. Ik heb daarover ook al het nodige
gezegd.
De heer Van den Berg heeft een
aantal vragen gesteld. Hij zegt dat
Nederland geen spoordiensten
exploiteert, maar zich via dit
wetsvoorstel wel verplicht tot de
mogelijkheid om het te importeren.
Dat doet niet volledig recht aan de
werkelijkheid. Wij verplichten onszelf
daar niet toe in dit wetsvoorstel. De
Europese wetgever heeft de lidstaten
verplicht tot het verlenen van
toegangsrechten, zoals gezegd,
uitsluitend voor internationaal
vervoer. De vormgeving van het
concurrentieregime voor binnen-
landse openbaar vervoer per spoor
hoort dus ook in een afzonderlijk
traject en is op zichzelf niet geregeld
via dit wetsvoorstel.
In afwachting van de vaststelling
van mijn beleid voor de periode na
2000, heb ik inderdaad mijn visie
voor de huidige periode vastgelegd
in het beleidskader ’’toelating tot het
spoorvervoer’’, in samenhang met de
voornemens voor de zogenaamde
contractsector. Ik wil er wel op wijzen
dat die beleidsvoornemens wel
degelijk een wettelijke basis kennen.
Wij hebben namelijk de Wet
personenvervoer op basis waarvan je
bij de vergunningverlening moet
toetsen of nieuwe vervoerders
kunnen worden toegelaten. En de
Wet personenvervoer is evengoed
van toepassing op het spoor,
voorzover het spoor daaronder valt.
De heer Van den Berg, de heer
Talsma en een aantal anderen
hebben gesproken over de gebruiks-
vergoeding en gevraagd hoe wij
daarmee omgaan. De beleids-
ontwikkeling over de vormgeving
van de gebruiksvergoeding is in volle
gang. Met ingang van 2000 zal een
stelsel van gebruiksvergoedingen
kunnen worden ingevoerd. Over de
exacte omvang moeten nog
beslissingen worden genomen. Als
wij hoge bijdragen in de sfeer van de
infrastructuur zouden vragen, zal dit
betekenen dat de vervoerders minder
rendabel vervoer zullen kunnen
plegen. Daar moeten wij dus heel
serieus naar kijken. Toch ben ik wel
een voorstander van invoering van
een infrabijdrage, ook om te zorgen
dat in feite iedereen gaat mee-
betalen. Ik meen dat een van u, de
heer Zijlstra, heeft gesproken over
een soort van universele dienstverle-
ning. Als er iemand anders op het
spoor zit, zou die, als hij alleen
rendabele dingen zou doen, moeten
meebetalen aan onrendabele dingen.
De infrabijdrage zou daarbij een
hulpmiddel kunnen zijn. Ik weet dat
overigens nog niet zeker. Nogal veel
van de opmerkingen die de heer
Zijlstra heeft gemaakt, zijn precies de
onderwerpen die onderdeel uitmaken
van de afweging waar wij op dit
moment middenin zitten, als het gaat
over de toekomst van mogelijke
concurrentie op of om het spoor.
Het is overigens niet zo, zoals de
heer Van den Berg dacht, dat er op
dit moment sprake is van capaciteits-
conflicten tussen personen- en
goederenvervoer, met een enkele
uitzondering. Ook hiervoor moeten
wij in de nadere afwegingen
natuurlijk wel oplossingen bedenken,
omdat het capaciteitsbeleid
overheidsbeleid behoort te zijn.
Overigens gebeurt iets dergelijks ook
al, want Railned is weliswaar een
onderdeel van de spoorwegen maar
het wordt beleidsmatig aangestuurd
door de rijksoverheid, net als het
RIB. De rijksoverheid fourneert de
financie¨le middelen. Juist omdat
Railned het capaciteitstoewijzings-
instituut is, hoort zij zich natuurlijk
wel te gedragen als ware zij
onafhankelijk. Daar toetsen wij
Railned ook op.
De heer Van den Berg heeft een
groot aantal vragen gesteld, die ook
precies behoren bij de beantwoor-
ding van vragen rond de mogelijkhe-
den van contracten en spoorweg-
materieel. De gedachte aan een
leasemaatschappij voor materieel is
mij niet onbekend en vind ik heel
interessant. Dat zou best eens een
oplossing kunnen zijn, waardoor je
iets meer kan doen aan vormen van
marktwerking of stukken van
marktwerking. Bij contractuele
dienstverlening kan de overheid
natuurlijk tariefeisen stellen. Bij de
decentralisatie naar de provincies en
de gemeenten en de marktwerking in
het streekvervoer zullen provincies
en gemeenten ongetwijfeld
tariefeisen stellen, al was het maar
omdat ze ook via de contracten forse
subsidies zullen uitgeven. Je geeft
natuurlijk geen contract af waar je
ook nog geld bij legt om vervolgens
te zien, dat men de prijzen zodanig
maakt dat geen mens meer in het
openbaar vervoer zal stappen. Dat is
overigens, zeker bij de Nederlandse
Spoorwegen, op zichzelf heel
interessant maar uit alle onderzoeken
naar de mogelijkheden om meer
inkomsten te verwerven en om
rendabeler te worden, blijkt dat dit
alleen maar mogelijk is met meer
mensen en niet alleen maar met
beter betalende mensen. Als de heer
Den Besten iets anders had gezegd,
had mij dat eerlijk gezegd zeer
verbaasd. De enige manier om
werkelijk een rendabeler bedrijf te
krijgen, is door zoveel mogelijk
mensen te vervoeren. Ik ben het
overigens zeer eens met de heer Van
den Berg, dat de provincies bij
uitstek de aangewezen bestuurlijke
instanties zijn om een visie te
hebben op de meest wenselijke
opzet van het regionaal openbaar-
vervoernetwerk. Ik ben het erg ook
mee eens, dat op zichzelf verant-
woordelijkheid voor zowel het
streekvervoer als voor het regionaal
openbaar vervoer per rail daarbij
past. Om die reden zijn wij ook in
overleg getreden met de regionale
overheden over de wijze waarop de
verantwoordelijkheid voor het
regionale spoorvervoer gedecentrali-
seerd kan worden. Ook dat vereist,
dat eerst een visie wordt ontwikkeld
op het concurrentieregime op het
spoor vanaf 2000 inclusief een visie
op de afbakening van het regionale
openbaar vervoer per rail. Soms is
dat niet zo eenvoudig. Het voorbeeld
van de trein tussen Hoorn en
Amsterdam is genoemd. Is dat nu
een regionale spoorlijn of is het een
onderdeel van het Intercitynet? Zijn
sommige treinen regionale treinen of
is het totaal een onderdeel van het
kernnet? Dergelijke zaken moeten
natuurlijk wel veel beter worden
gedefinieerd. Ik wil daarbij ook
opmerken, dat dit ook pas mogelijk
is onder de voorwaarde, dat het
parlement daarmee akkoord gaat. Tot
nu toe bestaan daarover namelijk
redelijk verdeelde opvattingen,
althans in de Tweede Kamer. We
zullen bovendien de uitkomsten van
de gesprekken met de regionale
overheden moeten afwachten.
Voorzitter! De opmerkingen van de
heer Zijlstra zal ik zeer graag
meenemen, omdat zij voor een flink
deel passen bij de voorbereiding van
een beleidsstandpunt.
Aan het adres van de heer Baarda
herhaal ik, dat de huidige Wet
personenvervoer het wettelijk kader
is waarbinnen de zaken omtrent
openbaar vervoer per spoor zijn
geregeld. Voor het overige geldt het
overgangscontract, waarin ook een
aantal afspraken met de NS zijn
gemaakt.
Over de opvattingen van de NS
die door de heer Baarda hier naar
voren zijn gebracht, doe ik geen
uitspraak. Het is volstrekt duidelijk,
dat onze monopolist natuurlijk
wensen heeft en die mag hij hebben.
Misschien zijn het wel goede
wensen. Misschien komen wij aan
het eind van de rit wel tot de
conclusie dat het zo moet. Ik ben
daarvan nog niet helemaal overtuigd.
Ik vind het heel interessant als ook
de NS zouden willen deelnemen in
randstadnetten. Ik zou het ook
interessant vinden als sommige
randstadrailbedrijven iets actiever
zouden worden op de markt. Ik ben
ook heel nieuwsgierig naar de
ontwikkelingen rondom de regionale
vervoersbedrijven. Dat is echt een
verantwoordelijkheid van de
Nederlandse Spoorwegen zelf. Zij
moeten zelf beslissen of zij daarvoor
al dan niet kiezen. Het lijkt mij heel
interessant om een geı¨ntegreerd
vervoersbedrijf te hebben, dat en
spoor en bus kan aanbieden en liefst
ook nog taxi. Alles hoeft natuurlijk
niet zelf uitgevoerd te worden, maar
zo’n logistiek kennisbedrijf lijkt mij
heel interessant. Als dat een mooier
product kan aanbieden dan de
huidige losstaande bedrijven zou dat
schitterend zijn.
Dan kom ik bij de vraag, welke
waarborgen wij kunnen geven bij de
geschetste situatie rondom Noord-
Net. Ik heb net al gezegd dat wij op
dit moment een contract met de
Spoorwegen hebben over de
onrendabele lijnen. Alles wat men in
die termijn bedenkt, zal daarbinnen
moeten vallen. Ik onderzoek ook met
Friesland, of wij kunnen decentralise-
ren. Of men dat wil, zal uiteindelijk
politiek beoordeeld moeten worden.
Wat mij betreft zou het goed zijn als
de provincie verantwoordelijk kan
worden voor het geheel.
Voorzitter! De NS zijn een redelijk
efficie¨nt bedrijf. De afgelopen jaren is
er een behoorlijke efficiencywinst
geboekt, bijvoorbeeld door de
afbouw van de subsidies. De NS
krijgen op dit moment vrijwel geen
subsidies buiten hetgeen per
contract is afgesproken.
Het McKinsey-rapport van deze
zomer, waarbij een internationale
benchmarking is gedaan van de
concurrentiekracht van de Neder-
landse Spoorwegen, laat overigens
wel zien dat er nog een hele
efficiencywinst te boeken is,
bijvoorbeeld in vergelijking met
landen als Zweden en Groot-
Brittannie¨. Daaraan moet wel
gewerkt worden.
De heer Baarda heeft ook
gevraagd waarop ik baseer, dat
concurrentie ook voor de reiziger/
verlader tot een betere prijs-
kwaliteitverhouding kan leiden en of
ik daarvan voorbeelden kan geven.
Dat is nu een van de dingen die ik
nader zal onderbouwen in de nota
Marktordening inzake het spoor
2000. In Zweden en Duitsland zien
wij op dit moment hele interessante
voorbeelden van hoe het beter kan.
Daar zijn regionale lijnen aanbesteed.
Dat heeft geleid tot zowel een betere
kwaliteit van de dienstverlening als
een lager subsidiebedrag. Ik hoop
dat de heer Baarda mij niet kwalijk
neemt dat ik dat een aantrekkelijk
perspectief vind.
Voorzitter! Dit wetsvoorstel betreft
puur het vertalen van de richtlijn.
Overigens liggen de wetsvoorstellen
waarover de heer Zijlstra sprak,
inderdaad voor. Dat zijn ook pure
vertalingen van de richtlijnen. Wij
zijn echter wel bezig met de
voorbereiding van een hele grote
wet. Wij zijn begonnen met de
uitvoering van de in het contract
’’Over de wissel’’ vastgelegd
afspraken toen de Tweede Kamer
daarmee in december 1995 had
ingestemd. Ik pleeg daarover het
parlement getrouw te informeren,
zoals bijvoorbeeld met het beleids-
kader ’’Toelating tot het spoor’’ en de
brief over de contractsector van
februari van dit jaar. Deze uitvoering
vindt tot nu toe plaats binnen de
kaders van de huidige wetgeving in
afwachting van de totstandkoming
van de wettelijke verankering van het
nieuwe spoorbestel. Bij de totstand-
koming van die nieuwe wetgeving
hebben de Staten-Generaal, dus ook
uw Eerste Kamer, alle rechten als
medewetgever. Voor alle duidelijk-
heid is dat met zoveel woorden
vastgelegd in het contract ’’Over de
wissel’’.
Aan de voorbereiding van nieuwe
wetgeving wordt nu hard gewerkt. Ik
verwacht dat wij nog voor het einde
van deze kabinetsperiode de eerste
resultaten van die inspanningen
kunnen aanbieden aan de minister-
raad. Het is de bedoeling dat voor 1
januari 2000 het wettelijke kader
gereed is wat daarna moet gaan
gelden.
Ik heb al gereageerd op de stelling
die de heer Bierman betrok met
betrekking tot de vraag, of de NS
concurrentie voelen door Lovers. Ik
denk dat dit wel het geval is. Ik ben
er bijna van overtuigd dat een van
de redenen waarom de NS volgend
jaar met meer treinen gaan rijden is
gelegen in het gegeven dat ook
Lovers wat doet.
De heer Bierman heeft gevraagd
of er een weg terug is met de
verzelfstandiging van de NSR. Er is
in principe geen weg terug meer met
de verzelfstandiging. Die overeen-
komst is gesloten en het bedrijf is de
weg naar zelfstandigheid al volop
ingegaan. Ik wil wel opmerken dat
verzelfstandiging in mijn ogen iets
volstrekt anders is dan privatisering.
De heer Pitstra was van mening – het
was een van de dertig verkeerde
veronderstellingen die hij mij
toedichtte – dat ik van mening was
dat de NS geprivatiseerd moest
worden. Ik vind vooralsnog dat de
NS geheel niet geprivatiseerd moet
worden, zeker niet zolang de NS de
enige serieuze spoorvervoerder in dit
land is. Ik zou het dan heel raar
vinden om zo’n bedrijf de beurs op
te sturen. Overigens zou dat ook uit
bedrijfseconomisch oogpunt op dit
moment helemaal niet kunnen. Het
lijkt mij ook niet wenselijk. Het zou
pas kunnen als er een regime is, een
omgeving waarin de NS moet
functioneren, dat wat dat betreft
enige prikkels kent. Ik vind verzelf-
standiging nog steeds heel goed. Ik
vind een relatie van de overheid met
het bedrijf niet via een subsidielijntje,
maar met een contractlijn beter.
Ik blijf wel met het probleem zitten
– dat is een van de redenen waarom
ik zo snel mogelijk met dat nieuwe
beleid wil komen – dat het toch lastig
is om contracten te sluiten als je in
feite maar een partner hebt.
Daarvoor wil ik liefst zo gauw
mogelijk een betere oplossing,
zodanig dat het spoorvervoer
inderdaad beter wordt. Het moet
volstrekt helder zijn dat een beter
spoorproduct het doel van het
overheidsbeleid is. Dat gaat
inderdaad soms te langzaam, zoals
de heer Talsma zegt. Dat het te
langzaam gaat wijt ik overigens meer
aan een budgetprobleem dan aan de
wens. Het is absoluut waar dat wij
graag een heleboel heel snel zouden
willen doen, maar een van de
onderwerpen waarover wij de vorige
keer intensief hebben gesproken –
het wisselen van tractie en het
veranderen van een beveiligings-
systeem – heeft niet alleen gevolgen
voor de investering. Die 1,5 a` 2 mld.
zouden wij misschien nog ergens
vandaan kunnen toveren. Het heeft
ook heel grote gevolgen voor het
materieel. Dat komt er wel even bij,
dus je moet dat met zeer veel
verstand en zeer veel wijsheid doen,
als je het al moet doen op het hele
net. Daarover moeten wij beslissin-
gen nemen. Dat is ook de reden
waarom dergelijke dingen langer
duren, want de consequenties van
zulke grote veranderingen, die wel
van belang zijn, moeten toch goed
doordacht worden. Ik ben liever iets
trager dan dat ik iets bij u neerleg
wat tot niets leidt.
Voorzitter! Ik dacht dat ik alles
over het wetsvoorstel heb gezegd
wat erover gezegd moet worden. Ik
hoop dat ik op hoofdlijnen enigszins
ben ingegaan op de opmerkingen. 

</spreker>
<spreker pagina="5-170" anker="147" naam="De voorzitter">
 Als u mevrouw
Vrisekoop beantwoordt, bespaart u
dat straks een hoop tijd. 

</spreker>
<spreker pagina="5-170" anker="148" soort="Minister" naam="Jorritsma-Lebbink">
 Ik zal
dat graag doen.
Mevrouw Vrisekoop heeft
gevraagd hoe de inspannings-
verplichting van de NS nader vorm is
gegeven en hoe de nutsfunctie door
de NS in de toekomst wordt
gewaarborgd. Over de toekomst heb
ik het gehad; daar kom ik graag op
terug. Het is een van de dingen die
moeten worden meegenomen in de
beoordeling of en zo ja, hoe je met
een regime van enige marktwerking
wilt omgaan. Dan hoort de discussie
ook te worden gevoerd over de
vraag hoe je dan die nutsfunctie
invult. Overigens vullen wij die nu
voor een deel ook zelf in. Het sluiten
van een contract over onrendabele
lijnen is voor ons een invulling van
de nutsfunctie. Je kunt het aan een
bedrijf dat ook winst moet maken
niet opleggen dat het zichzelf
onrendabel maakt. Daar zul je als
overheid toch iets aan moeten doen.
In het contract zitten overigens
behoorlijke incentives om zelf zoveel
mogelijk aan rationalisering en
verbetering aan het product voor de
klant te doen. Nogmaals, alle
onderzoeken in het kader van de
commissie-Wijffels voor de
verzelfstandiging wijzen uit dat de
NS geld kan verdienen, niet aan de
stationnetjes, niet aan het onroerend
goed, aan de goederen voorlopig
helaas ook nog niet – ik zou willen
dat het anders was, maar er zullen
waarschijnlijk een paar andere
bedrijven bij moeten komen – maar
echt alleen aan het vervoeren van
erg veel mensen, liefst van ’s
morgens vroeg tot ’s avonds laat. 

</spreker>
<spreker pagina="5-171" anker="149" naam="De voorzitter">
 Door enkele leden is
mij gevraagd om een korte schorsing
van ten hoogste vijf minuten. Als
iedereen zich in tweede termijn
houdt aan de opgegeven spreektijd,
hebben wij daarvoor 26 minuten
nodig. De minister heeft dan nog een
korte tijd voor haar antwoord. Als
men zich niet aan de opgegeven
spreektijd houdt, wordt er alsnog een
dinerpauze gehouden.
De vergadering wordt van 19.53 uur
tot 19.58 uur geschorst.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="5-171">

 
<spreker pagina="5-171" anker="150" partij="VVD" naam="Talsma">
 Mijnheer de
voorzitter! Namens mijn fractie dank
ik de minister voor haar uitvoerige
toelichting. Omwille van de tijd zal ik
niet verder in details treden. Wij zijn
bijzonder verheugd dat de minister,
als ik het goed beluisterd heb,
voornemens is om binnen niet al te
lange tijd een soort algemeen
beleidsplan op papier te zetten. Dit
kan dan met de Tweede Kamer, maar
uiteraard ook met de Eerste Kamer
besproken worden. Wij hebben
gehoord dat er heel veel in ontwikke-
ling is wat nog niet direct in een
eindfase is. Ik geloof dat wij er nu
het beste aan doen om dat af te
wachten.
Ik heb met belangstelling gehoord
– ik heb dit hier al vaker op het tapijt
gebracht – dat Rail 21 nooit een plan
van de overheid is geweest. Deze
ruiterlijke erkenning als zodanig
bevredigt mij wel, maar ik hoop dat
er in die nota iets komt wat hoe dan
ook als een toekomstplan kan
worden gezien.
Op de vraag wat het hoofdnet nu
is, moet ik zeggen dat dit voor mij
een heel duidelijke zaak is. Dit is wat
de NS al jaren met een kaartje erbij
afdrukt. Ik dacht dat de minister dit
had overgenomen.
Voorzitter! Nogmaals, wij zien die
nota, zo mogelijk op zeer korte
termijn, met belangstelling tegemoet.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="5-171">

 
<spreker pagina="5-171" anker="151" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">

Voorzitter! De fractie van GroenLinks
zou natuurlijk veel liever lovende
woorden hebben gesproken over
deze minister en haar
openbaarvervoer- en spoorbeleid,
maar de realiteit gebiedt ons om met
kritiek te komen. Persoonlijk ligt mij
dat trouwens ook wel, maar wij
hadden liever gezegd dat het
allemaal heel goed ging. Dat is
echter niet zo.
De PvdA heeft gezegd dat wij
eigenlijk onze beurt voorbij hebben
laten gaan, omdat wij over het
rapport-Wijffels hadden moeten
spreken. Ik ben het daar niet mee
eens. In deze vertaling van de
Europese wetgeving – volgens mij
was die ook niet beleidsarm – staan
toch heel essentie¨le dingen. Daar
staat in dat de NS zelfstandig
moeten worden en dat de minister
geen tariefbeleid meer mag voeren.
Als je het daar niet mee eens bent,
lijkt het mij voor de hand te liggen
om de wet af te wijzen. Ik realiseer
mij natuurlijk dat dit een geweldige
heisa in Brussel zal geven, want daar
is men ook gevangen door het spook
van de liberalisering. Wij willen
evenwel graag dat de minister met
een heel andere politiek in Brussel
gaat komen.
Ik heb de Handelingen van het
debat over het lijntje Marie¨nberg-
Almelo nog even nagekeken, omdat
de minister vond dat ik haar niet
goed had weergegeven. Dat vond zij,
geloof ik, van bijna alles wat ik zei.
Alle citaten die ik heb gegeven, staan
evenwel in de stapel stukken die wij
hebben gekregen, zoals het
beleidskader, het contract met de NS
en allerlei Handelingen van de
Tweede Kamer. Als je daar systema-
tisch en letterlijk uit citeert, dan geeft
dat volgens mij een vrij getrouw
beeld van wat de minister wil. Maar
goed, het lijntje Marie¨nberg-Almelo.
De minister heeft inderdaad niet
gezegd dat zij daar zonder meer
tegen was. Ik heb in eerste instantie
ook gezegd dat zij daartegen leek te
zijn. De minister heeft echter wel
onmiddellijk gezegd dat de regio dit
zelf moet betalen. De regio had er al
voor gezorgd dat de kosten
tweederde lager werden. Daarom
heb ik die keiharde voorwaarde zo
geı¨nterpreteerd dat de minister hier
niet echt enthousiast over is. Als je
dat namelijk van zo’n regio eist, is de
kans dat het mislukt, wel erg groot.
Enfin, het wordt nu aanbesteed. Wij
moeten maar afwachten wat daar
uitkomt.
Voorzitter! Over alle andere
punten van kritiek en de stellingen
die onze fractie heeft betrokken,
loopt de minister vrij soepel heen.
Als een soort eend schudt zij het
water van zich af. Ik zou zeggen met
een Jorritsma-stijl. Zij zegt verder dat
er weinig problemen zijn en dat de
kritiek niet klopt. Over het artikel van
Van Dieren merkt zij op dat dit onzin
is en dat daar nog wel eens een
reactie op komt. In die zin loopt de
minister vrij oppervlakkig over alles
heen. Ik betreur dat. In mijn laatste
zin in eerste instantie zei ik dat ik
hoopte dat de minister bereid of in
staat was om op een en ander te
reageren. Ik concludeer nu dat de
minister daartoe niet bereid is of
daartoe niet in staat is of daartoe
niet bereid en niet in staat is.
Kennelijk moeten wij via een artikel
in de Volkskrant horen wat de kritiek
op Wouter van Dieren is.
De minister verwijt ons dat wij
karikaturen van een en ander maken,
maar vervolgens maakt zij een
karikatuur van ons standpunt. Zij
zegt dat die GroenLinksers niets
willen veranderen en dat zij alles bij
het oude willen laten. Als de minister
echter goed naar mijn verhaal had
geluisterd, dan had zij gehoord dat ik
voor een andere benadering kies als
het er bijvoorbeeld om gaat de
niet-klantgerichte cultuur bij de NS te
doorbreken. Ik ben ook niet tegen
geı¨ntegreerde bedrijven. Als het
mogelijk is om tot een gezamenlijk
vervoersaanbod te komen van taxi,
bus en trein, vanuit een regionaal
bedrijf, dan ben ik daar niet op
tegen. Ik vind dat zelfs een interes-
sante optie. Het meer baseren van
subsidies op prestaties vind ik een
vorm van modern management die
bij monopolisten en overheidsdien-
sten heel goed mogelijk is. Het idee
van de minister dat wij alles bij het
oude willen laten, is echt onzin.
Integendeel, wij willen de consument
juist heel veel invloed geven op dat
beleid. Wij willen ervoor zorgen dat
de consument breekijzers terzake
krijgt, want de huidige, magere
consumentenplatforms hebben die
helemaal niet.
De minister zegt dat er nog een
nota Marktwerking spoor 2000 komt.
Daarna komen er allemaal nieuwe
wetten. Dat gebeurt nog in deze
kabinetsperiode. Wat dat betreft zijn
er twee oplossingen. Of wij gaan die
nota Marktwerking spoor 2000
bespreken, hoewel bij het debat over
de positie van de Eerste Kamer werd
gesteld dat dit slechts bij hoge
uitzondering kan gebeuren.
Misschien moeten wij die hoge-
uitzonderingsclausule van toepassing
verklaren op die nota. Of er moet op
een andere manier over het beleid
terzake worden gesproken, want de
wetten komen hier een stuk later.
Dan is alles al in kannen en kruiken.
Dan staat de Eerste Kamer bijna voor
het blok, net zoals dat nu ook het
geval is. Mijn fractie is de enige
fractie die dadelijk tegen durft te
stemmen. De andere fracties voelen
zich op een dusdanige manier voor
het blok gezet dat zij met een en
ander instemmen. Zo gaat het de
volgende keer ook weer.
De minister zegt ook dat de
wijziging van de Spoorwegenwet al
tot stand is gekomen voordat paars
kwam. Dat is op zichzelf juist. De
voorganger van deze minister heeft
zich daarmee beziggehouden. In die
tijd was het CDA trouwens veel
optimistischer over de marktwerking.
Ik constateer dat de grootste
oppositiepartij in de Tweede Kamer,
daarin gevolgd door de heer Baarda
en de fractie van de VVD in de Eerste
Kamer, toch een duidelijk andere
mening heeft over die gigantische
voordelen van concurrentie en ook
concurrentie op het spoor.
De minister is voorts erg vaag
over wat zij vindt. Zij is voor enige
marktwerking. Zij is voor een
infrabijdrage. Daardoor wordt het
allemaal erg moeilijk grijpbaar. Het
wordt ook moeilijk discussie¨ren over
wat ons te wachten staat. De richting
is echter vrij duidelijk. Is de motie
van de VVD overigens van tafel? Ik
had daar nog een reactie op willen
geven. De minister is geen voorstan-
der van een commissie van wijze
mannen. 

</spreker>
<spreker pagina="5-172" anker="152" naam="De voorzitter">
 Ik wijs de heer Pitstra
erop dat de spreektijd die hij heeft
opgegeven, nu verbruikt is. Bij het
vaststellen van de orde voor de
tweede termijn heb ik gezegd dat
iedereen zich daaraan diende te
houden. 

</spreker>
<spreker pagina="5-172" anker="153" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">
 Ik zal
een slotzin uitspreken, voorzitter. De
minister zegt een beter spoorproduct
te willen leveren, maar dat is juist
het drama dat zich hier afspeelt. De
gekozen koers leidt namelijk
helemaal niet tot een beter spoor-
product.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="5-172">

 
<spreker pagina="5-172" anker="154" partij="SGP" naam="Van den Berg">

Mijnheer de voorzitter! Een ding is
duidelijk, wij hebben voor onze beurt
gesproken. Het gaat om het vertalen
van de richtlijn. Helder is geworden
dat de minister snel met nieuw
beleid wil komen, dat daar op dit
moment grondig op wordt gestu-
deerd en dat er in het buitenland
wordt rondgekeken. Dat vinden wij
positief en wij wachten dat met
belangstelling af. Wij willen de
minister danken.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="5-172">

 
<spreker pagina="5-172" anker="155" partij="PvdA" naam="Zijlstra">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik dank de minister voor
haar antwoorden. Ik heb wat het
extra nationale beleid betreft dat in
dit wetsvoorstel zou zijn vervat, nog
eens even nagekeken waarop dat
misverstand mogelijk gebaseerd is.
De minister heeft in een brief van 20
februari 1997 aan de Eerste Kamer
gezegd dat dit voorstel uitsluitend
strekt tot een beleidsarme implemen-
tatie van die richtlijnen. In de nota
naar aanleiding van het verslag van
de Tweede Kamer van juni 1996
staat, dat zoveel mogelijk is
vermeden dat extra nationaal beleid
wordt meegenomen. Door dat stukje
beleid dat er dan kennelijk toch nog
in zit – anders spreek je namelijk niet
over ’’beleidsarm’’ of ’’zoveel
mogelijk’’ – is waarschijnlijk het
misverstand gerezen. Dat heeft
vanzelfsprekend ook te maken met
het feit dat wij hier de verzelfstandi-
ging van Wijffels niet hebben
besproken. Het vervallen van
bijvoorbeeld de vervoerplicht, in
samenhang met dit wetsvoorstel,
heeft dat misverstand waarschijnlijk
nog meer in de hand gewerkt;
terecht of onterecht.
Wij hebben de discussie over
Wijffels nu enigszins ingehaald, in de
commissies en plenair. Ik had ook de
indruk dat nu zo duidelijk bij de
nieuwe aanpassing aan richtlijnen
die nu in de Tweede Kamer aan de
orde zijn, werd gezegd dat het
uitsluitend strekt tot implementatie
van die richtlijn, dat men zich bewust
was van de kritiek die op dit punt is geleverd. Ik zei al: terecht of
onterecht. De essentie van mijn betoog was:
gelijke monniken, gelijke kappen. Ik
zal dat niet herhalen, maar ik wil wel
iets zeggen over die ene reiziger die
dan in een limousine zou moeten.
Dat is mij overigens wel eens
overkomen, maar dan niet in een
limousine. De minister heeft
natuurlijk gelijk, dan neem je een
auto. Het gaat mij echter om het
geval dat er zo weinig reizigers zijn,
dat de marginale kosten per reiziger
toch de pan uit rijzen en dat wij toch
ook vinden dat dat vervoer moet
blijven plaatsvinden. Ik neem aan dat
de minister dat ook wel heeft
begrepen.
De minister lijkt ook te worstelen
met de problemen die ik namens
mijn fractie heb aangegeven. Zij
neemt onder meer mijn opmerkingen
mee bij de voorbereiding van het
beleidsstandpunt dat nog bij de
Tweede en de Eerste Kamer zal
terugkomen. Wij zullen daar zeer
alert op moeten zijn. Ik ben zeer
benieuwd welke correcties voor
concurrenten die alleen rendabele
diensten verrichten – correcties ten
algemene nutte, zou ik willen zeggen
– worden aangebracht. De minister
suggereert al enigszins dat dat via
betaling voor de infrastructuur zou
moeten. Dat zou betekenen, als ik het
goed heb, uitbreiding van het werk
van RailNed, en dat is wellicht
enigszins oneigenlijk; of wellicht op
een andere, meer rechtstreekse wijze
door het ministerie.
Er is een vraag die in dit verband
niet beantwoord is, namelijk die over
de gevolgen voor de bureaucratie. Ik
heb daar voorbeelden van gegeven,
zoals in het Engelse geval, maar ook
bij de pijpleidingen en hoogspanning
voor gas en stroom in de Verenigde
Staten en het Verenigd Koninkrijk,
waar talloze lieden bureaucratisch
werk verrichten omdat de concurren-
tie in eerlijke banen moet worden
geleid. Ik zou graag een reactie op
dit punt krijgen.
Ten slotte vind ik dat ik een ander
geluid moet laten horen over de
somberheid ten aanzien van de NS
die hier toch eigenlijk onweersproken
opgeld doet. Ik reis elke week van
Heerenveen naar Den Haag en vaak
nog verder in Nederland. Er
explodeert wel eens een transforma-
torhuisje, maar over het algemeen
ben ik tevreden over de dienstverle-
ning van de NS; de behandeling is
vlot en vriendelijk; de communicatie
is soms wat wild, maar is toch sterk
verbeterd en de trein levert in ieder
geval minder vertraging op dan het
in de file staan.
Wij hebben geen doorslaggevende
redenen meer om tegen dit
wetsvoorstel te stemmen. Wij zullen
het wetsvoorstel dus steunen, maar
over de door ons gesignaleerde
problemen is niet het laatste woord
gezegd.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="5-173">

 
<spreker pagina="5-173" anker="156" partij="CDA" naam="Baarda">
 Voorzitter!
Ook namens de CDA-fractie dank ik
de minister voor de gegeven
antwoorden op onze betogen in
eerste termijn. Kort door de bocht
kan de bijdrage van de minister worden samengevat met: ’’Het komt
allemaal nog’’. Zij is bezig met het
formuleren en voorbereiden van
beleidsstandpunten. Er is een grote
wet in voorbereiding. Ook is zij bezig
kennis te vergaren over de vraag hoe
het met de concurrentie op het spoor
moet. In de begroting voor 1998 van
het ministerie van Verkeer en
Waterstaat lees ik echter dat in het
spoorvervoer een begin met de
concurrentie is gemaakt door de
toelating van Lovers op enkele
trajecten in het westen van het land.
Als je een begin hebt gemaakt, moet
je toch ook precies weten wat je
wilt?
Een tweede vraag waarop geen
antwoord is gegeven, is de vraag
hoe het met de gebruiksheffing na
2000 zit. Worden de hoogte en de
omvang bij wet geregeld of gebeurt
dat bij ministerieel besluit? Mijn
voorkeur is om dit bij wet te regelen.
Tot slot verneem ik graag van de
minister wat precies het wetgevings-
traject zal worden. Ik heb in eerste
termijn al gezegd dat in de begroting
wordt aangekondigd dat nog voor
eind 1997 een kabinetsvisie zou
worden gepresenteerd.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="5-173">

 
<spreker pagina="5-173" anker="157" soort="Minister" naam="Jorritsma-Lebbink">

Voorzitter! Een aantal voornemens
zullen, zoals ik al heb gezegd,
inderdaad nog naar de Kamer
komen. Dat betreft hoe wij in de
toekomst precies zullen omgaan met
marktwerking in het spoorvervoer en
met concurrentie op of om het spoor.
De Kamer zal ook beleidsvisies
ontvangen over de veranderingen op
het punt van de tractie en het
beveiligingssysteem, inclusief de
consequenties en de wijze waarop je
daar in de verdere toekomst mee
moet omgaan. Het zal immers zeker
enige tijd vergen voordat je dat
geheel kunt hebben geregeld.
De heer Talsma heeft gezegd dat
hij precies weet wat het hoofdnet is.
Het probleem is dat wij allemaal wel
weten hoe het zit met de infrastruc-
tuur, maar dat er geen duidelijkheid
is over het hoofdnet. Betreft dat
uitsluitend de intercity’s en de
sneltreinen of ook de stoptreinen?
Moeten wij er zo langzamerhand niet
over nadenken om die twee uit
elkaar te halen? Ik heb in eerste
termijn al gezegd dat wij ook moeten
nadenken over de vraag wat de
toekomst van de stoptrein eigenlijk
is. Is de stoptrein in bepaalde delen
van het land een onderdeel van een
nieuw systeem? Moet de stoptrein dat eigenlijk zijn? Kortom: het is iets
te makkelijk om te denken dat er een
heel heldere definitie is van wat op
dit moment het kernnet is, zoals de
NS het zo mooi formuleert. In de
ogen van de NS is het helder, maar
ik wil graag ook een eigen goede
definitie maken, ook om een goed
beeld voor de toekomst te krijgen.
De heer Pitstra heeft gezegd dat
hij mij wel juist heeft geciteerd. Je
kunt natuurlijk altijd een halve zin uit
een citaat halen, maar ik herinner mij
het debat over de lijn Almelo-
Marie¨nberg nog heel goed. Dat debat
ging vooral over wat de kosten-
dekkingsgraad zou mogen zijn. Ook
door de Tweede Kamer werd daarbij
erkend dat een kostendekkingsgraad
van 12% of 16% – de heer Pitstra
heeft die gegevens bij de hand, maar
ik moet het uit mijn hoofd doen –
een erg lage kostendekkingsgraad
was. Ook voor de Tweede Kamer
was dat reden om tegen mij te
zeggen dat ik verder moest gaan. Ik
ben dus ook verder gegaan. Ik
verwacht dat wij uit zullen komen op
een systeem dat er heel aardig uit
ziet en waarin de regio overigens
ook enige eigen verantwoordelijkheid
zal nemen. Daar krijgt de Kamer
ongetwijfeld mededelingen over, zo
niet via mij dan wel via de krant.
Ik zou willen zeggen dat de kritiek
van Wouter van Dieren in de
Volkskrant ook maar via de Volks-
krant beantwoord moet worden. Ik
voel er eigenlijk weinig voor om in
de senaat te reageren op een artikel
in een krant. 

</spreker>
<spreker pagina="5-173" anker="158" partij="GroenLinks" naam="Pitstra">

Voorzitter! Daar wil ik toch even op
reageren. Op het moment dat een
Kamerlid bepaalde citaten overneemt
en daarop een reactie vraagt, ligt de
zaak anders. 

</spreker>
<spreker pagina="5-173" anker="159" soort="Minister" naam="Jorritsma-Lebbink">
 U
heeft uit dat artikel een paar stukjes
gehaald en ik vind dat er nu maar
eens een integrale reactie op moet
worden gegeven; dan heeft u meteen
ook een uitgebreid antwoord. Als ik
zou proberen het artikel in z’n geheel
te weerleggen, vrees ik dat u toch
met een avondpauze zult moeten
werken. En eerlijk gezegd ging het
daar vandaag ook niet over.
Overigens geloof ik dat ik het de
heer Pitstra toch nooit naar de zin
kan maken; dat heb ik opgegeven. Ik
ben overigens wel blij dat hij niet
alles bij het oude wil laten en dat hij
een aantal zaken die met markt-
werking te maken hebben, wel
accepteert, want ik krijg soms het
gevoel dat dat niet zo is. Zijn
opmerking dat de Eerste Kamer alles
maar moet accepteren, vind ik een
beetje raar. Een debat over beleids-
voornemens wordt in de Tweede
Kamer gevoerd. Als die leiden tot
wetgeving, wordt het debat in de
Tweede en in de Eerste Kamer
gevoerd. En nogmaals, als de Eerste
Kamer over welk onderwerp dan ook met mij wil discussie¨ren, dan geldt: u
vraagt en wij draaien.
Ik dank de heer Van den Berg voor
zijn woorden. Wij komen ongetwij-
feld bij u terug.
De heer Zijlstra is een beetje op
het verkeerde been gezet door dat
’’zoveel mogelijk beleidsarm’’. Het
lastige bij de vertaling van richtlijnen
is dat die in de eigen nationale
wetssystematiek moeten worden
ingepast. Daarom noemen wij dat altijd: zoveel mogelijk beleidsarm,
omdat je altijd wel iets moet doen
wat niet helemaal een op een met de
richtlijn is. De nationale wetgeving is
immers ook niet een op een met de
Europese wetgeving. Ik heb van mijn
ambtenaren het advies gekregen om
over die andere wetten te zeggen dat
ook die zoveel mogelijk beleidsarm
zijn. Nu hoop ik dat daardoor niet
hetzelfde misverstand wordt
opgeroepen. Ze zijn gewoon
beleidsarm en niet bedoeld om
daarmee andere dingen te doen dan
conform de richtlijn. Zoals ik in
eerste termijn al heb gezegd, heeft
de commissie-Wijffels zich weer aan
die richtlijn gespiegeld bij het doen
van een aantal van haar voorstellen,
maar daar sloeg deze wetgeving niet
op.
Ik kom toe aan de marginale
kostentoerekening. Uiteindelijk gaat
het er natuurlijk om hoeveel de
overheid moet betalen voor het
vervoeren van een zeker aantal
passagiers. In die zin was de
discussie in de Tweede Kamer over
Almelo-Marie¨nberg wel interessant.
Uit mijn hoofd sprekend, meen ik dat
daar 6 mln. moest worden betaald
voor een zeer klein aantal passagiers.
Op zeker moment wordt de
kostendekkingsgraad zo laag, dat er
een alternatief moet worden gezocht.
Natuurlijk heeft de regio, evenals ik,
het liefste wel spoorvervoer, want
vrijwel iedereen vindt dat toch
mooier dan een bus, zeker op die
verbinding, omdat daar op de weg
problemen bestaan. Ik hoop dat wij
de oplossing vinden, maar soms zul
je toch moeten concluderen dat iets
niet meer kan. Ik vind het overigens
heel goed dat er nu een helderder
beeld ontstaat van de werkelijke
kosten van het vervoer. Daaruit zou
kunnen blijken dat het voor sommige
regio’s veel interessanter is om naar
andere combinaties van vervoer te
zoeken, omdat die een beter
vervoerproduct voor de klanten
opleveren. Ik vind dat wij dergelijke
initiatieven een kans moeten geven.
Zo’n ontwikkeling zou bij Noordnet
aan de orde kunnen zijn. Ik heb daar
nu geen eindoordeel over en
overigens vind ik ook dat ik dat niet
moet doen, maar dat het in de regio
beoordeeld moet worden.
Ik ben het ermee eens dat wij heel
goed moeten opletten dat wij niet
een zodanig bureaucratisch systeem
maken dat het uiteindelijk duurder
wordt dan het huidige systeem. Dat
zou heel raar zijn. Het kan niet zo zijn
dat de efficiencywinst geheel
verloren gaat door extra kosten aan
de andere kant. Enige herregulering
vind ik overigens wel aanvaardbaar,
ook bij marktwerking. De Kamer
vindt immers dat er wel een publieke
verantwoordelijkheid blijft, ook al
wordt op bepaalde delen van het
beleid concurrentie geı¨ntroduceerd.
Soms leidt dat tot herregulering en
dat is soms aanvaardbaar, omdat het
beter werkt. Er zijn natuurlijk wel
grenzen aan. Ik zal er graag op
ingaan als wij bezig zijn met de
voorbereiding van het beleids-
standpunt.
Ik ben overigens blij dat de heer
Zijlstra hoort bij degenen die
tevreden zijn over de dienstverle-
ning. Ik heb gepoogd ook een aantal
positieve opmerkingen over de NS te
maken, want de NS heeft de
afgelopen periode een behoorlijke
prestatie geleverd door groei te
realiseren in een tijd waarin een
geweldige efficiencyslag moet
worden gemaakt en de NS mensen
moet laten gaan, gelukkig voor het
grootste deel via natuurlijk verloop.
Het zal natuurlijk altijd beter kunnen,
hetgeen de NS ook vindt en waar
men naar streeft. Verder moet
worden bedacht dat vertragingen
soms ook worden veroorzaakt
doordat wij zoveel gebouwd willen
hebben. De NS doet dat weliswaar
zelf, maar wij betalen het en dringen
er bij de NS op aan om te investe-
ren.
In reactie op de woorden van de
heer Baarda wijs ik erop dat wij
inderdaad hebben gesproken over
een begin van concurrentie, onder
beslag van het overgangscontract
waarin is vastgelegd dat er enige
concurrentie mag komen, zij het zeer
beperkt en niet over de rug van de
NS. Verder stel ik vast dat de
commissie-Wijffels geen uitsluitsel
heeft gegeven over de vraag wat er
daarna zou moeten gebeuren en
daarover is helderheid nodig. Op
zichzelf vind ik het jammer dat wij
dat niet al veel eerder hebben
kunnen doen, maar er moesten nu
eenmaal eerst debatten over worden
gevoerd.
Een gebruiksvergoeding kan
worden ingesteld bij ministerie¨le
regeling. Ik vermoed overigens dat
dit zo’n ministerie¨le regeling zal zijn
die niet geheel onbesproken zal
blijven. Hier zullen dus mededelin-
gen over naar buiten komen.
De beraadslaging wordt gesloten.
Het wetsvoorstel wordt zonder
stemming aangenomen. 

</spreker>
<spreker pagina="5-174" anker="160" naam="De voorzitter">
 De aanwezige leden
van de fractie van GroenLinks wordt
conform artikel 121 van het
Reglement van orde aantekening
verleend, dat zij geacht willen
worden zich niet met het wetsvoor-
stel te hebben kunnen verenigen. 

</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="5-174">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Wet personenvervoer
(24686).
Dit wetsvoorstel wordt zonder
beraadslaging en zonder stemming
aangenomen.Besluiten en ingekomen stukken
Lijst van besluiten
De voorzitter heeft na overleg met
het College van senioren besloten om:
a. de openbare behandeling van de
volgende wetsvoorstellen te doen plaatsvinden op:

Wijziging van de Wet
Infrastructuurfonds in verband met
de herindeling van de begroting van
het Infrastructuurfonds (25329);
Wijziging van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 en enige
andere wetten in verband met het
integreren van het middelenbeheer
van de sociale fondsen (geı¨ntegreerd
middelenbeheer) (25342);
Wijziging van de Wet op de
omzetbelasting 1968 in verband met
de plaats van dienst van
telecommunicatiediensten (25379);
Wijziging van artikel 3, tweede en
derde lid, en van artikel 6 van de
Kaderwet financie¨le verstrekkingen
Financie¨n (25461);
Wijziging van de begroting van de
uitgaven van het Huis der Koningin
(I) voor het jaar 1996 (slotwet)
(25480);
Wijziging van de begroting van de
uitgaven en de ontvangsten van de
Hoge Colleges van Staat en Kabinet
der Koningin (II) voor het jaar 1996
(slotwet) (25481);
Wijziging van de begroting van de
uitgaven en de ontvangsten van het
Ministerie van Algemene Zaken (III)
voor het jaar 1996 (slotwet) (25482);
Wijziging van de begroting van de
uitgaven en de ontvangsten van het
Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse
en Arubaanse Zaken (IV) voor het
jaar 1996 (slotwet) (25483);
Wijziging van de begroting van de
uitgaven en de ontvangsten van het
Ministerie van Buitenlandse Zaken
(V) voor het jaar 1996 (slotwet)
(25484);
</onderwerp>
</text>

</handeling>


