<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN6515A16]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van het wetsvoorstel Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 1998 (25600 XVI)</item>
<item attribuut="Bestand"> 215 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Rijksbegrotingen (Volksgezondheid, Welzijn en Sport)</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Rijksbegroting Volksgezondheid Welzijn en Sport</item>
<item attribuut="Dossiernr">25600 XVI</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1997-1998, nr. 9, Tweede Kamer, pag. 1918-1962</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">18-11-1997</item>
<item attribuut="Document-id">HAN6515A16</item>
<item attribuut="Omvang">45 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Tweede Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Volksgezondheid, Welzijn en Sport</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Ingekomen stukken</item>
<item attribuut="doccode">TK 25</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="25-1918">

Aan de orde zijn de stemmingen in
verband met het wetsvoorstel
Wijziging van de Wet, houdende
wijziging van de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen
in verband met de invoering van
het veilen van schaarse frequen-
ties voor systemen van digitale
mobiele telecommunicatie
(veilen frequenties mobiele
telecommunicatie) (25722).
De artikelen I en II en de beweegre-
den worden zonder stemming
aangenomen.
In stemming komt het wetsvoorstel. 
<spreker pagina="25-1918" anker="1434" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat het
wetsvoorstel met algemene
stemmen is aangenomen. 
</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="25-1918">

Aan de orde is de behandeling van:
- de brief van de vaste
commissie voor Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen
houdende het voorstel om het
plan ’’Informatie en
communicatietechnologie in het
onderwijs’’ aan te wijzen als
groot project (25733, nr 4). 
<spreker pagina="25-1918" anker="1435" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, overeen-
komstig het voorstel van de
commissie te besluiten.
Daartoe wordt besloten.
De vergadering wordt enkele
minuten geschorst. 
</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="25-1918">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Vaststelling
van de begroting van de
uitgaven en de ontvangsten van
het ministerie van Volksgezond-
heid, Welzijn en Sport (XVI) voor
het jaar 1998 (25600-XVI).
De algemene beraadslaging wordt
geopend.

<blok pagina="25-1918">

 
<spreker pagina="25-1918" anker="1436" partij="CDA" naam="De Jong">
 Mijnheer de
voorzitter! Het is de laatste begroting
van dit kabinet en van deze
bewindspersonen. Daarom zullen wij
eens kijken wat zij ervan terecht
hebben gebracht.
Ik wil beginnen met het uitspreken
van onze grote waardering voor alle
mensen die in de afgelopen periode
met zoveel inzet en enthousiasme
hun bijdrage hebben geleverd om de
zorg te leveren waaraan in onze
maatschappij zoveel behoefte
bestaat. Het is voor hen geen
gemakkelijke periode geweest, al
was het maar omdat zij steeds
hebben moeten werken onder de
budgettaire druk waaronder zij vanaf
het begin werden geplaatst. Met het
inzicht dat wij nu hebben, is het
wellicht gemakkelijk te constateren
dat een volumegroei van 1,3% per
jaar onvoldoende is geweest. Wij
hebben dit echter al vanaf het begin
duidelijk gemaakt. In elke tegen-
begroting die wij hebben gepresen-
teerd, hebben wij op deze weeffout
in het regeerakkoord gewezen en
daarom ook extra geld uitgetrokken
voor de zorgsector. Onze amende-
menten op de begrotingen zijn
systematisch afgewezen en wij
voelen ons dan ook niet verantwoor-
delijk voor de druk die op de sector
is gelegd om binnen dit te krappe
Paarse budget te blijven.
Behalve de terugslag die dit te
krappe Paarse jasje heeft gehad voor
de werkers in de gezondheidszorg,
hebben natuurlijk ook de mensen die
op zorg zijn aangewezen, de
gevolgen ondervonden van de
budgettaire druk. Bij elke spreekbeurt
voor de PCOB, de Unie KBO of de
ANBO, bij elk bezoek aan een
zorginstelling en bij elk contact met
een organisatie van gehandicapten
worden wij geconfronteerd met de
grote ongerustheid over de vraag of
men nog wel op tijd de zorg
geleverd krijgt waarvan men denkt
dat daar recht op bestaat. Het is
moeilijk onder woorden te brengen
welke stemming er ontstaat wanneer
mensen denken dat zij ervan uit
mogen gaan dat zij zorg krijgen, en
dat zij vervolgens moeten ontdekken
dat dit niet zo is. Men denkt
verzekerd te zijn via de AWBZ, via
het ziekenfonds of via een particu-
liere polis, men heeft daar jaren
premie voor betaald en men komt
dan tot de ontdekking dat op het
moment dat het nodig is, er niet of
onvoldoende wordt geleverd. Met
verhalen over de Paarse euforie
hoeft men bij deze mensen niet aan
te komen. Zij hebben er niets van
gemerkt en zijn vaak verbitterd.
Toch is er geen reden om een
somber beeld te schetsen van de
zorg in Nederland. Wij mogen er nog
steeds trots op zijn dat er een goede
gezondheidszorg bestaat in ons land.
De kwaliteit ligt op een hoog peil, de
gezondheidstoestand van de
bevolking is, zeker als wij het
mondiaal bekijken, goed en wij
kunnen er trots op zijn dat er nog
steeds zoveel mensen zijn die om
niet hun diensten aanbieden om hun
zieke medemens te verzorgen. Vele
ouders, vele kinderen, mensen van
de kerk, buren, vrienden en
kennissen zijn dagelijks in de weer
met de zorg voor hun medemensen. Om het modern uit te drukken: er
bestaan nog steeds vele hechte
netwerken waarop mensen een vaak
stilzwijgend beroep kunnen doen als
de nood aan de man komt. Het zijn
de stille werkers in het veld die onze
grote waardering verdienen.
Het Paarse regeerakkoord verraadt
de verlegenheid van deze coalitie als
het over de zorg gaat. Een duidelijk
doel wordt niet omschreven. Er staat
immers dat een no-regretbeleid zal
worden gevoerd dat ’’niet belemme-
rend zal werken voor het bereiken
van de uiteenlopende einddoelen
van de onderscheiden fracties’’. Het
zal wel niet openlijk worden
toegegeven, maar niemand zal nu
toch nog langer willen volhouden dat
de afgesproken 1,3% volumegroei
geen spijt – no regret – heeft
opgeleverd. Toch bood het regeerak-
koord de mogelijkheid om op deze
afspraak over de volumegroei terug
te komen. Immers, staat niet in het
regeerakkoord dat ’’alvorens te
beslissen over de vraag of en in
hoeverre deze ruimte in de komende
jaren ex ante hoger zal worden
gesteld dan 1,3% (...) het kabinet de
resultaten (zal) beoordelen van een
strak programma van volume-
beheersing en kostenbeperking
waarmee in 1995 zal worden
gestart’’. De bedoelde ruimte is de
1,3% aan jaarlijkse groei. De
resultaten van 1995 hadden toch al
tot de conclusie moeten leiden dat
het zo niet langer kon en dus tot een
herziening van het percentage
volumegroei? De minister heeft hier
toen niet het initiatief genomen en is
dus volop aansprakelijk voor het juk
waaronder de sector door heeft
moeten gaan in de afgelopen
periode.
De gevolgen van de harde aanpak
van Paars zijn niet uitgebleven. Het
gaat toch door je ziel als wordt
gesproken over de ontzieling van de
zorgsector. Dat begrip kenden wij
nog niet bij de start van dit kabinet.
Men zal mij niet gauw ongenuan-
ceerd de marktwerking horen
afkraken. De markt is een heel
efficie¨nt ruilprincipe, maar dan wel
onder voorwaarden. Een belangrijke
voorwaarde is dat de partijen elkaar
ongeveer in evenwicht moeten
houden en dat er geen overheer-
sende machtsposities ontstaan. Daar
is in de zorgsector lang niet altijd
sprake van. Er wordt gesproken over
asymmetrische informatie, over
risicoselectie en over ’’moral
hazard’’. Dan begeeft men zich dus
in een mijnenveld als men markt-
werking propageert. Als zorg een
product wordt dat in zorgminuten
wordt geleverd onder supervisie van
een zorgmanager, gaat de ziel eruit.
De minister heeft bij haar
aantreden resoluut afscheid
genomen van het denken in
blauwdrukken en grote concepties.
De les van Dekker/Simons was
geleerd. In plaats daarvan werd een
politiek van kleine stapjes geı¨ntrodu-
ceerd, een incrementeel beleid. Nu is
er niets tegen een incrementeel
beleid als je ermee weet om te gaan.
Ik heb er het beroemde artikel van
Lindblom uit 1959, onder de
pakkende titel ’’The Science of
Muddling Through’’, dat is de theorie
van het doormodderen, nog eens op
nageslagen. Daar is de incrementele
theorie namelijk geı¨ntroduceerd. Als
je bewust begint met een politiek
van kleine stapjes, sluit je nauw aan
bij de praktijk, probeer je politiek
terug te brengen tot techniek en het
beleidsveld wordt bewust verengd.
Daarmee loop je het risico dat de
waarden en doeleinden die je nog
meeneemt in de beleids-
beschouwingen ook worden beperkt.
Ik denk dat hetgeen hiervoor werd
opgemerkt over de ontzieling van de
zorgsector een voorbeeld is van het
gevaar dat men loopt bij het
verengen van het beleid tot kleine
stapjes. Als de zorg op maat wordt
gesneden op het procrustesbed van
de bedrijfsmanager, boekt men
wellicht winst in termen van
efficie¨ntie, maar de temperatuur
daalt. Warmte en onderlinge
menselijke betrokkenheid worden
dan een schaars goed.
Ook een beleid van kleine stapjes
zal moeten zijn ingekaderd binnen
een duidelijke doelstelling. Zo niet,
dan verwordt het tot het passen op
de winkel en het aandraaien van de
bouten en moeren. Paars slaagde
niet in het formuleren van zo’n
duidelijke doelstelling. Ik heb al
geciteerd uit het regeerakkoord dat
er is gekozen voor een
no-regretbeleid, opdat de diverge-
rende doelstellingen van de
coalitiepartners geen geweld zou
worden aangedaan. Het werd dus
passen op de winkel. Zelfs dan nog
valt op hoe weinig van het pro-
gramma dat toen overbleef, is
gerealiseerd. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1919" anker="1437" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 De heer
De Jong citeert het no-regretbeleid.
Ik herinner mij ander beleid dat steeds met ’’regret’’ eindigde: sorry,
maar het is weer niet gelukt. Mijn
vraag is welke kant de heer De Jong
op wil. Ik deel best een aantal
opmerkingen die hij heeft gemaakt.
Hij kijkt alleen maar achterom en
zegt dat het beleid van kleine stapjes
tot niets heeft geleid. Daarover
kunnen wij overigens ook van
mening verschillen. Waar wil de
CDA-fractie naartoe? Opnieuw naar
een blauwdruk? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1919" anker="1438" partij="CDA" naam="De Jong">
 Ik heb
gezegd dat een incrementeel beleid,
een beleid van kleine stapjes
helemaal niet verkeerd hoeft te zijn,
als je je maar van de gevaren bewust
bent. Men loopt immers het gevaar
dat een aantal doelstellingen die ook
van grote waarde zijn, buiten het
gezichtsveld raken. Daar heb ik een
aantal voorbeelden van genoemd.
Als ik het regeerakkoord doorloop,
kom ik vanzelf op een aantal punten
waarmee wij het eens zijn, maar
waarbij het allemaal niet zo geweldig
is gelopen. De integratie van de
medisch specialist a` la Biesheuvel
was zo’n punt. Dat kan wellicht nog
slagen, maar wij zijn er nog niet. Ook
de clie¨ntgebonden budgetten
vormen een punt. Zij hebben bij de
introductie tot een geweldige
puinhoop geleid en ook nu nog
bestaat het gevaar dat dit instrument
zijn eigen aanbod schept en een
camelnose-effect zal veroorzaken
waar de opvolgers van deze
bewindslieden nog veel plezier aan
zullen beleven. Als je leest dat er een
actief antikartelbeleid met betrekking
tot aanbieders van zorg en verzeke-
raars – een zinsnede uit het
regeerakkoord – zal worden gevoerd,
dan valt het niet mee om daarbij een
concreet voorbeeld voor de geest te
halen. Van dit punt zijn wij altijd
voorstander geweest. Maar het
hoofdmenu – dat was ook voor ons
een heel belangrijk punt, collega Van
Boxtel – was wel de convergentie.
Ook daarvan is eigenlijk niets
terechtgekomen. De pakketten van
particulier verzekerden en
ziekenfondsverzekerden zijn nog
steeds niet hetzelfde. Ik ben niet
verzekerd voor de kosten van
huisarts, tandarts en geneesmidde-
len. En de tarieven zijn eerder uit
elkaar gegroeid dan naar elkaar
toegegroeid. De rijksbijdragen
bloeien als nooit tevoren en de
nominale premies in het ziekenfonds
zijn verlaagd. Er is geen verplicht
eigen risico aan de voet van
ƒ 200 gekomen. Dat was ook een
voornemen uit het regeerakkoord.
Het pie`ce de resistance van de
convergentie, namelijk de
convergentiewet, was al dood en
begraven nog voordat er van een
conceptie sprake was. Misschien wel
de beste illustratie waartoe een
dergelijk beleid kan leiden, is het
gedrocht dat in de plaats is gekomen
van het beloofde eigen risico aan de
voet. In elk leerboek openbare
financie¨n wordt gewezen op het
gevaar dat ingewikkelde regelgeving
kostbaar is, maar slechts zelden kom
je een voorbeeld tegen waarbij de
lak duurder is dan de brief. Dit is een
voorbeeld waarbij de verwachte
opbrengst – het remgeld – niet
opweegt tegen de beheerskosten.
Ongetwijfeld zal dit voorbeeld zijn
weg vinden in de nieuwe drukken
van de handboeken openbare
financie¨n. Zo zal, naast de bloempjes
van Catharina, de eigen bijdrage van
Els nog een lang leven beschoren
zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1919" anker="1439" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Het is
een mooie beeldspraak, maar ik wil
het toch over de inhoud hebben. Ik
hoor de heer De Jong een aantal
zaken opsommen. En passant neemt
hij een paar onderwerpen mee waarvan ik denk: Kassa, rust op het
front bij de specialisten. Wij zijn er
nog niet, maar we zijn er wel bijna.
Het is dus goed gelopen. Daarvoor
hulde.
Maar nu over de nominale premie. De heer De Jong zegt: die is weer
omlaag gebracht. Er is een eigen
bijdrage ingevoerd. Welke kant wil
het CDA echter op? Het CDA heeft in
dit huis jarenlang een inkomensaf-
hankelijke eigen bijdrage in het
ziekenfonds bepleit. Daar hebben wij
voor geknokt. De heer Lansink heeft
mij daarbij aan zijn zijde gevonden.
En wat lees ik nu in het concept-
verkiezingsprogramma van het CDA?
Daar willen wij weer vanaf! Dat vind
ik echt hink-stapsprong. De heer De
Jong moet het kabinet dan niet
verwijten dat het gekozen heeft voor
een regeling waarin hij een
verbetering wilde, om vervolgens
weer terug te vallen op een andere
systematiek. Dat is ook verwarring
zaaien voor de burger. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1920" anker="1440" partij="CDA" naam="De Jong">
 Wilt u met
mij het debat aangaan over het
CDA-verkiezingsprogramma dat in
concept voorligt, of wilt u op mijn
inbreng ingaan? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1920" anker="1441" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Ik ga op
uw inbreng in. U houdt een heel
verhaal over het omlaag brengen
van de nominale premie. Dat is heel
plezierig geweest voor de mensen,
omdat zij daardoor gecompenseerd
worden voor de eigen bijdrage. De
mensen onder het minimumloon zijn
vrijgesteld. Vervolgens proberen wij
met de CDA-fractie en anderen in dit
huis te komen tot inkomensafhanke-
lijke eigen bijdragen. Maar in het
conceptverkiezingsprogramma van
het CDA lees ik dat men er ineens
vanaf wil en dat men het nominaal
wil doen. Daar kan ik geen chocola
van maken. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1920" anker="1442" partij="CDA" naam="De Jong">
 Wij zijn nog
steeds voor een verhoging van de
nominale premies. Ik dacht dat de
fractie van D66 daar ook een
voorstander van was. Wij zijn dat in
ieder geval wel. Wij hebben dat
steeds uitgedragen. Als er sprake
moet zijn van convergentie, zul je
niet ontkomen aan een verhoging
van de nominale premies in het
ziekenfonds. Dat beleid zouden wij
hebben gesteund, maar het is er niet
van gekomen. Wat de systematiek
van de eigen bijdragen betreft beloof
ik de heer Van Boxtel dat er nog
steeds een IZA-achtige benadering in
zal zitten, als wij komen te spreken
over de uitvoering van het CDA-
programma. Daar mag de heer Van
Boxtel mij aan houden.
Is het erg als een kabinet na de
hemelbestorming onder leiding van
Simons eens even een time-out
neemt? Op zichzelf niet. Maar wie
even op zich laat inwerken in welke
overgangsperiode wij ons bevinden,
komt wellicht tot de conclusie dat er
geen tijd te verliezen is. Om maar eens wat te noemen: de dubbele
vergrijzing staat voor de deur en de
generatierekening slaat op tilt. De
generaties die momenteel 50 jaar of
ouder zijn, stellen hun belangen
veilig, maar de generatie tussen de
30 en de 40 wordt nu al een verloren
generatie genoemd. Zal die bereid
zijn de volle mep op te brengen voor
de dubbele vergrijzing, als zij zelf
wordt verwaarloosd? Het is een
beetje zwart-wit, maar hebben wij
deze problematiek ooit dringend over
het voetlicht gekregen? Het is niet
voor niets dat wij in onze laatste
tegenbegroting de nadruk hebben
gelegd op schuldaflossing, als een
signaal dat er iets gedaan moet
worden aan de solidariteit tussen de
generaties. Ondertussen staan de
gebeurtenissen in het tweede
compartiment niet stil. In de wereld
van de verzekeraars koersen we af
op een situatie van kartels en
oligopolies. De markt werkt wel,
maar zonder het aangekondigde
antikartelbeleid zal het resultaat altijd hetzelfde zijn: de macht wordt onder
de machtigen verdeeld. De vraag of
het ziekenfonds wordt opgeheven,
heeft zichzelf inmiddels beantwoord.
De ziekenfondsen bestaan toch
nauwelijks meer? Het zijn onderdelen
van grote conglomeraten en het
rapport van de Rekenkamer heeft
laten zien dat er altijd kattenkwaad
wordt uitgehaald wanneer je privaat
en publiek geld in een organisatie
laat samenvloeien. Hierbij is er altijd eenrichtingsverkeer: publiek geld
verdwijnt in private zakken en nooit
omgekeerd.
De vraag is of het kabinet hierover
grondig heeft nagedacht toen het
toestond dat een fusiegolf door
verzekeringsland trok. Kennelijk
stond het erbij en keek het ernaar.
Het regeerakkoord met het antikartel-
beleid is niet uitgevoerd. Wel
verscheen er een rapport van de
commissie-Cohen, dat door kabinet
en Kamer unaniem is omarmd en
waarin staat dat publieke onderne-
mingen zich niet op de private markt
mogen begeven, dat Chinese muren
onvoldoende zijn en dat er moet
worden afgestoten. De fractie van de
PvdA in de Eerste Kamer heeft reeds
opgemerkt dat dit moet leiden tot
een grondige revisie van de
Organisatiewet sociale verzekerin-
gen. Heeft de minister van volksge-
zondheid er enig idee van welke
gevolgen dit beleid van ontvlechting
a` la Cohen voor haar sector zal
hebben? Dit zouden wij graag eens
horen. Het gaat nog verder: de verzeke-
raars fuseren vervolgens met
pensioenfondsen, er wordt een grote
bank bij gehaald en het sluitstuk is
de connectie van een UVI, een uitvoeringsinstelling, u weet wel: van
Buurmeijer. Het beeld komt dichterbij
van een oligopolie van een handvol
instellingen die de sociale verzekerin-
gen, de zorg, het pensioen en de
bankzaken regelen. Was dit de
bedoeling van Paars? Daar ben ik nu
razend benieuwd naar.
Het doet wat vreemd aan dat men
nu geschokt reageert wanneer
werkgevers bij voorrang hun zieke
werknemers willen laten behandelen,
terwijl men net zelf de Ziektewet
heeft afgeschaft. Het een is toch een
logisch gevolg van het ander? Wij
waren tegen de afschaffing van de
Ziektewet wegens de selectie aan de
poort, maar niet wegens de nauwere
band die werd gelegd tussen
beslissen, betalen en genieten. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1920" anker="1443" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Dit is een
mooi betoog, waarmee ik voor een
groot deel kan instemmen. U zegt
echter dat u tegen het afschaffen van
de Ziektewet was en hiermee
onderbouwt u de stelling dat u
ongewenste inmenging in het
systeem van de volksgezondheid
ziet. Het merkwaardige is dat u niet
tegen de afschaffing van de
Ziektewet was, maar die op een
andere manier wilde doen dan het
kabinet. U heeft dus mede-
verantwoordelijkheid gedragen voor
de veranderingen in de sociale
zekerheid die nu effect hebben op de
volksgezondheid. Mijn vraag is nu of
de fractie van het CDA wil mee-
vechten tegen de ongewenste
effecten van de sociale zekerheid die
de volksgezondheid onder druk
zetten, zoals het geven van voorrang
aan werknemers. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1920" anker="1444" partij="CDA" naam="De Jong">
 Voor het
laatste hebt u mij aan uw kant, maar
het eerste ontken ik met klem. Te
vuur en te zwaard hebben wij
betoogd dat wij tegen de afschaffing
van de Ziektewet waren. Dit wil ik
graag een tijdje volhouden en
daarvoor hebben wij dus geen
verantwoordelijkheid. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1921" anker="1445" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Ik weet
dat u tegen de wet hebt gestemd
omdat het om een termijn van twaalf
maanden ging. U hebt zelf in uw
verkiezingsprogramma en in de
debatten wel degelijk de Ziektewet
op de helling willen zetten, zij het op
een andere manier. Het effect was
echter hetzelfde geweest. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1921" anker="1446" partij="CDA" naam="De Jong">
 Dat is nog
maar de vraag. Het verschil tussen
52 en 26 weken is ongeveer de helft.
Wij waren dus niet tegen de
nauwere band tussen beslissen,
betalen en genieten. Deze bevordert
alleen maar de eigen verantwoorde-
lijkheid en gaat afwenteling op de collectiviteit tegen. Ik zou zeggen: als
niemand er slechter van wordt, zou
ik eens een goed gesprek aangaan
met de werkgevers en de vakbonden.
Kijk maar eens naar de oplossing
van de arbeidsongeschiktheid in
Duitsland. Daar bestaat een volledige
verantwoordelijkheid voor de sociale
partners, met maximale preventie en
reı¨ntegratie als gevolg. Niemand
staat enig moment langer op een
wachtlijst.
Ook aan de kant van de aan-
bieders is de concentratietendens
volop aanwezig. Ziekenhuizen gaan
samen, maatschappen worden
groter, verpleeghuizen en bejaarden-
oorden gaan samen en het nieuwste
is dit hele zaakje onder een dak.
Ongewenste substitutie wordt
uitgebannen, maar de vraag is
uiteindelijk of het nog wel bij de
menselijke maat past. Is de burger,
de patie¨nt, hiermee gebaat? De
slogan van alle aanbieders van zorg en van alle verzekeraars is: u vraagt
en wij draaien. Maatwerk is
tegenwoordig in de mode. Er zijn
employee benefits in vele soorten en
maten; alles kan en wordt aangepast
aan individuele wensen. Het ultieme
geluk ligt binnen handbereik.
De achterkant van dit gelijk vormt
de rekening die aan de verzekerde
wordt gepresenteerd. Collectieve
verzekeringen die een homogeen
product aanbieden, hebben overhead
en beheerskosten van een paar
procent. Hoe mooier de kerstboom
met individuele maatpakken wordt
opgetuigd, des te sneller groeier de
beheerskosten, tot soms een kwart
van de premie. De glas- en marmer-
fabrikanten varen er wel bij.
Uiteindelijk zijn het de mensen met
een inkomen tussen minimum en
modaal die de rekening gepresen-
teerd krijgen en daarmee wordt het
weer een verantwoordelijkheid van
de overheid.
Dit is, zoals een van ’s ministers
trouwe helpsters, mevrouw Okma, in
haar boeiende proefschrift schreef,
de ’’power paradox’’. Wat ooit begon
als een schoolvoorbeeld van
CDA-politiek met zelfregulering,
aangevuld met overheidsinvloed
waarin de hand van de PvdA was te
herkennen, komt nu via een korte
vrijage met de marktwerking weer
terug in de schoot van de overheid.
Heel boeiend is de schets die
mevrouw Okma geeft van de
overgangssituatie waarin we ons nu
bevinden. Een postneocorporatis-
tische fase noemt zij dat en ik geloof
dat ze gelijk heeft. Er is bijna geen
sector waar het maatschappelijk
middenveld, deze buffer tussen Staat
en markt, dit voorbehoedmiddel
tegen sociale conflicten, zo aan
erosie onderhevig is. Okma stelt dat
we zitten in een verschuiving van het
Rijnlandse model naar het conflict-
model en haar conclusie is er een van verwarring: de bestaande
instrumenten voor planning en
controle passen niet bij de verande-
ringen in de gezondheidszorg zelf en
het is nog te bezien hoe de minister
haar beleidsdoelstellingen kan halen,
aldus mevrouw Okma. Wat mij
betreft een onthullende, maar
treffende beschrijving van een
’’insider’’.
Ik kom tot slot tot een beoordeling
van het beleid van de minister. Dit
oordeel is niet positief; het zal na het
voorgaande niet verbazen. Het is niet
alleen de chaos op het departement,
hoewel dat ook moet worden
meegewogen. Het is ook niet dat er
een onwerkbaar compromis in het
regeerakkoord moest worden
neergelegd, alhoewel dat ook
meeweegt. Maar waar wij de
minister volledig op aanspreken, is
dat zij haar handtekening heeft gezet
onder een volumeafspraak van 1,3%
groei per jaar. Zij had moeten weten
dat dit in de sector tot onaanvaard-
bare gevolgen zou leiden. Ook de
constatering halverwege de
kabinetsperiode dat in een volgend
kabinet het groeipercentage hoger
zou moeten zijn, is van generlei
waarde, als het niet leidt tot een
bijstelling van het regeerakkoord van
het zittende kabinet.
De gevolgen zijn niet uitgebleven.
Het is een klassiek economisch probleem: als de vraag groter is dan
het aanbod en het budget is te krap,
dan ontstaat een wachttijden-
probleem. Bij minister Jorritsma heet
het een file en bij minister Borst een
wachtlijst. En als je op zo’n wachtlijst
staat, voel je je grotelijks bekocht.
Minister Borst zal de geschiedenis
ingaan als de minister van de
wachtlijst. Maar ik voeg er wel een
opmerking aan toe en ik kom daarbij
nog een keer terug op het proef-
schrift van mevrouw Okma. Over de
minister schrijft zij dat als je kijkt
naar haar stijl van regeren, je er niet
omheen kunt te constateren dat,
hoewel instituties ertoe doen, hoewel
politiek ertoe doet en hoewel
institutionele erfenissen er ook toe
doen, ook persoonlijkheid een factor
van betekenis is. Daar sluit ik mij bij
aan, want oppositie moet niet alleen
streng en rechtvaardig zijn, maar op
haar tijd ook een zekere largesse
kunnen betonen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1921" anker="1447" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Voorzitter!
Graag zou ik de heer De Jong aan
het einde van zijn betoog een aantal
vragen willen stellen.
Het eerste gaat over de kwalificatie
die hij aan minister Borst meegeeft,
namelijk dat zij de minister van de
wachtlijsten zal worden, althans in
de geschiedenis. De heer Verhoeff,
hoofdinspecteur voor de gezond-
heidszorg, heeft daar vorige week bij
de aanbieding van het rapport van
de inspectie over de staat van de
gezondheidszorg interessante dingen over gezegd. Hij heeft gezegd:
wachtlijsten zijn nogal seizoengevoe-
lig; ze beginnen meestal op te spelen
tegen de tijd dat er over de
begroting wordt gepraat en het is
een gemakzuchtig gebaar om een
zak geld voor het wegwerken van
wachtlijsten te geven; zo’n ongericht
gebaar is geen oplossing. Nu denk ik
dat voor sommige wachtlijsten geld
wel een oplossing is, maar lang niet
altijd. Ik zou daar graag een reactie
van de heer De Jong op vernemen.
Ik heb expres gewacht tot het
einde van het betoog van de heer De
Jong, om eigenlijk datgene te vragen
wat ook de heer Van Boxtel gevraagd heeft: waar wil de CDA-fractie dan
vanaf volgend jaar, vanaf 6 mei,
heen? Hoe wilt u, mijnheer De Jong,
die convergentie vormgeven? Gaan
we richting ziekenfonds met het
particuliere systeem? Gaan we naar
een volksverzekering? Heffen we de
schotten tussen de drie comparti-
menten op? Ik zou zo graag eens van
het CDA daar helderheid over willen
krijgen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1922" anker="1448" partij="CDA" naam="De Jong">
 Wat het
eerste betreft ben ik het met u eens
dat je niet ongenuanceerd over
wachtlijsten moet spreken. Ik heb het
verhaal van de inspecteur ook
gelezen. Naar een aantal wachtlijsten
kun je best eens kritisch kijken en
dan blijkt er misschien niet zoveel
meer van over te blijven. Maar hij
heeft ook gezegd dat er in een aantal
sectoren die ons zeer aangelegen
zijn, zowel u als mij, een onaan-
vaardbare wachtlijstproblematiek
bestaat. Daar heb ik op gedoeld en
die nuance breng ik graag aan.
Wat het laatste betreft zou ik graag
met u het CDA-verkiezingspro-
gramma op dit punt eens willen
doornemen. Daarin staat dat wij
streven naar convergentie en ik heb
u al een element genoemd. Ik heb
niet voor niets in de vorige periode
samen met mijn collega Tuinstra een
amendement ingediend op het
initiatiefvoorstel-Van Otterloo,
waardoor het voor mensen met een
AOW mogelijk werd dat zij een
hogere procentuele premie gaan
betalen. De bedoeling daarvan was
dat je op een gegeven moment een
nominale premie kunt gaan heffen
die even groot is als de procentuele
premie voor mensen met een
minimuminkomen. Het is maar een
voorbeeld. De nominale premies
zullen omhoog moeten gaan. Toen
de minister in een oprisping in De
Telegraaf twee of drie jaar geleden
zei dat de toegang voor het
ziekenfonds open zou moeten staan
voor niet-werknemers beneden de 65
jaar, hebben wij de minister
uitgedaagd om met een plan te
komen. Zij is daar toen van
teruggeschrokken en zij heeft toen
gezegd dat het wel na de verkiezin-
gen of zoiets kwam. Maar dat is een
punt dat voor ons bespreekbaar is en
het staat in ons verkiezingspro-
gramma.
Wat mij betreft is niet alleen
opting-in maar ook de opting-out in
het ziekenfonds bespreekbaar, zodat
je een echte convergentie krijgt
tussen ziekenfonds en particuliere
verzekering. Daarbij hoort natuurlijk
wel een inkomensafhankelijke
bijdrage. Je kunt immers niet zomaar
iedereen het bos in sturen met de mededeling: nominale premies en je
kunt alles wel betalen. Daar moet
een lastenplafond in zitten. Dat staat
ook in ons verkiezingsprogramma. Ik
wil nog wel een tijdje met u
doorgaan, maar die elementen zitten
er wel degelijk in.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="25-1922">

 
<spreker pagina="25-1922" anker="1449" partij="CDA" naam="Mulder-van Dam">

Voorzitter! Het is te mooi om waar te
zijn. Uitgerekend in dit jaar, het
verkiezingsjaar, een droombegroting
voor de staatssecretaris. Het is in
schril contrast met de werkelijkheid
van de afgelopen jaren. Ik hoef maar
te herinneren aan de vele debatten
over de thuiszorg, het ouderen-
dossier en het gehandicaptenbeleid,
dat wij gisteren nog hielden. Collega
De Jong zei het al, die werkelijkheid
geeft grote problemen en ongerust-
heid bij mensen die daar afhankelijk
van zijn, omdat de garantie van zorg
en aandacht niet gegeven kan
worden en voor sommige mensen
zelfs onbetaalbaar dreigt te worden.
Ik noem de harmonisatie en
invoering van de eigenbijdrage-
regeling. Ik heb toch echt niet
gedroomd dat de staatssecretaris
beweerde dat mensen geen nadelige
financie¨le effecten zouden ervaren
van de wijziging in de vaststelling op
basis van netto-inkomen naar
belastbaar inkomen. Nog steeds
worden grote inkomenseffecten
gesignaleerd, die in een aantal
gevallen leiden tot vermindering of
opzegging van noodzakelijke hulp.
Dat geldt zowel voor gehandicapten,
waarover wij een brief van de
Gehandicaptenraad ontvingen,
alsook voor ouderen en modale
gezinnen. Wat doet de staatssecreta-
ris eraan om die belofte waar te
maken?
En dan heb ik het maar niet over
het dreigend tekort en de chaos in de
thuiszorg als gevolg van te weinig
geld en niet voldoende doordacht
beleid. Dit alles heeft geleid tot
instellen, uitstellen, corrigeren en het
terugdraaien van allerlei maatregelen
en niet in de laatste plaats tot
frustraties. Op de vele bezoeken, die
ook wij gebracht hebben aan
thuiszorginstellingen, was de steeds weerkerende vraag: ’’Kunt u het nog
volgen, nou wij niet.’’ Wat ontbrak
en nog steeds ontbreekt, is een
duidelijke visie.
Toegegeven, er wordt in dit
verkiezingsjaar eindelijk iets gedaan
aan de schrijnende discrepantie die
bestaat tussen het gejubel over de
goede economische positie en de
achterblijvende financiering van
noodzakelijke zorg als gevolg van
afspraken in het regeerakkoord. Beter
laat dan nooit.
Efficiency en doelmatigheid zijn
ook voor de CDA-fractie sleutelwoor-
den. Dat geldt zowel voor de
instellingen en organisaties die met
subsidies en of premies werken,
alsook voor het ministerie. Wij
hebben de indruk dat de extra kosten
die gemaakt moeten worden om het
beleid op de rails te krijgen, nogal
fors zijn. Hoeveel extra menskracht
wordt daarvoor ingehuurd? Voor
hoelang en tegen welke kosten? Voor
de thuiszorgorganisaties wordt
benchmarking ingezet. Maar wat
gebeurt er eigenlijk op het ministe-
rie?
Voorzitter! Vorige week ben ik
aanwezig geweest op de landelijke
vrijwilligersdag van de Nebas.
Mevrouw Van de Burgh, leeftijd 81
jaar, uit Brabant werd daar verkozen
tot vrijwilliger van het jaar. Al twintig
jaar lang zet zij zich geheel belange-
loos in voor gehandicapte sporters.
Mensen als mevrouw Van de Burgh
dragen met hun werk in grote mate
bij aan de door ons zo gewenste
menswaardige samenleving. ’’Minder
aandacht voor geld, meer geld voor
aandacht’’ is een tekst van Loesje die
ik daar aantrof. Dat past in de
aandacht die ik wil vragen voor
vrijwilligerswerk en mantelzorg. Ik
beperk mij hiertoe, omdat wij over
een aantal onderwerpen, waaronder
de thuiszorg, gehandicapten en
maatschappelijke opvang, binnenkort
nader komen te spreken.
’’Werk, werk, werk’’, de leus van
dit kabinet, is met name gericht op
betaalde arbeid. Toch verzetten
plusminus 3,5 miljoen mensen
enorm veel werk, onbetaald en uit
vrije wil. Zij vormen ’’het weefsel van
de samenleving’’. Zonder deze
vrijwillige inzet zou veel werk blijven
liggen, omdat professionals het
onbetaalbaar maken. Gelukkig dus
maar dat niet iedereen overal een
rekening naast legt. Vanuit de visie
van het CDA op de mens, verant-
woordelijk voor zichzelf maar ook
voor mensen om zich heen, is
vrijwilligerswerk een onderwerp dat
ons na aan het hart ligt. Dat is ook
de reden waarom wij destijds de
Kamerbrede motie hebben onder-
steund om de maximale vrijstelling
van de vrijwilligersvergoeding te
verhogen. In de brief die wij
hedenmorgen ontvingen, schrijft de
staatssecretaris dat daar nog geen
oplossing voor is. Hoe komt het toch
dat die beslissing steeds wordt
vooruitgeschoven? Staatssecretaris
Vermeend heeft nu toch tijd genoeg
gehad om tot een standpunt te
komen, zou ik zo denken. Daarbij
vraag ik ook aandacht voor het
verschil in benadering van belasting-
inspecties maar ook uitkerings-
instanties met betrekking tot deze
vergoedingen. Wordt dat overgelaten
aan de eigen interpretatie of zijn daar
duidelijke richtlijnen of regels voor?
Eigenlijk zou je dit werk moeten
koesteren om ervoor te zorgen dat
het niet verloren gaat. Helaas is de
werkelijkheid anders. De vrijwilligers-
organisaties, die in toenemende
mate worden geconfronteerd met
nieuwe vragen en opdrachten, zijn
niet bij machte om daar adequaat op
in te spelen. Daarin zal meer dan nu
moeten worden geı¨nvesteerd, niet
alleen in financie¨le zin maar ook in
die zin dat het vrijwilligerswerk een
volwaardige status krijgt. Het is
jammer dat dit niet het geval is.
Ik heb een voorbeeld bij de hand
van de Landelijke supporters-
vereniging. In het sportdebat was
toegezegd dat de LSV mocht
meepraten over oplossingen voor
het voetbalvandalisme. Nu wordt de
LSV wel ergens bij betrokken, maar
niet bij het echte interdepartementale
overleg. Daaruit blijkt dat de status
van het vrijwilligerswerk ook door de
overheid altijd op een lager niveau
wordt gewaardeerd. Het is verheu-
gend dat de Rabobank steun geeft
aan een project van de NOV om deze
mensen jaarlijks in het zonnetje te
zetten op de landelijke vrijwilligers-
dag. Een plan van de Nederlandse
organisatie voor vrijwilligerswerk,
’’Kwaliteitsverbetering
ondersteuningsstructuur’’, zou in de
visie van het CDA een goede basis
zijn voor steun in financie¨le zin. Ik ga
ervan uit dat de staatssecretaris van
dit plan op de hoogte is. De
financie¨le consequenties zijn
eenmalig 1,2 mln. en structureel
ƒ 500.000. Dat moet toch op te
brengen zijn! Het is een plan waarin
afstemming en samenwerking, ook
met vrijwilligersorganisaties in de
sport, uitgangspunt is.
Overigens bestaat er bij de
CDA-fractie behoefte aan een
uitgebreide en fundamentele
discussie over de toekomst van het
vrijwilligerswerk en de waarde die
daaraan door het kabinet wordt
gehecht. Ik heb gelezen dat collega
Van der Vlies gisteren iets dergelijks
aan de orde heeft gesteld bij de
behandeling van het JOZ. Het ging
daarbij om een onderzoek. Ik roep de
staatssecretaris op om eerst de
discussie met elkaar aan te gaan en
daarna te bekijken wat er nog te
onderzoeken valt. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1923" anker="1450" partij="SGP" naam="Van der Vlies">
 Ik heb
dat gisteren inderdaad aan de orde
gesteld. Maar ik heb ook een heel
concrete toezegging gekregen van de
staatssecretaris, waarvoor ik
dankbaar was. En ik wil die niet naar
de achtergrond geschoven zien
worden door uw vraag, mevrouw
Mulder, om er eerst eens over te
praten. Je kunt erover van mening verschillen: eerst praten en dan een
rapport met daarin een verkenning? Ik heb gedacht: als de staatssecreta-
ris die toezegging gestand doet,
hebben wij een gedegen rapport en
dan kunnen wij er voluit over praten.
Dat lijkt mij een route die ook u moet
aanspreken. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1923" anker="1451" partij="CDA" naam="Mulder-van Dam">

Het is een route die mij aanspreekt,
maar de staatssecretaris heeft
gezegd dat zij de notitie voorlopig
niet kan leveren. Dat wordt waar-
schijnlijk over de verkiezingen
heengetild. Nu ligt er al een aantal
rapporten over het vrijwilligerswerk.
Zo heeft de RMO net een rapport
doen verschijnen. Ik vraag mij af of
het noodzakelijk is om weer een
nieuw rapport te krijgen. Laten wij
eerst de discussie aangaan over de
informatie die er nu ligt. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1923" anker="1452" partij="SGP" naam="Van der Vlies">
 Als
wij samen iets willen, moeten wij het
over de route en over het voertuig
eens kunnen worden. Het gaat ons
om de zaak zelve. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1923" anker="1453" partij="CDA" naam="Mulder-van Dam">

Dat zal best lukken. Wij zullen er nog
over praten. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1923" anker="1454" partij="PvdA" naam="Middel">
 De
PvdA-fractie wil graag met de SGP
en het CDA meegaan, zoals wij ook
in het verleden hebben gedaan. Er
zijn de afgelopen jaren vele
rapporten verschenen over vrijwilli-
gerswerk. Er is een beleidsvisie van
het departement verschenen.
Vanochtend lag er een dik
onderzoeksrapport plus bijlagen van
de Raad voor maatschappelijke
ontwikkeling. In de motie-Dees van
een aantal jaren geleden, in de tijd
van staatssecretaris Van Amelsvoort,
hebben wij unaniem duidelijk
gemaakt dat de onkostenvergoedin-
gen omhoog moeten. Mevrouw
Mulder zegt nu dat het moet
gebeuren en daar zijn wij het allen
over eens. Maar wat moet er naast al
die rapporten en onderzoeken dan
concreet nog gebeuren? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1923" anker="1455" partij="CDA" naam="Mulder-van Dam">

De maatschappelijke veranderingen
die zich op het ogenblik voltrekken,
zullen voor de toekomst van het
vrijwilligerswerk in onze visie
consequenties hebben. Het lijkt ons
goed om ons daarover te beraden.
Wij moeten bekijken hoe wij ook in
de toekomst op een goede manier
ondersteuning kunnen geven aan het
vrijwilligerswerk. Wij moeten ervoor
zorgen dat mensen de mogelijkhe-
den hebben om vrijwilligerswerk te
kunnen blijven doen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1923" anker="1456" partij="PvdA" naam="Middel">
 Betekent dat
dan ook dat de CDA-fractie inmiddels
van mening is dat vrijwilligerswerk
uitgevoerd moet kunnen worden
door mensen die afhankelijk zijn van
een uitkering, die op weg zijn naar
betaalde arbeid en die in de
tussenfase werkervaring kunnen
opdoen, met behoud of met behulp
van uitkering? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1923" anker="1457" partij="CDA" naam="Mulder-van Dam">

Dat zou een onderdeel van de
discussie kunnen zijn die wij moeten
aangaan. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1923" anker="1458" partij="PvdA" naam="Middel">
 Bent u daar
als fractie voor of wilt u er alleen
maar over discussie¨ren? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1923" anker="1459" partij="CDA" naam="Mulder-van Dam">

Wij hebben daar op dit moment nog
geen afgewogen standpunt over. Wij
willen er graag over discussie¨ren.
Aan de hand van die discussie zullen
wij een beslissing nemen.
Voorzitter! Ik was gebleven bij de
mantelzorgers. Naast de 3,5 miljoen
vrijwilligers zijn er ook nog eens 1,3
miljoen mantelzorgers die een grote
hoeveelheid werk verzetten, met
name in de thuiszorg. Hun werk
wordt bijna onmogelijk gemaakt, als
je ziet dat een groot deel van de
tekortproblematiek in de thuiszorg op
hen wordt afgewenteld. Hoewel ook
voor de CDA-fractie uitgangspunt is
dat professionele hulp aanvullend is
op zelfzorg en mantelzorg, kan dat
nooit de bedoeling zijn. Steeds meer
worden wij geconfronteerd met het
feit dat bij de indicatiestelling er
bijna automatisch van wordt
uitgegaan dat er in voldoende mate
mantelzorg aanwezig is. Dat leidt
ertoe dat een te groot beroep wordt
gedaan op de aanwezige mantelzor-
gers. Om hen niet onder deze last te
laten bezwijken, is ondersteuning
onontbeerlijk. De staatssecretaris
heeft voor 1998 een verhoging
toegezegd voor de landelijke
ondersteuning, waarvoor dank. Het
totaalbedrag voor 1998,
ƒ 250.000, staat in geen verhouding
tot de 1,3 miljoen mensen die zich
dagelijks bezighouden met mantel-
zorg. De staatssecretaris moet het
toch met ons eens zijn dat dat goed
beschouwd een schijntje is. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1924" anker="1460" soort="Staatssecretaris" naam="Terpstra">
 Mevrouw
Mulder zegt dat het totaalbedrag
voor 1998 ƒ 250.000 bedraagt. Dan
heeft zij gemist... 

</spreker>
<spreker pagina="25-1924" anker="1461" partij="CDA" naam="Mulder-van Dam">

Nee, het bedrag voor de steunpunten
zal ik apart behandelen. Ik had het
over de landelijke ondersteunings-
structuur.
Als al deze 1,3 miljoen mensen het
werk neer zouden leggen, dan heb je
het bij een gemiddeld aantal uren
van 3 uur per dag en 4 dagen per
week, tegen het uurloon van een
alfahulp toch al snel over 15 mld. De
CDA-fractie wil er niet alleen mooie
woorden aan wijden; zij wil het
verzoek van het LOT om het opzetten
van steunpunten voor de mantelzorg
positief ondersteunen. Daar komt de
staatssecretaris in beeld, want, naar
ik heb begrepen, wil zij 2 mln.
financieren uit de onderuitputting op
de CVT-regeling. Ik heb twijfels over
deze onderuitputting, omdat onzes
inziens eerst de rol van de
verbindingskantoren hierbij nog eens
bekeken zou moeten worden. Wij
zouden niet graag zien dat het ten
koste gaat van de coo¨rdinatie van de
vrijwillige thuiszorg. Wij dringen aan
op ofwel een uitbreiding van deze
regeling met extra geld, ofwel een
speciale subsidie voor het project
van de mantelzorgers, dat overigens
groter is dan de 2 mln. die de
staatssecretaris ter beschikking stelt.
Daarnaast vinden wij, zoals wij al
eerder hebben aangegeven, dat er
binnen de zorguren tijd moet zijn
voor overleg tussen de mantelzor-
gers en de professionele hulpverle-
ners en dat er voldoende mogelijkhe-
den moeten zijn voor tijdelijke
vervanging van mantelzorgers.Welke
stappen neemt de staatssecretaris
om ervoor te zorgen dat dit ook
gebeurt?
Een groep die weinig in de
belangstelling staat, maar waar
vooral mantelzorgers mee worden
geconfronteerd, is de groeiende
groep doof-blinden. Vaak leidt hun
handicap tot sociaal isolement.
Daarom willen wij de staatssecretaris
vragen om middelen ter beschikking
te stellen voor een bescheiden
onderzoek om na te gaan wat de
knelpunten zijn en wat er nodig is
om die op te lossen.
In het JOZ 1998 is voor palliatieve
zorg een extra bedrag ingeboekt van
7 mln. Wij beoordelen dat positief.
Het is ons overigens niet duidelijk
geworden waar dat geld heengaat.
Graag een uitleg daarover.
Bij herhaling, ook vandaag, pleit ik
namens de CDA-fractie voor een
deugdelijke financiering van de
bestaande hospicezorg, werk
waarvoor in brede kring, ook bij deze
bewindslieden, veel waardering
bestaat. Tot nu toe is dat nog steeds
afhankelijk van de welwillendheid
van de zorgverzekeraars. Juist in het
kader van substitutie zou goedkopere
hospicezorg toch voorkeur verdienen
boven behandeling in ziekenhuis of
verpleeghuis. Ik hoor hierop graag
de reactie van de minister.
De toekenning van schadeclaims
in de VS aan vrouwen met siliconen-
borstprotheses geeft in onze ogen
aan dat er echt iets mis is. Naar
aanleiding van vragen in de Kamer
heeft de minister een onderzoek
toegezegd. De CDA-fractie is echter
ter ore gekomen dat het onderzoek
van de Gezondheidsraad op dit
moment stilligt. Gezien de ernst van
de problematiek, zouden wij dit een
uiterst slechte zaak vinden, omdat
daarmee de uitslag en mogelijk
daaropvolgende maatregelen op de
lange baan worden geschoven. Kan
de minister aangeven wat zij hieraan
gaat doen? Hoe zijn overigens de
vorderingen van het onderzoek dat
door het RIVM wordt verricht? Wij
horen daar nog niet veel over.
Over de oorlogsslachtoffers
hebben wij een brief van de minister
gekregen. Wij gaan ervan uit dat de
datum van 1 januari 1998 gehaald
wordt voor de samenwerking van
begeleidende instellingen. Mede op
aandrang van het CDA is gekozen
voor erkenning van oorlogsslachtof-
fers die wel leed hebben ondervon-
den maar niet voor een uitkering in
aanmerking komen. De erkenning als
zodanig is geregeld. Maar hoe zit het
met de financiering van de maat-
schappelijke ondersteuning die
daaraan gekoppeld is?
Dat dit kabinet een sportimago
heeft, is de verdienste van staatsse-
cretaris Terpstra. Dat geldt ook voor
de eenmalige storting in het
topsportfonds, die veel goodwill
heeft gekweekt bij NOC-NSF en die
de geluiden over bezuinigingen in
het begin van deze kabinetsperiode
heeft doen verstommen. De
behandeling van de sportnota die
lang op zich heeft laten wachten,
heeft aangetoond dat interdeparte-
mentaal en integraal beleid met
betrekking tot de sport nog op een
zeer laag pitje staat. Komt de
uitgewerkte agenda plus tijdpad nog
dit jaar, zoals toegezegd?
Nog steeds bereiken ons geluiden
dat bij de verdeling van de gelden
door NOC-NSF andere maatstaven
worden gehanteerd voor valide en
invalide sporters. De CDA-fractie
betreurt dat deze verschillen van
inzicht tussen NOC-NSF en Nebas
moeilijk te overbruggen zijn. Als er al
sprake is van partners in de sport,
zou het toch hier moeten gelden. De
CDA-fractie heeft al eerder haar
twijfel uitgesproken over de positie
van NOC-NSF bij de verdeling van de
SNS gelden. Het zou goed zijn bij de
start van de nieuwe loterij-instelling
die positie opnieuw te bekijken. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1924" anker="1462" partij="D66" naam="Fermina">
 Mevrouw
Mulder heeft het over het Fonds voor
de topsport. Hoe denkt zij over een
fonds voor breedtesport? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1924" anker="1463" partij="CDA" naam="Mulder-van Dam">

Daar kom ik net aan toe. De
CDA-fractie heeft met betrekking tot
het sportbeleid haar prioriteit altijd
gelegd bij de breedtesport en
ondersteuning van het verenigingsle-
ven. De problematiek van deze sector
die ook door NOC-NSF wordt
onderkend, vraagt de komende jaren
extra inspanning. Dat is ook de reden
dat wij bij de behandeling van de
integrale sportnota hebben gepleit
voor de oprichting van een
breedtesportfonds analoog aan het
topsportfonds. De staatssecretaris
heeft dat toen wat badinerend afgewezen en gezegd: wij doen al
zoveel voor de breedtesport en dit is
werkelijk niet nodig. Wij staan daarin
niet alleen – ik hoor dat de fractie
van D66 daar ook sympathie voor
heeft – want ook NOC-NSF heeft zich
daarvoor uitgesproken en we zijn blij
dat wij nu ook sympathie kunnen
ontdekken bij de VVD. Die hebben
het zelfs in hun verkiezingspro-
gramma opgenomen. Is de staatsse-
cretaris bereid om zich alsnog in te
zetten voor de realisatie daarvan?
Laat ik de staatssecretaris uit de
droom helpen. Meer geld voor 1998
is mooi, maar de gemengde
gevoelens die bij de CDA-fractie
leven over het optreden van de
staatssecretaris zijn er niet door
veranderd. Gezien haar opstelling als
Kamerlid waren de verwachtingen op
het zorgdossier hooggespannen.
Haar image van sportpromotor heeft
zij met verve kunnen handhaven, die
van ’’moeder van de ouderen’’
absoluut niet. Alle begrip voor het
feit dat het dossier niet gemakkelijk
is, maar hoewel zij bekend was met
de problematiek, heeft het haar
ontbroken aan eigen initiatieven en
is zij alleen onder grote druk en
kritiek van de Kamer bereid gebleken
haar beleid aan te passen. De onrust
en de wanorde die deze sector heeft
gekenmerkt, hadden er gewoon niet
mogen zijn. Voor dat deel waar zij
verantwoordelijk voor is, rekenen wij
dat de staatssecretaris aan. Dat is het
verschil tussen droom en daad.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="25-1925">

 
<spreker pagina="25-1925" anker="1464" partij="PvdA" naam="Middel">
 Mijnheer de
voorzitter! De PvdA heeft net als
anders twee woordvoerders op dit
terrein. Mijn bijdrage beperkt zich tot
enkele thema’s, met daaraan
toegevoegd een politieke beoorde-
ling over het beleid van de beide
bewindsdames. De thema’s die ik de
revue zal laten passeren, zijn de
oorlogsgetroffenen, de GGZ’s,
welzijn, sport en natuurlijk het
departement.
De minister wordt alom geprezen
vanwege haar betrokkenheid bij het
gevoelige beleidsterrein van de
oorlogsgetroffenen. Deze betrokken-
heid is oprecht en lovenswaardig,
maar heeft toch enige stagnatie op
dit beleidsterrein niet weten te
voorkomen. De door haar bepleite
’’rust op het front’’ verdient steun,
maar de praktijk laat nog steeds
onrust zien, bijvoorbeeld rond de
afstemming van de ’’oorlogswetten’’,
toegespitst op artikel 19, WUBO. Dat
gaat allemaal wel erg traag, zij het
dat het departement van Financie¨n
ook het een en ander verweten kan
worden. Een ander voorbeeld betreft
de samenwerking van de begelei-
dende instellingen, die al hapert voor
zij tot stand gekomen is. De Kamer
wordt verblijd met correspondentie
die blijkbaar verkeerd geadresseerd
is, zij het dat de afzenders daar
anders over denken. Een, voorlopig,
laatste voorbeeld betreft het meer
projectmatig werken in de jeugd-
voorlichting, waarin het met name
rond het Anne Frankhuis en het
Oorlogs- en verzetsmuseum
Overloon lang onrustig is geweest.
Toch oordelen wij positief over de rol
van de minister op dit beleidsterrein.
Zij weet waar zij het over heeft, gaat
nooit een discussie uit de weg en
schuwt de confrontatie met de
betrokkenen niet. Daarmee treedt zij
in het voetspoor van haar voor-
gangster Hedy d’Ancona, die net als
deze minister liet merken dat het
beleidsterrein van de oorlogs-
getroffenen, waar jaarlijks nog zeker
1 mld. in omgaat, en waar tiendui-
zenden in hun dagelijks leven direct
mee te maken hebben, veel meer is
dan zomaar een dossier of zomaar
een portefeuille.
Voorzitter! De minister is eveneens
verantwoordelijk voor het beleidster-
rein van de geestelijke gezondheids-
zorg, waarop het al een tijdlang
windstil is. Althans, wat het beleid
betreft. In de sector zelf gebeurt
namelijk van alles. Denk aan de
gevolgen van de toenemende vraag
om zorg. Denk aan de daarmee
verband houdende domeindiscussie
over wat wel en wat niet tot de GGZ moet behoren. Voor de kenners: het
is Van Dantzig tegenover Ho¨ppener.
Er is nu een beleidsbrief over de
GGZ die wat ons betreft op korte
termijn besproken moet worden,
want anders komen wij straks in de
situatie terecht dat wij alleen nog
maar kunnen volgen. Geen lijnen
uitzetten op grond van een visie, niet
anticiperen, niet sturen, maar alleen
maar reageren op. Daarmee is de
GGZ dan volop uit onze vingers
geglipt en dat gunnen wij zowel deze
sector als de Nederlandse samenle-
ving niet.
Voorzitter! Er liggen trouwens ook
een paar knelpunten die spoedig
handelen vereisen. Denk bijvoor-
beeld aan de armoedeproblematiek
van psychiatrische patie¨nten, die het
gevolg is van het al jarenlang
achtergebleven niveau van de zak-
en kleedgeldregeling. Bij de discussie
over de verpleeg- en verzorgings-
huizen heeft de staatssecretaris al
aangegeven dat het zak- en
kleedgeld omhooggaat. Dat geldt dus
ook voor patie¨nten in psychiatrische
ziekenhuizen. Zij vallen toch ook
onder de landgenoten die, naar wij
hopen, baat hebben bij maatregelen
in het kader van de bestrijding van
de armoede.
En dan de Juttenhofkwestie, ofwel
de kortdurende intensieve behande-
ling van borderlinepatie¨nten. De
kwestie als zodanig hoeft nu niet ter
sprake te komen, maar leidt wel tot
de vraag of over het gehele land
verspreid wel voldoende behandel-
capaciteit voorhanden is voor
dergelijke patie¨nten. En vergeet niet
de vraag wie uiteindelijk bepaalt of
een specifieke voorziening open blijft
of niet.
Naast de verschijning van de
GGZ-nota en het intrekken van een
onvoldragen voorstel over beperking
van de vergoeding voor psychothera-
pie – zij het onder zware druk van de
Kamer – kennen wij geen wapenfei-
ten op het terrein van de GGZ van
deze minister. Daarover nu dan ook
geen politieke beoordeling, maar wel
moet worden opgemerkt dat de
minister nog maar weinig tijd rest
om haar proefwerk GGZ alsnog te
halen. Althans, binnen deze
kabinetsperiode. Wat daarna gaat
gebeuren, is een leuk onderwerp
voor speculatie, maar wij weten het
niet en zij waarschijnlijk ook niet.
Voorzitter! Als wij kijken naar het
brede welzijnsterrein zien wij aan de
ene kant nog veel onwelzijn, een
hoop ellende om het zo maar eens te
noemen en aan de andere kant, of
soms er middenin, zien wij de
verantwoordelijke bewindspersoon
die deze moeilijke portefeuille naar
beste vermogen – ’’naar eigen
vermogen’’ in het VWS-jargon –
beheert. Toen mevrouw Terpstra –
die wij allen kennen als Erica –
aantrad, waren de verwachtingen
hooggespannen. Het enthousiasme
van de staatssecretaris werkte
aanstekelijk. Overal waar wat
gebeurde of zou kunnen gebeuren,
verscheen zij in levende lijve. Geen
bewindspersoon toonde zoveel
affiniteit met de dagelijkse gang van
zaken op zijn of haar beleidsterrein
als deze staatssecretaris. Over
sporttribunes – met het hoedje en
het vlaggetje en die toeter – heb ik
de vorige keer al het nodige gezegd,
maar vergeet ook niet de gehandi-
capten, de hulpbehoevende ouderen,
de chronisch zieken en degenen die
maatschappelijk uit de boot zijn
gevallen. Als het beleid ten aanzien
van deze groepen net zo flitsend was
en tegelijkertijd zo vol oprecht
mededogen als de contacten van de
staatssecretaris met deze groepen
zijn, dan kon deze staatssecretaris
gekroond worden tot het beste wat
de VVD sinds tijden heeft voortge-
bracht, namelijk – in haar eigen
termen – een driedubbele kanjer!
Maar, voorzitter, dat is helaas niet
zo. Wat is dan wel zo? In ieder geval
geen bestuur vanuit de ivoren torens
van het Rijswijkse departement en
dat op zichzelf is al een verdienste.
Mevrouw Terpstra gaat het land in.
Geen ’’management by speech’’,
maar als het ware ’’management by
walking around’’. Maar te vaak leek
of bleek het vooral ’’walking around’’
te zijn. Wat rond de gehandicapten-
zorg, de thuiszorg en de voorzienin-
gen voor ouderen gebeurd is, hoef ik
hier niet te herhalen, behalve dan dat
correctie van het beleid – onder druk
van de Kamer – zo vaak voorkwam,
dat nauwelijks meer van losstaande
incidenten gesproken kon worden.
Het imago van de staatssecretaris
is de afgelopen jaren afgebladderd.
De vraag is trouwens of dat imago
terecht is afgebladderd. Als ik nu
even niet tegenover de staatssecreta-
ris ga staan, maar naast haar, om
samen met haar naar onze samenle-
ving te kijken, denk ik dat alles wat
misging niet alleen of vooral haar
valt te verwijten. Misschien moet je
constateren dat zij soms wat laat of
lankmoedig ingreep. Maar vergeet
daarentegen niet dat je juist op het
beleidsterrein van deze staatssecreta-
ris dag in dag uit een stortbad van
maatschappelijke ellende over je
uitgestort krijgt. Probeer dan maar
eens de opgewekte ’’moeder van de
bejaarden’’ te blijven, die het
allemaal wel zal regelen.
Voorzitter! De PvdA-fractie kan
zich niet aan de indruk onttrekken
dat de staatssecretaris de grenzen
van haar eigen enthousiasme heeft
leren kennen. Het begon aanvankelijk
zo mooi. Binnengekomen via – toen
nog – de tweede plaats op de
VVD-kandidatenlijst, met meer
stemmen bij de laatste Kamerverkie-
zingen dan de gehele fractie van
GroenLinks bij elkaar. Het ziet er nu
anders uit, zoals wij weten. In 1994
zei haar politiek leider over Erica Terpstra: ’’In Afrika is deze vrouw
minstens vijftig koeien waard.’’ Hij
zal nu moeten toegeven dat het er
minder zijn geworden. Als het zo
doorgaat, moet zij misschien straks
nog koeien meebrengen.</spreker>
<spreker pagina="25-1926" anker="1465" partij="VVD" naam="Van Blerck-Woerdman">
 Voorzitter! De heer Middel zet
een scheef beeld neer van de
staatssecretaris. Ik stel daar
tegenover dat de staatssecretaris op
het terrein van de zorg, die tot haar
portefeuille behoort, erg veel teweeg
heeft gebracht. Ik noem de
overgangswet inzake de bejaarden-
oorden en ook in de thuiszorg is een
aantal forse wijzigingen in gang
gezet. Het is wel zo dat ’’wie veel
doet, ook veel kritiek ontmoet’’. De
staatssecretaris gaat daar absoluut
niet voor opzij, integendeel, zij gaat
daar gewoon mee verder. Ik
constateer dat er de afgelopen jaren
veel is gerealiseerd. Ik hoop dat de
heer Middel dat ook in zijn betoog
betrekt. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1926" anker="1466" partij="PvdA" naam="Middel">
 Voorzitter! Ik
constateer allereerst dat mevrouw
Van Blerck straks in haar bijdrage de
balans opmaakt over het functione-
ren van de staatssecretaris. Ik
probeer op een eigen wijze, die
anders is dan de VVD gewend is, een
politiek oordeel te geven over de
staatssecretaris. Ik zet de plus- en de
minpunten tegenover elkaar. Zolang
mevrouw Terpstra staatssecretaris is,
behandel ik namens mijn partij de
begroting op het onderdeel welzijn,
en het laatste wat haar verweten kan
worden – ik heb dat nog nooit hier of
elders gezegd – is luiheid. Als er een
bewindspersoon enthousiast is, is zij
het wel.
Maar er gaan dingen mis. Soms
komt deze staatssecretaris bij ons met de handen in het haar en zegt: ik
heb geen budget, ik weet niet wat ik
moet doen. De Kamer moet keer op
keer aangeven op welke wijze het
probleem kan worden opgelost. Wij
gaan verder, maar dan komt er weer
een volgend incident. Als ik al die
zaken op een rij zet, constateer ik dat
het om meer gaat dan om los-
staande incidenten. Er lijkt een
bepaalde lijn in te zitten. Dat neemt
echter niet weg dat haar enthou-
siasme voor, betrokkenheid bij en
empathie met de doelgroepen boven
alle lof verheven zijn. Dat betekent
echter niet dat je geen kritiek meer
mag leveren. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1926" anker="1467" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Voorzitter!
Ik ben absoluut niet teleurgesteld in
de kritiek die de heer Middel
verwoordt, al vind ik haar enigszins
persoonlijk getint. In hoeverre echter
houdt de heer Middel zijn eigen
fractie medeverantwoordelijk? Ik noem daarbij drie punten: de 1,3%,
de aanvankelijke instemming met de
marktwerking en de knip in de
thuiszorg. Dat zijn drie bronnen van
grote problemen geweest. Met die
zaken heeft ook de PvdA-fractie
aanvankelijk, misschien te elfder ure,
ingestemd. De PvdA draagt dus ook
politieke verantwoordelijkheid. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1926" anker="1468" partij="PvdA" naam="Middel">
 Natuurlijk. Ik
ben de laatste die daarvoor weg wil
lopen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1926" anker="1469" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Graag uw
commentaar! Het is wat eenzijdig. U
kunt natuurlijk niet bij de behande-
ling van deze laatste begroting zo ver
afstand nemen van de inhoud van
het beleid van deze staatssecretaris.
Op belangrijke punten draagt uw
fractie daar verantwoordelijkheid
voor. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1926" anker="1470" partij="PvdA" naam="Middel">
 Wij hebben
deze staatssecretaris deze kabinets-
periode graag laten zitten. Er is nooit
een indicatie van onze kant gekomen
dat het anders zou moeten zijn. Wij
steunen haar volop. Wel moet het
mogelijk zijn om, waar nodig, kritiek
te leveren. Dat moet mogelijk zijn
binnen de coalitie. De staatssecreta-
ris is dat ook van ons gewend. Ik zou
haar eerder teleurstellen als ik nu
met niets kwam. Het punt waar het
om gaat, of het nu over de thuiszorg,
de gehandicaptenzorg of de
problematiek rond de ouderen gaat,
is dat de Kamer – de PvdA-fractie
vaak als eerste, maar in haar
voetsporen zijn andere partijen
meegegaan, ook soms de VVD –
iedere keer een correctie moet
aanbrengen op het beleid. En dan
was de staatssecretaris wel zo loyaal
– ook dat moet gezegd worden – dat zij vervolgens zei: oke, daar ga ik in
mee; mijn probleem met het budget
is weer opgelost.
Er is dus een aardige wisselwer-
king geweest tussen het kabinet en
de staatssecretaris aan de ene kant
en de Kamer aan de andere kant. Ik
loop echter niet weg voor de
verantwoordelijkheid voor het beleid
in de afgelopen vier jaar, want daar
heeft de Partij van de Arbeid ook
voor getekend. Als er in de afgelo-
pen vier jaar fouten zijn gemaakt,
dan zijn wij de laatsten die dat op
het bordje van Erica Terpstra willen
schuiven. Dan zijn wij daar zelf ook
medeverantwoordelijk voor. Wij
zitten immers in die positie, mijnheer
Marijnissen. U niet! 

</spreker>
<spreker pagina="25-1926" anker="1471" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Voorzitter!
Ik had het aardig gevonden als de
heer Middel de SP-fractie ook nog
even had genoemd als fractie die
deze staatssecretaris kritisch heeft
gevolgd, maar dat vergeef ik hem
wel. Wat ik hem niet kan vergeven, is
dat hij nu wel heel erg benadrukt dat
dat allemaal kan in de coalitie, dat
dat heel normaal is, enzovoorts.
De drie punten die ik aanvankelijk
genoemd heb, blijven echter
bestaan. Ik zou het toch op prijs
stellen als de heer Middel daar
inhoudelijk op ingaat. In hoeverre
zijn de problemen waarmee deze
staatssecretaris wordt geconfron-
teerd, te wijten aan die randvoor- waarden, te weten: de verplichte
introductie van de marktwerking, de
knip in de thuiszorg en het maximum
van 1,3% per jaar? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1927" anker="1472" partij="PvdA" naam="Middel">
 Voorzitter! Ik
kan voor een deel in de redenering
van de heer Marijnissen meegaan.
Ook de staatssecretaris zag zich
immers geconfronteerd met de
beperkingen van het regeerakkoord.
Zij wist overigens waar zij aan begon
toen zij erin stapte. Zij kende die
beperkingen. Vervolgens loop je dus
in de praktijk van de beleids-
uitvoering tegen de grenzen van het
regeerakkoord aan. Dan hef je af en toe de handen ten hemel en zeg je:
ik kan niet verder, want ik heb geen
budget. Op dat moment kwam de
Kamer erbij.
Wat je over het onderhavige geval
zou kunnen opmerken, is dat je
misschien van de staatssecretaris
verwacht zou mogen hebben dat zij
in die gevallen zelf wat eerder tot
een oplossing was gekomen,
uiteraard in overleg met het
ambtelijke apparaat, dan dat het
uiteindelijk de Kamer moest zijn die
de staatssecretaris de reddende hand
bood. Dat zou je kunnen zeggen. Ik
vind dat echter geen halszaak. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1927" anker="1473" partij="SGP" naam="Van der Vlies">

Voorzitter! Vooral toen collega
Middel schetste hoe ook zijn fractie,
al dan niet samen met anderen, om
extra inspanning en geld moest
vragen, dacht ook ik aan datgene wat
collega Marijnissen intussen heeft gemarkeerd: dat de PvdA-fractie via
het regeerakkoord wel degelijk
verantwoordelijk is voor die
groeinorm van 1,3%. Het spel dat
daarna gespeeld is, zou je ook een
heel gezond dualisme kunnen
noemen. In dat dualisme heeft een
staatssecretaris een eigen plek en
verantwoordelijkheid. Dat geldt ook
voor Kamerfracties. Dat spel is
gespeeld en de resultaten kennen
wij. Zo kan de heer Middel er ook
tegenaan kijken. Ik ga mevrouw
Terpstra niet verdedigen, want dat
heeft zij helemaal niet nodig. Dat zal
zij morgenmiddag zelf wel doen.
Maar zo zou je er dus ook tegenaan
kunnen kijken. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1927" anker="1474" partij="PvdA" naam="Middel">
 Voorzitter!
Een van de meest indrukwekkende
momenten die ik heb meegemaakt in
de acht jaar dat ik nu in de Kamer zit,
was het pleidooi van de heer Van der
Vlies over het wegnemen van de
wachtlijsten voor de gehandicapten.
Ik wil ook de inspanningen van de
heer Marijnissen voor het kunstgebit
noemen. Laten wij daar gewoon
eerlijk en open over zijn! Ik wil hem
dat allemaal wel toegeven, maar hij
had dat natuurlijk niet klaargespeeld
zonder de heer Oudkerk en D66.
Er klonk vorig jaar kritiek vanuit de
Kamer op de houding van de
PvdA-fractie ten opzichte van de
staatssecretaris. Ik heb toen
aangegeven dat er op een bepaald
moment afspraken gemaakt kunnen
worden, maar dat de maatschappe-
lijke omstandigheden kunnen
veranderen. Ik heb toen ook gezegd
dat de Kamer en de samenleving tot
het inzicht kunnen komen dat de
prioriteiten anders gesteld moeten
worden. Ik heb gezegd dat er, hoe
onmogelijk dat eerst ook leek, toch
geld gevonden moet worden om
knelpunten op te lossen. Toen heb ik tegen mevrouw Terpstra gezegd: dat
had u eerder moeten doen. U had
niet moeten wachten totdat de
Kamer bij verschillende gelegenhe-
den de reddende hand bood, maar u
had dat zelf moeten aanvoelen. U
kunt zich niet beperken tot de
mededeling dat u geen budget heeft.
Die discussie heb ik vorig jaar
gevoerd. De situatie is sindsdien niet
meer zodanig geweest, dus ik denk
dat die discussie wel wat heeft
opgeleverd. Oke, een uitzondering
daargelaten. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1927" anker="1475" partij="SGP" naam="Van der Vlies">
 Maar
deze interruptie heeft op z’n minst
ook opgeleverd dat de PvdA-fractie
ook de hand in eigen boezem steekt. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1927" anker="1476" partij="PvdA" naam="Middel">
 Voorzitter!
Dat heb ik naar mijn mening al vanaf
het begin gedaan. De PvdA-fractie
staat hier immers niet als oppositie-
partij die onvoldoendes uitdeelt aan
bewindspersonen – of die nu
gegrond zijn of niet – zoals de heer
De Jong zojuist heeft gedaan. De
Partij van de Arbeid staat hier als
regeringspartij, die zich verantwoor-
delijk voelt voor het beleid en ook
meeleeft met en wil meewerken aan
datgene wat de bewindsdames doen.
Maar de Partij van de Arbeid sluit de
ogen niet voor de dingen die niet goed zijn, en zegt: daar moet je dan
ook kritische kanttekeningen bij
plaatsen en dat moet je in de volle
openbaarheid doen, zodat mensen
als de heer Van der Vlies dan weer
de gelegenheid hebben om daarop
te reageren. Zo werkt het in een
democratie.</spreker>
<spreker pagina="25-1927" anker="1477" partij="VVD" naam="Van Blerck-Woerdman">
 Ik kom terug op de krapte van
het jasje, de 1,3% groei en het feit
dat daar de afgelopen jaren wel eens
wat is bijgekomen. Dat is ook
gebeurd met instemming van de
VVD-fractie. Dat wil ik er graag bij
vermelden. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1927" anker="1478" partij="PvdA" naam="Middel">
 De VVD was
zelden de eerste die met het idee
kwam.</spreker>
<spreker pagina="25-1927" anker="1479" partij="VVD" naam="Van Blerck-Woerdman">
 Wij hebben eerst gekeken
naar hetgeen nodig is. Daar kom ik
in mijn betoog op terug. Ik vind
overigens wel dat de fractie van de
Partij van de Arbeid vaak de
staatssecretaris heeft belaagd met
vragen en wensen die gewoon
buiten de krapte van het jasje om
gingen. Dat is iets wat de heer
Middel eens moet meenemen.
Gisteravond hebben wij daarvan een
voorbeeld gezien. Het ging toen om
de middelen voor de gehandicapten-
zorg bij de dagopvang. De staatsse-
cretaris gaf toen een uitstekend
antwoord. Toch wordt er door de
fractie van de Partij van de Arbeid
meer gevraagd. Ik vind het volstrekt
onterecht als de staatssecretaris daar
op dit moment over wordt aange-
sproken. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1927" anker="1480" partij="PvdA" naam="Middel">
 Ik spreek de
staatssecretaris niet aan over
gisteravond. Ik spreek haar aan over
het beleid van de laatste driee¨nhalf
jaar. Mevrouw Van Blerck hoeft het
natuurlijk niet met de Partij van de
Arbeid op alle punten eens te zijn.
Wij zitten in een coalitie, maar wij
blijven natuurlijk op onderdelen van
mening verschillen. Ik kan mij echter
geen enkel voorbeeld herinneren
waarbij de Partij van de Arbeid in
zoverre overvraagd heeft, dat de
staatssecretaris tot het onmogelijke
werd verleid. Dat is in de praktijk ook
nooit gebeurd. Ik begrijp dat
mevrouw Van Blerck het allemaal
een beetje te fors en te grof vindt.
Wij zijn echter nooit te ver gegaan.
Dat is ook gebleken. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1928" anker="1481" partij="CDA" naam="Mulder-van Dam">

Het CDA staat hier wel als oppositie-
partij. Het is overigens de vraag of
wat de heer De Jong net heeft
gezegd, ongegrond is. Wij horen
straks wel de reactie van de minister
en de staatssecretaris. De heer
Middel zei net volledig te willen zijn.
Hij heeft gezegd dat het met name
de Partij van de Arbeid was die bij
veel voorstellen het voortouw heeft
genomen. Ik denk dat het andersom
is. Het is met name de oppositie
geweest die het voortouw heeft
genomen. De Partij van de Arbeid en
de andere coalitiepartijen hebben
vaak de voorstellen van de oppositie
overgenomen om het vanuit de
eigen filosofie naar zich toe te
trekken. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1928" anker="1482" partij="PvdA" naam="Middel">
 Wij moeten
oppassen niet te verzeilen in een
discussie over wie de meeste eer
verdient voor allerlei correcties op
het beleid. Het CDA komt natuurlijk
met voorstellen die niet alleen
voortkomen louter en alleen uit het
feit dat men een oppositiepartij is. Er
zit natuurlijk ook iets inhoudelijks bij.
Ik heb net iets over de heer
Marijnissen gezegd. De heer Van
Boxtel heeft het nodige gepresteerd
op dat terrein. Het gaat er dus niet
om wie het meeste heeft gedaan. Ik
spreek namens mijn eigen club. Dan
kun je ook het beste over die club
praten. De Partij van de Arbeid kwam
zelden op de laatste plaats als het
ging om correctie van het beleid. Ik
druk mij dan heel eufemistisch uit.
Voorzitter! Ik durf bijna niet meer,
bij wijze van spreken! Een ander
kritisch punt over het beleid van de
staatssecretaris – deels juist op het
ontbreken daarvan – is dat zij veel
zegt te willen, maar dat er op
onderdelen niet zoveel van terecht-
komt. Ik zal proberen aan te geven
waar dit op slaat. Deze hele
kabinetsperiode heeft de PvdA-fractie
de accentuering van de W van
Welzijn en de S van Sport bepleit,
juist vanwege de maatschappelijke
functie ervan. Het aanbrengen van
sociale cohesie in onze samenleving bestaat uit: een activerend welzijns-
beleid, revitalisering van de
samenlevingsopbouw, het op
eigentijdse wijze stimuleren van
normen en waarden via maatschap-
pelijk herstel en sociale integratie,
ontschotting en stimulering van
lokaal sociaal beleid, zowel in de
steden als op het platteland,
implementatie van een op de
toekomst gericht gezinsbeleid. Dat
zijn allemaal voorbeelden. Waar
leidde dat in de praktijk toe? Er
waren aanzetten, zoals in de eigen
beleidsnota van de staatssecretaris
’’Naar eigen vermogen’’. Er waren
volop goede bedoelingen. Er
kwamen notities, beleidsbrieven,
onderzoeken, brochures, conferenties
en noem maar op, maar te vaak
werd volgens ons de slag naar de
praktijk gemist. Blijkens recente
interviews begrijpt de staatssecreta-
ris overigens wel steeds beter waar
het om gaat, althans waar het ons
om gaat.
Toch blijft het de vraag waarom
het welzijnsbeleid niet centraal staat
in plaats van aanvullend bij de
bestrijding van achterstand en
armoede. Waar is de maatschappe-
lijke component te zien bij het te lijf
gaan van de tweedeling? Hoe krijgt
de maatschappelijke orie¨ntatie
handen en voeten bij de volwasse-
neneducatie? Waar staan voor- en
buitenschoolse activiteiten centraal
in het onderwijsachterstandenbeleid?
Waar leggen het buurtwerk en de
woningbouwcorporaties verbindin-
gen als het om leefbaarheid en
veiligheid op straat gaat? Waar ligt
de link tussen maatschappelijk werk,
sociale opvang en de terreinen van
justitie en volksgezondheid? Let wel,
het gebeurt hier en daar wel, ad hoc
en projectmatig, maar er is geen
voldoende ondersteunend en
kaderstellend beleid. Sterker nog,
maatschappelijke initiatieven komen
van onderop tot leven, niet dankzij
maar ondanks overheidsbeleid – dat
is niet alleen welzijnsbeleid – dat nog
altijd deels getypeerd wordt door
verkokering en bureaucratie. Het
laatste is niet de staatssecretaris aan
te rekenen, want daar zijn wij met
zijn allen verantwoordelijk voor. Wij,
dus ook de Kamer, hebben de
decentralisatie van beleid doorge-
voerd vanuit de optiek van het
beheersdenken. Niemand wil de
decentralisatie terugdraaien, maar er
kan wel iets aan toegevoegd worden.
Her en der komen aan de basis
projecten tot leven, die laten zien wat
sociale cohesie in de praktijk betekent: ’’Thuis op straat’’ in
Rotterdam, ’’Lokale economie’’ in
Drenthe, opbouwwerkinitiatieven op
verschillende plaatsen in Brabant. Er
gebeurt weer wat, maar het kan
alleen maar gebeuren omdat al deze
initiatieven als het ware beleids-
resistent zijn. Maar wat gaat er een
energie zitten in het ontduiken van
en het ontworstelen aan rigide
beleidskaders waar je meer lasten
dan lusten van hebt. Dat moet dus
anders en dat kan anders, zoals ik in
het debat over lokaal sociaal beleid
heb aangeven. Als ik me goed
herinner, leek er, met alle voorbehou-
den, een Kamermeerderheid voor
deze stellingname te bestaan,
gegeven de reacties die toen van de
CDA-fractie en van GroenLinks
kwamen.
Kern is dat op lokaal niveau
welzijnsfuncties effectief ingezet
worden ter ondersteuning van en in
samenwerking met activiteiten op
andere beleidsterreinen, zoals sociale
zaken, gezondheidszorg, sport,
onderwijs, minderhedenbeleid en
racismebestrijding, justitie en
volkshuisvesting. Dat betekent dat
het primaat van dat beleid terug
moet naar burgers en politiek – dat is
ontbureaucratisering – dat de
verkokering in de beleidsvorming en
uitvoering doorbroken wordt – dat
heet ontschotting – en dat de
infrastructuur op provinciaal en
vooral ook landelijk niveau effectie-
ver wordt benut. Aan de infrastruc-
tuur op landelijk niveau geven wij
met z’n allen 100 mln. per jaar uit. Doel van dit alles is: instrumenten
voor sociale integratie aanreiken.
Mijn aankondiging dat de PvdA-
fractie een initiatiefwetsvoorstel
voorbereidt, werd hier en daar als
een dreiging gezien, maar kan veel
beter als een handreiking worden
beschouwd. Overigens bleek, zoals
verwacht, de staatssecretaris zo
sportief om meteen de medewerking
van haar departement toe te zeggen.
Voorzitter! Twee jaar geleden
stelde de PvdA-fractie schriftelijke
vragen over de malafide handelwijze
van tal van zogeheten relatie- bemiddelingsbureaus: makelaars in
hoop en wanhoop, profiteurs van
menselijk leed en verlangen, de
weinige goede niet te na gesproken.
Vorig jaar spraken wij er weer over,
met de suggestie dat een wettelijk
kader voor toezicht en controle
noodzakelijk lijkt. Ook hier is een
initiatiefwetsvoorstel gesuggereerd
en daarover zijn door de PvdA-fractie
reeds verkennende gesprekken
gevoerd. De staatssecretaris hield de
boot af, want zelfregulering zou veel
van de oplichting onmogelijk maken.
Dat dacht zij toen. En wij dachten dat
ook even. De werkelijkheid leert ons
helaas dat het anders is. Dus... wat
gaat er gebeuren? Doet het kabinet
iets of moeten we het zelf nog doen?
Een actueel punt is de kinderop-
vang. De staatssecretaris zei gisteren
voor Radio 1 dat het concept-
verkiezingsprogramma van de VVD
een betere paragraaf verdient. Dat is
zo. Overigens zijn er in het verkie-
zingsprogramma van de VVD wel
meer paragrafen die verbeterd
kunnen worden. Maar goed, dat is
een ander verhaal. Wat de kinderop-
vang betreft is er gedoe over de
vergunningverlening. Ik begrijp dat
de staatssecretaris de Kamer gisteren
heeft laten weten dat er een brief
gestuurd wordt naar de gemeenten,
inzake de problematiek rondom
verordeningen en vergunningen.
Daarmee lijkt het probleem even van
de baan. Het is echter wel essentieel
hoe de belastingdienst hierop zal
reageren. Er is namelijk nog grote
onduidelijkheid over de adviestabel
ouderbijdragen. Het lijkt erop dat er
nu sprake is van twee adviestabellen,
namelijk een van de VNG en een van
VWS. Dat leidt tot grote onduidelijk-
heid bij de instellingen, de VOG, de
werkgevers, de ouders, enz. De
ouders weten nog steeds niet wat zij
volgend jaar moeten betalen. Kan de
staatssecretaris daar opheldering
over verschaffen? Het hoeft niet
meteen. Het mag ook schriftelijk.
Ten slotte iets wat altijd leuker is
dan al die ellende waar ik zojuist
over sprak, ook leuker voor de
staatssecretaris, namelijk de sport.
De door de Kamer gevraagde nota
’’Wat sport beweegt’’ is er, maar
heeft nog maar weinig in beweging
gezet, behalve dan dat de concept-
verkiezingsprogramma’s – ook dat
van ons – iets over de sport zeggen.
Sport moet hoger op de politieke
agenda. De positieve maatschappe-
lijke waarde van sport kan beter
benut worden. Sport moet doorwer-
ken, in bijvoorbeeld Jeugd in
beweging, in een volwaardig aanbod
lichamelijke oefening in het
onderwijs, in de buurt, op straat.
Jongeren die sporten, doen iets
goeds en kunnen op dat moment
niks kwaads doen. Bij sportbeleid
gaat het niet alleen om de kwaliteit
van de sportbeoefening en de
kwaliteit en toegankelijkheid van de
sportinfrastructuur, maar ook om het
verbeteren van de samenhang in het
beleid. Wat is daarvan terechtgeko-
men? Wat is de reactie van andere
departementen geweest? Weten zij
wat de betekenis van sport is? Hoe is
het met de gemeenten? Zien zij sport
weer als kerntaak? Hoe staat het met
het sportinclusief denken bij VWS en
de partners in het sportbeleid?
Er is 10 mln. extra uitgetrokken
voor de breedtesport, 5 mln. via de
begroting en 5 mln. via een motie bij
de algemene beschouwingen. Kan
dit budget voor de breedtesport gaan
naar ondersteuning van de lokale
infrastructuur en projecten die
gericht zijn op samenwerking en
integratie van sportbeoefening? Ik
denk aan een soort van stimulerings-
regeling voor de sport, waarbij
gemeenten projecten kunnen
aanmelden die aan maatschappelijke
doelen tegemoetkomen. Het geld
moet niet naar de koepels gaan,
maar daadwerkelijk worden ingezet
voor de breedte- en de gehandi-
captensport. Ik benadruk nog eens
dat de bewindspersoon voor sport
Erica Terpstra heet, en niet Wouter
Huibregtsen.
Het afgelopen jaar is er nogal wat
te doen geweest over de departe-
mentale orde en zeker ook wanorde
waarbinnen beide bewindsdames
moesten werken. Het past ons hier
terughoudend te zijn, want de Kamer
moet niet op de stoel van de
verantwoordelijke minister en
staatssecretaris willen zitten. Dit
neemt niet weg dat de Kamer
deksels goed in de gaten heeft waar
de schoen het meest wringt.
Beleidsdirecties die hun dossiers niet
op orde hebben, om het zo maar
eens te zeggen, vallen op. Dit is
meer dan eens gebleken. Er is
beterschap beloofd en daar moeten
wij dan ook maar van uitgaan, zij het
dat de Kamer bijna als eerste kan
constateren of dossiers wel of niet
op orde zijn, of bewindspersonen
wel of niet adequaat vanuit hun
departement ondersteund worden.
Het laatste heeft niet zozeer te maken
met ambtelijke loyaliteit, want die
behoort er op voorhand te zijn en is
er dus ook, maar vooral met
deskundigheid en zorgvuldigheid.
Juist nu er in de komende jaren een
gigantische taak ligt voor de V, de W
en de S, kunnen wij het niet hebben
dat de VWS-component in het
kabinetsbeleid ondersneeuwt en
hierdoor onvoldoende aan bod komt.
Te veel mensen zijn zo afhankelijk
van zorg en welzijn, dat alleen al
daarom VWS niet mag verdwijnen.
Wat je ook kunt zeggen van de
discussies tussen de Kamer en deze
beide bewindsdames, in ieder geval
niet dat zij zich onsportief opstelden.
Ook als de uitkomst wel eens anders
was dan zij beoogden, werd dat
sportief opgevat. Nooit werd het
debat met de Kamer geschuwd.
Hiermee wordt een voorbeeldfunctie
in het politieke strijdperk vervuld en
dat verdient waardering, zeker van
de Kamer. Deze waardering is zowel
de minister als de staatssecretaris
van harte gegund.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="25-1929">

 
<spreker pagina="25-1929" anker="1483" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Voorzitter!
Nogal wat rapporten en deskundigen
stellen dat het goed gaat met de
gezondheidszorg in Nederland. Zeker
in vergelijking met andere Europese
landen is de zorg hier goedkoop en
kwalitatief goed. Patie¨nten, hulpver-
leners en andere directbetrokkenen
ervaren het soms echter anders. Zij
zijn er onrustiger, onzekerder over.
Dit wordt bevestigd door het feit dat
uit recente enqueˆtes blijkt dat
burgers de zorg als verkiezingsitem
nummer een beschouwen. Ook het
rapport van de WRR, de Weten-
schappelijke raad voor het regerings-
beleid, bevestigt de twijfel. Zij schrijft
dat de zorg goed is, maar dat
aanvankelijke haarscheuren nu als
barsten zichtbaar worden. In zijn
laatste rapport waarschuwt het
RIVM, dat ook zegt dat de zorg nu
goed is, zelfs voor toenemende
tweedeling. Vorige week kwam de
inspectie met een dik boek over de
staat van de gezondheidszorg. Ook
zij schrijft dat de gezondheidszorg
goed is, maar ook dat er een tekort
aan hulpverleners dreigt, dat er
zorgelijke wachtlijsten zijn en dat de
goede zorg een gebrekkige samen- hang kent. Het lijkt een paradox: de
kwaliteit mag dan wel goed zijn,
maar er zijn nog problemen te over. Misschien moet je zeggen: het gaat
goed met de gezondheidszorg in
Nederland, maar het gaat lang niet
altijd zo goed met zieke mensen.
Ook mijn eigen patie¨nten ervaren
steeds meer bureaucratie, steeds
meer regeltjes, minder aandacht
voor hun vragen in het tweedelijns-
circuit. Te vaak moeten zij, steeds
aan een ander, hetzelfde verhaal
vertellen. Dit leidt tot onrust en
onzekerheid. Hulpverleners klagen
over een hoop bureaucratische
formaliteiten, een zorgrace tegen de
klok, een hoge werkdruk. Er is bij
hen een toenemende demotivatie te
signaleren; wij hebben er vorige
week al over gesproken. Ook dat
leidt, bij patie¨nt en hulpverlener, tot
onrust en onzekerheid. Bestuurders
in de sector wijzen welhaast continu
op verouderde en niet flexibele
besturingssystematiek, een woud
aan regelgeving en onduidelijke
verantwoordelijkheidsverdeling.
Ondertussen wordt er continu aan
de zorg gesleuteld om de kosten te
beheersen en de zorg goed af te
stemmen. Er gaat geen dag voorbij
of er zijn schaalvergrotingen, fusies,
concernvorming en nieuwe
regelgeving; het is de praktijk van
alledag. Dat draagt allemaal bij aan
een zo efficie¨nt mogelijke levering
van het ’’product zorg’’. Ik voel
inmiddels een soort spanning tussen
enerzijds de noodzakelijke bestuur-
lijke en bedrijfsmatige eisen van de
gezondheidszorg als bedrijf, en
anderzijds de basisprincipes van
onze zorg, namelijk medemenselijk-
heid en solidariteit met de zieken en
de zwakkeren. Soms denk ik wel
eens dat de vraag ’’wie wordt waar
nu eigenlijk beter van?’’ bij beleids-
beslissingen niet altijd diepgaand
gesteld wordt.
De gezondheidszorg moet – dat is
evident – voor eenieder toegankelijk
zijn, tegen kosten die zowel
individueel als voor de samenleving
als geheel betaalbaar zijn. Het is
evident dat al decennialang gezocht
wordt naar – deels geschiedt dit in
de vorm van experimenten – een
adequaat besturings- en
verzekeringsconcept en dat gepoogd
wordt het geld echt naar de zorg te
sluizen en niet naar de instellingen
en de bureaucratie. Evident is ook
dat deze sector, met zijn collectieve
financiering maar zijn private
uitvoering, razend moeilijk op orde is
te krijgen. Dat hebben diverse
staatssecretarissen in de periode
voor minister Borst, van diverse
politieke pluimage overigens, ook al
aan den lijve ondervonden.
Als je nu in dat licht ernaar kijkt
hoe deze minister het heeft gedaan,
dan denk ik dat er deze periode
nogal wat gebeurd is. En dan is het
niet de minister van de wachtlijsten. Nee, dan kun je net zo goed zeggen:
het is de minister van de klap op de
prijzen; op de geneesmiddelen-
prijzen, wel te verstaan. Het is de
minister van het bijten in het graniet,
in het betonnen bastion van de
medisch specialisten. Ik zou allerlei
kwalificaties kunnen verzinnen, maar
er zijn gewoon hartstikke goede
dingen gebeurd. Petje af, dus. Maar
het zijn natuurlijk altijd de andere
dingen die de meeste aandacht
vragen en krijgen. Denk hierbij aan
de thuiszorg en de problemen daar,
aan de wachttijden en de wachtlijs-
ten in de cure en in de care. Denk
aan het feit dat de meeste mensen
een aantal dingen als reparatiebeleid hebben ervaren: meer AOW’ers met
een klein pensioen in het zieken-
fonds, het kunstgebit terug in het
pakket en de compensatieregeling
voor chronisch zieken en uitkerings-
gerechtigden inzake de eigen
bijdragen. Ik heb het vorig jaar ook gezegd: het zijn kleine stapjes, het
zijn goede stapjes, maar ik mis
eigenlijk een kader, een langetermijn-
visie. Ik heb dit het vorig jaar een
agenda 2000-plus genoemd en ik
denk dat het Borstcredo van ’’kleine
stapjes’’ dat kader gewoonweg
verdient.
Nu weet ik ook wel dat er
weerbarstige belangen in die sector zijn: de hulpmiddelen, de geneesmid-
delen, de ziekenhuizen, de specialis-
ten, de verzekeraars, en noem maar
op. En er is een veranderende
zorgvraag, bijna dagelijks. Maar dat
vergt wel permanent en flexibel
inspelen op belemmerende wet- en
regelgeving, die op zich weer die
zorgvraag moet beantwoorden. Het
vergt ook een departement dat geen
mogelijkheid laat liggen om
sectorbelangen ondergeschikt te
maken aan patie¨ntenbelangen. Dat is
– ik heb het bij het JOZ al gezegd en
ik wil niet in herhaling vervallen –
niet altijd gebeurd. Ik heb het bij het
JOZ gehad over de bonussen en
kortingen van apothekers, die mijns
inziens eerder van hen afgepakt
hadden kunnen worden. Ik heb het
over de hulpmiddelensector gehad,
met een besparingsverlies van 250 mln. Het is de minister zelf die zegt:
er is ruim 0,5 mld. besparingsverlies
zonder dekking, dat in deze periode
is opgetreden. En wat is besparings-
verlies? Dat is geld dat we niet
gevonden hebben en dat anders
misschien rechtstreeks naar de zorg
had gekund.
Daarom hecht ik aan een analyse –
ik heb dat gisteren gezegd en
herhaal het hier – een analyse
waarom we in die hulpmiddelen-
sector niet eerder de zaak boven
water hebben kunnen krijgen,
waardoor mogelijk in een eerder
stadium geld direct naar de zorg had
kunnen worden gesluisd. Ik vind dat
in de komende regeerperiode –
alleen al daarom is die analyse
belangrijk – dat soort zaken geen
vertraging meer mogen oplopen. Ik
weet wel dat er een bestuurlijk
probleem is. Niemand is echt ’’baas’’
in deze sector. Deze minister heeft
veel geloof in management by
speech, maar ik geloof dat juist in
zo’n weerbarstige sector wel
duidelijk moet zijn dat wat bestuurlijk
uiteindelijk wordt ingezet, ook wordt
doorgezet. De minister staat wel
eens bekend als ’’ijzeren dame met
de fluwelen handschoenen’’, maar
het mag ook wel eens ’’fluwelen
dame met ijzeren handschoenen’’
zijn. Welke beeldspraak je ook
gebruikt, soms moet je gewoon
inderdaad die klap op de prijzen geven en zeggen: zo, ik ben minister
en nu is het genoeg! En natuurlijk –
collega Middel heeft het er al over
gehad – heeft het ook met de
reorganisatie van het departement te
maken. Maar zeker hier dient te gelden: tijdens de verbouwing gaat
de verkoop gewoon door. Ter wille
van burgers, ter wille van patie¨nten
die willen weten wat er met hun
premiegeld gebeurt. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1930" anker="1484" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Mijnheer de voorzitter! Ere wie ere toekomt:
het was de heer Oudkerk die bij alle
begrotingen op de doelmatigheid
heeft gewezen, ook met betrekking
tot de hulpmiddelen. Nu heeft de
minister, naar aanleiding van de
eerste bijeenkomst in het kader van
het JOZ, na afloop daarvan bij Den
Haag Vandaag de uitspraak gedaan
over die bedreiging. Daar is
naderhand door de persoon in
kwestie op gereageerd; er is
gisterenavond bij het JOZ weer over
gesproken. Nu zegt de heer Oudkerk
– hij heeft het gisterenavond ook
gezegd – dat hij een brief wil van de
minister over wat er nu eigenlijk de
afgelopen jaren allemaal is gebeurd op dit punt. En hij zegt: wegens
verbouwing niet gesloten, de
verkoop gaat gewoon door. Hoe
beoordeelt hij, dit alles overziende,
het hulpmiddelendossier van deze
minister? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1930" anker="1485" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Ik zou echt
willen dat ik nu een antwoord kon
geven, maar ik ken de feiten niet. Ik
weet eigenlijk niet wat er precies is
gebeurd tussen 24 februari 1995, de
befaamde dag dat het rapport van de
heer Scheerens als bijlage naar de
Kamer werd gestuurd en waarin
stond wat er aan de hand is met de
hulpmiddelen, en vandaag 18
november 1997. Natuurlijk is er
onderzoek gedaan door Andersen en
er zijn meer zaken bij verzekeraars
neergelegd. Ik weet dat er inmiddels
een werkgroep aan de gang is van
Financie¨n, EZ en Volksgezondheid
om het voor de toekomst zo in te
richten dat wij op de hulpmiddelen
het nodige kunnen besparen. Maar ik
vraag mij echt af of zoiets nu bijna
drie jaar moet duren. Is de materie
zo weerbarstig? Nogmaals, ik weet
het niet en daarom wil ik die brief
met feiten hebben. Zijn er zoveel
verschillende deelbelangen dat je
moet sleuren, leuren, praten,
vergaderen en masseren of had het
anders gekund? Maar ik ken nu de
feiten nog niet. Als wij achteraf in
januari al die feiten kennen – de
minister heeft beloofd dat zij dat per
brief aan ons zal meedelen – zeggen
wij misschien dat wij in juli 1995 ook
gewoon een klap op de prijzen
hadden moeten geven. Maar dat is
wijsheid achteraf en dus erg
gemakkelijk. Overigens heb ik
begrepen dat zoiets ook weer uiterst
lastig is. Nogmaals, zolang ik de
feiten niet ken, durf ik er geen
oordeel over te geven. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1931" anker="1486" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Voorzitter!
De heer Oudkerk heeft meer dan
eens in de publiciteit gesproken over
honderden miljoenen die ten
onrechte naar zorgverzekeraars en
met name naar leveranciers van
hulpmiddelen is toegevloeid. Hij
heeft zelfs gesproken over drie keer
over de kop. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1931" anker="1487" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Vier keer
over de kop. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1931" anker="1488" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Vier keer
zelfs. U heeft zelf gememoreerd dat
er nogal wat onderzoeken zijn
geweest. Wat moeten wij dan nog
meer weten? Wat weet u dan nog
niet? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1931" anker="1489" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Nee, dan
begrijpt u mij verkeerd. Ik wil niet
nog een onderzoek, alsjeblieft niet! Ik
wil weten waarom, ondanks dat er
veel onderzoek is gedaan en
iedereen in de wandelgangen zegt
dat er in deze sector heel veel is te
halen voor de directe zorg, het
blijkbaar zo moeilijk is om kant-en-
klaar met een zwart-witbeleid te zeggen: wij halen het uit die sector
en wij kunnen het nu ook inzetten
om de wachtlijsten te verkorten en
wij kunnen het inzetten voor de
thuiszorg. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1931" anker="1490" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Dat weet
ik allemaal, voorzitter. Daar zijn wij
het over eens en niemand zal dat
bestrijden. Ik wil weten of de heer
Oudkerk genoegen neemt met hoe
het er nu voorstaat en of hij
genoegen neemt met de toezegging
van de minister dat zij in januari met
die brief met toelichting komt. Hij
zegt terecht dat dit punt over de
formatie wordt getild en anderen
zeggen dat met hem. Wij moeten
vaststellen dat op dit punt in deze
kabinetsperiode hoegenaamd niets is
gebeurd. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1931" anker="1491" naam="De voorzitter">
 Maar is dit punt
gisteren niet uitvoerig aan de orde
geweest? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1931" anker="1492" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Ja, en
daar gaan wij nu op door. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1931" anker="1493" naam="De voorzitter">
 Tot op zekere hoogte.
Ik gebruik hiervoor meestal het
woord herhalingsoefening. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1931" anker="1494" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Ik ben zo
klaar, voorzitter!
Het gaat mij om de vraag hoe de
heer Oudkerk het feit beoordeelt dat
dit zo lang is blijven liggen, dat er op
dit dossier hoegenaamd niets is
gebeurd en dat dit feitelijk over de
formatie wordt heengetild. Met
andere woorden, waarom heeft hij
niet gepleit voor een prijzenwet, hoe
moeilijk dat ook is, en desnoods voor
een heel andere inrichting van de
markt om die honderden miljoenen
daar weg te halen? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1931" anker="1495" naam="De voorzitter">
 Mijnheer Oudkerk,
wilt u uw antwoord heel kort
houden, want het feit dat het overleg
gisteren niet door de heer Marijnis-
sen is bijgewoond, betekent niet dat
het plenaire debat als substituut kan
dienen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1931" anker="1496" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Dat is
flauw... 

</spreker>
<spreker pagina="25-1931" anker="1497" naam="De voorzitter">
 Nee, u hoeft niet uw
hoofd te schudden en dit flauw te
vinden. Ik zie uw positie vanuit een
kleine fractie wel, maar dat heeft
uiteraard consequenties. Dit overleg
is geen substituut voor het overleg
dat gisteren is gehouden. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1931" anker="1498" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Als u mij
toestaat, wil ik daar toch even op
reageren. Ik ga hier niet uitleggen
waarom ik er niet was, want dat doet
voor u en voor mij niet terzake. Maar
er is nu een begrotingsbehandeling
en het gaat dus over financie¨n. Het
Jaaroverzicht zorg is gisteren
besproken, maar of ik daar wel of
niet ben geweest, staat los van het
feit dat ik het recht heb om hier over
dit punt dat behoort tot de begroting
van dit ministerie, aan de collega
vragen te stellen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1931" anker="1499" naam="De voorzitter">
 Natuurlijk is dat uw
goed recht, maar het is mijn plicht
om er de rem op te gooien. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1931" anker="1500" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Voorzitter!
Ik hoop dat ik mij de vraag van de
heer Marijnissen nog goed herinner.
Hij vroeg hoe ik het beoordeel. Het is
niet goed dat er deze kabinets-
periode niets gebeurd is. Maar het
zou wel prettig zijn, mijnheer
Marijnissen, als u ook even luisterde
nu ik uw vraag sta te beantwoorden. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1931" anker="1501" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Sorry, ik
werd even afgeleid. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1931" anker="1502" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Ik begrijp
dat het heel gezellig is bij mevrouw
Van Nieuwenhoven. Nogmaals, het is
niet goed dat er deze kabinets-
periode niets is gebeurd. Ik heb wel
degelijk gepleit voor een prijzenwet,
een positieve lijst of anderszins.
Maar nu komt het cruciale punt. Het is zo makkelijk om te zeggen: het is
de schuld van de minister dat er
deze periode niks is gebeurd. Het is
ook makkelijk om de branche of de
verzekeraars de schuld te geven. Ik
heb gisteravond gezegd dat ik niet
weet wie waar zand in de machine
heeft gegooid. En dat wil ik weten. Ik
vind dat het de komende kabinets-
periode niet voor herhaling vatbaar
is.
Voorzitter! Naar mijn mening
vragen de rapporten van het RIVM,
de inspectie en de WRR wel degelijk
om een inhoudelijke reactie van dit
kabinet. En ik zal zeggen waarom. Ik
zit met de paradox waarover ik
eerder al sprak. De analyses en
aanbevelingen van met name de
WRR richten zich volgens het kabinet
primair op de langere termijn. Dat
heeft de minister-president in
september gezegd. Ik bestrijd dat. De
WRR zegt juist: als je nu niks doet
om risicosolidariteit te waarborgen, gaat het straks mis. En: als je nu
geen lijnen uitzet voor de toekomst,
gaat het straks mis. Dit kabinet, deze minister, kan dus niet zeggen: dat
zien wij later wel weer. Ik vraag haar
dus met klem een inhoudelijke
reactie voor te bereiden op de
genoemde rapporten, met name op
dat van de WRR. Het liefst zou ik een
reactie op de rapporten gezamenlijk
krijgen. Zij hebben namelijk met
elkaar te maken. Ik weet dat het
moeilijk is om een inhoudelijke
reactie te geven als het gaat om
inkomenssolidariteit. Het is geen
geheim dat de VVD en de PvdA
daarover nog steeds verschillend
denken, met name waar het gaat om
het stelsel. Maar er zou ten minste
een reactie kunnen komen op het
punt van de risicosolidariteit. Hoe
kan die zoveel mogelijk worden
tegengegaan? Het gaat erom juist die
paradox tussen gevoelde dagelijkse
zorg en theoretisch beschreven
gezondheidszorg te analyseren en te
voorzien van adequaat beleid. Dat is
mijns inziens belangrijk voor de
toekomst. Het kader voor de kleine
stapjes ontbreekt nog te veel. Dat is
iets anders dan een blauwdruk. En
instrumenten zonder doelen worden
door het veld in toenemende mate
niet begrepen.
Voorzitter! Ik wil niet de halve of
misschien wel gehele behandeling
van het JOZ overdoen. Ik wil er
enkele andere punten uitlichten. Heel
belangrijk is de wachtlijstomzeilings-
problematiek oftewel de voorrang
voor werknemers. Wij hebben
hierover gisteren een brief van de
minister gekregen. Volgens de
inspectie valt het in de praktijk wel
mee, zo is driekwart jaar geleden in
een rapport naar buiten gebracht.
Maar de inspectie heeft tegelijkertijd
in het vorige week uitgegeven
’’telefoonboek’’ – dik maar zeer
leesbaar – aangegeven dat zij
eigenlijk geen instrumenten heeft om
dat goed te meten. Wat ons betreft
kan van voorrangsbehandeling maar
ook van voorrangsdiagnostiek voor
werknemers nooit sprake zijn. Wat
dat betreft ervaar ik de brief van de
minister als hinken op twee
gedachten. De minister stelt op
bladzijde 2 van de brief absoluut
tegen tweedeling te zijn. Dat is mooi.
Dat is ook terecht. Maar zij vindt het
wel een goed idee dat bedrijven
experimenten doen en initiatieven
nemen om voorrangsdiagnostiek te
regelen, mits aan tal van randvoor-
waarden is voldaan. Ook dat is
gewoon voorrang. Als je de mazzel
hebt dat je bij een of ander bedrijf
werkt, kun je bij pijn aan je knie dus
eerder naar de dokter. Officieel gaat
het dan wel om arbeidsgerelateerde
aandoeningen. Maar in de praktijk zal
ook de vrouw die ergens werkt en
die angstig is over een knobbeltje in
de borst eerder van haar ongerust-
heid af kunnen zijn dan een andere
vrouw met een knobbeltje in de
borst die toevallig niet werkt. De
minister vergelijkt ook appels met
peren. De huisartseninfolijn van het
ZAO is ingesteld voor alle huisartsen
en alle mensen. En dat is mijns
inziens dus fundamenteel iets anders
dan de diagnostiekinitiatieven in
Leeuwarden, Arnhem, Zwolle en
Assen en wie weet waar nog meer.
De medische indicatie bepaalt de
volgorde van diagnostiek en
behandeling en anders niks. Wat ons
betreft wordt dit ook spijkerhard in
het regeerakkoord vastgelegd. Maar
tegelijkertijd heeft de overheid dan
de absolute plicht – gezien het
financie¨le belang van de werkgevers
– om te garanderen dat wachttijden
en wachtlijsten voor iedereen zullen
worden weggewerkt. Maar dat moet
niet op de manier die werkgevers
voorstellen. Maar om samen met
sociale partners te bekijken of aan de
ene kant 175 mln. kan worden
ingezet om aan de andere kant 1
mld. aan ziekteverzuimuitkeringen of
aan ziektegeld te besparen, dat is
een andere zaak. Dat is de moeite
van het bespreken waard. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1932" anker="1503" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Ik wil
weinig afdoen aan dit betoog. Maar
is de heer Oudkerk niet met mij van
mening dat de bal veel eerder in het
doel van de heer Melkert moet
worden geschoten? Het gaat er niet
om alle werknemers op een hoop te
gooien. Wij hadden het al over
risicoselectie. Wat nu dreigt in onze
samenleving, is dat werkgevers
chronisch zieke werknemers of
mensen met een kwaaltje niet
aannemen omdat zij bang zijn dat zij
een hoog risico lopen. Is het niet
veel verstandiger om aan de kant
van Sociale Zaken en Werkgelegen-
heid serieus aan de gang te gaan
met het verlagen van de drempel
voor het in dienst nemen van dit
soort mensen in plaats van deze
discussie in de gezondheidszorg te
voeren? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1932" anker="1504" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Ik wilde dit
over veertig seconden gaan zeggen,
maar de heer Van Boxtel is mij voor.
Het gaat er niet om waar wij de bal
neerleggen. Het is een probleem van
het hele kabinet en van de hele
Kamer en het is een probleem dat
wij in ieder geval moeten oplossen.
Daarbij moeten wij geen enkele
creatieve oplossing uit de weg gaan,
behalve de creatieve oplossing
’’some animals are more equal than
other animals’’. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1932" anker="1505" partij="CDA" naam="De Jong">
 De heer
Oudkerk spreekt over de volgende
kabinetsperiode, maar in de brief van
de minister worden concrete
experimenten genoemd. Ik neem aan
dat deze wat de heer Oudkerk betreft
niet van start gaan. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1932" anker="1506" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Wat mij
betreft gaan ze niet van start.</spreker>
<spreker pagina="25-1932" anker="1507" partij="VVD" naam="Van Blerck-Woerdman">
 De heer Oudkerk wijst ook de
diagnostiek af. Vervolgens zegt hij
dat hij de voorstellen van de
werkgevers in het kader van
’’Gezondheidszorg in tel’’ bespreek-
baar acht. Hij vindt dat het kabinet
met oplossingen moet komen die
ook voor de werkgevers bespreek-
baar zijn. Vervolgens wijst hij alles
af. Hoe moet de problematiek dan
worden opgelost? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1932" anker="1508" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Ik kom
direct met concrete oplossingen. Ik
heb niet het initiatief onderschreven
dat bij ’’Gezondheidszorg in tel’’ naar
voren is gebracht. Werkgevers
zeggen dat je, als je er 175 mln.
inpompt, er 1 mld. uit krijgt. Als dat
echt waar is, moet je gaan overleg-
gen over de vraag wie er wanneer
175 mln. moet inpompen. Ik vind het
niet juist dat werkgevers het voor
hun eigen werknemers gaan regelen.
Dan heb je namelijk die tweedeling.
Wat mij aanspreekt, is het niet-
verkokerd denken. Het moet niet zo
zijn dat wij er niet over praten omdat
het nu eenmaal 175 mln. meer kost,
terwijl er aan de andere kant op de
collectieve lasten kan worden
bespaard, omdat er gewoon minder
aan kosten voor ziekte behoeft te
worden uitgegeven.</spreker>
<spreker pagina="25-1932" anker="1509" partij="VVD" naam="Van Blerck-Woerdman">
 Bedoelt u daarmee te zeggen
dat werkgevers 175 mln. boven de
premies die zij al betalen, extra
moeten inzetten om voor iedereen
een oplossing te cree¨ren die 1 mld.
bespaart? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1933" anker="1510" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Werkge-
vers zijn met een signaal gekomen
dat met een inzet van 175 mln. 1000
mln. kan worden gewonnen. Wij
zouden wel gek zijn als wij de
werkgevers niet zouden vragen hoe
zij aan die bedragen komen. Wij zijn
echter ook gek als wij dit alleen ten
goede laten komen aan die
werknemers. Met andere woorden, ik
kijk naar de getallen en ben tegen
een verkokerd denken. Ieder initiatief
dat leidt tot voorrang voor werkne-
mers wijs ik categorisch en
principieel af. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1933" anker="1511" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Begrijp ik
de heer Oudkerk nu goed dat hij die
175 mln. eventueel wel wil hebben?
Er is gezegd dat met een inzet van
175 mln. 1000 mln. kan worden
bespaard. Daarmee zouden de
werknemers voorrang krijgen. De
heer Oudkerk wil geen speciale
voorrang voor werknemers. Is hij
bereid die 175 mln. onder die
randvoorwaarden te aanvaarden? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1933" anker="1512" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Misschien
hebben wij te lang voornamelijk naar
de kosten van de gezondheidszorg
gekeken in plaats van naar de baten.
Natuurlijk kost het opruimen van
wachtlijsten op sommige punten
gewoon geld. Er rollen aan de
andere kant echter baten uit. Wij
moeten dus minder verengd kijken.
Ik heb dit als voorbeeld genoemd
voor een manier waarop je naar de
gezondheidszorg kunt kijken. Het
inzetten van nieuwe geneesmidde-
len, wat ziekenhuisopnames en
polikliniekbezoek kan verminderen, is
daarvan een voorbeeld. Het kost wat,
maar het levert elders iets op. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1933" anker="1513" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Is dit voor
u een principieel punt? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1933" anker="1514" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Dat
betekent dus dat dit ook bij de
kabinetsformatie niet onderhandel-
baar is. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1933" anker="1515" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Ik heb net
gezegd dat ik vind dat in een
regeerakkoord keihard moet worden
vastgelegd dat op grond van
medische en sociaal-medische
criteria de volgorde op de wachtlijst
geregeld moet worden. Eigenlijk vind
ik dat in een regeerakkoord geregeld
moet worden dat de wachtlijsten
worden opgelost. Als er kleine
oneffenheden blijven, vind ik dat dit
het criterium moet zijn. Voor het
principe dat mensen gelijk zijn, moet
je niet wijken. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1933" anker="1516" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Dat
betekent dat uw opvatting haaks
staat op de laatste brief van de
minister. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1933" anker="1517" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Ja, in dit
geval wel.
Voorzitter! Vooraleer moeten
instellingen gestimuleerd worden tot
het voeren van een actief anti-
wachtlijstenbeleid, want een deel van
de wachtlijsten kan worden
verminderd of weggenomen door
het treffen van organisatorische en
logistieke maatregelen. Wat dat
betreft deel ik de opvatting van de
inspectie. In het ziekenhuisbudget en
in het budget van andere instellingen
kan daartoe een premie worden
ingebouwd. Het belonen van goed
gedrag sluit beter bij de praktijk aan
dan een pot geld ter beschikking te
stellen voor instellingen die het niet
is gelukt om de wachtlijsten op te
lossen, weg te werken, zoals dat
momenteel gebeurt.
De minister sprak tijdens het debat
over ’’Gezondheidszorg in tel’’ bij het
probleem van voorrang voor
werknemers van een ’’duivels
dilemma’’. Duivels is het zeker, want
er is allang een gedoogbeleid
gaande bij voorrang. De meest
zorgelijke ontwikkeling wat dat
betreft is de zeer sterk toenemende
concurrentie op de zogenaamde
’’gemengde collectieve contracten’’,
waarbij vooral door draagkrachtige
grote partijen marktaandeel gekocht
wordt. Vaak gebeurt dat via
prijsdumping. Dat betekent dat er
gemengde collectiviteiten worden
aangeboden met administratie-
vergoedingen en aanvullende
pakketten, die ver onder de kostprijs
liggen. Het bijbehorende verlies
wordt vanuit concurrentie-
overwegingen genomen, omdat deze
partijen weten dat over enkele jaren
alle andere kleinere partijen zullen
zijn weggeconcurreerd of overgeno-
men. Deze ontwikkeling lijkt
nauwelijks meer te keren vanwege
de grote economische belangen die
ermee gemoeid zijn, namelijk de
doorvlechtingseffecten rond deze
collectiviteiten naar de Ziektewet, de
Arbeidsongeschiktheidswet en
levens- en kapitaalverzekeringen.
Voor regionale ziekenfondsen – die
zijn er nog steeds, mijnheer De Jong
– die zich veel met zorg in de regio bemoeien, geldt eigenlijk: of
verdwijnen of meedoen aan
schaalvergroting en derhalve
samenwerking of fusie met grote
particuliere verzekeraars en/of
banken. Er zijn mijns inziens weinig
instrumenten in meer politieke zin
om dat tij te keren. Het verbieden
van collectieve contracten is een, het
afschaffen van de onderlinge
concurrentie tussen ziekenfondsen
door herstel van de situatie van
verplichte werkgebieden van voor
1992 is twee. Als dat gebeurt,
verliezen de ziekenfondsen immers
hun marktwaarde voor de particu-
liere machtsconcentraties van
verzekeraars en banken. Anders
zullen regionale ziekenfondsen
gedwongen worden mee te gaan in
de regelingen waarover de heer De
Jong het al had, namelijk de
gunstige risico’s, de employee
benefit ontwikkelingen en de
concurrentie buiten de eigen regio. De her Van Boxtel (D66): Ik hoor
bijna mijn eigen inbreng van vorig
jaar echoe¨n. Dat doet mij deugd. Ik
heb gisteren in het debat over het
JOZ een voorstel gedaan aan de
minister om eens na te denken over
de mogelijkheid om de beheers-
kosten die aan de verzekeraars
toevallen, te differentie¨ren. Zou dat
voor u ook een bespreekbaar punt
zijn? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1933" anker="1518" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Dat zou
zeker een bespreekbaar punt zijn.
Niet alle wegen naar Rome zijn
gelijk. Je moet in ieder geval iedere
weg bewandelen die enigszins
plausibel is. Ik kom tot het regionaal
werken of het verbieden van
collectiviteiten. Wellicht zijn er nog
andere oplossingen. Daarover hoor
ik dan graag meer van de minister.
Er is in dit licht nog een andere
zorgelijke ontwikkeling die eigenlijk
moet worden omgebogen in kansen
voor de nabije toekomst. Dat betreft
de samenwerking tussen Arbo-
artsen, bedrijfsartsen, huisartsen en
specialisten. Op koepelniveau lijkt
dat zo veelbelovend, maar in de
praktijk is het heel wat minder. In de
begroting is ƒ 500.000 vrijgemaakt
om de samenwerking tussen de
artsen, die elkaar soms echt heel
aardig vinden maar soms ook niet –
laat ik het maar eufemistisch zeggen
– organisatorisch te helpen verbete-
ren. Dat lukt niet voor die fooi van
ƒ 500.000. Is er samen met SZW niet
meer geld ter beschikking te stellen
voor het stroomlijnen van deze zo
fundamentele as als het gaat om
ziekteverzuim, wachttijden en
wachtlijsten? Ik durf de stelling wel
aan dat als je die samenwerking echt
voor de bakker krijgt, het grote
merendeel van alle wachttijden tot
het verleden zal behoren, wachttijden
voor diagnostiek en voor diagnos-
tische behandeling.
Direct samenhangend met de
wachtlijsten gaat het ook om de inzet
en beschikbaarheid van personeel.
Vorige week maandag hebben wij er
tijdens de behandeling van het JOZ
uitgebreid over gepraat. Ik vind dat
wij politiek verantwoordelijk zijn om
het elan van werken in de sector te
behouden. Daarom denk ik dat meer
aandacht, marktconforme lonen en
meer kinderopvang, spaarverloven
en carrie`reperspectief voor de
zorgsector heel belangrijk zijn.
Daarnaast stellen wij voor om in de
opleidingen van hulpverleners de
kwaliteit van het directe zorgproces
meer centraal te stellen, zodat een
veel sterker accent kan worden
gelegd op de bejegening en
informatievoorziening aan patie¨nten.
Ik heb vorige week al aangegeven
dat verpleegkundigen soms maar
20% tot 30% van hun tijd aan de
directe zorg besteden. Met betrek-
king tot extra scholing moet de
lastenverlichting voor bedrijven die
nu via de vennootschapsbelasting
door het kabinet is toegekend, ook
voor gezondheidszorginstellingen
gelden. Dat doet ze nu niet en dat
gaat mijns inziens weer ten koste
van gelden die eigenlijk naar de zorg
zouden moeten gaan. Ten slotte hoor
ik graag de mening van de minister
over een gerichte campagne. Ik
meen dat NZF in 1991 al een keer
campagnevoorstellen heeft gedaan.
De heer Van Boxtel heeft daar verleden week van gezegd: zorg dat
je erbij komt. Het is natuurlijk niet
alleen maar een slogan, het moet
veel meer zijn. Ik denk echter dat wij
echt meer moeten doen dan wij nu
doen, want anders komt hetgeen
mevrouw Vliegenthart verleden week
zo treffend zei – ’’straks hebben wij
wel het geld, maar niet de mensen’’
– toch wel heel dichtbij.
Alle vormen van zorg kennen hun
eigen organisatie en financierings-
stromen, hun eigen dynamiek, hun
eigen cultuur, hun eigen werkme-
thode. Voor een patie¨nt die gewoon
op een behandeling is aangewezen
en dat circuit moet doorlopen, leidt
dat tot veel overdrachten en een
wirwar van regels, afspraken en
betalingssystemen. Hierbij staat de
patie¨nt niet centraal, maar de
instituties. In die zin vraagt de
PvdA-fractie zich af wat bijna anno
1998 de werkelijk toegevoegde
waarde is van al die partijen in de
gezondheidszorg die zich met de
zorg bemoeien, van de overheid, met
haar regels, van de instellingen, van
de verzekeraars, van de hulpverle-
ners, bij dat primaire proces. Wat
ons betreft mag die toegevoegde
waarde opnieuw omschreven
worden, los van historisch gegroeide
belangen. Waar heb je zorgverlener
X eigenlijk voor nodig? Dat betekent
het herschrijven van basistaken-
pakketten van beroepsbeoefenaren,
naast de reeds door de minister
toegezegde hernieuwde onderbou-
wing van tariefstructuren.
Er is een enorme uitbreiding
ontstaan van de voorzieningen die
men tot de gezondheidszorg rekent.
De WRR heeft daar al op gewezen.
Wat ons betreft moet in ieder geval
gegarandeerd worden dat de meest
essentie¨le zorg voor iedereen,
ongeacht banksaldo, leeftijd of omstandigheden, gewaarborgd blijft:
gelijke toegang onder alle omstan-
digheden. Het feit dat mensen uit
lagere sociale klassen gemiddeld
twaalf jaar langer ziek zijn en vijf jaar
eerder doodgaan, is ernstig. We
moeten met alles wat we hebben iets
doen om nog erger te voorkomen.
Een voorbeeld daarvan – ik noem het
alleen als voorbeeld, maar ik wil wel
graag een antwoord van de
staatssecretaris hierop – is de
problematiek van de dieetkosten
voor PKU-patie¨nten. Een
vergoedingsregeling kan meerkosten
op andere terreinen voorkomen,
zoals zittenblijven, speciaal onderwijs
etc. Gaat de kost hier niet voor de
baat uit? Wil het kabinet hier nog
eens naar kijken? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1934" anker="1519" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Wij
hebben inmiddels al schriftelijke
vragen gesteld over die PKU en die
zijn ook al beantwoord. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1934" anker="1520" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Dat klopt,
maar de beantwoording was – tenzij
er nog iets anders is gebeurd dat ik
niet weet – niet helemaal conform
hoe wij en misschien ook hoe u
erover dacht. Maar er zijn inderdaad
schriftelijke vragen over gesteld door
de fractie van D66.
Als we rantsoeneren willen
voorkomen, moeten we dat
onderscheid tussen noodzakelijke en
minder noodzakelijke zorg kunnen
maken. Dat hoort niet door
ziekenhuisdirecties of verzekeraars te
gebeuren, zoals wij in eerste
instantie voor taxol hebben gezien.
De WRR heeft iets interessants
opgehoest. Voor de afbakening van
het volksgezondheidszorgpakket op
grond van kosten en effecten is
aanbevolen voor de curatieve zorg
met zogenaamde DALY’s te gaan
werken, disabillity adjusted life years.
Ofwel op een andere manier te gaan
kijken welke zorgvoorzieningen nog
wel en welke niet in het pakket
zouden moeten blijven. Voor alle
duidelijkheid wil ik opmerken dat wij
tegen pakketopschoning sec zijn. Wij
zijn meer voorstander van het
inbouwen van prikkels in de
dagelijkse praktijk om die gepaste
zorg – wie heeft op indicatie welke
zorg nodig – te verlenen. Dat kan
met alle mogelijke instrumenten,
maar wij willen graag van de
minister – wat dat betreft heeft de
Dunningdiscussie uit 1991 toch een
tijd stilgelegen – horen of zij
mogelijkheden ziet om op een
andere wijze te kijken naar welke
zorgvoorzieningen binnen dat pakket
kunnen blijven, waarbij je altijd recht
hebt op de voorziening, maar dan
wel gekoppeld aan strikte criteria.
Ik wil nog een enkele opmerking
maken over het waarborgfonds. Wij
twijfelen nog steeds, ook na de
beantwoording van de minister. De
argumenten voor die twijfel hangen
samen met het feit dat het waarborg-
fonds een publieke taak zal uitvoe-
ren. Het is een soort rijksgarantie-
regeling. Die hangen nog steeds
samen met die 120 mln. initie¨le
storting en met het feit dat wij ons
afvragen of dat toezicht wel goed is
geregeld. Ik wil toch graag van de
minister horen of, als het eigenlijk
gaat om een verkapte rijksgarantie-
regeling, dat waarborgfonds bepaalt
welke instellingen niet en welke wel
mogen profiteren van de regeling.
Hoe kun je daar nog toezicht op
houden en hoe kun je waarborgen
dat heel goede instellingen niet het
loodje leggen als zij gebruik willen
maken van het fonds?
Dan de 120 mln. In 1994, toen de
instelling van een waarborgfonds
werd voorgesteld, kon geleend
worden tegen een hypotheekrente
van 7%. Nu is dat 4%. Dat is een
dikke winst. Tegen die achtergrond
vraag ik mij af of dat bedrag van 120
mln. niet te hoog is. De minister
heeft daar ook een tegenstrijdig
verhaal over. Enerzijds zegt zij dat
die 120 mln. in de beginjaren wel
nodig is. Als er namelijk een
cumulatie van schade optreedt, moet
je dat bedrag wel hebben. Anderzijds
geeft zij aan dat er in het begin juist
heel weinig van het fonds gebruik
gemaakt zal worden.
Ook op het punt van het toezicht
zien wij problemen. Je mag namelijk
25% van het fondsvermogen in
aandelen stoppen. Nu weet ik ook
wel dat je met aandelen meer
verdient en dus het fonds groter kunt
laten worden dan met staats-
obligaties of andere zaken, maar het
is de vraag wie controleert of er met
die aandelen niet zo gespeculeerd
wordt dat het waarborgfonds
plotseling verschrikkelijk keldert. Dan
moet er ineens weer geld ingestoken
worden. Kortom, wij twijfelen er nog
steeds aan of het waarborgfonds
vormgegeven moet worden zoals nu
wordt voorgesteld. Wij hebben geen
twijfel over de vraag of er uiteindelijk
wel een waarborgfonds moet komen.
Dit staat nog los van de wettelijke
regeling die mevrouw Kamp heeft
voorgesteld, waar zij voorlopig aan
wil vasthouden. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1935" anker="1521" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Is de heer
Oudkerk het met mij eens dat in
principe alle instellingen onder zo’n
waarborgfonds zouden moeten
vallen? In het huidige voorstel valt
een deel van de instellingen er
mogelijk niet onder. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1935" anker="1522" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Iedere
gezonde instelling zou daar eigenlijk
onder moeten vallen. Dat ben ik met
u eens.
Voorzitter! Ik heb gisteren de
discussie tussen de staatssecretaris,
mevrouw Vliegenthart en anderen
gevolgd over de motie die door
mevrouw Vliegenthart en mevrouw
Van Vliet is ingediend met betrekking
tot de extra middelen voor dag-
besteding in 1998. Ik begreep dat er
brede steun voor die motie in de
Kamer is. Wij hebben de minister
gevraagd om over de kwestie van de
nominale problematiek met minister
Zalm te praten om te bezien of die
100 mln., waarover veel discussie is
geweest, toch voor de zorgsector
bestemd kan worden. Binnen dat
kader moet het toch mogelijk zijn om
specifiek te verzekeren dat die extra
middelen voor de dagbesteding in
1998 beschikbaar komen? Ik was
gisteren eerlijk gezegd niet overtuigd
door het verhaal van de staatssecre-
taris. Graag zou ik zien dat de
staatssecretaris daar in eerste termijn
nader op ingaat.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="25-1935">
<spreker pagina="25-1935" anker="1523" partij="GroenLinks" naam="Oedayraj Singh Varma">
 Voorzitter! In de laatste
begrotingsbehandeling van deze
minister en staatssecretaris – althans,
in dit kabinet – past het om de
balans op te maken. De verwachtin-
gen waren hooggespannen. De
minister genoot hoog aanzien in het
veld, kende de medische wereld. Zij
leek veel voor elkaar te kunnen
krijgen. Voor het eerst na lange tijd
was er weer een minister van
Volksgezondheid die wekelijks de
vergaderingen van de ministerraad
kon bijwonen en zo het kabinets-
beleid veel meer kon sturen. Van de
hoge verwachtingen die wij hadden,
is niet zoveel terechtgekomen. Er is
weinig sturing uitgegaan van de
minister en de staatssecretaris. Op
het departement is veel misgegaan.
Veel maatregelen zijn genomen die
later weer terug zijn gedraaid. Zo is
de tandarts uit het ziekenfondspakket
gehaald, waarna het kunstgebit er
weer in opgenomen is. De belofte
van de minister om met een
IZA-achtige eigenbijdrageregeling te
komen, heeft zij niet gestand gedaan.
Een wezenlijke hervorming van het
ziekenfonds is er ook niet gekomen.
De minister heeft geduldig gewacht
tot haar partijgenoot de heer Van
Boxtel een voorstel deponeerde en
heeft daar vervolgens lof over
uitgesproken. Dat doe ik ook.
Was het niet de taak van de
minister om met voorstellen te
komen voor een rechtvaardige
ziektekostenverzekering? Terwijl in
het regeerakkoord nog beloofd werd
toe te werken naar convergentie
tussen ziekenfonds en particuliere
verzekering, lijkt de kloof tussen
beide stelsels in de afgelopen jaren
alleen maar gegroeid te zijn. Het
aanpakken van de medisch specialis-
ten is niet doorgezet. De markt van
de hulpmiddelen is niet onder
controle gekregen. De politiek van
kleine stapjes heeft te weinig
opgeleverd. De grip van de
bewindslieden op het departement
was onvoldoende. Dat geldt ook voor
de grip op de sector medicijnen en
hulpmiddelen. Welk bedrag aan
bezuinigingen is wel ingeboekt, maar
niet gehaald door het gestokte
proces ten aanzien van het
hulpmiddelendossier?
Ook de staatssecretaris, die grote
populariteit geniet, heeft de nodige
steken laten vallen. De hoge
verwachtingen die zij vooraf heeft
gewekt, met name bij ouderen en
gehandicapten, heeft zij niet
waargemaakt. Ik noem nog een keer
de discussie over de 27 mln. Of het
nu om handen aan het bed of om de
arbeidsvoorwaarden gaat, als op zo’n
manier met een dossier wordt
omgegaan, is het moeilijk werken,
ook voor Kamerleden. Het was en is
niet duidelijk. Ik hoop dat die
duidelijkheid snel komt.
Voorzitter! Over het belang van
goede kinderopvang bestaat in de
samenleving en in de Kamer
nauwelijks verschil van mening.
Kinderopvang is van belang om
economische, demografische en ook
om pedagogische redenen. Het in
opdracht van VWS opgestelde
rapport ’’Het rendement van
kinderopvang’’ wijst op een extra
opbrengst van miljarden voor het
bedrijfsleven en voor de belastingen.
Er staan momenteel 56.000 kinderen
op de wachtlijst. In ’’Kansen op
combineren’’, een nota van minister
Melkert over de combinatie van zorg
en arbeid, stelt het kabinet voor, het
CPB te vragen een integrale raming
en een economische analyse op te
stellen van een toereikende
kinderopvangvoorziening te
realiseren in 2010. Betekent dit dat
het kabinet ervan uitgaat dat over
dertien jaar een toereikende
kinderopvang gerealiseerd zal
worden? Wordt daarvoor een plan
opgesteld?
Er is op dit moment een groot
tekort aan kinderopvangvoorzie-
ningen, dat tot onaanvaardbare
consequenties kan leiden. S. van der
Wielen van de sector kinderopvang
van het Brabants steunpunt
jeugdwelzijn heeft gezegd dat 30%
tot 40% van de kinderopvangcentra
zich in het illegale of in ieder geval
oncontroleerbare circuit bevindt. Het
ontbreekt deze centra vaak aan
hygie¨ne en aan een goed pedago-
gisch klimaat. Ter wille van de
kinderen moet de overheid borg
staan voor een goede opvang. Op de
dag van de kinderopvang is door de
VOG een voorstel gedaan voor de
vorming van een kinderopvangfonds.
Zo’n fonds zou door de werkgevers
gevoed kunnen worden door een
opslag op de loonsom. Ook de
overheid zou een bedrag in het fonds
kunnen storten. Graag een reactie
van de staatssecretaris op dit punt.
De kwaliteit van de kinderopvang
is niet in alle gemeenten even goed.
Het incident in Den Bosch is
daarvoor illustratief. Ondanks de
verplichte kwaliteitsverordening in de
gemeenten voldoen sommige
kinderopvangcentra nog niet aan de
basiseisen, terwijl veel ouders daar
wel op rekenen. Er is onvoldoende
kwaliteitscontrole. Al eerder hebben
wij voorgesteld een goed toegeruste,
speciaal op de kinderopvang gerichte
inspectie regelmatig centra te laten
langsgaan om deze te controleren op
onder meer ook het pedagogisch
klimaat. GroenLinks pleit voor
landelijke normen en een onafhanke-
lijke inspectie. Is de staatssecretaris
bereid dat te overwegen, als de
maatregelen die op 1 januari 1998
ingaan onvoldoende blijken te zijn?
Ik maak mij over twee punten nog
zorgen. Ten aanzien van de positie
van allochtone vrouwen is er het
inburgeringscontract, maar dat staat
of valt met kinderopvang. Het blijkt
dat vrouwen uitvallen als er geen
kinderopvang is. Ik vraag de
staatssecretaris daaraan aandacht te
besteden.
Het Inspraakorgaan Surinamers
heeft een bijeenkomst gehad over
jonge alleenstaande vrouwen. Het
blijkt dat in de hoogbouw van de
Bijlmer 80% van de alleenstaande
vrouwen – een concentratie van
allochtone vrouwen – geen kinderop-
vang kan krijgen. Het gaat daarbij
om vrouwen aan de onderkant van
de samenleving. Ook daarvoor vraag
ik aandacht van de staatssecretaris.
Voorzitter! Een onderzoek van het
NIZW heeft uitgewezen dat een groot
deel van de werkers in de welzijns-
en zorgsector te maken krijgt met
discriminatie. In de thuiszorg komt
het geregeld voor dat de deur voor
een allochtone hulp wordt dicht- gesmeten met de woorden: ik wil
een Hollands meisje. Is de staatsse-
cretaris bereid in overleg te treden
met de zorgsector en samen met die
sector een protocol te ontwerpen
waarmee de hele sector op eenzelfde
wijze discriminatie te lijf gaat? Ook
zal er beleid gemaakt moeten
worden ter ondersteuning van de
gediscrimineerde vrouwen. Hoe gaan
de instellingen daarmee om en op
welke manier zal de staatssecretaris
dit ondersteunen?
Voorzitter! Er heeft gisteren een
overleg plaatsgevonden over het
minderhedenbeleid. Daarin hebben
wij gesproken over de zelf-
organisaties en is er een motie op
dat punt ingediend. Ik wil de
staatssecretaris daarop wijzen. Ik wil
haar ook wijzen op de positie van de
zelforganisaties van allochtonen. De
staatssecretaris heeft een brief
geschreven over betalende leden. In
de zelforganisaties van allochtonen is
het echter geen cultuur dat er
betalende leden zijn. Het zijn vaak
ook stichtingen. Ik meen dat
zelforganisaties die eerder een
vereniging waren, op advies van
VWS een stichting zijn geworden. Nu
moeten zij waarschijnlijk weer
worden omgevormd tot een
vereniging. Is de staatssecretaris
bereid een soort overgangsregeling
te maken?
Ik heb nog twee punten over de
Rutgersstichting. Allereerst wil ik nog
iets zeggen over de anonieme
pilverstrekking aan jonge meisjes. Er
wordt gezegd dat die meisjes de
rekening zelf zouden kunnen betalen.
De staatssecretaris heeft in een brief
aangegeven dat de kosten varie¨ren
van ƒ 17,80 tot ƒ 60. Ik wil erop
wijzen dat jonge meisjes geen
ƒ 60 hebben. Het gaat om de
anonieme verstrekking. Is het niet
mogelijk dat de rekening rechtstreeks
naar het ziekenfonds gaat? Dan komt
het dus niet op de rekening van de
familie, maar gaat die van de
Rutgersstichting rechtstreeks naar
het ziekenfonds.
Wat is er nu geregeld voor de
allochtone vrouwen die bij de
Rutgersstichting terechtkonden? Dat
was juist de stichting waarbij veel
allochtone vrouwen terechtkonden. Ik
heb vernomen dat heel veel
allochtone vrouwen wegblijven,
omdat zij problemen hebben met de
bijdragen die nu gevraagd worden.
Kan de staatssecretaris daarnaar
kijken? Waar moeten die allochtone
vrouwen dan naartoe om hulp te
krijgen?
Ik wil de staatssecretaris voorts
verzoeken om de Kamer een notitie
te sturen over de maatschappelijke
opvang. Er is namelijk een tekort aan
maatschappelijke opvang. Ik wil haar
aandacht vragen voor zwerfjongeren,
met name voor de Marokkaanse en
Antilliaanse jongeren. Kan zij in kaart
brengen om hoeveel jongeren het
gaat? Ik heb zelf begrepen dat het
om een groot aantal gaat.
Ik heb voorts begrepen dat er een
probleem is met De witte jas. De
witte jas en de Raad van kerken
hebben bij mij aangeklopt met de
vraag hoe het nu zit met het
probleem van de onverzekerden. Kan
de minister uitleggen hoe daarmee
omgegaan moet worden?
Voorzitter! Ik heb veel kritiek op
beide bewindsvrouwen en ik heb ook
veel vragen gesteld. Ik vind mijn
kritiek terecht, maar ik wil bij deze
laatste begrotingsbehandeling toch
een positieve opmerking maken over
de manier waarop beide bewinds-
vrouwen met de Kamer omgaan. Ik
heb bijzonder veel waardering voor
de openheid, de hartelijkheid en het
kunnen luisteren naar de oppositie.
Ik vind het prettig om op deze
manier met hen te werken. Mis-
schien is het de manier waarop
vrouwen werken. Dan zouden er dus
meer vrouwen in de politiek moeten
komen.
De vergadering wordt van 17.55 uur
tot 19.30 uur geschorst.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="25-1936">
<spreker pagina="25-1936" anker="1524" partij="VVD" naam="Van Blerck-Woerdman">
 Mijnheer de voorzitter! Ik
begin mijn betoog met dezelfde
zinsnede als gisteravond bij de
voortzetting van de behandeling van
het JOZ. Toen zei ik dat ik maar een
aantal onderwerpen wilde behande-
len, omdat er in de eerste termijn al
erg veel tijd besteed was aan
belangrijke onderwerpen in de
volksgezondheid.
Ik wil heel graag praten over de
GGZ. Ik heb dat echter vorig jaar al
gedaan. Bovendien krijgen wij
binnenkort gelegenheid om hierop in
te gaan. Hetzelfde geldt voor de
AWBZ. Ook dat is een buitengewoon
belangrijk onderwerp. Ook daarop
echter zullen wij binnen afzienbare
tijd uitgebreid terugkomen.
De VVD-fractie vindt in de
complexe materie van de volksge-
zondheid de deregulering heel
belangrijk. Ik heb daar vorige week
maandag al iets over gezegd. Wij
zullen daar bij gelegenheid graag op
terugkomen om er een fundamenteel
debat over te voeren.
Vandaag wil ik mij beperken tot
een drietal onderwerpen. Als eerste
zijn er de wachtlijsten. De minister
heeft in de afgelopen periode een
aantal uitspraken gedaan over
voorrang bij wachtlijsten en
wachtlijstomzeiling die niet erg
helder waren. Het was op z’n minst
genomen wat dubbel. In eerste
instantie zei de minister er op
zichzelf niet tegen te zijn als
werkgevers een eigen circuit voor
zieke werknemers oprichten. Later
werd dat teruggedraaid. Bij
’’Gezondheidszorg in tel’’ heeft de
minister onlangs gezegd dat zij op
zichzelf begrip heeft voor de wensen
van werkgevers. Zij sprak ook over
de 175 mln. in relatie tot het bedrag
van 1 mld. aan besparingen bij de
ziektekosten. De heer Oudkerk sprak
daar net al over. Zij vond dat een
bespreekbare optie.
Ik splits dit onderwerp in
wachtlijsten bij de curatieve zorg en
wachtlijsten bij de caresector. Ik vind
dat twee geheel verschillende
onderwerpen. Ik zeg eerst iets over
de wachtlijsten bij de curatieve zorg.
Ik heb zo-even gezegd dat het
standpunt van de minister niet zo
helder is. Dat is na vanmiddag iets
duidelijker geworden. Wij hebben
van de minister op de valreep een
brief gehad, waarbij zij een voorstel
doet om een experiment toe te
staan. Dit staat in relatie tot hetgeen
door het medisch centrum in
Leeuwarden is voorgesteld. Het gaat
er dus om te bewerkstelligen dat er
in de diagnostische sfeer een
bepaalde regeling getroffen kan
worden. U kunt zich voorstellen dat
wij dit een heel bespreekbare optie
vinden. De VVD heeft daar al eerder
opmerkingen over gemaakt.
Dit soort initiatieven vormen een
prima optie, maar niet omdat wij
denken dat de wachtlijsten in de
curatieve sfeer ermee kunnen
worden opgelost. Wij denken dat er
ook andere mogelijkheden zijn, zeker
als het gaat om een betere efficiency
en afstemming tussen de verschil-
lende instellingen met wachtlijsten.
Ik denk dat dit de eerste stap moet
zijn om een beter beeld te krijgen
van de ernst van de situatie. Hetgeen
wordt voorgesteld van met name
werkgeverszijde in de aanvullende
sfeer, moet een eigen plaats kunnen
krijgen. Voor ons is in ieder geval de
optie uit de brief een zeer bespreek-
bare. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1937" anker="1525" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Ik hoor
mevrouw Van Blerck zeggen dat zij
voorrang wil geven aan het alles in
logistieke zin goed in kaart brengen.
Is het voor haar ook bespreekbaar
om met de experimenten te wachten
totdat wij zeker weten dat wij dat
goed hebben opgelost wat normaal
gesproken bij een gezonde bedrijfs-
voering hoort?</spreker>
<spreker pagina="25-1937" anker="1526" partij="VVD" naam="Van Blerck-Woerdman">
 Als de problemen die er nu
zijn bij wachtlijsten, kunnen worden
opgelost met een betere logistiek en
een efficie¨ntere afhandeling van de
bestaande wachtlijsten, hoeft men
ook geen andere regelingen te
bedenken. Tot op heden wordt er wel
veel gesproken over betere
regelingen in die sfeer, maar in de
praktijk zie ik nog geen algehele
resultaten, al wordt er wel voorzich-
tig een experimentje hier en een
experimentje daar gedaan. Ik zou de
minister daarom willen vragen of zij
niet een wat breder beeld kan
schetsen van hetgeen zij denkt te
bereiken met een betere oplossing
van wat ik maar noem de logistieke
problemen die zich op dit moment
voordoen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1937" anker="1527" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Laat ik de
vraag dan aanscherpen. Wij geven in
1998 50 mln. extra uit voor het
wegwerken van wachtlijsten. Daar
komt waarschijnlijk nog 45 mln. bij,
uit de kortingen en bonussen van
apothekers.</spreker>
<spreker pagina="25-1937" anker="1528" partij="VVD" naam="Van Blerck-Woerdman">
 U kent onze opvattingen over
de dekking. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1937" anker="1529" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Maar stel
dat dit geld ingezet kan worden. Aan
de ziekenhuizen worden prestatie-
verplichtingen opgelegd. Je moet
dan laten zien dat de wachtlijsten bij
de RIAGG’s, voor de heupoperaties,
voor de ogen en de harten daadwer-
kelijk worden teruggebracht. De
organisatie moet worden aangepast.
Als dat nu soelaas biedt, hebben wij
toch helemaal geen aanvullende
experimenten nodig om met
voorrang diagnoses te laten stellen?
Wij zijn wel met het kabinet in
gesprek, maar de vraag is of de VVD
politiek bereid is even pas op de
plaats te maken en eerst te kijken of
het bedrag van bijna 100 mln. zoden
aan de dijk zet.</spreker>
<spreker pagina="25-1937" anker="1530" partij="VVD" naam="Van Blerck-Woerdman">
 Ik ga ervan uit dat de minister
denkt dat dit niet de oplossing kan
zijn. Anders zou zij ons niet de brief
met dit voorstel hebben gestuurd.
Het lijkt mij dat het kabinet nu aan
zet is om aan te geven hoe de
problemen opgelost kunnen worden.
Nogmaals, als er geen problemen
zijn, zullen de werkgevers blij zijn dat
zij geen extra geld hoeven in te
zetten om wachtlijsten op te heffen.
Waar zij niet zijn, hoef je ze natuurlijk
ook niet te zoeken. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1937" anker="1531" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Maar als
de problemen nu niet opgelost zijn,
kortom, als zij er wel zijn, wil ik even
klip en klaar van de VVD horen of zij
voor voorrang in diagnostiek bij
werknemers van bepaalde bedrijven
is.</spreker>
<spreker pagina="25-1937" anker="1532" partij="VVD" naam="Van Blerck-Woerdman">
 Wat de minister in haar brief
voorstelt, is van dien aard en zo
voorzichtig, dat ik mij niet kan
indenken dat daar iets op tegen is. Ik
kan mij ook niet voorstellen dat daar
echt voorrang uit voortkomt, omdat
niemand wordt achtergesteld. Er
komt geld bij, dat in de sector blijft.
De VVD heeft dat eerder ook al
aangegeven. De geldstroom om
wachtlijsten op te lossen wordt dus
breder. Daar gaat niemand op
achteruit. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1937" anker="1533" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Toen ik op
de plek stond waar u nu staat, zei u
in een kort interruptiedebatje dat
diagnostische behandelingen met
alle randvoorwaarden die de minister
schetst, wel konden. De minister zegt
nu iets in de brief dat haast heel
spannend is. Zij wil voorrang in de
diagnostiek wel toelaten, als er in het
vervolgtraject, als er een behande-
ling moet komen, maar weer
gewoon wordt gedaan, dus met
andere woorden geen voorrang
gegeven wordt. Nu zei u zelf dat het
vaak om diagnostische behandelin-
gen gaat. U en ik weten blijkbaar, en
de minister weet ook wel, dat het
een moeiteloos in het ander
overloopt. Vindt u het niet een wat
merkwaardige scheiding, die in de
praktijk eigenlijk helemaal geen
scheiding is? Theoretisch klopt het
wel, als eerst de diagnose wordt
gesteld en er dan wordt behandeld.
In de praktijk gaat het natuurlijk
anders. Je kunt er uren over praten,
maar dat zal ik niet doen. Er ontstaat
echter een voorrangsbehandeling
voor mensen die de mazzel hebben
dat zij bij een of ander bedrijf werken
en daarom eerder gediagnosticeerd
worden voor een of andere ziekte. Zij
worden dus ook eerder behandeld.</spreker>
<spreker pagina="25-1937" anker="1534" partij="VVD" naam="Van Blerck-Woerdman">
 U interrumpeert mij op een
moment dat ik nog niet klaar ben
met het onderwerp. Mijn vraag aan
de minister was, hoe zij in de praktijk
de diagnostiek en de behandeling
denkt te kunnen scheiden. Dat was
de eerste vraag die bij mij opkwam
toen ik de brief had gelezen.
Afhankelijk van haar antwoord zal ik
mijn stellingname verder toelichten.
De wachtlijsten in de cure zijn de
ene kant van de zaak, de wachtlijsten
in de care vormen een ander
probleem. De hoofdinspecteur voor
de volksgezondheid heeft daar
behartigenswaardige dingen over
gezegd. De situatie is totaal anders.
Bij wachtlijsten in de caresector heb
je meestal te maken met uitbreidin-
gen door bouw. Zij moeten op een
andere wijze worden opgelost dan in
de curesector. Zowel voor dit jaar als
voor volgend jaar hebben wij extra
middelen beschikbaar voor handen
aan het bed. Dan gaat het om het
verminderen van wachtlijsten. In de
eerste termijn van de behandeling
van het JOZ heb ik hier al over
gesproken. Ik herhaal het vanavond.
Als de Kamer en het kabinet vinden
dat er extra geld moet naar de
caresector, moeten wij ook terugzien
dat die handen inderdaad aan het
bed zijn gekomen. Ik lees echter dat
er dit jaar in de thuiszorg minder
uren zijn ingezet, ondanks dat er
meer geld beschikbaar was. Ik vraag
mij af hoe dat mogelijk is. Ik reken
het de staatssecretaris absoluut niet
aan, omdat zij het geld heeft ingezet.
Hoe kan het echter dat er in het veld,
in de praktijk zo weinig van zichtbaar
is? Wij hebben onlangs ook deze
discussie bij de verzorging en de
verpleeghuizen gevoerd. Daarbij
hebben wij gevraagd hoe wij
volgend jaar kunnen traceren waar
het extra geld is ingezet. Als in de
curesector de 50 mln. op declaratie-
basis is terug te vinden, vraag ik mij
af of wij dat in de caresector niet op
dezelfde wijze zouden kunnen doen.
Graag heb ik dus van het kabinet een
wat breder beeld als het gaat om de
oplossingen voor de wachtlijsten,
zowel in de curesector als in de
caresector.
Ik maak nog een aantal opmerkin-
gen over de inspectie voor de
gezondheidszorg. De inspecteur
spreekt over een aantal mogelijkhe-
den en onmogelijkheden ten aanzien
van de werkwijze. Er is een verschil
van mening geweest tussen de
inspectie en de Nationale ombuds-
man bij de behandeling van klachten
in het kader van de Wet klachtrecht.
De minister zal nu bekijken welke
beroepsmogelijkheden er kunnen
worden gecree¨erd. Het moet toch
mogelijk zijn dat de marginale
betrokkenheid van de inspectie bij de
behandeling van klachten er niet toe
leidt dat informatie over knelpunten
in de gezondheidszorg niet optimaal
is. Het is ook de vraag of klagers nog
wel weten waar zij hun klachten
moeten deponeren. Is dat bij de
inspectie, een klachtencommissie,
een bureau voor klachteninformatie
in de gezondheidszorg, een
tuchtcollege, het OM of wellicht zelfs
een letselschadeadvocaat? Graag
verneem ik hoe de minister hierin
duidelijkheid denkt te scheppen.
Ik heb ook al eerder gesproken
over de collectieve preventie. Ik zou
graag weten wanneer er eindelijk
een plan komt waarbij gemeenten
hun taken opnemen in de collectieve
preventie, zoals het hoort. De eertijds
ingestelde commissie-Lemstra heeft
vorig jaar november al een advies
uitgebracht. Het advies wordt breed
onderschreven, maar er moet in de
praktijk ook wel iets van terechtko-
men.
Het volgende punt is het Aids-
fonds. Op zichzelf kan de VVD-fractie
begrip opbrengen voor het feit dat
op enig moment de directe
stimuleringsgelden van de overheid
ten behoeve van het aids-onderzoek
worden afgebouwd, dus gestopt. Dat
was ook zo afgesproken. Inbedding
in het wetenschappelijk onderzoek is
het doel hiervan. Toch heb ik de
indruk dat er bij de recente ontwikke-
lingen sprake is geweest van een wat
minder vlot lopende communicatie.
Mede als gevolg daarvan is er sprake
van toch nog enige problematiek in
het aids-beleid, als je kijkt naar de
financie¨le inbedding. Zijn er nog
garanties dat het wetenschappelijk
onderzoek op een of andere manier
kan worden voortgezet? Wij zullen
ook moeten kijken in welke
structurele inbedding het weten-
schappelijk onderzoek verder zijn
weg kan vinden. Graag hoor ik van
de minister welke rol zij in de
toekomst nog ziet weggelegd voor
het Aids-fonds.
Op dit punt vraag ik ook nog iets
over de nieuwe combinatietherapie
voor aids-patie¨nten. Ik heb het dan
met name over de therapietrouw. Het
is buitengewoon zwaar om de
nieuwe therapie vol te houden. Dat
blijkt ook in de praktijk. Het is heel
erg begrijpelijk. Kleven er volgens de
minister niet erg grote bezwaren aan
het feit dat die therapietrouw wel
eens wordt losgelaten, zowel voor
betrokkene zelf als voor de omge-
ving? Je krijgt immers te maken met
een behoorlijke mate van resistentie.
Is daar in het brede kader van de
gezondheidszorg al eens naar
gekeken? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1938" anker="1535" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Ik sluit
mij graag aan bij uw pleidooi om de
subsidie voor de cohortenstudie zo
veilig mogelijk te stellen als maar
kan. Wij hebben in Nederland heel
veel kennis opgedaan met het
onderzoek naar aids. De kennis die
wij opdoen, kunnen wij exporteren
naar de landen waar een veel
hevigere explosie van aids is dan
hier. Vindt u dat het bespreekbaar
moet zijn om een deel van ons
ontwikkelingsgeld in het aids-
onderzoek te stoppen? Dan komt de
last niet alleen op Volksgezondheid
te rusten.</spreker>
<spreker pagina="25-1938" anker="1536" partij="VVD" naam="Van Blerck-Woerdman">
 Ik wilde als een soort
afsluiting van dit onderwerp zeggen
dat het naar mijn mening goed is als
de minister nog eens in gesprek gaat
met het Aids-fonds om na te gaan
hoe in de komende jaren een basis
kan worden gevonden om datgene
wat op dit terrein is opgebouwd, zo
goed mogelijk veilig te stellen. Het
stoppen van de financie¨le bijdrage
van de overheid op enig moment is
begrijpelijk. Iedereen wist ook dat dit
eraan kwam. Het moet echter niet op
zo’n wijze gebeuren dat later blijkt
dat wij er niets aan hebben
overgehouden en dat wij opnieuw
kunnen beginnen. Ik hoor graag van
de minister hoe zij hier tegenaan
kijkt.
Ik sluit hiermee het onderwerp
volksgezondheid af, na de vele
debatten die wij in de afgelopen
week erover gehad hebben, maar
niet dan nadat ik namens mijn fractie
een beoordeling heb gegeven over
datgene wat de bewindslieden
hebben gerealiseerd van het
regeerakkoord. Wij hebben het
uiteraard maar eens even erbij
gepakt en zijn tot de conclusie
gekomen dat in het algemeen veel
zaken uit het regeerakkoord zijn
gerealiseerd, maar niet altijd exact
zoals zij zijn voorgesteld; ik kom
hierop terug. Niet gerealiseerd zijn
de convergentie en de invoering van
het eigen risico. Dit is ons allen in de
afgelopen periode bepaald niet
ontgaan. Ieder had er zijn eigen
redenen voor om er uitvoerig op in
te gaan. Hiervoor in de plaats zijn
gekomen de vrijwillige eigen
bijdrage en een systeem van eigen
bijdragen met een zeer ingewikkelde
compensatieregeling. Het zij zo voor
deze periode. Hierna zien wij wel
weer verder.
Er was in oorsprong een zeer krap
jasje afgesproken, de 1,3%. Iedereen
die almaar over 1,3% spreekt, moet
wel beseffen dat dit de afgelopen
jaar elk jaar is verhoogd en dat het
nooit op 1,3% is uitgekomen. Binnen
dit krappe jasje hebben beide
bewindslieden hun best gedaan.
Ik constateer dat de minister op
haar best was bij de medisch-
ethische onderwerpen en wetgeving
waarin de patie¨nt centraal staat, de
zogeheten kwaliteitswetgeving.
Helaas is het kabinetsvoornemen
voor een nieuwe wet bouw-
beheersing in plaats van een
gedereguleerde Wet ziekenhuis-
voorzieningen nog steeds niet
gerealiseerd. Wij vinden dit jammer.
Het tempo op dit onderwerp is traag,
helaas. Draagvlak in het moeilijke
veld van de gezondheidszorg is
belangrijk; dit onderschrijven wij
absoluut. Af en toe een knoop
doorhakken is echter onontkoom-
baar. Van ons mag dit wel iets vaker
en steviger.
Hetzelfde geldt voor de reorgani-
satie van het departement. Zoals het
op het departement was, was het
niet zoals het moest zijn. Dit is een
understatement. De plannen die de
minister inmiddels heeft gepresen-
teerd, zijn laat. Ik zal er terughou-
dend over zijn, want de Kamer moet
haar plaats weten bij de inhoud van
deze plannen. Zij zullen naar onze
mening de minister en de staatsse-
cretaris helpen om hun beleid beter
uit te voeren dan op dit moment.
Een of twee jaar eerder hadden zij er
wel veel meer profijt van ondervon-
den. Als vakminister vinden wij deze
minister goed, maar de uitvoering
kan wel eens wat sneller. Ook
zouden wij graag zien dat zij minder
wisselvallige standpunten innam,
bijvoorbeeld bij de problematiek
rondom de wachtlijsten en de
hulpmiddelen. De ene keer horen wij
dit en de andere keer dat. Wat is nu
uiteindelijk haar standpunt? Daar
moeten wij nog al eens lang op
wachten.
Snelheid kan staatssecretaris
Terpstra niet ontzegd worden. Zij
heeft zo ongeveer alles gerealiseerd
wat op haar terrein in het regeerak-
koord staat. In de uitvoering was zij
soms zo snel, dat de realiteit in het
land haar af en toe achterhaalde. Zij
heeft dat zelf ook toegegeven. Maar
als je veel zaken realiseert en veel
dingen gaat veranderen, weet je dat
je veel weerstand te wachten staat.
Die kritiek moet je kunnen pareren,
maar wat ons betreft is dat goed
verlopen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1939" anker="1537" partij="PvdA" naam="Middel">
 Over die
laatste opmerking wil ik een vraag
stellen. U zegt dat de staatssecretaris
dikwijls erg snel ging. Ging zij niet
ook wel eens wat te langzaam zodat
de Kamer haar moest manen tot
enige snelheid? Daar hoor ik u niet
over.</spreker>
<spreker pagina="25-1939" anker="1538" partij="VVD" naam="Van Blerck-Woerdman">
 Dan heeft u een andere
perceptie dan ik. Ik heb gekeken naar
de zaken die in het regeerakkoord in
haar portefeuille stonden opgeschre-
ven en ik constateer dat zij alles
gerealiseerd heeft met een bijna
tomeloze energie. De Kamer moest
haar zelfs af en toe vragen of zij
zeker wist dat het allemaal in het
veld kon. Ik noem bijvoorbeeld het
persoonsgebonden budget; dat is
werkendeweg begonnen. De
staatssecretaris heeft dat ook als
zodanig aangegeven en ik kan
constateren dat men daar buitenge-
woon blij mee is in het land. Het kan
hier en daar in de uitvoering nog
beter. Ook dat realiseren wij ons
terdege, maar als je nooit iets
probeert, komt er ook niets van de
grond, zeker niet op het taaie terrein
van de gezondheidszorg. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1939" anker="1539" partij="PvdA" naam="Middel">
 Met dat
laatste ben ik het volstrekt eens. Ik
wil ook niet zeggen dat er niet
voldoende energie in is gestoken. Ik
zal mijn vraag anders formuleren.
Was het niet nodig en zat u daar niet
bij, dat er af en toe vanuit de Kamer
bijgestuurd moest worden?</spreker>
<spreker pagina="25-1939" anker="1540" partij="VVD" naam="Van Blerck-Woerdman">
 Als het gaat om het geld... 

</spreker>
<spreker pagina="25-1939" anker="1541" partij="PvdA" naam="Middel">
 Als het gaat
om het beleid en om de uitvoering
van het beleid.</spreker>
<spreker pagina="25-1939" anker="1542" partij="VVD" naam="Van Blerck-Woerdman">
 De staatssecretaris heeft een
aantal nieuwe wetten en voorstellen
aan ons gepresenteerd. Daar zijn
discussies over geweest. Dat is
prima, want deze wetten hebben
heel veel gevolgen in het land. Ik
wilde ook zeggen dat de discussies
met zowel de minister als de
staatssecretaris altijd over iets
gingen. Ik ben mij ervan bewust dat
ook bij de VVD-fractie af en toe zeer
wel kritiek aanwezig is geweest. Dat
is ook terecht, maar die werd
gepareerd op een wijze waarin wij
ons uiteindelijk kunnen vinden. U
stelt dat de Kamer de bewindslieden
in de uitvoering moest bijstellen. Ik
geef u toe dat het jasje van de 1,3%,
en zoveel meer als ieder jaar werd
bijgeplust, inderdaad krap was, maar
wij zijn daar gezamenlijk goed
uitgekomen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1939" anker="1543" partij="PvdA" naam="Middel">
 Dat geef ik
graag toe en ik wil dan ook nog een
opmerking maken. U bent nu wat
genuanceerder dan zo-even en u
geeft toe dat er ook in uw kring
kritiek was. Nu wij zo open over het
beleid spreken en de bewindsperso-
nen beoordelen, meen ik dat geen
van de bewindsvrouwen het verdient
om alleen maar een jubelverhaal te
horen, ook al komt het van de VVD.
Wij moeten toch de nuances op de
juiste plaats leggen. Ik ben blij dat u
dat nu doet.</spreker>
<spreker pagina="25-1939" anker="1544" partij="VVD" naam="Van Blerck-Woerdman">
 Voordat u interrumpeerde, zei
ik dat de staatssecretaris soms zo
snel ging, dat daarvoor in het land
het draagvlak nog niet helemaal
aanwezig was. Iedereen kon dat
merken en ik heb daar geen kritiek
op. Ik meen dat er een aantal
ontwikkelingen op dit terrein in gang
is gezet dat over een aantal jaren
wellicht beter zichtbaar vruchten zal
afwerpen. Zoiets gaat nu eenmaal
met kritiek gepaard en daar moet je
tegen kunnen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="25-1939">

 
<spreker pagina="25-1939" anker="1545" partij="VVD" naam="Essers">
 Mijnheer de
voorzitter! Tijdens de laatste
behandeling van de welzijns-
begroting in deze regeerperiode zal
ook ik kort terugkijken op een aantal
beleidsontwikkelingen op welzijns-
en sportgebied. Daarnaast zal ik voor
een drietal beleidsonderdelen een
toekomstige constatering doen.
De VVD-fractie heeft een positief
oordeel over de goed voorbereide en
daardoor gefaseerde aanpak die
gegeven werd aan de bezuiniging-
sopdracht uit het regeerakkoord.
Verhoudingsgewijs moest het
welzijnsveld toch behoorlijk fors
inleveren. En meteen bij de eerste
begrotingsbehandeling werd via de
nota ’’Naar eigen vermogen’’ een en
ander geregeld. In deze nota werd
een heldere visie gegeven op de
taken die de rijksoverheid heeft voor
het welzijnsbeleid. Daarbij werd
uitgegaan van de eigen kracht die
mensen en organisaties in zich
hebben om van daaruit maatschap-
pelijk te kunnen functioneren. In de
nota werden voor het hele veld
helder de taken en eventuele
bezuinigingsopdrachten voor vier
jaar neergelegd. leder wist dus ruim
van tevoren wat er te verwachten
viel. De nota is in de Kamer
ruimschoots in discussie geweest. En
mede door deze aanpak werden op
zichzelf pijnlijke kortingen redelijk
goed onderbouwd en gefaseerd
doorgevoerd.
Met veel inzet werd gewerkt aan
een flinke verbetering – inclusief
meer financie¨n, voor een deel uit de
welzijnsbegroting – van de structuur
van de jeugdhulpverlening waar heel
wat achterstallig onderhoud lag. Met
doortastendheid werd de noodzake-
lijke bundeling van alle bestaande
minderhedenorganisaties tot een
goed einde gebracht. En er werd een
stevige opwaardering gegeven aan
het sportbeleid waarbij er meer
middelen voor de sport vrijkwamen.
Er kwam eindelijk een Fonds voor de
topsport tot stand. En er verscheen,
mede door een Kamerbreed
gesteunde motie van de VVD, een
integrale sportnota, waarmee wij
voor de toekomst een breed
sportbeleid kunnen voeren.
Voorzitter! Dan kom ik bij enkele
toekomstige ontwikkelingen. Na de
decentralisatie van het welzijnsbeleid
naar de gemeenten – via de
Welzijnswet 1994 – was er een
onderzoek naar de stand van zaken
waarover wij vlak voor het zomerre-
ces hebben gediscussieerd. Uit dit
onderzoek viel te concluderen dat het
besluit om het welzijnsbeleid dichter
bij de burger te brengen om meer
maatwerk te kunnen bieden, op
zichzelf een goed besluit is geweest.
Na lange jaren van discussie over
nut en noodzaak van het welzijns-
beleid is duidelijk dat vooral op
lokaal niveau het welzijnswerk in een
nieuwe vorm van groot belang is
voor de sociale samenhang. Daarbij
vindt er een veranderingsproces
plaats in de werkwijze van het
professionele kader. Je zou kunnen zeggen: van de ouderwetse
opbouwwerker naar een nieuwe
makelaarsfunctie.
Er wordt verder uitgegaan van het
besef dat samen met de burgers in
de wijk een integraal beleid, dus
door meer disciplines gezamenlijk
gedragen en uitgevoerd, tot stand
moet komen. In de bij deze begroting
gepresenteerde brief over dit lokaal
sociaal beleid wordt voor de
komende jaren de nadruk gelegd op
bovenstaande punten en wordt
helder aangegeven wat de rijksover-
heid in overleg met het veld en
andere overheden aan ondersteuning
kan bieden. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1940" anker="1546" partij="PvdA" naam="Middel">
 Voorzitter!
Mevrouw Essers gaat nu in op een
brief die wij net binnen hebben. Daar
heb ik geen vragen over. Maar zij
sprak ook over een onderzoek.
Misschien hebben wij een verschil-
lend onderzoek voor ogen. Zij sprak
over een onderzoek waaruit bleek
dat... 

</spreker>
<spreker pagina="25-1940" anker="1547" partij="VVD" naam="Essers">
 ...het een
goede zaak is geweest dat wij het
welzijnsbeleid gedecentraliseerd
hebben en dat wij daardoor tot een
nieuw besef zijn gekomen dat
welzijnsbeleid op zichzelf belangrijk
is voor de sociale samenhang in
onze maatschappij. Maar wij
constateren ook dat er een aantal
zaken wat meer integraal moet
worden aangepakt en dat het
professionele kader inmiddels
langzaam met een kentering bezig is
en, bij wijze van spreken, een nieuw
jasje aantrekt om een en ander
gestalte te gaan geven. Vervolgens
ging ik in op de beleidsbrief die er
nu ligt. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1940" anker="1548" partij="PvdA" naam="Middel">
 Dan hebben
wij het wel over hetzelfde onderzoek,
maar dan is onze interpretatie van
het uitsluitsel van het onderzoek iets
anders. Ik heb een brief voor mij van
de VOG. Ik wil daarover graag uw
mening horen in relatie met datgene
wat u zojuist heeft gezegd. In die
brief staat dat de begroting niet kan
verhullen dat de rol van het
ministerie in het welzijnsbeleid een
afgeleide is geworden van het
vastgestelde en uit te voeren beleid
van andere ministeries. Met andere
woorden, juist op het lokale niveau
huppelt het beleid een beetje mee in
het kielzog van het beleid van andere
departementen. Volgens de
bedoelingen van de decentralisatie
en volgens onze bedoeling zou het
welzijnsbeleid een centrale rol
moeten spelen als het gaat om het
aanbrengen van sociale cohesie en
het bestrijden van achterstand. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1940" anker="1549" partij="VVD" naam="Essers">
 Ik ontken
niet dat welzijnsbeleid een belang-
rijke rol speelt in de sociale
samenhang. Over dat onderzoek
hebben wij voor de vakantie de
degens al gekruist. Uit dat onderzoek
concludeer ik niet dat het een slechte
zaak is geweest dat wij gedecentrali-
seerd hebben. Ik concludeer ook niet
– wat u in eerste termijn wel heeft
gedaan – dat de W van de naam van
het departement verloren is gegaan.
Wij hebben daarop een andere visie.
Wij zitten in een proces dat nog jaren
zal duren. Ik noem het daarom een
toekomstige ontwikkeling van beleid.
Ik ondersteun volledig de manier
waarop de staatssecretaris de lijnen
uitzet om landelijk ondersteuning te
kunnen geven aan een aantal zaken.
Daarbij hoort dat niet iedere
gemeente opnieuw het wiel moet
uitvinden, doordat er horizontale
uitwisseling plaatsvindt. Daarbij
hoort ook communicatie, onderzoek
en gegevens- en ervarings-
uitwisseling, die veel aandacht nodig
hebben, omdat wij anders met
departementale verkokering de
regelgeving soms dusdanig vanuit
Den Haag sturen, dat gemeenten niet
goed uit de voeten kunnen met het
gestalte geven van hun welzijns-
beleid. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1940" anker="1550" partij="D66" naam="Fermina">
 Prachtig
gesproken, mevrouw Essers, maar
ook ik ben van mening dat decentra-
lisatie een goede zaak zou kunnen
zijn. Wij hebben echter begrepen dat
er instrumenten nodig zijn voor
samenhang en afstemming. Het gaat
om duidelijke reacties vanuit de
gemeenten. Er is iets mis, terwijl
mevrouw Essers alleen het positieve
beeld geeft. Wij hebben in de
toekomst een aantal concrete
problemen te bespreken. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1940" anker="1551" partij="VVD" naam="Essers">
 De heer
Fermina heeft mijn woorden niet
helemaal goed begrepen. Ik heb
gezegd dat het een goede zaak is dat
wij gedecentraliseerd hebben. Er is
echter meer nodig. Er moet een
transformatie plaatsvinden. Dat
gebeurt op dit moment ook vanuit
het professionele kader van het
welzijnsveld. Gemeenten, provincies
en wij hier in Den Haag zullen met
elkaar moeten communiceren en
meer ervaringen moeten uitwisselen.
Dat betekent dat dit een toekomstige
beleidsontwikkeling is, waarover wij
nog vele malen zullen discussie¨ren.
Met andere woorden, ik vind niet dat
de zaken al helemaal afgerond zijn.
Dat hoort u mij allerminst zeggen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1941" anker="1552" partij="D66" naam="Fermina">
 Deze
discussie hebben wij een aantal jaren
geleden ook gevoerd. Ik kan mij nog
herinneren dat wij een aantal jaren
geleden deze problemen op ons
zagen afkomen. Daarom hebben wij
indertijd over de W van VWS
gesproken. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1941" anker="1553" partij="VVD" naam="Essers">
 Vlak voor de
zomer hebben wij hierover gediscus-
sieerd. Ik verschilde toen met de
heer Middel van mening ten aanzien
van wat er verder nodig zou zijn.
Mijn nuances liggen ietwat anders. Ik
vind dat wij met de decentralisatie
van het welzijnsbeleid iets goeds
hebben gedaan. Ik heb gezegd dat ik
welzijnsbeleid belangrijk vind, met
name vanuit een integrale visie. Het
is nodig om op een betere manier
onderzoek te verrichten en
onderzoeks- en ervaringsgegevens
uit te wisselen. Er moet zowel
top-down als bottom-up beter
worden gecommuniceerd. Dat kost
ons de komende jaren nog de nodige
inspanning. De W staat voor mij nog
steeds centraal. Ik heb ook allerminst
het gevoel dat met de inzet van deze
staatssecretaris die W min of meer
onderbelicht is gebleven. Het is
alleen een taai en langzaam proces.
Laten wij wel wezen, de laatste
twintig jaar is het welzijnsveld flink
in discussie geweest. Ik zie juist een
kentering, waarin de W weer
terugkeert in de aandacht van
gemeenten, zij het dat men nog wat
hulp nodig heeft, en van het
departement. Ik heb allerminst het
gevoel dat wij uitgepraat zijn over
het welzijnsbeleid. Ik ondersteun van
harte de brief die de staatssecretaris
bij deze begroting heeft gevoegd,
waaruit blijkt dat ook zij de komende
jaren de nodige beleidsontwikke-
lingen in gang wil zetten. Ongetwij-
feld zullen wij daarover regelmatig
met elkaar van gedachten wisselen.
De Kamer zal op diverse conferenties
aanwezig zijn om te kijken wat er in
het veld wordt gezegd, zowel door
gemeenten als door instellingen.
Wij vinden dat een beleid dicht bij
de burger en samen met de burger
tot stand komend de meest
effectieve aanpak kan bieden.
Vanachter Haagse schrijftafels valt
minder goed te constateren wat er
werkelijk op wijk- en buurtniveau
nodig is. Wel moet de rijksoverheid
landelijke ondersteuning bieden aan
gemeenten en uitvoerende instellin-
gen op de wijze die in de beleidsbrief
is aangegeven.
Ik kom op de maatschappelijke
opvang, die voor de toekomst ook
van groot belang zal zijn. Na het
kerstreces zullen wij een discussie
voeren over de nota inzake de
maatschappelijke opvang. Wij zien
nog steeds de rol van de gemeenten
centraal staan. Na jaren bestuurlijke
onduidelijkheid en financie¨le tekorten
komt heel langzaam een betere
opvang voor vrouwen en dak- en
thuislozen van de grond. Uit al het
beschikbare materiaal blijkt wel dat
de komende kabinetsperiode nog
veel werk verzet moet worden om
verantwoord en voldoende opvang-
capaciteit tot stand te brengen. Ik zal
nu niet nader inhoudelijk ingaan op
de nota. Wel vraag ik de staatssecre-
taris nadrukkelijk om het advies van
de Raad voor de financie¨le verhou-
dingen zo snel mogelijk hier te
hebben, voorzien van een commen-
taar harerzijds. Voor diverse
gemeenten zijn historisch gegroeide,
ernstige tekorten ontstaan. Daarnaast
hebben wij nog steeds niet een echt
goed overzicht van de witte vlekken.
Mogen wij aannemen dat de 15 mln.
extra die nu in de begroting zit voor
dak- en thuislozen, snel verdeeld zal
worden over de ergste probleemge-
bieden? Mogen wij daarover bericht
ontvangen?
Ook de ontwikkeling van de
kinderopvang maakte vaak de tongen
los. Er zijn flinke sprongen voor-
waarts gemaakt voor de 0- tot
4-jarigen. Maar nog steeds zijn de
wachtlijsten groot en is er een
schreeuwend tekort aan buiten-
schoolse opvang. Er zal erg veel
moeten worden gedaan om te
voorkomen dat de arbeidsparticipatie
stagneert, waardoor ook de kosten
voor zorg en sociale zekerheid op
den duur niet voldoende draagkracht
meer hebben. Mijn fractie gaat
evenals mevrouw Varma ervan uit
dat het aangekondigde onderzoek uit
de nota over combineerbaarheid van
arbeid en zorg echt voor de komende
kabinetsformatie gereed zal komen.
Dan kunnen er spijkers met koppen
worden geslagen bij die kabinetsfor-
matie. Als wij een stimulerings-
maatregel binnen een jaar of zes
voor de 0- tot 4-jarigen kunnen
opbouwen, is het eigenlijk van den
gekke dat er qua tijd een verdubbe-
ling nodig is om voor die buiten-
schoolse opvang aan het werk te
gaan. Dus 2010 is veel te ver weg in
onze ogen.
Voorzitter! Ik memoreerde al dat er
een duidelijke en ook noodzakelijke
opwaardering van het sportbeleid
plaatsvond in de afgelopen periode.
Een paar vragen en opmerkingen
onzerzijds over dit beleidsterrein en
ook weer op hoofdlijnen, omdat over
een aantal zaken binnenkort in
diverse AO’s nog gesproken zal
worden. De vrijwilliger in de sport is
van essentieel belang om de
sportvereniging te laten functione-
ren. In de samenleving is een
afname te zien van mensen die als
vrijwilliger een bijdrage leveren aan
het verenigingsleven. Vorig jaar heeft
mijn collega Jan Rijpstra namens de
VVD-fractie bepleit om in samenwer-
king met OCW, met name jongeren
vanaf 15 tot circa 20 jaar via de
school te stimuleren om vrijwilligers-
werk te gaan doen. Ook bij de
behandeling van de sportnota
hebben wij dat ingebracht. De
bewindspersonen van VWS en OCW
hebben toegezegd om een plan van
aanpak te maken. Hoe staat het
hiermee? Wij vragen ons echt af of
de drie ton die in het verdeelstaatje
ten aanzien van de 10 mln. extra zijn
opgenomen, wel voldoende zijn voor
het vrijwilligersbeleid. Wij leggen de
relatie naar lokaal sportbeleid en
lokaal sociaal beleid, alsmede
preventief jeugdbeleid en Jeugd in
beweging. Dat zijn lijnen die ons
duidelijk lijken. Het is jammer dat dit
niet wat breder wordt neergezet.
Mijn fractie diende vooral voor dit
beleidsonderdeel van de sport de
motie over 5 mln. extra in tijdens de
algemene beschouwingen. Wij doen
de suggestie om een groot deel van
de middelen voor lokaal sportbeleid
hiervoor te reserveren. Mocht dit niet
mogelijk zijn, dan valt te overwegen
om enkele tonnen bijvoorbeeld uit de
promotie Holland evenementen of uit
sport, tolerantie en fair play te
schrappen en over te hevelen naar
het vrijwilligersbeleid. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1941" anker="1554" partij="D66" naam="Fermina">
 Het CDA
heeft vanavond al gesproken over
een fonds voor de breedtesport, iets
waarover wij hier toch wel van
gedachten zouden kunnen wisselen.
Ik las zo-even in het verkiezingspro-
gramma van de VVD dat uw partij
voorstander is van de breedtesport.
Klopt dat, of gaat u nu antwoorden
dat dit verkiezingsprogramma nog
niet is vastgesteld? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1942" anker="1555" partij="VVD" naam="Essers">
 U beant-
woordt eigenlijk de vraag al. Het is
een conceptverkiezingsprogramma,
waarover wij eind januari binnen
onze partij van gedachten zullen
wisselen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1942" anker="1556" partij="D66" naam="Fermina">
 Ik wist wel
dat u dat antwoord zou geven.
Vandaar dat ik het van tevoren al zo
zei. Ik kan mij overigens best
voorstellen dat u uw persoonlijke
mening hierover geeft. Zo zou ik ook
mijn mening kunnen geven. Dat
neemt niet weg dat ik nu graag van
uw fractie zou willen horen of zij
bereid is mee te denken over een
fonds voor de breedtesport. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1942" anker="1557" partij="VVD" naam="Essers">
 Wij zijn
altijd bereid om de discussie te
voeren. Wij behandelen op dit
moment de begroting waar de sport
onderdeel van uitmaakt. Waar wij
evenals mevrouw Mulder hier een
pleidooi houden voor een goede
beleidsmatige aansturing, vraag ik u
of u het verstandig vindt om een en
ander in een fonds onder te brengen.
Op het moment waarop u dat doet,
is uw aansturingsmogelijkheid vanuit
het parlement namelijk aanzienlijk
minder groot dan wanneer u de
middelen gewoon op de begroting
houdt. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1942" anker="1558" partij="D66" naam="Fermina">
 Neen, ik
vind het zeer verstandig. Er kan nog
wel gesproken worden over de wijze
waarop je het vormgeeft. Het CDA is
begonnen met het idee aan de orde
te stellen en dus niet mijn partij,
maar er zijn mijns inziens best
mogelijkheden om vanuit een fonds
enige sturing te blijven geven. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1942" anker="1559" partij="VVD" naam="Essers">
 Wat zou er
dan precies ondergebracht moeten
worden in dat fonds? Wat verstaat u
letterlijk onder ’’breedtesport’’?
Waarom moeten bepaalde onderde-
len, en welke dan, in dat fonds
worden ondergebracht? Hoe denkt u
dan de aansturing van dat fonds te
kunnen regelen? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1942" anker="1560" naam="De voorzitter">
 Dit lijkt mij iets voor
de eerste termijn van de heer
Fermina. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1942" anker="1561" partij="D66" naam="Fermina">
 Ik kom daar
straks op terug. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1942" anker="1562" partij="CDA" naam="Mulder-van Dam">

Vindt mevrouw Essers dan ook dat
het Fonds voor de topsport niet zo
goed is? Dat kunnen wij namelijk ook
niet sturen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1942" anker="1563" partij="VVD" naam="Essers">
 Nu moet u
wel twee dingen uit elkaar houden.
Het Fonds voor de topsport is een
veel selectiever en veel nauwer
beleidsonderdeel dan wanneer het
gaat om de breedtesport. Want wat
vatten wij onder de breedtesport?
Hoe breed is dat? Dat kan de hele
sportbegroting wel omvatten. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1942" anker="1564" partij="CDA" naam="Mulder-van Dam">

Dat is zo, maar uw collega Rijpstra
heeft bij de behandeling van de
sportnota gezegd dat de suggesties
van NOC-NSF met betrekking tot een
aantal sportonderwerpen heel goed
te gebruiken zijn om de visie op
sport en de activiteiten met
betrekking tot sport uit te voeren.
Een van de punten van NOC-NSF is
ook om zo’n fonds voor de breedte-
sport te ondersteunen. Mag ik
daaruit concluderen dat u dat punt in
ieder geval niet relevant vindt? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1942" anker="1565" partij="VVD" naam="Essers">
 Naar ik heb
begrepen – ik was echter niet
aanwezig bij die discussie – waren er
positieve oordelen over een aantal
onderdelen van wat NOC-NSF heeft
gezegd. Dat betekent niet dat wij alle
onderdelen ondersteunen. Wij
hebben toch het idee dat wij het
eerst verder uit moeten discussie¨ren
voordat wij klakkeloos iets gaan
roepen – ook nog vooruitlopend op
ons verkiezingsprogramma,
waarover de discussie in mijn partij
nog moet worden gevoerd – over de
vraag wat wij precies onder een
breedtesportfonds verstaan en op
welke manier wij dat zouden willen
aansturen.
Voorzitter! Mijn fractie heeft al
eerder gewezen op het belang van
een goed opgeleid kader, ook in de
sportvereniging. Wij pleiten voor een
goede afstemming tussen de
verschillende opleidingen die in
Nederland bestaan en die met sport
te maken hebben. Ook in een
sportvereniging mag een ouder van
een goede pedagogisch-didactische
aanpak voor zijn kinderen uitgaan.
De integratie van gehandicapten in
de sportvereniging blijft onzes
inziens achter bij de wenselijkheid,
met name als het gaat om de oudere
gehandicapte en de geestelijk
gehandicapte. Kan de staatssecreta-
ris aangeven op welke manier wij dit
zouden kunnen verbeteren en hoe
momenteel de afstemming is tussen
het departement en NOC-NSF en
Nebas?
De genomen initiatieven op het
gebied van deskundigheids-
bevordering van de huisartsen inzake
sport ondersteunt mijn fractie van
harte, evenals de ontwikkelingen bij
de sportfysiotherapie. Een derde
belangrijke poot betreft de opleiding
tot sportarts. Het TNO-rapport
’’Sportartsen in Nederland’’ schetst
een duidelijk toekomstbeeld. De
reactie van het kabinet op dit rapport
wordt momenteel voorbereid. Wij
geven graag mee dat mijn fractie
voorstander is van een officie¨le
erkenning van de sportgeneeskunde
als klinisch specialisme.
De sportbegroting is dit jaar met
ruim 20% toegenomen. Ook de
conceptverkiezingsprogramma’s
geven aan dat de komende jaren
sport van belang blijft. Mijn fractie
juicht dit toe. Wij bepleiten wel meer
inzicht in de bestedingen van de
extra gelden die nu gevoteerd zijn.
Een goede controle achteraf maakt
voor een volgend jaar een betere
inzet van gelden mogelijk. Graag
ontvangen wij een overzicht van wat
er voor het geld gedaan is; prijs-
productinformatie.
Ik rond af. Welzijn had het niet
makkelijk, maar met het enthou-
siasme en de inzet van deze
staatssecretaris bleef de schade wat
betreft de bezuinigingen beperkt. Met
de constatering dat welzijnsbeleid
langs nieuwe wegen van groot
belang blijft voor onze maatschappij,
mogen wij nu al wel vast constateren
dat over verschillende delen van dit
beleidsveld nog vele malen discussie
gevoerd zal worden, ook in de
komende regeerperiode. Het werk is
nog lang niet af en de samenleving
blijft in beweging. De heer Middel
begon zijn betoog met te zeggen dat
deze staatssecretaris drie keer een
kanjer zou zijn. Uit zijn betoog leid ik
af dat er nog steeds een kanjer
overblijft. Voor de VVD-fractie is dat
dan wel een heel forse kanjer.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="25-1942">

 
<spreker pagina="25-1942" anker="1566" partij="VVD" naam="Passtoors">
 Mijnheer
de voorzitter! De drogistenbranche,
georganiseerd in Farmacon, heeft
zelf een gecertificeerd waarborg-
systeem ontwikkeld, waarbij eisen
worden gesteld aan de drogist, zijn
assistent en de inrichting van de
drogisterij voor het verantwoord
adviseren en verkopen van zelfzorg-
middelen. De minister heeft zelf het
eerste certificaat uitgereikt. De VVD
vindt dat met die certificering
voldoende zekerheid verkregen is om
de tijdelijke bevoegdheid van de
drogist op grond van de Wet op de
geneesmiddelenvoorziening om
middelen te verkopen, om te zetten
in een definitieve bevoegdheid. Hoe
denkt de minister hierover? Is zij
bereid een wetswijziging voor te
bereiden? De VVD is overigens ook
voorstander van de mogelijkheid om
drogisten zelf middelen op recept te
laten afleveren. Wellicht zal dat nog
goedkoper zijn ook.
Is er in de Europese Unie al enige
vordering gemaakt in het traject naar
een gemeenschappelijke registratie
van geneesmiddelen? Zijn er landen
waarvan de registratieprocedure
zodanig is – bijvoorbeeld Duitsland –
dat registratie daar ook voor
Nederland zou kunnen gelden of is
dat afhankelijk van de plaats waar
het middel voor het eerst ter
registratie wordt aangeboden?
Nederland heeft wat de homeopa-
thische middelen betreft gekozen
voor de strenge invullingsvariant van
de EU-richtlijn 92/73/EEG. Is ook hier
niet de mogelijkheid om een
registratie elders – bijvoorbeeld
Duitsland of Frankrijk – te erkennen?
Voorzitter! Vlak voor het zomerre-
ces – het was zelfs een paar minuten
ervoor – werd tegen de zin van de
VVD de motie-Oudkerk/Van Vliet
aangenomen om apothekers zomaar
generiek te korten, een claw-back
van kortingen en bonussen. Ter
uitvoering van die motie heeft de
minister afspraken met de
apothekersbranche gemaakt, met het
KNMP, om met ingang van 1 mei a.s.
kortingen in te voeren met gelijktij-
dige verhoging van de receptregel-
vergoeding en een uitgebreider
inkomensonderzoek. Tijdens de
behandeling van het JOZ ging de
minister evenwel snel in op het
verzoek van de indieners van de
motie om dit maar even eenzijdig
per 1 januari in te laten gaan. De
extra opbrengst van 50 mln. voor
1998 werd alvast aangewend voor
andere knelpunten. De VVD vindt dit
niet behoorlijk. Afspraak is afspraak.
Ook het CDA was daar niet voor. Dus ik zeg: hoezo meerderheid? Hoe
denkt de landsadvocaat over deze
aanpassing, deze vervroeging met
bijbehorende terugwerkende kracht?
Hij was immers eerder al zo kritisch?
Voor de VVD zou die aanwijzing aan
het COTG per 1 januari a.s. moeten
worden ingetrokken, als die
aanwijzing tenminste al gedaan is. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1943" anker="1567" partij="CDA" naam="De Jong">
 De heer
Passtoors refereerde aan het
standpunt van het CDA. Misschien is
het beter als wij dat zelf formuleren.
Ik heb gelezen dat mijn collega
Lansink gisteravond heeft gezegd dat
hij benieuwd is naar de afspraken die
al dan niet zijn gemaakt. Als het
buiten de afspraken om kan, is er
wat ons betreft geen enkel bezwaar
tegen het voornemen van de
minister. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1943" anker="1568" partij="VVD" naam="Passtoors">
 Ik had
heel duidelijk begrepen dat de heer
Lansink er erg veel moeite mee had.
De minister antwoordde gisteren dat
het KNMP het aangehoord had. Er
was nog geen sprake van instem-
ming. Misschien is daar inmiddels
meer duidelijkheid over.</spreker>
<spreker pagina="25-1943" anker="1569" partij="Groep Nijpels" bronpartij="groep-Nijpels" naam="Nijpels-Hezemans">
 Ik ondersteun de
heer Passtoors. Ik was er gisteravond
bij en ook bij de eerste behandeling
van het JOZ, toen het plan naar
voren werd gebracht. Wat vindt de
heer Passtoors ervan dat de minister
in een radio-uitzending van Tros
Kamerbreed op zaterdag zegt dat de
Kamer vindt dat die maatregel
vervroegd moet ingaan per 1 januari,
terwijl het voorstel in de Kamer door
twee partijen is gedaan? U had het
over een onbehoorlijke aanpak. Bent
u dan ook daadwerkelijk van plan
daar iets aan te doen, bijvoorbeeld
via een Kameruitspraak? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1943" anker="1570" partij="VVD" naam="Passtoors">
 In de
eerste plaats heb ik het niet gehad
over een ’’onbehoorlijke’’ aanpak. Ik
vind het ’’niet behoorlijk’’. Dat is een
klein verschil. Afspraak is afspraak,
heb ik gezegd. Ik vind dat de minister
wel erg snel heeft aangenomen dat
er een meerderheid voor was.
Mevrouw Van Blerck heeft namens
de VVD wel gezegd dat zij er niet
voor was, maar misschien dacht de
minister dat er zoveel meer wel voor
waren, dat zij verder actie heeft
ondernomen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1943" anker="1571" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Het kan
ook zijn dat de minister het zonder
Kamermeerderheid zelf een goed
idee vond. Dit terzijde. Ik heb de
minister gisteravond horen zeggen
dat er oorspronkelijk een afspraak
was om per 1 mei een korting van
100 mln. in te zetten en te proberen
tegelijkertijd de receptregel-
vergoeding voor apothekers aan te
passen naar een redelijk tarief. Ik heb
de minister ook horen zeggen dat,
als per 1 januari in plaats van 100
mln. naar 150 mln. wordt gegaan,
het ook redelijk is om het COTG te
verzoeken de eventuele aanpassing
van de receptregelvergoeding met
terugwerkende kracht tot 1 januari in
te voeren. Het probleem van ’’niet
behoorlijk’’ is daarmee wellicht
opgelost. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1943" anker="1572" naam="De voorzitter">
 Mijnheer Passtoors,
ik heb Van Dale erop nagekeken.
’’Onbehoorlijk’’ betekent ’’niet
behoorlijk’’. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1943" anker="1573" partij="VVD" naam="Passtoors">
 De
gevoelswaarde is duidelijk verschil-
lend. U bent wellicht ook op de
hoogte van de juridische termen.
Hetgeen de heer Oudkerk naar
voren brengt, is inderdaad door de
minister gezegd. Voor het COTG-
traject is tijd nodig. De minister wil
dat nu feitelijk met terugwerkende
kracht alsnog per 1 januari rondma-
ken. Je kunt je afvragen of dat wel zo
goed is. Ik ben ook benieuwd naar
de mening van de landsadvocaat
hierover. Op zichzelf is de VVD
sowieso al niet voor terugwerkende
kracht, zeker niet als er een afspraak
is gemaakt om een en ander per 1
mei in te doen gaan. Het versneld
invoeren per 1 januari vind ik nogal
wat. Overeenstemming daarover is
dan wel het minste. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1943" anker="1574" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Er is hard
geld nodig voor het oplossen van
knelpunten bij oogoperaties,
hartoperaties enzovoorts. De
apothekers hebben ook zelf gezegd
dat de 150 mln. er zijn, maar dat het
invoeringstraject voor invoering per
1 januari of 1 mei bepalend is voor
de vraag of extrapolatie naar de volle
150 mln. mogelijk is. Meent de
VVD-fractie nu serieus dat zij dit wil
terugdraaien en de wachtlijsten voor
de oog-, hart- en heuppatie¨nten, de
RIAGG’s enzovoorts maar wil laten
voor wat zij zijn? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1943" anker="1575" partij="VVD" naam="Passtoors">
 Wij zullen
er goed over nadenken. Ik vind
betrouwbaarheid van de overheid
een belangrijk punt. Afspraken
moeten worden nagekomen. Er
moeten wel zwaarwegende redenen
zijn om daarvan af te wijken.
Daaronder valt niet dat twee
indieners van een motie achteloos
even zeggen dat dit misschien een
aardige oplossing is. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1944" anker="1576" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Vindt de
VVD dit zwaarwegende redenen?
Kunnen er in 1998 met dat geld
echte, acute knelpunten in de
patie¨ntenzorg opgelost worden? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1944" anker="1577" partij="VVD" naam="Passtoors">
 Ik kan vele
andere zaken noemen die wellicht
belangrijker zijn. U weet dat zelf ook.
Tijdens de JOZ-discussie is daar ook
al over gesproken. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1944" anker="1578" partij="CDA" naam="De Jong">
 Voordat
men denkt dat een Kamer-
meerderheid een bepaald standpunt
inneemt, wijs ik op de opmerking
van de heer Lansink, namelijk dat als
een bedrag buiten de afspraken valt,
daarover te praten moet zijn. Als het
KNMP zegt dat onderdeel van de
afspraken is dat de receptregel-
vergoeding zal worden aangepast in
verband met de afspraak over
bonussen en kortingen, moet
daarover gesproken kunnen worden.
Ik herinner bovendien aan onze
inbreng bij de tegenbegroting. Dat
moet toch enigszins te denken
geven, voordat de heer Passtoors
zich nu al rijk rekent en denkt aan
een Kamermeerderheid. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1944" anker="1579" partij="VVD" naam="Passtoors">
 Het is
goed dat u deze toelichting geeft. Ik
kreeg gisterenavond uit het betoog
van de heer Lansink een andere
indruk.
Met veel aandrang heeft de VVD
het gedaan gekregen dat een aantal
echt vernieuwende medicijnen
uiteindelijk toch ’’versneld’’ voor
vergoeding in aanmerking kwamen.
Ten aanzien van een aantal andere
middelen wordt nog steeds gewacht
op de uitkomst van een naar onze
mening zoveel mogelijk ontschot
farmaco-economisch onderzoek naar
nieuwe ontwikkelingen in het
geneeskundig traject. Hoe staat het
met de glaucoomgeneesmiddelen?
Het voorstel van de PvdA en D66
om lijst 1B in te voeren, waardoor
nieuwe medicijnen tijdelijk alvast
vergoed worden en later mogelijk
weer niet, wijst de VVD, met de minister, af vanwege de drie O’s:
onzekerheid, onrust en open eind. De
minister heeft zich gisteren bereid
verklaard tot een versnelde
beoordeling te willen komen van 1A
en 1B. Er blijken nu toch meer
gegevens bij de registratie beschik-
baar te komen. Bij twijfel kan, na
onderzoek door de Ziekenfondsraad,
in het kader van een volgend JOZ
een beslissing worden genomen.
Daarmee kan de VVD instemmen.
Voorzitter! Volgens een beschik-
king van de Europese Commissie
mag met ingang van 1 januari 1998
80% van de medicijnen niet meer
worden gemaakt in verband met
BSE. De minister heeft de Europese
Commissie met klem om een
overgangsregeling gevraagd. De VVD
steunt haar hierin, maar blijft
bezorgd over de afloop. Is er
inmiddels al iets meer over bekend?
De Wet geneesmiddelenprijzen
lijkt de benodigde opbrengst te
hebben. De VVD wil nogmaals
aandringen op een vrijwillige
brancheregeling, met voldoende
opbrengst uiteraard, teneinde dit
weinig liberale instrument weer in de
ijskast te kunnen zetten. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1944" anker="1580" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Voorzit-
ter! Ik wil toch even bezwaar maken
tegen de taalkeuze van de heer
Passtoors. Hij heeft het over ’’lijkt’’,
terwijl dat inmiddels gewoon ’’blijkt’’
is. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1944" anker="1581" partij="VVD" naam="Passtoors">
 Het jaar is
nog niet om. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1944" anker="1582" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Het zou
hem sieren als hij dat gewoon zou
willen benoemen. Het was bekend
dat de VVD niets voelde voor de
prijzenwet, maar ieder ander
alternatief dat voorgelegd is vanuit
de branche zelf, was niet waterdicht
en leverde niet de opbrengst op die
wij nu hebben bereikt. Ik zou het dus
ook prettig gevonden hebben als de
heer Passtoors hier had gestaan en had gezegd: oke, wij wilden dat niet,
maar hulde voor het feit dat het
gebeurd is en dat het geld ook is
teruggehaald waar het vandaan
moest komen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1944" anker="1583" partij="VVD" naam="Passtoors">
 Ik prijs de
dag pas als het avond is. Die 378
mln. is inmiddels al gezien. Het jaar
1997 is echter nog niet om. Ik ben
het in ieder geval met de heer Van
Boxtel eens dat het ernaar uitziet dat
het de goede kant opgaat. Ik heb
zojuist al duidelijk laten merken dat
het voor ons heel belangrijk is dat de
bezuiniging gehaald zal worden. Wat
dat betreft zijn wij het dus roerend
eens. Maar wij vinden nog altijd dat
als het enigszins kan, de prijzenwet
de ijskast in moet.
Ik wil de minister vragen hoe het
staat met de volgende tranche van
uitdunning. Welke verwachtingen
heeft zij op dat punt en aan welke
groepen van medicijnen denkt zij
daarbij?
Voorzitter! D66 heeft bepleit om in
het vak verzorging in het voortgezet
onderwijs EHBO en reanimatie op te
nemen. De minister wil hierover
overleg voeren met de staatssecreta-
ris van Onderwijs. De VVD staat hier
wat aarzelend tegenover, hoe
sympathiek dit voorstel ook is. Het
stelt weer extra eisen aan het
onderwijs en dat staat de adviestabel
verzorging op dit moment volstrekt
niet toe. Dergelijke cursussen
moeten bovendien steeds weer
herhaald worden. Ik denk derhalve
dat dat een probleem is en stel de
minister voor in dat overleg te bezien
of er andere oplossingen zijn dan het
specifiek in het vak verzorging onder
te brengen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1944" anker="1584" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Aan wat
voor andere oplossingen denkt de
heer Passtoors dan? Er bestaat op
het ogenblik in het land nogal wat
verwarring over het vak verzorging.
Men weet niet precies wat er in
thuishoort en daar is men ook zelf
naar op zoek. Ik heb die cursussen ook gedaan. Mijn ervaring is: jong
geleerd, oud gedaan. Herhalings-
cursussen zijn nodig. Maar als je ook
een mentaliteitsverandering wilt
cree¨ren bij de jeugd, zonder met
allerlei wettelijke maatregelen te
komen over schadelijke stoffen,
genotsmiddelen en noem maar op,
dan zou met name dit initiatief echt
zoden aan de dijk zetten. Ik hoop dat
de VVD daar toch gevoelig voor is. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1944" anker="1585" partij="VVD" naam="Passtoors">
 Ik denk
dat scholen heel goed in staat zijn
om enthousiasme te cree¨ren voor
EHBO- en reanimatiecursussen
buiten schooltijd, voor zowel het
docentenkorps als voor de leerlin-
gen. Dat hoeft niet specifiek in het
vak verzorging te worden onderge-
bracht. Buiten de lessen is er veel
meer sprake van continuı¨teit.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="25-1944">

 
<spreker pagina="25-1944" anker="1586" partij="D66" naam="Fermina">
 Voorzitter! In
de inleiding bij de begroting spreken
de bewindslieden van VWS over
verandering in de organisatie en
structuur van zorg- en welzijns-
voorzieningen. Daarbij merken zij op
dat niet de vraag moet worden
gesteld of de burger in de voorzie-
ningen past, maar of de voorziening
dıe zorg geeft die de burger nodig
heeft. Dat is een benadering die de
fractie van D66 erg aanspreekt. Ik zal
mijn bijdrage aan deze begrotings-
behandeling vanuit dat gezichtspunt
benaderen.
Het beleid ten aanzien van de
sector welzijn is vrijwel geheel
gedecentraliseerd. Op zichzelf is de
fractie van D66 voorstander van
decentralisatie. Er zijn echter nogal
wat problemen bij de uitvoering van
lokaal beleid. Die problemen
concentreren zich op samenhang en
afstemming en gebrek aan instru-
menten. Ik denk hierbij aan de Wet
voorzieningen gehandicapten. Er is
gebrek aan voldoende financie¨le
middelen en er is onvoldoende steun
van de rijksoverheid. De fractie van
D66 heeft waardering voor alle lokale
initiatieven voor sociale vernieuwing.
Ook het grotestedenbeleid is, na een
moeizame aanloopperiode, op gang
gekomen en heeft nieuwe impulsen
gegeven aan het beleid van lokale
overheden. Maar pas twee weken
geleden stuurde de staatssecretaris
ons een brief waarin zij de beleids-
kaders aangeeft ter ondersteuning
van lokaal sociaal beleid. Dat getuigt
niet van voortvarendheid, vindt mijn
fractie. Mijn fractie had dit graag
twee jaar eerder ontvangen en ik
denk dat de lokale overheden daar
net zo over denken.
In de sector welzijn spelen
vrijwilligers een zeer belangrijke rol.
Ik ben ervan overtuigd dat de
bewindslieden dat met mij eens zijn.
Maar waarom is het dan de laatste
tijd zo stil? De problemen zijn toch wel duidelijk: er is een groeiende
vraag op alle terreinen en veel
mensen profiteren van de inzet van
vrijwilligers. Ook het CDA is hier
uitvoerig op ingegaan. Ik noem de
mantelzorg, voorzieningen voor
ouderen en gehandicapten, het
onderwijs, de ziekenhuizen en de
sport, waar alleen al 750.000
vrijwilligers actief zijn bij grote
evenementen als de Elfstedentocht
maar ook bij de lokale voetbalclub.
Er is een drietal suggesties gedaan
om het werk van vrijwilligers ook
financieel te ondersteunen. Ten
eerste de hogere fiscale vrijstelling
van de onkostenvergoeding van
ƒ 1200 naar ƒ 2000. Deze motie is
inmiddels aangenomen. Ten tweede
het voorstel dat iemand met een
uitkering die een vergoeding krijgt,
deze niet hoeft te verrekenen met de
uitkering. Ten derde het idee dat
iemand met een uitkering die
vrijwilligerswerk doet, na individuele
beoordeling voor zekere periode
moet kunnen worden vrijgesteld van
de sollicitatieplicht. Dit soort
discussie hadden wij kunnen voeren.
Toch wil ik graag het oordeel van de
staatssecretaris hierover vernemen.
Voorzitter! Wij spreken hier vaak
over vergrijzing. Dat is ons jargon
om te zeggen dat er meer ouderen
zijn in onze samenleving dan vroeger
het geval was. Die ouderen zijn
mondiger geworden en willen graag
actief deel blijven nemen aan het
sociale leven. Maar daar hebben zich
grote technische veranderingen
voorgedaan en niet alle ouderen zijn
in staat gebleken die te volgen. Je
zal maar staan bij een pinautomaat
en niet precies weten hoe het werkt!
Of je besluit om een videorecorder
aan te schaffen en je bent niet eens
in staat de gebruiksaanwijzing te
begrijpen. Het zijn misschien niet de
grootste problemen, maar ze
hinderen je wel in je dagelijkse
functioneren.
Gelukkig blijven steeds meer
ouderen tot op hoge leeftijd
zelfstandig wonen. Dit wordt onder
meer mogelijk gemaakt door
technologische ontwikkelingen. Maar
zij moeten hiermee wel kunnen
omgaan. Nu zijn er op veel plaatsen
al cursussen om ouderen die daar
behoefte aan hebben, te leren
omgaan met allerlei technische
apparaten die in deze tijd heel
vanzelfsprekend zijn. Helaas is dat
nog niet overal gerealiseerd en er
zijn ook hier en daar al wachtlijsten.
Mijn fractie vindt dat de staatssecre-
taris hier actief moet optreden en
samen met het departement van
Onderwijs en in overleg met de
ouderenbonden initiatieven moet
stimuleren om ouderen te leren om
te gaan met de hedendaagse
technologie en hen zo voor te
bereiden op de 21ste eeuw.
Voorzitter! Ten aanzien van de
maatschappelijke opvang is er in
vergelijking met enkele jaren terug
vooruitgang geboekt. Het grote
capaciteitstekort wordt terugge-
bracht, maar voor de groeiende
groep zeer kwetsbare mensen zoals
verslaafden en daklozen is er niet
voldoende opvang. Er moet meer
samenwerking komen binnen de
geestelijke gezondheidszorg en het
aanbod van ambulante hulpverlening
moet worden gedifferentieerd en
moet meer worden afgestemd op de
mensen die deze hulp nodig hebben.
Als voorbeeld noem ik de sociale
pensions. Er zijn er inmiddels 39 in
Nederland. Het is een nieuwe vorm
van opvang binnen de maatschappe-
lijke opvang en deze voorziet in een
groeiende behoefte. Voornamelijk
ex-psychiatrische patie¨nten en
daklozen maken van deze opvang
gebruik. Zij worden niet behandeld,
maar met rust gelaten en zij krijgen
een laagdrempelige begeleiding op
het gebied van dagindeling, omgaan
met geld en dergelijke.
Ondanks het extra geld dat
middels de motie-Wolffensperger bij
de algemene beschouwingen aan het
budget voor de GGZ is toegekend,
ontbreekt er nog 3 mln. om
klaarliggende aanvragen te honore-
ren. Ik vraag de staatssecretaris te
proberen dit kleine bedrag binnen de
begroting te vinden. Op dit moment
vindt de begeleiding plaats op
ad-hocbasis. Het zal duidelijk zijn dat
hier behoefte is aan methodieken,
kwaliteitsbeleid en clie¨ntenregistratie.
Dat is niet van de ene op de andere
dag te regelen. Daarom vraag ik de
staatssecretaris met de betreffende
gemeenten hierover te overleggen.
Voorzitter! Tijdens de bespreking
van het Jaaroverzicht zorg is de
verdeling van de extra beschikbare
10 mln. voor de psychiatrische
begeleiding aan de orde geweest. De
staatssecretaris heeft gezegd dat de
Ziekenfondsraad een verdelingsplan
over de provincies maakt. Daarover
heb ik nog een vraag. Bij die
verdeling wordt toch wel de inhoud
van de hulp van de provinciale
plannen meegewogen? Het mag niet
zo zijn dat verdeeld wordt op
volgorde van binnenkomst. Die
geruchten hoorden wij. Kan de
staatssecretaris ons op dit punt
geruststellen?
Sport ligt beide bewindslieden van
VWS na aan het hart. Wie met pek
omgaat, wordt ermee besmet. Ik zeg
het zo, omdat ik het zo meen. Overal
waar onze minister de afgelopen tijd
kwam, had zij het ook over sport. Dat
heeft mij extra spreekbeurten
bezorgd, een goede zaak! De
minister en de staatssecretaris
hebben overal het belang van
breedtesport benadrukt. Ik hoef
alleen maar te noemen het pleidooi
van de minister voor de terugkeer
van de vakleerkrachten in het
basisonderwijs en haar enthou-
siasme over de strippenkaart voor de
jeugd uit het verkiezingsprogramma
van D66.
Sport is voor velen een belangrijke
levensbehoefte. Het is ook nodig dat
jong en oud inzien hoe belangrijk
bewegen is. De maatschappelijke
betekenis van sport invulling geven
door sport een plaats te geven op de
Agenda 2000 is niet alleen een taak
van VWS, maar ook van andere
departementen. Kan de staatssecre-
taris ons meedelen hoe de stand van
zaken is met betrekking tot de
inspanningen van andere departe-
menten in dit opzicht?
Het budget voor de sport wordt
structureel verhoogd. De fractie van
D66 neemt aan dat dit een eerste
stap is om doelstellingen uit de nota
’’Wat sport beweegt’’ te realiseren.
Geld is ook nodig voor de aanstelling
van sportleerkrachten in het
basisonderwijs. Kan de staatssecreta-
ris ons meedelen of hier al geld voor
is gereserveerd in 1998?
Besturen van sportverenigingen
komen nogal eens in het nieuws,
omdat het er soms op lijkt dat de
bobo’s niet altijd het belang van de
sporters in die verenigingen optimaal
behartigen. Sporters horen meer
invloed te krijgen en betrokken te
worden bij het beleid. Democratise-
ring van deze besturen is nodig en
verkiezingen zijn daarbij onontbeer-
lijk. Wij zijn voor meerdere kandida-
ten die de competitie aangaan op
basis van ideee¨n, programma’s, inzet
en persoonlijkheid, en waarop
gestemd kan worden. Wij hebben de
vorige keer stevig gepleit voor een
democratiseringsproces in de sport.
Het boek ’’Wie is van hout...’’ van
Jan Foudraine concentreerde zich
rondom een bepaalde anekdote. Een
patie¨nt zit in pyjama op een krukje
voorin in de collegezaal. De
professor in een witte jas draait om
hem heen terwijl hij oreert over de
schizofrene belevingswereld. Op een gegeven moment zegt die patie¨nt:
’’ik ben van hout, ik ben van hout’’.
Dan roept de professor enthousiast uit: ’’ach dames en heren, dat was ik
bijna vergeten, deze man denkt dat
ie van hout is, dat is ook een
typische schizofrene waan’’. De vraag in ’’Wie is van hout...’’ is dan:
wie is er nu eigenlijk van hout? De
man die zich als een blok hout
behandeld voelt of de professor? Het
enige probleem van die man is dat
hij niet kan weglopen. Hij kan niet
krachtig optreden, niet in dat
amfitheater en in zijn hele leven niet.
Ik sprak over dit boek omdat de
minister de afgelopen tijd voortdu-
rend sprak over de vermaatschappe-
lijking van de GGZ, een goede zaak.
De eerste aanzet die de minister
gegeven heeft, spreekt mijn fractie
bijzonder aan. De minister heeft een
aanzet gegeven met twee belangrijke
beleidsbrieven, waarover we
binnenkort zullen praten. Als voorschot al: onze waardering. Het is
overzichtelijk werk, goed gestructu-
reerd en het biedt goede aankno-
pingspunten voor een discussie. Ik
sluit mij aan bij de vraag van de
Partij van de Arbeid over de
Juttenhof.
Mijn fractie wil uitdrukkelijk meer
aandacht vragen voor de situatie van
meervoudig ernstig gehandicapte
jongeren, mensen die verstandelijk
zijn gehandicapt en ernstige
gedragsstoornissen vertonen, en ook
extra aandacht voor doven en
blinden. Wij hebben het hier
regelmatig over gehad, en toch heb
ik het idee dat het onderwerp de
laatste tijd wat verslonst. De hulp
voor mensen met niet aangeboren
hersenletsel is in voorgaande jaren
behoorlijk ondersteund door de
staatssecretaris. Ik heb gelezen dat zij
hieraan bijzondere aandacht
besteedde in de tijd dat zij lid was
van de Kamer. Ik vraag hier nu weer
extra aandacht voor. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1946" anker="1587" partij="PvdA" naam="Middel">
 Wij praten
nog over de GGZ-nota, die de heer
Fermina positief bekijkt. In het
verlengde daarvan heeft hij gezegd
dat hij meer aandacht van de
bewindspersonen wil voor onder
anderen meervoudig gehandicapten.
Wat bedoelt hij daarmee? Ik zal deze
vraag even heel kort toelichten.
Onlangs is de Kamer geconfronteerd
met een landelijk gecoo¨rdineerde
actie van de verenigingen van
ouders met kinderen die een
inrichting verblijven. Die actie ging
over de dagbegeleiding. Daar moest
meer geld bij. Het ligt allemaal
vreselijk moeilijk. Wij hebben
uitgelegd dat dit niet op korte termijn
kan en dat het voorlopig blijft bij de
toezegging die is gedaan over de 36
mln. Toen kreeg ik het verhaal te
horen dat D66 had toegezegd dat er
meer zou komen en dat de heer
Fermina daarmee naar voren zou
komen bij de begrotingsbehandeling.
Nu vraagt hij meer aandacht voor die
problematiek. Daarom vraag ik of
’’meer aandacht’’ betekent dat hij
vindt dat er meer geld moet komen.
Zo ja, waarom komt hij niet met een
voorstel? Dan hebben wij immers
iets concreets in handen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1946" anker="1588" partij="D66" naam="Fermina">
 Mijn partij
en uw partij zaten samen in de
desbetreffende discussie. Ook uw partij heeft gezegd: als de vraag er
is, moeten wij ervoor zorgen dat er
gelden voor komen. Dat hebben alle
partijen gezegd die daar aanwezig
waren. Als de vraag er is naar extra
gelden voor dagopvang, moeten wij
daarnaar kijken. Daar ging het om.
De discussie betrof de dagopvang in
Hilversum. Wij hebben gezegd dat
wij er werk van zouden maken. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1946" anker="1589" partij="PvdA" naam="Middel">
 Het was een
landelijke actie. U was in Hilversum.
Collega’s van u en mij waren overal
in het land. Zij spraken in de centra
met de ouders. Zij werden gecon-
fronteerd met de vraag waarom er
niet meer geld kon komen voor deze belangrijke taak. Wij zeggen: er is al
36 mln. beschikbaar gesteld. Dat geld
moest voor een deel gebruikt
worden voor CAO-compensaties, in
de richting van het personeel. Als je
naar de begroting kijkt, zie je dat er
op dit moment gewoon niet meer in
zit, tenzij wij het via een amende-
ment tevoorschijn halen. Ik zeg in
alle openheid dat toen het verhaal
ging dat D66 er anders over dacht en
dat D66 al in dit begrotingsjaar, dus
niet na de formatie van het volgende
kabinet, extra middelen zou kunnen
vinden. Toen de heer Fermina zojuist met zijn vraag kwam, dacht ik:
misschien heeft hij iets gevonden. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1946" anker="1590" partij="D66" naam="Fermina">
 Ik zal
uitleggen wat ik precies gezegd heb.
Ik heb hetzelfde gezegd als uw
partijgenote mevrouw Sterk, namelijk
dat er naar mogelijkheden gezocht
moet worden, als het niet voldoende
is, en wel in verband met de nieuwe
formatie. Niet nu dus. Dat hebben
wij beide gezegd. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1946" anker="1591" partij="SGP" naam="Van der Vlies">
 Ik zat
naast de heer Fermina in Hilversum,
dus ik weet nog precies wat hij
gezegd heeft. Daar zal ik het nu niet
over hebben. Overigens gaf die
bijeenkomst mij de inspiratie om bij
de algemene politieke beschouwin-
gen de motie in te dienen over het
volledige bedrag dat daar toen
gevraagd werd en waar iedereen
sympathiek tegenover stond. Maar
dat was een brug te ver. Er liggen nu
een paar moties, namelijk een van
mevrouw Vliegenthart en een van
mij, gisteravond ingediend. Mag ik
aannemen dat beide moties uw
steun krijgen? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1947" anker="1592" partij="D66" naam="Fermina">
 De moties
liggen er. Ik beloof de heer Van der
Vlies dat ik met mijn fractie van
gedachten zal wisselen over de
moties en dat hij morgen het
resultaat te horen zal krijgen.
Van gelijke behandeling van
mensen met een handicap, bijvoor-
beeld op het terrein van werk, is
helaas vaak geen sprake. De fractie
van D66 heeft bij voortduring gepleit
voor opname van de grond
’’handicap’’ in de Algemene wet
gelijke behandeling. De toegezegde
proeve van de staatssecretaris
hebben wij nog steeds niet ontvan-
gen. Ik moet eerlijk zeggen dat wij er
niet zo heel erg positief tegenover
staan. Wij horen graag van de
staatssecretaris wanneer zij het wil
behandelen. Kan zij hierop wat
uitgebreider ingaan?
Ten slotte een opmerking over de
discriminatie van homoseksuelen.
Afgelopen zondag hoorde ik de
staatssecretaris hierover praten op
de radio. Zij zei dat zijzelf een idee
heeft om iets te doen voor de
meldingspunten voor discriminatie
van homoseksuelen. Wat is de
mening van de staatssecretaris
hierover?
</spreker>
</blok>
<blok pagina="25-1947">

 
<spreker pagina="25-1947" anker="1593" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Voorzit-
ter! In 1998 zullen de bewindslieden,
maar in ieder geval het departement
twee nieuwe gebouwen betrekken
die op dit moment in Den Haag
worden neergezet. Ergens ver achter
in de begroting vond ik hoe die gebouwen heten: Castalia en Helicon. Toen dacht ik: wat is dat
eigenlijk? Castalia blijkt de bron aan
de voet van de Parnassus te zijn, die
gebruikt werd voor rituele reiniging
voordat het heiligdom Delphi mocht
worden betreden. Ik hoop dat het
niet de bedoeling is dat toekomstige
bewindslieden voortaan in die bron
hun handen in onschuld kunnen
wassen. Helicon is tegenwoordig de
berg Zagora. Dit is de berg waarop
Apollo met zijn muzen zat, die daar
hun zangkunsten vertoonden. Het
kan ook voor de bewindslieden gaan
gelden dat zij van daaruit hun
zangkunsten over Den Haag en over
het land uiten. Ik spreek alleen de
hoop uit dat zij niet verworden tot
sirenen, die ons meeslepen met hun
gevoelige gezangen en het vervol-
gens verkeerd laten aflopen. Ik heb
begrepen dat de gebouwen waar het
departement ingaat, van de
gemeente Den Haag zijn en vraag
mij af of het departement invloed
heeft gehad op de namen van de
gebouwen.
In de afgelopen vier jaar zijn er
ongelooflijk veel wetten door de Kamer gegaan: de prijzenwet
geneesmiddelen, de klachtwet, de
Wet medezeggenschap clie¨nten-
raden, de Wet bijzondere medische
verrichtingen, de Wet op de
orgaandonatie, de Wet medische
experimenten met mensen, de
wijziging van de Ziekenfondswet
enzovoort. Het is, voorwaar, een hele
reeks ingrijpende en belangrijke
wetten.
Een aantal van de wetten had tot
doel de positie van de patie¨nt in de
gezondheidszorg te versterken. In
aanvulling hierop gaat er in het
komende jaar 10 mln. extra naar de
patie¨ntenorganisatie NPCF, die
hiermee een totaalbudget van 22
mln. krijgt. Dat is geen flauwekul.
Heeft de minister de indruk dat het
geld daadwerkelijk ten goede zal
komen aan de positie van de patie¨nt
in het algemeen of zal het geld
binnen de NPCF nog steeds verdeeld
worden naar de klassieke verenigin-
gen die erbij zijn aangesloten en die
allemaal zijn georganiseerd naar
ziektebeeld? Het lijkt mij van belang
dat wij er goed van op de hoogte
worden gehouden of de patie¨nt in
het algemeen zich hiermee goedge-
daan voelt.
Ik vraag mij af of het ministerie
van VWS zelf op Internet voorlichting
aan patie¨nten versterkt. In het
verlengde hiervan geef ik de minister
een suggestie mee. Verdient het niet
aanbeveling in Nederland een
onafhankelijk informatiecentrum voor
de zorg op te richten? Ik bedoel
hiermee een centrum dat snelle,
objectieve en toegankelijke informa-
tie verstrekt aan eenieder die er
behoefte aan heeft, vooral patie¨nten
en consumenten. Op dit moment is
zo’n centrum er niet. Een patie¨nt
moet vaak nog ongelooflijk shoppen
bij verzekeraars en instellingen, maar
weet niet tot wie hij zich moet
richten als hij iets inhoudelijks wil
weten. Ik denk aan informatie over
siliconenpreparaten, over de ziekte
ME, over klonen. Ik weet dat de
Gezondheidsraad op haar verzoek de
minister adviseert over de stand van
de wetenschap, maar dit vergt vaak
een lange tijd. Het komt ook voor dat
iemand snel adequate informatie wil
inwinnen. Hiervoor zou er zo’n
onafhankelijk instituut met een
helpdesk moeten komen. Is dit
denkbaar en hoe denkt de minister
dit vorm te kunnen geven? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1947" anker="1594" partij="CDA" naam="De Jong">
 Wie
financiert dat? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1947" anker="1595" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Ik vind
dat wij eerst de beleidsmatige
discussie moeten voeren over de
vraag of er behoefte is aan zo’n
centrum. Wij hebben het nu niet
voorzien, maar je kunt ook geen geld
reserveren voor iets wat je nog niet
weet. In de volgende periode zouden
wij ons er eens echt over moeten
buigen. Naar mijn mening is er op
dit ogenblik een gat voor burgers en
instellingen die snel iets actueels
willen weten. Zij weten niet waar zij
de informatie moeten halen. Een
onafhankelijk kenniscentrum kan
hierin een heel goede, neutrale rol
vervullen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1947" anker="1596" partij="CDA" naam="De Jong">
 Waarom
kan de Consumentenbond het niet
doen? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1947" anker="1597" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Dat is de
vraag. De Consumentenbond is zelf
nog zeer op zoek naar een eigen
positie op het terrein van de zorg,
omdat bijvoorbeeld ook de NPCF
zich in dit domein beweegt. Zolang
hierover geen helderheid is, blijft het
gat in de informatievoorziening
bestaan. Ik wil er eerst eens een
discussie over hebben, omdat ook ik
het niet helemaal scherp heb, maar
ik heb wel het idee dat er zoiets
moet komen.
Ik heb er behoefte aan tijdens deze
begrotingsbehandeling een accent
op iets anders te leggen. Afgelopen
week hield de SIGRA, de koepel van
zorginstellingen, in Amsterdam een
kunstweek waarin een relatie wordt
gelegd tussen kunst en gezondheids-
zorg. De heer Oudkerk heeft daaraan
meegewerkt, en ook ik. Ik vond het
een heel bijzondere manifestatie.
Heel veel mensen in de zorg,
gehandicapten, hebben daar allerlei
kunstuitingen gepresenteerd aan een
breed publiek. Ik mocht die avond
samen met Anne Lize van der Stoel
presenteren. Er werden toneelstuk-
ken van Herman Heijermans
gespeeld waarbij spelers in
rolstoelen, sommigen zwaar
spastisch, fantastische prestaties
neerzetten. Dit gebeurt wel vaker,
maar zo’n hele week in de hoofdstad
had een enorme uitstraling en het
liet weer zien dat, hoe je ook bent of
wat je ook mankeert, er altijd
talenten aangesproken kunnen
worden die de zieligheid voorbij-
gaan. Ik hecht eraan om dat nog
eens te zeggen.
Hoe gaan wij met het stelsel in de
gezondheidszorg in de komende
periode om? Sommige sprekers
hebben gezegd dat wij vier jaar lang
kleine stapjes hebben gehad en zij
stelden de vraag of het geen tijd
werd om fundamenteel na te denken
over waar wij naartoe willen. Ik pleit
absoluut niet voor nieuwe blauw-
drukken, maar wij moeten wel in de
komende periode gaan nadenken
over een ’’paarsdruk’’ met een ree¨le
kans van slagen. Als dat zou lukken –
ik doel uiteraard op het door ons
gepresenteerde rapport voor de
modernisering van het ziekenfonds –
en als wij dat in de komende vier
jaar zouden kunnen realiseren, vind
ik dat wij echt spekkopers zouden
zijn.
Gisteren is het al even aangestipt
maar ik wil hier herhalen dat ik het
ronduit belachelijk vind dat de
Landelijke huisartsenvereniging
publiekelijk haar medewerking heeft
geweigerd bij het onderzoek naar
invoering van inkomensafhankelijke
eigen bijdrage. Dat kan niet. Gisteren
zei de minister al dat zij ook
verbaasd is. Ik mag hopen dat zij
bereid is om harder op te treden en
die bereidheid bij de koepelorganisa-
tie af te dwingen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1948" anker="1598" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Voorzitter!
Dat is nog eens strijdbare taal van de
heer Van Boxtel! Maar ik ben wel
teleurgesteld, want is het niet
mogelijk dat die huisartsen daar
goede inhoudelijke argumenten voor
hebben? Zou dat argument van de
LHV niet dicht in de buurt kunnen
komen van wat minister Borst zelf
eerder heeft gezegd, namelijk dat de
mensen die echt zorg nodig hebben,
in die eigen bijdrage voor de huisarts
wel eens een argument kunnen zien
om niet van die zorg gebruik te
maken? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1948" anker="1599" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Ik bestrijd
dat. Die discussie hebben wij al eens
eerder gevoerd. Er is nu voor een
groot deel van de Nederlandse
samenleving, te weten gemeente- en
provicieambtenaren waar ook
mensen bij zijn die op een heel
eenvoudig inkomensniveau zitten, in
het IZA-systeem een inkomensafhan-
kelijke eigen bijdrage van toepassing,
ook voor de huisarts. Als je geen
extra geld nodig hebt, kun je het
laten zitten, maar wij hebben nu
eenmaal het systeem van de eigen
bijdrage geı¨ntroduceerd. Behalve de
SP en de VVD hebben alle andere
partijen gezegd dat ze akkoord gaan
met de inkomensafhankelijke eigen
bijdrage, maar zij willen wel dat dit
eerst goed onderzocht worden. In dat
verband hebben wij voorgesteld om
dit ook voor de huisarts te bekijken.
In al die jaren dat het IZA-systeem er
is, is nog nooit gebleken dat mensen
bewust afzagen van zorg. Als het aan
ons ligt, wordt dat systeem ook zo
ingevoerd dat alle mensen onder het
minimum gevrijwaard blijven van
eigen betaling. Die randvoorwaarde
stellen wij en dan ben ik er niet bang
voor. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1948" anker="1600" partij="SP" naam="Marijnissen">
 De heer
Van Boxtel spreekt uitdrukkelijk over
de groep onder het minimum. Ik ga
nu niet met hem over de details
discussie¨ren, maar ik ga wel in op
zijn uitspraak dat hij het belachelijk vindt en ik geloof zelfs dat hij zei:
schandalig dat de LHV... 

</spreker>
<spreker pagina="25-1948" anker="1601" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Nee, ik
heb gezegd belachelijk. Schandalig
zal ik niet snel zeggen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1948" anker="1602" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Ook dat
vind ik een sterk woord omdat hij het
over niet de eerste de beste
doelgroep heeft, te weten de
poortwachters in de gezondheids-
zorg. Dat zijn dus de allereersten die
geconsulteerd worden en zij hebben
er waarschijnlijk een inhoudelijke
reden voor. Of vermoedt hij dat er
een andere reden is waarom
huisartsen hier niet aan willen
meewerken? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1948" anker="1603" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Ik heb
kennisgenomen van de berichten dat
zij onder andere aanvoerden angst te
hebben voor het feit dat mensen
zouden afzien van zorg. Ik vind dat
een bewijs uit het ongerijmde. Ik heb
al aangegeven dat dit in het
IZA-systeem niet het geval is. Ik wil
zeer goed naar argumenten luisteren,
maar hier gaat het om een groep die
nog voordat er een politieke
besluitvorming kan plaatsvinden,
sowieso weigert om aan een
technisch onderzoek mee te doen.
Dat is niet de opstelling van een
beroepsgroep; dat is bijna een
politieke daad. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1948" anker="1604" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Dat is een
aanpak van een actiegroep die hier
toevallig samenvalt met een
beroepsgroep. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1948" anker="1605" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Dat
spreekt u vast heel erg aan! 

</spreker>
<spreker pagina="25-1948" anker="1606" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Dat
spreekt mij inderdaad bijzonder aan
omdat wij te maken hebben met een
beroepsgroep die staat voor bepaald
opvattingen. Maar u geeft geen
antwoord op mijn vraag en ik mag
die nog maar een keer stellen.
Vermoedt u andere argumenten bij
de huisartsen dan het inhoudelijke
argument, te weten dat het mogelijk
is dat mensen die zorg nodig hebben
ervan afzien? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1948" anker="1607" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Ik heb
begrepen dat zij dat mede als
argument naar voren hebben
gebracht. Ik weet niet of er nog
andere opvattingen bestaan.
Misschien heeft een aantal huisart-
sen angst voor de mogelijkheid dat
zij zelf moeten incasseren. Zoals u
weet, is dat helemaal niet aan de
orde. Misschien vragen zij zich af
hoe het administratief precies gaat.
Er is namelijk wel een probleem met
het huidige abonnementstarief. Dat
zijn meer organisatorische, techni-
sche redenen. Dat is geen politieke
of inhoudelijke opstelling als het gaat
om de kwaliteit van het leveren van
zorg. Ik heb die drie argumenten
genoemd. Ik heb uw vraag dus
keurig beantwoord. Het gaat mij
erom dat wij in een vooronderzoeks-
fase zitten. Een groot deel, een grote
afspiegeling van deze Kamer wil de
onderzoeksresultaten daarvan zien.
De beroepsgroep zegt vervolgens, bij monde van de branchevereniging:
daar doen wij niet aan mee. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1948" anker="1608" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Ik heb een
probleempje met de opstelling van
de D66-fractie. Ik heb een aanloop
nodig om mijn vraag te stellen.
Tijdens de inbreng van collega De
Jong interrumpeerde u toen hij sprak over het eigen risico. U zei: hoe is
het mogelijk dat in het programma
van het CDA, in de afgelopen
zeventien jaar de voorvechter van
een IZA-systeem, opeens het eigen
risico weer opduikt? Tot uw grote
genoegen antwoordde de heer De
Jong toen dat wat hem betreft
IZA-achtige elementen in het
verkiezingsprogramma en dus ook in
het beleid verschijnen. In die zin heb
ik ook een vraag over het D66-
verkiezingsprogramma. Daarin lees ik
tot mijn grote genoegen dat D66
vindt dat de poortwachter, de gids, in
de gezondheidszorg belangrijk is.
Wat de inkomensafhankelijke
bijdrage betreft zegt zowel D66 als de PvdA: pak de Ziekenfondswet en
de AWBZ tezamen, als het dan toch
moet. D66 stelt echter in zijn verkiezingsprogramma: je zou de
huisarts eigenlijk moeten vrijwaren.
Ik heb het verkiezingsprogramma
niet bij mij, waarvoor excuses. Maar
zo staat het er ongeveer. Hoe is het
mogelijk dat u er hier nog steeds
voor pleit om ook de huisarts mee te
nemen als het gaat om de eigen
bijdrage? Kunnen wij in de komende
maanden een verandering ten
slechte verwachten in het verkie-
zingsprogramma van D66? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1949" anker="1609" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Een lange
aanloop, een kort antwoord. Ik heb in
het interpellatiedebat over de eigen bijdrage gezegd: ja, dat staat in ons
verkiezingsprogramma. Bovendien
heb ik het volgende opgemerkt. Stel
dat in dit huis een ruime meerder-
heid kan worden gevonden om een
echte overstap te maken naar de
inkomensafhankelijke eigen bijdrage,
met daaraan gekoppeld de onder-
zoeksresultaten over de gevolgen
voor de huisartsen. Dan moeten wij
natuurlijk die afweging maken. Maar
als blijkt dat het kan zonder dat de
toegang tot de zorg in gevaar komt,
dan ben ik bereid om ook bij mijn
eigen partij dat standpunt te
verdedigen. Dat is een heel eerlijk
antwoord, dat ik een maand geleden
al hier gegeven heb. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1949" anker="1610" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Ziet u het
dan als een onderhandelingspunt
voor Paars-2, om het even kort door
de bocht te formuleren? Ik ken u als
een zeer constructief meedenker over
de manier waarop de gezondheids-
zorg betaalbaar, beheersbaar en met
name toegankelijk kan worden
gehouden. Wat vindt u zelf? Moet je
voor die huisarts een eigen bijdrage
invoeren, ja of nee? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1949" anker="1611" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Luister.
Wij hebben hier in het verleden over gesproken. Toen hebben wij gezegd:
de eerste lijn is in principe vrij van
eigen betalingen. Vervolgens hebben
wij hier uitgebreid gediscussieerd
over een nominaal bedrag. Kan het
dan toch eventueel inkomensafhan-
kelijk? Het liep spaak op de interne
verhoudingen in de coalitie. Dat is
helemaal geen schande. Dat weet
iedereen. Dat heeft iedereen kunnen
zien. Het is mij veel waard om in de
volgende periode een aantal flinke
stappen te kunnen zetten, ook in het
verbeteren van het hele stelsel van
de gezondheidszorg. Een en ander is
echter afhankelijk van het onderzoek.
Als de Landelijke huisartsen-
vereniging dat op dit moment al
blokkeert, kan ik de vraag dus niet
eens beantwoorden. En daar zit mijn
irritatie. Als de huisartsenvereniging
zegt ’’wij doen mee’’ en als uit het
onderzoek blijkt dat er gerede angst
is voor vraaguitval – omdat mensen
bang zijn om naar de zorg te gaan
omdat die te duur wordt – dan zeg ik: de inhoud en de zorg van de
kwaliteit staan voorop, ook voor mij.
Maar ik moet kunnen beoordelen,
technisch en qua uitwerking, of het
haalbaar is. Als de uitkomst positief
is, dan heb ik een onderhandelings-
punt voor een eventuele volgende
coalitie. Dan kan worden bezien of je
elkaar op dat punt kunt vinden. Maar
dat zien wij dan wel weer. Ik heb dan
wel vooraf die gegevens nodig.
Daarom kan ik de opstelling van de
huisartsenvereniging op dit moment
niet billijken. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1949" anker="1612" partij="CDA" naam="De Jong">
 Waarom
wilt u eigenlijk een eigen bijdrage
vragen? Ik veronderstel dat het in de
sfeer ligt van remgeld. Maar als je de
huisartsen erbuiten laat, zijn alle
effecten ongeveer nul. Waar hebben
wij het dan eigenlijk over? Dan blijft
alleen over dat je de mensen die
verzekerd zijn, wilt pesten. Daar is
toch geen reden voor? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1949" anker="1613" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Dat is
natuurlijk een heel makkelijke,
mijnheer De Jong. De vraag aan mij
stellen is ook de vraag aan uzelf
stellen. Immers, u was ook niet vies
van het invoeren van eigen
bijdragen. Het gaat echter om het
volgende. Toen de berekeningen
door het kabinet werden gepresen-
teerd, werd er gezegd dat dit ook zou
moeten leiden tot iets als remgeld.
Vriend en vijand hebben daar van
het begin af aan vraagtekens bij
geplaatst. De maatregel haalde een
groot deel uit de collectieve
financiering. Er is toen 600 mln. a`
700 mln. verschoven van collectief
geld naar eigen betalingen. Je kunt
zeggen dat dat niet leuk is. Ik ben morgen popie Jopie als ik zeg: geen
eigen bijdragen meer. Als wij de
toegang tot de zorg echter voor
iedereen willen waarborgen – wij
weten dat met de vergrijzing de
kosten alleen maar zullen oplopen –
dan moeten wij durven kiezen voor
een stukje eigen betaling. Dat
hebben wij gedaan en daar loop ik
ook niet voor weg. Het gaat erom
om dit zo rechtvaardig mogelijk te
doen.
Voorzitter! Bij het Jaaroverzicht
zorg heb ik de bewindslieden
gevraagd hoe zij de toekomst van de
Algemene wet bijzondere ziektekos-
ten zien. In het verlengde daarvan
heb ik gewezen op het AOW-fonds,
dat wij een goede zaak achten. Is er
niet het risico dat de kosten van de
AWBZ in de komende jaren fors gaan
oplopen? De mensen in het land
betalen er nu 8% a` 9% premie voor.
Is er niet het risico dat wij in de
periode tot 2035, wanneer de
vergrijzing en ontgroening maximaal
zijn, een flink oplopend premieper-
centage zullen krijgen? Ik weet het
niet. Wij hebben allerlei rapporten
ontvangen over de toekomst van de
AWBZ. Er is het voorstel gedaan om
de wooncomponent eruit te halen,
om wonen en zorg te scheiden. Wij
kunnen nog spreken over het
schuiven met voorzieningen, maar
niettemin voorzie ik een forse druk.
Zolang wij geen concretere gegevens
hebben, blijft het natuurlijk specule-
ren, terwijl wij dit als Kamer breed
moeten weten. Ik vraag het kabinet
of het bereid is voor april volgend
jaar een korte financie¨le berekening
op te stellen over de toekomst van
de premielast van de AWBZ bij
ongewijzigd beleid.
Uit de regio Helmond kreeg ik een
vreemd voorbeeld voorgelegd. Er is
daar een ziekenhuis waarvan soms
een vleugel leeg staat, terwijl er een
tekort aan verpleeghuisbedden is
waarvoor nu een nieuw verpleeghuis
wordt gebouwd. Is het niet mogelijk
om een ziekenhuis onder omstandig-
heden een AWBZ-toelating te geven?
Op die wijze zou eventuele acute
nood bij de opvang van
verpleeghuispatie¨nten in het
ziekenhuis worden gelenigd. Ik weet
niet welke complicaties hieraan
vastzitten, maar ik wil de vraag toch
voorleggen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1949" anker="1614" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Ik
vermoed dat de heer Van Boxtel zelf
een soort berekening heeft opgesteld
van de AWBZ-premielast. Het staat
vast dat die premie fors omhoog-
gaat. Misschien wordt het wel meer
dan 10%. Welke consequenties wil
de heer Van Boxtel daaraan
verbinden? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1950" anker="1615" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Er is een
AWBZ, op grond waarvan mensen
wettelijke aanspraak op voorzienin-
gen kunnen maken. Die aanspraak
moet je te allen tijde kunnen blijven
waarmaken. Je biedt die aanspraak
niet om haar vervolgens niet te
kunnen effectueren. Wij zullen de
AWBZ dus veilig moeten stellen. Ik
heb al eens de suggestie gedaan om
het AOW-fonds iets te verbreden tot
een soort vergrijzingsfonds. Als wij
dan in nood komen, kunnen wij
eventueel ook een stukje rijksbij-
drage naar de AWBZ laten vloeien.
Het is overigens nog maar de vraag
of de premie exorbitant gaat stijgen.
Het is best mogelijk dat het aandeel
geestelijke gezondheidszorg daalt,
omdat de GGZ-problematiek zich met
meer ouderen en minder jongeren
op een andere manier uit. Ik heb wel
eens een berekening gemaakt op de
achterkant van een sigarendoos,
maar ik wil het beter onderbouwd
zien. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1950" anker="1616" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Ik
ondersteun het verzoek vanzelfspre-
kend, maar ik ben bang dat de
opmerking over de geestelijke
gezondheidszorg niet conform de
huidige ontwikkeling is. Ik heb stellig
het idee dat het beroep daarop
eerder toe- dan afneemt. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1950" anker="1617" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 De vraag
is van welk deel van de bevolking.
Dat is natuurlijk interessant om te
weten. Een deel van de ouderen
komt uiteindelijk terecht in een
verpleeghuis, een plek die wij
moeten blijven garanderen. Daar
komen ook bij de sociaal-
psychiatrische zorg en de geriatri-
sche zorg. Het gaat er nu om dat de
aanwas bijvoorbeeld bij de RIAGG’s
veel meer betrekking heeft op
mensen tussen de 20 en 55 jaar,
mensen die een burn-out hebben,
die het tempo van de maatschappij
niet kunnen bijbenen. Het zou wel
eens kunnen zijn dat wanneer die
groep doorstijgt naar 65-plus,
daardoor het aandeel van de kosten
in verband met de GGZ iets daalt.
Maar ik weet het niet zeker en
daarom wil ik er inzicht in hebben.</spreker>
<spreker pagina="25-1950" anker="1618" partij="VVD" naam="Van Blerck-Woerdman">
 Ik denk dat de heer Van Boxtel
met zijn weergave over de groei van
de AWBZ op zichzelf gelijk heeft. Ik
meen ook dat die groei behoorlijk zal
zijn bij ongewijzigd beleid. De
weergave van de heer Van Boxtel is
in feite een weergave van wat ik
namens de VVD heb gezegd,
waarvoor hartelijk dank. Behalve dat
de heer Van Boxtel aan het kabinet
vraagt of een vergrijzingsfonds niet
een oplossing zou kunnen beteke-
nen, zou ik graag van hemzelf willen
horen hoe hij ertegen aankijkt. Als hij
denkt dat de GGZ bij ongewijzigd
beleid een daling zal vertonen
binnen de AWBZ, dan moet ik hem
zeggen dat die gedachte absoluut
niet conform de realiteit is. Geef nu
als D66 zelf eens een beeld van hoe
men dat ziet, zonder dat vergrijzings-
fonds weer op te voeren. Dat laatste
is namelijk de gemakkelijkste
oplossing, die kan ik ook nog wel
bedenken. Hoe denkt D66 de
voorziening betaalbaar te houden
voor iedereen die er recht op heeft? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1950" anker="1619" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Dat is
vragen naar de bekende weg, want u
doet net alsof ik er helemaal geen
ideee¨n bij heb. Wij zijn ervoor om
het traject scheiden van wonen en
zorg uit te voeren. Dat betekent dat
een deel van de kosten die nu in de
AWBZ zitten eventueel naar de
volkshuisvesting gaat. Zo zijn er ook
nog wat onderdelen te bedenken die
eigenlijk bij Sociale Zaken thuisho-
ren.</spreker>
<spreker pagina="25-1950" anker="1620" partij="VVD" naam="Van Blerck-Woerdman">
 Benoemt u dat dan eens. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1950" anker="1621" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Dat heb
ik net gedaan. Elementen zoals de
vraag of de kosten van wonen in
verzorgings- en verpleeghuizen niet
op een andere manier gefinancierd
moeten worden dan vanuit de gezondheidszorg. U zei zo-even: zo’n
vergrijzingsfonds had ik ook wel
kunnen verzinnen. Wat ik niet wil
aantasten, is datgene wat wij doen
voor de AOW. Daar wil ik dus niets
aan afdoen. In het rapport van de
studiegroep Begrotingsruimte van
het ministerie van Financie¨n heb ik
ook gelezen dat het interessant zou
kunnen zijn om eventueel de
aanwending van die middelen
misschien voor een klein deel in te
zetten voor calamiteiten die wij in de
zorg zullen tegenkomen. Ik vraag of
dat een interessante gedachte is. Ik
heb echt wel een visie daarop. Als
wij komen te praten over het
eventueel versmallen van de
aanspraken in het kader van de
AWBZ, dan komen wij bijvoorbeeld
terecht bij de GGZ. De discussie
daarover gaan wij binnenkort voeren
in een apart overleg. Ik heb al eerder
aangegeven dat het denken daarover
bij ons niet stilstaat, maar ik heb wel
geleerd van de ervaringen met de
knip in de thuiszorg. De suggestie
dat je er zomaar even gemakkelijk
wat uit kunt halen, wordt door de
praktijk achterhaald omdat het
allerlei uitvoeringsproblemen geeft.
Ik denk dat wij daarvan moeten
leren. Dat geldt voor eenieder van ons. Je kunt dus niet zomaar zeggen:
ik trek hier een streep en dit deel van
de thuiszorg en dat deel van de GGZ
brengen wij onder bij het
verzekeringsgedeelte. Ik geef u een
praktijkvoorbeeld. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1950" anker="1622" naam="De voorzitter">
 Omdat het binnenkort
toch aan de orde komt, ligt het voor
de hand dat wij het debat nu iets
stileren. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1950" anker="1623" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Prima, als
ik maar de suggestie mag wegne-
men alsof wij daar geen visie op
zouden hebben. Integendeel.</spreker>
<spreker pagina="25-1950" anker="1624" partij="VVD" naam="Van Blerck-Woerdman">
 Ik hoor dat dan graag in
concrete bewoordingen van D66 in
het eerstvolgende debat. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1950" anker="1625" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Akkoord. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1950" anker="1626" partij="CDA" naam="De Jong">
 Ik word erg
nieuwsgierig hoe het met het
AOW-fonds zal gaan. U zegt net dat
het niet ten koste zal gaan van de
AOW op de lange termijn. Ik begrijp
dat er afspraken zijn gemaakt om elk
jaar een bedrag oplopend met 750
mln. per jaar in het AOW-fonds te
storten. U wilt een deel daarvan
eventueel aanwenden voor de
AWBZ. Dan zal er dus een extra
dotatie in het fonds moeten worden
gedaan, want anders gaat het wel
ten koste van de AOW. Dat versterkt
mijn nieuwsgierigheid naar de
financie¨le onderbouwing van het
D66-verkiezingsprogramma. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1950" anker="1627" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Maar dat
krijgt u de volgende week. Daar moet
u zich echt geen zorgen over maken.
Ik ben blij dat wij gewacht hebben
totdat de CPB-cijfers zijn uitgekomen.
Dus die slag is voor ons.
Voorzitter! Ik heb al vaker mijn
ergernis geuit over de manier
waarop op dit moment de Wet
tarieven gezondheidszorg uitpakt.
Het is echt een brij aan regelgeving,
redelijk ondoorzichtig. Ik heb in een
eerder overleg aan de bewindslieden
gevraagd of zij daar kritisch naar
wilden kijken. In de schriftelijke antwoorden staat nu: wij hebben u
een notitie toegezegd. Die gaat
echter vooral om de paramedische
beroepen. Het gaat mij erom dat ik
graag voor de volgende regeer-
periode een intensief extern
onderzoek zou willen hebben naar de
wijze waarop de WTG in elkaar
steekt en dat wordt bekeken of die
vereenvoudigd kan worden en
transparanter kan worden gemaakt.
Ik zou het liefst hebben dat zo’n
onderzoek wordt verricht door een
aantal externe, niet direct bij dat
systeem van de wet en de uitvoering
door het COTG betrokken personen.
Ik wil aan het kabinet vragen om dat
te doen.
Wat betreft het waarborgfonds
sluit ik mij aan bij eerder gestelde
vragen. Mijn fractie had niet de
behoefte om daar nu onmiddellijk
een wettelijke regeling onder te
leggen. Ik houd alleen wel wat
uitvoeringsvragen. Op zich is het
merkwaardig dat niet per definitie
alle gezondheidszorginstellingen lid
worden van dat fonds. Als je er maar
een paar toelaat, houd je het
probleem dat degenen die geen lid
mogen worden, op een andere
manier hun financiering rond moeten
zien te krijgen. Zolang wij vanuit de
gezondheidszorg geen greep hebben
op de kwaliteit van de bestuurders
van de instellingen, blijft de vraag
hoe je met dat vraagstuk om moet
gaan in relatie met het functioneren
van het waarborgfonds. Ik hoop daar
wat over te horen.
Over de wachtlijsten het volgende.
De minister heeft ons gisteren een
brief doen toekomen, waarin iets
dubbels zit. Zij wil geen tweedeling,
maar eventueel wel een experiment.
Ik moet eerlijk zeggen dat mijn
fractie daar niet echt warm voor kan
lopen. Ik heb in een interruptie in het
betoog van de heer Oudkerk al
gezegd dat wij zoveel mogelijk
moeten stimuleren dat werkgevers
ook mensen met een chronische
ziekte of iets anders in dienst nemen,
dat wij moeten voorkomen dat
mensen uitvallen uit het arbeidspro-
ces en dat wij werkgevers moeten
helpen hun mensen zo snel mogelijk
terug op hun werkplek te krijgen. Ik
zou echter aan de andere kant gaan
kijken en bekijken hoe de relatie
tussen de huisarts en bedrijfskundig
arts kan worden versterkt, zodat daar
meer samenwerking plaats kan
vinden, zonder dat het intervenieert
in ieders verantwoordelijkheden. Ik
zou niet graag beginnen met een
experiment, want het nadeel daarvan
is dat als je die eenmaal start en er
zou gezegd worden dat het er op
zich wel goed uit ziet, het meer
wordt. Ik zie dat niet zitten. Maar ik
hoor morgen graag van de minister
de onderbouwing van haar ziens-
wijze. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1951" anker="1628" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 U ziet het
niet zitten. Wat u betreft moeten ze
in Leeuwarden en dergelijke dus
gewoon niet starten met dat soort
experimenten. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1951" anker="1629" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 U heeft
mijn interruptie op mevrouw Van
Blerck gehoord. Daarin probeerde ik
een opening te vinden. Wij moeten
het effect afwachten van het vele
extra geld dat wij nu gebruiken om
de wachtlijsten weg te werken. Als
dat werkt, hebben wij helemaal geen
initiatieven nodig die ook maar een
zweem hebben van toch iets extra’s
te faciliteren voor bepaalde groepen.
Dat moeten wij niet doen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1951" anker="1630" partij="SP" naam="Marijnissen">
 In
hoeverre is dit nu een principieel
punt voor de heer Van Boxtel? Ik heb
altijd van de minister gedacht dat zij
een bondgenoot was, maar na de
laatste brief weet ik dat niet meer. De
minister schudt nu ’’nee’’ en ’’ja’’. Ik
hoor morgen wel wat zij precies
vindt. De heer Oudkerk zei dat de
brief haaks staat op de wijze waarop
hij daarover denkt. Hij denkt daar
principieel anders over. Nu hebben
wij volgend jaar de formatie. Ik wil
graag van de heer Van Boxtel weten
of dit voor hem een principie¨le
kwestie is of dat hij denkt dat zijn
fractie bij de formatie mogelijk zal
bezwijken voor het aanlokkelijke
aanbod van 175 mln. De minister zei
daarover in haar reactie op ’’Gezond- heidszorg in tel’’: het is wel
aanlokkelijk, zeker als het een hoop
kan besparen en het niet ten koste
gaat van anderen op de wachtlijst. U
kent dat Robin Hoodmodel wel. Hoe
denkt de heer Van Boxtel daarover? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1951" anker="1631" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Ik heb
niet begrepen dat die 175 mln. in het
verkiezingsfonds van D66 wordt
gestort. Daar bezwijken wij dus in
ieder geval niet voor. Mijn stelling is heel helder: geen tweedeling in de
zorg. Dat klinkt iedere keer als een
boude zwart-witstelling, maar ik
meen het echt. Wij moeten de
logistiek in de ziekenhuizen
verbeteren, wij moeten extra artsen
en verpleegkundigen opleiden en
zorgen dat de instellingen veel meer
open zijn dan nu. Ik vind het nog
steeds van de gekke dat dure
apparatuur ’s avonds niet wordt
gebruikt, behoudens in spoedgeval-
len. Laten wij daarop inzetten. Als
daar extra geld van de werkgevers
bij kan komen om dat te realiseren,
is dat prima, want ik deel hun zorg.
Wij hebben ze zelf risicodragend
gemaakt voor de Ziektewet en
PEMBA, die straks in werking treedt.
Dan mogen zij zich ook bemoeien
met de kwaliteit en de werkwijze van
onze gezondheidszorg, maar niet
door buiten de gelijke toegang van
anderen extra eigen faciliteiten te
realiseren. Ik vind dat de verkeerde
route. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1951" anker="1632" partij="SP" naam="Marijnissen">
 U gelooft
toch zelf niet dat werkgevers die 175
mln. ter beschikking zullen stellen
voor alle mensen die op de wachtlijst
staan? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1951" anker="1633" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Dat weet
ik niet. Ik voer die gesprekken niet
namens het kabinet, maar ik kan mij
heel goed voorstellen dat werkgevers
een financieel belang hebben bij het
efficie¨nter maken van de gezond-
heidszorg. Zij stuiten op grote
wachtlijsten bij orthopeden, bij de
RIAGG’s, terwijl zij de mensen het
liefst zo snel mogelijk weer aan het
werk willen hebben. Dan mag van de
werkgevers verwacht worden dat zij
zich inspannen om de arbeidsom-
standigheden te verbeteren en dat zij
maatregelen nemen om ervoor te
zorgen dat mensen niet voortijdig
burnt-out raken. Vervolgens mogen
zij ons dan aanspreken op de
kwaliteit en werkwijze van de
gezondheidszorg, maar zonder dat
wij water in de wijn doen als het
gaat om gelijke toegang. Duidelijker
kan ik het niet formuleren. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1951" anker="1634" naam="De voorzitter">
 Ik zie dat de heer
Marijnissen nog een keer wil
interrumperen. Ik wijs hem erop dat
dit de laatste maal is op dit punt. Ik
zeg dit ook omdat de tijd die collega
van Boxtel achter het katheder staat,
drie keer de tijd is van zijn initie¨le
spreektijd. Dat is enigszins uit
proportie met de rest van de
sprekers. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1952" anker="1635" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Ik snap
het, voorzitter, maar de heer Van
Boxtel is een interessant spreker.
De heer Van Boxtel heeft gezegd
dat hij akkoord kan gaan met die 175
mln. Wordt er dan niet een raar
precedent geschapen voor allerlei
andere gevallen? Het gezegde is
’’wie betaalt bepaalt’’. Is hij niet bang
dat wij mogelijk op een hellend vlak
terechtkomen? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1952" anker="1636" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Kennelijk
vinden de werkgevers verbetering
van de kwaliteit van de gezondheids-
zorg zeer urgent. Als onze grondprin-
cipes van solidariteit en gelijke
toegankelijkheid – een onverkoop-
baar goed in de gezondheidszorg –
geen geweld wordt aangedaan, dan
is alle hulp welkom. Daarmee wordt
helemaal geen precedent geschapen.
Voorzitter! In Amsterdam loopt het
project steun en consultatie
euthanasie, waarbij huisartsen
worden geadviseerd hoe te handelen
in gevallen van euthanasie. Ik heb
gezien dat de subsidie daarvoor
halverwege dit jaar afloopt. Is de
minister bereid, gesteld dat dit
project goed uitpakt – en ik heb daar
positieve geluiden over gehoord – de
subsidie voor dat project in
Amsterdam te continueren en via de
KNMG te regelen dat dergelijke
projecten landelijk kunnen worden
opgestart. Ik hoop dat daarvoor in
1998 financie¨le middelen beschikbaar
zullen worden gesteld. Anders is er
iets goeds tot stand gekomen dat
mogelijk niet gecontinueerd kan
worden. Dat zou ik zeer betreuren. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1952" anker="1637" partij="PvdA" naam="Oudkerk">
 Dat project
loopt inderdaad goed. U heeft
gesuggereerd in het Algemeen
Dagblad dat dit misschien wel de
toetsingscommissies achteraf zou
kunnen vervangen. Dat is in de krant
wat ’’dun’’ overgekomen. Kunt u
daar iets meer over zeggen? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1952" anker="1638" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Ik heb
gezegd dat ik veel waarde hecht aan
het verbeteren van die consultatie
vooraf, omdat ook ik van alle
betrokkenen heb gehoord dat men
dat als een heel goede zaak ervaart.
Ik wil helemaal niet af van toetsing
achteraf. Die toetsing blijft noodzake-
lijk. Ik heb alleen wat vraagtekens
geplaatst bij de organisatie en
werkwijze die daarvoor bedacht is.
Daarover kan echter verder
gesproken worden in het debat dat
in de komende tijd gevoerd zal
worden naar aanleiding van de
plannen van het kabinet.
Voorzitter! Ik sluit mij aan bij de
vraag van mevrouw Varma over de
Rutgersstichting. Is de minister
gevoelig voor het argument dat de
Rutgersstichting op dit moment in
zo’n hoog tempo commercieel moet
worden, dat haar tarieven zo hoog
worden dat de doelgroep waar de
Rutgersstichting zich altijd op richtte
die tarieven niet kan betalen.
Ik heb een vraag op internationaal
ethisch vlak. Mij is in het afgelopen
jaar opgevallen dat de Wereldge-
zondheidsorganisatie, de Europese
Unie en de Raad van Europa
afwijkende standpunten hanteren als
het gaat om klonen en xenotrans-
plantatie. Zou de minister in de
komende EU-raad een poging
kunnen doen om meer eenheid te
bewerkstelligen? De Wereld-
gezondheidsraad vindt bijvoorbeeld
het klonen een mooie techniek en
vindt dat het gaat om het oordeel
over de toepassing, terwijl de Raad
van Europa en de Europese Unie
erop tegen zijn. Ik dacht althans dat
men voor die opstelling had
gekozen. Graag een reactie hierop.
Ik kom op de Wet op de orgaan-
donatie, die nog in werking moet
treden. Twee jaar geleden heb ik in
de Kamer een motie ingediend die
het net niet heeft gehaald. Zij ging
over de rechtvaardige verdeling van
organen. Ik heb deze week een brief
in handen gekregen van chirurg
Tilanus aan de voorzitter van de
begeleidingscommissie lever-
transplantaties van de Ziekenfonds-
raad. In die brief uit hij zijn grote
zorg over het toegenomen export-
overschot van levers. Met andere woorden: er gaan er te veel naar de
Europese markt en er blijven er te
weinig in Nederland. Het probleem is
dus blijven bestaan. Ik vraag de
minister of zij bekend is met dit
vraagstuk. Vindt zij dat enige
bijstelling in het beleid nodig is?
Voorzitter! Tot slot het politieke
oordeel. Als ik alle debatten van de
afgelopen weken langsloop,
constateer ik enerzijds dat gesproken
kan worden van groteske rituele
vormen. Anderzijds hoort het ook bij
dit vak om op een gegeven moment
een mening te geven. De wijze
overigens waarop de heer Middel
mevrouw Terpstra toesprak, vond ik
buiten proportie. Vanmorgen stond in Trouw: ’’Ook
Borst is geen wonderdokter’’. Ik
vraag mij af wie dat wel is. Deze
minister sluit deze periode naar mijn
mening heel wat waardiger af dan
vele voorgangers op dit onderwerp,
dat bijzonder lastig is; met verstand
van zaken, met rust op het front van
de specialisten en de ziekenhuizen,
met een prijzenwet en met een
ombuiging van 3,5 mld. Ik ben daar
overigens niet iedere keer gelukkig
mee geweest, want extra geld moest
bijeen geschraapt worden. De
minister leverde dus een prestatie
van formaat. Iedereen is het erover
eens dat het departement op orde
moet komen. De nodige stappen zijn daarvoor gezet. Ik denk wel: you
can’t win them all. Als je alles zou
kunnen winnen op dit onderwerp,
ben je inderdaad een wonderdokter,
maar wonderdokters in het verleden,
bleken maar al te vaak kwakzalvers
te zijn. Daar is in dit geval geen
sprake van.
Staatssecretaris Terpstra verdient
lof voor het feit dat zij zelf, nadat er
forse kritiek was geleverd op de
thuiszorg en op het hoge tempo van
invoering van een aantal onderwer- pen, heeft gezegd: dit gaat niet goed,
ik stort mij daar volledig op, ik leg
daar nu mijn absolute prioriteit.
Desondanks is haar enthousiasme
groot gebleven. Haar inzet voor de
sport is mateloos. Dat geldt ook haar
betrokkenheid bij de ’’menselijke’’
politiek. Dat haar dossierkennis af en
toe tekortschiet, vind ik niet zo’n
ramp.
Maar afgelopen zondag zat
mevrouw Terpstra er wel erg naast.
Ik hoorde haar voor Radio 1 zeggen
dat met name de VVD de enige partij
is die in haar verkiezingsprogramma
iets heeft opgenomen over euthana-
sie. Dat is niet waar. Zij heeft dan
nog niet het verkiezingsprogramma
van D66 gelezen en dat betreur ik.
Vervolgens wijs ik erop dat de tekst
in het VVD-verkiezingsprogramma
nergens op slaat. Ik beveel mevrouw
Terpstra dan ook van harte aan om
op haar eigen congres die tekst te
amenderen. De tekst is namelijk innerlijk tegenstrijdig. Er staat:
euthanasie en hulp bij zelfdoding
kunnen derhalve alleen straffeloos
blijven als daarbij een arts is
betrokken. Tevens moet sprake zijn
van een weloverwogen en dringend
verzoek van de betrokkene in een
situatie waarin dit verzoek een
schulduitsluitingsgrond oplevert.
Voorzitter! Dit is het oude standpunt,
namelijk het opnemen van een
schulduitsluitings- of een
rechtvaardigingsgrond in de wet.
D66 wilde dat altijd al. Vervolgens staat er: dit houdt in dat de
bestaande praktijk vooralsnog moet
worden voortgezet en op termijn
wordt gecodificeerd. Voorzitter! Dat
is niet te rijmen.
Ik spreek namens mijn fractie lof
uit aan het adres van deze bewinds-
personen. Van het uitermate
ingewikkelde en complexe onder-
werp volksgezondheid heeft, net als
bij voetbal, iedereen verstand en
iedereen heeft een opvatting.
Ondanks alle opmerkingen en
wensen vanuit de Kamer blijft men
er hard aan werken om een en ander
voor de patie¨nten in Nederland zo
goed mogelijk overeind te houden. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1953" anker="1639" partij="SGP" naam="Van der Vlies">

Voorzitter! Collega Van Boxtel kan
niet elk conceptverkiezingspro-
gramma citeren, maar ik beveel hem
toch het SGP-programma aan,
waarin een nog veel betere passage
over het vraagstuk van de euthanasie
is opgenomen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1953" anker="1640" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Ik twijfel
daar niet aan, maar dat is ook met
hulp van zo veel geesten tot stand
gekomen. Daar kunnen wij nooit aan
komen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="25-1953">
<spreker pagina="25-1953" anker="1641" partij="Groep Nijpels" bronpartij="groep-Nijpels" naam="Nijpels-Hezemans">
 Voorzitter! Hoewel
deze begroting wellicht de minst
treurige is van de afgelopen Paarse
jaren, bestaat er nog steeds grote
onrust onder veel ouderen, chronisch
zieken en gehandicapten over de
vraag of zij nog wel verzekerd zijn
van de nodige zorg, nu en zeker in
de toekomst. Deze minister heeft bij
haar aantreden gezegd dat er onder
haar bewind geen grote wijzigingen
tot stand zouden komen. Maar met
een enigszins botte kaasschaaf
steeds weer brokken van allerlei
pakketten afhalen, brengt onder
mensen meer teweeg dan een ander
stelsel. Ik denk bijvoorbeeld aan een
IZA-achtig stelsel, maar dat is er nu
net niet gekomen.
In de loop van 1997 werd ook
pijnlijk duidelijk dat het departement
van VWS bepaald niet op rolletjes
liep. Zowel binnen als buiten de
Kamer ontstonden heftige discussies.
Dat was natuurlijk niet zo verwonder-
lijk. Een departement zoals dat van
VWS is immers sterk naar buiten
gericht. Veel externe organisaties en
instellingen hebben er een of andere
relatie mee en zijn ervan afhankelijk.
Deugt zo’n organisatie niet, dan
roept dat al snel ergernis en
onbegrip op. Onlangs werd ons
echter het beloofde plan van aanpak
gestuurd, waarin verdere maatrege-
len ter verbetering van de departe-
mentale organisatie worden
aangekondigd.
Voorzitter! Reorganiseren is
vandaag de dag de gewoonste zaak
van de wereld. Ook iedere ambte-
naar zal onder ogen moeten zien dat
een departement zich steeds moet
aanpassen aan veranderende
omstandigheden. Maar wat volgens
mij nooit mag gebeuren, is dat de
ene reorganisatie de andere
veroorzaakt. En dat zie ik op VWS
wel gebeuren. Reorganiseren onder
politieke druk levert vaak een mooie
nieuwe structuur op. Op papier lijkt
het allemaal fraai. De bordjes op de
kamerdeuren worden verhangen en
de nieuwe organisatie kan van start.
De politiek is tevredengesteld en de
aandacht verslapt.
En hier zie ik toch een probleem
opkomen. Er zijn namelijk elementen
in een organisatie die niet een, twee,
drie te veranderen zijn, maar die wel
van cruciaal belang zijn voor het
functioneren van die organisatie en
de manier waarop er met externe
partners en relaties wordt omge-
gaan. Een van die elementen is de
organisatiecultuur. Een voorbeeld dat
het op dit moment nog niet goed zit
met die cultuur, is de manier waarop
de bezuiniging op de logopedie werd
meegedeeld. Wij hebben daar bij de
behandeling van het JOZ uitvoerig
over gesproken. Ik zal verderop in
mijn verhaal nog een voorbeeld
noemen.
Voorzitter! In het plan van aanpak
wordt gezegd dat het cultuuraspect
deel uitmaakt van de verschillende
trajecten. In het rapport van Twijnstra Gudde destijds stond: het
veranderen van een organisatie-
cultuur is een langdurig proces. Pas
na langere tijd worden de resultaten
merkbaar. Ik zou graag van de
minister willen weten in hoeverre de
cultuur van cruciaal belang is voor
het welslagen van haar plan van
aanpak. Verder zou ik willen weten of
zij een termijn kan noemen
waarbinnen die cultuur volgens haar
daadwerkelijk veranderd kan zijn.
Gaat dat echt zo lang duren, zoals
Twijnstra Gudde voorspelde? Als dat
zo is, kan zij dan garanderen dat de
aandacht voor de bedrijfscultuur niet
verslapt, ook als alle andere trajecten
reeds zijn afgerond en de politieke
aandacht is verdwenen?
Een buitengewoon belangrijk
onderdeel van het beleid is de totale
ouderenzorg, nu en in de toekomst.
Terecht is er vanuit de Kamer veel
druk op de bewindslieden uitgeoe-
fend om hierover niet alleen een
duidelijke visie te ontwikkelen maar
ook om er meer geld voor beschik-
baar te stellen. En extra geld is er
inderdaad gekomen. Maar of het
echt voldoende is, is nog maar zeer
de vraag. Nog dagelijks komen de
brieven binnen van verzorgings- en
verpleeghuizen, van gemeenten, van
raadsfracties en van particulieren,
waarin wij worden gewezen op de
lange wachtlijsten, de toenemende
zorgzwaarte, de vertraging in de
totstandkoming van verpleegunits,
enzovoorts.
In feite ontbreekt het naar onze
mening nog steeds aan een echte
visie, omdat intra- en extramurale
zorg, soorten zorg en hulp en de
daarbijbehorende verschillende
vormen van zorg- en hulpverlening
nog steeds te veel los van elkaar
worden gezien. Het totale ouderen-
beleid behelst meer dan een
geharmoniseerde financieringswijze
of een onafhankelijke indicatiestel-
ling. Ook veiligheid, mobiliteit,
maatschappelijke participatie en
ouderenhuisvesting in het algemeen
zijn belangrijke factoren. Alle
bedoelingen van de interdeparte-
mentale werkgroep ten spijt, van een
echte integrale visie op de toene-
mende vergrijzing heb ik nog niet
zoveel kunnen waarnemen.
Zo is er nog steeds op grote
schaal sprake van leeftijds-
discriminatie in bijvoorbeeld het
arbeidsproces, bij verzekeringsmaat-
schappijen en dan niet alleen bij
ziektekostenverzekeraars, maar ook
bij autoverzekeringen, reisverzekerin-
gen en noem maar op. Er is zelfs
sprake van leeftijdsdiscriminatie in
de inkomenspolitiek. Je zult maar
een alleenstaande allochtone vrouw
zijn die de Nederlandse taal niet zo
goed beheerst en die ook al wat
ouder is. Dan merk je weinig van
goede economische tijden of een
droombegroting. Ook die groep zal
de komende jaren echter groeien en
vergt dus een specifieke benadering
die niet alleen door Nisbo onder de
aandacht gebracht kan worden.
Voorzitter! Een zijdelingse vraag
hierbij luidt als volgt. Het kan zijn dat
ik iets heb gemist. Er zou echter
sprake zijn van een kwaliteitsfonds
voor verzorgings- en verpleeghuizen.
Ik weet het niet zeker. Ik heb mij daar
iets over laten vertellen. Kan de
staatssecretaris daar misschien iets
meer over zeggen?
Voorzitter! Waarom vind ik noch in
deze begroting noch in de hoofdpun-
ten van het regeringsbeleid een
samenhangende visie op de
veranderende demografische
samenstelling van onze bevolking?
Een oudereneffectrapportage, die ik
in mijn enthousiasme in het eerste
jaar van deze kabinetsperiode heb
gepropageerd, is nog steeds een
goed middel als toetsingskader voor
een effectief ouderenbeleid op alle
terreinen. Daarmee dwingt men alle
departementen, provincies en
gemeenten om bij elk plan dat zij
maken rekening te houden met het
effect op ouderen. De bewindslieden
wezen destijds dat idee van de hand.
De staatssecretaris zou als
coo¨rdinerend bewindsvrouw
ouderenbeleid alles goed in de gaten
houden. Dat is helaas niet helemaal
uit de verf gekomen. Er treden nog
steeds allerlei ongewenste effecten
op als gevolg van wetten en
maatregelen waarover van tevoren
blijkbaar niet is nagedacht. De
ouderen zijn daar meestal de dupe
van en dan moet er meestal weer
gerepareerd worden om de meest
vervelende consequenties eruit te
halen. Dat kost tijd en levert ergernis
en onbegrip op. Ik dring er daarom
nogmaals met klem op aan om alle
wetten en maatregelen vooraf te
toetsen op de effecten voor ouderen.
Het zou van moed getuigen een
dergelijk plan in deze kabinets-
periode aan de Kamer voor te
leggen, zodat de kiezer weet wat hij
van een volgend kabinet kan
verwachten. Of dat plan een
oudereneffectrapportage heet of wat
dan ook, kan mij overigens niet
zoveel schelen.
Voorzitter! Over de thuiszorg gaan
wij volgende week met elkaar praten.
Een groot knelpunt wil ik nu reeds
onder de aandacht brengen. Dat is
de zeer vertraagde inning van de
eigen bijdrage door het CAK. De
aanlevering van de juiste gegevens
door de instellingen is daar natuurlijk
mede debet aan. Afgezien van wat in
de derde voortgangsrapportage over
dit probleem geschreven staat, wil ik
hier en nu het probleem van de
mensen die er het slachtoffer van
zijn geworden of nog worden, onder
de aandacht brengen. De tijd dringt
immers. De kern van het probleem
ligt natuurlijk in het feit dat er te
weinig tijd was om het veranderde
inningssysteem goed in te voeren.
Ondertussen lopen de te betalen
bedragen op. De mensen die in de
afgelopen periode thuiszorg hebben
ontvangen, lopen nu het risico
opeens met een zeer hoge rekening
geconfronteerd te worden. Sommi-
gen zijn in staat geweest het nog
verschuldigde bedrag opzij te zetten.
Anderen kunnen dat niet omdat zij
sowieso de eigen bijdrage nauwelijks
kunnen betalen. Bestaat er bij de
bewindslieden de bereidheid mee te
werken aan de een of andere
regeling om degenen die in
financie¨le problemen komen, omdat
zij een aantal rekeningen tegelijk of
snel achter elkaar krijgen, te helpen?
Ik hoor de staatssecretaris zeggen
dat een dergelijke regeling er al is. Ik
heb onlangs deelgenomen aan twee
symposia over de thuiszorg, een in
Maastricht en een in Amsterdam.
Daarbij werden de bedoelde
problemen alsmaar aan de orde
gesteld.
Een ander probleem, dat hiermee
samenhangt, wil ik de bewindslieden
voorleggen aan de hand van een
brief die ik van een mevrouw uit
Maarssen heb gekregen over de
eigen bijdrage thuiszorg. ’’Nu er
inmiddels tien maanden van dit jaar,
1997, zijn verstreken, heb ik van het
ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport nog geen factuur
ontvangen over de door mij te
betalen kosten voor gezinshulp. Vele
malen heb ik hierover schriftelijk en
telefonisch contact gehad, maar
resultaat heeft dit tot nu toe niet
opgeleverd. Ditzelfde geldt voor het
Centraal administratiekantoor in den
Haag. Het wordt nu toch echt wel
eens de hoogste tijd dat hierover
duidelijkheid komt. Kunt u mij
zeggen hoe de stand van zaken is
over dit onderwerp? Volledigheids-
halve laat ik u weten dat ik voor de
kosten van thuiszorg verzekerd ben.
Als ik nu nog erg lang moet wachten
op de facturen over 1997, kan ik niet
meer voldoen aan de door de
zorgverzekeraar gestelde termijn en
dan heb ik een flink financieel
probleem. Deze mededeling wordt
door genoemd ministerie afgedaan met de woorden: dat is dan een
kwestie van overmacht, waar uw
zorgverzekeraar maar rekening mee
moet houden.’’ Ik vind dit, eerlijk
gezegd, geen manier van doen. Ik wil
hierop graag een reactie van de
bewindslieden horen.
Voorzitter! Wij willen ook dingen
aandragen waarop nog bezuinigd
kan worden dan wel waar nog geld
te halen is. Op de geneesmiddelen
valt nog heel wat te besparen zonder
dat de gebruiker, de patie¨nt, daarvan
enig nadeel ondervindt. De minister
moet dan wel enige doortastendheid
aan de dag leggen. Met doortastend-
heid bedoel ik dan niet het op een
achternamiddag maar wat roepen,
vervolgens in een radio-uitzending
zeggen dat ’’de Kamer’’ dat vindt,
terwijl het maar twee fracties betrof,
en dan nog verbaasd zijn dat de
beroepsgroep zich onfatsoenlijk
behandeld voelt. Ik weet dat de
minister gevoelig is voor goede
ideee¨n als het om kostenbeheersing
gaat en zelfs die ideee¨n tot de hare
maakt, zodanig dat haar partij ermee
op verkiezingspad gaat, om maar
eens te tonen dat zij toch zo’n
voortreffelijke lijsttrekker heeft. Ik
doel natuurlijk op de Wet
geneesmiddelenprijzen.
Ik gun de minister dit allemaal van
harte. Liever een goed plan uitvoeren
dan het naar de bureaula verwijzen!
Maar toen de wet werd ingevoerd,
werd slechts een viertal referentie-
landen gekozen om de prijs van het
geneesmiddel vast te stellen. Een
van die landen is het Verenigd
Koninkrijk. Door allerlei ontwikkelin-
gen waarop wij in Nederland weinig
invloed hebben, is het Britse pond
aanzienlijk in waarde gestegen. Dat
heeft zonder meer invloed op de
prijzen van geneesmiddelen in ons
land en daarmee op de opbrengst
van de prijzenwet. De eerste vraag die dan opkomt is: hoe groot is die
invloed en wat betekent dat voor de
opbrengst? De tweede vraag luidt onvermijdelijk: wat doen wij daar
dan mee? Moeten wij een mindere
opbrengst maar gewoon accepteren
onder het motto ’’jammer dan’’ of
gaan wij verder kijken dan die vier
landen? Men zal begrijpen dat mijn
fractie meer geporteerd is voor het
laatste. Het mag bekend veronder-
steld worden dat veel goedkope
medicijnen uit Spanje en Portugal
komen, landen die toch volwaardig
lid zijn van de EU. Is de minister
bereid serieus te onderzoeken of ook
de prijzen in die landen betrokken
kunnen of moeten worden bij de
vaststelling van de geneesmiddelen-
prijzen in ons land? Overigens vind
ik het vreemd dat in de begroting
1998 met geen woord wordt
gesproken over de gevolgen van de
stijging van het Britse pond. Moet ik
dit plaatsen in de categorie ’’wij
willen het niet weten’’ of wordt er
gedaan alsof wij het niet hadden
kunnen weten? Natuurlijk is het in dit
verband des te dringender om de
GVS-limiet aan te passen en aan te
scherpen.
Een ander punt waarop ook nog
heel wat te halen valt, is het
voorschrijven op stofnaam. De
vorige week ontvingen wij een
voortgangsrapportage over het
project Voorschrijven op stofnaam.
Wij weten nu hoe vaak de advies-
groep bij elkaar kwam, wie voor
hoeveel uur de projectleider was en
is en welke computerprogramma’s,
symposia, publicaties, campagnes en
nascholingsactiviteiten tot stand zijn
gekomen of hebben plaatsgevonden.
Fantastisch, geweldig! Maar waar
zijn de medisch specialisten
gebleven? Het vorig jaar werd nog
gesproken over stimulerings-
programma’s. Ik heb er sindsdien
niets meer van vernomen. Zijn die
programma’s er nu wel of niet
gekomen? Zo ja, wat hebben zij
opgeleverd? Als zij er niet gekomen
zijn, waarom niet?
Ik zal er geen motie meer over
indienen, mijnheer de voorzitter,
maar mijn niet aflatende pleidooi
voor een wettelijk recht op substitu-
tie voor de apotheker zal de minister
inmiddels wel bekend zijn.
Ik kom dan vanzelf op de
mogelijkheid, die overigens ook het
vorig jaar tijdens de begrotings-
behandeling al ter sprake kwam, van
het budgetteren van artsen voor de
kosten van geneesmiddelen. Het
Nivel heeft een onderzoek gedaan
waaruit zou blijken dat een dergelijk
systeem, zoals ook gehanteerd wordt
in Duitsland en Engeland, in
Nederland niet gewenst is. Het
Nivel-onderzoek is echter naar mijn
mening te beperkt geweest.
Kortheidshalve overhandig ik de
minister zo meteen graag een kopie
van mijn tekst op dat punt van het
vorig jaar, met het verzoek die
mogelijkheid toch nog eens te
bekijken.
Mijn stelling van toen, dat alleen
al op cholesterolverlagende
middelen enkele tientallen miljoenen
te besparen zijn, geldt nog steeds.
Bovendien zouden ook de medisch
specialisten er natuurlijk bij
betrokken moeten worden.
Ik heb zo uitvoerig stilgestaan bij
de geneesmiddelen om aan te geven
dat mijn fractie niet alleen meer geld
en middelen wil uittrekken voor
bijvoorbeeld de ouderenzorg en de
thuiszorg, maar ook aangeeft dat er
in sommige sectoren nog heel wat te
besparen valt. Bovendien kunnen
dan ook meer nieuwe geneesmidde-
len voor iedereen beter bereikbaar
gemaakt worden, te beginnen met de
instelling van een bijlage 1C, zoals
de hele Kamer wil. Over de
hulpmiddelen is bij de behandeling
van het JOZ al veel gezegd, maar
toch dring ik er bij de minister
nogmaals op aan de mogelijkheid
van een prijzenwet en een
vergoedingensysteem serieus te
overwegen. Als dat allemaal veel te
moeilijk is, is misschien een soort
rijksinkoopbureau een goed idee. Ik
wil in ieder geval voorkomen dat
straks patie¨nten weer de dupe zullen
worden. Nu de tandheelkundige hulp
voor volwassenen, op de jaarlijkse
controle na, uit het ziekenfondspak-
ket is gehaald, is gebleken dat meer
mensen tot het inzicht zijn gekomen
dat regelmatige controle hoge kosten
kan voorkomen. Men heeft dus zijn
verantwoordelijkheid genomen. Maar
helaas, dat heeft geleid tot een
budgetoverschrijding, die nu op de
tandartsen verhaald wordt. Je kunt je
ook afvragen of het wel een
overschrijding is, als bepaalde
elementen niet in de ramingen
waren meegenomen. Graag verneem
ik van de minister of dat de
bedoeling van haar beleid is. In ieder
geval heb ik graag een reactie op
mijn stelling.
In aansluiting op het betoog van
de heer Van Boxtel over de kosten
van de zorg, met name in de AWBZ,
in de komende decennia zeg ik het
volgende. Tijdens de behandeling
van het JOZ heb ik heel even de
mogelijkheid van een zorgfonds
genoemd. Overigens bedoelde ik
daarmee een fonds los van het
AOW-fonds. Ik wil een en ander niet
in elkaar laten lopen. Het idee van
NZF-voorzitter Krol is door de
coalitiepartijen min of meer naar de
prullenbak verwezen. Ik ben van
mening dat zij daar veel te snel mee
waren. De kosten die op ons
afstormen door de naderende
vergrijzing, zijn met een AOW-fonds
echt niet voldoende ondervangen.
Men voerde als argument aan dat
zogenaamd ’’dood geld’’ geen
bijdrage kan leveren aan de groei
van de economie, die nodig is om de
groei van de kosten van de
toenemende zorgbehoefte in de
toekomst te kunnen dragen. In deze
alternatieve oplossing heb ik
eigenlijk geen enkel vertrouwen. Wie
garandeert de zorgbehoevenden van
de toekomst dat het extra geld,
verkregen uit de economische groei,
ook daadwerkelijk terechtkomt bij
hen? Ik zie dan ook graag dat de
minister de mogelijkheid van een
zorgfonds serieus onderzoekt.
Voorzitter! Over het sportbeleid
heb ik absoluut niet te klagen sinds
mijn schoonmoeder van 83 lid is
geworden van een gymclub! Ik heb tegen haar gezegd: dat heb je
allemaal te danken aan Els en Erica,
die dat zo voortreffelijk propageren.
Daar was zij het mee eens. Maar
even serieus, voor jong en oud is het
beoefenen van sport een uitstekende
vrijetijdsbesteding, goed voor
lichaam en geest. Beide bewindslie-
den hebben er veel aandacht voor.
Natuurlijk, het kan altijd nog beetje
meer en een beetje beter. Ik vind dat
de bewindslieden in ieder geval op
het goede spoor zitten.
Tot slot. Het is mij opgevallen dat
er dit jaar maar weinig brieven zijn
binnengekomen van organisaties die
door een korting op hun subsidie
boos of ontevreden zijn. In die zin
zou je als kabinet kunnen spreken
van een soort droombegroting. De
klachten vallen immers mee. Van de
andere kant kun je zeggen dat het
kabinet, met de verkiezingen in het
vooruitzicht, wel gek zou zijn om nu
allerlei organisaties tegen zich in het
harnas te jagen. Dat kan nog wel een
jaartje uitgesteld worden, zoals ook
duidelijke visies op de toekomst
maar aan een volgende regeerploeg
moeten worden overgelaten.
Ondertussen blijven er wachtlijsten
bestaan voor ongeveer alles,
stapelen de eigen bijdragen voor
ongeveer alles zich op bij mensen
die ze niet meer kunnen betalen, en
gaat de marktwerking door op die
terreinen die helemaal niet geschikt
zijn voor marktwerking. Nee, mijn
fractie gaat nog lang niet lekker
dromen, want zij moet erop blijven
hameren dat gezondheid en welzijn
de belangrijkste elementen zijn waar
ieder mens in dezelfde mate recht op
heeft.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="25-1955">

 
<spreker pagina="25-1955" anker="1642" partij="SGP" naam="Van der Vlies">

Voorzitter! Ik spreek, behalve namens
de SGP-fractie, ook mede namens de
fracties van GPV en RPF.
De laatste reguliere begrotings-
behandeling in deze kabinetsperiode
geeft gelegenheid om het beleid van
de bewindslieden van VWS op de
weegschaal te leggen. Van meet af
aan heeft de 1,3%-groeinorm, die
gewoon te krap was, een grote rol
gespeeld en veel geharrewar
gegeven, onder andere over de
wachtlijstproblematiek. Dat is
beeldbepalend geweest. Gelukkig is
er elk jaar wel weer wat bijgeplust,
zodat de ergste effecten werden
verholpen.
De economische omstandigheden
zijn inmiddels verbeterd. Onze
fracties vinden dat zorgbehoevenden,
van welke categorie dan ook, in die
welvaart moeten kunnen delen. Wij
vrezen overigens een ’’economise-
ring’’ van de zorg. Ik denk aan het vraagstuk van de tweedeling: de
bedrijvenpoliklinieken, de prive-
klinieken e.d. Wij staan daar huiverig
tegenover. De minister kan in haar
brief van gisteren wel zeggen dat
bepaalde categoriee¨n werknemers
onder zekere omstandigheden
voorrang van behandeling kunnen
krijgen, maar wij moeten nog maar
zien dat deze voorrang echt helemaal
niets betekent voor de toegankelijk-
heid van de zorg voor anderen. Het
laatste is immers de voorwaarde die
zij stelde. Het doen verlenen van
zorg is een primaire taak van de
overheid, die alle burgers gelijkelijk
toekomt. Hier ligt voor ons een
ethische toets. Wil de minister hierop
reageren?
De beschermwaardigheid van het
leven is onlosmakelijk onderdeel van
en norm voor de roeping van de
overheid. Dit is een bijbels uitgangs-
punt, dat voor ons essentieel is. Op
het terrein van de bescherm-
waardigheid van het menselijk leven
is de trend van het in de afgelopen
jaren gevoerde beleid niet veranderd,
integendeel. Bij levensbee¨indigend
handelen is een teneur te bespeuren
dat geneeskundigen die hierbij
daadwerkelijk betrokken zijn of
worden, binnen bepaalde kaders zelf
hun zorgvuldigheid mogen toetsen.
De rol van de overheid wordt steeds
meer teruggedrongen tot een
procedurele, zonder dat een
inhoudelijke toetsing wordt
gepleegd. De formele normstelling
wordt hoe langer hoe meer
uitgehold. Wij vinden dit een
gevaarlijke ontwikkeling, niet alleen
in algemene zin, maar zeker op het
gebied van de grens tussen leven en
dood. Als het ergens nodig is, dan
moet hier de overheid mede ter
bescherming van zwakkeren in de
samenleving, duidelijkheid verschaf-
fen over normen en voorschriften.
Er bereiken ons overigens signalen
dat verplegenden in ziekenhuizen
feitelijk betrokken worden bij de
uitvoering van levensbee¨indigend
handelen, terwijl dit formeel
voorbehouden is aan de arts, die ook
formeel de verantwoordelijkheid
draagt. Wil de minister ervoor
instaan dat, analoog aan artikel 20
van de Wet afbreking zwangerschap,
verpleegkundigen nooit tot mede-
werking verplicht kunnen worden?
Wij vinden het niet acceptabel als er
morele druk op verpleegkundigen
wordt uitgeoefend, en evenmin
kunnen wij aanvaarden dat artsen
die de beschermwaardigheid van het
menselijk leven onderschrijven en
praktiseren, de mogelijkheid wordt
onthouden om gynaecoloog te
worden.
Wel waarderen wij uiterst positief
in deze begroting de aandacht voor
de palliatieve zorg. Wij denken dat
dit een goede eerste stap is, die
gevolgd moet worden door andere.
Ik sluit mij aan bij het verzoek van de
fractie van het CDA om de hospices
te blijven subsidie¨ren en te intensive-
ren.
Een actueel thema is dat van de
versterving. Ook over dit begrip is
spraakverwarring ontstaan. Wil de
minister haar inzet gebruiken om te
voorkomen dat via dit begrip
opnieuw de euthanasiepraktijk wordt
opgerekt? Wij hebben er overigens
oog voor dat ook het eerbiedig
terugtreden van de arts bij de
naderende dood van een patie¨nt
onder dit begrip kan vallen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1956" anker="1643" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Deelt u
mijn opvatting dat versterving iets
wezenlijk anders is dan euthanasie?
Zo ja, dan vraag ik mij af waarom u
zei dat u er bang voor bent dat door
middel van versterving de
euthanasiepraktijk wordt opgerekt.
Het zijn echt wezenlijk verschillende
zaken. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1956" anker="1644" partij="SGP" naam="Van der Vlies">
 Ik heb
geprobeerd dit dossier te volgen en
erken dat wij over twee verschillende
dingen praten. Als je alle bijdragen
in de discussie bij elkaar legt, zie je
een vrij breed en divergerend
spectrum van handelingen en
niet-handelingen waarvoor men de
titel versterving gebruikt. Er is een
divergentie aan interpretaties, wat ik
spraakverwarrend noem. Ook de
minister heeft in antwoorden op
vragen van de heer Schutte de
vinger erbij gelegd. Ik vind dat
betreurenswaardig en onjuist. Het
maakt de discussie troebel en
mogelijk onzuiver. Voor mij is het
begrip versterving voorbehouden
aan situaties die wij niet vatten
onder onze definitie van levens-
bee¨indigend handelen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1956" anker="1645" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Ik ben
heel blij met deze toevoeging. Ik
hoop dat u met mij wilt bijdragen tot
het wegnemen van de ongerustheid
bij vele bewoners van verzorgings-
en verpleeghuizen, die is ontstaan
door de discussie die deze zomer in
het land heeft gewoed. Even leek het
idee te ontstaan dat er in de
verschillende instellingen maar wat
gedaan wordt, terwijl de praktijk
bewijst dat dit niet zo is. Misschien
kunnen wij dit in het debat over
euthanasie dat wij nog zullen voeren,
helder uitpraten. In ieder geval
moeten wij in dit huis de ongerust-
heid bij de bevolking niet aanwakke-
ren. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1956" anker="1646" partij="SGP" naam="Van der Vlies">
 Het
omgekeerde zou bevorderd moeten
worden, namelijk dat er geen
ongerustheid maar gerustheid en
vertrouwen is. Ik had nu juist
gehoopt dat de vraagstelling nu en
het mogelijke antwoord daarop van
de minister morgen, een bijdrage
zou kunnen leveren.
Voorzitter! De universiteit voor de
humanistiek te Utrecht voert in
opdracht van de minister van VWS
een onderzoek uit naar ’’de
overwegingen, ervaringen en
wensen van mensen in en rond
euthanasiesituaties’’. Is de minister
bereid de onderzoeksopdracht met
eventuele bijbehoren, alsmede de
onderzoeksopzet aan de Kamer te
zenden. Ik las dit bericht in de
Volkskrant van heden en ik kende het
onderzoek en de opdracht niet. Ik
ben er neutraal nieuwsgierig naar. Ik
zeg neutraal, omdat ik ook dit niet
meteen in een bepaalde sfeer wil
trekken. Het kan een onderzoek zijn
dat onze steun verdient.
Voorzitter! Enige tijd geleden is er
een publieke discussie geweest over
de naleving van de Wet afbreking
zwangerschap of liever gezegd het
niet naleven ervan. Wij vinden het
eigenlijk schokkend dat de regering
in een uiteindelijke reactie de
betekenis van de gesignaleerde
misstanden en de naderhand bekend
geworden onderzoeksresultaten
relativeert. Hoewel ik mij ervan
bewust ben dat we hierover nog een
keer afzonderlijk komen te spreken,
willen wij toch nu al laten blijken dat
wij op zijn minst verwacht hadden
dat de minister een verscherping van
de controle zou aankondigen.
Waarom is dit niet overwogen? Hoe
verhoudt de erkenning van de
minister dat het gaat om ongeboren
leven zich tot het relativerende
karakter van haar reactie? Is een
meer expliciete reactie niet noodza-
kelijk?
Wij zijn de laatste tijd bij herhaling
getroffen door berichten dat het
alcohol- en tabaksgebruik onder
vooral de jeugd schrikbarend
toeneemt. Daarin mogen we niet
berusten. Wij bepleiten opnieuw een
reclameverbod voor deze artikelen.
Wij willen een navenant stemgedrag
voor ons deel in Europa binnenkort.
Kan dat nu eens klip en klaar worden
toegezegd?
Voorzitter! Regelmatig spraken wij
met elkaar over de modernisering
van de ouderenzorg, ook nog bij de
behandeling van het JOZ. Dat
hoeven wij uiteraard niet over te
doen. Wel willen wij nog de vinger
leggen bij de privacy in de verpleeg-
huizen. Dat is een oud punt van ons.
Vorig jaar is het stappenplan aan de
orde geweest. Ik houd de staatsse-
cretaris aan haar toezegging dat er
geen stagnatie in de uitvoering van
het stappenplan optreedt als gevolg
van mogelijke vertragingen in
besluitvorming over bouw-
prioriteiten. Waarom laat de
indiening van het wetsvoorstel
bouwbeheersing zorgvoorzieningen
zo lang op zich wachten, aangezien
het advies van de Raad van State
bijna een jaar oud is? Ik denk dat een
duidelijke verantwoording op zijn
plaats is.
In de komende jaren zal er veel
aandacht moeten uitgaan naar de
kwaliteit van de zorgverlening. Wat
gebeurt er als vervolg op de
zogenaamde Leidschendamconferen-
ties van een aantal jaren geleden?
Welke initiatieven onderneemt de
regering ten aanzien van de
ontwikkeling van het kwaliteits-
beleid? Wij hebben een stukje
bezieling nodig in de zorgsector. Dat
is iets meer dan alleen bezielde
mensen, hoewel wij die natuurlijk
ook nodig hebben. Hoe krijgen wij
die bezieling weer terug? Uiteraard
wil hiermee niet gezegd zijn dat er
niet velen met grote toewijding
werkzaam zijn in de zorg. Maar zij
worden door krapte en dergelijke
teruggedrongen tot op het hoogst
noodzakelijke. Dat is eigenlijk ernstig.
Concreet vraag ik om voldoende
opgeleiden, op toereikend niveau
opgeleiden en weer ruimte voor
aandacht voor mensen die zorg
behoeven.
Voorzitter! Aan het thuiszorg-
dossier hebben de bewindslieden tot
nu toe weinig genoegen beleefd. Wij
gaan ervan uit dat de gedane
toezeggingen gestand gedaan
kunnen worden en dat de admini-
stratieve organisatie berekend is op
haar taak. Ik zeg het met opzet
voorzichtig, omdat het gegeven van
de geweldige achterstand in
facturering aan clie¨nten in verband
met de eigen bijdrage bepaald niet
vertrouwenwekkend is. Uitgedachte
verbeteringen moeten effect
sorteren. Naar aanleiding van de
debatten over de thuiszorg is een
discussie ontstaan over de aan-
sturing van het departement van
VWS. Wat is de actuele stand van
zaken op het punt van de uitvoering
van het plan van aanpak?
Voorzitter! Ik heb begrepen dat
recent besloten is over de formele
grondslag voor de toezending van
het donorformulier op grond van de
Wet op de orgaandonatie. Ik roep de
regering op, in de voorlichting aan
de burgers die er nu aankomt, zich te
beperken tot de feitelijke informatie.
Het moet dus een neutrale tekst zijn,
opdat burgers in volle vrijheid,
zonder enige morele sturing, een
beslissing kunnen nemen inzake het
beschikbaar stellen van organen voor
transplantatiedoeleinden. Graag krijg
ik een concrete toezegging op dit
punt.
Op de problemen van dak- en
thuislozen hebben wij als samenle-
ving nog steeds geen afdoende
antwoord. Gelukkig is er nu een
begin gemaakt met de oplossing in
de onlangs ontvangen nota. Toch
kunnen wij ons niet aan de indruk
onttrekken dat er nog altijd te veel
witte vlekken blijven. Wat gaat de
staatssecretaris daar verder nog aan
doen?
Er is veel te doen rond de
medische hulpmiddelen. Ik wil
nadrukkelijk aandringen op een
samenhangend pakket maatregelen.
Ik houd de minister dan ook aan haar
toezegging dat een en ander ons in
januari, Deo volente, bereikt.
Tot nu toe hebben de drie fracties
namens welke ik spreek zich niet
uitgelaten over het waarborgfonds
voor de zorgsector. Wij hebben
hierover in de achterliggende weken
een stroom informatie gekregen. Ik
verneem graag bondig van de
minister de evidente voordelen van
de gekozen constructie en de
nadelen die wellicht kleven aan
alternatieven, opdat in tweede
termijn de balans kan worden
opgemaakt.
Voorzitter! Zojuist bereikte mij het
bericht dat de Britse regering op 6
november jl. heeft besloten om geen
toestemming meer te geven voor
proeven op dieren ten behoeve van
cosmetica en dergelijke. Wil de
staatssecretaris, die het dierproeven-
beleid in haar portefeuille heeft en
die overigens de verantwoordelijk-
heid daarvoor deelt met anderen, dit
voorbeeld spoedig volgen? Daarover
bestaat in de Kamer consensus. Wij
zaten slechts te wachten tot het
eerste schaap over de dam ging.
Zowel bij de behandeling van het
JOZ als nu bij de behandeling van de
begroting is een groot aantal
thema’s de revue gepasseerd.
Wanneer wij deze in de weegschaal
leggen, tegenover de onderwerpen
die nu geen bespreking hebben
gekregen en die dus als tegenwicht
kunnen fungeren, ontstaat bij onze
fracties uiteindelijk het volgende
beeld. Na enkele heen-en-weer-
bewegingen is de weegschaal net
doorgeslagen naar de verkeerde
kant. Op een aantal thema’s is
weliswaar voortgang geboekt, maar
er zijn nog steeds grote knelpunten
en obstakels. Op een ander aantal
onderwerpen, met name medisch-
ethische kwesties, moeten wij tot
onze grote spijt vaststellen dat het
beleid zich in verkeerde richting
ontwikkelt, waarbij ik er overigens in
een adem aan toevoeg dat wij er
diverse malen waardig over hebben
gediscussieerd. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1957" anker="1647" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Hier
begrijp ik echt niets van. Het is prima
dat u uw eigen conclusie trekt. Maar
u zegt dat de balans is doorgeslagen
naar de negatieve kant vanwege de
medisch-ethische dossiers. Ik heb al
die debatten met u en collega
Schutte gevoerd. Ik herinner mij de
Wet op de orgaandonatie, de Wet
bijzondere medische verrichtingen en
de Wet experimenten met mensen. U
bent meegegaan met al die wetten.
U hebt niet tegengestemd, integen-
deel. Vanuit Paars hebben wij
geprobeerd in dit huis een gezamen-
lijke opvatting op tafel te leggen. U
bent uiteindelijk volwaardig daarmee
akkoord gegaan. Aan het eind geeft
u dit oordeel ten aanzien van die
vraagstukken. Dat kan ik echt niet
rijmen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1958" anker="1648" partij="SGP" naam="Van der Vlies">
 Voorzitter! Ik zei: waarbij ik er
overigens in een adem aan toevoeg
dat wij er diverse malen waardig
over hebben gediscussieerd. Mijn
volgende opmerking zou zijn dat wij
medeverantwoordelijkheid hebben
genomen voor diverse wetten op dat
terrein. Maar wij hebben geen
full-dress euthanasiedebat gehad. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1958" anker="1649" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Dat komt
nog. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1958" anker="1650" partij="SGP" naam="Van der Vlies">

Inderdaad. Maar de ontwikkelingen
baren de fracties van de SGP, het
GPV en de RPF zorg. Wij hebben
stukken over de Wet afbreking
zwangerschap. Ook daarover komen
wij nog te spreken. Maar de
regeringsbrief daarbij baart ons zorg.
Wij hebben ook gesproken over
prenatale diagnostiek. Een ander
voorbeeld dat ik wilde noemen, vind
ik bij nadere overweging niet echt
sterk. Ik moet eerlijk zijn, ik wil u
eerlijk en genuanceerd tegemoet
treden. Maar wat die thema’s betreft
gaapt er een kloof, zo zeg ik
ongaarne, tussen de Paarse coalitie
en dit kabinet en de drie fracties
namens welke ik spreek. Maar dat zal
bekend zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1958" anker="1651" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Dat gun
ik u van harte. Dat is uw eigen
overtuiging. Het gaat mij erom dat u
die overtuiging gebruikt als
argumentatie om de balans inzake
het politieke oordeel over de
kwaliteiten van de bewindslieden
negatief te laten doorslaan. En dat is
niet met elkaar te rijmen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1958" anker="1652" partij="SGP" naam="Van der Vlies">
 Dat is
uw perceptie. Ik leg alle onderwer-
pen die wij behandeld hebben, en
alle ontwikkelingen in de schaal. Ik
zeg dan dat er goede dingen zijn
gebeurd. Ik zeg dan dat er ook
dingen nog niet opgelost zijn; dat
zijn dus minpunten. Ik zeg dat er
medisch-ethische vraagstukken zijn
waarvoor wij inzake kaderwetgeving
medeverantwoordelijkheid hebben
genomen door voor te stemmen. Dat
is een goede discussie geweest.
Verder zijn er een paar forse kluiven
blijven liggen. De stukken die wij
daarover tot nu toe hebben
ontvangen, geven ons in dat wij
gerede aanleiding kunnen hebben
om te vrezen dat de ontwikkelingen
zich van onze principie¨le visies zullen
afkeren in plaats van toekeren.
Dit is weliswaar de laatste
reguliere begrotingsbehandeling,
maar de bewindslieden hebben nog
bijna een jaar te gaan. Ik zeg dat het
eindexamen van, Deo volente,
volgend voorjaar zwaar wordt.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="25-1958">

 
<spreker pagina="25-1958" anker="1653" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Mijnheer
de voorzitter! Paars hoeft zich niet op
’’Borst’’ te kloppen. Als het gaat om
de manier waarop door dit kabinet is
omgesprongen met de zorg, heeft de
SP-fractie veel kritiek. Ik zal
opsommen wat die kritiek globaal
inhoudt.
Ten eerste vinden wij dat
onvoldoende rekening is gehouden
met de sociaal-economische
gevolgen van de nodige wetten die
door dit kabinet zijn aangenomen. Ik
denk met name aan de afbraak van
de sociale zekerheid, waarmee de
armoede is bevorderd. Ik denk aan
de bevordering van de flexibilisering,
waardoor de werkdruk op de
werkvloer verder is toegenomen en
nog zal toenemen. Ik denk aan het
volkshuisvestingsbeleid, dat tot
gevolg heeft gehad dat de segregatie
is toegenomen en dus de opeen-
hoping van problemen in bepaalde
wijken.
Ons tweede punt van kritiek is dat
onder het mom van verlaging van de
collectieve lasten ten behoeve van
werk, werk, werk – zo zegt de heer
Van Boxtel er altijd zo fraai bij –
systematisch de gezondheidszorg
financieel tekortgedaan is. Dat heeft
geleid tot wachtlijsten, tot rantsoene-
ring en tot vermindering van de
kwaliteit van de zorg. Ik stel daar vier dingen tegenover:
1. er had op andere punten
bezuinigd kunnen worden. De
SP-fractie zou bijvoorbeeld fors op
defensie hebben bezuinigd;
2. de overheid had kunnen besluiten
het geld te halen waar het zit. Het is
tegenwoordig iedereen duidelijk
waar het geld zit;
3. het is naar ons idee erg kortzichtig
om te veel op zorg te bezuinigen.
Wat je vandaag aan een gulden
verdient, kun je overmorgen wel
eens aan honderd gulden kwijt zijn.
Als je op preventie kort of verhindert
dat mensen van noodzakelijke zorg
gebruik maken, kan dat later tot
hogere kosten leiden;
4. het verhaal rond collectieve lasten
heeft iets demagogisch. Voor
dezelfde tandzorg betalen wij
collectief uiteindelijk meer, zij het
niet via collectieve lasten.
Ons derde punt van kritiek betreft
de marktwerking. Onder het mom
van kostenbeheersing is de
marktwerking in de gezondheidszorg
gestimuleerd, maar dit leidt
macro-economisch niet tot een
kostenverlaging. De geneesmiddelen-
en hulpmiddelenmarkt bewijst het
tegendeel. Ook de marktwerking in
de thuiszorg leidde niet tot lagere,
maar tot hogere kosten. De
zorgverzekeraars doen enorme
uitgaven aan reclame en marketing.
Dat geeft aan dat wij toch niet
bepaald goedkoper uit zijn. Boven-
dien is er de misvatting dat patie¨nten
onnodig gebruik maken van de zorg.
Ik bestrijd dat. Ik heb stellig het idee
dat de overgrote meerderheid van de
mensen bij voorkeur geen gebruik
maakt van de zorg. Soms besluit
men naar de huisarts te gaan, die
bijvoorbeeld adviseert een ECG te
laten maken. Een patie¨nt als ik denkt dan: dat stel ik nog wel even uit. Zo
ken ik zeer velen voor wie het niet
tot de genoegens van het leven
behoort om gebruik te maken van de
zorg.
Ons vierde punt van kritiek is dat
onder het mom van eigen verant-
woordelijkheid, marktwerking en
convergentie de mensen steeds meer
moeten betalen. Er zijn steeds meer
eigen bijdragen. Ik noem de
thuiszorg, de AWBZ-instellingen, het
ziekenfonds en mogelijk de
psychiatrie.
Dat zijn de vier belangrijkste
punten van kritiek. Ik wil met een
gerust hart stellen dat de problemen
in de gezondheidszorg niet zijn
opgelost, maar eerder groter zijn
geworden. De gezondheidszorg blijft
een ongeordend geheel, waarbij de
sturing steeds meer uit handen is
gegeven, onder meer naar steeds
machtiger wordende verzekeraars.
Vanwege ondoordacht beleid moeten
steeds gaten worden gedicht,
waardoor de gezondheidszorg alleen
nog maar ingewikkelder en
bureaucratischer is geworden.
Daarenboven is de kloof tussen
vraag en aanbod vergroot, met als
gevolg toename van de wachtlijsten,
rantsoeneringen van zorg en
zorgverschraling. Verder is er ook
iets wezenlijks veranderd in de
laatste jaren, althans in mijn
waarneming en als resultaat van de
gesprekken die ik heb met mensen
die in de zorg werken. Het blijkt dat
het moreel aan het dalen is. Ik
behoor niet tot degenen die vinden
dat werken in de zorg hetzelfde is als
werken in elke andere baan. Zowel
voor mensen in het onderwijs als
voor mensen in de zorg geldt toch
dat zij iets extra’s meebrengen. Dat
bewijzen ze dag in dag uit. De
overheid riskeert enorm veel, als het
cynisme op de werkvloer in de zorg
verder zou toenemen. Maar volgens
mij is dat een van de rechtstreekse
gevolgen van het beleid.
Het neoliberale beleid van dit
kabinet is slecht voor de gezondheid
en heeft geleid tot vergroting van
ongezonde verschillen. Paars-2 is
voor de SP dan ook niet bepaald een
wenkend perspectief. Ik wil erop
wijzen dat toen de VVD vier jaar
geleden haar verkiezingsprogram
presenteerde, er over het algemeen
door de grote partijen op werd gereageerd in de zin van: de VVD
plaatst zich in een isolement. Nu
terugkijkend, mogen wij vaststellen
dat dit allerminst het geval is
gebleken en dat bij de formatie de
VVD hoegenaamd al haar wensen op
belangrijke punten heeft binnenge-
haald. Sterker, ze zijn door Paars ook
uitgevoerd. Als ik nu het verkiezings-
program van de VVD lees en ik
luister naar de reacties van de
andere partijen daarop, dan heb ik
een deja` vu-gevoel. De VVD heeft
weer heel strakke eisen met
betrekking tot het ziekenfonds, de
verkleining van de AWBZ, de
verruiming van de eigen bijdrage
voor de huisarts, de herintroductie
van de marktwerking en de
uitbreiding van de marktwerking in
de thuiszorg. De vraag die het
komend halfjaar beantwoord zal
moeten worden, is wat een nieuw
kabinet zal brengen. Wordt dat
inderdaad Paars-2, waarbij PvdA en
D66 alsnog opschuiven in de richting
van de VVD, zoals wij nu hebben
gezien, of zullen wij te maken krijgen
met een principie¨lere opstelling van
de kant van PvdA en D66, bijvoor-
beeld over de wachtlijsten?
Ik wil van de gelegenheid gebruik
maken om het SP-plan met
betrekking tot de gezondheidszorg
hier naar voren te brengen. Dat is
een tienpuntenplan. Wij zijn van
mening dat de gezondheidszorg
gebaseerd moet zijn op de uitgangs-
punten menselijke waardigheid,
gelijkwaardigheid en solidariteit. Wij
komen dan tot de volgende tien
punten.
1. Ervan uitgaande dat iedereen de
kans loopt om ziek te worden,
hebben wij solidariteit nodig.
Daarvoor is een volksverzekering het
meest aangewezen middel. De
middelen voor die volksverzekering
kunnen worden vergaard naar
draagkracht, hetzij via premies, hetzij
via belastingen.
2. Vanuit het oogpunt van sturing
en doelmatigheid, dient er een
systeem te zijn. Splitsing in AWBZ en
ziekenfonds leidt naar ons inzicht tot
ondoelmatigheid, gebrek aan
afstemming en substitutie en
afwentelingsmechanismen van
zorgverzekeraars naar AWBZ.
3. Om de toegankelijkheid voor
iedereen te waarborgen, mogen er
geen financie¨le drempels zijn, dus
ook geen IZA-achtig model. Er is nog
niemand die mij heeft kunnen
uitleggen, al heeft de heer Van
Boxtel daar zo-even een poging toe
gedaan, waarom nu eigenlijk de
eigen bijdrage nodig is. De heer Van Boxtel zegt dan: anders kunnen wij
het allemaal niet meer betalen. Ik
heb daar mijn twijfels over, want je
kunt het natuurlijk gewoon via de
belastingen naar draagkracht innen.
Dus ik zie dat wezenlijke punt niet zo.
In ieder geval hebben wij fundamen-
tele bezwaren tegen drempels.
4. De overheid heeft een belang-
rijke rol als verantwoordelijke voor
de bevordering van de volksgezond-
heid. Dat staat ook als zodanig in de
Grondwet.
5. Doelmatig gebruik van
collectieve middelen. Daarmee wil ik
eigenlijk introduceren dat wij niet
voor dat ’’prikkel’’-idee zijn. Wij
hebben hier wel vaker gesproken
over de voor- en nadelen van de
marktwerking. Vaak wordt dan gezegd: dat is de prikkel om
organisaties efficie¨nt te laten werken.
Ik heb de heer Bolkestein ook wel
eens gevraagd of hij dan voorstander
is van het privatiseren van politie,
gevangeniswezen en brandweer.
Neen, dat zag hij toch echt anders.
Daar was ik weer gerust over. In de
Verenigde Staten zien wij per slot
van rekening wel experimenten op
dat punt. Ook als het om collectieve
middelen en collectieve taken gaat,
moet het mogelijk zijn om door
middel van toezicht en controle en
via meetbare resultaten te kijken of
er wel efficie¨nt wordt gewerkt.
6. Centraal wat centraal moet.
Daar bedoel ik mee dat er naar mijn
idee te veel is gedecentraliseerd naar
de gemeenten. Ik geloof er niet in
dat gemeenten, gemeenteraden en B
en W’s bereid zijn om voldoende
politieke prioriteit te geven aan zoiets
als de publieke gezondheidszorg.
7. De huisarts als poortwachter.
Om dit goed te doen en vanwege
uitbreiding van de taken van die
huisartsen, zou ik willen pleiten voor
kleinere praktijken.
8. Tegengaan van consumentisme.
De SP-fractie is geen voorstander van het uitgangspunt: wat kan dat
moet. Integendeel. Het is mijn indruk
dat de verwachtingen van mensen
met betrekking tot de gezondheids-
zorg te hooggespannen zijn. Ik zal
daar nu niet verder op ingaan. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1959" anker="1654" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Ik zou haast zeggen: als een tomaat zo
rond, iedereen gezond. Dat is kort en
bondig samengevat wat er tot nu toe
gezegd is. Er zit echter een grote
innerlijke tegenstrijdigheid in uw verhaal. U zei net: ik ken niemand
die graag naar de dokter gaat. U
nam uzelf als voorbeeld. Vervolgens zegt u: wij zijn niet de partij die vindt
dat alles maar moet wat kan. Dat is
een innerlijke tegenstrijdigheid. Er
zijn namelijk veel mensen die wel
vinden dat zij alles moeten hebben
wat kan. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1959" anker="1655" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Het ging
mij bij dit punt meer om de
levenshouding alsof de gezondheids-
zorg de toegang zou zijn tot eeuwig
menselijk geluk. Dat is een pretentie
die meer heeft te maken met een
cultuurbeeld, waarbij soms de
opvatting lijkt te leven alsof – dat
moet u dan breder zien dan alleen de
gezondheidszorg – het bestedingspa-
troon van mensen recht evenredig is
met het geluk. Hoe hoger het
bestedingspatroon, hoe hoger het
geluk. Het hedonisme dus. Met
betrekking tot de gezondheidszorg
vind ik ook dat de overheid moet
proberen om mensen duidelijk te
maken dat gezondheidszorg niet de
leverancier van gezondheid is. Wij
hebben al vaker gesproken over
sociaal-economische gezondheids-
verschillen. Als wij het daarover
hebben, hebben wij het niet primair
over de gezondheidszorg, maar over
de omstandigheden waar mensen
ziek van worden.
9. Maatschappelijke opwaardering
van de werkers in de zorg en dan
met name van de verzorgenden en
de verplegenden, wat betreft
beloning, opleiding, zeggenschap en
arbeidsomstandigheden.
10. Gezondheidsbeleid in ruime
zin, dus in samenhang met het
beleid op het gebied van inkomen,
sociale zekerheid enzovoort.
Voorzitter! Heb ik nog tien
minuten of zijn er tien minuten om? 

</spreker>
<spreker pagina="25-1960" anker="1656" naam="De voorzitter">
 Nu vraagt u naar de
bekende weg. U heeft netto 10
minuten gesproken. U heeft totaal 12
minuten spreektijd. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1960" anker="1657" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Dan zal ik
mij beperken tot nog twee punten,
de hulpmiddelen en de wachtlijst-
omzeilende initiatieven. Ik denk dat
gesteld mag worden dat de minister
zich schuldig heeft gemaakt aan een
aantal ondoordachte uitspraken. Ik
kan verwijzen naar de opleiding van
huisartsen, de uitspraak over
dislectie, maar ook naar uitspraken
over de bedreigingen. De minister
deed in Den Haag vandaag een
uitlating. De dag daarna bleek het
toch weer anders te liggen. De
persoon in kwestie ging zich met de
zaak bemoeien. Om een lang verhaal
kort te maken, ik denk dat de
minister het nodige heeft uit te
leggen. Zij moet uitleggen wat er de
vorige week allemaal fout is gegaan
en waarom niet is gedaan wat de
Kamer wilde. Waarom is niet
doorgezet toen het rapport ver-
scheen waaruit bleek dat er zoveel te
bezuinigingen was in de hulpmidde-
len? Waarom heeft de minister op
een bepaald moment gezegd dat zij
geen vervolgopdracht geeft aan de
persoon in kwestie, omdat de
bedreigingen haar te bedreigend
voorkwamen? Ik sluit mij aan bij
diegenen die voor mij reeds hebben
gezegd dat de onderste steen in dit
dossier boven moet komen, vooral
ook omdat niet alleen ik, maar ook
anderen zich enigszins hebben
gestoord aan de laconieke indruk – ik
weet niet wat daar de achtergrond
van was – die de minister vestigde
toen zij de televisie te woord stond
en ondervraagd werd over die
bedreigingen en de gevolgen die die
hadden voor het beleid. Laat ik
duidelijk zijn, ik vind het ten
enenmale onaanvaardbaar dat er
bedreigingen worden geuit. Uit het
veld wordt dat overigens bestreden.
Het kunnen ook een paar gekke
individuen zijn geweest. Maar ik vind
het zeker zo onaanvaardbaar dat de
overheid nog maar de schijn zou
wekken voor bedreigingen aan de
kant te gaan. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1960" anker="1658" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Gistera-
vond zijn al deze vragen exact zo bij
de behandeling van het Jaaroverzicht
zorg gesteld. Die vragen zijn ook
beantwoord. Die antwoorden kunt u
dus nalezen. Ik vraag mij af waarom
u die vragen nog eens stelt. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1960" anker="1659" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Blijkbaar
was die beantwoording niet
bevredigend, want onder anderen
door de heer Oudkerk is gevraagd
om inzage van het gehele dossier zo
spoedig mogelijk, om te zien wat er
precies is gebeurd. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1960" anker="1660" partij="D66" naam="Van Boxtel">
 Dat is
een andere vraag. Daar heeft de
minister ook op geantwoord. Zij
heeft gezegd dat zij daarover in
januari een brief met een plan van
aanpak zal sturen. Ik heb hem ook
horen zeggen dat hij dat prima vond.
Maar u herhaalt gewoon de vragen
die gisteren zijn gesteld. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1960" anker="1661" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Ik acht mij
gerechtigd vragen te stellen wanneer
ik dat wil en aan wie ik dat wil. Ik kan
het niet helpen dat behandeling van
het JOZ zo vlak voor de begrotings-
behandeling plaatsvindt. Ik heb daar
zelfs nooit een mening over
gegeven. U kunt mij dat blijven
inwrijven. Wij hebben een twee-
mansfractie. Ik had gisteren andere
verplichtingen. Ik was gisteren in
Nijmegen bij een manifestatie tegen
de groeiende tweedeling. Daar ging
het ook over de gezondheidszorg.
Daar was een cabaretier die op een bepaald moment zei: wij moeten de
criminaliteit legaliseren. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1960" anker="1662" naam="De voorzitter">
 Het feit dat u niet aan
een debat kunt deelnemen, is in dit
huis geen argument om als er een
debat plaatsvindt over de begroting te zeggen: ik was er gisteren niet bij
en nu is het mijn beurt. U heeft die
beurt voorbij laten gaan. Daar kunt u
goede argumenten voor hebben,
maar het is wel gebeurd. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1960" anker="1663" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Voorzitter!
Ik zal er wel helemaal alleen in staan
– of ik krijg steun van collega’s –
maar ik ben het volledig met u
oneens. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1960" anker="1664" naam="De voorzitter">
 Dat mag. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1960" anker="1665" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Ja, dat
mag zeker. Ik wens mijn spreektijd in
te vullen zoals ik dat wil. Ik kon
gisteren niet bij de behandeling van
het JOZ aanwezig zijn en vandaag
behandelen wij de begroting van
Volksgezondheid. Dan mag ik de
vragen stellen die mij op de lippen
branden. Dus ik snap niet wat u met
uw interventie beoogt. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1960" anker="1666" naam="De voorzitter">
 Ik ontneem u het
woord ook niet, maar wij voeren wel
een debat met elkaar. Er heeft eerder
een debat plaatsgevonden over een
zeer belangrijk onderdeel van het
volksgezondheidsdossier. Ik denk dat
het bij de goede gewoonten van dit
huis hoort om daar dan bij een ander
debat rekening mee te houden. Maar
u mag nu ook vragen stellen over
defensie, als u dat zou willen. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1960" anker="1667" partij="SP" naam="Marijnissen">
 Nee, ik
stel geen vragen over defensie; ik
stel vragen met betrekking tot
volksgezondheid aan de minister van
Volksgezondheid. Dus ik zie het
probleem niet, maar misschien kunt
u het op een ander moment nog
eens uitleggen.
Voorzitter! Ik wilde met het
voorbeeld van de cabaretier
aangeven dat ik niet begrijp wat de
minister nu eigenlijk wil. Ik wilde net
de clou vertellen, maar door de
interventie is de gein ervan af. Ik ben
nagegaan welke uitspraken de
minister heeft gedaan met betrekking
tot de wachtlijstomzeilende
initiatieven. In een brief van 22 mei jl. schrijft zij: gegeven deze situatie
ga ik dus niet akkoord met initiatie-
ven waarbij werkenden sneller
geholpen worden dan niet-
werkenden. Nu schrijft zij in de brief die voorligt: naar mijn idee is het
kader nog immer actueel en een
goed vertrekpunt voor het formule-
ren van de benodigde randvoorwaar-
den voor genoemde experimenten.
Een ander voorbeeld. In antwoord op
vragen van februari 1997 naar
aanleiding van het NZI-project stelde
de minister dat zij bij de opvatting
blijft dat opbrengsten onderdeel van
het budget moeten zijn en dat een
Robin Hoodscenario inderdaad
gekenmerkt wordt door twee
snelheden die hun oorsprong vinden
in niet-medische gronden. Nu stelt
de minister: ik ben bereid een
beperkt aantal initiatieven als
experiment aan te merken en deze te
ontheffen van de verplichting om de
extra financie¨n te verrekenen met het
overige budget en dus af te romen.
Mijnheer de voorzitter! Ik snap er
helemaal niets meer van. Er zijn nog
veel meer stellingen in de brief die ik
niet snap. Stel nu dat een werknemer
als gevolg van skie¨n een probleem
heeft, kan hij dan ook gebruik maken
van de faciliteit van het bijzondere
spreekuur? Als zo iemand nu een
hernia heeft, is die hernia dan aan
het werk te wijten of ergens anders
aan? Wie gaat dan vaststellen of hij
binnen dat arbeidsgerelateerde
probleem valt en dus van dat
spreekuur gebruik mag maken, of dat
hij gewoon regulier op de wachtlijst
moet. Dat is niet uit te voeren. En,
zoals gezegd, wie bepaalt dat? Dan
het belang van snelle diagnostiek. De
minister stelde dat het alleen ging
om de diagnostiek. Vervolgens moet
zo iemand ook weer bij de wachtlijst
aansluiten. Wat is dan het verschil
nog tussen een specialist en een
controlerend geneesheer? Het enige
wat die specialist nog doet – en dat
is het belang van de werkgever – is
vaststellen of die mijnheer of
mevrouw simuleert, of dat er serieus
iets aan de hand is. Dat komt voor
mijn gevoel heel dicht in de buurt
van een veredelde controlerend
geneesheer.
Mijnheer de voorzitter! Ten slotte
een opmerking over het referentieka-
der, waarover de minister het ook in
haar brief heeft. Vanaf 1995
discussie¨ren wij hier al over in de
Kamer. Ik weet nog dat wij discussi-
eerden over de wachtlijstomzeilende
initiatieven. De minister heeft toen gezegd: nee, wij wachten nog een
congres af. Om een lang verhaal kort
te maken, er kwam een referentieka-
der. De minister zegt dat de
initiatieven aansluiten bij het
referentiekader. Ik wijs erop dat dit
kader werd afgewezen door de
huisartsen, de patie¨nten, maar ook
door bijvoorbeeld de FNV. Ik ben dan
ook erg benieuwd naar de reactie
van de minister.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="25-1961">

 
<spreker pagina="25-1961" anker="1668" partij="Unie 55+" naam="Leerkes">

Mijnheer de voorzitter! Ik spreek
tevens namens het AOV. Als
hekkensluiter zou ik dingen kunnen
zeggen die de gehele dag al zijn
gezegd. Ik ben dat niet voornemens
te doen. Ik wil graag nog kwijt dat
gezondheidszorg in wezen politiek
niet eens interessant is. Ik weet dat
voor de oorlog, bijvoorbeeld bij de
formatie van een kabinet, op het
laatst altijd nog even een staatsse-
cretaris – soms zelfs een minister –
voor volksgezondheid moest worden
aangewezen. Het was altijd het
sluitstuk van de kabinetsformatie.
Gelukkig zijn wij daar nu overheen.
Dat heeft een aantal oorzaken. Ik
noem in de eerste plaats de zich
opstapelende problemen in de zorg,
die worden veroorzaakt door de
toenemende vergrijzing. Ik vind dat
overigens een afschuwelijk woord.
Geef de mensen toch een kleurspoe-
ling, dan zijn wij misschien ook van
dat woord af! Er wordt steeds meer
uit de gezondheidszorg ’’geconsu-
meerd’’. De kosten rijzen de pan uit.
In feite weten wij niet wat wij ermee
aan moeten.
Vandaag is een aantal zaken niet
genoemd, die ik toch wil aantippen.
Ik verzoek de minister daarop in te
gaan. Wij kennen allemaal het
bekende tv-spotje waarin aan een
keurig gedekte tafel een jongetje zit,
met een mooi kuifje en de handjes
netjes naast het bord. Aan de
overkant zit er een meneer in een
mooi grijs pak. Moeder komt, in een
nog mooier pakje, binnen met de
vleesschotel. De meneer snijdt een
stuk vlees af. Hij wil dat vervolgens
op het bord van het jongetje
deponeren. Dat jongetje denkt dan hardop: wie is toch die meneer die
hier iedere zondag het vlees komt
snijden?
Wellicht vraagt men zich af wat dit
met gezondheidszorg te maken heeft.
Ik was eergisteren op bezoek bij mijn
huisarts voor een ’’APK-keuring’’. Hij
is lid van de LHV. Hij vertelde mij dat
de tijd aanbreekt waarin de nieuwe
generatie medici – de heer Oudkerk
corrigeert mij maar als het niet zo is
– niet meer 60, 70 uur per week
wenst te werken. Zij willen ook iets
betekenen voor hun gezin. Ik vind
dat een nobel streven; zo hoort het
ook. Het houdt echter wel in dat wij
op termijn te maken krijgen met een
tekort aan huisartsen, voorzover dat
er nu al niet is. Van de minister hoor
ik graag wat daaraan gedaan kan
worden. Hoe moeten wij dit
probleem oplossen?
Er is ook een probleem in de
sector van de verpleegkundigen. Het
rapport ’’Gezondheidszorg in tel’’
wijst op de verminderende belang-
stelling voor het vak van verpleeg-
kundige en medewerkster in de
thuiszorg. Dat is zonder meer een
probleem, omdat de thuiszorg juist
steeds toeneemt. Ik zou het bijzonder
op prijs stellen als de staatssecretaris
hier iets over zou zeggen. Hoe moet
dit probleem worden opgelost? Er
zijn alfahulpen, mensen met een
nulurencontract. Ik vind dat eigenlijk
de meest onsympathieke oplossing
om hulp te verlenen in die sector.
Het aantal opgeleide krachten neemt
ook in de thuiszorg af. De druk wordt
te groot en het werk wordt te zwaar.
Kort en goed komt het erop neer dat
ik graag van de minister wil horen
wat daar in de toekomst aan gedaan
zal worden.
Wij hebben in de jaren zestig een
tekort aan verpleegkundigen gekend.
Dat werd zo erg dat er op een
gegeven moment in het Academisch
Ziekenhuis Utrecht afdelingen
gesloten moesten worden. De
toenmalige minister Toxopeus heeft
daar toen een einde aan gemaakt
door middel van een drastische
verhoging van de salarissen voor
verpleegkundigen. Ik hoop dat de
minister daarnaar wil kijken.
Ik kom te spreken over de
ouderen. Men moet van mij
aannemen dat er mensen zijn, ook
jongere mensen zoals 50-plussers,
die een beetje angst hebben voor het
oud worden. Er is vandaag gespro-
ken over de mantelzorg. Dat is de
meest liefdevolle gebeurtenis in de
samenleving waarmee je mensen op
leeftijd kunt helpen. Ik heb echter al
vaker gezegd dat die mantelzorg
bijna een utopie is. Het is niet meer
zo dat jonge mensen vader en
moeder aan het einde brengen. Het
is bijna niet meer mogelijk om in de
buurt, in grote steden bijvoorbeeld,
mensen te vinden die 24 uur toezicht
houden op mensen die de hele dag
in bed liggen. Mantelzorg is prachtig,
daar waar het gegeven kan worden.
Wij moeten de mantelzorg echter
niet ten tonele voeren als een van de
grote oplossingen. Dat zal altijd de
thuiszorg moeten blijven.
Voorzitter! Ik wil mij ten slotte
graag aansluiten bij de woorden van
de heer Middel, en wil mijn
waardering uitspreken voor het
optreden van dit duo in de afgelopen
vier jaar. 

</spreker>
<spreker pagina="25-1961" anker="1669" naam="De voorzitter">
 Wij zijn hiermee
gekomen aan het einde van de
eerste termijn van de kant van de
Kamer. Het kabinet zal morgen na de
lunchpauze antwoorden.
De algemene beraadslaging wordt
geschorst.</spreker>
</blok>
<blok pagina="25-1962">Lijst van ingekomen stukken,
met de door de voorzitter terzake gedane voorstellen:
1. vijf koninklijk boodschappen, ten
geleide van de volgende voorstellen van (rijks)wet:
Regeling van de subsidie¨ring van
politieke partijen (Wet subsidie¨ring
politieke partijen) (25704);
Goedkeuring van het op 10
september 1996 te New York tot
stand gekomen Verdrag inzake het
alomvattend verbod op kernproeven
(Trb. 1997, 62) (25728, R1602);
Uitvoering van de verordening van
de Raad van de Europese Unie
inzake het Gemeenschapsmerk
betreffende de aanwijzing van de
nationale autoriteit voor het
exequatur en de bevoegde rechtbank
(Uitvoeringswet E.G.-verordening
inzake het Gemeenschapsmerk)
(25729);
Samenvoeging van de gemeenten
Gulpen en Wittem (25738);
Verlenging van de zittingsduur van
de raden van de gemeenten Gulpen
en Wittem in verband met de
samenvoeging van deze gemeenten
(25739).
Deze koninklijke boodschappen, met
de erbij behorende stukken, zijn al
gedrukt en rondgedeeld; 2. de volgende brieven:
een, van de staatssecretaris van
Buitenlandse Zaken, ten geleide van
het kwartaaloverzicht van omzetting
van EG-richtlijnen in nationale
regelgeving naar de stand van 30
september 1997 (21109, nr. 92);
twee, van de minister van Justitie, te weten:
een, ten geleide van het verslag van
de informele bijeenkomst van de
ministers van justitie en binnen-
landse zaken d.d. 9 en 10 oktober
1997 (23490, nr. 80);
een, over taakstraffen en de
uitvoering hiervan (25600-VI, nr. 11);
een, van de minister en de
staatssecretaris van Justitie, over de
Engelse voorstellen met betrekking
tot de jeugdcriminaliteit (25600-VI, nr.
10);
twee, van de staatssecretaris van Justitie, te weten:
een, over de drie uitgeprocedeerde
Iraanse asielzoekers (19637, nr. 284);
een, over de aangenomen motie
(25386, 19637, nr. 8) (19637, 25601,
nr. 285);
een, van de staatssecretarissen
van Justitie en van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport, over de inkomens-
onafhankelijke ouderbijdragen
(24885, nr. 11);
een, van de minister van
Binnenlandse Zaken, inzake de
pensioenregelingen europarlementa-
rie¨rs (25707, nr. 4);
negen, van de minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap- pen, te weten:
een, ten geleide van de agenda van
de EU-Onderwijsraad die zal
plaatsvinden op 20 november 1997
(21501-06, nr. 20);
een, inzake de invoering van de
parlementaire decentralisatietoets
(22236, nr. 49);
een, ten geleide van de
Arbeidsmarkteffectrapportage
onderwijs en onderzoek 1998 (23328,
nr. 36);
een, over de prestaties van USZO
(24706, nr. 20);
een, over een reactie op het rapport
van de commissie toekomst
studiefinanciering (commissie-
Hermans) (24724, nr. 17);
een, ten geleide van de regeling voor
de sector BVE (25733, nr. 2);
een, over de wettelijke grondslag van
deze regeling (25733, nr. 3);
een, over onder andere versnelling
financie¨le verantwoording (25600-
VIII, nr. 21);
een, over het thema ’’orie¨ntatie op
normen en waarden’’ (25615, nr. 4);
drie, van de staatssecretaris van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap- pen, te weten:
een, over de samenwerking tussen
landelijke en regionale omroep –
respectievelijk STER en ORN – op
terrein van de reclameverkoop
(23968, nr. 37);
een, over een subsidie voor de
monumentenzorg (25013, nr. 15);
een, over het media- en minderhe-
denbeleid (25601, nr. 8);
twee, van de minister van Financie¨n, te weten:
een, ten geleide van de ontwerp-
agenda van de Ecofin-Raad van 17
november 1997 (21501-07, nr. 200);
een, ten geleide van het verslag van
de Ecofin-Raad van 5 november
(21501-07, nr. 201);
twee, van de staatssecretaris van Defensie, te weten:
een, over getrokken vuurmonden van
het type M114 en zelf-
voortbewegende vuurmonden van
het type M109 (25600-X, nr. 12);
een, over het project ’’Vervanging
ziekenauto Mercedes-Benz L508D’’
(25600-X, nr. 13);
twee, van de minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, te weten:
een, ten geleide van het Besluit van
22 september 1997, houdende
wijziging van het Besluit lucht-
kwaliteit zwaveldioxide en zwevende
deeltjes (zwarte rook), het Besluit
luchtkwaliteit stikstofdioxide en lood
en het Besluit luchtkwaliteit benzeen
(uitwerking vereisten Wet milieube-
heer, wijziging in controle- en
rapportverplichtingen en kleine
andere wijzigingen) (25716);
een, ten geleide van het Besluit tot
wijziging van het Inrichtingen- en
vergunningenbesluit milieubeheer
(25740);
een, van de staatssecretaris van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer, over de
Regeling bijdrage huurlasten (RBH)
(25090, nr. 67);
twee, van de minister van Verkeer en Waterstaat, te weten:
een, over het standpunt inzake de
tracewetprocedure rijksweg 33,
gedeelte Spijk-Eemshaven (25734);
een, over de objecten die zijn
afgevoerd van het programma voor
decentralisatie van het beheer en
onderhoud van natte waterstaats-
werken (25600-A, nr. 9);
twee, van de minister van Economische Zaken, te weten:
een, ten geleide van de kabinets-
reactie op AWT-advies nr. 27 over de
invloed van wet- en regelgeving op
innovaties (25600-XIII, nr. 22);
een, over de technologiesteun aan
Philips (25600-XIII, nr. 23);
een, van de minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, over de
situatie bij de Amsterdamse en
Rotterdamse havenpools (25600-XV,
nr. 9);
vijf, van de minister van Volksge- zondheid, Welzijn en Sport, te weten:
een, ten geleide van de voortgangs-
rapportage Kostenbeheersing
medische hulpmiddelen (24124, nr.
63);
een, over seksualiteitshulpverlening
door de Rutgersstichting (25600-XVI,
nr. 23);
een, over ongelijkheid in het
standaardpakket (25600-XVI, nr. 24);
een, over budgettering van huisart-
sen voor de kosten van geneesmid-
delen (25604, nr. 7);

</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


