<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN6515C13]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Lijst van ingekomen stukken (donderdag 20 november 1997)</item>
<item attribuut="Bestand"> 20 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Staats- en bestuursrecht (Parlement)</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Parlement</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1997-1998, nr. 9, Tweede Kamer, pag. 2127-2128</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">20-11-1997</item>
<item attribuut="Document-id">HAN6515C13</item>
<item attribuut="Omvang">2 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Tweede Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Ingekomen stukken</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Presidiumbesluit</item>
<item attribuut="doccode">TK 27</item>
</metadata>

<text>	
Men mag zich dan niet hetzelfde
noemen, zodat iedereen van buiten
denkt dat het een school is. 
<spreker pagina="27-2127" anker="1" partij="D66" naam="Lambrechts">
 Dat
vraagt dus om creatieve benamin-
gen? 

</spreker>
<spreker pagina="27-2127" anker="2" soort="Staatssecretaris" naam="Netelenbos">
 Ik wil
het toch maar precies houden zoals
het is, want anders kan ik het niet
uitleggen.
Geen planningsconsequenties, zo
heeft de heer Van de Camp gezegd.
Dat klopt; dat heb ik al in eerste
termijn gezegd.
Dan kom ik bij de brief van de
Vereniging voor openbaar onderwijs.
Ik pak de brief er even bij. De
strekking ervan is gericht op de
derde nota van wijziging en op de
overheersende overheidsinvloed.
Men denkt dat de bestuurlijke fusies
op grote schaal zullen voorkomen en
dat er dan fricties zullen ontstaan.
Men pleit eigenlijk voor een lex
specialis, zodat je van geval tot geval
bij wet regelt dat men een
samenwerkingsbestuur mag zijn. De
laatste twee opmerkingen van de
vereniging, namelijk dat het heel
vaak voorkomt en dat men het bij lex
specialis wil regelen om kennelijke
fricties te voorkomen, kan ik niet
plaatsen. Ik vind dat een heel rare
tegenstelling in de redenering. Als
het wordt toegestaan, dan kan men
daartoe besluiten; dan geef je die
ruimte. Of je regelt het bij lex
specialis. Ik begrijp echter niet wat
men dan in het kader van die
mogelijke fricties voorkomt. Kennelijk
pleit men voor een soort
interpretatieruimte of de wetgeving
het wel toestaat. Dat geeft naar mijn
gevoel te veel rechtsonzekerheid.
Daar moet je nooit voor zijn, want in
gelijke situaties moet men toch gelijk
behandeld kunnen worden.
Het enige wat overblijft, is de
vraag hoe het nu zit met de
overwegende overheidsinvloed.
Daarover is in het kader van de nota
naar aanleiding van het verslag al
uitgebreid gediscussieerd, maar ik
wil nog wel kort schetsen hoe dat
wordt vormgegeven.
Het bestuur van de stichting moet
jaarlijks verslag uitbrengen aan de
gemeenteraad. In dat verslag moet
het aandacht schenken aan de
wezenskenmerken van het openbaar
onderwijs. Dat is niet zomaar wat.
Het betekent dat men ieder jaar
opnieuw verantwoording moet
afleggen. Dat verslag wordt ook
bekendgemaakt. Daarmee kan de
gemeenteraad toezicht uitoefenen.
Men kan voortdurend kijken of het
nog in orde is met de wezens-
kenmerken. De vaststelling van de
begroting en jaarrekening geschiedt
na overleg met de gemeenteraad van
de gemeente waarin de openbare
school gelegen is. Ook dat is een
overheidsinvloed die normaal niet
aan de orde is. Bij ernstige taak-
verwaarlozing kunnen de nodige
maatregelen worden getroffen. Op
grond van de ontwikkelingen kan
men tot de conclusie komen dat het
onderscheid openbaar-bijzonder
begint te verdwijnen en dat kan dus
niet. Dan functioneert men feitelijk in
strijd met de wet. Hiermee is mijns
inziens de overheersende overheids-
invloed goed geregeld. Ik ben het
dus niet eens met de VOO. Wij
moeten ons geen lex specialis
aandoen. Verscheidene woordvoer-
ders hebben dat ook aangegeven.
De heer Van de Camp heeft een
drietal waarom-vragen vanuit het
verleden gesteld. Dat is altijd lastig,
want daarbij gaat het om interpreta-
ties, waarover je van mening kunt
verschillen. Ik ben blij dat ook de
heer Schutte zei dat de ene
interpretatie van de grondwettigheid
niet beter is dan de andere. De wijze
van benadering is in de loop van de
geschiedenis veranderd. Waarom
viel het voorbereidend beroepson-
derwijs eerst niet onder de
overschrijdingsregeling? Daarvoor
moet ik verwijzen naar de ontstaans-
geschiedenis van het VBO. Onlangs
heb ik een lezing gehouden op de
VBO-MAVO-dag, die ieder jaar in Ede
wordt gehouden. Bij die gelegenheid
heb ik de ontstaansgeschiedenis van
het beroepsonderwijs nog weer eens
gememoreerd. Heel lang is gebakke-
leid over de vraag of beroepsonder-
wijs u¨berhaupt wel onderwijs was, of
dat onder normale condities en wet-
en regelgeving zou moeten vallen.
Die aparte ontstaansgeschiedenis
verklaart waarom men anders dan bij
de andere sectoren niet altijd
onmiddellijk meeliep bij zaken als
artikel 23 van de Grondwet en
bepaalde deugdelijkheidseisen en
bekostigingsvoorwaarden. Het
meisjesonderwijs heeft ook onder
zo’n ontstaansgeschiedenis geleden.
De vraag of meisjes wel echt
onderwijs moesten krijgen, is heel
lang zeer actueel geweest. Gelukkig
denken wij daar nu volstrekt anders
over. In 1917 was men er nog niet
uit.
Het debat over de uitleg van het
derde model in de WEB, dat ik zo
virulent met de heer Reitsma heb
gevoerd, ga ik niet overdoen. Ik moet
de heer Van de Camp daarvoor echt
verwijzen naar de Handelingen, die
zeer de moeite waard zijn om nog
eens terug te lezen.
Wanneer is het onderscheid
tussen school en onderwijs
geı¨ntroduceerd? Ik meen dat dat in
1917 met het grondwetsartikel is
gebeurd.
De algemene beraadslaging wordt
gesloten. 

</spreker>
<spreker pagina="27-2127" anker="3" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, aan-
staande dinsdag te stemmen.
Daartoe wordt besloten.

</spreker>
<blok pagina="27-2127">Lijst van ingekomen stukken,
met de door de voorzitter terzake gedane voorstellen:
1. zes brieven van de voorzitter van
de Eerste Kamer der Staten-
Generaal, met de mededeling, dat zij
in haar vergadering van 18 novem-
ber 1997 de haar door de Tweede
Kamer toegezonden voorstellen van
wet, gedrukt onder de nummers
25329, 25379, 25461, 25480, 25481,
25482, 25483, 25484, 25485, 25486,
25487, 25488, 25489, 25490, 25491,
25492, 25493, 25494, 25495, 25496,
25497, 25498, 25499, 25500, 25501 en
25636, heeft aangenomen.
De voorzitter stelt voor, deze brieven
voor kennisgeving aan te nemen; 2. de volgende brieven:
een, van de staatssecretaris van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap-
pen en de minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij, over
invoering leerwegondersteunend en
praktijkonderwijs (25410, nr. 5);
een, van de minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer, over de
gevolgen die een aantal bedrijven
momenteel nog ondervindt als
gevolg van artikel 27 van de
voormalige Hinderwet (24445, nr. 38);
een, van de minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
over onderwijs en onderzoek in de
ecologische landbouw (25600-XIV, nr.
29);
een, van de minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
over het PEO-programma volksge-
zondheid en zorg 1998 (25600-XVI,
nr. 25);
een, van het lid De Haan c.s.,
inzake uitdrukkelijke goedkeuring van
het Verdrag tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en de Republiek Estland
tot het vermijden van dubbele
belasting en het voorkomen van het
ontgaan van belasting met betrek-
king tot belastingen naar het
inkomen en naar het vermogen
(25683, nr. 2).
Deze brieven zijn al gedrukt en
rondgedeeld;
3. een brief van de secretaris-
generaal van het Europees Parle-
ment, ten geleide van een aantal
aangenomen resoluties.
Deze brief ligt op de griffie ter
inzage; 4. de volgende brieven:
een, van de Vakgroep Agrarische
Vrouwen, inzake de
herstructureringswet;
een, van W.F. Korthals Altes, over
de waterschapsverkiezingen;
een, van L.H.M. van den Bedem,
over het vonnis van de arrondisse-
mentsrechtbank;
een, van het gemeentebestuur van
Geleen, inzake de motie van de
gemeenteraadsfractie GroenLinks
over de situatie waarin uit-
geprocedeerde Iraanse vluchtelingen
verkeren en de ernstige schendingen
van de mensenrechten in Iran;
een, van Jac. Glas, over de invloed
van ambtenaren in Nederland.
Deze brieven e.a. liggen op de griffie
ter inzage.</blok>
<blok pagina="27-2128">Presidiumbesluit
Het Presidium heeft met eenparig-
heid van stemmen besloten, te stellen in handen van:
a. de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken:
- het wetsvoorstel Goedkeuring van
het op 10 september 1996 te New
York tot stand gekomen Verdrag
inzake het alomvattend verbod op
kernproeven (Trb. 1997, 62) (25728,
R1602); b. de vaste commissie voor Justitie:
- het wetsvoorstel Wijziging van de
Wet op de kansspelen (speelautoma-
ten) (25727);
- het wetsvoorstel Uitvoering van de
verordening van de Raad van de
Europese Unie inzake het
Gemeenschapsmerk betreffende de
aanwijzing van de nationale autoriteit
voor het exequatur en de bevoegde
rechtbank (Uitvoeringswet E.G.-
verordening inzake het
Gemeenschapsmerk) (25729);
c. de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken:
- het wetsvoorstel Regeling van de
subsidie¨ring van politieke partijen
(Wet subsidie¨ring politieke partijen)
(25704);
- het wetsvoorstel Samenvoeging
van de gemeenten Gulpen en Wittem
(25738);
- het wetsvoorstel Verlenging van de
zittingsduur van de raden van de
gemeenten Gulpen en Wittem in
verband met de samenvoeging van
deze gemeenten (25739).
</blok>
</text>

</handeling>


