<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN6517B11]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van: - het wetsvoorstel Bepalingen inzake de financiering van de loopbaanonderbreking (Wet financiering loopbaanonderbreking) (25477); - het wetsvoorstel Wijziging van de Ziektewet, de WAO, de WW en enkele andere wetten in verband met het wegnemen van belemmeringen in sociale verzekeringswetten bij het opnemen van onbetaald verlof (25618)</item>
<item attribuut="Bestand"> 126 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Arbeid (Werknemers)
Inkomen en rechtspositie (Inkomens)
Inkomen en rechtspositie (Verlof en ATV)
Sociale zekerheid (Algemeen)</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Inkomens
Verlof
Werknemers
Sociale verzekeringen
WAO
Ziektewet</item>
<item attribuut="Dossiernr">25477, 25618</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1997-1998, nr. 10, Tweede Kamer, pag. 2300-2325</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten Generaal (SG)</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">26-11-1997</item>
<item attribuut="Document-id">HAN6517B11</item>
<item attribuut="Omvang">26 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Tweede Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Financiering loopbaanonderbreking/opnemen onbetaald verlof</item>
<item attribuut="doccode">TK 29</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="29-2300">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Bepalingen
inzake de financiering van de
loopbaanonderbreking (Wet
financiering loopbaan-
onderbreking) (25477);
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Ziektewet, de WAO, de
WW en enkele andere wetten in
verband met het wegnemen van
belemmeringen in sociale
verzekeringswetten bij het
opnemen van onbetaald verlof
(25618).
De algemene beraadslaging wordt
geopend. 
<spreker pagina="29-2300" anker="906" naam="De voorzitter">
 Ik geef het woord aan
mevrouw Visser-van Doorn, die haar
maidenspeech zal houden.</spreker>
<blok pagina="29-2300">

 
<spreker pagina="29-2300" anker="907" partij="CDA" naam="Visser-van Doorn">

Mijnheer de voorzitter! Op 5
september 1995 gaf het kabinet in de
nota ’’Om de kwaliteit van arbeid en
zorg, investeren in verlof’’ aan hoe
het het opnemen van verlof wil
stimuleren om werknemers meer
mogelijkheden te bieden om in
verschillende levensfasen ook voor
andere verantwoordelijkheden te
kiezen. Door de Stichting van de
arbeid en de Raad voor het
overheidspersoneelsbeleid zijn de
plannen ondersteund. De
Emancipatieraad, die toen nog
bestond, heeft in september 1996 in
zijn notitie ’’Met zorg naar nieuwe
zekerheid’’ het toen in voorbereiding
zijnde wetsvoorstel een stap in de
goede richting genoemd.
De CDA-fractie kan zich in grote
lijnen vinden in het voorstel van het
kabinet tot financiering van de
loopbaanonderbreking en de
aanpassing van het onbetaald verlof.
Het hebben van werk is een
belangrijke voorwaarde voor de
financie¨le gezondheid van individuen
en gezinnen. Werk biedt de
mogelijkheid om te participeren in de
samenleving en maakt mensen
onafhankelijk. Naar de mening van
de CDA-fractie dient werk echter ook
gecombineerd te kunnen worden
met andere taken van betekenis,
zoals het zorgen voor en het
opvoeden van kinderen en vrijwilli-
gerswerk. Voor zaken als onderlinge
betrokkenheid, zorg voor elkaar en
solidariteit moeten tijd en ruimte
beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor
bezinning, ontspanning en ontwikke-
ling. Daar dienen mensen mogelijk-
heden voor te kunnen vinden. Dat
komt niet alleen hun, maar ook de zo
belangrijke leefverbanden als gezin
en familie ten goede, die ook voor de
samenleving een functie van
betekenis vervullen.
Vanuit onze visie op de functie van
familie en gezin zijn de leden van
mijn fractie er voorstander van dat
ouders ervoor kunnen kiezen om zelf
hun kinderen te verzorgen en op te
voeden, zeker in de eerste jaren.
Naast andere verlofregelingen geeft
het voorliggende wetsvoorstel
daartoe mogelijkheden. Het is
daarmee een stap op weg naar een
zorgvriendelijke en gezinsvriendelijke
arbeidsmarkt. Tegelijk biedt het
wetsvoorstel werknemers kansen op
ontplooiing in de vorm van educatie,
die tevens hun inzetbaarheid op de
arbeidsmarkt vergroot.
De doelen waarvoor verlof kan
worden opgenomen, staan in het
voorstel opgesomd. Kan de minister
uiteenzetten hoe hij denkt te bereiken
dat alleen voor deze doelen verlof
wordt opgenomen? De financie¨le
middelen moeten immers op een
goede wijze worden ingezet.
De CDA-fractie die principieel de
rol van sociale partners hogelijk
waardeert, hecht eraan dat de
afspraken over deze loopbaan-
onderbrekingsregeling in eerste
instantie tot stand zijn gekomen in
overleg tussen de sociale partners.
Dat zij unanimiteit hebben weten te
bereiken, geeft ons het vertrouwen
dat de uitvoering naar behoren zal
verlopen. In dit vertrouwen worden
wij gesterkt door de recente
afspraken in de Stichting van de
arbeid.
Het voorliggende wetsvoorstel
moet werknemers stimuleren om
verlof op te nemen, tegelijkertijd
werklozen en herintreders werk-
ervaring bieden en de reı¨ntegratie
van arbeidsongeschikten bevorderen.
De overheid geeft een financieel
steuntje in de rug om het voor
werknemers en werkgevers
aantrekkelijker te maken om tot
afspraken te komen. Hoe ziet de
minister de positie van de werkne-
mer ten opzichte van de individuele
werkgever bij het maken van
afspraken over verlof?
Werknemers die hun loopbaan
onderbreken voor zorgtaken of studie
kunnen een tegemoetkoming van
maximaal ƒ 960 bruto per maand
krijgen voor een periode van
minimaal twee en ten hoogste zes
maanden. Daaraan is de voorwaarde
verbonden dat vervanging plaats-
vindt door iemand met een uitkering
of een herintreder, die aldus
werkervaring kan opdoen. De hoogte
van de uitkering is afhankelijk van
het aantal uren dat verlof wordt
opgenomen.
Die verlofganger kan iemand zijn
die voltijd werkt, of iemand die in
deeltijd arbeid verricht. Dit betekent
dat het aantal uren verlof per
werknemer verschilt en in beginsel
tussen 1 en 40 uur per week ligt.
De vergoeding van ƒ 960 bruto per
maand komt toe aan werknemers die
30 uur per week of meer verlof
opnemen. Verlofgangers die tussen 1
en 10 uur verlof opnemen, krijgen
een loopbaanonderbrekingsfinan-
ciering van ƒ 80 per maand.
Voorwaarde voor het opnemen
van het loopbaanonderbrekingsverlof
met financie¨le ondersteuning is dat
er een dienstverband van minimaal
een jaar met de werkgever moet zijn,
ongeacht of dat een volledige baan
of een deeltijdbaan betreft. Wel is
het nodig dat voor minimaal de helft
van de arbeidsduur per week verlof
wordt opgenomen. De mogelijkheid
bestaat om verschillende perioden
voor financiering van dit verlof in
aanmerking te komen, mits tussen
twee perioden minimaal een jaar is
gewerkt. Zou de minister kunnen
aangeven waarom voor een
dergelijke beperking is gekozen?
De belangrijkste voorwaarde in de
financieringsregeling is de vervan-
ging door een andere werknemer die
tijdens de vervangingsperiode ook
socialezekerheidsrechten opbouwt.
Deze vervanger moet dan wel
iemand zijn met een werkloosheids-
uitkering, een bijstandsuitkering of
een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Een positief aspect is voor de
CDA-fractie met name dat ook
mensen die een uitkering ontvangen
op grond van de Algemene
nabestaandenwet een loopbaan-
onderbreker kunnen vervangen. Dit
geeft kansen voor nabestaanden met
een kind onder de 18 jaar, van wie
het recht op die ANW-uitkering
afloopt als het kind 18 jaar wordt.
Dat de vervanging van een
loopbaanonderbreker ook kan
plaatsvinden door een herintreder,
geeft veel vrouwen de mogelijkheid
weer aan het werk te gaan. Door
zorgtaken op zich te nemen, hebben
velen een afstand tot de arbeids-
markt gekregen. Zij voldoen in veel
gevallen aan de voorwaarden om als
vervanger aan het werk te gaan.
Deze luiden dat minimaal gedurende
twee jaar geen betaald werk verricht
is en dat men staat ingeschreven bij
het arbeidsbureau. Door als
vervanger een dienstverband aan te
gaan, kunnen zij weer werkervaring
opdoen.
Belangrijke voorwaarde bij dit
geheel van regelingen is het feit, dat
de uitvoering budgettair neutraal
moet zijn. Vervangers die uitkerings-
gerechtigd zijn, krijgen loon van de
werkgever van de loopbaan-
onderbreker, waardoor hun recht op
uitkering geheel of voor een deel
vervalt. Dit geld wordt gebruikt voor
de financiering van het verlof van de
loopbaanonderbreker. Binnen dit
budget is er enige ruimte om ook
herintreders toe te staan die geen
uitkering achterlaten. In de nota naar
aanleiding van het verslag wordt
aangegeven dat het quotum voor het
eerste jaar aan de hand van een
schatting zal worden vastgesteld, te
weten 10% van het geschatte aantal
verlofgangers in dat jaar. Zou de
minister kunnen aangeven waarop
dat percentage is gebaseerd?
Voor arbeidspools die tot doel
hebben uitkeringsgerechtigden te
plaatsen, is er de mogelijkheid om
vervangers uit te lenen aan
werkgevers ter vervanging van
loopbaanonderbrekers. In zo’n geval
hoeft de werkgever de vervanger niet
in dienst te nemen. Het CDA vindt dit
een goede zaak, want deze mogelijk-
heid maakt het met name voor het
midden- en kleinbedrijf eenvoudiger
om over te gaan tot loopbaan-
onderbreking. Graag zou mijn fractie
van de minister horen hoe hij denkt
dat de uitvoering verder zal
plaatsvinden, hoe de werkwijze zal
zijn.
De mogelijkheid die de regeling
werkenden biedt om palliatief verlof
op te nemen, verlof om een
terminale zieke te kunnen begelei-
den, vinden de leden van mijn fractie
waardevol, met name vanuit onze
visie op de waarde van gezin en
familie.
In ons land is er een groot aantal
gezinnen waarin een kind is
geadopteerd uit het buitenland. In de
periode voorafgaand aan de adoptie,
voor de reis naar het buitenland en
tijdens de zogeheten hechtings-
periode is er behoefte aan verlof. In
ruim 40% van de CAO’s is de
bepaling opgenomen dat een
werknemer verlof krijgt voor de
adoptie van een buitenlands kind,
varie¨rend van 2 tot meer dan 10
dagen. Het kabinet neemt het advies
van de Stichting van de arbeid over
om het zogeheten hechtingsverlof
voor werknemers via een uitkering
op grond van de Ziektewet voor een
periode van maximaal vier weken
financieel mogelijk te maken. Ook
voor deze vorm van verlof gaat het
kabinet terecht uit van het
verantwoordelijkheidsgevoel van
werkgevers en werknemers om tot
een regeling te komen.
Eveneens met instemming heeft
de CDA-fractie kennisgenomen van
wetsvoorstel 25618. Dit voorstel
heeft tot doel belemmeringen in de
sociale zekerheid weg te nemen bij
het opnemen van onbetaald verlof.
Graag meer duidelijkheid over de
eerste ziektedag. Als men tijdens
verlof ziek wordt, telt de eerste
werkdag na het verlof als eerste
ziektedag. Heeft dit geen negatieve
consequenties voor de reı¨ntegratie?
Voorzitter! Ik ga afronden. De
CDA-fractie kan zich vinden in het
voorstel van het kabinet inzake de
financiering van loopbaan-
onderbreking en het daaraan
gerelateerde voorstel dat belemme-
ringen wegneemt in sociale-
verzekeringswetten bij het opnemen
van onbetaald verlof. Beide
voorstellen zijn een stap in de
richting van een samenleving waarin
betaalde arbeid en zorgtaken gelijk
worden verdeeld over mannen en
vrouwen.
Er wordt een appe`l gedaan aan
werkgevers om in te spelen op de
veranderende arbeidsmarkt en om
het arbeidsproces zodanig te
reorganiseren dat ruimte ontstaat
voor werknemers om betaalde arbeid
en zorgtaken te combineren. Voor
werknemers bestaat met deze
regelingen de mogelijkheid om in
verschillende perioden de ruimte te
nemen om voor kinderen of naaste
familieleden te zorgen. Ook is het
hiermee mogelijk om zich door
middel van studie meer te bekwa-
men in het uitoefenen van hun
beroep. Daarmee vergroten zij hun
kansen op de arbeidsmarkt. Op deze
manier komt ’’de nieuwe werknemer
met zorgtaken’’ geleidelijk in beeld.
Nieuwe mogelijkheden worden
met deze voorstellen geboden,
waarvan naar verwachting veel
werknemers, vrouwen en mannen,
gebruik zullen maken. Ik kan niet
nalaten de wens uit te spreken dat er
op een gee¨mancipeerde wijze
gebruik zal worden gemaakt van
deze regeling. Het zou toch een
teleurstelling zijn wanneer straks zou
blijken dat mannen voor educatieve
doelen kiezen en vrouwen voor
zorgtaken hun loopbaan onderbre-
ken, ondanks de vele reclamespots en inspirerende uitspraken als:
’’Mannen die zorgen, zijn de kerels
van morgen’’. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2302" anker="908" naam="De voorzitter">
 Ik wens u geluk met
uw maidenspeech.
De vergadering wordt enkele
ogenblikken geschorst.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="29-2302">

 
<spreker pagina="29-2302" anker="909" partij="D66" naam="Van Vliet">
 Voorzit-
ter! Alvorens mij betoog af te steken,
wens ik ook vanaf deze plek
mevrouw Visser veel geluk in haar
verdere loopbaan in de Tweede
Kamer. Ik feliciteer haar met haar
maidenspeech. Ik denk dat de
meesten het er wel over eens zijn dat
het een zeer boeiend betoog was
over een zeer boeiend onderwerp.
Het is ook een heel erg leuk
onderwerp, dat de meeste woord-
voerders zeer aan het hart gaat. Een
ding is een feit, namelijk dat wij
richting de verkiezingen gaan. Wat
voor verlof mevrouw Visser ook wil
opnemen, de kans daarop is nihil,
denk ik!
Voorzitter! De nota ’’Om de
kwaliteit van arbeid en zorg’’ – met
daarachter de zinsnede ’’investeren
in verlof’’ – die deze minister vorig
jaar heeft uitgebracht, heeft een
belangrijke bijdrage geleverd aan de
discussie over de noodzaak van
’’herijking’’ van de arbeids-
organisatie, waarbij individualisering,
flexibilisering en participatie centraal
komen te staan. Een herijking die
enerzijds de combinatie van arbeid,
zorg en vrije tijd mogelijk maakt en
die anderzijds ruimte biedt voor
scholing, in de zeer brede zin van het
woord. Het hoog op de agenda
plaatsen van dit onderwerp heeft zijn
uitwerking dan ook niet gemist,
blijkens de vorige week uitgekomen
agenda voor het CAO-overleg in de
komende jaren. Twee citaten hieruit. Het eerste is: ’’Scholing moet in die
zin gezien worden als een perma-
nente activiteit, die een geı¨ntegreerd
onderdeel uitmaakt van het hele
productieve leven. Het gaat hier dus
om een gezamenlijk belang van
werkgever en werknemer. Beiden
hebben een eigen en een gezamen-
lijke verantwoordelijkheid’’. Zo
enthousiast wordt er helaas niet over
zorg gesproken, maar toch ook daarover een belangrijk citaat:
’’Daarnaast kunnen specifieke
verloffaciliteiten van belang zijn om
tijdelijke knelpunten in verband met
zorgtaken van werknemers weg te
nemen.’’ De stichting beveelt
vervolgens aan hierover afspraken te
maken. Laat duidelijk zijn dat de
fractie van D66 deze aandacht zeer
positief vindt. Wij hopen dat de
individuele werkgever en werknemer
deze opvatting in praktijk tot
uitvoering zullen brengen.
Ook de discussie vorig jaar in de
Kamer over de nota ’’Om de kwaliteit
van arbeid en zorg’’ en de daaruit
voortvloeiende motie-Adelmund c.s.
heeft resultaat gehad. Weliswaar
geen wettelijke regeling van de
loopbaanonderbreking, zoals de
motie vroeg – ik kom daar nog op
terug, zoals men begrijpt – maar in
ieder geval wel een wettelijke
regeling van de financiering van de
loopbaanonderbreking. En dat is een
stap in de goede richting in het
bereiken van een aantal doelstellin-
gen uit het regeerakkoord. Ze
worden eigenlijk al genoemd in het verslag: verruiming van arbeids-
deelname; stimulering van meer
flexibiliteit en variatie in arbeidspa-
tronen gedurende de hele levens-
fase; activering van de werking van
het sociale stelsel; het scheppen van
ruimte voor gee¨mancipeerde en
economisch zelfstandige burgers. Wij
willen dit wetsvoorstel op die basis
dan ook graag steunen.
Die steun geldt tevens voor het
andere wetsvoorstel dat wij vandaag
behandelen en dat de belemmerin-
gen wegneemt in de sociale-
zekerheidswetgeving ten aanzien van
het opnemen van onbetaald verlof.
Verlofbelemmeringen moeten
immers te allen tijde vermeden
worden.
Het doet ons genoegen dat de
minister de suggestie van de
D66-fractie heeft overgenomen, met
de voorliggende wetsvoorstellen aan
te sluiten op het zogenaamde
flexakkoord. Tevens zijn wij tevreden
over de toezegging dat wij naast een
evaluatie ook tussentijdse rappor-
tages krijgen over het, laten we
zeggen, dagelijks gebruik van de
voorliggende wetsvoorstellen. De
eerste rapportage zouden wij graag
binnen twee jaar ontvangen.
Daarnaast hebben wij er behoefte
aan vandaag reeds nader inzicht te
krijgen in de manier waarop deze
onderzoeken opgezet worden, wat de
vraagstellingen worden en dergelijke.
Dat luistert namelijk zeer nauw bij dit
onderwerp. Kan de minister daarover
duidelijkheid verschaffen?
Voordat de minister nu denkt
’’allemaal complimenten, ik kan naar
huis’’, zeg ik dat de fractie van D66
over de inhoud van beide wetsvoor-
stellen nog een flink aantal kritische
opmerkingen en vragen heeft. Deze betreffen achtereenvolgens:
1. de lengte van het verlof;
2. de wijze waarop de hoogte van de
financie¨le tegemoetkoming is
vastgesteld;
3. de kwalificatie van herintreders;
4. de positie van de laagbetaalde
werknemer en met name de
kostwinnersgezinnen;
5. de eerste dag van ongeschiktheid
tot werken in relatie tot het
onbetaalde verlof;
6. de doorbetaling van de ouderdom-
spensioenen.
Ik begin met de lengte van het
verlof. Het wordt ons eigenlijk
absoluut niet duidelijk uit de nota’s
naar aanleiding van het verslag bij
beide wetsvoorstellen waarom is
gekozen voor een maximumverlof-
periode van zes maanden. In de Wet
financiering loopbaanonderbreking
wordt aangegeven dat er moeilijkhe-
den in de socialezekerheidssfeer
zouden ontstaan. Kan de minister dit
nader toelichten, want wij zien het
probleem niet, tenzij de minister
bedoelt dat een werknemer die niet
zo goed bevalt in het bedrijf wel
eens met een heel erg lang verlof
gestuurd zou kunnen worden.
In het wetsvoorstel dat de
belemmeringen in de sociale-
zekerheidswetgeving wegneemt,
wordt aangegeven dat de werknemer
bij een verlofperiode langer dan zes
maanden de band met het bedrijf
zou kunnen verliezen. En dat,
voorzitter, vinden wij betuttelend
overkomen. Dit kan een werkgever
die zijn werknemer kent, toch zelf
wel inschatten?
Wat is nu de werkelijke reden van
de vrees om de verlofperiode niet
flexibeler te laten invullen? Want
zonder stevige argumenten van zijde
van de minister zouden wij die
verruiming als nog graag zien.
Ik kom bij de wijze waarop de
hoogte van de financie¨le tegemoet-
koming wordt vastgesteld. Bij het
bepalen van de hoogte van de
financie¨le tegemoetkoming is
gekozen voor staffeling in vier
categoriee¨n. De vergoedingen van de
verschillende categoriee¨n verschillen
echter enorm. Bovendien is de
financie¨le tegemoetkoming voor
mensen die 20 tot 30 uur verlof
opnemen slechts de helft van wat
personen die 30 uur of meer
opnemen ontvangen. Hierdoor
ontstaat het beeld dat deeltijders
onevenredig worden benadeeld.
Beide problemen kunnen makkelijk
opgelost worden door te kiezen voor
vergoeding per verlofuur. De
minister geeft aan dit niet aan te
durven omdat het beeld zou kunnen
ontstaan dat er een relatie is met
gederfd loon. Wij vinden dat geen
sterk argument. Met goede voorlich-
ting aan werkgever en werknemer
kan immers heel eenvoudig zo’n
mogelijk misverstand voorkomen
worden. Bovendien zal het veel
discussie over het opnemen van het
aantal uren verlof schelen. Ik kan mij
namelijk voorstellen dat een
werknemer aan de gunstige kant van het aantal uren verlof zit: niet op 19
maar op 21 of niet op 29 maar op 31.
Daarom doe ik nogmaals het verzoek
om uit te leggen waarom er geen
vergoeding per verlofuur in
overweging is genomen en waarom
voor een dergelijke staffeling is
gekozen.
Mijnheer de voorzitter! De minister
heeft ervoor gekozen alleen die
mensen als herintreders te kwalifice-
ren, die voorafgaand aan het
vervangen van een verlofganger ten
minste twee jaar lang geen betaalde
arbeid hebben verricht en staan
ingeschreven bij arbeidsvoorziening.
Bovendien krijgt iemand die als
vervanger heeft gewerkt, vervolgens
twee jaar lang geen kansen meer in
het kader van voorliggend wetsvoor-
stel. En van de mensen die wel aan
de gestelde eisen voldoen, kan als
gevolg van een quotumregeling
slechts een gedeelte deelnemen aan
vervanging.
Deze stringente regelgeving heeft
natuurlijk alles te maken met het
budgettair-neutrale karakter van het
wetsvoorstel en dat dilemma zien wij
ook. Maar dit is wel erg gebaseerd
op kortetermijndenken, terwijl het
middellange- en het langetermijn-
beleid van dit kabinet zich richt op
werk, werk, werk, juist ook voor
degenen die momenteel ver van de
arbeidsmarkt staan, zoals herint-
reders. Daarom willen wij hierover
graag nogmaals met de minister in
discussie treden. Wij willen dat
echter ook, omdat wij vrezen dat als
gevolg van zoveel regels werkgevers,
arbeidsvoorziening en herintreders
bij voorbaat al niet aan de
vervangingsprocedure willen
beginnen. Graag krijg ik een reactie
hierop.
Mijn volgende punt betreft de
positie van de laagbetaalde
kostwinner, een specifieke groep. Er
is een aantal maatregelen genomen
om eenoudergezinnen te ondersteu-
nen als zij door het opnemen van
verlof onder het bestaansminimum
zakken. Daar zijn wij blij mee. Wij
moeten er immers naar streven dat
de inkomenspositie van een
werknemer geen reden mag zijn om
af te zien van het opnemen van
verlof. Daarom ook maak ik mij
zorgen over het kostwinnersgezin
met een laag inkomen, dat toch nog
steeds een belangrijke plaats in onze
samenleving inneemt. Het gaat hier
dus om de man uit de Sire-reclame waarvan het zoontje zegt: ’’Wie is
toch die man die het vlees aan- snijdt?’’. Die reclame zegt het al: juist
deze man zou verlof op moeten
kunnen nemen om meer te ’’ruiken’’
aan zorgtaken en gewoon een deel
van die zorgtaken op zich te nemen.
Of, om hem, door middel van
educatie, een beter kans op een
hogere positie, een beter betaalde
baan op de arbeidsmarkt te bieden.
Deze kostwinner heeft door zijn lage
inkomen echter niet kunnen sparen,
hooguit wat dagen – op termijn gaat
wij dat natuurlijk ook regelen – en
van de tegemoetkoming alleen kan
hij zijn gezin niet onderhouden. De
minister lost dit probleem op door
aan te geven dat de vrouw van de
kostwinner zou kunnen gaan werken.
Ik ga er hierbij elke keer van uit dat
de kostwinner een man is omdat dit
meestal de situatie is. Zij zijn immers
samen en er is een gezamenlijke
verantwoordelijkheid. Dat biedt dan
de vrouw meteen kansen om haar
horizon te verbreden en wij zouden
graag zien dat dergelijke vrouwen de
arbeidsmarkt betreden. Die mening
kunnen wij wel delen, maar met de
eerdergenoemde stringente
herintredingsregels zien we dat
scenario niet snel verwezenlijkt
worden. De doorbraak van de
seksespecifieke taakverdeling wordt
zo niet bevorderd. Voor mijn fractie
is dat wel een van de doelstellingen
van het wetsvoorstel. Dit geldt toch
ook voor de minister? Wij zouden
hierover graag informatie verkrijgen
bij de eerste tussentijdse rapportage.
Voorzitter! Mijn volgende
opmerkingen betreffen ’’de eerste
dag van ongeschiktheid tot werken in
relatie tot het onbetaalde verlof’’.
Deze zin heb ik letterlijk overgeno-
men uit de nota naar aanleiding van
het verslag. Het betreft natuurlijk de
eerste dag die als ziektedag kan
worden aangemeld.
Wij delen de mening van de
minister dat voorkomen moet
worden dat de periode van 52 weken
loondoorbetaling bij ziekte of
arbeidsongeschiktheid ingekort
wordt met het nog resterende deel
van het onbetaalde verlof. Het LISV
heeft echter wel een punt als het
aangeeft dat zo snel mogelijk na
ziekmelding met reı¨ntegratie-
activiteiten moet worden begonnen.
Dat is ook het beleid van Kamer en
kabinet.
Hoe moeten wij omgaan met
verlofgangers die echt langdurig ziek
worden? In de nota naar aanleiding
van het verslag wordt gezegd dat er
eigenlijk niet met reı¨ntegratie kan
worden begonnen. Iemand die met
verlof is, is immers niet aan het
werk. Juridisch-technisch is
reı¨ntegratie verbonden aan werk. Dat
begrijp ik natuurlijk. De relatie met
de arbeidsmarkt moet echter wel
blijven bestaan. Hoe moeten wij ons
dat voorstellen? Blijft de langdurig
zieke met verlof, of komt hij in de
Ziektewet? Wij hebben overwogen
hiervoor een amendement in te
dienen. Ook daarbij was echter
sprake van juridisch-technische
problemen. Hiervoor bestaat dus
kennelijk geen oplossing. Dat is wel
een drempel voor de werknemer. Die
zal zich wel degelijk afvragen wat er
met hem gaat gebeuren.
Wij vinden het probleem te groot
om het over te laten aan de
individuele werkgever en werknemer.
Wij horen graag de visie van de
minister in dezen, geplaatst in het
licht van de opmerking van het LISV.
Voorzitter! Het laten doorlopen
van pensioenopbouw is in onze ogen
van essentieel belang om de
drempel naar het opnemen van
verlof zo laag mogelijk te maken.
Enerzijds zouden wij graag zien dat
het nabestaanden- en invaliditeits-
pensioen wettelijk geregeld wordt,
anderzijds verzoeken wij het kabinet
de ouderdomspensioenopbouw door
te laten lopen tijdens de verlof-
periode.
De minister heeft ten aanzien van
het nabestaanden- en invaliditeits-
pensioen geantwoord dat hij in
afwachting is van een evaluatie
hierover in 1998. Mocht uit die
evaluatie blijken dat de sociale
partners niet zijn overgegaan tot het
wegnemen van belemmeringen, dan
zal het kabinet tot regelgeving
overgaan. Daarmee zijn wij voor dit
moment tevreden.
De minister geeft aan dat naar zijn
mening een halfjaar geen
ouderdomspensioenopbouw op een
periode van laten we zeggen 40 jaar,
geen drempel zal zijn om verlof op te
nemen. Wij delen die mening niet
helemaal. Wij denken dat het wel
degelijk een drempel is voor een
werknemer om de stap naar het
opnemen van verlof te zetten. Wij
zouden dan ook graag zien dat dit
punt nog meegenomen wordt in de
evaluatie in 1998 en als dat niet kan
dan in ieder geval in de tussen-
rapportage. Wat is de visie van de
minister in dezen? Kan daar nog
eens nader naar gekeken worden?
Voorzitter! Ter afronding of
eigenlijk als uitsmijter het door D66
ingediende amendement om te
komen tot een wettelijk recht op
zorgverlof, indien na twee jaar na
inwerkingtreding van de Wet
financiering loopbaanonderbreking
mocht blijken dat het zorgverlof op
individueel werkgevers- en
werknemersniveau niet goed van de
grond komt. Mijn fractie heeft
daarover veel twijfels.
Wat is in onze ogen het geval? Het
voorliggende wetsvoorstel financie-
ring loopbaanonderbreking legt de
onderhandelingen over het opnemen
van educatie- en zorgverlof geheel
bij de individuele werknemer en
werkgever. Dat verandert niet door
hetgeen is vastgelegd in de agenda
voor het CAO-overleg in de komende
jaren, hoe belangrijk ook. Slechts
indien de werkgever hiertoe bereid is
en een vervanger wil zoeken en kan
vinden, heeft de werknemer de
mogelijkheid met verlof te gaan. De
werkgever zal uiteraard het belang
van zijn bedrijf meewegen. Dat is
volkomen logisch. Bij verlof voor
scholingsdoeleinden wordt de link
vrij snel gelegd. Van een beter
geschoolde werknemer zal immers
direct gebruik kunnen worden
gemaakt in het bedrijf. Bovendien
ligt het woord employability of
inzetbaarheid tegenwoordig op
ieders lippen. Dat is ook terecht.
Daar zien wij dus geen groot
probleem. Daarom ligt onze zorg ook
niet bij de toekenning van het
educatieverlof. Waar ligt die dan
wel? Onze zorg ligt bij de zorg
oftewel het zorgverlof. Wij vrezen dat
de werkgever minder snel een direct
belang ziet bij het verlenen van
verlof voor zorgtaken. De dagelijkse
praktijk wijst uit dat ’’de zorgende
werknemer’’ echt nog geen
ingeburgerd begrip is, hoe graag wij
dat allen wellicht ook willen. Het is
dus noodzakelijk dat de werknemer
hierin een steviger positie krijgt ten
opzichte van de werkgever. Het gaat
er niet zozeer om dat het de
werkgever een voorrecht is om de
werknemer zorgverlof te verlenen.
Het gaat erom dat de werknemer een
recht heeft op zorgverlof. Een
algemene verlofwet zou daaraan
kunnen bijdragen, maar die vraagt
nog veel discussie die niet louter in
het verlengde van de voor ons
liggende wetsvoorstellen gevoerd
moet worden. Een andere stap willen
wij echter nu wel zetten. Er dient een
wettelijk recht op zorgverlof te
komen als afspraken hierover op
decentraal niveau niet succesvol
blijken te zijn.
Ik zal dit verduidelijken. Wat D66
betreft moet dat wettelijke recht er
hoe dan ook komen. Ten eerste
menen wij dat zorg voor familie en
naasten net zo belangrijk is als zorg
voor kinderen. En er is een wettelijk
recht op ouderschapsverlof. Ten
tweede menen wij dat wij op die
wijze werknemers het recht op
zorgverlof in handen geven. Zij zijn
dus niet afhankelijk van het door de
werkgever te verlenen voorrecht.
Hiermee wordt het belang van de
thuissituatie op een gelijke hoogte
gebracht met het belang van het
bedrijf. Dit betekent een cultuur-
omslag die mijn fractie graag wil
stimuleren door middel van een
wettelijke regeling. Het lijkt ons
echter niet terecht om de afspraken
die onlangs door de sociale partners
zijn gemaakt, gelijk weer te
doorkruisen. Men heeft mij hierover
gebeld en geschreven. Ik heb
daarover nagedacht en heb de
redelijkheid van het verhaal ingezien.
Een evaluatie moet aantonen of het
zorgverlof op decentraal niveau
praktisch tot stand is gekomen.
Mocht echter blijken dat dit niet het
geval is, dan kan zonder tijdverlies –
door middel van het door ons
amendement vastgelegde artikel in
het BW – direct overgegaan worden
tot het in werking brengen van een
wettelijk recht op zorgverlof. Wij zijn
benieuwd naar de reactie van de
minister. In de tussentijd – tussen het
moment van inwerkingtreding en
twee jaar later – kan daaraan bij
algemene maatregel van bestuur
nader invulling worden gegeven. Wij
zijn heel benieuwd naar de reactie
van de minister. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2305" anker="910" partij="GPV" naam="Van Middelkoop">
 Ik
heb een vraag over dit amendement,
voorzitter. Ik vind het amendement
interessant en de moeite van het
overwegen waard. Maar kan
mevrouw Van Vliet zich een situatie
voorstellen over twee jaar waarin de
minister besluit om het niet te doen?
Er zijn twee mogelijkheden. Of het
decentrale overleg heeft onvol-
doende opgeleverd. Dan zal in elk
geval tot een wettelijk recht op
zorgverlof moeten worden overge-
gaan. En dan moet de algemene
maatregel van bestuur geslagen
worden. Of het decentrale overleg
komt wel aardig van de grond. Dan
zal de minister het ook doen voor de
mensen die nog net niet kunnen
profiteren van wat er voor een
belangrijk deel wel maar niet overal
decentraal is geregeld. Kortom, ik
denk dat het effect van het amende-
ment is dat er sowieso over twee
jaar een wettelijk zorgverlof is. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2305" anker="911" partij="D66" naam="Van Vliet">
 Dat zou
kunnen. Daar zou ik niet ongelukkig
mee zijn, zoals ik al duidelijk heb
aangegeven. Maar wij zijn er serieus
van uitgegaan dat het sociaal
akkoord niet moet worden doorkruist
en dat aan werkgevers en werkne-
mers de ruimte moet worden
geboden om dit effect ook duidelijk
op decentraal niveau te bekijken. Ik
begrijp wat u bedoelt, mijnheer Van Middelkoop. U zegt: er zijn bedrijven
die niet onder CAO-regelingen zullen
vallen. Uit de evaluatie kan blijken
dat er op die gronden dus geen
zorgverlof tot stand komt. Er zijn
natuurlijk altijd bedrijven die niet
onder CAO-regelingen vallen, maar
die toch bepaalde regelingen volgen.
Dan kan er toch reden zijn om dit in
werking te laten treden. Maar dat zou
moeten blijken uit de tussen-
rapportage die over twee jaar wordt
uitgebracht. Ik heb een motie achter
de hand waarin ik minutieus aangeef
wat in de rapportage moet worden
opgenomen. Maar eerst verneem ik
graag het inzicht van de minister in
een evaluatie. Dit kan betekenen dat
de minister er hoe dan ook toe
overgaat. Het is mogelijk dat er een
kabinet zit dat dit niet wil. Ik hoop
dat mijn amendement wordt
aangenomen, want dan kan daarmee
worden gezwaaid. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2305" anker="912" naam="De voorzitter">
 Voordat ik mevrouw
Vos het woord geef voor een
interruptie, merk ik op dat wij
vanmiddag hebben gewerkt met het volgende systeem: interrumperen is
prima, een herkansing is royaal
voldoende om helderheid te
verkrijgen. En degene die geı¨nter-
rumpeerd wordt, doet zijn of haar
uiterste best om te kort reageren. Op
die manier kan wellicht de agenda
op een redelijke tijd worden
afgerond. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2305" anker="913" partij="GroenLinks" naam="Vos">

Voorzitter! Ik heb twee vragen. De
eerste betreft de mogelijkheid dat de
regeling eventueel over twee jaar
van kracht wordt. Mevrouw Van Vliet
maakt zich overigens zelf ook zorgen
en zij vraagt zich af of alles wel goed
gestalte zal krijgen. In feite vindt zij
dat er het recht op zorgverlof moet
bestaan. De vraag is daarom,
waarom in dezen niet wordt
gehandeld analoog aan hetgeen
geldt voor deeltijdarbeid en waarom
wij in dezen niet een bepaling in de
wet opnemen.
Mijn tweede vraag betreft de
manier waarop na twee jaar een
meting uitgevoerd zou moeten
worden. De heer Van Middelkoop
stelde hierover eigenlijk ook al een vraag. Mijn vraag is dus: op basis
van welke criteria zal de minister later kunnen zeggen: wat nu gebeurt,
is onder de maat; er moet een
bepaling in de wet opgenomen
worden? Kan mevrouw Van Vliet op
dit punt helderheid bieden? 

</spreker>
<spreker pagina="29-2305" anker="914" partij="D66" naam="Van Vliet">
 Voorzit-
ter! Mijn antwoord op de eerste vraag is: ja, wij zouden graag zien
dat er een wettelijk recht op
zorgverlof kwam, een recht analoog
aan het wettelijke recht op ouder-
schapsverlof. Ik wijs er echter
nogmaals op dat ik heel serieus heb
geluisterd naar het verzoek van
sociale partners om het sociaal
akkoord niet te doorkruisen. Ik weet
ook dat er moeilijkheden zijn met het
wettelijk recht op deeltijd, gelet op
de discussies in de Eerste Kamer. Ik
vind het overigens heel erg
vervelend en jammer dat deze
moeilijkheden er zijn. Daarom meen
ik dat er twee redenen zijn voor een
nadere beschouwing. Eerst is het de
vraag, niet of we het willen, maar
hoe we het willen. Hoe we het willen
kan bij algemene maatregel van
bestuur geregeld worden. Er leven
namelijk nog vragen die wij
vanavond niet een, twee, drie
kunnen oplossen. Verder vind ik ook
dat de sociale partners, die in dezen
een belangrijke rol hebben gespeeld
en een grote stap vooruit hebben
gezet, de mogelijkheid geboden
moet worden om aan te geven of zij
een en ander decentraal willen
regelen. Ik zeg erbij dat wij zeer
betwijfelen of decentrale uitvoering
zal lukken. Daarom houden wij iets
achter de hand. De tussenrapportage
zal moeten uitwijzen of wij gelijk
hebben. Dat hoop ik natuurlijk niet. Ik
hoop dat alles op een fantastische
wijze tot stand komt. Laat dat
duidelijk zijn, maar ik heb mijn
twijfels. Hiermee zet ik ook wat druk
op de ketel, opdat zal blijken dat er
serieuze bedoelingen zijn. Ik heb al
gezegd dat ik een motie achter de
hand houd. Met die motie wordt
aangegeven op welke wijze de
tussenrapportage eventueel
uitgevoerd kan worden. Daarbij is
sprake van een tiental punten. Vragen daarbij zijn: wie heeft
zorgverlof opgenomen, wie heeft
educatieverlof opgenomen, gaat het
om deeltijdverlof enzovoorts? De
beantwoording kan zelfs sekse-
specifiek zijn. Maar die motie kan,
mocht dat nodig zijn, in tweede
termijn ingediend worden. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2305" anker="915" partij="GroenLinks" naam="Vos">
 Voorzitter! De vraag blijft: wanneer
ga je tot het opnemen van die
wettelijke bepaling over? Stel dat in
een aantal sectoren de uitvoering
niet lukt. Is dat voor mevrouw Van Vliet dan een reden om te zeggen:
wij moeten dit bij wet regelen? Kan
ook een reden gelegen zijn in het feit
dat de uitvoering slechts voor een
aantal mensen lukt? 

</spreker>
<spreker pagina="29-2305" anker="916" partij="D66" naam="Van Vliet">
 Mijnheer
de voorzitter! Om hierop antwoord te
kunnen geven zou ik eigenlijk de
uitslag van de tussenrapportage
moeten hebben, maar die is er nog
niet. We moeten namelijk nog
beginnen. Echter, er moet wel een
aantal criteria zijn op basis waarvan
we op een gegeven moment kunnen zeggen: nu moet een bepaling in het
Burgerlijk Wetboek ingevoerd
worden. Hierover zouden wij nader
moeten spreken op het moment
waarop we de AMvB verder invullen.
Maar nogmaals, in tweede termijn
kan ik, eventueel aan de hand van
een motie, laten zien welke criteria
zouden moeten gelden. Daarbij kan
tegelijk blijken wat voor ons de
reden zou kunnen zijn om binnen die
twee jaar te handelen als voorge-
steld. Nu heb ik echter de uitslag van
de evaluatie niet. Laten wij voorals-
nog hopen dat alles wel goed tot
stand komt. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2306" anker="917" partij="SGP" naam="Van der Vlies">

Voorzitter! Mevrouw Van Vliet stelt in
haar amendement voor een nieuw
artikel op te nemen. In dat nieuwe
artikel zou onder andere komen te staan: ’’De zorg omvat in ieder geval
de zorg voor... enzovoorts. Ik dacht
even na over ’’in ieder geval’’. Het is
duidelijk dat mevrouw Van Vliet
bepaalde categoriee¨n definieert en
zegt voor welke categoriee¨n sprake is
van een recht. Echter, vanuit de
persoon gezien, is als het ware
sprake van een open eind en kan de
opsomming opwaarts bijgesteld
worden. Waar wil mevrouw Van Vliet
de grens leggen? Kan het nog gaan
om vrienden, vriendinnen, buren? 

</spreker>
<spreker pagina="29-2306" anker="918" partij="D66" naam="Van Vliet">
 Hierover
is juist gesproken bij het maken van
dit amendement. Ik heb al een zekere
inperking aangebracht met de
opmerking ’’de zorg voor bloed- of
aanverwanten in de rechte linie en
tot en met de tweede graad van de
zijlinie’’. Dus dan gaat het over
grootouders aan de ene kant en
broers en zussen aan de andere.
Zouden wij een amendement maken
waarin werd bepaald dat bij
algemene maatregel van bestuur tot
een nadere invulling zou worden
gekomen, dan zou er ruimte moeten
zijn voor een eventuele uitbreiding.
Ik kan mij namelijk voorstellen dat mensen zeggen: mijn beste vriendin
of mijn buurman is voor mij meer
dan familie. De fractie van D66 wilde
zover niet gaan, maar wij zeggen wel
dat het op deze basis mogelijk is dat
een werknemer tegen zijn werkgever zegt: mijn beste vriendin is mijn
enige, echte familielid en aan de
hand van het gestelde in het
amendement geldt in ieder geval
voor mij het recht. Mij is uitgelegd
dat dit juridisch juist is. Dan kun je
het vervolgens individueel regelen. Ik
doel echter niet op de hond die zijn
poot heeft gebroken en dat soort
zaken. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2306" anker="919" partij="SGP" naam="Van der Vlies">

Voorzitter! Is het de bedoeling van
mevrouw Van Vliet om in lid 2 van
het voorgestelde artikel in die AMvB
een soort limitatieve opsomming op
te nemen, of ziet zij daar niets in? 

</spreker>
<spreker pagina="29-2306" anker="920" partij="D66" naam="Van Vliet">
 Er moet
absoluut sprake zijn van een
limitatieve opsomming, want
zorgverlof voor een hond die zijn
poot heeft gebroken, gaat wat ver. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2306" anker="921" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">

Voorzitter! Sommige mensen hebben
alleen nog maar hun hond.
Het viel mij op dat mevrouw Van
Vliet frappant weinig vertrouwen
heeft in het vermogen van de sociale
partners om zelf tot een oplossing te
komen. De sociale partners hebben
in een lange reeks van jaren hun
wederzijdse wensen in het belang
van de economie en de werkgelegen-
heid op elkaar afgestemd. Zij hebben
hun wensen ook bescheiden
gehouden. De basis van dit
wetsvoorstel is ook gevormd door
het overleg tussen de sociale
partners, want men ziet dat
werknemers, mannen en vrouwen,
hieraan behoefte hebben. Ik zie wat
dat betreft niet in waarom D66, die
zich in sommige opzichten een
liberale partij noemt, hier gelijk een
guillotine boven moet hangen die
binnen twee jaar naar beneden komt
als werkgevers en werknemers... 

</spreker>
<spreker pagina="29-2306" anker="922" naam="De voorzitter">
 Mevrouw De Vries,
dit is een contrabetoog, maar een
interruptie is geen contrabetoog. Dat
is een vraag om verheldering of,
zoals het in het Reglement van orde
staat, een snedige opmerking. Wij
gaan op die manier nieuwe
termijnen fokken. Dat moeten wij
niet doen. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2306" anker="923" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">

Goed, voorzitter. Mijn vraag is dus
waarom D66 een guillotine boven
het overleg tussen werkgevers en
werknemers hangt.
Waarom wil mevrouw Van Vliet dit
amendement in de wet financiering
loopbaanonderbreking opnemen? Als
dat namelijk gebeurt, dan moet er
altijd tot vervanging worden
overgegaan. Waarom neemt zij dit
amendement niet in die andere wet
op, want die is ook onderwerp van
gesprek in dit debat? Daarin wordt
ook verlof geregeld, maar het is dan
niet in alle gevallen nodig om voor
vervanging te zorgen. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2306" anker="924" partij="D66" naam="Van Vliet">
 Voorzit-
ter! Het eerste punt is mij helder, het
tweede ontgaat mij enigszins.
Het politieke punt dat mevrouw De
Vries maakt, is heel duidelijk. Ik heb
aangegeven dat ook wij veel
waardering hebben voor wat er tot
nu toe tot stand is gekomen met
betrekking tot dat unanieme advies.
Wij zijn inderdaad een liberale partij.
Wij gaan er dus meestal van uit dat
je niet per definitie wetten hoeft te
maken voor wat je op decentraal
niveau en door de sociale partners
kunt laten regelen. Sinds twee jaar
hebben wij echter het idee dat een
bepaalde kwestie wel iets meer door
de overheid moet worden aange-
stuurd. Dat heeft te maken met zaken
waarbij arbeids- en zorgtaken
worden gecombineerd. Mevrouw De
Vries wijst erop dat er heel veel tot
stand is gekomen in het overleg
tussen de sociale partners. Dat klopt,
maar als je op individueel niveau bij
de bedrijven kijkt, dan kun je
constateren dat het nog vaak heel
moeizaam gaat. Daarmee val ik de
bedrijven niet aan. Kennelijk lukt die
cultuuromslag nog niet voldoende.
Dat heb ik al aangegeven. Op basis
daarvan mag de overheid best het
signaal afgeven dat zij dit belangrijk
vindt. Daarom zou een wettelijk recht
op zorgverlof op die basis een goede
zaak zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2306" anker="925" naam="De voorzitter">
 Mevrouw De Vries,
was uw tweede punt een vraag of
een opmerking? 

</spreker>
<spreker pagina="29-2306" anker="926" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">

Voorzitter! Ik vroeg mevrouw Van
Vliet waarom zij het amendement in
de ene en niet in de andere wet
onderbrengt. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2306" anker="927" naam="De voorzitter">
 Wilt u dat heel kort
doen, want het is de tweede keer. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2306" anker="928" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">

Goed, voorzitter. Er staan hier twee
wetten ter discussie, betrekking
hebbend op de financiering van de
loopbaanonderbreking (25477) en het
onbetaald verlof (25618). Mevrouw
Van Vliet wil uiteindelijk een wettelijk
recht op verlof. Waarom brengt zij
dit amendement onder in de Wet
financiering loopbaanonderbreking?
Dan moet er namelijk vervanging
worden geregeld, hetgeen niet altijd
gemakkelijk is. Waarom brengt
mevrouw Van Vliet dat amendement
niet onder in die andere wet? Daarin
wordt wel verlof geregeld, met
behoud van een aantal uitkerings-
rechten, maar het is niet noodzakelijk
om te vervangen. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2307" anker="929" partij="D66" naam="Van Vliet">
 Voorzit-
ter! In eerste instantie regelen wij het
in het BW, want daar komt dit
amendement in te staan. Wij hebben
wat het amendement betreft gekozen
voor de Wet financiering loopbaan-
onderbreking naar aanleiding van de
discussie over deze wet, voortko-
mend uit de arbeids- en zorg-
investering verlof. Daarover hebben
wij een reeks van debatten gehad.
Het wettelijk recht op zorgverlof
moet echter uiteindelijk in het BW
worden opgenomen, net zoals dat
geldt voor het wettelijk recht op
ouderschapsverlof. Ik ben echter
bereid om de suggestie van
mevrouw De Vries in overweging te
nemen als zij mening is dat die beter
is. Wij hebben niet bedoeld dat er
per definitie sprake moet zijn van
vervanging. Er is een wettelijk recht
op onbetaald ouderschapsverlof,
eventueel met vervanging. In dat
geval is een financie¨le tegemoetko-
ming mogelijk. Wij willen dit ook
regelen voor het wettelijk recht op
zorgverlof. Ons is verteld dat wij dit
technisch op deze wijze moeten doen
en ik volg dit advies op. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2307" anker="930" naam="De voorzitter">
 Voordat ik het woord
geef aan de heer Van Middelkoop,
breng ik het volgende onder de
aandacht. Als de Kamer doorgaat
met het op deze wijze plaatsen van
interrupties – ik wijs op het aantal,
maar ook op de lengte ervan – en
met het geven van adequate maar
vooral zeer uitvoerige reacties
daarop, wordt het tijdschema niet
gehaald. Dit tijdschema moet
gehandhaafd worden, gelet op de
verplichtingen ten aanzien van de
Eerste Kamer. De Kamer moet zich
een zekere beperking opleggen,
zonder daarmee tekort te doen aan
het vereiste van het tot stand
brengen van zuivere wetgeving. Ook
dienen verschillen van opvatting
goed tot hun recht te komen. Daarop
gelet, doe ik nogmaals een klem-
mend beroep op de leden om met
een wijze zelfbeperking een prachtig
resultaat te bereiken.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="29-2307">

 
<spreker pagina="29-2307" anker="931" partij="GPV" naam="Van Middelkoop">

Voorzitter! Ik zal u ter wille zijn door
niet te proberen mevrouw Van Vliet
in welsprekendheid te overtreffen.
Als wij de toelichting op deze nieuwe
Wet financiering loopbaan-
ontwikkeling mogen geloven, dan
gebeurt er heel veel in ons land. Er is
dan – zo lees ik op bladzijde 1 –
sprake van een beter gebruik van
menselijk kapitaal, de seksegelijkheid
wordt vergroot en, let wel, de
kwaliteit van het menselijk leven
wordt verbeterd. Zou deze sociaal-
democratische minister dan toch nog
stiekem dromen van een op
evolutionaire wijze tot stand te
brengen heilstaat?
Nadat aldus mijn kritische zin was
geprikkeld en ik doorlas, kon ik
concluderen dat een meer beschei-
den introductie toch wat meer
terzake zou zijn geweest. Om maar
eens met die seksegelijkheid te beginnen: het is zeer de vraag of die
met dit wetsvoorstel wordt vergroot.
Immers, de financie¨le tegemoetko-
ming is bescheiden. De kans is
derhalve groot dat bij zorgverlof de
minstverdienende partner ingeval
van tweeverdieners – hetgeen
meestal de vrouw is – van de
regeling gebruik zal maken. Of, zoals
ik in een commentaar in het Sociaal
maandblad arbeid van september
jongstleden las, vrouwen zullen het
verlof vooral opnemen voor
zorgtaken, en mannen vooral voor
educatieve doeleinden.
Daar komt nog bij dat herint-
reders, meestal vrouwen, slechts tot
een bescheiden quotum in aanmer-
king komen als vervanger en
derhalve vooral werkloze uitkerings-
gerechtigde mannen de verlofganger
komen vervangen. Alles bijeen
genomen, lijkt het er dus eerder op
dat dit wetsvoorstel rolbevestigend
zal zijn dan roldoorbrekend. Daar lig
ik niet echt wakker van – zonder
overigens in het reactionaire
tegendeel te willen vervallen – maar
als het goed is doet de minister dat
wel, want hij heeft een bijzondere
verantwoordelijkheid voor het
emancipatiebeleid.
Dit alles hindert mij niet dit
nieuwe wettelijk instrument
ingenieus te noemen. Twee vliegen
lijken in een klap geslagen te worden: het stimuleert het gebruik
maken van onbetaalde verlof-
regelingen en het kan mensen met
een uitkering of een wens tot
herintreding aan een tijdelijke baan
helpen. Zo beschouwd, praten wij
vandaag over een bijzonder geval
van solidariteit op en via de
arbeidsmarkt.
Een politieke vraag is of het een
nevenoogmerk van de minister is
met dit wetsvoorstel her en der
levende wensen tot een wettelijk
recht op verlof wegens zorgtaken en
educatie af te kopen. Dat zou een
conclusie kunnen zijn van het in de
nota naar aanleiding van het verslag
vermelde onderzoek dat zou
uitwijzen dat het aantal CAO’s met
een bepaling over zorgverlof
toeneemt en de praktijk verder leert
dat het vrij vragen voor zorg geen
problemen oplevert. De minister stelt
vast dat het onderzoek geen
argumenten bood die de noodzaak
van een wettelijk recht op zorgverlof
aantoonden. Is wat hem betreft op
dit punt derhalve voorlopig het
wetgevend werk gedaan? Graag
verneem ik hierop een reactie.
Ik wil vervolgens op enkele
onderdelen een verduidelijkende
reactie van de minister ontvangen.
Zoals gezegd, met dit wetsvoorstel
worden geen nieuwe verlofrechten
geschapen. De vraag laat zich zelfs
stellen of het voorstel geen rem kan
zijn op het tot stand komen van
regelingen voor betaald verlof in
CAO’s. Immers, werkgevers zullen nu
met verwijzing naar de nieuwe wet
zeggen dat de overheid het al wil
betalen. Hoe kijkt de minister daar
tegenaan?
Ik blijf nog even bij de werkgever.
Hij moet meewerken om de
verlofganger aan een financie¨le
tegemoetkoming te helpen door een
vervanger binnen te laten. Stel nu
dat deze vervanger gebruik maakt
van de mooie, vereenvoudigde
proeftijdregeling die wij vorige week
via het wetsvoorstel flexibiliteit en
zekerheid via een amendement in het
Burgerlijk Wetboek hebben opgeno-
men, en het dan snel voor gezien
houdt. Als ik het goed begrijp, zal de
uitvoeringsinstelling dan de
financie¨le tegemoetkoming die aan
de verlofganger wordt uitgekeerd,
kunnen verhalen op de werkgever.
Wat als onbetaald verlof begon, blijkt
dan ineens betaald verlof te zijn. Dus: hoe aantrekkelijk is het eigenlijk
voor een werkgever om hieraan mee
te werken?
Hieraan gekoppeld heb ik nog een
meer technische vraag. Het zal
voorkomen bij educatief verlof dat
een werkgever bereid is bijvoorbeeld
cursusgelden voor een werknemer-
verlofganger te betalen. Dit wordt
toch niet in mindering gebracht op
de financie¨le tegemoetkoming aan
die werknemer? Die tegemoetkoming
is nadrukkelijk geen loon in de zin
van de Coo¨rdinatiewet sociale
verzekeringen. Ik neem aan wel een
vorm van inkomen in de zin van de
inkomstenbelasting. Ik ben op dat
gebied geen groot specialist. Zie ik
dat goed?
Een vraag die zich voordoet is of
ook zal worden getoetst of er sprake
zal zijn van verlof in de zin van deze
wet en wie dat doet. Iemand besluit
bijvoorbeeld in deeltijd te gaan
werken. Op datzelfde moment neemt
de werkgever een werkloze of een
herintreedster in dienst. Zeker bij
grotere bedrijven kan dat gemakkelijk
samenvallen. Ontstaat er dan een
recht voor maximaal zes maanden
op een financie¨le tegemoetkoming,
ook al is er in werkelijkheid helemaal
geen sprake van zorg of educatie?
Kan dit geen onbedoeld effect zijn
van het voorstel?
Een ander voorbeeld. Iemand
stopt, om welke reden ook, op 1
januari met werken, maar sluit een
deal met de werkgever om dit pas op
1 juli formeel te laten ingaan. De
werkgever werkt mee, want hij wil
een aardig gebaar maken en wilde
toch net op 1 januari een nieuwe
werknemer c.q. werkloze aantrekken.
Krijgt de werknemer dan van
overheidswege een financie¨le
afscheidsregeling van ƒ 960 per
maand?
Vergelijkbare vragen doen zich
voor, in de schriftelijke gedachte-
wisseling is dit al aan de orde
geweest, wanneer een werknemer
met instemming van de werkgever
gewoon een halfjaar op safari gaat.
De minister wil daarvoor natuurlijk
geen financie¨le tegemoetkoming
geven. Hoe voorkomt hij een
dergelijk oneigenlijk gebruik van de
regeling? Ik zie niet goed hoe hij dat
zou kunnen. Heeft het LISV hier een
taak? En zo ja, hoe kan die worden
uitgevoerd? Is er een mogelijkheid
van terugvorderen?
Over het LISV gesproken, in de
stukken lees ik dat de verlofganger
bij bee¨indiging van de verlofperiode
hiervan onverwijld mededeling moet
doen aan het LISV. Dat geldt dus ook
bij een tussentijds afbreken van het
verlof. Hoe kan de werknemer-
verlofganger weten dat hij hiertoe
verplicht is? En is er een sanctie bij
niet-nakoming van deze plicht? Zo ja,
waar lees ik dat?
Ten slotte wil ik nog stilstaan bij
de aangepaste regeling ingeval van
verlof ten behoeve van de verzorging
van een terminale zieke, het
zogenoemde palliatief verlof. Terecht
gelden hierbij enkele voorwaarden
voor de toekenning van de financie¨le
tegemoetkoming niet. De minimum-
periode geldt niet, gedurende twee
maanden hoeft er geen vervanger te
zijn, enz. Lastig is en blijft, dat het bij
dit type verlof niet goed mogelijk is
een einddatum te noemen. De
minister erkent dit ook. Nu verplicht
artikel 2, derde lid, nadrukkelijk tot
het maken van een afspraak tussen
werknemer en werkgever over begin-
en einddatum van het verlof. De
minister zegt in de nota dat dit voor
palliatief verlof gelezen mag worden,
als het gaat om de einddatum, als
het moment tot waarop de terminale
begeleiding noodzakelijk is.
Natuurlijk stem ik daarmee in. Gelet
echter op de gevoeligheid van een
en ander lijkt het mij verstandiger dit
expliciet in de wet vast te leggen.
Derhalve heb ik terzake een
amendement ingediend. Een
voordeel daarvan is ook nog dat zo
geheel duidelijk wordt dat deze
soepelheid met betrekking tot het
vaststellen van de einddatum
uitsluitend het palliatief verlof geldt
en niet de andere verlofvormen. En
dat moet ook de minister aanspre-
ken.
Mijn laatste vraag betreffende het
palliatief verlof is geen aangename,
maar wel een noodzakelijke. Hoe
wordt getoetst dat het daadwerkelijk
om palliatief verlof gaat? Wordt
bijvoorbeeld – ik durf het nauwelijks
te vragen – een doktersverklaring
verlangd door de werkgever of
wellicht ook door het LISV? Ik kan
deze vraag beter nu stellen dan dat
men er later in de praktijk op een
onaangename manier mee te maken
krijgt. Ik hoor graag van de minister
hoe hij zich voorstelt hoe een en
ander in de praktijk zal verlopen.
Afsluitend meld ik nog dat
wetsvoorstel 25618, de wijziging van
de Ziektewet, enz. in verband met
het wegnemen van belemmeringen
in socialeverzekeringswetten bij het
opnemen van onbetaald verlof, na de
schriftelijke gedachtewisseling geen
nieuwe vragen of opmerkingen wat
mijn fractie betreft noodzakelijk
maken. Ik sluit dan ook af met de hamvraag: wat gebeurt er als een
Kamerlid verlof opneemt? Volgens
mij is er dan niet de mogelijkheid
van een vervanger, ook niet van een
tegemoetkoming, want Kamerleden
hebben geen werkgever. Maar dat
verhindert mij niet de nodige
sympathie voor het wetsvoorstel uit
te spreken.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="29-2308">

 
<spreker pagina="29-2308" anker="932" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">

Voorzitter! Volgens mij hebben wij
geen dienstverband. Er rest ons dus
maar een ding. Wij nemen ons
ontslag bij de Kamer.
Voorzitter! In de nota ’’Om de
kwaliteit van arbeid en zorg’’ van
september 1995 is de regering nader
ingegaan op de toenemende
behoefte van vrouwen en mannen
op de arbeidsmarkt om werk met
andere taken te combineren. Met
name het opnemen van verlof is
hierbij een belangrijk aspect
geweest, omdat het opnemen van
verlof over een wat langere periode
kan voorkomen dat mensen, en dan
helaas meestal vrouwen, de
arbeidsmarkt geheel of gedeeltelijk
verlaten. Er zijn steeds meer redenen
om verlof op te nemen en het is dan
ook te gemakkelijk om alleen te
wijzen op vrouwen met kleine
kinderen die hier gebruik van zouden
willen maken. Zorg voor een zieke
partner of ouder, waarbij iemand
graag zelf een bijdrage wil leveren
aan herstel maar soms ook in een
laatste periode, komt veel voor. Ook
de snelheid van de ontwikkelingen
op de arbeidsmarkt, de behoefte om
breder inzetbaar te zijn en de wens
van een werknemer om zijn positie
op de arbeidsmarkt te versterken of
te verbeteren, vragen soms om meer
tijd en inzet dan avonduren en
zaterdagen kunnen bieden. Regelin-
gen in Belgie¨ en Denemarken
hebben aangetoond dat de behoefte
van de ene werknemer een kans
voor een andere werknemer kan
betekenen. Veel mensen ondervinden
problemen bij het vinden van een
baan door het ontbreken van recente
arbeidservaring. Door dit laatste
mogelijk te maken, worden hun
kansen vergroot. De ervaring in
andere landen evenals een experi-
ment in het noorden van ons land
tonen aan dat vervanging van een
verlofganger door iemand die geen
werk heeft, dit alles weliswaar onder
bepaalde voorwaarden, succesvol
kan zijn.
Het wetsvoorstel is budgettair
neutraal omdat salaris naar de
werkloze gaat en uitkeringsgeld naar
de verlofganger. Hierbij wil mijn
fractie wel de kanttekening plaatsen
dat er dus niet op uitkeringsgeld en
derhalve op collectieve lasten wordt
bespaard en dat er ook geen werk
bijkomt. Dat laat onverlet dat wij
positief staan tegenover de
uitgangspunten van het wetsvoor-
stel. Wij onderschrijven het
uitgangspunt van de regering dat de
eerste verantwoordelijkheid voor
organisatie van de arbeid bij sociale
partners ligt en dat, zoals te lezen
staat in de nota naar aanleiding van
het verslag, in deze overgangspe-
riode, waarin een nieuwe balans
moet worden gevonden tussen
belangen en wensen van werkne-
mers en werkgevers, de overheid
niet verder moet gaan dan het
wegnemen van belemmeringen en
het stimuleren van bepaalde
faciliteiten, zoals in deze wetsvoor-
stellen neergelegd.
Het feit dat sociale partners elkaar
op dit punt hebben kunnen vinden,
stemt ons verwachtingsvol. In de
nota naar aanleiding van het verslag
is door de regering in extenso
ingegaan op de verschillende door
ons gestelde vragen. Wij zien dan
ook geen reden om op al die punten
terug te komen met uitzondering van een drietal onderwerpen: het
educatief verlof, de lengte van het
verlof en de staffeling en de
inkomensafhankelijke regelingen.
Met betrekking tot het educatief
verlof gaat de minister uit van de
stelling dat er een aantoonbare
relatie moet zijn tussen de invulling
van het verlof en de doelstelling van
de verlofganger om zijn positie op de
arbeidsmarkt te behouden of te versterken. Samengevat: employabi-
lity. In de ogen van mijn fractie moet
het dan ook gaan, zoals de nota naar
aanleiding van het verslag aangeeft,
om leeractiviteiten die de inzetbaar-
heid op de arbeidsmarkt vergroten.
Daaronder valt niet het afstand
nemen van de arbeidsmarkt voor een
langere periode zonder iets anders te
doen. Dat valt onzes inziens onder
vakantie of recuperatie. Is de
regering dit met ons eens?
Het tweede punt betreft zowel de
lengte van het verlof als de
staffeling. De regering gaat uit van
zes maanden. Deze periode wordt
gehanteerd voor zowel de financie-
ring van de loopbaanonderbreking
als het onbetaald verlof. Die periode
is gekozen op basis van onderzoek,
dat zou hebben uitgewezen dat dit in
het merendeel van de gevallen aan
de wensen van werknemers
tegemoetkomt. Overigens, de
mogelijkheid om die periode langer
of korter te maken, is geen auto-
nome zaak. Wetgever en regering
zouden dit samen kunnen uitmaken.
Dit is een begin. In dat kader zijn er
gevallen denkbaar – ik noem als
voorbeeld de zorg voor een ernstig
ziek kind, een kind met leukemie
bijvoorbeeld – waarin de periode van
een halfjaar niet voldoende is om
voor dat kind te zorgen. Zou het dan
niet mogelijk zijn, wanneer werkge-
ver en werknemer hierover een
afspraak maken, deze periode te
verlengen? Ik heb niet de indruk dat
werknemers naar believen jarenlang
met verlof gaan. Daarvoor is de
tegemoetkoming niet toereikend.
Onbetaald zullen weinigen zich dit
kunnen permitteren als ze dan al
werken.
Vervolgens de staffeling. Bij de
beantwoording van de vragen van
onder andere mijn fractie met
betrekking tot eventueel calculerend
gedrag van de verlofganger met het
oog op de hoogte van de tegemoet-
koming – en de daaruit voort-
vloeiende consequentie voor de
budgettaire neutraliteit en het
percentage herintreders – reageert
de regering in onze ogen enigszins
laconiek. Misschien kunnen de
minister en de staatssecretaris nog
eens een rekensommetje maken van
bijvoorbeeld het verschil tussen
minimumloon en modaal en van de
uitkomsten bij 19 en 21 uur verlof.
Dat maakt wellicht de beantwoording
van de regering helderder, want dan
is er een combinatie tussen loon en
tegemoetkoming. Het verschil is dan
misschien minder frappant. Mijn
fractie zou het betreuren indien de
staffeling er de oorzaak van zou zijn
dat bijvoorbeeld maar weinig
herintreders en herintreedsters van
deze regeling gebruik kunnen maken
en arbeidservaring op kunnen doen.
Het laatste punt waarop mijn
fractie wil terugkomen, is de relatie
met de inkomensafhankelijke
regelingen. Het is voor de VVD
helder dat het gebruik maken van
verlof veronderstelt dat betrokkene
heeft nagedacht over de gevolgen
voor zijn inkomen. Het gaat hierbij
om een eigen verantwoordelijkheid
en daarbij past het niet een beroep
te doen op de Algemene bijstands-
wet en andere wetten in dat kader.
Deze wetten zijn juist bedoeld voor
mensen die zo snel mogelijk uit de
uitkeringssituatie moeten geraken en
de arbeidsmarkt moeten betreden en
niet voor mensen die vrijwillig, om
welke goede reden dan ook, de
arbeidsmarkt, ook al is dat tijdelijk,
verlaten.
Maar mijn fractie staat voor een
dilemma als het gaat om een aantal
andere inkomensafhankelijke
regelingen, bijvoorbeeld de IHS en
de studiefinanciering. Enerzijds
vinden wij dat de uitgangspunten die
gelden met betrekking tot de
Algemene bijstandswet ook opgeld
doen voor deze wetten. Anderzijds
realiseren wij ons dat bij verminde-
ring van inkomsten, om welke reden
dan ook, de belasting wordt
aangepast. Waarom zou dan een
tijdelijk beroep op deze regelingen
weer worden uitgesloten? Boven-
dien, enerzijds kan educatief verlof
meestal beter en langer van tevoren
worden overwogen, maar kan
anderzijds zorgverlof of palliatief
verlof de verlofganger min of meer
overkomen, waarbij overwegingen
van inkomen ondergeschikt zijn aan
persoonlijke betrokkenheid en
verantwoordelijkheid.
Wij vragen de regering op dit punt
nog eens zorgvuldig in te gaan.
Daarbij dient zij de uitvoerings-
problemen voor de verschillende
regelingen te betrekken. Voor wie
iets meer van studiefinanciering
weet, is het helder wat een tijdelijke
verhoging van een aanvullende
beurs aan administratieve romp-
slomp en uitvoering teweeg kan
brengen. Vaak gaat dit gepaard met
terugvorderingen in een latere
periode, die voor betrokkenen veel
consequenties kunnen hebben.
De minister stelt voor om de wet
na vier jaar te evalueren. Daarnaast
wil hij periodiek bijhouden in welke
mate en voor welke doeleinden van
deze wet gebruik wordt gemaakt.
Mijn fractie vraagt de minister om
het periodiek bijhouden wat op te
vijzelen, upgraden, tot een tussen-
evaluatie na twee jaar. Het is goed
om reeds tijdig te kunnen constate-
ren op welke wijze en waarom van
deze wet wel of geen gebruik wordt
gemaakt en om eventueel bepaalde
onderdelen nader te beschouwen. De
wet is er uiteindelijk voor de mensen
en de mensen zijn er niet voor de
wet.
Ten slotte. Mijn fractie heeft bij dit
wetsvoorstel een aantal opmerkingen
geplaatst, maar is ’’overall’’ positief
over de uitwerking. Wij hopen dat
deze wet het succes mag hebben dat
vergelijkbare wetten in Belgie¨ en
Denemarken hebben gehad, omdat
zowel mensen die reeds op de
arbeidsmarkt zijn als zij die daartoe
graag toegang willen krijgen,
daarvan kunnen profiteren.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="29-2310">

 
<spreker pagina="29-2310" anker="933" partij="SGP" naam="Van der Vlies">

Mijnheer de voorzitter! De discussie
over flexibilisering van het arbeids-
bestel is onder het Paarse kabinet
stevig geı¨ntensiveerd. Op tal van
terreinen zijn in de achterliggende
tijd wetsvoorstellen de revue
gepasseerd die hiervan getuigen. Ik
denk aan de onlangs behandelde
voorstellen terzake van flexibiliteit en
zekerheid. Deze grondhouding neemt
echter niet weg dat de SGP-fractie bij
herhaling heeft uitgesproken de
achterliggende gedachte van de
toenemende behoefte aan flexibilise-
ring en behoefte aan verschillende
vormen van verlof niet zonder meer
te kunnen delen.
In de memorie van toelichting op
het wetsvoorstel financiering
loopbaanonderbreking wordt
verwoord dat een van de doelstellin-
gen van het kabinetsbeleid is het
scheppen van ruimte voor gee¨manci-
peerde en economisch zelfstandige
burgers. Maar dat is toch maar een
kant van het verhaal, zegt de
SGP-fractie altijd. Daarnaast hebben
wij dan ook altijd volgehouden dat er
onderscheiden verantwoordelijkhe-
den tussen man en vrouw zijn en
tussen mensen meer in het
algemeen, die ook in de maatschap-
pelijke taakverdeling tot uitdrukking
moeten of kunnen komen. Ik
realiseer mij dat het nu niet het
geschikte moment is om daarover
met elkaar in discussie te gaan, maar
ik wilde het in reactie op de
opmerkingen van de regering in de
memorie van toelichting toch wel
even gemeld hebben.
Voorzitter! Los van ideologische of
principie¨le stellingnames kunnen wij
in alle nuchterheid vaststellen dat in
bepaalde gevallen behoefte bestaat
aan enigerlei vorm van verlof. In een
artikel in de Volkskrant van vanmor-
gen met de kop ’’Opnemen van
verlof neemt een hoge vlucht’’ staat
zelfs dat 7 op de 10 werknemers er
wel eens tussenuit wil. Dat kan ik mij
van elke werknemer voorstellen,
maar het gaat erom waarom men
dat wil. Maar goed, daarover regelen
wij dan ook het een en ander.
Vaststaat dat er een ree¨le behoefte is
aan het opnemen van verlof. Dat kan
heel erg gerechtvaardigd zijn. In dat
verband breng ik de motie van 2
december 1992 van mijn fractie in
herinnering. Daarin werd gevraagd
om de introductie van een wettelijke
vorm van zorgverlof. Verlof kan in
allerlei opzichten een heel nuttige
functie vervullen voor de betrokke-
nen zelf, maar ook voor zijn of haar
omgeving. Ook de werkgever kan er
een evident belang bij hebben. In het
kader van het wetsvoorstel financie-
ring loopbaanonderbreking is verlof
gedefinieerd als ’’gehele of gedeelte-
lijke onderbreking van de arbeid ten
behoeve van zorg of educatie’’. Met
betrekking tot de laatste vorm van
verlof is de recent op gang gekomen
discussie over employability
relevant.
Over de regeling van het
zogenaamde palliatief verlof heeft
mijn fractie in de schriftelijke
voorbereiding reeds enkele vragen
gesteld. De beantwoording was niet
geheel bevredigend. Wat is het
geval? In artikel 2 van het wetsvoor-
stel zijn de voorwaarden opgenomen
waaronder een werknemer in
aanmerking kan komen voor een
financie¨le tegemoetkoming door het
LISV. Een van de voorwaarden is dat
een werknemer ten minste een jaar
in dienst moet zijn bij zijn werkgever. Op zich is die eis redelijk: ik kan mij
indenken dat een werknemer die ten
behoeve van educatie verlof wil
opnemen om op zijn vakgebied weer
helemaal bij te geraken en daarvoor
in aanmerking wil komen voor een
financie¨le tegemoetkoming,
minimaal een bepaalde termijn in
dienst van dezelfde werkgever moet
zijn. Dat ligt onzes inziens echter
anders bij het palliatief verlof. Naar
het oordeel van mijn fractie moet het
specifieke karakter van het palliatief
verlof in aanmerking worden
genomen. Educatief verlof kan
worden opgenomen op het door de
werknemer gewenste en geplande tijdstip. Dat plan je in je leven: dan,
daar en daarom, die cursus of die
stage; ik noem maar wat. Palliatief
verlof is per definitie niet altijd ver
van tevoren te plannen. Het
eindtijdstip daarvan is niet te
voorzien, maar het begintijdstip
meestal ook niet echt. Tegen die
achtergrond is het niet redelijk om te
bepalen dat een werknemer die door
omstandigheden genoodzaakt is om
palliatief verlof op te nemen,
minimaal een jaar in dienst moet zijn
van dezelfde werkgever. Werknemers
die kortere tijd in dienst zijn, kunnen
net zo goed voor dezelfde situatie
geplaatst worden. Moet je dan, om
de simpele reden dat hij korter bij
die werkgever in dienst is, zeggen
dat dat nog even niet kan? Dat staat
haaks op de filosofie van het willen
toekennen van de mogelijkheid om
palliatief verlof op te nemen.
Waarom laat de regering het in een
dergelijk geval over aan het
gezamenlijke overleg tussen
werkgever en werknemer om aan die
situatie een mouw te passen? Uit de
praktijk weet ik overigens dat die mouw er vaak wel zal blijken te zijn:
bij goed werkgeverschap en goede
verhoudingen kom je natuurlijk een
heel eind, maar wij zijn hier bezig
met afdwingbare zaken. Het karakter
van de omstandigheden waarvoor
verlof wordt opgenomen, moet in
mijn ogen zwaarder wegen dan de
hantering van al te stringente
voorwaarden. Wat bij de ene vorm
van verlof redelijk is, is dat niet per
se bij de andere vorm. Daarom heb
ik een amendement ingediend met
de strekking dat de voorwaarde van
artikel 2, tweede lid, onderdeel a,
voor het in aanmerking komen voor
een financie¨le tegemoetkoming in
het kader van palliatief verlof vervalt.
Overigens erken ik de noodzaak van
een zo groot mogelijke uniformering
van de voorwaarden die aan
verlofregelingen gesteld kunnen
worden. Dat heeft de regering in de
nota naar aanleiding van het verslag
terecht weergegeven. In dit geval
acht ik echter het karakter van het
verlof en de omstandigheden
waaronder palliatief verlof wordt
opgenomen van groter gewicht dan
de formele regel van artikel 2. Het
gaat bij dit type verlof om een
mentale prestatie al of niet ingebed
in relaties van liefde en toewijding –
denk aan gezin en familie – en om
maatschappelijke dienstbaarheid. Dit
behoeft waardering, materieel en
immaterieel. Vandaar mijn amende-
ment, waarvan ik hoop dat het een
positief onthaal krijgt.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="29-2310">

 
<spreker pagina="29-2310" anker="934" partij="GroenLinks" naam="Vos">

Voorzitter! Wij spreken over twee
wetsvoorstellen, een voorstel inzake
financiering loopbaanonderbreking
en een voorstel dat erin voorziet dat
een aantal belemmeringen in de
sociale zekerheid die het nu moeilijk
maken verlof op te nemen, weg te
nemen. Ik denk dat het belangrijk is
dat deze wetsvoorstellen aan de orde
zijn en dat de regering deze stap
maakt. Mijn fractie vindt dit een
belangrijke stap in de goede richting.
Het lekkerste is door het kabinet voor
het laatste bewaard. Het heeft wat
ons lang geduurd voordat er eenvoorstel op tafel lag op het terrein
van de sociale zekerheid waarvan wij
konden zeggen dat het een stap in
de goede richting is. In elk geval
wordt die stap nu gezet. Wij hebben
daarbij nog wel een aantal punten
van stevige kritiek. Naar onze
mening is de stap bescheidener dan
deze zou moeten zijn op dit moment.
Het idee dat wij gaan naar een
ontwikkeling van het arbeidsbestel
waarin de periodes van betaald en
onbetaald werk gemakkelijker zijn af
te wisselen, hetgeen kan bijdragen
aan een eerlijker verdeling van
betaald en onbetaald werk, onder-
steunen wij van harte. Natuurlijk
blijft de noodzaak van flankerend
beleid onverminderd van kracht,
zoals een deeltijdwet, een wettelijk
calamiteitenverlof en een forse
investering in de kinderopvang.
Ons belangrijkste kritiekpunt is het
feit dat de werknemer geen recht
krijgt op verlof. Of verlof en een
daaraan gekoppelde financie¨le
tegemoetkoming haalbaar zijn, is
afhankelijk van de instemming van
de werkgever. Er moet bovendien
aan nogal wat voorwaarden worden
voldaan voordat betaald verlof
verkregen kan worden. Er moet een
vervanger komen, die een uitkering
moet hebben en als werkzoekende
staat ingeschreven en de vervanger
moet ten minste 18 uur in dienst
komen. Dit zouden voor de werkge-
ver wel eens lastige voorwaarden
kunnen zijn. Hoe kan een onwillige
werkgever worden overgehaald c.q.
worden verplicht om mee te werken
aan betaald verlof? Is de werkgever
ten minste verplicht zijn best te doen
om de vervanging te regelen?
Hoever moeten zijn inspanningen
gaan? Is een telefoontje naar het
arbeidsbureau voldoende inspan-
ning? Als de werkgever niet verplicht
kan worden tot vervanging van de
verlofganger, waarom heeft de
werknemer dan niet in ieder geval
recht op onbetaald verlof? Ik
verneem graag de visie van de
minister op de inspanning die de
werkgever moet leveren. Wanneer is
de werkgever gerechtigd om te zeggen: jammer, maar dit verzoek
kan ik niet inwilligen, want ik kan aan
een aantal voorwaarden niet
voldoen? Het lijkt mij van belang dat
de minister daar nader op ingaat.
Wat ons betreft is het het meest
heldere om in ieder geval een recht
op verlof te regelen. Wij hebben met
het oog daarop het amendement op
stuk nr. 9 ingediend, analoog aan de
wijze waarop zulks in de Wet recht
op deeltijdarbeid is geformuleerd.
Een ander belangrijk kritiekpunt
van ons betreft de duur van de
onderbreking, namelijk maximaal zes
maanden. Dit geldt voor beide
wetsvoorstellen. Waarom kan het niet langer? De regering zegt: als je
mensen te lang verlof geeft, bestaat
de kans dat zij de band met betaalde
arbeid kwijtraken. Wij vinden dit
onwaarschijnlijk en ook een erg
betuttelend. Stel dat iemand op
verlof gaat en een studie gaat
volgen, waardoor hij er langer uit is.
Het kan heel goed dat betrokkene
vervolgens met veel meer succes
weer betaald werk krijgt. Kortom,
naar aanleiding van zo’n argument
kun je zeggen dat de redenering van
de regering niet zo sterk is.
Bovendien verhoogt, zo denken wij,
een termijn van twaalf maanden –
wij hebben op dit punt een amende-
ment ingediend – de kans op succes
van beide wetsvoorstellen. Bijvoor-
beeld in het onderwijs hebben
werknemers en werkgevers meer aan
een verlof van een heel schooljaar
dan aan een verlof van zes maanden.
Ook de kans op herbezetting is bij
een langer durend verlof groter. Het
verlengen van de periode van het
verlof is dus niet alleen van belang
voor het slagen van deze gedachte,
maar het is ook in het belang van
degene die het verlof opneemt.
Een derde punt van kritiek is
gericht op de hoogte van de
financie¨le vergoeding in het wetsvoorstel: ƒ 960 bruto, dus
ongeveer ƒ 600 netto voor degenen
die meer dan 30 uur verlof per week
opnemen. Een halfjaar geleden
hoorde ik de Belgische collega van
onze minister praten over de wet op
de loopbaanonderbreking in haar
land. Het speet haar dat er indertijd
niet voor een hogere vergoeding was
gekozen, want zij stelde vast dat de
regeling door de lage vergoeding
eigenlijk alleen maar aantrekkelijk
bleek te zijn voor mensen die al een
zeer laag inkomen hadden. De
gekozen financie¨le tegemoetkoming
was in ieder geval te gering om een
impuls te geven aan een grote groep
werknemers met een wat hoger
inkomen. In die zin zou ik in
tegenstelling tot wat de heer Van
Middelkoop daarstraks schetste,
willen vaststellen dat het er althans
in Belgie¨ op lijkt dat degenen die
verlof opnemen, in heel veel
gevallen vrouwen in lagerbetaalde
functies zijn. Het lijkt mij niet de
bedoeling van deze wet dat het
hierop zou neerkomen, dus wij
pleiten toch voor een hogere
vergoeding dan wat de minister nu
in het wetsvoorstel heeft opgeno-
men. De minister in Belgie¨ zei ook
dat je weer in de slag moet met
werkgevers om een betere regeling
te treffen, als er eenmaal zo’n laag
bedrag is vastgesteld. Je hebt als het
ware een remmende voorsprong
opgebouwd.
Ik vind het overigens opmerkelijk
dat de minister al heeft gezegd dat
hij nog meer dan dit wil. Hij wil ook
betaald ouderschapsverlof en een
regeling voor betaald adoptie-
gewenningsverlof. Als hij die wensen
heeft, waarom wil hij dan niet
meteen met dit wetsvoorstel een
aantal van die zaken regelen?
Wat verder opvalt, is dat de
financie¨le vergoeding heel snel
afloopt naarmate men minder dan 30
uur verlof opneemt. Dat is dus niet
aantrekkelijk. Wij hebben dan ook
een amendement ingediend om dit
te repareren, zodanig dat de
vergoeding evenredig is met de
lengte van het deeltijdverlof. Het
kabinet heeft, voorzover wij hebben
kunnen nagaan, er in feite voor
gekozen om de zaak budgettair
neutraal te regelen. Het wil ook
herintredende vrouwen de mogelijk-
heid bieden om als vervanger op te
treden. Het geld moet ergens
vandaan komen en blijkbaar is het
nu gevonden bij de mensen die
verlof in deeltijd opnemen. Wij zijn
het om een aantal redenen niet eens
met deze redenering. Wij vinden dat
er in het wetsvoorstel ten onrechte
onderscheid naar arbeidsduur wordt
gemaakt. Het Burgerlijk Wetboek
verbiedt dit juist, maar deeltijders die
met verlof gaan, krijgen toch geen
uitkering naar rato. Verder vragen wij
ons af of er met de gekozen
vormgeving niet meer baten zijn dan
waarvan het kabinet nu uitgaat. De
inverdiende uitkeringsbijdragen zijn
immers nog altijd aanzienlijk hoger
dan de vergoedingen die aan de
verlofgangers worden betaald. Neem
alleen al de bijstandsuitkering voor
een alleenstaande; die is twee keer
zo hoog als de verlofuitkering voor
iemand die meer dan 30 uur met
verlof gaat. En worden vervangers
gevonden in de kring van alleen-
staande ouders, gehuwden,
samenwonenden en
WW-gerechtigden, dan zullen de
baten nog hoger zijn. Kortom, is de
regering niet gewoon wat te
pessimistisch als het om de baten
gaat? En stel dat het wat tegenvalt
met de baten, dan kost het desnoods
maar wat meer. De doelstellingen
van de wet – meer mensen aan het
werk, meer mogelijkheden om
betaald en onbetaald werk te
combineren – vinden wij zo
belangrijk dat het ook best wat meer
zou mogen kosten. Het kabinet staart
zich dus wel erg blind op die
budgettaire neutraliteit. Kortom, ook
op dit punt van het verlof opnemen
in deeltijd hebben wij een amende-
ment ingediend.
Een laatste kritiekpunt ten aanzien
van het wetsvoorstel financiering
loopbaanonderbreking is de toch wel
starre eis bij de herbezetting. Wij zijn
bang dat er veel verzoeken op zullen
stranden. Er is heel veel voor te
zeggen dat het goed is om bij de
herbezetting mensen in te schakelen
die zonder werk zitten, juist om hen
kansen te bieden. Het kan natuurlijk
ook als een barrie`re gaan werken
voor de regeling, zeker als de
arbeidsmarkt weer wat krapper
wordt. Dan zal het heel lastig zijn om
de herbezetting conform alle eisen te
realiseren. Daarom vragen wij
waarom hieraan zo star wordt
vastgehouden. Moet er op dit punt
echt niet meer ruimte in de wet
komen? Zou het niet zo zijn dat, als
het goed gaat lopen, via de wet van
de grote getallen steeds meer
mensen met verlof gaan, los van de
strakke eis dat de vervanger per se
een werkloos iemand moet zijn? Zal
daarmee het aantal uitkeringsgerech-
tigden niet dalen?
Het is mij opgevallen dat er geen
evaluatiebepaling in de wet is
opgenomen. Ik begrijp dat de
regering op een bepaald moment
wel via tussenrapportages de stand
van zaken wil meten. Is het niet
verstandig op een of andere manier
een evaluatiebepaling in de wet op
te nemen? Wij overwegen rond het
punt van de evaluatie de regering te
vragen op dat moment eens te kijken
hoe het staat met de baten en de
kosten van de wet. Misschien is het
dan het moment waarop je kunt
denken aan verhoging van de
vergoeding. Het lijkt mij van belang
daarover nu alvast na te denken.
Ik sluit af met de opmerking dat
wij er blij om zijn dat een oud ideaal,
ook van GroenLinks, met deze wet
gerealiseerd wordt, maar dat de
situatie nog verre van ideaal is. Wij
hopen dat er op een aantal punten
verbeteringen worden aangebracht.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="29-2312">

 
<spreker pagina="29-2312" anker="935" partij="RPF" naam="Van Dijke">
 Voorzitter!
Er is een krantenknipsel op het
katheder blijven liggen. Ik weet niet
of dat symbolische waarde heeft. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2312" anker="936" partij="GroenLinks" naam="Vos">
 Oh ja,
dat is het krantenknipsel over
mannen die verlof op willen nemen
om op reis te gaan. Dat wilde ik
citeren. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2312" anker="937" partij="RPF" naam="Van Dijke">
 Dat had u
mij willen laten zeggen?! 

</spreker>
<spreker pagina="29-2312" anker="938" partij="GroenLinks" naam="Vos">
 Nee
hoor, ik was het vergeten. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2312" anker="939" partij="RPF" naam="Van Dijke">
 Voorzitter!
In deze kabinetsperiode hebben wij
herhaaldelijk gesproken over de
wenselijkheid om bepaalde vormen
van verlof wettelijk te regelen. De vraag was telkens weer: welke taak
heeft de overheid in aanvulling op
datgene wat de sociale partners
doen? Het uitgangspunt van de
regering is steeds geweest dat het
primaat voor de inrichting van, wat
zij noemt, de nieuwe organisatie van
de arbeid ligt bij de sociale partners.
Mijn fractie deelt deze opvatting.
Deze visie wordt ook breed
ondersteund door onder andere de
Stichting van de arbeid. Hierbij heb
ik mij overigens wel afgevraagd hoe
het komt dat werknemers blijkbaar
geen behoefte hebben aan een
wettelijke regeling van het verlof als
zodanig. Misschien kan de minister
mij op dit punt uit de droom helpen.
Wat de RPF-fractie in dit verband
niet steunt, is de opmerking in de
memorie van toelichting dat een
betere verdeling van de betaalde en
onbetaalde activiteiten de sekse-
gelijkheid zal vergroten. Dat mag ik
toch niet hopen! Ik veronderstel dat
hier de seksegelijkwaardigheid is
bedoeld. Los hiervan, valt uit de
ontwikkeling van de CAO’s af te
leiden dat steeds vaker zorgverlof-
afspraken worden gemaakt. Dat is
een ontwikkeling die het kabinet
toejuicht. Toch blijft, zo blijkt uit
recente cijfers, vooralsnog een grote
meerderheid van de werknemers
verstoken van een recht op zorg of
educatief verlof. Ik vraag de minister
dan ook of hij het ondenkbaar acht
dat de wetgever op een gegeven
moment wel tot actie overgaat door
een wettelijk recht op verlof te
cree¨ren. Ik ben het met hem eens dat
dat op dit moment niet opportuun is.
Maar moet de wetgever naar zijn
oordeel tot in lengte van jaren met
de armen over elkaar blijven zitten,
als blijkt dat vele duizenden
werknemers geen recht op verlof
krijgen? Ik vind een verwijzing naar
goed werkgeverschap in dezen wat
theoretisch. Je zou kunnen zeggen
dat bepalingen terzake van verlof in
CAO’s dan ook wel achterwege
kunnen blijven, als een verwijzing
naar goed werkgeverschap afdoende
zou zijn. Ik neem aan dat er veel
werknemers zijn die niet een conflict
met hun werkgever willen riskeren
om verlof te kunnen opnemen. Ik zou
het op prijs stellen als de minister
over dit belangrijke punt een nadere
uiteenzetting geeft. Overigens kan uit
het voorgaande afgeleid worden dat
ik het betreffende amendement van
collega Rosenmo¨ller waarmee in
feite een indirect wettelijk recht op
verlof ontstaat, op dit moment een
stap te ver vind gaan. Ik wil wel
zeggen dat ik niet op voorhand
negatief sta tegenover het amende-
ment van collega Van Vliet. Ik wacht
de beantwoording graag af.
Voorzitter! De regering ziet in
verband met het verlofdossier voor
de overheid een stimulerende taak
weggelegd. Dat heeft concreet
gestalte gekregen in het voorlig-
gende wetsvoorstel financiering
loopbaanonderbreking. Mijn fractie
heeft sympathie voor de hoofdlijn
van de wet. De voorgestelde
financie¨le ondersteuning kan in een
aantal gevallen zeker een extra
stimulans zijn voor werkgevers en
werknemers om afspraken te maken
over verlof. Op deze wijze kan meer
werk worden gemaakt van het
combineren van arbeid en zorg.
Positief is ook dat hierdoor meer
personen kunnen worden betrokken
bij het arbeidsproces. Op een enkel
onderdeel heb ik toch nog een paar
vragen, allereerst over de lengte van
het verlof. De omvang van het verlof
dat onder de regeling valt, is
maximaal zes maanden. Ik ben niet
overtuigd door de motivatie van het
kabinet op dit punt. De verwijzing
naar belemmeringen in de sociale
zekerheid snijdt volgens mij geen
hout. De wetgever kan er toch voor
kiezen die belemmeringen weg te
nemen? Ik verwijs naar het amende-
ment van collega Adelmund die
direct de sprong naar achttien
maanden wil maken.
Daarnaast zijn vraagtekens te
zetten bij het argument dat er
reı¨ntegratieproblemen kunnen
optreden bij een verlof dat langer
duurt. Op mijn vraag of de wetgever
zich inhoudelijk moet bezighouden
met eventuele reı¨ntegratieproblemen
van een werknemer, als dat verlof
langer duurt, heb ik geen bevredi-
gend antwoord gekregen. Ik dacht
dat de overheid zich in het verlof-
dossier terughoudend wilde
opstellen maar dat blijkt hieruit in elk
geval niet. Is dit niet bij uitstek een
verantwoordelijkheid van de
werkgever en de werknemer zelf?
Hetzelfde kan worden gezegd over
het argument dat scholingsverlof niet
het karakter moet krijgen van een
outplacement, waarbij in feite bij het
eigen bedrijf al geen plaats meer is
voor terugkeer. Ik kan mij voorstellen
dat de minister enigszins bezorgd is
op dit punt, maar moet hij dan gaan
beslissen voor die bedrijven wat de
maximale lengte voor een scholings-
verlof moet zijn? Verlenging van de
periode heeft overigens als voordeel
dat de vervanger langer in dienst
blijft. Verder kan ik mij voorstellen
dat bijvoorbeeld onderwijzend
personeel liever niet na afloop van
een sabbatsverlof midden in een
seizoen voor een nieuwe groep wil
worden gezet. Kortom, ik ben niet zo
overtuigd van de wenselijkheid de te
financieren verlofperiode te
maximeren zoals de regering
voorstelt. Voorshands heb ik dan ook
geen overwegende bezwaren tegen
het amendement van collega
Rosenmo¨ller op stuk nr. 8. Heeft de
regering inzicht in de budgettaire
consequenties van de hierin beoogde
uitbreiding tot onbetaald verlof van
maximaal twaalf maanden?
Voorzitter! De regering verwacht
weinig gesjoemel met verlofdoelen.
Uitgangspunt is dat verlof wordt
genomen in verband met scholing en
zorg. Ik ben met de minister en de
Raad van State van mening dat het
voorgestelde stelsel natuurlijk
remmen bevat die misbruik
tegengaan. Toch kan niet helemaal
worden uitgesloten dat verlof wordt
opgenomen voor vakantie-
doeleinden. Anderen spraken daar
ook al over. Een concreet voorbeeld
kan dit verduidelijken. Een werkne-
mer kan enkele maanden onbetaald
verlof opnemen om op vakantie te
gaan en de werkgever stemt
daarmee in maar hij wil in die
periode wel vervanging regelen. Op
grond van deze wet wordt het
verhaal des te interessanter omdat
de werkgever dan ook nog een
tegemoetkoming op kosten van de
gemeenschap krijgt. Ik neem aan dat
dit een onwenselijke en onbedoelde
situatie is. Zou dergelijk oneigenlijk
gebruik niet moeten worden
gesanctioneerd?
In het verslag heb ik gevraagd of
er niet een principieel onderscheid
moet worden gemaakt tussen
zorgverlof en educatief verlof. De
minister vindt van niet en misschien
vindt hij het wat gezocht, maar
volgens mij is educatief verlof echt
primair in het belang van de
werkgever en de werknemer zelf. De
scholing hoeft zelfs niet direct
verband te houden met de functie
van de verlofganger. Nu wil ik niet
ontkennen dat educatief verlof
daarnaast een breder maatschappe-
lijk belang heeft, maar over het
algemeen kan worden gesteld dat
zorgverlof minder direct het eigen
belang dient dan een educatief
verlof. Het zal toch ook niet geheel
toevallig zijn dat collega Van Vliet in
het amendement op stuk nr. 16
alleen een regeling wil treffen voor
zorgverlof. Mede op grond van deze
overweging wil ik voorstellen het
achtste lid toe te voegen aan artikel
2. Er zijn zeer wel situaties denkbaar
waarin werknemers dingend
behoefte hebben om meer dan
normaal gestalte te geven aan hun
zorgtaak. Zo kan ik mij voorstellen
dat een gezin kopje onder dreigt te
gaan na een bevalling waarvan de
moeder maar zeer moeizaam
herstelt. Haar man heeft een baan en
kan zich waarschijnlijk niet permitte-
ren om onbetaald verlof op te nemen
terwijl gezinshulp wel een erg forse
aanslag op de financie¨le mogelijkhe-
den van het gezin betekenen. Bij
ziekte van een nabij familielid kan
zich een vergelijkbare situatie
voordoen evenals bij overlijden.
Ik pleit ervoor dat de wetgever
voor dergelijke situaties de drempel
voor verlof verder verlaagt. Concreet
komt mijn voorstel erop neer dat
daarbij eenzelfde regime wordt
gehanteerd als bij de palliatieve zorg,
zoals geformuleerd in het zevende lid
van artikel 2.
Voorzitter! Het is positief dat voor
palliatief verlof een ruimer regime
gaat gelden. Wat onze fractie betreft
bestaat er een onnodige belemme-
ring in het kabinetsvoorstel. Het gaat
om het voorstel de ontheffing van de
vervangingsplicht te binden aan een
maximumtermijn van twee maanden.
Vaak zal palliatief verlof nauwelijks
langer duren dan twee maanden,
niettemin moet als het langer duurt
toch een vervanger opdraven. In
theorie kan dat zelfs voor de duur
van een dag gelden. Een dergelijke
regeling zal een werkgever niet
stimuleren zijn werknemer palliatief
verlof te verlenen. Mijn fractie vindt
dat de drempels voor dat verlof zo
laag mogelijk moeten zijn. Daarom
heb ik in een amendement voorge-
steld de maximumtermijn van twee
maanden in artikel 2.7.b te schrap-
pen. Misschien moet er wel een
nieuwe maximumtermijn in dit
onderdeel worden opgenomen als de
werking van dit wetsvoorstel wordt
uitgebreid tot een langer durend
verlof. Ik wijs op het eerder-
genoemde amendement van collega
Rosenmo¨ller. Overigens denk ik dat
het amendement van collega Van
Middelkoop met betrekking tot artikel
2.7 een verbetering betekent.
Voorzitter! Wij hebben vragen
gesteld over de verschillen in
nettobedragen tussen de verlofgan-
gers die rechtstreeks door de
werkgever worden betaald en de
verlofgangers die de uitkering via het
LISV krijgen. Uit het antwoord van
de minister leid ik af dat er geen
verschillen zijn in netto te ontvangen
bedragen. Wel wordt de loonadmini-
stratie van de werkgever ingewikkel-
der, omdat die alleen over het
loondeel premies werknemers-
verzekeringen verschuldigd is. Is dit
minpuntje wel voldoende betrokken
geweest bij de voorbereiding van de
regeling?
Ik heb kritische vragen gesteld
over de voorgestelde staffeling. Ook
na kennisneming van het antwoord
van de minister blijf ik van opvatting
dat een tegemoetkoming van
ƒ 160 per maand voor de vervanger
van een verlofganger die bijvoor-
beeld 19 uren verlof neemt,
nauwelijks als een substantie¨le
prikkel zal worden ervaren. Afgezien
hiervan vind ik dat niet valt in te zien
waarom die staffeling de werknemer
zal verleiden het aantal verlofuren af
te stemmen op een hogere vergoe-
ding. Dat vind ik niet echt overtui-
gend. Ik ben benieuwd naar de
reactie van de minister op het
amendement van collega Rosenmo¨l-
ler op dit onderdeel. Uiteraard hangt
daaraan een prijskaartje. De vraag of
dat uit de algemene middelen moet
komen of dat daarmee de ruimte
voor herintreders beperkt wordt, is
daarbij relevant. De minister lijkt al
bij voorbaat van dat laatste uit te
gaan. Ik vraag mij echter af of wij zo
dogmatisch moeten omgaan met het
uitgangspunt van budgettaire
neutraliteit.
Als wij prioriteit geven aan die
budgettaire overwegingen, verdient
het sowieso de voorkeur zoveel
mogelijk uitkeringsgerechtigden als
vervanger te laten optreden. Ik ga er
echter van uit dat het kabinet uit
overtuiging ook herintreders tot de
kring van vervangers wil laten
toetreden. Dan moeten wij echter
niet al te terughoudend zijn. De
verwachting van de vakcentrales is
dat bijna geen enkele niet-
uitkeringsgerechtigde – lees
herintreders – zich door de vrij strikt
geformuleerde normen zal kwalifice-
ren als vervanger. Ik ben er nog niet
van overtuigd dat het tegendeel waar
is. Ik heb daarom sympathie voor het
amendement van collega Adelmund
op stuk nr. 13, waardoor meer
herintreders in aanmerking komen
als vervanger in de zin van deze wet.
Voorzitter! De minister stelt dat in
het wetsvoorstel geen sprake is van
ongelijke behandeling naar arbeids-
duur. Men zou daarbij vraagtekens
kunnen zetten, omdat ingeval van
kleinere deeltijdbanen voor
vervanging een beroep moet worden
gedaan op een arbeidspool. De
werkgever kan dus uit minder
vervangers kiezen en zal daarom
wellicht niet staan te trappelen om
zijn vaste kracht met verlof te sturen.
De vervanger die uit de arbeidspool
wordt gerekruteerd, mag ook worden
ingezet voor vervanging van meer
dan een verlofganger tegelijk. Ik
vraag mij echt af of dat niet een
dode letter dreigt te worden. Het zal
toch niet vaak voorkomen dat twee
of meer werknemers exact in
dezelfde periode verlof opnemen, of,
zo vraag ik de minister, kan de
vervanger bij verschillende bedrijven
tegelijk aan de slag?
Wetsvoorstel 25618 hangt nauw
samen met het wetsvoorstel
financiering loopbaanonderbreking.
Na wat hierover is gewisseld in de
stukken, wil ik daarover nog een
vraag stellen. Wat verzet zich er nu
precies tegen om in de wet neer te
leggen dat een langdurige ziekte een
reden is om het verlof af te breken?
Welke bezwaren kunnen daartegen,
met name vanuit werkgevers-
oogpunt, worden ingebracht, mede
in het licht van het feit dat de
betreffende werknemer zich toch ook
niet direct weer zal melden om aan
het werk te gaan?
De voorliggende wetsvoorstellen
hebben grotendeels onze sympathie.
Op sommige onderdelen zouden wij
enige versoepeling willen zien. Wat
mij betreft gaat het daarbij ook om
de positie van de verlofganger die
zich aan zorgtaken moet wijden in
verband met overlijden, ziekte of
bevalling van naaste familieleden. Ik
wacht dan ook met belangstelling
het antwoord van de minister af.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="29-2314">

 
<spreker pagina="29-2314" anker="940" partij="PvdA" naam="Adelmund">

Mijnheer de voorzitter! Zeven op de tien werknemers zuchten af en toe:
give me a break. Dat gebeurt ook al
in het kabinet. Zo hoorde ik dat de
heer Kohnstamm zich gaat wijden
aan cello spelen, zeilen en lezen. En
deze wet gaat natuurlijk vooral over
de ’’mevrouwen Kohnstamm’’ en
anderen die deze mogelijkheid niet
hebben. Ik hoop van harte dat de
onderhandelingen tussen werkgevers
en werknemers binnenkort leiden tot
die gewenste breaks.
Op 18 november is er een prachtig
akkoord gesloten tussen werkgevers
en werknemers, waarin ook het
onderdeel loopbaanonderbreking aan
de orde komt. Daarbij kijkt men al
vooruit naar de totstandkoming van
deze wet. Ik vind dat zeer bij de tijd.
Ik meen dat varie¨teit als beginsel bij
deze tijd hoort. Er zijn grote
veranderingen in levensloop, in leef-
en werkpatronen. Dat vraagt dat het
stelsel van zekerheid de bescherming
is van het inkomen in relatie tot die
ontstane varie¨teit. Mensen participe-
ren op lifetime basis – gedurende
hun hele leven – en wel op een heel
andere wijze dan een groot deel van
deze eeuw gebruikelijk was. De
sociale verantwoordelijkheid van
mensen loopt heel erg uiteen, ook
gedurende verschillende periodes.
Willen de zaken bij de tijd worden
gebracht, dan moeten er voor
mensen mogelijkheden komen om
zich tijdens het arbeidsleven met
zorg, scholing en employability –
opfrissen – bezig te houden. Het zou
ook heel mooi zijn als dat aansloot
bij zaken die op dit moment al in het
bedrijfsleven spelen. Zo zijn er
allerlei vormen van sparen. Het
sparen van tijd staat in de beleving
van alle mensen die roepen ’’give
me a break’’ – mag ik alsjeblieft
onderbreken! – heel hoog bovenaan.
Ik kom er straks nog op terug. Het
lijkt mij goed als vormen van
spaarloon kunnen worden gebruikt
om deze regelingen te verbeteren. Er
werd al over safari’s gesproken. Met
ƒ 960 per maand – schoon ƒ 600 –
zal het neerkomen op kijken naar
tropische vissen in een aquarium. Ik
hoop van harte dat het bedrag wordt
aangevuld.
In deze tijd vraagt varie¨teit
keuzevrijheid en recht op initiatief
van werknemers. In 1992 is het voor
het eerst genoemd binnen de
vakcentrales. Toen heette het ’’TUT’’,
als variant op VUT. VUT komt aan
het einde van het arbeidsleven. TUT
betekent tussentijdse uittreding.
Binnen een dag nadat het woord was
gevallen, heeft de TROS een radio
uitgeloofd. Veel mensen hadden het
gehoord. En het sprak ook veel
mensen aan. Het leven was tot voor kort verdeeld in: eerst naar school,
dan werken en daarna uitrusten. Bij
het uitrusten is er vaak sprake van
een glijdende schaal via de VUT.
Steeds meer mensen willen de fases
door elkaar laten lopen. Je schoolt
tijdens je werk. En je moet ook
kunnen uitrusten tijdens dat werk.
Dat is nodig, gelet op de stress-
cijfers, de hoeveelheid stress in de
WAO. Om het over de markt te hebben: niets is zo goed als werk
zoeken op de stressbestrijdings-
markt. Stress is de belangrijkste
oorzaak van ziekteverzuim. En daar
zit dus handel in. De therapiee¨n
varie¨ren van massage en praten tot
brood bakken en houthakken. Dat
zijn allerlei mooie mogelijkheden om
te overdenken op het moment dat de
kandidatenlijst van de partij niet
helemaal goed is uitgevallen. Maar
de wetsvoorstellen die voor ons
liggen, komen natuurlijk ook ruim in
aanmerking om op die markt te
worden toegepast.
Ik heb toch enkele verbeteringen
in gedachten. Enkele sprekers zijn
hierop reeds ingegaan. De minister
en de staatssecretaris kennen mij
goed genoeg om te weten dat ik
dergelijke verlangens altijd bij hen
onderbreng. Ik verneem dan ook
graag een reactie op dat verlangen!
Er waren voornemens in het
regeerakkoord. Er was in 1994 een
begroting van Sociale Zaken. Ik weet
niet of men zich de reactie herinnert
op de Wet op de loopbaan-
onderbreking, zoals voorgesteld door
de fractie van de PvdA. Ik meen dat
in De Telegraaf is omschreven dat
wij dicht bij sinterklaas zaten. Dat is
ook nu het geval. Het is opvallend
dat in een vrij korte periode voor
mensen die geduldig zijn en in een
lange periode voor mensen die wat
ongeduldiger zijn, toch stappen zijn
gezet. Nu hebben wij zo’n wet in de
maak. Daaraan zijn dan nog
gekoppeld een Stichtingsakkoord van
maart 1997 en een Stichtingsakkoord
van 18 november 1997. Die
akkoorden zullen ervoor zorgen dat
het werkelijkheid wordt.
Voorzitter! Wat de varie¨teit betreft
hebben al veel sprekers opgemerkt
aan welke veranderingen het leven
onderhevig is. Ik zal niet in herhaling
treden. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2315" anker="941" partij="D66" naam="Van Vliet">
 Voorzit-
ter! Ik merk dat mevrouw Adelmund
overstapt op een ander onderwerp.
Er is destijds een motie-Adelmund
c.s. ingediend, betrekking hebbend
op de wettelijke regeling voor
loopbaanonderbreking. Wij hebben
een en ander toen geı¨nterpreteerd
als een wettelijk recht op loopbaan-
onderbreking. Nu zegt mevrouw Adelmund: die motie is er gekomen. Mijn standpunt is echter: er is een
wettelijk recht op de financiering van
loopbaanonderbreking gekomen.
Vindt zij het niet spijtig dat aan de
motie een zodanige draai is gegeven,
dat het wettelijk recht op loopbaan-
onderbreking als het ware buiten
beeld is gekomen? 

</spreker>
<spreker pagina="29-2315" anker="942" partij="PvdA" naam="Adelmund">
 Maar
ja, ik heb een hartstochtelijke
verhouding met de realiteit. Dat kan
mij overigens soms dwars zitten. Er
leven bij mij allerlei beelden van de
gang van zaken in de afgelopen
periode. Vanwege die hartstochtelijke
verhouding met de realiteit en de
wens van het scheppen van de
mogelijkheid voor verlof heeft de
minister in het kabinet gestreden.
Zoals u weet, zit er in iedere auto
een koppeling, een pedaal om gas te
geven en een pedaal om te remmen.
Welnu, in het kabinet werd geremd
en bij sociale partners is gas
gegeven en de koppeling gebruikt.
Gelet op die realiteit lijkt het mij heel
goed de sociale partners de kans te
geven nu nog meer gas te geven. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2315" anker="943" partij="D66" naam="Van Vliet">
 Dus heeft
u de luxewagen omgeruild voor een
wat kleinere wagen, die weliswaar
ook vooruitkomt, maar die toch wat
minder te bieden heeft. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2315" anker="944" partij="PvdA" naam="Adelmund">

Beeldspraken schieten altijd tekort,
maar ik vind het niet terecht om te
zeggen dat ik een luxewagen inruil.
Wat ik heb gemerkt, is dat op dit
moment sociale partners sneller
gaan. Ik herinner eraan wie op het
punt van flexibiliteit en zekerheid en
bij dit onderwerp voor versnelling heeft gezorgd: dat zijn de sociale
partners geweest. Ik wijs er voorts
op op welke manier het onderwerp
in het kabinet is behandeld. Via een
adviesaanvraag aan de Stichting van
de arbeid is echter de versnelling tot
stand gebracht en kunnen wij, ook in
dit huis, concrete afspraken maken. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2315" anker="945" partij="RPF" naam="Van Dijke">
 Voorzitter!
Een sociaal-democraat die een
hartstochtelijke relatie heeft met de
werkelijkheid kan toch nooit de
werkelijkheid die zich voor haar ogen
afspeelt tot uitgangspunt nemen? Zij
heeft toch haar eigen ambities. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2315" anker="946" partij="PvdA" naam="Adelmund">
 Die
ambities zijn zeer hooggespannen en
ik hoop van harte dat u met mij
meegaat en ook de sprong maakt
van de twaalf naar de achttien.
Hierover kom ik straks nog te
spreken. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2315" anker="947" partij="GroenLinks" naam="Vos">

Voorzitter! Mevrouw Adelmund
spreekt hier haar verlangen uit. Het
verlangen dat ik en ook mevrouw
Van Vliet hebben uitgesproken
betreft toch het gestalte geven aan
het recht. Waarom kan mevrouw
Adelmund ook dat verlangen niet
verwoorden? Misschien kan het
kabinet op dat punt nog even een
sprintje maken. Daarbij geldt de vraag: komt het straks allemaal wel
goed als straks de werknemers hun
recht moeten gaan bevechten? Vindt
mevrouw Adelmund het dus ook niet
mogelijk en nodig een extra zetje te
geven? 

</spreker>
<spreker pagina="29-2315" anker="948" partij="PvdA" naam="Adelmund">
 Ik hoop
van harte dat de Kamer de nodige
moed zal opbrengen. Destijds
steunde de meerderheid van de
Kamer mijn motie. Daar ben ik nog
steeds dankbaar voor. Daarom
worden namelijk nu deze opmerkin-
gen gemaakt. Nu zouden wij echter
de moed op moeten brengen om de
meest vergaande besluiten te
nemen. De meest vergaande
besluiten nu houden in dat sociale
partners de maximale ruimte wordt
geboden om in dezen beslissingen te
nemen. Nu is met het amendement
van mevrouw Van Vliet het voorstel
gedaan om over twee jaar zeer
nadrukkelijk te kijken of de regeling
heeft gewerkt. Daar ben ik voor.
Echter, ik ben er niet voor om
pretparken op te richten met monumenten die zeggen: papier hier.
Dus als wij papieren produceren die
vervolgens niet zorgen voor effecten
in de praktijk, ben ik de eerste die
pleit voor wetgeving. Tegelijk is het
ook zo dat er vaak wetten zijn zonder
dat de gewenste werkelijkheid tot
stand komt. Gelet op de realiteit van de afgelopen jaren zeg ik nu: de
versnelling was eerder te vinden bij
de sociale partners. Zij hebben los
van de wetgeving in meer dan 30%
van de CAO’s al afspraken gemaakt
voor een regeling. Zij zijn met hun
beslissingen in de Stichting van de
arbeid ook nu sneller gegaan dan het
kabinet. Ik kan daarom nu met de
auto die de sociale partners geven,
sneller rijden. Echter, als de regeling
niet tot afspraken zal leiden, ben ik
de eerste die zal zeggen dat de wet
er moet komen. Als alles zal gaan
zoals nu in de kranten staat, kan ik
ook nog mijn hartelijke medewerking
verlenen, want dan komt er natuurlijk
een initiatiefwetsvoorstel. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2315" anker="949" partij="GroenLinks" naam="Vos">

Voorzitter! Naast alle goede
bedoelingen die er met deze wet zijn,
zijn in deze wet nogal wat voorwaar-
den verbonden aan het nemen van
een vervanger bij verlof. Is mevrouw
Adelmund niet bang dat doordat niet
sprake is van een wettelijke recht en
doordat een aantal forse voorwaar-
den wordt gesteld, alles niet in orde
zal komen? Zou er daarom niet
sprake moeten zijn van een
verruiming bij het gestelde in de
voorwaarden? 

</spreker>
<spreker pagina="29-2315" anker="950" partij="PvdA" naam="Adelmund">

Daarover kom ik straks te spreken.
Op dit punt wil ik een aantal
voorstellen doen.
Voorzitter! Er is een prachtige nota
opgesteld. Voor sommige leden van
de Kamer kwam die aan op 30 april
1996 en voor anderen op 1 mei,
maar in ieder geval is zij verschenen.
Bij iedere begrotingsbehandeling
hebben wij erover gesproken. De
leden zullen zich dat allen herinne-
ren. Graag zou ik prachtige beelden
schetsen van wat er in de afgelopen
twintig jaar aan grootse veranderin-
gen in Nederland hebben plaatsge-
vonden. Ik denk aan de manier
waarop op de arbeidsmarkt een en
ander gestalte krijgt en hoe het er in
sommige huizen aan toe gaat. De
tijdbestedingsonderzoeken geven
aan dat steeds meer heren zich
voelen aangetrokken tot zorgarbeid.
U weet wat de Franse filosofen zeggen: de een verandert niet zonder
de ander. Heel vaak hebben mannen
en vrouwen iets met elkaar, dus als
de een wat anders gaat doen, gaat
de ander ook wat anders doen. Uit
de tijdbestedingsonderzoeken blijkt
dat de culturele verandering
doorgaat. Het werd tijd dat wij
daarbij voorwaarden stelden.
Ik meen dat een optimale mix in
de sociale zekerheid en in de
voorwaarden voor de arbeidsmarkt
nodig is voor de mogelijkheid van
variatie tijdens het arbeidsleven. Ik
meen dat mensen soms behoefte
hebben aan deeltijdarbeid, soms aan
verlof, soms aan heel hard werken
en heel veel doen en soms aan veel
minder doen. Ik vind dat er al het
nodige is gedaan om dat dichterbij te
brengen. Ik wijs wat dat betreft op de
wettelijke gelijkstelling van voltijders
en deeltijders, de flexibilisering van
het ouderschapsverlof, de 160 mln.
voor de buitenschoolse opvang en
de regeling loopbaanonderbreking,
waarover nu wordt gesproken. Ik
vind dat die zaken allemaal bij elkaar
horen. Het moet flexibel en
toekomstgericht zijn en aansluiten bij
de verandering in de levenscyclus
van mensen. Het is niet meer leren,
werken, rusten. Het loopt allemaal
door elkaar. Er is veel meer variatie
in een leven. Voorts moet er sprake
zijn van integratie van het
arbeidsmarktbeleid en de verlof-
regelingen. Je kunt die niet los van
de arbeidsmarkt tot stand brengen,
want daardoor kunnen mensen meer
keuzen maken en meer initiatieven
nemen. Een en ander moet ook
samenhangen met de flexibilisering
van het onderwijsbeleid. Net zo goed
als zorg dwars door het werknemers-
leven heenloopt, al dan niet gewenst
en van harte ingevuld of met een
groot schuldgevoel, loopt scholing
door het leven heen. Het onderwijs-
beleid is te vaak geparkeerd voor
onder de 27. Als je dan je hersens
niet had gebruikt, dan mocht je ze
heel je leven nieuw houden. Ook dat
beleid gaat steeds meer naar boven
de 27. Ik wijs wat dat betreft op de
employabilitydiscussie. Ook daarvoor
gaan wij een Nederlands woord
leren.
Het stuk over de loopbaan-
onderbreking is een van de stukken
op dat punt. Dit stuk is niet
belangrijker dan andere stukken. Het
is evenwaardig aan de stimulering
van en het recht op deeltijdarbeid en
evenwaardig aan de manier waarop
je het onderwijsbeleid doorzet, ook
voor boven de 27. Als je de
tijdbestedingsonderzoeken erop
naslaat, als je je oor te luisteren legt
in Nederland, dan hoor je heel veel mensen zeggen: het is druk, druk,
druk. Het Engelse woord daarvoor is
’’burnt-out’’. Van de Nederlandse
werknemers zegt 37% altijd of bijna
altijd moe te zijn van het werk,
omdat men te hard moet werken. In
de Europese Unie ligt dit percentage
op gemiddeld 25. Ik weet dat het
altijd bon ton is om daar grapjes
over te maken, maar het zijn harde
cijfers, vooral als je kijkt naar de
WAO-kosten die dit met zich brengt.
Er zijn allerlei onderzoeken wat dit
betreft uitgevoerd. Bij andere
debatten staan wij er ook vaak bij
stil. Er is sprake van stress,
overspanning en burnt-out. Daarvoor
is loopbaanonderbreking een goed,
preventief middel. Ik hoop dat dit
zichtbaar wordt in de cijfers.
Als ik kijk naar de stukken, dan
constateer ik dat de verhouding
tussen de sociale partners en de
overheid voortdurend meespeelt in
de beoordeling daarvan. Ik vind wel
dat de realiteit wat dat betreft in het
oog moet worden gehouden, in die
zin dat de versnelling vanuit de
sociale partners is gekomen. Ik hoop
van harte dat het aantrekken van de
arbeidsmarkt leidt tot meer
concurrentie op het gebied van de
arbeidsvoorwaarden. De beste
regelingen rond verlof ontstaan daar
waar de vacatures het langst
openstaan. Daar waar de arbeids-
markt aantrekt, komen de beste
regelingen voor verlof. Zo werkt de
markt, want de mensen moeten
worden gebonden aan de werkgever. Men heeft jaren kunnen denken: voor
jou tien anderen. Die tijd is echter
voorbij.
Ik heb een amendement ingediend
over de lengte van het verlof. Dat is
het amendement op stuk nr. 15,
herdruk, want er waren drie
woordjes weggevallen. In Belgie¨ is
het vijf jaar. Men kent de zakken friet
daar en ook die in Nederland. Daar
moest ik direct aan denken toen ik
keek naar de manier waarop een en
ander hier is voorgesteld. Mijn
kinderen vinden de zakken friet in
Belgie¨ lekkerder dan die Nederland.
Ik heb in mijn amendement
aangesloten bij de redenering van de
VVD in de nota naar aanleiding van
het eindverslag. Die redenering komt
erop neer de sociale partners de
mogelijkheid te geven om af te zien
van het gegeven of er in de twaalf
maanden daarvoor wel of geen
verlof is opgenomen. Ik vond dit een
interessante redenering.
In mijn amendement voeg ik in
artikel 2, na lid 6, twee nieuwe leden
in. Het eerste luidt dat er bij
collectieve arbeidsovereenkomst kan
worden overeengekomen dat de
termijn, bedoeld in het tweede lid,
niet wordt toegepast. Dat is de
termijn tussen de verloven. Indien
geen collectieve arbeidsovereen-
komst van toepassing is, kan die
termijn buiten toepassing worden
verklaard, indien de werkgever
schriftelijke overeenstemming heeft
bereikt met de ondernemingsraad,
de personeelsvertegenwoordiging of
de werknemer. Ik wil hiermee
regelen dat de partijen die op dit
moment druk op het verlof willen
zetten, in die zin dat ze dit willen
regelen – dat zeggen ze tenminste in
Nieuwe Koers 2 van 18 november –
de mogelijkheid krijgen om ruimer te
zijn wat betreft die zes maanden. Zij
kunnen dan meerdere verlofperioden
direct na elkaar opnemen. Hierdoor
wordt de periode waarin gebruik
wordt gemaakt van de financiering
van de loopbaanonderbreking,
opgerekt tot achttien maanden.
Tegelijkertijd moet dan ook het
onbetaald verlof verlengd worden tot
achttien maanden. Dit betreft het
amendement op stuk nr. 9. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2316" anker="951" partij="D66" naam="Van Vliet">
 Er zijn nu
twee amendementen ingediend
waarin wordt voorgesteld om de
verlofperiode te verlengen. Mevrouw
Adelmund wil dit aan de CAO-
partijen overlaten of aan de
individuele werkgever en werknemer.
De fractie van GroenLinks stelt een
verlenging tot twaalf maanden voor,
maar dan wel vastgelegd in de wet.
Is mevrouw Adelmund bereid om
voor te stellen de verlenging tot
achttien maanden in de wet op te
nemen? 

</spreker>
<spreker pagina="29-2316" anker="952" partij="PvdA" naam="Adelmund">
 De
wetgeving is gebaseerd op de
overeenstemming die partijen
moeten bereiken. Het is een
financieringsregeling. Wat dat betreft
is er geen verschil tussen beide
amendementen. Ik bepleit alleen een
verlenging tot achttien maanden en
GroenLinks tot twaalf maanden. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2316" anker="953" partij="GroenLinks" naam="Vos">

Mevrouw Adelmund gaat ervan uit
dat dit geen recht wordt van de
werknemer. Zij stelt een regeling
afhankelijk van de instemming van
beide partijen. Verder wijs ik erop dat
niet alleen artikel 2 aangepast moet
worden, maar ook artikel 4. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2317" anker="954" partij="PvdA" naam="Adelmund">
 De
door mij bepleitte verruiming vindt
plaats als de voorgestelde leden 7 en
8 aan artikel 2 worden toegevoegd.
Als het zevende lid wordt toegepast,
bedraagt de periode waarvoor de
financie¨le tegemoetkoming wordt
toegekend achttien maanden. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2317" anker="955" partij="D66" naam="Van Vliet">
 Voorzit-
ter! Er bereiken ons wel eens
berichten dat werkgevers gebruik
willen maken van de mogelijkheden
voor werknemers om meer
verlofperioden achter elkaar op te
nemen, met het doel om een niet zo
aantrekkelijke werknemer heel lang
op verlof te sturen. Via een omweg
wordt deze dan buiten het arbeids-
proces geplaatst. Hoe kan dit
gecontroleerd worden als de
termijnen steeds verder worden
opgerekt en alles aan de CAO-
partijen wordt overgelaten? 

</spreker>
<spreker pagina="29-2317" anker="956" partij="PvdA" naam="Adelmund">
 Ik
meen dat er sprake is van een
omvangrijke oprekking. Ik heb
overlegd met de ouders van kinderen
met kanker. De gemiddelde periode
waarin een kind wordt behandeld en
waarin men dus verlof wil hebben, is
anderhalf jaar. Dat regelt men nu
zelf. Een andere groep die van
belang is, zijn de ’’omzwaaiers’’.
Omzwaaien is een nieuw Nederlands
woord voor het zoeken van een
andere werkkring. Dit doet men
meestal als men op de helft van zijn
leven toch nog iets anders wil gaan
doen. De orie¨ntatie op de arbeids-
markt en het zoeken naar het
geschikte werk duurt langer dan zes
maanden. In Belgie¨ gebruikt men
daarvoor vaak meer dan anderhalf
jaar.
Ik denk overigens niet het gevaar
groot is dat via deze regeling
geprobeerd wordt om winkeldoch-
ters te slijten aan sociale instellingen.
Geen enkele werknemer zal daarmee
instemmen tegen de bedragen die
nu gelden, ook niet als in de CAO
wordt bepaald dat er een vergoeding
wordt uitgekeerd die gelijk is aan het
minimumloon. Dit verlof is geregeld
via de CAO, via de OR of via een
schriftelijke overeenkomst met de
werkgever. Er is een beroepsrecht en
een dergelijke handelwijze zal
natuurlijk niet goedgekeurd worden.
Uit een persbericht van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid blijkt dat
20% van de vrouwen na de geboorte
van het eerste kind alsnog stopt met
werken. Dit verschijnsel is sterk
gekoppeld aan de sector waarin
betrokkene werkzaam is. In sectoren
waar veel vrouwen werken, zijn er
veel goede regelingen. Ik noem de
dienstensector waar men bijvoor-
beeld ruime mogelijkheden tot
deeltijdwerk kent. In sectoren waar
overwegend mannen werken, zijn er
heel weinig mogelijkheden. Juist
daar moeten dit soort faciliteiten
geboden worden. De statistieken
wijzen uit dat de Nederlandse vrouw
op iets te late leeftijd net geen twee
kinderen baart. Naast het
zwangerschaps- en ouderschapsver-
lof is aanvullende regeling nodig om
die periode goed door te komen. Ik
heb nog nooit een tweejarige
zelfstandig zien rondkomen. Dus dan
heeft een vrouw een mix van al die
typen verlof nodig. Ik hoop van harte
dat ook mannen daarvoor verlof
zullen opnemen. Daartoe heb ik nog
geen amendement ingediend, maar
het lijkt mij erg leuk als alle mannen
voortaan zorgverlof opnemen en alle
vrouwen opfrisverlof. Uit het
OSA-rapport blijkt echter dat er wat
dat betreft sprake is van een seksespecifieke invulling: vrouwen
zullen zorgverlof opnemen en
mannen voor opfrisverlof of
educatieverlof. Ook uit de Belgische
cijfers blijkt dat 73% van de vrouwen
het verlof opneemt voor de
verzorging van kinderen. Dan gaat
het om 50.000 loopbaanonderbrekers
per jaar in Belgie¨. Ook al hebben die
vrouwen grote behoefte aan meer
vrije tijd, toch neemt de grote
meerderheid het op voor de
verzorging van kinderen. Ik kan mij
voorstellen dat zij meer van hun
kinderen houden dan van hun
werkgever. Dat blijft zo. Toch is het
opvallend dat mannen, ook in Belgie¨,
het verlof heel vaak opnemen voor
andere activiteiten en dan staat er
tussen haakjes ’’te starten als
zelfstandige’’ of ’’vervroegde
pensionering’’. Ik hoop van harte dat
dit soort zaken bij de evaluatie wordt
bekeken. Met de mogelijkheid die
hier wordt geboden, kan er namelijk
meer sprake zijn van een betere
verantwoordelijkheidsverdeling.
Ik heb ook een amendement
ingediend dat ertoe strekt de
mogelijkheden van het gebruik
maken van een dergelijk verlof uit te
breiden. Vorige week is de Wet REA
aan de orde geweest. In die wet is
een formulering opgenomen
waardoor ook mensen zonder
uitkering wel onder die wet vallen. In
het amendement op stuk nr. 12, dat
inmiddels herdrukt is en vervangen
is door stuk nr. 20, wil ik graag
artikel 1, lid b, uitbreiden tot de
arbeidsgehandicapte die valt onder
de Wet op de reı¨ntegratie. Ik heb ook
een amendement op stuk nr. 13
ingediend en dat had ik speciaal
gereserveerd voor mensen die hun
recht op arbeid noch hun recht op
inkomen hebben kunnen halen, de
herintreders. Ik stel voor om op dat
punt voor een andere definitie te
kiezen, waardoor meer mensen
eronder zouden kunnen vallen. Veel
vrouwen werken namelijk heel kort,
bijvoorbeeld via uitzendarbeid. Ik heb
daarvoor de WIW-definitie gebruikt.
Ik wil artikel 1, onderdeel d, vervangen door de definitie: mensen
die gedurende twee jaar voorafgaand
aan de vervanging niet meer dan 50
dagen of 400 uur op jaarbasis arbeid
hebben verricht. Dat betekent dat
meer mensen eronder zouden
kunnen vallen.
Dan kom ik bij de verlofdoelen.
Het valt mij op dat de memorie van
toelichting ook de Stichting van de
arbeid volgt in de zin dat de definitie
iets breder is dan alleen gericht op
educatie of zorg. Dan kan ook het
opfrisverlof aan de orde zijn. In het
verslag komt dit punt iets meer in de
knel. Ik zal nog nagaan of dat de
bedoeling was of dat de formulering
in de memorie van toelichting de
juiste is. Er zijn de minister in dit
verband veel uitdagende vragen
gesteld, onder andere over duiven en
over het maken van verre reizen. Wat
de doelen betreft is er enig verschil
tussen wat in de memorie van
toelichting staat en wat in de reactie
naar aanleiding van de verslagen
staat. Over de groep vervangers heb
ik zojuist al gesproken. Daarvoor zou
een verlaging van de drempel
moeten gelden.
Ik wil nog kort ingaan op het
spaarloon. Wij zouden de fiscale
aspecten van het verlof nader
moeten bekijken om een en ander te
versnellen. In de nota ’’Om de
kwaliteit van arbeid en zorg’’ stelt het
kabinet dat bij het vergroten van de
mogelijkheden om betaalde arbeid
en zorg te combineren het stimule-
ren van werknemers om zelf te
sparen voor verlof als tweede lijn
kan worden gezien. Ik denk dan in
het kader van de Wet op de
loopbaanonderbreking aan een mix
van zelf gespaarde tijd, aangevuld
door de werkgever na overleg. Dat
zou een enorme stimulering van het
verlof kunnen betekenen. Het sparen
van verlof is enerzijds een actualise-
ring van de bestaande verloffaciliteit
en anderzijds een invulling van de
eigen verantwoordelijkheid van
werknemers. Er doen zich nogal wat
knelpunten voor bij de realisering
daarvan. Ik wijs in dit verband op de
CAO voor de metaalnijverheid.
Daaruit blijkt al hoe moeilijk het is,
en dat is toch bepaald geen
yuppen-CAO. Het is niet de CAO
voor hoger management in het
bankwezen. Dit komt door de
nettowaarde van de gespaarde tijd.
Ik zou onder een mooie regeling
voor de fiscale aspecten van verlof het volgende willen verstaan: de
brutowaarde wordt gespaard,
waarbij tijdens het verlof de
volledige belasting en premies
worden afgedragen; het spaar-
rendement en het spaarsaldo komen
toe aan de werknemer; de CAO-
partijen zijn het hier overigens over
eens, hierover is geen verschil van
mening tussen werkgever en
werknemer; bij deze regeling is
flexibiliteit van belang. Een andere mogelijkheid is: fiscaal
gefacilieerd verlofsparen, een
uitbreiding van de bestaande
spaarloonregeling met een specifieke
component voor verlofsparen. Je
kunt hierbij bijvoorbeeld denken aan
een regeling dat je een percentage
van het loon kunt sparen tot een
bedrag van ƒ 5000, waarbij je dit
bedrag gedurende een periode van
vijf jaar jaarlijks belastingvrij uit het
brutoloon kunt sparen en voor verlof
opnemen als inkomensvoorziening.
Voorzitter! Er zijn op dit moment
fiscale knelpunten die maken dat
nadere CAO-afspraken voor
verlofsparen tussen werkgevers en
werknemers worden belemmerd,
terwijl dit wetsvoorstel er toen nog
niet eens was. Dat lijkt mij niet de
bedoeling. Ik wil graag, naast de
twee zaken die nu voorliggen, ook
een voorstel zien om hier een andere
regeling voor te treffen. We hebben
het hier trouwens niet voor het eerst
over in de Kamer. Ook bij de
bespreking van de nota inzake arbeid
en zorg is al afgesproken dat er een
studie zou komen. Dit was naar
aanleiding van de motie-Van Vliet.
Deze studie zou er voor 1 mei 1996
liggen. Het is altijd pijnlijk om eraan
te herinneren dat de tijd ’’vliet’’. Hoe
zit het met dit onderzoek? Hoe zit het
met de geconstateerde fiscale
knelpunten? Deze lagen er toen ook
al. Graag hoor ik van de regering een
reactie op de opties.
Wie weet, gaat het dan nog een
beetje opschieten, want daar heb ik
grote behoefte aan.
De vergadering wordt van 22.23 uur
tot 22.28 uur geschorst.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="29-2318">

 
<spreker pagina="29-2318" anker="957" soort="Minister" naam="Melkert">
 Mijnheer de
voorzitter! Ik dank de woordvoerders
hartelijk voor hun benadering van dit
wetsvoorstel. Zij zijn het door de
bank genomen met de nodige
sympathie en steun tegemoet
getreden. Ik zal mij, na het overleg
hierover met u, in mijn beantwoor-
ding beperken in die zin dat ik met
name op de amendementen zal
ingaan. Daaraan zijn de kernvragen
verbonden die in eerste termijn naar
voren zijn gekomen. Ik zeg overigens
graag toe dat de woordvoerders
morgenochtend bij aanvang van de
vergadering de beantwoording van
een aantal meer specifieke vragen op
schrift zullen aantreffen.
Ik beperk mij tot een drietal korte
opmerkingen vooraf. In de eerste
plaats wens ik mevrouw Visser van
harte geluk met haar maidenspeech.
Het was een speech over een
onderwerp dat haar, zoals ik reeds
wist, na aan het hart ligt. De wijze
waarop zij dat onder woorden heeft
gebracht, geeft mij aanleiding om te
hopen dat wij elkaar over deze
onderwerpen met betrekking tot een
– in haar woorden – zorg- en
gezinsvriendelijk arbeidsmarktbeleid
nog vaak mogen spreken. Het
streven is erop gericht genoemde
markt ook dichterbij te brengen.
Voorzitter! Mijn tweede opmerking
betreft de vraagtekens die enkele
leden hebben gezet bij de maat-
schappelijke motieven die zijn
geformuleerd ter introductie van
deze wetgeving. Ik geef de heer Van
Middelkoop na dat de wijze waarop
dit is geformuleerd een iets groter
design suggereert dan vervolgens uit
het concrete wetsvoorstel blijkt.
Niettemin is het een stap op weg
naar het design dat je voor ogen
kunt hebben. Ik zeg tegen de heer
Van Dijke dat het bij gelijkheid tussen
seksen gaat om een gelijkheid van
kansen, om een combinatie van
loopbaan en zorgtaken, een
combinatie van allerlei vormen van
deelname aan de samenleving.
Op het punt van de gelijkheid van
kansen meen ik toch dat een voorstel
zoals dit wel degelijk daaraan een
bijdrage kan leveren. Zeker, ik ken
ook de ervaringsgegevens van het
ouderschapsverlof. Ik weet dat in
overwegende mate vrouwen daarvan
gebruik maken en dat de veronder-
stelling enige mate gerechtvaardigd
kan zijn dat vrouwen eerder gebruik
maken van zorgverlof en mannen
van educatief verlof. Ik wijs op het
gegeven dat het gemakkelijker wordt
om in bepaalde periodes werk en
zorgtaken te combineren of zelfs
even het werk te vervangen door
zorgactiviteiten. Dat maakt het voor
vrouwen wel degelijk mogelijk om
beter dan nu de loopbaan verder te
ontwikkelen. Ik ben ervan overtuigd
dat naarmate het op de arbeidsmarkt
gewoner wordt dat ouderschapsver-
lof, educatief verlof of zorgverlof
wordt opgenomen, de drempel voor
vrouwen en mannen verlaagd wordt
om daarvan ook gebruik te maken.
Het wordt dan een normaal
onderdeel van het
arbeidsvoorwaardenpakket, in
individuele of in meer collectieve zin.
Ik zie dit wetsvoorstel dan ook als
een stap in die ontwikkeling, die
sociaal van belang is in het kader
van gelijke kansen, maar ook
economisch noodzakelijk, omdat in
de komende jaren meer vrouwen
nodig zijn op de arbeidsmarkt. Er zijn
hier en daar nu al knelpunten aan de
aanbodzijde. In de toekomst zullen
deze zich, bij een goed draaiende
economie en een vergrijzende
samenleving, in toenemende mate
voordoen.
Mijn derde opmerking vooraf
betreft de motie-Adelmund c.s. van
20 december 1995, waarover met
name mevrouw Van Vliet heeft
gesproken. Ik wijs erop dat in het
dictum het verzoek werd uitgespro-
ken om op basis van een onderzoek
de Kamer een nota te overleggen,
gericht op een wettelijke regeling
van de loopbaanonderbreking die
mede het arbeidsvoorwaarden-
overleg tussen werkgevers en
werknemers kan ondersteunen. Ook
in de motie was dus ruimte gelaten
om een vormgeving te zoeken die
complementair kan zijn aan hetgeen
in hoge mate ook door werkgevers
en werknemers zelf tot ontwikkeling
moet worden gebracht. Er is dus
geen draai aan die motie gegeven;
wel erken ik natuurlijk dat je die
complementariteit op verschillende
wijzen vorm en inhoud kunt geven.
Ik kom straks natuurlijk terug op de
wijze waarop de fractie van mevrouw
Van Vliet dit graag zou willen zien,
maar ik denk dat de regering echt
zeer serieus op die motie is
ingegaan.
Door de bril van de complementa-
riteit kunnen wij ook naar een aantal
ingediende amendementen kijken. Ik
zie natuurlijk wel dat in het wets-
voorstel hier en daar wel iets
arbitrairs zit, in het bijzonder in de
bepalingen over de termijn van het
verlof dat in aanmerking komt voor
financiering of over de toelating van
groepen tot de regeling. Daar zal ik
dus ook geen grote principie¨le
betogen over houden, maar er is wel
een punt dat van principieel belang is: als het je erom te doen is – en het
ıs de regering daarom te doen – om
aanvullend en ondersteunend een
financieringsregeling te treffen die
vervolgens in volle omvang en
betekenis gedragen en verder
gedragen moet worden in het kader
van CAO’s en in het kader van wat
tussen individuele werkgevers en
werknemers overeengekomen kan
worden, moet de wetgever zich
beperkingen stellen in de omvang
van de regeling. Die regeling wordt
immers niet alleen op basis van de
wet gefinancierd, maar brengt
parallel daaraan ook de noodzaak
met zich – zoals wij in het wetsvoor-
stel inzake onbetaald verlof op ons
hebben genomen – om die faciliteit
in de regelingen inzake de sociale
zekerheid mede mogelijk te maken.
Er is gezegd dat het aan de
werkgever is om te bekijken hoe het met de arbeidsrelatie zit: ook als die
relatie langer dan zes maanden zou
worden onderbroken, moet de
werkgever toch zelf bepalen of het
allemaal nog gaat? Ik ben het ermee
eens dat het aan de werkgever en de
werknemer is, maar dat zou de
wetgever, wat de lengte van de
periode betreft, ook tot een
terughoudende opstelling moeten
brengen. Ik ben van mening dat een
periode van zes maanden al een
behoorlijke periode is om eruit te
zijn. Iedereen die dat wel eens heeft
gezien of zelf heeft meegemaakt, zal dat beamen: als je zes maanden uit
je werkorganisatie bent, is dat niet
niets; er gebeurt heel veel in een
werkorganisatie en je moet dus altijd
weer uitkijken voor de situatie op het
moment van terugkomst. Vanzelf-
sprekend moeten werkgevers en
werknemers dat zelf kunnen bepalen,
maar het is te verdedigen dat de
wetgever daar slechts in beperkte zin
ondersteuning aan geeft.
Een ander punt dat hierbij speelt,
heeft te maken met de op zich trage,
maar wel gestaag doormalende
molens van het Hollandse polder-
landschap. Wij praten al heel lang
over vormen van loopbaan-
onderbreking en de noodzaak om
ook gedurende de loopbaan meer
verlofperioden te kunnen introduce-
ren. Heel lang is ook gezegd dat dat
allemaal bij sociale partners moet
blijven. De regering neemt nu de
verantwoordelijkheid om te zeggen
dat het niet alleen aan sociale
partners is. Ook vanuit het meer
algemene belang is een zekere
verantwoordelijkheid geboden; die
verantwoordelijkheid wordt genomen
en wordt in de wet vastgelegd. Het is
echter van bijzonder belang om die
ontwikkeling dan ook een zekere
groeimogelijkheid te geven en om nu
dus niet te starten met wat je
wellicht aan het eind van de horizon
mogelijk acht. Ik wijs op wat wij zelf
in de nota Kansen op combineren
hierover hebben opgemerkt. Wat mij
en het kabinet betreft, is het verhaal
met dit voorstel dus niet af; het is
een begin. Er is denk ik voldoende
reden om een beetje te zoeken en te
tasten op de weg waarvan wij allen
niet precies weten waar die uitkomt
om die complementariteit alle ruimte
te geven. Ook dat leidt mij ertoe er
bij de Kamer op te blijven aandrin-
gen om wat de wettelijke regeling
betreft een zekere beperking in acht
te nemen.
Ik zeg dit ook in antwoord op het
amendement van de heer Rosenmo¨l-
ler op stuk nr. 8, toegelicht door
mevrouw Vos, beogende te komen
tot het uitbreiden van de duur van de
financiering van het verlof naar
maximaal twaalf maanden. De
regering heeft goed nagedacht over
de periode van zes maanden. Wij
zien die als een basis. Er kan
natuurlijk door werkgevers en
werknemers worden afgesproken
daar het een en ander bovenop te
doen, al dan niet binnen een
collectieve overeenkomst. De vraag
is of je de enkele faciliteit die hier
wordt geboden ook voor een langere
periode beschikbaar moet maken. Ik
heb overigens toegegeven dat in die
periode op zichzelf iets arbitrairs zit.
Bij de beoordeling moet ik ook het
amendement betrekken dat op stuk
nr. 15 is ingediend door mevrouw
Adelmund. Dit brengt wat sterker de
elkaar aanvullende functie van de
wet en het CAO-bereik in beeld. Ik
moet zeggen dat een periode van
achttien maanden die bij aanvaar-
ding van dat amendement feitelijk
mogelijk wordt gemaakt, naar mijn
mening een vrij lange periode is. Ik
stel vast dat, als je het langs deze
weg doet, je een extra vraag legt bij
werkgevers en werknemers om zelf
te beoordelen of binnen een sector
of een bedrijf behoefte bestaat aan
het cree¨ren van de ruimte hiervoor.
Je zou in die zin zelfs kunnen zeggen
dat enigszins tegemoet wordt
gekomen aan de vraag die mevrouw
De Vries stelde met het voorbeeld
van een kind dat een ernstige ziekte
heeft, namelijk of je niet te snel
aanloopt tegen de grenzen van de
regeling die zijn gesteld. Ik kan mij
voorstellen dat werkgevers en
werknemers wellicht in een breder
pakket van afweging tot het oordeel
komen dat die faciliteit geboden
moet worden. Als ik het amende-
ment van mevrouw Adelmund goed
begrijp, zouden er nadere bepalingen
door CAO-partijen aan verbonden
kunnen worden om een verlenging
van de termijn – in feite het laten
wegvallen van die twaalf maanden
interruptie die nu is voorgeschreven
in de wet – te rechtvaardigen.
Voorzitter! Ik ben er niet aan toe
om te zeggen dat het amendement
van mevrouw Adelmund een stuk
beter is dan het voorstel van de
regering. Ik blijf van mening dat een
bescheiden start van deze op zichzelf
toch fundamentele vernieuwing in
het arbeidsrecht geboden is. Als ik
een weging moet maken tussen de
enkele verlenging op basis van de
wet, die door de heer Rosenmo¨ller
op stuk nr. 8 wordt voorgesteld, en
de wijze waarop de termijn van zes
maanden gehandhaafd wordt, terwijl
meer ruimte aan CAO-partijen wordt
gegeven, vind ik het laatste in ieder
geval meer in het verlengde liggen
van wat het kabinet beweegt,
namelijk aansluiten bij het advies
van de Stichting van de arbeid.
Daarbij neem ik met vreugde kennis
van de aanbevelingen die op dit punt
vorige week nog zijn gedaan in het
nieuwe akkoord dat de Stichting van
de arbeid heeft gesloten. Uiteindelijk
moet een en ander op de werkvloer
tot stand worden gebracht. In ieder
geval heeft het kabinet aan het
amendement op stuk nr. 8 geen
behoefte.</spreker>
<spreker pagina="29-2320" anker="958" partij="GroenLinks" naam="Vos">
 Ik wil
even ingaan op het verschil tussen
het amendement van de heer
Rosenmo¨ller en dat van mevrouw
Adelmund. Blijkbaar is voor het
kabinet van wezenlijk belang dat in
het amendement van mevrouw
Adelmund die collectieve arbeids-
overeenkomst is ingevoerd, in casu
dat het niet rechtstreeks in de wet
staat maar dat via een collectieve
arbeidsovereenkomst moet worden
vastgesteld of men u¨berhaupt
behoefte heeft aan het cree¨ren van
die mogelijkheid. Waarin zit echter
het wezenlijke verschil? Als je het in
de wet opneemt, zal er overeenstem-
ming moeten zijn tussen werkgever
en werknemer om tot een langere
periode te komen. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2320" anker="959" soort="Minister" naam="Melkert">
 Dat laatste is op
individuele basis, het behelst de
relatie tussen de individuele
werknemer en werkgever. Dat geldt
natuurlijk ook voor het operationeel
maken van wat er in zo’n lange
periode tot stand zou komen indien
de CAO daarvoor ruimte bood, maar
de crux zit er volgens mij in dat er
volgens het voorstel van mevrouw
Adelmund toch eerst door werkge-
vers en werknemers collectief moet
worden vastgesteld dat het
inderdaad behoort tot het pakket van
secundaire arbeidsvoorwaarden
waarvan in die sector sprake kan zijn.
In die zin zal het dan ook afgewogen
moeten worden tegen andere
elementen in het pakket van
arbeidsvoorwaarden. Ik vind dus een
geleidelijke ingroei van de praktijk
van loopbaanonderbreking in de
arbeidsverhoudingen te prefereren
boven een sterkere richtingaandui-
ding van de wetgever. Dat is mijn
bezwaar tegen het amendement-
Rosenmo¨ller, terwijl ik overigens ook
aan de voorkeur van de regering
vasthoud. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2320" anker="960" partij="GroenLinks" naam="Vos">
 Maar
klopt het dan dat de financie¨le
vergoeding, de mogelijkheid van een
dergelijke vergoeding voor achttien
maanden, voor u niet de bottleneck
vormt, maar het ingrijpen in de
arbeidsverhoudingen en de band
met de arbeidsmarkt? 

</spreker>
<spreker pagina="29-2320" anker="961" soort="Minister" naam="Melkert">
 De financie¨le kant
leidt natuurlijk tot een extrapolatie
van de veronderstellingen die nu
naar voren zijn gebracht, omdat op
zichzelf de noodzaak van vervanging
intact blijft, ook bij wat er nu wordt
voorgesteld. Dat zijn dus niet mijn
grootste bezwaren.
Voorzitter! Een verdergaande stap
is het voorstel dat de heer Rosen-
mo¨ller op stuk nr. 9 heeft gedaan,
een geclausuleerd recht op verlof. Ik
vind het wel van belang dat er ook in
dit amendement wordt erkend dat er
voor de werkgever gronden kunnen
zijn om te weigeren, maar tegelijker-
tijd raken wij nu toch aan een
principieel punt waarvoor het kabinet
bewust niet heeft gekozen. Het zou
namelijk een uiteindelijk toch wat
eenzijdig uitgevallen recht worden.
Wij zijn van mening dat eerst de
praktijk van loopbaanonderbreking
en het beter gebruik maken van
verlofperiodes zoveel mogelijk op de
praktijk van de Nederlandse
arbeidsverhoudingen zou moeten
worden aangesloten. En in die
praktijk spelen in onze visie
werkgevers en werknemers een
doorslaggevende rol. De regering
heeft ook wel overwogen om een
faciliteit aan te bieden, maar een
faciliteit is iets anders dan een recht.
Om die reden moet ik de Kamer
aanvaarding van het amendement op
stuk nr. 9 ontraden.
Op stuk nr. 10 heeft de heer
Rosenmo¨ller een wijziging van de
staffeling voorgesteld. Daarover zijn
mij verschillende vragen gesteld,
waarbij ik in het bijzonder aan de
vragen van mevrouw De Vries en de
opmerking van mevrouw Vos over
gelijke behandeling denk. Op dat
laatste punt moet ik erkennen dat
mevrouw Vos er gelijk in heeft dat in
de door het kabinet voorgestelde
staffeling gelijke behandeling van
deeltijd en voltijd eigenlijk onvol-
doende tot haar recht komt. Ik zeg dit
ook bij nader inzien; wij hadden dit
ook eerder kunnen bekijken, maar dit
overleg is natuurlijk ook bedoeld om
alles op z’n pootjes terecht te laten
komen.
Ik denk overigens dat een nieuwe
staffeling ook bezwaren kent in de
zin van het leggen van de grens bij
19 of 21 uur. Ik ben eerlijk gezegd in
de loop van het debat tot de
gedachte gekomen dat het misschien
toch het beste zou zijn om in te gaan
op de suggestie die door verschil-
lende fracties is gedaan om het
gewoon per uur te doen. Het
argument van een mogelijke schijn
van loondervingsregeling dat ik wel
heb gehanteerd, verklaar ik hierbij
dan maar voor minder doorslagge-
vend. Het ging ook meer om de
schijn dan om de werkelijkheid. Wel,
als wij nu met elkaar vaststellen dat
het niet om een loondervings-
regeling gaat, dan ligt dat vast. En
als de Kamer het een goed idee
vindt, ben ik wel bereid om een nota
van wijziging in te dienen om de
vergoeding van ƒ 960 bruto gewoon
per uur te versleutelen. Daar moet
dan nog even een fraaie juridische
tekst voor gevonden worden.
Daarmee zou ook het amendement
op stuk nr. 10 niet meer nodig zijn.
Mevrouw Vos heeft dan langs een
omweg toch haar gelijk op dit punt
binnen. Dat wil ik ruiterlijk erkennen. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2320" anker="962" naam="De voorzitter">
 De regering doet de
Kamer een tegemoetkoming. Ik vraag
de Kamer of zij ermee akkoord gaat
dat er een nota van wijziging komt,
waardoor het amendement op stuk
nr. 10 niet meer ter stemming hoeft
te worden aangeboden. Dan moet
het amendement worden ingetrok-
ken. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2320" anker="963" partij="GroenLinks" naam="Vos">
 Ik ben
blij met deze toezegging van de
minister. Het lijkt mij een goede zaak
dat de nota van wijziging er komt.
Dan kan het amendement worden
ingetrokken. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2320" anker="964" naam="De voorzitter">
 Het zou dan mooi zijn
als de nota van wijziging er
morgenochtend is. Dat bevordert de
goede gang van zaken. In dat geval
is hiermee het amendement-
Rosenmo¨ller (stuk nr. 10) ingetrok-
ken. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2320" anker="965" soort="Minister" naam="Melkert">
 Voorzitter!... 

</spreker>
<spreker pagina="29-2320" anker="966" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">
 Ik
heb de wat ingewikkelde en
bewerkelijke vraag gesteld om de
verschillende uren eens naast
modaal en het minimumloon te
leggen. Het lijkt mij niet opportuun
die vragen vannacht nog schriftelijk
te beantwoorden. Ik neem aan dat de
nota van wijziging aan een aantal
zaken tegemoetkomt. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2320" anker="967" soort="Minister" naam="Melkert">
 Dank u wel. Wij
hebben de nacht ook nodig voor het
maken van de nota van wijziging.
Dat komt dus mooi uit. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2320" anker="968" partij="GroenLinks" naam="Vos">
 Ik stel
nog een vraag over het vorige
amendement van de heer Rosenmo¨l-
ler. Dat is het amendement over het
recht. Het is duidelijk dat het kabinet
er niet aan wil. Ik heb echter ook
gevraagd om het eens te bekijken
vanuit de feitelijke situatie die kan
ontstaan. Tot welke inspanning is de
werkgever verplicht? Dat vind ik een
probleem. Er zijn nogal wat
voorwaarden waaraan voldaan moet
worden. Is het voor een werkgever
niet erg makkelijk om te zeggen
’’jammer, ik heb mijn best gedaan,
maar het gaat gewoon niet’’? 

</spreker>
<spreker pagina="29-2321" anker="969" soort="Minister" naam="Melkert">
 Ik kan mij die
vraag wel voorstellen, maar toch ben
ik van mening dat de vraag te veel
berust op de vooronderstelling dat
het uitsluitend het belang van de
werknemer zou zijn om gebruik te
maken van deze regeling. Ik ga er
maar van uit dat werkgevers en
werknemers gezamenlijk serieus zijn
in de discussie over employability en
in de discussie over een betere
verdeling van taken en over
combineerbaarheid van zorg en
loopbaanontwikkeling. Sterker nog,
ik ga ervan uit dat zij serieus zijn
over het belang dat men heeft,
namelijk dat in het bijzonder
vrouwen meer beschikbaar zijn voor
de arbeidsmarkt, in verband met de
knelpunten van nu en in de
toekomst. Dan wordt het ook een
gemeenschappelijk belang. Daarom
kan ik mij nauwelijks voorstellen –
niet door de bank genomen, maar
wel in individuele situaties – dat
werkgevers zich niet aangesproken
zouden willen weten op een
praktische invulling van datgene wat
met de wet wordt beoogd. De
filosofie die eronder ligt, betekent
misschien een wat ander verwach-
tingspatroon dan bij mevrouw Vos
bestaat. Ik geloof dat de objectieve
feiten ook echt in die richting wijzen. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2321" anker="970" partij="GroenLinks" naam="Vos">
 Ik hoop
het met de minister. Natuurlijk
worden er een aantal stappen in de
goede richting gedaan. Ik vind echter
dat de minister een erg rooskleurige
voorstelling van zaken geeft. Daarom
vraag ik of wij hier niet iets langer bij
stil moeten staan. Als de minister het
wettelijk recht niet wil, zijn er dan
geen andere mogelijkheden of
noodzakelijke stappen om de
werkgever wat meer te binden aan
een bepaalde inspannings-
verplichting op dit punt? 

</spreker>
<spreker pagina="29-2321" anker="971" soort="Minister" naam="Melkert">
 Werkgevers lopen
keihard op tegen het probleem van
het aanbod op de arbeidsmarkt. Ze
zijn nota bene zelf gekomen met de
noodzaak om, zoals zij het noemen,
de stille reserves te benutten voor de
arbeidsmarkt. Daartoe behoren heel
veel vrouwen. Om dat mogelijk te
maken, vereist het een betere
verdeling van een aantal dingen in
de samenleving. Daarin past dit
voorstel heel goed. De Stichting van
de arbeid heeft er niet voor niets een
akkoord over weten te bereiken.
Immers, het besef is aan het
doordringen dat het niet alleen
sociaal, maar ook economisch is.
Voorzitter! Op stuk nr. 11 heeft de
heer Van Middelkoop een amende-
ment ingediend. Dat brengt ons bij
enkele punten met betrekking tot het
palliatief verlof. Ook de heren Van
der Vlies en Van Dijke hebben
hierover amendementen ingediend.
Het lijkt mij goed die even in
samenhang te bezien.
De heer Van Middelkoop stelt dat
het einde van het palliatief verlof
moet kunnen liggen op het moment
waarop de verzorgingsbehoefte niet
meer bestaat. Met andere woorden,
op dit punt zou in de wet expressis
verbis worden afgeweken van de
beperking die daaraan in de tijd is
gesteld.
Voorzitter! Ik heb grote aarzelingen
of dat verstandig zou zijn. Ik kan mij
het motief overigens goed voorstel-
len, maar wij menen wel dat het ook
in de parallellie met de sociale-
zekerheidsregelingen, deels om puur
praktische redenen, van groot belang
is om wel met gedefinieerde
periodes te kunnen werken waar een
beroep kan worden gedaan op de
regeling en parallel daaraan rechten
op sociale zekerheid intact blijven.
Als daar een open einde in wordt
geformuleerd, ook al heeft het
betrekking op een onderdeel – dat is
door de heer Van Middelkoop
expliciet naar voren gebracht – dan
ontstaan er in de techniek problemen
waarvan wij menen dat het
verstandiger is om die niet te laten
ontstaan. Misschien wil de heer Van
Middelkoop nog afwegen hoe zijn
voorstel zich verhoudt tot het
amendement van mevrouw
Adelmund, waarvan ik natuurlijk niet
weet wat de afloop ervan zal zijn.
Daarin zit in ieder geval een zekere
verruiming van periodes, uiteraard
onder condities zoals in het
amendement zijn gesteld. Maar ik
zeg eerlijk dat ik aarzelingen over zijn
amendement heb. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2321" anker="972" partij="GPV" naam="Van Middelkoop">
 En
dat begrijp ik toch slecht, voorzitter,
omdat ik een buitengewoon
bescheiden ambitie heb met dit
amendement. Die ambitie is om in
de wet vast te leggen wat de
minister in de nota naar aanleiding
van het verslag zelf als interpretatie
voor deze verlofsituatie wil laten
gelden. Ik lees daar namelijk als het over palliatief verlof gaat: dan moet
je kunnen regelen dat wat betreft het
einde wordt vastgelegd, dat het
verlof wordt opgenomen zolang dit
verlof noodzakelijk is ten behoeve
van het begeleiden van een ernstig
zieke terminale patie¨nt. Toen ik dat
tegenkwam, vond ik dat een
uitstekende oplossing voor een wat
lastige zaak die ik wetsstatus wil
geven. Als ik het amendement niet
had ingediend, dan zou bij toepas-
sing van de wet de nota nog eens
worden nagelezen en dan zou
hetzelfde kunnen plaatsvinden als
wat ik nu met mijn amendement
beoog, namelijk de einddatum op
deze manier te laten vaststellen. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2321" anker="973" soort="Minister" naam="Melkert">
 Voorzitter! Ik
meen dat in de nota naar aanleiding
van het verslag ook is ingegaan op
wat overigens in het kader van goed
werkgeverschap verwacht zou
mogen worden op dit punt, puur in
de relatie tussen de individuele
werkgever en werknemer buiten het
kader van deze wet. Wij moeten niet
vergeten dat deze wet niet beoogt
een voorziening te treffen of een
faciliteit te bieden in alle mogelijke
situaties die zich kunnen voordoen in
de onderneming. Men kan ook
onderling afspraken maken. Daar is
helemaal niets op tegen. De vraag is
alleen of de faciliteit van deze wet
daarvoor kan worden ingezet. Uit die
nota naar aanleiding van het verslag
kan niet worden gelezen dat dit in
afwijking van wat overigens in het
wetsvoorstel is bepaald, zou
geschieden. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2321" anker="974" partij="GPV" naam="Van Middelkoop">
 Het
is toch interessant, voorzitter, dat het
punt van het goed werkgeverschap
niet wordt opgevoerd in deze
discussie maar wel bij andere punten
van het wetsvoorstel. Los daarvan,
denk ik dat wij het hier wel met
elkaar eens zullen zijn dat onder
goed werkgeverschap moet worden
verstaan dat een werkgever
buitengewoon soepel zal zijn als het
om deze delicate vorm van verlof
gaat. Laten wij het dan wetsstatus
geven zodat er geen misverstand
over kan bestaan, want niets is
vervelender dan misverstanden of
onenigheden tussen werkgever en
werknemer juist bij dit type verlof. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2322" anker="975" soort="Minister" naam="Melkert">
 Ik heb wel enige
sympathie voor de motieven van de
heer Van Middelkoop op dit punt,
maar ik moet hem er ook op wijzen
dat de tekst van het amendement
zodanig is geformuleerd dat daarin
een recht wordt gecree¨erd voor de
werknemer om eenzijdig het einde
van het verlof vast te stellen. Ook om
die reden heb ik grote aarzelingen of
het verstandig zou zijn om dat te
doen, omdat je daarmee eigenlijk de
richting die in deze wet is ingeslagen
toch op een ander spoor zet. Dat
gebeurt weliswaar voor dit ene doel
en dat is ook het uitdrukkelijke
oogmerk van de heer Van Middel-
koop, maar ik zou dit toch in dit
stadium niet willen doen. Ik zou er
eerder de voorkeur aan geven om in
de praktijk van de evaluatie – er is
gevraagd om dat sneller te doen dan
is aangekondigd en ik ben daartoe
bereid – dit specifieke aspect een
plaats te geven. Misschien wil de
heer Van Middelkoop met mij kijken
naar de andere amendementen die
zijn ingediend op het punt van het
palliatief verlof om te kijken of wij
toch tot een redelijker regeling
kunnen komen die in ieder geval
werkbaar is, meer mogelijkheden
biedt dan thans het geval is en die
ons overigens de gelegenheid geeft
om het in het kader van het geheel
van de wetgeving, ook in de nabije
toekomst, nog eens nader te bezien. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2322" anker="976" partij="GPV" naam="Van Middelkoop">
 De
andere amendementen op dit punt
hebben een zelfstandige betekenis. Ik
heb niet zoveel zin om een evaluatie
af te wachten, waarin misschien kan
staan dat er op dit punt toch
vervelende dingen gebeuren tussen
werkgevers en werknemers. Dat
kunnen wij niet hebben. Het is beter
het nu wettelijk vast te leggen. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2322" anker="977" soort="Minister" naam="Melkert">
 Daar moet ik toch
iets tegenoverstellen. Hoe enorm
belangrijk volgens mij de faciliteit
voor palliatief verlof ook is, er zijn
situaties waarin – als ik het zo mag
zeggen want wij hebben het over
heel vervelende dingen – het einde
van een patie¨nt zich niet goed laat
voorspellen, ook als er een fase
intreedt waarin het met beroep op
deze wet mogelijk en zeer redelijk is
om palliatief verlof te verlenen.
Hoelang kan het duren? Dan moet je
als wetgever wel uitkijken welke
open einden je in je eigen wet
cree¨ert. Nogmaals, ik sluit niet uit dat
wij daarvoor een bevredigende
regeling kunnen vinden. Ik vraag de
heer Van Middelkoop om begrip. Het
is voor het eerst dat er iets wordt
geregeld op dit punt. Terecht wordt
er van uw kant gevraagd dat zo goed
mogelijk te doen. Laten wij nu
daarmee van start gaan! 

</spreker>
<spreker pagina="29-2322" anker="978" partij="GPV" naam="Van Middelkoop">

Hoe dan ook, de financie¨le tegemoet-
koming eindigt ook in dit geval met
zes maanden. Als het langer duurt,
vervalt die. Dat staat letterlijk in de
toelichting. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2322" anker="979" partij="RPF" naam="Van Dijke">
 De
minister zegt dat er nergens in de
sociale zekerheid een openeinde-
regeling is met betrekking tot de
duur. Mag ik de minister erop wijzen
dat wanneer een ambtenaar in de
gemeenteraad met een terugkom-
regeling gaat, wij ook niet weten
hoelang dat gaat duren? Daar
accepteren wij dat ook. Er is dus in
het land van de sociale zekerheid op
dat punt een precedent. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2322" anker="980" soort="Minister" naam="Melkert">
 Het amendement
van de heer Van der Vlies op stuk nr.
17 betreft de eis dat de werknemer
ten minste een jaar in dienst moet
zijn. Ik meen dat het niet verstandig
is op dat amendement in te gaan. Ik
geloof namelijk dat het vereiste, dat
er sprake moet zijn van een zekere
gevestigde relatie tussen werkgever
en werknemer alvorens men een
beroep kan doen op deze wet ook in
het kader van palliatief verlof niet
verstandig is. Mij lijkt dat ook op dit
punt de systematiek van de wet iets
te snel opzij wordt gezet voor het
enkele oogmerk van het regelen van
het palliatief verlof.
Misschien mag ik tegelijkertijd iets
zeggen over het derde amendement
op dit punt? Dat is het amendement
op stuk nr. 18 van de heer Van Dijke
over de voorwaarden van de
vervanger. Daar kijk ik wel met een
zekere sympathie naar, omdat die
vervanger als het ware een ander in
beeld brengt. Er kunnen tal van
complicaties omheen zitten – wil de
werkgever hem wel; is er u¨berhaupt
een vervanger beschikbaar – en dit in
een periode dat het palliatief verlof al
is gestart, omdat op grond van de
wet voor de eerste twee maanden
met dit oogmerk geen vervanging
noodzakelijk wordt geacht.
Ik voeg dat er even aan toe om
aan te geven dat ik ook zelf zoekende
ben naar de wijze waarop ten
aanzien van het palliatief verlof iets
specifieks mogelijk gemaakt kan
worden. Ik heb dus een zekere
sympathie voor het amendement op
stuk nr. 18.
Het amendement op stuk nr. 17
vind ik lastiger, niet alleen door het
doen vervallen van het vereiste van
ten minste een jaar, maar ook door
de vraag die vervolgens opkomt,
namelijk wat dat bijvoorbeeld
betekent voor iemand die in de
proeftijd zit. Dan zou zich een
merkwaardige complicatie kunnen
voordoen. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2322" anker="981" partij="SGP" naam="Van der Vlies">
 Over
die laatste complicatie is na te
denken, voorzitter. Dat zou uitgeslo-
ten moeten worden. Daarop is naar
ik aanneem wel iets te bedenken. Het gaat mij om het volgende: iemand is
korter dan een jaar in vaste dienst bij
een werkgever... 

</spreker>
<spreker pagina="29-2322" anker="982" soort="Minister" naam="Melkert">
 Dat is een
belangrijk gegeven. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2322" anker="983" partij="SGP" naam="Van der Vlies">
 Die
hobbel moeten wij dan samen
nemen. Die valt te definie¨ren. Het
gaat dus om iemand korter dan een
jaar in vaste dienst. In zijn omgeving
gebeurt iets waardoor hij zich
geroepen acht zorgverlof op te
nemen. Dan is het gelet op de
filosofie van het zorgverlof
onvoorzienbaar en door hem niet te
plannen. Integendeel, het overkomt
hem. Het is overmacht. Het is dan eigenlijk lastig om te zeggen: omdat
ik nog maar elf maanden in plaats
van twaalfenhalve maand bij mijn
werkgever ben, kan ik geen
zorgverlof opnemen. Dan redeneer ik
even in formele zin. Ik neem aan dat
een werkgever best in overleg zal
treden. Het gaat even om de
wetstekst. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2322" anker="984" soort="Minister" naam="Melkert">
 Voorzitter! De heer
Van der Vlies heeft terecht aangege-
ven dat het zou gaan om een vaste
betrekking, een betrekking in vaste
dienst. Het lijkt mij dat erover moet
worden nagedacht of dat inderdaad
tot uitdrukking kan worden gebracht,
in de geest van het amendement van
de heer Van der Vlies maar dan wel
met die specificatie. Vanuit het
oogpunt van de werkgever zal er dan
sprake zijn van een andere situatie
dan de situatie waarin iemand in een
proeftijd zit of een tijdelijk contract
heeft. Er kunnen rare situaties
ontstaan, ook door de termijn die
daarop volgt en die makkelijk over
de grens van een tijdelijk contract
gaat. Dat geldt zeker voor de
proeftijd. Dat was op dit punt mijn
zeer praktische aarzeling. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2323" anker="985" partij="D66" naam="Van Vliet">
 Voorzit-
ter! Ik vind deze discussie prima. Ik
luister er met belangstelling naar.
Maar als de minister deze overwe-
ging hanteert, vraag ik mij af hoe
zich dat verhoudt tot zijn bereidheid
om deze wet te willen doortrekken
naar alles wat in het flexakkoord aan
de orde is geweest. Daarbij gaat het
ook over uitzendmedewerkers,
detachering etc. Gaat dit kleine
onderdeel daar niet voor gelden?
Hoe moet ik mij dat voorstellen? 

</spreker>
<spreker pagina="29-2323" anker="986" soort="Minister" naam="Melkert">
 Dat was natuurlijk
in de wet al voorgesteld door het
vereiste van een jaar dienstbetrek-
king. Er is dus al een onderscheid
aangebracht ten opzichte van heel
veel situaties waarop ook het
flexakkoord betrekking heeft. Het
gaat dan niet om de aard van het
contract, maar om de omvang van
het dienstverband. Ik zou dat op een
of andere wijze in stand willen
houden, omdat niet te overzien is
welke gecompliceerde situaties er
kunnen ontstaan als de grote
differentiaties in arbeidsrelaties,
zoals behandeld in het flexakkoord,
daarop betrekking hebben. Dan kom
je precies uit op het punt van het
palliatief verlof, waarvoor wij een
uitzondering willen maken. Des te
sterker dring ik erop aan om
daarover helderheid te verschaffen.
Maar wij kunnen daaraan dus niet in
elk opzicht tegemoetkomen. Ik meen
hiermee het palliatief verlof afdoende
te hebben besproken. Ik blijf mijn
bezwaren houden tegen het
amendement op stuk nr. 11 van de
heer Van Middelkoop. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2323" anker="987" partij="SGP" naam="Van der Vlies">

Voorzitter! De minister heeft
sympathie voor een van de twee
amendementen van collega Van
Dijke. Door een precisering van mijn
amendement op stuk nr. 17 zou de
minister zijn aarzeling opgeven. Mijn
perceptie voor dit moment is dat er
een nota van wijziging moet worden
tegemoetgezien. Klopt dit? Of
moeten wij het amendement
aanpassen? Daartoe ben ik volgaarne
bereid. Wij moeten in ieder geval
helder uiteen gaan. Wij willen toch
ook nog een poosje slapen vannacht.
Dat was althans mijn voornemen
wel. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2323" anker="988" soort="Minister" naam="Melkert">
 Voorzitter! Ik denk
dat de volgende procedure de beste
is. Als tegemoet kan worden
gekomen aan mijn belangrijkste
bezwaar tegen het amendement op
stuk nr. 17, doen wij de heer Van der
Vlies de suggestie hoe het amende-
ment kan worden aangepast. Het
blijft wel zijn initiatief in dezen. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2323" anker="989" partij="SGP" naam="Van der Vlies">
 Dat is
goed. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2323" anker="990" soort="Minister" naam="Melkert">
 Voorzitter!
Vervolgens kom ik te spreken over
het amendement op stuk nr. 12 van
mevrouw Adelmund. De hele
doelgroep van de Wet op de
reı¨ntegratie arbeidsgehandicapten als
vervanger in de zin van de wet komt
in aanmerking. Dit lijkt mij een
redelijk amendement, zeker in het
verlengde van wat kortgeleden nog
over de REA is besproken. Ik heb dan
ook geen problemen met dit
amendement. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2323" anker="991" partij="PvdA" naam="Adelmund">
 Ik wijs
erop dat het amendement op stuk nr.
12 is gewijzigd in het amendement
op stuk nr. 20. Immers, er moest nog
in worden opgenomen dat de wet
nog in voorbereiding is. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2323" anker="992" naam="De voorzitter">
 Betekent dit dat het
kabinet daartoe een nota van
wijziging indient? 

</spreker>
<spreker pagina="29-2323" anker="993" soort="Minister" naam="Melkert">
 Ik zou het kunnen
overnemen als de Kamer daarmee
akkoord gaat. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2323" anker="994" naam="De voorzitter">
 Ik stel vast dat dit het
geval is.
Het gewijzigde amendement-
Adelmund (stuk nr. 20) is overgeno-
men. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2323" anker="995" soort="Minister" naam="Melkert">
 Voorzitter! Voor
het amendement op stuk nr. 13 geldt
eigenlijk hetzelfde. Daarmee
herinnert mevrouw Adelmund ons
eraan dat in meerdere wetten bij de
onderbreking bij het zoeken naar
werk voor maximaal 50 dagen of 400
uur voor ons nog steeds sprake blijft
van ’’werkzoekend zijn’’. Dat is om
verschillende redenen van belang.
Kleine baantjes die als het ware
tussendoor komen, worden
uitgesloten. De facto zullen daardoor
meer herintreedsters een beroep
kunnen doen op de mogelijkheden
van deze wet. Ik kan daarom het
gestelde in dit amendement
onderschrijven en ook dit amende-
ment wil ik overnemen. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2323" anker="996" naam="De voorzitter">
 Het amendement-
Adelmund (stuk nr. 13) is overgeno-
men. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2323" anker="997" soort="Minister" naam="Melkert">
 Voorzitter! Om
alles niet te mooi te maken, wil ik het
volgende zeggen over het amende-
ment van mevrouw Van Vliet op stuk
nr. 16. Overigens, ik vind dit niet een
lelijk amendement. Het is bekend dat
de fractie van mevrouw Van Vliet al
eerder heeft aangedrongen op het
scheppen van het wettelijk recht op
zorgverlof. Het is ook bekend dat de
regering in de nota Kansen op
combineren voor de middellange
termijn in feite het perspectief
schetst waarmee heel ver in de
aangegeven richting wordt gegaan.
Ik zeg nogmaals dat voor het kabinet
dit wetsvoorstel niet noodzakelijker-
wijs het laatste op dit gebied hoeft te
zijn. Wij willen wel tot een opbouw
komen en wel op wijze als ik in mijn
inleiding heb aangegeven. Daarbij
past niet het cree¨ren van een
eenzijdig, afdwingbaar recht op
zorgverlof. De vormgeving van het
amendement van mevrouw Van Vliet
roept veel vragen op met betrekking
tot de regeling in praktijk. In de
eerste plaats is de vraag aan de orde
wanneer het voorgestelde van
toepassing zou moeten zijn. Je moet
dan namelijk weten op basis van
welke criteria je tot die conclusie kan
komen. Dat moet je naar mijn
mening weten als je vervolgens een
bepaling in de wet wilt opnemen.
Verder wijs ik op de parallellie met
hetgeen geldt op het terrein van de
sociale zekerheid en in de sfeer van
de eigen arbeidsvoorwaarden.
Daarbij denk ik aan de pensioen-
rechten. Er is dus sprake van veel
haken en ogen als nadere restricties
niet worden aangegeven. Die worden
in dit voorstel niet genoemd. Dat zou
kunnen bij de AMvB waarop
mevrouw Van Vliet doelt. Naar mijn
mening is het niet voldoende alleen
te verwijzen naar een AMvB. Je komt
namelijk voor heel lastige vragen te
staan. Het gaat niet alleen om het
principe, maar ook om de praktische
vormgeving bij het onderschrijven
van het principe. Naar mijn mening
moeten daarom de vragen die ik nu
aangeef, in aanmerking worden
genomen voordat in dezen een
bepaling in de wet wordt opgeno- men. Dat geldt zelfs als je bepaalt:
het is nu nog niet van toepassing.
Met een enkele druk op de knop –
daarvan kan namelijk met een KB
sprake zijn – zou het gestelde
namelijk wel van toepassing kunnen
zijn. Daarom vind ik het echt
prematuur te handelen zoals met dit
amendement wordt voorgesteld. De
regering kan daarom het gevraagde
niet onderschrijven. Nogmaals, het is
prematuur, mede vanwege de
vormgeving. Niets let de regering
en/of Kamer om inderdaad over twee
of drie jaar op basis van de ook door
mevrouw Van Vliet terecht gewenste
evaluatie vast te stellen dat alsnog in
aan de aangegeven richting moet
worden geopereerd. Dat moet dan
wel gebeuren met de invulling die
daarbij vereist is, zodat wij weten
waarover wij het hebben. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2324" anker="998" partij="D66" naam="Van Vliet">
 Voorzit-
ter! De minister zegt dat nog heel
veel bij AMvB geregeld zou moeten
worden en dat ondertussen wel met
een druk op de knop, namelijk bij
koninklijk besluit, voor inwerkingtre-
ding kan worden gezorgd. Ik wijs er
echter op dat die knop in handen van
de minister is. In de toelichting staat
namelijk heel duidelijk dat de
minister ’’zal moeten bevorderen’’. Daarvan wil ik eventueel maken: de
mister kan bevorderen; althans als
dat voor ruimte zorgt. Wij cree¨ren
dus ruimte voor een nadere invulling
en vervolgens is het woord aan de
minister. Hiermee wordt wel druk op
de ketel gezet en ook de Kamer
wordt de mogelijkheid geboden
hierop terug te komen. Mijn eerste vraag is nu: waarom heeft de
minister toch met het gestelde
moeite?
Dan mijn tweede vraag. Wij
hebben dit amendement ook
ingediend met het oog op de
mogelijkheid dat over twee jaar uit
de evaluatie blijkt, dat zorgverlof niet
wordt opgenomen. Nogmaals, ik
hoop dat niet. Mijn doel is dat
zorgverlof wel wordt opgenomen.
Mocht echter blijken dat dit niet het
geval is, dan gaan wij kijken of er
misschien een wettelijk recht op
zorgverlof moet komen. Dan krijgen
we weer eindeloze onderzoeken. Stel
dat dit wordt omgezet in een motie,
waarin wij verzoeken om reeds nu te
starten met een onderzoek naar de
mogelijkheid van het invullen van
het wettelijk recht op zorgverlof, los
van het verhaal over het KB en het
amendement. Hoe denkt de minister
daarover? 

</spreker>
<spreker pagina="29-2324" anker="999" soort="Minister" naam="Melkert">
 Voorzitter! Ik kan
mij iets voorstellen bij de wens om
verder te kijken dan de neus van
deze wet lang is, want met deze wet
is het verhaal echt nog niet af. In het
verlengde van de nota Kansen op
combineren kan het kabinet zich daar
ook onmogelijk tegen keren. Ik
geloof echter niet dat je de of-vraag
nu al kunt laten vallen. Voordat je
aan de hoe-vraag toekomt, moet je
de of-vraag ook beantwoorden. Naar
mijn mening heeft dit ook een sterke
praktische component, waardoor of
en hoe in elkaars verlengde liggen. Ik
kan mij voorstellen dat een evaluatie
zich in de komende tijd mede richt
op het onder ogen zien van de
vragen of en hoe, op een termijn die
de fractie van D66 redelijk vindt en
die ik realistisch vind. De minister
krijgt nu wel een mooie knop waar
hij op kan drukken, maar daar kan hij
niet zoveel mee als hij zelf nog geen
idee heeft – die ideee¨n krijgt hij ook
niet aangereikt, anders dan via een
AMvB-procedure – van wat hij
allemaal zou moeten regelen en
onder ogen zou moeten zien als hij
op die knop zou moeten drukken.
Daarom is dit ogenschijnlijk een
mooi aanbod aan de minister, maar
ik weet niet of hij daar straks in
functionele zin blij mee moet zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2324" anker="1000" partij="D66" naam="Van Vliet">
 Voorzit-
ter! Ik zal dit in overweging nemen,
maar ik vind het jammer dat de
minister toch van mening is dat de
of-vraag moet worden gesteld. Er
bestaat al een wettelijk recht op
ouderschapsverlof. Ik ga ervan uit
dat deze minister daar ook achter-
staat als minister voor emancipatie-
beleid. Waarom is de kwestie van het
zorgen voor ouders, broers en
zusters – het gaat namelijk om bloed-
en aanverwanten; zo staat het ook in
het amendement – van minder
belang dan de zorg voor kinderen?
Als je dat op hetzelfde niveau brengt,
dan zou een wettelijk recht op
ouderschapsverlof naar analogie ook
een wettelijk recht op zorgverlof
betekenen. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2324" anker="1001" soort="Minister" naam="Melkert">
 Als wij niet meer
zouden hebben geaarzeld over die
of-vraag, dan zouden wij met een
ander wetsvoorstel zijn gekomen.
Het lijkt mij ook niet juist om het
ouderschapsverlof linea recta door te
trekken naar allerlei andere verloven,
want bij de discussie over het
ouderschapsverlof is destijds keurig
beargumenteerd waarom dat nodig
is. Dat legt geen beslag op wat je
dan overigens op andere terreinen
zou kunnen organiseren.
Ik vind het echt van belang om de
invulling van de loopbaan-
onderbreking nu te gaan regelen.
Deze zal in tal van praktische
situaties vorm krijgen. Dat moet
worden gee¨valueerd. Dan kan blijken
dat er verdere, al dan niet aanvul-
lende wetgeving nodig is. Ik vind het
ree¨el om dat onder ogen te zien. Ik
geloof niet dat nu het moment is
aangebroken om daarop vooruit te
lopen.
Dan moet ik nog een reactie geven
op het amendement op stuk nr. 19
van de heer Van Dijke. Misschien wil
hij van mij aannemen dat een deel
van mijn argumenten in de richting
van mevrouw Van Vliet ook van
toepassing zijn op zijn amendement.
Ik zie natuurlijk wel de specificatie op
dat punt, maar ik houd het erop dat
wij alleen wat betreft het palliatief
verlof reden hebben om dat apart te
bezien. Overigens is het van belang
om vast te houden aan de hoofd-
systematiek van de wet. Door het
amendement op stuk nr. 19 word je
wat dat betreft op een ander been
gezet. Om die reden ontraad ik de
aanneming daarvan.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="29-2324">

 
<spreker pagina="29-2324" anker="1002" soort="Staatssecretaris" naam="De Grave">

Voorzitter! In het kader van het
voorkomen van burnt-
outverschijnselen van staatssecreta-
rissen heeft de minister het
overgrote deel van het werk gedaan.
Ik dank hem daarvoor.
Het wetsvoorstel is in het kader
van de sociale zekerheid een logisch
sequeel, een hulpje voor het
bereiken van het hogere doel dat de
minister heeft toegelicht. Ik beperk
mij tot twee korte punten.
In de eerste plaats ga ik in op het
thema van de eerste ziektedag. In de
nota naar aanleiding van het verslag
heeft het kabinet zeer uitvoerig
aangegeven dat het voorstel past in
de systematiek van het BW en
daarmee ook in het systeem van de
sociale zekerheid. Dit onderwerp
heeft tot enige gedachtewisseling in
het kabinet geleid. Dit punt is
expliciet aan de Raad van State
voorgelegd. Deze heeft aangegeven
dat hij de keuze van het kabinet
onderschrijft. Mevrouw Van Vliet
heeft gesuggereerd een wettelijke
plicht te cree¨ren om het verlof bij
ziekte te bee¨indigen. Voorzitter! In
nota naar aanleiding van het verslag
zijn de bezwaren daartegen al
uiteengezet. Dan wordt het uitgangs-
punt van de wet namelijk doorkruist.
Werkgever en werknemer hebben
een wederzijdse afspraak gemaakt.
De werkgever kan een vervanger
hebben aangesteld en dat maakt het
recht op onderbreken van het verlof
gecompliceerd.
Wij begrijpen overigens de
achtergrond van al deze vragen zeer
goed, namelijk het belang van
reı¨ntegratie. Ook hier mag echter niet
het misverstand ontstaan dat er geen
gezamenlijk belang is. De werkgever
heeft hierbij zeker ook belang. Ik wijs
op de gevolgen van de PEMBA-
wetgeving. Na afloop van het verlof
treedt de werknemer weer in dienst.
Als hij op dat moment arbeidsonge-
schikt is, krijgt de werkgever te
maken met de financie¨le risico’s van
de PEMBA-wetgeving. Hij heeft er
dus alle belang bij dat de betrokkene
wordt gereı¨ntegreerd. Er zijn geen
belemmeringen om daarover goede
afspraken te maken, mede met het
oog op goed werkgeverschap. De
werkgever heeft op dit punt zeker
ree¨le verplichtingen. Ik heb echt het
gevoel dat in de praktijk de belangen
van werkgever en werknemer
samenvallen. Wij kunnen dit dus
beter overlaten aan de verstandige
invulling door werkgevers en
werknemers, dan hiervoor een
wettelijke regeling te treffen. In de
praktijk kan vaak de beste oplossing
worden gevonden.
Ook op het punt van de aanvul-
lende pensioenen is geen wezenlijk
verschil van mening tussen mevrouw
Van Vliet en het kabinet. Er mogen
geen fundamentele belemmering op
dit punt zijn voor het opnemen van
verlof. Het primaat ligt uiteraard bij
de sociale partners. Dat primaat
moet slechts worden doorbroken als
naar de mening van de wetgever
hieraan onvoldoende invulling wordt
gegeven. Het is dus geen absoluut
maar een relatief primaat. Ik wijs
erop dat de Stichting van de arbeid
al in 1995 aanbevelingen heeft
gedaan om ervoor te zorgen dat er
geen belemmeringen optreden in de
sfeer van de aanvullende pensioe-
nen. Het maakt uiteraard een groot
verschil of het gaat om een relatief
korte periode gelet op de totale
pensioenopbouw of om veel grotere
risico’s zoals nabestaanden-
pensioenen.
Ik heb er alle vertrouwen in dat de
sociale partners dit punt op een
goede wijze zullen regelen. Zij
hebben dit ook zelf gezegd. In de
nota naar aanleiding van het verslag
is opgenomen dat er in 1998 een
evaluatie zal plaatsvinden. Als dan
blijkt dat er in de praktijk hiervoor
onvoldoende aandacht is, zal het
kabinet nadere regelgeving
overwegen. Dat biedt naar mijn
mening voldoende garantie dat dit
punt geen probleem zal zijn bij het
opnemen van verlof.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="29-2325">

 
<spreker pagina="29-2325" anker="1003" naam="De voorzitter">
 Hiermee zijn wij
gekomen aan het einde van de
eerste termijn. De minister heeft een
aantal amendementen overgenomen.
Er komt nog een nota van wijziging.
Daarnaast zal een aantal meer
technische vragen schriftelijk worden
beantwoord. Wij kunnen het debat
vanavond afronden, maar dan
moeten wij wel met elkaar het
volgende afspreken. Er kan morgen
reden zijn om te reageren op de
schriftelijke beantwoording. Dan
moet er een heropening van de
beraadslaging komen. Als wij nu een
tweede termijn houden, dan wil ik
een beperking van de spreektijd tot
twee minuten per fractie introduce-
ren. Anders zijn wij niet op tijd klaar.
Als de Kamer dat niet wil, kan ook
morgen een tweede termijn
gehouden worden. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2325" anker="1004" partij="GPV" naam="Van Middelkoop">

Voorzitter! Aan twee minuten
spreektijd heb ik op dit moment niet
zoveel. Misschien heb ik die tijd
morgen nodig, maar eerlijk gezegd
heb ik op dit moment meer interesse
in de beantwoording van de vragen
die nog openstaan en dat waren ook
vragen die door verschillende
collega’s zijn gesteld. Ik heb er wel
enig vertrouwen in dat wij daarop
redelijke antwoorden zullen krijgen.
Dus ik heb liever morgen een kleine
kans op een heropening, waar ik niet
gauw gebruik van zal maken, dan dat
ik nu even twee minuten vol praat. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2325" anker="1005" naam="De voorzitter">
 Uw voorstel houdt in
dat wij nu geen tweede termijn
houden en dat wij de antwoorden
morgen afwachten. Wij kunnen nu
de procedurele afspraak maken om
over te gaan tot een heropening als
daarom wordt verzocht. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2325" anker="1006" partij="GroenLinks" naam="Vos">

Voorzitter! Kunnen wij niet afspreken
dat wij morgen sowieso een tweede
termijn houden? Ik wil dan wel
akkoord gaan met een beperking van
de spreektijd, maar ik zou het prettig
vinden om morgen dit debat op een
goede manier af te sluiten. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2325" anker="1007" partij="VVD" naam="J.M. de Vries">

Voorzitter! Op dit moment heb ik
geen behoefte aan een tweede
termijn. Het hangt van de antwoor-
den af of ik daar morgen wel
behoefte aan heb. Ik zou wel graag
willen weten hoe laat die heropening
morgen eventueel aan de orde is.
Wij moeten natuurlijk de gehele dag
aanwezig zijn als de Kamer
vergadert, maar het zou toch prettig
zijn als ik weet waarmee ik rekening
moet houden. Misschien kunt u dat
nu reeds aangeven. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2325" anker="1008" naam="De voorzitter">
 Wellicht is er nog een
korte tweede termijn nodig, maar ik
zou het liever het karakter geven van
een heropening. Het antwoord van
de minister had namelijk al het
karakter van een tweede termijn, met
een uitvoerige behandeling van
amendementen enz. Ik denk eraan
een eventuele afronding van de
behandeling rond 14.00 uur te
agenderen. Rond die tijd heb ik ook
een plaatsje ingeruimd voor de
behandeling van het wetsvoorstel
waarvoor onze collega Hendriks het
woord heeft gevraagd.
Ik stel het volgende voor. Als
morgen blijkt dat er behoefte is aan
een tweede termijn c.q. een
heropening van de beraadslaging,
dan zou ik dat om 14.00 uur willen
doen, maar wel met beperkte
spreektijden, anders komen wij met
de stemmingen in het ongerede. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2325" anker="1009" partij="D66" naam="Van Vliet">
 Ik sluit
mij graag aan bij de woorden van
mevrouw Vos, die stelde dat zij hoe
dan ook behoefte heeft aan een korte
heropening. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2325" anker="1010" partij="RPF" naam="Van Dijke">
 Daar sluit
ik mij bij aan. 

</spreker>
<spreker pagina="29-2325" anker="1011" naam="De voorzitter">
 Goed, dan is er
morgen na de heer Hendriks een
korte heropening.
De algemene beraadslaging wordt
gesloten.

</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


