<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN6517C3]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van: - het wetsvoorstel Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de verlengingsprocedure voorlopige hechtenis en de termijn van de uitspraak van het schriftelijk vonnis van de alleenrechtsprekende rechter (24219)</item>
<item attribuut="Bestand"> 58 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Strafrecht en strafprocesrecht (Voorlopige hechtenis)</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Voorlopige hechtenis</item>
<item attribuut="Dossiernr">24219</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1997-1998, nr. 10, Tweede Kamer, pag. 2328-2337</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">27-11-1997</item>
<item attribuut="Document-id">HAN6517C3</item>
<item attribuut="Omvang">10 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Tweede Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Wetboek van Strafvordering</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Overeenkomst Lome´</item>
<item attribuut="doccode">TK 30</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="30-2328">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van het Wetboek van Strafvorde-
ring in verband met de
verlengingsprocedure voorlopige
hechtenis en de termijn van de
uitspraak van het schriftelijk
vonnis van de alleenrecht-
sprekende rechter (24219).
De algemene beraadslaging wordt
geopend.

<blok pagina="30-2328">

 
<spreker pagina="30-2328" anker="516" partij="D66" naam="Dittrich">
 Voorzitter!
Het wetsvoorstel dat wij behandelen,
betreft de voorlopige hechtenis, het
meest ingrijpende dwangmiddel dat
het stelsel van strafvordering kent,
want iemand wordt van zijn vrijheid
beroofd zonder dat een rechter in
eerste aanleg de betrokkene heeft
veroordeeld. Is de betrokkene in
bewaring gesteld of gevangen
gehouden, maar wordt hij uiteindelijk
op of na de zitting vrijgesproken, dan
is er eigenlijk alleen de mogelijkheid
dat hij een schadevergoeding
ontvangt voor de tijd dat hij ten
onrechte opgesloten heeft gezeten.
Op die wijze koopt de overheid als
het ware de onrechtmatige inbreuk
op iemands vrijheid af. Uiteraard
hangt dat wel van allerlei omstandig-
heden af.
Maar er zijn ook rechtssystemen
waarin men die vrijheid van het
individu tot aan het veroordelend
vonnis wat zwaarder laat wegen. In
de Verenigde Staten bijvoorbeeld kan
men, ook al heeft men een zeer
ernstig misdrijf gepleegd, zichzelf als
het ware uit de voorlopige hechtenis
vrijkopen door de opgelegde
borgsom, de bail, te betalen. Slechts
in uitzonderlijke gevallen wordt die
mogelijkheid van een op te leggen
bail niet geboden.
De vraag of iemand in voorlopige
hechtenis moet worden genomen,
zal altijd een discussiepunt blijven. Ik
wil even stilstaan bij een zeer recent
voorbeeld. Zo is in Amsterdam
degene die het schilderij van Barnett
Newman in het Stedelijk Museum
aan flarden heeft gesneden, na zes
uur politieverhoor naar huis
gestuurd. De reden is dat vernieling
van openbaar kunstbezit slechts een
gevangenisstraf van maximaal twee
jaar kent en voorlopige hechtenis
niet mogelijk is. Want artikel 350 van
het Wetboek van Strafrecht geldt
ongeacht welk goed beschadigd of
vernield is, of het nu een Rembrandt,
een Malevich, een Newman of een
bushokje is, de wet maakt geen
onderscheid.
In dit soort zaken waarbij iemand
op heterdaad wordt betrapt terwijl hij
nog met het stanleymes in zijn hand
naast het schilderij staat, zou het
beter zijn wanneer iemand op een
zeer snelle manier berecht wordt. Dat
zou wel inhouden dat de verdachte
aansluitend aan het politieverhoor
naar een huis van bewaring moet
kunnen worden gebracht. Nu hebben
wij mogen horen dat de man in
kwestie voor de radio heeft gezegd
dat hij de mogelijkheid openlaat
opnieuw een meesterwerk te
beschadigen. En hij loopt vrij rond.
De fractie van D66 heeft deze
kwestie eergisteren aangekaart en
aan de staatssecretaris van Cultuur
gevraagd namens de regering een
brief aan de Kamer te sturen met als
centrale vraag hoe wij ons openbaar
kunstbezit beter zouden kunnen
beschermen. Naar onze mening
behoort daar ook een differentiatie in
strafbaarstelling bij en daaraan
vastgekoppeld een mogelijkheid voor
voorlopige hechtenis.
Ik keer terug naar dit wetsvoorstel.
Wij zijn het met de inhoud eens. Het
is goed dat de voorlopige hechtenis
periodiek door de rechter wordt
getoetst. De rechter moet kijken of
de gronden daarvoor nog wel
aanwezig zijn. Als dat niet zo is,
moet de verdachte worden vrijgela-
ten. De minister heeft een verstan-
dige keuze gemaakt door het
oorspronkelijke voorstel van de
commissie-Moons om de vaste
termijnen af te schaffen, niet over te
nemen. In appe`l in hoger beroep zijn
de termijnen wel aangepast. Die
keuze komt voort uit praktische
motieven.
Volgens mijn fractie gaat het
nieuwe systeem niet ten koste van
de positie van de veroordeelde. Hij
kan immers als hij meent dat er geen
goede gronden voor de voorlopige
hechtenis zijn, opheffing daarvan
vragen of desnoods schorsing.
Kortom, het wetsvoorstel heeft een
juist evenwicht gevonden tussen de
belangen van de samenleving en de
belangen van de verdachte. Toch wil
ik nog een enkele opmerking maken.
De fractie van D66 constateert dat
er in de rechtspraktijk onduidelijkheid
bestaat over de reikwijdte van artikel
75, lid 2. Wanneer zijn er alsnog
ernstige bezwaren tegen de
verdachte of veroordeelde gerezen
die leiden tot voorlopige hechtenis?
De situatie kan zich voordoen dat de
voorlopige hechtenis van de
verdachte wordt opgeheven omdat
de raadkamer van de rechtbank in
eerste aanleg van mening is dat de
gronden daarvoor niet meer
aanwezig zijn. Pikant detail is dat het
hierbij om de alleensprekende
rechter kan gaan die een dergelijke
beslissing neemt, terwijl later de
meervoudige strafkamer de zitting
houdt en tot een veroordeling komt.
Daar kan een lange gevangenisstraf
uit voortkomen.
Dit is het geval geweest in de
moordzaak op het Sneker echtpaar
Schuiten. Door de enkelvoudige
raadkamer was de voorlopige
hechtenis opgeheven. De meervou-
dige kamer veroordeelde de
verdachte tot maar liefst vijftien jaar
gevangenisstraf, maar de voorlopige
hechtenis was opgeheven. In hoger
beroep werd de veroordeelde maar
liefst tot achttien jaar gevangenis-
straf veroordeeld. Zowel het
openbaar ministerie als het
gerechtshof hebben naar artikel 75,
lid 2, gekeken en geoordeeld dat een
nieuwe voorlopige hechtenis niet
mogelijk was. De in twee instanties
veroordeelde man, veroordeeld
wegens moord meermalen gepleegd,
loopt nog steeds vrij rond, want hij is
in cassatie gegaan. Een dergelijke
situatie is ongewenst. Ik heb daarom
een amendement ingediend. Dat is
het amendement op stuk nr. 16, dat
zojuist aan de collega’s is uitgereikt.
Daarin wordt duidelijk aangegeven
dat onder alsnog ernstige bezwaren
tevens kan worden begrepen een
veroordelend vonnis in eerdere
feitelijke aanleg. Ik zeg er overigens
meteen bij dat het natuurlijk altijd
aan de rechter blijft om te beoorde-
len of voorlopige hechtenis
geı¨ndiceerd is.
Voorzitter! Naar aanleiding van de
uitgebreide schriftelijke voorberei-
ding met betrekking tot dit wetsvoor-
stel wil ik mijn grote zorg nog
uitspreken over de vertraging in de
afhandeling van hogerberoepszaken.
De hoofdoorzaak daarvan is gelegen
bij de griffies op de rechtbanken.
Daar moet, wanneer de veroordeelde
of het openbaar ministerie appe`l
heeft aangetekend, het vonnis en het
proces-verbaal van de zitting worden
uitgewerkt. Wij weten allemaal dat
de werkdruk groot is, misschien wel
te groot. Nadat de uitspraak al enkele
weken oud is, krijgt de griffier te
horen dat er appe`l is aangetekend en
dat hij tot uitwerking moet overgaan.
Maar wij weten allemaal dat
vanwege die hoge werkdruk die
uitwerking toch niet de hoogste
prioriteit heeft. En dat komt omdat er
weer allerlei andere strafzittingen
moeten worden voorbereid en
moeten worden bijgewoond. Het
gevolg is dat de inzendtermijn van
deze stukken veel te lang is, ondanks
de werkafspraken die er op
ressortniveau zijn gemaakt.
In juni 1997 heeft de minister op
vragen van de fractie van D66 in de
nota naar aanleiding van het nader
verslag laten weten dat zij een
werkgroep in het leven zal roepen
die de oorzaken van de achterstan-
den zal onderzoeken en voorstellen
zal doen om te komen tot een
verkorting van de inzendtermijnen. Ik
heb gelezen dat in het laatste
kwartaal van 1997, nu dus, gerappor-
teerd zal worden. Kan de minister
daar vandaag nadere informatie over
verstrekken? Ik kondig nu al aan dat
mijn fractie dit een serieuze zaak
vindt en overweegt terzake een
motie in te dienen.
Voorzitter! Ik wil afronden met het
volgende. Een deel van de vaste
commissie voor Justitie is vorige
week in New York geweest. Wij
hebben daar het nightcourt bezocht
en voorafgaand daaraan zijn wij te
gast geweest bij officieren van
justitie. Zij gebruikten in hun
contacten met politiefunctionarissen
die net een verdachte op straat
gearresteerd hadden en daarover
verslag moesten uitbrengen,
prachtige nieuwe apparatuur. Ik denk
dat wij dat in Nederland televerhoor-
communicatieapparatuur zouden
noemen. Ik was daar erg van onder
de indruk. Als je voor zo’n computer
stond, dan kon je de politie-
functionaris zien die helemaal aan de
andere kant van New York gewoon
op het bureau zat. Men kon elkaar
zien en met elkaar spreken. Het was
dus een soort veredelde telefoon met
beeld erbij. Ik denk dat het belangrijk
is dat wij in Nederland ook dit soort
apparatuur gaan inzetten. Dat kan
misschien niet worden gebruikt voor
zittingen met verdachten – daar is in
de stukken al uitgebreid over
gesproken – maar in elk geval wel in
de relatie tussen het openbaar
minister en de politie. Ik wil de
minister derhalve uitnodigen om hier
iets over te zeggen. 

</spreker>
<spreker pagina="30-2329" anker="517" naam="De voorzitter">
 Voordat ik het woord
geef aan de heer Rabbae, verzoek ik
de leden bij het begin van deze dag
al om zoveel mogelijk wat gestileerd
met elkaar te discussie¨ren. De
agenda is immers buitengemeen vol.
Als wij meer tijd nemen dan...</spreker>
<spreker pagina="30-2329" anker="518" partij="PvdA" naam="Kalsbeek-Jasperse">
 Voorzitter! Kan het gestileer-
der dan zwijgend? Er is immers nog
geen interruptie gepleegd. 

</spreker>
<spreker pagina="30-2329" anker="519" naam="De voorzitter">
 Wij zijn nog niet aan
de interrupties toe, maar ik zeg het
even vanwege de omvang van de
agenda. Je krijgt op het laatst een
opeenhoping waar je niet meer
doorheen komt. Het was de
bedoeling om vandaag een aantal
onderwerpen af te ronden. Ik maak
een opmerking van deze aard op een
moment dat ik nog niemand boos
kan aankijken. Dat doe ik trouwens
toch nooit. 

</spreker>
<spreker pagina="30-2329" anker="520" partij="D66" naam="Dittrich">
 Ik heb altijd
last van een schuldgevoel. Bedoelt u
misschien dat ik te lang heb
gesproken? 

</spreker>
<spreker pagina="30-2329" anker="521" naam="De voorzitter">
 U sprak ietsje langer
dan u had geı¨ndiceerd.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="30-2329">

 
<spreker pagina="30-2329" anker="522" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Mijnheer de voorzitter! Nog voor uw
aanmaningen had ik besloten om het
kort te houden. Ik heb maar een paar
punten in te brengen.
Mijn fractie waardeert de positie
van de minister wanneer zij afstand
neemt van het voorstel van haar
voorganger over de reparatie-
mogelijkheid ten aanzien van de
overschrijding van de termijn terzake
van voorlopige hechtenis. Ik
constateer echter dat haar voorstel
voor een reparatiemogelijkheid niet
volledig in overeenstemming is met
het Europese verdrag voor de
rechten van de mens, met name
artikel 5. Het wordt overgelaten aan
het toeval of de advocaat van de
betrokkene in actie komt. Het wordt
aan de officier van justitie overgela-
ten om in actie te komen wanneer hij
of zij ontdekt dat de termijn is
overschreden. Mij dunkt dat dit niet
in overeenstemming is met de toch
meestal zorgvuldige lijn van deze
minister bij de rechtspraak en de
strafrechtregelingen. In die zin kan
mijn fractie helaas niet akkoord gaan
met dit punt. Ik ben benieuwd naar
de nadere overwegingen van de
minister op dit aspect.
De periodieke toetsing van de
verlenging van de voorlopige
hechtenis is een goede zaak. Deze
spreekt ons aan. Wij zijn blij dat de
minister hier grote waarde aan
hecht. Het blijft gelukkig zo.
Wat betreft de schorsing van het
onderzoek ter rechtzetting constate-
ren wij dat dit een paar maanden in
beslag kan nemen. Op zich is dat
natuurlijk een gebruikelijk patroon in
sommige gevallen waarnaar nader
onderzoek is verricht. Het verlengen
van de voorlopige hechtenis is in dat
verband ook legitiem. Onze fractie
wil echter graag dat op dat moment
ook een appe`lmogelijkheid inge-
bouwd wordt, zodat de betrokkene
een toetsing van de rechter kan
vragen op deze mogelijkheid.
De minister en ik hebben een
aantal keren schriftelijk gecommuni-
ceerd over de mogelijkheid tot het
claimen van een schadevergoeding
naar aanleiding van een onrechtma-
tige overschrijding van de termijn
van voorlopige hechtenis. De
minister erkent dat er wat dit betreft
een verschil is tussen de
ontvankelijkheidseisen van de Hoge
Raad en de wettelijke tekst. De
minister heeft mij schriftelijk te
kennen gegeven dat zij overweegt
om in dezen een tekstwijziging te
plegen. Mijn vraag aan haar is
waarom zij deze gelegenheid niet
heeft aangegrepen om deze wijziging
aan te brengen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="30-2329">
<spreker pagina="30-2329" anker="523" partij="CDA" naam="Soutendijk-van Appel- doorn">
 Mijnheer de voorzitter!
Fouten zijn inherent aan het
handelen van mensen. Dat weet
iedereen en daar heeft iedereen tot
op zekere hoogte ook begrip voor.
Met fouten in strafzaken ligt dat
anders. Die fouten schokken iedereen
omdat de uitkomst vaak hoogst onbevredigend is: de misdadiger
komt vrij en ontloopt soms zijn
gerechte straf. Daardoor zijn de
gevolgen voor de burger vaak
angstaanjagend. Het is dan ook voor
de hand liggend dat de wetgever, de
overheid, zich vervolgens bezint of er
verantwoorde maatregelen mogelijk
zijn om fouten te voorkomen en om
fouten te repareren. Gelet op de vele
malen dat de CDA-fractie heeft
aangedrongen op maatregelen om
niet bedoelde heenzendingen uit
voorlopige hechtenis te voorkomen,
ligt het voor de hand dat wij kunnen
instemmen met de verschillende
onderdelen die in het voorliggende
wetsvoorstel worden geregeld.
De argumenten waarom toch
wordt afgezien van voorstellen tot
vereenvoudiging van de verlengings-
procedure bij een bevel tot voorlo-
pige hechtenis in eerste aanleg, zijn
zodanig dat wij de afwijking van het
advies van de commissie-Moons
kunnen rechtvaardigen. Wij kunnen
dus instemmen met dit voorstel van
de minister. Vereenvoudiging
vergroot de kans dat de legitimiteit
van de voorlopige hechtenis ter
discussie komt te staan. Immers,
wanneer vereenvoudiging de kans
vergroot dat de legitimiteit van de
voorlopige hechtenis ter discussie
kan komen te staan en als de kans
op overschrijdingen van fatale
termijnen wordt vergroot in plaats
van verkleind, bereiken wij het
tegengestelde van wat wij willen.
Omdat deze bezwaren niet dan wel
in mindere mate opgaan voor de
verlengingsprocedure in hoger
beroep, volgt de minister daar
terecht wel het advies van de
commissie-Moons, in die zin dat zij
de procedure enerzijds vereenvou-
digt, hetgeen minder verlengings-
beslissingen nodig maakt, maar
anderzijds de termijn waarbinnen de
terechtzitting in hoger beroep moet
beginnen, bindt aan een termijn van
180 dagen. Wij vragen ons af of met
het stellen van zo’n op zich wel
begrijpelijke termijn de minister niet
onvermijdelijk weer een nieuw risico
cree¨ert waarmee het ongestoorde
procesverloop kan worden vertroe-
beld. Ze heeft een aantal veiligheids-
kleppen ingebouwd, maar de vraag
rijst toch of zij de mogelijkheden van
de rechtbanken niet overschat om
binnen de termijn van drie maanden
de appe`lvonnissen uit te werken. Uit
de stukken blijkt dat in meer dan
26% van de gedetineerdenzaken nog
altijd de termijn van drie maanden
wordt overschreden. In meer dan 8%
wordt zelfs de termijn van zes
maanden overschreden.
Lopen wij niet het risico dat als
gevolg van het strenge regime voor
gedetineerdenzaken de niet-
gedetineerdenzaken straks nog
langer blijven liggen? In 68% van
deze zaken wordt de termijn van drie
maanden overschreden en in 65%
van de zaken wordt zelfs de termijn
van zes maanden overschreden. Dat
zijn zorgwekkende cijfers. Ik sluit mij
aan bij de opmerkingen van de heer
Dittrich hierover. Ik ben benieuwd
naar zijn motie op dit punt. Ik voel
veel voor een dergelijke motie en
wellicht kan ik mij vinden in zijn
initiatief. Ook vraag ik mij af of de
minister niet de controlerende
mogelijkheden van de raadkamer
van het hof in dit verloop overschat.
Ik herhaal onze opvatting dat
vasthouden aan rechtsstatelijke
beginselen goed is, maar dat
daaraan wel een prijskaartje hangt.
Immers, er moeten voldoende
mensen zijn om het meerwerk dat
daarmee onvermijdelijk samenhangt,
te verrichten. Bij de huidige
toenemende complexiteit van
strafzaken en de grote aantallen
betwijfelen wij of er altijd wel een
correcte vertaling van deze conse-
quentie in formatie plaatsvindt. De
wet is betrekkelijk snel gewijzigd, het
erbij benodigde geld wordt meestal
niet geleverd of de werklastgevolgen
worden verkeerd ingeschat of
gebagatelliseerd.
Voorzitter! Mijn laatste en
hoofdopmerkingen over dit
wetsvoorstel wil ik wijden aan de bij
nota van wijziging alsnog geı¨ntrodu-
ceerde reparatiemogelijkheid bij de
bevelen tot voorlopige hechtenis. Het
is voor de samenleving moeilijk te
begrijpen dat pas wanneer zich zeer
schokkende incidenten voordoen,
zoals de heenzending van verdachten
van ernstige misdrijven in de
VSB-kluisjeskraak, verkrachtings-
zaken en de brandstichting in het
ressort Arnhem, ministers ertoe
komen om de regels beter te doen
aansluiten op de praktijk. Het was
dan ook in onze ogen betreurens-
waardig dat ook deze minister haar
aanvankelijke negatieve oordeel pas
na verschillende incidenten wilde
herzien. Echter, gedane zaken nemen
geen keer. Er ligt nu een regeling en
daar zijn wij blij mee.
Op grond van die regeling rijst bij
mijn fractie de vraag waarom de
reparatiemogelijkheid zo stringent
beperkt wordt tot misdrijven waarop
naar wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van acht jaar of
meer is gesteld; ik verwijs naar de
formulering van lid Ic van het nieuwe
artikel 65a. Met zorg zien wij het
risico van nieuwe schokkende fouten
op ons afkomen. Immers, een
verdachte van heling, toch een feit
dat de burgers en dus de rechtsorde
ernstig bedreigt, valt er niet onder,
evenmin als herhaalde diefstallen. Zo
zijn er meer voorbeelden te geven.
Dat niet ieder delict waarvoor een
verdachte voor in voorlopige
hechtenis zit, de reparatievordering
van het OM toewijsbaar maakt,
begrijp ik. Echter, dat de grens alleen
kan liggen bij zaken waar acht jaar of
meer op staat, begrijp ik niet. De
verwijzing naar de reeds geı¨ntrodu-
ceerde reparatiemogelijkheid bij
nietigheid van de dagvaarding
overtuigt ons niet. Verwijzing had
immers ook gekund naar andere
plaatsen in Wetboek van Strafvorde-
ring, zoals artikel 255, lid 4, zoals
advocaat-generaal Van Dorst doet.
De vraag rijst waarom de weging
van het belang van de rechtsorde,
het verzuim van het OM en het
belang van de verdachte zo strikt in
de wet moeten worden neergelegd
en niet, zoals in artikel 255, vierde
lid, in handen worden gelegd van de
rechter. Waarom bijvoorbeeld geen
inhoudelijk, materieel criterium zoals
in het genoemde vierde lid van
artikel 255 van het Wetboek van
Strafrecht of, beter nog, het derde lid
van artikel 417a van het nieuwe
Wetboek van Strafvordering van de
Nederlandse Antillen en Aruba,
waarin is bepaald dat de termijn van
verzuim niet kan worden hersteld,
tenzij de rechtsorde door de
invrijheidstelling van de verdachte
zodanig ernstig zou worden geschokt
dat het algemene belang voortzetting
van de vrijheidsbeneming bepaalde-
lijk vordert. Dit criterium maakt net
als het nu in de wet neergelegde
achtjarencriterium duidelijk dat het
bij de toewijzing van een reparatie-
vordering moet gaan om feiten die
zo ernstig zijn dat vrijlating de
rechtsorde ernstig zou schokken,
maar het laat tevens ruimte om het
ook op andere gronden dan een
wettelijk gestelde strafmaat van acht
jaar aan te nemen. 

</spreker>
<spreker pagina="30-2330" anker="524" partij="D66" naam="Dittrich">
 Voorzitter!
Een vraag naar aanleiding van het
amendement op dit punt. Is dit niet
een beetje vaag? Zo wordt het toch
weer aan de individuele rechter
overgelaten om te bepalen of het
algemeen belang voortzetting
bepaaldelijk vordert. Bij het
achtjarencriterium heb je in elk geval
houvast aan de delicts-
omschrijvingen waar acht jaar of
meer op staat.</spreker>
<spreker pagina="30-2331" anker="525" partij="CDA" naam="Soutendijk-van Appel- doorn">
 Dat is ook meteen het
nadeel van dat criterium, want er zijn
schokkende delicten waarop geen
acht jaar staat, zoals aanranding of
helingzaken. Het is daarbij evenzeer
schokkend als de verdachte op vrije
voeten moet worden gesteld omdat
daardoor bijvoorbeeld de rechtszaak
niet kan worden afgerond doordat de
verdachte het land verlaat of
bewijsstukken verduistert. In dat
soort zaken is een reparatie-
mogelijkheid evenzeer het overwe-
gen waard. Het is de overtuiging van
mijn fractie dat het in zo’n complexe
materie beter is die mogelijkheid in
handen van de rechter te geven dan
het zo stringente criterium van acht
jaar te hanteren. Het is ook geen
onlogische systematiek, want ons
Wetboek van Strafvordering kent dit
systeem, terwijl het ook in het
nieuwe Antilliaanse en Arubaanse
wetboek geı¨ntroduceerd zal worden.
Onze voorkeur gaat dus uit naar een
materieel criterium, opdat dit soort
fatale fouten niet meer behoeven te
worden gemaakt, omdat er voor de
rechter dan wat meer ruimte is om
alle belangen af te wegen. De
CDA-fractie stelt dan ook voor artikel
1c zo te amenderen dat het formele
criterium wordt vervangen door het
criterium dat ik zojuist aangaf. Dit
amendement is ingediend op stuk nr.
15.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="30-2331">
<spreker pagina="30-2331" anker="526" partij="PvdA" naam="Kalsbeek-Jasperse">
 Voorzitter! Ik kan het
inderdaad kort houden, al is twee
minuten misschien iets te optimis-
tisch.
Het wetsvoorstel heeft een lange
voorgeschiedenis; het komt voort uit
de commissie-Moons. Wij waren het
er zozeer mee eens dat wij in eerste
instantie zelfs een blanco verslag
hadden ingediend. Andere fracties
hadden op dat moment eigenlijk ook
niet veel opmerkingen, maar zij
hebben het verslag wel aangegrepen
om een aantal andere punten aan de
orde te stellen, wat natuurlijk hun
goed recht was. Tussendoor hebben
wij wel een bijdrage geleverd toen
de Edese pyromaan door een fout
van het OM met de termijnen op
vrije voeten kwam. Wij hebben er
toen op aangedrongen dat ervoor
gezorgd zou worden dat zulke fouten
hersteld zouden kunnen worden.
Daarop is prompt een nota van
wijziging gevolgd, waarvoor dank.
Daarbij is aangegeven dat dit type
verzuim altijd hersteld zou mogen
worden – mevrouw Soutendijk sprak
hier ook over – als het gaat om
delicten waarop meer dan acht jaar
staat. Zij geeft er een alternatief voor
aan waar ik voorlopig nog niet voor
ben, omdat ik het iets te vaag vind
en omdat ik vind dat het iets te
weinig rechtszekerheid aan de
verdachte biedt, die tenslotte
onschuldig is tot het tegendeel
bewezen is.
Maar ik vind wel dat er bij die
strafmaxima nog iets anders aan de
hand is. De heer Dittrich sprak er met
een omweg over. De strafmaxima die
nu in de wetgeving staan, zijn nogal
willekeurig. Ze zijn veelal verklaar-
baar uit de historie, maar ze hebben
weinig meer te maken met de mate
waarin wij bepaald gedrag afkeu-
renswaardig vinden, terwijl dat toch
is wat wij met strafmaxima tot
uitdrukking pogen te brengen. Je ziet
dit werkelijk op elk onderdeel. Ik heb
me pas nog weer eens verdiept in
alles wat te maken heeft met
kinderporno en zedelijkheids-
wetgeving; ook daarbij zie je
onbegrijpelijke discrepanties tussen
de strafmaxima. Ik vraag het kabinet
of het niet goed zou zijn de
strafmaxima eens in kaart te brengen
en daarbij aan te geven waar ze
bijgesteld zouden moeten worden,
teneinde de relatieve zwaarte van
delicten ten opzichte van elkaar eens
opnieuw te wegen. Een nieuw
tijdsgewricht geeft andere beoorde-
lingen, denk ik. Zo nodig kan de
Kamer daar een uitspraak over doen. 

</spreker>
<spreker pagina="30-2331" anker="527" partij="D66" naam="Dittrich">
 Ik vind het
een heel goed voorstel, vooral omdat
ik bij de behandeling van de
begroting van Justitie hetzelfde heb
gedaan.</spreker>
<spreker pagina="30-2331" anker="528" partij="PvdA" naam="Kalsbeek-Jasperse">
 Is dat zo? 

</spreker>
<spreker pagina="30-2331" anker="529" partij="D66" naam="Dittrich">
 Ja, ik heb
dat gedaan. Verschillende departe-
menten komen met wetgeving. Op
een gegeven moment heb je dan niet
meer het overzicht. Een nieuwe tijd
vraagt inderdaad een nieuwe
beoordeling van de strafmaxima. Ik
ben dus blij dat mevrouw Kalsbeek
zich erbij aansluit.</spreker>
<spreker pagina="30-2331" anker="530" partij="PvdA" naam="Kalsbeek-Jasperse">
 Het spijt mij. Het is mij echt
ontgaan. Tijdens een debat van
anderhalve dag gebeurt het wel eens
dat je even niet oplet. Dat spijt mij
zeer. Ere aan u dus. Wij zijn het zeer
eens. Het is vreugdevol om dat vast
te stellen.</spreker>
<spreker pagina="30-2331" anker="531" partij="CDA" naam="Soutendijk-van Appel- doorn">
 Ik sluit mij in die zin bij
het initiatief aan dat ook ik graag
zo’n overzicht wil hebben. Ik vraag
mij wel af wat de consequentie van
uw constatering is voor de tussenlig-
gende tijd. Houdt u het dan bij het
achtjarencriterium, dat in de wet is
neergelegd en waarvan u zelf
constateert dat die strafmaxima zeer
willekeurig uitwerken? Of bent u
bereid voor de tussenliggende tijd
een andere oplossing te overwegen?</spreker>
<spreker pagina="30-2331" anker="532" partij="PvdA" naam="Kalsbeek-Jasperse">
 Nee, eigenlijk niet. Ik erken
dat er een probleem kan liggen. Het
hoeft niet. Wij hebben aangedrongen
op een evaluatie, juist op het punt
van het achtjarencriterium. Ik geloof
niet dat je nu, omdat je een
probleem geconstateerd hebt, niet na
hoeft te denken over de beste
oplossing. Ik ben er dus voorstander
van wel goed na te denken over de
beste oplossing. Het ligt echt breder.
Als je de strafmaxima geı¨nventari-
seerd hebt en als het ware herijkt
hebt, moet je vervolgens nadenken
over de grens die gesteld wordt voor
alle dwangmiddelen. Is die nog
accuraat, moet die bijgesteld worden
of moet die gedifferentieerd worden?
Afijn, hierbij is een wat grondiger
bezinning op ons strafvorderlijk
systeem nodig.
Toen de nota van wijziging naar de
Kamer is gegaan, hebben wij vrij kort
daarna het verslag ingediend. Op het
moment dat het verslag ingediend
moest zijn, kwamen de Nederlandse
orde van advocaten en de NVVR met
hun commentaar. Zij bleken het niet
eens te zijn met de nota van
wijziging. Ik zal daar enkele woorden
aan wijden, omdat ik enigszins
verbaasd was over hun reactie. De kern van hun redenering is: hoe kan
een termijn voor voorlopige
hechtenis verlengd worden die al
verlopen is? Je kunt toch geen
voorlopige hechtenis verlengen die
formeel niet eens meer bestaat? Dat
is een redenering die sluit als een
bus, maar die tegelijkertijd geken-
merkt wordt door uitsluitend
theoretische relevantie. Je kunt
namelijk ook zeggen dat er een fout
is gemaakt die door niemand is
opgemerkt. Zodra de fout wel wordt
opgemerkt, meestal door de
verdediging, begint de termijn te
lopen waarbinnen de fout hersteld
moet worden. Dus, ook de tijd
voordat de fout werd opgemerkt, zat
iemand zonder formele grond vast.
Die termijn bestond de facto al wel,
maar formeel niet. Aan het formele
bezwaar van de Nederlandse orde
van advocaten en anderen wordt
overigens in die zin tegemoet-
gekomen, dat er gesteld wordt dat
de grond voor het niet onmiddellijk
in vrijheid stellen van de verdachte
na de ontdekking van het verzuim is
gelegen in de aangekondigde
voorgeleiding voor de rechtbank. Ik
wilde hiervan even akte laten maken,
omdat aan te geven dat wij ons
rekenschap hebben gegeven van die
bezwaren.
Voor de zekerheid zal ik een paar
dingen vaststellen die niet stonden in
de toelichting bij het wetsvoorstel
zelf. De voorlopige hechtenis zonder
verlenging, dus de voorlopige
hechtenis die formeel niet bestaan
heeft, maar de facto wel geleid heeft
tot de hechtenis van de verdachte,
telt die wel mee bij de aftrek van het
voorarrest? Dat lijkt mij wel het geval
te zijn, maar wij hebben het niet
expliciet geregeld. Daarom vraag ik
er nog even naar. Hetzelfde geldt
natuurlijk voor het doortellen van die
dagen bij het toekennen van een
schadevergoeding.
Dan over de telecommunicatie-
apparatuur voor het verhoor. Dat is
de beeldtelefoon. De heer Dittrich
toonde zich er erg enthousiast over.
Ik ben er altijd een sterk voorstander
van niet alleen prioriteiten te stellen,
maar ook posterioriteiten. Dit valt bij
mij meer onder de posterioriteiten. Ik
was er niet zo enthousiast over. Het
is waar dat men inderdaad degene
kan zien met wie men spreekt. Maar
die moet dan wel recht in de camera
kijken. Daar bleek het bepaald aan te
mankeren. Men zat namelijk te
schrijven. Meestentijds was alleen de
bovenkant van het hoofd zichtbaar!
De bijdrage daarvan vond ik
buitengewoon gering. De redenering
is dat je als je iemand ziet, beter kunt
beoordelen of hij de waarheid
spreekt. Ten eerste was het beeld
daar veel te vaag voor. Ten tweede
valt er weinig uit op te maken als
men slechts de haren of het kale
hoofd naar de camera keert. Althans,
ik zou dat niet kunnen. 

</spreker>
<spreker pagina="30-2332" anker="533" partij="D66" naam="Dittrich">
 Het verschil
was dat degenen die wij zagen, geen
verdachten waren. Daar gebruiken ze
de apparatuur niet voor. Het was een
politieman, die op straat iemand had
opgepakt en die aan de officier
moest vertellen onder welke
omstandigheden dat was gebeurd.
Daarom vroeg ik de minister naar de
relatie tussen het openbaar
ministerie en de politie. Ik stel dus
niet voor die apparatuur nu te gaan
gebruiken voor het verhoren van
verdachten.</spreker>
<spreker pagina="30-2332" anker="534" partij="PvdA" naam="Kalsbeek-Jasperse">
 Ik ook niet. Maar ter plekke
gevraagd naar de argumentatie
waarom men dat zo deed, was het
antwoord dat dit zo gebeurde om
beter te kunnen beoordelen of de
politieambtenaar de waarheid sprak.
Kennelijk bestond daarover wel eens
twijfel en vond men het prettig om
elkaar te kunnen zien. Hier ging het
beoogde effect echter teloor
vanwege slechte kwaliteit van het
beeld en slecht gedrag voor de
camera. 

</spreker>
<spreker pagina="30-2332" anker="535" naam="De voorzitter">
 Het lijkt mij dat wij
dit debat tot een termijn kunnen
beperken. Zullen wij daarop mikken?
De minister mikt daarop!
</spreker>
</blok>
<blok pagina="30-2332">

 
<spreker pagina="30-2332" anker="536" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 Voorzitter! Ik
ben het geheel eens met de heer
Dittrich dat voorlopige hechtenis een
ingrijpend dwangmiddel is. Dat
moeten wij ons altijd voor ogen
blijven houden als wij praten over
voorlopige hechtenis en de
formaliteiten en gronden die daarbij
noodzakelijk zijn. Wij moeten
daarover niet al te gemakkelijk
denken.
In het beeld van het publiek is de
voorlopige hechtenis gewoon een
soort straf. Dat is het echter niet. Het
is een vrijheidsbeneming die op
bepaalde zeer omschreven gronden
mag plaatsvinden. Die gronden
hangen in de eerste plaats af van de
aard van het delict. Hoe hoog is de
straf die erop gesteld is? Verder is
daarbij van belang of de rechtsorde
geschokt is, of er onderzoek
noodzakelijk is, of er sprake is van
een recidivegrond. Kortom, u kent de
gronden die in het Wetboek van
Strafvordering zijn opgenomen.
Overigens bestaat bij ons ook het
systeem van de borgsom zoals dat in
de Verenigde Staten wordt gehan-
teerd. Het enthousiasme daarvoor is
echter buitengewoon gering. Dat
komt omdat mensen om een
bepaalde reden in preventieve
hechtenis moeten zitten, namelijk
vanwege onderzoek, vanwege
recidive. Dan moeten zij ook niet
vrijkomen. Dat systeem zou kunnen
worden toegepast als het om
mensen gaat waarvan je verwacht
dat zij als het onderzoek etc. klaar is,
niet meer op de zitting verschijnen.
Dan kun je een bepaalde vorm van
zekerheidstelling eisen. Het wordt
hier inderdaad weinig gebruikt.
Ik constateer dat er op grote lijnen
instemming bestaat met dit
wetsvoorstel. Daar ben ik blij mee,
omdat wij hiermee een stap kunnen
zetten op het gebied van stro-
omlijning van voorlopige hechtenis.
Het wetsvoorstel heeft inderdaad
geleid tot een flink aantal aanver-
wante opmerkingen. Dat kan ik mij
voorstellen omdat de procedure van
voorlopige hechtenis en verlenging
vastzit aan een heleboel praktische
regelingen, bijvoorbeeld werkwijzen
van rechtbanken, parketpolitie, etc.,
hoewel de opmerkingen over het
wetsvoorstel zelf uiteindelijk
bepalend moeten zijn voor het al of
niet aannemen daarvan.
Wat mij wel aanspreekt maar
waarvan de uitwerking een heleboel
werk meebrengt, is de vraag die de
heer Dittrich inderdaad bij de
begrotingsbehandeling heeft gesteld
over de strafmaxima. Ik heb daarop
toen iets terughoudend gereageerd.
Wanneer je dit alleen doet voor het
strafrecht, is het wel te overzien. Wil
je echter alle bijzondere wetten
daarbij betrekken, dan wordt het een
hele klus. Bovendien is het alleen
interessant wanneer je daar de vraag
tegenover plaatst wat de rechter doet
met die strafmaxima. Wat legt hij
gemiddeld op? Dat is interessant om
te weten. Op vernieling van
kunstwerken bijvoorbeeld – artikel
350 Wetboek van Strafrecht – staat
een maximum van twee jaar. Een
paar keer zijn mensen veroordeeld
voor vernieling van kunstwerken. Is
daarbij die straf van twee jaar
gehaald of niet? Met andere woorden: is dat strafmaximum te
laag? Het is interessant dit punt
daarbij te betrekken.
Ik denk inderdaad dat zo’n
inventarisatie stapsgewijs gedaan
moet worden. De heer Dittrich stelt
voor eerst het Wetboek van
Strafrecht te nemen en te bekijken
wat daar mogelijk is en misschien de
Opiumwet daarbij te betrekken
omdat die daarmee zeer annex is.
Dat kan bekeken worden. Daaraan
kan natuurlijk een beschouwing
worden gewijd.
Daarnaast zou je de wetgeving
kunnen bekijken van bijzondere
wetten die vaak worden gebruikt. Ik
denk in dit verband aan milieu-
wetgeving of iets dergelijks. Op die
manier kan het in fasen worden
opgebouwd, anders voorzie ik een
oeverloos project. Ik wil bekijken op
welke wijze wij dat het handigst
kunnen doen. 

</spreker>
<spreker pagina="30-2333" anker="537" partij="D66" naam="Dittrich">
 Ik ben het
met de minister eens dat dit
stapsgewijs moet gebeuren, anders
wordt het misschien een mer a` boire.
Ik ben het echter niet met de
minister eens dat dan ook bekeken
moet worden wat de rechters met
een strafmaximum doen en welke
gemiddelde straf zij opleggen. Ik
meen wel dat wij dan onszelf tekort
zouden doen. De wetgever behoort
namelijk het maximum van de straf
vast te stellen. Dat doen wij onder
andere aan de hand van de vraag
hoe ernstig de rechtsorde is
verstoord en op welke manier een
bepaald delict beoordeeld moet
worden. Vervolgens is het aan de
rechter om individuele omstandighe-
den in aanmerking te nemen en om
tot een uitspraak te komen. Ik vind
dat een notitie of voorstel de Kamer
kan worden aangeboden, zonder dat
ons wordt meegedeeld wat de
rechters daarmee in de praktijk doen.
Het gaat namelijk meer om onze
afweging als wetgever en onze kijk
op de samenleving. 

</spreker>
<spreker pagina="30-2333" anker="538" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 Dat is
natuurlijk waar, voorzitter. Tegelijk
ben ik van mening dat de rechter
met zijn strafoplegging ook aangeeft
wat voor de samenleving de ernst
van de feiten is. In die zin vind ik het
oordeel van de rechter relevant. Wij
kunnen wel zeggen dat voor een
bepaald delict een flink hogere
strafmaat moet gelden, maar de
rechter kan met zijn beoordeling nog
steeds op een laag niveau bij de
straftoemeting zitten. Daarom vind ik
dat bij zo’n onderzoek, dat toch een
enigszins wetenschappelijk karakter
heeft, deze gang van zaken erbij
hoort. Maar ja, misschien vindt u dit
toch niet nodig... 

</spreker>
<spreker pagina="30-2333" anker="539" partij="D66" naam="Dittrich">
 Ik heb er
geen bezwaar tegen. Ik wijs er echter
op dat u nu spreekt over strafmaat-
verhoging. Er kan ook sprake zijn van
strafmaatverlaging. Daarbij denk ik
aan de weigering van het vervullen
van de dienstplicht. Daarover hebben
wij al vaker gesproken. 

</spreker>
<spreker pagina="30-2333" anker="540" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 Daarover staat
helemaal niets meer in de wet. 

</spreker>
<spreker pagina="30-2333" anker="541" partij="D66" naam="Dittrich">
 In het
militaire strafrecht wordt nog steeds
gesproken over de strafmaat van
zeven maanden. Ik kan mij voorstel- len dat de wetgever nu gaat zeggen:
gelet op de gewijzigde omstandighe-
den geldt voor deze weigering geen
gevangenisstraf meer. 

</spreker>
<spreker pagina="30-2333" anker="542" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 Oke, dit is dan
een enkel voorbeeld, maar ik vrees
dat een dergelijke exercitie alleen
maar zal leiden tot verhoging van de
strafmaat en daarom wil ik in dezen
een beetje voorzichtig zijn.</spreker>
<spreker pagina="30-2333" anker="543" partij="PvdA" naam="Kalsbeek-Jasperse">
 Daarmee ben ik het op
zichzelf eens. Echter, het gaat niet
alleen om het oordeel van de rechter.
Mijn vraag hield met name verband
met de mogelijkheid om dwangmid-
delen te mogen opleggen en om
straks bijzondere opsporings-
bevoegdheden te mogen inzetten.
Heel vaak gebeurt dat aan de hand
van de geldende strafmaxima voor
een bepaald delict. Op die manier
beoogt men uitdrukking te geven aan
de laakbaarheid van een delict en
aan de mate waarin dat maatschap-
pelijk onaanvaardbaar wordt geacht.
Hierbij doet zich dan de discrepantie
voor. Het gaat mij dus niet eens
zozeer om de daadwerkelijk
opgelegde sanctie, hoewel die niet
onbelangrijk is. Het gaat mij erom
dat het opleggen van dwangmidde-
len en het krijgen van opsporings-
bevoegdheden ermee verband
houden. Daarom is het des te meer
nodig dit aspect nog een keer te
onderzoeken. 

</spreker>
<spreker pagina="30-2333" anker="544" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 Wat mevrouw
Kalsbeek zegt, is waar, voorzitter.
Vervolgens kun je nog keurig
discussie¨ren over de vraag of niet
vanwege de aard van een bepaald
delict sprake moet zijn van voorlo-
pige hechtenis dan wel van
verandering van de strafmaat.
Daarover komen wij echter nog wel
te spreken. 

</spreker>
<spreker pagina="30-2333" anker="545" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Voorzitter! Met het oog op de
zorgvuldigheid van deze operatie is
naar mijn opvatting duidelijkheid
over de positie van de rechter van
groot belang, ook in maatschappelijk
opzicht. De wetgever kan de zaak
weliswaar apart bekijken, maar voor
het bereiken van evenwicht lijkt het
mij goed te weten wat de rechter in
de praktijk zal doen. Op dit punt
verschillen wij dus niet van mening met de minister. Mijn vraag is wel:
zal het betrekken van de rechter bij
deze procedure een vertragende
factor zijn of is het vrij gemakkelijk
zijn inbreng te gebruiken bij het
schetsen van het totale beeld van
deze kwestie? 

</spreker>
<spreker pagina="30-2333" anker="546" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 Voorzitter! Ik
wilde de rechters erbij betrekken,
omdat de rechterlijke macht bezig is
met het inventariseren welke straffen
voor verschillende delicten worden
opgelegd. Er is dus al sprake van een
proces. Dit element kun je ook in
aanmerking nemen. Natuurlijk geldt
het gestelde niet voor alle delicten.
Bij moord is de situatie anders dan
bij inbraken, omdat dat gewoon
meer voorkomt. Echter, allerlei
gegevens zijn van belang om het
beeld compleet te krijgen. Dus wat ik
uiteindelijk aan gegevens heb, zal ik
bij het geheel voegen.
Voorzitter! De heer Dittrich heeft
een opmerking gemaakt over de
vertraging bij de afhandeling van
hogerberoepszaken. Op dit punt deel
ik zijn zorg. Ik maak mij hierover
overigens allang zorgen. Het betreft
hier een taaie materie. Wel kan
geconstateerd worden dat in de loop
van de tijd de gemiddelde duur
voordat een zaak in hoger beroep
aan de orde komt, is teruggebracht.
Dit neemt niet weg dat de gemid-
delde duur nog steeds ongeveer zes
maanden is. Dat heeft alles te maken
met de werkwijze van de rechtbank.
Er treedt een merkwaardige paradox
op. Bij grote, complexe zaken is men
vaak eerder klaar met de uitwerking
van het proces-verbaal van de
terechtzitting en het vonnis dan bij
de wat minder belangrijke zaken,
althans bij zaken die op het eerste
gezicht minder belangrijk zijn. Dat
komt doordat men bij dat soort
zaken al van tevoren weet dat er
hoger beroep wordt ingesteld en dus
wordt dan al meteen begonnen met
bijvoorbeeld het vonnis op schrift
helemaal uit te werken. De rechtban-
ken die elk vonnis en elk proces-
verbaal van de terechtzitting gewoon
ru¨cksichtslos uitwerken, hebben
uiteindelijk minder achterstand dan
wanneer men die uitwerking alleen
maar beperkt tot zaken waarbij hoger
beroep zal worden ingesteld. Hoe
sneller men dus voor die uitwerking
zorgt, hoe gemakkelijker het zal zijn
alles op papier te krijgen. Dat zijn
zaken waarover wij praten met de
rechtbanken. Het gaat dus niet zozeer
om alleen meer mensen als wel ook
om het veranderen van de werkwijze
en de instelling. Zoals in de stukken
staat, zijn er onlangs middelen en
mensen naar de rechtbanken
toegevloeid. Wij proberen het op peil
te brengen, maar wij vragen ook van
de rechtbanken om een zo doelmatig
en efficie¨nt mogelijke werkwijze in te
voeren. Nogmaals, ik vind het nog
steeds een punt dat aandacht
verdient. Ik vind dat ik ervoor moet
zorgen – dat geldt ook de rechtban-
ken zelf, want ik heb er niet alles
over te zeggen – dat men zich aan de
termijnen houdt. Het mag niet zo zijn
dat men eindeloos in voorlopige
hechtenis zit, omdat men maanden-
lang moet wachten totdat de zaak
eindelijk rijp is voor de zitting. Dus
wat dat betreft vind ik dat er best
een slotje op mag staan.
Ik heb uit de krant opgemaakt dat
de heer Dittrich naar New York is
geweest en dat hij daar onder andere
een bezoek heeft gebracht aan het
nightcourt. Ik heb zo’n nightcourt ook
wel eens gezien. Ik ben er niet zo
razend enthousiast over als het gaat
om zorgvuldigheid in rechtspleging.
Men wordt daar onmiddellijk
voorgeleid voor de rechter, maar bij
de vraag wat de toetsing in feite
inhoudt, kun je er in vergelijking met
ons recht wel een vraagteken bij
plaatsen.
Het telehoren is iets wat in
ontwikkeling is. Hetgeen wij op dit
terrein tot nu toe hebben gedaan in
Nederland, heeft niet geleid tot een
enorm enthousiasme onder de
deelnemers. Het heeft zijn beperkin-
gen. Je kunt het alleen doen bij min
of meer formele verhoren van
verdachten. Zodra het over de zaak
zelf gaat, moet je de mensen toch
fysiek tegenover je hebben. Het kan
best een functie hebben wanneer je
kleine kinderen hoort, maar dan is
het niet zozeer telehoren als wel het
gebruik maken van technieken, te
weten een videosysteem, waardoor
je toch een beeld bij de rechtbank
kunt presenteren. Dus het kan wel,
maar wij moeten er wel voorzichtig
mee zijn. Als je een keer een beeld
ziet van politiemensen, kan dat best
handig zijn, maar dat heeft wel te
maken met de manier waarop men
in Amerika direct voor de rechter
wordt geleid. Bij ons heb je wat
meer tijd en kun je een politieman
als getuige oproepen. De vraag is
hoe je gaat omschakelen van fysieke
aanwezigheid naar digitale aanwezig-
heid. Aan de ene kant moeten wij
wellicht wennen aan dit soort
technieken, aan de andere kant
moeten wij ook niet al te veel
prijsgeven waar het het fysieke
contact betreft tussen de rechter en
degenen die bij het proces betrokken
zijn. Mijn conclusie is dat het
overigens wel een voortdurende
studie waard is om te kijken wat je
met dit soort technieken kunt doen,
zonder aan de waarde van
waarheidsvinding en dergelijke
afbreuk te doen. Het is een beetje
een afweging. Als een gedetineerde
gehoord moet worden ter verlenging
van de voorlopige hechtenis en deze
zelf te kennen geeft mee te willen
werken via telehoren, dan kan dat.
Echter, als dat heel weinig voorkomt,
is het natuurlijk weer een gigantische
investering. En de vraag is of dat dan
moet. Dat is op het ogenblik mijn mening erover: een beetje terughou-
dend, maar niet afwijzend.
De heer Dittrich heeft gesproken
over de reikwijdte van artikel 75, lid
2. Wij hebben de Friese zaak ook aan
de orde gehad bij de begrotings-
behandeling. Ik kan mij goed
voorstellen dat het als buitengewoon
onbevredigend wordt ervaren dat
iemand die in het stadium van
voorlopige hechtenis is vrijgelaten
omdat de rechter – het maakt in
dezen niet uit of het een alleen-
sprekende rechter is of een
raadkamer van drie – vond dat er
onvoldoende gronden waren om
hem nog vast te houden, waarna die
verdachte in een later stadium door
de rechtbank alsnog veroordeeld
wordt. Ik vind wel dat je met zo’n
laatste zin in de toelichting van het
amendement van de heer Dittrich, te
weten ’’Een dergelijke situatie is voor
nabestaanden onbegrijpelijk’’, altijd
een beetje moet oppassen. Nabe-
staanden zijn natuurlijk altijd heel
emotioneel bij een zaak betrokken.
Het gaat mij erom of het maatschap-
pelijk aanvaardbaar en begrijpelijk is
dat iemand die zoiets op zijn
geweten heeft en in twee instanties
is veroordeeld, nog vrij rondloopt.
Het gaat dan niet zozeer om de vraag
of de desbetreffende persoon op dat
moment recidivegevaarlijk is of dat
de rechtsorde geschokt is. Wanneer
je dergelijke straffen oplegt, blijkt
duidelijk het element van geschokte
rechtsorde te gelden.
Ik wil deze regeling verbreden en
niet beperken tot alleen de nabe-
staanden. Wij moeten voorkomen
dat er een strafvordering tot stand
komt die alleen op nabestaanden of
slachtoffers is afgestemd, want dat
levert een te directe emotionele
relatie op. Ik ben het ermee eens dat
na veroordeling in feitelijke aanleg
gevangenneming mogelijk moet zijn.
Het enige potentie¨le verschil van
mening tussen de heer Dittrich en
mij is dat ik nog steeds vind dat dit
op grond van de huidige wetgeving
mogelijk is. In de praktijk wordt hier
echter zeer verschillend mee
omgegaan. Vaak is men zeer
terughoudend op dit punt. Daarop
gelet, is het misschien ook wel goed
om in dit wet te regelen. Dan is het
in ieder geval duidelijker. Het past
niet in het systeem, maar het blijkt
zeer moeilijk te zijn om terzake tot
een uitspraak te komen. Wij hebben
gevraagd om na te gaan of het
mogelijk is zo’n zaak tot aan de Hoge
Raad door te procederen, maar dat
schijnt buitengewoon lastig te zijn. Ik
heb in principe geen bezwaar tegen
aanneming van het amendement van
de heer Dittrich.
De heer Rabbae heeft goed
aangeven wat de kern is van het
probleem van de overschrijding van
de termijn. Er worden fouten
gemaakt door het OM. Je kunt wel
zeggen dat dit niet hoort te
gebeuren, maar, zoals overal waar
mensen werken, op een gegeven
moment gaat er wel eens iets mis.
Natuurlijk gebeurt dit altijd in een
zaak waarin wij dat absoluut niet
kunnen gebruiken. De vraag is of het
gevolg van zo’n fout maatschappelijk
aanvaardbaar is. Aanvankelijk was ik
van mening dat wij er maar voor
moeten zorgen dat het goed
geregeld is en dat dit soort fouten
niet gemaakt worden. Als het dan
eventueel toch zou voorkomen,
zouden wij de gevolgen ervan ook
maar moeten dragen. Gelet op de
gevolgen in de praktijk, ben ik echter
tot de conclusie gekomen dat dit
maatschappelijk niet aanvaardbaar
is.
De heer Rabbae heeft in dit
verband terecht gewezen op artikel 5
EVRM. De bedoeling van de wet is
niet dat op een formele fout altijd
invrijheidstelling volgt. Er is
nagegaan of het mogelijk is om
binnen het systeem van de wet tot
reparatie over te gaan. Dit blijkt het
geval te zijn. Het is echter niet
mogelijk om een verlopen titel met
terugwerkende kracht in het leven te
roepen. De Nederlandse orde van
advocaten en de NVVR hebben daar
aandacht voor gevraagd. Dat zou ook
in strijd zijn met artikel 5 EVRM.
Daarop gelet, heb ik gekozen voor
het bevel gevangenneming. Op die
wijze wordt een nieuwe titel voor de
vrijheidsbeneming geschapen.
Mevrouw Kalsbeek heeft er terecht
op gewezen dat betrokkene binnen
24 uur aan de rechtbank moet
worden voorgeleid. Dat is de titel
van de vrijheidsbeneming op dat
moment.
Feit blijft echter dat iemand heeft
gezeten zonder titel. Dat wordt
hersteld op de door mij genoemde
manier. Natuurlijk telt die periode
mee voor de aftrek van voorlopige
hechtenis en voor een eventuele
schadevergoeding. 

</spreker>
<spreker pagina="30-2335" anker="547" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Voorzitter! De indruk wordt gewekt
dat de termijn van 24 uur direct na
de overschrijding ingaat. Ik neem
niet aan dat dit de bedoeling is.
Theoretisch is het echter mogelijk
dat iemand met een niet zo alerte
advocaat een maand ten onrechte
vastzit. Dan is het maar schijn dat de
termijn van 24 uur daar direct op
aansluit. Is zo’n constructie wel
verantwoord? 

</spreker>
<spreker pagina="30-2335" anker="548" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 Ik begrijp het
bezwaar van de heer Rabbae. Het
zou natuurlijk het mooiste zijn om
die 24 uur meteen in te laten gaan.
Dat biedt echter geen oplossing voor
het probleem. De 24 uur begint te
tellen op het moment waarop de
vordering is gedaan. Dat is nu
eenmaal zo. De heer Rabbae
verschilt daarover principieel met mij
van mening. Dat respecteer ik. Ik
vind alleen dat het maatschappelijk
belang in dit geval moet overheer-
sen. Daarover zullen wij van mening
blijven verschillen, denk ik.
Mevrouw Soutendijk heeft op dit
punt een amendement ingediend dat
ertoe strekt niet alleen die achtjaren-
grond als uitgangspunt te nemen,
maar voor een algemener uitgangs-
punt te kiezen. Naar mijn mening
moet er juist vanwege dat principie¨le
probleem een bepaalde grens
getrokken worden. Met die achtjaren-
grond wordt de zwaarte van het
delict aangegeven. Het is natuurlijk
buitengewoon vervelend als iemand
die een aantal inbraken heeft
gepleegd in vrijheid wordt gesteld,
maar er ontstaat niet meteen een
gevaarlijke situatie in die zin dat
mensen gevaar lopen. Het is ook niet
zo dat de rechtsorde daardoor
ernstig verstoord wordt. Wat de
strafmaat betreft, waar mevrouw
Kalsbeek en de heer Dittrich op
wezen, vind ik dat wij moeten
afwachten hoe een en ander loopt. In
ieder geval moeten de grenzen vrij
scherp gesteld worden, ook vanwege
de principie¨le aspecten die aan deze
reparatiemogelijkheid verbonden
zijn.
De heer Rabbae heeft gesproken
over de schorsing van het onderzoek
ter terechtzitting. Dat kan inderdaad
maanden duren. Er zijn verschillende
mogelijkheden van schorsing. Bij de
pro-formazitting kan het een tot drie
maanden duren. Dat is een lange
periode. Ik teken daarbij aan dat de
verdachte natuurlijk altijd een
verzoek tot opheffing van de
voorlopige hechtenis kan indienen.
Er is dus al een rechtsmiddel en ik
vind niet dat er sprake moet zijn van
de mogelijkheid van appe`l. Dan moet
iemand weer speciaal naar een
gerechtshof toe alleen vanwege de
vraag of de zitting terecht voor
zoveel maanden is geschorst. Het
lijkt mij niet goed om die mogelijk-
heid te cree¨ren nu de mogelijkheid
toch al bestaat om een verzoek te
doen tot opheffing van de voorlopige
hechtenis. Wanneer een rechtbank
een zaak een bepaalde tijd uitstelt, is
men ook niet in staat om die zitting
eerder te houden. Dus het appe`l lijkt
mij ook in praktische zin lastig.
Voorzitter! Dan kom ik bij het
verzoek tot schadevergoeding bij
voorlopige hechtenis, waarbij sprake
was van een termijnoverschrijding.
Die zaak speelde in Amsterdam en
de heer Rabbae heeft daarover
schriftelijke vragen gesteld. In dit
geval gaf de Hoge Raad een wat
zachter oordeel over de ontvankelijk-
heid van een dergelijk verzoek
wanneer de termijn is overschreden.
Daarmee is jurisprudentie ontstaan
en daarnaar kan verwezen worden.
Daarnaast blijft de in de wet
vastgestelde termijn met sanctie
gehandhaafd. Juist nu de Hoge Raad
een zekere verzachting heeft
aangebracht in gevallen waarin niet
zozeer sprake is van verwijtbare
schuld van verdachte, hoeft dat niet
nog eens in de wet vastgelegd te
worden. Ik denk dat jurisprudentie-
vorming op dit punt helemaal niet
verkeerd is. 

</spreker>
<spreker pagina="30-2335" anker="549" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">
 Wij
hebben zojuist besproken dat
betrokkene in sommige gevallen
onrechtmatig een periode wordt
vastgehouden. Nu bestaat de
mogelijkheid dat niet betrokkene,
maar zijn gemachtigde namens hem
of haar een verzoek indient voor
schadeloosstelling. Zou het niet goed
zijn, juist om een evenwicht in het
systeem te handhaven, om wettelijk
vast te leggen dat dit ontvankelijk
verklaard moet worden. Dit moet
mijns inziens niet alleen via
jurisprudentie te regelen zijn? Ik
neem aan dat de minister de
redelijkheid van zo’n argument ook
ziet. Dat heeft zij in ieder geval wel
schriftelijk zo doorgegeven. 

</spreker>
<spreker pagina="30-2335" anker="550" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 Ik zie de
redelijkheid daarvan wel in, zeker als
het gaat over gemachtigden. Dat zijn
advocaten en die weten precies wat
de termijnen zijn. Je kunt ook die
advocaat daarvoor verantwoordelijk
stellen. Wanneer een advocaat
daarin een fout maakt, komt de
beroepsaansprakelijkheid aan de
orde. Een veroordeelde kan de
advocaat daar altijd op aanspreken.
Het is dus niet altijd zo dat men
meteen alles kwijt is. Zeker nu de
Hoge Raad daar een kleine verzach-
ting in heeft aangebracht, lijkt het mij
heel goed mogelijk om dat even-
wicht te herstellen. Het lijkt mij niet
zinvol om dit zo te regelen in de wet.
De sanctie van niet ontvankelijkheid
is nu eenmaal opgenomen in de wet.
Die sanctie is bij jurisprudentie iets
verzacht. Ik vind dat een goed
systeem. 

</spreker>
<spreker pagina="30-2335" anker="551" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Voorzitter! Desnoods komt Groen-
Links zelf met een initiatiefwets-
voorstel op dit punt, nu de minister,
ondanks haar ontvankelijkheid voor
de door mij genoemde argumenten,
de wetstekst als het ware hiervoor
gesloten houdt. 

</spreker>
<spreker pagina="30-2335" anker="552" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 Dat zie ik dan
met belangstelling tegemoet.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="30-2336">

 
<spreker pagina="30-2336" anker="553" partij="D66" naam="Dittrich">
 Voorzitter! Ik
dank de minister voor haar beant-
woording. Ik volsta met het indienen
van twee moties. De eerste betreft de
behandeling in appe`l en de daarbij
optredende vertragingen als gevolg
van de te lange inzendtermijn.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende, dat er achterstanden
zijn op de strafgriffies in het
uitwerken van het proces-verbaal van
de strafzitting en het gewezen
vonnis;
constaterende, dat de inzendtermijn
van deze stukken voor
gedetineerden- en niet-
gedetineerdenzaken ruimschoots de
afgesproken termijn van drie
respectievelijk zes maanden
overschrijdt;
spreekt als haar mening uit dat het
voor een vlotte afhandeling van
strafzaken gewenst is dat de
inzendtermijn op zo kort mogelijke
termijn aanmerkelijk wordt terugge-
bracht,
en gaat over tot de orde van de dag. 

</spreker>
<spreker pagina="30-2336" anker="554" naam="De voorzitter">
 Deze motie is
voorgesteld door de leden Dittrich,
Kalsbeek-Jasperse, Soutendijk-van
Appeldoorn en Rabbae. Naar mij
blijkt, wordt zij voldoende onder-
steund.
Zij krijgt nr. 17 (24219). 

</spreker>
<spreker pagina="30-2336" anker="555" partij="D66" naam="Dittrich">
 De motie is
bedoeld als steun in de rug van de
minister in haar onderhandelingen
met onder andere de rechters. Wij
vinden dat de termijn te lang is en
teruggedrongen moet worden.
Voorzitter! Mijn tweede motie
betreft de strafmaxima. Ook ten
aanzien daarvan vinden wij het van
belang, ondanks dat de minister in
dit debat wat meer tegemoet-
gekomen is aan de wens uit de
Kamer, om een motie in te dienen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende, dat op strafbare feiten
strafmaxima zijn gesteld, die deels
historisch bepaald zijn, maar thans
op zichzelf en in hun onderlinge
verhouding niet meer tot uitdrukking
behoeven te brengen in welke mate
het strafbare feit maatschappelijk
onaanvaardbaar wordt geacht;
overwegende, dat er veel strafrechte-
lijke en strafvorderlijke consequen-
ties aan het in de wet opgenomen
strafmaximum zijn verbonden;
verzoekt de regering aan de Kamer
een inventarisatie toe te sturen,
waarin de strafmaxima – te beginnen
bij het Wetboek van Strafrecht – zijn
opgenomen en daarbij voorstellen te
doen met betrekking tot een
eventuele herijking van deze
strafmaxima,
en gaat over tot de orde van de dag. 

</spreker>
<spreker pagina="30-2336" anker="556" naam="De voorzitter">
 Deze motie is
voorgesteld door de leden Dittrich en
Kalsbeek-Jasperse. Naar mij blijkt,
wordt zij voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 18 (24219).
</spreker>
</blok>
<blok pagina="30-2336">

 
<spreker pagina="30-2336" anker="557" partij="GroenLinks" naam="Rabbae">

Voorzitter! Ik dank de minister voor
haar reactie op een aantal opmerkin-
gen mijnerzijds. Ik blijf met haar van
mening verschillen over de
reparatiemogelijkheid bij overschrij-
ding van de termijn terzake van de
voorlopige hechtenis. Ik merk dat ik
hierin alleen sta, dus het heeft geen
zin om een motie op dit punt in te
dienen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="30-2336">
<spreker pagina="30-2336" anker="558" partij="CDA" naam="Soutendijk-van Appel- doorn">
 Voorzitter! Ik dank de
minister voor haar antwoorden. Ik
maak nog een enkele opmerking
over het door mij ingediende
amendement. Ik heb dit ingediend
omdat wij in het verleden onze les
hebben geleerd ten aanzien van het
stellen van absolute grenzen. Ook in
dit debat is weer naar voren
gekomen hoe willekeurig de
wettelijke grenzen zijn getrokken
waarop bij voorlopige hechtenis en
andere dwangmiddelen in het
Wetboek voor Strafvordering wordt
aangesloten. Vandaar dat wij de
voorkeur hebben voor een andere
grens, die niet zomaar uit de lucht is
gegrepen. Wij hebben een verant-
woorde wegingsgrens gevonden
door aansluiting te zoeken bij het
Wetboek van Strafvordering voor de
Nederlandse Antillen en Aruba.
Overigens is het een criterium dat in
ons Wetboek van Strafvordering
voorkomt.
Als gezegd wordt dat het criterium
vaag is, moeten wij daarbij betrekken
dat het in dit soort gevallen gaat om
verdachten die al in voorlopige
hechtenis zitten. Dat zijn in de
Nederlandse systematiek niet alleen
verdachten die voldoen aan het
wettelijke criterium, maar die daarin
worden aangescherpt via de
zogenaamde A-, B- en C-categoriee¨n.
Er zijn dus al zwaarwegende gronden
aanwezig voor de voorlopige
hechtenis. Ik vind het ook beter als
de rechter de ernst en de oorzaak
van de fout van het openbaar
ministerie kan wegen bij zijn
beoordeling of de vordering van de
officier van justitie moet worden
toegewezen. Dat geldt ook voor de
schok voor de rechtsorde van het
betreffende delict en het belang van
de verdachte. Ik ben van mening dat
de rechter die weging kan maken. Hij
is daartoe beter in staat dan het
wettelijke criterium zoals in de wet is
voorgesteld.
Ik vrees dat het harde criterium
waar kennelijk een Kamer-
meerderheid voor is, toch weer tot
ongewenste en schokkende
heenzendingen zal leiden. Ik spreek
de wens uit dat ik met die verwach-
ting in het ongelijk word gesteld
voordat wij het wettelijk overzicht
van de strafmaten hebben bekeken
in de Kamer zoals wordt gevraagd in
de motie van de heer Dittrich. Zijn
amendement komt mij overigens
zeer sympathiek voor.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="30-2336">

 
<spreker pagina="30-2336" anker="559" soort="Minister" naam="Sorgdrager">
 Voorzitter! De
heer Dittrich heeft een motie
ingediend over het terugbrengen van
de inzendtermijn. Ik ervaar deze
motie als een steun. Ik zal haar
betrekken bij het overleg met de
rechtbanken over het verkorten van
de inzendtermijn.
Het klopt dat ik op de strafmaxima
in het begin terughoudend heb
gereageerd. De heer Dittrich heeft in
zijn motie geen termijn gesteld. Ik
hoop dat ik even tijd krijg voor die
inventarisatie. Het is een soort
herijkingsoperatie die zorgvuldigmoet worden uitgevoerd. Wij
beginnen met het Wetboek van
Strafrecht. Vervolgens zullen wij
bekijken wat daarbij betrokken kan
worden. Als de motie in die zin
uitgevoerd mag worden, heb ik
daartegen geen bezwaar.
De heer Rabbae blijft principieel
tegen de reparatiemogelijkheid. Ik
begrijp dat. Ik kan een heel eind met
hem meevoelen. Hij weet dat uit de
stukken en hetgeen ik zo-even heb
gezegd. Ik heb toch gekozen voor de
maatschappelijke component. Het is
voor mij een principie¨le afweging
geweest, omdat er maatschappelijke
onrust ontstaat wanneer iemand
door een vormfout in vrijheid moet
worden gesteld. De grens van acht
jaar heb ik als een extra slot op die
mogelijkheid ingevoerd. Dat is de
andere kant van de zaak.
Ik zeg dat ook in reactie op het
amendement van mevrouw
Soutendijk. Bij dat slot moet de
rechter kijken naar de ernst en de
oorzaak van de fout en naar de schok
voor de rechtsorde die deze fout
heeft opgeleverd. Die afweging blijft,
maar de termijn van acht jaar is een
extra slot. In die zin moet ik haar
amendement ontraden.
De algemene beraadslaging wordt
gesloten. 

</spreker>
<spreker pagina="30-2337" anker="560" naam="De voorzitter">
 Vanmiddag zal over
het wetsvoorstel worden gestemd.
De vergadering wordt enkele
ogenblikken geschorst. 

</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="30-2337">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Goedkeu-
ring van de op 4 november 1995
te Mauritius tot stand gekomen
Overeenkomst tot wijziging van
de Vierde ACS-EG-Overeenkomst
van Lome
 en het op 20 decem-
ber 1995 te Brussel tot stand
gekomen intern Akkoord
betreffende de financiering en
het beheer van de steun van de
Gemeenschap in het kader van
het Tweede Financieel Protocol
bij de Vierde ACS-EG-
Overeenkomst (25196).
De algemene beraadslaging wordt
geopend. 
<spreker pagina="30-2337" anker="561" naam="De voorzitter">
 Ik heb begrepen dat
er een notitie van de minister is
binnengekomen over de toekomst
van het Lome-verdrag op de wat
langere termijn. Het lijkt mij niet dat
die brief geı¨ntegreerd moet worden
in deze discussie, omdat wij daarmee
ook de reden om dit punt deze week
op de agenda te zetten, voorbij
zouden schieten. Het gaat vandaag
immers om de mening van de Kamer
over de houding van de Nederlandse
regering. Ik wil derhalve proberen,
ook vanwege de tijdnood op deze
dag, de discussie enigszins gestileerd
te laten plaatsvinden, zodat wij niet
meer tijd hieraan besteden dan
absoluut noodzakelijk is. Ik zeg dit
dus vooraf met het oog op de rest
van de agenda. Bij het vorige
onderwerp heb ik een dergelijke
opmerking halverwege de discussie
gemaakt, en dat werkt nooit goed.</spreker>
<blok pagina="30-2337">

 
<spreker pagina="30-2337" anker="562" partij="PvdA" naam="Verspaget">

Voorzitter! Ik zal proberen niet te
diep in te gaan op het stuk dat ik
gisteravond voor een deel en
vanmorgen geheel heb ontvangen.
Er worden echter wel onderwerpen
in die brief aangesneden, die
onvermijdelijk aan de orde moeten
komen in de discussie over het
voorliggende wetsvoorstel.
De goedkeuring van de wijziging
van de vierde Lome-overeenkomst is
voor enkele fracties in deze Kamer
aanleiding geweest om het debat te
openen over de inhoud van een
mogelijke vijfde Lome-overeenkomst
in het jaar 2000. De PvdA-fractie
heeft zich in het verslag beperkt tot
het voorliggende wetsvoorstel,
hoewel voor haar ook een stilzwij-
gende goedkeuring mogelijk was
geweest. Niettemin, een vroegtijdig
debat over de inzet van de regering
bij nieuwe onderhandelingen was
hoe dan ook noodzakelijk geweest,
maar had ook op een andere wijze
kunnen worden afgedwongen. De
PvdA-fractie stemt in met het
voorliggende wetsvoorstel, omdat
het a. een verbetering inhoudt van
de vierde overeenkomst en b. nog
maar een beperkte betekenis heeft in
de tijd. Het is beter om ons op de
toekomst te richten.
De regering heeft ons gisteravond
laat een brief gestuurd over haar
visie op de toekomstige betrekkingen
tussen de Europese Unie en de
ACS-landen. De Europese Commissie
heeft onlangs, na het groenboek,
haar eerste gedachten ontvouwd.
Gelukkig is er een maatschappelijk
debat op gang gekomen over het nut
en de noodzaak van een mogelijk
nieuw Lome-verdrag. Ik wil degenen
die dit onderwerp op de maatschap-
pelijke agenda hebben gezet
daarmee graag feliciteren.
Wat zijn nu voor de PvdA-fractie
de belangrijkste kernpunten bij een
mogelijk nieuw verdrag? Daarvoor is
het nodig eerst in te gaan op de
wenselijkheid van zo’n verdrag.
Romantische zielen hebben de
afgelopen tijd op basis van de
kritische evaluatie uit het groenboek
gepleit voor stoppen en niet
vernieuwen. Zij beschouwen het
verdrag als een voortzetting van de
koloniale politiek uit het verleden
met soms een dominante rol van een
lidstaat, met name Frankrijk. De
geringe economische groei van een
aantal ACS-landen beschouwen zij
als een bewijs voor die theorie.
Ik vind het nuttig om nuchter,
zonder veel illusies en mooipraterij,
naar het Lome-verdrag te kijken. Het
is onmiskenbaar waar dat de
toenmalige EU-landen via het
Lome-verdrag hun grondstof-
leveranties hebben veiliggesteld en
hun banden met voormalige
kolonie¨n hebben bevestigd. Het is
echter ook waar dat het verdrag vele
mogelijkheden tot groei heeft
gegeven, die in feite door wat voor
omstandigheden dan ook door de
ACS-landen niet zijn benut. Het is
een politiek feit dat de ACS tot nog
toe hebben uitgesproken een
voortzetting van de Lome-conventie
te willen, al weet ik niet wat op de
ACS-top in Gabon deze maand is
afgesproken. Misschien kan de
minister ons daarover informeren.
Het is daarnaast niet verstandig
om bestaande vriendschapsrelaties,
zoals die tussen de EU-landen en de
ACS-landen bestaan, weg te gooien.
Juist uitbouw van de vriendschap en
uitbreiding van de partnershiprelatie
tot een volwaardige wederzijdse
politieke relatie, inclusief aspecten
als veiligheid, mensenrechten, de
opbouw van een democratische staat
op basis van een civil society en
rechtszekerheid voor de burgers, kan
aan het begin van de 21ste eeuw een
goede weg vormen naar stabiliteit en
welvaart, ook in die landen die tot
nog toe weinig welvaart hebben
gezien. Wij zijn dus voorstander van
een nieuw verdrag, maar dan wel
een verdrag dat is toegesneden op
de 21ste eeuw.
Het nieuwe Lome-verdrag zal op
de eerste plaats een volwaardig
politiek verdrag moeten zijn, niet
impliciet zoals nu, maar expliciet. Het</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


