<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN6524C3]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Voorzetting van de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet (25172)</item>
<item attribuut="Bestand"> 47 Kb</item>
<item attribuut="Inhoud">Voortzetting van de vergadering van 4 december 1997. Ingegaan wordt onder meer op relatie tussen antifolterverdrag en terugzenden van vluchtelingen en op de vreemdelingenbewaring.</item>
<item attribuut="Rubriek">Staats- en bestuursrecht (Vreemdelingenrecht)</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Vluchtelingen
Vreemdelingen</item>
<item attribuut="Dossiernr">25172</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1997-1998, nr. 13, Tweede Kamer, pag. 3109-3116</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten Generaal (SG)</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">18-12-1997</item>
<item attribuut="Document-id">HAN6524C3</item>
<item attribuut="Omvang">8 pag.</item> 
<item attribuut="vergadering">39ste vergadering</item>
<item attribuut="dag">Donderdag</item>
<item attribuut="datum">18 december 1997</item>
<item attribuut="aanvang">Aanvang 9.15 uur</item>
<item attribuut="kamer">Tweede Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Vreemdelingenwet</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Balansverkorting geldelijke steunvolkshuisvesting</item>
<item attribuut="doccode">TK 39</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="39-3109">

Tegenwoordig zijn 145 leden, te weten:
Adelmund, Aiking-van Wageningen,
Apostolou, Van Ardenne-van der
Hoeven, Assen, Augusteijn-Esser,
Bakker, Beinema, Van den Berg,
Biesheuvel, Bijleveld-Schouten,
Blaauw, Blauw, Van Blerck-
Woerdman, Bolkestein, Van den Bos,
Van Boxtel, Bremmer, Bukman, M.M.
van der Burg, V.A.M. van der Burg,
Van de Camp, Cherribi, De Cloe,
Cornielje, Crone, Dankers, Van Dijke,
Dijksma, Dittrich, Van den Doel,
Doelman-Pel, Duivesteijn, Elsthout,
Essers, Feenstra, Fermina, Gabor,
Van Gelder, Van Gijzel, Giskes, De
Graaf, De Haan, Van Heemskerck
Pillis-Duvekot, Van Heemst, Heeringa,
Van der Heijden, Hendriks, Hessing,
Hillen, Hoekema, Van der Hoeven,
Hofstra, Van Hoof, Hoogervorst, De
Hoop Scheffer, Ten Hoopen, Huys,
Janmaat, Jeekel, A. de Jong, G. de
Jong, Jorritsma-van Oosten,
Kalsbeek-Jasperse, H.G.J. Kamp,
M.M.H. Kamp, Keur, Klein Molekamp,
Koekkoek, Koenders, De Koning,
Korthals, Lambrechts, Lansink, Leers,
Liemburg, Lilipaly, Van der Linden,
Luchtenveld, Marijnissen, Mateman,
Meijer, Meyer, Middel, Van Middel-
koop, Mulder-van Dam, Van
Nieuwenhoven, Nijpels-Hezemans,
Noorman-den Uyl, Oedayraj Singh
Varma, Oudkerk, Van Oven,
Passtoors, Van der Ploeg, Poppe,
Rabbae, Rehwinkel, Reitsma,
Remkes, Van Rey, Van ’t Riet,
Rijpstra, Roethof, Rosenmo¨ller,
Rouvoet, Scheltema-de Nie,
Schimmel, Schutte, Schuurman,
Sipkes, Smits, Stellingwerf, Sterk,
Van der Stoel, Swildens-Rozendaal,
Terpstra, Valk, Ter Veer, Te Veldhuis,
Verbugt, Verkerk, Versnel-Schmitz,
Visser-van Doorn, Vliegenthart, Van
der Vlies, Van Vliet, H. Vos, M.B. Vos,
O.P.G. Vos, Vouˆte-Droste, B.M. de
Vries, J.M. de Vries, Wagenaar,
Wallage, Van Walsem, Van Waning,
Weisglas, Wessels, Witteveen-
Hevinga, Wolters, Woltjer, Ybema,
Van Zijl, Zijlstra en Van Zuijlen,
en de heer Dijkstal, vice-minister-
president, minister van Binnenlandse
Zaken, mevrouw Sorgdrager,
minister van Justitie, de heer Zalm,
minister van Financie¨n, mevrouw De
Boer, minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieube-
heer, mevrouw Jorritsma-Lebbink,
minister van Verkeer en Waterstaat,
de heren Van Aartsen, minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
Melkert, minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid, Kohnstamm,
staatssecretaris van Binnenlandse
Zaken, Patijn, staatssecretaris van
Buitenlandse Zaken, mevrouw
Schmitz, staatssecretaris van Justitie,
mevrouw Netelenbos, staatssecreta-
ris van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen, de heer Tommel,
staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieube-
heer, en mevrouw Van Dok-van
Weele, staatssecretaris van Economi-
sche Zaken.

<blok pagina="39-3109">

 
<spreker pagina="39-3109" anker="2259" naam="De voorzitter">
 Ik deel aan de Kamer
mede, dat zijn ingekomen berichten van verhindering van de leden:
Dijksma, wegens bezigheden elders,
alleen voor de ochtendvergadering;
Van der Heijden, wegens bezigheden
elders, alleen voor de ochtend- en de
middagvergadering.
Deze berichten worden voor
kennisgeving aangenomen. 

</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="39-3109">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Wet van 23 december
1994 (Stb. 925) in verband met
het verlengen van een tijdelijke
verfijning in de Wet belastingen
op milieugrondslag (25508);
- het wetsvoorstel Intrekking
van de Wet Havenschap Vlissin-
gen en de Wet Havenschap
Terneuzen (25531).
Deze wetsvoorstellen worden zonder
beraadslaging en, na goedkeuring
van de onderdelen, zonder stemming
aangenomen.
</onderwerp>
<onderwerp pagina="39-3109">

Aan de orde is de voorzetting van de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Vreemdelingenwet
(25172).
(Zie vergadering van 4 december
1997.)
De algemene beraadslaging wordt
hervat.

<blok pagina="39-3109">

 
<spreker pagina="39-3109" anker="2260" soort="Staatssecretaris" naam="Schmitz">
 Voorzitter!
Op 4 december heeft de Kamer haar
inbreng in eerste termijn op dit
wetsvoorstel gehad. Daarop hebben
wij afgesproken een aantal zaken
schriftelijk te beantwoorden. Dit is
gebeurd bij brief van 9 december. Er
is ook gisteren nog een brief naar de
Kamer gegaan over de relatie tussen
artikel 7a en de ontwerpbesluiten
van het Uitvoerend Comite van
Schengen. Ik hoop dat deze brief de
Kamer gisteren nog bereikt heeft in
de veelheid van stukken. Misschien
is het goed dat ik hem nog kort
samenvat.
Ik kan het vrij kort houden en zal
vooral ingaan op een voorgenomen
en een ingediend amendement. De
heer Dittrich dacht erover een
amendement in te dienen en ik zal
graag op de inhoud van het
desbetreffende vraagstuk ingaan. Het
andere amendement is ingediend
door mevrouw Sipkes.
Misschien is het goed dat ik kort
de brief samenvat die gisteren naar
de Kamer is gezonden. Met name de
heer Van Oven heeft gevraagd naar
de relatie tussen artikel 7a van het
wetsvoorstel en de ontwerpbesluiten.
Het Uitvoerend Comite van
Schengen is op 15 december bijeen
geweest. In het algemeen overleg op
11 december over Schengen waren
er twee ontwerpbesluiten waarvan
de tekst net iets verschilde, namelijk
besluit 43 en besluit 44. Uiteindelijk
is het maandag op de bijeenkomst in
Wenen alleen om de tekst onder
nummer 44 gegaan. De korte omschrijving hiervan luidt: ’’het
verhinderen dat illegaal binnengeko-
men vreemdelingen wier identiteit
niet eenduidig vaststaat, onderduiken
tot volledige duidelijkheid over de
identiteit bestaat dan wel tot
uitvaardiging en uitvoering van de
vereiste maatregelen door de
vreemdelingenpolitie’’. Het Uitvoe-
rend Comite heeft deze tekst
aangenomen, met dien verstande dat
alle delegaties een studievoorbehoud
hebben aangetekend in verband met
het op dat moment niet beschikbaar
zijn van het definitieve document in
alle officie¨le talen. Het besluit is
overigens aangenomen met
inachtneming van het nationale
recht. Zowel de huidige redactie van
artikel 7a, over de controle aan de
buitengrens, als de redactie in het
wetsvoorstel is in overeenstemming
met het besluit van Schengen. Het
bijt dus niet en staat niet haaks op
elkaar. Het is een invulling van het
nationale recht en van besluit 44. Ik
weet dat staatssecretaris Patijn de
besluiten dezer dagen naar de Kamer
zendt. Er is naar mijn inzicht dus
geen probleem met deze besluiten
en artikel 7a van het wetsvoorstel. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3110" anker="2261" partij="PvdA" naam="Van Oven">
 Als ik het
goed begrijp, heeft dat twee effecten.
Aan de ene kant is er door het
opnemen van de zinsnede ’’afhanke-
lijk van het nationale recht’’ voor
ieder land ruimte terug gekomen om
met dat onderdeel van de resolutie
te doen wat men wil en anderzijds is
er absoluut geen strijd met datgene
wat nu voorligt. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3110" anker="2262" soort="Staatssecretaris" naam="Schmitz">
 Ja,
daarom heb ik dat nog even in een
brief bevestigd. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3110" anker="2263" partij="PvdA" naam="Van Oven">
 Maar is
het daarmee niet een erg krachteloze
tand geworden? 

</spreker>
<spreker pagina="39-3110" anker="2264" soort="Staatssecretaris" naam="Schmitz">
 Ik denk
dat het wellicht ook meer moet
worden gezien als een vorm van
gezamenlijk optreden tegen een
verschijnsel dat wij proberen in te
dammen. Ik heb de onderhandelin-
gen in Wenen echter niet bijge-
woond; de heer Patijn zou daarover
meer kunnen zeggen.
Voorzitter! De heer Dittrich heeft
gezegd een amendement te
overwegen ter wijziging van artikel
15 in relatie tot artikel 3 van het
EVRM en artikel 3 van het antifolter-
verdrag. Ik heb twee problemen met
een eventueel amendement, een van
wetssystematische aard en het ander
van inhoudelijke aard. Wets-
systematisch past het niet, omdat
artikel 15, lid 1, van de Vreemdelin-
genwet over de toelating van de
vluchteling handelt terwijl artikel 33
van het Vluchtelingenverdrag, artikel
3 van het EVRM en artikel 3 van het
antifolterverdrag een verbod op
terugzending betreffen. Daarom past
het niet in de systematiek, want het
eerste is een begintoets – de
toelating – en het ander is de
eindtoets. Daar komt overigens bij
dat als wordt gesleuteld aan het
eerste lid, ook het tweede, derde en
vierde lid van dat artikel moeten
worden aangepast, omdat deze in
relatie tot het eerste lid staan. Maar
dat is technisch natuurlijk altijd te
ondervangen. Wezenlijker vind ik dat
de heer Dittrich met zijn gedachte
inhoudelijk iets oproept wat het
kabinet in ieder geval niet met dit
wetsvoorstel heeft beoogd.
De vreemdeling die zich met recht
beroept op de bescherming van
artikel 3 EVRM of artikel 3 van het
antifolterverdrag van de VN zou door
dat amendement namelijk ook
moeten worden toegelaten als
vluchteling. De toelating als
vluchteling is helemaal gebaseerd op
het Vluchtelingenverdrag. Wanneer
personen een beroep doen op die
andere verdragen, komt de vergun-
ning om klemmende redenen van
humanitaire aard aan de orde. Het
Vluchtelingenverdrag heeft betrek-
king op de toelating als vluchteling
en artikel 3 EVRM of artikel 3 van het
antifolterverdrag leidt tot toelating
om klemmende redenen van
humanitaire aard.
Daarmee zou een dergelijk
amendement toch verder strekken
dan onze bedoeling was, omdat wij
absoluut geen wijziging in de
statusverlening hebben bedoeld. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3110" anker="2265" partij="D66" naam="Dittrich">
 U zegt dus
tegen mij dat ik dat moet ontkoppe-
len omdat men wordt gedwongen
een beroep te doen op dat ene
artikel als het daaraan wordt
gekoppeld. Maar mijns inziens stelt
de staatssecretaris in de leemtewet
voor om dat toch wel te koppelen,
dat meteen automatisch wordt
getoetst. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3110" anker="2266" soort="Staatssecretaris" naam="Schmitz">
 Het was
onze bedoeling om met dit wetsvoor-
stel te waarborgen dat door
indiening van de ene aanvraag om
toelating de vervolgprocedures niet
uiteen gaan lopen. Er zit namelijk een ambtshalve toets achter: we
toetsen eerst op het Vluchtelingen-
verdrag en als men daarvoor niet in
aanmerking komt, wordt bezien of
andere elementen een rol spelen bij
een toelating om klemmende
redenen van humanitaire aard. In dat
kader en om die procedures daarna
niet uiteen te laten lopen, hebben we
dat gekoppeld en niet om de
toelating als vluchteling een extra
dimensie te geven voor de status-
verlening. Het heeft te maken met
het automatisme van daarna. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3110" anker="2267" partij="D66" naam="Dittrich">
 Dus als die
gronden expliciet in artikel 15
worden opgenomen, wordt het
daaraan gekoppeld en zouden
daarmee de mensen worden
gedwongen om daar een beroep op
te doen. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3110" anker="2268" soort="Staatssecretaris" naam="Schmitz">
 Ja, dan
zou men het Vluchtelingenverdrag in
die zin uitrekken, terwijl men al
vanzelf in de vervolgfase van het
beoordelen van een aanvraag om
toelating met die elementen rekening
houdt bij verblijf om klemmende
redenen van humanitaire aard. Wij
hebben het in dit voorstel gekoppeld
om daarna geen verschillende
procedures te krijgen. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3110" anker="2269" partij="D66" naam="Dittrich">
 Dan ben ik
blij dat wij deze discussie gevoerd
hebben voor de wetsgeschiedenis.
Op basis van deze redenering van de
staatssecretaris kondig ik aan dat ik
het amendement niet zal indienen. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3111" anker="2270" naam="De voorzitter">
 Niet zal indienen, het
was dus nog niet ingediend. Oke. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3111" anker="2271" soort="Staatssecretaris" naam="Schmitz">
 Voorzitter!
Ik dank de heer Dittrich zeer.
Dan heb ik nog liggen het
amendement van mevrouw Sipkes
over artikel 34a. Dat artikel betreft de
vreemdelingenbewaring. Mevrouw
Sipkes beoogt met haar amende-
ment om die meer in overeenstem-
ming te brengen met artikel 5 EVRM.
Er zijn op het punt van de
vreemdelingenbewaring een paar
ontwikkelingen te melden. Ik zou
eerst een kleine kanttekening willen
maken. In het amendement spreekt
mevrouw Sipkes over een termijn
van vijf weken waarbinnen een
vreemdeling voor de rechter wordt
geleid. Dat is niet juist. Als een
vreemdeling een beroepschrift
indient bij de rechtbank, is een
verschijning binnen twee weken voor
de eerste toetsing aan de orde. De
termijn van zes weken waarover
mevrouw Sipkes spreekt, ziet
waarschijnlijk op gevallen waarin de
vreemdeling zelf geen beroepschrift
heeft ingediend. Maar dan volgt al
automatisch na vier weken kennisge-
ving aan de rechtbank.
Wezenlijker vind ik echter dat
mevrouw Sipkes via haar amende-
ment aandacht vraagt voor het
onderwerp vreemdelingenbewaring,
alleen vind ik een amendement
daarvoor op dit moment niet de
goede vorm. Ik ben het zeer met
haar eens dat wij het onderwerp
vreemdelingenbewaring hoger op de
politieke agenda moeten hebben. De
Kamer weet dat er in Tilburg recent
een internationale conferentie heeft
plaatsgevonden over vreemdelingen-
bewaring. Mij is een rapportage over
de uitkomsten van die conferentie
toegezegd, inclusief de aanbevelin-
gen die daarbij zijn gedaan. Ik zou
graag de inhoud van die conferentie
meenemen. Bovendien vind ik ook
zelf dat het onderwerp
vreemdelingenbewaring een
centralere plaats moet krijgen in ons
vreemdelingen- en asielbeleid.
Vandaar dat ik in overleg met de
desbetreffende onderdelen van
Justitie en met het gevangeniswezen
bezig ben een notitie voor te
bereiden en op dit punt met nadere
voorstellen c.q. aanpassingen zal
komen. Ik schat zelf in dat ik die
notitie ongeveer tweede helft van
januari klaar kan hebben. Daarover
wil ik dan graag een debat met u
hebben.
Als dit amendement wordt
aangenomen, kan ik niet garanderen
dat de uitvoering op dit moment
realiseerbaar is. De geest van het
amendement spreekt mij aan. Dat
sluit ook aan bij het thema dat
gelukkig centraler in de aandacht
komt. Inhoudelijk wil ik er wel mee
aan de slag, maar vanwege de
uitvoeringsperikelen kan ik minder
goed met het amendement leven.
Misschien dat mevrouw Sipkes nog
eens wil nadenken over de wijze
waarop wij daarmee kunnen
omgaan? 

</spreker>
<spreker pagina="39-3111" anker="2272" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Als ik
het even samenvat, is de staatssecre-
taris het met de inhoud van het
amendement eens c.q. kan zij ermee
leven. Daar zit het tussenin. Er zijn
uitvoeringsproblemen en er komt
een notitie. Als die notitie half
januari komt, bespreken wij die
ergens in februari. Het duurt dus nog
even voordat wij iets vastgelegd
hebben. Als wij nu zouden vastleg-
gen dat dit niet eerder ingaat dan
bijvoorbeeld juni, wat is dan de
mening van de staatssecretaris? 

</spreker>
<spreker pagina="39-3111" anker="2273" soort="Staatssecretaris" naam="Schmitz">
 Ik ben het
eens met de geest van het amende-
ment, alsmede met het op de
politieke agenda zetten van dit
onderwerp. In het amendement staat
’’binnen een week’’. Ik weet niet of
dat qua uitvoering haalbaar is.
Vandaar dat ik een en ander wil
meenemen in de notitie. Als het een
motie was geweest, had ik gezegd
dat die overeenkwam met hetgeen
waarmee ik bezig ben en dat ik het
plezierig vind dat wij daarmee dit
beleidsonderdeel onder de aandacht
krijgen. Ik moet een amendement nu
echter ontraden, omdat ik niet weet
of ik het kan waarmaken. Maar de
elementen die in het amendement
zitten, wil ik zeker meenemen in mijn
notitie, eventueel met kanttekeningen
over de uitvoerbaarheid. Ik zeg graag
toe dat de notitie er in de tweede
helft van januari zal liggen. De
leemtewet moet weer naar de Eerste
Kamer. En dan wordt het inderdaad
juni. Maar als wij in de Kamer
helderheid hebben over de inhoud
van de notitie, ben ik bereid om de
uitvoering ter hand te nemen. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3111" anker="2274" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Als
de Kamer ermee akkoord gaat, zou
dat dus betekenen dat wij op korte
termijn een wetswijziging tegemoet
kunnen zien? 

</spreker>
<spreker pagina="39-3111" anker="2275" soort="Staatssecretaris" naam="Schmitz">
 Dat
zouden wij kunnen meenemen. Wij
zouden in de praktijk van de
uitvoering van de Vreemdelingenwet
kunnen bekijken of een en ander al
kan worden ingevoerd.
Voorzitter! Ik ben aan het einde
van mijn eerste termijn gekomen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="39-3111">

 
<spreker pagina="39-3111" anker="2276" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">

Mijnheer de voorzitter! Ik dank de
staatssecretaris voor de antwoorden
die zij mondeling heeft gegeven. Ik
wil nog kort reageren op schriftelijke
antwoorden.
Ik begin met de antwoorden over
artikel 7a. Ook in de schriftelijke
voorbereiding zijn de argumenten
over dit artikel uitvoerig gewisseld. Ik
kan het laatste schriftelijke antwoord
nog steeds niet echt bevredigend
vinden. De staatssecretaris zegt dat
zij nooit de bedoeling heeft gehad
om de toepassing van artikel 7a te
beperken tot de periode dat er nog
geen beslissing is genomen. Zij
meent dat deze beperking door de
jurisprudentie tot stand is gekomen.
Maar juist de jurisprudentie geeft
aan dat vanwege het systeem van de
Vreemdelingenwet dat vanaf 1
januari 1994 in werking is, de
letterlijke toepassing van artikel 7a
beperkt is. Dit impliceert ook dat een
ruimere toepassing overbodig is
geworden, omdat er een mogelijk-
heid is om een asielzoeker met een
kansloos asielverzoek die zich dreigt
te onttrekken aan uitzetting, van zijn
vrijheid te beroven. Ik blijf de fictieve
scheiding tussen toegang en
toelating nog steeds heel vreemd
vinden. En het is echt een fictie dat
artikel 7a geen vrijheidsbeneming
inhoudt omdat de vluchteling of de
asielzoeker uiteindelijk weer op het
vliegtuig kan stappen. Iemand vraagt
namelijk niet voor niets om
bescherming van de Nederlandse
autoriteiten. Als de staatssecretaris
vervolgens zegt dat de voorgestelde
wijziging slechts een technische
aanpassing is om de huidige situatie
terug te brengen naar de situatie van
voor de nieuwe Vreemdelingenwet,
negeert zij daarmee dat met de
nieuwe Vreemdelingenwet twee
extra mogelijkheden zijn gecree¨erd
voor vrijheidsbeperking en vrijheids-
beneming, namelijk in artikel 18a en
artikel 18b. Die artikelen lijken mij
voldoende handvatten te bieden.
Voorzitter! De staatssecretaris zegt
zeer nadrukkelijk dat het niet de
bedoeling is om artikel 7a categoriaal
toe te passen. De enige consequentie
daarvan is dat dit in de wet- of
regelgeving wordt vastgelegd. Als
dat niet gebeurt, heeft een asiel-
zoeker geen enkele grondslag om de
toepassing van artikel 7a aan te
vechten. Uiteindelijk heeft de
staatssecretaris in alle gevallen
wettelijke mogelijkheden. Daarom wil
ik de Kamer de volgende motie
voorleggen, voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende, dat een categoriale
toepassing van artikel 7a Vreemdelin-
genwet ongewenst is;
verzoekt de regering criteria voor
toepassing van artikel 7a Vreemdelin-
genwet vast te leggen in wet, besluit
of algemene maatregel van bestuur,
en gaat over tot de orde van de dag. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3112" anker="2277" naam="De voorzitter">
 Deze motie is
voorgesteld door het lid Sipkes. Naar
mij blijkt, wordt zij voldoende
ondersteund.
Zij krijgt nr. 11 (25172). 

</spreker>
<spreker pagina="39-3112" anker="2278" partij="PvdA" naam="Van Oven">
 Voorzit-
ter! Heeft mevrouw Sipkes nog een
voorkeur voor de plaats waar dit
moet worden vastgelegd? De motie
is vrij breed. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3112" anker="2279" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">

Ongelooflijk coulant, vindt u niet?
Het belangrijkste is dat dit helder
wordt vastgelegd. Ik laat dat in vol
vertrouwen over aan de staatssecre-
taris. De bedoeling is helder. Er
moeten criteria worden vastgelegd in
de wet, in een algemene maatregel
van bestuur of iets dergelijks. Als het
maar vastligt. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3112" anker="2280" partij="PvdA" naam="Van Oven">
 Wij zijn
hier als wetgevers bij elkaar. Als u
het in de wet wilt vastleggen, dan
zou het voor de hand liggen dat u
die criteria nu in de wet zou
amenderen. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3112" anker="2281" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Ja,
dat had ik kunnen doen. Ik zit zelf
echter een beetje met de vraag of dit
niet te veel zou zijn voor de wet.
Daarom heb ik ook nadrukkelijk de
algemene maatregel van bestuur
genoemd. Als dit betekent dat het
voor u erg moeilijk wordt om deze
motie te ondersteunen, dan wil ik
haar alsnog wijzigen.
Voorzitter! Ik kom op de VVTV. De
staatssecretaris zegt dat het in
buitengewone omstandigheden
mogelijk is om de beslistermijn van
zes maanden niet aan te houden. De
wijze waarop zij dit formuleerde, laat
naar mijn smaak iets te veel ruimte
over om in gevallen waarin geen
sprake is van een echt plotselinge
toestroom als gevolg van bijvoor-
beeld een burgeroorlog, af te wijken.
Ik hoop natuurlijk niet dat wij een
herhaling krijgen van de toestand in
voormalig Joegoslavie¨, maar dat zou
wel kunnen gebeuren. Ik vind dan
ook dat dit helder vastgelegd moet
worden. Ook hierover wil ik de
Kamer een uitspraak voorleggen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende, dat in het huidige
VVTV-beleid geen onderscheid meer
is tussen ontheemden en gedoogden
en dat het verlengen van de
beslistermijn slechts toelaatbaar is
indien er sprake is van overmacht;
tevens overwegende, dat de wijze
van beoordeling of er sprake is van
een overmachtsituatie toetsbaar
moet zijn;
verzoekt de regering bij algemene
maatregel van bestuur criteria op te
stellen voor de beoordeling of de
beslistermijn met betrekking tot het
asielverzoek mag worden verlengd
tot maximaal drie jaar,
en gaat over tot de orde van de dag. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3112" anker="2282" naam="De voorzitter">
 Deze motie is
voorgesteld door het lid Sipkes. Naar
mij blijkt, wordt zij voldoende
ondersteund.
Zij krijgt nr. 12 (25172). 

</spreker>
<spreker pagina="39-3112" anker="2283" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">

Voorzitter! Ik kom op het afschaffen
van de mogelijkheid voor een
asielzoeker om ook een vergunning
tot verblijf aan te vragen. Wij houden
de indruk dat de staatssecretaris dit
voorstel toch te lichtvaardig doet en
dat zij de consequenties ervan niet
voldoende overziet. Haar toezegging
dat zodra er in het AC aanwijzingen
zijn, een VTV zou moeten worden
verleend, is nauwelijks vast te leggen
of hard te maken. Juist met
betrekking tot klemmende redenen
van humanitaire aard – ik heb dat
ook in eerste termijn gezegd – is het
in veel gevallen onmogelijk om
binnen 24 uur te bepalen of iemand
daarvoor in aanmerking komt. En
zelfs dan is het erg moeilijk om in
zo’n korte tijd te bepalen of nader
onderzoek nodig is. Er bestaat voor
de aanvrager van een VTV niet zoiets
als kennelijke ongegrondheid.
Waarop kan een ambtenaar dan wel
toetsen dat er duidelijk geen sprake
is van klemmende redenen van
humanitaire aard?
Een klemmend, wat meer
principieel bezwaar is dat de artikel 3
van het EVRM en het antifolter-
verdrag verplichtingen met zich
brengen die geheel los staan van het
Vluchtelingenverdrag. Daarom moet
er volgens ons een zelfstandig
beroep op kunnen worden gedaan.
Dat bezwaar is in het geheel niet
weggenomen, ook niet in de
schriftelijke beantwoording. Ik denk
dat de staatssecretaris met de
voorgestelde wetswijziging het
belang van deze internationale
verplichtingen miskent. Zij geeft
alleen een naar onze mening zwak
praktisch argument om de VTV-
aanvraag te laten vervallen. De
staatssecretaris acht het onhandig
als de procedures uit elkaar gaan
lopen. Ik heb in eerste termijn echter
al gezegd dat zij dit kan oplossen
door het sprongberoep af te
schaffen. Met het behoud van een
zelfstandige VTV-aanvraag voorkom
je onnodige vervlechting waardoor
het oordelen over vluchtelingen-
schap, EVRM, het antifolterverdrag
en humanitaire omstandigheden
zuiverder kan gebeuren dan wanneer
alles in een aanvraag moet plaatsvin-
den.
Voorzitter! Ik refereerde zojuist al
aan het sprongberoep, omdat de
staatssecretaris dit aanwijst als reden
om de VTV-aanvraag af te schaffen.
Dit is naar mijn mening de wereld op
z’n kop zetten. Procedures moeten zo
zijn ingericht dat de inhoudelijke zaak
optimaal kan worden behandeld en
staan dus ten dienste van de zaak
zelf. Je gaat een inhoudelijke
kwestie, de VTV-aanvraag, toch niet
afstemmen op een procedure? Daar
komt nog eens bij dat het sprong-
beroep in de praktijk slecht uitwerkt,
zoals ik ook in eerste termijn al heb
betoogd. Ik heb vanuit de praktijk
noch van de staatssecretaris hier
argumenten gehoord voor de
meerwaarde ervan. Juist omdat de
rechter de mogelijkheid heeft om bij
een verzoek om een voorlopige
voorziening tegelijk over het
bezwaarschrift te beslissen, is het
categoriaal overslaan van de
bezwaarfase overbodig. Daarom kies
ik voor het principie¨le uitgangspunt
dat een bestuursorgaan eerst zijn
eigen beslissingen moet heroverwe-
gen – daarbij kan het alle omstandig-
heden mee wegen – en dat pas
daarna de rechter aan de beurt komt
voor een meer afstandelijke toets. Dit
geldt zowel voor het asielverzoek als
voor de aanvraag van een VTV.
Voorzitter! De staatssecretaris
staat positief tegenover mijn
amendement. Zij had, als het een
motie was geweest, gezegd – ik vat het in mijn eigen woorden samen –:
hier heb ik geen bezwaar tegen, ik
vind het een ondersteuning van mijn
beleid. Zij was daar in ieder geval blij
mee geweest, maar het amendement
zoals het er nu ligt, vindt zij praktisch
moeilijk uitvoerbaar. Op mijn
suggestie om wat in het amende-
ment staat in juni in te voeren, is
geen duidelijk antwoord gekomen. Ik
hoop dat antwoord in tweede termijn
te krijgen. Mocht de staatssecretaris toch zeggen: ’’dat gaat niet, maar de
notitie komt half januari’’, dan wil ik
graag nadrukkelijk horen of er nog
een wetswijziging komt, zodat ik dan
– de dag is tenslotte helaas nog heel
lang! – kan overwegen wat ik met
het amendement doe. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3113" anker="2284" naam="De voorzitter">
 ’’Helaas’’? Wat fijn is
dat eigenlijk!
</spreker>
</blok>
<blok pagina="39-3113">

 
<spreker pagina="39-3113" anker="2285" partij="PvdA" naam="Van Oven">
 Voorzit-
ter! Ik dank de staatssecretaris voor
de brief die wij hebben ontvangen.
Over de bevoegdheden van de
marechaussee, waarmee mijn fractie
zich in beginsel kan verenigen, blijft
de praktische vraag over voor
hoeveel tijd stukken kunnen worden
ingenomen. De staatssecretaris zegt
dat dat voor korte tijd is, maar ook zij
zal zich realiseren dat het voor
mensen die op weg zijn en zich in
het verkeer begeven, bijzonder
hinderlijk kan zijn als hun papieren
worden afgenomen ter kopie¨ring. Als
dat het rijbewijs geldt, kun je zelfs
daadwerkelijk niet doorrijden. Ik vind
dat daaraan een duidelijk maximum
moet worden gesteld.
Over artikel 7a, het bewarings-
artikel, heeft de staatssecretaris een
uitgebreid expose gegeven. Zij
besteedde ook aandacht aan de
verhouding tot het ontwerpbesluit
van het Uitvoerend Comite van
Schengen, dat nu nog steeds, zij het
met een aantal voorbehouden,
voorligt. Dit ontwerpbesluit is van
zijn scherpte ontdaan door opname
van de zinsnede ’’afhankelijk van het
nationale recht’’. Daarmee staat het
alle lidstaten in feite weer vrij om
daaraan inhoud te geven. Overigens
gaat de aansporing die in het
ontwerpbesluit wordt gegeven, als ik
het goed zie minder ver dan datgene
wat in de wijziging van artikel 7a
wordt betoogd. In het ontwerpbesluit
gaat het immers om mensen ten
aanzien van wie de identiteit niet
vaststaat, terwijl artikel 7a natuurlijk
een veel breder bereik heeft.
Kernprobleem van de PvdA-fractie
met artikel 7a is het automatisme
van het besluit. De staatssecretaris
schrijft dat het een grensbewakings-
maatregel is, die wordt genomen op
individuele basis, zodat niet kan
worden gesproken van een
categoriale aanpak. Ik ben zo vrij, te
stellen dat het niet zo zwart-wit ligt,
omdat het in de huidige formulering
gaat om een imperatieve bevoegd-
heid. De ambtenaar die daarover
moet oordelen, kan alleen maar
kijken of personen al of niet voldoen
aan de criteria van de artikelen 8 t/m
10 van de Vreemdelingenwet; is dat
niet zo, dan moeten zij worden
vastgehouden. Dat is op basis van
het bestaande artikel 7a nu ook al zo,
maar dan heeft die verplichting een
minder verstrekkend bereik, omdat
het gaat om mensen ten aanzien van
wie nog geen beslissing is genomen.
Er kan natuurlijk heel goed een
langere weg ontstaan, wanneer die
beslissing wel is genomen en de
bezwaarfase aanbreekt. Mijn fractie
is van mening dat het te drastisch is
om mensen zonder meer die
verplichting op te leggen, want
daardoor wordt hun vrijheid beperkt.
Het was mijn bedoeling om het
amendement eerder in te dienen,
maar het is helaas zojuist pas
rondgegaan. Het is het amendement
op stuk nr. 10. Daarin gaat het om de
verandering van de imperatieve
bevoegdheid van de ambtenaar die
de beslissing moet nemen in een
discretionaire bevoegdheid. Het
gevolg daarvan is dat dit ruimer
toetsbaar wordt voor de rechter. Het
betekent ook dat de categoriee¨n die
wij twee weken geleden in het debat
hebben besproken, formeel buiten
die maatregel kunnen vallen. De
staatssecretaris schrijft op pagina 4
van haar brief dat als een asiel-
verzoek kansrijk wordt geacht,
ondanks een eerste afwijzing, de
maatregel in beginsel niet wordt
voortgezet. Die stelling is moeilijk te
rijmen met de huidige wetstekst.
Deze past wel degelijk in de tekst
zoals die in het amendement is
voorgesteld. Blijft over de kwestie
van de criteria. Als het amendement
wordt aangenomen, dan wordt de
ambtenaar verplicht om bepaalde
criteria toe te passen. De vraag is
wel waar wij die criteria moeten
plaatsen. Mevrouw Sipkes heeft dat
opengelaten. Mijn fractie geeft er de
voorkeur aan om de criteria vast te
leggen. Dat kan heel goed in een
AMvB. In die zin sluit ik mij aan bij
het verzoek van mevrouw Sipkes. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3113" anker="2286" partij="D66" naam="Dittrich">
 Voorzitter!
Een vraag ter verheldering. De heer
Van Oven wil het voorstel wijzigen,
in die zin dat er een discretionaire
bevoegdheid wordt ingebouwd. Ik
begrijp zijn gedachtegang heel goed,
maar wat heeft dat voor gevolgen
voor de uitvoeringspraktijk? Moet
elke beslissing van de ambtenaar op
het individuele geval gemotiveerd
worden gegeven? 

</spreker>
<spreker pagina="39-3113" anker="2287" partij="PvdA" naam="Van Oven">
 Ja, ik
vind van wel. Een vrijheids-
beperkende maatregel moet in
beginsel zover gaan. Dat mag ook
van de overheid worden verwacht.
Op het moment dat je criteria gaat
vastleggen, kan die motivering in de
praktijk echter vaak beperkt zijn.
Immers, een verwijzing naar het
desbetreffende criterium wordt ook
toetsbaar door de rechter. Op die
manier ontstaat er een
rechtsbeschermingssysteem dat mijn
fractie in ieder geval meer bevredigt. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3113" anker="2288" partij="D66" naam="Dittrich">
 In de tekst van het voorstel staat: ...dient zich op
te houden in een door de ambtenaar
gelaste plaats. Je zou je kunnen
voorstellen dat een ambtenaar in een
bepaald geval van mening is dat hij
geen plaats hoeft aan te wijzen. Dan
doet hij dat niet. Alleen in de
gevallen waarin hij wel die last geeft,
is dat de verplichting, zoals die staat
geformuleerd in het wetsvoorstel. Ik
ben namelijk een beetje bang dat
hierdoor allerlei procedures worden
gegenereerd, terwijl dat misschien
niet echt nodig is. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3114" anker="2289" partij="PvdA" naam="Van Oven">
 Als je de
oude tekst handhaaft, nodig je de
ambtenaar in dat soort gevallen als
het ware uit om zich niet aan de wet
te houden. Dat vind ik al niet fraai.
Bovendien zou het wetsgeweten van
de individuele ambtenaar ook een rol
kunnen spelen, in die zin dat degene
die zich daar meer aan gebonden
acht, op die grond tot een andere
beslissing zou kunnen komen dan
degene die er wat soepeler mee
omgaat. Ik vind dat geen goede gang
van zaken. Het is duidelijker als er
wordt aangegeven dat die beslissing
bewust moet worden genomen. Dat
betekent ook dat die moet worden
gemotiveerd, zij het eventueel heel
kort. Dat kan dan ook door de rechter
worden getoetst. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3114" anker="2290" partij="D66" naam="Dittrich">
 De tekst van
het voorstel houdt hetzelfde in als
wat nu in de huidige Vreemdelingen-
wet staat. Wat dat betreft is er geen
verandering. Is het de heer Van Oven
bekend of hier in de praktijk veel
problemen mee zijn? Is dat de reden
dat hij met zijn amendement komt? 

</spreker>
<spreker pagina="39-3114" anker="2291" partij="PvdA" naam="Van Oven">
 Dat is mij
niet bekend. Wat nu gebeurt, is in
feite toch een uitbreiding van het
bereik van artikel 7a. Waar het in
afwachting van de eerste beslissing
over het algemeen over een vrij
korte periode zal gaan, vind ik het
nodig, vanwege het feit dat het nu
onduidelijker wordt om hoeveel tijd
het zal gaan, dat hierover een
bepaling in de wet wordt opgeno-
men.
Voorzitter! Vervolgens maak ik nog
een opmerking over artikel 15a in
relatie tot artikel 11 van de Vreemde-
lingenwet. De staatssecretaris schrijft
ons dat het niet onmogelijk wordt
gemaakt voor vreemdelingen om op
grond van artikel 11 een aanvraag in
te dienen op grond van humanitaire
redenen. Als blijkt dat die aanvraag
niet op basis van reguliere doelein-
den is gedaan maar op asielgronden,
dient de vreemdeling zich te melden
in het aanmeldcentrum, zo stelt de
staatssecretaris. Ik vraag mij toch af
of dat niet verwarrend is. Wat is dan
de consequentie wanneer de
betrokken ambtenaar tot de
conclusie komt dat het eigenlijk om
een asielzaak gaat? Is er niet een
betrekkelijk breed grijs gebied van
angstpsychoses die gedeeltelijk wel
en gedeeltelijk niet los kunnen
worden gezien van oorlogssituaties?
Het lijkt mij uiterst lastig om dat uit
te maken, terwijl de consequenties
betrekkelijk verstrekkend kunnen zijn.
Betrekkelijk verstrekkend, want het
blijft natuurlijk altijd mogelijk om een
verzoek in te dienen dat tot een
verblijfstitel kan leiden, maar het kan
dan wel een geheel andere proce- dure inluiden. Met andere woorden:
riskeer je niet dat na een niet-
ontvankelijkverklaring, op grond van
een verzoek op basis van artikel 11,
waarvan de ambtenaar vindt dat het
eigenlijk een asielverzoek is, er een
extra procedure plaatsvindt op grond
van genoemd artikel 11?
Wat betreft de verlenging van de
termijn van de beschikking inzake
een aanvraag om toelating vanwege
buitengewone omstandigheden
steunt mijn fractie de staatssecretaris
in de gedachte dat die verlengings-
mogelijkheid nodig kan zijn. Het blijft
mogelijk dat wij plotseling met zeer
grote aantallen mensen worden
geconfronteerd en dat het apparaat
die toestroom dan niet aankan,
ondanks de buffercapaciteit die wij
met z’n allen bezig zijn te cree¨ren en
die mijn fractie toejuicht. Het gevaar
bestaat natuurlijk dat het uitslijt en
dat het tot een feitelijke gewoonte
wordt. Om dat te voorkomen en de
regering aan haar woord te houden
dat het werkelijk gaat om buitenge-
wone omstandigheden, zou mijn
fractie het op prijs stellen dat
wanneer dergelijke gevallen zich
voordoen, dit ook wordt gemeld. Dan
kan de Kamer onmiddellijk toetsen.
In dat verband dien ik een motie in.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende, dat een verlenging
van de termijn van de beschikking
inzake aanvragen om toelating
(artikel 15e) slechts in buitengewone
omstandigheden kan plaatsvinden;
overwegende, dat het niet mogelijk
is vooraf exact de criteria aan te
geven wanneer van deze mogelijk-
heid gebruik kan worden gemaakt;
verzoekt de regering de Kamer
vooraf te berichten indien zij gebruik
gaat maken van de mogelijkheid tot
verlenging van de termijn van de
beslissing als bedoeld in artikel 15e,
en gaat over tot de orde van de dag. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3114" anker="2292" naam="De voorzitter">
 Deze motie is
voorgesteld door het lid Van Oven.
Naar mij blijkt, wordt zij voldoende
ondersteund.
Zij krijgt nr. 13 (25172). 

</spreker>
<spreker pagina="39-3114" anker="2293" partij="VVD" naam="Rijpstra">
 De motie is
op zichzelf helder, maar ik probeer
even de praktijk voor de geest te
halen. De regering meldt ons op een bepaald tijdstip: wij redden het niet.
Stelt u zich dan voor dat wij dan een
oordeel moeten geven over de reden
waarom de regering het niet redt? 

</spreker>
<spreker pagina="39-3114" anker="2294" partij="PvdA" naam="Van Oven">
 Dat kan.
Als wij daar behoefte aan hebben.
Wij kunnen het ook voor kennisge-
ving aannemen. Vaak zullen de
omstandigheden zodanig zijn dat de
Kamer er een debat aan zou willen
wijden. Voorbeelden zijn altijd
speculatief, maar als er plotseling 2
miljoen Algerijnen naar Europa
komen en Nederland bereid zou zijn
om er 30.000 van te ontvangen, is
dat sowieso een reden om er een
debat over te houden. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3114" anker="2295" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Ik
heb met belangstelling naar de motie
geluisterd. Maar waarom deze
motie? In mijn motie heb ik namelijk
gevraagd om criteria vast te leggen
in een AMvB. Ik heb aangegeven dat
ik dan denk aan situaties als die in
voormalig Joegoslavie¨. Op dat
moment is er overleg met de UNHCR
en met de Kamer. Ik kan mij
voorstellen dat je in een AMvB een
dergelijke procedure vastlegt. Wat is
daartegen? Waarom deze motie? 

</spreker>
<spreker pagina="39-3114" anker="2296" partij="PvdA" naam="Van Oven">
 U en ik
proberen garanties in te bouwen om
die regeling zijn eigenlijke betekenis
te laten behouden. Ik voorzie dat de
situaties waarin artikel 15e toepas-
sing zou kunnen vinden, zo bijzonder
zullen zijn, dat ik mij heel moeilijk
kan voorstellen dat wij die in
algemene criteria kunnen vangen.
Als wij dat wel doen, zullen dat toch
situaties zijn die daar buiten vallen.
In die zin lijkt het mij praktischer om
dat als het ware per incidenteel geval
toetsbaar te maken. Mocht na een
aantal jaren blijken dat dat in feite
leidt tot toetsing aan bepaalde
criteria, dan kunnen wij dat alsnog
vastleggen. Dit is echter de methode,
waardoor de Kamer daar het meest
direct op kan blijven zitten. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3115" anker="2297" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Ik
vind het echter jammer dat u door
deze methode het oordeel volledig
aan de Kamer overlaat, met alle
respect voor alle collega’s, terwijl in
mijn voorstel daar nog een interna-
tionale component aan zit. Dat is
misschien iets objectiever en meer
gebaseerd op de internationale
situatie. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3115" anker="2298" partij="PvdA" naam="Van Oven">
 Ik kan mij
niet voorstellen dat, wanneer de
regering een dergelijke mededeling
aan de Kamer doet, zij daarbij niet
het oordeel van bijvoorbeeld de
Hoge commissaris voor de vluchte-
lingen zou vermelden. Dat zou in
ieder geval van wijs beleid getuigen.
Voorzitter! Mijn laatste opmerking
over artikel 15e betreft de relatie met
het gemeenschappelijk optreden dat
momenteel in de JBZ-raad in
discussie is – het ziet er overigens
niet naar uit dat het al heel snel tot
besluitvorming zal leiden – inzake de
ontheemden. In verband met dat
gemeenschappelijk optreden is van
de kant van de Europese Commissie
en het Europees Parlement bepleit
om gezinshereniging ook voor
ontheemden in een vroeg stadium
mogelijk te maken. Zou niet het
effect van de maatregel, zoals nu is
voorgesteld in artikel 15e, kunnen
zijn dat die gezinshereniging juist
wordt uitgesteld? Zou er niet bij
voorbaat een spanning kunnen
ontstaan tussen datgene wat in
Europees verband op het gebied van
die gezinshereniging ten aanzien van
ontheemden wordt voorgesteld en
de maatregel die in de wet wordt
opgenomen? Mijn fractie zou dat
betreuren.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="39-3115">

 
<spreker pagina="39-3115" anker="2299" partij="CDA" naam="Bremmer">
 Mijnheer
de voorzitter! Wij danken de
staatssecretaris voor de mondelinge
en schriftelijke beantwoording op de
bijdrage en vragen van mijn
inmiddels al ruim een week door
ziekte gevelde collega Verhagen. Het
betreft hier inderdaad een zelfs voor
insiders uitermate ingewikkelde
materie, laat staan voor outsiders.
Als onze vragen zijn echter beant-
woord. Uit de bijdrage van mijn
collega is al duidelijk geworden dat
bij een adequate beantwoording mijn
fractie kan instemmen met de
voorliggende wijziging van het
wetsvoorstel.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="39-3115">

 
<spreker pagina="39-3115" anker="2300" soort="Staatssecretaris" naam="Schmitz">
 Mijnheer
de voorzitter! Ik wil beginnen met de
heer Verhagen beterschap te
wensen. Hij heeft nu hopelijk een
paar weken om uit te rusten. Het ga
hem dus goed.
De heer Van Oven heeft kort
gesproken over artikel 4. Hij heeft
gezegd dat er kopiee¨n moeten
worden gemaakt van stukken, dat
men intussen zonder papieren zit en
dat dat lastig is. Zoals in de brief van
9 december staat, wordt in de
Algemene wet bestuursrecht
gesproken over een korte tijd. Ik zou
mij kunnen voorstellen dat in de
werkinstructie bijvoorbeeld wordt
vastgelegd ’’een 24 uur behoudens
bijzondere omstandigheden’’. Ik zet
dat echter nog even tussen haakjes,
want ik moet nog even kijken wat
precies redelijk is. Zoiets zou ik mee
willen nemen, maar de Kamer moet
mij even wat ruimte geven als het
om de 24 uur gaat. Ik kan namelijk
niet helemaal overzien of dat ook zo
uitvoerbaar is. Maar dat wij via de
instructie daaraan invulling geven,
lijkt mij op zichzelf niet onredelijk.
Voorzitter! Zowel mevrouw Sipkes
als de heer Van Oven is teruggeko-
men op artikel 7a. Mevrouw Sipkes
heeft op dat punt een motie
ingediend en de heer Van Oven een
amendement. Beide leden brengen
in feite naar voren dat je het
automatisme van het besluit zoals
het nu in voorstel ligt, toch wat zou
moeten beperken. De heer Van Oven
heeft gepleit voor een discretionaire
bevoegdheid, voor een kan-bepaling,
terwijl mevrouw Sipkes nog iets
verdergaat en voorstelt om de
criteria vast te leggen in een
algemene maatregel van bestuur.
Als de Kamer het amendement
van de heer Van Oven zou aanne-
men, dan is het logische gevolg
daarvan dat je op een of andere
wijze criteria moet vastleggen. Eerlijk
gezegd, heb ik geen bezwaar tegen
het amendement van de heer Van
Oven. Ik denk dat daarmee toch nog
wat meer verantwoording wordt
gegeven over de beslissing, die dan
ook toetsbaar is. Daarmee zeg ik
eigenlijk ook dat je dan criteria moet
vastleggen om aan te geven onder
welke omstandigheden je van die
bevoegdheid gebruik maakt.
Mevrouw Sipkes maakt een royaal
gebaar door aan te geven dat de
criteria in een wet, besluit of AMvB
kunnen worden vastgelegd. De wet
bespreken wij vandaag. Het ligt
derhalve voor de hand om ze in een
AMvB of besluit vast te leggen. Een
besluit zou dan het meest praktisch
zijn, maar ik heb geen problemen
met een AMvB. Ik wil dat dus graag
toezeggen. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3115" anker="2301" partij="D66" naam="Dittrich">
 Voorzitter! Ik
heb collega Van Oven geı¨nterrum-
peerd over zijn amendement op stuk
nr. 10, omdat ik mij afvraag wat wij
de praktijk gaan bezorgen als wij een
discretionaire bevoegdheid in de
wetstekst opnemen. Ik vroeg aan de
heer Van Oven of dat betekent dat
dan elke beslissing gemotiveerd
moet worden. Hij antwoordde daarop: ja, dat kan eventueel kort
zijn. Denkt de staatssecretaris niet
dat dit allerlei procedures gaat
genereren, terwijl dat eigenlijk niet
nodig is omdat in de oorspronkelijke tekst staat: dient een aanwijzing op
te volgen? Als een ambtenaar die
aanwijzing niet geeft, hoeft de
asielzoeker die niet op te volgen en
is er voor hem geen enkele noodzaak
om bezwaar aan te tekenen of in
beroep te gaan. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3115" anker="2302" soort="Staatssecretaris" naam="Schmitz">
 Maar als
de ambtenaar het wel doet, is dat
ook vatbaar voor een procedure.
Mevrouw Sipkes heeft gevraagd om
ook de criteria vast te leggen. Dan
kun je bij de motivering deels
verwijzen naar de criteria en
misschien is er ook nog sprake van
individuele omstandigheden. Ik ben
het met de heer Dittrich eens dat er
in het hele asielverhaal heel veel
procedures zitten. Dat is ook de
reden voor het steeds weer zoeken
naar stroomlijning. Aan de andere
kant, wij hebben zojuist even over de
vreemdelingenbewaring gesproken.
En of het nu vrijheidsbeperking of
-ontneming is, materieel gezien
betekent het dat mensen worden
ingeperkt. De regering heeft het niet
voorgesteld, maar ik heb er geen
bezwaar tegen als wij dat nog met
wat meer zorgvuldigheid omringen.
Daarom heb ik ook gezegd dat ik
geen bezwaar heb tegen het
amendement van de heer Van Oven.
Ik heb overigens niet gezegd dat ik
het overneem. Ik wil de motie van
mevrouw Sipkes daarbij ook positief
benaderen.
Voorzitter! Ik heb toch niet
helemaal begrepen wat nu het
probleem van de heer Van Oven is
met artikel 11. Als er werkelijk sprake
is van de aanwezigheid van
asielgronden, dan verwijzen wij naar
de bekende AC-procedure. Wat dat
betreft, zie ik zelf niet echt proble-
men. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3116" anker="2303" partij="PvdA" naam="Van Oven">
 Ik geef
toe dat het niet erg vaak zal
voorkomen, maar het zou kunnen dat
op basis van een angstpsychose een
aanvraag op basis van humanitaire
gronden wordt gedaan, dat een
ambtenaar vanwege de uitleg die
eraan wordt gegeven daarin toch een
asielmotief ziet en dat hij op grond
van artikel 11 die aanvraag niet
ontvankelijk verklaart. Daar zou dan
in principe tot een procedure kunnen
leiden en dit zou extra procedures
kunnen genereren. De kans is niet
erg groot, omdat betrokkene altijd
weer in een aanmeldcentrum terecht
zal komen, tenzij hij er als het ware
bezwaren tegen zou hebben. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3116" anker="2304" soort="Staatssecretaris" naam="Schmitz">
 Ik denk
dat er op dit moment onvoldoende
aanleiding is om dat probleem te
verwachten. Wij blijven in elk geval
de wet en de praktijk volgen.
Voorzitter! Ik kom tot artikel 15e,
het artikel inzake buitengewone
omstandigheden. Het moet echt
gaan om buitengewone omstandig-
heden. Het gaat niet om een
verkapte methode om dadelijk heel
categoriaal allerlei mensen te
beoordelen, omdat dit ons makkelij-
ker uitkomt. De heer Van Oven
vraagt in een motie ervoor te zorgen
dat de Kamer onmiddellijk op de
hoogte wordt gesteld, zodat er een
debat over kan plaatsvinden. Dat
vind ik logisch. Ik zou het al uit
mijzelf hebben gedaan, maar dat hij
dit vastgelegd wil hebben, vind ik
vanzelfsprekend. Het gaat om het
volgende. Er is ergens in de wereld
een bepaalde situatie ontstaan en wij
menen dat 15e moet worden
toegepast, omdat wij het probleem
anders niet aan kunnen. Wij zullen
dit onmiddellijk aan de Kamer
melden. Vervolgens kan gesproken
worden over het antwoord op de
vraag of wij 15e mogen toepassen.
Ik wil de Kamer het aannemen van
de motie van mevrouw Sipkes
ontraden. Daarin wordt uitgesproken
om bij voorbaat alle criteria in een
AMvB vast te leggen. Het gaat echt
om buitengewone omstandigheden.
Die moeten aangetoond kunnen
worden als wij de Kamer laten weten
dat wij dat artikel willen toepassen.
Het bij voorbaat in allerlei criteria
vastleggen in een AMvB wat ooit in
de wereld moet gebeuren om onder
’’buitengewone omstandigheden’’
gevangen te kunnen worden, vind ik
niet erg praktisch.
Nogmaals, ik heb geen problemen
met de motie van de heer Van Oven,
ofschoon ik vind dat de regering al
uit zichzelf moet doen wat in de
motie gevraagd wordt. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3116" anker="2305" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Ik wil
op geen enkele manier vastleggen
van welke rampen dan ook zich in de
toekomst in de wereld kunnen
voordoen. Ik kan mij echter wel
voorstellen dat een algemene
omschrijving van onverwachte
gebeurtenissen en rampen van
politieke of andere aard wordt
gegeven, evenals de weg waarlangs
gekomen kan worden tot opschor-
ting. Als zoiets vastligt, is het in de
toekomst beter toetsbaar voor de
rechter. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3116" anker="2306" soort="Staatssecretaris" naam="Schmitz">
 Voorzitter!
Af en toe spreken wij in de Kamer
over deregulering. Ik vind het de
plicht van de regering dit soort zaken
te melden aan de Kamer en de
ruimte te geven voor een debat
erover. Ik zie niet veel heil in het
vastleggen van buitengewone
omstandigheden via een AMvB.
Mevrouw Sipkes heeft er bezwaar
tegen gemaakt dat de aparte VTV
humanitaire aard niet rechtstreeks
aan de orde kan komen. Zij verwees
nog eens naar artikel 3 EVRM. Ik heb
daarover aan het adres van de heer
Dittrich al het een en ander gezegd.
De regering heeft een uitdrukkelijke
voorkeur voor hetgeen zij heeft
geformuleerd, omdat de VTV
humanitaire aard uitdrukkelijk aan de
orde komt. Ik zie geen aanleiding
daarop terug te komen.
Wat de vreemdelingenbewaring
betreft, heeft mevrouw Sipkes
aangedrongen op het betrachten van
snelheid met de invulling daarvan. Ik
probeer de beoogde notitie uit te
brengen in de tweede helft van
januari. Ik denk dat dit haalbaar is.
Daarin zullen wij vermelden of de
elementen die in het amendement
van mevrouw Sipkes zijn weergege-
ven, invulbaar zijn. Als dat niet het
geval is, schieten wij er niets mee
op. Ik wil in die notitie ook meene-
men of wij de kant van wetswijziging
op moeten. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3116" anker="2307" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 In
eerste instantie gaf de staatssecreta-
ris wat dit betreft al de voorkeur aan
een motie. Ik zou het amendement
op stuk nr. 8 kunnen omzetten in een
motie, maar ik ben blij met de
toezegging van de staatssecretaris.
Wij wachten de ontwikkelingen in de
tweede helft van januari af en
trekken het amendement op stuk nr.
8 in. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3116" anker="2308" naam="De voorzitter">
 Aangezien het
amendement-Sipkes (stuk nr. 8) is
ingetrokken, maakt het geen
onderwerp van beraadslaging meer
uit. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3116" anker="2309" soort="Staatssecretaris" naam="Schmitz">
 Voorzitter!
Ten slotte dank ik de heren Bremmer
en Rijpstra voor hun expliciete en
impliciete steun aan het wetsvoor-
stel.
De algemene beraadslaging wordt
gesloten. 

</spreker>
<spreker pagina="39-3116" anker="2310" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, aan het
eind van de vergadering te stemmen.
Daartoe wordt besloten.
De vergadering wordt enkele
minuten geschorst.</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="39-3116">

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Wet balansverkorting
geldelijke steun volkshuisvesting
(aanvullende bijdrage) (24514).
(Zie vergadering van 23 januari
1997.)
De algemene beraadslaging wordt
hervat.

<blok pagina="39-3116">

 
<spreker pagina="39-3116" anker="2311" partij="VVD" naam="Hofstra">
 Voorzitter!
Resteert nog de vraag welke
woningen wel of niet meetellen als
het gaat om de aanvullende bijdrage.
Wij praten dan over het specifieke DKP-bezit: de woningen uit de tijd
van bouwen op de pof. Het
wijzigingsvoorstel is twee jaar
geleden ingediend. Nu gaat het om
de afronding. Hiermee is toch een</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


