<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN6525B12]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Werkloosheidswet, houdende onder meer verlenging van de periode gedurende welke de uitkeringen ten laste van een wachtgeldfonds komen (25617)</item>
<item attribuut="Bestand"> 42 Kb</item>
<item attribuut="Inhoud">Gesproken wordt onder meer over de verdubbeling van de wachtgeldperiode en de invoering van een franchise, alsmede over 'brandbrieven' uit enkele sectoren. Het wetsvoorstel wordt zonder stemming aangenomen. Aan het eind van dit onderdeel, de laatste vergadering van het kalenderjaar, bespreekt de voorzitter statistische gegevens over onder meer het aantal aan de Eerste Kamer ter behandeling aangeboden wetten en het aantal commissievergaderingen. Die cijfers zijn in een noot aan het einde van de editie van de Handelingen, pagina 668 (apart document).</item>
<item attribuut="Rubriek">Sociale zekerheid (Werkloosheidsvoorzieningen (WW, WWV))</item>
<item attribuut="Trefwoorden">WW</item>
<item attribuut="Dossiernr">25617</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1997-1998, nr. 11, Eerste Kamer, pag. 661-667</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">23-12-1997</item>
<item attribuut="Document-id">HAN6525B12</item>
<item attribuut="Omvang">7 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Eerste Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Werkloosheidswet</item>
<item attribuut="doccode">EK 14</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="14-661">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Werkloosheidswet,
houdende onder meer verlenging
van de periode gedurende welke
de uitkeringen ten laste van een
wachtgeldfonds komen (25617).
De beraadslaging wordt geopend.

<blok pagina="14-661">

 
<spreker pagina="14-661" anker="146" partij="CDA" naam="Hofstede">
 Mijnheer
de voorzitter! De CDA-fractie is veelal
voorstander van een herverdeling
van verantwoordelijkheden, zeker als
dat leidt tot een positieve beı¨nvloe-
ding van de arbeidsmarkt, zoals in
dit wetsvoorstel beoogd. Desondanks
is er bij de leden van de CDA-fractie
in toenemende mate een onrustig
gevoel ontstaan over de vraag of dat
beoogde doel daadwerkelijk bereikt
zal worden.
Het gaat in dit wetsvoorstel om
twee zaken, te weten een verdubbe-
ling van de wachtgeldperiode van 13
weken naar 6 maanden en om de
invoering van een vrij omvangrijke
franchise. Beide wijzigingen worden
voorgesteld zonder dat deugdelijk
onderzoek heeft plaatsgevonden.
Precies twee jaar geleden is de
wachtgeldperiode verlengd van 8
naar 13 weken. Daarbij was een
evaluatie toegezegd, maar deze heeft
helaas tot nu toe niet plaatsgevon-
den.
In de nota naar aanleiding van het
verslag wordt op door onze fractie
gestelde vragen door het kabinet
gewezen op de moeilijkheidsgraad
van zo’n evaluatie. Direct daarna volgt de zin: ’’Omdat het kabinet de
ingezette beleidslijn ten principale
een juiste acht, wil het kabinet niet
zolang wachten.’’ Betekent dit dat de
evaluatie op de lange baan wordt
geschoven?
De waarschuwende vinger van de
Raad van State en het pleidooi van
de SER voor geleidelijkheid en
maatwerk worden door deze
overhaaste invoering toch wel
lichtvoetig terzijde geschoven.
Een vraag van de fractie van de
Partij van de Arbeid in het voorlopig
verslag, die handelt over premie-
differentiatie op ondernemingsniveau
in plaats van op sectorniveau, wordt
beantwoord met de mededeling dat
deze variant momenteel uitgebreid
wordt onderzocht. Waarom kan zo’n
onderzoek wel op ondernemings-
niveau en niet op sectorniveau
plaatsvinden, alvorens met zulke
ingrijpende wijzigingsvoorstellen te
komen? Of zijn enkele rijke
wachtgeldfondsen zo begeerlijk dat
zij met dit wetsvoorstel als een soort
melkkoetje van het kabinet kunnen
worden gebruikt, nadat de rechter
dat eerder had verboden?
Het tweede aspect van dit
wetsvoorstel is niet aan de orde
geweest bij de schriftelijke voorberei-
ding, waarbij wij vanwege de grote
tijdsdruk hebben afgezien van een
nader voorlopig verslag. Dat neemt
niet weg dat de zaak nu toch aan de
orde moet komen. Wij doelen op de
franchise, die lager betaalde arbeid
en deeltijdarbeid goedkoper maakt.
Dat is op zichzelf een loffelijk
streven. Edoch, inmiddels hebben wij
brieven ontvangen van een drietal
sectorraden, waaruit grote onrust
blijkt over de voorgenomen
maatregel. In deze brieven wordt
gewezen op de ingrijpende gevolgen
voor bedrijven met naar verhouding
wat beter betaald personeel. In
sectoren met zeer verschillende
bedrijven, wat betreft beloning en
deeltijdarbeid, kan dat tot exorbitante
premies leiden. In een brief wordt
zelfs gewezen op een premie-
inhouding van 28% op het salaris.
De CDA-fractie moet hierover een
aantal vragen stellen. Zijn bovenge-
noemde gevolgen door het kabinet
voorzien? Waren de mogelijke
effecten van de invoering van deze
franchise vooraf voldoende
bestudeerd? Hoe moet hiermee in de
praktijk worden omgegaan? Is er
ruimte voor het vaststellen van een
gelijke premie voor alle werkgevers
in de sector, dus los van de
franchise, zoals door de sectorraad
schoonmaak- en glazenwassers-
bedrijf is voorgesteld? Kunnen
bedrijven die door deze wet in
ernstige mate worden getroffen,
ergens aankloppen voor premie-
vermindering en, zo ja, waar? Hoe
zal een calculerend bedrijf hierop
reageren? Hoe werkt de wet, als
werkgever A een deal sluit met
werkgever B in een andere sector en
een en dezelfde werknemer bij beide
werkgevers een halve dag in dienst
wordt genomen? Geldt dan twee keer de franchise? Samenvattend: is
dit wetsvoorstel wel of niet een
sprong in het duister?
Mijn fractie heeft veel belangstel-
ling voor de beantwoording door de
staatssecretaris. Als hij naar
tevredenheid antwoordt, is het in dit
jaar voor de laatste keer dat hier van
de zijde van de CDA-fractie het
woord wordt gevoerd. Daarom wil ik
namens deze fractie van de
gelegenheid gebruikmaken om de
voorzitter en de leden van dit huis en
de leden van het kabinet goede
feestdagen toe te wensen en voor
1998 veel geluk en vrede.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="14-661">

 
<spreker pagina="14-661" anker="147" partij="PvdA" naam="Van de Zandschulp">

Voorzitter! Het voorstel tot verlen-
ging van de wachtgeldperiode in de
WW stuit bij ons niet op overwe-
gende bezwaren, maar roept al
evenmin een groot enthousiasme op.
Dat komt omdat de inhoudelijke
argumentatie voor dit voorstel blijft
hangen op een nogal theoretisch
niveau. Het gaat om een herverde-
ling van verantwoordelijkheden
waarbij de kosten meer worden
neergelegd waar zij veroorzaakt
worden, aldus de memorie van
toelichting. Dat is een wel erg
algemene notie.
Premiedifferentiatie op sector-
niveau prikkelt niet direct de
individuele werkgever die beslissin-
gen neemt over aanname- en
ontslagbeleid. Zijn individuele
beslissingen werken zo sterk verdund
door in de wachtgeldpremie dat hij
dat niet of nauwelijks individueel
voelt. Deze constatering is op zichzelf
geen pleidooi voor premie-
differentiatie op individueel
bedrijfsniveau. Premiedifferentiatie
op sectorniveau veronderstelt een
prikkeling van de sector die natrilt op
het niveau van de individuele, bij die
sector behorende, werkgevers.
Wat is nu een sector en welke
instrumenten heeft een sectororgaan
om de beslissingen van de daarbij
aangesloten individuele werkgevers
te beı¨nvloeden? Er zijn nu zestig
sectoren en zestig wachtgeldfondsen
en instrumenten om kortdurende
werkloosheid te verminderen, liggen
vooral bij CAO-afspraken over
arbeidsmarktbeleid, bij- en herscho-
ling, Arbobeleid, herplaatsings-
afspraken via collegiale in- en
uitlening, sectorale arbeidspools,
replacementbureaus en dergelijke.
Het eerste probleem is dat die
wachtgeldfondsen niet samenvallen
met CAO-gebieden. Soms is dat voor
een groot deel wel het geval, maar
soms is een wachtgeldfonds ook een
allegaartje. Wachtgeldfonds nr. 55
heet ’’overige takken van bedrijf en
beroep’’. Een tweede vraag luidt: hoe hecht
en effectief is een sector georgani-
seerd en is er een traditie van goed
overleg en een gezamenlijke aanpak
van problemen? Het zal geen toeval
zijn dat in de nota naar aanleiding
van het verslag aan deze Kamer juist
de grafische bedrijfstak en de
bouwbedrijfstak naar voren worden
geschoven. Dat zijn namelijk twee
goed georganiseerde bedrijfstakken. Ik maak terzijde nog deze opmerking:
indien het kabinet sectoren aanwijst
als mededragers van het kabinets-
beleid voor volumebeheersing, dan
kan men niet tegelijkertijd met de
gedachte spelen om het algemeen
verbindend verklaren van CAO-
afspraken op de helling te zetten. Ik
maak deze opmerking aan het adres
van de liberale vleugel binnen paars.
In het volgend onderdeel van mijn
betoog neem ik even aan dat het
sectororgaan inderdaad geprikkeld
wordt en het gedrag van de
aangesloten werkgevers weet te
beı¨nvloeden. Ook dan ontstaan er
enkele nadere vragen. Wellicht kiest
men voor een zekere inperking van
de hausse aan tijdelijke contracten
en afroeparbeid, die een hoger
werkloosheidsrisico en hogere
uitvoeringskosten veroorzaken. Maar
het is ook denkbaar dat men kiest
voor nog kortere contracten van
minder dan 26 weken. Dan ontstaat
er immers helemaal geen WW-recht.
Wellicht kiest een sector voor
terugdringing van kortdurende
werkloosheid via vroegtijdige bij- en
herscholing, collegiale in- en uitleen,
poolvorming en dergelijke.
Als die zorg voor kortdurende
werkloosheid er echter toe leidt dat
de instroomkans van langdurig
werklozen nog kleiner wordt, dan kijk
ik er toch met enige gemengde
gevoelens naar. Ik denk dat die
kostentoerekening aan de werkgever
de insider-outsiderproblematiek
aanscherpt. In ieder geval is de
kostentoerekeningsleer steeds een
medaille met twee kanten. Zulke
relativerende kanttekeningen doen
niet af aan de overweging dat
premiedifferentiatie in beginsel een
nuttig instrument kan zijn. Ik wil
graag weten bij welke vormgeving
financie¨le prikkels werken, hoe
potentie¨le voor- en nadelen zich tot
elkaar verhouden en bij welke
omvang een verdere kosten-
toerekening geen verder effect meer
heeft. Daar kan ik alleen achter
komen als wij kiezen voor een
stapsgewijze aanpak waarbij elke
stap gee¨valueerd wordt voordat de
volgende stap gezet wordt. Helaas
hebben wij in Nederland niet voor
die aanpak gekozen. De twee-
zeswekenmaatregel in de Ziektewet
van 1 januari 1994 werd te snel
overruled door een
52-wekenmaatregel. De wachtgeld-
periode werd twee jaar geleden van
acht naar 13 weken verlengd en
voordat enig onderzoek naar de
effecten ervan heeft plaatsgehad,
wordt nu een verlenging naar zes
maanden voorgesteld. Als de ene
wijziging snel over de andere heen
buitelt, valt er niets meer te meten.
Het geforceerde verandertempo van
de laatste jaren verhindert een
leerproces.
Voorzitter! De nu voorgestelde
verlenging van de wachtgeldperiode
valt samen met de invoering van een
forse franchise in de wachtgeld-
premie die nu geheel een
werkgeverspremie wordt. En dit
laatste is weer een uitvloeisel van
het PEMBA-complex met zijn
randvoorwaarden van inkomens- en
lastenneutraliteit die talloze
verschuivingen in belasting- en
premieheffing met zich brengt. Die
samenval in de tijd van de invoering
van een franchise en de verlenging
van de wachtgeldperiode is een
complicatie. Ik had dat kunnen
voorzien, maar het stond niet scherp
op mijn netvlies bij de schriftelijke
gedachtewisseling. Het zou het
kabinet gesierd hebben indien het
ons in de toelichtende stukken
geattendeerd had op deze samenval
en de complicaties die daarbij
kunnen optreden. Misschien is het
departement intern zo verkokerd, dat
de ene afdeling niet in de gaten heeft
wat de andere afdeling uitdoktert en
hoe verschillende processen op
elkaar inwerken, elkaar kunnen
versterken of elkaar kunnen
tegenwerken.
Voorzitter! Ik ben niet a priori
tegen enige franchise, maar het
bestuur van het LISV stelde al op 19
juni van dit jaar dat de voorgenomen
verlenging van de wachtgeldpremie
in combinatie met de invoering van
de franchise tot grote problemen
leidt bij de financiering van sommige
wachtgeldfondsen. In een sector
waar deeltijd overheersend is en de
lonen laag zijn, bijvoorbeeld het
schoonmaak- en glazenwassers-
bedrijf moet de wachtgeldpremie die
al fors hoger uitvalt als gevolg van
de verdubbeling van de wachtgeld-
periode geheel of nagenoeg geheel
opgebracht worden door werkgevers
die ook fulltimers in dienst hebben
en/of iets hogere lonen betalen.
Inmiddels hebben drie sectororganen
ons over hun problematiek geschre- ven: schoonmaak- en glazenwassers-
bedrijf, de commercie¨le dienstverle-
ning en de sector cultuur en
audiovisueel. Alle wijzen ons op
onevenwichtige deels contraproduc-
tieve effecten van de combinatie
franchise en verdubbeling van de
wachtgeldperiode in hun sector. Het
uitzendwezen zit hiernaast met een
ander gegeven. Uit de wachtgeld-
fondsen moeten ook de ziektegeval-
len betaald worden. Bij de invoering
van WULBZ was dit al een discussie-
punt. Desgevraagd antwoordde het
kabinet op vragen van de Eerste
Kamer dat er over die kwestie nog
overleg met de uitzendbranche zou
plaatsvinden. Ik heb er sindsdien
niets meer over vernomen. Ik neem
maar aan dat er goede redenen zijn
om zieke uitzendkrachten onder het
vangnet te laten vallen. Maar
inmiddels leiden vangnet Ziektewet,
franchise en verdubbeling
wachtgeldperiode in deze sector wel
tot een extreem hoge wachtgeld-
premie die nogal eenzijdig opge-
bracht moet worden door uitzendbu-
reaus die zich vooral richten op meer
gespecialiseerde en dus duurdere
uitzendkrachten. Wat zou er tegen
zijn om bij de sector uitzendwezen
een onderscheid te maken tussen het
ziektewetgedeelte en het wachtgeld-
gedeelte en het ziektewetgedeelte uit
te zonderen van de franchise? Dat
verlicht het probleem althans
enigszins en past ook beter bij de
kostentoerekeningsfilosofie.
Een andere denkbare mogelijkheid
is om voorlopig te kiezen voor een
iets lager lastenplafond, dat wil
zeggen een wat grotere verevening
met het AWF. Intussen kan, na
overleg met de desbetreffende
sectoren, worden nagegaan hoe de
kostentoerekening van kortdurende
werkloosheid nauwkeuriger en
minder grofmazig kan plaatsvinden.
Voorzitter! Ik heb al gezegd dat ik
mij niet principieel kant tegen
premiedifferentiatie maar dat dit wel
deugdelijk onderzoek naar de
effecten vereist, naast ’’fine tuning’’
in de uitvoering. Welnu, daarvan is
in deze situatie in elk geval onvol-
doende sprake. Ik hoop dat de
staatssecretaris in staat is, de nog los
rondslingerende uiteinden van deze
voorstellen aan elkaar vast te
knopen. Dat er ernstige problemen
zijn, daarvan ben ik wel overtuigd
geraakt door de brieven van de
desbetreffende sectoren.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="14-663">
<spreker pagina="14-663" anker="148" partij="D66" naam="Gelderblom-Lankhout">
 Mijnheer de voorzitter!
Vastgesteld moet worden dat de
problematiek die ons door middel
van de brieven van de drie sectoren
heeft bereikt, in de Tweede Kamer
niet of nauwelijks aan bod is
gekomen. Om wille van de tijd zal ik
de vragen hierover, die door anderen
reeds voortreffelijk zijn geformuleerd,
niet herhalen. Uiteraard wil ook ik
graag de antwoorden op die vragen
weten. Ik vraag mij af hoe het
kabinet denkt, deze problematiek aan
te pakken. Bestaat het voornemen
om het een jaar zo te proberen en
om, als blijkt dat er onoverkomelijke
problemen zijn, deze wet door
middel van een Veegwet te
repareren?
</spreker>
</blok>
<blok pagina="14-663">
<spreker pagina="14-663" anker="149" partij="VVD" naam="Van den Broek-Laman Trip">
 Mijnheer de voorzitter! Ik
kan mij aansluiten bij de opmerking
van mevrouw Gelderblom, waarmee
zij zich weer heeft aangesloten bij
opmerkingen van anderen. Het lijkt
mij eenvoudig om het zo te doen. Ik
doel nu op de sectoren met veel
deeltijdwerkers. Ook mijn fractie is
bezorgd over dat probleem.
Voorzitter! Wij moeten ons
realiseren dat het om een ingrijpend
wetsvoorstel gaat. Op een aantal
onderdelen wordt de werkloosheids-
wetgeving gewijzigd. In plaats van 13
weken zijn werkgevers nu zes
maanden verantwoordelijk voor de
wachtgelden nadat werknemers zijn
ontslagen. Die werkgevers worden
dus nadrukkelijk geconfronteerd met
de lasten van kortdurende of
langdurige werkloosheid. Het is
begrijpelijk dat de regering verlangt
dat de werkgever een beter afweging
maakt waar het gaat om maatschap-
pelijke kosten en baten van
ontslagbeslissingen.
Mijn fractie constateert in het
verslag dat dit wetsvoorstel een
nieuwe stap is in de ontwikkeling die
ertoe leidt dat de financie¨le
verantwoordelijkheid ten laste komt
van het bedrijfsleven, met name de
werkgevers. Intussen trekt de
rijksoverheid steeds meer zeggen-
schap naar zich toe. Is het nog wel
zo dat het principe ’’wie betaalt,
bepaalt’’ wordt gehandhaafd?
Voorzitter! Dat was de vraag van de
fractie van de VVD. De staatssecreta-
ris heeft daarop uitvoerig gerea-
geerd, maar met alle respect heb ik
niet de indruk dat hij deze vraag ook
werkelijk heeft beantwoord. Hij
beaamt dat de financie¨le verantwoor-
delijkheid in sterkere mate bij de
werkgevers komt te liggen en
vervolgens beschrijft hij uitbundig de
extra ruimte die werkgevers zouden
krijgen. In de nota naar aanleiding
van het verslag stelt hij dat het
kabinet in 1998 voor werkgevers de
mogelijkheden wil verruimen om de
kortdurende werkloosheid te
beperken. Zo zullen de mogelijkhe-
den worden verruimd om sectorale
initiatieven die bijdragen aan de
beperking van de werkloosheid, te
financieren. Voorts geeft hij aan dat
werkgevers, doordat meer faciliteiten
worden geboden bij het in dienst
nemen van werklozen, in sterkere
mate kunnen bepalen hoeveel ze
betalen. De staatssecretaris
concludeert dat hij onze mening dat
het ministerie veel zaken naar zich
toetrekt, niet kan onderschrijven. Hij
zegt dus eigenlijk dat er prachtige
algemene faciliteiten zijn die de
werkgevers kunnen gebruiken om
hun beleidsvrijheid te vergroten. Dit
is echter geen antwoord op de vraag
van de VVD. De VVD wil dat de
individuele werkgever ruimte en
mogelijkheden heeft om werknemers
in dienst te nemen, en dat dus niet
alles door de minister bepaald wordt.
Wij blijven van mening dat binnen
de socialezekerheidswetten steeds
vaker het bedrijfsleven betaalt en de
overheid de zeggenschap over de
gelden naar zich toetrekt. Hoever
gaat nu eigenlijk de verantwoorde-
lijkheid van de minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid in
verband met lastenontwikkeling en
inkomensbeleid? Wordt de verant-
woordelijkheid met de invoering van
deze wet niet nog verder naar de
minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid verlegd? Ik hoor
graag een reactie hierop van de
staatssecretaris.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="14-663">

 
<spreker pagina="14-663" anker="150" soort="Staatssecretaris" naam="De Grave">

Voorzitter! Ik begin met een
antwoord op de vraag van mevrouw
Van den Broek, niet alleen omdat
deze mij als staatssecretaris
interesseert, maar ook omdat deze
een breder perspectief aan dit
wetsvoorstel geeft. Overigens raak ik
hiermee aan elementen die de heer
Van de Zandschulp naar voren heeft
gebracht.
Wij moeten beseffen dat de
sociale zekerheid altijd al in
belangrijke mate door werkgevers
betaald is. Mevrouw Van Leeuwen en
heer Hofstede weten er ongetwijfeld
veel meer van dan ik, maar ik
herinner mij goed dat er eind jaren
zeventig lange tijd over is gediscussi-
eerd in verband met voorstellen om
op de sociale zekerheid te bezuini-
gen. Onder andere de vakbeweging
vroeg zich toen af waar de overheid
zich mee bemoeide. Het waren
immers de werknemers die
meebetaalden aan de premies. Later
is vrij algemeen aanvaard dat de
neiging bestond, de premies als
onderdeel van de totale loonkosten
af te wentelen, en dat de kosten
ervan dus uiteindelijk bij de
werkgevers terechtkwamen. Dat wil
zeggen dat de premies ten laste
kwamen van het onderdeel van het
nationale inkomen beschikbaar voor
winstinkomen en hiermee voor
investeringen en werkgelegenheid.
Zo is er lange tijd de samenhang
geweest tussen ingrepen in de
sociale zekerheid, winstherstel voor
het bedrijfsleven, herstel van
werkgelegenheid en hiermee herstel
van het draagvlak voor de premies.
Het lijkt mij een misverstand dat
werkgevers als zodanig niet betalen
voor de totale kosten van de sociale
zekerheid. Dit wetsvoorstel verandert
dus niet wie er betaalt. De heer
Hofstede vroeg of dit wetsvoorstel
een soort van melkkoetje voor de
overheid is. De overheid gebruikt in
die zin altijd een melkkoe. Alles wat
de overheid moet betalen, moet zij
eerst bij Jan of Piet, werkgever of
werknemer, belastingbetaler of
premiebetaler, hebben wegge-
molken. Anders kan er niets worden
uitgegeven. De overheid is dus
voortdurend bezig, de melkkoe
Nederlandse samenleving te melken.
De discussie gaat nu over de vraag
hoeveel melk er moet worden
gemolken. Ik kan hierover een
politieke opmerking tegen de heer
Hofstede maken. Er zijn partijen die
in hun verkiezingsprogramma
schrijven dat er wat minder moet
worden gemolken, maar hij geeft als
politieke boodschap dat er eigenlijk
wel genoeg wordt gemolken en dat
het niet minder hoeft.
Het gaat er nu dus niet om dat de
werkgevers betalen, maar het gaat
om de vraag welke werkgever wat
betaalt. De totale kosten van de WW,
zoveel miljard, moeten worden
betaald door de werkgevers. De vraag is, wie wat betaalt: is dat de
collectiviteit of wordt er een groter
deel van dit bedrag toegerekend aan
individuele werkgevers om langs die
lijn gedragsbeı¨nvloeding te krijgen
rond de afwegingen? En vinden we
daar het juiste evenwicht in?
Dat is een discussie, voorzitter, die
we ook hebben gevoerd, uitvoerig,
bij de WAO – een vergelijkbare
gedachtegang en een vergelijkbare
discussie. Nu zien we die discussie
bij de WW, zij het dat de ultieme
discussie zijn weerslag moet krijgen,
als er invulling wordt gegeven aan
het voornemen van het kabinet zoals
neergelegd in de nota ’’Werken aan
zekerheid’’. Daarin hebben we
gezegd dat we rond het thema
premiedifferentiatie in de WW nog
eens met een uitvoerig stuk komen,
waarin we beargumenteren welke
mogelijkheden er op dat punt liggen
en zijn, en wat de voors en tegens
op dat punt zijn. Dan krijgen we ook
de onderbouwing waar de heer Van
de Zandschulp naar vraagt. We
krijgen dan ook goed op een rijtje
hoe nu eigenlijk, in het verlengde
van die WAO-discussie, de
verantwoordelijkheidsverdeling
collectief/individueel haar plaats
vindt rond de WW. Dat heeft immers
weer andere aspecten en andere
kenmerken dan bij de WAO. In zekere
zin – daar heeft de heer Van de
Zandschulp gelijk in – loopt dit
voorstel hierop vooruit.
Nu nog even terug naar mevrouw
Van den Broek, voorzitter. Ik geloof
niet dat dit onderwerp te maken heeft met het principe: wie betaalt,
bepaalt. Nu is het op zich zo dat elke
regelgeving daar een inbreuk op is,
als je heel strikt redeneert. Immers,
de burger betaalt of de werkgever
betaalt en als die dat allemaal moet
bepalen, kunnen wij naar huis. Maar
gelukkig zijn wij ook weer de
vertegenwoordigers van die
werkgevers en werknemers, en
moeten we namens hen toch
afwegingen maken. Dat geeft al aan
dat je daar niet al te scherp en
precies in kunt knippen. Maar ik
versta haar goed dat, op het moment
dat je grotere verantwoordelijkheden
neerlegt bij individuele werkgevers,
ook in financie¨le zin, je die werkge-
vers dan ook meer mogelijkheden
moet geven om te kunnen afwegen.
Dat lijkt me wel een terecht punt.
Nu, voorzitter, terug naar dit
wetsvoorstel, zij het dat ik eerst de
heer Hofstede hartelijk wil danken
voor de goede wensen. Ik kan niet
namens het hele kabinet de goede
wensen aan de CDA-fractie in de
Kamer teruggeven, maar namens
mijzelf spreek ik ook evenzeer de
beste wensen uit. Wat betreft het
wetsvoorstel zelf geloof ik niet dat
hier sprake is van een melkkoe-
discussie, in de zin van ’’rijke
wachtgeldfondsen’’ en ’’begeerlijk’’.
Nee, voorzitter, het blijft allemaal
schuiven binnen premies die betaald
worden door werkgevers; het is meer
de vraag welke werkgever wat
betaalt. De overheid wordt hier, strikt
genomen, geen stuiver rijker van. Ik
doe geen greep in een pot; ik haal
daar geen geld uit. Het is verschui-
ven binnen premies die betrokkenen
betalen. Dat beeld moet ik derhalve
echt verre van mij werpen, althans in
dit geval.
Dat neemt niet weg, voorzitter, dat
dit wel degelijk – zoals de heer Van
de Zandschulp ook aangeeft – een
verdere stap is in de richting van een
herijking van verantwoordelijkheids-
verdeling collectief/individuele
werkgever/sector, als het gaat om de
vraag wie wat betaalt. De argumen-
tatie daarvoor ligt in de geloofwaar-
digheid van de juistheid van de
argumenten die ook hebben
gegolden, toen we de eerste
toerekening per sector hebben
ingevoerd.
Ik geloof wel, voorzitter, dat, als ik
kijk naar de adviezen, het advies van
onder meer de Sociaal-Economische
Raad in zijn kern niet negatief was. Ik
geloof wel degelijk dat de Sociaal-
Economische Raad met het leidende
principe achter dit voorstel kon
leven. Ik vind het belangrijk om dit te
constateren. Daarmee is niet gezegd
dat het goed zou zijn dat hele
vraagstuk van hoever je daarin kunt
gaan op het specifieke terrein van de
WW nog eens heel scherp te
benoemen en te beargumenteren.
Het kabinet stelt zich voor om dat
nog eens te doen bij de toegezegde
notitie op basis van de nota ’’Werken
aan zekerheid’’ op het terrein van de
premiedifferentiatie WW. Daarbij zal
ook zeker het element van insider-
outsiderproblematiek een rol moeten
spelen. Dit is overigens een
problematiek die we al bij de WAO
hebben ontmoet, ten aanzien
waarvan van een vergelijkbare
discussie sprake bleek.
Er doen zich overigens bij de WW
nog wel meer problemen voor.
Misschien mag ik er een noemen,
voorzitter. Het kan natuurlijk zijn dat
het saneren van een bedrijf leidt tot
het afvloeien van mensen in de WW;
dat is maatschappelijk misschien,
micro gesproken, ongewenst. Maar
als het er per saldo toe leidt, dat zo’n
bedrijf daardoor krachtiger, sterker
wordt en het meer kan groeien en
zich kan handhaven in de internatio-
nale concurrentie dan is dat macro
gezien juist weer zeer gewenst. Dit
zijn dus lastige vragen die nog
moeten worden beantwoord, maar
wij komen erop terug om op die
wijze verdere stappen op het vlak
van de WW nog beter dan bij het
huidige wetsvoorstel, te onderbou-
wen.
Voorzitter! Ik moet natuurlijk met
zeer grote kracht ontkennen dat het
departement van Sociale Zaken
verkokerd is. Dat is onjuist. Op dit
punt... 

</spreker>
<spreker pagina="14-664" anker="151" naam="De voorzitter">
 Nou... 

</spreker>
<spreker pagina="14-664" anker="152" soort="Staatssecretaris" naam="De Grave">

Voorzitter! Ik had het niet over het
departement van Justitie, maar over
het departement van Sociale Zaken. 

</spreker>
<spreker pagina="14-664" anker="153" naam="De voorzitter">
 Het ging om de interpunctie. U zei: het departement
van Sociale Zaken is niet verkokerd
op dit punt... Dus waar zet u de
punt? 

</spreker>
<spreker pagina="14-665" anker="154" soort="Staatssecretaris" naam="De Grave">
 Voor
’’op’’ moet een punt.
Voorzitter! Ik geloof dus dat de
causaliteit op dit onderwerp anders
is. De start van de discussie was ook
hier weer de situatie rondom PEMBA
en de loonkosten- en inkomens-
neutraliteit en daarmee ook de
introductie van de franchise. Dat leidt
tot dit voorstel in samenhang met
een aantal andere overwegingen die
in de memorie van toelichting zijn
genoemd. Als zodanig lijkt mij dat
een goede lijn en ik wijs ook op het
SER-advies. Maar ook ik heb kennis
genomen van een aantal brandbrie-
ven van een drietal sectoren dat in
deze specifieke situatie met een
aantal problemen wordt geconfron-
teerd. De verschillende woordvoer-
ders hebben omstandig en zeer goed
uitgelegd waar dat probleem zich op concentreert: een eigenlijk te gering
draagvlak omdat het aantal
werkenden in die sector onder die
franchise zodanig groot is dat een te
klein aantal werkenden de problema-
tiek van het wachtgeld moet
oplossen. Dat wordt ook nog eens
verzwaard doordat bijvoorbeeld in de
uitzendbranche het ZW-vangnetdeel
langs die lijn wordt gefinancierd.
Overigens wijs ik erop dat de
sectoren waarover wij spreken,
ervoor gekozen hebben om te sterk
te differentie¨ren naar onderdeel per
sector zodat je in de sector van het
uitzendwezen heel wisselende
premies ziet tussen die delen die
deze deeltijdproblematiek minder
kennen en die sectoren die het meer
kennen.
Ik ontken niet, voorzitter, dat hier
wel degelijk sprake is van lastige
situaties. Ik moet de Kamer dan ook
meedelen dat ik nog dit jaar
daarover met de drie betrokken
sectoren van gedachten zal wisselen
om na te gaan wat de mogelijkheden
zijn om op dit punt tot een oplossing
te komen. Ik haast mij daarbij te
zeggen dat ik het onvermijdelijk acht,
dat de franchise als zodanig blijft
bestaan – die is overigens door het
LISV voor 1998 vastgesteld – en dat
ik overigens ook van mening ben dat
deze sectoren zouden moeten
beginnen om mij aan te geven welke
initiatieven zij zelf nemen om de
werkloosheid zoveel mogelijk te
beperken. Deze branche kan toch ook
niet functioneren in die zin dat het
makkelijk is als men beschikbaar is
wanneer dat nodig is en dat men
vervolgens in de WW gaat via de
collectiviteit? Zo kan het ook niet
werken. Als wij zoeken naar
oplossingen moet het element wat
betrokkenen er zelf aan kunnen doen,
ook een rol spelen. Zij moeten ook
zelf willen verevenen en bekijken wat
zij zelf kunnen doen in de sfeer van
beperkingen op zowel het terrein van
ziekte als op dat van de WW. Het
gaat inderdaad allemaal om deeltijd.
Vaak is er sprake van een paar
weken werken en dan weer de WW.
Wij kennen die sectoren natuurlijk
allemaal. Het is de vraag of dat
evenwichtig is tegenover de andere
delen van de samenleving waar deze
flexibiliteit niet aanwezig is. Ik heb
niets tegen flexibiliteit maar wel als
de kosten die ermee samenhangen
collectief over iedereen worden
uitgesmeerd. Dat vind ik minder
geslaagd. Ik kan mij goed voorstellen
dat bedrijven zich afvragen wat zij er
eigenlijk mee te maken hebben dat
die hoge kosten samenhangen met
zeer flexibel in- en uitschakelen en
waarom zij daaraan moeten
meebetalen. Natuurlijk is een zeer
hoge marginale premie niet gewenst.
Wij zullen inderdaad moeten bekijken
of er oplossingen voor zijn. Ik heb
een aantal suggesties van de heer
Van de Zandschulp goed genoteerd.
Wij zullen die zeker in de afweging
betrekken en bekijken of ze een
bijdrage kunnen leveren aan een
evenwichtige oplossing voor de
problematiek die in deze drie
sectoren is ontstaan. Hoe belangrijk
deze drie sectoren ook zijn, ik heb
het gevoel dat het geheel van het
bedrijfsleven redelijk hiermee kan
leven – ik onderstreep het woord
’’redelijk’’ – aangezien de introductie
van de franchise onlosmakelijk en
causaal samenhangt met de wens
naar inkomens- en kostenneutraliteit
in het kader van de PEMBA-operatie.</spreker>
<spreker pagina="14-665" anker="155" partij="VVD" naam="Van den Broek-Laman Trip">
 Voorzitter! Omdat wij nu
die drie sectoren noemen, gaat de
staatssecretaris daarmee praten. Ik
vraag mij af hoe het bijvoorbeeld zit
met de horeca en de landbouw, die
ons niet hebben geschreven.
Waarom kiest de staatssecretaris
juist deze drie? 

</spreker>
<spreker pagina="14-665" anker="156" soort="Staatssecretaris" naam="De Grave">
 Ik kan
niet met alle sectoren praten; dat is
een omslachtige methode. Je
reageert op problemen die in de
praktijk zijn gebleken. Ik heb niet
voor niets mijn randvoorwaarden
geformuleerd. Niet elke marginale
premie boven het gemiddelde is
voor mij aanleiding om in te grijpen.
Sterker nog, tot op zekere hoogte is
dat ook beoogd. Ik ga ervan uit dat
men, als er echt sprake is van een
problematiek boven het gemiddelde,
de weg naar u of naar mij weet te
vinden. Als dat niet gebeurt, heb ik
het gevoel dat het allemaal wel
werkbaar is. Dit is overigens geen
uitnodiging om er nu nog even
massaal over te beginnen. Bijvoor-
beeld in het uitzendwezen speelt de
problematiek van de marginale
wachtgeldpremies wel degelijk in
sterke mate, ook vanwege de
cumulatie met het vangnet ZW. Dat
is een reden om ernaar te kijken. De
schoonmaakbranche kent heel veel
parttimecontracten die allemaal
onder de franchise blijven en
overigens nauwelijks banen die
daarboven uitkomen. Kortom, niet
elk probleempje kan direct aanleiding
zijn tot een gesprek, maar met deze
drie sectoren wil ik wel degelijk nog
dit jaar een gesprek voeren.
Overigens is dat niet alleen naar
aanleiding van de bespreking in de
senaat, want deze afspraken waren
natuurlijk al gemaakt, omdat die
brieven ook bij het departement zijn
binnengekomen.
Mijn conclusie is dat het funda-
ment van dit voorstel gezond is en
dat het kan rekenen op voldoende
steun. De precieze argumentatie zal
in een meer definitieve vorm een
plek moeten krijgen in de notitie over
de premiedifferentiatie WW. De
introductie van de franchise kent een
aantal nadelen, die in mijn visie
onvermijdelijk samenhangen met de
inkomens- en loonkostenneutraliteit
van de PEMBA-operatie, die
inmiddels via die wetgeving is
ingevoerd. In de praktijk is er naar
mijn taxatie bij een drietal genoemde
sectoren aanleiding om nader te
verkennen of er additionele
maatregelen moeten worden
genomen om de franchise-
problematiek tot beheersbare
proporties terug te brengen. Ik ga er
daarbij van uit dat die bijdrage niet
alleen wordt geleverd door het
departement, maar ook door de
betrokken sectoren zelf.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="14-665">

 
<spreker pagina="14-665" anker="157" partij="PvdA" naam="Van de Zandschulp">

Voorzitter! Ik begrijp dat de
staatssecretaris nu niet de ruimte
	
heeft om de franchise in te trekken.
Ik kan mij ook voorstellen dat het uit
rechtsgelijkheidsoverwegingen niet
denkbaar is om in de ene sector de
franchise te schrappen en haar in de
andere te handhaven. Toch is de
franchise op zichzelf een scherp
probleem. Als ik het goed heb
begrepen, heeft de schoonmaak- en
glazenwasserssector ongeveer 80%
parttimers in dienst en slechts 20%
fulltimers. In de brief van de
sectorraad staat een licht dreigement
om de resterende fulltimefuncties
ook maar om te zetten in parttime-
functies. Het arbeidsrecht verhindert
dat vooralsnog even, maar het is op
zichzelf niet ondenkbaar op langere
termijn. Wie betaalt er in zo’n sector
dan nog wachtgeldpremie? Dat lijkt
mij een merkwaardig effect van wat
hier gaande is.
Ik hoop dat de staatssecretaris in
het overleg met het uitzendwezen die
cumulatie van ziektewet- en
wachtgeldpremie aan de orde wil
stellen. Ik vind het een ongewenst
samenvallen. De differentiatie binnen
het uitzendwezen zal misschien heel
nuttig zijn als wij ziektewet- en
wachtgeldpremie van elkaar
loskoppelen. Dan is er een ziektewet-
premie zonder franchise, die
gedifferentieerd kan uitwerken en
meer tegemoetkomt aan de hele
kostentoerekeningsleer.
Ik hoop dat de staatssecretaris
bereid is, de Kamer op de hoogte te
stellen van de uitkomsten van het
overleg dat hij nog dit jaar met de
drie genoemde sectoren zal voeren.
Ik dank de heer Hofstede voor zijn
gelukwensen. Ik wens ook hem en
alle collega’s geluk. Dezelfde wensen
gelden natuurlijk ook de staatssecre-
taris.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="14-666">

 
<spreker pagina="14-666" anker="158" soort="Staatssecretaris" naam="De Grave">

Voorzitter! Het zou ongepast zijn als
ik tegen de heer Van de Zandschulp
zou zeggen dat ik niet buitengemeen
serieus zal laten nagaan of zijn
suggestie op het punt van de sector
van het uitzendwezen overweging
verdient. Als onderscheid kan
worden gemaakt, kan dat in
betekenende mate een bijdrage
leveren aan de oplossing van de
marginale wachtgeldpremie-
problematiek. Alles wat daaraan kan
bijdragen, heeft mijn grote interesse.
Het punt zal vanzelfsprekend worden
beoordeeld op mogelijke positieve
en negatieve gevolgen.
Ik zeg de Kamer graag toe dat ik
de uitkomsten van het nog dit jaar te
voeren overleg, dat wellicht volgend
jaar nog vervolgoverleg vergt, aan
de Kamer zal meedelen.
De beraadslaging wordt gesloten.
Het wetsvoorstel wordt zonder
stemming aangenomen.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="14-666">

 
<spreker pagina="14-666" anker="159" naam="De voorzitter">
 Geachte medeleden!
Hiermee zijn wij bijna aan het eind
van de laatste vergadering van dit
kalenderjaar. Ik wil even aandacht
besteden aan de dagen die voor ons
liggen, maar vooral ook terugblikken
op het jaar dat achter ons ligt.
Dankzij de toewijding van de griffier
beschik ik over enige statistische
gegevens, die op zichzelf weer
bestaan dankzij de toewijding van
het centraal informatiepunt, dat over
een grote reeks van jaren statistische
gegevens verzamelt over het werk
dat wij hier verrichten. Het zijn
gegevens over aantallen.
(Deze cijfers zijn opgenomen aan het
eind van deze editie.)
1 

</spreker>
<spreker pagina="14-666" anker="160" naam="De voorzitter">
 Het is aan ons om
vervolgens de vraag te stellen of wij
daaruit conclusies kunnen trekken
over de kwaliteit.
Wanneer wij eerst even kijken naar
de aantallen, valt op dat het aantal
wetten dat ter behandeling aan deze
Kamer is aangeboden, in het
afgelopen jaar – dan spreek ik over
de periode van prinsjesdag tot
prinsjesdag – is gestegen naar 304,
wat weer 49 hoger ligt dan het jaar
daarvoor. Maar wat heeft deze
Kamer daarmee gedaan? Zij zijn voor
een deel – dat is op zichzelf
gebruikelijk – in onderzoek genomen,
hetgeen pleegt te leiden tot
beraadslagingen in een openbare
vergadering. Het deel dat in
onderzoek is genomen, is kleiner dan
in het voorafgaande jaar. Het gaat
om 113 van die 304, oftewel een
percentage van ruim 37, terwijl dat in
het verleden nooit lager dan 50 is
geweest. Dat betekent dat wij in het
afgelopen jaar veel meer geselec-
teerd hebben bij de beslissing, of de
Kamer een wetsvoorstel toch min of
meer uitputtend zou gaan bekijken.
Waartoe leidt dit vervolgens? Tot
een aantal commissievergaderingen,
dat merkwaardigerwijs weer lager
ligt dan het jaar daarvoor. Maar ten
slotte leidt dit tot beraadslagingen in
een openbare vergadering, die jaar
op jaar en ook nu weer aanzienlijk
meer tijd kosten in de vorm van de
beraadslagingen. Wij zien namelijk
dat de omvang van de Handelingen
met bijna 17% is gestegen ten
opzichte van het jaar daarvoor. Dan
moet je de vraag gaan stellen of de
Kamer op dat ogenblik nog steeds
handelt volgens de criteria die zij
daarbij zelf altijd aanvoert, namelijk
dat de wetgeving die haar wordt
aangeboden heel specifiek wordt
gewaardeerd op basis van haar
rechtsstatelijke kwaliteit, de kwaliteit
op het gebied van rechtshandhaving,
handhaafbaarheid en acceptatie door
de samenleving. De vraag kan rijzen,
of wij dat inderdaad in voldoende
mate doen en of niet in steeds
grotere mate sprake is van een
maatschappelijke, om niet te zeggen
politieke discussie in deze Kamer
over wetsvoorstellen, omdat het
steeds vaker voorkomt dat, nadat
een wetsvoorstel door de Tweede
Kamer is aanvaard, er alsnog
maatschappelijke beroering ontstaat,
waardoor de behoefte ontstaat om
daarop alsnog als Staten-Generaal –
dat kan alleen in de Eerste Kamer
gebeuren – te reageren. Men kan
zich afvragen of dat een wenselijke
ontwikkeling is.
Ik spreek daarover nu geen
oordeel uit. Wanneer ik het heb over
de kwaliteit, is er geen enkele reden
om ons nu al aan te praten dat het
daaraan zou schorten. Ik herinner mij
een aantal voorvallen in de periode
die ik dit jaar vanuit deze positie heb
kunnen meemaken, onder andere
toen een tweetal leden van de
Tweede Kamer niet lang achter
elkaar initiatiefwetsvoorstellen
hebben verdedigd, en daarbij beiden
hebben uitgesproken dat zij onder de
indruk waren van de kwaliteit van de
discussie, en vooral van de wijze
waarop in de discussie ook
geluisterd werd naar en gereageerd
op argumenten. Van mijn kant wil ik
daar graag tegenover stellen dat ik
ook zeer onder de indruk was van de
wijze, waarop deze beide initiatiefne-
mers – ik doel op de heren Van
Boxtel en Rosenmo¨ller – van hun
kant die discussie hebben gevoerd,
namelijk op zeer overtuigende wijze,
wat in de politiek overigens niet
altijd voldoende is om een wetsvoor-
stel de eindstreep te doen halen. Het
zijn niet alleen initiatiefnemers uit de
Tweede Kamer; laatst was het
staatssecretaris Vermeend die na de
eerste termijn van de algemene
financie¨le beschouwingen in deze
Kamer mij liet weten, dat hij het
niveau van de discussie zoals die
hier werd gevoerd, buitengewoon
kon waarderen. Ik wil niet aannemen
dat hij daarmee een diskwalificatie
van andere organen in deze Staat
heeft willen uitspreken. Maar goed,
dit is voor de Eerste Kamer prettig
om te horen.
Wij dienen echter langer bij deze
cijfers stil te staan. Als het zo is dat
deze Kamer het accent als gevolg
van maatschappelijke wijzigingen
enigszins zou verleggen en meer een
Kamer wordt die opnieuw de
maatschappelijke bewegingen in
haar overwegingen betrekt, wanneer
blijkt dat daaraan na de discussie in
de Tweede Kamer behoefte bestaat,
behoeft dat op zichzelf helemaal niet
verkeerd te zijn. Het heeft natuurlijk
pas echt zin wanneer er met die
discussie ook iets gebeurt; als er
naar aanleiding van die discussie
toezeggingen door de regering
worden gedaan en die vervolgens
ook worden nagekomen, dus
wanneer die toezeggingen in het
beleid tot uiting komen. Als dat het
geval zou zijn, dan zou er geen
bezwaar kleven aan een wijziging
van de functie van deze Kamer. Het
zou pas bezwaarlijk worden wanneer
wij alleen maar zouden denken dat
wij een dergelijke invloed uitoefenen
en die invloed in de praktijk niet
bestaat.
Het lijkt mij dat het nuttig kan zijn
om daarnaar nu eens wetenschappe-
lijk onderzoek te laten verrichten. Dit
onderzoek moet zich in de eerste
plaats richten op de vraag of er
sprake is van een dergelijke
verschuiving. In de tweede plaats
moet het onderzoek opheldering
geven over de vraag of, wanneer er
een dergelijke verschuiving
plaatsvindt, deze ook maatschappe-
lijk effect heeft. Is dat niet het geval,
dan is het buitengewoon moeilijk
staande te houden dat wij op deze
weg moeten doorgaan. Dan zouden
wij ons daarop nader moeten
bezinnen.
Dit hoeft allemaal niet dit jaar. De
haast die de staatssecretaris
vanavond had om bepaalde zaken
nog wel dit jaar in overleg te
brengen, hebben wij hierbij niet.
Juist de reflectie die nodig is, brengt
met zich dat wij daar nog wel enige
tijd voor hebben. Dit betekent dat wij
thans tot een einde kunnen komen
van onze beraadslagingen gedurende
dit kalenderjaar.
Alvorens dit te doen, wil ik u
gaarne toewensen dat ieder naar zijn
of haar overtuiging gezegende,
gelukkige, prettige of vrolijke
kerstdagen doorbrengt, dat ieder ook
een voorspoedig, in materieel en
immaterieel opzicht, 1998 tegemoet
gaat en dat wij elkaar behouden op
de dertiende januari aanstaande in
deze vergaderzaal terugzien of
wellicht eerder elders in het land,
indien onze wegen elkaar voordien
mochten kruisen.

</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


