<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN6532A11]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Lijst van ingekomen stukken, met de door de voorzitter terzake gedane voorstellen (dinsdag 20 januari 1998)</item>
<item attribuut="Bestand"> 22 Kb</item>
<item attribuut="Rubriek">Staats- en bestuursrecht (Parlement)</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Parlement</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1997-1998, nr. 17, Tweede Kamer, pag. 3486-3488</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">20-01-1998</item>
<item attribuut="Document-id">HAN6532A11</item>
<item attribuut="Omvang">3 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Tweede Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Ingekomen stukken</item>
<item attribuut="doccode">TK 43</item>
</metadata>

<text>	
onverenigbaarheid van functies
geldt. 
<spreker pagina="43-3486" anker="1" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Dat
is niet formalistisch om te zeggen,
maar het is formalistisch. Het is
namelijk formeel zo vastgelegd. Een
ambtenaar die Kamerlid wordt, kan
formeel niet een of twee dagen op
het ministerie blijven werken. In de
private sector kan men dat wel doen. 

</spreker>
<spreker pagina="43-3486" anker="2" partij="PvdA" naam="Rehwinkel">
 Het is
feitelijk ook niet mogelijk dat iemand
naast zijn Kamerlidmaatschap in de
private sector een fulltime functie
uitoefent. Daar draait het uiteindelijk
om. Daarom is het wat formalistisch
om te zeggen dat slechts voor
ambtenaren de onverenigbaarheid
van functies geldt. 

</spreker>
<spreker pagina="43-3486" anker="3" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Het
is formalistisch; ik kan er weinig aan
toevoegen. Er staat gewoon in de
wet dat deze functies onverenigbaar
zijn. Men wordt wel in staat gesteld
om naast het Kamerlidmaatschap
een andere functie te bekleden,
zolang het geen ambtelijke functie is. 

</spreker>
<spreker pagina="43-3486" anker="4" partij="PvdA" naam="Rehwinkel">
 Je bent
niet in staat om die andere functie in
de private sector feitelijk uit te
oefenen. Ook voor mensen uit die
sector geldt dat zij hun functie voor
een belangrijk deel moeten opgeven.
Volgens mij moeten wij daarmee rekening houden. Nogmaals: ik vind
u formalistisch. U begint dan van
trots te stralen, maar daar moet je
volgens mij niet trots op zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="43-3486" anker="5" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Het
is een formeel argument dat het niet
mag. Het is feitelijk mogelijk dat het
in de private sector wel mag. Ik geef
toe dat het feitelijk niet mogelijk is
om naast het Kamerlidmaatschap
een fulltime baan te hebben. Maar je
kunt wel je oude baan deels
aanhouden, zodat die niet weg is als
je weer uit de Kamer vertrekt. Dat is
de consequentie daarvan. Zo is het. 

</spreker>
<spreker pagina="43-3486" anker="6" partij="PvdA" naam="Rehwinkel">

Voorzitter! 

</spreker>
<spreker pagina="43-3486" anker="7" naam="De voorzitter">
 Nee, het is mooi
geweest. U vervalt in herhaling. Als
u het stenogram zou nalezen, zou u
ook tot die bevinding komen. 

</spreker>
<spreker pagina="43-3486" anker="8" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">

Feitelijk kan men in de private sector
regelen dat men op de een of andere
manier terug kan komen, althans als
men dat wil. 

</spreker>
<spreker pagina="43-3486" anker="9" partij="PvdA" naam="Rehwinkel">
 Dat is
feitelijk onjuist, en dan verval ik niet
in herhaling. Ik noem nog eens de
banketbakker in loondienst. Hoe zou
die in staat moeten zijn om zijn
functie feitelijk te blijven vervullen?
Voor sommige ondernemers zal dat
misschien wel kunnen; wij kennen
daar een aantal voorbeelden van. Ik
noem bijvoorbeeld de heer Keur met
zijn landbouwbedrijf. Maar voor de
meesten geldt helemaal niet dat zij
hun functie feitelijk kunnen blijven
vervullen. Die functie zullen zij wel
degelijk moeten opgeven. 

</spreker>
<spreker pagina="43-3486" anker="10" partij="GroenLinks" naam="Sipkes">
 Voor
een aantal geldt dat zij ervoor kiezen
om die functie op te geven. Maar die
banketbakker kan bijvoorbeeld in
overleg met zijn werkgever afspreken
dat hij eens per dag zijn beroemde
slagroomgebakjes komt bakken; de
wet verbiedt dat niet. Wij chargeren
nu, maar het gaat erom dat de
mogelijkheid er is. Dat is wat ik wil
zeggen. Dat kan de heer Rehwinkel
niet ontkennen.
Voorzitter! Het recht op terugkeer
van de ambtenaar wil ik staande
houden. Anders zijn ambtenaren
slechter af. Eerder zei ik ’’even slecht
is ook gelijk’’, maar het wordt nog
wat slechter. Wij voeren dus een
nieuwe ongelijkheid in. De argumen-
tatie die tot nu toe is gegeven, heeft
ons niet overtuigd.
Anders wordt het bij een ander
deel van de regeling, namelijk bij de
non-activiteitswedde. Dat wordt nu in
een keer geregeld. Deze wordt
immers afgeschaft voor leden van
het Europees Parlement of de Eerste
Kamer. Ik meende dat er wat dat
betreft een niet te rechtvaardigen
onderscheid was. Ik vind nog steeds
dat de keuze voor het lidmaatschap
van de Kamer of het Europees
Parlement moet worden gemaakt
vanuit een overtuiging. Als dat een
vermindering van inkomsten
inhoudt, is dat zo. Het heeft ook iets
te maken met de motivatie.
De initiatiefnemers schaffen deze
in een keer af voor het Europees
Parlement en de Tweede Kamer.
Tegelijkertijd blijft het bestaan voor
leden van de Eerste Kamer. Daarbij is
het motief dat het geen fulltime
functie is. Indien een ambtenaar er
nadrukkelijk voor kiest om een
fulltime baan in te ruilen voor een
parttime baan in de Eerste Kamer, is
het dan terecht dat hij daarbij een
dergelijke compensatie in salaris
verdient? Zou het niet beter zijn om
voor hen de terugkeeroptie te
handhaven, maar de compensatie af
te schaffen? Waarom zijn de
initiatiefnemers daartoe niet
overgegaan? Aan de minister vraag
ik of u¨berhaupt wordt nagedacht
over de vraag of het terecht is de
thans bestaande compensatie-
regeling die volgens het
initiatiefwetsvoorstel voor de
Eerste-Kamerleden blijft bestaan, te
handhaven. Zou die niet afgeschaft
moeten worden?
Ik sluit af. Mijn fractie vindt het
hoognodig dat de financie¨le
compensatie wordt afgeschaft.
Verder hebben wij grote moeite met
de rest van het voorstel. Wij menen
dat het een nieuwe ongelijkheid
introduceert. Wij denken niet dat het
op enige manier een oplossing biedt
voor de samenstelling van de Kamer.
Als dat voor de initiatiefnemers een
doorslaggevende overweging is
geweest, merk ik op dat dit
wetsvoorstel daarvoor niet geschikt
is.
De algemene beraadslaging wordt
geschorst. 

</spreker>
<spreker pagina="43-3486" anker="11" naam="De voorzitter">
 De initiatiefnemers,
door de heer Hoekema het supertrio
genoemd, zullen, al dan niet in
gepaste bescheidenheid, donderdag
antwoorden.

</spreker>
<blok pagina="43-3486">Lijst van ingekomen stukken,
met de door de voorzitter terzake gedane voorstellen:
1. twee koninklijk boodschappen, ten
geleide van de volgende voorstellen van (rijks)wet:
Goedkeuring van het op 14 maart
1997 te Tallinn tot stand gekomen
Verdrag tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en de Republiek Estland
tot het vermijden van dubbele
belasting en het voorkomen van het
ontgaan van belasting met betrek-
king tot belastingen naar het
inkomen en naar het vermogen, met
Protocol (Trb. 1997, 98 en 262)
(25683);
Wijziging van enkele onderwijs-
wetten in verband met de invoering
van persoonsgebonden nummers in
het onderwijs (25828).
Deze koninklijke boodschappen, met
de erbij behorende stukken, zijn al
gedrukt en rondgedeeld; 2. de volgende brieven:
een, van de minister voor
Nederlands-Antilliaanse en Aru-
baanse Zaken, over het plan
’’kortetermijnmaatregelen gevange-
nis Koraal Specht’’ (25600-IV, nr. 22);
vier, van de minister van Buitenlandse Zaken, te weten:
een, over de actuele ontwikkelingen
in Cyprus (21501-02, nr. 229);
een, over de actuele ontwikkelingen
in Turkije (21501-02, nr. 230);
een, ten geleide van het voornemen
tot het sluiten van uitvoerings-
verdragen (23908, R1519, nr. 28);
een, over de ontwikkeling van de
betrekkingen tussen Nederland en
Mongolie¨ (25600-V, nr. 51);
twee, van de minister voor
Ontwikkelingssamenwerking, te weten:
een, over de stichting IntEnt (25516,
nr. 3);
een, over Zimbabwe (25600-V, nr.
50);
een, van de minister van
Buitenlandse Zaken, over de
Europese opstelling ten opzicht van
de situatie in Algerije (21501-02, nr.
228);
een, van de staatssecretaris van
Buitenlandse Zaken, over open-
staande vragen uit het AO van 9
december 1997 (19637, nr. 304);
een, van de staatssecretarissen
van Buitenlandse Zaken en van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap-
pen, ten geleide van een overzicht
van de projecten die zijn gefinancierd
in het kader van de intensivering van
het internationaal cultuurbeleid
(25270, nr. 3);
zes, van de minister van Justitie, te weten:
een, over een terugnameregeling
tussen de lidstaten van de Europese
Unie en Turkije (23490, nr. 88);
een, ten geleide van het rapport van
de commissie rechten en plichten
van echtgenoten (23761, nr. 18);
een, over de zogenaamde Pikmeer-
zaak (25294, nr. 8);
een, ten geleide van het rapport ’’Tijd
voor toezicht’’ van de werkgroep
IBO-V en het kabinetsstandpunt in
reactie op dit rapport (25318, nr. 9);
een, ten geleide van de rapportage
’’Bestuurlijk onderzoek driehoek
Groningen’’ (25468, nr. 3);
een, over het beheer van geld van
ter beschikking gestelden (25600-VI,
nr. 40);
drie, van de staatssecretaris van Justitie, te weten:
een, over het VVTV-beleid (19637, nr.
308);
een, over de instroom van Iraakse
asielzoekers en de voortgang in
nationaal, EU-, en Schengenverband
(19637, nr. 309);
een, over Algerije (19637, nr. 310);
een, van de staatssecretaris van
Binnenlandse Zaken en de minister
van Financie¨n, over de voorgenomen
verkoop van de aandelen in Roccade
Informatica Groep NV (24495, nr. 6);
drie, van de minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap- pen, te weten:
een, ten geleide van het verslag van
de EU-Onderwijsraad van 20
november te Brussel (21501-06, nr.
21);
een, ten geleide van antwoorden op
vragen van de vaste commissie voor
OCW over de Subsidieregeling ICT in
het PO en VO (25733, nr. 10);
een, ten geleide van het ’’examen-
verslag beroepsopleidingen en NT2’’
(25600-VIII, nr. 61);
een, van de staatssecretaris van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap-
pen, over aankoopbudgetten van
Nederlandse musea (25013, nr. 17);
drie, van de minister van Financie¨n, te weten:
een, ten geleide van de agenda van
de Ecofin-raad van 19 januari 1998
(21501-07, nr. 208);
een, over de uitkomsten van de
Europese Raad in Luxemburg
(21501-20, nr. 63);
een, over tegoeden Tweede
Wereldoorlog (25839, 25806);
een, van de minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer, ten
geleide van het verslag van de Raad
van de Europese Unie (milieu) van
16 december 1997 te Brussel
(21501-08, nr. 69);
twee, van de staatssecretaris van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, te weten:
een, over Duurzaam bouwen (24280,
nr. 14);
een, inzake het niet-gebruik van
huursubsidie (25831, nr. 3);
twee, van de minister van Verkeer en Waterstaat, te weten:
een, ten geleide van het verslag van
de EU-Transportraad van 10 en 11
december 1997 (21501-09, nr. 78);
een, over puingranulaat (25834);
drie, van de minister van Economische Zaken, te weten:
een, ten geleide van het verslag van
de Energieraad van 8 december 1997
(21501-14, nr. 43);
een, inzake een nieuw Elektriciteits-
wet (25097, 25621, nr. 21);
een, inzake het millenniumprobleem
(25674, nr. 3);
een, van de ministers van
Economische Zaken, van Justitie en
van Binnenlandse Zaken, ten geleide
van het MDW-rapport ’’Zicht op
toezicht’’ (24036, nr. 73);
vier, van de minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te weten:
een, ten geleide van de agenda voor
de vergadering van de Europese
ministers van landbouw op 20
januari 1998 (21501-16, nr. 191);
een, over exportrestituties voor
rundvlees (21501-16, nr. 192);
een, ten geleide van het verslag van
de Visserijraad die plaatsvond op 18
en 19 december 1997 te Brussel
(21501-07, nr. 59);
een, over huur en verhuur van
melkquota (25600-XIV, nr. 52);
twee, van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, te weten:
een, over de Registratiekamer
(25600-XV, nr. 39);
een, over de inkomens-
ontwikkelingen in 1998 (25600-XV, nr.
41);
twee, van de staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, te weten:
een, over het project ’’evaluatie
maatvoering ri&amp;e’’ (22187, nr. 54);
een, over de Arbo-problematiek
inzake kwartsblootstelling in de
bouw (25600-XV, nr. 40);
drie, van de minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, te weten:
een, over de fiscale behandeling van
de toeslag ex artikel 19 Wet
uitkeringen burger-
oorlogsslachtoffers 1940-1945 (20454,
nr. 42);
een, over tussentijdse wijziging van
de hoofdlijnen van het welzijnsbeleid
(20454, nr. 43);
een, over fysiotherapie of oefenthe-
rapie (24124, nr. 65);
een, van de minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
over de beleidsontwikkelingen op het
gebied van de forensische zorg
(25715, nr. 2);
twee, van de staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, te weten:
een, over de subsidie¨ring van
landelijke zelforganisaties minderhe-
den (25600-XVI, nr. 51);
een, ten geleide van de reactie op
het advies Vereenzaming in de
samenleving (25600-XVI, nr. 52).
Deze brieven zijn al gedrukt en
rondgedeeld; 3. de volgende brieven:
een, van de minister van
Buitenlandse Zaken, over het tweede
en derde protocol bij de Algemene
overeenkomst betreffende de handel
in diensten; Gene`ve;
een, van de staatssecretaris van
Financie¨n, inzake evaluatie
Invorderingswet 1990;
een, van de minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer, ten
geleide van het Convenant verpak-
kingen II;
twee, van de minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, te weten:
een, ten geleide van het advies
’’Dialyse’’ van de Gezondheidsraad;
een, ten geleide van de Regeling van
heden tot wijziging van de Regeling
hulpmiddelen 1996.
De voorzitter stelt voor, deze brieven
door te zenden aan de betrokken
commissies en niet te drukken;
4. een brief van de secretaris-
generaal van het Europees Parle-
ment, ten geleide van een aantal
aangenomen resoluties.
Deze brief ligt op de griffie ter
inzage; 5. de volgende brieven:
een, van de directeur elektriciteit
van het ministerie van Economische
Zaken, ten geleide van gedoog-
beschikking COVRA;
een, van A. Sijbel, over de
rechtsstaat;
een, van ’’Comite Ferwerderadeel
Voorwaarts’’, over ’’zoekgeraakte
stukken’’;
een, van communicatie TNLI, ten
geleide van aanvulling TNLI
onderzoeksmap 01.
Deze brieven e.a. liggen op de griffie
ter inzage.
</blok>
</text>

</handeling>


