<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>


<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&filename=HAN6545A19]]></item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">
Voortzetting van de behandeling van: - wetsvoorstel Wijziging van de Woningwet (aanschrijving en energiebesparende voorzieningen) (24820), en van: - de motie-Hofstra over het plaatsen van zonnecollectoren (24820, nr. 10)</item>
<item attribuut="Bestand"> 49 Kb</item>
<item attribuut="Inhoud">Voortzetting van vergadering van 27 januari 1998. Ingegaan wordt op aanschrijving door een gemeentebestuur voor niet-woningen (winkels, kantoren).</item>
<item attribuut="Rubriek">Bouw (Isolatie)
Bouw (Renovatie)
Energie, water en grondstoffen (Energiebesparing)</item>
<item attribuut="Trefwoorden">Energiebesparing
Isolatie
Woningverbetering</item>
<item attribuut="Dossiernr">24820</item>
<item attribuut="Vindplaats">Handelingen 1997-1998, nr. 26, Tweede Kamer, pag. 3966-3971</item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten Generaal</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">10-02-1998</item>
<item attribuut="Document-id">HAN6545A19</item>
<item attribuut="Omvang">6 pag.</item> 
<item attribuut="kamer">Tweede Kamer</item>
<item attribuut="doconderwerp">Woningwet</item>
<item attribuut="volgendonderwerp">Huurcommissies</item>
<item attribuut="doccode">TK 52</item>
</metadata>

<text>

<onderwerp pagina="52-3966">

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Woningwet (aanschrijving
en energiebesparende voorzie- ningen) (24820), en van:
- de motie-Hofstra over het plaatsen
van zonnecollectoren (24820, nr. 10).
(Zie vergadering van 27 januari
1998.)
De algemene beraadslaging wordt
heropend.

<blok pagina="52-3966">

 
<spreker pagina="52-3966" anker="170" partij="VVD" naam="Hofstra">
 Voorzitter! Er
is om een korte heropening van de
beraadslaging gevraagd vanwege de
brief die wij conform de afspraak
met de staatssecretaris hebben
gekregen. Deze gaat over twee
punten, ten eerste de volgorde der
dingen. Hierop zal mevrouw Van der
Burg straks ingaan.
Ik beperk mij tot het tweede punt,
de aanschrijving door een gemeente-
bestuur voor niet-woningen, dus
bijvoorbeeld winkels en kantoren. Ik
heb van de staatssecretaris begrepen
dat zo’n aanschrijving op grond van
de onderhavige regeling mogelijk is.
	
In dat geval kan een verhuurder
worden geconfronteerd met een
verplichting tot flinke investeringen.
Bij een normaal huurcontract worden
de energiekosten in het algemeen
door de huurder betaald en de
revenuen van die investeringen
komen dus vooral bij de huurder
terecht. Het lijkt ons dan ook niet
juist dat een gemeente een
verhuurder de plicht tot investeren
oplegt zonder dat de verhuurder in
redelijkheid, dus niet voor 100%, de
kosten hiervan in de huur kan
doorberekenen. De staatssecretaris
heeft op ons verzoek bekeken of dit
kan worden opgelost in wetsvoorstel
24150, Wijziging van de bepalingen
betreffende huur en verhuur van
bedrijfsruimte en intrekking van de
Huurwet. Zijn conclusie is dat de
bestaande situatie niet verandert. Ik
heb een amendement laten
voorbereiden op dat wetsvoorstel,
dat nu niet aan de orde is. Een
vervelende bijkomstigheid is echter
dat het heel lang kan duren voordat
dat wetsvoorstel door de Kamer
komt. Dit lost het probleem dus niet
op. Ik dien daarom een motie in
waarin de regering wordt gevraagd
dit probleem alsnog op te lossen.
Wellicht kan het op verschillende
manieren, maar het gaat mijn
juridische vaardigheden te boven.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende, dat de onderhavige
wijziging van de Woningwet c.a.
verhuurders van bedrijfsmatig
vastgoed kan dwingen tot investerin-
gen in energiebesparende voorzie-
ningen zonder dat de kosten daarvan
in redelijkheid in de huur kunnen
worden doorberekend;
constaterende, dat deze situatie zich
niet voordoet bij woningen vanwege
het zogenaamde puntensysteem;
verzoekt de regering een en ander
zodanig te regelen dat ook bij
bedrijfsmatig onroerend goed een
redelijke doorberekening in de huur
mogelijk is,
en gaat over tot de orde van de dag. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3967" anker="171" naam="De voorzitter">
 Deze motie is
voorgesteld door de leden Hofstra,
M.M. van der Burg, Ten Hoopen en
Jeekel. Naar mij blijkt, wordt zij
voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 12 (24820). 

</spreker>
<spreker pagina="52-3967" anker="172" partij="VVD" naam="Hofstra">
 Voorzitter!
Voorts maak ik van deze gelegenheid
gebruik de amendementen op de
stukken nrs. 8 en 9 in te trekken. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3967" anker="173" naam="De voorzitter">
 Aangezien de
amendementen-Hofstra (stukken nrs.
8 en 9) zijn ingetrokken, maken zij
geen onderwerp van beraadslaging
meer uit.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="52-3967">

 
<spreker pagina="52-3967" anker="174" partij="PvdA" naam="Van der Burg">

Voorzitter! Zoals de heer Hofstra net
al zei, beperk ik mij tot het antwoord
van de staatssecretaris in zijn brief
van 30 januari op de eerste vraag.
In eerste termijn heb ik de
staatssecretaris gevraagd de
wijziging van het Bouwbesluit om de
plicht tot het inrichten van keukens
en sanitaire ruimten te laten
vervallen, zo spoedig mogelijk met
de Kamer te bespreken, omdat deze
wijziging direct samenhangt met het
wetsvoorstel dat nu aan de orde is.
Wij hebben ook toen gezegd dat wij
dit gesprek uitdrukkelijk voor
publicatie in het Staatsblad willen
voeren met de staatssecretaris, om
twee redenen.
De eerste is dat het veld tegen is.
Het advies van het overlegplatform
bouwregelgeving is afwijzend en
vorige week hebben wij een brief
gekregen waarin de VNI bij ons erop
aandringt de plannen van de
staatssecretaris tegen te houden.
Ook de Kamer ziet grote proble-
men. Dat bleek al bij eerdere
besprekingen, maar ook in onze
eerste termijn, twee weken geleden.
Nu blijkt de toezegging die de
staatssecretaris toen heeft gedaan,
naar aanleiding van onze eerste en
ook tweede termijn, om inderdaad
met ons te praten voor publicatie
van de wijziging van het Bouwbesluit
in het Staatsblad, in deze brief toch
niet te zijn bewaarheid. Het verbaast
mij dat de staatssecretaris, zonder
daar verder iets over te zeggen in die
brief, meldt dat het toch eerst
gepubliceerd moet worden in het
Staatsblad. Ik ben het daar niet mee
eens, al zie ik best in dat er een klein
juridisch probleempje is, omdat het
advies van de Raad van State pas
kan worden openbaar gemaakt en
naar de Kamer gestuurd, op het
moment dat het gepubliceerd is.
Nu is mijn mening dat het gaat om het voorstel van het kabinet: dat
is het allerbelangrijkste. Daar willen
we over praten en of het advies van
de Raad van State dan meegaat, is in
wezen niet belangrijk. Belangrijker is
Mevrouw Van der Burg (PvdA)dat het voor publicatie hier wordt
besproken. Waarom is dat zo
belangrijk? Omdat, als het toch
gepubliceerd wordt, het onduidelijk-
heden geeft bij het veld, bij
uitvoerders van de regeling, als het
later, indien dit nodig is, toch weer
moet worden ingetrokken. Dat lijkt
mij geen gelukkige situatie. Het is
zaak om in dezen ieder misverstand
te voorkomen, ook in de nabije
toekomst, zeker nu we een warrige
verkiezingstijd tegemoet gaan.
Ook om die reden is het heel
belangrijk dat we vastleggen wat we
precies willen en daarom dien ik de
volgende motie in, die is medeonder-
tekend door de heer Hofstra,
mevrouw Oedayraj Singh Varma, de
heer Poppe, de heer Jeekel en de
heer Ten Hoopen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
van mening, dat er een nauwe relatie
is tussen het onderdeel van het
onderhavige wetsvoorstel dat beoogt
de aanschrijvingsbevoegdheid te
beperken met betrekking tot de
inrichting van keuken- en sanitaire
ruimten en het voorstel tot wijziging
van het Bouwbesluit, dat beoogt het
laten vervallen van de inrichtings-
eisen van keuken- en sanitaire
ruimten;
constaterende, dat de organisaties
die bij de bouw betrokken zijn,
negatief hebben geadviseerd over
deze aanpassing van het Bouw-
besluit en tevens dat in de Kamer de
discussie over dat voorstel nog niet
heeft plaatsgevonden;
tevens constaterende, dat deze
wijziging van het Bouwbesluit al om
advies voorligt bij de Raad van State;
verzoekt de regering het voorstel om
in het Bouwbesluit de inrichtings-
eisen van keuken- en sanitaire
ruimten te laten vervallen, eerst voor
te leggen aan de Kamer, alvorens dat
besluit te publiceren in het Staats-
blad;
spreekt uit dat het onderhavige
wetsvoorstel voor wat betreft het
beperken van de aanschrijvings-
bevoegdheid ten aanzien van de
inrichting van keuken- en sanitaire
ruimten door de regering dient te
worden ingetrokken, als de Kamer
niet kan instemmen met genoemd
voorstel tot aanpassing van het
Bouwbesluit,
en gaat over tot de orde van de dag. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3968" anker="175" naam="De voorzitter">
 Deze motie is
voorgesteld door de leden M.M. van
der Burg, Hofstra, Oedayraj Singh
Varma, Poppe, Jeekel en Ten
Hoopen.
Zij krijgt nr. 13 (24820). 

</spreker>
<spreker pagina="52-3968" anker="176" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 Tot
slot, voorzitter, nog een korte
opmerking over de eerste motie die
de heer Hofstra heeft ingediend,
waar het gaat over het aanbrengen
van zonnecollectoren. Het gebruik
daarvan wil de PvdA ook stimuleren
en daarom zijn we het eens met de
strekking van de motie van de heer
Hofstra, tenzij het vanwege welstand
niet gewenst is. Dit kan bijvoorbeeld
zijn omdat het bepaalde kanten van
het huis betreft of om andere
redenen, bijvoorbeeld als het gaat
om beschermde stadsgezichten of
dat soort zaken. Als de heer Hofstra
ook meent dat in zijn motie, waarin
de woorden ’’in principe’’ staan,
daarvoor ruimte is, dan zal ik mijn
fractie voorstellen deze motie te
ondersteunen. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3968" anker="177" partij="VVD" naam="Hofstra">
 Voorzitter! Ik
dacht dat ik bijna dezelfde woorden
heb gebruikt als mevrouw Van der
Burg nu gebruikt, toen ik een
toelichting gaf op het punt ’’in
principe’’. Ik heb letterlijk de
beschermde stads- en dorpsgezich-
ten genoemd. Ik meen ook gezegd te
hebben dat als een schuur van 10 bij
20 meter helemaal volgelegd moet
worden, je daar een vraagteken bij
kunt zetten. Maar ik wil niet zover
gaan om te zeggen dat je overal
waar welstand geldt – dat is in ons
land op meer plekken het geval dan
mij lief is, bijvoorbeeld in nieuw-
bouwwijken – heel erg kritisch moet
zijn. Ik wil het beperken tot zaken die
waarden vertegenwoordigen die wij
willen beschermen, zoals de
beschermde stads- en dorpsgezich-
ten. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3968" anker="178" partij="PvdA" naam="Van der Burg">

Voorzitter! Ik begrijp dat de heer
Hofstra een beperking geeft aan wat
hij uitspreekt in de motie, en dat is
terecht. Wij zullen nog spreken over
de vraag waar de beperkingen
precies gerealiseerd moeten worden.
Wij kunnen dan later het debat over
dat punt verder voeren. In grote
lijnen zijn wij het met elkaar eens.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="52-3968">

 
<spreker pagina="52-3968" anker="179" partij="SP" naam="Poppe">
 Voorzitter! Na
het intrekken van het amendement
op stuk nr. 8 van de heer Hofstra kan
ik nog korter zijn dan ik al wilde zijn.
Ik had namelijk een paar aanmerkin-
gen op dat amendement want het
deugde maar voor de helft. Maar als
dat amendement helemaal wordt
ingetrokken, is het ook redelijk. Ik
hoef er dus weinig woorden aan vuil
te maken.
Wij steunen de motie van
mevrouw Van der Burg van de PvdA.
Wij begrijpen er absoluut niets van
waarom zo’n motie nodig is om een
tegenspartelende staatssecretaris op
zijn plek te krijgen waar hij, naar de
mening van de meerderheid van de
Kamer, moet zitten. Het is een
enigszins kromme motie; een
normaal mens zou er niets van
begrijpen. Dat komt omdat een zeer
onevenwichtig beleid van de
staatssecretaris rechtgezet moet
worden en daar krijg je kromme
moties van. Het is treurig maar wij
steunen die motie dus.
Ik heb nog een opmerking over de
motie van de heer Hofstra over de
zonnecollectoren. Wij hebben op 12
november 1997 daarover schriftelijke
vragen gesteld. Uit het antwoord van
de minister voor milieubeheer,
mevrouw De Boer, hebben wij
begrepen dat zij het er roerend mee
eens was dat een zonneboiler niet
vergunningplichtig zou moeten zijn.
Ik dacht dus dat het geregeld was.
Nu blijkt dat de staatssecretaris deze
toezegging wel wil nakomen, maar
dat hij het wel erg op zijn gemak wil
doen. Wij menen dat zo’n kraakhel-
der standpunt van de minister door
deze staatssecretaris gehonoreerd
moet worden. Wij steunen dan ook
de motie op stuk nr. 10.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="52-3968">
<spreker pagina="52-3968" anker="180" partij="GroenLinks" naam="Oedayraj Singh Varma">
 Voorzitter! Ik zal ook
heel kort zijn, want ik wil over slechts
een punt iets zeggen, namelijk de
wijziging Bouwbesluit in verband
met sanitair en keuken.
Wij hebben na de eerste termijn
afgezien van de tweede termijn
omdat de staatssecretaris een
toezegging had gedaan. Hij zou eerst
met de Kamer praten voordat er een
publicatie zou komen in het
Staatsblad. Nu krijgen wij van de
staatssecretaris een brief waarin een
ander standpunt wordt verwoord.
Wij vinden dat verbazingwekkend.
Wij hebben een afspraak gemaakt
met de staatssecretaris. Dat is dan
ook de reden waarom wij de motie
van mevrouw Van der Burg hebben
medeondertekend. En niet alleen
daarom, want wij zijn het gewoon
helemaal eens met de strekking van
de motie. Er mag geen verwarring in
het veld geschapen worden. Ik
begrijp de veranderende houding
van de staatssecretaris niet; wij
moeten ons houden aan de afspraak
die wij gemaakt hebben.
</spreker>
</blok>
<blok pagina="52-3969">

 
<spreker pagina="52-3969" anker="181" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Mijnheer
de voorzitter! Ik heb in de brief in
antwoord op de opmerking van de
heer Hofstra over de doorberekening
van de kosten in redelijkheid aan de
huurder van een niet-woongebouw,
gemeld dat ik zijn opvatting deel en
dat dit dus in redelijkheid mogelijk
moet zijn. Mijn brief geeft ook aan
dat die mogelijkheid inderdaad
aanwezig is, zij het dat er geen
definitief bescheid over kan worden
gegeven omdat de Kamer dit zelf
nog in handen heeft. Naar mijn
gevoel is de doorlooptijd van dit
wetsvoorstel al behoorlijk lang. Dat
betekent dat ik de motie die daarover
is ingediend, zie als een ondersteu-
ning van het beleid. Ik zal haar,
indien zij wordt aangenomen, graag
doorgeleiden naar de eerste
ondertekenaar van het wetsvoorstel
waarom het gaat, te weten mevrouw
Sorgdrager. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3969" anker="182" partij="VVD" naam="Hofstra">
 De vraag is
of wij daar echt gelukkig mee zijn.
Dit betekent namelijk dat het bij
Justitie terechtkomt. Het kan dan nog
wel een of twee jaar duren voordat
er een nieuw wetsvoorstel komt. Met de motie wordt echter bedoeld:
staatssecretaris, doe iets waardoor
het probleem is opgelost op het
moment dat de nu voorliggende
wijziging van de Woningwet in
werking treedt. In de brief heeft de
staatssecretaris wel vier omstandig-
heden genoemd die zich kunnen
voordoen, maar hij weet net zo goed
als ik dat het probleem daarmee in
het algemeen niet is opgelost. Ik heb
het namelijk over bestaande
contracten, waarbij sprake kan zijn
van een aanschrijving. Het moet dus
op een andere manier worden
opgelost, bijvoorbeeld door in het
huidige huurrecht krachtens het
Burgerlijk Wetboek een clausule op
te nemen voor het geval de rechter
eraan te pas komt. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3969" anker="183" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Ik zal dat
bezien. Ik teken daarbij aan dat ook
dit wetsvoorstel nog geen kracht van
wet heeft gekregen. Het zal op een
later moment van kracht worden. Ik
zal bekijken of het mogelijk is om die
zaken per onderdeel op elkaar af te
stemmen. Mijn positieve insteek op
dat punt is duidelijk. Ik vind het
verzoek van de heer Hofstra ook
alleszins redelijk. Ik ben hem
erkentelijk voor het feit dat hij de
amendementen op de stukken nrs. 8
en 9 heeft ingetrokken.
Dat brengt mij op de motie van
mevrouw Van der Burg, op stuk nr.
13. Er moet een misverstand in het
spel zijn, namelijk dat in het debat
van vorige week de suggestie zou
zijn gedaan dat ik al bereid was het
stuk te publiceren voordat het van de
Raad van State terugkwam. Ik citeer uit de Handelingen: ’’Ik mag het
Bouwbesluit overigens niet eerder
publiceren dan na het verschijnen
van het nader rapport’’. Dat is niet
voor tweee¨rlei uitleg vatbaar. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3969" anker="184" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 Het
is duidelijk dat u het niet eerder mag
publiceren, maar dat wil niet zeggen
dat u het niet eerder met de Kamer
kunt bespreken. Dat is wat anders. U
heeft vervolgens gezegd – dat citeert
u niet – dat de discussie ten
principale zal worden gevoerd. Dat
zegt nogal wat. Het ten principale
voeren van de discussie, terwijl het
al in het Staatsblad is gepubliceerd,
lijkt mij bijzonder onverstandig. Dat
is voor de buitenwereld ook volstrekt
onduidelijk. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3969" anker="185" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Inhoudelijk
hebben wij geen verschil van
opvatting. Wij beiden zeggen dat de
discussie moet worden gevoerd op
het moment dat de Kamer er nog
besluitvorming over kan plegen. Het
wetsvoorstel inzake de aanschrijving
kan dan ook niet van kracht worden
voordat wij daarover met elkaar
overeenstemming hebben bereikt.
Als de Kamer uiteindelijk niet zou
instemmen met de wijziging van het
Bouwbesluit, wordt dit wetsvoorstel
uiteraard ook ingetrokken. Daar is
geen spoor van verschil van
opvatting over. De vraag is alleen
hoe je dat procedureel het best doet.
De koninklijke weg, die de wet
voorschrijft, is dat het advies van de
Raad van State met de AMvB in het
Staatsblad wordt gepubliceerd en dat
wij vervolgens de discussie hebben.
Wij hebben dat niet voor niets in de
wet opgenomen. Wij kunnen met
elkaar best praten over de vraag of
dat in alle omstandigheden een
handige constructie is, maar het is
wel de constructie van de wet.
Inhoudelijk gezien hebben wij echter geen verschil van opvatting: wij
moeten een open discussie voeren.
Als het de opvatting van de Kamer is
dat de nu in de wet neergelegde
procedure niet handig is, leidt dat bij
mij tot de vraag of wij niet eens ten
principale naar de procedures uit de
wet moeten kijken. Die hebben wij
namelijk niet voor niets zo in de wet
vastgelegd. Dat is het echte
discussiepunt. Plaatsing in het
Staatsblad betekent niet dat het al
van kracht wordt, maar biedt mij de
mogelijkheid om met de Kamer te
discussie¨ren over het voorstel en het
advies van de Raad van State. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3969" anker="186" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 Ik
begrijp dat de staatssecretaris voor
de procedure uit de wet kiest, maar
in eerste termijn hebben wij
uitdrukkelijk gezegd dat wij er eerder
over wilden discussie¨ren. Dat deden
wij niet voor niets. Er is namelijk veel
commotie over. Daarom vraag ik
nogmaals waarom het nader rapport
over het kabinetsstandpunt inzake
het Bouwbesluit niet eerder met de
Kamer kan worden besproken. Dan
voorkomen wij onduidelijkheden en
verwarring, waarvan anders sprake
zal zijn. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3969" anker="187" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Maar het
probleem is dat het nu bij de Raad
van State ligt. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3969" anker="188" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 Dat
maakt op zichzelf niet uit. Natuurlijk
ligt het bij de Raad van State. Op een
gegeven moment komt het terug en
zult u zien of u iets met dat advies
kunt doen. U komt gewoon met een
standpunt en dat gaat dan naar de
Kamer. Het advies van de Raad van
State blijft het advies van de Raad
van State. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3969" anker="189" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Wellicht is
het goed dat ik artikel 25a van de
Wet op de Raad van State voorlees.
De openbaarmaking wordt geregeld
in artikel 25a van de Wet op de Raad
van State. Lid 1 bepaalt dat de
betrokken minister zorgdraagt voor
het openbaar maken van adviezen
van de Raad van State. Lid 2 bepaalt
dat openbaarmaking van adviezen
van de Raad van State geschiedt
gelijktijdig met openbaarmaking van
de aan de raad voorgelegde tekst.
Dat is dus de wijziging van het
Bouwbesluit waar wij het nu over
hebben. Deze openbaarmaking heeft
wat betreft adviezen over algemene
maatregelen van bestuur gelijktijdig
plaats met de afkondiging, de
plaatsing in het Staatsblad van de
desbetreffende maatregel. De Wet op de Raad van State zegt dus: de
wijziging van het Bouwbesluit
waarover ik advies heb gevraagd,
moet gelijktijdig worden gepubli-
ceerd met het advies van de Raad
van State. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3970" anker="190" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 Dat
klopt. Daar is geen misverstand over.
Ik vraag u en de Kamer met mij om
eerder uw standpunt over dat
Bouwbesluit aan ons kenbaar te
maken en daarover te discussie¨ren.
Het is in feite heel simpel. U houdt
natuurlijk de wet aan. Dat kan ook
niet anders. Dat doen wij ook. U kunt
wel van tevoren het kabinets-
standpunt aan de Kamer kenbaar
maken. Daar is geen enkel juridisch
probleem bij. Laten wij dat toch ook
doen. U ziet heel veel beren. Welnu,
er zijn wellicht wel beren, maar
volgens mij zijn die allang gescho-
ten. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3970" anker="191" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Het lijkt
mij heel simpel. Er moet een
juridische check komen ten aanzien
van de vraag of dat wel of niet kan. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3970" anker="192" partij="PvdA" naam="Van der Burg">
 Het
kan. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3970" anker="193" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Mijn
adviseurs zeggen dat het niet kan.</spreker>
<spreker pagina="52-3970" anker="194" partij="GroenLinks" naam="Oedayraj Singh Varma">
 Het kan wel. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3970" anker="195" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Mevrouw
Varma heeft kennelijk meer
juridische kennis dan ik. Mijn
adviseurs zeggen in ieder geval dat
het niet kan. Het moet dus volstrekt
helder zijn of het al dan niet kan. Als
het kan, heb ik er geen enkel
bezwaar tegen, want die discussie
moeten wij dan met elkaar voeren.
Als het niet kan, kan het uiteraard
niet. Ik zal het laten nagaan en de
Kamer daarover schriftelijk berichten.
Ik heb de bedoeling volstrekt
begrepen. Ik ben het met de
bedoeling helemaal eens, maar het
moet heel helder zijn of het al dan
niet kan, gezien de tekst van de Wet
op de Raad van State. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3970" anker="196" partij="PvdA" naam="Van der Burg">

Neen. Het heeft met de tekst van de
Wet op de Raad van State niets te
maken. Het standpunt hoeft namelijk
niet gelijktijdig met het advies van de
Raad van State uitgebracht te
worden. U mag uw mening kenbaar
maken zonder dat wij het advies van
de Raad van State krijgen. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3970" anker="197" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 De
bedoeling is volstrekt helder. Het
gaat om de vraag of ik in het
openbaar met u de discussie kan
voeren over het voorstel dat ik heb
voorgelegd aan de Raad van State
zonder het advies van de Raad van
State te hebben. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3970" anker="198" partij="PvdA" naam="Van der Burg">

Neen, ik vraag u niet het voorstel dat
u nu aan de Raad van State heeft
voorgelegd met ons te bespreken. U
gaat kijken wat het advies van de
Raad van State inhoudt. Het gaat
erom dat u uiteindelijk een standpunt
inneemt in het voorjaar. En dat
willen wij hebben. Daar behoeft het
advies van de Raad van State niet
bijgevoegd te worden. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3970" anker="199" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Als wij
daar een modus voor kunnen vinden
aan de hand van een brief van mijn
conclusies daarover, sta ik daar zeer
positief tegenover. Geen probleem,
maar ik wil eerst een juridische check
daarop plegen.</spreker>
<spreker pagina="52-3970" anker="200" partij="GroenLinks" naam="Oedayraj Singh Varma">
 Ik begrijp de staatsse-
cretaris niet. Het gaat ons niet om de
juridische kant maar om uw
standpunt over dit Bouwbesluit,
waarover al heel veel commotie is,
een standpunt waarover wij graag
met u van gedachten willen
wisselen. Dat is toch ontzettend
simpel. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3970" anker="201" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Sommige
dingen lijken zo simpel, maar ik moet
toch checken of er aan de eisen van
de bestaande wet- en regelgeving
wordt voldaan. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3970" anker="202" partij="SP" naam="Poppe">
 Voorzitter! Het
advies van de Raad van State weegt
zwaar maar het blijft een advies. In
de korte tijd dat ik Kamerlid ben, heb
ik meerdere malen meegemaakt dat
deze adviezen in de wind worden
geslagen of gedeeltelijk niet worden
overgenomen. De staatssecretaris
kan los van dit advies een standpunt
innemen. Hij wil eerst onderzoeken
of de door de Kamer voorgestelde
werkwijze juridisch mogelijk is.
Vervolgens kan het standpunt van de
staatssecretaris in het parlement
besproken worden. Wanneer denkt
hij de Kamer zijn standpunt over de
aanpassing van het Bouwbesluit
kenbaar te kunnen maken? 

</spreker>
<spreker pagina="52-3970" anker="203" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Zodra het
advies van de Raad van State binnen
is. Ik heb tenslotte niet voor niets om
advies gevraagd. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3970" anker="204" partij="SP" naam="Poppe">
 Daar heb ik
toch een probleem mee. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3970" anker="205" naam="De voorzitter">
 De argumenten zijn al
enkele keren gewisseld zonder dat er
nieuwe gezichtspunten aan worden
toegevoegd. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3970" anker="206" partij="SP" naam="Poppe">
 Dat probeer ik
natuurlijk wel te doen. Mijn
probleem is dat de staatssecretaris
nogal eigenwijs is. Dat is overigens
zijn goed recht, want dat ben ik ook.
De meerderheid van de Kamer heeft
een eenduidig standpunt over de
wijziging van het Bouwbesluit en van
de wet. De staatssecretaris heeft daar
ook een mening over. De Kamer kan
dus op korte termijn met hem
daarover spreken. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3970" anker="207" naam="De voorzitter">
 Als er geen nieuwe
argumenten worden genoemd en er
blijft een verschil van mening, lijkt
het mij het beste om niet de blik op
oneindig te zetten en tot dat moment
door te gaan. Wellicht moet de
Kamer op dit punt om een uitspraak
worden gevraagd. 

</spreker>
<spreker pagina="52-3970" anker="208" soort="Staatssecretaris" naam="Tommel">
 Voorzitter!
Mevrouw Van der Burg weet dat de
Kamer en ik inhoudelijk gezien op
hetzelfde spoor zitten. Ik vorm mij
een definitieve mening over de vraag
of het Bouwbesluit gewijzigd moet
worden nadat ik het advies van de
Raad van State heb gekregen. Op dat
moment kan ik de Kamer een brief
met mijn standpunt schrijven.
Daarover kunnen wij dan discussie¨-
ren. Als de Kamer met deze
werkwijze kan leven, zijn wij uit de
problemen. In die zin heb ik geen
bezwaar tegen aanneming van de
motie.
De algemene beraadslaging wordt
gesloten.
De vergadering wordt enkele
minuten geschorst. 

</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="52-3971">

Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Wijziging
van de Huurprijzenwet woon-
ruimte, de Wet op de huurcom-
missies en enkele andere wetten
(introductie van een afzonder-
lijke huurcommissieprocedure
ter bevordering van het opheffen
van gebreken aan of tekortko-
mingen ten aanzien van de
woonruimte, wijziging van de
regeling met betrekking tot de
aan de Staat verschuldigde
vergoeding voor een advies of
een uitspraak door de huurcom-
missie en wijziging van het
toezicht op de huurcommissies)
(25445).
De algemene beraadslaging wordt
geopend.

<blok pagina="52-3971">

 
<spreker pagina="52-3971" anker="209" partij="SP" naam="Poppe">
 Mijnheer de
voorzitter! U begrijpt dat ik mij door
de heer Duivesteijn niet laat opjagen
of aanzetten tot. Dat doe ik niet. Ik
wil zelfs positief beginnen. Door dit
voorstel kan de huurcommissie bij
onderhoudsgebreken de huur niet
alleen bevriezen maar voortaan ook
verlagen. Dat is een waarachtige
verbetering. Die had natuurlijk al in
1901 ingevoerd moeten worden,
maar toch! Uitstekend gedaan door
de staatssecretaris. Als hij zo
voortgaat, zou hij wat ons betreft
kunnen blijven.
Voorzitter! Er zijn in dit wetsvoor-
stel nog een paar kleinigheden te
regelen. De legesheffing; het
afschaffen van de mogelijkheid om
vanwege onderhoudsgebreken
bezwaar te maken tegen de
huurverhoging; de definitie van het
begrip ’’ernstige gebreken’’ en ten slotte artikel 4: ook de huurder moet
jaarlijks een voorstel tot huur-
aanpassing kunnen doen.
Voorzitter! Ik begin bij de
legesheffing. Wij hebben in onze
inbreng hiertegen principie¨le maar
ook praktische bezwaren naar voren
gebracht. Principieel omdat een
financie¨le drempel de toegang tot de
rechtsgang voor met name de
lage-inkomensgroepen selectief
verlaagt, praktisch omdat dit nergens
voor nodig is. De druk bij de
huurcommissie neemt eerder af dan
toe. Er worden maar weinig niet
relevante vragen bij de huurcommis-
sie ingediend, terwijl deze vaak
eenvoudig kunnen worden afgedaan.
De argumenten van de staatssecreta-
ris zijn op dit punt dus niet overtui-
gend.
Door de invoering van de
brengplicht bij huursubsidie-
verzoeken door huurders van
particuliere huisbazen, kan de
werkdruk bij de huurcommissies
sinds 1995 mogelijk iets zijn
toegenomen, maar dat kan geen
argument zijn om een drempel te leggen via legesheffing: eerst zelf
veroorzaken – in goede zin weliswaar
– en vervolgens een legesheffing als
straf. Dat bij huursubsidieaanvragen
door huurders van particuliere
verhuurders de huur eerst getoetst
moet worden door de huurcommis-
sie, is een goede zaak. Dit is vooral
van belang voor het huursubsidie-
budget van de staatssecretaris. Dit
kan namelijk voorkomen dat
particuliere huisbazen misbruik
maken van dit budget door hun huur
onredelijk hoog te stellen. Het is
prima dat dit wordt tegengegaan.
Maar vervolgens klagen dat de
werkdruk van de huurcommissies
toeneemt en daarom de toegang
voor alle huurders versmallen, is
even onredelijk als die mogelijk
onredelijk hoge huur.
In 1991 liepen er landelijk zonder
brengplicht 133.000 zaken bij de
huurcommissies, terwijl dit in 1997
met brengplicht 116.000 zaken zijn,
dus minder. Kijk je naar de tussenlig-
gende jaren, dan is er overigens
sprake van een ’’betrekkelijk’’
stabiele situatie. Er zijn dus geen
argumenten voor een legesheffing.
Als tweede argument noemt de
staatssecretaris het feit dat er veel te
lichtvaardig verzoeken worden
ingediend. In tweederde van de
gevallen is de uitspraak van de
huurcommissie dat de huur-
verhoging zonder meer redelijk is. De
staatssecretaris concludeert daaruit
kennelijk dat de verzoeken te
lichtvaardig zijn ingediend. Dat is
naar mijn mening onzin. Mogelijk
vinden huurders dat de uitspraken
van de huurcommissie vaak te
lichtvaardig worden gedaan. Als de
uitspraak van de huurcommissie in
tweederde van de gevallen is dat de
huurverhoging redelijk is, dan mag
het argument nooit zijn dat er dan
lichtvaardig gebruik gemaakt wordt
van het recht om naar de huurcom-
missie te gaan. In die zin is het
begrip ’’lichtvaardig’’ veel te dun om
op grond hiervan een bestaand recht
te beknotten. Het is een te lichtvaar-
dig gebruikt argument van de
staatssecretaris.
Mijnheer de voorzitter! Dit heeft
alles te maken met de spelregels
voor de huurcommissie, die de
staatssecretaris zelf heeft vastge-
steld. Zo is er een groot aantal
gebreken dat geen nulpunt oplevert,
maar waardoor het woongenot
ernstig wordt geschaad, zeker gezien
het feit dat de huur drie keer zo hoog
is als ongeveer 25 jaar geleden en
ieder jaar verder omhooggaat. Men
kent natuurlijk het spreekwoord ’’alle
waar is naar zijn geld’’. Welaan, als
de huurprijs twee of meerdere keren
’’over de kop’’ is gegaan, mag een
huurder dan toevallig wel even wat
meer waar voor die veel hogere huur
van de verhuurder verwachten? Voor
ƒ 800 per maand of meer hoef je
toch vandaag de dag geen aantoon-
bare gebreken meer op de koop toe
te nemen? Laten wij even wel zijn.
De staatssecretaris meldt jaarlijks
trots dat de gemiddelde woning-
kwaliteit in Nederland weer verbeterd is. Ik zou zeggen: kijk eens
aan, dat is een goede zaak. Maar
waarom moet de huurcommissie dan
nog steeds toetsen op basis van
nulpunten en kwaliteitseisen uit het
jaar nul? Misschien is het nu uit
1901, maar in ieder geval uit de tijd
dat er geen sprake was van
kwaliteitsverbetering. Ik stel dan ook
voor om de kwaliteitseisen, de
criteria en de nulpunten aan te
passen. Je mag voor zo’n hoge huur
ook betere kwaliteit verwachten.
Mijnheer de voorzitter! Ter
afsluiting van dit onderdeel wijs ik
op ons amendement op stuk nr. 7,
waarin wordt voorgesteld de
invoering van de leges ongedaan te
maken. Omdat de SP ervan houdt
om consequent te zijn, hebben wij
hierin ook de afschaffing van
bestaande leges maar direct
meegenomen.
Ik kom op het afschaffen van de
mogelijkheid om op basis van
onderhoudsklachten bezwaar tegen
de huurverhoging te kunnen maken.
In felle reacties op het wetsvoorstel
alsmede in de inbreng van de
meeste fracties zijn hierover vragen</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>


