<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet type="text/xsl" href="showKVR.xsl"?>
<kvr xmlns:xs="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" type="Antwoord" aantalvragen="">
   <meta><!--
          Metadata toegevoegd door de griffie, geparsed uit Parlando.
         --><metadata>
         <item attribuut="Bibliografische_omschrijving">Van der Ploeg (PvdA) over de uitvoering van het wetsvoorstel Brede Herwaardering II (Ingezonden 21 december 1994); Antwoord</item>
         <item attribuut="Bestand">14Kb</item>
         <item attribuut="Permalink">
http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&amp;filename=KVR1007
</item>
         <item attribuut="Inhoud">De vragen betreffen de handhaving van het verbod op de stamrecht-BV, nu de pensioen-BV mag blijven bestaan.</item>
         <item attribuut="Rubriek">Belastingen (Aftrekposten) Belastingen (Inkomstenbelasting) Geld (Spaarvormen) Sociale zekerheid (Ouderdomsvoorzieningen en pensioenen (AOW))</item>
         <item attribuut="Trefwoorden">Aftrekposten Besloten vennootschappen Inkomstenbelasting Levensverzekeringen Pensioenen Spaarregelingen</item>
         <item attribuut="Vindplaats">Kamervragen met antwoord 1994-1995, nr. 376, Tweede Kamer</item>
         <item attribuut="Afkomstig_van">Financiën</item>
         <item attribuut="Indiener">
            <persoon partij="PvdA">Van der Ploeg</persoon>
         </item>
         <item attribuut="Datum_reaktie">1995-01-18</item>
         <item attribuut="Datum_indiening">1994-12-21</item>
         <item attribuut="Document-id">KVR1007</item>
         <item attribuut="Omvang">1 pag.</item>
      </metadata>
      <header titel="Tweede Kamer der Staten-Generaal" kamer="2" vergaderjaar="Vergaderjaar 1994–1995" typehandeling="Aanhangsel van de Handelingen" typedoc="Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden"/>
      <footer firstpaginanummer="765" allpagenumbers="765" vetnummer="" code="" lopendefooter="Tweede Kamer, vergaderjaar 1994–1995, Aanhangsel" filenaam="" issn-nummer="ISSN 0921 - 7398" uitgever="Sdu Uitgeverij Plantijnstraat ’s-Gravenhage 1995"/>
      <vraagdata vraagnummer="376" onderwerp="" indiendatum="1994-12-21">
         <vrager partij="PvdA" oorsprong="parlement">Van der Ploeg</vrager>
         <vraagt-aan/>
      </vraagdata>
      <antwoorddata antwoorddatum="1995-01-18">
         <antwoorder functie="staatssecretaris" ministerie="Financie¨n">Vermeend</antwoorder>
         <mede-antwoorder/>
      </antwoorddata>
   </meta>
   <vragen aantal="2">
      <vraag nummer="1">Bestaat er, nu met het wetsvoorstel 23 046 (Brede Herwaardering II) de pensioen-BV mag blijven bestaan, onvoldoende reden het verbod op het onderbrengen van een stamrecht ex artikel 45a wet op de Inkomstenbelasting bij een eigen stamrecht-BV te handhaven? Zo neen, waarom niet? </vraag>
      <vraag nummer="2">Zo ja, bent u bereid op redelijke termijn met een wetsvoorstel te komen om de hier bedoelde stamrecht-BV weer toe te staan, uiteraard binnen de randvoorwaarde dat belastingheffing in de toekomst verzekerd is? </vraag>
      <noten afkomstig="vraag"/>
   </vragen>
   <antwoorden aantal="1">
      <antwoord nummer="1 en 2" voetnoot="1">Naar mijn mening kan niet bij voorbaat worden gezegd dat nu bij Brede herwaardering II de pensioen-BV mag blijven bestaan, er onvoldoende reden is de uitsluiting van «eigen» lijfrentelichamen in de inkomstenbelasting te handhaven. Bij de beoordeling hiervan speelt een aantal factoren een rol. Zo bestaan tussen pensioenregelingen en lijfrentevoorzieningen verschillen waardoor het niet mogelijk is voor beide voorzieningen onverkort hetzelfde regime te laten gelden (zie bijlage 2 bij de memorie van toelichting Brede herwaardering II) <voetnoot nummer="1"/>. De (sanctie)bepalingen die moeten waarborgen dat lijfrentecontracten waarvoor premie-aftrek mogelijk is regulier ten uitvoer worden gelegd, dat wil zeggen dat geen handelingen worden verricht die in strijd zijn met het onderhoudskarakter, wijken voorts af van die bij pensioenen. Bij wijziging van de inkomstenbelasting met betrekking tot de toegelaten verzekeraars voor lijfrenten waardoor premies betaald aan een «eigen» lijfrentelichaam van de belastingplichtige voor aftrek in aanmerking komen, zou dan ook nauwkeurig moeten worden bekeken of de huidige bepalingen voldoende waarborg bieden tegen oneigenlijk gebruik van dergelijke lichamen en of de belastingheffing in de toekomst in voldoende mate is zekergesteld. Verder hebben bij de keuze tijdens de parlementaire behandeling van Brede herwaardering II om de uitsluiting van pensioen-BV’s te laten vervallen, de bestaande praktijk op dit punt alsmede de rol die het pensioenkapitaal in veel gevallen speelt bij de financiering van het midden- en kleinbedrijf, een belangrijke rol gespeeld. Bij premies voor lijfrenten die vanuit de prive´-sfeer worden betaald, speelt dit in veel mindere mate. Daar waar het financieringsargument wel speelt, kan de belastingplichtige/ondernemer gebruik maken van het regime voor de fiscale oudedagsreserve. Voor de maatschappelijk niet ongebruikelijke situatie van overdracht van een onderneming tegen een stamrecht is verder thans reeds een aparte regeling getroffen. Deze mogelijkheid biedt ook soelaas aan de ondernemer die zijn bedrijf voortzet in de BV-vorm. Ten slotte wijs ik er op dat zowel de bestaande wetgeving voor lijfrenten als die voor pensioenen van recente datum is en dat over de inhoud daarvan uitvoerig met de Kamers van gedachten is gewisseld. Nog los van de bezwaren die kleven aan het laten vervallen van bovenbedoelde uitsluiting ligt het tegen deze achtergrond dan ook niet voor de hand de wet op dit punt te wijzigen. Ik zal de ontwikkelingen in de praktijk uiteraard blijven volgen. Een eventuele hernieuwde afweging kan, indien dit wenselijk mocht blijken, plaatsvinden nadat ervaring met de nieuwe regelingen is opgedaan. </antwoord>
      <noten afkomstig="antwoord">
         <noot nummer="1">Kamerstukken II, 23 046, nr. 3)</noot>
      </noten>
   </antwoorden>
</kvr>

