<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet type="text/xsl" href="showKVR.xsl"?>
<kvr xmlns:xs="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" type="Antwoord" aantalvragen="">
   <meta><!--
          Metadata toegevoegd door de griffie, geparsed uit Parlando.
         --><metadata>
         <item attribuut="Bibliografische_omschrijving">KorthalsJM de Vries(beiden VVD) over de OV-jaarkaart (Ingezonden 12 januari 1995); Antwoord</item>
         <item attribuut="Bestand">18Kb</item>
         <item attribuut="Permalink">
http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&amp;filename=KVR1010
</item>
         <item attribuut="Inhoud">De vragen betreffen de foutieve inschatting van maatregelen op het gebied van studiefinanciering.</item>
         <item attribuut="Rubriek">Hoger onderwijs (Studiefinanciering) Verkeer, vervoer en waterstaat (Openbaar vervoer)</item>
         <item attribuut="Trefwoorden">Openbaar vervoer Reiskostenvergoedingen Studiefinanciering</item>
         <item attribuut="Vindplaats">Kamervragen met antwoord 1994-1995, nr. 379, Tweede Kamer</item>
         <item attribuut="Afkomstig_van">Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen</item>
         <item attribuut="Indiener">
            <persoon partij="VVD">Korthals</persoon>
            <persoon partij="VVD">J.M. de Vries</persoon>
         </item>
         <item attribuut="Datum_reaktie">1995-01-19</item>
         <item attribuut="Datum_indiening">1995-01-12</item>
         <item attribuut="Document-id">KVR1010</item>
         <item attribuut="Omvang">2 pag.</item>
      </metadata>
      <header titel="Tweede Kamer der Staten-Generaal" kamer="2" vergaderjaar="Vergaderjaar 1994–1995" typehandeling="Aanhangsel van de Handelingen" typedoc="Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden"/>
      <footer firstpaginanummer="771" allpagenumbers="771 772" vetnummer="" code="" lopendefooter="Tweede Kamer, vergaderjaar 1994–1995, Aanhangsel" filenaam="" issn-nummer="ISSN 0921 - 7398" uitgever="Sdu Uitgeverij Plantijnstraat ’s-Gravenhage 1995"/>
      <vraagdata vraagnummer="379" onderwerp="" indiendatum="1995-01-12">
         <vrager partij="VVD" oorsprong="parlement">Korthals</vrager>
         <vrager partij="VVD" oorsprong="parlement">J.M. de Vries</vrager>
         <vraagt-aan/>
      </vraagdata>
      <antwoorddata antwoorddatum="1995-01-19">
         <antwoorder functie="minister" ministerie="Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen">Ritzen</antwoorder>
         <mede-antwoorder/>
      </antwoorddata>
   </meta>
   <vragen aantal="6">
      <vraag nummer="1" voetnoot="1">Herinnert u zich uw uitspraak gedaan tijdens het begrotingsonderzoek Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen 1995 over de ramingen betreffende de OV-jaarkaart <voetnoot nummer="1"/>, luidende: «Wij zijn intern begonnen, maar zijn vrij snel naar Intomart gestapt om te vragen hoe dat zou moeten. Intern en door Intomart zijn fouten gemaakt bij de inschatting van de effecten van de maatregelen op het gebied van de studiefinanciering»? </vraag>
      <vraag nummer="2" voetnoot="2">Herinnert u zich de volgende passages uit uw brief van 20 juni 1994 aan de Kamer <voetnoot nummer="2"/>: «In de tweede plaats heb ik het bureau Intomart, via de Informatie Beheer Groep, verzocht een nieuw onderzoek te verrichten naar de keuze voor studerenden tussen een week- en een weekendkaart, indien het omslagpunt tussen deze kaarten zou komen te liggen op 19.00 uur. Hiertoe is door Intomart een nieuwe steekproef getrokken met het oog op het verkrijgen van een optimaal betrouwbaar resultaat. (...) De voorlopige conclusie van dit onderzoek, welke niet zal afwijken van de conclusie in het eindrapport dat mij uiterlijk op 24 juni a.s. ter hand zal worden gesteld, kan als volgt worden weergegeven: Op dit moment kiest 78% van de gerechtigden voor een weekkaart die geldig is tot vrijdagavond 19.00 uur»? </vraag>
      <vraag nummer="3">Kent u de inhoud van een brief van Intomart aan de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 21 december </vraag>
      <vraag nummer="1994" voetnoot="3">
         <voetnoot nummer="3"/>in reactie op uw in vraag 2 aangehaalde uitspraken, waarin onder andere de volgende passages voorkomen: «Intomart heeft in opdracht van de Informatie Beheer Groep te Groningen een tweetal onderzoeken uitgevoerd naar de voorkeur van studenten voor de weekkaart of de weekendkaart. (...) Het tweede onderzoek dateert van juni 1994. Daaruit bleek, dat een weekendkaart, die op vrijdag 19.00 uur begint, door 15% van de ondervraagden werd geprefereerd. Aangezien het werkelijke percentage studenten, dat de weekendkaart (die op vrijdag om 19.00 uur aanvangt) heeft gekozen 14% bedraagt, kunnen wij niet anders stellen, dan dat onze prognose van juni 1994 trefzeker het werkelijke percentage voorspelt»? </vraag>
      <vraag nummer="4">Berusten de in vraag 3 geciteerde passages op waarheid? Zo ja, waren deze gegevens u op 20 juni 1994 bekend? Zo ja, waarom hebt u deze door Intomart verstrekte cijfers destijds niet aan de Kamer gemeld, temeer daar het verschil tussen 78% weekkaarthouders en 15% weekendkaarthouders maar liefst 35 miljoen gulden bedraagt? </vraag>
      <vraag nummer="5">Bent u, gesteld dat de gegevens van Intomart op waarheid berusten, nog steeds van mening dat Intomart fouten gemaakt heeft bij de inschatting van de effecten van de maatregelen op het gebied van de studiefinanciering? Wilt u dit toelichten? </vraag>
      <noten afkomstig="vraag">
         <noot nummer="1" documenttype="Kamerstuk" kamerstuk-id="23 900 VIII" documentnummer="26">Kamerstuk 23 900 VIII, nr. 26</noot>
         <noot nummer="2" documenttype="Kamerstuk" kamerstuk-id="23 614" documentnummer="11">Kamerstuk 23 614, nr. 11</noot>
         <noot nummer="3">Brief is ondershands aan de minister doorgezonden</noot>
      </noten>
   </vragen>
   <antwoorden aantal="5">
      <antwoord nummer="1">Ja. </antwoord>
      <antwoord nummer="2">Ja. </antwoord>
      <antwoord nummer="3">Ja. </antwoord>
      <antwoord nummer="4" voetnoot="1 2 1">Op 17 juni 1994 had Intomart aan de Informatie Beheer Groep (IBG) een voorlopig resultaat aangeboden van het onderzoek naar de keuze tussen een week- en weekendkaart indien het omslagpunt tussen deze kaarten zou komen te liggen op vrijdagavond 19.00 uur. De IBG berichtte mij hierover bij brief van dezelfde datum. Deze voeg ik hierbij. <voetnoot nummer="1"/>Daarin staat: «Op dit moment kiest 78% voor een weekkaart die geldig is tot vrijdagavond 19.00 uur.» Dit resultaat heb ik u op 20 juni 1994 in mijn brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal <voetnoot nummer="2"/>meegedeeld. Het definitieve rapport van Intomart dat mij vervolgens op 23 juni 1994 ter beschikking werd gesteld, week op dit punt niet af, zoals ik ook in mijn brief van 20 juni als verwachting had aangegeven. In dit – bijgevoegde <voetnoot nummer="1"/>– definitieve rapport beperkt Intomart zich in het beschrijvende deel van het onderzoek tot de vermelding dat 78% kiest voor de weekkaart. Uit het cirkeldiagram op pagina 9 is af te leiden dat 15% voor een weekendkaart kiest en dat 7% geen keuze heeft gemaakt. Uit eerder onderzoek van Intomart naar het keuzebedrag van studerenden (van november en december 1993) was mij gebleken dat, indien de vraagstelling wordt verfijnd, dit keuzeresultaat (78% kiest voor de weekkaart) lager zou kunnen uitvallen. Dit eerste Intomart-onderzoek bestond uit twee enqueˆteronden. In de eerste ronde die werd gehouden in november 1993 werd naar de kaartvoorkeur gevraagd van studerenden indien het omslagpunt van de weekkaart op 16.00 uur op vrijdag kwam te liggen. Uit deze eerste ronde bleek dat 72% voor een weekkaart zou kiezen, 22% gaf de voorkeur aan de weekendkaart en 6% maakte geen keuze. Vervolgens is als onderdeel van dit eerste onderzoek kort daarop in december 1993 een tweede ronde gehouden waarin hetzelfde werd gevraagd met dit verschil dat er nu extra informatie aan de studerende werd verstrekt. Na het verstrekken van informatie bleek dat de omvang van de groep die voor een weekkaart had gekozen was gedaald van 72% naar 69%. De omvang van de groep met een voorkeur voor een weekendkaart bleek na het verstrekken van informatie te zijn toegenomen van 22% naar 27%. De overige 4% kon nog steeds geen keuze maken. In mijn brief van 20 juni 1994 heb ik daarom, waar absolute gegevens ontbraken, de hypothetische kant benadrukt: indien 78% van de studenten voor de weekkaart zou kiezen, dan zouden de in mijn brief vermelde budgettaire effecten optreden. Voor de volledigheid: ik heb geen stukken van Intomart kunnen aantreffen waarin het percentage van 85% weekkaartkiezers aan mij wordt gerapporteerd, zoals door Intomart in haar brief van 21 december 1994 aan de Tweede Kamer wordt gesuggereerd. Intomart had in mijn ogen er beter aan gedaan de tekst van de definitieve rapportage zo te redigeren dat daarbij terstond duidelijk zou zijn geworden hoeveel het percentage «weet niet» en «weekendkaart» zou zijn geworden. Achteraf verwijt ik mijzelf niet voldoende grondig het rapport van 23 juni bezien te hebben. In dat geval had ik de onvolledige redactie van Intomart kunnen bijstellen en dit in een aanvullende brief aan de Tweede Kamer laten weten. </antwoord>
      <antwoord nummer="5">Met de term «fouten» heb ik niet bedoeld te zeggen dat er iets mis zou zijn met de onderzoeken van Intomart. Ik heb slechts willen aangeven dat de inschatting over het aantal weekkaarten van Intomart achteraf gezien niet overeen bleek te komen met de nu bekende realisatiegegevens, zoals dat ook het geval bleek te zijn met de eigen inschattingen van het departement waarop aanvankelijk was afgegaan. Om achteraf de «niet-weters» toe te voegen aan de weekkaarten, zoals Intomart in haar brief van 21 december 1994 suggereert, acht ik niet zorgvuldig, zeker gezien hetgeen ik onder de beantwoording van vraag 4 heb vermeld met betrekking tot het in november en december 1993 verrichte onderzoek. </antwoord>
      <noten afkomstig="antwoord">
         <noot nummer="1">Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie</noot>
         <noot nummer="2">Zie Tweede Kamer, vergaderjaar 1993–1994, 23 614, nr. 11</noot>
      </noten>
   </antwoorden>
</kvr>

