<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet type="text/xsl" href="showKVR.xsl"?>
<kvr xmlns:xs="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" type="Antwoord" aantalvragen="">
   <meta><!--
          Metadata toegevoegd door de griffie, geparsed uit Parlando.
         --><metadata>
         <item attribuut="Bibliografische_omschrijving">Vragen van het lid Van Ardenne-van der Hoeven (CDA) over gratiëring van weigeryuppen. (Ingezonden 29 juli 1997); Antwoord</item>
         <item attribuut="Bestand">17Kb</item>
         <item attribuut="Permalink">
http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&amp;filename=KVR5602
</item>
         <item attribuut="Inhoud">Vragen inzake de stelling van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak dat het voorstel van de minister om gratie te verlenen aan weigeryuppen in strijd is met de Gratiewet.</item>
         <item attribuut="Rubriek">Strafrecht en strafprocesrecht (Vervolging) Veiligheidsbeleid en defensie (Militairen)</item>
         <item attribuut="Trefwoorden">Dienstweigering Gratieverlening Strafvervolging</item>
         <item attribuut="Vindplaats">Kamervragen met antwoord 1996-1997, nr. 1788, Tweede Kamer</item>
         <item attribuut="Afkomstig_van">Justitie</item>
         <item attribuut="Indiener">
            <persoon partij="CDA">Van Ardenne-van der Hoeven</persoon>
         </item>
         <item attribuut="Datum_reaktie">1997-09-08</item>
         <item attribuut="Datum_indiening">1997-07-29</item>
         <item attribuut="Document-id">KVR5602</item>
         <item attribuut="Omvang">2 pag.</item>
      </metadata>
      <header titel="Tweede Kamer der Staten-Generaal" kamer="2" vergaderjaar="Vergaderjaar 1996–1997" typehandeling="Aanhangsel van de Handelingen" typedoc="Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden"/>
      <footer firstpaginanummer="3659" allpagenumbers="3659 3660" vetnummer="" code="" lopendefooter="Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, Aanhangsel" filenaam="" issn-nummer="ISSN 0921 - 7398" uitgever="Sdu Uitgevers ’s-Gravenhage 1997"/>
      <vraagdata vraagnummer="1788" onderwerp="" indiendatum="1997-07-29">
         <vrager partij="CDA" oorsprong="parlement">Van Ardenne-van der Hoeven</vrager>
         <vraagt-aan/>
      </vraagdata>
      <antwoorddata antwoorddatum="1997-09-8">
         <antwoorder functie="minister" ministerie="Justitie">Sorgdrager</antwoorder>
         <mede-antwoorder/>
      </antwoorddata>
   </meta>
   <vragen aantal="4">
      <vraag nummer="1">Wat is uw oordeel over de stelling van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR), dat uw voorstel ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de straffen van weigeryuppen in strijd is met artikel 2 van de Gratiewet? </vraag>
      <vraag nummer="2">Zijn er precedenten van gevallen waarin de minister van Justitie door middel van gratiëring collectief ingrijpt in de tenuitvoerlegging van een straf? </vraag>
      <vraag nummer="3">Acht u het denkbaar, dat in de toekomst vaker van dit middel gebruik gemaakt zal worden? </vraag>
      <vraag nummer="4">Wat is uw oordeel over de zinsnede in de brief van de NVvR «De strafprocedures krijgen zo onvermijdelijk iets van een schijnvertoning.»? </vraag>
      <noten afkomstig="vraag"/>
   </vragen>
   <antwoorden aantal="3">
      <antwoord nummer="1" voetnoot="1">In mijn brief aan de voorzitters van beide Kamers der Staten-Generaal van 27 juni 1997 heb ik aangegeven dat het openbaar ministerie bij zijn strafvorderingsbeleid dat mede in oriëntatie op de rechterlijke straftoemeting wordt gevoerd, verschil aanbrengt in de te onderscheiden groepen, die van totaalweigeraars en weigeryuppen enerzijds (te behandelen in Arnhem: eis van maximaal 7 maanden gevangenisstraf) en de groep van weigeraars vervangende dienstplicht anderzijds (te behandelen in Den Haag: eis van maximaal 6 maanden gevangenisstraf, waarbij tegen een aanbod tot dienstverlening niet wordt geopponeerd). Zoals in de brief gesteld heb ik geen aanleiding gezien een wijziging van dit gedifferentieerde vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie te bevorderen. Ik heb daarbij overwogen dat in militaire zaken kennelijk groot gewicht wordt toegekend aan de – in de tijd – gelijke behandeling van de door de militaire rechter berechte gevallen en dat de afschaffing van de opkomstplicht onvoldoende aanleiding vormde tot een aanpassing van het beleid, die ertoe zou leiden dat in alle gevallen een op te leggen gevangenisstraf op een daartoe strekkend aanbod zou kunnen worden vervangen door dienstverlening. Het gerechtshof te Den Haag heeft in zijn beslissing van 23 december 1996 bij de straftoemeting naast overwegingen met betrekking tot de handhaving van de dienstplicht, rechtvaardigheid en rechtsgelijkheid ondermeer overwogen dat de opkomstplicht inmiddels is afgeschaft. Het hof beoordeelde dit laatste als een enigszins strafverlichtende omstandigheid; de verdachte werd daarom tot 6 maanden gevangenisstraf, om te zetten in 240 uur dienstverlening, veroordeeld. Bij de beoordeling van de in juni jl. in een aanhangige (militaire) gratiezaak te nemen beslissing heb ik gezocht naar een modaliteit van uitvoering van de opgelegde straf, waarin met de ontwikkelingen in samenleving en rechtspraak zo veel mogelijk rekening kon worden gehouden. Gelet op de aandacht die in de Staten-Generaal de afgelopen tijd voor deze categorie delinquenten werd gevraagd, heb ik, conform een eerdere toezegging, de lijn die ik met die beslissing inzette, aan de Eerste en Tweede Kamer kenbaar gemaakt. Dit heeft geresulteerd in de door u aan de orde gestelde beslissing. Het openbaar ministerie heeft landelijk als algemeen beleid om, behoudens specifieke bezwaren, niet tegen een aanbod tot het verrichten van dienstverlening te opponeren en in beginsel in plaats van een vrijheidsstraf van 6 maanden of minder dienstverlening te eisen. De rechter pleegt die straf dan vervolgens op te leggen. Hieruit leid ik af dat het openbaar ministerie en de rechter dienstverlening als in beginsel volwaardig alternatief voor de vrijheidsstraf beschouwen. Ook in Haagse en Arnhemse zaken (tegen weigeraars vervangende dienstplicht respectievelijk dienstweigeraars) waarbij een maximale gevangenisstraf van 6 maanden wordt opgelegd kan deze straf worden omgezet in dienstverlening. In de Arnhemse zaken echter waarin een gevangenisstraf van 7 maanden wordt opgelegd, hetgeen overigens in lang niet alle zaken het geval is, is omzetting in dienstverlening wettelijk niet mogelijk. Aangezien het bij de beoordeling van gratieverzoeken in individuele gevallen reeds thans mogelijk is om in het kader van de tenuitvoerlegging maximaal 6 maanden gevangenisstraf om te zetten in dienstverlening, heb ik juni jl. een gratieverzoek in die zin gehonoreerd dat van de 7 opgelegde maanden gevangenisstraf er 6 worden omgezet in 240 uur dienstverlening. De resterende maand gevangenisstraf blijft staan. Daarmee heb ik naar mijn opvatting geen rechterlijke uitspraak gedesavoueerd maar, zoveel mogelijk aansluiting zoekend bij de rechterlijke straftoemeting, op een passende wijze een alternatieve uitvoering van de straf gerealiseerd. Ik ben van oordeel dat hiermee de strafrechtstoepassing in redelijkheid wordt gediend overeenkomstig de strekking van artikel 2 van de Gratiewet. Zoals bekend, zal na aanvaarding en inwerkingtreding van het Wetsvoorstel taakstraffen de oplegging van een combinatie van gevangenisstraf en dienstverlening door de rechter mogelijk zijn. Ik heb dit bij brief van heden ook, in gelijke bewoordingen, ter kennis gebracht aan de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak naar aanleiding van een brief van de voorzitter van die vereniging van 22 juni jl. <voetnoot nummer="1"/>
      </antwoord>
      <antwoord nummer="2 en 3">Zoals hierboven uiteengezet is er bij gratieverlening aan veroordeelde dienstweigeraars geen sprake van collectieve gratie. In het verleden hebben zich de volgende algemene graties voorgedaan: 1923 25-jarig regeringsjubileum Koningin Wilhelmina, 1937 huwelijk Prinses Juliana en Prins Bernhard, 1938 40-jarig regeringsjubileum Koningin Wilhelmina, 1946 betreffende feiten gepleegd in bezettingstijd, 1948 50-jarig regeringsjubileum Koningin Wilhelmina en troonsopvolging Juliana, 1951 voor militairen uitgezonden naar overzeese gebiedsdelen, 1955 10 jaar bevrijding, 1966 huwelijk Prinses Beatrix en Prins Claus, 1975 in verband met achterstand tenuitvoerlegging vonnissen. Het is in theorie mogelijk dat in de toekomst de Minister van Justitie door middel van gratiëring collectief zal ingrijpen in de tenuitvoerlegging van een straf, doch er is geen enkele aanleiding te veronderstellen dat zulks ook zal gebeuren, zeker in het licht van de bezwaren die daartegen in het verleden zijn geuit. </antwoord>
      <antwoord nummer="4">In de eerste plaats zullen alle zaken tegen totaalweigeraars, weigeryuppen en weigeraars vervangende dienstplicht in het kader van de vervolging door het openbaar ministerie en in het kader van de berechting door de beoordeeld worden op een zelfde wijze als voorheen. De omstandigheden van het geval zullen daarbij zoals gebruikelijk worden meegewogen. Indien een veroordeelde verzoekt om gratie zal ik de rechterlijke autoriteiten, zoals voorgeschreven, om advies vragen. Mede op basis van persoonlijke omstandigheden zal ieder gratieverzoek vervolgens individueel en op zijn eigen merites worden beoordeeld. Indien ik dat verantwoord acht zal ik ten aanzien van genoemde zaken van de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf maximaal 6 maanden doen vervangen door dienstverlening. Ik teken daarbij aan dat arbeid ten algemene nutte een wettelijk aanvaard alternatief is voor gevangenisstraf en derhalve gelijkwaardig aan die straf geacht moet worden. Een dergelijke aanpak leidt er mijns inziens niet toe dat strafprocedures iets krijgen van een schijnvertoning. </antwoord>
      <noten afkomstig="antwoord">
         <noot nummer="1">Bijlage ter inzage gelegd bij afdeling Parlementaire Documentatie</noot>
      </noten>
   </antwoorden>
</kvr>

