<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet type="text/xsl" href="showKVR.xsl"?>
<kvr xmlns:xs="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" type="Antwoord" aantalvragen="8">
   <meta><!--
          Metadata toegevoegd door de griffie, geparsed uit Parlando.
         --><metadata>
         <item attribuut="Bibliografische_omschrijving">Vragen van de leden Van der Ploeg en Witteveen-Hevinga (beiden PvdA) over de Amsterdamse beurs (Ingezonden 10 november 1994); Antwoord</item>
         <item attribuut="Bestand">21Kb</item>
         <item attribuut="Permalink">
http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&amp;filename=KVR945
</item>
         <item attribuut="Inhoud">De vragen betreffen o.a. het nieuwe handelssysteem voor kleine transacties in verhouding tot de Wet economische mededinging, en de eis dat buitenlandse effectenhuizen die in Amsterdam willen handelen een kantoor in Nederland moeten hebben.</item>
         <item attribuut="Rubriek">Geld (Beleggingen) Handel en economie (Mededinging)</item>
         <item attribuut="Trefwoorden">Effectenbeurzen</item>
         <item attribuut="Vindplaats">Kamervragen met antwoord 1994-1995, nr. 318, Tweede Kamer</item>
         <item attribuut="Afkomstig_van">Economische Zaken</item>
         <item attribuut="Indiener">
            <persoon partij="PvdA">Van der Ploeg</persoon>
            <persoon partij="PvdA">Witteveen-Hevinga</persoon>
         </item>
         <item attribuut="Datum_reaktie">1994-12-27</item>
         <item attribuut="Datum_indiening">1994-11-10</item>
         <item attribuut="Document-id">KVR945</item>
         <item attribuut="Omvang">3 pag.</item>
      </metadata>
      <header titel="Tweede Kamer der Staten-Generaal" kamer="2" vergaderjaar="Vergaderjaar 1994–1995" typehandeling="Aanhangsel van de Handelingen" typedoc="Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden"/>
      <footer firstpaginanummer="643" allpagenumbers="643 644 645" vetnummer="" code="" lopendefooter="Tweede Kamer, vergaderjaar 1994–1995, Aanhangsel" filenaam="" issn-nummer="ISSN 0921 - 7398" uitgever="Sdu Uitgeverij Plantijnstraat ’s-Gravenhage 1995"/>
      <vraagdata vraagnummer="318" onderwerp="" indiendatum="1994-11-10">
         <vrager partij="PvdA" oorsprong="parlement">Van der Ploeg</vrager>
         <vrager partij="PvdA" oorsprong="parlement">Witteveen-Hevinga</vrager>
         <vraagt-aan/>
      </vraagdata>
      <antwoorddata antwoorddatum="1994-12-27">
         <antwoorder functie="minister" ministerie="Economische Zaken">Wijers</antwoorder>
         <mede-antwoorder/>
      </antwoorddata>
   </meta>
   <vragen aantal="8">
      <vraag nummer="1" voetnoot="1">Houdt het bestuur van de Amsterdamse beurs «voorlopig» vast aan de eis dat buitenlandse effectenhuizen die in Amsterdam willen handelen een kantoor in Nederland moeten hebben? <voetnoot nummer="1"/>
      </vraag>
      <vraag nummer="2">Hoe verhoudt de mogelijke negatieve consequenties van het afschaffen van de vestigingseis uit de reglementen voor een aantal bestaande kleinere commissionairs zich tot de mogelijke positieve gevolgen voor de kleine belegger? </vraag>
      <vraag nummer="3">Wat vindt u ervan, dat het bestuur van de Amsterdamse beurs haar leden afschermt van concurrentie uit het buitenland? </vraag>
      <vraag nummer="4">Deelt u de mening, dat het uit economisch standpunt ondoelmatig is dat orders voor Amerikaanse en Engelse effectenhuizen alle´e´n uitgevoerd kunnen worden door tussenkomst van in Nederland gevestigde commissionairs? </vraag>
      <vraag nummer="5">Acht u deze vestigingseis een vorm van protectionisme en daarom in strijd met Europese regelgeving? </vraag>
      <vraag nummer="6" voetnoot="2">Kunt u vo´o´r eind november beoordelen of het nieuwe handelssysteem voor kleine transacties in strijd is met de Wet Economische mededeling, zoals u eerder <voetnoot nummer="2"/>hebt toegezegd? Wilt u daarbij de hierboven gestelde vragen betrekken? </vraag>
      <vraag nummer="7">Acht u de bepaling, dat in het retailsegment slechts e´e´n hoekman bemiddelt per fonds in strijd met het Besluit Marktverdelingsregelingen, dat op grond van de Wet Economische Mededinging is genomen? Zijn er goede redenen voor ontheffing? </vraag>
      <vraag nummer="8">Deelt u de mening, dat het courtagereglement van de Amsterdamse beurs in strijd is met het Besluit Horizontale Prijsafspraken? Erkent u uw eigen verantwoordelijkheid naast die van de Stichting Toezicht Effectenverkeer? </vraag>
      <noten afkomstig="vraag">
         <noot nummer="1" datum="1994-11-7" bron="Het Financie¨le Dagblad, 5 en">Het Financie¨le Dagblad, 5 en, 7 november 1994</noot>
         <noot nummer="2">Bij de beantwoording op 27 september 1994 van eerdere vragen (Aanhangsel nr. 104) omtrent de Amsterdamse beurs heeft de regering toegezegd in de loop van november te beoordelen of het nieuwe handelssysteem voor kleine transacties in strijd is met de Wet Economische mededinging. Zo genereren de market-makers omzet voor de hoekman, maar moeten zij hogere tarieven betalen. Belangrijke vragen zijn: Is het niet gewenst het aantal hoekleden per transactie in het retailsegment vrij te laten? Wat bepaalt de grens tussen het wholesale-en het retailsegement?</noot>
      </noten>
   </vragen>
   <antwoorden aantal="8">
      <antwoord nummer="1">De Amsterdamse Effectenbeurs (hierna: de beurs) kent twee handelssystemen. In het nieuwe handelssysteem (TSA: Trading System Amsterdam) wordt gehandeld in alle aandelen en niet-staatsobligaties. Het TSA kent twee segmenten: het wholesale-segment en het retail-segment. In het wholesale-segment kunnen beursleden met elkaar grote transacties afsluiten, zonder tussenkomst van een hoekman. In het retail-segment worden transacties van een kleinere omvang afgesloten waarbij de hoekman wel wordt ingeschakeld. Daarnaast kent de beurs de Amsterdam Treasurybond Market (ATM), de markt voor professionele handel in staatsobligaties met een minimale omvang van f 2,5 miljoen. Het is juist dat het bestuur van de beurs vooralsnog vasthoudt aan de eis dat effecteninstellingen die willen handelen binnen het TSA een kantoor in Nederland moeten hebben. Ten behoeve van de ATM is vorig jaar deelname van buiten Nederland gevestigde instellingen onder speciale voorwaarden, waaronder deugdelijke samenwerkingsafspraken met de desbetreffende buitenlandse autoriteiten, mogelijk gemaakt. Met deze regeling ten aanzien van de zogeheten «buitengewone bedrijfsleden» wordt thans ervaring opgedaan. </antwoord>
      <antwoord nummer="2">Het effect van het afschaffen van de vestigingseis op de positie van bestaande commissionairs is dat buitenlandse effecteninstellingen, die lid zouden worden van de beurs zonder dat zij een vestiging in Nederland willen openen, geen commissionairs meer behoeven in te schakelen voor transacties op de beurs. Omdat de desbetreffende buiten Nederland gevestigde effecteninstellingen zich vooral richten op het wholesale-segment kan dit er toe leiden dat de concurrentie op dat segment van het TSA toeneemt, hetgeen een prijsdrukkend effect kan hebben. Omdat door middel van arbitrage prijsbewegingen in het wholesale-segment de prijsbewegingen in het retail-segment kunnen beı¨nvloeden (en vice versa), kan het effect van grotere concurrentie in het wholesale-segment doorwerken naar het retail-segment. Bij de besluitvorming omtrent het al dan niet handhaven van de vestigingseis geldt evenwel als voorwaarde dat een adequate controle op de buiten Nederland gevestigde effecteninstellingen moet kunnen worden uitgeoefend, met het oog op het adequaat functioneren van de beurs en de positie van de belegger in de beurs. </antwoord>
      <antwoord nummer="3">Blijkens mededeling van de Vereniging voor de Effectenhandel, de houder van de beurs, is de toelating van buiten Nederland gevestigde instellingen slechts verantwoord indien de beurs adequaat controle kan uitoefenen op de activiteiten van deze leden. Daartoe dienen eerst deugdelijke afspraken te worden gemaakt met de betrokken buitenlandse autoriteiten. De beurs heeft deze procedure inmiddels bij de Britse autoriteiten in gang gezet en is voornemens dit ook bij de autoriteiten van andere daarvoor in aanmerking komende landen te doen. Tevens dienen in het licht van het vorenstaande de modaliteiten van toelating te worden vastgesteld. Hierover vindt momenteel in het kader van de Europese Beurzenfederatie overleg plaats. Hiernaast heeft de beurs meegedeeld dat zij, alvorens buiten Nederland gevestigde instellingen kunnen worden toegelaten, eerst de nodige ervaring wil opdoen met het nieuwe handelssysteem, dat vanaf 1 oktober 1994 in werking is getreden. Pas daarna wordt een definitief regime – zowel reglementair als technisch – vastgesteld. Op grond van het voorgaande is de conclusie gerechtvaardigd dat het handhaven van een vestigingseis is ingegeven met het oog op het adequaat functioneren van de beurs en met het oog op de positie van belegger op de beurs en niet dient tot afscherming van de leden van concurrentie uit het buitenland. De Stichting Toezicht Effectenverkeer, waaraan ingevolge de Wet toezicht effectenverkeer het toezicht op het effectenverkeer is gedelegeerd deelt dit standpunt. Voor de goede orde merken wij op dat de Statuten en Reglementen van de Vereniging voor de Effectenhandel geen onderscheid maken ter zake van de nationaliteit van haar (aspirant-) leden. Buitenlandse effecteninstellingen kunnen dan ook lid worden van de beurs, indien zij aan de daarvoor geldende, voor alle (aspirant-) leden gelijkluidende, eisen voldoen. Van een ongelijke behandeling van (aspirant-)leden is geen sprake. Het is derhalve geenszins zo dat orders voor buitenlandse effecteninstellingen alle´e´n uitgevoerd kunnen worden door tussenkomst van in Nederland gevestigde commissionairs, aangezien het deze buitenlandse instellingen vrij staat een bijkantoor te houden in Nederland en zo het lidmaatschap van de beurs te verkrijgen. </antwoord>
      <antwoord nummer="4">Zolang het adequate functioneren van de beurs en de positie van beleggers daarop met zich brengt dat ten aanzien van de toelating van tot het «Trading System Amsterdam» een vestigingseis moet worden gehandhaafd, zijn wij niet van mening dat de tussenkomst van in Nederland gevestigde commissionairs voor in het buitenland gevestigde beleggingsinstellingen, die geen kantoor in Nederland willen houden, uit economisch standpunt ondoelmatig is. Immers slechts indien de handel ter beurze met de nodige waarborgen is omgeven, zal er sprake zijn van vertrouwen bij marktpartijen in die handel. Zonder dat vertrouwen kan er geen sprake zijn van een economisch doelmatige handel. Ook de Stichting Toezicht Effectenverkeer stelt zich op dit standpunt. </antwoord>
      <antwoord nummer="5">Neen, wij achten deze vestigingseis geen vorm van protectionisme. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 vloeit de eis dat instellingen kantoor dienen te houden in Nederland voort uit overwegingen ten aanzien van het adequaat functioneren van de beurs en de positie van de belegger daarop, en wordt zij niet gesteld als vorm van protectionisme. Tevens geldt de vestigingseis voor alle (aspirant-)leden, zodat van een ongelijke behandeling dan wel bescherming van in Nederland gevestigde leden geen sprake is. Naar onze mening is er thans geen sprake van strijd met Europese regelgeving. Dit neemt niet weg dat richtlijn 93/22 EEG betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten, die thans in nationale wetgeving wordt omgezet, regels stelt met betrekking tot de toegang tot Europese beurzen. Deze richtlijn dient 31 december 1995 in werking te treden. Over de interpretatie van deze regels vindt overleg plaats met de Europese Commissie. De implementatie van richtlijn 93/22/EEG geschiedt in Nederland op grond van het voorstel van Wet toezicht effectenverkeer </antwoord>
      <antwoord nummer="1995" voetnoot="1">
         <voetnoot nummer="1"/>. Dit voorstel beoogt het opnieuw vaststellen van de thans geldende Wet toezicht effectenverkeer (Stb. 1991, 141). </antwoord>
      <antwoord nummer="6 en 7">Uitsluitsel over het algemene onderzoek of het nieuwe handelssysteem voor kleine transacties in strijd is met de Wet economische mededinging (WEM) kunnen wij pas geven nadat wij een standpunt hebben bepaald over het verzoek van een aantal market makers, werkzaam op de European Options Exchange te Amsterdam, om onder meer het principe van e´e´n hoekman per fonds te toetsen aan de WEM. Wat betreft de specifieke vraag of het voorschrift dat in retailsegment slechts e´e´n hoekman bemiddelt per fonds in strijd is met het Besluit marktverdelingsregelingen (Stb. 1994, 56, hierna: het Besluit), merken wij het volgende op. Wij zijn voornemens om aan de Vereniging voor de Effectenhandel op korte termijn schriftelijk mee te delen dat het Reglement voor de Effectenhandel – zoals dat na 1 oktober jl. is komen te luiden – geen bepalingen bevat welke een onverbindende marktverdelingsregeling oplevert onder het Besluit. Dit geldt dus ook voor de bepalingen in dat Reglement die de positie en de rol van hoeklieden regelen. Overigens heeft de toenmalige staatssecretaris van Economische Zaken aan de vereniging bij brief van 2 augustus 1994 meegedeeld dat het Reglement zoals dat voor 1 oktober 1994 luidde niet onder de reikwijdte van het Besluit viel. Uit de antwoorden op de vragen 1 tot en met 5 vloeit overigens voort dat wij geen aanleiding zien om de voorschriften van de Vereniging inzake de vestigingseis te betrekken bij het hierbovengenoemde WEM-onderzoek. </antwoord>
      <antwoord nummer="8">Neen, wij zijn niet van mening dat het Courtagereglement van de Vereniging voor de Effectenhandel in strijd is met het Besluit horizontale prijsbinding (Stb. 1993, 80). De in de artikelen 1 en 2 van dit besluit omschreven bepalingen in mededingingsregelingen – prijsregelingen – zijn onverbindend, behoudens een vrijstelling of ontheffing. Ee´n van de vrijstellingen – artikel 4, tweede lid, onder b – bepaalt dat de artikelen 1 en 2 niet gelden voorzover de in die artikelen bedoelde bepalingen in mededingingsregelingen ingevolge het bepaalde bij of krachtens enige andere wet dan de Wet economische mededinging onderworpen zijn aan goedkeuring of door een bestuursorgaan onverbindendverklaard, verboden of vernietigd kunnen worden, dan wel op grond van enige wettelijke verplichting tot stand zijn gekomen. De reglementen van de Vereniging voor de Effectenhandel, waaronder het Courtagereglement, zijn op grond van de Wet toezicht effectenverkeer (Wte) onderworpen aan toezicht – zoals omschreven in artikel 4, tweede lid, onder b van het Besluit horizontale prijsbinding – door de Stichting toezicht effectenverkeer. Om die reden is het Besluit horizontale prijsbinding niet van toepassing op het Courtagereglement. Dit oordeel heeft de toenmalige staatssecretaris van Economische Zaken bij brief van 24 januari 1994 aan de meergenoemde vereniging meegedeeld. De strekking van artikel 4, tweede lid, onder b van het Besluit horizontale prijsbinding brengt met zich dat zodra de eerste ondergetekende zich er van heeft overtuigd – binnen zijn verantwoordelijkheid voor toepassing van het Besluit horizontale prijsbinding – dat de onverbindendverklaring van prijsregelingen in een bepaalde situatie niet geldt, het niet doeltreffend is dat hij naast – in dit geval – de Stichting toezicht effectenverkeer toezicht blijft uitoefenen op regelingen van de Vereniging voor de Effectenhandel. </antwoord>
      <noten afkomstig="antwoord">
         <noot nummer="1">Kamerstukken II, 1993–1994, 23 874</noot>
      </noten>
   </antwoorden>
</kvr>

