<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet type="text/xsl" href="showKVR.xsl"?>
<kvr xmlns:xs="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" type="Antwoord" aantalvragen="5">
   <meta><!--
          Metadata toegevoegd door de griffie, geparsed uit Parlando.
         --><metadata>
         <item attribuut="Bibliografische_omschrijving">Vragen van de leden Van Oven en Huys (beiden PvdA) over onderzoekswerk ten behoeve van opsporingsonderzoeken naar fraude (Ingezonden 25 november 1994); Antwoord</item>
         <item attribuut="Bestand">15Kb</item>
         <item attribuut="Permalink">
http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&amp;filename=KVR971
</item>
         <item attribuut="Inhoud">De vragen betreffen onderzoekswerk door curatoren in faillissementen in het arrondissement Maastricht.</item>
         <item attribuut="Rubriek">Belastingen (Belastingfraude) Criminaliteit en openbare orde (Bijzondere opsporings- en inspectiediensten) Rechterlijke organisatie (Arrondissementsrechtbanken) Strafrecht en strafprocesrecht (Opsporingsonderzoek)</item>
         <item attribuut="Trefwoorden">Faillissementen Fraude Opsporingen</item>
         <item attribuut="Vindplaats">Kamervragen met antwoord 1994-1995, nr. 342, Tweede Kamer</item>
         <item attribuut="Afkomstig_van">Justitie</item>
         <item attribuut="Indiener">
            <persoon partij="PvdA">Van Oven</persoon>
            <persoon partij="PvdA">Huys</persoon>
         </item>
         <item attribuut="Datum_reaktie">1995-01-09</item>
         <item attribuut="Datum_indiening">1994-11-25</item>
         <item attribuut="Document-id">KVR971</item>
         <item attribuut="Omvang">2 pag.</item>
      </metadata>
      <header titel="Tweede Kamer der Staten-Generaal" kamer="2" vergaderjaar="Vergaderjaar 1994–1995" typehandeling="Aanhangsel van de Handelingen" typedoc="Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden"/>
      <footer firstpaginanummer="695" allpagenumbers="695 696" vetnummer="" code="" lopendefooter="Tweede Kamer, vergaderjaar 1994–1995, Aanhangsel" filenaam="" issn-nummer="ISSN 0921 - 7398" uitgever="Sdu Uitgeverij Plantijnstraat ’s-Gravenhage 1995"/>
      <vraagdata vraagnummer="342" onderwerp="" indiendatum="1994-11-25">
         <vrager partij="PvdA" oorsprong="parlement">Van Oven</vrager>
         <vrager partij="PvdA" oorsprong="parlement">Huys</vrager>
         <vraagt-aan/>
      </vraagdata>
      <antwoorddata antwoorddatum="9 januari 1995), zie ook Aanhangsel Handelingen nr. 275, Vergaderjaar 1994–1995">
         <antwoorder functie="minister" ministerie="Justitie">Sorgdrager</antwoorder>
         <mede-antwoorder/>
      </antwoorddata>
   </meta>
   <vragen aantal="5">
      <vraag nummer="1" voetnoot="1">Heeft de rechtbank Maastricht aan curatoren in faillissementen in het arrondissement Maastricht opgedragen geen onderzoekswerk meer te verrichten ten behoeve van opsporingsonderzoeken naar fraude door de Fiod en de Economische Controle Dienst, dan wel dergelijke activiteiten sterk te beperken? <voetnoot nummer="1"/>
      </vraag>
      <vraag nummer="2">Onderschrijft u het standpunt, dat de opbrengst van dergelijk onderzoekswerk «nagenoeg nihil» is? </vraag>
      <vraag nummer="3">Kunt u een overzicht geven van het aantal zaken waarin door curatoren in faillissement in het arrondissement Maastricht melding is gemaakt van fraudeverdenkingen bij opsporingsinstanties en van het aantal aan het O.M. aldaar toegezonden processen-verbaal, waarin die informatie is verwerkt? </vraag>
      <vraag nummer="4">Ziet u in deze gang van zaken aanleiding te bevorderen, dat curatoren in faillissementen in het arrondissement Maastricht in de naaste toekomst weer onderzoekswerk ten behoeve van opsporingsmethoden verrichten? </vraag>
      <vraag nummer="5">Acht u een regeling denkbaar, waarmee de eventuele meerkosten van dergelijke onderzoekswerkzaamheden (gedeeltelijk) worden verhaald op de eventuele opbrengst van strafrechtelijke onderzoeken van het O.M. waarbij van de onderzoeksresultaten gebruik is gemaakt? </vraag>
      <noten afkomstig="vraag">
         <noot nummer="1" datum="1994-11-23" bron="Het Limburgs Dagblad">Het Limburgs Dagblad, 23 november 1994</noot>
      </noten>
   </vragen>
   <antwoorden aantal="5">
      <antwoord nummer="1">De rechters-commissarissen van de rechtbank te Maastricht hebben de curatoren niet opgedragen geen onderzoekswerk voor de FIOD en de ECD meer te verrichten. Zij hebben uitsluitend aan de curatoren laten weten dat declaraties ten laste van de boedel voor bemoeiingen van de curatoren ten behoeve van opsporingsdiensten nog slechts gelimiteerd geaccepteerd zullen worden en wel tot maximaal vier uren per faillissement. Wanneer er geen of zeer weinig activa in de boedel zijn, zullen die bemoeiingen in het geheel niet meer aanvaard worden. De rechters-commissarissen hebben geconstateerd dat curatoren soms in zeer uitgebreide mate werkzaamheden verrichten ten behoeve van onderzoeken van opsporingsdiensten, terwijl de opbrengst daarvan voor de boedel nagenoeg nihil is. Als gevolg daarvan vloeit er via curatorsalarissen onevenredig veel actief uit de boedel. De rechters-commissarissen hebben hun beslissing genomen tegen de achtergrond van de Faillissementswet en hun wettelijke taak om toezicht te houden op het beheer van de faillissementsboedel ter bescherming van de belangen van de schuldeisers. </antwoord>
      <antwoord nummer="2">De rechters-commissarissen hebben het oog gehad op de opbrengsten van het onderzoekswerk ten behoeve van de failliete boedel en derhalve niet op de betekenis van dat werk voor een strafrechtelijk onderzoek en een mogelijke strafrechtelijke vervolging. Ik heb geen reden te twijfelen aan de juistheid van de stelling van de rechters-commissarissen ten aanzien van de opbrengst voor de boedel. </antwoord>
      <antwoord nummer="3">Sedert 1 januari 1993 is in 33 faillissementszaken door tussenkomst van de behandelend rechter-commissaris aangifte van strafbare feiten gedaan. </antwoord>
      <antwoord nummer="4">Het verrichten van onderzoekswerk ten behoeve van opsporingsonderzoeken door curatoren en rechters-commissarissen in faillissementen valt buiten het kader van de Faillissementswet. Indien er concrete aanwijzingen van strafbare feiten bestaan wordt aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie. Ik zie dan ook geen aanleiding te bevorderen dat curatoren structureel – en meer substantieel – werkzaamheden gaan verrichten ten behoeve van opsporingsonderzoeken. </antwoord>
      <antwoord nummer="5">Een regeling waarbij de meerkosten – al dan niet gedeeltelijk – worden verhaald op de eventuele opbrengst van strafrechtelijke onderzoeken, impliceert dat dergelijke kosten indien en voorzover zodanige verhaalsmogelijkheden niet worden gevonden ten laste van de boedel blijven. Verhaal van de kosten op de opbrengst van het strafrechtelijk onderzoek, welke opbrengst – evenals alle overige baten – in de boedel zou vallen, is alleen mogelijk indien, nadat alle schuldeisers zijn voldaan, een positief boedelsaldo resteert en dit saldo in aanmerking komt voor ontneming als wederrechtelijk verkregen voordeel. Gezien het karakter van het faillissement zal echter slechts zelden sprake zijn van een positief eindsaldo. De onderzoekskosten zouden in de meeste gevallen derhalve ten laste van de boedel moeten worden gebracht. Dat acht ik, zoals hiervoor opgemerkt, niet in overeenstemming met de Faillissementswet. </antwoord>
      <noten afkomstig="antwoord"/>
   </antwoorden>
</kvr>

