<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet type="text/xsl" href="showKVR.xsl"?>
<kvr xmlns:xs="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" type="Antwoord" aantalvragen="5">
   <meta><!--
          Metadata toegevoegd door de griffie, geparsed uit Parlando.
         --><metadata>
         <item attribuut="Bibliografische_omschrijving">Vragen van het lid O P G Vos (VVD) over internationale ontvoering van kinderen (Ingezonden 22 december 1994); Antwoord</item>
         <item attribuut="Bestand">18Kb</item>
         <item attribuut="Permalink">
http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&amp;filename=KVR982
</item>
         <item attribuut="Inhoud">De vragen betreffen de zaak Kompier/Arbogast.</item>
         <item attribuut="Rubriek">Burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht (Internationaal privaatrecht) Burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht (Personen- en familierecht) Welzijn (Jeugdigen)</item>
         <item attribuut="Trefwoorden">Jeugdigen Personen- en familierecht Internationaal privaatrecht</item>
         <item attribuut="Vindplaats">Kamervragen met antwoord 1994-1995, nr. 353, Tweede Kamer</item>
         <item attribuut="Afkomstig_van">Justitie</item>
         <item attribuut="Indiener">
            <persoon partij="VVD">O. P. G. Vos</persoon>
         </item>
         <item attribuut="Datum_reaktie">1995-01-13</item>
         <item attribuut="Datum_indiening">1994-12-22</item>
         <item attribuut="Document-id">KVR982</item>
         <item attribuut="Omvang">2 pag.</item>
      </metadata>
      <header titel="Tweede Kamer der Staten-Generaal" kamer="2" vergaderjaar="Vergaderjaar 1994–1995" typehandeling="Aanhangsel van de Handelingen" typedoc="Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden"/>
      <footer firstpaginanummer="717" allpagenumbers="717 718" vetnummer="" code="" lopendefooter="Tweede Kamer, vergaderjaar 1994–1995, Aanhangsel" filenaam="" issn-nummer="ISSN 0921 - 7398" uitgever="Sdu Uitgeverij Plantijnstraat ’s-Gravenhage 1995"/>
      <vraagdata vraagnummer="353" onderwerp="" indiendatum="1994-12-22">
         <vrager partij="VVD" oorsprong="parlement">O. P. G. Vos</vrager>
         <vraagt-aan/>
      </vraagdata>
      <antwoorddata antwoorddatum="1995-01-13">
         <antwoorder functie="staatssecretaris" ministerie="Justitie">Schmitz</antwoorder>
         <mede-antwoorder/>
      </antwoorddata>
   </meta>
   <vragen aantal="5">
      <vraag nummer="1" voetnoot="1">Kent u de problemen bij de tenuitvoerlegging van het Haagse Verdrag, 25 oktober 1980 inzake de internationale ontvoering van kinderen? <voetnoot nummer="1"/>
      </vraag>
      <vraag nummer="2">Kan de achterblijvende echtgenoot, indien zijn Nederlandse vrouw zonder diens toestemming een kind heeft meegenomen vanuit Amerika naar Nederland, zonder problemen in Amerika de (tijdelijke) voogdij aanvragen over het kind dat inmiddels in Nederland verblijft? </vraag>
      <vraag nummer="3">Is het in overeenstemming met het verdrag, dat terugkeer van het kind op grond van artikel 8 van het Verdrag ook dient plaats te vinden, indien het gezag over het kind, zoals bepaald door de buitenlandse rechter, bij verstek is toegewezen en niet vaststaat of de feitelijke verzorgende ouder op adequate wijze in persoon of per openbaar exploot is gedagvaard? </vraag>
      <vraag nummer="4">Is er reden voor de centrale autoriteit om bij afweging van het teruggeleidingsverzoek ingevolge artikel 11 juncto artikel 12 van het Verdrag betekenis toe te kennen aan het feit dat de Amerikaanse rechter regelmatig bepaalt dat de partij die met de voogdij wordt belast, de staat, waarin partijen gedurende hun huwelijk woonden, niet mag verlaten? </vraag>
      <vraag nummer="5">Kan het verdrag tot consequentie hebben dat een Nederlandse vrouw gedwongen wordt haar kind, zonder enige waarborg voor het welzijn, over te dragen aan haar voormalige Amerikaanse echtgenoot, die op basis van een verstek-vonnis het gezag heeft verworven? Acht u deze gang van zaken overeenkomstig het verdrag? Zo ja, komt het verdrag dan niet voor wijziging in aanmerking? </vraag>
      <noten afkomstig="vraag">
         <noot nummer="1">Correspondentie ministerie van Justitie, kenmerk IKO 93/0062 (zaak Kompier/Arbogast)</noot>
      </noten>
   </vragen>
   <antwoorden aantal="5">
      <antwoord nummer="1">De zaak IKO 93/0062 waar in de voetnoot bij vraag 1 naar wordt verwezen is mij bekend. </antwoord>
      <antwoord nummer="2">Het is mij bekend dat het familierecht van een aantal staten van de Verenigde Staten van Amerika, waaronder de Staat Californie¨, voorziet in de mogelijkheid dat de achtergebleven ouder op wiens gezagsrecht de andere ouder door middel van een overbrenging van een minderjarige inbreuk heeft gemaakt, bij de rechter om een tijdelijke gezagsvoorziening vraagt. Het tijdelijke karakter van deze voorziening brengt mee dat de andere ouder hiertegen op kan komen. Soms, zoals in de hier aan de orde gestelde zaak IKO 93/0062, geeft de Amerikaanse rechter ook uitdrukkelijk aan dat beide ouders na terugkeer van het kind opnieuw voor de rechter dienen te verschijnen ter vaststelling van een nieuwe voorziening. </antwoord>
      <antwoord nummer="3">Het Haagse Verdrag stelt het belang van het kind voorop. Het heeft als uitgangspunt dat een kind dat ongeoorloofd is overgebracht naar een verdragsluitende staat of daar ongeoorloofd wordt vastgehouden, zo spoedig mogelijk dient te worden teruggeleid. Met dit uitgangpsunt streeft het verdrag het herstel na van de aan de ongeoorloofde overbrenging voorafgaande situatie, opdat voogdijkwesties in de staat waarin het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, geregeld worden. Eigenrichting en «forumshopping» van een van de ouders dienen op deze wijze voorkomen te worden. In dit licht moet ook de in deze vraag opgeworpen theoretische situatie worden bezien. Indien de overbrenging van het kind in strijd is met een op het moment van overbrenging volgens de normen van de staat van de verblijfplaats vastgestelde gezagsvoorziening, dan is het verdrag van toepassing. Het kind zal dan ook zo spoedig mogelijk dienen te worden teruggeleid, tenzij een van de in het verdrag genoemde weigeringsgronden zich voordoet. Uit rechterlijke beslissingen blijkt dat deze weigeringsgronden voldoende mogelijkheden bieden om, met instandhouding van de uitgangspunten van het verdrag, het belang van het kind in de concrete zaak mee te wegen. In de zaak IKO 93/0062 waren de beide ouders op het moment van de ongeoorloofde overbrenging nog gehuwd en bezaten zij ingevolge het toepasselijke recht van de gewone verblijfplaats gezamenlijk de ouderlijke macht. De grondslag voor het verzoek tot teruggeleiding in deze zaak was dan ook gebaseerd op het feit dat de moeder in strijd met de gezamenlijke ouderlijke macht, want zonder toestemming van de vader, de minderjarige naar Nederland had overgebracht. Pas na de overbrenging heeft de vader bij wijze van tijdelijke voorziening het zorgrecht verkregen, zoals vermeld bij de beantwoording van vraag twee. </antwoord>
      <antwoord nummer="4">Op de eerste plaats wil ik opmerken dat mij is gebleken dat de Amerikaanse rechter niet bepaalt, zoals in de vraag wordt gesteld, dat de partij die met de voogdij wordt belast een bepaald gebied niet mag verlaten. In de Staat Californie¨ is het wel mogelijk dat de rechter bepaalt dat een minderjarige niet zonder toestemming van beide ouders of van de rechter buiten een bepaald gebied gebracht mag worden. Een dergelijke bepaling komt voor in een situatie, bijvoorbeeld na een scheiding, waarin beide ouders ingevolge het familierecht van de desbetreffende staat gezamenlijk een vorm van ouderlijke macht is toegekend. Deze bepaling heeft dan als doel in het belang van het kind te voorkomen dat een van de ouders door een ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige de ouderlijke macht van de andere ouder frustreert. Overigens is de opname van dergelijke bepalingen in beslissingen inzake het gezag over minderjarigen in landen met een Angelsaksisch rechtssysteem niet ongebruikelijk. Verder wil ik onder de aandacht brengen dat de Centrale Autoriteit slechts een marginale toetsingsruimte heeft bij de beoordeling van de vraag of een verzoek tot teruggeleiding al dan niet in behandeling wordt genomen. Slechts indien van meet af aan duidelijk is dat een verzoek tot teruggeleiding met toepassing van het verdrag ongegrond is, dan zal de Centrale Autoriteit dit verzoek rauwelijks afwijzen. In alle andere gevallen zal de Centrale Autoriteit overeenkomstig het bepaalde in de uitvoeringswet het verzoek namens de achtergebleven ouder bepleiten bij de rechter. De rechter zal, na partijen te hebben gehoord, met toepassing van het verdrag beslissen welk gevolg aan een verzoek tot teruggeleiding dient te worden gegeven. Hierbij zal de rechter dan ook de in deze vraag aan de orde gestelde bepaling kunnen betrekken. </antwoord>
      <antwoord nummer="5">Voor een deel zijn de in deze vraag opgeworpen vragen al beantwoord in mijn antwoord op de vragen twee tot en met vier, waarnaar ik dan ook verwijs. Met betrekking tot de in deze vraag aan de orde gestelde waarborg voor het welzijn van het kind, kan ik het volgende opmerken. Het Haagse Verdrag gaat ervan uit dat een teruggeleiding kan worden geweigerd, indien de persoon die zich tegen de teruggeleiding verzet, aantoont dat een teruggeleiding ernstig risico voor lichamelijk of psychisch gevaar voor het kind oplevert. Bij de toepassing van het verdrag gaat de rechter uit van de weerlegbare vooronderstelling dat de autoriteiten van de staat waarin het kind zijn gewone verblijfplaats heeft en waarnaar het dient te worden teruggeleid, in het belang van het kind kunnen optreden. Indien de rechter die moet oordelen over de teruggeleiding, aanleiding heeft te veronderstellen dat de genoemde weigeringsgrond zich zou kunnen voordoen, dan kan de rechter, alvorens te beslissen, zich over de situatie in het land van de gewone verblijfplaats laten informeren. In de zaak IKO 93/0062 heeft de Amerikaanse rechter in de voorlopige voorziening uitdrukkelijk verklaard dat de rechtbank al het nodige zal doen om de belangen van het kind te waarborgen, en biedt hiertoe na terugkeer van de minderjarige ook aan beide ouders haar diensten aan. Gelet op de in de vragen steeds terugkerende expliciete vermelding dat het gaat om een Nederlandse vrouw, wil ik nog benadrukken dat in het Haagse Verdrag, om redenen die voortvloeien uit de doelstellingen van dit verdrag, aan de nationaliteit van degene die de minderjarige onrechtmatig heeft overgebracht geen betekenis wordt toegekend. Uit mijn beantwoording van de vragen moge blijken dat ik het Haagse Verdrag een waardevol instrument acht om in het belang van het kind de ongeoorloofde overbrenging van kinderen naar, en het niet doen terugkeren van kinderen uit het buitenland te bestrijden. Ook gelet op de toepassing van het verdrag tot op heden in de praktijk heeft gekregen, is er geen reden een wijziging in dit verdrag na te streven. </antwoord>
      <noten afkomstig="antwoord"/>
   </antwoorden>
</kvr>

