<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet type="text/xsl" href="showKVR.xsl"?>
<kvr xmlns:xs="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" type="Antwoord" aantalvragen="4">
   <meta><!--
          Metadata toegevoegd door de griffie, geparsed uit Parlando.
         --><metadata>
         <item attribuut="Bibliografische_omschrijving">De CloeVan ErpScheltema-de Nie (D66) over de zeven Kaderwet-gebieden (Ingezonden 21 december 1994); Antwoord</item>
         <item attribuut="Bestand">20Kb</item>
         <item attribuut="Permalink">
http://www.geencommentaar.nl/parlando/index.php?action=doc&amp;filename=KVR998
</item>
         <item attribuut="Inhoud">Verzoek om informatie over stand van zaken in de zeven Kaderwet-gebieden bij de instelling van een regionaal openbaar lichaam (ROL) en opdeling van stad Amsterdam</item>
         <item attribuut="Rubriek">Ruimtelijke ordening en infrastructuur (Steden) Staats- en bestuursrecht (Algemeen)</item>
         <item attribuut="Trefwoorden">Bestuur Steden Agglomeraties</item>
         <item attribuut="Vindplaats">Kamervragen met antwoord 1994-1995, nr. 369, Tweede Kamer</item>
         <item attribuut="Afkomstig_van">Binnenlandse Zaken</item>
         <item attribuut="Indiener">
            <persoon partij="D66">De Cloe</persoon>
            <persoon partij="D66">Van Erp</persoon>
            <persoon partij="D66">Scheltema-de Nie</persoon>
         </item>
         <item attribuut="Datum_reaktie">1995-01-16</item>
         <item attribuut="Datum_indiening">1994-12-21</item>
         <item attribuut="Document-id">KVR998</item>
         <item attribuut="Omvang">3 pag.</item>
      </metadata>
      <header titel="Tweede Kamer der Staten-Generaal" kamer="2" vergaderjaar="Vergaderjaar 1994–1995" typehandeling="Aanhangsel van de Handelingen" typedoc="Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden"/>
      <footer firstpaginanummer="749" allpagenumbers="749 750 751" vetnummer="" code="" lopendefooter="Tweede Kamer, vergaderjaar 1994–1995, Aanhangsel" filenaam="" issn-nummer="ISSN 0921 - 7398" uitgever="Sdu Uitgeverij Plantijnstraat ’s-Gravenhage 1995"/>
      <vraagdata vraagnummer="369" onderwerp="" indiendatum="1994-12-21">
         <vrager partij="D66" oorsprong="parlement">De Cloe</vrager>
         <vrager partij="D66" oorsprong="parlement">Van Erp</vrager>
         <vrager partij="D66" oorsprong="parlement">Scheltema-de Nie</vrager>
         <vraagt-aan/>
      </vraagdata>
      <antwoorddata antwoorddatum="1995-01-16">
         <antwoorder functie="staatssecretaris" ministerie="Binnenlandse Zaken">Van de Vondervoort</antwoorder>
         <mede-antwoorder/>
      </antwoorddata>
   </meta>
   <vragen aantal="4">
      <vraag nummer="1" voetnoot="1">Kunt u de Kamer informeren over de stand van zaken in de zeven Kaderwet-gebieden bij de instelling van een regionaal openbaar lichaam (ROL)? <voetnoot nummer="1"/>
      </vraag>
      <vraag nummer="2">Kunt u daarbij aangeven in hoeverre het voornemen bestaat om voorzitters van het algemeen bestuur aan te wijzen van buiten de kring van het algemeen bestuur en leden in het algemeen bestuur te benoemen, die geen lid zijn van een gemeenteraad? </vraag>
      <vraag nummer="3">Hebt u aan de stuurgroep stadsprovincie Amsterdam de opvatting kenbaar gemaakt voorstander te zijn van een deling van de stad Amsterdam in vijf nieuwe gemeenten? Zo ja, wat is de onderbouwing van deze opvatting? Heeft uw opvatting ook gevolgen voor de omvang van de andere gemeenten in het Kaderwet gebied Amsterdam en voor de omvang van de (deel)gemeenten in de regio Rotterdam, zoals opgenomen in het concept-wetsvoorstel Wet instelling provincie Rotterdam? </vraag>
      <vraag nummer="4">Wat is de stand van zaken ten aanzien van de meer dan een jaar geleden gedane toezegging om de inrichting van het deelgemeentelijk bestel op een aantal punten te onderzoeken? </vraag>
      <noten afkomstig="vraag">
         <noot nummer="2"/>
         <noot nummer="1">De dagelijkse besturen van de zeven Kaderwet-gebieden en de betrokken provincies zijn op 24 juni en 15 november 1994 geı¨nformeerd over de uitvoering van de Kaderwet. In een aantal Kaderwet-gebieden weigeren gemeenten mee te werken aan de totstandkoming van een ROL-regeling. De Kaderwet-gebieden op weg naar een stadsprovincie/provincie nieuwe stijl zijn: de regio Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven/Helmond, Arnhem/Nijmegen en Enschede/Hengelo</noot>
         <noot nummer="2">Deze toezegging is gedaan naar aanleiding van een artikel van Konijnenbelt en een suggestie van Van Kemenade in de nota naar aanleiding van het eindverslag Kaderwet bestuur in verandering (Kamerstuk 23 048, nr. 13, blz. 15)</noot>
      </noten>
   </vragen>
   <antwoorden aantal="4">
      <antwoord nummer="1" voetnoot="1">Per brief van 15 november 1994, welke is bijgevoegd <voetnoot nummer="1"/>, heb ik de colleges van Gedeputeerde Staten van de provincies waarin BoN-gebieden zijn gelegen en de zeven dagelijks besturen van de BoN-gebieden nader geı¨nformeerd over de termijnen inzake de uitvoering van de Kaderwet. De belangrijkste termijnen uit de Kaderwet worden in verband met de beantwoording van deze vraag in het kort aangegeven. In de Kaderwet bestuur in verandering is bepaald dat de gemeentebesturen in een BoN-gebied binnen zes maanden na inwerkingtreding van de wet, dus vo´o´r 1 januari 1995, een regeling ter goedkeuring voorleggen aan gedeputeerde staten. Gedeputeerde staten hebben vervolgens acht weken de tijd om de voorgelegde regeling goed te keuren. Indien de gemeentebesturen niet vo´o´r 1 januari 1995 een regeling ter goedkeuring aan gedeputeerde staten hebben voorgelegd, dienen gedeputeerde staten een regeling op te leggen. Een regeling wordt bij koninklijk besluit (KB) opgelegd, indien de bedoelde oplegging door gedeputeerde staten niet vo´o´r 26 februari 1995 heeft plaatsgevonden. Er is sprake van overleg tussen de provincies en de BoN-gebieden over de procedures met betrekking tot de goedkeuring en oplegging van de regeling. Met betrekking tot de instelling van een regionaal openbaar lichaam is de stand van zaken per 11 januari 1995 als volgt. Regionaal Orgaan Amsterdam Gedeputeerde Staten van Noord-Holland hebben op 20 december 1994 de regeling goedgekeurd. Op 1 januari 1995 is het regionaal openbaar lichaam van start gegaan. Eveneens hebben Gedeputeerde Staten de procedure tot oplegging van de regeling inzake de gemeenten Edam-Volendam en Oostzaan gestart. De regeling is inmiddels aan beide gemeenten opgelegd. Stadsregio Rotterdam De regeling is op 20 december 1994 door gedeputeerde staten van Zuid-Holland goedgekeurd. Per 1 januari 1995 is het regionaal openbaar lichaam van start gegaan. Haaglanden De concept-regeling is in december 1994 vastgesteld door de dagelijkse besturen van stadsgewest Haaglanden en het samenwerkingsorgaan Westland. De gemeenten in het gebied zullen de concept-regeling deze maand vaststellen. Op 24 januari 1995 beleggen gedeputeerde staten van Zuid-Holland een hoorzitting over de regeling. Gedeputeerde Staten zijn voornemens op 20 februari 1995 de regeling op te leggen zodat de regeling op 1 maart in werking kan treden. Bestuur Regio Utrecht De concept-regeling is in november 1994 aan de gemeenten in het gebied voorgelegd. Na verwerking van de reacties volgt een tweede ronde waarna in maart/april 1995 de regeling aan gedeputeerde staten van Utrecht wordt aangeboden. Gedeputeerde staten van Utrecht hebben te kennen gegeven niet tot oplegging van de regeling over te gaan. Dat betekent dat het Rijk hiertoe zal moeten overgaan. Samenwerkingsverband Regio Eindhoven De meerderheid van de gemeenteraden (23) in dit gebied heeft met de concept-regeling ingestemd. Een minderheid van de gemeenteraden (9) heeft de regeling afgewezen. Om te komen tot een oplegging van de regeling hebben gedeputeerde staten van Noord-Brabant op 20 januari 1995 een hoorzitting georganiseerd. Knooppunt Arnhem–Nijmegen De regeling is op 20 december 1994 door de gemeente Wijchen namens het KAN aan gedeputeerde staten van de provincie Gelderland aangeboden. De gemeente Rheden, Zevenaar en Doesburg hebben afwijzend gereageerd op de regeling. Gedeputeerde staten van de provincie Gelderland bezien thans op welke wijze tot goedkeuring c.q. oplegging zal worden overgegaan. In dat verband wordt op korte termijn een hoorzitting georganiseerd. Regio Twente De regeling is op 30 december 1994 door de stuurgroep Twente aan de gemeenten aangeboden. Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben inmiddels een procedure vastgesteld om te komen tot oplegging van de regeling. De gemeenten hebben tot 14 februari 1995 de tijd om hun stndpunt te bepalen. Op 15 februari 1995 kunnen de gemeenten eventueel hun bezwaren bij gedeputeerde staten kenbaar maken. Op 21 februari 1995 zal gedeputeerde staten de op te leggen regeling vaststellen. </antwoord>
      <antwoord nummer="2">Het voornemen om een voorzitter aan te wijzen van buiten de kring van het algemeen bestuur bestaat alleen in het BoN-gebied Knooppunt Arnhem–Nijmegen (KAN). De selectieprocedure om te komen tot een voorzitter van het KAN-bestuur is gestart. In geen enkel BoN-gebied bestaat het voornemen om leden in het algemeen bestuur te benoemen, die geen lid zijn van een gemeenteraad. Over het algemeen liggen de volgende twee overwegingen ten grondslag aan deze keuze. Ten eerste worden principie¨le argumenten aangedragen om niet te kiezen voor niet-gemeenteraadsleden in het algemeen bestuur. De democratische legitimiteit zou onvoldoende gewaarborgd zijn. Ten tweede worden meer praktische overwegingen aangedragen. Het kiezen van een nieuw algemeen bestuur van het regionaal openbaar lichaam zou tot gevolg hebben dat een net zittend algemeen bestuur moet aftreden. Uit oogpunt van bestuurlijke continuı¨teit acht men dat geen goede zaak. </antwoord>
      <antwoord nummer="3">In de vergaderingen van de stuurgroep Amsterdam is diverse malen gesproken over hoe het beste een sterke provincie Amsterdam gemaakt kan worden. In dit kader is ook in de vergaderingen van de stuurgroep Amsterdam op 8 en 15 december 1994 van gedachten gewisseld over de splitsing van de gemeente Amsterdam. Dit omdat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam eind december 1994 een standpunt hierover zou bepalen. Dat is inmiddels geschied. In de diskussie over het aantal nieuwe gemeenten in Amsterdam heb ik in de stuurgroep Amsterdam ingebracht dat er naast een sterke provincie Amsterdam in de plaats van de huidige gemeente Amsterdam ook krachtige nieuwe gemeenten moeten ontstaan. Deze nieuwe gemeenten dienen een sterk bestuurlijk en ambtelijk draagvlak te krijgen met een takenpakket waarmee alle lokale taken kunnen worden uitgeoefend. Zo ontstaan gemeenten die de stedelijke vraagstukken die op lokaal niveau spelen adequaat kunnen aanpakken. In dat perspectief heb ik gezegd dat ik eerder denk aan vier a` vijf nieuwe gemeenten dan aan 17. Het zogenaamde «pact van Zandvoort», het voorstel dat vertegenwoordigers van de stadsdelen hebben gedaan, gaat uit van de vorming van 9 a` 11 nieuwe gemeenten. Ook hieraan ligt een aantal argumenten ten grondslag dat nadere afweging verdient. Om misverstanden te voorkomen acht ik het van belang aan de Tweede Kamer mede te delen dat ik nog geen definitief standpunt heb ingekomen. Dat kan ook niet omdat volgens de procedure die de Wet arhi aangeeft eerst de gemeente Amsterdam een standpunt bepaalt, dan de provincie Noord-Holland en daarna het Rijk. Volgens de planning zal het kabinet in september van dit jaar een standpunt innemen. De diskussie in de stuurgroep Amsterdam over de splitsing van de gemeente Amsterdam heeft zich beperkt tot het territoir van de huidige gemeente Amsterdam en ging dus niet over andere gemeenten in het ROA. Met betrekking tot de regio Rotterdam meld ik u het volgende. Het advies van de Raad van State wordt op dit moment verwerkt en zal binnenkort in de ministerraad worden besproken. Daarna worden de voorstellen voor de Wet bijzondere bepalingen Rotterdam en de Wet instelling provincie Rotterdam aan de Tweede Kamer aangeboden. Ik kan op de besluitvorming in het kabinet niet vooruitlopen. </antwoord>
      <antwoord nummer="4">Het toegezegde onderzoek is nog gaande. Uit de praktijk zijn op dit moment geen signalen bekend op grond waarvan aanpassing van de bepalingen in de Gemeentewet met betrekking tot deelgemeenteraden dringend geboden zou zijn. De elementen die door prof. Konijnenbelt zijn aangevoerd zijn in hoge mate juridisch van aard. Het betreft onder meer de wijze waarop delegatie van de centrale gemeente naar de deelgemeenten plaatsvindt en, vervolgens, de wijze waarop bevoegdheden binnen het deelgemeentelijk bestel verdeeld zijn of kunnen worden. De vraag of vanuit juridisch oogpunt bezien aanpassing van de Gemeentewet geboden is kan niet los worden gezien van het wetsvoorstel derde tranche Algemene wet bestuursrecht, alwaar het onderwerp delegatie in het algemeen geregeld wordt. In het kader van de bij die derde tranche behorende invoeringswetgeving zal bezien moeten worden in welke zin aanpassing van andere wetten, dus ook van de Gemeentewet en – meer specifiek – van de Gemeentewet op het punt van de deelraden, geboden is. Een reaktie op de suggestie van de heer Van Kemenade, die pleit voor het opnemen van een apart hoofdstuk in de Gemeentewet (onder andere bevoegdheden, middelen, bestuurlijke inrichting en criteria op grond waarvan tot het instellen van deelgemeenten kan of moet worden overgegaan) is afhankelijk van de feitelijke ontwikkelingen met betrekking tot deelgemeenten. Op dit moment kennen alleen Amsterdam en Rotterdam deelgemeenten, terwijl de ontwikkelingen tenderen in de opheffing daarvan onder vorming van nieuwe gemeenten. Ik hoop de Kamer – ondanks de hiervoor geschetste onzekere factoren die van invloed zijn op de problematiek – niettemin binnen enkele maanden van de resultaten van het onderzoek in kennis te stellen. </antwoord>
      <noten afkomstig="antwoord">
         <noot nummer="1">Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie</noot>
      </noten>
   </antwoorden>
</kvr>

