<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<?xml-stylesheet href="showHAN.xsl" type="text/xsl"?>
<!DOCTYPE handeling SYSTEM "handeling.dtd">

<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://resolver.kb.nl/resolve?urn=sgd:mpeg21:19851986:0000761]]></item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal digitaal</item>
<item attribuut="Record-identifier">sgd:mpeg21:19851986:0000761</item>
<item attribuut="SGDid">http://resolver.kb.nl/resolve?urn=sgd:mpeg21:19851986:0000761&amp;role=xml</item>
<item attribuut="Document-id">0000114221</item>
<item attribuut="Rechten">Tweede Kamer der Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Titel">Handelingen Tweede Kamer 1985-1986 18 september 1985</item>
<item attribuut="Type">Handelingen</item>
<item attribuut="kamer">Tweede Kamer</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">1985-09-18</item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">Handelingen Tweede Kamer 1985-1986 18 september 1985</item>
<item attribuut="Jaargang">1985_1986</item>
<item attribuut="Startpagina">11</item>
<item attribuut="Eindpagina">82</item>
<item attribuut="Omvang">72</item>
<item attribuut="leden">140</item>
</metadata>

<text>	
	
	
	

 Voorzitter: Dolman

<onderwerp pagina="">

Tegenwoordig zijn 140 leden, te  weten: 
Aarts, Alders, Andela-Baur, Van 
Baars, Beckers-de Bruijn, Ter Beek, 
De Beer, Beinema, Van den Bergh, J. 
D. Blaauw, P. M. Blauw, De Boer, De 
Boois, Borgman, Braams, Brouwer, 
Bruggeman, Van der Burg, Buurmeij-
er, Castricum, Cornelissen, Couprie, 
G. C. van Dam, M. P. A. van Dam, 
Dees, Van Dijk, Dijkman, Dijkstal, 
Van Dis, Van der Doef, Dolman, 
Engwirda, Ernsting, Van Erp, Van Es, 
Eshuis, Evenhuis, Evenhuis-van 
Essen, Eversdijk, Franssen, Frinking, 
Gerritse, De Grave, Groenman, 
Gualthérie van Weezel, Haas-Berger, 
Van Heemskerck Pillis-Duvekot, Van 
der Heijden, Van der Hek, Hennekam, 
Herfkens, Hermans, Hermes, 
Hermsen, Hummel, Van lersel, 
Jabaaij, Jacobse, Janmaat, Janmaat-
Abee, Joekes, Jorritsma-Lebbink, 
Kamp, Keja, Knol, De Kok, Kombrink, 
Konings, Van der Kooij, De Korte, 
Korthals, Kosto, Kraaijeveld-Wouters, 
Krajenbrink, De Kwaadsteniet, 
Laning-Boersema, Lankhorst, 
Lansink, Lauxtermann, Leerling, 
Leijnse, Van der Linden, Linschoten, 
Lucassen-Stauttener, Mateman, 
Meijer, Metz, Mik, Moor, Van 
Muiden, Müller-van Ast, Niessen, 
Van Nieuwenhoven, Nijhuis, Nijland, 
Nijpels, Van Noord, Nypels, Oomen-
Ruijten, Den Ouden-Dekkers, Paulis, 
Poppe, De Pree, Rempt-Halmmans 
de Jongh, Van Rey, Rienks, Van 
Rossum, Van der Sanden, Schartman, 
Scholten, Schutte, Van der Spek, 
Spieker, Stoffelen, Terpstra, Tommei, 
Toussaint, Ubels-Veen, Den Uyl, Ter 
Veld, Veldhoen, Te Veldhuis, Ver-
meend, Van der Vlies, Van Vlijmen, 
Voorhoeve, Vos, B. de Vries, K. G. de 
Vries, De Waart, Wagenaar, Wallage, 
Weijers, Weisglas, Wessel-Tuinstra, 
Wiebenga, Willems, Wolters, 
Wöltgens en Worrell, 
en de heren Rietkerk, minister van 
Binnenlandse Zaken, Van den Broek, 
minister van Buitenlandse Zaken, De 
Koning, minister van Sociale Zaken 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
en Werkgelegenheid, Brinkman, 
minrster van Welzijn, Volksgezond-
heid en Cultuur, mevrouw Schoo, 
minister voor Ontwikkelingssamen-
werking, de heren Van Leijenhorst, 
staatssecretaris van Onderwijs en 
Wetenschappen, en Brokx, staatsse-
cretaris van Volkshuisvesting, 
Ruimtelijke Ordening en Milieube-
heer.  
<spreker pagina="" anker="1" naam="De voorzitter">
 Ik deel aan de Kamer 
mee, dat zijn ingekomen berichten  van verhindering van de leden: 
Tazelaar, wegens verblijf buitens-
lands, tot en met 24 september as . ; 
De Visser, wegens ziekte, ook 
morgen; 
Dales, Stemerdink en Zijlstra, 
wegens verblijf buitenslands, ook 
morgen. 
Deze berichten worden voor kennis-
geving aangenomen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="2" naam="De voorzitter">
 De ingekomen 
stukken staan op een lijst, die op de 
tafel van de griffier ter inzage ligt. Op 
die lijst heb ik ook voorstellen gedaan 
over de wijze van behandeling. Als 
aan het einde van de vergadering 
daartegen geen bezwaren zijn 
ingekomen, neem ik aan, dat de 
Kamer zich met de voorstellen heeft 
verenigd. 

</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde is de  beantwoording
 van vragen , gesteld overeenkomstig 
artikel 122 van het Reglement van 
Orde door de leden Spieker en Ter 
Veld aan de minister van Sociale 
Zaken en Werkgelegenheid,  over 
 een collectieve ontslagaanvraag 
 van Wolters - Noordhoff . 

<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="3" partij="PvdA" naam=" Spieker">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Ik zou de minister van 
Sociale Zaken en Werkgelegenheid 
de volgende vragen willen stellen. 
1. Is het de minister bekend dat de 
directeur-generaal voor de arbeids-
voorziening op 7 augustus aan de 
Ingekomen stukken 
Vragen 
Woensdag 18 september 1985 
Aanvang 13.00 uur 
directie van Wolters-Noordhoff heeft 
geadviseerd een collectieve aanvraag 
uiterlijk 19 augustus in te dienen? 
2. Is het de minister bekend, dat 
de directeur-generaal toen tevens de 
toezegging heeft gedaan de nodige 
soepelheid te zullen betrachten met 
de maand wachttijd, bepaald in de 
Wet melding collectief ontslag? 
3. Kan de minister aangeven 
waarom de directeur-generaal, 
vooruitlopend op de ontslagaanvraag, 
die op 19 augustus bij de directeur 
van het gewestelijk arbeidsbureau te 
Groningen is ingediend, reeds op 7 
augustus tot het advies en de 
toezegging is overgegaan? 
4. Hoe beoordeelt de minister de 
brief van de directeur-generaal aan 
de directeur van het gewestelijk 
arbeidsbureau d.d. 22 augustus, 
waarin hij meedeelt dat naar zijn 
mening het buiten beschouwing 
laten van de maand wachttijd, be-
doeld in artikel 6, eerste lid, van de 
Wet melding collectief ontslag, bij 
Wolters-Noordhoff kan worden 
toegestaan? 
5. Acht de minister een dergelijke 
brief in overeenstemming met de 
interne procedure Wet melding 
collectief ontslag, laatstelijk op 6 
februari 1984 vastgesteld, alsmede 
met de richtlijnen die de Stichting 
van de Arbeid heeft aanbevollen? 
6. Is het volgens de minister 
verantwoord dat een directeur-gene-
raal reeds een beslissing neemt over 
de behandeling van een collectieve 
ontslagaanvraag, als blijkt dat de 
vakorganisaties en de ondernemings-
raad nog niet in de gelegenheid zijn 
gesteld op de ontslagaanvraag te 
reageren? 
7. Hoe moet de beslissing van de 
directeur-generaal om artikel 6, lid 4, 
van de Wet melding collectief 
ontslag van toepassing te verklaren, 
worden verklaard, nu blijkt dat in 
overleg tussen het bedrijf en de 
vakorganisaties andere procedures 
zijn afgesproken en een collectieve 
ontslagaanvraag vooralsnog achter-
wege is gebleven? 

</spreker>
<spreker pagina="" anker="4" naam="Minister De Koning">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Ik wil de vragen 1, 2, 3, 4 
en 7 graag in onderlinge samenhang 
beantwoorden. In juli 1985 heeft een 
onderhoud plaatsgevonden tussen de 
vertegenwoordigers van Wolters-
Noordhoff B V . en de directeur-gene-
raal voor de arbeidsvoorziening. In 
dat gesprek heeft Wolters-Noordhoff 
de problemen geschetst waarmee 
het bedrijf te kampen heeft. Door een 
sterk teruglopende studieboekenver-
koop zag Wolters-Noordhoff zich 
genoodzaakt om tot ontslag van een 
aantal medewerkers over te gaan. De 
personeelsomvang zou met ongeveer 
48 werknemers moeten worden 
verminderd. In verband met de 
aangekondigde stelselherziening 
sociale zekerheid heeft Wolters-
Noordhoff zich op het departement 
op de hoogte willen stellen van de 
ontwikkelingen op dat punt en van de 
consequenties die het ontslag zou 
kunnen inhouden voor de 57,5-jarigen 
en ouder. 
In het gesprek met de directeur-ge-
neraal is het huidige ontslagbeleid 
uitvoerig aan de orde geweest. De 
ontslagrichtlijnen houden in, indien 
bij collectief ontslag aan het zoge-
naamde evenredigheidsprincipe 
wordt voldaan, dat de 57,5-jarigen 
en ouder door de werkgever boven-
wettelijke uitkeringen mogen worden 
gegarandeerd. Het ontslag moet dan 
wel op een zodanig tijdstip geëffectu-
eerd zijn, dat die 57,5-jarigen en 
ouder nog onder het huidige stelsel 
van sociale zekerheid of de over-
gangsregeling kunnen vallen. 
Tijdens het gesprek, dus in juli 
1985, werd ervan uitgegaan dat de 
stelselherziening per 1 januari 1986 
zou kunnen ingaan. 
Bij Wolters-Noordhoff heeft steeds 
voorop gestaan dat de werknemers 
van 57,5 jaar en ouder zo mogelijk 
geen nadelige gevolgen moeten 
ondervinden van de stelselherziening 
sociale zekerheid. Aangezien in het 
voorgesprek met de directeur-gene-
raal werd aangekondigd dat het 
uitdrukkelijk niet in het voornemen 
lag om tot selectief ontslag over te 
gaan - men wilde dus voldoen aan 
het evenredigheidsbeginsel - heeft 
de directeur-generaal met het oog op 
de belangen van de 57,5-jarigen en 
ouderen en mede gelet op de 
bedrijfseconomische situatie van de 
onderneming, zijn medewerking 
toegezegd. Bij een stelselwijziging 
per 1 januari 1986 - daar ging men 
op dat moment nog van uit - be-
tekent dit dat indien de melding van 
collectief ontslag in augustus 1985 
zou plaatsvinden en een maand wacht 
tijd in acht genomen zou moeten 
worden, de 57,5-jarigen en ouderen 
met inachtneming van de wettelijke 
onzegtermijn onder een voor hen 
ongunstige regeling zouden vallen. 
Op grond van die overwegingen heeft 
de directeur-generaal toegezegd, de 
nodige soepelheid bij het verzoek om 
ontheffing van een maand wachttijd 
te zullen betrachten. 
Op 5 augustus van dit jaar heeft de 
directeur-generaal dat schriftelijk 
bevestigd. In het genoemde gesprek 
is ook aan de orde geweest dat, 
uitgaande van de melding van 
collectief ontslag op uiterlijk 19 
augustus, een zelfde termijn voor het 
afsluiten van het sociaal plan met de 
werknemersorganisaties aangehou-
den zou moeten worden. 
Wolters-Noordhoff heeft daarop op 
19 augustus 1985 aan de bonden en 
het GAB een melding van collectief 
ontslag gedaan. De werknemersorga-
nisaties hadden inmiddels de nodige 
schriftelijke voorinformatie ontvangen 
en een aantal gesprekken tussen 
vertegenwoordigers van die vakorga-
nisaties, de directie, de raad van 
bestuur en de ondernemingsraad 
hadden reeds plaatsgevonden. Op 11 
juni 1985 werd reeds het advies van 
de ondernemingsraad gevraagd, 
conform artikel 25, lid 1, van de Wet 
op de ondernemingsraden. 
In verband met de bijzondere 
positie van de categorie 57,5-jarigen 
en ouderen heeft Wolters-Noordhoff 
op 26 augustus 1985 voor 6 werkne-
mers reeds individuele ontslagaanvra-
gen ingediend. Voor de andere 
werknemers heeft Wolters-Noordhoff 
in nauw overleg met de werknemers-
organisaties, een actief herplaat-
singsbeleid gevoerd, opdat zoveel 
mogelijk werknemers, zowel binnen 
als buiten de Wolters/ Samson-groep, 
konden worden herplaatst. 
Op dit alles vooruitlopend, heeft de 
directeur-generaal derhalve reeds 
voorafgaand aan de melding van 
collectief ontslag, zijn medewerking 
toegezegd. Het ligt in de verwachting 
dat Wolters-Noordhoff door het 
actief herplaatsingsbeleid voor 
ongeveer 20 werknemers gedwongen 
ontslag kan voorkomen. Op dit 
moment werden buiten de reeds 
genoemde 6 werknemers van 57,5 
jaar en ouder nog geen individuele 
ontslagaanvragen ingediend. 
Hoewel artikel 6, lid 4, van de Wet 
melding collectief ontslag slechts 
twee redenen aangeeft waarop 
ontheffing van de maand wachttijd 
kan worden verleend, heeft de 
directeur-generaal de belangen van 
de 57,5-jarigen en ouderen zwaarder 
laten wegen dan een strikte naleving 
van de wet. Hoewel hiermee niet 
geheel overeenkomstig de wet werd 
gehandeld, kan ik begrip hebben 
voor de handelwijze van de directeur-
generaal in dit geval. Ik neem 
daarvoor dan ook de volle verantwoor 
delijkheid. Tegelijkertijd ben ik ook 
verantwoordelijk voor een correcte 
uitvoering van de wet. 
In antwoord op vraag 5 wil ik 
daarom het volgende opmerken. Ik 
acht de handelwijze zoals ik heb 
beschreven niet in strijd met de 
uitgangspunten van de interne 
ARBVO-procedure Wet melding 
collectief ontslag. De Stichting van 
de Arbeid heeft op 2 maart 1 984 
aanbevolen ontheffing van de maand 
wachttijd te verlenen indien een 
verklaring van geen bezwaar door de 
vakorganisaties wordt neergelegd. 
Maar artikel 6, lid 4, van de Wet 
melding collectief ontslag kent 
slechts twee gronden waarop 
ontheffing kan worden verleend. Het 
voorstel van de Stichting van de 
Arbeid behoeft dan ook wetswijziging. 
In een adviesaanvraag van 2 0 maart 
1 985 is aan de SER gevraagd over 
een eventuele wetswijziging advies 
uit te brengen, maar dat advies is 
nog niet binnen. 
In antwoord op vraag 6 kan ik 
mededelen dat het in het algemeen 
niet gewenst is vooruit te lopen op te 
nemen beslissingen inzake collectief 
ontslag, indien nog geen besprekin-
gen zijn gevoerd met de vakorganisa-
ties of de ondernemingsraad nog niet 
is geraadpleegd. 
Een dergelijke situatie deed zich bij 
Wolters-Noordhoff niet voor. De 
ondernemingsraad en de vakorganisa-
ties werden ingelicht over de 
voornemens voordat de formele 
melding van het collectief ontslag 
plaatsvond. De meeste individuele 
ontslagaanvragen werden tot op dit 
ogenblik nog niet ingediend. Inmid-
dels is bijna een maand verstreken 
sinds de melding, zodat materieel 
aan de maand wachttijd ten behoeve 
van het te voeren overleg met sociale 
partners is voldaan. 
In antwoord op de achtste vraag 
merk ik op dat de beslissing van de 
directeur-generaal nauw samenhing 
met de toen nog veronderstelde 
datum van de invoering van de 
stelselherziening, namelijk per 1 
januari 1986. Zoals bekend, is deze 
invoering inmiddels verschoven naar 
1 mei 1986 hetgeen partijen wat 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Vragen 
12 meer ruimte biedt om naar oplossirv 
gen te zoeken. Ook voor de categorie 
werknemers van 57,5 jaar en ouder 
is het probleem nu minder nijpend, 
zij het dat nog steeds voortvarendheid 
is geboden, gelet op de lange 
opzegtermijnen. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="5" partij="PvdA" naam=" Spieker">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Ik dank de minister 
voor zijn uitvoerige antwoorden. Ik 
dank hem er tevens voor dat hij 
enigszins het boetekleed heeft 
aangetrokken voor het feit, dat de 
procedure niet geheel in overeen-
stemming was met hetgeen in de 
Wet melding collectief ontslag is 
bepaald en met hetgeen in de 
richtlijnen is aangegeven. 
De minister heeft opgemerkt dat 
het niet in strijd is met de richtlijnen. 
Hij bedoelde dat het niet in strijd is 
met artikel 6, lid 4, maar de minister 
moet mij dan even duidelijk maken 
waarop dat slaat, want het bedrijf 
verkeert - zoals is gebleken - niet in 
een dermate financieel-economische 
situatie, dat daartoe aanleiding 
bestaat, en de werkgelegenheid van 
andere werknemers is niet in gevaar 
gebracht. 
Het kan nooit de bedoeling zijn dat 
op grond van veranderingen in de 
sociale zekerheidswetgeving van de 
geldende procedures kan worden 
afgeweken. De minister is zelf 
uitvoerig hierop ingegaan en ik vraag 
hem dan ook of hierdoor niet de 
situatie kan ontstaan, waarin de 
'toeloop' van ontslagaanvragen 
wordt versneld omdat men hiermee 
alvast rekening houdt. Dat kan toch 
nooit de bedoeling zijn? 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="6" naam="Minister De Koning">
 Ik heb in mijn 
antwoord in eerste termijn uiteen-
gezet dat de procedure inderdaad 
niet geheel correct is geweest. Strikt 
formeel genomen is wel in strijd 
gehandeld met artikel 6, lid 4, maar 
niet met de interne Arboo-procedure 
die moet worden gevolgd bij de 
melding van collectieve ontstlagaan-
vragen. De heer Spieker stelt dat het 
bedrijf toch niet in zodanige moeilijk-
heden verkeerde dat er op grond 
daarvan aanleiding bestond om van 
de in de wet genoemde termijnen af 
te wijken. 
Voorzitter! Dat is het punt niet. Het 
gaat erom dat, veronderstellend dat 
de stelselherziening per 1 januari 
1986 zou ingaan, de positie van de 
57, 5-jarigen slechter zou worden 
dan onder het huidige stelsel, indien 
de wet volledig in acht was genomen 
en de maand meldingstijd volledig 
had moeten worden uitgezeten. Dat 
is de reden geweest dat de Directeur-
Generaal daarvan is afgeweken. Ik 
kan die reden begrijpen. Daarom heb 
ik ook gezegd dat ik de verantwoor-
delijkheid hiervoor neem. Op zichzelf 
is het natuurlijk onjuist dat in strijd 
met de wet wordt gehandeld. 
Ik zal dan ook bevorderen dat wij 
zo snel mogelijk een advies van de 
SER op dit punt zullen krijgen, 
waardoor de belemmering van die 
maand wachttijd kan worden 
weggenomen, athans waardoor 
ontheffing van die bepaling mogelijk 
wordt gemaakt indien werkgever én 
vakorganisatie beide daarom 
verzoeken. Mijn inziens is dit een 
verbetering en levert het een bijdrage 
aan de versoepeling van het ontslag-
recht, echter met behoud van 
voldoende waarborgen voor de 
betrokken werknemers. Hun vakorga-
nisaties zullen namelijk niet lichtvaar-
dig instemmen met een ontheffing 
van die bepaling. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="7" partij="PvdA" naam=" Ter Veld">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Het is duidelijk dat er 
sprake is van een dilemma. Ik denk 
dat wij met het antwoord van de 
minister voorlopig genoegen moeten 
nemen. Toch zal dit dilemma nog aan 
de orde moeten komen. Voor 1 mei 
kunnen zich namelijk dezelfde 
problemen nog voordoen. Het is 
vreemd om steeds te trachten een 
bepaalde wet dusdanig te interprete-
ren, dat mensen niet in een nadeligere 
situatie ingevolge een volgende wet 
terechtkomen. Laat de minister van 
Sociale Zaken en Werkgelegenheid 
na 1 januari of na de verkiezingen 
- er is dan wellicht een andere 
minister - bij de behandeling van de 
stelselherziening hierop terugkomen. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="8" naam="Minister De Koning">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Het dilemma waarop 
mevrouw Ter Veld doelt, is er 
inderdaad. In de adviesaanvraag aan 
de SER heb ik gesteld dat onder de 
huidige regeling vertraging ontstaat 
in de ontslagprocedure, omdat de 
melding veelal pas wordt gedaan 
nadat het overleg met de onderne-
mingsraad en vakorganisaties is 
afgesloten. Die vertraging is onnodig 
omdat zodoende de maand wachttijd, 
die juist bedoeld is voor overleg, pas 
gaat lopen nadat er overleg is 
gevoerd. 
Ik heb advies gevraagd over de 
mogelijkheid, de maand wachttijd 
niet in acht te nemen indien reeds 
voorafgaand overleg heeft plaatsge-
vonden tussen werkgever en vakorga-
nisaties. De duur van het overleg zou 
dan volgens enigerlei formule tot 
vermindering van de maand wachttijd 
kunnen leiden. Dat is de weg om het 
dilemma, waarover mevrouw Ter 
Veld sprak, op te lossen! 
 

</spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Regeling van werkzaamheden 
<spreker pagina="" anker="9" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, de 
stemmingen in verband met de 
wetsvoorstellen inzake het misbruik 
van rechtspersonen (1 6 530 en 
16 531) uit te stellen tot 1 oktober.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="10" partij="PvdA" naam="Vermeend">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Is dat een verzoek van 
de minister? Wat is de argumentatie? 
Wij hebben er toch uitvoerig over 
gedebatteerd.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="11" naam="De voorzitter">
 Mij is gebleken, dat 
heropening zou worden gevraagd en 
dat dit wel eens een half uuradrie 
kwartier zou kunnen kosten. Het lijkt 
mij praktischer om dit te doen in de 
week van 1 oktober, wanneer wij 
waarschijnlijk iets meer tijd hebben. 
De minister heeft zich hiermee 
akkoord verklaard. 
Overeenkomstig het voorstel van de 
Voorzitter wordt besloten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="12" naam="De voorzitter">
 Op verzoek van de 
leden De Beer en Wolters stel ik 
voor, hun motie (11 107, nr. 62), 
ingediend op 5 september 1985 bij 
de behandeling van het halfjaarlijkse 
verslag van de Bouwbegeleidings-
commissie, van de agenda af te 
voeren.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="13" partij="PPR" naam=" Lankhorst">
 Die zien 
we voorlopig dus niet meer terug!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="14" naam="De voorzitter">
 Wij zullen wel zien, 
hoe lang 'voorlopig' is. 
Overeenkomstig het voorstel van de 
Voorzitter wordt besloten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="15" naam="De voorzitter">
 Op verzoek van 
staatssecretaris Van Zeil stel ik voor, 
de stemmingen in verband met het 
wetsvoorstel Wijziging van de Wet 
op het consumptief geldkrediet 
(Wijziging beperking werkingsduur) 
(18981) uittestellen tot 24 septerrv 
ber aanstaande. 
Daartoe wordt besloten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="16" naam="De voorzitter">
 Het Presidium heeft 
met eenparigheid van stemmen  besloten, te stellen in handen van: 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Vragen 

</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Regeling van werkzaamheden 
Huisvesting der Kamer 
13 a. de vaste commissie voor Justitie: 
- het wetsvoorstel Wijziging van de 
Beroepswet (19 146); 
b. de vaste commissie voor Verkeer  en Waterstaat: 
- het wetsvoorstel Wijziging van de 
artikelen 18 en 19 van de Wet 
verontreiniging oppervlaktewateren 
(Stb. 1 9 8 1 , 573) (19 141); 
c. de vaste commissie voor Economi- sche Zaken: 
- het voorstel van rijkswet Wijziging 
van de Rijksoctrooiwet (Stb. 1979, 
61) in verband met de invoering van 
de Boeken 3, 5 en 6 van het Nieuwe 
Nederlandse Burgerlijk Wetboek 
(19 144, R 1 2 9 7 ) ; 
- het wetsvoorstel Wijziging van de 
accountantswetgeving (19 150); 
d. de vaste commissie voor de  Visserij: 
- de nota De begrenzing van het 
motorvermogen in de zeevisserij 
(19151). 
Op verzoek van de fractie van D'66 
benoem ik in de vaste commissie 
voor Economische Zaken de heer 
Engwirda tot plaatsvervangend lid in 
plaats van de heer Tommei en de 
heer Tommei tot lid in plaats van de 
heer Engwirda. 
Ik geef het woord aan de heer De 
Waart, die het heeft gevraagd.  
<spreker pagina="" anker="17" partij="PvdA" naam=" De Waart">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Volgens een door de 
Kamer aangenomen motie zou het 
personeelsbeleidsplan van Defensie 
voor de zomervakantie aan de Kamer 
worden aangeboden. Toen dit niet 
mogelijk bleek, is door de kamercom-
missie aangedrongen op aanbieding 
bij de begroting zelf - dus gisteren -
of uiterlijk op 1 oktober. Verschillende 
malen heeft de staatssecretaris 
informeel te kennen gegeven dat hij 
zich aan deze toezegging kan 
houden. Het blijkt nu dat deze datum 
bij lange na niet wordt gehaald. Er 
wordt nu gesproken over aanbieding 
bij de behandeling van de begroting 
in december, als het plan althans nog 
komt! Het personeelsbeleidsplan is 
noodzakelijk voor een goede afweging 
van de vele uitgavenposten. 
Het trage verschijnen ervan, 
gekoppeld aan de vele snelle 
overschrijdingen in de materiële 
sfeer, roept vragen op over het 
belang dat de regering aan het 
militair personeel hecht. Wij betreuren 
deze vertragingen. Daarom wil ik de 
staatssecretaris interpelleren over de 
reden ervan. Tevens willen wij de 
expliciete toezegging dat het plan 
voor 1 november verschijnt. Van de 
antwoorden van de staatssecretaris 
zullen wij ons oordeel over zijn 
functioneren op dit belangrijke punt 
laten afhangen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="18" naam="De voorzitter">
 Ik zal morgen een 
voorstel doen. 
Ik geef het woord aan de heer 
Krajenbrink, die het heeft gevraagd.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="19" partij="CDA" naam=" Krajenbrink">
 
Mijnheer de Voorzitter! Vorige week 
woensdag is een mondeling overleg 
met de staatssecretaris van Sociale 
Zaken en Werkgelegenheid, mevrouw 
Kappeyne van de Coppello, gehouden. 
In dat overleg is met name gesproken 
over het besluit van de regering, 
geen uitvoering te geven aan een 
tweetal moties die door deze Kamer 
zijn aangenomen in het kader van het 
remigratiebeleid. Dit zijn de moties 
nrs. 8 en 18 van stuk 18 939. Met 
name de discussie over motie nr. 18 
had naar de mening van de fractie 
van het CDA een buitengewoon 
onbevredigend verloop. Ik wiludan 
ook verzoeken het verslag van dit 
mondeling overleg op de agenda van 
de Kamer te plaatsen en, indien 
mogelijk, op zo kort mogelijke 
termijn. Ik doeudit verzoek mede 
namens de mede-ondertekenaar van 
deze motie, de heer Buurmeijer.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="20" naam="De voorzitter">
 Ik zal morgen een 
voorstel doen. 
Ik geef het woord aan de heer 
Castricum, die het heeft gevraagd.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="21" partij="PvdA" naam=" Castricum">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Kamer heeft al enkele 
malen gesproken over de oplossing 
van de financiële problemen rond het 
industrie- en havenschap Moerdijk. 
Daarover is in sommige gevallen 
gesproken in samenhang met andere 
problemen. Over dit onderwerp komt 
de laatste tijd nogal wat informatie 
los in de pers. Ik zal het op prijs 
stellen wanneer de staatssecretaris 
van Binnenlandse Zaken, de heer Van 
Amelsvoort, de Kamer nader wil 
informeren over de voortgang van de 
oplossing van dit probleem.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="22" naam="De voorzitter">
 Heeft hij dat vorige 
week bij de beantwoording van 
mondelinge vragen al niet toegezegd?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="23" partij="PvdA" naam=" Castricum">
 Naar ik 
mij herinner, zijn hierover vorige 
week geen mondelinge vragen 
gesteld.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="24" naam="De voorzitter">
 Twee weken geleden 
dan.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="25" partij="PvdA" naam=" Castricum">
 Ook 
niet. 
Misschien mag ikueen handje 
helpen. Voor het reces heeft de 
staatssecretaris op een vraag van 
onze kant toegezegd dat hij een 
poging wilde ooen om, voordat de 
bestuursovereenkomst zou worden 
gesloten, de Kamer daarbij te 
betrekken en daarover te informeren. 
Er leek zich toen een tijdsklem voor 
te doen. Gelet op de tijd die inmiddels 
is verstreken, is er geen sprake meer 
van een tijdsklem. Daarom is volgens 
mij geen enkele reden aanwezig om 
bedoelde procedure niet toe te 
passen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="26" naam="De voorzitter">
 Vorige week of twee 
weken geleden zijn door de heer Van 
der Spek mondelinge vragen gesteld. 
Misschien kan hij een en ander 
toelichten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="27" partij="PSP" naam="Van der Spek">
 De 
vragen die de heer Castricum 
ontgaan zijn, zijn vorige week gesteld 
en beantwoord. In zijn antwoord 
heeft de staatssecretaris gezegd dat 
hij op de donderdag daarna met het 
industrie- en havenschap overleg zou 
plegen over de verdere gang van 
zaken en over de eventuele oplossing 
van de problematiek. Ik herinner mij 
niet dat hij heeft toegezegd dat hij de 
Kamer het resultaat van dit overleg 
zou meedelen. Het ligt daarom voor 
de hand, dat de staatssecretaris nu 
wordt gevraagd aan de Kamer mee 
te delen wat het resultaat van dit 
overleg is.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="28" partij="PvdA" naam=" Castricum">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Ik isoleer mijn vragen 
van de rest van de problematiek. Het 
gaat mij nu om de financiële oplossing 
van het probleem. De heer Van der 
Spek heeft vragen gesteld over de 
relatie van dit probleem met enkele 
andere problemen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="29" naam="De voorzitter">
 Namens de Kamer 
zal ik uw verzoek aan de staatssecre-
taris overbrengen. 

</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde zijn de  stemmingen in 
verband met het wetsvoorstel 
 Gemeentelijke indeling van de 
 Waddenzee ( 1 8 4 5 6 ) . 
(Zie vergadering van 12 september 
1985.) 
Artikel 1 wordt zonder stemming 
aangenomen. 
In stemming komt het amendement-
Franssen (stuk nr. 10, I). 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Regeling van werkzaamheden 
Waddenzee 
14 
<spreker pagina="" anker="30" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fractie van 
de VVD en de leden Wagenaar en 
Janmaat voor dit amendement 
hebben gestemd en die van de 
overige fracties ertegen, zodat het is 
verworpen. 
Ik stel vast, dat door de verwerping 
van dit amendement ook het andere 
op stuk nr. 10 voorkomende amende-
ment als verworpen kan worden 
beschouwd. 
Artikel 2 wordt zonder stemming 
aangenomen. 
De artikelen 3 t/m 9 en de beweegre-
den worden zonder stemming 
aangenomen. 
Het wetsvoorstel wordt zonder 
stemming aangenomen. 

</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde zijn de  stemmingen 
 over drie moties , ingediend in de 
UCV van 28 augustus 1985 over de 
brieven inzake  woningwaardering   en huuraanpassing, te weten: 
- de motie-De Pree over de volkshuis-
vestingsprijs (18 6 0 0 - X I , nr. 116); 
- de motie-De Pree/Nypels over de 
herziening van het stelsel van 
huuraanpassingen [18 600-XI, nr. 
118]; 
- de motie-De Pree over de redelijke 
huurprijzen en de huren van nieuw 
gebouwde woningen (18 600-XI, nr. 
119).  
<spreker pagina="" anker="31" naam="De voorzitter">
 Het is mij gebleken, 
dat deze moties voldoende worden 
ondersteund. 
Enkele leden vragen opening van de 
beraadslaging. Ik stel voor, aan dit 
verzoek te voldoen. 
Daartoe wordt besloten. </spreker>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="32" partij="PvdA" naam=" De Pree">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Allereerst wil ik ingaan 
op mijn motie, stuk nr. 116 die over 
de volkshuisvestingsprijs gaat. Dat 
heeft alles te maken met het woning-
waarderingsstelsel. De reikwijdte 
reikt verder dan alleen dit onderdeel. 
Om deze reden verzoek ik, deze 
motie van de agenda af te voeren. Ik 
wil deze graag aanhouden en bij 
voorbeeld tijdens de behandeling van 
de begroting opnieuw aan de orde 
stellen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="33" naam="De voorzitter">
 Op verzoek van de 
heer De Pree stel ik voor, zijn motie 
(18 600-XI, nr. 116) van de agenda 
af te voeren. 
Daartoe wordt besloten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="34" partij="PvdA" naam="De Pree">
 De motie 
op stuk nr. 118 heb ik samen met 
collega Nypels ingediend. Daarin 
wordt gevraagd om meer duidelijkheid 
over de effecten van het nieuwe 
stelsel. Na de UCV hebben wij een 
brief van de staatssecretaris gekre-
gen. Ik zou hem graag twee vragen 
willen stellen om aan de hand van 
zijn antwoord te kunnen bepalen of 
deze motie kan worden ingetrokken 
of toch in stemming dient te komen. 
Uit de tabellen, behorende bij de 
brief van de staatssecretaris, kan 
opgemaakt worden dat wat de 
berekeningen van de staatssecretaris 
betreft, inderdaad de harmonisatie-
kloof 0 is. Uit de berekeningen van 
de nationale woningraad voor 
corporatiewoningen kan opgemaakt 
worden dat er 54 min. meer gehar-
moniseerd zal worden dan tot 
dusverre het geval was. Is dat 
verschil geheel te herleiden tot het 
verschil tussen de theoretische 
benadering en de praktijk? Als dat 
het geval is, zou dat dan kunnen 
betekenen dat de kloof in de praktijk 
inderdaad niet groter wordt maar 
ongeveer op 0 uitkomt? 
Voorts heeft de staatssecretaris 
ongetwijfeld kennis genomen van 
berekeningen van een aantal grote 
gemeenten en woonconsumentenor-
ganisaties over mogelijke schokeffec-
ten. Is hij bereid om daarop in een 
wat later stadium te reageren, een en 
ander op papier te zetten en dat de 
Kamer toe te sturen zodat wij daarop 
tijdens de behandeling van de 
huurbrief kunnen terugkomen? 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="35" partij="PPR" naam=" Lankhorst">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Na de brief van de 
staatssecretaris van 9 september 
dacht ook ik dat de discussie over de 
wijziging van het woningwaarderings-
systeem voorlopig kon worden 
afgerond. De brief van de vier grote 
gemeenten en de consumentenorga-
nisaties van 11 september maakt dat 
echter onmogelijk. Helaas, voeg ik 
daaraan onmiddellijk toe, omdat 
tegelijkertijd met deze brief berichten 
de ronde deden dat de huur voor 
meer dan één miljoen mensen per 1 
juli met 4 0 gulden extra omhoog zou 
gaan. 
Ik verwijs naar de Volkskrant van 
afgelopen vrijdag. Het gevolg is  natuurlijk: opnieuw onrust bij grote 
groepen huurders. De cijferoorlog 
tussen ministerie, gemeenten en 
organisaties gaat door en de huurders 
weten ondertussen absoluut niet 
meer waaraan zij straks toe zijn. 
Ik vraag de staatssecretaris dan 
ook om nu met een reactie te komen 
op de brief van de vier grote gemeen-
ten en op de brichtgeving. Kan hij de 
cijfers en de veronderstellingen van 
commentaar voorzien en voor de 
huurders maximale duidelijkheid 
verschaffen? 
Ik besef overigens dat dit nog niet 
geheel kan, omdat de trendmatige 
huurverhoging van 2% sinds gisteren 
officieel vaststaat, maar dat dit niet 
geldt voor de boventrendmatige 
percentages. Komt dit laatste omdat 
de staatssecretaris zelf toch ook nog 
enige twijfel heeft over de gevolgen 
van het nieuwe woningwaarderings-
stelsel?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="36" naam="De voorzitter">
 Ik merk op dat alleen 
stemmingen over moties op de 
agenda staan. Het kan dus niet de 
bedoeling zijn om een algemene 
derde termijn te houden.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="37" partij="PPR" naam=" Lankhorst">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Wij hebben na de UCV 
nog een brief gekregen van de 
staatssecretaris. Tijdens de UCV is 
aan de orde geweest dat het voor 
een uiteindelijke beoordeling van het 
geheel nodig is, dat wij op de hoogte 
zijn van de percentages voor de 
trendmatige huur voor het volgende 
jaar. Dit was voor mij bij voorbeeld 
de reden om te vragen de stemmingen 
na Prinsjesdag te houden. Prinsjesdag 
hebben wij nu achter de rug. Vandaar 
dat ik mijn opmerkingen nu maak.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="38" naam="De voorzitter">
 Ik constateer alleen 
maar dat er geen nieuwe motie is 
ingediend en dat er dus slechts drie 
min een is twee moties zijn overge-
bleven. Alleen de stemmingen 
daarover zijn aan de orde. Ik kan mij 
voorstellen dat er nog een enkele 
informatie ter beoordeling van die 
moties wenselijk is. Meer heb ik niet 
willen zeggen. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="39" naam="Staatssecretaris Brokx">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Ik ben blij dat ik zo gauw 
in de gelegenheid ben om inderdaad 
te toetsen dat de nieuwe geluidsinstal 
latie hier ook voor mijn stemgeluid 
beter zou werken, zoals ik gisteren 
vernam in de pers. 
Ter zake. De nieuwe berekeningen 
op basis waarvan mijn brief van 9 
september jl. is geschreven, scheppen 
inderdaad een zo groot mogelijke 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Waddenzee 
Woningwaardering/huuraanpassing 
15 duidelijkheid over de effecten van de 
invoering van het nieuwe stelsel. 
Onderzoekstechnisch is een nadere 
en dus grotere duidelijkheid niet 
meer nodig, want het gaat over een 
marge van tiende procenten van de 
totale jaarlijkse huursom, die meer 
dan tien miljard bedraagt. 
De cijfers nu zowel van het 
departement als van de Nationale 
Woningraad zijn in hoge mate 
vergelijkbaar. Die nieuwe berekenin-
gen laten dan ook zien dat de 
harmonisatiekloof ofwel geheel is 
verdwenen of nagenoeg tot nul is 
teruggebracht. Dat betekent dat in 
zijn algemeenheid gesproken van 
extra harmonisatie geen sprake is. In 
die zin kan ik de heer De Pree 
geruststellen. 
Ik wil nog iets zeggen over de brief 
die mij gisterochtend bereikte van de 
vier grote gemeenten. Ik zal die brief 
snel beantwoorden en een afschrift 
van dat antwoord ook ter kennis van 
de Kamer brengen. Aan het adres 
van de heer Lankhorst wil ik wel 
zeggen dat in die brief van overwe-
gend verouderd cijfermateriaal wordt 
uitgegaan en dat de puntprijs van 
f 2 , 6 0 , genoemd in die brief, ook 
gebaseerd is op diezelfde verouderde 
gegevens. De geschatte extra 
huurverhoging bij 500.000 woningen 
is zoals ik dat zie een slag in de lucht. 
Dat bij te renoveren vooroorlogse 
woningen op grote schaal extra 
huurharmonisatie zou optreden, 
wordt nergens waargemaakt. Ik zou 
er ook op willen wijzen dat over de 
oude en slecht onderhouden woning-
voorraad, waarvoor in het nieuwe 
systeem de harmonisatie meer 
onmogelijk wordt gemaakt en zelfs 
huurverlaging beter mogelijk wordt 
gemaakt, in de brief van de vier grote 
steden niet wordt gerept. Dat zou 
ook niet het geval zijn als je het 
systeem niet met ingang van 1 
juli as . wilde laten werken. 
Zoals gezegd, zal ik op zeer korte 
termijn de brief beantwoorden. Ik 
vind er geen aanleiding in om ter 
zake nog andere opvattingen te 
hebben dan die welke ik bij de laatste 
UCV naar voren heb gebracht. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="40" partij="PvdA" naam=" De Pree">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Wat de brief van de 
grote steden en de woonconsumen-
tenorganisaties betreft, wacht ik de 
schriftelijke reactie van de staatsse-
cretaris af. Ik heb al gezegd dat die 
eventueel bij de bespreking van de 
huurbrief - daarin gaat het over de 
puntprijs en dergelijke - door ons kan 
worden meegenomen. 
Wat de motie betreft die ik samen 
met de heer Nypels heb ingediend, 
vind ik dat de gevraagde duidelijkheid 
is verschaft. Ik ben ook redelijk 
gerustgesteld over de effecten op de 
totale harmonisatiekloof; reden 
waarom ik mede namens de heer 
Nypels deze motie intrek.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="41" naam="De voorzitter">
 Aangezien de 
motie-De Pree/Nypels (18 600-XI, nr. 
118) is ingetrokken, maakt zij geen 
onderwerp van beraadslaging meer 
uit. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="42" partij="PPR" naam=" Lankhorst">
 Voorzitter! 
Ik ben blij met het antwoord van de 
staatssecretaris. Ik stelde mijn 
vragen juist ook, omdat ik wilde dat 
er zo snel mogelijk helderheid komt. 
Als het niet waar is dat de huren per 
1 juli as. met f4 0 extra omhoog 
gaan, moet dat in de Kamer naar 
mijn mening ook zo snel mogelijk 
helder worden. Dan weten de 
huurders ook waar zij aan toe zijn. 
De beraadslaging wordt gesloten. 
In stemming komt de motie-De Pree 
( 1 8 6 0 0 - X I , nr. 119).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="43" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en 
het GPV en het lid Wagenaar tegen 
deze motie hebben gestemd en die 
van de overige fracties ervoor, zodat 
zij is verworpen. 
Ik stel voor, de stukken nrs. 107, 108 
en 120 (18 600-XI) voor kennisgeving 
aan te nemen. 
Daartoe wordt besloten. </spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde zijn de  stemmingen 
 over zes moties , ingediend op 12 
september 1985 bij de behandeling 
van verslagen van mondeling overleg 
inzake  executies in Indonesië, te  weten: 
- de motie-Brouwer c.s. over het 
treffen van maatregelen jegens 
Indonesjë (18 600-V, nr. 127); 
- de motie-Brouwer c.s. over het 
bezoek van staatssecretaris Brokx 
aan Indonesië (18600-V, nr. 128); 
- de motie-Knol over de omvang van 
de hulp aan Indonesië (18 600-V, nr. 
129); 
- de motie-Wessel-Tuinstra/Tommel 
over de naleving van mensenrechten 
in Indonesië (18600-V, nr. 130); 
- de motie-Van der Spek c.s. over 
beëindiging van de ontwikkelingssa-
menwerking met Indonesië (1 8 600-
V, nr. 131); 
- de motie-Van der Spek c.s. over de 
ondertekening van het rechtsweten-
schappelijk Memorandum of Under-
standing met Indonesië (18 600-V, 
nr. 132).  
<spreker pagina="" anker="44" naam="De voorzitter">
 Mij is gevraagd om 
heropening van de beraadslaging. Ik 
stel voor, aan dit verzoek te voldoen. 
Daartoe wordt besloten. </spreker>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="45" partij="PvdA" naam=" Knol">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Uit de reactie van de 
minister op mijn motie op stuk nr. 
129 bleek dat zij dacht dat ik met 
terugwerkende kracht iets zou willen 
veranderen. Om elk misverstand uit 
te sluiten heb ik mijn motie veranderd, 
waaruit heel duidelijk blijkt dat van 
terugwerkende kracht geen sprake 
kan zijn. Wij stellen uiteindelijk 
datgene voor wat de minister zelf in 
de in de motie genoemde brieven 
heeft voorgesteld. 
Van de heer Van der Spek zou ik 
graag opheldering krijgen over zijn 
motie op stuk nr. 132. Moet ik de 
motie zo begrijpen dat alvorens de 
regering tot ondertekening van het 
memorandum of understanding 
overgaat, de Kamer de gelegenheid 
moet hebben daarover met de 
regering van gedachten te wisselen?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="46" partij="PSP" naam="Van der Spek">
 Ja! 
Motie  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="47" naam="De voorzitter">
 De motie-Knol 
(18 600-V, nr. 129) is in die zin 
gewijzigd, dat de laatste alinea thans  luidt: 
verzoekt de regering, de omvang van 
de hulp aan Indonesië vast te stellen 
conform de in de kamerstukken 
1 7 600-V, nr. 102 en 18 100-V, nr. 
104 genoemde allocatie, en derhalve 
het kasplafond met betrekking tot 
Indonesië voor 1986 te stellen op 
1 28 miljoen gulden, 
en gaat over tot de orde van de dag. 
Naar mij blijkt, wordt deze gewijzigde 
motie voldoende ondersteund. 
Zij krijgt nr. 7 ( 1 9 200-V). 
Ik stel voor, aanstonds over deze 
gewijzigde motie te stemmen. 
Daartoe wordt besloten. 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Woningwaardering/huuraanpassing 
Indonesië 
16 

</spreker>
<spreker pagina="" anker="48" partij="CPN" naam=" Brouwer">
 Voorzitter! 
Na het debat van verleden week zijn 
er nieuwe feiten in verband met 
Indonesië. Het Europees Parlement 
heeft verleden week donderdag twee 
resoluties aanvaard, waarin het onder 
meer vraagt inzicht te geven in de 
economische relaties van de EG met 
Indonesië en waarin ook de ontwik-
kelingsrelaties van de lidstaten met 
Indonesië aan de orde worden 
gesteld. Het verzoek is gedaan om de 
ontwikkelingsrelaties in IGGI-verband 
kritisch te herzien. Het lijkt mij wat 
moeilijk om nu een debat over deze 
resoluties te houden, omdat wij de 
inhoud ervan nog niet precies 
kennen. 
Ik stel de Kamer voor, de moties in 
dit verband aan te houden, om de 
gelegenheid te krijgen de consequen-
ties van deze resoluties te bekijken. 
Er wordt nogal eens op gewezen dat 
Europese kwesties van grote beteke-
nis kunnen zijn voor de beraadslaging 
hier. Het lijkt mij dat de Kamer de 
inhoud van de resoluties zal willen 
kennen. 
Via u, mijnheer de Voorzitter, vraag 
ik de minister van Buitenlandse 
Zaken om aan de Kamer in een brief 
een oordeel te geven over deze 
resoluties en de houding die de 
Nederlandse regering in Europees 
verband ten aanzien van deze 
resoluties zal aannemen. Is de 
aanneming van deze twee resoluties 
voor de regering niet mede aanleiding 
om de kwestie-lndonesië in EPS-ver-
band aan de orde te stellen? 
Voorzitter! Ik verzoekumijn motie 
over het bezoek van staatssecretaris 
Brokx aan Indonesië vandaag wel in 
stemming te brengen. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="49" partij="D'66" naam="Tommei">
 Voorzitter! 
Het is duidelijk dat mijn fractie heel 
grote moeite heeft met moties die nu 
impliciet of expliciet uitgaan van het 
oordeel, dat in Indonesië de mensen-
rechten systematisch en op grove 
schaal worden geschonden. Dat 
betreft de moties op stuk nrs. 127, 
129 en 131 (18600-XI). Wij zouden 
echter heel goed tot dat oordeel 
kunnen komen als het onderzoek 
wordt uitgevoerd dat in de motie van 
mevrouw Wessel wordt gevraagd. 
Het zou dan ook volgens ons 
verstandig zijn om de drie door mij 
genoemde moties aan te houden 
totdat dit onderzoek is uitgevoerd. 
De noodzaak tot aanhouden van die 
moties geldt niet voor de motie-Wes-
sel-Tuinstra/Tommel. Ik meen dat 
met het uitvoeren van een dergelijk 
onderzoek zeker haast is geboden. 
Die noodzaak geldt ook niet voor de 
motie over de reis van staatssecretaris 
Brokx. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 Minister Van  den Broek: Mijnheer 
de Voorzitter! Mevrouw Brouwer 
maakte een opmerking over discus-
sies in het Europees Parlement. Ik 
ben daarvan op de hoogte. Ik heb 
ook in de openbare debatten desge-
vraagd meegedeeld, dat de executies 
in Indonesië eerder in EPS-verband 
onderwerp van gesprek zijn geweest 
en dat naar aanleiding daarvan ook 
enige stappen zijn ondernomen. Ik 
zie dus niet in, wat nu het wachten 
op de verdere behandeling van de 
resolutie van het Europees Parlement 
in de Nederlandse opvatting c.q. de 
EPS-opvatting op dit punt kan 
wijzigen. 
In de feitelijke situatie als zodanig 
is namelijk weinig verandering 
gekomen. Ik wijs er voorts op, dat dit 
onderwerp in vijf vergaderingen met 
de Kamer onderwerp van gesprek is 
geweest, plenair dan wel in mondeling 
overleg. Ik zie dus niet in, waarop 
mevrouw Brouwer nader wil wachten. 
Ik kan de Kamer er natuurlijk niet van 
weerhouden om moties aan te 
houden. Ik kan alleen geen enkel 
perspectief bieden ten aanzien van 
een wijziging van het Nederlandse 
standpunt na de termijn die mevrouw 
Brouwer aangeeft. 
De heer Tommei stelt voor, een 
aantal moties aan te houden in 
afwachting van een nader onderzoek. 
Ik begrijp dat hij daarmee refereert 
aan de inbreng van zijn fractiegenote 
mevrouw Wessel tijdens het jongste 
plenaire debat hierover. Mevrouw 
Wessel heeft zelf een motie ingediend 
waarin om een onderzoek wordt 
gevraagd. Ik heb tijdens dat debat 
duidelijk gemaakt, waarom mij dit 
onderzoek in dit kader overbodig 
leek. 
Het lijkt mij dus voor de hand te 
liggen - maar dat betreft de orde van 
de Kamer - dat de motie van 
mevrouw Wessel over het onderzoek 
in stemming wordt gebracht. Dan 
spreekt het vanzelf dat de heer  Tommei of mevrouw Wessel zegt: als 
de motie wordt aangenomen, dan 
wachten wij het onderzoek af en 
houden wij intussen de verdere  moties aan. Ik zeg echter nogmaals: 
zoals bij alle moties die zijn ingediend, 
heb ik ook de aanneming van de 
motie-Wessel-Tuinstra/Tommel 
ontraden. 


<spreker pagina="" anker="50" naam="Minister Schoo">
 Mijnheer de 
Voorzitter! De heer Knol heeft zijn 
motie op stuk nr. 129 gewijzigd. Voor 
alle duidelijkheid merk ik op, dat die 
wijziging geen enkele consequentie 
heeft voor mijn standpunt over deze 
motie, waarvan ik de aanneming 
ernstig heb ontraden. Ik deed dat 
niet op grond van de technische 
zaken die nu gewijzigd zijn, maar wel 
op het principiële punt. Er is geen 
sprake van een ernstige schending 
van de mensenrechten. Als gevolg 
daarvan bestaat er voor de regering 
geen enkele aanleiding om maatrege-
len te nemen. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="51" partij="PvdA" naam=" Knol">
 Mijnheer de 
Voorzitter! De minister brengt nu een 
kleine nuance aan ten opzichte van 
het verhaal dat zij afgelopen donder-
dag heeft gehouden. Ik heb haar toen  nadrukkelijk gevraagd: wat was voor 
de minister de reden om over de 
jaren 1983 en 1984 de allocatie aan 
Indonesië niet te zetten op de 128 
min. die zij zelf in haar brieven aan de 
Kamer aankondigde, maar wel op 
160a165 min. in afwijking van 
hetgeen zij ten opzichte van de 
andere concentratielanden deed? 
Waarom week zij af van haar eigen 
beleidsvoornemen? 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="52" partij="CPN" naam="Brouwer">
 Voorzitter! 
De houding die de minister van 
Buitenlandse Zaken nu aanneemt ten 
aanzien van het Europese Parlement 
lijkt mij nieuw. In het algemeen zegt  de regering: laten wij nu eerst eens 
kijken wat er gebeurt op Europees 
niveau, alvorens wij in het Nederland-
se parlement daarover verder gaan 
debatteren. Mijn verzoek aan de 
minister was om een oordeel te 
geven over de resoluties. Ik kan mij 
niet voorstellen dat hij de onlangs 
aangenomen resoluties uit het hoofd 
kent. 
Het gaat hier om twee resoluties 
die vorige week door het Europese 
Parlement zijn aangenomen, nadat 
was komen vast te staan dat er nog 
drie executies hadden plaatsgevon-
den in Indonesië. Dat is dus een 
nieuw gegeven. De minister sprak 
over een discussie in het Europese 
Parlement, maar het gaat om het 
feit dat er twee nieuwe resoluties zijn 
aangenomen. 
In die resoluties wordt een verzoek 
gedaan aan de Raad van ministers. 
Dit betekent dat de Nederlandse 
regering een houding zal moeten 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Indonesië 
17 

	

innemen over die resoluties. Ik kan 
mij niet voorstellen dat zij daaraan 
voorbij kan gaan. 
Mijnheer de Voorzitter! Mijn 
verzoek aanu— ik meen dat dit de 
juiste weg is - was om de minister 
van Buitenlandse Zaken te vragen in 
een brief zijn oordeel over deze 
resoluties en de houding van de 
Nederlandse regering in Europees 
verband uiteen te (laten) zetten. Ik 
wil dat voorstel, dat aan de Kamer 
was gericht, handhaven. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="53" naam="De voorzitter">
 Alvorens de regering 
wederom het woord te geven, wil ik 
hierover een opmerking maken. Mij 
dunkt dat het debat is gevoerd. Er 
kan telkens weer nieuwe literatuur 
worden aangevoerd, maar nogmaals, 
het debat in dit parlement is gevoerd. 
Mij dunkt ook dat wij ons niet 
moeten laten ophouden door een 
ander parlement, al is het nog zo 
belangrijk als het Europese Parlement. 
Formeel ben ik dus niet geneigd aan 
het verzoek van mevrouw Brouwer 
tegemoet te komen. Toch lijkt mij 
hiermee geen bijzondere haast 
geboden. 
Om mevrouw Brouwer niet met 
formalisme lastig te vallen, lijkt het 
mij dat in dit geval de stemming wel 
een week kan worden uitgesteld. Ik 
kan mij echter voorstellen dat de 
minister van mening is dat hij het 
zijne heeft opgemerkt in het debat. 
Wanneer na kennisneming van de 
resoluties van het Europese Parlement 
alsnog iets nieuws valt mee te delen 
vanwege de regering, horen wij dat 
wel in de loop van deze week. Dat 
zou trouwens ook kunnen naar 
aanleiding van andere feiten, zoals 
natuurlijk altijd het geval is. Nogmaals, 
ik geloof niet dat wij hiervan een 
bijzonder punt moeten maken. 
Ik maak die principiële opmerkingen 
nu ook vanwege de precendentwer- king: de volgende keer is er iets in 
het Duitse, het Britse of het Franse 
parlement aan de orde. Ik denk dat 
wij niet die weg op moeten gaan. 
Mijn voorstel is dus om summa 
summarum aan het voorstel van 
mevrouw Brouwer te voldoen en de 
stemmingen één week uit te stellen. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="54" naam="Minister Van den Broek">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Ik schaar mij graag 
achter uw woorden. Wij hebben over 
de desbetreffende materie niet alleen 
vijf maal gesproken, maar verder 
merk ik op dat zoals de situatie 
vandaag is er voor zover wij weten 
geen feiten zijn die in het uiteindelijke 
beleidsoordeel van de regering niet 
kunnen zijn meegewogen. 
Wat de discussie in het Europese 
Parlement betreft schaar ik mij dus 
achter uw opmerkingen. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="55" naam="Minister Schoo">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Het lijkt mij verstandig dat 
de heer Knol zich nog eens verdiept 
in de verschillen tussen allocatiebe-
dragen en kasbedragen. Hoewel het 
een onderwerp is dat op dit moment 
niet ter discussie staat, merk ik toch 
op dat hij die twee begrippen door 
elkaar haalt. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="56" partij="PvdA" naam="Meijer">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Ik meen toch bezwaar te 
moeten aantekenen tegen uw 
voorstelling van zaken inzake de 
coördinatie tussen parlementen, in 
het bijzonder van de relatie tussen 
ons parlement en het Europese 
Parlement. Ik doel hierbij dan vooral 
op in EPS-verband gecoördineerde 
beleidsontwikkeling. 
Het zou naar mijn gevoel de 
verhoudingen buitengewoon versto-
ren indien wij in de behandeling van 
zaken, de besluitvorming en de 
afstemming van standpunten de 
houding zouden innemen ten 
opzichte van het Europese parlement 
alsof wij dat parlement vergelijken, 
zoalsudat deed, met het Duitse of 
Britse. Daar is sprake van gelijkwaar-
digheid. Echter, het EPS-beleid, de 
coördinatie, krijgt een steeds 
zwaardere nadruk. Daarin heeft zowel 
dit parlement een controlerende rol 
op onze nationale regering als het 
Europese parlement een controleren-
de rol kan of wil hebben ten aanzien 
van het in Europa gecoördineerde 
beleid. 
Daarom dienen wij zeer zorgvuldig 
onze procedures op elkaar af te 
stemmen. In dit verband heb ik wel 
de neiging de positie van mevrouw 
Brouwer te steunen. Zij zegt dat op 
het moment dat het Europese 
parlement een uitspraak doet, die 
een expliciet oordeel vraagt van de 
Raad van ministers, wij daarmee 
rekening moeten willen houden. Ik, en 
ik denk de minister ook niet, kan mij 
geen andere positie indenken. 
Men moet zich hierbij een voorstel-
ling maken van de toekomstige 
EPS-verdragsontwikkeling, waarin 
landen bepaalde consultatieprocedu-
res aangaan voor de ontwikkeling van 
hun buitenlandse beleid. Ik zie dan 
geen andere procedure dan in uiterste 
zorgvuldigheid deze zaken op elkaar af 
te stemmen. Vandaar dat ik u, 
Voorzitter, niet zo gemakkelijk wil 
volgen in uw afwijzing van het voorstel 
van mevrouw Brouwer. 

Tweede Kamer 
18 september 1985 
Indonesië 
18 

</spreker>
<spreker pagina="" anker="57" naam="De voorzitter">
 Ik wil hier toch op 
antwoorden, want het is een interes-
sant dispuut. Men kan onderscheid 
maken tussen de positie van de 
regering en die van de Kamer. Als de 
regering zou antwoorden vanwege 
een resolutie in het Europese 
parlement of om welke reden dan 
ook dat de Europese ministerraad zijn 
standpunt nog moet bepalen, is dat 
nieuws voor deze Kamer. De minister 
heeft echter gezegd dat zijn standpunt 
vaststaat. Ik ben dan van mening dat 
de Kamer geen reden meer heeft om 
met een stemming te wachten. De 
Kamerdiscussieertmetde Nederland-
se regering en niet met de Europese 
ministerraad. Dat is mijn betoog. 
Iets anders is dat de Kamer 
zelfstandig redenen kan vinden om 
nog een week te wachten om bij 
voorbeeld nog eens goed van de 
literatuur kennis te nemen, zoals een 
resolutie in het Europese parlement. 
Wij moeten ons niet onderschikken 
aan het Europese parlement. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="58" partij="PvdA" naam="Meijer">
 Voorzitter! 
Ook hierbij is er weer sprake van een 
misverstand. Ik heb dat ook allerminst 
bedoeld. U duidt hier wel op een 
buitengewoon belangwekkend punt, 
namelijk waar wordt ten slotte in 
Europees verband ontwikkeld en via 
EPS gecoördineerd buitenlands 
beleid gecontroleerd. Het is natuurlijk 
volstrekt duidelijk dat wij hier slechts 
de Nederlandse minister van Buiten-
landse Zaken kunnen controleren. Na 
dit agendapunt krijgen wij hiervan 
een dergelijk voorbeeld, namelijk de 
behandeling van de missie in 
Europees verband naar Zuid-Afrika 
en het ontwikkelde beleid daarop. 
Wij bespreken hier het Nederlandse 
aandeel en de Nederlandse verant-
woordelijkheid. De uitspraak van het 
Europese parlement had nu juist tot 
strekking om van de gezamenlijke 
ministers een reactie, een bijstelling 
van hun beleid te vragen ten aanzien 
van Indonesië. Daarom hebben wij 
ook heel zorgvuldig te coördineren 
met het Europese parlement. Ik vind 
dat zo'n uitspraak voor de Nederland-
se minister wel een reden kan zijn te 
zeggen dat hij in deze aanvaarde 
resolutie geen aanleiding ziet om een 
voorstel te doen tot bijstelling. 
Dat wil echter niet zeggen dat de 
Tien gezamenlijk op grond van zo'n 
resolutie over dit of een ander 
onderwerp niet tot een bijstelling van 
hun beleid zouden kunnen komen. 
Dan krijgt het onmiddellijk gevolgen 
voor de Nederlandse situatie, want 
daar wil Nederland zich in de 
algemene situatie dan bij aansluiten. 
Vandaar dat ik u, Voorzitter, 
nogmaals wil voorhouden, behandel 
in dit opzicht, waarbij het toch al zo 
moeilijk is het buitenlandse beleid in 
zijn samenhang, zowel Europees als 
nationaal, goed te controleren, 
zorgvuldig de procedures met het 
Europese parlement. Een deel van 
deze taken ligt immers daar en een 
ander deel van deze taken, namelijk 
ons eigen aandeel erin, ligt hier.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="59" naam="De voorzitter">
 Ik heb slechts kennis 
genomen van de uitspraak van de 
minister dat hij niets nieuws heeft toe 
te voegen aan het debat dat hier 
gevoerd is. Of de minister dat terecht 
of ten onrechte gezegd heeft, of dat 
oppervlakkig is of te snel gezegd; 
daar blijf ik uiteraard buiten. Ik 
constateer dat de minister het heeft 
gezegd en dus geloof ik niet dat wij 
dan nog weer een keer om een brief 
moeten vragen. Dat is vragen naar de 
bekende weg. 
Ik herhaal mijn voorstel om te 
voldoen aan het verzoek van mevrouw 
Brouwer en dus nu alleen, vanwege 
haastredenen, motie nr. 128 in 
stemming te brengen en alle andere 
moties, inclusief de gewijzigde motie 
van de heer Knol, volgende week in 
stemming te brengen. 
Het voorstel van de Voorzitter wordt 
zonder stemming aangenomen. 
De beraadslaging wordt gesloten. 
In stemming komt de motie-Brouwer 
(18600-V, nr. 128).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="60" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
de CPN, de PPR, D'66, de EVP en de 
PSP en het lid Scholten voor deze 
motie hebben gestemd en die van de 
overige fracties ertegen, zodat zij is 
verworpen. 
Ik geef gelegenheid tot het afleggen 
van  stemverklaringen over de 
onderwerpen, waarover zojuist is 
gestemd. 
 Indonesië 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="61" partij="PvdA" naam=" Knol">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Wij hebben onze stem 
niet gegeven aan de motie op stuk 
nr. 128. Wij zijn van oordeel dat, 
wanneer wij zouden vinden dat 
staatssecretaris Brokx geen officiële 
reis naar Indonesië mag maken, dit 
betekent dat wij in feite het ook niet 
juist vinden dat een minister voor 
Ontwikkelingssamenwerking ter 
voorbereiding van de IGGI naar 
Indonesië zou gaan. Dat is de reden 
dat wij tegen die motie hebben 
gestemd. </spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde is de behandeling van 
de  stukkeninzake de EPS-missie 
 naar Zuid- Afrika ( 1 7 8 9 5 , nrs. 3 2 , 
 3 3 en 3 4 ) . 
De beraadslaging wordt geopend. 

<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="62" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Tot het meest bizarre 
onderdeel van mijn Zuid-Afrika-ar-
chief behoort sinds kort een foto van 
drie Europese ministers van Buiten-
landse Zaken en één EG-commissaris. 
Zij kijken ernstig voor zich uit. In hun 
midden staat de president van de 
Republiek Zuid-Afrika. Hij straalt. De  Volkskrant zegt de volgende dag: 
'Pretoria kijkt triomfantelijk terug op 
EG-missie'. De fractie van de PvdA 
heeft zich niet op voorhand tegen het 
bezoek van de delegatie gekant. Wie 
de Europese presentie in Zuidelijk 
Afrika in politiek opzicht wil opvoeren 
- commercieel zijn wij immers al 
ruimschoots aanwezig daar - die 
moet bereid zijn om enige risico's te 
lopen. 
Wij beseften dat optreden namens 
een intern verdeelde EG niet eenvou-
dig zou zijn, maar wij vertrouwden 
erop dat van het bezoek tenminste 
een bemoediging zou kunnen uitgaan 
naar de slachtoffers van de apartheid 
en dat er druk zou uitgaan van de 
aanwezigheid van de delegatie op 
het apartheidsregime. Door een 
combinatie van onzorgvuldige 
voorbereiding, onbegrijpelijk naïeve 
uitlatingen tijdens het bezoek en een 
ronduit grievende analyse na afloop, 
heeft de delegatie kans gezien zich te 
vervreemden van de bevrijdingsbewe-
gingen en van het Verenigd Democra-
tisch Front, terwijl hun aanwezigheid 
een geruststellende uitwerking op 
het regime heeft gehad. Minister 
Botha zei dat, nu hij erop terugkeek, 
hij moest zeggen dat het allemaal erg 
nuttig was geweest. 
De rommelige voorbereiding moge 
blijken uit het feit dat de missie zich 
vooraf niet met de bevrijdingsbewe-
gingen over de reis had verstaan. 
Men bezocht immers de regering van 
Zuid-Afrika! Men kon toch weten dat 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Indonesië 
Zuid-Afrika 
19 deze slechts spreekt voor degenen 
die haar hebben kunnen kiezen. 
Onder die omstandigheden zoek je 
vooraf ook contact met de werkelijke 
spreekbuis van hen die onder de 
apartheid lijden. Dat doe je om over 
het programma te spreken, om je 
bedoelingen duidelijk te maken en 
om te voorkomen dat je bezoek 
wordt uitgelegd als een poging tot 
dialoog met een regime wiens beleid 
je zo zegt te veroordelen. Niets van 
dit alles! 
Zelfs aan Mandela of zijn organisatie 
werd niet vooraf gevraagd of een 
bezoek van de delegatie in de 
Polsmoorgevangenis op prijs werd 
gesteld. Men wendde zich als 
vanzelfsprekend tot de cipier. Het 
moge kleinigheden lijken, maar het 
zette de toon van wat een uiterst 
pijnlijke visite is geworden. Na het 
gesprek creëerde de delegatie - die 
zichzelf inmiddels aanduidde als 'de 
troika' - een klimaat waarvan wij hier 
met afschuw hebben kennisgenomen. 
Men bleek enigszins hoopvol 
gestemd te zijn over de intenties van 
de autoriteiten. Terwijl de delegatie 
geen reden zag, aan de goede 
bedoelingen van het regime in het 
openbaar te twijfelen, pakten hun 
gastheren enkele honderden kilome-
ters verderop 750 schoolkinderen op. 
Twee dagen later mogen de vaders 
en de moeders die kinderen nog niet 
opzoeken in de gevangenis. Noch 
deze informatie, noch een overzicht 
van de ongeregeldheden en de 
slachtoffers die vielen, staat in het 
verslag. De ministers spraken echter 
wel van 'uiterst constructieve, 
informatieve, verhelderende gesprek-
ken'. De heren hoorden wat zij wilden 
horen en zagen wat zij wilden zien. 
Geen van de persconferenties in 
Zuid-Afrika werd gebruikt om in 
heldere taal uiteen te zetten dat de 
economische betrekkingen tussen 
Europa en Zuid-Afrika op de helling 
zouden gaan als de apartheid niet 
ontmanteld zou worden, terwijl 
minister Van den Broek voor zijn 
vertrek de lezers van het partijblad 
van het CDA nog zo fier het volgende  in het vooruitzicht had gesteld: 'Door 
de grote internationale publiciteit die 
dit bezoek met zich mee zal brengen, 
zal het ook de bevolking van Zuid-Afri-
ka en de rest van de wereld 
duidelijk worden dat Europa werkelijk 
vindt dat het zo niet langer kan.' 
Bij terugkomst in Europa maakte 
de delegatie de politieke schade van 
de reis alleen maar groter. Delegatie-
voorzitter Poos zag geen reden nu tot 

sancties over te gaan. De Botha's 
hadden kennelijk indruk gemaakt. Als 
de reacties op de reis losbarsten en 
de kranten in Europa met grote 
eensgezindheid vaststellen dat de 
delegatie met lege handen is 
teruggekeerd, worden de formulerin-
gen allengs voorzichtiger. Minister 
Van den Broek was opeens niet meer 
hoopvol gestemd door wat de 
regering van Zuid-Afrika hem in het 
vooruitzicht had gesteld, maar bleek 
zijn optimisme gevoed door andere 
bronnen. 
Heel veel blanken willen van de 
apartheid af en dat had de minister 
zo hoopvol gestemd. De minister  zal 
inmiddels hebben vastgesteld dat als 
een aantal van die blanken, leidingge-
vende zakenmensen de moed 
hebben, zich rechtstreeks tot het 
ANC te wenden, zij door de gastheer 
aan wiens integriteit hij niet wilde 
twijfelen, voor landverraders worden 
uitgemaakt. Dat is namelijk de 
werkelijkheid van Zuid-Afrika. Een 
land in oorlog, met Europese 
betrokkenheid. Vanuit in Duitsland 
gebouwde helicopters worden zwarte 
woonwijken onder schot genomen. 
De politie gebruikt Philips communica-
tie-apparatuur. Eergisteren zijn 
grondtroepen ondersteund door in 
Frankrijk en Engeland gebouwde 
vliegtuigen, Angola binnengevallen. 
Wie vanuit Europa zo'n land 
bezoekt en in woord en gedrag niet 
duidelijk maakt waar hij staat, wordt 
misbruikt. Of beseft de minister niet 
dat zijn uitlating dat hij het zo 
jammer vond Mandela niet te kunnen 
opzoeken, omdat hij hem zo graag 
deelgenoot had gemaakt van de 
opvattingen van onze regering over 
het gebruik van geweld, koren op de 
molen van de apartheidsstaat is? 
Botha baseert zijn hele propaganda 
op het zogenaamde gewelddadige 
karakter van het ANC, steeds 
verzwijgend dat het de apartheid is 
die het geweld veroorzaakt en ander 
geweld uitlokt. Voeg daarbij de 
recente uitlating van de minister dat 
'één mens één stem' voor Zuid-Afrika 
geen realistische optie is en men kan 
zich indenken welk een schok dit 
bezoek in kringen van de bevrijdings-
beweging en het Verenigd Democra-
tisch Front heeft veroorzaakt. 
De bittere woorden van Zee Yacoob 
een van de dappere mensen van het 
UDF, als reactie op de visie van de 
minister op een democratisch  Zuid-Afrika spreken boekdelen: 'Ik 
dacht dat er een niveau was waaron-
der beschaafde mensen niet zouden 
willen zakken.' Ik hoop dat uit dit 
debat duidelijk wordt dat niet alleen 
de oppositie, maar een kamermeer-
derheid zich distantieert van die 
uitlatingen van de minister en van de 
beroerde indruk die het optreden van 
de delegatie moet hebben gemaakt 
op de mensen die de pijn van de 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
20 apartheid betalen. Wij moeten het 
feit dat Winnie Mandela en het 
Verenigd Democratisch Front geen 
behoefte hadden de delegatie te 
ontvangen goed op ons in laten 
werken en vandaag proberen die 
schade zo veel mogelijk en ongedaan 
te maken door niet te berusten in de 
resultaten van de reis en de conclu-
sies van Luxemburg. 
Wie het verslag van Luxemburg 
leest, valt het allereerst op hoeveel 
evenwichtiger en met hoeveel meer 
afstandelijkheid over de apartheids-
staat wordt gesproken, dan de 
delegatie deed. 
Verdwenen zijn de tekenen van  hoop. De verklaring zegt: vastgesteld 
wordt dat de situatie in Zuid-Afrika 
zich sinds 'Helsinki', toen de EPS 
daarover ook sprak, dramatisch heeft 
verslechterd. De verklaring gaat zich 
evenmin te buiten aan de reflex, die 
vooral onze ministervan Buitenlandse 
Zaken nogal eens heeft, om geïsoleer-
de verklaringen van het Botha-regime 
als stappen in de goede richting uit 
te roepen. De verklaring stelt heel  nuchter: 'Er is niet zoiets als goede of 
slechte apartheid'. Waar de voorzitter 
van de delegatie de noodzaak voor 
sancties bij terugkomst niet zag, kiest 
de EPS tenminste voor beperkende 
maatregelen. 
Met alle reserves die mijn fractie 
heeft bij de inhoud van de gemaakte 
afspraken, moet toch vastgesteld 
worden dat de EPS-landen ten 
minste een poging tot gezamenlijk-
heid hebben gedaan. En dat is winst. 
Men is een weg op gegaan die 
vroeger of later onherroepelijk zal 
leiden tot verder gaande maatregelen 
en die de kans op een economisch 
isolement van de apartheidsstaat 
vergroot. Er is dan ook sinds juni, 
toen wij de situatie in Zuidelijk Afrika 
bespraken, het nodige gebeurd. 
Het zwarte verzet is fel opgelaaid, 
letterlijk met de moed der wanhoop. 
De blanke racisten die het in Pretoria 
voor het zeggen hebben, reageren 
met grof geweld. Het aantal doden 
en het aantal arrestaties sindsdien 
geeft aan dat zich een fatale keten 
heeft ontwikkeld. Mensen verzetten 
zich tegen de onderdrukking, het 
protest wordt neergeslagen, er vallen 
doden, begrafenissen zijn getuigenis-
sen van wanhoop en onverzettelijk-
heid en vormen weer de basis voor 
nieuwe protesten en nieuw geweld. 
De noodtoestand heeft het regime 
de mogelijkheid gegeven om de 
militarisering verder op te voeren, om 
naar willekeur mensen vast te zetten. 
Het is echter ook een teken dat het 
regime onzeker wordt. De angst dat 
het geweld ook de blanke woongebie-
den bereikt, neemt toe. De economi 
sche crisis heeft zich verscherpt. Dat 
versterkt de instabiliteit. Dit keer zijn 
het vooral de westerse bankiers die 
duidelijk maken dat de apartheids-
staat op zijn tellen moet passen. De 
spectaculaire val van de rand, de 
noodzaak om goud in te zetten om 
nog kredieten te verkrijgen, maken 
duidelijk dat dit Zuid-Afrika niet 
onaantastbaar is, zoals de leiders ons 
willen doen geloven. 
Mits het Westen nu adequaat 
reageert, moet het mogelijk zijn het 
regime te dwingen de onderhande-
lingstafel op te zoeken en over de 
route naar een democratisch 
Zuid-Afrika afspraken te maken met 
de bevrijdingsbewegingen, het UDF 
en al degenen die werkelijk het volk 
van Zuid-Afrika vertegenwoordigen. 
'Mits wij adequaat handelen'. En 
daar gaat dit debat over. De minister 
heeft de vorige week in een mondeling 
overleg een paar keer gezegd dat wij 
de druk op Zuid-Afrika moeten 
handhaven. Handhaven? Dat staat 
ook in de verklaring van de EPS. Die 
gaat er kennelijk vanuit dat de druk 
die nu vanuit het Westen wordt 
uitgeoefend voldoende zal zijn. Dat 
lijkt mij een onderschatting van de 
economische en militaire reserves 
die het land nog heeft. Zeker, de 
kwetsbaarheid is vergroot, bij 
voorbeeld door de desinvesterings-
maatregelen in de Verenigde Staten 
en de slag tegen de Krugerrand. 
Maar Botha zingt het onder de 
huidige omstandigheden langer uit 
dan de meerderheid van zijn bevolking 
zal accepteren. Er is meer druk 
nodig. Niet het handhaven van die 
druk, maar het stapsgewijs opvoeren 
moet ons parool zijn. Wij moeten ons 
daarbij niet in de war laten brengen 
door regelmatige aankondigingen 
van weer een hervormingsmaatregel. 
Het praten over intrekken van 
onderdelen van de apartheidswetge-
ving is een wezenlijk onderdeel van 
Botha's strategie om aan de macht te 
blijven. 
Tijdens de conferentie in Amster-
dam de afgelopen week sprak dr. 
Kirchner van de Zuidafrikaanse Raad 
van Kerken. Hij waarschuwde met 
klem om bij voorbeeld het teruggeven 
van de Zuidafrikaanse nationaliteit 
aan sommigen aan wie die was 
ontroofd, op voorhand als afbraak 
van het apartheidssysteem te  beoordelen. Dr. Kirchner zei: 'In 
Zuid-Afrika horen reform en repres-
sion (hervorming en onderdrukking) 
bij elkaar. Zij vullen elkaar aan. Wat de 
regering door haar onderdrukking 
intern naar buiten aan schade oploopt, 
tracht zij door hervormingsvoorstellen 
teniet te doen. Maar de fysieke 
onderdrukking gaat gewoon door. Pas 
als hervorming in de plaats treedt van 
onderdrukking is er iets wezenlijks aan 
de hand.' 
Het Amerikaanse Congres heeft dit 
feilloos aangevoeld. Achter de broek 
gezeten door een steeds groeiende 
anti-apartheidsbeweging in dat land 
heeft het president Reagan tot 
maatregelen gedwongen, tot 
verdergaande maatregelen dan die 
waartoe in Luxemburg is besloten. 
En, zo begrijp ik van collega's uit het 
Congres, dat is nog slechts het 
begin. De Zuidafrikaanse Raad van 
Kerken heeft voor het eerst opgeroe-
pen westerse investeringen uit 
Zuid-Afrika weg te halen. 
Steden, universiteiten en staten in 
de Verenigde Staten hebben die 
oproep beantwoord. In Nederland 
begint de actie tegen verkoop van 
Zuidafrikaanse produkten succes te 
krijgen. Belangrijke winkelketens 
beloven, geen produkten uit de 
apartheidsstaat meer te verkopen. 
De verkoop van de Krugerrand in ons 
land is dankzij die acties geheel 
gestaakt.  De heer Janmaat : Mijnheer de 
Voorzitter! Dat is natuurlijk een 
prachtig relaas. U heeft zoeven al 
gezegd dat de hele wereld zich tegen 
apartheid verzet, maar dat is niet 
helemaal juist. Met name Israël is 
één van de landen die zeer gematigd 
tegenover apartheid staan. Ik wil nu 
niet aan de minister van Buitenlandse 
Zaken vragen om te onderzoeken wat 
Israël mogelijk van de apartheid 
vindt, maar ik wiluvragen watu
denkt van een boycot van Nederland 
in Europa, terwijl bij voorbaat 
vaststaat dat Israël graag de leveran-
ties overneemt.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="63" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Over dit 
probleem zal ik in het vervolg van 
mijn inleiding spreken.  De heer Janmaat : Ja, dat is toch 
een gemakkelijk antwoord.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="64" partij="PvdA" naam="Wallage">
 In Zuid-
Afrika komt het blanke bedrijfsleven 
niet alleen onder druk te staan door 
maatregelen van bankiers en staten, 
maar ook door boycotacties van 
zwarte klanten. De tijd is dus voorbij 
dat ministers kunnen vluchten naar 
allerlei juridische en politieke 
vluchtheuvels. De roep om sancties 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
21 heeft door het zwarte verzet in 
Zuid-Afrika en de keiharde onderdruk-
king daarvan, die elke dag op de 
westerse TV-schermen is te zien, aan 
kracht gewonnen. Nu komt het erop 
aan dat niet de zwakste schakel in de 
apartheidsbestrijding vanuit Europa 
- dat is Engeland - bepaalt wat er 
gebeurt, maar...  De heer Janmaat : Mijnheer de 
Voorzitter! Ik vind dit ...  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="65" naam="De voorzitter">
 Ik hebugeen 
toestemming gegeven tot een 
interruptie.  De heer Janmaat : Wanneer krijg ik 
die toestemming dan?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="66" naam="De voorzitter">
 Dat zultuwel zien.  De heer Janmaat : Nou, dan blijf ik 
even staan.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="67" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Nu komt 
het er dus op aan dat niet de zwakste 
schakel in de apartheidsbestrijding 
vanuit Europa - dat is Engeland -
bepaalt wat er gebeurt, maar die 
landen die door een lange traditie 
van strijd tegen discriminatie 
historisch zijn toegerust om die strijd 
ook aan te voeren. Nu komt het erop 
aan, zakelijk te beoordelen wat het 
akkoord van Luxemburg betekent en 
hoe wij die betekenis kunnen 
versterken. Dat brengt mij tot een 
vraag aan de minister. Wat was 
eigenlijk de Nederlandse inzet voor 
de EPS-bijeenkomst in Luxemburg? 
Wasubereid, verder te gaan dan 
de nu gemaakte afspraken, of zijn de 
berichten uit de Duitse pers juist dat 
u zich, als het om sancties ging, in 
het midden van het gezelschap 
bevond? Hebtuaangegeven dat ook 
ons land wel eens, net als Frankrijk, 
zou kunnen besluiten tot investerings-
beperkende maatregelen? Kortom, 
waar hebtuzich in Luxemburg 
precies voor ingezet? 
Uit een persverklaring van het CDA 
leid ik af dat het meent dat verder 
gaande sancties tegen Zuid-Afrika 
noodzakelijk zijn. Ik hoorde mijn 
collega De Boer dit regelmatig 
zeggen in de afgelopen weken. Wij 
moeten er vandaag voor zorgen dat 
de keuze voor drukverhoging ook uit 
onze beraadslagingen blijkt. Daarom 
hebben wij ervan afgezien, nu al 
concrete stappen via een motie aan 
de Kamer voor te leggen. Laten wij 
een uiterste poging doen, een 
meerderheid te vinden die Nederland 
een actievere rol toebedeelt als het 
erom gaat, de economische druk op 
Zuid-Afrika te verhogen. 
Ik beperk mij tot het geven van een 
overzicht van wat naar ons oordeel 
mogelijk is, met inachtneming van de 
plicht die wij ook zien om gezamenlijk 
Europees optreden zoveel mogelijk te 
bevorderen. 
De eerste stappen die in Luxemburg 
zijn gezet, waren beperkt en rijkelijk 
vaag. De minister heeft dit niet 
ontkend. De Europese Commissie 
heeft reeds aangekondigd, niet op 
basis van een EPS-verklaring een 
sanctiepolitiek te kunnen uitwerken. 
Ik nodig de regering uit, ertoe bij te 
dragen dat zulks wel gebeurt. Ik hoor 
graag van de minister hoe hij dit 
denkt aan te pakken. 
Dat een al van kracht zijnd verplicht 
embargo op wapens voor Zuid-Afrika 
weer figureert in het slotcommuniqué,  bevestigt wat velen al lang weten: 
Europa lapt dit embargo tot dusver in 
tal van opzichten aan zijn laars. Hoe 
is het anders te verklaren dat de 
firma Messerschmidt nog steeds 
helicopters kan leveren? Voor civiele 
doeleinden, zegt de fabriek. De 
bewoners van de zwarte townships 
weten inmiddels beter. Het gaat er 
nu om, ook de leveranties van 
onderdelen aan te pakken. Deze 
maken immers dat eens geleverde 
wapens uit Europa nog geruime tijd 
kunnen worden gebruikt. Is het de 
opvatting van de Nederlandse 
regering dat ook de leveranties van 
onderdelen moeten worden stop-
gezet? Zij vormen voor Zuid-Afrika een 
cruciaal onderdeel van de importen 
voor bewapening. 
Er staat dat Europa gaat weigeren, 
samen te werken in de militaire sfeer. 
Deze samenwerking in de militaire 
sfeer bestaat dus kennelijk nog. 
Betekent deze uitspraak dat Zuid-
Afrika nu niet meer mag beschikken 
over het codificatiesysteem van de 
NAVO? 
Europa levert nog steeds para-mili-
taire goederen aan Zuid-Afrika die op 
grond van politieke overwegingen 
niet aan de Sovjet-Unie mogen 
worden geleverd. Wat is ertegen, 
hier af te spreken dat Nederland voor 
zijn export van dit materieel de 
COCOM-lijst ook voor Zuid-Afrika zal 
hanteren en uit te spreken, dat de 
Kamer vindt dat Nederland zich in 
EG-verband voor zo'n regeling moet 
inzetten? Behelst de afspraak in 
Luxemburg wellicht juist dit? 
Dan komen de onderdelen van de 
verklaring die wèl drukverhogend 
zouden kunnen werken, wanneer zij 
tenminste extensief worden uitgelegd 
en met inzet worden uitgevoerd.  De heer Janmaat : Mijnheer de 
Voorzitter...  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="68" naam="De voorzitter">
 Wachtunu af tot de 
heer Wallage toekomt aan de vraag 
dieuhad gesteld! Dat heeft hij 
aangekondigd!  De heer Janmaat : Maar ik...  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="69" naam="De voorzitter">
 Neen! U wacht af!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="70" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Het stopzetten van 
olie-exporten vraagt om meer dan 
gentleman's agreements met 
oliemaatschappijen die in Europa olie 
winnen. Bereid de regering ter zake 
wettelijke maatregelen voor? Komt er 
communautair beleid op dit punt? 
Veel belangrijker dan de olie die 
hier wordt gewonnen, is voor 
Zuid-Afrika de transport&quot; en doorvoer-
functie die vanuit Europa en door in 
Europa gevestigde bedrijven wordt 
verricht. Van alle olie naar Zuid-Afrika, 
waarvan in 1980 en 1981 de 
herkomst kon worden getraceerd, 
bleek 75% dat land te hebben bereikt 
via Europese handen. Dat is geen 
getal om trots op te zijn voor wie 
weet welk een cruciale rol olie in de 
oorlogsmachine speelt. 
Er moet ons veel aan gelegen zijn 
om transport en doorvoer van olie 
vanuit Europa naar Zuid-Afrika te 
stoppen. Mijn vraag aan de collega's 
van het CDA is dan ook of zij bereid 
zijn uit te spreken, dat de minister 
zich daarvoor moet inzetten en dat 
alvast het wettelijke instrumentarium 
in Nederland in gereedheid moet 
worden gebracht om transport en 
doorvoer van olie vanuit ons land te 
verbieden. Grote olietransporteurs 
naar Zuid-Afrika bevinden zich in ons 
land; wij moeten nu de voorbereidin-
gen beginnen om die directe collabo-
ratie met de apartheidsstaat aan te 
pakken. Zijn wij daartoe bereid? Dat 
is de vraag. 
Verder wordt gesproken over het 
beëindigen van alle nieuwe samen-
werking op nucleair gebied. Bestaan-
de samenwerking loopt kennelijk 
gewoon door. De minister knikt. 
Zuid-Afrika is lid van het Internationale 
Atoomenergie-agentschap en krijgt 
daar zeer waardevolle informatie 
over nucleaire ontwikkelingen, terwijl 
dat land zich nog steeds onttrekt aan 
relevante inspecties van zijn installa-
ties. Zou het niet een effectieve 
uitwerking van de aankondiging in 
Luxemburg, namelijk dat geen 
verdere nucleaire samenwerking 
wordt gezocht, kunnen zijn dat 
Nederland zich ervoor uitspreekt dat 
Zuid-Afrika uit de IAEA wordt gezet 
zolang de apartheid voortduurt? 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
22 Zijn er voldoende collega's die zo'n 
uitspraak willen doen? Het zou een 
belangrijksignaal zijn als wij inderdaad 
nu onze nucleaire interesses willen 
ontvlechten. Wij verwelkomen de 
aangekondigde dialoog met de 
frontlijnstaten. Wij zijn blij dat 
Nederland op dit gebied initiatieven 
zal ontwikkelen. 
Voorzitter! Op welke wijze kunnen 
wij bewerkstelligen dat de EG tot 
verdere drukverhoging overgaat? Hoe 
zorgen wij ervoor dat de strijd tegen 
het apartheidsregime vanuit Europa 
niet door mevrouw Thatcher wordt
gedomineerd? Engeland lijkt te 
kiezen voor zijn economische 
belangen in Zuid-Afrika, hoezeer dat 
Albion ook te schande maakt. Het is 
allereerst nodig dat onze regering 
zich ervoor inzet dat de afspraken 
van Luxemburg een zo ongrijpend 
mogelijke werking krijgen. 
Dit zou tot uitdrukking kunnen 
komen doordat Nederland het 
standpunt zou innemen dat ook de 
doorvoer van olie onder de afspraken 
van Luxemburg valt. Nederland zou 
een verbod op strategische goederen 
kunnen bevorderen waardoor eenvou-
dig gezegd aan Zuid-Afrika niet meer 
wordt geleverd wat ook niet meer 
aan de Sovjet-Unie wordt geleverd. 
Zet de regering zich hiervoor in? 
Vervolgens kan Nederland wat zijn 
eigen beleid betreft laten zien dat de 
afspraken van Luxemburg serieus 
worden genomen. Dit wil zeggen dat 
nu uitvoeringsmaatregelen moeten 
worden voorbereid om de doorvoer 
en transport van olie in kaart te 
brengen, opdat een verbod straks 
effectief gemaakt kan worden. Nu 
reeds moet duidelijk worden welke 
bedrijven welke goederen, uitvoeren 
die naar het oordeel van de regering 
straks niet meer mogen worden 
geëxporteerd. Deze bedrijven kunnen 
dan worden aangepakt op het 
moment dat de politieke besluitvor-
ming daar rijp voor is. Sancties 
hebben ook nog voordat zij van 
kracht zijn een werking, namelijk als 
je de weg erheen publiekelijk 
bewandelt en zo kracht bijzet aan je 
uitgesproken intenties. Tot dusver is 
de EG een excuus geweest om zelf 
niets te doen. Ons pleidooi is om de 
afspraken van Luxemburg als een 
uitdaging te beschouwen om 
aanvullend Nederlands beleid te 
ontwikkelen. Ik vraag met name de 
collega's van het CDA of zij bereid 
zijn om die weg op te gaan en ik 
vraaguvooral of zij bereid zijn. 
de minister dit pad op te sturen. Ik 
vrees namelijk dat dit nodig zal zijn. 
Tot dusver heeft de Nederlandse 
regering het overleg in EG-verband 
vooral aangegrepen om zich erachter 
te verschuilen. Wij stellen voor dat 
de Nederlandse doelstelling moet  zijn: de EG verder te brengen op het 
pad van drukuitoefening. Zou de EG 
ooit zover gekomen zijn als Frankrijk 
zijn investeringsstop niet afgekondigd 
en als Denemarken en Zweden geen 
maatregelen hadden genomen? Wij 
hebben geen bezwaar tegen een 
poging tot gezamenlijk optreden. 
Integendeel, daar is ook om andere 
redenen dan Zuid-Afrika veel belang 
in gelegen. 
Het doel is het opvoeren van de 
druk. Aan dat doel moet ons overleg 
worden afgemeten. Engeland heeft 
niet zonder succes een echte 
gezamenlijke politiek weten te 
blokkeren. Samenwerking van 
Nederland met de landen die nu 
verder willen gaan, kan ook uiteindelijk 
de EG verder brengen, zoals uitspra-
ken van het congres en van deelstaten 
van de Verenigde Staten uiteindelijk 
Reagan het pad van de sancties op 
hebben geduwd. Laten wij de 
wervende kracht van voorbereidende 
initiatieven niet onderschatten. 
Ik geef hierbij een voorbeeld. 
Europa en Zuid-Afrika hebben 
intensieve handelsbetrekkingen. Als 
de EG straks verder gaat op het pad 
van de sancties, zal uiteindelijk ook 
de handel worden geraakt, namelijk 
de import van produkten uit Zuid-
Afrika in Europa. Dan is het nodig dat 
er een vergunningenstelsel is voor 
produkten die vanuit Zuid-Afrika de 
EG binnenkomen. Wie nu zo'n 
vergunningenstelsel voorbereidt 
- daartoe is in Luxemburg niet 
besloten - die vangt twee vliegen in 
één klap. Hij is technisch klaar op het 
moment dat tot handelssancties 
wordt overgegaan. Van de aankondi-
ging van het ontwerpen van zulk een 
vergunningenstelsel gaat nu al voor 
Zuid-Afrika een belangrijke druk uit. 
Zeker, wie vindt dat het nu al de 
goede kant op gaat in Zuid-Afrika en 
wie meent dat er tekenen van hoop 
zijn en dat de afbraak van het 
apartheidssysteem in zicht is, die kan 
nu achterover leunen. Maar wie 
meent dat het volk van Zuid-Afrika in 
verzet er recht op heeft dat wij meer 
doen, die zal vandaag tot zo'n 
initiatief moeten besluiten. Mijn  vraag is: zijn er voldoende collega's 
die menen dat de Nederlandse 
regering de EG zou moeten voorsteU 
len, nu reeds een vergunningenstelsel 
voor produkten uit Zuid-Afrika te 
ontwikkelen?  De heer Janmaat : Ik mag aannemen 
dat dit het antwoord is ...  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="71" naam="De voorzitter">
 Neen, dat maguniet 
aannemen.  De heer Janmaat : U schijnt, 
mijnheer de Voorzitter, de rede van 
de heer Wallage ook te kennen!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="72" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Deze Kamer heeft zich 
een aantal malen uitgesproken voor 
een verbod op nieuwe investeringen 
in Zuid-Afrika. Je moet als onderne-
mer wel een gaatje in je hoofd 
hebben om dat nu te overwegen. Het 
blijft wel een belangrijk 'breukpunt' in 
de relaties tussen Europa en Zuid-
Afrika als er zulke wetgeving komt. 
Frankrijk en de Scandinavische 
landen hebben zich ervoor uitgespro-
ken. 
Wat is ertegen, nu de EG zulke 
stappen nog niet heeft gekozen en 
dus in gebreke blijft, om op investe-
ringsterrein stappen te ondernemen 
met de landen die het willen en om 
met die landen ten minste onze 
inspanningen af te stemmen en naar 
de EG toe met gezamenlijke voorstel-
len te komen. Dat doet geen afbreuk 
aan de gezamenlijkheid! Het vergroot 
de kans dat de EG tot zulke stappen 
komt. 
Zoals bekend, hebben wij er geen 
enkel bezwaar tegen dat Nederland 
zelfstandig tot zulke stappen komt. 
Daarvoor kregen wij echter in juni 
geen meerderheid in deze Kamer. Als 
wij ons nu niet achter Engeland 
willen verschuilen maar werkelijk 
initiatieven willen nemen die de EG 
verder brengen, dan hoeft dat niet 
alleen met maatregelen van ons land 
zelf, al helpt ook dat. Het kan ook 
door gelijkgezinden te bundelen en 
gezamenlijk initiatieven te ontwikkelen 
om aan de verlamming waarin de 
Engelse regering de EG dreigt te 
storten een eind te maken. Mogen 
wij, zo vraag ik de minister, van deze 
regering dat soort bundelende 
initiatieven verwachten? Nog  belangrijker is de vraag: is er 
vandaag een kamermeerderheid die 
de regering dat pad op wil hebben? 
Was het in juni vijf voor twaalf, 
vandaag geldt voor Zuid-Afrika de 
uitspraak van de buitenland-secretaris  van het ANC, Johnny Makatini: 'De 
laatste seconden tikken langzaam 
weg.' Verder gaan dan hetgeen 
waartoe de EG in Luxemburg kwam, 
dat moeten wij zien te bereiken. Ik 
hoop dat de Kamer tot zo'n koers 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
23 besluit, de woorden die bisschop 
Tutu eergisteren uitsprak voor de  Duitse televisie indachtig: 'Waar bent 
u, in het uur van onze nood?'.  De heer Janmaat : Ik moet een 
kwartier wachten om geen antwoord 
te krijgen van u, mijnheer Wallage. 
De Voorzitter kende uw tekst dus 
minder goed dan hij suggereerde. Ik 
zal de vraag wel herhalen, maar eerst 
wil ik nog een opmerking maken.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="73" naam="De voorzitter">
 Helemaal niet! De 
heer Wallage heeft iets aangekondigd; 
dat zal hij nu doen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="74" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Er is voor 
de bestrijding van de apartheid in 
Zuid-Afrika niets effectievers dan een 
boycot door de hele wereld. Zolang de 
hele wereld niet boycot, moeten de 
landen boycotten die dat willen doen. 
Het is natuurlijk het effectiefst als dit 
wordt gedaan door alle Europese 
landen te zamen, maar niets zal ons 
ontslaan van onze verplichting om 
daarin een belangrijke rol te spelen.  De heer Janmaat : U durft geen 
antwoord te geven ...  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="75" naam="De voorzitter">
 Het woord is aan 
mevrouw Beckers! 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="76" partij="PPR" naam=" Beckers-de Bruijn">
 
Voorzitter! Op 15 augustus 1985 
heeft staatspresident Botha op het 
jaarcongres van de Nationale Partij 
zijn visie gegeven op de toekomst 
van Zuid-Afrika. Enkele maanden 
daarvoor had de Nederlandse 
minister van Buitenlandse Zaken hier, 
in dit parlement, scherpe kritiek geuit 
op het apartheidssysteem en zich 
zeer bezorgd getoond vanwege het 
snel escalerende geweld. Die kritiek 
en bezorgdheid wilde de minister 
hard maken met een verscherping 
van de gedragscode voor onderne-
mingen en met een poging, in EPS-
verband tot gezamenlijke actie te 
komen. 
De minister zal die rede van 15 
augustus nauwkeurig hebben 
bestudeerd. Afgezien van het feit dat 
concrete maatregelen, gericht op 
beëindiging van de apartheid, 
ontbraken - dat heeft ook de EPS 
vastgesteld - moet het voor hem als 
democraat toch een onthullend 
verhaal zijn geweest. Ik licht er 
enkele punten uit. 
De heer Botha weigert Nelson 
Mandela vrij te laten en noemt hem 
een man van het geweld, terwijl hij 
zelf aan het hoofd staat van het 
meest onderdrukkende en geweldda-

dige regime dat de westerse wereld 
kent. Dit regime is alleen al in de 
laatste maanden verantwoordelijk 
voor 700 doden. Dit regime laat 
kinderen van 1 1 , 1 2 jaar overal 
oppakken en bij elkaar drijven in 
gevangenissen waar zij geslagen en 
gemarteld worden zonder enige 
aanwijzing van schuld. Dit regime wil 
alleen een dialoog met door haar 
zelf aangewezen leiders en weigert te 
onderhandelen met diegenen die zich 
politiek en maatschappelijk voor de 
bevolking als leiders hebben bewezen. 
Mijnheer Botha zegt in zijn rede 
ook dat dat hij een stelsel waarin het 
bestaan van minderheden wordt  genegeerd, verwerpt. Bij zegt: Een 
simplistisch stelsel waarin één groep 
met alles wegstapt, zal de vrijheden 
van de mensen niet vergroten maar 
verschralen. 
Alsof de blanke minderheid niet al 
eeuwenlang met alles is weggestapt 
en zij niet het bestaan van de zwarte 
meerderheid heeft genegeerd of nog 
veel erger dan dat deed! Mijnheer 
Botha spreekt niet alleen van een 
simplistische en een verouderde, 
maar zelfs van een racistische 
benadering als men zou aanvaarden 
dat Zuid-Afrika uit een blanke 
minderheid en een zwarte meerder-
heid bestaat. Dit zegt hij terwijl zijn 
regime de bevolking van Zuid-Afrika 
bij wet heeft ingedeeld in verschillen-
de kleurcategorieën, elk met bijbeho-
rende rechten en vooral niet-rechten. 
Hij zal, zo zegt hij, het beginsel van 
één mens, één stem, nooit in een 
eenheidsstelsel zal aanvaarden. Dat 
zou namelijk leiden tot overheersing 
van de ene groep door de andere. 
Onthullend, Voorzitter, is dit 
manifest voor de toekomst. Het is 
voor mijn fractie dan ook volkomen 
onbegrijpelijk dat de Nederlandse 
ministervan Buitenlandse Zaken niet 
dwars door deze woorden heen 
gekeken heeft en dat dit regime - dit 
blijkt uit het verslag van het bezoek 
van de EPS en uit het verslag van het 
mondeling overleg van 12 septem-
ber - zoveel begrip van hem krijgt. 
Het lijkt erop, dat hij en zijn 
Europese collega's na al die jaren 
nog niet begrijpen waar het om gaat. 
Het gaat niet om het verkrijgen van 
een betere positie van de zwarte 
bevolkingsgroepen binnen het 
huidige systeem, maar om de 
bevrijding van een volk, dat in eigen 
land de meerderheid vormt, van een 
overheersende minderheid. Het gaat 
om het verkrijgen van volledig gelijke 
maatschappelijke en politieke 
rechten en om een werkelijk demo-
cratische regering in Zuid-Afrika. 
Het gaat niet om aanpassing of 
hervorming. Dit woord komt in het 
verslag veel te veel voor. Het gaat 
om afschaffing van de apartheid. 
Apartheid, zo werd vorige week op 
het AWEPA congres gezegd, is een 
misdaad tegen de mensheid. En een 
misdaad kun je niet hervormen. 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
24 De afschaffing van de apartheid is 
nog nooit officieel aangekondigd. 
Niet voor niets heeft het Europese 
driemanschap een groeiend wantrou-
wen ontmoet bij alle nietgouverne-
mentele organisaties, vanwege de 
vage termen waarin de Zuidafrikaanse 
regering spreekt over een hervor-
mingsproces. Ik denk daarbij aan 
termen als 'politieke participatie voor 
alle gemeenschappen'. Het uitgangs- punt is en blijft immers: de eigen 
blanke macht. Als deze minister, 
gegeven de Zuidafrikaanse situatie 
van vandaag, niet meer kan debiteren 
dan dat in een democratie zowel 
minderheden moeten worden 
beschermd als inspraak moet worden 
gegeven aan alle groepen, dan is het 
geen wonder dat president Botha 
tevreden is met zijn bezoek, want het 
zijn bijna letterlijk zijn eigen woorden. 
Vanzelfsprekend, Voorzitter, is het 
niet aan ons om een blauwdruk te 
presenteren voor de toekomst van 
Zuid-Afrika. Ik vind het echt een 
onvergeeflijke blunder voor een 
minister die functioneert in een 
parlementaire democratie om een 
blauwdruk te verwarren met een 
democratisch grondbeginsel waar-
mee nooit kan worden gemarchan- deerd: één mens één stem. 
Of, zoals ANC-woordvoerder 
Makatini zei op de conferentie van 
Europese parlementariërs tegen  apartheid de vorige week: het gaat er 
niet om hoe het land wordt bestuurd, 
het gaat erom wie het land bestuurt.  Voor alle duidelijkheid: ook hij sprak 
opnieuw van een verenigd niet-raciaal 
democratisch Zuid-Afrika. 
Voorzitter! Hier ligt voor ons de 
kern van de discussie. De minister 
wekt op zijn minst de indruk dat hij 
de kant van het regime kiest. In de 
visie van Botha wordt Zuid-Afrika 
straks gevierendeeld, waarbij de 
blanke bevolkingsgroep het rijkste 
gebied krijgt, het industriële hart van 
Zuid-Afrika. Zo'n beslissing zal dan 
worden genomen, dat kan niet 
anders, door die blanke bevolkings-
groep en niet door de hele bevolking. 
Daarmee zijn onderhandelingen op 
basis van gelijkwaardigheid op dit 
wezenlijke punt bij voorbaat al 
uitgesloten. 
Vooral om deze reden beoordeelt 
mijn fractie de reis van de drie 
negatief. Iedereen wist van te voren 
dat de Zuidafrikaanse regering alles 
zou doen om het bezoek ook naar 
haar hand te zetten. Dat is een 
kwestie van beleidvorming, een 
beeldvorming die je zou kunnen 
doorbreken als je dat wilt. Dat men 
dat heeft nagelaten is erg, maar dat 
je de argumenten van Botha op het 
meest wezenlijke punt van discussie 
tot de jouwe maakt, had ik ook van 
deze minister niet verwacht. 
Zijn het dan toch de eigen Neder-
landse economische belangen die 
het zwaarste wegen bij de standpunt-
bepaling en niet de situatie in 
Zuid-Afrika zelf? Bisschop Tutu 
formuleerde dit zeer scherp toen hij 
zijn reactie gaf op de maatregelen 
van president Reagan, genomen om 
verdergaande acties van Senaat en  Concres te voorkomen: De zwarten in 
Zuid-Afrika kunnen hem geen donder 
schelen! Geldt dit eigenlijk ook niet 
voor de Nederlandse discussie, waar 
tegenstanders van sancties blijven 
zeggen dat deze vooral de zwarten 
treffen en de buurlanden van Zuid-Af-
rika, hoewel ze dagelijks van de 
frontlijnstaten (zelfs deze week nog), 
en van de zwarten kunnen horen hoe 
zij erover denken? Hebben wij echt 
afgerekend met de mentaliteit dat de 
Derde Wereld heel wel onderworpen 
kan blijven aan onze westerse 
belangen? 
Het Verenigd Koninkrijk gaat op dit 
punt zeer ver. Maar ook Nederland 
lijkt een nieuw alibi te hebben 
gevonden. In het verleden was het 
argument dat eenzijdige Nederlandse 
sancties niet effectief waren. Maar 
nu om ons heen tal van landen zich 
aandienen die verder gaande 
maatregelen afkondigen en ervan 
eenzijdigheid dus geen sprake meer 
behoeft te zijn, verschuilt de minister 
zich achter het gemeenschappelijke 
Europese beleid. Moeten wij hieruit 
de conclusie trekken dat hij gewoon 
niet bereid is tot duidelijke sanctie-
maatregelen? 
Mijn fractie ziet het belang van een 
gezamenlijke actie, ook in Europees 
verband. Naar de huidige context, de 
snel escalerende situatie daar, de 
antwoorden daarop van de Verenigde 
Staten en van veel andere landen, de 
maatregelen van de banken en de 
opstelling van de zakenwereld in 
Zuid-Afrika, moet er echt meer 
gebeuren dan de Negen nu op tafel 
hebben gelegd. En Nederland kan 
ook meer. Frankrijk, Denemarken, de 
Scandinavische landen, Canada en 
Australië geven aanknopingspunten. 
Wat punt 6 betreft, heb ik de 
volgende vraag. Via Nederland blijkt 
in de periode 1 9 7 9 - 1 9 8 2 veel meer 
ruwe olie naar Zuid-Afrika verscheept 
te zijn dan via het Verenigd Koninkrijk, 
Zwitserland, Denemarken, West-
Duitsland en Griekenland. Er is geen 
enkele aanwijzing dat dit de laatste 
jaren niet is doorgegaan. Zou de 
minister in details kunnen aangeven 
wat hij met een maximaal restrictieve 
maatregel bedoelt en/of maatregel 
op dit punt een oplossing is? 
Wat de visumverlening voor 
Zuidafrikaanse sportlieden betreft, 
ben ik de minister dankbaar voor het 
langverwachte antwoord op mijn 
schriftelijke vragen. De Nederlandse 
sportfederatie heeft dit jaar niet 
aangedrongen op visumverlening en 
dat is een goed resultaat. Betekent dit 
ook dat de consulaten beschikken 
over een lijst van sportlieden die in 
het geding zijn en wat houdt die 
gemaakte administratieve fout dan 
precies in? 
Ik sluit af. CDA-collega Aarts 
pleitte op 2 4 augustus in Trouw voor 
zwaarder geschut tegen het Zuidafri-
kaanse regime. Ook ik doe een 
beroep op hem om dat waar te 
maken, omdat Nederland een stuk 
van zijn gezicht heeft verloren. Maar 
niet alleen, ook omdat het nu of nooit 
is. Het verzet groeit, het tegengeweld 
is bruut en massaal en wij hebben de 
vorige week gehoord dat de zaak elk 
moment kan exploderen. Het wordt 
óf de totale oorlog óf de bevrijding 
langs vreedzame weg via gelijk-
waardig onderhandelen. Wij zijn het, 
Voorzitter, die mede deze beslissing 
nemen en die keuze maken. Op dit 
kritieke moment in zuidelijk Afrika's 
geschiedenis zijn er maar twee  mogelijkheden: of medeplichtig aan 
die oorlog, of bondgenoot in de 
bevrijding. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="77" partij="RPF" naam=" Leerling">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Ik wil graag beginnen met 
een compliment aan het adres van de 
minister van Buitenlandse Zaken. Als 
lid van de EPS-delegatie heeft hij met 
het bezoek aan Zuid-Afrika en het 
gesprek met vertegenwoordigers van 
de Zuidafrikaanse regering op 
indirecte wijze uitvoering gegeven 
aan een herhaald verzoek van de 
RPF-fractie om zichzelf in Zuid-Afrika 
te oriënteren. Geeft de minister 
achteraf gezien toe dat een dergelijk 
bezoek toch zinvoller is geweest dan 
hij van tevoren had vermoed? Uit de 
brief van de minister van 11 septem-
ber jl. en het daarbij gevoegde 
verslag van de EPS-missie krijg ik in 
elk geval die indruk wel. Ik verwijs  dan vooral naar de zin: 
'Voorts heeft de missie door 
intensieve gesprekken met vele 
vooraanstaande Zuidafrikanen een 
verbeterd inzicht gekregen in de 
situatie in Zuid-Afrika.' 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
25 Is mijn conclusie juist en heeft dat 
feit de minister op andere gedachten 
gebracht over het voortzetten of zou
wilt hervatten van een kritische 
dialoog met de regering van Zuid-
Afrika, al of niet in EPS-verband? Kan 
de minister trouwens de door mij 
geciteerde zin uit het verslag nog wat 
nader toelichten? In welk opzicht is 
er een 'verbeterd inzicht' ontstaan? 
In hoeverre hebben de gesprekken 
met de Zuidafrikaanse regering 
bijgedragen tot dat verbeterde 
inzicht? Is de minister het eens met 
de opvatting van de Zuidafrikaanse 
••egering, dat de afschaffing van de 
apartheid een stapsgewijze benade-
ring vereist? 
De situatie in Zuid-Afrika is hoogst  zorgwekkend: elke dag vallen er 
doden te betreuren. Hoewel het 
handhaven van rust en orde in de 
eerste plaats een taak is voor de 
regering van Zuid-Afrika en wij ons 
moeten hoeden voor inmenging in de 
binnenlandse aangelegenheden van 
een soevereine staat, hecht ook de 
fractie van de RPF aan internationale 
druk om het mensonterende apart-
heidssysteem in Zuid-Afrika af te 
schaffen. 
Mijn fractie - dat wordt niet voor 
de eerste keer gesteld - ziet overigens 
ontwikkelingen ten goede in Zuid-
Afrika. Dat geldt eens te meer nu 
staatspresident Botha tijdens zijn 
jaarlijkse tournee door diverse 
provincies in Zuid-Afrika vorige week 
in Bloemfontein belangwekkende 
mededelingen heeft gedaan. Alle 
zwarte inwoners van Zuid-Afrika, 
zelfs zij die in de onafhankelijke 
thuislanden wonen, zouden het 
Zuidafrikaanse staatsburgerschap 
herkrijgen. Daarnaast heeft de 
presidentiële raad geadviseerd de 
beruchte pasjeswet af te schaffen. Ik 
ben blij met de vele positieve 
reacties op deze stellig belangrijke 
ontwikkelingen, onder meer van de 
minister zelf. 
Is hij dan ook niet met mij teleur-
gesteld in de vrij cynische opmerkin-
gen van bisschop Tutu betreffende 
deze zaak? Wat in Bloemfontein is 
gezegd, moet zeker in de Zuidafrikaan-
se context als een doorbraak worden 
gezien. Is de minister dat met mij 
eens? Toekennen van het staatsbur-
gerschap betekent toch met zoveel 
woorden het failliet van het apart-
heidsstelsel, omdat het verlenen van 
het staatsburgerschap niet zonder 
gevolgen kan blijven. Wie erkend 
staatsburger is, moet ook in politiek 
opzicht invloed kunnen uitoefenen. 
Daar is het de zwarte bevolking van 
Zuid-Afrika terecht om te doen. 
Het zal de minister bekend zijn dat 
staatspresident Botha nog congres-
sen van zijn partij in Transvaal en in 
de Kaapprovincie zal toespreken. 
Aangezien de provincie Transvaal het 
bolwerk is van de Nationale Partij, 
worden van de toespraak die Botha 
straks in Pretoria zal houden de 
belangrijkste mededelingen over 
voorstellen tot wijziging of afschaffing 
van het apartheidsstelsel verwacht. 
Ik hoop dat er in Pretoria meer 
concreet en ook gekaderd in een 
tijdpad zal worden aangegeven wat 
de regering van Zuid-Afrika nu 
precies voor ogen staat en vooral op 
welke termijn er met de leiders van 
de diverse zwarte bevolkingsgroepen 
zal worden gesproken om naar een 
vreedzame oplossing te zoeken. 
Koestert de minister op grond van 
zijn ontmoeting met de Zuidafrikaanse 
regeringsleiders hooggespannen 
verwachtingen van die rede in 
Pretoria? Uitlatingen van de Zuidafri-
kaanse ambassadeur in de Verenigde 
Staten zouden daar onder meer 
aanleiding toe kunnen zijn. Welke 
invloed zullen verstrekkende voorstel-
len van de Zuidafrikaanse regering, 
die overigens eerst door de Nationale 
Partij zullen moeten worden aanvaard, 
kunnen hebben op de opstelling van 
de EPS? 
Heeft de minister tijdens zijn 
bezoek aan Zuid-Afrika, dat overigens 
wel bijzonder kort heeft geduurd, ook 
gesproken met parlementsleden van 
de Nationale Partij en zo ja, heeft hij 
daaruit kunnen concluderen dat de 
voorstellen van Botha binnen zijn 
partij in het parlement op voldoende 
steun zullen kunnen rekenen om te 
worden gerealiseerd? 
Uit de brief met de bijlage die wij 
vandaag ontvingen van de minister 
moet worden geconcludeerd dat hij 
niet met vertegenwoordigers van de 
Nationale Partij heeft gesproken en 
evenmin met de regeringsleiders van 
de onafhankelijke staten, zoals 
Mantanzima van Transkei en Mangope 
van Bophuta-Tswana, of met de 
leiders van de kleurlingen. 
Is de minister in elk geval bereid 
zelf of in EPS-verband contacten te 
leggen met de thuislandleiders, om 
ook hun visie te vernemen, vooral nu 
de Zuidafrikaanse regering voorstellen 
doet om de inwoners van die 
onafhankelijke staten ook weer het 
Zuidafrikaans staatsburgerschap te 
geven? 
Na terugkeer in Europa heeft de 
voorzitter van de EPS-delegatie, de 
Luxemburger Poos, een apart 
gesprek gevoerd met een vertegen-
woordiger van het ANC. Mijn fractie 
betreurt die ontmoeting, vanwege 
het feit dat het ANC helaas moet 
worden gekwalificeerd als een 
terreurorganisatie die er niet voor 
terugdeinst onschuldige blanke en 
zwarte burgers te doden met het 
doel de Zuidafrikaanse regering met 
geweld omver te werpen. Bovendien 
is een en andermaal komen vast te 
staan dat het ANC streeft naar een 
staat op marxistische leest geschoeid. 
Als het doel van het ANC zou 
worden gerealiseerd, zou naarde 
mening van mijn fractie daarmee de 
grootste ramp voor zowel blank als 
zwart Zuid-Afrika een feit zijn. Let 
maar op wat er is gebeurd - laten wij 
toch eerlijk zijn - in Mozambique, 
Zimbabwe en Angola. Om over 
landen als Ethiopië nog maarte 
zwijgen. 
Onderkent de minister de bezwaren 
tegen het ANC? Hij acht het ANC 
toch niet de enige representant van 
de zwarte verzetsbewegingen tegen 
het apartheidsstelsel, zoals het in de 
Nederlandse media doorgaans wel 
wordt voorgesteld? Mijn fractie 
verwerpt die voorstelling van zaken 
met kracht en hoopt op zijn minst dat 
de Nederlandse regering zich uiterst 
gereserveerd en kritisch zal opstellen 
in de directe contacten met het ANC 
en daarbij haar invloed zal aanwenden 
om het ANC te bewegen het vergieten 
van onschuldig bloed te staken. 
Als in dit debat ook nog wordt 
gezegd dat de Zuidafrikaanse 
regering aanleiding geeft tot een 
dergelijke handelwijze, dan verwerp 
ik dat, omdat je nooit oog om oog en 
tand om tand mag reageren. Ik hoop 
in dezen op de steun van de regering 
te mogen rekenen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="78" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Het valt mij op 
dat de heer Leerling tot dusver de 
minister het meest positief toe-
spreekt.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="79" partij="RPF" naam=" Leerling">
 Er komen er 
wellicht meer.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="80" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Ik vrees het ook. 
Is het niet verschrikkelijk datuwel 
praat over de mensen die zich 
verzetten tegen het geweld en tot 
dusver nog niets hebt gezegd over de 
Zuidafrikaanse politie en het leger, 
die kinderen arresteren en op straat 
doodschieten? Een geweld waardoor 
meer dan 600 mensen in dit jaar de 
dood hebben gevonden, om over al 
die andere verschrikkelijke dingen 
nog maar niet te spreken. Waar staat 
u eigenlijk in dit dramatische conflict? 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
26 

</spreker>
<spreker pagina="" anker="81" partij="RPF" naam=" Leerling">
 De heer 
Scholten heeft mijn betoog nog niet 
helemaal gehoord. In de tweede 
plaats weet hij dat wij niet voor de 
eerste keer over Zuid-Afrika spreken. 
In de derde plaats voeg ik in alle 
duidelijkheid toe dat mijn fractie 
geen enkel, maar dan ook geen enkel 
respect kan opbrengen voor het 
grootschalige en vaak medogenloze 
optreden van de Zuidafrikaanse 
politie. Ik ben erg blij dat er een 
groeiend verzet is onder de blanken 
in Zuid-Afrika tegen de wijze waarop 
hun politie, om het zo maar eens te 
zeggen, optreedt in de diverse zwarte 
woonlokaties. 
Wat dat betreft mag de heer 
Scholten weten waar ik sta. Ik hoop 
van harte dat de Zuidafrikaanse 
regering op een andere wijze dan de 
laatste weken is gedemonstreerd, zal 
pogen orde en rust te handhaven. 
Boven alles moet met kracht worden 
gestreefd naar het maken van een 
eind aan de aanleiding waardoor het 
verzet in de zwarte woonwijken op 
het ogenblik naar boven komt. 
Mijnheer de Voorzitter! Ik behoef 
niet steeds te herhalen dat mijn 
fractie wenst dat er op een zo kort 
mogelijke termijn afschaffing van het 
apartheidsstelsel in al zijn geledingen 
tot stand komt. 
Ondanks het feit dat er hoopvolle 
tekenen zijn - daar wil ik de heer 
Scholten toch ook wel eens aan 
herinneren - dat er in Zuid-Afrika 
inderdaad radicale veranderingen te 
wachten staan, wil de regering 
samen met de andere landen van de 
EG, alsmede met Spanje en Portugal, 
verdergaande boycotmaatregelen 
tegen Zuid-Afrika nemen. Voor de 
VARA-radio zei de minister jongstle-
den zaterdag dat de aangekondigde 
maatregelen voor Nederland slechts 
beperkte reikwijdte hebben, maar dat 
het hem er vooral om ging Europa in 
de actie tegen Zuid-Afrika op één lijn 
te krijgen. Zelf zou hij nog wel verder 
willen gaan met economische 
sancties. Dat laatste valt ons van 
deze minister toch wat tegen. 
Waarom wil hij persoonlijk op nogal 
geselecteerde wijze gebruik maken 
van het boycotwapen? Er zijn immers 
nog vele andere landen in de wereld 
- ik denk bij voorbeeld aan de 
Sovjet-Unie en Iran - waar ook 
gruweldaden tegen de mensheid 
worden bedreven zonder dat er 
concreet aan boycotmaatregelen 
wordt gedacht. 
Welke betekenis hebben voorts de 
maatregelen die de EPS heeft 
afgekondigd voor het geheel van de 
Zuidafrikaanse economie? Zal 
Zuid-Afrika zich om deze maatregelen 
nu echt druk maken? Stel dat ze 
effect sorteren, wie zal er dan het 
meest van te lijden hebben? Het is al 
eerder gezegd, maar ik omschrijf  het nog een keer: zijn het niet de 
miljoenen zwarte mensen in Zuid-Afri 
ka die door het verlies van hun werk 
ook hun broodwinning dreigen te 
verliezen? Wij moeten ons realiseren 
dat er in Zuid-Afrika geen sociaal ze-
kerheidsstelsel is zoals wij dat in 
Nederland kennen. 
Mijn eigen ervaringen in Zuid-Afrika 
zijn, dat de zwarte burgers in de 
straten tegen een economische 
boycot zijn vanwege de grote kans 
op armoede, honger en ontluistering? 
Wil de minister dat ook betrekken bij 
zijn afwegingen, ook in EPS-verband, 
inzake het toepassen van de econo-
mische boycot? Laat hij toch luisteren 
naar een man als Buthelezi, die bij 
voortduring smeekt om niet te 
boycotten. Is de minister doof voor 
deze gezaghebbende leider van een 
grote zwarte bevolkingsgroep in 
Zuid-Afrika? 
De RPF-fractie wijst economische 
boycotmaatregelen niet volstrekt af, 
maar zolang er mogelijkheden zijn 
voor gesprek en overleg - die kansen 
zijn er blijkens de EPS-missie -
moeten die boycotmaatregelen 
achterwege blijven. Bovendien 
moeten wij ons rekenschap geven 
van de door de eeuwen heen 
gegroeide mentaliteit van de doorsnee  blanke Zuidafrikaner: hoe harder de 
tegenstand van buiten de eigen kring 
is, hoe onverzettelijker hij wordt. Met 
tact en geduld is er naar mijn vaste 
overtuiging meer te bereiken, ook al 
is dat geduld al geruime tijd zwaar op 
de proef gesteld. 
Naar aanleiding van een vandaag 
ontvangen brief van de minister wil ik 
een enkele vraag stellen om daarover 
opheldering te krijgen. Dat geldt met 
name voor de conclusies ten aanzien 
van positieve maatregelen. Wat moet 
ik mij concreet voorstellen bij 
hulpprogramma's ten behoeve van 
organisaties die zich op niet-geweld-
dadige wijze tegen apartheid 
verzetten? Er wordt in dit verband 
gesproken over kerken, maar zijn er 
ook andere instanties? De regering 
wil de contacten met de niet-blanke 
gemeenschap intensiveren op onder 
andere het terrein van de cultuur en 
de sport. Geldt dat ook voor organi-
saties die reeds multiraciaal zijn, 
zoals in de gehandicaptensport het 
geval is? 
Tot slot zou ik in dit debat graag 
van de minister enige opheldering 
verkrijgen over de zaak-De Jonge. 
Heeft hij werkelijk het Nederlands 
staatsburgerschap? Als de regering 
ervan overtuigd is dat hij vrijuit gaat, 
dan kan hij toch in Zuid-Afrika zijn 
gang gaan? Als dat niet het geval is, 
dan vraag ik mij af, of de Nederlandse 
ambassade in Pretoria een wijkplaats 
is voor mensen die vallen onder de 
strafwet van het desbetreffende land. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="82" partij="CPN" naam=" Ernsting">
 Voorzitter! 
Op een moment dat de ontwikkeling 
in Zuid-Afrika letterlijk en figuurlijk op 
scherp staat, het bewind van Botha 
zijn gewelddadige karakter heeft 
onderstreept met een preventieve 
inval - wat een term - in Angola, 
dagelijks mensen van de straat 
worden geslagen of geschoten, zelfs 
begrafenissen worden verboden en 
steeds duidelijker wordt dat er geen 
andere keus meer is dan een snelle 
en krachtdadige ontmanteling van 
het apartheidsregime komt de 
regering in een Troonrede met niets 
beters dan een kromme zin waarin  staat: 
'dat allen in Zuid-Afrika zelf tot 
constructieve besprekingen moeten 
komen over hun gezamenlijke 
toekomst' en dat de regering tracht 
'te zamen met de Europese partners 
waar mogelijk een bijdrage te leveren 
aan het zo noodzakelijke verande-
ringsproces'. Er staat niet eens 'waar 
nodig'. In mijn meest welwillende bui 
zou ik dat willen aanduiden als het 
meest wrange understatement van het 
jaar over dit onderwerp. 
Deze uitspraak moet dan gezien 
worden tegen de achtergrond van de 
EPS-missie naar Zuid-Afrika, het 
verslag daarvan en de maatregelen 
waarover vervolgens in EPS-verband 
overeenstemming is bereikt, althans 
op Engeland na. Dat laatste roept 
meteen de eerste vraag op. Wat is de 
status van de besluitvorming nu 
Engeland is afgehaakt, anders dan 
afspraken over maatregelen die 11 
nationale staten zullen nemen? 
In reactie op de uitspraak van 
EG-commissaris De Clercq, dat hij 
geen mogelijkheid zag om de 
afspraken om te zetten in communau-
taire uitvoeringsmaatregelen, 
reageerde de minister met luchtig 
optimisme. Ondertussen is niet 
bekend, op welke wijze en op welke 
termijn de Europese Commissie met 
voorstellen komt. Los gezien van de 
positie van Engeland, is er nog heel 
wat te overleggen, nader uit te 
werken en nader te besluiten. 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
27 Dat gaat bepaald niet over de  minste zaken: de kwestie van het 
para-militaire materieel, de harmoni-
satie van de sportboycotmaatregelen 
en de in- en uitvoer van olie en 
nucleaire samenwerking. Hoelang zal 
het duren voordat de veronderstelde 
meerwaarde van de afspraken die ten 
opzichte van het Nederlandse beleid 
toch al schamel is, zichtbaar en 
effectief wordt? 
Die vragen klemmen zozeer, nu de 
toestand in Zuid-Afrika ook econo-
misch zo labiel en kwetsbaar is, dat 
snelle en harde nationale maatregelen 
wel degelijk zin hebben, wellicht zelfs 
meer dan afgezwakte communautaire 
maatregelen, waarvan uitvoering en 
effectiviteit op zich laten wachten. 
Als het daarbij zou blijven, wordt de 
levensduur van de apartheid in feite 
verlengd, terwijl die zo snel mogelijk 
beëindigd moet en kan worden.  Wat ons betreft is het en/en: 
maatregelen in Europees verband, 
oké, maar wel snel en voelbaar 
uitvoeren. Ik denk dat op mijn minst 
in dit debat een termijn moet worden 
gesteld aan de uitvoering van de 
afspraken die zijn gemaakt. Tegelijk 
moet je je niet laten terugdringen tot 
het niveau van de minst vergaande 
partner. Maar zelf verder gaan. Ook 
dat heeft zin en is nodig, zowel 
politiek als materieel. 
'We are ready tot stand alone.' De 
echo van Botha weerklonk via de 
mond van Margaret Thatcher vorige 
week, toen het EPS-beraad nog niet 
eens afgelopen was. Zij kondigde daar-
mee al aan dat Engeland niet mee 
zou doen aan gezamenlijke stappen 
tegen Zuid-Afrika. Het verzet in 
Zuid-Afrika is 'ready to stand 
together', en gaat dag in dag uit de 
straat op om dat te demonstreren, 
zwepen, knuppels en kogels trotse-
rend, doden betreurend, maar steeds 
opnieuw inspiratie en moed verzame- lend uit dat principiële verlangen: 
rechten voor iedereen, blank en 
zwart; een stem voor iedereen en 
een regering die daarop is gebaseerd. 
Jarenlang is de gekleurde en zwarte 
meerderheid dat verlangen met de 
knoet ontzegd. Nu komt de regering 
vertellen - dat gebeurde vorige week, 
in het mondeling overleg - dat dit 
verlangen morgen realiseren geen 
oplossing zou zijn, omdat de rechten 
van minderheden niet geregeld zijn. 
In een boekje, in augustus 1985 
uitgegeven door het ministerie van 
Buitenlandse Zaken van de Zuidafri-
kaanse regering, getiteld 'Reform in  South Africa', staat te lezen: 'Hoewel 
de regering democratische waarden 
onderschrijft, is zij zich ervan bewust 
dat het onverantwoordelijk zou zijn, 
zelfs gevaarlijk, om zulke doelen na 
te streven binnen het kader van 
structureren die de specifieke 
voorwaarden en omstandigheden in 
de Zuidafrikaanse gemeenschap 
negeren.' 
Bekend is wat met die specifieke 
voorwaarden en omstandigheden  wordt bedoeld: de analyse van de 
Zuidafrikaanse regering omtrent de 
kwestie van de minderheden. Wij 
vragen ons op dat moment in 
gemoede af, hoe ver dit standpunt af 
staat van dat van de Nederlandse 
regering, wanneer de laatste als 
conditie voor een eventueel 'one 
man, one vote' stelt dat eerst de 
minderheden moeten worden 
beschermd. 
Waarom treedt de regering het 
verlangen naar 'one man, one vote' 
tegemoet met de tegenwerping dat 
dit een blauwdruk zou zijn, en 
ontvouwt zij vervolgens een scenario 
(minderheden beschermen, samen-
spraak van alle groepen en dan 
eventueel 'one man, one vote') dat 
veel meer het predikaat van blauwdruk 
verdient? 
Komt dat niet in wezen omdat de 
regering een stuk meegaat in de 
redenering van de Zuidafrikaanse 
regering dat het fundamentele 
probleem - ik doel op de specifieke 
condities - niet in de eerste plaats is 
het ontbreken van een gelijke stem 
voor iedereen, maar vooral de 
aanwezigheid van een aantal minder-
heden? 
Hiermee wordt waarschijnlijk 
vooral, gelet op de historie waarin de 
bezorgdheid voor de gekleurde en 
zwarte meerderheid nu niet bepaald 
opviel, de blanke minderheid 
bedoeld. Waar staat de Nederlandse 
regering eigenlijk? Is zij ook 'ready to 
stand alone'? Ten opzichte van wie 
eigenlijk? Het zakenleven in Zuid-Afrika 
heeft Botha 'alone' gelaten. Grote 
delen van de blanke gemeenschap 
hebben dat eveneens gedaan. De 
AMRO-bank heeft gezegd geen 
zaken meer te doen met Zuid-Afrika 
totdat het apartheidsregime is 
verdwenen.  Er is maar één alternatief: ondub-
belzinnige steun aan al degenen die 
er nu een eind aan willen maken. 
'Ready to stand together', niet met 
Botha, niet met Thatcher, niet tot 
elke prijs met Europese landen 
waarvan de zwakste schakel de 
sterkte van de stellingname bepaalt, 
maar met het verzet dat na een lange 
reeks van jaren zijn verlangen 
ondubbelzinnig op tafel heeft gelegd 
en daarvoor heeft betaald met doden, 
gewonden en gevangenen. 
Een ondubbelzinnige ondersteuning 
van dat verlangen en van de strijd 
daarvoor is nodig. Elke opstelling die 
minder ver gaat, bevindt zich, gelet 
op de huidige ontwikkeling in 
Zuid-Afrika, al gauw aan de andere 
kant van de lijn en dat is voor ons 
onverteerbaar. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="83" partij="CDA" naam=" De Boer">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Voordat ik mijn betoog 
begin, zij mij één opmerking 
veroorloofd in de richting van de heer 
Wallage, die enkele weken geleden 
mijn partij een volstrekt immorele 
houding inzake Zuid-Afrika heeft 
verweten. Mijn vraag aan hem is of 
hij zich niet vergist in wie er inzake 
de apartheid daadwerkelijk in de 
beklaagdenbank behoort te zitten. Is 
dat niet de regering van Zuid-Afrika? 
Is het in dat licht bezien wel zo zinvol 
om elkaar in de binnenlandse politiek 
uitgerekend bij dit onderwerp vliegen 
af te vangen, dat althans te proberen?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="84" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Ik wil op 
deze vraag nu direct ingaan. Uiteraard 
zijn de verschillen die hiertussen ons 
bestaan in meters en centimeters uit 
te drukken en de verschillen tussen 
ons gezamenlijk en de heer Botha in 
lichtjaren. Dus heeft de heer De Boer 
gelijk met zijn opmerking dat de 
tegenstander dat regime is. Ik heb er 
geen moeite mee dat hardop en 
duidelijk te zeggen. Ik heb mijn 
opmerking gemaakt vanuit mijn zorg 
dat de apartheid veroordelen zonder 
daaraan de consequenties te 
verbinden voor het beleid, naar mijn 
gevoel de positie oproept die de heer 
De Boer zojuist geschetst heeft.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="85" partij="CDA" naam=" De Boer">
 Ik wil nog 
een opmerking maken naar aanleiding 
van de consequenties voor het 
beleid. Ik voer daarvoor niemand 
minder ten tonele dan minister Botha 
van buitenlandse zaken in Zuid-Afrika, 
die een aantal weken geleden in het 
kader van de zaak-De Jonge, 
waarover ik overigens niet wil praten, 
heeft opgemerkt dat de betrekkingen 
tussen Nederland en Zuid-Afrika op 
een peil stonden dat niet slechter 
kon. Dat was niet het gevolg van 
Zuidafrikaans optreden in de richting 
van Nederland. 
Ik constateer dat dit hele lage peil 
kennelijk toch het gevolg was van 
ons door de heer Wallage onvoldoen-
de gevonden optreden ten opzichte 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
28 van Zuid Afrika. Ik wil trouwens zelf 
ook niet in de val lopen, binnenlandse 
politiek te gaan bedrijven over zo'n 
belangrijk onderwerp. 
Op het gevaar af bij een onderwerp, 
dat zo vaak is besproken als het 
onderhavige, in herhalingen te 
vervallen, wijd ik nog een paar 
woorden aan wat ons zo tegen staat 
in het apartheidsbeleid. Het belang-
rijkste is langzamerhand misschien 
juist wel dat apartheid in zekere zin 
succes heeft gehad en dat het een 
van de belangrijkste doelstellingen 
lijkt te hebben bereikt, namelijk het 
vrijwel volledig scheiden van de twee 
werelden van enerzijds de overgrote 
meerderheid van de blanken en 
anderzijds de overgrote meerderheid 
van de zwarten. Vandaar dat de 
berichten over de toestand in 
Zuid-Afrika van de ene kant, die van 
de blanken en van de meeste 
touristen uit Europa en dergelijke, 
volstrekt niet lijken te sporen met de 
berichten over de andere kant, 
namelijk over de wereld van de 
zwarten. 
Voorzitter! In feite sporen ze juist 
wel en vormen juist de volstrekte 
tegenstellingen tussen de twee 
plaatjes die aldus van Zuid-Afrika 
ontstaan, het beste bewijs hoe groot 
de kloof is die het apartheidsbeleid 
inmiddels heeft weten te creëren 
tussen blank en zwart in Zuid-Afrika. 
Waren deze twee werelden nu in alle 
opzichten onafhankelijk van elkaar of 
wederzijds afhankelijk maar gelijk-
waardig, dan kon je er, eenmaal 
ontstaan, misschien nog wel een 
zekere vrede mee hebben. Deze 
werelden zijn echter wel volledig 
wederzijds afhankelijk, doch op 
geheel verschillend niveau, te weten 
de blanke op het niveau van de 
meester en de zwarte op het niveau 
van de knecht. 
Dat is dan ook nog op een bijzonder 
schrijnende manier het geval. 
Immers, in de klassieke slavernij-eco-
nomieën werd de factor arbeid 
integraal gekocht met de persoon 
van de arbeider; in de industriële-re-
volutie-economieën werd de factor 
arbeid gekocht zonder de persoon 
van de arbeider te kopen, maar 
eveneens ten minste zonder deze 
persoonlijkheid als het ware te 
loochenen; in de apartheidseconomie 
wordt de factor arbeid van de 
zwarten, weliswaar ten behoeve van 
de wereld van de blanken, gekocht 
maar tegelijkertijd zijn persoonlijkheid 
maatschappelijk uit deze blanke 
wereld verdonkeremaand. 

En dat deze constructie, waarin 
zelfs de traditioneel altijd wat minder 
aantrekkelijke keerzijden van de 
uitbuiting van de factor arbeid in een 
klassieke vrije economie, zoals slums, 
shanty-towns, sociale ontworteling, 
ziekte, dronkenschap en dergelijke, 
feitelijk buiten bereik van de sensitieve 
zintuigorganen van de blanken 
worden gehouden, althans van een 
groot deel van de blanken, ook nog 
van betrekkelijk recent uit Nederland 
afkomstige, dan tot volle tevredenheid 
werkt, ja, dat raad je de koekoek! Dat 
dit, zoals sommigen, met name juist 
uit de eerstgenoemde groep beweren, 
zou bewijzen dat het in Zuid-Afrika 
alles botertje tot de boom is, is dan 
ook pure kletskoek. 
Vandaar onze overtuiging dat die 
blanken binnen Zuid-Afrika, ook van 
Nederlandse stam, ook nog houders 
van een Nederlands paspoort, die 
denken dat het allemaal zo'n vaart 
nog niet loopt, dat het bij de bericht-
geving over onlusten in zwarte 
townships in grote mate om door 
internationale media opgeklopt 
schuim gaat, in feite in een levens-
groot fools-paradise verkeren dat 
hun, als zij niet snel wakker worden 
zelfs nog wel eens de kop kan 
kosten. 
Buiten Zuid-Afrika is er geen hond 
meer die nog één cent geeft voor de 
toekomst van het apartheidsbeleid. 
Wie de kans krijgt, gaat eerder tot 
desinvestering dan nog tot nieuwe 
investering in Zuid-Afrika over. De tot 
voor kort zo keiharde financiële 
positie van Zuid-Afrika wordt nu met 
kunst- en vliegwerk overeind gehou-
den. Wat je ook kunt zeggen over de 
inhoud van de speech van Botha, uit 
het feit van de voorbereiding, met 
name de reis van minister Botha, en 
de publiciteit om die speech, met 
inbegrip van de overigens ten 
onrechte gewekte verwachtingen, 
blijkt maar al te duidelijk hoezeer hij, 
president Botha, er ook van overtuigd 
was, in de richting van de buitenwe-
reld, iets te moeten doen. 
Dat hij dat meende te moeten  doen op de manier van: eerst terug in 
je hok, en dan zal ik nog wel eens 
zien of ik nog wat voor je heb, dat 
bewijst overigens tevens dat het 
blanke bewind zichzelf nog allerminst 
aan het einde van zijn latijn voelt en 
de toenemende confrontatie met de 
zwarte meerderheid vooralsnog niet 
uit de weg meent te hoeven gaan en 
daarbij meent sterke troeven in 
handen te hebben. 
Voor zover het daarbij gaat om 
gewapende troeven, is dat voorlopig 
ook zo. Zelfs nog onder aanzienlijk 
ongunstiger economische omstandig-
heden, bij voorbeeld als gevolg van 
eventuele internationale sancties, zou 
het nog zeer lang kunnen duren voor 
het blanke bewind eventueel feitelijk 
gedwongen zou kunnen worden om 
het hoofd in de schoot te leggen. 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
29 Daar staat tegenover dat er geen 
schijn van twijfel bestaat over wat de 
einduitslag zou zijn van een eventuele 
gewapende confrontatie van de paar 
miljoen blanke Zuidafrikanen 
enerzijds, en het vijf keer zo grote 
aantal zwarten binnen Zuid-Afrika dat 
ad libitum kan worden aangevuld met 
zwarten uit de omliggende landen, ja 
zelfs heel zwart Afrika, anderzijds. 
Noch kan er een schijn van twijfel 
over bestaan dat, als het echt op 
hard tegen hard zou aankomen, de 
blanken uiteindelijk niet alleen het 
onderspit zullen delven, maar tevens 
dat, als ze niet tijdig eieren voor hun 
geld zouden kiezen, zij in dat geval 
ook feitelijk de zee ingedreven 
zouden worden. Het is precies dat 
vooruitzicht, dat juist de blanken en 
hun regering ertoe zou moeten 
brengen om nu, nu het nog kan 
- niemand weet hoe lang of hoe kort 
dat nog duurt - tenminste het zo lang 
reeds hoogst nodige gesprek met de 
oppositionele kracht in Zuid-Afrika 
aan te gaan. Om dat te kunnen en in 
een wat minder gespannen klimaat 
dan thans het geval is in Zuid-Afrika, 
is het onzes inziens eveneens 
onvermijdelijk, dat er aan beide 
kanten een einde wordt gemaakt aan 
het wederzijdse geweld; dat wil 
zeggen niet alleen van het ANC, zoals 
Botha wil, maar tegelijkertijd van de 
kant van de regering; met name door 
het opheffen van die maatregelen, 
met inbegrip van de uitvoering van 
eventuele vonnissen, die in het 
verleden getroffen zijn om te pogen 
de oppositie het zwijgen op te 
leggen, respectievelijk op de knieën 
te brengen, zoals reeds in diverse 
EG- en EPS-verklaringen van de 
laatste tijd is opgemerkt. 
Het is dan ook moeilijk om te 
ontkomen aan de urgentie van de 
situatie in Zuid-Afrika en van de 
noodzaak om, zo het enigszins kan, 
toch nog een vreedzame oplossing te 
bereiken, zowel met het oog op de 
zwarte bevolkingsgroep, die een 
eventueel gewelddadige emancipatie-
strijd slechts ten koste van zeer grote 
offers in mensenlevens en leed zou 
kunnen winnen, als met het oog op 
de blanken, ook in verband met hun 
laatste kans om ook in de toekomst 
nog in Zuid-Afrika te blijven wonen 
en werken. Op die manier worden zij 
voor een anders onafwendbare 
zondvloed, de zee in, gespaard. 
Het is vanuit deze appreciatie van 
de toestand in Zuid-Afrika en van wat 
er daar bij voorkeur dient te gebeuren 
dat mijn fractie zich door de jaren 
heen indringend met de toestand in 
Zuid-Afrika heeft willen bezighouden. 
Aanvankelijk was daarbij onze hoop 
gevestigd op een dialoog met onder 
andere het blanke bevolkingsdeel van 
Zuid-Afrika. Later, toen het eerste 
geen zichtbare resultaten bleek op te 
leveren, gevolgd door het middel van 
externe druk op de regering van 
Zuid-Afrika. Echter nooit vanuit een 
andere optiek dan van de noodzaak 
om de blanke Zuidafrikanen tot een 
grondige verandering van hun beleid 
en afschaffing van de apartheid te 
overtuigen of eventueel daartoe te 
dwingen. 
De bedoeling, de blanke regering 
van Zuid-Afrika te helpen omver te 
werpen, dan wel niet meer als de 
wettelijke regering van de Zuidafri-
kaanse staat te erkennen, was nooit 
het argument waarom onzes inziens 
door Nederland aan eventuele 
sancties tegen Zuid-Afrika diende te 
worden deelgenomen. Vandaar dat 
wij ook nooit voorstander zijn 
geweest van het verbreken van de 
diplomatieke betrekkingen met 
Zuid-Afrika of van het verminderen 
van het niveau waarop die betrekkin-
gen worden onderhouden. 
Omdat wij een bepaalde dwang 
trachten uit te oefenen op Zuid-Afrika, 
moeten wij onzes inziens tevens als 
het wareala minute klaar zijn om 
met de Zuidafrikaanse regering een 
dialoog te voeren over wat er onzes 
inziens schort aan het apartheidsbe-
leid en langs welke wegen een 
oplossing naderbij zou kunnen 
worden gebracht. 
Daarom lag het voor ons tijdens 
het reces niet voor de hand, ons 
ervoor uit te spreken het Franse 
voorbeeld om de ambassadeur terug 
te halen, te volgen. Een dergelijk 
gebaar zou, tegen de achtergrond 
van mijn betoog, anders dan als een 
tijdelijke maatregel om ongenoegen 
te signaleren, en daar hebben wij er 
tot op heden plenty van aan Zuid-Afrika 
afgegeven, toch vroeg of laat weer 
ongedaan moeten worden gemaakt. 
Het zou dan ook een leeg gebaar 
zijn geweest. Daarom hebben wij op 
dit moment geen behoefte om in te 
gaan op de oproepen van diverse 
zijden om de diplomatieke banden 
met de regering van Zuid-Afrika te 
verbreken en/of het ANC diplomatiek 
te erkennen. 
Contacten met het ANC blijven wat 
ons betreft ook in de toekomst 
gebaseerd op de erkenning van het 
ANC als een relevante politieke 
kracht in Zuid-Afrika, niet als de 
enige. Vandaar ook dat wij geen 
problemen hadden daarentegen in 
het verlengde van de in juni aange-
nomen motie-Aarts over de intensive-
ring binnen de Tien van inspanningen 
in de richting van Zuid-Afrika, zelfs 
uitdrukkelijk hebben toegejuicht, dat 
de missie van het driemanschap 
Poos, Van den Broek en Andreotti 
naar Zuid-Afrika werd ondernomen. 
Wij gingen er daarbij van uit dat de 
missie zowel met de regering, als 
met de representatieve vertegen-
woordigers van de officiële en 
officieuze oppositie overleg zou 
trachten te voeren en er geen twijfel 
over zou laten bestaan wat er in de 
ogen van de EG en EPS in Zuid-Afrika 
zou dienen te gebeuren, te weten 
opheffing van de noodtoestand en 
van andere voor de bestrijding van de 
zwarte, gekleurde en Aziatische 
emancipatiebewegingen in het leven 
geroepen uitzonderingsbepalingen, 
vrijlating van politieke gevangenen, 
waaronder Nelson Mandela en 
zonder voorwaarden van eenzijdig 
afzien van geweld, beëindiging van 
gedwongen verplaatsingen en van 
het thuislandenbeleid en het tot 
stand komen van een dialoog met 
alle representatieve leiders van de 
verschillende politieke en etnische 
groeperingen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="86" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 De heer Aarts 
was in juni woordvoerder van het 
CDA. Hij heeft een artikel geschreven 
in het dagblad Trouw, onder de kop 
'tegen regime Zuid-Afrika is zwaar 
geschut nodig'. Hij zei daarin dat de 
boodschap die de missie daar uit 
moest dragen, ten minste het 
volgende element zou moeten 
bevatten. 
Duidelijk zou moeten worden 
gemaakt dat aan Europese strafmaat-
regelen niet kan worden ontkomen 
als geen perspectief op tegemoetko-
ming aan de punten die de heer De 
Boer zojuist heeft genoemd wordt 
geboden. Hoe vindt de heer De Boer 
het dat juist dat punt door de 
EG-delegatie in Zuid-Afrika niet naar 
voren is gebracht?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="87" partij="CDA" naam=" De Boer">
 Het is uw 
goed recht om te interrumperen;u
was echter één zin te vroeg. 
Ik ga door in mijn tekst. Mocht de 
Zuidafrikaanse regering tijdens de 
ontmoetingen met de EG/EPS-missie 
voor dit alles niet in blijken te zijn, 
dan zou de missie, zoals wij al 
hebben aangegeven, bij voorkeur 
gemachtigd hebben dienen te zijn 
om tijdens het verblijf in Zuid-Afrika 
te rammelen met de stok van 
eventuele gezamenlijke Europese 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
30 strafmaatregelen tegen Zuidafrika 
achter de deur. Dit slaat dan onder 
andere op het artikel van de heer 
Aarts. Het slaat ook op een uitspraak 
van de CDA-partijorganen. Het slaat 
ook op een uitspraak van de minister-
president. Dat zijn toch een aantal 
met gezag bekleden in onze kring. Ik 
zeg het in wat andere woorden dan  waaruom vraagt: men zou daar 
eventueel een pakket sancties 
tegen het licht hebben moeten 
houden. Als men dit niet deed, zou 
dat gebeuren. Uit mijn bewoordingen 
heeftukunnen afleiden dat ik heb 
geconstateerd dat het niet zo heeft 
mogen zijn.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="88" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Dat had ik zojuist 
ook geconstateerd. Dat is echter niet 
gebeurd. Het was een heel belangrijke 
voorwaarde, behorend bij het 
minimumpakket. Vindtuhet dan toch 
goed dat, ondanks het ontbreken van 
dat hele belangrijke stuk - ik zou  bijna zeggen: sluitstuk - die missie is 
gegaan?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="89" partij="CDA" naam="De Boer">
 Het 
antwoord op die vraag is bevestigend. 
In dit geval zeg ik dat het misschien 
in zekere zin ook een wijsheid 
achteraf is. Ik zal mijn betoog weer 
vervolgen. Wij concluderen, ook al is 
er niet mee gerammeld, dat het een 
feit is dat strafmaatregelen zijn 
getroffen. Vindtuhet goed als ik nu 
doorga?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="90" partij="CDA" naam=" Scholten: Altijd. De heer De Boer">
 Het heeft 
niet zo mogen zijn. Ik spreek regel-
matig over 'de Tien'. Ik wil er nu één 
keer bij zeggen dat dit ook is namens 
Spanje en Portugal, die op dit 
moment nog niet formeel lid zijn, 
maar die wel als toehoorders en in 
dit geval waarschijnlijk als actieve 
toehoorders steun hebben gegeven 
aan het beleid. Gemakshalve zultu
mij echter een aantal malen horen 
spreken over 'de Tien'. 
De instructie die de missie van de 
Tien meekreeg, bevatte geen 
concrete dreigementen, maar sloot 
de mogelijkheid dat daartoe achteraf 
besloten zou worden, evenmin uit. 
Naar achteraf bleek, was dit open 
einde een wijs besluit. Het eerste dat 
de Tien na terugkomst en verslag van 
de trojka deden, was juist het treffen 
van strafmaatregelen. 
De politieke betekenis van deze 
stap, in combinatie met de ook door 
de Verenigde Staten afgekondigde 
strafmaatregelen tegen Zuid-Afrika, 
is enorm. Daaraan doet het feit dat 
Groot-Brittannië tot op heden nog 
niet heeft beslist of en eventueel op 
welke punten het aan de concrete 
strafmaatregelen zal meedoen, niets 
af. Van grotere betekenis is het 
Britse al of niet meedoen uiteraard 
voor de effectiviteit van het door de 
Tien overeengekomen pakket 
maatregelen, enerzijds omdat het 
van belang is dat zoveel mogelijk van 
deze maatregelen ook feitelijk langs 
communautaire weg worden inge-
voerd en uitgevoerd. Een eventueel 
niet-meedoen van het Verenigd 
Koninkrijk zou op bepaalde terreinen 
een communautaire behandeling 
wellicht in de weg kunnen staan. 
Anderzijds is het van betekenis 
omdat op tal van terreinen het 
Verenigd Koninkrijk een van de 
grootste handelspartners van 
Zuid-Afrika is. 
Tijdens het mondeling onderhoud 
heb ik reeds namens mijn fractie 
gevraagd naar de nadere inhoud van 
een aantal maatregelen. Ik heb ook 
gevraagd om van een eventuele 
verdere invulling daarvan in de 
toekomst op de hoogte te worden 
gehouden. Ik dank de minister voor 
de voorlopige schriftelijke beantwoor-
ding die wij van hem mochten 
ontvangen. Op dit momen wil ik 
slechts opmerken dat, mede gezien 
de hier en daar reeds vooruitlopend 
op de verdere uitwerking door de 
commissie gegeven uitleg, het 
pakket voor een land als Nederland 
toch mogelijk weinig meer bevat dan 
waartoe wij ons nationaal reeds 
hadden gecommiteerd. Wie weet, 
valt het echter nog mee. Wij wachten 
daarom eerst de verdere uitwerking 
in Europees verband af. 
Desalniettemin ontkom ik er niet 
aan om bij één concreet punt stil te 
staan. Dat is nameliik het ontbreken 
van enigerlei maatregel in de 
financiële sfeer. Naast de Amerikaan-
se maatregel tegen de Rand en in 
vergelijking met de door Frankrijk 
eerder afgekondigde eenzijdige stop 
op nieuwe investeringen in Zuid-Afri-
ka, steekt het ontbreken van enigerlei 
maatregel in deze sfeer in het 
Europese pakket inderdaad wel wat 
erg schril af. 
Dit is te meer zo, omdat juist 
maatregelen in deze sfeer gemakkelijk 
getroffen hadden kunnen worden 
gezien mijn eerder gemaakte 
opmerkingen over het razendsnel 
verbleken van de glans van Zuid-Afrika 
als een land waarin profijtelijk kan 
worden geïnvesteerd. 
Ondanks deze kritiek en deze 
vooralsnog onvervulde wensen, is 
ons eindoordeel over de Europese 
missie en de daaropvolgende 
Europese besluitvorming voorlopig 
positief. Wij vinden dat ons land op 
deze ingeslagen weg moet doorgaan, 
omdat deze weg de meeste kans 
biedt om in de richting van Zuid-Afrika 
op politiek en economisch gebied 
effectief te zijn. Aldus kunnen wij op 
de snelste manier de door ons zo 
noodzakelijk geachte afschaffing van 
de apartheid en alles wat daarmee 
samenhangt in Zuid-Afrika bewerk-
stelligen. 
Wij bevinden ons in een bijzonder 
kwetsbare positie, thans als hand- en 
spandienstenverlener aan het 
Luxemburgse voorzitterschap en 
binnenkort, in de eerste helft van 
1986, wanneer wij zelf het voorzitter-
schap bekleden. 
Gezien deze feiten komt het ons 
voor, dat wij ons in die periode 
zoveel mogelijk dienen te onthouden 
van alles wat ertoe kan leiden dat 
één der andere leden van de Europese 
Gemeenschap in ons gedrag, 
doordat ons land eventueel ten 
opzichte van andere landen vooruit 
zou lopen, een alibi zou kunnen 
vinden om af te wijken van het in 
Europees verband overeengekomene, 
en daarom bij voorbeeld achter te 
gaan lopen. Daarom is onzes inziens 
een Nederlandse 'Alleingang', zolang 
althans de mogelijkheden van de 
gezamenlijke Europese benadering 
niet tot op het bot zijn uitgebeend, 
uit den boze. 
Dit houdt tevens in dat indien na 
afloop van de periode dat Nederland 
het voorzitterschap bekleedt, of zelfs 
tijdens die periode, zonneklaar zou 
blijken dat in het gezelschap van de 
10 plus 2 EG-landen op dit punt niets 
wezenlijks kan worden bereikt, in het 
kader van het beleid om strafmaatre 
gelen na te streven met een relevant 
aantal landen, mogelijkheden om bij 
voorbeeld in een kleiner gezelschap 
verder te komen, nader aan de orde 
moeten komen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="91" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Begrijp ik 
het goed dat de heer De Boer bereid 
zou zijn om te bevorderen dat de 
Kamer de uitspraak doet dat Neder-
land stappen moet nemen met al die 
landen die dit ook willen, als binnen 
een te omschrijven termijn niet tot 
verdergaande maatregelen wordt 
besloten? Hij noemt de periode 
tijdens het voorzitterschap, maar 
heeft het verder open gelaten. Is dat 
de opstelling waarvoor de heer De 
Boer nu kiest?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="92" partij="CDA" naam=" De Boer">
 Deze 
opstelling behoeft voorugeen 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
31 geheim te zijn. De heer Scholten en 
ik hebben de uitspraken van de heer 
Aarts in Trouw genoemd. Deze 
uitspraken gingen ook die richting 
uit.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="93" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Het is de 
eerste keer dat namens de fractie 
van het CDA in deze Kamer wordt 
meegedeeld dat zij weliswaar de druk 
vanuit Europa van groot belang acht 
en dat hiermee moet worden 
doorgegaan, maar dat Nederland tot 
verdergaande stappen moet komen 
met de landen die dit willen, als deze 
druk gedurende de periode van het 
Nederlandse voorzitterschap niet tot 
maatregelen leidt. Ik maak hieruit op 
dat het CDA dit als standpunt van de 
Kamer vastgelegd wil zien.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="94" partij="CDA" naam="De Boer">
 Ik heb dit 
gezegd, ja.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="95" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 De minister van 
Buitenlandse Zaken heeft in het 
debat van juni jongstleden gezegd 
dat Nederland ertoe bereid is, met 
een relevant aantal westerse landen 
stappen te doen. Dit is niet identiek 
aan de Europese Gemeenschap. In 
het debat is gebleken dat het minder 
is dan de Europese Gemeenschap. 
Komt de uitspraak van de fractie van 
het CDA erop neer dat zij de minister 
van Buitenlandse Zaken nu terugfluit 
en dat tot 1 juni van het volgende 
jaar exclusief met de EG moet 
worden samengewerkt?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="96" partij="CDA" naam="De Boer">
 Dat debat 
is interessant geëindigd, zoals de 
meeste debatten in deze Kamer. Het 
moet mij van het hart dat er behalve 
de motie-Aarts over de Europese 
gang van zaken, die ik nu enkele 
malen heb aangeroepen, andere 
moties-Aarts zijn ingediend. Beide 
andere moties van de heer Aarts 
hebben in deze Kamer geen meerder-
heid gekregen. Een ervan had op dit 
moment al effect gehad, als zij was 
aangenomen. 
Dat was namelijk een motie die 
uitsprak, dat wij wat zouden doen als 
Amerika ook wat deed! Als die motie 
toen was aangenomen, zaten wij nu 
in dezelfde schuit als Amerika! Ik 
constateer dat maar even! Tevens 
wijs ik erop, dat het misschien een 
probleem zou vormen voor de 
gedragslijn die wij mijns inziens nu 
moeten volgen, namelijk om coüte 
que coüte ervoor te zorgen dat 
niemand in de Gemeenschap aan ons 
optreden een alibi ontleent om weer 
uit de trein te stappen. Wij moeten 
dus uitkijken als wij voorop proberen 
te lopen; er zouden wel eens anderen 
dan denken achteruit te kunnen 
lopen! Het gemeenschappelijke 
optreden van de Tien is je wat waard 
of het is je niets waard!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="97" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Ik kan mij verplaatsen in 
de emotie van de heer De Boer, 
omdat ik ook wel eens heb geprobeerd 
om zo onder moeilijke vragen uit te 
komen. Mijn vraag luidde echter 
anders.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="98" partij="CDA" naam="De Boer">
 Ik probeer 
helemaal niet om eronder uit te 
komen! Ik geefueen antwoord op 
uw vraag!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="99" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Vanzelf! Mijn 
vraag luidde echter anders. Alsuhet 
niet tegenspreekt, trek ik zelf de  conclusie: de ministervan Buitenland-
se Zaken was in het debat in juni nog 
bereid om met een relevant aantal 
westerse landen tot zaken te komen, 
terwijlunu zegt dat daarvan tot 1 juli 
1986 geen sprake is. 
Wat betreft de motie over Amerika 
wil ik opmerken, dat het debat ging 
over de vraag wat Nederland zou 
moeten doen en niet over dit soort 
zaken. U dient die motie vandaag 
weer in. Ik strijd hier jaar in jaar uit 
voor standpunten die ik echter niet 
altijd gerealiseerd kan krijgen. Ik 
steun vandaag uw motie!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="100" partij="CDA" naam="De Boer">
 Daarop 
krijgtudadelijk antwoord, maar ik wil 
er nadrukkelijk op wijzen dat de 
ontwikkelingen in Zuid-Afrika - en 
daar begint het natuurlijk mee - niet 
hebben stil gestaan. Zij zijn in een 
stroomversnelling geraakt die ook 
niemand in dit huis tijdens het debat 
in juni heeft voorzien. Tegelijkertijd 
constateer ik met vreugde, dat een 
van onze uitspraken is geweest 
waardoor de stroomversnelling in 
Zuid-Afrika ook tot een stroomver-
snelling in Europa heeft geleid. 
Het was namelijk niet de eerste 
keer, dat wij geprobeerd hebben om 
de Nederlandse regering de Europea-
nen te laten meekrijgen; het was 
voor de zoveelste keer een hameren 
op hetzelfde aambeeld. Er is nu een 
nieuwe situatie ontstaan en daarom 
hechten wij eraan om van die 
stroomversnelling gebruik te maken 
en om de volle kracht van die stroom 
in de richting van Zuid-Afrika te 
keren om daarmee in Zuid-Afrika als 
het ware het momentum aan de gang 
te houden en de beweging een 
maximum aan kansen te geven!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="101" partij="CPN" naam=" Ernsting">
 Voorzitter! 
De heer De Boer zegt dat wij coüte 
que coüte moeten voorkomen dat wij 
anderen een alibi verschaffen om uit 
de trein te stappen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="102" partij="CDA" naam=" De Boer">
 Ik heb dit 
gezegd, gezien de bijna presidence-
situatie waarin wij op dit moment 
verkeren.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="103" partij="CPN" naam=" Ernsting">
 Dat is mij 
duidelijk. Dit betekent dat de heer De 
Boer de afspraken in EPS-verband 
minus Engeland, niet alleen als een 
minimum beschouwt waartoe de 
partners elkaar verplichten - de 
verschillende partners kunnen hierop 
natuurlijk voortbouwen - maar 
tegelijkertijd als een maximum. De 
heer De Boer is erg bang dat als een 
land boven het niveau van de 
afspraken uitstijgt, een ander land 
aan de onderkant zal afhanken. 
Welke logica hieraan ten grondslag 
ligt, weet ik eerlijk gezegd niet.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="104" partij="CDA" naam=" De Boer">
 Het is het 
betoog van de heer Ernsting dat de  keuze is: of Engeland erbij en dan 
geen maatregelen nemen of de 
maatregelen aanscherpen en 
vaststellen dat Engeland nooit meer 
mee zal doen. Voor mij staat dit niet 
vast. Voor ons zijn beide essentieel. 
Naar ons oordeel moet op beide 
fronten gewerkt worden. Engeland 
zal dus ook moeten meedoen. De 
positie van &lt;&lt;je Engelse regering 
wordt trouwens erg interessant. Ik 
meen dat er in november een 
gemenebestconferentie is. Het is 
evident dat Engeland in het Gemene-
best alleen staat wat zijn houding 
tegenover Zuid-Afrika betreft. Als het 
op die conferentie niet zoals in het 
verleden het argument kan gebruiken 
dat het lid is van een Europese 
gemeenschap die echter geen 
maatregelen wil nemen, dan kan dat 
een naar moment voor Engeland 
worden.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="105" partij="CPN" naam=" Ernsting">
 Met alle 
respect, maar ik heb geen betoog 
over de Engelse positie gehouden. Ik 
heb anders dan de heer De Boer 
geen enkele verwachting ten aanzien 
van de opstelling van Engeland in de 
toekomst.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="106" partij="CDA" naam=" De Boer">
 De heer 
Ernsting had destijds ook geen 
verwachtingen ten aanzien van de 
opstelling van Europa.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="107" partij="CPN" naam=" Ernsting">
 Ik spreek 
nu over iets anders. Op grond van 
welke redenering zou een ander 
Europees land ertoe kunnen besluiten, 
uit de trein te stappen op het 
moment dat Nederland meer doet? 
Welke logica is daarin te ontdekken? 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
32 

</spreker>
<spreker pagina="" anker="108" partij="CDA" naam=" De Boer">
 De volgende 
logica. Iedereen is aangesproken.  Gezegd werd: iedereen moet 
meedoen, wij zijn nu samen. Men kan  dan gaan zeggen: wij zijn helemaal 
niet samen, want ze springen aan alle 
kanten als kikkers weer van de trein. 
Op deze manier kan een alibi worden 
gegeven aan bepaalde landen die 
rnet de maatregelen tegen Zuid-Afrika 
helemaal niet zo gelukkig zijn. Ik kan 
ze met mijn neus aanwijzen. 
De heer Ernsting zal ook op de 
hoogte zijn van de discussie die met 
name in Duitsland is ontstaan na de 
besluitvorming in Luxemburg. Kort 
en goed, onze opvatting is dat nu 
moet worden vastgehouden aan die 
Europese lijn. Via dat kanaal, via dat 
spoor, moeten wij trachten een 
maximum aan gezamenlijke druk in 
de richting van Zuid-Afrika te 
bewerkstelligen. Wij zijn van mening 
dat Engeland erbij moet worden 
betrokken èn dat de maatregelen 
moeten worden aangescherpt.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="109" partij="CPN" naam=" Ernsting">
 En dat 
verandert vervolgens opeens op het 
moment dat Nederland het voorzitter-
schap heeft?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="110" partij="CDA" naam=" De Boer">
 Dat heb ik 
reeds gezegd.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="111" partij="CPN" naam=" Ernsting">
 Maar de 
heer De Boer heeft niet duidelijk 
gemaakt waarom er ineens een 
andere positie is.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="112" partij="CDA" naam=" De Boer">
 Je bent 
locomotief of je bent geen locomotief! 
Ik begrijp niet dat de heer Ernsting 
moeite heeft met het feit dat de 
voorzitter van een club in een andere 
positie zit dan de anonieme, willekeu-
rige individuele leden.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="113" partij="CPN" naam=" Ernsting">
 Ik probeer 
erop te wijzen dat de redenering van 
de heer De Boer ten aanzien van de 
periode tot het Nederlandse voorzit-
terschap een geheel andere is dan de 
redenering ten aanzien van het 
moment waarop Nederland het 
voorzitterschap op zich neemt.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="114" partij="CDA" naam=" De Boer">
 Mijnheer 
Ernsting, ik zou bijna gemene 
opmerkingen gaan maken. Misschien 
heeft het gebrek aan voorzitterschap 
in uw partij ook wel eens moeilijkhe-
den gegeven.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="115" partij="CPN" naam=" Ernsting">
 Ik begrijp 
niet waaropudoelt. Dat slaat 
volstrekt nergens op. U heeft zitten 
bedenken, wat nu een redelijke 
termijn is om nog verder te gaan. U 
bent daarbij op negen maanden 
gekomen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="116" partij="CDA" naam=" De Boer">
 Wij 
proberen heel gestructureerd te 
denken en te werk te gaan.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="117" partij="D'66" naam=" Engwirda">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Ik wil de heer De Boer 
in dit verband ook een vraag stellen. 
Hij zei zojuist dat, als bepaalde 
lidstaten van de EG verder gaan, dit 
een excuus geeft aan andere landen 
om niet mee te doen. Frankrijk en 
Denemarken gaan al verder, bij 
voorbeeld door een investeringsstop. 
De redenering van de heer De Boer 
gaat dus niet op! Hoe verklaart hij 
dat?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="118" partij="CDA" naam=" De Boer">
 Ik denk dat 
de heer Engwirda mijn opmerking 
over de présidence heeft gemist. 
Frankrijk heeft niet de présidence. 
Luxemburg heeft de présidence. Er 
zijn over de wereld nagenoeg geen 
Luxemburgse ambassades. In de 
meeste landen worden de taken en 
functies van de Luxemburgse 
ambassade vervuld door de Neder-
landse ambassade. Nederland 
verleent hand- en spandiensten - zo 
staat het in de tekst - bij de Luxem-
burgse présidence. 
Mijnheer de Voorzitter! Voor dit 
moment houden wij het hier dus op. 
Wij juichen het toe dat de regering 
op een goede manier bezig is met de 
uitvoering van de motie-Aarts 
(17 895, nr. 23). Dat beleid verdient 
onze steun, omdat deze weg duidelijke 
perspectieven lijkt te bieden nu de 
EG definitief ertoe besloten heeft zich 
het lot van Zuid-Afrika en de afschaf-
fing van de apartheid in dat land aan 
te trekken. Naar wij hopen, wordt dit 
ook door middel van inhoudelijke 
maatregelen aan de regering van 
Zuid-Afrika gedemonstreerd. 
Aan een herhaling op dit moment 
van onze in juni niet aangenomen 
motie ter zake van het volgen van de 
Verenigde Staten hebben wij geen 
behoefte. Ook hebben wij geen 
behoefte aan de toen door collega 
Aarts ingediende motie met betrek-
king tot de wettelijke regelingen van 
eventuele investeringsmaatregelen, 
gekoppeld aan niet-nakoming van de 
Europese gedragscode. Wij gaan 
ervan uit dat de minister zonder meer 
met de uitwerking van het in juni 
overeengekomen beleid zal doorgaan 
om dat op de rails te zetten en 
wettelijk in te kaderen. 
Ik sluit mijn betoog af. Wij hopen 
dat de regering tracht de EG - naast 
het laten nemen van de zo noodzake-
lijke maatregelen - te laten doorgaan 
met de begonnen dialoog met alle bij 
het drama van de apartheid betrok-
kenen en, zo nodig, bereid te laten 
zijn om goede diensten te verrichten. 
Op deze manier kan worden getracht 
om de thans nog door een gigantische 
kloof van elkaar gescheiden verschil-
lende potentiële gesprekspartners 
nader tot elkaar te brengen voor een 
nationale dialoog in Zuid-Afrika.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="119" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Ik begrijp dat collega 
De Boer zijn betoog aan het afronden 
is. Ik begrijp ook dat hij nietala 
minute in zijn eerste termijn reageert 
op wat ik in mijn eerste termijn heb 
gezegd. De essentie daarvan wil ik 
hem toch nog voorhouden. 
De heer De Boer klampt zich vast 
aan het feit dat men in Europa nu 
gezamenlijke taken heeft. Hij vreest 
nu dat men te veel apart zal optreden. 
Als dat gebeurt, loopt volgens hem 
het element van de gezamenlijkheid 
een te groot risico. 
Ik heb in mijn bijdrage gezegd, dat 
het belangrijk is dat wij sommige 
dingen samen doen. Zonder die 
gezamenlijkheid te schaden, kun je in 
de richting die men uit wil, tot 
initiatieven komen. In mijn tweede 
termijn kom ik, na de minister 
gehoord te hebben, bij het doen van 
concrete voorstellen zeker terug op 
de opmerkingen van de heer De Boer 
terug. 
Is de heer De Boer het met mij 
eens dat er op het terrein van de 
afspraken die in Luxemburg zijn 
gemaakt initiatieven denkbaar zijn die 
de gezamenlijke afspraken niet 
schaden en die wel aangeven, dat 
Nederland verder wil gaan? In 
essentie gaat het om die vraag. Dat 
Nederland verder wil gaan, zou de 
inzet moeten zijn.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="120" partij="CDA" naam=" De Boer">
 Ik dacht dat 
ik reeds aangegeven had dat wij van 
mening zijn dat Nederland zich in 
ieder geval niet bij het 'kale' gebeuren 
dat nu het resultaat is, moet neerleg-
gen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="121" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Dan wacht 
ik graag uw reactie op mijn concrete 
suggesties in tweede termijn af.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="122" partij="CDA" naam=" De Boer">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Ik wil nog iets zeggen 
over onze mogelijke rol bij die 
nationale dialoog. Gemakkelijk zal die 
rol zeker niet zijn. Maar als die voor 
ons al moeilijk zal zijn, hoeveel te 
meer zal deze dan niet voor de 
betrokkenen zelf zijn. Zij worden door 
de dagelijks aanwassende vloed van 
geweld van beide kanten iedere dag 
een beetje verder uit elkaar gedreven. 
Dit is niet alleen ten nadele van de 
feitelijk verantwoordelijken, maar ook 
ten nadele van de ontelbare potentiële 
onschuldige slachtoffers aan beide 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
33 

	

zijden die, nadat er al vele slachtoffers 
zijn gevallen, er ongetwijfeld nog 
zullen vallen indien wij er niet in 
slagen, het geweld te voorkomen. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="123" partij="VVD" naam="Weisglas">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Het is nog geen drie 
maanden geleden dat ik op deze 
plaats, namens de fractie van de 
VVD, naar voren mocht brengen dat 
de VVD het apartheidsbeleid van de 
regering van Zuid-Afrika verafschuwt 
en veroordeelt. Ik hecht eraan, dit 
aan het begin van dit debat nog eens 
te zeggen en erop te wijzen dat de 
politiek van apartheid, deze ontken-
ning van de fundamentele gelijkwaar-
digheid van alle mensen, volkomen 
haaks staat op de liberale beginselen 
die bepalend zijn voor het denken en 
het doen van de VVD. 
De zorg die wij tijdens het debat 
van afgelopen juni hadden over de 
situatie in Zuid-Afrika is sindsdien 
zeker niet minder geworden. Zuid-
Afrika was de afgelopen maanden 
vrijwel dagelijks het hoofdonderwerp 
in de wereldpers en, zoals bekend, 
figureren in de wereldpers positieve 
berichten nimmer op een zo promi-
nente plaats. 
Het afkondigen van de noodtoe-
stand in 3 6 dichtbevolkte districten 
op 21 juli jongstleden, gaf aan hoe 
ernstig de crisis was waarin Zuid-
Afrika was beland. Op dat moment 
waren in de zwarte woongebieden in 
een periode van ruim een jaar al zo'n 
500 doden gevallen. Dat aantal is 
sindsdien met zo'n 200 toegenomen. 
Het optreden van de Zuidafrikaanse 
autoriteiten onder de noodtoestand 
heeft slechts geleid tot meer doden, 
tot meer arrestaties, tot meer rellen 
en tot meer onderdrukking van de 
zwarte bevolking. 
Mijn fractie vindt het dan ook zeer 
terecht, dat de EG-landen al meteen 
op 22 juli een eerste beroep op de 
regering van Zuid-Afrika deden om 
de noodtoestand op te heffen en om 
degenen die onder die toestand 
gevangen genomen waren, vrij te 
laten. 
Een andere belangrijke gebeurtenis 
in de afgelopen maanden was 
uiteraard de toespraak van president 
Botha van 1 5 augustus jongstleden. 
Het is terecht dat de EPS-partners 
het ontbreken in die toespraak van 
de aankondiging van duidelijk 
omschreven maatregelen gericht op 
het beëindigen van de apartheid, 
betreurden en dat zij dit onder meer 
tijdens de missie naar Zuid-Afrika zo 
duidelijk en zo krachtig naar voren 
brachten. 
Vergeleken met de inhoud van de 
toespraak van 15 augustus lijkt de 
reactie van de Zuidafrikaanse 
regering op de kritiek van de EPS-part-
ners - de tekst daarvan hebben wij 
toegezonden gekregen; zij was 
gevoegd bij het verslag van de missie 
van de drie - een geringe stap 
vooruit, al is ook daarbij nog geen 
sprake van duidelijk omschreven, 
concrete stappen tot hervorming die 
volgens een van tevoren aangegeven 
tijdschema zouden worden genomen. 
Daarentegen lijken de meest 
recente aankondigingen van de 
Zuidafrikaanse regering wel enige 
vooruitgang op weg naar concrete 
hervormingen in te houden. Dat geldt 
in de eerste plaats voor het voorstel 
van de Zuidafrikaanse presidentiële 
raad om de pasjeswetten af te 
schaffen. Deze wetten zijn inderdaad, 
in de woorden van die raad, 'verne-
derend voor de menselijke waardig-
heid' en - ik citeer - 'per definitie 
discriminerend, omdat zij alleen voor 
zwarten van toepassing zijn'. 
Het is dan ook zeer opmerkelijk dat 
Helen Suzman, een bekend blank lid 
van de Zuidafrikaanse oppositie en 
lid van de PFP de zusterpartij van de 
VVD in Zuid-Afrika, de aankondiging 
van de opheffing van de pasjeswetten 
'waarschijnlijk de belangrijkste 
vooruitgang in de afgelopen dertig 
jaar heeft genoemd'. 
Een tweede potentieel belangrijke 
ontwikkeling is de recente aankondi-
ging van president Botha dat de ruim 
4 miljoen inwoners van de zogenaam-
de onafhankelijke thuislanden hun 
zuidafrikaanse staatsburgerschap 
zullen terugkrijgen. Mijn fractie deelt 
de mening van de minister van 
Buitenlandse Zaken dat dit een 
positieve inbreuk is op het ook door 
ons als zeer negatief beoordeelde 
thuislandenbeleid, een beleid dat 
inderdaad - ik citeer wederom de 
minister van Buitenlandse Zaken -
zwarte zuidafrikanen tot vreemdelin-
gen in hun eigen land heeft gemaakt, 
maar  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="124" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Ik weet niet of de heer 
Weisglas kennis heeft genomen van 
de uitspraak van minister Heunis, 
minister for constitution, planning 
and development, die gezegd heeft 
dat het feit dat men het zuidafrikaanse 
staatsburgerschap teruggeeft aan 
inwoners van de nationale staten, 
dus de thuislanden, niet betekent dat 
zwarten politieke rechten krijgen in 
dit land. Dit zei hij op 11 september. 
Ik wil slechts vragen of de heer 
Weisglas ervan op de hoogte is dat 
deze vrij algemene aankondiging 
gevolgd is door dit soort geruststel-
lingen aan de blanken in Zuid-Afrika. 
Dit zal echter zeker niet betekenen 
dat de zwarten hun legitieme plaats 
in de samenleving zullen krijgen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="125" partij="VVD" naam="Weisglas">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Toen de heer Wallage 
mij interrumpeerde, had ik reeds het 
woord 'maar' uitgesproken. Ik zal nu 
doorgaan na de komma en hem 
antwoord geven op zijn duidelijke  vraag. Ik herhaal: maar, ook wanneer 
deze zuidafrikanen hun staatsburger-
schap terugkrijgen, blijven zij 
tweederangs burgers zolang zij geen 
stemrecht krijgen. Desondanks zal de 
aankondiging van president Botha 
een fundamentele breuk in het 
apartheidsbeleid kunnen betekenen, 
zeker bezien in samenhang met het 
al eerder genoemde voornemen tot 
afschaffing van de pasjeswetten. 
Datzelfde geldt ook voor de opheffing 
van de huwelijks- en moraliteitswet-
geving en voor het voornemen voor 
het beëindigen van het zeer te 
veroordelen beleid van verwijdering 
van zwarte Afrikanen uit zogenaamde 
witte plekken - het woord alleen al, 
mijnheer de Voorzitter! - , waar zij 
vaak al generaties lang wonen. 
Tijdens het debat van juni j.l. 
bracht ik naar voren dat de fractie 
van de VVD ervan overtuigd is dat 
eenzijdige Nederlandse acties ten 
opzichte van Zuid-Afrika niet effectief 
zullen zijn en dat slechts door een 
gezamenlijk optreden van de EG-lid-
staten een positieve invloed op het 
beleid van de regering van Zuid-Afrika 
verwacht kan worden. Mijn fractie 
kan zich dan ook goed vinden in het 
beleid dat de Nederlandse regering 
de afgelopen maanden heeft gevoerd 
en dat zich heeft toegespitst op een 
gezamenlijk EG-beleid ten opzichte 
van Zuid-Afrika, namelijk van het 
gezamenlijk voor overleg terugroepen 
van alle EG-ambassadeurs in 
Zuid-Afrika via de missie van de drie 
ministers naar een aantal concrete 
maatregelen, zoals overgekomen in 
de EPS-ministersvergadering van 10 
september j.l. 
Dat is een duidelijke lijn in het 
EG-beleid waaraan de fractie van de 
VVD graag haar steun geeft. Ik 
herhaal. De VVD is voorstandster van 
druk op Zuid-Afrika, maar dan wel 
druk die effectief kan zijn. Daarom 
dient Nederland in EG-verband actief 
te blijven opereren. 
Mijnheer de Voorzitter! Het 
eindoordeel van mijn fractie over de 
missie van de drie is positief. 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
34 Natuurlijk zou het beter zijn geweest 
als de EG-missie ook met vertegerv 
woordigers van andere Zuidafrikaanse 
oppositiegroeperingen zou hebben 
gesproken. 
Natuurlijk zou het positiever zijn 
geweest wanneer de Zuidafrikaanse 
regering tegenover de missie 
concretere hervormingsplannen had 
aangekondigd. Natuurlijk zijn er nog 
vele andere punten van kritiek op de 
missie naar voren te brengen. In de 
ogen van mijn fractie is de missie  echter in haar hoofdopzet geslaagd: 
het uiting geven aan de ernstige 
verontrusting van de tien EG-landen 
en Spanje en Portugal over de 
situatie in Zuid-Afrika en het zoveel 
mogelijk verzamelen van relevante 
informatie. 
Voorts is het van groot belang dat 
op basis van de bevindingen van de 
missie op 10 september jl. in 
Luxemburg overeenstemming tussen 
de EG-landen is bereikt over een 
scala van maatregelen jegens 
Zuid-Afrika, al is het uiteraard te 
betreuren dat het Verenigd Koninkrijk 
de beperkende maatregelen eerst 
nog aan een nader onderzoek wil 
onderwerpen. 
De VVD-fractie ondersteunt de 
door de minister in het mondeling 
overleg van 1 2 september jl. naar 
voren gebrachte opvatting, dat het 
niet de taak van Europa is om de 
toekomstige Zuidafrikaanse grondwet 
te schrijven, maar dat de EG-landen 
wel de eis mogen stellen dat die 
grondwet het resultaat is van een 
samenspraak van alle representatieve 
groepen in Zuid-Afrika. Uitgangspunt 
en einddoel is het tot stand brengen 
van gelijke rechten voor alle burgers 
van Zuid-Afrika.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="126" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Begrijp ik 
de heer Weisglas goed, nu hij dit 
uitspreekt zonder daarbij de beperking 
te vermelden die de minister daar in 
de verklaring namens de regering 
aan heeft toegevoegd met betrekking 
tot de ordening van de positie van  minderheden, dat zijn opstelling is: 
een mens, een stem?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="127" partij="VVD" naam="Weisglas">
 Een mens, 
één stem; dat is inderdaad de 
opstelling van de VVD-fractie, want 
dat is een liberale opstelling.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="128" naam="Minister Van den Broek">
 Ik neem 
aan dat de heer Wallage ook refereert 
aan de ook door hem gevraagde 
nadere schriftelijke toelichting die 
door mij aan de Kamer is gezonden 
naar aanleiding van die uitlating, die 
voor het overgrote deel in de 
afgelopen dagen half is geciteerd. 
Het lijkt mij voor de volledigheid 
goed dat de Kamer nu van die 
uitspraak kennis neemt.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="129" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Ik had die 
uitspraak in zijn geheel geciteerd in 
mijn eerste termijn. Ik heb kennis 
genomen van de laatste paragraaf 
van de brief van de regering op dat 
punt, die mij niet tot een andere 
conclusie heeft kunnen brengen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="130" partij="VVD" naam="Weisglas">
 Ik herhaal: 
voor de VVD-fractie is uitgangspunt 
en einddoel het tot stand brengen 
van gelijke rechten voor alle burgers 
van Zuid-Afrika. Ook onderschrijf ik 
de opvatting dat de eerste stap op 
weg naar een dergelijke dialoog van 
de Zuidafrikaanse regering zou 
moeten komen in de vorm van 
vertrouwenwekkende maatregelen, 
zoals het opheffen van de noodtoe-
stand en het vrijlaten van politieke 
gevangenen. 
Ten slotte deel ik de mening van de 
minister van Buitenlandse Zaken, dat 
van een toekomstig Zuid-Afrika 
zonder apartheid verwacht mag 
worden dat ook de rechten van 
minderheden worden gerespecteerd. 
De recente ontwikkelingen in 
Zimbabwe hebben nog eens aange-
toond hoe belangrijk dat ook is. 
Zoals bekend, staat de VVD-fractie 
in het algemeen aarzelend ten 
opzichte van het toepassen van 
economische sancties als middel om 
bepaalde politieke doelstellingen te 
bereiken. De geschiedenis van de 
economische sancties heeft ons 
geleerd dat deze vrijwel nooit het 
beoogde politieke doel hebben 
verwezenlijkt. Voorts zouden in het 
geval van sancties jegens Zuid-Afrika 
juist de arme zwarte bevolking in 
Zuid-Afrika en de buurlanden van 
Zuid-Afrika worden benadeeld. 
Desalniettemin steunt de VVD-fractie 
de beperkende maatregelen ten 
opzichte van Zuid-Afrika die op 10 
september jl. door de EG-landen in 
Luxemburg zijn overeengekomen. 
Wij steunen deze maatregelen, 
omdat zij niet zozeer neerkomen op 
algemene economische sancties ten 
opzichte van Zuid-Afrika, maar 
veeleer een beëindiging zijn van 
activiteiten die een rechtstreekse 
ondersteuning van het apartheidsbe-
leid zijn of zouden kunnen zijn. Dat 
geldt overigens nog het minst voor 
het stopzetten van de olieuitvoer 
naar Zuid-Afrika. Ik vraag mij 
overigens af - ik richt mij met die 
vraag tot de minister - of het 
stopzetten van olieuitvoer door de EG 
mogelijk is zonder participatie van 
het Verenigd Koninkrijk, omdat de EG 
immers als geheel maatregelen in de 
handelspolitieke sfeer moet nemen 
volgens het EG-verdrag. 
Ten aanzien van de positieve 
maatregelen die op 10 september in 
Luxemburg zijn overeengekomen, 
maatregelen die ook door mijn fractie 
worden gesteund, vraag ik de 
minister nader in te gaan op de 
afspraken die zullen worden gemaakt 
over de versterking van de EG-code 
voor investeringen in Zuid-Afrika. 
Zoals bekend, onder meer uit het 
debat van juni jongstleden, is de 
VVD-fractie voorstandster van 
inhoudelijke versterking en verscher-
ping van deze code in EG-verband. 
Graag zou ik nadere informatie 
krijgen over het programma gericht 
op het vergroten van de bewustwor-
ding bij de in Zuid-Afrika wonende 
onderdanen van de EG-landen. Moet 
ik me daarbij een soort Zuidafrikaanse 
NCO voorstellen? 
Heeft overigens overleg plaatsge-
vonden tussen de regeringen van de 
EG-landen en de regering van de 
Verenigde Staten over de ten aanzien 
van Zuid-Afrika te nemen maatrege-
len? Zo nee, dan zou ik in de toekomst 
bij de verdere uitwerking van het 
EG-beleid ten aanzien van Zuid-Afrika 
dergelijk overleg en een maximale 
harmonisatie tussen het beleid van 
de VS en het beleid van de EG willen 
bepleiten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="131" partij="D'66" naam=" Engwirda">
 Wij 
hebben het eerder gehad over de 
motie-Aarts ingediend tijdens het 
debat van juni. Ik geloof dat de 
fractie van de heer Weisglas daarte-
gen heeft gestemd. In die motie werd 
harmonisatie van het Nederlandse 
beleid met Amerikaanse maatregelen 
bepleit. Is de heer Weisglas, na de 
bekendmaking van de nogal magere 
Amerikaanse maatregelen, nu 
plotseling wel voorstander van 
harmonisatie?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="132" partij="VVD" naam="Weisglas">
 Wij 
hebben inderdaad gestemd tegen de 
motie-Aarts, overigens net als de 
fractie van de Partij van de Arbeid. In 
die motie werd echter gepleit voor 
het blind volgen door Nederland van 
iedere actie van de Verenigde Staten 
op het gebied van investeringen. 
De VVD-fractie heeft de gewoonte 
om na te denken over zaken en is 
daarom altijd tegenstandster van 
moties die pleiten voor het blind 
volgen van wie dan ook. Dat was de 
reden waarom wij tegen de motie-
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
35 Aarts hebben gestemd. Nu pleit ik  voor iets heel anders: een zo groot 
mogelijke coördinatie en een zo 
nauw mogelijk overleg tussen de 
regering van de Verenigde Staten en 
de regeringen van alle EG-landen, 
niet alleen die van Nederland zoals in 
de motie-Aarts, om tot een gezamen-
lijk beleid ten aanzien van Zuid-Afrika 
te komen. 
Voorzitter! De VVD-fractie is 
positief over het feit dat zich de 
afgelopen maanden als reactie op de 
uiterst zorgwekkende situatie in 
Zuid-Afrika een duidelijk gezamenlijk 
beleid van de EG-landen en Spanje 
en Portugal heeft ontwikkeld. Wij 
moedigen de Nederlandse regering 
aan op deze weg voort te gaan, 
vooral ook onder het Nederlandse 
EG-voorzitterschap vanaf 1 januari 
aanstaande. 
In tegenstelling tot niet-effectieve, 
eenzijdige Nederlandse actie, kan 
een gezamenlijk EG-beleid ten 
opzichte van Zuid-Afrika wèl een 
bijdrage leveren aan de verwezenlij-
king van het doel waarop het 
Zuid-Afrika-beleid gericht dient te  zijn: het beëindigen van het verfoei-
lijke apartheidsbeleid en het berei-
ken van een positie van gelijke 
waarde voor alle inwoners van 
Zuid-Afrika. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="133" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Voorzitter! Het 
zwart verzet in Zuid-Afrika is sterker 
dan het ooit geweest is. Wij kunnen 
dat dagelijks via de publiciteitsmedia 
zien. Demonstraties, aanslagen en 
boycotten van winkels en scholen 
maken duidelijk dat in de zwarte 
Zuidafrikaanse bevolking een geest is 
gerezen van 'wij nemen het niet 
meer'. 
Het is mij een raadsel hoe de 
Europese trojka en in het bijzonder 
deze ministervan Buitenlandse 
Zaken, waarmee wij uiteraard een 
bijzondere relatie hebben, zo 
optimistich konden zijn na de 
ontmoeting met president Botha, als 
ik daarnaast de reactie van de 
Zuidafrikaanse kerkleiders leg, die 
met dezelfde president hebben 
gesproken. 
Heeft de aartbisschop van Durban 
niet na het gesprek met president 
Botha verklaard, dat er vrijwel geen 
gemeenschappelijke grond tussen de 
staatspresident en de kerkelijke 
leiders van Zuid-Afrika meer bestaat? 
Als dit onze minister van Buitenlandse 
Zaken weinig zegt, dan wil ik hem 
voorhouden dat de Zuidafrikaanse  zakenwereld heeft gezegd: er is hier 
in dit land geen perspectief, tenzij de 
regering met fundamentele wijzigin-
gen komt.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="134" naam="Minister Van den Broek">
 Dat 
zeggen wij toch ook?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="135" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Voorzitter! Hoe 
kan het nu - dat is het punt - dat 
deze ministervan Buitenlandse 
Zaken zich, Botha gehoord hebbend, 
zo optimistisch uitlaat als hij heeft 
gedaan, terwijl die andere mensen, 
dezelfde Botha gehoord hebbend,  zeggen: zo kan het beslist niet? Hoe 
kan dat? Ik denk dat dit alleen maar 
kan, doordat deze minister en de 
Europese trojka zich uiteindelijk 
hebben laten verstrikken in het 
propagandagepraat van de ZuidafrU 
kaanse autoriteiten. 
Ik nodig de minister uit om een 
artikel in de NRC van een Zuidafrikaan-
se correspondent, Sparks, te lezen 
van een dag of tien terug. Hij vertelt 
dat de Zuidafrikaanse regering onder 
het steeds opnieuw gebruiken van 
nieuwe termen dezelfde politiek in 
zijn fundamenten handhaaft. 
Het zwarte verzet in Zuid-Afrika 
heeft aangetoond, dat een belangrijke 
doelstelling van de politiek van de 
regerende Nationale Partij bezig is te 
mislukken. Die doelstelling was om 
met handhaving van de apartheidspo-
litiek een stabiele zwarte klasse van 
werkers in het leven te roepen, die 
speciale voorrechten zou worden 
gegeven. Op die manier zouden zij 
zich schikken in het apartheidsstra-
mien, maar dat zou dan wel ten koste 
gaan van de miljoenen die naar de 
thuislanden zouden worden gedepor-
teerd. Dat concept is in het bijzonder 
opgekomen na het verzet in Soweto 
van 1976 en is krachtig gesteund 
door de Zuidafrikaanse zakenwereld. 
Commissies zijn daarvoor in het 
leven geroepen. 
In dat concept passen ook de 
investeringen in Zuid-Afrika, want wie 
daaraan meedoet, maakt de realise-
ring van dat concept mede mogelijk. 
Daarom is het ook niet voor niets dat 
de Zuidafrikaanse Raad van Kerken 
de dag na ons laatste kamerdebat  heeft gezegd: trek die investeringen 
uit Zuid-Afrika terug; investeer daar 
niet meer, want op die manier houdt 
u patronen van bevoorrechting in 
stand. 
Ik wil de minister van Buitenlandse 
Zaken nog eens een vraag voorleggen. 
Nederland steunt jaar in jaar uit een 
resolutie in de algemene vergadering 
van de Verenigde Naties, dat 
investeringen in Zuid-Afrika de 
onderdrukkers bemoedigen. Als je 
dat steunt, hoe kun je dan in vredes-
naam nog doorgaan met het doen 
van investeringen in dat land c.q. het 
niet aan banden leggen daarvan? 
Ik richt mij niet alleen tot deze 
minister, maar ook in het bijzonder 
tot de fractie van het CDA in deze  Kamer. Je kunt toch niet zeggen: ik 
blijf daar maar als mede-instrument 
van onderdrukking, omdat anderen 
niet weggaan? Is hier niet een veel 
groter ethisch vraagstuk aan de orde 
dan de vraag of deze minister zo 
nodig met Nelson Mandela moet 
spreken over zwart verzet? Ik zou een 
ethische verontrusting op dit punt 
meer op prijs hebben gesteld dan de 
verontrusting met betrekking tot 
zwart verzet, dat een antwoord is op 
een gewelddadige structurele 
onderdrukking waarvan je de 
gevolgen dagelijks kunt zien. 
Ik vrees dat de Europese trojka 
hervormingen heeft verward met 
fundamentele wijzigingen. Zaterdag 
op de conferentie in Amsterdam is  gezegd: hervormingen en onderdruk-
kingen gaan in Zuid-Afrika hand in 
hand. Wanneer er nu gesproken 
wordt over hervormingen, dan is het 
nog maar de vraag of daarmee iets 
anders bedoeld wordt dan in het 
verleden. Toen werd met hervormin-
gen uitsluitend bedoeld het zodanig 
oppoetsen van het systeem dat het 
wezenlijk kon worden gehandhaafd.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="136" partij="CDA" naam="De Boer">
 De heer 
Scholten heeft ook in de richting van 
het CDA gesproken. De moeilijkste 
ethische keus die je moet maken, is 
om op een gegeven moment de 
richting van de effectiviteit te kiezen 
en daarbij de schijn van onethisch te 
zijn ook nog op je te laden.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="137" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Misschien wiltu
nog even blijven staan, zodat wij dit 
onderdeeltje meteen kunnen afron-
den. Wij zijn het erover eens - wij zijn 
het over vele zaken eens - dat hier 
een ethisch vraagstuk aan de orde is. 
Natuurlijk behoeft dat niet los 
gemaakt te worden van de effectiviteit 
Zo zit het leven niet in elkaar. Als 
jouw presentie in Zuid-Afrika mede 
bijdraagt aan de continuïteit van het 
onderdrukkingssysteem, dan is het 
toch een heel actuele vraag om te 
bezien of je daar niet moet weggaan 
terwijl anderen nog blijven? Daar kun 
je de politiek toch niet los van 
maken? 
Ik kom toe aan mijn tweede 
opmerking, dieumisschien meteen 
mee kunt nemen. Deze vraag hebben 
wij in het verleden - noch u, noch ik 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
36 
is bezig elkaar vliegen af te vangen in 
deze doodernstige zaak - eenduidig 
beantwoord. Het antwoord op die 
vraag was bevestigend. Daar kuntu
nu toch niet zomaar op terugkomen?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="138" partij="CDA" naam=" De Boer">
 In de 
politiek is iets nooit zo omdat het in 
het verleden zo was. Elke politieke 
uitspraak is per definitie tijdgebonden. 
De situatie waarover wij nu praten, 
de perspectieven en de moeilijkheden 
rondom de apartheid zijn van een 
geheel andere orde dan een aantal 
jaren geleden.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="139" partij="PvdA" naam="Wallage">
 De 
toestand is veel erger!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="140" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Dat is het punt, 
mijnheer de Voorziter! De toestand 
is alleen maar erger geworden. 
Terwijl de situatie in Zuid-Afrika erger 
is geworden, neemt de CDA-fractie 
gas terug. Daar heb ik het echt 
moeilijk mee.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="141" partij="CDA" naam="De Boer">
 Ik blijf bij 
mijn betoog. De moeilijkste ethische 
keuze die er bestaat, is om op een 
gegeven moment bereid te zijn om te 
kiezen voor effect en daarbij de 
schijn van onethisch handelen op jet 
te laden.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="142" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Ik wil nog het 
volgende zeggen over het begrip 
'effect'. Als landen als Denemarken, 
Zweden, Frankrijk en andere niet 
waren voorgegaan, zou de nu 
ontstane internationale 'schwung' 
bepaald minder zijn geweest. 
Effect is een gecompliceerde factor 
in de internationale politiek. Uit A 
vloeit niet automatisch B voort. 
Een andere opmerking die ik wil 
maken gaat over een gezamenlijke 
boodschap van ons in het verleden. 
Ik hoop datudaar nog achter staat. 
Op een gegeven moment willen 
onderdrukte mensen een signaal 
ontvangen over waar je staat.  Desmond Tutu zei voor de Duitse TV: 
waar staat gij in het uur van onze 
nood? Dat is ook belangrijk, zeker 
voor christen-politici watuen ik 
proberen te zijn.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="143" partij="CDA" naam=" De Boer">
 Ik wil nog 
wat zeggen over 'effect'. Ik constateer 
dat Nederland bij monde van de 
Zuidafrikaanse ministervan Buiten-
landse Zaken aangezegd krijgt dat de 
betrekkingen op een zo laag niveau 
staan dat zij niet lager kunnen. Dat 
zegt wel wat in de internationale 
politiek. Het is heel duidelijk dat wij 
in het verleden tegen Zuid-Afrika een 
aantal maatregelen hebben genomen 
die daar zijn gevoeld. 
Toch hebben de Zuidafrikanen het 
nooit nodig gevonden om zelfs maar 
halverwege te komen om eventueel 
met de Nederlandse regering te 
spreken. Alleen al het rammelen met 
een klein Amerikaans stokje bracht 
minister Botha spoorslags tot een 
gesprek met een Amerikaanse 
vertegenwoordiger. Dat is wat ik 
bedoel als ik over effect praat. Wij 
zijn maar een klein land. Alles wat wij 
doen tegen Zuid-Afrika legt op geen 
stukken na het gewicht in de schaal 
van een misschien kleinere stap van 
de Tien. 
Daar moeten wij op mikken. Dat is 
het meest ethisch. Daarbij kun je 
voor de voeten geworpen krijgen dat 
je niet ethisch genoeg bent en niet 
meeleeft met de zwarten in Zuid-Afri-
ka. De enige manier om echt met de 
zwarten in Zuid-Afrika mee te leven 
is, via de meest effectieve weg eraan 
te werken dat op de kortst mogelijke 
termijn een eind komt aan de 
apartheid.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="144" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Daar ben ik het 
natuurlijk mee eens. Hoe meer er 
internationaal kan gebeuren, hoe 
beter. Hetzelfde geldt voor acties in 
Europees verband. Het gaat er nu 
om, wat de rol van Nederland in het 
internationale gebeuren is en hoe die 
rol mogelijkerwijze anderen zou 
kunnen stimuleren. 
Het kan toch niet waar zijn dat 
hetgeen ik vanaf deze plaats namens 
de CDA-fractie jaar in jaar uit heb 
verklaard, vandaag aan de dag door 
een andere woordvoerder ineens als 
niet effectief terzijde wordt gesteld. 
Ik geloof niet dat het zo functioneert.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="145" partij="Partijloos" naam="Wagenaar">
 Heb ik de heer 
Scholten goed begrepen dat hij een 
tegenstelling maakt tussen een 
ethische benadering van de vraag-
stukken in Zuid-Afrika versus de 
doelmatigheid en de effectiviteit? Zo 
ja, is de ethische benadering dan 
voldoende om te komen tot een 
verantwoorde christelijke, of moet ik 
zeggen anti-revolutionaire politieke 
benadering van dit vraagstuk? 
Is de heer Scholten er niet van op 
de hoogte dat ook in anti-revolutio-
naire kring allang is nagedacht over 
de vraag hoe je mensenrechten tot 
gelding kan brengen in de verhouding 
tussen overheid en andere samenle-
vingsverbanden alswel bij de vorming 
van een nieuw staatsbestel in 
Zuid-Afrika? Ik heb hem daarover 
nog nooit iets horen zeggen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="146" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Ik zal hiertoe in 
het kort een poging wagen. Ik vind 
dat mensen die proberen vanuit 
ethische grondslagen, welke dan 
ook, aan politiek te doen, zich niet 
vrij kunnen maken van de werkelijk-
heid waarin deze ethische achtergron-
den zich moeten realiseren, anders 
loop je het risico van de don quicho-
terie. Ik geloof niet dat dat de 
bedoeling is bij onze discussie inzake 
de uitdaging van het Evangelie. Er 
zijn wel situaties waarin je de 
effectiviteit in ieder geval niet tot 
hoofdpunt van je beleid kan maken. 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
37 Ik heb in deze Kamer in dit verband 
wel eens verwezen naar de situatie in 
de Tweede Wereldoorlog, waarbij bij 
voorbeeld burgemeesters hebben 
gezegd dat wat er ook zou gebeuren, 
zij er verder niet meer aan mee 
zouden doen. Zo'n burgemeester 
wist dan vaak zelfs dat onder deze 
omstandigheden in zijn plaats een 
NSB-burgemeester zou worden  benoemd. Met andere woorden: ik 
erken de stelling dat de ethiek zich 
niet los mag maken van de realiteit, 
maar ik wil aan de andere kant ook 
onderstrepen dat er situaties in het 
menselijk leven zijn waarbij een 
mens, een politieke partij of een land 
moet zeggen dat wat hier gebeurt zo 
godslasterlijk is dat men daarvoor 
eenvoudigweg geen verantwoordelijk-
heid meer wil dragen, ook al is het 
directe effect van wat men voorstaat 
niet zo aanwijsbaar.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="147" partij="Partijloos" naam="Wagenaar">
 Ik dank de heer 
Scholten voor zijn opmerking, maar 
hij gaat toch niet in op het wezenlijke 
van mijn vraag. Indien hij vanuit zijn 
ethische christelijke beginselen bij 
voorbeeld het overschrijden van de 
bevoegdheid van de overheid met 
betrekking tot een aantal apartheids-
wetgevingen zou hebben bestreden, 
had hij mij aan zijn zijde gevonden. 
Ik betreur het dat de heer Scholten 
de lijn doortrekt bij de vraag hoe 
mensenrechten vanuit een christelijke 
politieke visie van betekenis kunnen 
zijn voor de vormgeving van een 
nieuw bestel in Zuid-Afrika. Tot op 
heden heb ik hem niets anders horen 
zeggen dan dat het per se de 
eenheidsstaat met het one man, one 
vote-systeem moet worden.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="148" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Tot dusverre had 
ik die term nog niet gebruikt, zij het 
dat ik daarvan wel een voorstander 
ben. In al mijn betogen met betrekking 
tot Zuid-Afrika ga ik uit van de 
fundamentele gelijkwaardigheid van 
ieder mens, los van ras, godsdienst 
en dergelijke. Ik strijd vanuit de 
grondstelling dat het in de politiek 
gaat om de menselijke waardigheid. 
In Zuid-Afrika bestaat een stelsel-
matige schending van dit grondprim 
cipe. Daar worden mensen op grond 
van hun kleur gediscrimineerd. De 
enige keer dat ik in Zuid-Afrika mocht 
komen, heeft een kleurlingpredikant 
tegen mij gezegd dat hij, evenals zijn 
vader en grootvader, predikant was, 
maar ook kleurling, waardoor hij 
geen stemrecht had. Hij zei dat de 
eerste de beste blanke koekebakker 
die vanuit Nederland naar Zuid-Afrika 
gestuurd wordt, na verloop van korte 
tijd in bezit is van stemrecht, omdat 
hij een ander velletje heeft. Dat is wat 
de zwarten in Zuid-Afrika diep 
vernedert en dat vernedert heel 
Afrika. Het is een restant van een 
stuk koloniale kapitalistische politiek 
die daar nog tot in de wortels 
aanwezig is. 
Ik kom dan te spreken over de 
kwetsbaarheid van de Zuidafrikaanse 
positie. Ik heb even gesproken over 
de positie van het interne verzet. Als 
mijn informatie goed is, dan zal dat 
groeien. Het aantal aanslagen zal ook 
groeien. Ik ben niet van plan om mee 
te doen met die mensen die zo 
verontrust doen over dat zwart 
verzet. De oorzaak van het zwarte 
verzet ligt bij de Zuidafrikaanse 
regering. Al het praten van de wereld 
heeft niets opgeleverd. Is het dan een 
wonder dat de mensen het heft in 
eigen handen nemen, dat het ANC na 
zoveel jaren van vreedzame strijd 
zegt dat het nu met wapengeweld 
moet? 
Ik kan het begrijpen. De situatie 
van Zuid-Afrika is daardoor kwets-
baarder dan ooit, ook door de  economische positie van het land: 
enorme inflatie, te veel overheidsin-
vesteringen, drastische daling van de 
goudprijs, enorme daling van de 
rand. Als Zuid-Afrika ooit kwetsbaar 
is geweest voor economische 
sancties, dan is het nu. Ik heb twee 
vragen aan de minister van Buiten-
landse Zaken. Is hij bereid voor zover 
Nederland, de Nederlandse regering, 
daarop invloed kan uitoefenen, 
ervoor te zorgen dat de Zuidafrikaan-
se regering geen internationale 
financiële steun wordt geboden om 
door deze impasse te komen? 
Dat is belangrijk. Is de Nederlandse 
regering ook bereid om nog wat 
meer maatregelen te nemen dan tot 
dusverre zijn genomen met betrekking 
tot kredietherverzekering? Als de  heer De Boer zojuist tegen mij zegt: 
andere tijden, ander beleid! , dan is 
een beroep van de minister op het 
regeerakkoord ter zake - dat doet hij 
in het mondeling overleg - ook voor 
discussie vatbaar. Bankiers trekken 
zich terug. De internationale geldwe-
reld doet wat de regeringen hadden 
moeten doen, maar laten wij in ieder 
geval van dat moment gebruik 
maken. 
Met betrekking tot Luxemburg zie 
ik enkele positieve punten. Ik vind 
positief dat er steun in het vooruitzicht 
wordt gesteld voor de SADC-landen. 
Wil de minister er wat meer over 
zeggen nu? Later moet de Kamer er 
uitgebreid over worden geïnformeerd. 
Ik moet zeggen dat ik,behalve 
sancties tegen Zuid-Afrika, de steun 
aan SADC van grote betekenis vindt. 
Trouwens het is het oude tweespo-
renbeleid van de CDA-fractie. 
Kortheidshalve sluit ik aan bij de 
vele constructieve vragen die collega 
Wallage met betrekking tot het 
Luxemburgse akkoord heeft gesteld. 
Ik vraag de minister nog wat hij en 
zijn collega's verstaan onder een 
redelijke termijn - 'reasonable 
period'staat er -waarop in Zuid-Afrika 
veranderingen tot stand moeten 
worden gebracht. Anders zal de 
Gemeenschap het beleid heroverwe-
gen. 
De minister heeft gezegd - als het 
niet zo is, heb ik liever dat hij het hier 
in de Kamer tegenspreekt - dat de 
Zuidafrikaanse regering - het staat 
in Trouw, maar het stond in alle 
varianten in de pers - nu doet waar 
wij jarenlang voor hebben gepleit. Ik 
begrijp niet waar de minister het dan 
over heeft. Hij begrijpt niet waar ik 
het nu over heb, geloof ik. Ik zal hem 
het krante-artikel geven. 
Ten slotte. One man, one vote. Ik 
heb met de heer Wallage het nadere 
stuk van de minister gelezen. Geeft 
hij in de laatste passage van zijn 
antwoord geen steun aan de Zuid-
afrikaanse regering die van mening is 
dat in een eenheidsstaat in Zuid-Afrika 
dat systeem niet kan worden 
ingevoerd? 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="149" partij="PSP" naam="Van der Spek">
 
Mijnheer de Voorzitter! Zoals te 
verwachten was, moet het oordeel 
achteraf over de reis van de drie 
EPS-ministers naar Zuid-Afrika 
negatief luiden; dit in overeenstem-
ming met de afwijzing ervan door het 
African National Congress. De 
minister heeft toegegeven dat hij 
uiteindelijk niets nieuws heeft 
gehoord. 
De drie ministers hebben nauwelijks 
met vertegenwoordigers van de 
oppositie gesproken, respectievelijk 
kunnen spreken. Ze hebben wel op 
de regering van Zuid-Afrika de indruk 
van welwillendheid gemaakt. Het 
resultaat is dan ook een zeer zwakke 
verklaring van de EG, nota bene ook 
nog met voorbehoud van één van de 
Tien. 
Ook ik wil vragen met welke 
voorstellen de Nederlandse regering 
het EPS-beraad is ingegaan. 
Daar moet nu eindelijk eens 
duidelijkheid over komen. Als het niet 
zo veel voorstelde, moet men nu 
maar ophouden met zich voortdurend 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
38 te verschuilen achter de Europese 
Gemeenschappen. Als het wel veel 
voorstelde, als Nederland wel veel 
forsere maatregelen inbracht, dan 
moet de conclusie zijn dat de 
weigerachtigheid van de andere 
negen lidstaten van de EG ertoe 
moet leiden dat Nederland nu 
zelfstandig scherpe maatregelen 
moet gaan nemen tegen Zuid-Afrika. 
Dat is trouwens, los van de kwestie 
van het overleg van de EPS, sowieso 
het standpunt van mijn fractie. 
De minister heeft in zijn brief van 
16 september het een en ander 
medegedeeld over de beslissingen 
van de EPS en de Nederlandse 
situatie op dat gebied. Ik wil daar een 
aantal vragen over stellen. Ten 
aanzien van de restrictieve maatrege-
len is er in het eerste punt, betreffende 
het wapenexportembargo, sprake 
van dat de pogingen om in EPS-ver-
band tot een definiëring van het 
begrip 'paramilitair materieel' te 
komen buitengewoon moeizaam 
verlopen. Dit komt trouwens weer 
terug bij punt 7, waar het niet gaat 
om de export van specifieke zaken, 
maar om de export naar specifieke 
klanten, namelijk naar politie en leger 
in Zuid-Afrika. 
Er doet zich daar een analoge 
problematiek voor. Mijn vraag op 
grond van die twee punten is of die 
moeilijkheid niet wijst op het belang 
om een algemener embargo ten 
aanzien van Zuid-Afrika in te stellen. 
Dan ben je van het probleem van die 
definiëring af en dan ben je van het 
probleem af van wie nu eigenlijk de 
spullen in handen krijgt. Dus eigenlijk 
een volledig economisch embargo. 
Het tweede punt gaat over een 
wapenimportembargo. Hoever is 
Nederland gevorderd met het 
voorbereiden van de nationale 
wetgeving op dit punt? 
Bij punt 5 wil ik de volgende vraag 
stellen. Welke EG-lidstaten wensen 
geen visumplicht voor Zuidafrikanen 
in te voeren? Dit onder andere in 
verband met de sportcontacten. 
Ten slotte het minst onbelangrijke 
van de restrictieve punten van de 
EPS-besluiten, namelijk de kwestie 
van de olieuitvoer. Ik dring erop aan 
dat ook de oliedoorvoer daaronder 
wordt begrepen. 
Ik wil ook enkele vragen stellen 
over het tweede deel, namelijk de 
positieve maatregelen. Nu er in het 
derde punt sprake is van de hulppro-
gramma's ten aanzien van de niet 
blanke gemeenschap, vraag ik mij af 
of nu niet de tijd is gekomen om ook 
een meer positief standpunt in te 
nemen ten aanzien van hulp vanuit 
Nederland aan Radio Freedom van 
het African National Congress. 
In punt zes - een nieuw punt - gaat 
het om het voorlichten van burgers 
uit EG-landen die in Zuid-Afrika 
wonen. Ik ben benieuwd hoe de 
regering zich dat voorstelt en hoe zij 
denkt te vermijden dat die burgers  zullen reageren in de trant van: waar 
bemoeien zij zich eigenlijk mee, wij 
wonen hier, wij weten hoe de situatie 
hier is en zij weten het helemaal niet. 
Ik wijs op het feit dat één van de 
voornaamste vertegenwoordigers 
van de Nederlandse gemeenschap in 
Zuid-Afrika er blijk van heeft gegeven 
dat hij inderdaad weinig weet van de 
landen waar hij niet woont, door de 
huidige Nederlandse regering als 
links-socialistisch te kenmerken. 
Er is bij die brief een stuk van de 
minister gevoegd, waarin over de 
one-man-one-vote-problematiek 
wordt gesproken. De Zuidafrikaanse 
regering heeft in haar gesprek met de 
drie de opmerking gemaakt dat in de 
toekomstige grondwet overheersing 
door een van de minderheden zou 
moeten worden tegengegaan. 
De drie hebben daarop gereageerd 
- dat vind ik op zichzelf juist - met te 
zeggen dat bescherming van 
minderheden een goede en noodza-
kelijke zaak is. Ik meen echter dat die 
passage duidelijk is gericht tegen de 
one-man-one-vote-constructie en 
gericht op een gescheiden positie 
van de verschillende zogenaamde 
rassen en op het handhaven van de 
machtspositie van de blanke minder-
heid. 
De Nederlandse regering zegt in 
het nieuwe stuk dat zij voor universeel 
stemrecht is. In de laatste alinea 
wordt dat uitgelegd. Dat brengt mij 
tot de vraag of - er wordt ook gezegd 
dat Nederland voor one-man-one-vo-
te is - one-man-one-vote gelijk wordt 
gesteld met universeel stemrecht en 
of daarbij niet de werkelijke bedoeling 
van one-man-one-vote wordt 
ontkracht. Er wordt namelijk vervol-
gens gezegd dat het probleem is dat 
het niet per se in een eenheidsstaats-
structuur behoeft te gebeuren. 
Maar wanneer men met betrekking 
tot Zuid-Afrika spreekt over one-man-
one-vote, wordt duidelijk bedoeld 
one-man-one-vote binnen een 
eenheid van electoraat. Dat duidt dus 
op een niet federatieve structuur. Ik 
vrees dat wanneer de Nederlandse 
regering dit zegt, zij denkt aan een 
federatieve structuur met een 
scheiding langs de lijnen van het 
zogenaamde ras. 
Met die weigering om one-man-
one-vote zo te interpreteren als 
eigenlijk iedereen het doet, laadt de 
Nederlandse regering de verdenking 
op zich dat zij blijft hechten aan de 
machtspositie van de blanken. Ik wijs 
er trouwens op dat zowel het African 
National Congress als het United 
Democratie Front terecht uitgaan van 
het recht van alle bevolkingsgroepen, 
ook van de blanken die er al zoveel 
eeuwen wonen, om Zuid-Afrika als 
hun eigen land te blijven beschouwen, 
door er te blijven met alle rechten en 
plichten die voor onderdanen van 
een land gebruikelijk zijn, op basis 
van een volstrekte politieke en 
juridische gelijkheid. De angst die je 
hier en daar hoort doorklinken voor 
de one-man-one-vote-structuur is 
naar mijn mening dus niet terecht, 
hoewel ik niet ontken dat zich allerlei 
concrete problemen kunnen voor-
doen. 
Ik kijk naar de huidige situatie van 
een beginnende burgeroorlog. Ik kijk 
naar het ongehoord harde optreden 
- op de televisie kunnen wij het 
zien - van het Zuidafrikaanse leger en 
de politie tegen de mensen die in 
verzet komen. Ik verzoek daarom de 
regering uitdrukkelijk om nu scherp 
stelling te nemen tegen twee 
standpunten die de Zuidafrikaanse 
regering ook in het overleg met de 
drie ministers naar voren heeft 
gebracht. Het eerste standpunt was 
dat men bereid was de noodtoestand 
op te heffen nadat het geweld was 
ingezakt. (Je vraagt je trouwens af 
welk geweld en van wie. Verreweg 
het meeste geweld komt van de 
overheid.) 
Het tweede standpunt was dat 
men bereid was de positie van de 
politieke gevangenen opnieuw te 
bezien als het geweld verminderde 
en als de normale omstandigheden 
terugkeerden. Ik denk juist dat het 
opheffen van de noodtoestand en het 
vrijlaten van de politieke gevangenen 
moeten voorafgaan aan die andere 
zaken. 
Een belangrijk punt in de discussie 
die daar is gevoerd, is de aankondiging 
van de Zuidafrikaanse regering om 
de influx controle te herzien. De 
minister heeft in het mondeling 
overleg uitgelegd dat daarmee 
waarschijnlijk bedoeld was, dat die 
wel moest worden gehandhaafd, 
maar niet langer op een raciale 
manier. Nu wil ik hier de stelling 
verdedigen dat dit wel eens op 
hetzelfde zou kunnen neerkomen. 
Wanneer men wel de pasjes hand-
haaft, maar niet op basis van het ras. 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
39 krijgen wij wellicht te maken met een 
uitzonderingscategorie van elite-
zwarten, van ere-blanken, om een 
parafrase te gebruiken van een term 
die meer dan 4 0 jaar geleden opgeld 
deed bij het toenmalige Duitse 
regime, dat zo bewonderd en 
gesteund is door die groepen in 
Zuid-Afrika waarvan de huidige 
machthebbers de rechtstreekse 
erfgenamen zijn. Ik wijs erop dat een 
proces in die richting al gaande is. 
Het is duidelijk dat men poogt om 
groepen tegen elkaar uit te spelen; 
kleurlingen en Aziaten tegen zwarten 
bij het drie-kamerstelsel, maar ook 
zwarten tegen elkaar. De wraakreac-
ties van de oproerige zwarten tegen 
collaborerende zwarte politiefunctio-
narissen en dergelijke zijn daarvan 
sprekende gevolgen, hoe betreurens-
waardig deze ook zijn. Daarbij wordt
bovendien gepoogd om de stammen-
verschillen tussen de zwarten te 
benadrukken, met de suggestie dat 
er eigenlijk uitsluitend minderheids-
groepen zijn in Zuid-Afrika. Met  andere woorden: dat je niet kunt 
spreken van een meerderheidsregime 
wanneer straks de apartheid zou zijn 
afgeschaft. 
Het feit dat niet een echt flink 
standpunt en dat niet echt ingrijpende 
maatregelen door de EG-landen 
worden voorgesteld, heeft naar mijn 
mening te maken met het feit dat de 
Tien in hun achterhoofd hebben de 
buitengewoon grote economische 
belangen (niet alleen in de vorm van 
investeringen) die zij in Zuid-Afrika 
hebben. Dat geldt van het Westen in 
het algemeen. Daarbij komen, vooral 
voor de Verenigde Staten, ook nog 
strategische belangen. Ik ben ervan 
overtuigd dat de bescherming van 
die economische belangen een rol 
heeft gespeeld bij de EPS-missie. 
Het belang van het veiligstellen van 
machts- en bezitsposities, ook als de 
apartheid formeel verdwenen zal zijn, 
gaat een toenemende rol spelen. Het 
gaat een toenemende rol spelen bij 
het Zuidafrikaanse bedrijfsleven, dat 
in het buitenland al vast met het ANC 
aan het praten is en straks aan het 
onderhandelen , maar ook in het 
buitenland, ook in de Verenigde 
Staten en ook in West-Europa. 
Ik houd de minister voor dat het 
grote risico erin zit, dat de ontwikke-
lingen in Zuid-Afrika wel gaan leiden 
tot een formele afschaffing van de 
apartheid en tot een meerderheidsre-
gime - wat buitengewoon belangrijke 
zaken zijn die in de eerste plaats 
moeten plaatsvinden - maar dat aan 
de feitelijke sociaal-economische 
ongelijkheidsverhoudingen weinig 
verandert. Het risico zit erin dat het 
zo gaat lopen. Aan de miserabele 
situatie van de grote massa van de 
zwarten gaat dan dus niets verande-
ren. En het gaat er toch om die 
situatie wezenlijk te verbeteren. 
Daarom zeg ik dat afschaffing van 
de apartheid in formele en juridische 
zin zeer belangrijk is, maar dat die 
moet worden beschouwd als een 
stap in een proces. Dat is een proces 
dat een veel langere tijd in beslag zal 
nemen en waarbij het uiteindelijk zal 
moeten gaan om een fundamentele 
verandering van de sociaal-economi-
sche machts- en bezitsverhoudingen 
in het algemeen. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="150" partij="Partijloos" naam="Wagenaar">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Het kan niet worden 
ontkend dat het recente bezoek van 
de EPS-missie aan Zuid-Afrika tot op 
zekere hoogte een mijlpaal kan 
worden genoemd. Voor het eerst is 
er immers sprake van een rechtstreek-
se dialoog met de Zuidafrikaanse 
regering en betrokken groeperingen 
in het land zelf. 
Een moment als dit brengt mij 
echter tot het stellen van enkele 
gewetensvragen aan de regering. Ik 
huldig de opvatting dat het geen 
kwaad kan, deze vragen eens naar 
voren te brengen. Waarom heeft het 
zo lang moeten duren, voordat een 
dergelijke dialoog kon plaatsvinden? 
Waarom gebeurde het, anders 
gezegd, niet eerder en waarom 
moest eerst een golf van ernstige 
onlusten door het land gaan, voordat 
men in EPS-verband tot de conclusie 
kwam dat deze stap in de richting 
van een echte dialoog diende te 
worden genomen? 
Misschien antwoordt de minister 
dat dit soort gewetensvragen zinloos 
zijn of neerkomen op het najagen van 
wind, om in do termen van de 
Spreukendichter te spreken. Het is 
echter te betwijfelen of deze vragen 
zo gemakkelijk terzijde kunnen 
worden gelegd. Ligt de schuld dan 
geheel bij Pretoria? Kan worden 
volstaan met de bekentenis van de 
staatspresident Botha dat in het 
verleden fouten zijn gemaakt, waarop 
van onze zijde genadiglijk de reactie 
kan volgen dat wij verder niet zullen 
zeuren over het onrecht dat in het 
verleden is begaan? 
Hoe zit het met onze eigen 
verantwoordelijkheid als Nederland 
en als West-Europa bij het ontwikke-
len van een buitenlands beleid met 
het oog op de veranderingsprocessen 
in dat land? Is het beleid in het 
verleden altijd evenwichtig geweest? 
Is er steeds gewerkt vanuit een 
realistische kijk op de structurele 
problemen waarmee Zuid-Afrika 
heeft te rekenen? Ik waag het te 
betwijfelen en geef een enkel 
voorbeeld ter illustratie. 
Keer op keer heeft de regering het 
gebruiken van geweld om politieke 
doelstellingen in Zuid-Afrika te 
bereiken, principieel en terecht 
afgewezen. De trojka had dit bij 
voorbeeld ook tegen Nelson Mandela 
gezegd, indien het gesprek met hem 
doorgang had gevonden, zo begrijp 
ik datgene wat de minister hierover 
in het mondelinge overleg heeft 
opgemerkt. De wezenlijke politieke 
vraag moet echter worden gesteld of 
het voorstaan dan wel gebruiken van 
geweld iets te maken kan hebben 
met het najagen van politieke 
doeleinden in Zuid-Afrika. Anders 
gezegd, hoe staat de regering 
tegenover politieke doeleinden die 
kennelijk slechts langs de weg van 
revolutie, geweld en maximaal 
isolement in Zuid-Afrika een kans van 
slagen hebben? 
Is de strijd voor de omverwerping 
van het blanke minderheidsregime en 
de vestiging van een zwart meerder-
heidsbewind in een eenheidsstaat 
noodzakelijkerwijs een strijd tegen 
apartheid? Is apartheid de naam voor 
een bestel waarin een minderheid die 
de macht heeft, categorisch weigert 
een constitutie te aanvaarden die is 
gebaseerd op de eenheidsstaat en 
het beginsel 'one man, one vote'? Is 
dit apartheid? 
Mijnheer de Voorzitter! Indien dat 
het geval is en indien zo'n bestel 
moreel en volkenrechtelijk veroor-
deeld moet worden, dan schaar ik mij 
achter het vaandel van de oppositie. 
Ik verwijt niet hun, maar de regerings-
partijen en eigenlijk ook de regering, 
het ontbreken van voldoende 
consistentie in het denken over de 
problemen in Zuid-Afrika. De 
regering ziet tekenen van hoop nu 
zowel de Zuidafrikaanse regering als 
de meerderheid van de blanke 
bevolkingsgroep definitief de weg 
naar veranderingen willen inslaan. 
'Wij zijn de Rubicon over', meldden 
de Zuidafrikaanse kranten naar 
aanleiding van Botha's rede voor het 
congres van de Nationale Partij te 
Durban. Als de visie van de oppositie 
echter juist zou zijn, dan moet van 
een heel andere situatie worden 
gesproken. Dan staat het merendeel 
van het Boerenleger nog tot het 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
40 middel in het water en klautert een 
kleine voorhoede de andere wal op 
om vervolgens oog in oog te staan 
met een massa vijandige niet-blanken, 
die de banieren met 'one man, one 
vote' dreigend voor zich houden. 
Gezien die symboliek zou het te 
begrijpen zijn als vele blanken de 
neiging hebben of krijgen om met het 
geweer in de ene en vrouw en 
kinderen in de andere hand, het lager 
te betrekken. Maar voorzitter, zo is 
de toestand in Zuid-Afrika anno 1985 
niet. 
En dat behoeft de situatie ook niet 
te worden en daarom stel ik mij die 
gewetensvraag en mijn pleidooi voor 
duidelijkheid, consistentie en voor 
politieke keuzes met het oog op een 
effectieve dialoog-politiek van 
Nederland en West-Europa met 
Zuid-Afrika. 
Mijnheer de Voorzitter! Nu heeft de 
Zuidafrikaanse regering in een viertal 
punten duidelijk gemaakt wat zij 
onder apartheid verstaat en zich 
commiteert om deze apartheid te 
bestrijden. Het is mijns inziens 
volstrekt helder, dat men in de kring 
van de oppositie een ander begrip 
van apartheid hanteert. Welke keuze 
maakt hier de regering? Met welk 
recht zouden wij de Zuidafrikaanse 
regering ertoe willen pressen kleur te 
bekennen, de nek uit te steken voor 
daadwerkelijke veranderingen indien 
wij zelf in onze eigen binnenlandse 
politiek maar om de hete brij blijven 
draaien? Dat zou niet in de geest van 
Jan van Riebeeck zijn; eerder in de 
trant van Jantje van Leiden. 
Mijnheer de Voorzitter! Ik wil nu 
graag een paar vragen stellen naar 
aanleiding van het mondeling 
overleg. Tijdens dat mondeling 
overleg ontstond een interessante 
woordenwisseling over de randvoor-
waarden voor vreedzame verande-
ringen in Zuid-Afrika en in verband 
daarmee de visie van de regering 
met betrekking tot de eenheidsstaat 
op basis van het one-man-one-vote-
beginsel. Het trof mij dat de minister 
aan de ene kant bekende, dat zo'n 
systeem toch moeilijk althans op 
korte termijn als een goede oplossing 
kan worden gezien terwijl hij naar 
mijn idee aan de andere kant het 
probleem wat ontweek. 
De randvoorwaarden voor zo'n 
nieuw bestel moet men immers maar 
aan de Zuidafrikanen overlaten. De 
vraag was echter of de Nederlandse 
regering van oordeel is, dat partijen 
in de nationale dialoog behalve het 
afzien van geweld als instrument ook 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
zouden moeten afzien van het 
opleggen van een bepaalde staats-
vorm voor Zuid-Afrika. 
Op welke wijze zou men anders tot 
een open overleg met alle betrokken 
groeperingen kunnen komen. 
Natuurlijk, het kost weinig om van de 
blanke bevolkingsgroep te eisen dat 
men het geloof in het bestaande 
bestel afzweert. Daarvoor is zelfs een 
ruime politieke steun aanwezig, niet 
in het minst in de internationale 
gemeenschap. 
Een dialoogpolitiek die rugdekking 
naar twee kanten kan verschaffen 
kost aanzienlijk meer pijn, niet in de 
laatste plaats in dit huis. Dit brengt 
immers politieke consequenties met 
zich, zoals een veel grotere aandacht 
dan thans voor het contactbeleid, 
voor gesprekken met gematigde 
leiders die niet op voorhand een 
eenheidsstaat verlangen en bereid 
zijn te praten over reële concessies 
wat machtsdeling betreft. 
Bovendien zijn de gematigde 
leiders bereid mee te werken aan een 
decentraal bestel waarin alle betrok-
ken bevolkingsgroepen volwaardige 
politieke rechten kunnen genieten. 
Zo'n consequente dialoogpolitiek 
heeft Zuid-Afrika vandaag hard 
nodig. Met het oog daarop wil ik een 
kameruitspraak over de EPS-benade-
ring uitlokken. 
Motie  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="151" naam="De voorzitter">
 Door het lid Wage-
naar wordt de volgende motie  voorgesteld: 
De Kamer, 
gehoord de beraadslaging; 
overwegende, dat het wenselijk is, 
dat alle betrokken groeperingen zelf 
besprekingen gaan voeren over een 
gezamenlijke toekomst; 
van oordeel, dat een dergelijk open 
overleg slechts kans van slagen heeft 
indien partijen in de dialoog niet op 
voorhand aan bepaalde uiteindelijke 
staatsvormen van Zuid-Afrika blijven 
vasthouden; 
verzoekt de regering, te zamen met 
haar Europese partners, in haar 
dialoog steun te geven aan de 
totstandkoming van een decentraal 
bestel, waarin alle betrokken bevol-
kingsgroepen volwaardige politieke 
rechten kunnen genieten, 
en gaat over tot de orde van de dag. 
Naar mij blijkt, wordt deze motie 
voldoende ondersteund. 
Zij krijgt nr. 35 (17 895). 
Zuid-Afrika  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="152" partij="Partijloos" naam="Wagenaar">
 Bij de stukken 
trof ik ook het beloofde overzicht aan 
van de gesprekken die de EPS-missie 
in Zuid-Afrika heeft gevoerd. Inder-
daad ontbreken op deze lijst de 
namen van vele leiders van zogenaam-
de nationale staten en zelfregerende 
staten, alsook van kleurlingen en 
Indiër-parlementariërs. In het 
mondeling overleg is mij niet 
duidelijk geworden of dit het gevolg 
is geweest van een bewust politiek 
beleid, dan wel dat het slechts aan 
een gebrek aan tijd te wijten is 
geweest. Ik stel deze vraag opnieuw, 
mede tegen de achtergrond van mijn 
voorgaande beschouwingen. 
Tijdens het bezoek zijn immers ook 
wijzigingsvoorstellen aan de orde 
gekomen, zoals de influx-control, de 
groepsgebiedenwet enzovoorts. 
Daarover wordt in het huidige bestel 
gedebatteerd met vertegenwoordi-
gers van niet-blanke bevolkingsgroe-
pen in tal van verbanden. 
Hoe moet ik mij nu een behoorlijke 
evaluatie binnen EP Sverband 
omtrent dit soort hervormingen 
straks voorstellen, indien met eerder 
genoemde personen nimmer 
gesproken wordt? Ik verneem graag 
een duidelijk antwoord van de 
minister. 
Ik kom ten slotte bij de conclusies 
ten aanzien van de positieve maatre-
gelen, zoals deze zijn geformuleerd 
op pagina 4 van de brief van de 
ministervan 16 september jl . Het 
gaat dan vooral om conclusie 6; 
programma's om burgers uit de 
EG-lidstaten die in Zuid-Afrika 
resideren beter van de situatie in 
Zuid-Afrika bewust te doen zijn. 
Gaat hier geen contactbeleid op 
basis van huidskleur gevolgd 
worden? Dat is een soort omgekeerde 
apartheid. Met dit bezoek van de 
EG-ministers zijn wij op een twee-
sprong aanbeland. Wat mij betreft, 
kan van dit bezoek gezegd worden 
dat het een succes is geweest. Gelet 
op de ernst van de situatie wordt het 
tijd, volledig gerechtvaardigde kritiek 
op Zuid-Afrika uit te oefenen. Dan 
moet men wel in gesprek blijven en 
er mede voor zorgen dat de partijen 
aan de tafel gaan zitten en blijven 
zitten om over een realistische en 
dus geloofwaardige politieke 
toekomst voor Zuid-Afrika te praten. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="153" partij="SGP" naam=" Van Rossum">
 
Mijnheer de Voorzitter! Met enige 
erkentelijkheid nam mijn fractie 
kennis van de mededeling in het 
41 verslag van de minister - vermoedelijk 
van de trojka - dat de delegatie tot 
de ontdekking is gekomen dat in 
Zuid-Afrika de eerste en de derde 
wereld in één land samenleven. 
Indien in de Westerse wereld - de 
eerste wereld - geheel andere 
normen van lonen, huisvesting en 
transportmogelijkheden gelden dan 
in derde-wereldlanden, dan wordt 
dat gelaten of soms met weerstand 
geaccepteerd. Indien dat binnen de 
landsgrenzen van één natie geschiedt, 
roept dat begrijpelijk grote spannin-
gen op. Dat heeft ook de delegatie 
ervaren. Dat brengt ook mij tot het 
stellen van enkele vragen. 
In het verslag wordt uitdrukkelijk 
gesproken over de eerste en de 
derde wereld. Mag ik hieruit afleiden 
dat de tweede wereld in en rond 
Zuid-Afrika geheel afwezig is of 
hebben de ministers geconstateerd 
dat onlusten, die helaas geregeld en 
'bloedig' voorkomen, mede hun 
oorzaak vinden in activiteiten van de 
tweede wereld? Gemakshalve reken 
ik Cuba ook tot de tweede wereld. 
Zijn moeilijkheden van die aard in het 
geheel niet ter sprake geweest of is 
iedere onlust, ook in de gesprekken 
daar, uitsluitend toegeschreven aan 
het apartheidsbeleid? Is het beeld 
niet veel gecompliceerder, mede 
door de tegenstelling tussen de 
verschillende stammen onderling? 
Dat is trouwens geen probleem dat 
zich tot Zuid-Afrika beperkt. Veel 
Afrikaanse staten hebben daarmee te 
kampen. 
Een ander punt waarop ik wil 
ingaan, is de in het verslag geconsta-
teerde overeenstemming tussen de 
regering van Zuid-Afrika en de 
bezoekende ministers, dat het 
apartheidssysteem moet worden 
afgeschaft. Er was echter verschil 
van inzicht over het tempo waarin dat 
zou moeten geschieden. Nu heeft het 
mij enigszins verwonderd dat uit het 
gehele verslag blijkt dat uitsluitend 
met de regering en met groepen die 
het apartheidssysteem bestrijden is 
gesproken. Het parlement is geheel 
buiten het beeld gebleven.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="154" naam="Minister Van den Broek">
 Behalve 
dan de oppositie in het parlement.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="155" partij="SGP" naam=" Van Rossum">
 De 
oppositie is een deel van het parle-
ment. Zuid-Afrika is een parlementaire 
democratie met een duidelijke 
grondwet.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="156" naam="Minister Van den Broek">
 Als in deze 
Kamer wordt gezegd dat de oppositie 
geen parlement is, komen wij toch in 
de problemen. Wij hebben gesproken 
met leden van de blanke oppositie 
van het Zuidafrikaanse parlement, 
onder anderen met de heer Van Zyl 
Slabbert en mevrouw Helen Suzman, 
leden van de PFP.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="157" partij="SGP" naam="Van Rossum">
 Dat is 
juist. Dank daarvoor! 
Mijnheer de Voorzitter! Wil de door 
het Europa van de tien of de twaalf 
gewenste wijziging van de grondwet 
en van de bestreden wetten tot stand 
komen, dan zal daarover niet alleen 
overeenstemming moeten worden 
bereikt met de regering. Die wijziging 
zal ook door een al of niet gekwalifi-
ceerde meerderheid van het parle-
ment moeten worden aanvaard. 
Ik weet niet hoe andere partijen in 
dit parlement erover denken, maar 
mijn partij zou grote bezwaren 
hebben tegen het bij decreet wijzigen 
van de Grondwet. Bepaalde groepen 
kunnen wel zeer gerechtvaardigde 
wensen hebben, maar die kunnen 
alleen op wettige wijze tot stand 
komen. Ik geef een voorbeeld. 
Grondwetswijzigingen gaan in 
Nederland bepaald ook niet zo vlug. 
D'66 werd destijds opgericht om 
plotseling grote wijzigingen aan te 
brengen in ons parlementaire stelsel. 
Men dacht aan het districtenstelsel, 
gekozen burgemeesters enzovoorts. 
Deze punten had die partij op haar 
verlanglijstje staan. Misschien is het 
goed na 18 jaar tot een evaluatie te 
komen en te bezien wat tot stand 
gekomen is en hoe snel het tot stand 
gekomen is. 
In Zuid-Afrika zijn naar algemene 
opvattingen wijzigingen gewenst. Wil 
men die wijzigingen echter zonder 
geweld tot stand laten komen, dan 
zal een en ander moeten gebeuren 
volgens het daar thans geldende 
systeem. Dat vraagt om beïnvloe-
ding van de politieke opinie. Daar-
toe hebben volgens het verslag de 
ministers een bijdrage willen leveren. 
Daarvoor zijn wij hen erkentelijk. 
Gelet op de brieven die ik ontvang, 
heb ik het idee dat er soms ook van 
buitenaf wordt getracht - ik denk 
daarbij aan de kruisvluchtwapens -
om én de Nederlandse publieke 
opinie èn het Nederlandse parlement 
te beïnvloeden. Hoe het ook zij, de 
besluitvorming blijft volgens ons 
stelsel bij regering en parlement 
liggen. En, of men dit betreurt of 
niet, zo is het ook in Zuid-Afrika. 
Ik ben het geheel met de ministers 
eens, dat het niet aan ons is om 
vanuit West-Europa een blauwdruk 
te ontwerpen voor het toekomstige 
regeersysteem van Zuid-Afrika. Wij 
moeten niet doen alsof wij in Europa 
zo'n eenheid vormen en dat wij die 
Zuid-Afrika willen opdringen. Dat zou 
arrogant zijn. Enige zelfkennis en 
bescheidenheid zou ons niet mis-
staan. 
Dat ontwerpen van een toekomstig 
regeersysteem voor Zuid-Afrika is 
voorbehouden aan de bevolking van 
Zuid-Afrika. De regering zal voor een 
nieuw systeem de goedkeuring van 
het parlement moeten verwerven. 
Juist dat laatste zal in fasen moeten 
geschieden en dat vraagt dus tijd. 
Mogelijk kan na dit ministeriële 
bezoek, een bezoek van parlementa-
riërs aan Zuid-Afrika een steentje 
bijdragen aan het streven begrip te 
wekken voor de gewenste wijzigingen 
alsmede voor het tempo waarin deze 
zich zullen moeten voltrekken. 
Alleen moet dan wel een delegatie 
worden afgevaardigd die zonder 
vooroordeel tot een open discussie 
bereid is. Dictaten vanuit andere 
parlementen zouden wij in Nederland 
beslist niet aanvaarden. Wij mogen 
dus ook van andere parlementen niet 
verwachten dat zij dictaten aanvaar-
den. Het opleggen van dictaten roept 
alleen maar weerstanden op. 
In zijn aanvullende brief laat de 
minister zich terecht genuanceerd uit 
over het one man, one vote systeem. 
In veel landen met een districtenstel-
sel heeft wel iedereen één stem, 
maar wegen niet alle stemmen 
nationaal even zwaar, omdat de 
districten van ongelijke grootte zijn. 
Zulke landen beschouwen wij toch 
terecht als volkomen democratisch. 
Het geven van stemrecht aan een 
ieder wil niet zeggen dat alle stemmen 
over het gehele land even zwaar 
moeten wegen. Terecht wil de 
minister een regeling op dit punt aan 
de Zuidafrikaanse bevolking overlaten. 
Moeten niet alle stappen in de 
gewenste richting worden aangemoe-
digd? Er zijn een aantal stappen in de  goede richting gedaan. Ik noem: de 
afschaffing van de huwelijkswetge-
ving, de afschaffing van de pasjeswet-
ten en het verlenen van het Zuidafri-
kaanse staatsburgerschap aan allen, 
blank en zwart. Er zijn recentelijk nog 
vele andere maatregelen genomen. 
Wij moeten goede voornemens 
aanwakkeren en aanmoedigen. 
Terecht is men tijdens de ontmoe-
tingen een gesprek over de verhou-
ding tussen de meerderheden en de 
minderheden niet uit de weg gegaan. 
De veiligheid van minderheidsgroe-
pen is in het kader van ieder staats-
bestel duidelijk ter sprake gebracht. 
Dit punt vraagt in de toekomst grote 
aandacht. Het vraagt om onderling 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
42 begrip bij de bevolkingsgroepen. Wil 
men dit begrip, dan is op zijn minst 
vereist dat men elkaar kent en elkaar 
vertrouwt. Daartoe zou de onderlinge 
ontmoeting en het onderlinge 
gesprek het meest dienstbaar zijn. 
Daarbij mag geen sprake zijn van 'het 
mes op tafel'.  Met andere woorden: Er mag geen 
geweld aan te pas komen. Op 
onderlinge ontmoetingen en onderlin-
ge gesprekken is dan ook terecht 
aangedrongen. Een dergelijk streven 
vraagt echter om het tegengaan van 
iedere vorm van polarisatie. Wat nu 
de laatste jaren van buitenaf ge-
schiedt, is het aanwakkeren van deze 
polarisatie door het nemen van 
boycotmaatregelen en door het 
opruien van de zwarte bevolking. 
Dat moet leiden tot geweld die 
gemakkelijk escaleert. Een dergelijke 
houding is echter nooit de inzet van 
onze fractie geweest en zij is het nog 
niet. Tracht in overleg en met 
gematigde groepen de polarisatie te 
voorkomen en tracht onderling 
vertrouwen te wekken. 
Het gaat niet alleen om de wetge-
ving. In India is de wetgeving op het 
kastenstelsel volledig afgeschaft. 
Iedereen die het land bezoekt vindt 
het echter nog terug. Het is nog 
dagelijks op straat te zien. 
Dan gaat het niet alleen om de 
wetten maar dan gaat het om de 
mentaliteit. Die kan alleen door de 
onderlinge verhoudingen gewijzigd 
worden. Alle boycotmaatregelen 
werken in dat verband contraproduk-
tief en werken het meest nadelig 
voor degenen die in de samenleving 
het minst bedeeld zijn. Dat werkt ook 
nadelig voor de frontlijnstaten en dus 
nadelig op de politieke stabiliteit van 
geheel zuidelijk Afrika. Is in de 
gesprekken ook dat ter sprake 
gekomen en is voorts ook over de 
buurlanden gesproken? 
Blij zijn wij dat in de brief duidelijk 
tot uitdrukking komt dat de noodtoe-
stand niet in geheel Zuid-Afrika is 
afgekondigd maar dat deze beperkt 
is tot 36 districten. Onze fractie meer 
in politieke dan in economische druk. 
Buitenlandse bedrijven hebben juist 
geleid tot grotere gelijkheid tussen 
blank en zwart wat de arbeid betreft, 
maar men komt natuurlijk via die 
weg nooit tot stemrecht. 
Daarom hopen wij dat de minister 
met zijn ambtgenoten voort zal gaan 
met diplomatieke druk uit te oefenen 
om van het apartheidssysteem af te 
komen, echter zonder het aanwakke-
ren van gewapend verzet. De  spreukenrechter zei het immers al: 
wie wind zaait, zal storm oogsten. 
Indien men iets wil bereiken dan 
geldt ook nu nog het Nederlandse  spreekwoord: Men vangt meer 
vliegen met stroop dan met azijn. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="158" partij="D'66" naam=" Engwirda">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Ik wil mijn bijdrage aan 
dit debat beginnen met de inval door 
Zuid-Afrika in Angola krachtig te 
veroordelen. Deze hernieuwde inval 
bewijst dat de republiek Zuid-Afrika 
volhardt in de halstarrige opstelling 
ten aanzien van Namibië en ook nu 
nog niet afziet van zijn agressieve 
politiek. Integendeel! Men heeft 
opnieuw zijn toevlucht gezocht in 
geweld tegen een buurland. Dit valt 
enigszins buiten de inhoud van de 
brief die de minister heeft gestuurd. 
Toch hoor ik graag visie op deze zeer 
tragische ontwikkeling. 
Wat het eigenlijke onderwerp 
betreft, wil ik allereerst het beleid 
jegens Zuid-Afrika kwalificeren met 
de woorden 'te weinig' en 'te laat'. 
Dit is eigenlijk de rode draad die door 
alle ontwikkelingen ten aanzien van 
Zuid-Afrika van de afgelopen tijd 
heen loopt. Dat geldt allereerst voor 
de EPS-missie als zodanig. 
Wij hebben deze missie gesteund, 
hoewel ook wij het wel een zeer 
mager resultaat vonden van het 
eerdere EPS-overleg over Zuid-Afrika. 
Nu, na de missie, kan echter definitief 
vastgesteld worden dat het regime in 
Zuid-Afrika zich aan een dergelijke 
missie niets gelegen laat liggen. Het 
resultaat van de missie is daardoor 
nul en dreigt zelfs naar het negatieve 
door de manier waarop met name de 
zwarte oppositie in Zuid-Afrika is 
benaderd. 
Nadat het namelijk onmogelijk 
bleek, de leiders van het ANC en het 
UDF te ontmoeten, wat op zichzelf al 
een schaduw over het bezoek wierp, 
hadden de ministers juist extra 
duidelijk van hun ondersteuning van 
het zwarte verzet tegen het aparts-
heidbewind moeten doen blijken, in 
plaats van wat nu is gebeurd de 
publieke indruk te geven dat de 
missie zich heeft laten inpakken door 
de machthebbers in Zuid-Afrika. 
De missie was al weinig meer dan 
een alibi voor het onvermogen van de 
EPS om tot gezamenlijke stappen te 
komen; het verloop van de missie 
heeft dat alleen nog maar duidelijker 
gemaakt. Zuid-Afrika is tevreden met 
dat bezoek. Wij hebben dat in de 
kranten kunnen lezen. De woorden 
'te weinig' en 'te laat' zijn verder ook 
van toepassing op het zogenaamde 
hervormingsprogramma van de 
Zuidafrikaanse regering. De leiders 
van het blanke minderheidsbewind 
zijn meesters in het produceren van 
mooie hoopgevende woorden die 
uitzicht lijken te bieden op daadwer-
kelijke hervormingen. 
Wij hebben dat ook gezien met de 
rede van president Botha voor het 
congres van zijn nationale partij. Keer 
Tweede Kamer 
18 september 1985 op keer blijken deze mooie woorden 
misleidend en blijven de hervormin-
gen marginaal en daardoor volstrekt 
onvoldoende. Dat is ook nu het 
geval. Het systeem van de apartheid 
wordt niet wezenlijk aangetast. 
Ik wil zeker niet ontkennen dat de 
door de Zuidafrikaanse regering 
aangekondigde teruggave van het 
Zuidafrikaanse staatsburgerschap 
aan de bewoners van de vier zoge-
naamde onafhankelijke thuislanden 
op zichzelf wel iets betekent. Wat is 
staatsburgerschap echter zonder 
politiek rechten? 
Het is op zijn hoogst een aanpassing 
van het apartheidssysteem. De 
apartheid moet echter niet worden 
aangepast, maar afgeschaft. 
De minister ziet in de verklaring die 
de Zuidafrikaanse regering na afloop 
van het bezoek heeft afgelegd een 
belangrijke vooruitgang. Wat is het 
echter waard wanneer de Zuidafri-
kaanse regering zegt dat zij de 
apartheid verwerpt, als daarmee 
wordt bedoeld rassendiscriminatie en 
aantasting van de menselijke 
waardigheid? Apartheid is rassendis-
criminatie en aantasting van de 
menselijke waardigheid. Toch 
verwerpt de Zuidafrikaanse regering 
die apartheid niet. 
Ik kom toe aan de uitspraken van 
de minister in het mondeling overleg 
over het 'one man one vote'-principe. 
Ik ben het eens met de minister 
wanneer hij zegt dat het niet aan 
Europa is om de toekomstige 
Zuidafrikaanse grondwet te gaan 
schrijven; dat moet worden gedaan 
door vertegenwoordigers van alle 
bevolkingsgroepen in Zuid-Afrika 
zelf. 'One man one vote' hoort 
daarbij als democratisch principe het 
uitgangspunt te zijn. Tevens moet 
een definitie van democratie niet 
alleen het regeren bij meerderheid 
omvatten, maar ook dat de meerder-
heid oog moet hebben en garanties 
moet bieden voor de belangen van 
minderheden. 
Als de minister dat bedoeld heeft, 
zijn wij het met hem eens, anders 
niet. Wil de minister duidelijk maken 
wat hij nu precies onder 'democratie' 
verstaat en wat dat in zijn visie voor 
Zuid-Afrika betekent?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="159" naam="Minister Van den Broek">
 Wil de 
geachte afgevaardigde zeggen dat 
mijn verklaring daarover, schriftelijk 
gegeven en naar ik meen ook door 
hem gevraagd, hem nog niet duidelijk 
is?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="160" partij="D'66" naam=" Engwirda">
 In het een 
na laatste punt geeft de minister aan 
dat hij het 'one man one vote'-principe 
als uitgangspunt neemt, maar in het 
laatste punt lees ik toch weer dat 
Zuid-Afrika uiteindelijk moet beslissen 
hoe dat vorm krijgt.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="161" naam="Minister Van den Broek">
 Vindtu
dat niet?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="162" partij="D'66" naam=" Engwirda">
 Ik vind 
dat voor de definitie van democratie 
zoals ik die zie twee uitgangspunten 
essentieel zijn waar niet mee te  sollen valt: het one-man-one-
vote-principe en de bescherming 
van minderheden.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="163" naam="Minister Van den Broek">
 Als men 
zelf zou willen kiezen in die nationale 
dialoog voor bij voorbeeld een 
federale staatsvorm, wordt dat dan 
dooruafgewezen?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="164" partij="D'66" naam="Engwirda">
 Ik zou dat 
niet bij voorbaat willen afwijzen, 
maar ik zou wel graag het commentaar 
van de minister horen op een brief 
die wij hedenmiddag hebben 
gekregen van het African National 
Congress, waarin gezegd wordt dat 
het 'one man one vote'-principe 
vastligt in het handvest van de 
Verenigde Naties, de universele 
verklaring van de mensenrechten en 
andere internationale documenten, 
waar ook Nederland zich achter 
geschaard heeft.  Minister Van  den Broek: Alsu
daaraan de interpretatie geeft dat het 
uitsluitend en alleen vorm kan krijgen 
in de eenheidsstaat, vindtubij wijze 
van spreken federale staatsvormen 
als in de Verenigde Staten of 
Zwitserland eigenlijk geen modellen 
die op Zuid-Afrika van toepassing 
kunnen zijn, ook niet als de mensen 
daar zelf voor kiezen. Alsuhet 
antwoord dat ikugegeven heb goed 
en zorgvuldig leest, dan zietudat ik 
niet heb gekozen voor een bepaalde 
uitwerking van 'one man one vote', 
omdat ik nogmaals vind en blijf 
vinden dat dat een zaak is voor alle 
Zuidafrikanen gezamenlijk. 
Daarmee zeg ik expliciet dat de de 
benadering dat'one man one vote' 
uitsluitend en alleen zijn vervulling 
kan krijgen in een eenheidsstaat ook 
niet de mijne is. Dan bentutoch met 
de blauwdruk bezig waarvanuzelf 
vindt dat ook Europa die niet aan 
Zuid-Afrika moet opleggen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="165" partij="D'66" naam="Engwirda">
 Als de 
minister met deze uitleg aangeeft dat 
het 'one man one vote'-principe voor 
hem recht overheid staat, maar dat 
de mogelijkheid van een federale 
staatsvorm open moet blijven, dan 
staan wij niet ver van elkaar. 
Te weinig en te laat is ook het 
resultaat van de EPS-bijeenkomst 
van vorige week. Opnieuw blijkt het 
niet mogelijk in EPS-verband te 
komen tot daadwerkelijke economi-
sche sanctiemaatregelen tegen 
Zuid-Afrika. Dat is des te schrijnender, 
omdat de ontwikkelingen in en rond 
Zuid-Afrika inmiddels weer zoveel 
verder zijn. Na de mislukte missie 
had het treffen van economische 
sancties van EG-zijde toch voor de 
hand gelegen, als ik er tenminste 
vanuit mag gaan dat de Gemeenschap 
geloofwaardig wil blijven als bestrijd-
ster van het apartheidssysteem. 
Verder dan enkele beperkende 
maatregelen, waarvan een aantal 
bovendien niet meer is dan een 
herbevestiging van al bestaand 
beleid, is men in Europees verband 
niet gekomen en zelfs daarover kon 
nog geen volledige overeenstemming 
worden bereikt. 
Ook voor de zogenaamde positieve 
maatregelen, die wij op zichzelf 
toejuichen, geldt dat ze grotendeels 
al bestaand beleid weergeven. Het 
enige echt opmerkelijke punt in de 
aangekondigde maatregelen, is het 
stoppen van olie-exporten naar 
Zuid-Afrika. De minister sprak tijdens 
het mondeling overleg over alle in 
West-Europa geproduceerde olie en 
zei te streven naar maximale restric-
tieve maatregelen. Toch concludeer 
ik uit de tekst van het EPS-communiqué 
dat die maatregel eigenlijk alleen 
slaat op rechtstreekse export van 
Noordzee-olie en niet van toepassing 
is op de doorvoer van olie via 
Europese havens. Ik sluit mij aan bij 
vragen van collega's naar dit punt. 
Wat blijft er dan nog over? Eigenlijk 
bitter weinig. Daadwerkelijke 
economische sancties houdt de EG 
weliswaar nog achter de hand, maar 
hoeveel ernstiger moet de situatie in 
Zuid-Afrika nog worden, voordat de 
EG echte actie onderneemt? Waarom 
is in het kader van de EPS niet nu 
gevolg gegeven aan de oproep van 
de Veiligheidsraad tot het treffen van 
economische sancties, vooral ten 
aanzien van nieuwe investeringen in 
Zuid-Afrika? 
Die opstelling van de Europese 
Gemeenschap speelt de Zuidafrikaan-
se regering in de kaart bij het 
volharden in haar positie. Van 
woorden zal zij niet onder de indruk 
zijn en tot echte daden is de EG niet 
in staat. Daarbij lacht het apartheids-
regime in zijn vuistje. 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
44 

</spreker>
<spreker pagina="" anker="166" partij="CDA" naam=" De Boer">
 In Zuid-Afrika 
heeft de regering zich er altijd op 
beroepen dat zij in haar bestrijding 
van de binnenlandse onrust, zoals 
het door haar gezien werd, bezig was 
de belangen van het Westen te 
dienen. Het moet toch keihard zijn 
aangekomen, dat het gehele Westen 
zich nu van Zuid-Afrika afkeert? 
De Europese maatregelen komen 
op vrijwel hetzelfde moment als de 
Amerikaanse. Engeland heeft niet 
gezegd dat het tegen de Europese 
maatregelen was, maar dat het niet 
wist wanneer en waarom precies het 
zou meedoen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="167" partij="D'66" naam=" Engwirda">
 Uit 
publieke reacties blijkt dat men in 
Pretoria tevreden was over het 
bezoek van de missie van de EPS. In 
de tweede plaats heeft de Veiligheids-
raad, die toch bij uitstek het forum is 
om te zeggen wat er in deze zeer 
ernstige situatie van rassendiscrimi-
natie moet gebeuren, een oproep 
gedaan aan de lidstaten, waaronder 
Nederland, om te komen tot een 
stopzetting van nieuwe investeringen 
tot economische sanctiemaatregelen. 
Die oproep van de Veiligheidsraad is 
noch door de Verenigde Staten noch 
door de landen van de Europese 
Gemeenschap nagekomen en dat 
vind ik zeer teleurstellend.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="168" partij="CDA" naam=" De Boer">
 ledere 
schooljongen die een pak op zijn  broek heeft gehad, roept toch: het 
doet geen pijn! Laten wij nou even 
wel wezen!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="169" partij="D'66" naam=" Engwirda">
 Ik weet 
niet ofude Zuidafrikaanse regering 
met een schooljongen wilt vergelijken, 
maar ik schat haar van iets meer 
gewicht en dat is nu juist het 
probleem. 
Voorzitter! Ik kom op de houding 
van Nederland. De minister volhardt 
in zijn opstelling dat maatregelen 
alleen in Europees verband genomen 
kunnen worden. Hij heeft liever 
vooruitgang in de EPS dan eenzijdige 
Nederlandse maatregelen. Met dat 
laatste is mijn fractie het graag eens, 
met het eerste niet. De EPS mag 
geen alibi vormen om af te zien van 
zelfstandige Nederlandse stappen, 
als blijkt dat het niet mogelijk is om 
in Europees verband tot daadwerke-
lijke sancties te komen. 
Natuurlijk moet daarnaar blijvend 
worden gestreefd, maar het één sluit 
het ander niet uit. Mijn fractie heeft 
daarvoor geen enkel begrip meer. 
Wil de minister uitleggen op grond 
van welke argumenten Nederland 
zich niet moet aansluiten bij maatre-
gelen zoals door Zweden, Denemar-
ken en Frankrijk inmiddels zijn 
getroffen en waarom Nederland geen 
gevolg moet geven aan de oproep 
van de Veiligheidsraad om economi-
sche sancties tegen Zuid-Afrika te 
treffen? Ik stel vooral die laatste 
vraag met nadruk. 
Ik heb tijdens het mondeling 
overleg gevraagd, hoe de minister de 
tevredenheid die hij indertijd toonde 
met de op Nederlands initiatief door 
de Veiligheidsraad gedane oproep 
tot een vrijwillig embargo op wapen-
import uit Zuid-Afrika rijmt met het 
kennelijk gemak waarmee hij nu een 
soortgelijke oproep, dus ook niet 
bindend maar vrijwillig, van diezelfde 
Veiligheidsraad voor economische 
sancties naast zich neerlegt. 
De minister antwoordde in dat 
overleg, dat het embargo op wapen-
import door Nederland wordt gezien 
als een verlengde van het mandatoire 
embargo op wapenexport. Op 
zichzelf is dat juist, maar daar gaat 
het hier niet om. Nederland was 
indertijd ook niet ontevreden over de 
vorm van resolutie 558, namelijk een 
oproep om geen wapens uit Zuid-
Afrika in te voeren. 
In het verslag 'Nederland in de 
Veiligheidsraad november tot 
december 1984' en in het mondeling 
overleg dat daarover is gevoerd, 
stelde de minister dat een oproep het 
maximaal haalbare was en dat 
mandatoire sancties van de Veilig-
heidsraad geen kans zouden maken. 
Dat betekent dus dat een niet-man-
datoire oproep tot de listaten van de 
Verenigde Naties het meest vergaan-
de was waartoe de Veiligheidsraad 
toen in staat bleek. 
Dan ligt het toch voor de hand dat 
Nederland, dat zoveel waarde hecht 
aan de Verenigde Naties en aan de 
Veiligheidsraad, ook wanneer het 
gaat om het treffen van economische 
sancties aan een dergelijke oproep 
gevolg geeft en daaraan niet allerlei 
bijkomende voorwaarden gaat 
verbinden? Mijn fractie vindt dat 
werkelijk onbegrijpelijk en doet een 
dringend beroep op de minister om 
de geloofwaardigheid van het 
Nederlandse beleid ten opzichte van 
Zuid-Afrika te herstellen. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="170" partij="GPV" naam="Schutte">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Het bezoek dat door 
vertegenwoordigers van de EPS 
onder leiding van de minister van 
Buitenlandse Zaken van het Groother-
togdom Luxemburg aan Zuid-Afrika 
is gebracht, is een diplomatiek niet 
onbelangrijke stap. Blijkens de 
verklaring van de Luxemburgse 
minister, gedaan in Johannesburg op 
1 september, heeft de delegatie een 
unieke gelegenheid gehad om haar 
kennis van de situatie in Zuid-Afrika 
te verbeteren. Onze minister van 
Buitenlandse Zaken kan nu dus een 
ieder die hem tegenwerpt, pas over 
Zuid-Afrika te oordelen als je er 
geweest bent, recht in de ogen zien. 
Het doel van de trojka-missie naar 
Zuid-Afrika was het bespreken van 
de ontwikkelingen aldaar, teneinde 
uiting te geven aan de ernstige 
verontrusting van de Europese 
landen over de situatie in Zuid-Afrika. 
Ik heb er waardering voor dat ook 
onze ministervan Buitenlandse 
Zaken, al was het dan min of meer 
toevalligerwijs, deel uitmaakte van 
deze missie, want tot voor kort werd 
het Nederlandse beleid ten aanzien 
van Zuid-Afrika op dit punt voorname-
lijk gevoerd met de rug naar de 
regering van dat land toe. En dat zal 
ook in de toekomst nog wel gebeuren, 
dunkt mij, maar het bezoek van de 
minister aan Zuid-Afrika kan mijns 
inziens toch het afscheid betekenen 
van de politiek van het wat makkelijke 
gebaar en een nieuwe betrokkenheid 
bij de echte problemen van dit 
etnisch en cultureel zo verdeelde 
land inhouden. Wel heeft het mij 
enigszins verbaasd om nu een 
Nederlandse ministervan Buitenland-
se Zaken naar dat land te zien gaan, 
aangezien hij en zijn voorgangers dit 
land eerst consequent hebben 
gemeden. Waarom is een dergelijk 
bezoek nu in EPS-verband wel 
mogelijk, terwijl het eerder op eigen 
Nederlands houtje blijkbaar niet kon? 
In het mondeling overleg van 
vorige week heeft de minister 
gezegd, eigenlijk bijna bezworen, dat 
de drie ministers in Zuid-Afrika niet 
onder de indruk zijn geraakt van het 
betoog van de Zuidafrikaanse 
president. Ik zie niet goed in, waarom 
men zich altijd voor een dergelijke 
reactie zou moeten schamen, want 
die indruk is toch een beetje gewekt. 
Belangrijker is, dat de missie kennelijk 
wel onder de indruk is gekomen van 
de ernst en de bijzondere situatie van 
de Zuidafrikaanse problemen. Iets 
van de ommacht waardoor op dit 
moment de Zuidafrikaanse regering 
bevangen lijkt, is ook zichtbaar 
geworden in de reactie van de drie 
EPS-ministers. 
Wat de heer Botha niet kan,  kunnen zij nog wel: zeggen dat zij 
geen blauwdruk willen geven voor de 
oplossing van de Zuidafrikaanse 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
45 problemen en volstaan met het 
uitspreken van de dringende wens, 
de apartheid op te heffen. 
De Zuidafrikaanse president had 
tevoren bekend gemaakt dat hij 
slechts aan het bezoek wilde meewer-
ken, mits de trojka zich niet zou 
mengen in de interne aangelegenhe-
den van Zuid-Afrika. Maar tijdens het 
bezoek bleek wel dat de Zuidafrikaan-
se regering het begrip 'interne 
aangelegenheden' niet zo beperkt 
opvatte. De Europese ministers 
hebben zich immers met bijna alle 
aangelegenheden kunnen bezighou-
den. Zij hadden van hun verlangens 
ook bepaald geen geheim gemaakt. 
Die waren tevoren bij de Zuidafrikaan-
se regering heel goed bekend. Het is 
van belang, dat zij desondanks 
welkom waren. 
Uit het verslag van de reis blijkt dat 
in het bijzonder werd aangedrongen 
op het opheffen van de noodtoestand 
die thans in delen van Zuid-Afrika is 
afgekondigd. Nu is een noodtoestand 
natuurlijk geen aangename situatie, 
zeker niet in het Zuid-Afrika van dit 
moment. Het zou echter ook in 
Nederland geen plezierige situatie 
zijn als gebruik zou moeten worden 
gemaakt van de grondwettelijke 
mogelijkheid om een dergelijke 
toestand af te kondigen. Ik verneem 
graag van de minister, waarom hij en 
zijn collega's zich gerechtigd 
voelden, te vragen om een onmiddel-
lijke opheffing van de noodtoestand 
in Zuid-Afrika. 
Was naar hun oordeel die noodtoe-
stand hoe dan ook ten onrechte 
uitgeroepen? Was er geen enkele 
reden voor geweest? Ging het ook 
hier niet om een binnenlandse 
aangelegenheid, waar de Europese 
ministers beter buiten konden blijven, 
in elk geval totdat zij hun verkennings-
tocht ter plaatse hadden afgerond? 
Dezelfde vragen kunnen gesteld 
worden over de Europese wens om 
Nelson Mandela vrij te laten. Het zal 
de minister van Buitenlandse Zaken 
ongetwijfeld bekend zijn dat de heer 
Mandela slechts vrijgelaten wil 
worden op zeer vergaande voorwaar-
den. Kan men in redelijkheid van een 
regering verlangen, iemand vrij te 
laten die heeft aangekondigd na zijn 
vrijlating zich onmiddellijk aan het 
hoofd te stellen van een oppositionele 
beweging die het gebruik van geweld 
niet schuwt? De al of niet vrijlating 
van de heer Mandela is bepaald niet 
uitsluitend een zaak van humaniteit, 
maar voor Zuid-Afrika primair één 
van staatsbelang. Graag hoor ik 
hierover de mening van de minister. 
Uit persberichten is wel gebleken 
dat de Zuidafrikaanse regering met 
enige zelfvoldaanheid terugziet op 
het bezoek van de Europese ministers. 
Het bezoek heeft het Zuidafrikaanse 
apartheidsregime weliswaar niet 
gelegitimeerd, maar in zekere zin wel 
het bijzondere karakter van de 
Zuidafrikaanse problemen. Toch 
heeft die zelfvoldaanheid iets 
beangstigends, want als er één ding 
de laatste weken duidelijk is gewor-
den, dan is het dat de Zuidafrikaanse 
regering zelf eigenlijk niet weet hoe 
zij haar problemen moet oplossen. 
Achter al het geweld in de Zuidafri-
kaanse samenleving, het afschuwelij-
ke politie-optreden, de verwerpelijke 
wijze van bejeging van gevangenen, 
is niet zozeer de hand van een 
repressieve overheid zichtbaar, maar 
eerder één van een onzekere overheid. 
Ook de Zuidafrikaanse regering wil 
de apartheid opheffen; over het 
tempo en de termijn bestaat echter 
veel onduidelijkheid. Dit kan men 
tenminste lezen in de stukken van de 
minister. 
Ik vrees echter dat dit toch niet het 
wezenlijke probleem is. Het echte 
probleem waar Zuid-Afrika voor 
staat, is het vinden van een perspectief 
om een model van samen leven te 
vinden waarin alle Zuidafrikanen 
politieke rechten hebben en die op 
een zodanige wijze kunnen uitoefenen 
dat binnenlandse vrede en recht 
mogelijk worden en blijven. 
Hoe dat moet, weten de Europese 
ministers niet, maar wat belangrijker 
is, dat weet ook de regering-Botha 
niet. Iets van de problematiek is 
gebleken uit de opmerking van de 
Zuidafrikaanse regering dat het in 
Zuid-Afrika gaat om een confrontatie 
van gemeenschappen, waarvan 
sommigen primair de karakteristieken 
van de Eerste Wereld dragen en 
andere vooral in Derde-Wereldtermen 
dienen te worden gekarkteriseerd. 
Voor dat probleem, zo blijkt uit de 
brief van de Europese ministers, 
heeft de Zuidafrikaanse regering 
aandacht gevraagd. Ik wil graag van 
de minister vernemen, in welke 
termen deze aandacht is gevraagd. 
Welke argumenten zijn daarbij 
gebruikt en hoe hebben de Europese 
ministers daarop gereageerd? 
Ik begrijp in dit verband niet, 
waarom de minister er in het 
mondeling overleg van vorige week 
de voorkeur aan gaf, geen antwoord 
te geven op de vraag of de bescher-
ming van minderheden in Zuid-Afrika 
een doorkruising vormt van het 
beginsel van one man, one vote. In 
de al eerder door mij genoemde 
verklaring van de Luxemburgse 
collega van de minister lees ik dat de 
opheffing van de apartheid niet 
uitsluit dat voorzieningen worden 
getroffen voor de bescherming van 
minderheden. Waarom was onze 
minister van Buitenlandse Zaken dan 
zo terughoudend op dit punt? Kan hij 
niet erkennen dat het gaat om één 
van de meest centrale vraagstukken 
van het Zuidafrikaanse probleem?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="171" naam="Minister Van den Broek">
 Die 
terughoudendheid op dat punt staat 
mij niet meer bij.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="172" partij="GPV" naam="Schutte">
 Ik heb de 
vergadering niet kunnen bijwonen, ik 
heb het moeten doen met het 
verslag. Daaruit kwam een zekere 
terughoudendheid naar voren. 
Welke beslissing er ook genomen 
zal moeten worden in de komende 
tijd, het zal er één zijn die buitenge-
woonveel moed en ook politieke 
creativiteit zal vergen. Wat is erop 
tegen om op dit punt de Zuidafrikaan-
se regering bij te staan? Waarom kan 
men wel veel zaken veroordelen in 
Zuid-Afrika, maar tegelijkertijd niet 
spreken over legitieme mogelijkheden 
voor het vinden van oplossingen? Wij 
zijn het stadium gepasseerd, waarin 
het Zuidafrikaanse volk alleen 
geholpen kanworden door het beleid 
van de regering te veroordelen. 
In feite is het gedrag van de 
Zuidafrikaanse regering de laatste 
weken zelf al een veroordeling van 
het door haar gevoerde beleid in de 
afgelopen jaren. Daarmee is zij in een 
uiterst kritieke situatie terechtgeko-
men. Als dat onderkend wordt, zullen 
Nederland en Europa een echte 
bijdrage kunnen leveren aan het 
zoeken naar oplossingen voor een 
vreedzame en rechtvaardige samen-
levingsconstructie. Een oplossing die 
uiteraard door alle groeperingen in 
Zuid-Afrika gedragen moet kunnen 
worden. Als Nederland in en buiten 
EPS-verband daarvoor zou durven 
kiezen, kunnen ook met des te meer 
recht afstotende uitwassen van het 
apartheidsbewind worden veroor-
deeld. Als zelfs niet over de mogelijk-
heid van bescherming van minderhe-
den in Zuid-Afrika kan worden 
gespoken, doen ons land en Europa 
er maar beter aan voorlopig te 
zwijgen over Zuid-Afrika. 
Ik heb het gewaardeerd dat de 
minister naar Zuid Afrika is gegaan. 
Daarmee is de mogelijkheid gescha-
pen voor een echte inhoudsvolle 
dialoog. Het zal ook een bijdrage van 
ons land vergen die veel moeilijker is 
dan het Zuid-Afrikabeleid zoals wij 
dat in de afgelopen tien jaar gewend 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
46 zijn. Ik hoop dan ook dat het niet bij 
dit ene bezoek zal blijven. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="173" partij="EVP" naam=" Ubels-Veen">
 
Mijnheer de Voorzitter! Binnen 
enkele maanden zijn wij hiervoor de 
tweede maal bijeen om te spreken 
over de situatie in Zuid-Afrika. Op 
zichzelf is dit debat een goede zaak 
en bovendien ook hoogst noodzake-
lijk, gezien de ernstige geweldsuitbar-
stingen van de laatste tijd. Echter, de 
directe aanleiding tot dit debat, 
namelijk de situatie in Zuid-Afrika en 
de reis van onze minister van 
Buitenlandse Zaken te zamen met 
enkele Europese collega's, stemt mij 
allerminst tevreden. 
Deze reis, die slechts informatief 
van aard zou zijn, wordt door Botha 
als een succes beschouwd en door 
de leiders van het UDF bestempeld 
als een totale mislukking, maar ook 
de minister noemde de reis succesvol. 
Wij vragen ons af waar hij dat aan 
afmeet. De doelstellingen waren 
slechts informatief, maar het 
daadwerkelijke effect van deze reis 
gaat ver uit boven alleen maar 
informatie en is ten aanzien van het 
afbreken van de apartheid zelfs 
negatief. 
Elke daadwerkelijke stap tegen 
apartheid, zoals economische 
sancties, kan volgens de minister de 
toets der effectiviteit niet doorstaan. 
Ik vraag mij dan af hoe effectief deze 
missie geweest is. Heeft de reis van 
de drie werkelijk ook maar iets 
bijgedragen aan het uiteindelijke 
doel, namelijk afschaffing van de 
apartheid? Veeleer heeft deze reis de 
heer Botha en de zijnen moreel 
gesteund. Het is hem duidelijk 
geworden dat hij van Europa weinig 
te vrezen heeft. 
Het lijkt mij niet nodig hier een 
uitgebreide beschouwing te geven 
over het onrecht dat de zwarte 
bevolking aangedaan is en over hoe 
geraffineerd en wreed de onderdruk-
king is die zelfs kinderen niet ontziet. 
In haar recent verschenen boek 'Een 
stuk van mijn ziel' noemt Winnie 
Mandela apartheid zelfs volkeren-
moord. Toch kan ik het niet nalaten 
de aandacht te vestigen op een 
rapport van twee wetenschappers 
van de universiteit van Kaapstad, die 
vastgesteld hebben dat ruim 80% van 
de gevangenen in Zuid-Afrika 
gemarteld wordt, ruim 80%! 
De slachtoffers zijn geen misdadi-
gers - natuurlijk mag dan ook geen 
marteling plaatsvinden - maar het 
betreft mensen die het recht liefheb-
ben; mensen die vanwege de 
veiligheidswetten opgepakt worden 
en zonder onderzoek naar de 
aanklacht maanden vastgehouden 
kunnen worden. Ik zou natuurlijk 
kunnen vragen of de minister zich 
over het martelen heeft laten 
inlichten. 
De ontwikkelingen in Zuid-Afrika 
staan op dit moment niet stil. De 
minister noemt twee belangrijke 
tendensen waarop ik kort in wil gaan. 
Allereerst meent de minister te 
ontwaren dat er bij alle Zuidafrikaners 
de overtuiging leeft dat fundamentele 
veranderingen noodzakelijk zijn. Is dit 
een teken van hoop? Er zijn inderdaad 
verschuivingen van standpunten 
waar te nemen, met name wil ik 
hierbij wijzen op de nederduits 
gereformeerde kerk, de theologische 
pijler van de apartheid. Nu zijn 
groepen leden van deze kerk bereid 
het boetekleed aan te trekken en 
wordt er met klem gepleit voor een 
verzoeningspolitiek in Zuid-Afrika. 
Het doet mij als woordvoerster van 
de EVP goed dit te mogen constate-
ren. 
Tevens wil ik de zakenlieden 
noemen die met het ANC gesproken 
hebben, al zijn hun motieven wellicht 
van een aard waardoor de VVD zich 
zal voelen aangesproken. Ook 
uitspraken van de Zuidafrikaanse 
regering doen de minister vermoeden 
dat het begint te gloren. Minister Van 
den Broek is dan ook, alhoewel hij 
geen enkele concrete maatregel te 
horen heeft gekregen, hoopvol 
gestemd over de intenties van de 
regering. Enige scepsis is hierbij wel 
op zijn plaats. De eerdergenoemde 
zakenlieden zijn duidelijk minder 
hoopvol gestemd door de uitspraken 
van hun regering. Zij, die veel belang 
hebben bij een rustige en stabiele 
situatie, vrezen dat de regering niet 
in staat is de nodige hervormingen te 
introduceren en proberen vervolgens 
zelf bruggen te slaan naar het ANC. 
Dat is een politieke daad waarmee 
zij Botha en de zijnen behoorlijk 
tegen zich in het harnas jagen en een 
opstelling die de trojka in elk geval zo 
angstvallig heeft vermeden. 
Een tweede ontwikkeling die de 
minister noemt, is de groeiende 
frustratie en machteloosheid onder 
de zwarten die lijden onder het 
apartheidsgeweld. Dit lijkt mij een 
niet onbelangrijke constatering die 
ons zeer zou moeten verontrusten. Er 
is sprake van een duidelijke radicali-
sering van met name de jongeren. 
Meer gematigde leiders die de 
processen eventueel nog enigszins in 
de hand zouden kunnen houden, zijn 
en worden in de gevangenis gezet. 
Ik zou de situatie daarom ook als 
zeer explosief willen beschrijven. Ik 
vraag de minister of hij deze gevoelens 
in Zuid-Afrika zelf ook heeft ervaren. 
De EVP hoopt nog steeds op een 
vreedzame oplossing in Zuid-Afrika, 
maar is zich ervan bewust dat deze 
snel moet worden gerealiseerd. De 
tijd dringt. Nog leeft bij veel zwarten 
de overtuiging dat er een multiraciale 
samenleving moet en kan komen 
waar blank en zwart gelijkwaardig 
zijn en vredig kunnen samenwonen. 
Ook de trojka is, zo lees ik, van 
verscheidene kanten erop gewezen 
dat de toenemende polarisatie het de 
gematigde krachten uit zowel de 
zwarte als de blanke gemeenschap-
pen onmogelijk kan maken om nog 
tot een vreedzame oplossing te 
komen. Een snelle oplossing is ook 
nodig, of misschien juist nodig, ter 
behoud van de blanken. Apartheid is 
niet alleen onderdrukkend en 
vernederend voor de zwarte meerder-
heid. 
Apartheid zet bovendien de 
toekomst van de 4 min. blanken op 
het spel. Apartheid knevelt ook de 
blanken in angst en onzekerheid. 
Zoals gezegd, de tijd dringt. Daarom 
is een termijn van anderhalf jaar die 
de heer Poos, de delegatieleider, de 
Zuid-Afrikaanse regering nog wil 
geven om hun intenties te realiseren, 
volgens mij niet meer mogelijk. Wij 
moeten ons op dit moment richten 
op een nationale dialoog van verzoe-
ning. 
Ik geloof dat wij het in dit huis 
daarover wel eens zijn. Wij moeten 
daarom ook alles in het werk stellen 
om deze dialoog op korte termijn 
mogelijk te maken. Voordat deze 
plaatsvindt, moet aan een aantal 
voorwaarden worden voldaan. De 
rust en orde moeten niet eerst 
hersteld zijn, zoals Pretoria en ook de 
heer Poos beweren. De apartheid zelf 
is oorzaak van alle geweld. Gelukkig 
heeft onze minister wat dit betreft 
wat meer realiteitszin. 
De voorwaarden zijn duidelijk door 
vrijwel alle oppositionele groepen  aan de trojka meegedeeld: het 
vrijlaten van alle politieke gevangenen, 
in het bijzonder Nelson Mandela; het 
opheffen van banning-orders; 
beëindiging van de noodtoestand; 
het tot stand komen van een nationale 
dialoog, waarbij de duidelijke 
bereidheid van de Zuid-Afrikaanse 
regering moet blijken om tot een 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
47 fundamentele verandering van de 
apartheid te komen. 
Het lijkt mij goed juist wat deze 
punten betreft meer druk uit te 
oefenen op de Zuid-Afrikaanse 
regering. De door de negen plus 
twee aanvaarde sancties zijn wellicht 
een stap in de goede richting, maar 
het is te weinig. Wij zouden daarom 
de Zuid-Afrikaanse regering moeten 
tonen dat wij niet terugschrikken om 
verdergaande maatregelen te nemen. 
Om niet voorbij te gaan aan de 
geschetste ontwikkelingen stelt de 
EVP voor om de Zuid-Afrikaanse 
regering drie maanden te gunnen om 
een andere gezindheid te tonen door 
aan de eerder genoemde voorwaarde 
van een nationale dialoog gehoor te 
geven. 
Mocht de Zuid-Afrikaanse regering 
hier niet op ingaan, dan zal Nederland 
overgaan tot economische sanctie-
maatregelen. In die drie maanden zal 
Nederland trachten zoveel mogelijk 
landen erbij te betrekken, zodat een 
zo groot mogelijk effect zal kunnen 
worden bereikt. Ik heb dit vastgelegd 
in een motie. 
Motie  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="174" naam="De voorzitter">
 Door het lid Ubels-
Veen wordt de volgende motie  voorgesteld: 
De Kamer, 
gehoord de beraadslaging; 
overwegende, dat door toenemende 
radicalisering de kans op een 
vreedzame oplossing in Zuid-Afrika 
kleiner wordt, waardoor de noodzaak 
tot snelle fundamentele hervormingen 
groeit; 
overwegende, dat voor een bevredi-
gende oplossing zo spoedig mogelijk 
een nationale dialoog mogelijk 
gemaakt moet worden; 
verzoekt, indien de Zuidafrikaanse 
regering voor 1 januari 1 986 niet aan  de volgende voorwaarden voldoet: 
- het vrijlaten van alle politieke 
gevangenen, in het bijzonder Nelson 
Mandela, en het opheffen van alle 
verbanningen; 
- de beëindiging van de noodtoe-
stand; 
- het tot stand brengen van een 
agenda voor een nationale dialoog, 
waaruit duidelijke bereidheid van de 
Zuidafrikaanse regering moet blijken 
tot fundamentele veranderingen; 
de Nederlandse regering effectieve 
economische sanctiemaatregelen 
tegen Zuid-Afrika te nemen, waarbij 
zij zal trachten bij andere landen een 
zo breed mogelijke steun te vinden, 
en gaat over tot de orde van de dag. 
Naar mij blijkt, wordt deze motie 
voldoende ondersteund. 
Zij krijgt nr. 36 (17 895).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="175" partij="EVP" naam="Ubels - Veen">
 
Mijnheer de Voorzitter! Misschien 
denktudat ik van mijn geloof ben 
afgevallen door nu niet te pleiten 
voor directe economische sancties, 
maar ik ben er nog steeds van 
overtuigd dat alleen harde economi-
sche sanctiemaatregelen het 
zelfvertrouwen en de arrogantie van 
de Zuidafrikaanse regering aan het 
wankelen kunnen brengen. Juist 
omdat de EVP zo graag zou zien dat 
de komende veranderingen in 
Zuid-Afrika vreedzaam verlopen, 
meent zij met de heer Beyers Naudé, 
zoals deze na het gesprek met de 
trojka aan de pers mededeelde, dat 
een van de weinige resterende 
geweldloze maatregelen econo-
mische sanctiemaatregelen zijn. 
Zuid-Afrika kan dus in drie maanden 
laten zien of het werkelijk bereid is 
tot fundamentele veranderingen. De 
Nederlandse regering zou in die drie 
maanden zo veel mogelijk landen om 
zich heen moeten verzamelen om , 
mocht Zuid-Afrika in een halsstarige 
houding volharden, met ingang van 1 
januari aanstaande gezamenlijk tot 
economische sancties over te gaan. 
Slechts het opheffen van de noodtoe-
stand en het voeren van gesprekken 
op voet van gelijkwaardigheid met 
een vrije, nu nog gevangen, verbannen 
of gebonden oppositie, kan bijdragen 
tot de totstandkoming van een 
blauwdruk van een vrij en democra-
tisch Zuid-Afrika voor alle inwoners, 
zwart en blank. In drie maanden 
moet een dergelijk beleid, zowel in 
Nederland als in Zuid-Afrika, krachtig 
van de grond komen. 
Tot slot wil ik de minister nog 
wijzen op wat de minister de Zuid-
afrikaanse regering heeft voorgehou-
den, namelijk dat het niet zozeer gaat 
om woorden, als wel om daden. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 De heer Janmaat : Mijnheer de 
Voorzitter! De EG-trojka is onverrich-
ter zaken teruggekeerd en dat was 
eigenlijk van tevoren wel te voorzien. 
Waar de ministers op gestuit zijn in 
Zuid-Afrika is een proces dat wij ook 
in Midden-Amerika tegenkomen. 
Daar botsen twee wereldmachten, 
namelijk de Verenigde Staten en de 
Sovjet-Unie, bij pogingen tot 
uitbreiding van hun macht en 
invloed. De EG zit daar tussen. Dat  wil zeggen: wij staan natuurlijk 
toch, vrijwillig dan wel gedwongen, 
aan de Amerikaanse kant. 
Als wij de internationale situatie in 
Zuid-Afrika bekijken, mogen wij 
zeggen dat van de hooggespannen 
verwachtingen in de jaren '60 bij het 
tot stand komen van vele ontwikke-
lingslanden tot zelfstandige naties, 
ook in Zuid-Afrika, eigenlijk niets 
terecht is gekomen. Die hooggespan-
nen verwachtingen zijn ook in staten 
met gematigd socialisme, waarvan 
wij in West-Europa democratische 
voorbeelden kennen, niet uitgekomen. 
De meeste van die landen zijn terecht 
gekomen onder een sterke Sovjet-in-
vloed. Sommige van die landen zijn 
nog aan het worstelen met de vraag 
welke keuze ze definitief moeten 
maken, zo ze daar toe in staat zijn. 
De aangrenzende landen in 
Zuid-Afrika tonen dus eigenlijk een 
machtsbeeld dat eerder de Sovjet-
Unie dan de Verenigde Staten een 
ruggesteun geeft. Het schenden van 
de mensenrechten in die landen vindt 
ook in hoge mate plaats. Ook daar is 
met betrekking tot het geweld een 
steeds opkomende tendens te zien. 
De invloed van de Sovjet-Unie 
versterkt dat proces. Wij mogen dus 
niet vreemd staan te kijken dat zich 
dat voort gaat zetten in Zuid-Afrika. 
Natuurlijk is het eerste standpunt van 
iedere regering dat zij afblijft van het 
leven van de burgers. 
Dat heeft zij te respecteren. Als dat 
in Zuid-Afrika in zo hoge mate niet 
gebeurt, is het daar dus goed mis. De 
Zuidafrikaanse regering zal toch zelf 
niet de situatie in eigen land onnodig 
willen bemoeilijken. Wij kunnen ons 
dus afvragen wat de bevrijdingsbewe-
gingen beweegt tot het inzetten van 
zoveel geweld. Er wordthier in de 
Kamer wel gevraagd om het vrijlaten 
van Nelson Mandela, maar het lijkt 
mij goed te weten dat op het 
moment dat deze man zijn politieke 
activiteiten in het noorden van 
Zuid-Afrika ging stimuleren, er van 
Russische duikboten voor de kust 
wapenmateriaal werd uitgeladen. 
Als wij dus denken dat wij een 
oplossing in Zuid-Afrika bevorderen 
door deze man vrij te laten, althans 
door daartoe druk uit te oefenen op 
de Zuidafrikaanse regering, dan 
geloof ik dat wij het paard achter de 
wagen spannen, dat de explosieve 
situatie in Zuid-Afrika wordt verergerd 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
48 

	

en dat daardoor meer steun van 
Sovjet-zijde valt te verwachten. 
Die terreur komt natuurlijk niet 
alleen van de Zuidafrikaanse regering. 
Dat is hier al gezegd. Het lijkt goed 
erop te wijzen - de minister van 
Buitenlandse Zaken zal er ongetwijfeld 
kennis van hebben genomen - dat de 
gekleurde bevolking onderling slaags 
raakt in groepen. Dit kan nog een 
uiting van emotie zijn. Wat nog veel 
triester is, is dat die delen van de 
Zuidafrikaanse gekleurde bevolking 
die niet voor de gewelddadige 
aanpak van de Zuidafrikaanse situatie 
zijn, meedogenloos worden afge-
maakt. Dat is de aanpak die daar 
plaatsvindt. Dat is ook de aanpak die 
in de aangrenzende landen de 
hoopvolle situatie definitief tot een 
einde heeft gebracht. 
De vraag is dus wat Europa kan 
doen. Hoe kunnen wij invloed 
uitoefenen op Zuid-Afrika. De 
economische sancties zijn daar ter 
sprake geweest. Nu heeft de Ameri-
kaanse president Wilson dit in de 
twintiger jaren ook geprobeerd. Wij 
hebben gezien dat dit volledig 
mislukt is. Dit zou geen reden zijn om 
het nu niet opnieuw te proberen. Wij 
kunnen constateren dat de Verenigde 
Staten zelf een aantal maatregelen 
hebben genomen die echt een 
papieren tijger zijn. Het stelt niets 
voor. Het is ook duidelijk. 
Ik hoop te hebben duidelijk 
gemaakt dat de wereldmachten daar 
botsen. Als wij dat in EEG-verband 
voor elkaar krijgen, behoeven wij ons  natuurlijk geen illusies te koesteren: 
Zuid-Afrika krijgt geleverd wat het 
nodig heeft. De dupe wordt dus de 
EEG. Uit die logische conclusie kan je 
makkelijk afleiden dat de EEG dus 
verdeeld is. Mag ik mij opnieuw 
verwonderd afvragen waarom de 
grootste partij in Nederland nu zo 
staat te pleiten voor een eenzijdige 
boycot? 
Wat wij boycotten, wat wij niet 
willen leveren, komt of uit de 
Verenigde Staten of uit Israël. Vooral 
Israël onderhoudt goede relaties met 
Zuid-Afrika. Je kan dus zeggen dat 
een eenzijdige boycot door Nederland 
niet in het nadeel van Zuid-Afrika is. 
Dat is in het voordeel van Israël. 
Hoewel ik Israël een warm hart 
toedraag, wil ik toch aan dat soort 
bewegingen niet meedoen. 
Als wij Israël willen steunen, zoals 
onlangs, dan kunnen wij voor een 
appel en een ei wat militair materieel 
leveren. Wij weten dan dat het 
bedoeld is voor Israël. Wij moeten 
echter niet via allerlei achterdeuren 
proberen de economische situatie in 
Israël te verbeteren en om zogenaamd 
Zuid-Afrika daarmee te treffen. Als er 
iemand wordt getroffen, is het 
immers de zwarte bevolking aldaar. 
In deze oplossing zie ik dus niets. 
Of Nederland wat kan doen, hangt 
natuurlijk af van de kracht van de 
regering, van de overtuigingskracht 
van deze minister. Deze kracht moet 
erg groot zijn, wil men de beide 
wereldmachten kunnen bewegen tot 
een vreedzame oplossing in Afrika. 
Het standbeeld van minister Van den 
Broek komt dan voor het gebouw van 
de Verenigde Naties te staan. Als hij 
dit voor elkaar krijgt, heeft hij immers 
niet alleen Zuid-Afrika gered, maar 
ook de wereld van Star Wars gered 
en vreedzaam overleg tussen het 
Warschau-pact en de rest van 
Europa tot stand gebracht. 
Al deze factoren spelen mee. Het 
lijkt mij verstandig beleid, het 
Zuidafrikaanse regeringsbeleid zoveel 
mogelijk te steunen, daar dit is 
gericht op gematigde oplossingen 
zonder het systeem al te veel uit 
evenwicht te brengen. Nogmaals, wij 
hebben in de omringende landen 
gezien waartoe dit leidt. Daamee is 
de zwarte bevolking niet gebaat en 
niet gered. 
De beraadslaging wordt geschorst.  
<spreker pagina="" anker="176" naam="De voorzitter">
 De minister zal 
morgenochtend antwoorden. 
De vergadering wordt van 1 7.27 uur 
tot 19.00 uur geschorst.   Voorzitter: Van Rossum </spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde is de voortzetting van de 
behandeling van het wetsvoorstel 
 Vaststelling vaneen wettelijk
 kader voor hetvoeren vaneen 
 samenhangendonderwijsvoor-
 rangsbeleid ( Onderwijsvoor -
 rangswet) ( 1 8 7 7 5 ) . 
(Zie vergadering van 12 september 
1985.) 
De algemene beraadslaging wordt 
hervat. 

<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="177" naam="Minister Brinkman">
 Mijnheer de 
Voorzitter! De Kamer heeft in tweede 
termijn bij monde van een aantal 
sprekers stilgestaan bij de functie 
van de welzijnscomponent in het 
onderwijsvoorrangsbeleid. Het 
merendeel van de geachte afgevaar-
digden memoreerde daarop aanslui-
tend de verantwoordelijkheid van de 
lokale overheid voor het reguliere 
welzijnswerk. Voordat ik inga op 
enkele concrete vragen, heb ik er 
behoefte aan enige nuanceringen aan 
te brengen in de vermeende rol van 
de welzijnscomponent. 
Ik ben het met mevrouw Kraaije-
veld-Wouters eens als zij zegt, dat 
het welzijnswerk in het onderwijsvoor-
rangsbeleid onmisbaar en van belang 
is. Ook de heren Wallage, Dijkstal en 
Willems hebben daarop dunkt mij 
terecht gewezen. Het onderwijsvoor-
rangsbeleid heeft tot doel het 
opheffen van onderwijsachterstan-
den, dat wil zeggen achterstandeni
leer- en ontwikkelingsmogelijkhede 
Dat geldt voor het gebruik van de 
schoolgebonden faciliteiten en vc 
het beleid ten aanzien van de 
onderwijsvoorrangsgebieden. In de 
onderwijsvoorrangsgebieden werken 
scholen en welzijnsinstellingen 
samen. 
De achtergrond daarvan is, dat in 
dergelijke gebieden sprake is van een 
zodanige cumulatie van onderwijsach-
terstanden dat het onderwijs ze niet 
alleen kan bestrijden. Via samenwer-
king tussen onderwijs en welzijn 
wordt geprobeerd een bredere en 
effectievere bestrijding van de 
betreffende achterstanden te 
bevorderen. Het deel dat daarbij voor 
rekening van het welzijnswerk komt 
- ik mocht het de vorige week al 
laten uitspreken bij monde van 
staatssecretaris Van Leijenhorst - is 
gericht op het bereiken van de 
algemene doelstelling van het 
onderwijsvoorrangsbeleid. Derhalve 
is dat werk dienstbaar aan het 
bestrijden van onderwijsachterstan-
den. 
De welzijnscomponent richt zich 
met name op het niet-cognitieve deel 
van het onderwijsvoorrangsbeleid in 
de overtuiging dat het cognitieve 
aspect zonder het verkrijgen van 
vaardigheden om zich in deze 
maatschappij op zelfstandige wijze te 
bewegen minder effecten oplevert. 
Het omgekeerde is overigens ook 
waar. Ik poog daarbij nadrukkelijk 
geen tweedeling aan te brengen 
tussen het onderwijs en het welzijn 
en tussen leer- en ontwikkelingsmo-
gelijkheden. Ik baken het terrein af, 
waarbinnen het merendeel van de 
welzijnsactiviteiten in het kader van 
het onderwijsvoorrangsbeleid zich 
beweegt. 
Mijnheer de Voorzitter! De welzijns-
component van het onderwijsvoor-
rangsbeleid is niet alleen dienstbaar 
voor het beleid gericht op de 
bestrijding van onderwijsachterstan-
den, maar past evenzeer binnen de 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Zuid-Afrika 
Onderwijsvoorrangswet 
 49 bredere doelstelling van het overgrote 
deel van het welzijnswerk. Dat is de 
bevordering van het welbevinden van 
personen en groepen in de samenle-
ving, waarvan ontplooiing, het 
dragen van verantwoordelijkheid voor 
zichzelf en anderen alsmede een 
actieve deelneming aan het maat-
schappelijke verkeer aspecten zijn. 
De groepen waarvoor de welzijns-
component van het onderwijsvoor-
rangsbeleid werkzaam is, zijn primair 
de leerlingen van het basis- en 
voortgezet onderwijs en de sociale, 
de culturele en de economische 
omgeving die op hen van invloed is. 
Zoals gezegd, dit zijn de ouders, de 
wijkbewoners, de leeftijdgenoten en 
de overige schoolpopulatie. 
De specifieke activiteiten binnen 
een onderwijsvoorrangsgebied 
kunnen worden uitgevoerd door 
scholen, door welzijnsinstellingen en 
door deze te zamen. Het beoogde 
samenwerkingsverband brengt een 
aantal deskundigen bij elkaar, 
teneinde op projectmatige basis deze 
activiteiten te ontwerpen en uit te 
voeren. Mijns inziens is dit een 
zodanige werkwijze, dat het niet 
goed mogelijk is om in materiële zin 
een strikte scheiding aan te brengen 
tussen onderwijs- en welzijnsactivitei-
ten binnen een onderwijsvoorrangs-
gebied. 
Dat wordt nog eens geïllustreerd 
door het feit, dat de gelden die ten 
behoeve van de onderwijsvoorrangs-
gebieden zijn uitgetrokken niet van 
bovenaf worden gescheiden. In 
formele zin bestaat het onderscheid 
tussen onderwijs- en welzijnsactivitei-
ten slechts, aangezien de toedeling 
van middelen uiteindelijk plaatsvindt 
- op basis van een door het samen-
werkingsverband opgesteld gebieds-
plan en een daarin gemaakte keuze 
- aan scholen en instellingen. 
Welke van de aan zo'n samenwerk-
kingsverband deelnemende scholen 
en instellingen een financiële 
bijdrage zullen ontvangen, wordt 
eveneens in samenwerking bepaald 
op gebiedsniveau. Ik wil dit deel van 
mijn opmerkingen afsluiten met de 
stelling dat de welzijnscomponent 
vanuit een eigen bijdrage binnen de 
onderwijsvoorrangsgebieden een 
noodzakelijke aanvulling betekent op 
de onderwijsactiviteiten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="178" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Deze beschouwing van 
de minister is zeer interessant. 
Eigenlijk zegt de minister dat je 
achterstanden van kinderen alleen 
goed kunt bestrijden als de situatie 
binnen en de situatie buiten de 
school goed op elkaar worden 
afgestemd. De volgende stap in de 
redenering lijkt mij dan dat die 
afstemming ook in bestuurlijk opzicht 
mogelijk wordt gemaakt. De minister 
heeft daar niet over gesproken. In het 
debat van de vorige ronde - ik weet 
niet eens meer hoe lang dat is 
geleden - was dit één van de 
belangrijke thema's. 
Ik wil de minister de volgende 
vraag voorleggen. Volgt uit zijn 
stelling dat de samenhang tussen 
onderwijs en welzijn centraal moet 
staan niet dat je dan ook een 
bestuurlijk niveau moet organiseren, 
waarop die samenhang tot stand 
komt?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="179" naam="Minister Brinkman">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Net als de heer Wallage 
heb ik met buitengewone belangstel-
ling de vorige ronde van het debat 
gevolgd. Ik begrijp zeer wel dat de 
vraag van de heer Wallage het 
kernpunt is van het debat tot nu toe. 
Staatssecretaris Van Leijenhorst zal 
hierop straks in detail terugkomen. 
Wij worden op welzijnsterrein in 
bestuurlijk opzicht vaak geconfron-
teerd met allerlei activiteiten die 
vanuit een verschillende invalshoek 
hetzelfde terrein raken. Het is steeds 
zaak voor dat deel van het welzijnster-
rein om dan rekening te houden met 
de verschillende invalshoeken.  Concreter gesteld: het gaan niet 
alleen om de vraag, welke verschillen-
de groepen van Nederlanders en 
buitenlanders bij het werk betrokken 
zijn. 
Vaak heeft iedere groep haar eigen 
wetgevings- en regelgevingscomplex.  Tevens is vaak de vraag aan de orde: 
hoe kan voldoende acht worden 
geslagen op de bevoegdheden die op 
grond van verschillende wetten en 
regels zijn verleend aan verschillende 
instanties? Het welzijnsterrein is er 
zeer geverseerd in om daaraan 
aandacht te besteden. Ik zie niet in 
waarom mijn eerste stelling noodza-
kelijkerwijs tot een tweede stelling 
leidt, zoals de heer Wallage meent. 
Dat komt eigenlijk op het volgende  neer: mijnheer de minister van WVC, 
leidt uw betoog niet onomkeerbaar 
tot de conclusie dat hier het gemeen-
tebestuur bij uitstek en als enige 
bevoegd zou moeten zijn om deze 
twee componenten, de welzijnsconv 
ponent en de onderwijscomponent, 
op elkaar af te stemmen?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="180" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Mijn 
begeerte gaat in die richting, dat 
heeft de minister goed begrepen! Ik 
poogde zo intelligent te zijn om de 
vraag niet zó te stellen. Ik wilde 
eigenlijk weten of de redenering van 
de minister er eigenlijk niet toe leidt 
- ik zou al heel blij zijn als deze vraag 
met 'ja ' kon worden beantwoord -
dat er één plek moet zijn in de 
organisatie waar voor dat op elkaar 
afstemmen van het binnen- en het 
buitengebeuren een gezamenlijke 
bestuurlijke verantwoordelijkheid 
ontstaat. Ik spreek dan niet over de 
invulling. Moet er niet een bestuurlijk 
platform met enige kracht ontstaan, 
dat de samenhang die de minister 
bepleit tot stand brengt?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="181" naam="Minister Brinkman">
 Zó geformu-
leerd, is er bepaald geen meningsver-
schil tussen de heer Wallage en mij. 
Het samenwerkingsverband - dat de 
wet al kent - is juist in het leven 
geroepen om de verschillende 
deskundigen met elkaar de best 
denkbare voorstellen te laten 
ontwikkelen voor het betrokken 
gebied. Vervolgens is aan de orde de  vraag: wat is nu precies de compe-
tentie van het samenwerkingsver-
band, zowel autonoom als in relatie 
tot enerzijds het gemeentebestuur en 
anderzijds de rijksoverheid. 
Op dit laatste punt heeft de 
discussie zich in de vorige ronde 
toegespitst. Rechtstreeks antwoor-
dend op de vraag van de heer  Wallage zeg ik: het samenwerkings-
verband hoort één te zijn, in die zin 
dat er een eenduidige competentie is 
voor de welzijnscomponent en de 
onderwijscomponent.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="182" partij="VVD" naam=" Dijkstal">
 Tot zover is 
het inderdaad duidelijk. In het eerder 
gevoerde debat is echter meer 
gezegd over de rol van de gemeenten. 
De minister van WVC zou daar in dit 
kader ook iets over moeten zeggen. 
Ik denk hierbij aan de brief die de 
regering in september 1983 aan de 
Kamer heeft gestuurd inzake de 
decentralisatie van het gehele 
welzijnsterrein. Wat mij betreft, kan 
dan zelfs worden gedacht aan de 
welzijnswet zoals deze nu voorligt, 
namelijk met de doeluitkeringen en 
de motieven die daarachter liggen 
ten aanzien van de rol van de 
gemeenten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="183" naam="Minister Brinkman">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Misschien begrijpen wij 
elkaar niet goed. In dat geval krijg ik 
straks graag een nadere toelichting 
van de heer Dijkstal. In antwoord op 
de interruptie van de heer Wallage 
heb ik zojuist betoogd dat ook 
wanneer er verschillende wetten zijn 
die de bevoegdheden bepalen - in dit 
geval gaat het om de welzijnsinstel-
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Onderwijsvoorrangswet 
50 lingen respectievelijk de gemeente-
besturen - dan nog geldt dat het 
mogelijk is om tot samenwerking en 
tot samenhang te komen. 
Als het welzijnswetsontwerp straks 
kracht van wet heeft gekregen en de 
gemeentebesturen op dit terrein een 
belangrijke extra bevoegdheid 
krijgen, geldt nog dat die gemeente-
besturen rekening moeten houden 
met competentieverdeling op grond 
van andere wetten. Ik denk bij 
voorbeeld aan een onderwijsvoor-
rangswet en aan de onderwijswetge-
ving meer in het algemeen. Eerlijk 
gezegd denk ik dus niet dat de 
welzijnswetgeving en de daarbij 
behorende financieringssystematiek 
in strijd is met het voorstel dat nu in 
het ontwerp op de onderwijsvoor-
rangswet is verwerkt.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="184" partij="VVD" naam="Dijkstal">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Ik heb op dit punt een 
concrete vraag. Hoe stelt de minister 
zich de afstemming voor. Vanuit zijn 
verantwoordelijkheid wil de minister 
de gemeenten meer ruimte geven 
om in het beleid tot afstemming te 
kunnen komen. Op het welzijnsterrein 
was dat ook hard nodig. Ik begrijp nu 
dat de minister zich aansluit bij de 
redenering van de heer Wallage. Op 
het punt waar de minister ook tot 
afstemming tussen welzijn en 
onderwijs wil komen, moet naar zijn 
mening gezocht worden naar één 
bestuursvlak. Toch zegt hij ook dat 
wij bij dit voorstel ook met onderwijs-
wetgeving te maken hebben die sterk 
centralistisch van aard is terwijl het 
welzijnswerk sterk decentraal 
geregeld is. Daar laat hij het dan 
maar bij. Maar dan dringt die vraag 
over de afstemming zich toch weer 
ten volle op.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="185" naam="Minister Brinkman">
 Neen, Voorzitter, 
ik denk dat de heer Dijkstal nu iets 
vergeet. In het ontwerp op de 
onderwijsvoorrangswet, zoals dat nu 
luidt, staat de bepaling dat het 
gemeentebestuur een oordeel geeft 
over datgene wat in het samenwer-
kingsverband is uitgebroed. 
Dat wil zeggen dat het gemeente-
bestuur in dat geval enerzijds 
oordeelt op basis van competentie 
die is ontleend aan de onderwijsvoor-
rangswet en anderzijds op basis van 
competentie die is ontleend aan de 
welzijnswet. Ik ga er nu even van uit 
dat beide wetten het Staatsblad 
bereiken. Daarom spreek ik maar van 
wetten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="186" partij="VVD" naam=" Dijkstal">
 Dit verhaal 
kennen wij in welzijnsland ook al 
lang. Men mocht jarenlang zijn 
oordeel geven. Dat bleek echter niet 
voldoende te zijn. Daarom kwamu
indertijd met het voorstel - ik heb die 
houding van de minister van WVC 
zeer geprezen - om het niet meer bij 
het oordeel alleen te laten, maar ook 
de verantwoordelijkheid bij die 
instantie te leggen waar zij hoort, 
namelijk bij het gemeentebestuur.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="187" naam="Minister Brinkman">
 Dat voorstel 
was conform de wens van de Kamer. 
Er ligt ook een wetsvoorstel inzake 
het welzijn ter tafel, waarin die wens 
van de Kamer ook nadrukkelijk 
omarmd wordt. In dat voorstel wordt 
dus aan de wens van de Kamer 
tegemoet gekomen. 
Mijnheer de Voorzitter! Misschien 
vindtuhet goed dat ik eerst enkele 
meer gedetailleerde vragen beant-
woord. Misschien kan uit mijn 
volgende opmerkingen de heer 
Dijkstal nog een nader antwoord 
afleiden. 
Ik heb geconstateerd dat mijn 
opmerkingen in eerste termijn over 
de evaluatie van de niet-cognitieve 
facetten gewaardeerd worden door 
de heer Mik. De heer Mik is hier 
vanavond niet aanwezig, maar ik wil 
dit toch wel gezegd hebben. Met 
hem ben ik van mening dat de volle 
omvang van de meerwaarde van het 
onderwijsvoorrangsbeleid in de 
verschillende gebieden niet altijd 
even gemakkelijk aan te tonen zal 
zijn. Ik verwacht niet dat men zich 
daarbij zal beperken tot het meten 
van enige kwantiteiten, zoals 
deelneming aan activiteiten. 
De heer Mik vreest dat dit wel het 
geval zal zijn. Die vrees heeft mij er 
overigens niet van weerhouden een 
opdracht tot een vooronderzoek naar 
de mogelijkheden van onderzoek in 
het kader van de niet-cognitieve 
aspecten te verstrekken. In het kader 
van de rapportage over de zo 
geheten overall-evaluatie, zal ik 
desgewenst de Kamer op de hoogte 
houden van de voortgang en de 
bevindingen in het vooronderzoek.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="188" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Dat wordt 
inderdaad gewenst.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="189" naam="Minister Brinkman">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Misschien mag ik aanne-
men dat de heer Wallage nu namens 
alle thans aanwezige geachte 
afgevaardigden spreekt. In dat geval 
zal ik graag aan de wens van de 
Kamer tegemoet komen. En zelfs al 
zou het slechts de wens van de heer 
Wallage zijn, dan nog zou ik deze 
wens serieus in overweging willen 
nemen. 
Mijnheer de Voorzitter! Met 
betrekking tot de opmerkingen die de 
staatssecretaris voor het basisonder-
wijs heeft gemaakt, deel ikumee dat 
ik mij volledig in zijn opvattingen kan 
vinden. Met hem vind ik een evaluatie 
van de niet-cognitieve aspecten 
evenzeer van belang als die van de 
cognitieve aspecten. 
De heer Dijkstal heeft een opmer-
king gemaakt over de wijze van 
financieren van de onderwijsvoor-
rangsgebieden. Aan de woorden van 
staatssecretaris Van Leijenhorst wil ik 
slechts toevoegen dat de door hem 
vermelde bekostigingswijze van de 
welzijnscomponent geheel overeen 
komt met de huidige praktijk van . 
lopende projecten. 
Mijnheer de Voorzitter! De heer 
Willems heeft aandacht gevraagd 
voor zijn veronderstelling dat het 
onderwijsvoorrangsbeleid onder een 
ongunstig gesternte van start moet 
gaan. Hij baseert die veronderstelling 
op een door hem geconstateerde 
algemene tendens in het onderwijs-
en welzijnsbeleid. Ten aanzien van 
het algemene welzijnsbeleid zullen 
wij, dunkt mij, nog uitvoerig over een 
en ander van gedachten kunnen 
wisselen. Dat kan bij voorbeeld 
gebeuren ter gelegenheid van de 
behandeling van de begroting van 
mijn departement. Ik wil in dit 
verband slechts ingaan op de relatie 
met het onderwijsvoorrangsbeleid. 
Ik wil er graag op wijzen dat de 
middelen voor de welzijnscomponent 
van het onderwijsvoorrangsbeleid ten 
opzichte van de voorgaande jaren 
zijn uitgebreid. 
Het ligt in mijn voornemen de 
hoogte van deze middelen met 
ingang van het jaar 1 986 te brengen 
op 13,5 min. op jaarbasis, zoals men 
gisteren al uit de begrotingsstukken 
heeft kunnen opmaken. Indien het 
door mij vele malen gememoreerde 
vooronderzoek zal leiden tot concrete 
uitvoerbare onderzoeksvoorstellen, 
dan kunnen enige extra middelen 
worden toegevoegd ten behoeve van 
deze onderzoekingen. 
Op deze gronden deel ik de 
veronderstelling van de heer Willems, 
dat het wel eens moeilijk zou kunnen 
zijn medewerking te verkrijgen van 
welzijnsinstellingen, niet. Trouwens 
dat zou ook worden gelogenstraft 
door de huidige praktijk. 
In mijn antwoord in eerste termijn, 
heb ik aandacht besteed aan de rol 
van de minderheden in het onderwijs-
voorrangsbeleid. Naar aanleiding van 
de door de Kamer in tweede termijn 
gemaakte opmerkingen wil ik daarop 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Onderwijsvoorrangswet 
51 nog graag terugkomen. Ik heb 
allereerst gesteld dat te verwachten 
is dat activiteiten voor leerlingen uit 
minderheidsgroepen zullen worden 
opgenomen in diverse gebiedsplan-
nen. In de tweede plaats heb ik 
gesteld dat instellingen voor en 
organisaties van minderheden 
kunnen deelnemen aan de te vormen 
samenwerkingsverbanden. 
De heer Willems veronderstelt dat 
zulks alleen kan indien er sprake is 
van instellingen voor uitvoerend werk 
of ondersteuning. Ik moge hem erop 
wijzen dat aan het welzijnsbeleid 
voor minderheden vorm en inhoud is 
gegeven in de rijksregeling welzijn 
minderheden en het daarop geënte 
rijksprogramma welzijn minderheden. 
Deze regeling kent te subsidiëren 
activiteiten en ondersteuning. Naar 
mijn overtuiging kan elke organisatie, 
instelling, vereniging of stichting van 
en/of voor minderheden die in dat 
kader activiteiten uitvoert - dat zal 
namelijk met name op het lokale vlak 
voorkomen - deelnemer zijn van de 
welzijnscomponent van het onderwijs-
voorrangsbeleid. Ik ben mij ervan 
bewust dat ook in dit geval de 
gemeentelijke rol een zeer belangrijke 
is. 
Een pleidooi voor een rechtstreekse 
betrokkenheid is mijns inziens zelfs 
sterker dan het door de heer Willems 
bepleite amendement. Daarnaast 
moet ik constateren dat slechts in 
een aantal gebieden aan een door 
hem gewenste opdracht ook werkelijk 
inhoud kan worden gegeven. In 
sommige gebieden zou het antwoord  wel eens kunnen luiden: 'geen wijze 
van betrokkenheid aan te geven 
vanwege het ontbreken van dergelijke 
organisaties'. Een algemene bepaling 
in de wet die niet overal inhoudelijk 
kan worden toegepast, lijkt mij 
ongewenst en, zoals ik al eerder heb 
uiteengezet, overbodig. 
Ten overvloede geldt nog dat de 
betrokkenheid van minderheden één 
van de uitgangspunten zal zijn in de 
advisering van de medewerkers van 
de bureaus landelijk contact van het 
ministerie van WVC. Bovendien was 
ik al van plan in de al eerder ter 
sprake gebrachte circulaire, alsook 
in het voorlichtingsbeleid ter zake de 
positie van minderheden in het 
onderwijsvoorrangsbeleid nogmaals 
te benadrukken. Hetgeen de heer 
Willems wil, lijkt mij eerder in die 
circulaire op zijn plaats. 
In antwoord op vragen van de heer 
Schutte kan ik het volgende zeggen. 
De heer Schutte vroeg of de gemeen-
ten wel toegerust zijn om te beoorde-
len over voorstellen en activiteiten 
van het particuliere initiatief. Wat het 
welzijnsbeleid en het algemene 
achterstandsbeleid van de gemeenten 
betreft, ben ik ervan overtuigd dat de 
gemeentebesturen zulk een rol goed 
kunnen vervullen. 
Ik mag er in dit verband nog eens 
de aandacht op vestigen dat de 
lokale overheid een belangrijke rol 
speelt ten aanzien van de welzijns-
planning en dat zij bovendien 
verantwoordelijk is voor de uitvoering 
van het beleid, een beleid dat zoals 
bekend, voor een groot deel wordt 
uitgevoerd door instellingen van het 
particulier initiatief. 
Mijnheer de Voorzitter! Ik ben wat 
uitvoeriger ingegaan op een aantal 
gemaakte opmerkingen danu
wellicht in tweede termijn voor 
wenselijk hebt gehouden. De reden 
daarvoor is geweest dat ondermeer 
door mijn gedwongen en gedeeltelijke 
afwezigheid in eerste termijn een 
aantal zaken naar mijn gevoel 
onderbelicht is gebleven. Ik hoop dat 
deze nu voldoende in de schijnwerpers 
zijn geplaatst. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="190" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Mijnheer de Voorzitter! In tweede 
termijn wil ik beginnen met de 
beantwoording van een aantal meer 
specifieke vragen. Allereerst wil ik 
ingaan op de relatie wet, algemene 
maatregel van bestuur en onderwijs-
voorrangsplan. In de tweede nota 
van wijziging heb ik een nieuw artikel 
8a aan het wetsvoorstel toegevoegd, 
waarin wordt geregeld dat de 
algemene maatregel van bestuur ex 
artikelen 9 en 10 in ontwerp wordt 
voorgelegd aan de Kamers. De 
Kamers kunnen vervolgens om 
overleg vragen, alvorens het ontwerp-
besluit naar de Raad van State wordt 
gezonden voor advies. 
Ingevolge het nieuwe artikel 8a zal 
dezelfde procedure gevolgd worden 
bij mogelijke toekomstige wijzigingen 
van dat besluit. Een toevoeging in 
artikel 28 van het wetsvoorstel 
bepaalt dat ook de ministeriële 
regeling omtrent de onderwerpen, 
genoemd in de artikelen 9 en 10, 
eerst in concept aan beide Kamers 
zal worden overgelegd. De weg van 
de ministeriële regeling is gekozen, 
omdat deze veel sneller tot stand kan 
komen. 
Ik ga er daarbij overigens van uit 
dat de ministeriële regeling, die na 
vaststelling aan de scholen zal 
worden gezonden en de algemene 
maatregel van bestuur ex artikelen 9 
en 10 inhoudelijk vrijwel identiek 
zullen zijn. Ik meen dat deze bepalin-
gen in de wet tegemoet komen aan 
het verlangen dat door bijna alle 
fracties is uitgesproken. 
Dat de genoemde conceptregelin-
gen aan de Kamer zullen worden 
overgelegd, voorafgaande aan de 
vaststelling, houdt ook in dat ik het 
thans bij de Kamer liggende onder-
wijsvoorrangsplan niet zal vaststellen 
alvorens het overleg over de regelin-
gen in deze Kamer heeft plaatsgehad. 
Op deze wijze kan de mogelijkheid 
van afwijking tussen plan en wet, 
waarop de geachte afgevaardigde 
mevrouw Kraaijeveld-Wouters 
doelde, naar mijn oordeel worden 
uitgesloten. 
De geachte afgevaardigde me-
vrouw Kraaijeveld-Wouters heeft bij 
amendement voorgesteld een 
horizonbepaling in de wet op te 
nemen. Ik waardeer het dat door 
haar een werkingsduur van twaalf 
jaar, drie planperioden, is vastgesteld. 
De suggestie van de geachte 
afgevaardigde, dat na de evaluatie 
van het beleid toch ook tijd nodig zal 
zijn voor afronding en afbouwing en, 
zo voeg ik eraan toe, eventueel ook 
voor het mogelijk maken van continu-
ering van het beleid binnen reguliere 
wetgeving, acht ik volstrekt juist. In 
dat opzicht verschillen wij niet van 
mening.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="191" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Hoewel 
ik natuurlijk altijd graag zie dat de 
staatssecretaris het met mevrouw 
Kraaijeveld eens is, constateer ik 
toch dat zijn uiteenzetting in eerste 
termijn op dit onderdeel nogal wat 
verschilt van hetgeen hij nu zegt.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="192" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Ik ben nog niet klaar. Niettemin 
bestaat bij mij de voorkeur voor het 
niet opnemen van de horizonbepaling 
in het wetsvoorstel. Een evaluatie van 
het beleid en de werking van de wet 
is van belang voor de bepaling van 
de richting van de verdere ontwikke-
ling. Dit kan ook plaatsvinden in het 
kader van de evaluatie, voorgeschre-
ven in artikel 3 over het onderwijsvoor-
rangsplan. 
Daarnaast zou van een horizonbe-
paling een negatieve invloed kunnen 
uitgaan op inspanningen die nog 
gevraagd worden voor de ontwikke-
ling van het beleid en op inspanningen 
van werkers in de praktijk van het 
onderwijs en het welzijnsterrein. Ook 
dit wil ik graag voorkomen. Om die 
reden zou ik dan ook eventueel 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Onderwijsvoorrangswet 
52 eerder de voorkeur geven aan 
verdere explicitering van de evaluatie 
opdracht, die reeds in het wetsvoor-
stel is opgenomen in artikel 3. </spreker>
<spreker pagina="" anker="193" partij="CDA" naam="Kraaijeveld - Wouters ">
 Mag ik vragen dat eens wat 
nader in te vullen? Ik zie het niet zo 
dat men ontmoedigd zou worden 
door een horizonbepaling die twaalf 
jaar aangeeft. Ik meen dat men 
buitengewoon hard werkt om in ieder 
geval zoveel mogelijk klaarte krijgen 
voor die tijd.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="194" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Vastgesteld is - het is ook in de 
stukken uiteengezet - dat de achter-
standen die gesignaleerd worden in 
de probleemgebieden waarover het 
gaat een structureel karakter dragen. 
Dat is de reden geweest om te 
komen met dit wetsvoorstel, dat een 
ontwikkelings- en proceskarakter 
heeft. Aangezien om de vier jaar 
uitvoerig gesproken wordt, niet 
alleen over hetgeen in de afgelopen 
periode is gedaan, maar ook over de 
voorstellen voor de komende periode, 
terwijl ook gediscussieerd kan 
worden over voorgenomen wettelijke 
maatregelen, is voldaan aan hetgeen 
mevrouw Kraaijeveld in feite vraagt. 
Ik meen ook dat zo'n horizonbepaling 
in de wet, zeker in de periode die niet 
zo veraf ligt van de termijn die door 
mevrouw Kraaijeveld wordt genoemd, 
demotiverend zou kunnen werken op 
de werkers in het veld. </spreker>
<spreker pagina="" anker="195" partij="CDA" naam="Kraaijeveld - Wouters ">
 Mijn verhaal moet worden 
gezien in de context waarin ik het 
gebracht heb. In het reguliere 
onderwijs moet je streven naar een 
integrale aanpak van allerlei soorten 
achterstanden. Wij onderschrijven 
dat op dit moment nog apart beleid 
nodig is. Het kan juist zijn dat het op 
bepaalde wijze een structureel 
karakter kan hebben. Het extra beleid 
moet op den duur echter regulier 
beleid worden. Dat is de redenering 
achter het amendement.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="196" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Ik heb nauwlettend geluisterd naar 
wat de heer Dijkstal over dit onder-
werp heeft gezegd. Ik denk dat wij via 
de weg die in dit wetsvoorstel wordt 
gekozen, op hetzelfde kunnen 
uitkomen. In de memorie van 
antwoord staat dat telkens na vier 
jaar zal worden nagegaan of wij niet 
moeten komen tot andere wettelijke 
maatregelen. De integratie-gedachte 
van mevrouw Kraaijeveld spreekt mij 
zeer wel aan, maar laten wij dat aan 
de hand van de evaluaties bepalen. </spreker>
<spreker pagina="" anker="197" partij="CDA" naam="Kraaijeveld - Wouters ">
 Als je weet dat de wet 
afloopt, als je weet dat dit aparte 
beleid binnen het reguliere beleid, 
misschien met een extra voorziening, 
moet worden opgenomen, dan werk 
je vanuit een ander perspectief dan 
wanneer er sprake is van een wet die 
steeds wel weer eens zal worden 
bekeken zonder het uitgangspunt dat 
die wet overbodig moet worden.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="198" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Bedoelt mevrouw Kraaijeveld te 
zeggen dat na twaalf jaar zal moeten 
worden vastgesteld of de wet moet 
worden verlengd? Als dat het geval 
is, kan ik mij beter verplaatsen in 
haar gedachtengang. Welke termijn 
is hierbij aan te bevelen? Gezien de 
zeer zorgvuldig geformuleerde 
opmerkingen in de tweede termijn 
van mevrouw Kraaijeveld, meen ik 
dat je voor een goede afbouwperiode 
moet zorgen. Dan kun je goed kiezen 
voor drie planperioden plus bij 
voorbeeld tweeadrie jaar. </spreker>
<spreker pagina="" anker="199" partij="CDA" naam="Kraaijeveld - Wouters ">
 Tien jaar vonduniet goed. Nu 
paktude hele hand en de andere 
hand erbij, omdat ik zo zorgvuldig 
sprak in tweede termijn. Zo gaat de 
bedoeling langzamerhand de mist in. 
Het is de bedoeling dat er grote druk 
op het beleid blijft staan om te 
komen tot een geïntegreerd achter-
standenbeleid en tot overbrenging 
van een extra voorziening in het 
reguliere beleid, in de reguliere wet-
en regelgeving. 
Op het moment dat je dat voorne-
men in de wet vastlegt, zit de druk 
erop. Als je zegt 'dat zullen wij later 
nog wel eens zien' zit de druk er niet 
op. Wij willen niet na twaalf jaar 
bekijken of wij de wet zullen verlen-
gen. Het is de bedoeling dat de wet 
na twaalf jaar expireert, tenzij zeer 
wijze bewindslieden en kamerleden 
op dat moment menen dat zij de wet 
moeten wijzigen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="200" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Ik dank mevrouw Kraaijeveld voor 
deze toevoeging, hoewel het 
andere woorden zijn dan ik mij had 
voorgesteld. Zij heeft in haar tweede 
termijn niet voor niets gesproken van 
een zorgvuldige afbouw. Als zij 
persisteert bij haar amendement, lijkt 
mij vijftien jaar beter dan twaalf jaar.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="201" partij="VVD" naam=" Dijkstal">
 De staats-
secretaris heeft even gerefereerd aan 
mijn betoog, maar ik weet niet 
precies aan welk onderdeel ervan. 
Het is toch niet de bedoeling om 
voor de uitvoering van mijn motie 
over een andere systematiek een jaar 
of twaalf, vijftien uit te trekken? Als 
het uitvoeren van de motie binnen 
een paar jaar zal leiden tot een 
andere systematiek, dan betekent dat 
dat de wet gewijzigd zal moeten 
worden, vooral op het punt van de 
criteria voor onderwijsvoorrangsge-
bieden.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="202" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Ik vind dat de heer Dijkstal wel erg 
somber is. Alsof zo'n onderzoek zo 
lang moet duren! 
Dat onderzoek is duidelijk bedoeld 
om uit te zoeken of de criteria die 
zowel voor de formatieregeling als 
voor de onderwijsvoorrangswet 
gelden, niet moeten worden aange-
past. Als dat moet, dan kunnen in het 
onderwijsvoorrangsplan dat over vier 
of acht jaar wordt ingediend, ter zake 
voorstellen worden gedaan. 
De geachte afgevaardigde me-
vrouw Kraaijeveld-Wouters heeft 
gevraagd of er, gezien het feit dat de 
in het onderwijsvoorrangsplan 
geformuleerde data niet kunnen 
worden gehaald, mogelijkheden zijn 
om de procedure te versnellen. 
Artikel 22 van de wet laat toe, dat 
kan worden afgeweken van de in het 
onderwijsvoorrangsplan opgenomen 
tijdstippen van indiening van verzoe-
ken tot aanwijzing als onderwijsvoor-
rangsgebied en van gebiedsplannen, 
alsmede van de termijnen waarbinnen 
door onze minister wordt beslist. 
In bijzondere gevallen kan de 
minister een ander tijdstip vaststellen 
voor de indiening van een gebieds-
plan. Er is thans alle reden voor om 
van dit artikel gebruik te maken. Ik 
ben het met haar eens dat hier, naast 
slagvaardigheid, ook de zorgvuldig-
heid moet worden betracht.   Voorzitter: Dolman 

</spreker>
<spreker pagina="" anker="203" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Ik had dat 
wetsartikel natuurlijk ook gelezen. 
Het lijkt mij echter niet de bedoeling 
dat de zorgvuldig opgebouwde 
indeling van tijdstippen met een 
soort algemeen 'plofartikel' in haar 
geheel wordt weggenomen. Wat is 
de staatssecretaris precies van plan? 
Betekent dit dat wij na aanvaarding 
van deze wet mogen verwachten, dat 
hij betrekkelijk willekeurig tot diep in 
het volgend jaar gebieden gaat 
aanwijzen? Hoe stelt de staatssecre-
taris zich dat voor?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="204" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Daarvoor moet een goede procedure 
worden vastgesteld. Primair is, dat er 
een wet tot stand komt; dat zal de 
heer Wallage met mij eens zijn. Vorig 
jaar hebben wij voor het jaar 1 9 8 5 -
1986 het geld weten te behouden 
dat was vrijgemaakt voor het 
onderwijsvoorrangsbeleid. Het gaat 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Onderwijsvoorrangswet 
53 om 10 min. extra. Dat is grotendeels 
ingezet om het komende onderwijs-
voorrangsbeleid goed voor te 
bereiden. Het grootste probleem zit 
naar mijn mening dan ook niet in de 
gebieden, maar in de adviestermijnen 
die in de wet worden genoemd. 
Daarbij spelen ook de gemeenten 
een belangrijke rol. Voordat wij tot 
een definitieve procedure op dit punt 
komen, acht ik het gewenst om 
overleg te voeren met de VNG over 
de keuze van het beste tijdschema. </spreker>
<spreker pagina="" anker="205" partij="CDA" naam="Kraaijeveld - Wouters ">
 Alsude volgorde naar de 
SE-factor wilt aanbrengen omdat er 
niet voldoende geld is, moet er dan 
ook nog worden gewacht tot alle 
aanvragen binnen zijn? Anders kun je 
nooit beoordelen, welke aanvraag het 
meest in aanmerking komt.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="206" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Dat hoort bij de criteria die in de 
algemene maatregel van bestuur 
worden vastgesteld. </spreker>
<spreker pagina="" anker="207" partij="CDA" naam="Kraaijeveld - Wouters ">
 Als wij het komende jaar nog 
het nieuwe beleid - iets versneld -
willen invoeren, hoe moet dat dan?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="208" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Ik denk dat mevrouw Kraaijeveld het 
oog heeft op het voortgezet onderwijs. 
Bij het basisonderwijs verwacht ik 
hiervan geen moeilijkheden, gezien 
hetgeen al bij de formatieregeling ter 
zake voor de afzonderlijke scholen is 
behaald. 
De geachte afgevaardigde de heer 
Dijkstal heeft voorgesteld om artikel 
2 te wijzigen en de opsomming in lid 
3 met betrekking tot oorzaken van 
achterstanden uit te breiden met een 
andere. Ik heb daarover in eerste  termijn reeds mijn oordeel gegeven: 
ik moet dat voorstel van de hand 
wijzen. De huidige formulering over 
de reikwijdte van de wet is duidelijk 
en overeenkomstig het tot nu toe 
gevoerde beleid. Voor de formatiere-
geling wordt immers een instrument 
gehanteerd waardoor scholen extra 
formatie kunnen krijgen voor leerlin-
gen met onderwijsachterstanden, 
veroorzaakt door sociaal-culturele en 
economische factoren. 
Voor leerlingen met onderwijsach-
terstanden, veroorzaakt door andere 
oorzaken, is het zorgverbredingsbe-
leid ontwikkeld. Toevoeging aan de 
tekst van artikel 2, lid 3, van 'en 
andere' schept onduidelijkheden over 
de reikwijdte van de wet. Voorts 
ontbreekt, zoals ik in eerste termijn al 
heb gezegd, een andere systematiek 
en een ander instrumentarium om 
zo'n verbreding van de reikwijdte van 
de wette effectueren. Het is mijn 
opvatting dat wij nu nog niet vooruit 
kunnen lopen op de uitkomsten van 
de studie die als gevolg van de 
uitvoering van de motie van de 
geachte afgevaardigde zal worden 
opgezet. 
De heer Dijkstal heeft als voorbeeld 
genoemd de mogelijkheid om in zo'n 
gebied problemen als drugs en 
alcohol aan te pakken. In dit verband 
wijs ik er voor de duidelijkheid op dat 
het gaat om aanpak van onderwijsach-
terstanden. Met betrekking tot 
genoemde problemen verwijs ik naar 
de reguliere maatregelen, genomen 
door de minister van WVC. Die 
maatregelen zijn ook vermeld in het 
onderwijsvoorrangsplan. Ik moge 
verwijzen naar de pagina's 26 tot en 
met 28.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="209" partij="VVD" naam=" Dijkstal">
 Datuer niet 
aan wilt, kan ik begrijpen. Uw 
argumenten zijn echter niet sterk. Wij 
kennen onderwijsachterstanden, die 
hun oorzaken bij voorbeeld vinden in 
de sociale achtergronden. Om die 
reden komtumet het voorstel om 
samen met welzijnsinstellingen dat 
aan te pakken. Ik kom met het 
voorbeeld dat er onderwijsachterstan-
den zijn, die het gevolg zijn van 
drugsgebruik. Dit valt onder volksge-
zondheid. Het is dan consequent om 
voor de aanpak van de oorzaken af te 
stemmen op instellingen die op dat 
terrein werkzaam zijn. Ik zie uw 
bezwaar dus echt niet in.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="210" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Ik kan slechts herhalen dat hiervoor 
geen criteria ontwikkeld kunnen 
worden op grond waarvan bij 
voorbeeld een voorrangsscore kan 
worden vastgesteld. Bij sociale, 
economische en culturele factoren 
kunnen wij een eenduidig beleid 
voeren op grond van duidelijke 
indicaties. 
Mevrouw Kraaijeveld heeft 
gevraagd, hoe het precies zal gaan 
met de tellingen in het voortgezet 
onderwijs. In het onderwijsvoorrangs-
plan zijn hierover nog geen nadere 
gegevens verstrekt, omdat nog niet 
duidelijk was wat de SE-factor 
betekent in het voortgezet onderwijs, 
met zijn vele schooltypes. 
Recentelijk heeft het Instituut voor 
Toegepaste Sociologie gegevens 
geleverd die ervoor pleiten om voor 
het voortgezet onderwijs eenzelfde 
aanpak te kiezen als voor het 
basisonderwijs. Dat betekent dat de 
scholen van voortgezet onderwijs 
dan op dezelfde wijze worden 
'meergenomen' in de formule van de 
gebiedsscore als de scholen voor 
basisonderwijs. 
Op de vraag van de geachte 
afgevaardigde, waarom de SE-factor 
in het derde en niet in het tweede 
leerjaar wordt berekend, kan worden 
geantwoord dat de SE-score van het 
derde leerjaar overeen blijkt te 
komen met de score van de gehele 
school. Door maar één leerjaar te 
betrekken in de berekening wordt 
bovendien een niet onaanzienlijk 
reductie van de hoeveelheid werk 
voor de scholen bereikt. Aan de 
keuze voor het derde leerjaar liggen 
verder nog twee overwegingen ten 
grondslag. 
Het derde leerjaar is in tegenstelling 
tot het tweede leerjaar een betrekke-
lijk rustig jaar. In het tweede leerjaar 
wordt naar een keuze toegewerkt. In 
het vierde leerjaar staat het examen 
centraal. Verder zijn er scholenge-
meenschappen die een geïntegreerde 
brugperiode van twee jaar hebben. 
Indien delen of componenten van 
zo'n scholengemeenschap willen 
participeren, moet het moment 
zodanig gekozen worden dat zichtbaar 
is, in welke component de leerlingen 
zich bevinden. Ik denk hierbij aan een 
brede scholengemeenschap LBO/ 
MAVO/HAVO/VWO. Het kan zijn dat 
alleen de LBO- en MAVO-componen-
ten participeren. Uiteraard zal voor 
de bekostiging in zo'n geval een 
evenredig gedeelte van de brugklas-
sen in aanmerking komen. 
De heer Dijkstal vroeg om een 
reactie op het door de heer Wallage 
ingediende amendement over het 
samenwerkingsverband. 
De heer Wallage heeft in eerste 
termijn gepleit voor een ruimhartige 
benadering van het samenwerkings-
verband. Mijn antwoord hierop was 
dat de feitelijke invulling van het 
samenwerkingsverband binnen de 
wet allerlei vormen kan krijgen. Via 
amendement wil de heer Wallage 
bereiken dat een samenwerkingsver-
band desgewenst ook budgethouder 
kan zijn. Samenwerkingsverbanden 
zijn vrij om een rechtspersoon te 
worden. 
De rechtsvorm wordt vrijgelaten. In 
de wet is echter vastgesteld dat de 
bekostiging plaatsvindt aan de 
deelnemende scholen en welzijnsin-
stellingen. Dat wil zeggen, via al 
bestaande kanalen. Dit impliceert dat 
als een samenwerkingsverband 
personeel wil aanstellen, de aanstel-
ling dient te geschieden bij een of 
meer van deze scholen of welzijnsin-
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Onderwijsvoorrangswet 
54 stellingen. Het personeel wordt 
aangesteld volgens de voor de 
scholen en welzijnsinstellingen 
geldende regels. 
Voor aanstelling van personeel bij 
een samenwerkingsverband ontbre-
ken overigens regels van rechtsposi-
tionele aard die voor scholen en 
instellingen wel in het leven zijn 
geroepen en een belangrijk stuk 
zekerheid bieden voor het personeel. 
Bovenstaande laat het samenwer-
kingsverband wel de mogelijkheid 
om personeel voor een deel vrij te 
maken ten behoeve van het project 
en te detacheren bij het samenwer-
kingsverband voor uitvoering van 
activiteiten die met elkaar zijn 
overeengekomen en vermeld in het 
gebiedsplan. De hierbij voorgestelde 
regeling beoogt te voorkomen dat er 
naast allerlei instituten die er al zijn, 
zoals scholen, welzijnsinstellingen en 
schoolbegeleidingsdiensten, een 
nieuw instituut in het leven wordt 
geroepen met eigen personeel. 
Voorts willen wij voorkomen dat 
een samenwerkingsverband een 
eigen leven gaat leiden los van de 
deelnemers in het samenwerkingsver-
band. Uitgangspunt is dat de 
deelnemende scholen in het samen 
werkingsverband een activiteitenbe-
groting opstellen met vermelding van 
de verdeling van de begrote middelen 
over de betrokken scholen en 
welzijnsinstellingen en ondersteunen-
de instellingen overeenkomstig. 
De geachte afgevaardigde de heer 
Dijkstal heeft om duidelijkheid 
gevraagd met betrekking tot de wijze 
van bekostiging. Onderwijs en 
Wetenschappen zal na goedkeuring 
van het gebiedsplan de onderwijsin-
stellingen bekostigen volgens 
aanwijzingen vermeld in de activitei-
tenbegroting. De gelden voor de 
welzijnscomponent worden bijgedra-
gen aan de desbetreffende gemeenten 
die deze middelen toedelen aan de 
deelnemende welzijnsinstellingen 
volgens de goedgekeurde activiteiten-
begroting. </spreker>
<spreker pagina="" anker="211" partij="CDA" naam="Kraaijeveld - Wouters ">
 Wil de staatssecretaris zijn 
opmerking over het detacheren van 
mensen bij een instelling nog eens 
herhalen? Het is mij niet helemaal 
helder of het samenwerkingsverband 
gezien wordt als een instelling 
waarbij mensen gedetacheerd 
kunnen worden. Voorts vraag ik mij 
af hoe het precies zit met de uitein-
delijke verantwoordelijkheid voor 
deze mensen als het gaat om het 
werk.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="212" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
De mensen die werken in een gebied 
zijn afkomstig van de scholen en van 
de welzijnsinstellingen. Wordt in het 
samenwerkingsverband afgesproken 
dat bepaalde taken worden verricht 
die men als samenwerkingsverband 
gezamenlijk wil, dan kunnen mensen 
vanuit scholen en welzijnsinstellingen, 
die overigens bekostigd worden 
rechtstreeks aan de scholen of 
instellingen, gedetacheerd worden 
voor deze taken uit het samenwer-
kingsverband. </spreker>
<spreker pagina="" anker="213" partij="CDA" naam="Kraaijeveld - Wouters ">
 Wat verstaatuprecies onder 
detacheren? Deze mensen staan op 
de payroll van de school of van de 
welzijnsinstelling via de gemeente. 
Ze werken voor het project. Daarnaast 
gelden de regels van hun 'thuisbasis', 
bevoegd gezag, school en instelling. 
Deze zaken heb ik nog helder voor 
ogen. Ik begrijp dan echter niet hoe 
het zit met dat detacheren. Zij 
kunnen door de school of de welzijns-
instelling uitgeleend worden om 
actief te zijn in het project. Wat is 
dan de meerwaarde van het begrip 
'detacheren'? Ik wil daaraan namelijk 
geen meerwaarde verbinden.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="214" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Ik wil 
hierover ook een opmerking maken, 
omdat het over mijn amendement 
gaat dat ik overweeg in te trekken als 
de staatssecretaris een bevredigend 
antwoord geeft op de vraag die de 
heer Dijkstal aan hem stelde. Ik heb 
het antwoord van de staatssecretaris 
zo verstaan dat hij zegt dat als de 
betrokkenen dat willen, personeel 
kan worden uitgeleend van de 
instellingen waar zij op de payroll 
staan en waar zij feitelijk in dienst 
zijn aan het samenwerkingsverband. 
Ik voeg eraan toe dat - dit zou ook 
de verduidelijking moeten zijn - voor 
die taken die dan via het samenwer-
kingsverband worden verricht, het 
bestuur van het samenwerkingsver-
band voor het functioneren van de 
betrokkenen verantwoordelijk is. Ze 
blijven in dienst van de instellingen 
waar ze bij horen. Die instelling 
wordt ook voor hun activiteiten 
betaald. Voor de goede procesgang 
van de activiteiten is er het samen-
werkingsverband dat over het 
personeel voor dat doel kan beschik-
ken. Zo worden in veel onderwijssti-
muleringsprojecten op dit moment al 
mensen vanuit verschillende instellin-
gen gedetacheerd bij het project. De 
stelling van de staatssecretaris is dat 
deze wet zich tegen die constructie 
niet verzet.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="215" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Het is misschien erg subtiel. Ik dacht 
uit de woorden van mevrouw 
Kraaijeveld te begrijpen dat zij dacht 
aan een zekere plaats waar de 
mensen worden neergezet door de 
scholen dan wel de welzijnsinstellin- gen. Het gaat hierom: het samenwer-
kingsverband stelt de gezamenlijke 
activiteiten vast. Dat zijn activiteiten 
binnen de scholen en binnen de 
welzijnsinstellingen. Het kunnen ook 
taken zijn die op het grensgebied van 
onderwijs en welzijn plaatsvinden. 
Vanuit de scholen en vanuit de 
welzijnsinstellingen kunnen deze 
mensen, in overleg met het samen-
werkingsverband, bepaalde taken 
verrichten. Dat versta ik onder 
detacheren.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="216" partij="VVD" naam=" Dijkstal">
 Nu ontstaat 
er een kleine spraakverwarring. Het 
'detacheren' in juridische zin omvat 
een ander begrip en heeft andere 
rechtspositionele consequenties. Bij 
het 'detacheren' in materiële zin - de 
heer Wallage bedoelde dat eigenlijk -
verrichten mensen ter wille van het 
samenwerkingsverband feitelijk 
bepaalde werkzaamheden. </spreker>
<spreker pagina="" anker="217" partij="CDA" naam="Kraaijeveld - Wouters ">
 Dan zou ik meer voelen voor 
het woord 'uitlenen aan'. De heer 
Wallage bracht dat ook te berde. Stel 
dat er iets fout gaat. In wiens dienst 
staat men dan? Formeel staat men in 
dienst van school, bevoegd gezag en 
welzijnsinstelling, bevoegd gezag. 
Materieel werkt men in het samenwer-
kingsverband. Ik dacht dat de heer 
Wallage nog net even een extra 
bevoegdheid van het bestuur of het 
samenwerkingsverband zag voor die 
personen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="218" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Neen, want ik heb ook gezegd dat de 
mensen rechtspositioneel onder de 
scholen dan wel de welzijnsinstellin-
gen blijven staan. Er wordt geen 
eigen rechtspositieregeling getroffen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="219" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Dat laat 
onverlet de bestuurlijke verantwoor-
delijkheid van het samenwerkingsver-
band voor de bij dat samenwerkings-
verband gedetacheerde mensen met 
hun activiteiten. U heeft volstrekt 
gelijk alsuzegt dat ze rechtspositio-
neel behoren bij de instelling waar ze 
vandaan komen. De discussie gaat 
echter over de vraag of dat samen-
werkingsverband de mogelijkheid 
heeft om voor de gedetacheerde 
mensen en hun activiteiten bestuur-
lijke verantwoordelijkheid te dragen. 
Ik begrijp dat uw antwoord daarop 
'ja' was. 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Onderwijsvoorrangswet 
55 

</spreker>
<spreker pagina="" anker="220" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Het samenwerkingsverband vertegen-
woordigt dan de gezamenlijke 
scholen en welzijnsinstellingen. 
Mevrouw Kraaijeveld heeft 
nogmaals een uitleg gevraagd over 
het bepaalde in art. 24, lid 1 ter zake 
van de term 'op de voet van'. 
Uitgegaan dient te worden van de 
geldende regels die van toepassing 
zijn bij aanstelling van personeel bij 
scholen en instellingen, zoals 
benoemingsvoorwaarden, salaris-
voorwaarden, secundaire arbeids-
voorwaarden, afvloeiingsregelingen 
en dergelijke. In formele zin valt het 
aan te stellen personeel onder het 
rechtspositiebesluit Onderwijsperso-
neel of onder de welzijns-c.a.o. 
Nu is het mogelijk dat in het 
samenwerkingsverband functies 
voorkomen die bij voorbeeld een 
andere benaming hebben of een wat 
andere taakomschrijving dan in het 
rechtspositiebesluit is gegeven, 
terwijl ze er toch zo dichtbij liggen 
dat het voor een ieder duidelijk is dat 
ze vergelijkbaar zijn met functieaof 
b uit dat rechtspositiebesluit; zo 
duidelijk dat het overbodig werk is 
om daarvoor aparte bepalingen te 
maken. Voor die gevallen is er de 
bepaling 'op de voet van'. 
Het gaat dus om gelijkwaardige 
maar formeel niet gelijkluidende 
omschrijvingen. Dit leek ons in een 
tijd van deregulering en beperking 
van beleidslasten een verstandige 
lijn. Als zich evenwel in de praktijk 
toch nog onduidelijkheden voordoen, 
heeft de minister van Onderwijs en 
Wetenschappen de bevoegdheid, 
genoemd in de laatste zinnen van 
artikel 24, lid 1 om aanwijzigingen te 
geven. Volgens de geldende voor-
schriften zal dan eventueel overleg in 
het georganiseerd overleg plaatsvin-
den. 
Uit de woorden van de geachte 
afgevaardigde de heer Willems meen 
ik te begrijpen dat hij ervan uitgaat 
dat er nu 85 aanvragen op het 
departement zijn binnengekomen. Ik 
richt mij hierbij ook tot mevrouw 
Kraaijeveld-Wouters. Dit is niet het 
geval. De aanmeldingsprocedure is 
nog niet gestart. Het getal 85 heeft 
betrekking op het aantal initiatieven 
dat bij het departement bekend is. 
Wij dienen er dus rekening mee te 
houden dat er meer dan 85 aanvragen 
kunnen binnenkomen. 
Mevrouw Kraaijeveld-Wouters 
heeft gevraagd of het bedrag per 
gebied verlaagd kan worden om 
aldus meer aanvragen te kunnen 
honoreren. Bij de door mij ingediende 
stukken met betrekking tot de 
financiën treft men een overzicht aan 
van de faciliteiten die nu ter beschik-
king worden gesteld aan de voorlopige 
onderwijsvoorrangsgebieden en de 
bedragen waarop men straks kan 
rekenen. 
Hieruit blijkt dat er per saldo al 
sprake is van een verlaging van het 
budget voor de deelnemende 
scholen en instellingen, vergeleken 
met de situatie van nu. Bij het 
financiële overzicht heb ik ook een 
voorbeeld van een mogelijke verdeling 
van de faciliteiten gegeven. Het is 
mijn mening dat 4a5 schooltijden 
respectievelijk 15 taakeenheden en 
een vergelijkbare formatie bij 
welzijnsinstellingen nodig zijn om het 
gebiedsplan nog slagvaardig te 
kunnen uitvoeren. Het idee om het 
bedrag per gebied te verlagen om zo 
mogelijk alle aanvragen te kunnen 
honoreren, zal er ook toe leiden dat 
het aantal aanvragen nog zal toene-
men. 
Ik wil mijn verontschuldigingen 
aanbieden dat het stuk handelend 
over de financiën de Kamer zo laat 
heeft bereikt. Daar staat tegenover 
dat het stuk nu het actuele beeld 
geeft omtrent de beschikbare gelden 
en een financieel model voor een 
onderwijsvoorrangsgebied. 
In eerste termijn heb ik naar 
aanleiding van vragen de geachte 
afgevaardigden mevrouw Kraaijeveld-
Wouters en de heer Willems over de 
positie van de Chinezen in het 
onderwijsvoorrangsbeleid, medege-
deeld dat ongeacht de vraag of 
groepen culturele minderheden in 
aanmerking komen voor onderwijs in 
de eigen taal en cultuur, de activiteiten 
in gebiedsplannen zich ook indirect 
of direct richten op achterstandsbe-
strijding van deze bevolkingsgroep. 
De geachte afgevaardigde de heer 
Willems heeft in tweede termijn 
gevraagd of dit ook geldt voor 
Surinamers. Ik kan die vraag bevesti-
gend beantwoorden. Voor Surinamers 
en Antillianen geldt bovendien dat 
deze leerlingen ook worden meege-
nomen in de voorrangsscore. De 
omschrijving van het begrip leerlingen 
uit culturele minderheden is conform 
de omschrijving in de formatieregeling 
van de Wet op het basisonderwijs. 
Uit het amendement van de 
geachte afgevaardigde de heer 
Wallage begrijp ik dat hij naast de 
toename van doorstroming van 
kinderen naar hogere vormen van het 
voortgezet onderwijs, nog een 
tweetal andere effecten van het 
beleid wil evalueren en hieraan een 
wettelijke basis wil geven. Ik vind zijn 
voorstel sympathiek, maar er zijn ook 
nadelen aan verbonden. In de wet is 
reeds vastgelegd dat in het onderwijs-
voorrangsplan apart aandacht moet 
worden besteed aan de evaluatie van 
de periode waarop het voorgaande 
plan betrekking heeft. 
Thans zijn reeds voorbereidingen 
getroffen om tot een gedegen 
evaluatie te komen. In de opzet van 
het evaluatieplan is rekening gehou-
den met onder andere de door de 
heer Wallage bedoelde onderdelen. 
Enerzijds wordt de nadruk gelegd op 
schoolprestaties, omdat die een 
bijdrage vormen tot de verdere 
schoolcarrière van kinderen, ander-
zijds zal een aantal vormingsdoelen 
deel uitmaken van het onderzoek. 
Met de heren Mik en Dijkstal ben ik 
het eens dat het veel moeilijker is om 
voor het niet cognitieve deel hanteer-
bare instrumenten en criteria te 
ontwikkelen. In hoofdstuk 8 van het 
onderwijsvoorrangsplan is een korte 
samenvatting gegeven van de 
richting en bedoeling van het 
evaluatie-onderzoek. Voor dit project 
is door mijn departement een bedrag 
van 1,5 min. beschikbaar gesteld. 
Het is de bedoeling dat het ministerie 
van WVC hier nog een bedrag aan 
toevoegt. 
Ik hoop hiermede aangegeven te 
hebben hoe belangrijk het onderzoek 
wordt geacht voor de voortgang van 
het onderwijsvoorrangsbeleid. 
Op dit moment kan ik echter ook 
geen toezeggingen doen over de 
gewenste extra aandacht voor 
doorstroming, betrokkenheid van de 
ouders en motivatie van leerlingen in 
het evaluatieonderzoek, omdat 
daarmee thans reeds een beslag zou 
worden gelegd op de beschikbare 
middelen. Mettertijd zal duidelijker 
worden waaraan prioriteit moet 
worden verleend.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="221" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Deze 
beantwoording gaat toch heen langs 
de vragen waarvoor wij nu staan, nu 
er een wettelijk kader komt. De 
eerste vraag is of over die evaluatie 
iets in de wet moet worden gezegd. 
De tweede vraag is of, als je dat 
vindt, je moet benadrukken dat het 
niet alleen gaat om wat kinderen 
hebben geleerd en hun doorstro-
mingskansen, maar ook om andere 
zaken. Deze twee vragen moeten 
beantwoord worden. Het antwoord 
van de staatssecretaris gaat meer in 
de richting dat hij bezig is met een 
evaluatieplan, dat hij die elementen 
erbij betrekt, maar dat hij niet kan 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Onderwijsvoorrangswet 
56 zeggen hoeveel aandacht hij aan die 
verschillende elementen zal besteden. 
Dat is een heel ander soort antwoord 
dan de vragen waarvoor wij nu 
staan. 
Ik nodig de staatssecretaris uit 
eerst de vraag te beantwoorden of hij 
vindt dat evaluatie een zo belangrijk 
onderwerp is, dat het met naam en 
toenaam in het wetsontwerp thuis-
hoort. Als hij dat vindt, vindt hij dan 
dat de breedte die ik eraan geef in 
het amendement, verstandig is? Wij 
kunnen dan nog discussiëren over de 
vormgeving. Ik vind echter dat deze 
vragen bij de behandeling van een 
wetsontwerp, zeker in de tweede 
ronde, op hun plaats zijn.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="222" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Over de noodzaak van de evaluatie 
en over de onderwerpen die geëvalu-
eerd zouden moeten worden, bestaat 
er tussen de heer Wallage en mij 
geen verschil van mening. De vraag 
dient zich echter aan of het verstandig 
is om de onderwerpen die hij noemt, 
bij naam in de wet te regelen. Daar 
gaat het om. Het lijkt mij van belang, 
gezien het evaluatiepakket dat moet 
worden samengesteld, om hierop 
niet vooruit te lopen. Ik zeg dit terwijl 
de onderwerpen die de heer Wallage 
heeft genoemd, mij persoonlijk 
aanspreken. 
De geachte afgevaardigde de heer 
Willems heeft gevraagd of onderwijs-
emancipatie een expliciet toetsings-
criterium zou moeten zijn voor het 
gebiedsplan. Dit zal niet het geval 
zijn. Met opzet vragen wij in artikel 
15 aan de samenwerkingsverbanden 
om een gebiedsplan op te stellen, 
uitgaande van een analyse van de 
omstandigheden die in het desbetref-
fende gebied met de onderwijsachter-
standen van leerlingen verband 
houden. Indien de positie van 
meisjes in dit verband speciale 
aandacht behoeft, zal dit terug te 
vinden zijn in het gebiedsplan. 
Ik kom nu toe aan de rol van de 
gemeenten. Ik heb de interventies 
van de geachte afgevaardigden ook 
in tweede termijn met aandacht 
aangehoord. De heer Wallage heeft 
de regering en de fractie van het 
CDA opgeroepen om bij de beraad-
slagingen toch vooral het onderwijs-
achterstandenbeleid op de voor- grond te plaatsen. Hij stelde: 'Ik zou 
het een zegen vinden voor het 
onderwijsbeleid als wij stap voor stap 
zover zouden komen, dat wij die 
rolverdeling tussen schoolbesturen 
als een gegeven zouden accepteren 
en naar de inhoud van de zaak 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
zouden kijken.' De regering en onder 
andere de heer Wallage stemmen 
hierin overeen, dat het achterstanden-
beleid ons aan het hart gebakken is. 
Wij moeten dus inhoudelijk aan het 
werk. Wat wordt echter bedoeld, als 
hij zegt dat wij die rolverdeling 
tussen schoolbesturen als een 
gegeven accepteren? Gaat het 
daarbij ook om de verhouding tussen 
schoolbestuur en gemeente? Ik 
poneer dat ter wille van een effectief 
onderwijsvoorrangsbeleid een 
zorgvuldige regeling met betrekking 
tot de verantwoordelijkheden en 
bevoegdheden van schoolbesturen 
en gemeenten geboden is. 
Voor een effectief voorrangsbeleid 
geldt als voorwaarde dat alle partijen 
zich goed erin kunnen vinden. Dit 
geldt in het land en in het desbetref-
fende gebied. Het geldt zowel voor 
het bijzondere als voor het openbare 
onderwijs. Het zal de heer Wallage 
niet onbekend zijn dat er een en 
ander te doen is geweest rondom de 
schoolbegeleidingsdiensten en, wat 
dichter in de buurt, bij de stimulerings-
projecten. Ook op grond van de 
ervaringen hiermee opgedaan acht ik 
brede steun van alle zijden voor een 
effectief onderwijsvoorrangsbeleid 
een eerste voorwaarde. 
Ik heb met instemming ervan 
kennisgenomen dat alle sprekers de 
intentie hebben, de fundamenten van 
ons onderwijsbestel ongemoeid te 
laten. De vraag die moet worden 
beantwoord, is of de heren Wallage 
en Dijkstal de gemeenten een 
regelgevende dan wel een uitvoeren-
de taak toebedelen. Mevrouw 
Kraaijeveld heeft hierover beharti-
genswaardige opmerkingen gemaakt. 
Wij kennen de desbetreffende 
passage in het regeerakkoord, neem 
ik aan. Door het gebiedsplan alleen 
te laten goedkeuren door de gemeen-
ten, overschrijdt men onzes inziens 
de grens van de uitvoering en zijn wij 
in de sfeer van de regelgeving 
beland.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="223" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Een 
gebiedsplan geeft inzicht in datgene 
wat volgens de betrokkenen moet 
gebeuren en, als het goed is, in het 
aanvullende flankerende beleid dat 
de gemeenten willen voeren, althans 
in mijn opvatting. De staatssecretaris 
moet zijn stelling toelichten dat dit 
regelgeving is. Deze betreft naar mijn 
mening voorschriften waaraan 
betrokkenen zich hebben te houden, 
al dan niet krachtens een landelijke 
wet of een gemeentelijke verordening. 
In dit geval is er echter helemaal 
geen sprake van voorschriften, maar 
Onderwijsvoorrangswet 
van het bundelen van initiatieven van 
betrokkenen en van het vastleggen 
van datgene wat de gemeente zelf 
wil doen. Wat is de regelgeving 
hieraan?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="224" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Op het afstemmen, waarover de 
gemeente volgens het wetsontwerp 
een oordeel moet geven, kom ik 
apart terug. Als ik de heer Wallage in 
eerste en in tweede termijn goed heb 
begrepen, heeft hij hierop alle nadruk 
gelegd. 
Ik geef een toelichting aan de hand 
van de amendementen op stuk nr. 
16, die de heer Wallage heeft 
ingediend. De gemeente is bevoegd 
tot het vaststellen van het gebieds-
plan. Dit is te lezen in artikel 18 dat 
onder II is ingediend. De bevoegdheid 
van de minister, het concept-plan 
goed te keuren ondanks een negatief 
oordeel van de gemeente, vervalt. Zie 
onderdeel VI. De mogelijkheid tot 
kennisneming door de minister 
vervalt ook, door de wijziging van 
artikel 15 in onderdeel I. Mijn 
bezwaar is dat de mogelijkheid 
vervalt dat de minister bij weigering 
van de gemeente het plan vaststelt 
Dit bedoel ik met de opmerking dat 
de regelgeving aan de gemeenten 
wordt overgelaten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="225" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Ook dit is 
geen regelgeving. Ik kan mij voorstel-
len datuwilt dat een onderwijsvoor-
rangsgebied waarvoor scholen en 
welzijnsinstellingen kiezen, moet 
worden ingesteld, hoewel de 
gemeente er niet achter kan staan. 
Dit is een standpunt, al ben ik het er 
niet mee eens. U kunt echter niet de 
stelling verdedigen dat zo'n oordeel 
van een gemeente regelgeving is. De 
regels waarom het hierbij gaat, staan 
in de wet. 
Voor zover er van regelgeving 
sprake is, wordt deze landelijk 
bepaald. Wat de gemeente doet, is 
voor zich zelf bepalen welk beleid zij 
ter zake wil voeren. Als men dit al in 
de tweedeling van regelgeving en 
uitvoering wil vangen, is het evident 
dat het om uitvoering gaat. Ik nodig 
de staatssecretaris ertoe uit, aan te 
tonen wat hieraan de regelgeving is.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="226" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
In artikel 1 5 gaat het om de inhoud 
van de gebiedsplannen. Als wij dit 
zorgvuldig lezen en zien waarover 
een oordeel moet worden gegeven 
en waarover moet worden geadvi-
seerd, blijkt het om iets niet gerings 
te gaan. 
In het wetsvoorstel heb ik ook niet 
voor niets die adviserende taak over 
57 de inhoud van het gebiedsplan aan 
de gemeente toebedeeld. De 
gemeente geeft bovendien een 
oordeel over de vraag of het beleid 
van het samenwerkingsverband 
voldoende is afgestemd op overig 
gemeentelijk beleid en overig 
achterstandenbeleid. Mijnheer de 
Voorzitter! Als dit al wordt gedaan, 
kan men stellig niet zeggen - zoals 
de heer Wallage in tweede termijn 
heeft gedaan - dat de gemeente aan 
de zijlijn wordt geplaatst. Wat de 
heer Wallage nu wil, is de situatie 
scheppen waarin bepaalde plannen 
de gemeente niet uitkomen. 
Waar het gaat om de samenhang 
van de verschillende activiteiten van 
een gebiedsplan, om een effectief 
onderwijsvoorrangsbeleid met 
inschakeling van onderwijsbegelei-
dingsdiensten en dergelijke en zo'n 
gebiedsplan kan worden gestopt 
door de gemeente en niet meer door 
de rijksoverheid wordt beoordeeld 
- dat lees ik namelijk uit het amende-
ment van de heer Wallage - dan gaat 
mij dat te ver.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="227" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Dat mag 
u wel zegen, maar...  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="228" naam="De voorzitter">
 Het is nu toegelicht 
wat de staatssecretaris bedoelt. Het 
lijkt mij, dat er nog een derde termijn 
komt te eniger tijd en dat de amen-
dementen ook nog worden behandeld. 
Ik vraag de leden er wel rekening 
mee te houden, dat wij vanavond nog 
een ander onderwerp behandelen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="229" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Het brengt ons niet 
verder als wij dit punt niet even 
uitdiscussiëren. Dan krijgen wij het 
namelijk in de derde termijn terug.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="230" naam="De voorzitter">
 Ja, dat zou ik willen 
bevorderen!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="231" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Maar dit 
wetsontwerp dreigt een perpetuum 
mobile te worden!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="232" naam="De voorzitter">
 Dat zullen wij 
afwachten!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="233" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Mijnheer de Voorzitter! Mevrouw 
Kraaijeveld heeft in tweede termijn 
deze zaak in verband gebracht met 
het spoedig te behandelen wetsvoor-
stel inzake artikel 23 van de Grondwet. 
Daarbij gaat het over delegatie. Wij 
moeten deze discussie niet reeds nu 
willen voeren. 
Mijnheer de Voorzitter! Ik heb al 
gezegd het beslist oneens te zijn met 
de heer Wallage als hij zegt, dat de 
gemeente bij zaken van het gebieds-
plan aan de zijlijn wordt geplaatst. Ik 
spreek niet eens over het verzoek tot 
aanwijzing als onderwijsvoorrangsge-
bied waarover de gemeente ook al 
adviseert. Zij geeft advies over het 
gebiedsplan en bovendien haar 
oordeel over de afstemming van het 
onderwijsvoorrangsbeleid, op het 
welzijnsbeleid en overige achterstan- denbeleid. Dat is niet niks: een 
gemeenteraad die zichzelf respec-
teert, zal hiermee niet lichtvaardig 
omspringen. 
Volgens de heren Wallage en 
Dijkstal zou dit afstemmingscriterium 
evenwel moeten worden aange-
scherpt. Waar de heren Dijkstal en 
Wallage hier een centrale rol van de 
gemeente bepleiten onder het motief 
- ik citeer nu de woorden van de heer 
Wallage - dat er een moment moet 
zijn, dat de afstemming op overig 
gemeentelijk beleid effectief tot 
stand komt, stem ik met deze 
gedachtengang in. Het is goed, dat 
het samenwerkingsverband ook naar 
ander regulier beleid in de gemeente 
kijkt en nagaat op welke wijze 
voldoende afstemming tot stand 
komt. Tevens moet er een opdracht 
aan de gemeente zijn om haar beleid 
af te stemmen op het onderwijsvoor-
rangsgebeuren. De gemeente moet 
consistent zijn in haar achterstanden-
beleid. 
Mijnheer de Voorzitter! Ik consta-
teer, dat ik de meerderheid van de 
Kamer nog niet met onze zwaarwe-
gende argumenten heb kunnen 
overtuigen. Ik constateer, dat ook de 
VVD-fractie akkoord is gegaan met 
een aparte wettelijke regeling in de 
context waarin deze opmerking ter 
zake door de heer Dijkstal is geplaatst. 
Ik ben hem daarvoor erkentelijk. Ik 
heb met aandacht geluisterd naar 
mevrouw Kraaijeveld die verklaarde 
de intentie te hebben om er gezamen-
lijk uit te komen. Zij voegde eraan  toe: 'ik kijk natuurlijk ook naar de 
regering die hierin een rol speelt'. 
Mijnheer de Voorzitter! Vanwege 
het grote belang dat de regering 
hecht aan de totstandkoming van de 
wettelijke regeling die een effectieve 
bestrijding van onderwijsachterstan-
den mogelijk maakt - een wens die 
uitdrukkelijk ook door de Kamer is 
uitgesproken - nemen wij die 
handschoen op. 
Derhalve willen wij onderzoeken, 
of wij via een nota van wijziging een 
oplossing kunnen vinden die zowel 
voor het kabinet als voor de Tweede 
Kamer aanvaardbaar is. Mag ik u, 
mijnheer de Voorzitter, verzoeken om 
de behandeling van dit wetsvoorstel 
te schorsen?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="234" partij="PvdA" naam="Wallage">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Ik waardeer het 
natuurlijk dat de staatssecretaris een 
poging gaat doen om de meningsver-
schillen met de Kamer te overbruggen. 
Ik stel wel vast dat wij al een dag of 
tien - ik zeg het voorzichtig! - met 
dat meningsverschil leven. In eerste 
termijn is door mij en in tweede 
termijn is door de collega's met 
nadruk gevraagd, de overbrugging 
tot stand te willen brengen. Er is dus 
al enige tijd beschikbaar geweest om 
een creatieve bijdrage te leveren. 
Hoeveel tijd denkt de staatssecre-
taris nodig te hebben voordat wij 
de behandeling van dit wetsontwerp 
kunnen voortzetten? Ik vraag dit 
vooral voor de mensen in de praktijk. 
Zij vragen zich af, wanneer er een 
regeling tot stand komt en of dit 
vertragingen ten gevolge zal hebben 
voor de uitvoeringsregelingen. Het is 
niet zonder risico's!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="235" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Mijnheer de Voorzitter! Ik ben mij er, 
met de heer Wallage, van bewust dat 
haast ter zake geboden is. Ik denk 
dan zeker aan de inspanningen die 
mensen in het veld zich getroosten 
met betrekking tot het tot stand 
brengen van het onderwijsvoorrangs-
beleid in de verschillende gebieden. 
De heer Wallage heeft van de 
regering de creativiteit gevraagd om 
ter zake spoed te betrachten. Ik zeg 
hem toe dat ik die spoed zal betrach-
ten. Ik zal met de nota van wijziging 
komen op het moment dat dit 
dienstig is voor de totstandkoming 
van een goede onderwijsvoorrangs-
wet.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="236" partij="GPV" naam=" Schutte">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Mag ik aannemen dat de 
procedure waarover de staatssecreta-
ris nu spreekt, cnverlet laat wat hij 
enkele minuten geleden heeft 
gezegd, namelijk dat het onjuist zou 
zijn om in het kader van deze 
discussie vooruit te lopen op de 
discussie over artikel 23 van de 
Grondwet?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="237" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Mijnheer de Voorzitter! Er blijven 
twee pijlers overeind. In de eerste 
plaats gaat het dan om de verdeling 
van verantwoordelijkheden, zoals wij 
deze al in de wetgeving kennen. In de 
tweede plaats wijs ik erop dat ik heb 
ingespeeld op hetgeen onder 
anderen door de heren Dijkstal en 
Wallage naar voren is gebracht. Ik 
denk dan aan de afstemming van de 
activiteiten binnen het onderwijsvoor-
rangsgebied op de overige activiteiten 
binnen de gemeenten. 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Onderwijsvoorrangswet 
58 

</spreker>
<spreker pagina="" anker="238" partij="GPV" naam="Schutte">
 Het gaat mij 
erom dat met 'ja' wordt geantwoord 
op de vraag die ik zojuist stelde. De 
opmerking van de staatssecretaris 
over artikel 23 blijft van kracht?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="239" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Ik zou een discussie die vooruitloopt 
op de behandeling van het wetsvoor-
stel dat in juli is ingediend met 
betrekking tot artikel 23, een onjuiste 
procedure vinden.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="240" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, aan het 
verzoek van de staatssecretaris te 
voldoen en de algemene beraadsla-
ging te schorsen tot een nader te 
bepalen tijdstip. 
Daartoe wordt besloten. </spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde is de behandeling van 
de  stukkeninzake het Besluit 
 afbreking zwangerschap ( 1 8 3 8 6 , 
 nrs. 19, 2 0 en 2 1 ) . 
De beraadslaging wordt geopend. 

<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="241" partij="PvdA" naam=" Haas-Berger">
 
Mijnheer de Voorzitter! De Kamer 
heeft in 1980 uitgesproken dat de 
regering moest bevorderen dat de 
zwangerschapsafbreking in de 
abortusklinieken met een vergunning 
als verstrekking werd opgenomen in 
het verstrekkingenpakket van de 
ziektekostenverzekering óf een 
daarmee gelijk te stellen regeling 
moest treffen. In gewoon Nederlands  houdt dit in: abortus in het zieken-
fondspakket. 
In 1984 heeft de Kamer bij de 
inwerkingtreding van de Wet 
afbreking zwangerschap deze 
uitspraak herbevestigd. Na een 
negatief advies van de Ziekenfonds-
raad in 1982 kwam in december 
1984 deze raad met het advies om 
alle abortusverrichtingen in het 
ziekenfondspakket op te nemen. Het 
zou dan zowel om de verrichtingen in 
ziekenhuizen - hiervan is nu reeds 
sprake - als om de verrichtingen in 
klinieken moeten gaan. Dit laatste 
advies was zelfs op grond van de 
adviesaanvrage van deze regering tot 
stand gekomen. 
Voorzitter! Deze minister heeft in 
een brief aan de Kamer gesteld dat 
uit een oogpunt van rechtsgelijkheid 
de vraag of abortus in het ziekenfonds-
pakket opgenomen moet worden 
voor ziekenhuizen en klinieken gelijk 
beantwoord moet worden. Aangezien 
de verrichting in het ziekenhuis reeds 
in het pakket zit, betekende deze 
mededeling praktisch dat de minister 
van mening was dat abortus in het 
ziekenfonds opgenomen zou moeten 
worden. 
Voorzitter! Wie schetst onze 
verbazing toen wij op 22 januari 
jongstleden een brief kregen van 
diezelfde minister waarin een heel 
ander voorstel werd gedaan. Daarbij 
ging hij voorbij aan twee kameruit-
spraken, de mening van de minister-
raad en het advies van de Zieken-
fondsraad. De Ziekenfondsraad had 
toen al alle andere, door de minister 
in zijn adviesaanvrage genoemde, 
mogelijkheden verworpen. Dat had 
de raad zelfs unaniem gedaan. Hij 
had die mogelijkheden verworpen 
omdat de uitvoering ervan op 
verzekerings- en uitvoerings-techni-
sche bezwaren zou stuiten. 
En dan toch komt de minister met 
het voorstel de abortusklinieken uit 
de AWBZ te financieren en stuurt 
hierover een adviesaanvraag aan de 
Ziekenfondsraad die dit idee al 
verworpen had. 
In het mondeling overleg van juni 
1985 bleek dat de enige speelruimte 
die de Ziekenfondsraad nog had, 
bestond uit het voorbereiden van een 
subsidiebesluit. Er was geen sprake 
meer van een verdere beoordeling 
van het voorstel als zodanig. 
De minister is dus in januari 
volstrekt voorbij gegaan aan het 
advies dat de Ziekenfondsraad een 
maand eerder had gegeven. Voorzit-
ter! Natuurlijk heeft de minister een 
eigen verantwoordelijkheid met 
betrekking tot de Ziekenfondsraad, 
maar het is wel erg significant dat hij 
dat toevallig bij de financiering van 
de abortusverrichting ontdekt en dat 
hij dan de uitvoeringstechnische 
bezwaren in de wind slaat. 
Natuurlijk, Voorzitter, deze 
regering legt vele moties naast zich 
neer. Maar is het ook toevallig dat dit 
gebeurt met de motie over de 
financiering van de arbortus? 
Ingaand om het voorstel van de 
regering om de abortusklinieken te 
financieren in het kader van artikel 
52, lid 1, sub e, AWBZ, wil ik twee 
soorten opmerkingen maken. Ik wil 
daarbij enkele opmerkingen van 
praktisch-financiële aard maken. Ik 
begin echter met opmerkingen van 
meer principiële aard. 
Een gedeeltelijke AWBZ-subsidië-
ring houdt wel degelijk een onder-
scheid tussen beide soorten instellin-
gen in stand hetgeen anders is dan 
de minister destijds wilde. 
Dit kan in de praktijk ook anders 
uitwerken voor de vrouwen die in de 
onderscheiden instellingen behandeld 
worden. En, mijnheer de Voorzitter, 
een AWBZ-financiering kan, aange-
zien het hierbij om een rijksbijdrage 
gaat, zowel de vrouwen als de 
instellingen elk jaar als het ware op 
het verkeerde been zetten doordat 
op de rijksbijdrage wordt gekort of 
deze wordt ingetrokken. 
De minister heeft deze oplossing 
van de AWBZ-financiering gekozen 
met het oog op gewetensbezwaarden. 
Het zou gaan, zo staat er, om een 
eventuele controversiële verstrekking 
waarover in de samenleving op 
religieuze en ethische gronden 
verschillend wordt gedacht. Dit zou 
betekenen dat bij de opname in het 
ziekenfondspakket een aantal 
verzekerden gedwongen zou zijn te 
betalen aan een voorziening die zij 
geheel of voor een groot aantal 
praktijksituaties, die weliswaar 
binnen een redelijke hantering van de 
in de wet neergelegde zorgvuldig-
heidsnorm vallen, op bepaalde 
gronden afwijzen. Dit zegt de 
minister in de stukken. 
Mijnheer de Voorzitter! Deze 
redenering deugt niet. Ik ken gewe-
tensbezwaarden die op generlei wijze 
verzekerd willen zijn. Openen wij 
echter op onderdelen van het 
verzekeringspakket de mogelijkheid 
om gewetensbezwaren te laten 
gelden, dan is de solidariteitsgedach-
te, de grondslag van elke sociale 
verzekering, weg. Verder wijs ik erop 
dat wij met het openen van die 
mogelijkheid wel eens voor heel 
gekke situaties kunnen komen te 
staan. Velen die zich op grond van 
hun gedrag-, leef- en voedingsgewoon-
te niet tot een bepaalde risicogroep 
voelen, zouden dan niet willen 
bijdragen aan de kosten voor 
bepaalde verrichtingen. Toch kunnen 
ook zij aan dezelfde ziektes lijden of 
overlijden en dan is het risico niet 
gedekt. 
Voorzitter! Een ziektekostenverze-
kering mag, met uitzondering voor 
totaalweigeraars, geen rekening 
houden met bezwaarden op onderde-
len. Er is nog iets in het voorstel dat 
mij verbaast. De afspraak in het 
regeerakkoord was om de rijksbijdra-
ge, die nog 200 miljoen bedraagt, te 
verminderen tot ongeveer 4 0 
miljoen. 
Nu wordt de rijksbijdrage verhoogd 
met 6,6 min. Waarom? Om gewetens-
bezwaarden te ontlasten? Nog 
afgezien van het feit dat er dus na dit 
jaar geen garantie is voor de rijksbij-
drage, vraag ik mij af of en hoe deze 
minister wil en kan verzekeren dat 
deze financiering blijft bestaan. 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Onderwijsvoorrangswet 
Abortus 
 59 Artikel 52, lid 1 sub 2, betreft een 
tijdelijke financiering. Langere 
financiering is eigenlijk voor voorzie-
ningen die zich nog in een experimen-
teel stadium bevinden. Bovendien is 
de voorgestelde constructie kosten-
verhogend. 
Iedereen is verzekerd op grond van 
de AWBZ. Alle abortusverrichtingen 
in erkende inrichtingen zullen dus via 
de AWBZ betaald worden. Ook die 
van hen die particulier verzekerd zijn. 
Het komt mij voor dat waar de 
staatssecretaris nog zoveel moet 
bezuinigen op de ziektekostenverze-
kering, dit nu niet het moment is om 
verrichtingen die in een particulier 
verzekeringspakket zijn opgenomen 
of door sommigen zelf betaald 
worden, in de collectieve sector op te 
nemen. Wij hebben berekend dat de 
extra kosten liggen in de orde van 
grootte van 2 min. gulden. Kan de 
minister hierop nader ingaan? 
De financiering volgens de AWBZ 
biedt de mogelijkheid om eigen 
bijdragen te heffen. In het subsidie-
besluit is deze mogelijkheid niet 
opgenomen. Welke voornemens 
heeft de minister eigenlijk voor de 
toekomst? Kan hij verzekeren dat het 
niet de bedoeling is dat er een eigen 
bijdrage wordt geheven? Het 
benodigde bedrag van 6,6 min. moet 
van andere onderdelen uit de 
begroting worden overgeschreven 
naarde rijksbijdrage-AWBZ. Waar 
wordt dit geld vandaan gehaald en 
waar is dat vandaan gehaald? 
Door deze subsidieregeling krijgt 
de ziekenfondsraad een tamelijk 
vergaande bevoegdheid op het 
terrein van controle van abortusklinie-
ken. Het behoeft geen betoog dat het 
hier gaat om zeer privacygevoelige 
gegevens. Het subsidiebesluit rept 
verder niet over extra waarborgen 
voor de bescherming van de persoon-
lijke levenssfeer. Alle bevoegdheden 
berusten bij de voorzitter van de 
ziekenfondsraad. Wij zouden graag 
verzekerd worden dat de bescherming 
van de persoonlijke levenssfeer op 
een meer adequate wijze wordt 
gewaarborgd dan nu duidelijk is. Zijn 
alle regels op grond van artikel 75 
van de AWBZ onverkort van kracht? 
Een ander punt betreft de invloed 
van de ziekenfondsraad op de 
klinieken. In hoeverre kan de zieken-
fondsraad bepalen wat de prijs voor 
de behandeling moet zijn. Kan zij 
voorts andere beleidsbepalende 
beslissingen van de klinieken 
beïnvloeden? Dit is met name van 
belang, omdat de klinieken soms nog 
een groot aantal niet-AWBZ-verzeker-
den zullen behandelen, te weten 
buitenlandse vrouwen. Graag 
ontvangen wij hierop meer duidelijk-
heid. 
Is overigens de bepaling van de 
hoogte van de extra rijksbijdrage 
definitief of wordt deze bijgesteld 
aan de hand van werkelijk gerealiseer-
de cijfers? Wat is de invloed van de 
ziekenfondsraad hierop? 
Het grote aantal vragen maakt 
duidelijk dat deze regeling wel een 
zeer eigenaardige financiering van de 
abortusverrichting bewerkstelligt. Op 
welke wijze kan de terugwerkende 
kracht tot 1 februari j.l. netjes en 
soepel voor de klinieken worden 
geregeld? Het is een eigenaardige 
financiering die veel moeilijkheden 
oplevert en principiële en technische 
vragen oproept. Dat leidt ons tot de 
conclusie die wij hadden en die wij 
nog hebben, namelijk dat de abortus-
verrichting in het ziekenfondspakket 
thuishoort. Dat is de reden dat wij 
daarover nog eens een uitspraak van 
de Kamer willen vragen. 
Motie  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="242" naam="De voorzitter">
 Door het lid Haas-Ber-
ger wordt de volgende motie  voorgesteld: 
De Kamer, 
gehoord de beraadslaging; 
overwegende, dat de Kamer reeds 
meermalen heeft uitgesproken, dat 
de zwangerschapsafbreking, zowel in 
erkende ziekenhuizen als in klinieken, 
in het ziekenfondspakket dient te 
worden opgenomen; 
overwegende, dat dit zowel verzeke-
ringstechnisch als uitvoeringstech-
nisch mogelijk is; 
verzoekt de regering, ervoor zorg te 
dragen, dat de zwangerschapsafbre-
king, zowel in klinieken met een 
vergunning als in erkende ziekenhui-
zen, in het ziekenfondspakket wordt 
opgenomen, 
en gaat over tot de orde van de dag. 
Naar mij blijkt, wordt deze motie 
voldoende ondersteund. 
Zij krijgt nr. 2 2 ( 1 8 386). 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="243" partij="GPV" naam=" Schutte">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Hebben wij vandaag de 
zoveelste ronde van het abortusdebat 
in deze Kamer of zijn wij op een 
ander onderwerp overgegaan? Die 
vraag, die wel terloops wordt 
opgeworpen in de brief van de 
minister, wordt daarin niet echt 
besproken. 
In de inleiding zegt de minister dat 
het bij abortus niet gaat om een 
'gewone' medische ingreep en dat 
met betrekking tot opname van 
abortus in het ziekenfondspakket niet 
zonder meer gesproken kan worden 
van een automatisch gegeven 
sluitstuk van de abortuswetgeving. 
Deze uitspraak geeft althans enige 
ruimte voor discussie over de door 
mij opgeworpen vraag. 
Slechts enkele alinea's verder heet  het echter: als het om noodsituaties 
in de zin van de wet gaat, mag er 
geen financiële barrière zijn met 
betrekking tot de ingreep. Daarmee 
wordt in feite gezegd dat abortus in 
het ziekenfondspakket of een 
vergelijkbare voorziening moet. De 
rest van de brief is nodig om aan te 
geven hoe deze keuze kan worden 
verenigd met een tegemoetkoming 
aan gewetensbezwaarden. 
Ik nodig de minister uit zijn zo snel 
getrokken conclusie te onderbouwen. 
De minister stelt dat opname in het 
ziekenfondspakket niet automatisch 
het sluitstuk vormt van de abortuswet-
geving, maar is het wel juist hier enig 
verband te suggereren? Is zowel de 
Ziekenfondswet als de AWBZ niet 
bedoeld voor de kosten van genees-
kundige verzorging? Kan de minister 
met recht beweren dat toepassing 
van abortus iets te maken heeft met 
geneeskundige verzorging, met een 
medische handeling, ook in die 
gevallen waarin van een medische 
indicatie geen sprake is? 
Vervolgens zou ik graag vernemen 
welk karakter de minister een abortus 
provocatus in de zin van de wet 
toekent. Zijn spreken over 'geen 
financiële barrière' wekt sterk de 
indruk dat hij zo'n abortus beschouwt 
als een voorziening waarop aanspraak 
bestaat. Het zal duidelijk zijn dat ik 
tegen zo'n benadering fundamentele 
bezwaren zou hebben, niet alleen 
omdat ik abortus provocatus princi-
pieel afwijs, maar ook omdat mijns 
inziens geen recht gedaan wordt aan 
de Wet afbreking zwangerschap als 
een abortus beschouwd wordt als 
een voorziening. 
Immers, hoezeer de wet in de 
praktijk ook neerkomt op een 
legalisering van de abortus, niet 
ontkend kan worden dat abortus in 
de wet een misdrijf blijft, waarvan de 
strafbaarheid alleen onder omstandig-
heden wordt opgeheven, zulks 
vanwege de individuele omstandighe-
den van het geval. Dan is het echter 
toch principieel onjuist zo'n abortus 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Abortus 
60 als een wettelijke voorziening aan te 
merken? De overheid laat een 
bepaalde praktijk onder bepaalde 
voorwaarden toe, maar laat de 
verantwoordelijkheid voor die daad 
bij betrokkenen. 
Daarmee is niet te verenigen dat 
de overheid de weg naar een abortus 
provocatus extra effent door er een 
kosteloze voorziening van te maken. 
Ik hoop dat de minister ten principale 
op deze bezwaren wil ingaan om te 
voorkomen dat abortus nog meer een 
legitieme plaats in de samenleving 
krijgt dan nu reeds het geval is. 
Als argument om abortus, in 
klinieken toegepast, in het zieken-
fondspakket op te nemen wordt 
wel aangevoerd dat hierdoor een 
ongelijke behandeling met abortussen 
in ziekenhuizen wordt weggenomen. 
Die ongelijkheid is tot nu toe aanwe-
zig, maar dit behoeft geenszins tot de 
conclusie te leiden dat abortus in een 
kliniek dan ook maar kosteloos moet 
worden. Immers, hoe is het gekomen 
dat abortus in het ziekenhuis door 
het ziekenfonds wordt vergoed? Dat 
gebeurde onder de fictie van een 
medisch geïndiceerde handeling. 
Degene die de juistheid van deze 
fictie moest controleren, het openbaar 
ministerie, hield zich afzijdig, terwijl 
de premiebetaler de juistheid niet 
kon controleren. 
De Wet afbreking zwangerschap 
heeft de fictie van de medische 
indicatie officieel losgelaten. Daarmee 
is ook de formele rechtsgrond 
ontvallen aan de bekostiging uit het 
ziekenfonds. Uit de totstandkoming 
van de wet had dan ook de conclusie 
moeten worden getrokken dat 
abortus provocatus in het geheel niet 
meer wordt vergoed met uitzondering 
van de zich volgens de Ziekenfonds-
raad uiterst zelden voordoende 
indicatie van dringend medisch-soma-
tische aard en/of levensgevaar voor 
de vrouw. 
Daarmee zou recht gedaan zijn aan 
het karakter van de ingreep en 
zouden moeizame discussies en 
procedures om aan gewetensbezwa-
ren tegemoet te komen overbodig 
geweest zijn. De sterke druk om te 
komen tot een kosteloze abortus 
provocatus kan ik dan ook niet 
anders verklaren, dan als een poging 
het tussen CDA en VVD bereikte 
compromis maximaal op te rekken in 
de richting van een vrije abortus. 
Want de mogelijkheid van een 
kosteloze abortus bestaat al, namelijk 
in een ziekenhuis. 
In bijzondere gevallen kan boven-
dien een beroep op de Algemene 
bijstandswet worden gedaan. Uit een 
recente enquête in opdracht van de 
VN2 is gebleken dat abortus in het 
verstrekkingenpakket verreweg het 
minst gewaardeerd is. Zelfs als alleen 
gekeken wordt naar de groep 
vrouwen die eventueel in aanmerking 
zou kunnen komen voor zo'n verstrek-
king, is slechts 3 1 % uitdrukkelijk voor 
opneming van abortus in het verstrek-
kingenpakket. 
Het zou de minister gesierd 
hebben als hij met kracht van 
argumenten geweigerd had abortus 
in het verstrekkingenpakket op te 
nemen. Nu heeft het er alle schijn 
van dat hij niet zozeer voor argumen-
ten als wel voor politieke druk 
bezweken is. 
Onder deze omstandigheden is het 
vanzelfsprekend dat een voorziening 
getroffen moet worden voor mensen 
die om des gewetens wil niet kunnen 
meewerken aan het slechten van 
barrières voor abortus. In dit verband 
zeg ik eerst iets over het standpunt 
van de Ziekenfondsraad, die een 
precedentwerking vreest. Gewezen 
wordt op mensen met bezwaren 
tegen de kernbewapening, die om 
die reden een deel van het belasting-
geld niet willen betalen. Ik stel 
voorop dat burgers hun belastinggeld 
moeten betalen, ook als zij principieel 
bezwaar hebben tegen besteding van 
een deel van het geld. 
Het recht tot belastingheffing is 
essentieel voor het overheidsambt. 
Dat neemt niet weg dat de overheid 
zich moet afvragen of zij bepaalde 
aanslagen mag opleggen. Dan zit er 
een wezenlijk verschil tussen 
defensie-uitgaven en premies en 
subsidies voor abortus provocatus. 
Het defensiebeleid is bij uitstek een 
overheidsverantwoordelijkheid. Ten 
aanzien van abortus opent de 
overheid de mogelijkheid hiertoe 
onder eigen verantwoordelijkheid 
over te gaan. Wil iemand zich tegen 
de kosten hiervan verzekeren, dan 
kan dit ook. Zodra de overheid echter 
abortus opneemt in het pakket van 
sociale voorzieningen, neemt zij een 
verantwoordelijkheid die individueel 
bepaald is, over van de burgers en 
verbindt daaraan verplichtingen. 
Daarvan heeft de overheid zich te 
onthouden, zeker als het gaat om 
voorzieningen waartegen bij een deel 
van de burgers principiële bezwaren 
bestaan. 
De vrees van de Ziekenfondsraad 
voor precedentwerking is, dunkt mij, 
dan ook alleen te verklaren vanuit de 
vrees dat de overheid op de ingesla-
gen weg zal voortgaan en steeds 
meer omstreden voorzieningen in 
verplichte verzekeringen zal opnemen. 
Als die vrees werkelijkheid wordt, 
wordt het recht van de overheid 
solidariteit van alle burgers te 
vragen, ondermijnd. Ik zal op dit punt 
graag duidelijkheid van de minister 
ontvangen. 
Hoe moet een regeling waarin 
rekening gehouden wordt met 
gewetensbezwaren er nu uitzien? In 
feite is daarvoor maar één accepta-
bele oplossing, namelijk die waarbij 
abortus niet tot het verplichte 
verstrekkingenpakket behoort. Deze 
mogelijkheid was aanwezig geweest 
in het kader van de eerder voorgeno-
men stelselherziening. 
Zoals bekend ziet de regering 
voorlopig geen kans die herziening te 
realiseren. Ik betreur dat omdat ik 
pakketdifferentiatie in principe een 
goede zaak vind. Nu dat voorshands 
van de baan is, blijft de noodzaak 
bestaan een regeling te treffen ten 
behoeve van gewetensbezwaarden. 
Ik moet zeggen, dat de Ziekenfonds-
raad zich hiervan veel te gemakkelijk 
heeft afgemaakt. Tekenend vind ik de 
conclusie op blz. 23, dat een oplossing 
in de praktijk op forse administratieve 
en organisatorische moeilijkheden 
stuit en derhalve niet realiseerbaar is. 
Als particuliere verzekeraars 
zonder enig probleem voldoen aan 
verzoeken om abortus uit de polis te 
schrappen, en daarvoor bovendien 
een aanmerkelijke premierestitutie 
verlenen, dan zouden de ziekenfond-
sen zichzelf diskwalificeren als zij om 
administratieve en organisatorische 
redenen niet aan gewetensbezwaren 
tegemoet zouden kunnen komen. 
Terecht heeft de minister deze 
redenering niet zonder meer geaccep-
teerd. 
Uit het door hem uitgewerkte 
alternatief 1 blijkt dat het wel 
degelijk mogelijk is zowel in de sfeer 
van de premies als in die van de 
aanspraken op verstrekkingen 
beperkingen aan te brengen voor 
gewetenbezwaarden. Natuurlijk, zo'n 
oplossing is niet zo simpel, maar dat 
is dan een gevolg van de eerdere 
beslissing de Ziekenfondswet te 
gebruiken voor een doel waarvoor zij 
niet gestemd is en niet gebruikt 
behoort te worden. 
Zo'n beslissing vraagt om moeilijk-
heden. Maar het kabinet is kennelijk 
zo onder de indruk geraakt van de 
gevolgen van zijn eigen beslissing, 
dat het dit alternatief heeft laten 
varen en gekomen is met een 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Abortus 
61 alternatief waarvan ik het gehalte het 
best dubieus kan noemen. Dubieus, 
omdat de AWBZ wel op een zeer 
oneigenlijke wijze wordt gebruikt. 
Deze wet is immers bedoeld om 
binnen de sociale zekerheid een 
verantwoorde oplossing te bieden 
voor de zeer zware lasten van 
behandeling, verpleging en verzorging 
bij ernstige langdurige ziekte of een 
blijvende handicap. Ik vraag mij af, 
of er, ook onder de voorstanders van 
legalisering van abortus, iemand te 
vinden zal zijn die in deze omschrijving 
een abortus kan herkennen. Een wet 
die bedoeld is om hulp te bieden aan 
ernstig zieken en gehandicapten, 
wordt aangegrepen om de zwakste 
schepselen, ongeboren kinderen, 
kosteloos te kunnen doden. 
Dubieus is het alternatief ook, 
omdat geen recht wordt gedaan aan 
de aard van de gewetensbezwaren. 
Om te vermijden dat individuele 
burgers in gewetensnood komen 
door premiebetaling aan een over-
heidsinstelling gaat die overheid zelf 
rechtstreeks een financiële band aan 
met abortusklinieken. Om die band te 
kunnen betalen heft zij vervolgens 
van alle burgers belastingen. 
Ziet de minister niet, dat hij 
hierdoor weer een forse stap verder 
gaat? Van een voorwaardelijke 
toelating van abortus onder eigen 
verantwoordelijkheid van betrokkenen 
komt hij via het idee van een kosteloze 
voorziening nu bij een rechtstreekse 
subsidiëring van abortusklinieken. Hij 
zal zich daarbij toch realiseren dat 
voor hen die hieraan principieel niet 
kunnen meewerken, elke mogelijkheid 
om daaraan inhoud te geven, wordt 
ontnomen. In de sfeer van de sociale 
zekerheid kan nog worden gedacht 
aan een alternatief ziekenfonds, maar 
als het gaat om de besteding van 
belastinggeld, past slechts het 
betalen van de verschuldigde 
belasting. 
Als de minister het groene licht 
krijgt voor zijn plannen, gaat een fors 
bedrag aan subsidie naar de abortus-
klinieken. Dat brengt mijn aandacht 
bij die vrouwen die hun noodsituatie 
niet wensen op te lossen via een 
abortusingreep. Zij vragen om hulp 
en begeleiding. De instellingen die 
deze hulp verlenen, ontvangen een 
rijkssubsidie welke slechts een 
fractie vormt van def6 min. waarover 
wij vandaag spreken. Mag ik ervan 
uitgaan, dat de minister een verzoek 
om wat meer subsidie voor dit werk 
in overweging zal nemen? 
Mijnheer de Voorzitter! Mijn 
conclusie kan duidelijk zijn. Het 
kabinet heeft zichzelf in de problemen 
gemanoeuvreerd door de sociale 
zekerheid te willen gebruiken voor de 
bekostiging van een handeling die 
alleen onder bepaalde voorwaarden 
geen misdrijf in de zin van de wet 
meer is. De poging om daarbij ook 
nog rekening te houden met gewe-
tensbezwaren laat een wrange 
bijsmaak achter. Dat dit kabinet de 
politieke verantwoordelijkheid heeft 
aanvaard voor de uitvoering van de 
Wet Afbreking zwangerschap is 
helaas een feit, maar dat staat nu 
niet ter discussie. 
Ik zou graag zien dat de minister 
onderkende, dat wij vandaag niet 
spreken over het sluitstuk van deze 
wetgeving maar over een hoofdstuk  apart. Dat hoofdstuk luidt: de sociale 
zekerheid als hulpverlening aan 
zieken en gehandicapten. Voor dat 
doel mag solidariteit van een ieder 
gevraagd worden. Het doden van 
ongeboren kinderen heeft niets met 
een dergelijke hulpverlening te 
maken en mist dan ook een rechts-
grond voor het vragen van solidariteit. 
Ik heb dat in een motie vastgelegd. 
Motie  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="244" naam="De voorzitter">
 Door de leden 
Schutte, Leerling en Van Dis wordt  de volgende motie voorgesteld: 
De Kamer, 
gehoord de beraadslaging; 
constaterende, dat de Ziekenfondswet 
en de Algemene wet bijzondere 
ziektekosten regelen bevatten met 
betrekking tot de kosten van genees-
kundige verzorging; 
voorts constaterende, dat de Wet 
afbreking zwangerschap onverlet 
laat, dat de toepassing van abortus 
provocatus een misdrijf is, waarvan 
de strafbaarheid slechts voorwaarde^ 
lijk kan worden opgeheven; 
overwegende, dat de toepassing van 
abortus provocatus slechts in zeer 
uitzonderlijke gevallen kan worden 
aangemerkt als een voorziening in 
het belang van de geneeskundige 
verzorging; 
wijst het besluit van het kabinet tot 
bekostiging van abortus provocatus 
uit een verplichte sociale verzekering 
af, 
en gaat over tot de orde van de dag. 
Naar mij blijkt, wordt deze motie 
voldoende ondersteund. 
Zij krijgt nr. 23 (18 386). 



</spreker>
<spreker pagina="" anker="245" partij="RPF" naam=" Leerling">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Op 18 december 1980 
besloot de Tweede Kamer op 
dramatische wijze met de kleinst 
mogelijke meerderheid, het plegen 
van abortus provocatus onder  voorwaarden te legaliseren: 76 voor, 
74 tegen. Dat was een dieptepunt in 
de Nederlandse parlementaire 
geschiedenis en een historische fout 
die niet vaak genoeg in herinnering 
kan worden geroepen, opdat zij zo 
snel mogelijk ongedaan zal worden 
gemaakt en het ongeboren menselijk 
leven weer de volle rechtsbescher-
ming krijgt die in een rechtsstaat 
betamelijk moet worden geacht. 
Vandaag staat helaas een voorstel 
in die richting niet ter discussie. 
Integendeel. Het lijkt er eerder op dat 
het parlement vrij luchthartig nog 
een forse stap verder gaat zetten op 
die verderfelijke weg. De regering 
stelt namelijk voor, het vermoorden 
van het ongeboren kind dat niet 
wordt gewenst, te financieren op 
kosten van de gemeenschap. Het is 
haast ongelooflijk, dat zoiets in een 
beschaafde cultuur als die welke wij 
in Nederland zeggen te hebben, 
mogelijk is. De realiteit dwingt ons 
echter vast te stellen, dat het maar al 
te zeer waar is. 
De Kamer heeft één- en andermaal 
bij meerderheid uitgesproken dat 
financiering van abortus provocatus 
in het verstrekkingenpakket van het 
ziekenfonds moet worden opgeno-
men. Nu zal een minister een 
aangenomen kamermotie niet 
achteloos naast zich neerleggen, 
maar er is geen wettelijke verplichting 
voor de regering, een motie uit te 
voeren. Soms doet de regering dat 
ook niet, vaak om budgettaire 
redenen. Nu gaat het echter om veel 
zwaarder wegende zaken. 
Het was mij een lief ding waard 
geweest wanneer dit CDA/VVD-kabi-
net en met name deze CDA-minister, 
onder geen beding het groene licht 
had willen geven aan het uit gemeen-
schapsmiddelen financieren van de 
moord op het ongeboren kind. Was 
het niet deze minister die eens heeft 
gezegd dat de Kamer van alles en 
nog wat kan vragen, maar dat 
uiteindelijk de minister of zouwilt 
het kabinet beslist? Gelet op de 
volstrekt eigensoortige verantwoorde-
lijkheid van het kabinet, is het naar 
mijn opvatting een juiste instelling. 
De regering is toch niet domweg 
uitvoerder van de volkswil en ook niet 
van de opdrachten van het parlement? 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Abortus 
62 Nog afgezien van de meest 
fundamentele bezwaren die ik heb 
tegen het onnodig afbreken van een 
zwangerschap, kan de minister toch 
niet ontkennen dat een ongewenste 
zwangerschap geen ziekte is en 
abortus op sociale indicatie dan ook 
niet in aanmerking kan komen voor 
een vergoeding uit gemeenschaps-
middelen, zoals het ziekenfonds, of 
de middelen voor de AWBZ, net zo 
min trouwens als het verstrekken van 
anti-conceptiemiddelen? 
De collectieve lasten zouden met 
miljoenen kunnen dalen als dit soort 
verstrekkingen uit het pakket werden 
gehaald en recht werd gedaan aan 
de eigen verantwoordelijkheid. Als 
het de regering ernst is om de 
collectieve lasten waar het maar 
enigszins mogelijk is terug te 
dringen, zou dit soort maatregelen 
moeten worden genomen. 
Het is bekend dat de fractie van de 
RPF op principiële gronden het 
legaliseren van het plegen van 
abortus provocatus verwerpt, zolang 
het leven van de moeder staat 
tegenover het leven van het kind. Het 
gaat om het handhaven van de 
rechtsstaat, waarin elk mens, 
geboren en nog ongeboren, staat 
moet kunnen maken op volledige 
rechtsbescherming. De RPF is dan 
ook een verklaard tegenstander van 
het financieren van de abortusingreep 
uit gemeenschapsmiddelen, ongeacht 
uit welke pot het geld komt. Ik heb 
dan ook met volle overtuiging de 
motie ondertekend die collega 
Schutte zoeven heeft ingediend. 
De minister probeert op blz. 2 van 
zijn brief van 22 januari, waarin hij 
aankondigde dat abortus provocatus, 
in een kliniek gepleegd, met ingang 
van 1 februari 1985 zou worden 
vergoed vanuit de AWBZ, een en 
ander met een voor mij volstrekt 
kromme redenering aannemelijk te 
maken. Hij stelt dat er nu eenmaal is 
ingestemd met legalisering van 
abortus provocatus en dat het dan 
niet aangaat, er geen passende 
financiële regeling voor te treffen. 
Hoe heb ik het nu? Het is toch geen 
vanzelfsprekendheid dat wanneer de 
wetgever tot een wettelijke regeling 
komt, de gemeenschap moet 
opdraaien voor de kosten, gemoeid 
met de uitvoering? 
Dat geldt om maar een voorbeeld 
te noemen ook niet voor de proble-
matiek van de echtscheiding. De wet 
laat naar onze opvattingen veel te 
veel ruimte voor echtscheiding. De 
directe kosten die zijn verbonden aan 
het scheiden komen nog altijd voor 
rekening van de personen die 
daartoe besluiten. Met name in de 
Verenigde Staten wordt anders over 
deze zaak gedacht dan de minister 
nu doet. 
In een arrest van het Amerikaanse 
Hooggerechtshof in de zaak Harris 
versus Mc Ray heeft het Hof (448 US 
297) beslist dat zelfs al heeft de 
vrouw een in de Constitutie neerge-
legd recht om abortus provocatus te 
plegen, dit nog niet wil zeggen dat de 
staat moet betalen. Waar is de 
verplichting neergelegd dat de 
Nederlandse staat dit wel zou 
behoren te doen? 
Zo'n bepaling is er bij mijn weten 
niet. Het gaat hooguit om een morele 
verplichting, voortkomend uit 
politieke afspraken en aangenomen 
kamermoties. Het gaat om een 
verplichting die de minister niet 
behoeft te dwingen tot daden. Een 
kabinet dat de mond vol heeft over 
een terugtredende overheid, dat 
meer accent wil leggen op de eigen 
overheid, had in deze zaak echt 
kunnen tonen waar het staat. 
Ik hoop dat de minister bij zijn 
redenering wil verduidelijken dat 
abortus provocatus volgens door 
hem aangevoerde argumenten uit 
gelden van de sociale zekerheid moet 
worden gefinancierd, met name uit 
fondsen gevoed door de volksverze-
kering. Zoekend naar mogelijkheden 
om een financieringssysteem te 
vinden voor abortus provocatus, 
heeft de minister de positie van de 
gewetensbezwaarden onderkend. 
Ik acht dit op zichzelf positief, 
maar ook niet anders dan logisch op 
grond van artikel 20 van de Wet 
afbreking zwangerschap. Daarin 
staat immers dat niemand verplicht 
is, medewerking te verlenen aan het 
afbreken van een zwangerschap. 
Met het betalen van premie of 
belastinggelden die wel voor dit doel 
worden gebruikt, wordt deze mede-
werking indirect wel gegeven. Deelt 
de minister deze redenering? 
Op bladzijde 4 van de brief van de 
minister staat dat het kabinet er 
vanuit is gegaan dat een aanpak 
moet worden overwogen die recht 
doet aan de pluriforme opvattingen 
omtrent het al dan niet opnemen van 
abortus provocatus in het zieken-
fondspakket en recht doet aan de 
problematiek van de gewetensbe-
zwaarden. Meent de minister dat hij 
met de keuze voor financiering uit de 
AWBZ-pot op waarachtige wijze 
tegemoet is gekomen aan de 
bezwaren van de gewetensbezwaar-
den? 
De minister had twee alternatieven  die hij heeft laten onderzoeken: a) 
het opnemen van abortus provocatus 
in het ziekenfondspakket met een zo 
mogelijk aparte regeling voor 
gewetensbezwaarden en b) financie-
ring van abortus provocatus vanuit 
de AWBZ met extra middelen uit de 
WVC-begroting. 
Laat er geen misverstand over 
bestaan, ik ben ervan overtuigd dat 
de minister op integere wijze bezig is 
geweest om uit de voor hem opdoe-
mende problemen te komen. Toch 
ben ik duidelijk in de beoordeling van 
de door hem gevonden oplossing, 
abortus provocatus gepleegd in 
klinieken te vergoeden vanuit de 
AWBZ. Dit is verwerpelijk. In de 
gehele abortusyeschiedenis is 
menigmaal gewerkt met compromis-
sen. Hetzelfde moet worden gecon-
stateerd nu het om de financierings-
regeling gaat. 
Opname in het ziekenfondspakket 
ontmoette niet alleen verzet bij mijn 
fractie en die van de SGP en het 
GPV, maar ook bij het CDA. Een 
aparte regeling voor gewetensbe-
zwaarden in het ziekenfonds is niet 
haalbaar vanwege, naar ik heb 
begrepen, bezwaren bij PvdA en 
VVD. Er moest dus naar een andere 
oplossing worden gezocht die uit de 
hoge hoed van de heer Brinkman 
moest worden getoverd. 
Het werd een truc die de grenzen 
van het compromis verre overschrijdt. 
Dit is een foef om de gewetens van 
velen te sussen en het CDA in elk 
geval de troef in handen te geven dat 
het CDA er uiteindelijk voor heeft 
gezorgd dat abortus provocatus niet 
in het ziekenfondspakket komt. Dat 
dit voor de ziekenhuizen niet geldt, 
laten wijnu maar even buiten 
beschouwing. Een dergelijke handel-
wijze acht ik een vorm van misleiding 
die onaanvaardbaar is. 
Alsof het voor gewetensbezwaar-
den iets uitmaakt of ze nu via de 
ziekenfondspremie of via de belas-
tingcenten op indirecte wijze mee 
betalen aan abortus provocatus. Ik 
vraag het nogmaals, meent de 
minister nu echt wat hij heeft 
geschreven op bladzijde 7 van zijn 
brief dat hij met de door hem 
voorgestelde regeling tegemoet is 
gekomen aan de bezwaren van hen 
die op principiële gronden abortus 
provocatus afwijzen? 
Hoe groot is trouwens de kans dat 
abortussen worden gefinancierd die 
niet onder de wettelijke strafuitslui-
tingsgrond van artikel 296, lid vijf van 
het Wetboek van Strafrecht vallen? Is 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Abortus 
63 het verzet tegen de AWBZ-voorstellen 
in de vrouwenbeweging tekenend 
voor een mogelijke situatie als bij 
voorbeeld in West-Duitsland waar 
veel meer abortussen door het 
ziekenfonds worden uitbetaald dan 
door de artsen wordt vermeld? In de 
Frankfurter Allgemeine Zeitung van 
14 september jl. stond daarover een 
zeer interessant artikel. 
Het heeft mij overigens in hoge 
mate verbaasd dat het kabinet bereid 
is gebleken de AWBZ-voorziening uit 
te breiden, terwijl daar tot voor kort 
geen enkele mogelijkheid voor leek 
te zijn. Daarbij komt nog eens het feit 
dat een vergoeding van abortus 
provocatus zich toch moeilijk laat 
rijmen met de bedoeling van de 
AWBZ. Ik citeer een zin uit de 
inleiding bij de wettekst die is  gepubliceerd: 
De AWBZ is in het leven geroepen 
om binnen het raam van de sociale 
zekerheid een verantwoorde oplos-
sing te bieden voor de zeer zware 
lasten voor behandeling, verpleging 
en verzorging terzake van ernstige en 
langdurige ziekte of gebrek. 
De heer Schutte wees er ook al op; 
het behoeft geen betoog dat het 
afbreken van een zwangerschap aan 
geen van deze criteria voldoet, 
waarmee al is aangetoond dat het 
kabinet op oneigenlijke wijze gebruik 
maakt van het AWBZ-instrument, 
zodat het ook om deze reden moet 
worden afgewezen. 
De minister heeft in zijn brief 
nauwelijks aangegeven waarom hij 
de variant van de ziekenfondsfinancie-
ring met een regeling voor gewetens-
bezwaarden heeft afgewezen. 
Technisch is het immers heel goed 
mogelijk. Ik verwijs alleen maar naar 
een uitspraak van de secretaris van 
de Ziekenfondsraad enige tijd terug 
voor de televisie, dat een regeling 
voor gewetensbezwaarden bij het 
ziekenfonds uitvoerbaar is, dit in 
tegenstelling tot wat eerder is 
beweerd. 
Bovendien zou er dan een bedrag 
kunnen worden vrijgemaakt dat ter 
beschikking kan komen voororgani-
saties die moeder en kind helpen. Ik 
sluit mij graag aan bij de opmerking 
van de heer Schutte over meer 
mogelijkheden voor dit soort instellin-
gen. Als de regering dan toch een 
financieringsregeling zoekt, verdient 
deze weg in ieder geval de voorkeur 
boven de nu gekozen AWBZ-aanpak. 
Het zou ook denkbaar zijn dat via 
een ziekenfondsregeling kan worden 
gekozen voor een variant op de nu 
bestaande aanvullende verzekering. 
Heeft de minister de mogelijkheid 
onder ogen gezien om het abortusri-
sico, om het zo te duiden, particulier 
te verzekeren, zoals dat ook bij 
voorbeeld het geval is met de reis-
en ongevallenverzekering? Ziektekos 
ten gemaakt in het buitenland vallen 
ook slechts in bepaalde gevallen 
onder de ziekenfondsdekking. Is de 
minister, alles overziende, bereid om 
toch tot een heroverweging van zijn 
standpunt te komen? Hij heeft dit 
verwoord in zijn brief van 21 januari 
jongstleden. 
Vallen alle vrouwen, ongeacht hun 
leeftijd en nationaliteit die zich laten 
aborteren in een kliniek onder de 
voeding volgens het AWBZ-regime? 
Hoe is het bedrag van 6,6 min.  tot 
stand gekomen dat de minister op 
zijn begroting van 1985 heeft 
ingeruimd voor de financiering van 
abortus provocatus? Zal dat bedrag 
volgend jaar hoger zijn en om 
hoeveel abortussen gaat het dan? Is 
de minister bereid jaarlijks bij de 
toelichting op het begrotingsartikel 
waaruit de abortussen worden 
gefinancierd, te melden hoeveel 
abortussen er in ons land en in het 
jaar daarvoor zijn uitgevoerd, 
verdeeld over ziekenhuizen en 
klinieken? 
Mijnheer de Voorzitter! Samenvat- tend: Het voorstel van de minister 
om abortus provocatus verricht in 
klinieken te vergoeden via de AWBZ 
is onbegrijpelijk, onverantwoord, in 
strijd met de bedoeling van de AWBZ 
en derhalve volstrekt onaanvaardbaar. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="246" partij="D'66" naam="Groenman">
 
Mijnheer de Voorzitter! Door een 
misverstand praten wij pas vandaag 
over de financiering van zwanger-
schapsafbreking. Inmiddels ligt er 
wel een subsidiebesluit van de 
Ziekenfondsraad. Hoewel ook de 
Ziekenfondsraad net als de meerder-
heid van de Kamer vindt dat abortus 
opgenomen dient te worden in het 
ziekenfondspakket is gevolg gegeven 
aan het reeds in januari door de 
minister aangekondigde voornemen 
om abortus in abortusklinieken te 
vergoeden via de AWBZ. De minister 
heeft daarvoor twee argumenten 
gehanteerd, de toegankelijkheid voor 
alle vrouwen, maar vooral het 
tegemoetkomen aan de gewetensbe-
zwaarden die op deze manier niet via 
de ziekenfondspremie meebetalen. 
Dat ze dat voor zwangerschapsaf 
brekingen verricht in het ziekenhuis 
altijd al doen, is kennelijk aan de 
minister voorbijgegaan. Dat ze via de 
AWBZ ook meebetalen, idem dito, 
zeker als het om een rijksbijdrage 
aan het Algemeen Fonds Bijzondere 
Ziektekosten gaat. In het algemeen 
kan overigens nog wel meer worden 
opgemerkt over het ontzien van 
gewetensbezwaarden. Ik wijs erop 
dat de Wet afbreking zwangerschap 
langs de weg van de parlementaire 
democratie tot stand is gekomen. 
Achteraf uitzonderingen maken 
voor gewetensbezwaarden gaat dan 
niet aan en bedreigt als zodanig de 
parlementaire democratie, nog 
afgezien van de precedentwerking 
van dergelijke uitzonderingen. Als wij 
alle verrichtingen waartegen gewe-
tensbezwaren zouden kunnen 
bestaan onder de AWBZ brengen, 
waar blijven wij dan? Bovendien geldt 
dat gewetensbezwaren zich tegen 
abortus als zodanig richten en niet 
tegen de plaats waar of de financiering 
waarmee tot abortus wordt overge-
gaan. 
Ten slotte wordt de gekozen 
oplossing van de AWBZ-financiering 
in kringen van gewetensbezwaarden 
zelf een principieel verwerpelijke 
beslissing genoemd; getuige ook de 
bijdragen van de collega's Schutte 
en Leerling. De Nederlandse Patiën-
tenvereniging vindt het ook verwerpe-
lijk dat abortus, verricht in het 
ziekenhuis, is opgenomen in het 
ziekenfondspakket. Dat is consequent 
vanuit die christelijke invalshoek, maar 
een gepasseerd station. In de Wet 
afbreking zwangerschap wordt geen 
onderscheid gemaakt tussen abortus, 
verricht in het ziekenhuis en abortus 
verricht in een abortuskliniek. Ook 
feitelijk gaat het om dezelfde 
ingreep. Nu een dergelijk onderscheid 
aanbrengen via de financiering is 
kunstmatig. 
Abortus hoort in het ziekenfonds 
en niet bij de bijzondere ziektekosten. 
De AWBZ is voor zware, niet te 
betalen risico's bedoeld en wordt 
door de minister oneigenlijk gebruikt. 
En dan te bedenken dat thuishulp 
aan ouders met gehandicapte 
kinderen niet via de AWBZ vergoed 
mocht worden. 
Mijn fractie vindt dat de minister 
met zijn voorstel voor een verschillen-
de financieringswijze de wens van de 
meerderheid van de Kamer naast 
zich neer heeft gelegd. Ik doel op de 
motie van mevrouw Haas-Berger en 
mijn fractiegenote mevrouw Wessel-
Tuinstra. Abortus hoort in het 
ziekenfondspakket en dan zonder 
uitsluiting van gewetensbezwaarden. 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Abortus 
64 De aard van de Ziekenfondswet 
verzet zich daar immers tegen. Je 
kunt in de Ziekenfondswet geen 
onderscheid maken tussen mensen 
die wel en mensen die geen gebruik 
maken van bepaalde voorzieningen. 
Dan zou het hek van de dam zijn. 
Ook in de plannen voor een nieuw 
stelsel van de sociale ziektekostenre-
gelingen wordt niet meer uitgegaan 
van een differentiatie in het pakket. Ik 
heb al gezegd dat ik de keuze van de 
minister voor AWBZ-financiering van 
abortus in klinieken geen gelukkige 
vind. Praktisch zijn er ook wel 
voordelen te bedenken, bij voorbeeld 
met betrekking tot de anonimiteit van 
cliënten. Die zijn bij opneming in het 
ziekenfondspakket echter ook wel te 
garanderen. 
Los daarvan vraagt mijn fractie 
zich of af wij nu elk jaar moeten 
discussiëren over het bedrag dat 
door de minister wordt toegevoegd 
aan het algemeen fonds bijzondere 
ziektekosten. Er kan immers nu een 
grotere toeloop naar de klinieken 
worden verwacht. Bovendien 
financiert de minister via een 
experimenteerartikel dat elk jaar 
moet worden goedgekeurd. De 
minister heeft nu 6,6 min. uitgetrok-
ken. Waar is dat bedrag eigenlijk 
vandaan gekomen? Op welke andere 
post van de WVC-begroting is 
gesnoeid? Het elk jaar houden van 
zo'n discussie is heilloos. 
Tegen een AWBZ-financiering is 
verder nog aan te voeren dat het 
daarbij alleen om Nederlandse 
ingezetenen gaat. Dat sluit buiten-
landse vrouwen dus uit. Dat geldt 
voor het ziekenfonds in mindere 
mate. Bovendien ben ik er niet gerust 
op dat niet toch met eigen bijdragen 
gewerkt gaat worden. 
Er is gevraagd of bij AWBZ-finan-
ciering de Ziekenfondsraad kan gaan 
variëren in de bijdrage en hoe het 
met de hoogte van de behandelprijs 
gaat, of die buiten de politieke 
discussie blijft. Over de controle door 
de Ziekenfondsraad heeft mevrouw 
Haas al gesproken. Ik sluit mij aan bij 
de vragen die zij heeft gesteld. 
Een AWBZ-financiering is oneigen-
lijk en in de toekomst niet erg zeker. 
Ik pleit dus opnieuw voor opneming 
van abortus in abortusklinieken in het 
ziekenfondspakket. Ik kan mij niet 
voorstellen dat de VVD af zou 
stappen van haar eerdere principiële 
stellingname, namelijk dat zwanger-
schapsafbreking een medische 
ingreep is als alle andere medische 
ingrepen. Opnemimg van een 
abortusingreep in een kliniek in het 
ziekenfondspakket zou een logisch 
sluitstuk zijn van de wettelijke 
regeling inzake abortus. 
De klinieken zijn ervan uitgegaan 
dat er per 1 februari AWBZ-financie-
ring zou zijn voor de daar verrichte 
abortus. De minister schreef immers 
eind januari aan de Ziekenfondsraad 
dat hij een AWBZ-regeling zou 
ontwerpen met terugwerkende 
kracht tot 1 februari 1985. Ook al wil 
mijn fractie ziekenfonds fianciering, 
wij willen niet dat er een gat ontstaat 
tussen februari 1985 en de datum 
waarop opneming in het ziekenfonds-
pakket mogelijk zou zijn. Wij stellen 
dan ook voor de tussentijd voor 
financiering mogelijk te maken via de 
AWBZ, met terugwerkende kracht tot 
1 februari 1985. Dat is niet mooi, 
maar het is helaas wel even nodig. Ik 
wil op dat punt een motie aan de 
Kamer voorleggen. 
Motie  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="247" naam="De voorzitter">
 Door het lid Groen-
man wordt de volgende motie  voorgesteld: 
De Kamer, 
gehoord de beraadslaging; 
constaterende, dat de regering 
voorstelt abortus, verricht in abortus-
klinieken, te laten vergoeden via de 
AWBZ, waardoor de ongelijkheid in 
financiering tussen ziekenhuizen en 
klinieken blijft bestaan; 
van mening, dat hierdoor geen recht 
gedaan wordt aan de moties-Haas-
Berger (18 3 8 6 , nr. 3) en Wessel-Tuin-
stra (18 3 8 6 , nr. 5), die opneming 
van abortus in het ziekenfondspakket 
verzoeken;  verzoekt de regering: 
a) abortus, verricht in abortusklinie-
ken, op te nemen in het ziekenfonds-
pakket; 
b) bij wijze van overgangsmaatregel 
tot deze opneming heeft plaatsgevon-
den, abortus in abortusklinieken te 
vergoeden via de AWBZ, met 
terugwerkende kracht tot 1 februari 
1985, 
en gaat over tot de orde van de dag. 
Naar mij blijkt, wordt deze motie 
voldoende ondersteund. 
Zij krijgt nr. 2 4 ( 1 8 386). 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="248" partij="SGP" naam="Van Dis">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Mijn fractie doet niet met 
vreugde mee aan dit debat. Integen-
deel! Niet alleen zijn abortussen op 
grond van de Wet afbreking zwanger 
schap gelegaliseerd, maar de 
financiële gevolgen daarvan moeten 
ook nog worden weggestreken. Dat 
is toch de bedoeling van het kabinet, 
al voert het niet letterlijk uit wat de 
kamermeerderheid heeft uitgespro-
ken. Het lijkt wel alsof de ingrepen zo 
gemakkelijk mogelijk moeten worden 
gemaakt. Wij blijven de wetgeving op 
dit punt mensonwaardig en Godonte-
rend vinden, die tot grote schade van 
het geestelijk en zedelijk welzijn van 
ons volk zal moeten leiden. 
De adviesaanvraag aan de Zieken-
fondsraad noemde vijf mogelijkheden 
op om de kwestie te regelen, waarbij 
dan ook het terechte gewetensbe-
zwaar van velen die zelf abortus 
provocatus afwijzen en dan ook niet 
wensen en kunnen bijdragen aan de 
financiering daarvan. De Ziekenfonds-
raad wees op één na alle mogelijkhe-
den af, al kwamen in enkele situaties 
verschillende stromingen aan bod. 
Het kabinet stelt in zijn brief van 22 
januari 1985 uiteindelijk twee 
alternatieven voor, waaruit het 
financiering langs de weg van de 
AWBZ heeft gekozen en wel zodanig 
dat de belastingbetaler opdraait voor 
de kosten. Mijn fractie vindt dat een 
schijnoplossing. Er wordt geen 
rekening gehouden met de bezwaren 
die leven. 
Als de WAZ die bezwaren erkent, 
mag dan een vrijstelling van de 
financiële verplichtingen wel achter-
wege blijven? Wij vinden dat hier 
grote belangen op het spel staan. 
Mag men die vele gewetensbezwaar-
den als het ware negeren door hen 
ondanks die bezwaren toch te 
verplichten tot bijdragen? 
De minister heeft geworsteld met  twee realiteiten: de Wet afbreking 
zwangerschap en de groep gewetens 
bezwaarden. Wij keuren zijn besluit 
af. Dat heeft hij al gehoord. Wij 
houden ons wel tegelijkertijd over-
tuigd van zijn goede wil ten opzichte 
van de gewetensbezwaarden. Ook 
hebben wij goede nota genomen van 
het standpunt van de minister dat 
abortus een ingreep is, die niet als 
een louter medische gekwalificeerd 
kan worden. Waarom is de minister 
onzes inziens dan toch niet geslaagd 
in zijn bescherming van de gewetens-
bezwaarden? Hij is daarin niet 
geslaagd omdat de ziekenfondspopu-
latie blijft meebetalen aan ziekenhuis-
abortussen, waartegen men 
bezwaren heeft, en omdat alle 
ingezetenen, de gewetensbezwaar-
den incluis, blijven meebetalen aan 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Abortus 
65 kliniekabortussen, al is dat dan via de 
algemene middelen.  Mijnheer de Voorzitter! Ik herhaal: 
ongewenste zwangerschapsafbrekin-
gen moeten naar onze mening door 
betrokkenen betaald worden. 
Waarom de gewetensbezwaarden 
niet ontzien door alleen kliniekabor-
tussen te vergoeden, gesteld dat het 
toch tot een vergoeding zou moeten 
komen? Met dien verstande dat men 
uiteraard voor vitale indicaties naar 
een ziekenhuis kan, waarbij de 
abortus dan als normale ziekenhuis-
verstrekking wordt vergoed. Juist 
omdat de minister abortus provocatus 
een eigenaardige ingreep noemt, zou 
een vergoedingsregeling zich moeten 
richten op een eigen-aardige plaats 
van behandeling, namelijk de kliniek. 
De prijsverschillen in aanmerking 
nemend en veronderstellend dat 
abortussen ongeacht de financie-
ringsbron toch plaatsvinden, alsmede 
dat het indicatiebeleid in de meeste 
ziekenhuizen toch vrij ruim is, is een 
koppeling van vergoeding aan alleen 
klinieken erg aantrekkelijk. De totale 
kosten, aangewend voor het aborte-
ren, liggen dan immers aanzienlijk 
lager, zodat de dan verkregen 
besparing aangewend kan worden 
voor doeleinden die wel typisch 
medisch zijn. 
Financieel gezien worden kliniekbe-
zoekers dan weliswaar bevoorrecht 
boven ziekenhuisbezoekers, maar dat 
is te rechtvaardigen. De ziekenhuis-
cliënten behoeven de onderhavige 
ingreep, gepleegd in het ziekenhuis, 
helemaal niet vergoed te krijgen, juist 
omdat het niet om een louter 
medische verstrekking gaat. In deze 
opzet betalen ziekenfondsverzeker-
den niet langer mee aan ongewenste 
zwangerschapsafbrekingen. Degenen 
die zich dus in klinieken laten 
aborteren, moeten in dat geval de 
kosten zelf betalen. 
Kan hier nu echt van een financiële 
drempel worden gesproken? Is in een 
noodsituatie een bedrag vanf 4 5 0 . -
een te hoge prijs? Zijn er gegevens 
waaruit blijkt, dat mensen momenteel 
afzien van abortus provocatus omdat 
zij als nietverzekerden de ingreep 
niet kunnen betalen? Als dat zo is, 
om hoeveel mensen gaat het dan? Is 
de abortusbeweging niet in staat om 
samen met de klinieken voor de 
werkelijk onvermogenden een 
reductie- of vereveningssysteem op 
te zetten? Is daar die solidariteit niet 
op te brengen, de gesuggereerde 
noodsituatie ten spijt? 
Gelet op het vergunningenregime 
kan ik mij voorstellen, dat het binnen 
de kring van ziekenfondsverzekerende 
niet meer te verdedigen is dat een 
ziekenhuisabortus wel en een 
kliniekabortus niet wordt vergoed. 
Aangezien de ziekenhuisabortus al in 
het pakket zit, is het moeilijk te 
verdedigen dat de verzekerden geen 
vergoeding voor de kwalitatief gelijke 
'dienst' krijgt, geleverd door een 
kliniek. 
Is de bewindsman het met ons 
erover eens dat het echter te ver 
gaat, vanuit het vergunningenregime 
te concluderen dat alle abortussen 
voor vergoeding in aanmerking 
dienen te komen, onder het mom van 
gelijke behandeling in gelijke 
gevallen? Immers, in de gezondheids-
zorg is het helemaal niet ongebruike-
lijk dat een dienst al dan niet wordt 
vergoed afhankelijk van de plaats die 
iemand in het verzekeringsstelsel 
inneemt. Gelijke behandeling 
betekent dan dat het van de plaats 
die men in het stelsel inneemt, 
afhangt of de ingreep wel of niet 
wordt vergoed. Dat een kliniek en 
een ziekenhuis over dezelfde 
vergunning beschikken, is dus op 
zich zelf geen reden om elke abortus 
te vergoeden. 
In feite volgt de regering nu de  gedachte van de volksverzekering: 
gelijke toetreding en dus slechting 
van financiële barrières. Hieraan is de 
regering echter nog helemaal niet 
toe. Waarom zou er wel ongelijke 
toetreding bij typische medische 
diensten zoals tandartsenhulp en 
verloskundige hulp zijn en geen 
ongelijke toetreding bij een ingreep 
zoals abortus provocatus, die zich op 
de rand van ethiek en techniek 
bevindt? 
De financiering uit algemene 
middelen, zoals van defensie of de 
subsidiëring van een concert, heeft 
een bepaalde rechtvaardigheids-
grond. Weike is deze volgens de 
bewindsman in dit geval en hoe ziet 
hij de toepassing hiervan op de 
financiering van ingrepen in klinieken? 
Wellicht wil de bewindsman ons 
ook uitleggen hoe zijn voorstel zich 
verdraagt met artikel 52 van de 
AWBZ. De Ziekenfondsraad spreekt 
van oneigenlijk gebruik. Hoe kan de 
bewindsman er dan toch gebruik van 
maken? Bovendien spreekt het artikel 
over door de Ziekenfondsraad aan te 
geven doeleinden. De Ziekenfonds-
raad rekent hiertoe juist niet het doel 
van de minister. Vanaf het ogenblik 
dat de bewindsman het fonds met 
een rijksbijdrage voedt, behoort deze 
tot de algemene kas en is mitsdien 
de beslissing van de Ziekenfondsraad 
relevant. 
Wij begrijpen de bewindsman ook 
niet, als hij in de paragraaf over 
beleidsvoornemens schrijft dat de 
nadelen groter zijn dan de voordelen. 
Sprekend over de bescherming van 
gewetensbezwaarden als doel, kan 
hij met nadelen en voordelen alleen 
de effectiviteit van zijn hierop 
gerichte maatregel bedoelen. 
Waarom zijn de constructies nadelig 
voor de bescherming van gewetens-
bezwaarden? 
In het debat van juni 1 984 was het 
nog niet bekend hoe de contoeren 
van het nieuwe stelsel van de 
ziektekosten eruit zouden zien. Onze 
fractie had enige hoop dat hierin de 
verplichting zou worden beperkt tot 
een basispakket waarin geen 
verstrekkingen worden opgenomen 
die zeer omstreden gevoelens en 
godsdienstige bezwaren kunnen 
oproepen. Wat hierbovenuit gaat, 
kan dan op basis van vrijwilligheid 
worden bijgevoegd. In zo'n regeling 
kunnen op een redelijke manier de 
gewetensbezwaren in het kader van 
abortus provocatus worden erkend 
en gerespecteerd. 
Het gaat echter niet alleen om 
deze ingreep. Aan de toeneming van 
ethisch omstreden, zelfs sterk 
omstreden verstrekkingen kan dan 
zelfs een uitweg worden geboden 
voor allen die op een of andere 
manier in grote gewetensnood zijn of 
zullen komen. Onze fractie denkt 
hierbij aan de ontwikkelingen in het 
beëindigen van het leven, genenon-
derzoek, erfelijkheidsaspecten en 
draagmoederschap, waarvan vele, zo 
niet alle in strijd komen met Gods 
Woord en Wet. 
Overschrijding van de grens tussen 
wat medisch-technisch mogelijk is en 
wat ethisch nog verantwoord is, 
komt steeds meer voor. Wij vragen in 
kader hiervan de bijzondere zorg van 
de bewindsman. Waar moet mense-
lijkerwijs anders de bescherming van 
de hierbij betrokken burgers vandaan 
komen? Dreigt er anders geen 
levensgrote discriminatie te ontstaan 
van hen die in leer en in leven willen 
en mogen leven naar datgene wat de 
Bijbel concreet van hen vraagt en aan 
hen voorhoudt? 
Bij ons is zelfs de gedachte gaan 
postvatten dat de oplossing van al 
deze gewetenskwesties wel eens kan 
liggen in een privatisering van de 
gezondheidszorg. In zo'n systeem 
kan wellicht beter recht worden 
gedaan aan de persoonlijke verant-
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Abortus 
66 woordelijkheid van de burger en van 
hen die van hem afhankelijk zijn. Al 
of niet via hulp van familie, kerk of op 
andere manier is er dan ook de 
vrijheid om zelf voorzieningen te 
treffen voor de financiële gevolgen 
van ziekte, ouderdom, kortom voor 
de tegenspoed en allerhande ellende 
die inherent zijn aan het zijn van 
mensen in een door de zonde van 
God afgevallen wereld. 
Tenware de Heere God niet voor 
redding, verlossing, uitzicht had 
gezorgd in Zijn Zoon Jezus Christus 
Die de schuld verzoend heeft, er zou 
geen genezing meer zijn. Maar dan 
ook leven naar Zijn geopenbaarde wil! 
Dat is nodig en profijtelijk. 
Onze fractie heeft tijdens het laatst 
gehouden mondeling overleg al laten 
blijken, dat de kabinetskeuze een 
schijnoplossing biedt voor de 
bezwaren. Wij herhalen ze nog maar 
eens. Immers, sociale verzekerings-
wetten, nog afgedacht van de in onze 
kring levende bezwaren tegen de 
verzekering als zodanig zijn er niet 
voor om ontluikend leven in de kiem 
te smoren en de kosten daarvan als 
ziektekosten te bestempelen. 
Het kabinet heeft twee alternatie-
ven, waarvan de eerste in ieder geval 
wat meer erkenning geeft aan de 
gewetensbezwaren door het deel van 
de door hen opgebrachte premies 
dat aan financiering van abortus 
provocatus wordt besteed, af te 
zonderen en te bestemmen voor juist 
levenbehoudende activiteiten. In het 
kabinetsvoorstel wordt aan dit aspect 
geen aandacht besteed. 
Zou het een verantwoordelijke 
overheid niet hebben gesierd als zij 
duidelijk ook op dit punt financieel de 
hulpverlening via de bekende 
instellingen meer had gesteund, 
opdat langs die weg het kwaad van 
abortus provocatus mede zou kunnen 
worden ingedamd? Wij vragen 
uitdrukkelijk om die steunverlening. 
Dat zijn wij verplicht aan het leven en 
de beschermwaardigheid daarvan. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="249" partij="VVD" naam=" Dees">
 Mijnheer de 
Voorzitter! In eerdere debatten over 
de abortusproblematiek heeft de 
VVD-fractie zich herhaaldelijk 
uitgesproken ten gunste van opname 
van abortus in het ziekenfondspakket. 
Verschillende overwegingen en 
argumenten lagen daaraan ten 
grondslag. 
In de eerste plaats ziet onze fractie 
vergoeding via de ziekenfondsverze-
kering als een logisch sluitstuk van 
de legalisering van abortus. 
In de tweede plaats - en wij stellen 
met genoegen vast dat de regering 
deze opvatting deelt - zou het 
volstrekt onjuist zijn om ten aanzien 
van de abortushulpverlening financië-
le barrières op te werpen. 
In de derde plaats werd abortus 
uitgevoerd in een ziekenhuis reeds 
voor de aanvaarding van de Wet 
afbreking zwangerschap door het 
ziekenfonds vergoed. Waar er in 
wettelijk, medisch en ethisch opzicht 
geen verschillen zijn tussen een 
abortus uitgevoerd in een ziekenhuis 
en een abortus uitgevoerd in een 
kliniek, daar ontbreekt elke grond om 
met twee maten te meten. 
De centrale vraag in de politieke 
discussie is niet geweest of abortus 
als zodanig in het ziekenfondspakket 
thuishoort, maar of de reeds bestaan-
de vergoeding voor de ziekenhuisa-
bortus uitgebreid dient te worden tot 
ingrepen die worden verricht in 
abortusklinieken. In ieder geval kan 
worden vastgesteld dat de regering, 
de kamermeerderheid noch onze 
coalitiepartner het schrappen van de 
ziekenhuisabortus uit het ziekenfonds-
pakket heeft bepleit. 
Het beginsel van de rechtsgelijkheid 
brengt dan met zich, dat er eenheid 
in regelgeving en vergoedingssyste-
matiek tot stand wordt gebracht. 
Toch kiest de regering voor een 
verschil in financiering van de 
ziekenhuisabortus en de kliniekabor-
tus. Behandelingen in een ziekenhuis 
blijven in het ziekenfondspakket, 
doch ingrepen uitgevoerd in klinieken 
worden vergoed krachtens het 
subsidie-artikel van de AWBZ. 
Materieel gezien is dit niet strijdig 
met de criteria die de VVD-fractie in 
vroegere debatten heeft gehanteerd, 
te weten geen financiële barrières 
voor de vrouw die hulpverlening 
verlangt èn het niet meten met twee 
financiële maten in de zin dat de ene 
abortus wel en de andere abortus 
niet wordt vergoed. Voor onze fractie 
zijn dat de twee essentiële randvoor-
waarden. Als zodanig is het standpunt 
van de regering daarmee niet in  strijd. Positiever gesteld: wij juichen 
het toe dat de regering na vele 
aarzelingen hieraan uiteindelijk 
tegemoet is gekomen en dat ook 
kliniekabortus voor vergoeding uit 
collectieve middelen in aanmerking 
komt. 
Niettemin roept de methode die de 
regering voor de vergoeding van de 
abortushulpverlening in klinieken 
heeft gekozen veel vragen op. 
Waarom wordt afgeweken van het 
advies van de Ziekenfondsraad om 
de abortus in een kliniek - evenals 
dat reeds het geval is voor de 
abortus in een ziekenhuis - op te 
nemen in het ziekenfondspakket? Uit 
perspublikaties heb ik begrepen dat 
ook een meerderheid van de fractie 
van het CDA hiervan voorstander is. 
Het is van belang om in dit debat van 
het CDA te vernemen, waar het 
staat. Kan mevrouw Cornellisen 
verklaren, waarom zij vóór AWBZ-fi-
nancier ng en tegen financiering 
ingevolge de ziekenfondsverzekering 
is? 
De argumenten die de regering 
hanteert om voor abortus in zieken-
huizen de ziekenfondsvergoeding te 
handhaven en voor abortus in 
klinieken de AWBZ-subsidie te 
introduceren, doen erg gekunsteld 
aan. In het advies van de Ziekenfonds-
raad is uitvoerig aangegeven, wat de 
bezwaren zijn. Ik zal deze niet 
herhalen. Het enige argument dat de 
regering onzes inziens kan aanvoeren, 
betreft de positie van gewetensbe-
zwaarden. De financieringswijze via 
de AWBZ is gekozen ten einde aan 
bezwaren van gewetensbezwaarden 
- om via de premie bij te dragen aan 
de financiering van zwangerschapsaf-
breking - tegemoet te komen. 
Is deze redenering echter wel 
valide? In de eerste plaats dragen 
gewetensbezwaarden ook in deze 
constructie bij aan de kosten van 
abortushulpverlening, niet via de 
premies maar wel via de belastingen 
en de algemene middelen. In de 
tweede plaats handhaaft de regering 
voor de abortushulpverlening in 
ziekenhuizen de financiering krach-
tens de ziekenfondsverzekering, 
zonder een voorziening voor gewe-
tensbezwaarden te treffen. Kan de 
minister duidelijk uiteenzetten 
waarom in het ene geval - abortus in 
klinieken - wel met de gewetensbe-
zwaarden rekening wordt gehouden 
en in het andere geval - abortus in 
ziekenhuizen - niet! Dat is ons 
volstrekt onduidelijk. 
Wij vragen ons ook nog af, of de 
minister met de gekozen constructie 
niet op een hellend vlak komt. 
Gewetensbezwaren kunnen zich ook 
voordoen en hebben zich in het 
verleden voorgedaan bij de opname 
van andere verstrekkingen in het 
ziekenfondspakket. Ik denk hierbij 
aan de anticonceptiepil en aan 
sterilisatie. In de toekomst zal er 
ongetwijfeld discussie ontstaan over 
de opname van de invitrofertilisatie 
in het ziekenfondspakket. Ook hierbij 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Abortus 
67 zullen gewetensbezwaren een rol 
spelen. Zal de nu gekozen oplossing 
wat dat betreft niet als een onwenselijk 
precedent gaan werken? 
Samenvattend komt de VVD tot de 
volgende conclusies. Materieel 
gezien, voldoet de door de regering 
gekozen oplossing aan beide criteria 
die de VVD in eerdere discussies 
heeft geformuleerd, namelijk geen 
financiële barrières voor de hulpver-
lening aan de vrouw en geen situatie 
waarin de abortus in ziekenhuizen 
wel en de abortus in klinieken niet 
wordt vergoed. 
Deze criteria zijn voor ons van 
doorslaggevende aard. Wij zullen ons 
op grond van deze criteria niet 
verzetten tegen de voorgenomen 
AWBZ-financiering. Dit laat overigens 
onverlet dat het voorstel van de 
minister, bezien vanuit verzekerings-
technische overwegingen, zeker 
geen schoonheidsprijs verdient.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="250" partij="D'66" naam="Groenman">
 
Mijnheer de Voorzitter! De heer Dees 
begon zijn betoog met de opmerking 
dat opneming van abortus in het 
ziekenfondspakket een logisch 
sluitstuk zou zijn van de Wet afbreking 
zwangerschap. Vervolgens stelde hij 
dat hetgeen de minister voorstelt in 
materieel opzicht helemaal niet 
strijdig is met de uitgangspunten van 
de VVD, namelijk geen financiële 
barrières en het niet meten met twee 
maten. Ik vind dat er wel met twee 
maten wordt gemeten. Abortus in de 
kliniek behoort namelijk tot de 
bijzondere verrichtingen. Abortus in 
een ziekenhuis is kennelijk geen 
bijzondere verrichting. Hoe kan de 
VVD dit rijmen met haar eigen 
uitgangspunten?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="251" partij="VVD" naam="Dees">
 De methoden 
van financiering zijn verschillend. Ten 
aanzien van de hulpverlening aan de 
vrouw wordt er geen financiële 
barrière geïntroduceerd. Dat is ons 
uitgangspunt. Ons uitgangspunt is 
ook dat als je de ziekenhuisabortus 
vergoedt, je dat ook bij de klinieka-
bortus moet doen. Aan die twee 
criteria is in materieel opzicht 
voldaan. In die zin vinden wij dat de 
minister de motie weliswaar niet naar 
de letter heeft uitgevoerd maar haar 
wel - de motie is door de Kamer 
aanvaard - naar de geest heeft 
uitgevoerd. Wij zullen ons dan ook 
niet verzetten tegen uitvoering van 
de regeling die de minister wil 
treffen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="252" partij="D'66" naam="Groenman">
 Is 
volgens de VVD abortus nu wel of 
niet een normale medische ingreep?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="253" partij="VVD" naam=" Dees">
 De uitvoering 
van de abortusingreep is van zuiver 
medische aard. Bij de besluitvorming 
die aan de ingreep voorafgaat spelen 
medische en ethische overwegingen 
een rol. Zo is dat ook precies in de 
Wet op de afbreking van zwanger-
schap bepaald. 
Ik denk daarbij met name aan de 
eisen die ten aanzien van de besluit-
vorming in de wet zijn gesteld. De 
ingreep zelve is echter uitsluitend 
van medisch-technische aard.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="254" partij="D'66" naam="Groenman">
 De 
eisen die gesteld worden blijven 
echter hetzelfde. Het maakt voor de 
eisen niets uit of de abortus in een 
ziekenhuis of in een kliniek wordt 
gepleegd.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="255" partij="VVD" naam=" Dees">
 In mijn betoog 
heb ik ook uitdrukkelijk gezegd dat er 
in medisch, ethisch en legislatief 
opzicht geen verschil is tussen een 
ingreep in het ziekenhuis en een 
ingreep in een abortuskliniek. Het 
gaat ons erom dat er voor de 
hulpverlening geen financiële 
barrières worden geïntroduceerd. In 
dat opzicht is de minister duidelijk 
tegemoet gekomen aan de wens die 
de fractie van de VVD in vele 
debatten heeft geformuleerd. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="256" partij="CDA" naam=" Cornelissen">
 
Mijnheer de Voorzitter! Het Koninklijk 
besluit van 1 7 mei 1984 ter vaststel-
ling van een algemene maatregel van 
bestuur ter uitvoering van de Wet 
afbreking zwangerschap is in juni 
1984 in deze Kamer aan de orde 
geweest. Het debat daarover en de 
daarbij ingediende moties waren 
voor het kabinet aanleiding als 
uitgangspunt voor zijn beleid te 
kiezen dat het noodzakelijk was tot 
financiering van abortus in abortuskli-
nieken te komen. 
Dat was nodig omdat anders niet 
in een oplossing van de noodsituatie 
kon worden voorzien. De financiering 
voor deze ingreep in ziekenhuizen 
was al geregeld. 
Bij schrijven van 28 september 
1984 heeft het kabinet een vijftal 
mogelijkheden voorgelegd aan de 
Ziekenfondsraad. Daarbij tekende het 
uitdrukkelijk aan dat bij deze advies-
aanvrage rekening gehouden zou 
moeten worden met het feit dat 
tegemoet gekomen zou moeten 
worden aan de bezwaren van 
gewetensbezwaarden. Op 20 
december 1984 heeft de Ziekenfonds-
raad een uitvoerig advies uitgebracht 
en uiteindelijk gekozen voor opname 
van abortus in het ziekenfondspakket, 
ook wanneer de abortus in abortus-
klinieken zou zijn uitgevoerd. 
Wij kunnen van mening verschillen 
over de vraag of de Ziekenfondsraad 
niet al te gemakkelijk voorbij is 
gegaan aan een aantal aangereikte 
mogelijkheden. Maar goed, gelet op 
de tijd die hij over het uitbrengen van 
dit advies heeft gedaan, mag 
verondersteld worden dat de 
Ziekenfondsraad met de nodige zorg 
en ernst aan het advies heeft 
gewerkt. In het uitgebrache advies 
erkende de Ziekenfondsraad ook dat 
er op het gebied van de ziektekosten-
verzekeringen geen ruimte is voor 
gewetensbezwaarden. 
De heer Schutte vindt dat de 
Ziekenfondsraad zich er met het 
advies gemakkelijk van af gemaakt 
heeft. Dit is zijn beoordeling. In ieder 
geval is het bovenstaande door de 
Ziekenfonds heel nadrukkelijk 
gesteld.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="257" partij="GPV" naam="Schutte">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Ik wil een en ander 
verduidelijken. Ik waardeer het dat de 
Ziekenfondsraad vele pagina's aan 
deze stof gewijd heeft. Ik heb er 
echter bezwaar tegen gemaakt dat  hij tot de conclusie komt: Het kan 
niet omdat er zoveel administratief-
technische problemen aan verbonden 
zijn. Ik vind zo'n conclusie geen 
doorslaggevend argument vormen 
om er een beslissing op te baseren.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="258" partij="CDA" naam=" Cornelissen">
 Het is 
echter mogelijk dat die administratie-
ve en procedurele zaken erg veel 
moeilijkheden geven. Zoalsuweet, 
heeft de Ziekenfondsraad in 1982 
geheel iets anders geadviseerd, zij 
het dat toen voor dat advies bij de 
raad een heel kleine meerderheid 
bestond. 
Ik neem aan dat men in deze kring 
- ik heb waardering voor de Zieken-
fondsraad en zeker voor de commissie 
verstrekkingen - zeer zorgvuldig is 
nagegaan of het voorgestelde 
mogelijk was, te meer daar dit één 
van de wensen is die het kabinet 
uitdrukkelijk in zijn brief van septenv 
ber 1984 aan de Ziekenfonds raad 
heeft verwoord. 
Ik begrijp overigens best wat de 
heer Schutte bedoelt. Het komt wel 
eens vaker voor dat men zich in 
Nederland verschuilt achter admini-
stratieve of andere bezwaren. Soms 
moet men echter de zaak zelve 
belangrijker achten dan de financiële 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Abortus 
68 bezwaren of de technische proble-
men. Ik heb wel eens de neiging dit 
te laten merken. 
Gezien de houding van de zieken-
fondsraad mag ik aannemen dat men 
dit goed heeft onderzocht. Ik deel uw 
miskenning van de argumenten van 
de ziekenfondsraad dan ook niet 
helemaal.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="259" partij="GPV" naam="Schutte">
 Dat mag.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="260" partij="RPF" naam=" Leerling">
 U weet dat 
er aanvankelijk erg gereserveerd 
werd gedacht in de ziekenfondsraad 
over een mogelijke aparte regeling 
van de gewetensbezwaarden. U zult 
het met mij eens zijn dat de zieken-
fondsraad in een later stadium 
duidelijk mededeelde dat een en 
ander technisch en zelfs gemakkelijk 
uitvoerbaar is. De optie om de 
problemen van de gewetensbezwaar-
den via het ziekenfonds op te lossen 
is dus zeer wel mogelijk.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="261" partij="CDA" naam=" Cornelissen">
 Dat 
hebtuverteld. Dat hebtugehaald uit 
de uiteenzetting die de secretaris van 
de ziekenfondsraad gegeven heeft. In 
de adviezen hebben wij dit echter 
niet teruggevonden. Het kabinet 
heeft dus op 22 januari 1985 naar 
aanleiding van het advies van de 
ziekenfondsraad aan de Kamer 
voorgesteld, te komen tot een 
oplossing van deze problematiek 
door middel van subsidiëring van de 
vergunninghoudende klinieken in het 
kader van artikel 52, eerste lid sube
van de AWBZ onder gelijktijdige 
verhoging van de rijksbijdrage 
AWBZ, artikel 196 van de begroting 
van het ministerie van Welzijn 
Volksgezondheid en Cultuur met een 
bedrag van 6,6 min. 
Bij het maken van deze keuze heeft 
het kabinet getracht, zoveel mogelijk 
rekening te houden met de pluriforme 
opvattingen in de samenleving in het 
bijzonder met hen die zich bezwaard 
voelen. Een andere overweging van 
het kabinet was dat de noodsituatie 
in de zin van de wet afbreking 
zwangerschap beter niet vermengd 
kon worden met procedures van 
administratieve of procedurele aard. 
Op 22 augustus 1985 heeft de 
ziekenfondsraad over dit voorstel een 
besluit voorgesteld en op 6 september 
1985 heeft het kabinet zich met dat 
advies verenigd. Reeds in januari van 
dit jaar heeft mijn fractie in een 
persbericht medegedeeld het eens te 
zijn met het kabinet orn de financiering 
van abortusklinieken niet onder te 
brengen in de ziekenfondswet, 
omdat daarbij geen of onvoldoende 
rekening kan worden gehouden met 
de gewetensbezwaarden. Een 
financiering via een bijdrage uit de 
algemene middelen aan de AWBZ 
komt ook niet helemaal tegemoet 
aan de bezwaren en dat is dan ook 
de reden dat enkele leden van mijn 
fractie bezwaren hebben tegen deze 
wijze van financiering van de abortus-
klinieken zoals voorgesteld. Het is 
opvallend dat juist de heer Dees een 
woord gebruikte dat in het persbericht 
van mijn fractie stond. Daarin staat  namelijk: toch vraagt de fractie zich 
af of de thans door het kabinet 
gekozen oplossing niet wat gekun-
steld is. Dat is mijns inziens het 
geval. Het is namelijk een oplossing 
zoeken voor een problematiek die 
inderdaad heel moeilijk ligt. Juist 
voor degenen die gewetensbezwaren 
hebben is deze oplossing iets beter. 
Veel beter is deze echter niet want 
uiteindelijk betalen wij via de 
algemene middelen toch weer mee. 
In ieder geval is zo'n oplossing beter 
uitvoerbaar dan de regeling waarin 
men een en ander wil onderbrengen 
in de ziekenfondswet. 
Een overgroot deel van mijn fractie 
erkent de noodzaak van de financie-
ring van abortusklinieken, mits deze 
functioneren zoals dat in de wet 
afbreking zwangerschap is bedoeld.  Met andere woorden: een eventueel 
besluit tot afbreking van zwanger-
schap dient met de nodige zorgvul-
digheid zoals in de wet is vastgelegd 
te worden omgeven. Dit deel van 
mijn fractie kan zich dan ook vinden 
in de besluiten zoals deze door de 
ziekenfondsraad worden voorgesteld 
en door het kabinet zijn overgenomen. 
Wij hebben wel enkele vragen bij 
deze voorstellen die om nadere 
verduidelijking vragen. 
In de conceptbrief die de commis-
sie-verstrekkingen van de zieken-
fondsraad op 5 juli aan de minister 
heeft gestuurd - men weet dat de 
ziekenfondsraad zo attent is de 
kamerleden zelfs op de hoogte te 
stellen van de correspondentie 
tussen minister en de commissie-ver-
strekkingen - heeft de minister op 1 
augustus geantwoord. Hij zei dat hij 
enkele praktische bezwaren had om 
de exclusieve bevoegdheid voor de 
uitvoering van deze regeling bij de 
raad te leggen. Ik heb nu begrepen 
dat de minister akkoord is. 
Ik denk dat het goed is dat de 
minister daarvoor zijn verklaring 
geeft, omdat die natuurlijk in zijn 
verdere voorstel van 6 september jl. 
ontbreekt. 
Hoe controleert de Ziekenfondsraad 
of de zwangerschapsafbrekingen 
vallen onder artikel 1, tweede lid, van 
de Wet afbreking zwangerschap en 
de daaraan verbonden nazorg? Hoe 
kan de Ziekenfondsraad nagaan of 
betrokkene een AWBZ-verzekerings-
gerechtigde is zonder eigenlijk in 
conflict te komen met de privacybe-
scherming? Ik kom er nog even op 
terug bij volgende vragen. 
Wat wordt bedoeld met het derde 
lid uit het voorgestelde artikel 1, dat 
de abortuskliniek zich onthoudt van 
het vragen van enige betaling voor 
de in de subsidie begrepen diensten? 
Ik denk dat het goed is dat dat toch 
wat nader omschreven wordt, want ik 
vind het niet in de toelichting van de 
Ziekenfondsraad. De abortusklinieken 
mogen dan wel een bijdrage vragen 
voor niet onder subsidie vallende 
diensten. Werpt de mogelijkheid van 
het vragen van een bijdrage geen 
drempel op voor de hulpvragende? 
Wanneer mogen die klinieken dat? 
Vallen onder de begroting en de 
exploitatierekening van een abortus-
kliniek ook de bijdragen van een niet-
AWBZ-financieringsgerechtigde? 
Met andere woorden, als in een 
kliniek ook buitenlandse vrouwen 
worden behandeld, die niet onder de 
subsidieregeling vallen, worden deze 
bedragen dan ook in de begroting en 
vooral in de rekening verantwoord? 
Wat wordt bedoeld met lid 3 van 
het voorgestelde artikel 2, waarin wij  lezen: de Ziekenfondsraad kan de 
abortusklinieken richtlijnen geven ter 
zake van verantwoord beheer, 
subsidies aan voorwaarden verbinden, 
alsmede abortusklinieken afzonderlij-
ke bindende aanwijzingen geven? 
Wat wordt bedoeld met het derde 
lid van artikel 4, waarin staat dat voor 
wijzigingen in de omvang of de 
opbouw van de materiële voorzienin-
gen en de personeelsformatie, 
daaronder niet begrepen de in 
loondienst werkzame medewerkers, 
voorafgaande goedkeuring is vereist 
van de Ziekenfondsraad? 
In het voorgestelde artikel 5 wordt 
verwezen naar artikel 6, eerste lid 
onder e, van de Wet afbreking 
zwangerschap. Hierin wordt gesteld 
dat er jaarlijks een verslag wordt 
opgesteld van de gang van zaken op 
medisch en financieel gebied. Het 
zou volgens de CDA-fractie aanbeve-
ling verdienen dat ook de sociale 
aspecten werden vermeld. Nog eens, 
het staat niet in de wet. Ik spreek het 
hier ook duidelijk uit als een wense-
lijkheid, want anders hadden wij het 
in de wet moeten opnemen. 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Abortus 
 69 Hoe denkt men de privacy van de 
behandelde vrouwen te beschermen 
als er voldaan moet worden aan het 
voorgestelde in artikel 1? 
De voorgestelde regeling werkt 
terug tot 1 februari 1985 en vervalt 
na vijf jaar. Het lijkt mij gewenst dat 
er na die vijf jaar aan de Kamer 
toestemming wordt gevraagd om 
deze regeling te wijzigen en eventueel 
te verlengen dan wel te verlengen en 
daarna eventueel te wijzigen. 
Ik wil nog heel nadrukkelijk 
opmerken dat de CDA-fractie tegen 
abortus is, maar dat zij de noodzaak 
heeft ingezien om te komen tot een 
wettelijke regeling voor degenen in 
onze samenleving die er een andere 
mening op nahouden. In de overtui-
ging dat een wettelijke regeling 
waarborgen schept voor de rechten 
van het ongeboren leven, vindt de 
CDA-fractie het daarom noodzakelijk 
dat de wettelijke regels zeer zorgvul-
dig worden toegepast en dat de 
inspectie daarop het nodige toezicht 
zal houden. De CDA-fractie zal 
hierover gaarne regelmatig gerappor-
teerd worden door de minister. 
Tot slot wil ik mij graag aansluiten 
bij het pleidooi dat de heer Schutte 
heeft gehouden en in aansluiting 
daarop ook de heer Leerling om de 
instellingen die zich bezighouden 
met hulpverlening aan ongewenst 
zwangeren ook die mogelijkheden te 
bieden die zij nodig hebben om deze 
categorie van vrouwen de nodige 
hulp te bieden. 
De vergadering wordt enige ogenblik-
ken geschorst. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="262" partij="PSP" naam=" Van Es">
 Voorzitter! 
Mede namens de fracties van de PPR 
en de CPN maak ik enkele opmerkin-
gen over het voorstel om abortus 
provocatus verricht in klinieken, te 
financieren door middel van de 
AWBZ. 
Ik begin met het principe dat door 
de meerderheid van deze Kamer  werd gehuldigd: abortus is niet 
anders dan andere medische 
ingrepen. Daarom hoorde volgens 
ons abortus in het ziekenfondspakket. 
Er zijn wel degelijk argumenten die 
pleiten voor opneming in de AWBZ. 
De minister heeft er twee genoemd. 
Ten eerste betalen de gewetensbe 
zwaarden indirect door premiebeta-
ling mee aan financiering in zieken-
fonds. Ten tweede valt het onder-
scheid in de Ziekenfondswet tussen 
hoofd- en medeverzekerden weg 
door financiering in de AWBZ. Dat 
onderscheid maakt de positie van 
echtgenotes en dochters nog wel 
eens moeilijker. Ik voeg zelf een 
derde argument toe. De AWBZ is een 
volksverzekering. Ik ben voorstander 
van uitbreiding van de AWBZ tot een 
algemene volksverzekering. Als de 
huidige maatregel een start van het 
proces dat eindigt bij de algemene 
volksverzekering zou betekenen, dan 
zou dat heel mooi zijn. 
Ik ben echter bang dat dat niet het 
geval zal zijn. Integendeel. Het ziet 
ernaar uit dat dit een aparte regeling 
wordt voor een heet hangijzer. Het is 
al door anderen gezegd dat dat 
oneigenlijk is. De heer Dees heeft 
gewezen op het risico van precedent-
werking. Ook andere hete hangijzers 
zouden dan in de AWBZ terechtko-
men, terwijl ze daar niet horen. 
Het principe moet ten slotte 
zwaarder wegen. Ik verzet mij op dit 
moment echter niet tegen opneming 
in de AWBZ. De minister heeft ons al 
eerder duidelijk gemaakt dat dit de 
enige mogelijkheid is om snel en met 
terugwerkende kracht een financiële 
regeling voor klinieken te treffen. De 
problemen zijn al te groot om dat nu 
niet te doen. 
Zijn er voor de toekomst plannen 
om, in tegenstelling tot wat nu in de 
brief staat, wèl een eigen bijdrage te 
heffen of te verhogen, al naar gelang 
de financiële ruimte in het AWBZ-
fonds of op de rijksbegroting? In de 
AWBZ is namelijk een tendens om 
steeds meer eigen bijdragen te 
heffen. Het is dus niet denkbeeldig 
dat dat ook bij abortus gaat gelden. 
De AWBZ biedt niet de rechtsze-
kerheid die het Ziekenfonds biedt. 
Dat was ook een van de argumenten 
voor opneming in het ziekenfondspak-
ket. 
Ik zou graag zien dat de Kamer op 
de hoogte werd gehouden van 
eventuele nadere regels met betrek-
king tot abortus in verband met de 
financiering in het kader van de 
AWBZ. Ik denk daarbij aan de 
kwaliteit van de medische zorg, aan 
het vergoede bedrag per abortus, 
aan de vraag of niet beknibbeld 
wordt op de nazorg en aan meer van 
dat soort zaken. 
Ik heb vanavond begrepen dat de 
gewetensbezwaarden tegen opne-
ming in de AWBZ niet minder 
bezwaren hebben dan tegen opne-
ming in de Ziekenfondswet. Eén van 
de hoofdargumenten voor opneming 
in de AWBZ was echter om tegemoet 
te komen aan hun bezwaren. Hoe kan 
de minister die bezwaren dan tegen 
elkaar afwegen? Vervalt dat argument 
voor opnemening in de AWBZ dan 
niet? Het voordeel van de AWBZ 
tegenover de Ziekenfondswet is dan 
toch schijn? 
De praktische en principiële 
bezwaren tegen elkaar afwegend, 
blijf ik met anderen in deze Kamer 
pleiten voor de uiteindelijke opneming 
van abortus provocatus in het 
ziekenfondspakket, zolang de door 
mij gewenste algemene volksverzeke-
ring uitblijft. Ook de heer Dees heeft 
mij er niet van overtuigd, dat er enige 
rechtvaardiging bestaat van het 
verschil tussen de financieringswijze 
van abortus provocatus in ziekenhui-
zen en in klinieken. Ik kan mij ook niet 
voorstellen, dat hij zichzelf heeft 
overtuigd. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="263" naam="Minister Brinkman">
 Voorzitter! Wij 
staan nu aan het einde, naar het lijkt, 
van een lange voorgeschiedenis. De 
heer Schutte vroeg of wij nu bezig 
zijn met het sluitstuk van de abortus-
wetgeving of met een nieuw onder-
werp. Ik denk dat noch het een, noch 
het ander het geval is. Ik verwijs 
hierbij naar het door de heer Schutte 
gegeven citaat uit mijn brief. Er is 
echter ook een onmiskenbare 
samenhang tussen de abortuswet en 
het onderwerp dat wij vandaag 
behandelen, al was het alleen maar 
door de moties die daarover destijds 
door de Kamer zijn aanvaard. 
Wat in eerste termijn van dit debat 
opvalt, is dat de argumentatie over 
en weer zeer diepgravend was, maar 
helaas niet of nauwelijks overtuigend 
voor elkaar. Dat was misschien niet 
geheel onverwacht, maar het is toch 
nog altijd klemmend. Als de standpun-
ten zo wijd uiteen liggen, is het 
begrijpelijk dat het moeite kost om 
elkaar te overtuigen. Ook vanavond is 
echter gebleken, dat de tegenstellin-
gen welhaast onoverbrugbaar lijken. 
Dat wil ik constateren. 
Waarom ben ik dan toch bezig 
geweest met een poging om die 
verschillen te overbruggen? Ook 
wanneer er grote meningsverschillen 
zijn in het parlement en in de 
samenleving, hebben naar mijn 
gevoel het kabinet en dus ook een 
minster tot taak om te proberen die 
meningsverschillen te overbruggen 
Uiteraard is dat niet tot elke prijs het 
geval. Je kunt daarvan een verschil-
lende taxatie hebben. 
Zeker als een bepaalde wet na een 
lange parlementaire weg het Staats-
blad heeft bereikt, past het in mijn 
politieke christendemocratische 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Abortus 
70 opvatting, dat ik serieus rekening heb 
te houden met de uitspraken van de 
wetgever. Daarmee wil ik overigens 
in gene dele beweren, dat degenen 
die het niet eens zijn met de inhoud 
van de WAZ, niet op die wijze met de 
democratie willen omgaan. Ik acht 
het echter als mijn plicht om vanavond 
aan het begin van mijn eerste termijn 
heel duidelijk die taakopvatting naar 
voren te brengen. 
Ik ben langdurig en intensief bezig 
geweest met het zoeken naar 
mogelijkheden om tegemoet te 
komen aan de verschillende gewe-
tensbezwaren in de maatschappij, 
die voor een deel ook hier worden 
verwoord. Ik ben degenen erkentelijk 
die dat ook met zoveel woorden 
hebben onderstreept. Dat zoeken 
was niet makkelijk; dat bleek ook wel 
uit de verschillende schrifturen die de 
Kamer daarover hebben bereikt. Uit 
dat langdurig pogen van mij, hetgeen 
nadrukkelijk door het kabinet werd 
gesteund, moge eens te meer blijken, 
hoezeer het mij en het kabinet ernst 
is geweest om de meningsverschillen 
waar mogelijk te overbruggen. 
De heer Schutte sprak van het 
bezwijken voor politieke druk. Ik 
hoop dat ik die woorden niet zo moet 
opvatten, dat zij een onderwaardering 
inhouden van de vele activiteiten die 
ik op dit terrein heb verricht. 
Natuurlijk, wij kunnen het oneens 
zijn. Ik heb er ook respect voor als 
anderen er andere opvattingen op na 
houden. Ik geloof echter dat er geen 
misverstand over mag bestaan dat 
het kabinet oprecht heeft gepoogd, 
de verschillende denkbare varianten 
te onderzoeken.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="264" partij="GPV" naam="Schutte">
 Voordat op 
dit punt een misverstand ontstaat, 
wil ik een vraag stellen. Hebtuhierbij 
als uitgangspunt genomen dat de 
Wet afbreking zwangerschap noopt 
tot enigerlei vorm van bekostiging, of 
gaatuervan uit dat de vraag aan de 
orde is of al of niet een vorm van 
bekostiging moet worden gevonden?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="265" naam="Minister Brinkman">
 Ik heb gepoogd 
in mijn eerste woorden daarop 
antwoord te geven. Naar mijn gevoel 
is noch het één, noch het ander het 
geval. Uit de parlementaire geschie-
denis mag je opmaken dat in ieder 
geval in de procedure het één niet 
losgekoppeld mag worden van het 
ander. Strikt theoretisch genomen is 
dat wel mogelijk, en ook politiek 
gesproken is dat zeer wel verdedig-
baar. Het kabinet meende echter uit 
de parlementaire en de wetshistorie 
te moeten opmaken dat een regeling 
van zowel het één als het ander 
diende te worden nagestreefd.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="266" partij="GPV" naam="Schutte">
 U spreekt 
over de parlementaire en de wetshis-
torie. Bedoeltudaarmee de totstand-
koming van de Wet afbreking 
zwangerschap, of bedoeltudat 
daarnaast ook sprake was van 
kamermoties waarin gevraagd werd 
om als aanvulling daarop te komen 
met bekostiging uit het ziekenfonds.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="267" naam="Minister Brinkman">
 Ik doelde op het 
laatste.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="268" partij="GPV" naam="Schutte">
 Dat behoeft 
niet noodzakelijkerwijze te betekenen 
dat dit behoort tot de ontstaansge-
schiedenis van de wet.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="269" naam="Minister Brinkman">
 Die moties zijn 
in bespreking geweest en aanvaard 
bij de parlementaire behandeling van 
het wetsontwerp. Ik neem aan dat de 
samenhang daarmee toch betrekkelijk 
onmiskenbaar is.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="270" partij="GPV" naam="Schutte">
 In de tijd 
wel.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="271" naam="Minister Brinkman">
 Ik denk toch dat 
wij er niet over van mening zullen 
verschillen dat het geen toeval is dat 
die moties aan de orde zijn gesteld 
en zijn aanvaard bij de behandeling 
van het wetsontwerp. Dat is destijds 
door de indieners niet volstrekt uit de 
lucht gegrepen. De Kamer zal zich er 
bij de stemmingen van bewust zijn 
geweest dat er een samenhang 
bestond tussen die onderwerpen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="272" partij="RPF" naam=" Leerling">
 De conclusie 
mag dus luiden dat het uiteindelijk de 
politieke druk is geweest dieutot dit 
besluit heeft gebracht.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="273" naam="Minister Brinkman">
 Ik laat mij geen 
woorden in de mond leggen die ik 
bewust niet uit wil spreken. Ik heb 
respect voor degenen die op dit 
terrein andere opvattingen hebben. 
Ik denk echter dat wij het niet 
moeten voorstellen als zou er een 
dusdanige politieke druk zijn uitgeoe-
fend dat het kabinet daarvoor 
bezweken zou zijn. Uit de parlemen 
taire geschiedenis valt zonder meer 
op te maken dat een regeling van dit 
punt wenselijk was. Ook later, na de 
behandeling van de WAZ, is nog 
verschillende keren gevraagd hoe het 
stond met de uitvoering van de 
desbetreffende moties. 
Mij dunkt dat het kabinet ook om 
die procedurele redenen verplicht 
was een antwoord aan de Kamer te 
formuleren en dan nog was het kabi-
net vrij geweest om tot iets anders 
te beslissen. Nogmaals, er kan niet 
gesteld worden dat het alleen een 
kwestie was van parlementaire druk. 
Het is een zaak van goed parlementair 
fatsoen dat wanneer het kabinet één-
en andermaal wordt uitgenodigd om 
een antwoord te formuleren op 
parlementaire vragen, dit ook 
gebeurt.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="274" partij="CDA" naam=" Cornelissen">
 Als 
de Kamer een wet heeft aangenomen, 
is het goed gebruik dat de middelen 
om die wet uit te voeren op de één of 
andere manier worden verkregen. De 
heer Schutte is denk ik degene die in 
deze zaak erg goed thuis is. Als wij 
hier een wetsvoorstel zouden 
aannemen en wij zouden de middelen 
om die wet uit te voeren niet geven, 
dan vraag ik mij toch af waarmee wij 
bezig zijn geweest.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="275" naam="Minister Brinkman">
 Hoewel het 
verleidelijk is om mij in die discussie 
te mengen, doe ik dat niet. Ik denk 
namelijk dat er al voldoende vragen 
aan mij zijn gesteld. 
Na de inleidende opmerkingen nu 
nog deze wet meer algemene 
opmerking. Wat heeft het kabinet nu 
beoogd bij het nagaan van de 
verschillende financieringsmogelijk-
heden? In de eerste plaats wilde het 
nagaan of aan gewetensbezwaren en 
bezwaarden recht zou kunnen 
worden gedaan. In de tweede plaats 
wilde het zeer nadrukkelijk zoeken 
naar mogelijkheden om vrouwen van 
18 jaar en jonger niet in de problemen 
te brengen. In de derde plaats 
hadden wij rekening te houden met 
het feit dat niet iedereen krachtens 
het stelsel van ziektekostenverzeke-
ringen onder de Ziekenfondswet valt. 
Bovendien betekent financiering 
via de Bijstandswet ook een vorm 
van overheidsbemoeienis. Afgezien 
van de meer financieel-technische 
bezwaren tegen een dergelijke vorm 
van indirecte financiering, denk ik dat 
wanneer met open ogen zou worden 
toegestaan dat deze ingrepen 
krachtens de ABW worden gefinan-
cierd, dat ook tot een principiële 
discussie in dit Huis zou hebben 
geleid. Dat is echter een opmerking 
in de marge, want het kabinet heeft 
dit niet overwogen. 
De kern van de bezwaren die naar 
voren zijn gebracht inzake vooral de 
positie van de gewetensbezwaarden, 
komt naar mijn mening neer op de 
vraag of de AWBZ, in het bijzonder 
artikel 52, eerste lid, onder e, nu wel 
toelaat dat formuleringen worden 
gehanteerd en standpunten worden 
ingenomen, zoals het kabinet heeft 
gedaan. In de meer juridische sfeer 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Abortus 
71 

	

daarop antwoordend, kom ik tot de 
constatering dat het wetsartikel 
spreekt over subsidiëring in het 
belang van de volksgezondheid in het 
algemeen. Bij de nadere interpretatie 
van dit begrip wordt er terecht door 
de Ziekenfondsraad op geduid dat 
het daarbij onder andere kan gaan 
om bijzondere omstandigheden 
welke zijn gelegen in de aard van de 
voorzieningen. 
Ik geef toe dat dit een betrekkelijk 
ruime formulering is. Men kan op 
zichzelf over de interpretatie daarvan 
van mening verschillen. Het kabinet 
is van oordeel dat wel degelijk onder 
deze bepaling al datgene valt wat het 
kabinet overigens dan in het voorstel 
aan het parlement heeft verwoord. 
Ik wil nu meer materieel antwoorden 
op de bezwaren die op dit punt naar 
voren zijn gebracht. In het kader van 
de Ziekenfondswet is er geen titel om 
een rijksbijdrage aan de algemene 
kas te voteren ter financiering van de 
benodigde subsidiemiddelen. Deze 
mogelijkheid is wel aanwezig in het 
kader van de AWBZ. Het algemeen 
fonds bijzondere ziektekosten wordt 
naast de opgebrachte premiemidde-
len tevens gevoed door de rijksbijdra-
ge ex artikel 196 van de begroting 
van WVC. 
Dit houdt in dat het mogelijk is via 
deze rijksbijdrage tegemoet te 
komen aan de bezwaren van gewe 
tensbezwaarde verzekerden om via 
hun premie bij te dragen aan de 
financiering van de zwangerschapsaf-
breking in de klinieken. Evenzo kan 
via deze oplossing voorkomen 
worden dat er een registratie van 
gewetensbezwaarden dient plaats te 
vinden. 
Een en ander kan geschieden door 
de rijksbijdrage te verhogen met het 
bedrag dat gemoeid is met de 
subsidiëring van deze voorziening. 
Hiermee wordt beoogd dat aan 
gewetensbezwaarden niet recht-
streeks de vraag voorgelegd wordt of 
men premie wil betalen. Er wordt 
bovendien mee beoogd dat op deze 
manier geen privacyproblemen zullen 
ontstaan. 
Van verschillende kanten is 
gevraagd of dit niet wat gekunsteld 
is. Ik erken dat de schoonheidsprijs in 
dit geval niet kan worden gegeven. 
Na de gehele geschiedenis en na de 
verschillende varianten die het 
kabinet zelf heeft onderzocht of laten 
onderzoeken door de Ziekenfondsraad 
kun je natuurlijk niet met recht en 
rede stellen dat deze oplossing de 
schoonheidsprijs verdient. Mij dunkt. 
dat zij verdedigbaar is, gelet op de 
overwegingen die het kabinet heeft 
gehanteerd. 
Nu is wel gevraagd of niet de route 
van de particuliere verzekering 
gevolgd kan worden. Wat het 
particulier verzekeren van deze vorm 
van hulp betreft, mag ik opmerken 
dat dit in feite niet mogelijk is. 
Immers, in dat geval zouden particu-
liere verzekeraars een daarop 
gerichte polis moeten aanbieden. 
Deze bestaat niet. Aan
 H
e andere 
kant kan worden gestela dat sprake 
moet zijn van een duidelijk risico 
waartegen een burger zich kan 
verzekeren. Bij zwangerschapsafbre-
king gaat het naar mijn mening om 
een bijzondere ingreep en niet zozeer 
om een algemeen risico. 
Er is overigens nog wel gezocht 
naar oplossingen in het kader van de 
aanvullende verzekering. Dit is een 
verzekering uitgevoerd door zieken-
fondsen, maar feitelijk een meer 
particuliere verzekering. Naar de 
mening van de Ziekenfondsraad is 
dat evenwel niet uitvoerbaar geble-
ken. Onder de financiering in het 
kader van het Subsidiebesluit vallen 
alleen vrouwen die ingevolge de 
AWBZ verzekerd zijn. Derhalve 
betreft dit alleen vrouwen die 
behoren tot de kring der verzekerden 
als omschreven in artikel 5 van de 
AWBZ en het daarop steunende 
Besluit uitbreiding en beperking kring 
verzekerden volksverzekering. 
Dat besluit staat in het Staatsblad 
1976, nr. 557. Ik ben overigens 
bereid om de Kamer jaarlijks in 
kennis te stellen van een overzicht 
van het aantal abortussen, verricht in 
klinieken en ziekenhuizen. Op dit 
moment kan ik niet overzien of de 
begroting het daarvoor geschikte 
kader is, dan wel dat bij voorkeur 
door middel van een afzonderlijke 
publikatie dat overzicht moet worden 
gegeven. Het zal er dus komen. 
De heer Schutte heeft gevraagd of 
het kabinet abortus beschouwt als 
een voorziening waarop aanspraak 
bestaat. Ik denk dat daarop geen 
ongeclausuleerd ja te zeggen is. 
In mijn visie is abortus geen 
gewone medische ingreep. Alvorens 
tot een abortusingreep kan worden 
overgegaan - dat is essentieel -
moet worden voldaan aan de eisen 
zoals die door de wet in het Besluit 
afbreking zwangerschap worden 
gesteld. Ik ben evenwel van mening, 
het kabinet ook, dat, als aan deze 
eisen wordt voldaan, abortushulpver-
lening evenzeer voor vergoeding in 
aanmerking komt als andere vormen 
van hulpverlening. 
Ik trek een misschien wat ongeluk-
kige parallel, maar die is wel helder. 
Er is ook hulpverlening aan drugsver-
slaafden of aan gedetineerden. Door 
die simpele vorm van hulpverlening 
wordt het strafbare feit als zodanig 
toch niet gelegitimeerd? De overheid 
is dan wel degelijk bezig met 
financiering van voorzieningen, 
hoezeer er ook sprake is van een 
strafbaar feit. Mij dunkt dat er tal van 
voorzieningen zijn die min of meer 
vergelijkbaar zijn op dit punt.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="276" partij="RPF" naam=" Leerling">
 Het kan zijn 
dat ik mij vergis, maar dan moet de 
minister mij dat maar duidelijk 
maken. Bij subsidie aan instellingen 
die drugsverslaafden helpen, gaat 
het erom die drugsverslaafden te 
helpen, om ze in een betere situatie 
te brengen. Je kunt de abortus-pro- blematiek benaderen in de trant van: 
wij richten ons alleen op de vrouw 
die in een bepaalde noodsituatie 
verkeert. Ik onderken die noodsituatie 
ook wel. Het gevolg is echter dat het 
ongeboren leven eraan ten slachtoffer 
valt. Het gaat mij erom of je dat als 
een medische ingreep mag betitelen. 
Dat lijkt jnij een sterk verhaal.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="277" naam="Minister Brinkman">
 Neen, dan 
hebben wij elkaar verkeerd begrepen. 
Ik had begrepen dat het feit dat een 
strafbaar feit wordt gepleegd, 
voldoende reden zou zijn om van 
overheidswege geen hulpverlening 
toe te passen. Ik heb met mijn 
voorbeeld geprobeerd duidelijk te 
maken dat die redenering niet 
opgaat. Ook een drugsverslaafde 
handelt strikt genomen nog altijd in 
strijd met de wet. Dat wij er in de 
rechtspraktijk soms ruimhartig over 
denken, laat ik even voor wat het is. 
Het kabinet heeft in zijn brief van 
22 januari 1985 uiteengezet dat kan 
worden geconstateerd, dat het bij de 
behandeling gericht op afbreking van 
zwangerschap niet gaat om een 
gewone medische ingreep. De 
discussie met de Kamer over de Wet 
afbreking zwangerschap heeft dat 
eens en te meer duidelijk gemaakt. 
Het gaat daarbij immers om een 
ingreep waarover binnen de samen-
leving op religieuze en ethische 
gronden verschillend wordt gedacht. 
Het bijzondere karakter van deze 
ingreep heeft er mede toe geleid dat 
het kabinet het wenselijk heeft 
gevonden zoveel mogelijk rekening te 
houden met de in de samenleving 
levende pluriforme opvattingen over 
deze ingreep. Dat is voorts voor het 
kabinet aanleiding geweest om voor 
de financiering van zwangerschapsaf-
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Abortus 
72 breking in vergunninghoudende 
klinieken de nu voorgestane financie-
ringswijze voor te stellen. 
Ik ben mij ervan bewust dat met 
deze financiering aan de aanvankelijk 
door de meerderheid van de Kamer 
aanvaarde moties, onder andere die 
van mevrouw Haas-Berger, inzake 
opneming van abortus in klinieken in 
het ziekenfondspakket en later de 
motie van mevrouw Wessel-Tuinstra 
inzake het niet in werking doen 
treden van de wet en het besluit 
afbreking zwangerschaap alvorens de 
opname in het ziekenfondspakket 
was gerealiseerd, niet naar de letter 
van de tekst van de uitspraak van de 
Kamer uitvoering is gegeven. Ik 
meen echter wel te mogen stellen 
- de heer Dees heeft daar terecht op 
gewezen - dat deze financiering nu 
wel geregeld is. Daarbij is rekening 
gehouden met bezwaren, waarmee 
ook anderszins bestuurlijk rekening 
moest worden gehouden. 
In het licht daarvan bevreemdt mij 
het standpunt van mevrouw Haas-
Berger. In haar bijdrage aan dit 
overleg suggereert zij dat bij het in 
mijn brief omschreven financierings-
systeem niet de mening van het 
kabinet zou zijn weergegeven. Dat is 
volstrekt onjuist. Het kabinet heeft de 
beslissing genomen om aan de 
Ziekenfondsraad een advies te 
vragen. Dat heeft thans geleid tot het 
subsidiebesluit van de Raad dat wij, 
puur formeel gesproken, vanavond 
behandelen. 
Daarbij heeft voor de Raad, gezien 
de overwegingen welke aan dat 
besluit ten grondslag liggen, een rol 
gespeeld dat deze wijze van financie-
ren is gekozen om tegemoet te 
komen aan de gewetensbezwaarden.  Anders gezegd: de Raad heeft deze 
wijze van financiering, gezien de 
problemen van de bewetensbezwaar-
den, geaccepteerd. Als de Zieken-
fondsraad de bezwaren die mevrouw 
Haas-Berger aanvoert zo zwaarwe-
gend zou vinden als zij veronderstelt, 
zou de Raad deze oplossing hebben 
afgewezen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="278" partij="PvdA" naam=" Haas-Berger">
 Uit 
mijn tekst is het misschien niet zo 
duidelijk gebleken, maar het ging om 
het volgende. De minister heeft een 
brief geschreven waarin hij zegt dat 
er een gelijke financiering moet 
komen voor de klinieken en voor de 
ziekenhuizen. Daarna is de adviesaan-
vraag aan de Ziekenfondsraad van 22 
januari gekomen, waarin werd 
gesproken over twee verschillende 
financieringsmogelijkheden, de ene 
voor de klinieken en de andere voor 
de ziekenhuizen. Dat was het 
voorstel. Ik neem aan dat de minister 
die brief namens de ministerraad 
heeft geschreven en dat hij ook 
namens de ministerraad advies heeft 
gevraagd aan de Ziekenfondsraad. 
De opvatting van de minister heeft 
dus niet geheel in dezelfde lijn 
gelegen. Dat was de suggestie.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="279" naam="Minister Brinkman">
 Dan heb ik 
mevrouw Haas-Berger toch goed 
begrepen. Zowel in de eerste als in 
de tweede brief is nadrukkelijk ook 
aandacht gevraagd voor de positie 
van de gewetensbezwaarden. Pas bij 
de verdere uitwerking van de 
verschillende varianten is ondekt dat 
bij een strikt formeel gelijke behan-
deling van ziekenhuizen en klinieken, 
het probleem van de gewetensbezwa-
ren bijna onoplosbaar bleek. 
Ik zeg 'bijna', omdat er allerlei 
subvarianten in bespreking zijn 
geweest die bij de Ziekenfondsraad 
geen meerderheid konden vinden. 
Een van die subvarianten is uiteindelijk 
de basis geweest van het besluit van 
het kabinet. Ik houd staande dat het 
kabinet al in de eerste brief duidelijk 
heeft gemaakt dat de positie van de 
bewetensbezwaarden een nadere 
overweging verdiende.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="280" partij="PvdA" naam=" Haas-Berger">
 
Gezien het feit dat er twee verschil-
lende financieringsstromen zijn, 
waarbij volgens de minister rekening 
wordt gehouden met de gewetensbe 
zwaarden - ik bestrijd dat - is er 
geen recht gedaan aan de gewetens-
bezwaarden op de manier datuhad 
gewild. Het was dan ook reëler 
geweest om één systeem te kiezen. 
Met twee verschillende systemen is 
de mogelijkheid namelijk heel 
duidelijk aanwezig dat de gesubsi-
dieerde klinieken uit het oog worden 
verloren.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="281" naam="Minister Brinkman">
 Wij moeten ons 
natuurlijk wel realiseren dat in 
ziekenhuizen een strikte analyse van 
de verschillende ingrepen op dit 
terrein buitengewoon moeilijk is. De 
privacy van de betrokken vrouwen 
zou dan ook wel zeer ernstig in het 
gedrang komen. 
Dat is de reden geweest dat het 
kabinet heeft gemeend geen verande-
ring in de financiële positie van de 
ziekenhuizen ten aanzien van de 
ingrepen te moeten aanbrengen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="282" partij="PvdA" naam=" Haas-Berger">
 Dat 
stel ik ook niet voor.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="283" naam="Minister Brinkman">
 Dat begrijp ik 
heel wel. Ik probeer echter een 
motief te geven waarom het kabinet 
heeft gehandeld zoals het heeft 
gehandeld. 
Mevrouw Haas-Berger heeft er ook 
op gewezen dat er na dit jaar geen 
garantie meer zou zijn dat een 
rijksbijdrage nog beschikbaar komt. 
Ook de Ziekenfondsraad - ik zou  bijna zeggen: uiteraard - heeft 
aandacht voor deze situatie gevraagd. 
In een brief van 1 augustus 1985 heb 
ik daarom namens het kabinet aan de 
raad medegedeeld, dat ik op de 
begroting van WVC voor dit doel een 
afzonderlijke voorziening zal treffen, 
zodat vaststaat dat een bepaald 
bedrag op de rijksbegroting is 
bestemd voor de financiering van 
zwangerschapsafbreking. Voorts heb 
ik aan de raad medegedeeld dat het 
kabinetsbesluit inhoudt, dat de 
rijksbijdrage jaarlijks zal worden 
aangepast aan de werkelijke kosten. 
Ik zeg dit ook in de richting van al 
degenen die daarover vragen hebben 
gesteld. Het geld is beschikbaar 
gesteld door de minister van Finan-
ciën. Deze mededeling is voor de 
Ziekenfondsraad voldoende geweest 
om zijn subsidiebesluit vast te 
stellen, zoals het is vastgesteld en 
zoals het nu ter bespreking voorligt. 
Ik verwacht dat ook particulier 
verzekerde vrouwen gebruik kunnen 
maken van de diensten van abortus-
klinieken. Dat is overigens ook, naar 
mag worden aangenomen, de 
huidige situatie. Om hoeveel vrouwen 
het exact gaat, is niet bekend. Er is 
evenmin bekend of de subsidierege 
ling van de Ziekenfondsraad hierin 
wijziging zal brengen. Aangezien 
echter met de minister van Financiën 
is overeengekomen dat het voor de 
financiering van de abortusklinieken 
benodigde geld extra - dat wil  zeggen: exogeen - aan de begroting 
zal worden toegevoegd, leidt dit voor 
de staatssecretaris van Volksgezond-
heid niet tot extra bezuinigingsproble-
men. Dit geld behoeft dan ook niet te 
worden bezuinigd op andere onder-
delen van de begroting Ik hoop 
daarmee de verschillende vragen die 
op dat punt zijn gesteld tot tevreden-
heid te hebben beantwoord. 
Er zijn vervolgens vragen gesteld 
over de waarborgen voor de privacy. 
Het door de Ziekenfondsraad in zijn 
besluit voorgestane systeem bevat 
naar mijn mening op dit punt 
voldoende waarborgen. Voor de 
Ziekenfondsraad is immers uitgangs-
punt een wijze van controleren die 
volstrekt in overeenstemming is met 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Abortus 
73 de privacywaarborgen die de Wet 
afbreking zwangerschap stelt aan de 
controle in het kader van die wet. 
Artikel 6 van het subsidiebesluit 
biedt daarvoor naar mijn mening 
voldoende waarborgen. Artikel 75 
van de AWBZ - ik kan dat mevrouw 
Haas-Berger ter geruststelling 
meedelen - is bij alle zaken met een 
vertrouwelijk karakter die de Zieken-
fondsraad behandelt, van kracht. Dat 
is ook terecht, gezien het feit dat de 
raad niet zozeer bij deze subsidiëring 
als wel in het algemeen uit hoofde 
van zijn taak bij beroepszaken 
voortdurend zaken van vertrouwelijke 
aard onder ogen krijgt. Het gaat 
daarbij veelal om medische gegevens. 
Een ander punt betreft de vraag of 
en in hoeverre de Ziekenfondsraad 
kan bepalen wat de prijs voor 
behandelingen moet zijn. 
De tariefstelling, de prijs van de 
handelingen, is een zaak van de Wet 
tarieven gezondheidszorg en dus van 
het Centraal Orgaan Tarieven 
Gezondheidszorg. Inkomsten uit 
hoofde van het behandelen van niet-
AWBZ-verzekerden zijn voor de 
Ziekenfondsraad een gegeven. Zij 
worden door de raad verrekend met 
de door de raad te verlenen subsidië-
ring. 
Ik wil nog terugkomen op de kwes-
tie van de privacy. Op grond van het 
subsidiebesluit komen uiteraard 
alleen de kosten van zwangerschaps-
afbreking in de zin van artikel 1, 
tweede lid, van de WAZ en van de 
daaraan verbonden nazorg voor 
financiering in aanmerking. De 
Ziekenfondsraad stelt dan de 
subsidie vast aan de hand van de 
door de raad goedgekeurde begroting 
en exploitatierekening van abortuskli-
nieken. De Ziekenfondsraad kan 
voorschotten verlenen. De abortuskli-
nieken zijn gehouden de gegevens te 
registreren omtrent de AWBZ-verze-
keringsgerechtigdheid van de 
behandelde vrouwen, de aard van de 
verleende diensten en de kosten die 
daarvoor in rekening zijn gebracht. 
Bij dit laatste moet worden bedacht, 
dat de kliniek voor de zwangerschaps-
afbreking bij AWBZ-verzekeringsge-
rechtigde vrouwen geen betaling 
mag vragen. Gezien het feit dat de 
Ziekenfondsraad zal financieren op 
basis van de goed te keuren begroting 
en exploitatierekening, dient de raad 
inzicht te hebben in de totale 
financiële situatie van de kliniek. 
Inkomsten uit niet onder de 
subsidieregeling begrepen diensten 
worden immers op de subsidie in 
mindering gebracht. Het uitgangspunt 
zal echter zijn dat de Ziekenfondsraad 
een controle uitvoert die in overeen-
stemming is met de waarborgen voor 
de privacy die de Wet afbreking 
zwangerschap stelt aan de controle 
in het kader van deze wet. In het 
subsidiebesluit is in feite gekozen 
voor een vorm van marginale 
controle. Deze komt neer op een 
steekproefsgewijze controle door de 
Ziekenfondsraad op de klinieken. In 
verband met de privacygevoeligheid 
blijven de eerder bedoelde gegevens 
in beheer bij de abortusklinieken. Bij 
de controle zullen enerzijds de 
accountantsdienst van de raad en 
anderzijds het medisch adviescollege 
van de raad betrokken zijn. 
Uit de begeleidende nota bij het 
schrijven waarmee het subsidiebesluit 
aan de Kamer werd toegezonden, 
heeft men kunnen constateren dat in 
de overgangsperiode van 1 februari 
1985 tot de publikatie van het besluit 
het systeem zal worden gevolgd dat 
de abortusklinieken ertoe gehouden 
zijn, betalingen die zijn geschied ten 
behoeve van zwangerschapsafbrekin-
gen bij AWBZ-verzekeringsgerechtig-
den, op verzoek van de desbetreffende 
vrouw te restitueren. De klinieken 
kunnen deze betalingen vervolgens 
terugvorderen bij de Ziekenfondsraad. 
Van de zijde van de Ziekenfondsraad 
is meegedeeld dat hij hieraan, zodra 
het besluit van de raad mijn goedkeu-
ring heeft gekregen, zo mogelijk na 
dit debat, kan gaan werken en 
bekendheid zal geven. 
Om deze reden meen ik mevrouw 
Groenman te kunnen zeggen dat 
althans het eerste deel van de motie 
die zij heeft ingediend overbodig is. 
Met deze mededeling is immers 
duidelijk gemaakt dat er een over-
gangsmaatregel door het kabinet 
wordt voorgesteld, die naar mijn 
stellige mening ook haar instemming 
kan krijgen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="284" partij="D'66" naam="Groenman">
 Dit 
betreft het tweede deel.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="285" naam="Minister Brinkman">
 Hierop kom ik 
straks; dit is consistent met de 
opbouw van mijn betoog. 
Op een aantal algemene opmerkin-
gen van de heer Leerling heb ik zo 
goed mogelijk geantwoord. Ik kom bij 
zijn vraag over artikel 20 van de Wet 
afbreking zwangerschap. Dit artikel 
slaat uitsluitend op datgene wat deze 
wet regelt, dus het geven van een 
behandeling gericht op het afbreken 
van zwangerschap of het verlenen 
van medewerking hieraan. Met dit 
begrip 'medewerking' wordt gedoeld 
op verpleegkundig en ander, niet-me-
disch personeel. Bezwaren tegen 
zogenaamde indirecte medewerking 
aan de financiering van abortus 
kunnen niet in verband worden 
gebracht met artikel 20 van de Wet 
afbreking zwangerschap. 
Er is gezegd dat in West-Duitsland 
mogelijk meer abortussen worden 
gefinancierd dan er geregistreerd 
staan. Ik ga er vooreerst vanuit dat 
de registratie van verrichte abortussen 
in ziekenhuizen en klinieken conform 
de voorschriften geschiedt en zal 
geschieden. Op dit gebied is ove-
rigens al ervaring opgedaan met de 
Stimezo-registratie, die ik als 
bonafide wil kenschetsen. 
Het is verder de taak van de 
inspectie voor de volksgezondheid, 
hierop toezicht te houden. Het niet 
voldoen aan de registratie-eis levert 
trouwens een strafbaar feit op 
conform artikel 18 van de Wet 
afbreking zwangerschap en het 
opzettelijk verkeerd invullen van het 
registratieformulier is valsheid in 
geschrifte en dus evenzeer een 
strafbaar feit. 
Verscheidene leden hebben 
gevraagd of moet worden gevreesd 
voor een jaarlijks terugkerende 
discussie over de bijdrage aan het 
AWBZ-fonds, gegeven de financiële 
oplossing die het kabinet voorstelt. 
Puur formeel moet het parlement 
goedkeuring verlenen aan de 
begrotingsvoorstellen die het kabinet 
indient. Ik heb niet het voornemen en 
naar ik aanneem, mijn ambtsopvolgers 
ook niet, dat wij hiervan een jaarlijkse 
principiële discussie moeten maken. 
Gelet op de ontstaansgeschiedenis 
van het kabinetsbesluit, meen ik dat 
er geen reden behoeft te zijn voor 
een dergelijke bezorgdheid. 
Uiteraard staat het het parlement 
vrij om daaraan een discussie te 
wijden bij elke gelegenheid die het 
parlement wenst, maar dit zal niet 
door het kabinet worden bevorderd. 
Mijnheer de Voorzitter! De vraag is 
gesteld of de Ziekenfondsraad kan 
variëren in de bijdrage en hoe hoog 
de behandelprijs is. De Ziekenfonds-
raad zal aan de hand van de begroting 
en de exploitatierekening van de 
abortuskliniek de subsidie vaststellen, 
een en ander op basis van verrichte 
behandelingen gericht op zwanger-
schapsafbreking minus de diensten 
die niet in aanmerking komen voor 
vergoeding door de AWBZ-subsidie. 
Mijnheer de Voorzitter! De heer 
Van Dis heeft de vraag gesteld of het 
bedrag van 4 5 0 gulden - de gemid-
delde behandelingsprijs - nu eigenlijk 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Abortus 
74 wel zo hoog is. Dat verschilt natuurlijk 
van persoon tot persoon; zekere voor 
jongere vrouwen kan dit een heel 
bedrag zijn. Gegevens over de mate 
van accepteerbaarheid van dat 
bedrag zijn niet voorhanden. Als de 
heer Van Dis de misschien wel 
retorische vraag stelt of de abortus-
beweging dit bedrag niet kan 
opbrengen, kan ik daarop geen 
antwoord geven omdat de vraag niet 
aan mij is gesteld. 
Meer in het algemeen sprekend 
over de financiering is van verschil-
lende kanten de vraag gesteld of dit 
nu het laatste voorstel is. Anders  geformuleerd: kan er nog een 
moment komen waarop bij voorbeeld 
een herziening van het stelsel van 
ziektenkostenverzekeringen of een 
mogelijke privatisering van delen van 
de gezondheidszorg ons voor een 
hernieuwde discussie zouden kunnen 
plaatsen. Ik sluit dit niet op voorhand 
uit, maar juist omdat dit kabinet geen 
kans ziet om om deze kabinetsperiode 
op dit punt uitgewerkte voorstellen 
aan te bieden, lijkt het zinnig om het 
parlement dit voorstel aan te bieden. 
Dit laat uiteraard onverlet, dat bij 
verdere discussies over stelselwijzi-
gingen en wat dies meer zij het punt 
opnieuw aan de orde kan komen. 
De vraag is gesteld of het niet 
tenminste mogelijk is, dat instellingen 
als de VBOK en vergelijkbare niet in 
aanmerking zouden moeten komen 
voor aanvullende steun, mogelijk 
zelfs in plaats van de geldmiddelen 
die door het kabinetsvoorstel ter 
beschikking worden gesteld. In een 
eerste gesprek over dit onderwerp 
met genoemde instelling heb ik mij 
over deze zaak gebogen. Nadat op 
ambtelijk niveau informatie over de 
huidige behoefte aan hulpverlening is 
ingewonnen en zodra meer kwantita-
tieve gegevens op tafel zijn gekomen, 
zal ik mij opnieuw over het verzoek 
buigen. Men kan ervan verzekerd zijn, 
dat ik ernstig zal overwegen om voor 
instellingen als deze ruimte binnen 
de begroting te zoeken. 
De heer Dees heeft opgemerkt, dat 
deze oplossing niet alleen niet de 
schoonheidsprijs verdient maar ook 
een zeker precedentwerking heeft, of 
het nu bij de discussie over de 
invitrofertilisatie is of over andere 
onderwerpen. Ik ben er niet op uit 
om elke keer een route als deze te 
volgen. Wij moeten met elkaar leren, 
dat wij bij het begin van discussies 
als deze ook de financiële kant van 
de zaak aanstonds voor ogen moeten 
hebben. Van deze route kunnen wij 
mijns inziens leren, dat tal van 
technische discussies kunnen 
ontstaan die niet helemaal stroken 
met de aard van het te behandelen 
onderwerp. Anderzijds weet ik niet 
hoe de ontwikkeling zal zijn op het 
terrein van bij voorbeeld de IVF. 
Wij zullen dat naar mijn mening 
ook van geval tot geval moeten 
bekijken, bij voorbeeld omdat het 
aantal belanghebbenden heel 
verschillend kan zijn of omdat de 
aard van de te treffen voorziening 
verschillende oplossingen met zich 
kan brengen. Ik kan de vraag van de 
heer Dees dus niet met een volmondig 
'neen' beantwoorden, maar ik 
formuleer mijn antwoord niet op deze 
wijze omdat ik bij wijze van spreken 
al bezig ben met het hanteren van dit 
precedent om in een min of meer 
vergelijkbaar geval een soortgelijke 
financiering voor te stellen. 
Als ik opmerk dat ik niet weet of er 
niet nog eens zoiets komt, mag 
daaruit niet worden afgeleid dat ik bij 
wijze van spreken volgende week een 
soortgelijk voorstel op tafel zal 
leggen. Ik herhaal dat bijzondere 
omstandigheden bijzondere financie-
ringsvormen kunnen vereisen. Dat is 
juist reden om meer ten principale te 
kijken naar het stelsel van financiering 
in de gezondheidszorg. Daarbij komt 
dit soort principiële vragen in 
toenemende mate aan de orde. 
Ik meen hiermee de feitelijke 
vragen beantwoord te hebben. Als 
dit niet het geval is, hoor ik dat 
graag. Dan kom ik bij de beoordeling 
in eerste aanleg van de ingediende 
moties. Ik begin met de motie van de 
heer Schutte, die wordt gesteund 
door de heer Leerling. De constatering 
van de heer Schutte geeft een wat te 
enge interpretatie weer van de 
Ziekenfondswet en de AWBZ. Zeker 
de AWBZ - de Ziekenfondswet in iets 
mindere mate - bevat verstrekkingen 
die niet een onderdeel zijn van de 
geneeskundige verzorging. Ik geef  enkele voorbeelden: de gezinsvervan-
gende tehuizen, de dagverblijven 
voor gehandicapten, het vaccinatie-
programma etc. Deze voorzieningen 
vallen niet onmiddellijk onder het 
begrip 'geneeskundige verzorging'. 
Een ander voorbeeld is nog het 
onderzoek naar stofwisselingsziekten. 
Gelet op de besluitvorming zoals 
deze tot op heden heeft plaatsgevon-
den in goed overleg tussen regering 
en parlement en gelet op de overwe-
gingen die het kabinet ten grondslag 
heeft gelegd aan het voorliggende 
subsidievoorstel meen ik tot de 
conclusie te moeten komen dat de 
motie van de heer Schutte niet moet 
worden aangenomen Dat is echter 
slechts een advies.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="286" partij="CDA" naam=" Cornelissen">
 De 
motie zou niet aangenomen moeten 
worden. Ik wil graag het oordeel van 
de minister over de motie. Pas dan 
kan het parlement een beslissing 
nemen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="287" naam="Minister Brinkman">
 Uit de formule-
ring van mijn woorden mag worden 
opgemaakt dat ik aanvaarding van 
deze motie ontraad. 
Mijnheer de Voorzitter! Dan kom ik 
bij de motie op stuk nr. 22, voorgesteld 
door mevrouw Haas-Berger. Ik heb 
zeer wel begrip voor de conclusie uit 
haar betoog, gelet op de voorgeschie-
denis van haar stellingname. Toch 
denk ik voldoende duidelijk te 
hebben gemaakt dat de uitspraak die 
mevrouw Haas aan de Kamer 
voorlegt, niet conform is hetgeen het 
kabinet heeft overwogen en voorge-
steld. Het lijkt mij dan ook beter, 
aanvaarding van deze motie te 
ontraden. 
Mevrouw Groenman heeft een 
motie ingediend op stuk nr. 24. Wat 
het eerste deel daarvan betreft, heb 
ik al een opmerking gemaakt. Ten 
aanzien van punt a) van het dictum 
merk ik hetzelfde op als wat ik naar 
voren heb gebracht in reactie op de 
motie op stuk nr. 22. De overwegingen 
van het kabinet - met name met 
betrekking tot de positie van de 
gewetensbezwaarden - kunnen niet 
tot de conclusie leiden dat opneming 
in het ziekenfondspakket de meest 
ideale oplossing is. Om deze reden 
meen ik aanvaarding van deze motie 
te moeten ontraden. 
Ik besef zeer wel dat de technische 
antwoorden in mijn betoog de 
overhand leken te hebben. 
Ik wil echter afronden met het 
maken van enkele opmerkingen van 
meer algemene aard. Het is natuurlijk 
mogelijk om in een debat als dit 
nogmaals te proberen elkaar met een 
langdurig betoog te overtuigen van 
eikaars gelijk respectievelijk ongelijk. 
Ik ben ook zeker bereid nog eens alle 
argumenten naar voren te brengen 
die wij reeds in de stukken hebben 
vermeld.Voor al degenen die hier 
zeer uitvoerig hebben gesproken 
over de principiële kanten van de 
zaak, hoop ik toch dat het hun uit de 
verschillende stukken die aan het 
parlement zijn voorgelegd, duidelijk 
zal zijn geworden dat het kabinet 
zeer indringend is bezig geweest met 
de vragen die ook vanavond weer 
naar voren zijn gebracht. 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Abortus 
75 Uit het feit dat ik niet alle punten 
weer eens naar voren heb gebracht, 
mag bepaald niet worden opgemaakt 
dat ik geen oog zou hebben voor de 
kanttekeningen die van verschillende 
kanten tegen het voorstel zijn te 
maken. Ik meen oprecht dat het ene 
bruggetje dat over de diepe kloof van 
maatschappelijke tegenstellingen 
nog mogelijk is, het bruggetje is dat 
het kabinet heeft willen slaan. 
Ik geef toe dat men ook daarover 
verschillend kan denken. Dat is ook 
weer gebleken. Ik vind in ieder geval 
dat de route die wij hebben aangege-
ven verdedigbaar is. Ik hoop dat ook 
duidelijk is dat ook ik, na een 
jarenlange politieke discussie over 
deze zaak, mij nog wel gelukkiger 
had willen voelen. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="288" partij="PvdA" naam=" Haas-Berger">
 
Mijnheer de Voorzitter! Volgens de 
minister kunnen de argumenten die 
hier vanavond naar voren zijn 
gebracht niet overtuigend zijn Wij 
zouden niet tot elkaar kunnen komen. 
Ook aan het eind van zijn betoog 
heeft de minister weer aangegeven 
dat er grote verschillen van mening 
bestaan. 
Volgens de minister verdient de 
voorgestelde regeling niet de 
schoonheidsprijs. Het gaat ons 
echter om het volgende. De moties 
die in de loop der jaren zijn aangeno-
men, zijn niet uitgevoerd, er blijven 
verschillende financieringsstromen 
bestaan en het advies van de 
Ziekenfondsraad dat zich duidelijk 
uitspreekt over de uitvoeringstechni-
sche kanten van de zaak, is eigenlijk 
niet in de beoordeling van het 
kabinet betrokken. 
De minister zegt wel dat wij 
duidelijk rekening moeten houden 
met de wensen van de gewetensbe-
zwaarden. Ik denk dat de minister op 
dit punt wel met een eerlijke mening 
komt. Het is echter niet zo dat 
hetgeen hij zegt, ook gebeurt. Er blijft 
een financieringsstroom via de 
ziekenfondsverzekering bestaan. 
Met genoemde wensen kan dus geen 
rekening worden gehouden. Daaraan 
wil ik overigens niets veranderen. 
De minister heeft uitdrukkelijk 
gezegd dat hierbij de privacy van de 
gewetensbezwaarden in het geding 
is. Nochtans heeft iedereen meebe-
taald aan de algemene middelen 
waaruit de rijksbijdrage betaald moet 
worden. En hoe je het ook wendt of 
keert, hieraan verandert niets. Er blijft 
dus een levensgroot probleem 
bestaan. Daarom vind ik dat de 
minister met een drogreden komt. 
Samen met de heer Dees ben ik er 
bang voor dat het op onderdelen 
toestaan dat men gewetensbezwaar-
de is, leidt tot een gebrek aan 
solidariteit. Solidariteit is echter het 
uitgangspunt voor onze sociale 
wetgeving. Bovendien leidt het 
toestaan dat men gewetensbezwaar-
de is ons op een heel gevaarlijke 
weg. Als men eenmaal begint met 
het erkennen van gewetensbezwaren 
op onderdelen, zal de stroom van 
gewetensbezwaarden tegen alle 
mogelijke onderdelen, mede gelet op 
de bijzondere medische technologie 
die op komst is en die wij voor een 
groot gedeelte al hebben, groter 
worden. Nu kan men wel zeggen dat 
een dergelijke ontwikkeling niet de 
bedoeling van het kabinet is, maar 
men zal dit toch niet kunnen voorko-
men. Daarom is hier sprake van een 
heel gevaarlijke weg. 
Mijnheer de Voorzitter! Er is nog 
iets dat ik niet begrijp. De minister 
heeft gezegd dat de rijksbijdrage 
voorlopig wel gehandhaafd zal 
worden. Zijn verhaal is echter niet 
consistent. In het begin van de 
regeerperiode van dit kabinet was er 
sprake van een rijksbijdrage van één 
miljard. Afgelopen jaar was er sprake 
van een bijdrage van 200 miljoen. 
Het was dus mooi afgekalfd! Nu 
moet dit bedrag verlaagd worden tot 
4 0 miljoen. 
Het systeem is erop gericht om de 
rijksbijdrage af te schaffen. Wat zal 
dan het uiteindelijke gevolg zijn als 
men deze kant zou uitgaan voor deze 
rijksbijdrage? Voorts is het mij niet 
duidelijk of de situatie zo zal blijven 
dat er geen eigen bijdrage zal 
worden gevraagd. 
In het gehele verhaal van de 
rijksbijdrage begrijp ik vervolgens 
niet hoe deze minister, waar zijn 
staatssecretaris gigantische sommen 
moet bezuinigen op de ziektekosten, 
een systeem voorstaat dat 2 min. 
duurder is dan via de volksverzekering. 
De minister zegt immers dat hij geen 
cijfermateriaal heeft betreffende de 
particulieren. Er zijn echter schattin-
gen van de ziekenfondsraad. Gezien 
de huidige situatie wordt gezegd dat 
er in de klinieken 4 4 0 0 mensen 
behandeld worden die particulier 
verzekerd zijn. Een gedeelte daarvan 
zal toch via de AWBZ lopen, terwijl 
men wellicht nu particulier verzekerd. 
Dat geeft een kostenverhoging van 2 
min. Dat lijkt mij in deze tijd een 
vreemde zaak. 
Ten slotte zegt de minister dat de 
motie die is ingediend niet conform 
het kabinetsvoorstel is. Ik begrijp 
niet, ondanks het feit dat de heer 
Dees zegt dat mijn uitgangspunten 
gerealiseerd zijn, dat hij gezien de 
opmerking die ik heb gemaakt niet 
zegt dat hij vasthoudt aan de 
oorspronkelijke gedachte dat dit in 
een ziekenfondsverzekering zal 
moeten worden ondergebracht.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="289" partij="VVD" naam=" Dees">
 Ik herinneru
eraan dat in de eerste motie dieu
hebt ingediend tijdens de behandeling 
van de wet afbreking zwangerschap, 
u met de volgende formulering in het  dictum kwam: kliniekabortus, ook in 
het ziekenfondspakket of in andere 
vergelijkbare regelingen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="290" partij="PvdA" naam=" Haas-Berger">
 U 
behoeft mij daaraan niette herinneren. 
Ik ben daarmee begonnen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="291" partij="VVD" naam=" Dees">
 Ik vind dat de 
oplossing waarvoor de minister heeft 
gekozen, ondanks wat technische 
bezwaren geen schoonheidsprijs 
verdient. Naar mijn interpretatie komt 
die echter wel overeen met het 
dictum in uw motie namelijk een 
andere vergelijkbare financieringsre-
geling uit de collectieve sfeer. Dat is 
dit toch?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="292" partij="PvdA" naam=" Haas-Berger">
 De 
minister zei dat de argumenten niet 
meer overtuigen. Ik heb een aantal 
argumenten naar voren gebracht op 
grond waarvan ik meen dat uiteindelijk 
bij de afweging van deze twee 
voorstellen de voorkeur gegeven 
moet worden aan de ziekenfondsfi-
nanciering. Misschien overtuigen de 
argumenten niet meer, maar een 
financiering op grond van de motie 
van 1 980 is altijd beter dan geen 
financiering. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="293" partij="GPV" naam="Schutte">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Ik dank de minister voor 
zijn beantwoording. Hij heeft bena-
drukt dat er sprake is geweest van 
een langdurige poging om in de wet 
tegemoet te komen aan de gewetens-
bezwaarden door middel van de 
voorgestelde oplossing. Ik twijfel 
daar geen moment aan en de stukken 
getuigen hier ook van. Door de 
stelling die hij innam, lijkt het mij 
welhaast een onmogelijke opgave 
om aan de gewetensbezwaarden 
tegemoet te komen. Dat was zojuist 
uit de gemaakte interruptie ook 
duidelijk. De minister is in feite 
uitgegaan van een verplichting die 
zou voortvloeien uit de totstandko-
ming van de wet afbreking zwanger-
schap. 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Abortus 
76 Ik heb gezegd dat hij de politieke 
verantwoordelijkheid heeft aanvaard 
voor de totstandkoming en de 
uitvoering van deze wet. Dat is een 
feit en dat behoeft geen discussie 
meer. Het is echter wel een vraag of 
daarnaast een maatregel moet 
worden getroffen die de weg naar 
abortus provocatus kosteloos 
begaanbaar maakt. Ik weet dat deze 
wens in de discussie over de totstand-
koming van de wet nadrukkelijk door 
de Kamer naar voren is gebracht. 
Tegen mevrouw Cornelissen wil ik 
cchtar zeygen dat het wel een 
andere zaak is als zij zegt dat 
wanneer een wet tot stand is 
gekomen, ook de middelen verschaft 
moeten worden om deze te kunnen 
uitvoeren. Jazeker. Vandaar dat er 
ook een vergunningenstelsel is 
ingevoerd en andere zaken die tot 
deze middelen behoren. Het is echter 
niet zo dat hiertoe ook behoort het 
gratis kunnen verkrijgen van deze 
'verstrekking'.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="294" partij="CDA" naam=" Cornelissen">
 Het 
gratis verstrekken betekent dat het 
wordt gebracht onder een bepaald 
systeem van financieren, terwijl nu 
een groot aantal van deze abortussen 
betaald wordt door de gemeentelijke 
sociale diensten. Dan vraag ik aanu
wat het verschil is. Ik vind het veel 
correcter om, wanneer wij hier 
samen een democratisch besluit 
genomen hebben en een bepaalde 
wet door de Kamer is aangenomen, 
de wetgever de bevoegdheid te 
geven die wet uit te voeren. Dat doen 
wij niet als wij de financiering daarbij 
onthouden.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="295" partij="GPV" naam="Schutte">
 Natuurlijk is 
de Bijstandswet geen ideale vorm 
van bekostiging, maar er zit wel een 
verschil in. Alsuhet als verstrekking 
gaat opnemen in een sociaal-verzeke-
ringspakket, wordt het inderdaad een 
recht van alle burgers die voor 
abortus in aanmerking willen komen. 
Als het gaat om de bijstand, moet per 
individueel geval getoetst worden of 
een financiële noodzaak gecombi-
neerd wordt met een noodsituatie in 
de zin van de wet. Dat onderstreept 
meer dan een recht op grond van de 
sociale verzekering het uitzonderings-
karakter van de abortus.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="296" partij="CDA" naam=" Cornelissen">
 U 
vergeet daarbij dan wel de noodsitu-
atie van de vrouw, die in dit geval 
toch privacymoeilijkheden krijgt 
wanneer zij naar een gemeentelijke 
sociale dienst moet om deze kwestie 
te realiseren. Dat is toch het opwerpen 
van een extra moeilijkheid voor de 
mensen voor wie deze wet bedoeld 
is. Ik heb heel duidelijk aan het eind 
van mijn betoog gezegd wat mijn 
opvatting is, maar wij zitten hier niet 
om mijn persoonlijke opvatting of die 
van mijn fractie te verwoorden. Het 
gaat erom dat wij hier met een wet 
zitten die wij zo goed mogelijk 
moeten doen uitvoeren.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="297" partij="GPV" naam="Schutte">
 Mijn streven 
daarbij is te voorkomen dat wij nog 
een stap verder zetten dan wij nu al 
moeten accepteren met het bestaan 
en het uitvoeren van de Wet afbreking 
zwangerschap, zelfs als dat een stap 
is die misschien andere onverkwikke-
lijke situaties kan voorkomen. De 
stap die wij gedaan hebben is naar 
mijn gevoel al meer dan een stap te 
ver. 
Naar aanleiding van mijn opmerking 
over de strafbaarheid van de maatre-
gel heeft de minister gezegd dat, als 
aan de eisen van de wet voldaan is, 
er evenzeer aanspraak bestaat op 
hulp Ja, op hulp, maar ook hiervoor 
geldt dat die hulp niet noodzakelijker-
wijs financiering als geneeskundige 
verzorging hoeft te betekenen. Dat 
brengt mij tot de kern van mijn 
probleem. 
Ik heb gewezen op het karakter van 
de sociale wetgeving en de sociale 
zekerheid; die houdt een verplichte 
vorm van solidariteit in. Het is in de 
samenleving ook geleidelijk gegroeid 
dat daarvoor een rechtsgrond 
aanwezig is. De overheid mag dat 
doen, maar pas op zo gauw je 
daarmee gaat komen in de sfeer van 
voorzieningen die zeer omstreden 
zijn in de samenleving. Als je 
daarmee de gewetens gaat dwingen 
door een voorziening voor de burgers 
via een verplichtende sociale 
verzekering op te leggen, dan ben je 
op het verkeerde pad. 
De minister zegt dan dat het best 
nog eens aan de orde kan komen; 
dat moet je van geval tot geval 
bezien. Daarvoor heb ik willen 
waarschuwen. Hier kan inderdaad 
een precedent liggen om iets onder 
een wet te brengen die een duidelijk 
volksgezondheidsbelang dient, 
waardoor een op zichzelf goede zaak 
tot een omstreden zaak in de 
Nederlandse samenleving wordt. De  minister heeft in feite gezegd: het 
voorstel verdient geen schoonheids-
prijs, integendeel. Het belang van 
de volksgezondheid is wel iets heel 
anders dan het belang van het helpen 
van iemand door het doden van een 
ander mens, in dit geval het ongebo-
ren kind. 
Ik ben de minister erkentelijk voor 
zijn toezegging, dat hij bereid is het 
gesprek met organisaties als de 
VBOK voort te zetten over een 
verbetering van de subsidie, die dan 
rechtstreeks ten goede komt aan 
moeder en kind. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="298" partij="RPF" naam=" Leerling">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Uiteraard dank ook ik de 
minister. Hij heeft gesproken over 
'onoverbrugbare opvattingen' waar 
het kabinet mee geconfronteerd 
werd. Dat begrijp ik, maar het gaat 
niet om mijn opvatting, het gaat niet 
om onze opvattingen; het gaat om 
hogere normen. Het gaat naar mijn 
vaste overtuiging om datgene wat 
God, de Schepper van alle leven, aan 
ons vraagt, van ons feitelijk eist. 
De overheid is als dienares van 
God geroepen tegen alle machten en 
krachten die er zijn het leven, ook 
van de ongeboren mens, te bescher-
men. Uiteraard is het dan vanzelfspre-
kend dat die overheid er niet aan kan 
meewerken dat juist de dood van het 
ongeboren leven wordt gefinancierd. 
Ik vind dat een zeer fundamentele 
zaak, die ik op dit late uur toch nog 
met kracht in uw midden leg. Het zou 
van het grootste belang zijn als wij 
dat met elkaar erkenden. 
De vraag is of financiering van de 
abortusingrepen logisch voortvloeit 
uit het aannemen van de wet 
afbreking zwangerschap. 
De minister zegt 'ja'. De heer Dees 
zegt 'ja'. Mevrouw Cornelissen zegt 
'ja'. Anderen zeggen 'ja'. Er wordt 
gewezen op het staatsrechtelijk 
goede gebruik om dan financiële 
middelen vrij te maken voor uitvoering 
van een eenmaal aangenomen wet. 
Ik bestrijd dit. Ik heb een voorbeeld  genoemd: de echtscheidingswetge-
ving. Daarbij denkt de overheid er 
ook niet over om de kosten voor haar 
rekening te nemen. 
Ik heb gewezen op een arrest van 
het Amerikaanse hooggerechtshof 
waarin duidelijk wordt aangetoond 
dat het niet vanzelfsprekend is. Wat 
is het commentaar van de minister? 
Ik blijf erbij, met alle respect voor zijn 
argumenten, dat hij uiteindelijk het 
moede hoofd in de schoot heeft 
moeten leggen voor druk vanuit de 
Kamer om tot financiering van 
abortus provocatus te komen. 
De minister heeft gewezen op de 
hulp aan drugsverslaafden. Ik heb bij 
interruptie al gezegd dat dat een 
totaal andere zaak is. Het gaat bij 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Abortus 
77 hulp aan drugsverslaafden om 
herstel, om hulp aan iemand in nood. 
Ik heb geen enkel bezwaar tegen 
hulp aan de vrouw in nood en ben blij 
met de toezegging van de minister 
bij voorbeeld ten opzichte van de 
VBOK. De minister weet echter maar 
al te goed dat het bij abortus 
provocatus gaat om het uiteindelijke 
resultaat. Zo de vrouw al geholpen 
wordt - ik zet daarbij vraagtekens 
gezien de psychische gevolgen - is 
het altijd de dood van een ongeboren 
kind. Dat geluid lijkt niet over te 
komen in de hele discussie. 
Ik wil dat geluid hier nogmaals 
laten horen. In de abortus-kwestie 
geldt kennelijk de kracht van de  sterkste: de vrouw. Ik moet dat met 
pijn in het hart constateren. Het is 
een uiterst trieste constatering, een 
historische fout in onze samenleving, 
waarvan wij hele wrange vruchten 
zullen plukken. 
Mijnheer de Voorzitter! Ik heb geen 
antwoord gekregen op de volgende 
vraag. Kan de minister mij duiden 
hoe het bedrag van 6,6 min. uit de 
hoge hoed is gekomen? Is het het 
volgend jaar meer? 
Financiering van abortus provoca-
tus blijf ik met kracht afwijzen. Ik 
weet niet of mevrouw Cornelissen zo 
vrij zal zijn dat te vertellen, maar ik 
zou graag weten hoeveel CDA'ers 
het voorstel uiteindelijk niet zullen 
steunen. 
Versluierd zou wellicht worden dat 
in het parlement geen meerderheid 
te vinden is om de AWBZ-regeling te 
steunen. Ik vraag de minister 
nogmaals of hij bereid is na te 
denken over de financiering via het 
ziekenfonds, met een aparte regeling 
voor de gewetensbezwaarden, 
waarover genoeg gezegd is. Niet dat 
ik voor die mogelijkheid als zodanig 
opteer, maar die regeling zou 
uiteindelijk de voorkeur hebben 
boven de in menig opzicht verwerpe-
lijke AWBZ aanpak. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="299" partij="D'66" naam="Groenman">
 
Voorzitter! Ik kan niet anders dan 
blijven constateren dat de minister 
eerdere uitspraken van de Kamer 
negeert. Het standpunt van de 
Ziekenfondsraad wordt genegeerd. 
De minister zegt zelfs dat de Zieken-
fondsraad het besluit maar niet had 
moeten ontwerpen, als hij zo tegen 
was. Toen brak mij even de klomp. De 
Ziekenfondsraad had immers ge-
adviseerd het in het ziekenfonds-
pakket op te nemen. De minister 
had daaraan geen boodschap en 
koos voor iets anders. De Zieken-
fondsraad heeft vervolgens alleen 
een besluit te ontwerpen. 
Opneming in het ziekenfondspakket 
strookt niet met de overwegingen 
van het kabinet. Wat zijn dan die 
overwegingen? De gewetensbezwaar-
den. De gewetensbezwaarden zelf 
zijn uiterst ongelukkig met de huidige 
oplossing. Bovendien blijven zij 
gewoon meebetalen, zowel via het 
ziekenfonds, als het gaat om abortus 
in het ziekenhuis, als via de AWBZ. 
Waarom moet er eigenlijk rekening 
gehouden worden met gewetensbe-
zwaarden? Het gaat om een democra-
tisch tot stand gekomen wet, bij de 
behandeling waarvan uitvoerig 
gesproken is over gewetensbezwaren. 
Wij maken ook geen uitzondering 
voor mensen met ethische bezwaren 
tegen kernenergie en kernwapens. 
Als je daarmee begint, ben je op de 
weg van de precedenten. Het is mijn 
indruk dat er geen ruzie mocht 
komen tussen de regeringsfracties. 
De VVD verloochent haar eigen 
standpunt om de minister en het 
CDA niet voor de voeten te lopen. En 
de heer Ruding helpt nog een handje 
mee door bij te dragen via de 
rijksbijdrage aan het algemeen fonds 
bijzondere ziektekosten. 
Ik vind het eigenlijk een zinloos 
debat. Het is droevig voor de 
parlementaire democratie. In ieder 
geval wil ik de indruk wegnemen dat 
de minister ook maar een deel van 
mijn motie als ondersteuning van zijn 
beleid ziet. Ik heb uitdrukkelijk 
gezegd dat abortus in klinieken in het 
ziekenfondspakket moet. Voor de tijd 
tussen 1 februari 1985 en het 
moment dat opneming in het pakket 
is gerealiseerd, moest een oplossing 
worden gevonden. Daarvoor wil ik 
dan desnoods AWBZ-financiering 
gebruiken om niet een gat te laten 
ontstaan. Dat is heel iets anders dan 
dat ik de minister zou steunen. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="300" partij="SGP" naam=" Van Dis">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Ook ik wil mij aansluiten 
bij de woorden van dank aan de 
minister, zij het dat ik het wat 
onzorgvuldig heb gevonden dat hij de 
fractie van de SGP maar rekende 
onder de volgelingen van de heer 
Schutte. Bovendien noemde hij 
alleen de fracties van de heren 
Schutte en Leerling ten aanzien van 
het vragen om extra steun voor de 
instellingen die zich bezighouden 
met het verlenen van hulp aan 
moeder en kind. In mijn laatste 
opmerking heb ik dat namelijk ook 
gedaan. Het was zorgvuldiger 
geweest als de minister ook mijn 
naam had genoemd. Niettemin dank 
ik hem voor het antwoord. 
De minister heeft weliswaar 
geworsteld, maar hij is er niet 
uitgekomen. Dat is een heel duidelijke 
zaak. Met betrekking tot de bezwaar-
den wil ik nog een nadere toelichting 
hebben. De Wet afbreking zwanger-
schap erkent de bezwaren; daarmee 
moet rekening worden gehouden. 
Dat staat in artikel 20. Ik vind dat 
daar in ieder geval tegenover moet 
staan, dat die bezwaren ook financieel 
worden gehonoreerd. Dit punt heb ik 
in mijn eerste termijn ook aan de 
orde gesteld. Zie ik dat verkeerd? Ik 
zou in ieder geval graag willen, dat 
de minister daarop nog inging. 
In de discussie, de beantwoording 
en een interruptie van mevrouw 
Cornelissen is de vraag gesteld, of 
elke wettelijke regeling moet dwingen 
tot financiering uit de algemene 
middelen. Dat was namelijk een 
beetje de redenering. Ik denk dat je 
die vraag niet altijd positief kunt 
beantwoorden. Er zijn ook andere 
oplossingen mogelijk. In eerste 
termijn heb ik een aantal voorbeelden 
genoemd, zoals diversificatie van het 
pakket. 
Men kan ook kiezen voor privatise 
ring van de gezondheidszorg, waarbij 
de mogelijkheden om rekening te 
houden met de bezwaren van de 
gewetensbezwaarden veel meer tot 
hun recht kunnen komen. Het viel mij 
wel op in die discussie, dat men 
steeds alleen praat over de nood van 
de vrouw, terwijl het ongeboren kind 
geheel buiten het gezichtsveld blijft. 
Verplichte solidariteit leidt naar 
ons oordeel tot gewetensdwang. In 
eerste termijn noemde ik nog meer 
zaken dan alleen abortus provocatus. 
Het is de plicht van de overheid om 
recht te doen aan degenen die in die 
gewetensnood komen. Ons land 
stond altijd bekend als een land 
waarin erkenning van gewetensbe-
zwaren als een groot goed wordt 
beschouwd. Wij vinden dat dit in 
ieder geval zo moet blijven. 
De minister heeft gezegd dat hij nu 
niet opnieuw de discussie kan voeren  met alle voors en tegens. Hij zei: de 
discussie was diepgravend, maar 
elkaar weinig overtuigend. De 
discussie moet naar mijn mening niet 
uitsluitend gaan over abortus 
provocatus, maar ook over euthana-
sie, draagmoederschap en al die 
aspecten die ik in eerste termijn heb 
genoemd. Dat zijn namelijk punten 
op dat zedelijk-ethische gebied 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Abortus 
78 waaraan ik in eerste termijn nogal 
wat aandacht heb besteed. 
Ik meen nog altijd dat wij hierbij in 
ieder geval op een zo vroeg mogelijk 
tijdstip duidelijkheid en uitkomst ook 
voor vele gemoeds- en gewetenbe-
zwaarden zullen moeten vinden. Ik 
hoop dat de minister daaraan mee 
zal werken. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">Mevrouw Cornelissen (CDA). 
Mijnheer de Voorzitter! Ik wil graag 
de minister bedanken voor zijn 
antwo
or
den. Er zijn enkele van mijn 
vragen over de uitvoering van de 
regeling blijven liggen. Ik wil daar nu 
niet op ingaan. Ik vraag de minister 
wel in het algemeen om nauwgezet 
toe te zien op de uitvoering van de 
regeling en om de nodige duidelijkheid 
te verschaffen. Die duidelijkheid is 
niet helemaal aanwezig in het 
voorstel zoals het daar ligt. Het zou 
jammer zijn als er onduidelijkheden 
op dit terrein bleven bestaan. 
De heer Leerling heeft gevraagd 
wat ik bedoel met enkele leden van 
mijn fractie. Ik kan hem zeggen dat 
het er twee zijn, terwijl het er drie 
kunnen worden. Ik sluit dat niet uit, 
omdat er altijd nog enkele mensen 
afwezig waren in de fractie. 
Tegen de heer Van Dis zeg ik dat 
voor mij niet altijd een democratisch 
tot stand gekomen wetgeving 
onmiddellijk door de overheid 
gefinancierd zou moeten worden. In 
het debatje met de heer Schutte 
hebben wij daarover al even gediscus-
sieerd. Ik denk dat een aantal elemen-
ten in de argumenten van de heer 
Schutte aanwezig zijn. In het kader 
van de hulpverlening kunnen andere 
argumenten een rol spelen. Ik denk 
dat iedere wet een eigen benadering 
vraagt. 
De heer Schutte heeft in zijn 
tweede interventie heel nadrukkelijk 
de VBOK genoemd. Ik heb daar 
uiteraard geen bezwaaar tegen. Ik 
heb echter duidelijk de instellingen 
genoemd. Naast de VBOK kennen wij 
een protestants-chriftelijk en een 
katholiek bureau voor huwelijksvoor-
lichting en begeleiding van ongewenst 
zwangeren. Ook de FIOM is als meer 
algemene instelling op dit terrein 
werkzaam. Ik zou een en ander zeker 
willen betrekken in deze gedachten-
wisseling over de mogelijkheden van 
hulpverlening. </blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="301" naam="Minister Brinkman">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Ik beantwoord de sprekers 
van achter naar voren. Ik heb 
mevrouw Cornelissen kennelijk 
onrecht aangedaan door niet op al 
haar vragen te antwoorden. Ik had 
eerlijk gezegd de indruk dat ik wel 
was ingegaan op haar vragen over de 
uitvoering van de regeling. Ik zal de 
Kamer informeren over meer 
uitvoeringstechnische aspecten. In 
het algemeen zeg ik toe dat ik de 
Kamer op de hoogte zal houden van 
de bevindingen met betrekking tot 
het toezicht op de uitvoering van het 
besluit. 
Antwoordend op vragen van 
verschillende zijden over de instellin-
gen voor hulpverlening heb ik zeer 
nadrukkelijk in het meervoud 
gesproken. Ook ik heb gedacht aan 
instellingen die op dit terrein buiten-
gewoon nuttige werkzaamheden 
verrichten.  De heer Van Dis zei: de minister 
heeft kennelijk gedacht die principiële 
discussie niet te kunnen - met de 
nadruk op kunnen - voeren. Ik heb 
gezegd dat ik het niet zinvol acht om 
die discussie te herhalen. Ik meen 
namelijk zeer uitvoerig mijn argumen-
tatie te hebben gegeven. 
Ik wil niet zeggen dat ik de 
discussie goed zou voeren, maar ik 
zou dat wel willen proberen. Het leek 
mij eerlijk gezegd overbodig, voor 
een niet onbelangrijk deel gelet op al 
hetgeen door het kabinet al schriftelijk 
naar voren is gebracht. Ik realiseer 
mij zeer wel dat het bij principiële 
stellingnamen niet alleen gaat om de 
zaak waarover wij het vanavond 
hebben, maar ook over vragen met 
betrekking tot euthanasie en draag-
moederschap. 
Uit verschillende opmerkingen die 
ik in de Eerste Kamer en in de pers 
heb gemaakt, kan ook de heer Van 
Dis opmaken dat ik bepaald met dat 
soort vraagstukken niet klaar ben nog 
afgezien van het feit dat het kabinet 
nog bezig is met de bepaling van het 
standpunt daarover. Ik blijf dus graag 
beschikbaar voor een discussie met 
het parlement over dat soort gewich-
tige zaken. 
Ik erken dat er op het punt van de 
privatisering in theorie wel oplossin-
gen denkbaar zijn. Ik constateer in 
lijn met eerdere opmerkingen over 
parlementaire geschiedenis dat die 
weg toch als minder bevredigend 
werd ervaren in ruime kring. Daarmee 
zeg ik niet dat de weg geheel 
ondenkbaar is Vandaar dat ik aan 
het einde van mijn eerste termijn heb 
gezegd dat ik niet uitsluit dat bij een 
komende discussie over de herziening 
van het stelsel van ziektekostenverze-
keringen toch weer eens een 
discussie als deze wordt gevoerd. 
De vraag met betrekking tot artikel 
2 0 van de Wet afbreking zwanger-
schap meende ik al beantwoord te 
hebben door te stellen dat in dit 
artikel gedoeld wordt op medewerking 
van de kant van niet-medisch 
personeel en verpleegkundigen. 
Artikel 20 heeft uitsluitend betrekking 
op hetgeen in de wet zelf wordt 
geregelden dus niet op de financiering 
van abortusingrepen. Aan dat 
wetsartikel kan dus ook niet een 
indirecte medewerking worden 
ontleend of een bezwaar daartegen. 
Zonder het uit te spreken had ik mij 
natuurlijk gerealiseerd dat de heer 
Van Dis vaak nog schonere gedachten 
heeft dan de heer Schutte. Hij heeft 
het nog eens met zoveel woorden 
gesteld, zodat dit voor het nageslacht 
ook duidelijk is. 
Mevrouw Groenman en ik verschil-
len van mening, zelfs over het eerste 
punt van het dictum van haar motie, 
omdat zij in het tweede punt sugge-
reert dat uiteindelijk toch het 
ziekenfondspakket de aangewezen 
oplossing moet zijn. Ik meen voldoen-
de tot uitdrukking te hebben gebracht 
dat dit niet de opvatting van het 
kabinet is. 
Mijn opmerking inhoudende dat 
deelbvan haar motie overbodig kan 
zijn, was gebaseerd op de overweging 
dat blijkens schriftelijke en mondelin-
ge mededelingen van het kabinet er 
voorzien is in een overgangsregeling 
op grond waarvan de overgangsmaat-
regel die door mevrouw Groenman in 
haar motie wordt bepleit overbodig 
kan zijn. Ik realiseer mij dat deze 
toelichting voor mevrouw Groenman 
onvoldoende is. Daarom moet ik 
constateren dat wij verder van elkaar 
verwijderd zijn dan ik strikt genomen 
noodzakelijk achtte. 
Ik moet tot mijn spijt constateren 
dat mevrouw Groenman en ik ook in 
algemene zin niet nader tot elkaar 
zijn gekomen in dit debat. Dat geldt 
eigenlijk ook voor mevrouw Haas. Zij 
zegt dat moties niet uitgevoerd zijn. 
Ik ben van mening dat het nut van 
een debat als dit is dat na kennisne-
ming van de stukken van het kabinet 
kan blijken dat bepaalde moties niet 
geheel of in het geheel niet uitvoer-
baar zijn. Ik dacht dat uit de kabinets-
stukken op zijn minst blijkt dat er 
bezwaren zijn aan te voeren tegen 
uitvoering van de moties waarop 
mevrouw Haas doelde. 
Ik wil daarmee niet zeggen dat zij 
geheel onuitvoerbaar zijn. Het gaat 
niet alleen om een technische 
afweging, maar ook om een politieke. 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Abortus 
 79 Ik wil wel gezegd hebben dat uit mijn 
waarneming na kennisneming van 
delen uit de Handelingen niet is 
gebleken dat alle aspecten die nu 
door het kabinet en door de Zieken-
fondsraad zijn onderzocht toen al zo 
in detail in discussie zijn geweest. 
Het kan zijn dat dit in commissiever-
gaderingen aan de orde is geweest, 
want ik heb die stukken er niet op 
nageslagen. 
De toegevoegde waarde van de nu 
voorliggende stukken is dat nog eens 
in alle details ook de bezwaren 
verbonden aan een eventuele 
opneming in de Ziekenfondswet 
duidelijk naar voren zijn gebracht. 
Dat is een nieuw gegeven. Naar mijn 
mening heeft het kabinet het recht 
een dergelijk nieuw gegeven aan het 
parlement voor te houden en het 
parlement te suggereren op dit punt 
tot een heroverweging van het eigen 
standpunt te komen. In zekere zin 
vindt deze heroverweging vanavond 
plaats. 
Er is natuurlijk een niet algeheel 
vrij zijn van gewetensbezwaarden van 
deze zaak. 
Wanneer de zaak uit belastingmid-
delen wordt gefinancierd of medege-
financierd, dan is het duidelijk dat 
gewetensbezwaarden er links om of 
rechts om ook deel aan hebben. Dat 
komt vaker voor. Ik zie geen andere 
mogelijkheid omdat wij nu eenmaal 
naast belasting- en premiemiddelen 
geen andere financieringsbronnen 
hebben, of wij zouden het moeten 
zoeken in de sfeer van de particuliere 
hulpverlening, gevoed uit particuliere 
fondsen. Dat nu is een oplossing die 
toch niet strookt met de parlementaire 
geschiedenis van dit alles. 
Bovendien zou ik het, eerlijk 
gezegd, ook wat onwaarachtig vinden  om te zeggen: er zijn een stuk of vijf, 
zes varianten denkbaar; één daarvan 
is dat wij er politiek met elkaar niet 
helemaal uitkomen; nu laten wij de 
zaak maar over aan particuliere 
instellingen. Het is best denkbaar, 
maar dat zou ik niet de meest 
gelukkig oplossing vinden. Ik zeg 
ook niet dat het niet aanvullend zou 
kunnen, maar ik geloof niet dat het 
de meest voor de hand liggende 
enige oplossing is. 
Mevrouw Haas wil er zeker van zijn 
dat op termijn op dit punt geen eigen 
bijdrage wordt ingevoerd. Ik kan 
alleen voor dit kabinet spreken. Wij 
hebben die suggestie aan de Zieken-
fondsraad voorgelegd. De raad heeft 
gezegd dat wij er niet aan moeten 
beginnen. Ik denk dat een volgend 
kabinet in dat advies van de Zieken-
fondsraad voldoende aanleiding zal 
vinden om er inderdaad niet aan te 
beginnen, leder volgend kabinet 
staat het vrij om er anders over te 
denken.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="302" partij="CDA" naam=" Cornelissen">
 Voor  alle duidelijkheid: de Ziekenfondsraad 
heeft een aantal voordelen en een 
aantal nadelen van de eigen bijdrage 
opgesomd. Ze hebben daarover bijna 
geen uitsluitsel gegeven.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="303" naam="Minister Brinkman">
 Neen, maar in 
ieder geval was een en ander in 
zodanige formuleringen gesteld - ik 
ben inmiddels gewend geraakt om 
adviezen van de Ziekenfondsraad te 
lezen en ik heb mij ook nog vergewist 
van de zwaarte van de verschillende 
opmerkingen -datik meen, voldoende 
argumenten te hebben kunnen 
vinden in dat deel van het advies van 
de raad om het kabinet niet voor te 
stellen om die route te kiezen. Ik zal 
er later ook niet op terugkomen. 
De heer Schutte heeft terecht 
geconstateerd dat ik de politieke 
verantwoordelijkheid heb aanvaard 
voor het voorgestelde besluit. In 
eerste termijn heb ik mij daarvoor 
jegens het parlement en over de 
hoofden van het parlement heen 
jegens bezwaarden in de samenleving 
verantwoord. Ik houd staande dat het 
mijn bestuurlijke plicht is. Ik acht het 
moreel verantwoord, dat te doen. Ik 
heb daarmee geen uitspraak gedaan 
over de vraag of ik voor of tegen 
abortus ben. Ik heb de taak als lid 
van het kabinet om een eenmaal 
aanvaarde wet te verdedigen en de 
uitvoering daarvan mogelijk te 
maken. 
De heer Schutte had ik willen 
vragen of het bij zijn stelling past om 
hier een verplichte vorm van solidari-
teit voor te schrijven in een situatie 
waarin hij die niet zou willen voor-
schrijven. Past het in die stelling dat 
niet verzekerde personen van bij 
voorbeeld beneden de achttien jaar 
zonder vormen van hulpverlening 
zitten? Dat is een probleem waar wij 
met elkaar niet uit zijn. Voor het 
kabinet is dit een overweging te meer 
geweest om de route te kiezen die is 
voorgesteld. 
Ik zou de heer Leerling graag een 
antwoord geven op zijn vraag met 
betrekking tot geschriften uit de VS. 
Ik heb nog niet de gelegenheid 
gehad het stuk te lezen. Ik zal dat 
zeker doen omdat de heer Leerling 
altijd belangwekkende geschriften 
aanhaalt. Op dit punt moet men mij 
verontschuldigen. 
Dan kom ik te spreken over de 6,6 
min. Het is een raming die de Kamer 
bekend is. Het betreft een bijlage in 
het advies van de Ziekenfondsraad. 
Daar staat in dat er sprake is van 
ongeveer 14.700 behandelingen, 
waarvan vrijwel 100% poliklinisch 
plaatsvindt. Bij een raming van een 
gemiddelde kostprijs van f4 5 0 per 
behandeling komen wij dan op een 
bedrag van 6,6 min. De rekenmeesters 
van Financiën hebben dat geaccor
deerd. Dat is de verklaring van het 
getal. 
Uit de inbreng uit eerste en tweede 
termijn van de Kamer is mij gebleken 
dat niet op alle punten steun voor het 
kabinetsbesluit is te vinden. Op 
bepaalde punten wordt met lichte 
tegenzin steun gegeven of er wordt 
geen steun gegeven. Ik meen wel te 
mogen constateren dat er voldoende 
steun is voor goedkeuring van het 
besluit van de Ziekenfondsraad. Ik 
stel mij dan ook voor zeer binnenkort 
tot een dergelijke goedkeuring over 
te gaan, maar uiteraard niet voordat 
over de ingediende moties is 
gestemd. 
De beraadslaging wordt gesloten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="304" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, aanstaan-
de dinsdag over de moties te 
stemmen. 
Daartoe wordt besloten. 

. 
 Lijst van ingekomenstukken, 
 met de door de Voorzitter ter   zake gedane voorstellen: 
1. zeven Koninklijke boodschappen, 
ten geleide van de volgende voorstel- len van wet: 
- Regels betreffende de verzorging 
van radio- en televisieprogramma's, 
de omroepbijdrage en de steunverle-
ning aan persorganen (Mediawet) 
( 1 9 1 3 6 ) ; 
- Verlaging van het tarief van de 
vennnootschapsbelasting tot 42 
percent en in verband daarmee 
verhoging van de zelfstandigenaftrek 
in de inkomstenbelasting, alsmede 
wijziging van de vermogensaftrek in 
de vennootschapsbelasting (19 143); 
- Wijziging van de Rijksoctrooiwet 
(Stb. 1979, 61) in verband met de 
invoering van de Boeken 3, 5 en 6 
van het Nieuwe Nederlandse Burger-
lijk Wetboek (19 144 (R 1297)); 
- Wijziging van de Beroepswet 
( 1 9 1 4 6 ) ; 
- Wijziging van hoofdstuk XII 
(Ministerie van Verkeer en Water-
staat) van de begroting van de 
ontvangsten van het Rijk voor het 
jaar 1 9 8 4 ( 1 9 147); 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Abortus 
Ingekomen stukken 
80 

- Wijziging van hoofdstuk V (Minis-
terie van Buitenlandse Zaken) van de 
begroting van uitgaven van het Rijk 
voor het jaar 1984 (wijziging naar 
aanleiding van de Voorjaarsnota; 
eerste wijzigingsvoorstel) (19 149); 
- Wijziging van de accountantswet-
geving (19 150). 
Deze Koninklijke boodschappen, met 
de erbij behorende stukken, zijn al 
gedrukt;  2. de volgende brieven: 
- een, van de minister-president, 
minister van Algemene Zaken, ten 
geleide van het actiepronramma voor  het jaar 1 9 8 6 ( 1 9 2 0 1 ) : 
- drie, van de minister van Buiten- landse Zaken, te weten: 
- twee, over Zuid-Afrika (17 895, 
nrs, 32 en 34); 
- een, ten geleide van een Culturele 
Overeenkomst met India (19 152); 
- een, van de minister van Justitie, 
overl S M O (17 0 5 0 , 17 5 2 2 , nr. 4 4 ) ; 
- een, van de minister van Binnen-
landse Zaken, over de begrotingen 
van de Hoge Colleges van Staat 
(18600-11, nr. 11); 
- een, van de minister van Onderwijs 
en Wetenschappen, over de planpro-
cedureW V O ( 1 8 600-VIII, nr. 115); 
- een, van de minister van Volkshuis-
vesting, Ruimtelijke Ordening en 
Milieubeheer, over de Waddenzee 
( 1 8 2 2 0 , nr. 15); 
- een, van de staatssecretaris van 
Vofkshuisvesting, Ruimtelijke 
Ordening en Milieubeheer, over het 
woningwaarderingstelsel (1 8 600-XI, 
nr. 120); 
- twee, van de minister van Verkeer 
en Waterstaat, over de afsluiting van 
de Oosterschelde ( 1 2 4 4 9 , nrs. 92 en 
93); 
- een, van de staatssecretaris van 
Verkeer en Waterstaat, over nieuwe 
lokomotieven voor de N.S. (18 600-
XII, nr. 83); 
- twee, van de staatssecretaris van  Landbouw en Visserij, te weten: 
- een, over de viskweek (1 8 663, nr. 
4 ) ; 
- een, over de begrenzing van het 
motorvermogen in de Zeevisserij 
(19151); 
- een, van de minister van Sociale 
Zaken en Werkgelegenheid, over het 
experiment werk en welzijn in 
Leeuwarden (18 600-XV, nr. 113); 
- een, van de staatssecretaris van 
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur 
en van de minister van Justitie, over 
het Jeugdwelzijnsbeleid (1 5 31 7, nr. 
113); 
- een, van de Nationale ombudsman, 
over de Wet op de lnlichtingen- en 
Veiligheidsdiensten (17 363, nr. 15) 
Deze brieven zijn al gedrukt; 
3. een brief van de minister en de 
staatssecretaris van Financiën, 
houdende intrekking van wetsvoorstel 
18 8 0 5 ( 1 8 805, nr. 7). 
De Voorzitter stelt voor deze brief, 
die al is gedrukt, voor kennisgeving 
aan te nemen;  4. de volgende brieven: 
- een, van de minister van Onderwijs 
en Wetenschappen, ten geleide van 
het Onderwijsverslag 1984; 
- een, van de minister van Verkeer 
en Waterstaat, over de geluidsbelas-
ting rondom de luchthaven Rotter-
dam. 
De Voorzitter stelt voor, deze brieven 
niet te drukken en voor kennisgeving 
aan te nemen. Voor zoveel nodig is 
kopie gezonden aan de betrokken 
commissies;  5. de volgende brieven e.a.: 
- het boekje 'Sociale en Culturele 
Verkenningen 1986' van het Sociaal 
en Cultureel Planbureau; 
- een, van de Kring van directeuren 
van Bedrijfsverenigingen, over 
wetsvoorstel W A G G S ; 
- een, van de Raad van Nederlandse 
Werkgeversbonden VNO en NCW, 
over de voorlichtings- en adviesstruc-
tuur voor het midden- en kleinbedrijf; 
- een, het Hoge Commissariaat voor 
de vluchtingen van de Verenigde 
Naties, over het asielverzoek van 
Iraniërs op Schiphol; 
- een, van het gemeentebestuur van 
Amsterdam, over de dreigende 
sluiting van het Jannahuis; 
- een, van Arjan Poggenklaas, over 
een inzamelingsactie voor de berging 
van de Titanic. 
De Voorzitter stelt voor, deze brief, 
voor kennisgeving aan te nemen. 
Kopie is gezonden aan de betrokken 
commissie;  6. de volgende brieven e.a.: 
- het jaarverslag 1984 van de 
Buitengewone Pensioenraad; 
- een, van het Industriepastoraat 
Bisdom Breda, over inspraak vesti-
gingsplaats van kerncentrales; 
- een, van het gemeentebestuur van 
Rotterdam, over wijziging woning-
waarderingstelsel; 
- een, van de Unie BLHP. over de 
W A G G S ; 
- een, van Vrijbaan, t.g.v. een 
commentaar op de Wet op de 
onbetaalde arbeid van uitkeringsge-
rechtigden; 
- een, van F. J. Sybesma, over de 
controlerende taak van het parlement; 
- een, van de Stichting 'Diessenplas', 
over bezuinigingen bejaardentehui-
zen; 
- een, van de raad van beheer van 
de NOS, over wetsvoorstel Arbeids-
voorwaardenontwikkeling gepre-
mieerde en gesubsidieerde sector; 
- een, van het gemeentebestuur van 
Vries, over eenmalige verpakking van 
bier- en frisdranken; 
- een, van M. Baars, over de actie 
van het Kruisraketten Komite Nee; 
- het jaarverslag 1983 van het 
Algemeen Werkloosheidsfonds; 
- een, van A. L. van de Wetering BV, 
over het grensvervoer; 
- een, van het Havenschap Terneu-
zen, t.g.v. notulen. 
Deze brieven e.a. liggen op de griffie 
ter inzage;  7. het volgende proefschrift: 
- 'Eindstrijd en ondergang van de  Indische bestuursdienst: Het Corps 
binnenlands bestuur op Java 1945-
1950', door G. C. Zijlmans. 
Dit proefschrift is opgenomen in de 
bibliotheek der Kamer. 
Tweede Kamer 
18 september 1985 
Ingekomen stukken 
81 

	

</spreker>
</blok>
</onderwerp>
</text>

</handeling>

